1990.02 nr. 311

Levend geloof 1990.02 nr. 311

Vijf facetten van het volle evangelie door Gert Jan Doornink

Het gaat in deze eindtijd om het ‘volledige aanvaarden van het volledige evangelie’, schreven wij in ons vorig nummer. En ook in dit openingsartikel willen wij nog eens de nadruk leggen op dit belangrijke feit. De volledige overwinning op het rijk der duisternis zal alleen gestalte krijgen in en via kinderen Gods die zich dat ten volle realiseren. Maar wat betekent nu de aanvaarding en beleving van dit volle(dige) evangelie? Wij willen enkele punten onder ogen zien.

  • In de eerste plaats zullen wij moeten geloven in de goedheid van God. Eeuwenlang is de duivel er in geslaagd miljoenen mensen – en ook de meeste christenen – te indoctrineren met de gedachte dat zowel ‘het goede’ als ‘het kwade’ dezelfde oorsprong hebben, namelijk God. Terwijl door de komst van Christus toch zeer duidelijk geopenbaard werd wat Gods wil en bedoeling was met de mensheid: “het goede, welgevallige en volkomene” (Rom. 12:02b). Christus was immers de afdruk van Gods wezen en de afstraling van Gods heerlijkheid (Heb. 01:03a). Gods wezen, Gods karakter is enkel goedheid, enkel licht. Johannes weet het zo te verwoorden: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (1 Joh.1:5b).
  • Ten tweede is het belangrijk dat wij ons bewust zijn dat wij betrokken zijn bij een geestelijke strijd. Deze strijd is niet “tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12). En deze strijd kunnen wij alleen succesvol voeren als wij ons bewust zijn dat onze (geestelijke) plaats met Christus is in de hemelse gewesten (Ef. 02:06). Alleen van daaruit kunnen wij strijden en overwinnen.
  • Ten derde dienen wij te geloven dat Christus overwinnaar was en wij met Hem. Christus was de eerste die een volledige overwinning op de vijand behaalde. Reeds tijdens Zijn bediening op aarde was Zijn getuigenis: “De duivel heeft aan Mij niets”. Het geheim van Zijn overwinning was de volheid van Gods Geest die in Hem was. Maar ook wij, die geroepen zijn om Zijn voetstappen te treden (1 Petr. 02:21), mogen delen in Zijn overwinning. Dit is geen automatisme, maar een bewust verlangen en inzet om ook te overwinnen. Jezus is daarbij ons grote Voorbeeld. Hij was de “Eersteling onder vele broederen”. Wij behoren tot de overwinnende gemeente en gaan dit door geloof en gehoorzaamheid waar maken in ons leven.
  • Als vierde punt willen wij attenderen op het feit dat wij behoren te geloven dat Gods Koninkrijk niet van deze wereld is. Nog steeds zijn er heel wat kinderen Gods die zich meer bezig houden met ‘aardse’ dingen dan met ‘hemelse’ dingen. Zij weten precies te vertellen hoe alles in deze eindtijd zich op aarde zal ontwikkelen. Wie de diverse boeken en bladen met allerlei natuurlijk gerichte, aardse theorieën er op naslaat, weet hoe misleidend dit alles is. Steeds moet alles ‘bijgesteld’ worden, terwijl men volledig voorbij gaat aan de uitspraak van Jezus dat Zijn Koninkrijk een geestelijk Koninkrijk en niet van deze wereld is (Joh. 18:36). Als wij onze plaats hebben ingenomen in dat Koninkrijk krijgen wij ook zicht op het einddoel: de volkomenheid in Christus.
  • Als punt vijf – in aansluiting op het vorige – willen wij nog eens de nadruk leggen op de betekenis van de Bijbel als geestelijk boek. De Bijbel is alleen geestelijk te verstaan. Dat houdt ook in dat wij zonder de doop en vervulling met de Heilige Geest onmogelijk Gods wil en bedoeling kunnen begrijpen. Paulus schreef reeds dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt. Wat letterlijke interpretatie heeft veroorzaakt zien wij aan de talrijke sekten en dwaalleringen, die er in de loop der eeuwen binnen het Christendom zijn ontstaan en die zich allen beroepen op de Bijbel.

Wij willen ons in dit artikel beperken tot deze vijf punten. Uiteraard is deze opsomming van enkele aspecten van het volle evangelie lang niet volledig. Het gaat er echter om dat wij oog hebben hoe belangrijk het is dit evangelie in zijn totaliteit te aanvaarden, te beleven en uit te dragen. Want Jezus sprak, in Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14), dat “dit evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken” .

 

Bevrijding van demonie door Evert van de Kamp – 2 –

In het eerste artikel over dit onderwerp zagen we dat demonie geen verzin­sel van mensen of een zaak van slechts bijgeloof is, maar helaas vaak bi­zarre werkelijkheid. De aspecten: wat is demonie en hoe ontstaat het, kre­gen ruime aandacht. Nu het vervolg en de slotconclusies.

Voorbeelden uit de Bijbel

Het eerste verhaal, dat ik u noem, is beschreven in Matteüs 15 vers 21 tot en met 28 (Matt. 15:21-28) en Markus 7 vers 24 tot en met 30 (Mark. 07:24-30). Een Syro-Phenicische vrouw heeft een dochter, die niet ‘goed’ is. Voor haarzelf weet ze heel duidelijk wat er aan de hand is. Scherp en zon­der omwegen heeft ze haar (juiste) diagnose gesteld: “Heer, Zoon van David, heb medelijden met mij, mijn dochter is deer­lijk bezeten” (Matt. 15:22) .

Inderdaad, haar dochter is van één of meer duivel­se machten bezeten. Bezet gebied dus. Hoe zou die vrouw tot dit scherpe in­zicht zijn gekomen? Ik denk door de dagelijkse praktijk. Ze constateerde eenvoudig dat het zo was. Bij tijd en wijle was er geen huis met haar doch­ter te houden. Gewone correctie bleek onmogelijk. Ze had al ervaren dat haar dochter daar zelf niets aan kon doen. Het was niet de schuld van het kind dat ze ‘zo’ was.

Om radeloos van te wor­den .

De moeder begreep: Mijn dochter moet bevrijd wor­den van de machten, van de bezetenheid, de bezet­tende macht. Daarom ging ze naar Jezus. In Hem zag ze de enige machthebber, die haar zou kunnen helpen. Tot dat inzicht gekomen, liet ze niet meer los! En de Heer bevrijdde haar door de­monen bezette dochter.

Een andere gebeurtenis vinden we verteld in drie evangeliën: Matteüs 17 vers 14 tot en met 18 (Matt. 17:14-18), Markus 9 vers 14 tot en met 27 (Mark. 09:14-27) en Lukas 9 vers 37 tot en met 43(Luc. 09:37-43). Het gaat over een bezeten jongen. We kijken naar de geschiedenis zoals Markus het heeft opgetekend.

Zijn vader brengt de jon­gen bij Jezus en zegt van hem: “Meester, mijn zoon heeft een stomme geest. En waar die stomme geest hem aangrijpt (bij vlagen -red.), werpt hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond en hij knerst met zijn tanden en verstijft” (Luc. 09:17-18).

Op de vraag van Jezus hoe lang de jongen dit ‘overkomt’, antwoordt de vader: “Van zijn kindheid af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen” (Luc. 09:21-22) .

Ook deze vader kan de problematiek duidelijk en juist verwoorden. Geen vage aanduidingen, maar een bijna deskundige om­schrijving . Alleen twijfelt hij nog aan de oplossing.

In ‘Op hoger grond’ ver­telt Van den Brink het zo: ‘De vader van de maanzieke knaap geloofde in machten. Hij zag wat er met zijn zoon in de onzienlijke wereld aan de hand was. Hij constateerde: ‘Een geest grijpt hem aan en dan schreeuwt hij plotseling’. Deze man wist dat zijn kind vanuit de hemelse gewesten ge­attaqueerd werd. Jezus corrigeerde deze gedach­te niet en verweet hem allerminst geestelijke achterstand. De Heer be­merkte dat deze vader een scherpe kijk had op de oorzaak van de ellende. Hij had even­wel geen besef van de grote kracht Gods, want hij smeekte: ‘Als Gij iets kunt doen, help ons’.

Wat dat betreft was de zogenaamde hoofdman van Kapernaüm geestelijk ver­der. Die sprak tot de Heer: “Spreek slechts één woord en mijn knecht moet herstellen” (Matt. 08:08). Deze man wist dat het gezag, dat hij als militair in de zienlijke of natuurlijke wereld had, Jezus die autoriteit bezat in de onzienlijke of gees­telijke wereld. Wanneer de Meester de machten zou bevelen weg te gaan, zouden de ziektemachten verdwijnen op dezelfde manier als zijn onderge­schikten op zijn bevel wegsnelden. De centurio had een uniek inzicht. Zo uniek dat de Heer zei zo’n groot geloof nog niet gevonden te hebben in Israël.

Deze voorbeeldverhalen spreken voor zichzelf. Het zijn duidelijk te her­kennen vormen van demo­nie. Maar, wat toen was, kan er ook nu zijn. Om ons heen gebeuren vaak dezelfde dingen. Het Woord van God en de Heilige Geest geven in­zicht en inspireren tot handelen. Jezus sprak:

“Drijft handel, totdat Ik terugkom” (Luc. 19:13).

Drijft boze geesten uit

Er zijn mogelijkheden van bevrijding en herstel. De vraag kan gesteld worden of er op het terrein van de medische wetenschap en de psychologie c.q. de psychiatrie mogelijkheden van genezing zijn in ge­vallen van demonie.

Een citaat van dr. Van Dam: ‘Artsen zullen soms de wanhoop nabij zijn. Hoe moet het bijvoorbeeld een oogarts te moede zijn als elk ogenblik de oogsterkte van zijn patiënt ver­andert? Hoe moet een arts onderkennen dat ziekte- symptomen van sommige van zijn patiënten demo­nisch van oorsprong zijn? Ook als hij, vanwege psychosomatische samen­hangen, hen verwijst naar de neuroloog of psychia­ter, zullen hun tabletten en injecties, hun shock­therapie of psychoanalyse helpen, als er demonen in het spel zijn?’

De psychiater dr. Lechner schrijft: ‘Ook de psycholoog kan de samen­hangen niet bevredigend aan het licht brengen, als hij tenminste niet zijn fantasie op de vrije loop laat. Alleen de pastorale ervaring bevestigt de waarheid der Bijbelse be­richten en daarmee de verschrikkelijke werkelijk­heid van bezetenheid, ook in deze tijd. Ook bij vele processen, die psycholo­gisch begrijpelijk zijn, kan satan zijn hand in het spel hebben. Want satan kan ook een uit het onbewuste stammend pro­ces veroorzaakt hebben. Hij is een geraffineerd psycholoog, die de kunst verstaat zich van psycho­logische processen te be­dienen en zich achter hem te verbergen om niet her­kend te worden’.

Men is in zulke gevallen niet in staat om de oor­zaak weg te nemen. Jezus zei het al: “Dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten” . Voor mijzelf ben ik er van overtuigd dat de conclusie gewettigd is, dat als er sprake is van enige vorm van demonie, slechts een bijbels geestelijke op­lossing uitkomst kan bieden.

Professor Brillenburg Wurth schreef eens:

‘Mens-zijn betekent altijd: Leven op de grens van twee werelden, en dat maar niet enkel in de zin van de natuurlijke en de bovennatuurlijke, maar ook van de goddelijke en demonische wereld’.

De psychiater O. Q. Hyder noemt demonische be­zetenheid niet primair een psychologische ziekte, maar allereerst een geestelijk probleem met fysieke en psychotische verschijnselen als inciden­tele bijproducten. Bij een geestelijk probleem moet je zoeken naar een gees­telijke weg van herstel en dus terug naar de Bijbel.

In haar boekje ‘Verslagen vijanden’ doet de bekende evangeliste Corrie ten Boom de uitspraak: ‘De Heer heeft het uitdrijven van demonen als zo iets wezenlijks in heel zijn werk gezien, dat Hij kon zeggen: “Indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen” (Matt. 12:28)’.

Wij kunnen zonder meer stellen dat Jezus ons een voorbeeld heeft nagelaten. De apostel Petrus getuigt in Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) van Hem: “Hij is rond gegaan, weldoende en ge­nezende allen, die door de duivel overweldigd waren”. Daartoe is Jezus ook geopenbaard, namelijk om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 03:08). Aan zijn volgelingen gaf en geeft de Heer een be­lofte en een opdracht. De belofte is: “Als tekenen zullen deze dingen de ge­lovigen volgen: in mijn naam zullen ze boze gees­ten uitdrijven” (Mark. 16:17). De opdracht is: “Drijft boze geesten uit” (Matt. 10:08). Bovendien zei de Heer: “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen (beelden, aanduidingen van boze geesten, -red.) te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” (Luc. 10:19).

Om dit bevel op te kun­nen volgen, geeft de Heer de sleutels van het Ko­ninkrijk der hemelen: “Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven, en wat gij op aar­de binden zult, zal ge­bonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ont­binden zult, zal ontbon­den zijn in de hemelen” (Luc. 10:19) .

Met een voorbeeld wil ik dit illustreren. Het is ge­nomen uit het boek ‘De­monie en bevrijding’ van Frank D. Hammond: ‘Ge­woonlijk spreek ik als volgt tot de demonen: De­monen, ik weet dat jullie daar zitten. Ik ben van jullie aanwezigheid en bo­ze werken op de hoogte. Ik zeg jullie, dat jullie geen recht hebt om in deze persoon te blijven. Deze persoon behoort Je­zus Christus toe. Jezus kocht hem met zijn eigen bloed. Dit lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Alles wat vernie­lend te werk gaat, wordt uitgedreven. Jullie zijn overtreders en jullie moe­ten gaan. Ik sommeer jul­lie in de naam van Jezus te gaan’.

In Jezus’ dagen hebben de discipelen in breder kring gehoor gegeven aan zijn opdracht om boze geesten uit te drijven. Zo lezen we in Lucas 10 vers 17 (Luc. 10:17) dat ze zijn terug­gekeerd met blijdschap en zeiden: “Heer, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw naam” . Het boek Handelingen staat vol met dergelijke situaties. Leest u Hande­lingen 16 vers 16 (Hand. 16:16-18) maar eens. In de oude kerk is de uitvoe­ring van Jezus opdracht voortgezet. Nu is het on­ze beurt handelend op te treden. Te treden in de voetstappen van Jezus, de apostelen en allen die hen navolgden.

Zoek de volledige bevrijding

Op dit terrein is nog veel onwetendheid. Toch hoop ik dat het voorgaande voor velen herkenbaar is. Nu komt het op de prak­tijk aan, om de geeste­lijke kennis met wijsheid toe te passen, geleid door de Heilige Geest. Ontelbaar velen worden min of meer door de machten en bewerkers der duisternis belaagd, gekweld en geknecht.

Ook kinderen Gods kun­nen gebonden zijn. En als we werkelijk eerlijk zijn, weten we van ons­zelf als dat zo is meestal ook wel. Maar berust daar niet in, nooit. Je kunt door alles wat niet goed en zuiver is, door satan gebonden zijn. Het is niet voldoende dat je het de baas bent, je moet er vrij van zijn. Alleen dat maakt gelukkig! Het is heerlijk om een volko­men vrij mens in Chris­tus te zijn (Rom. 08:21). Ieder mens is geroepen om vrij te zijn en te blij­ven (Gal. 05:13; Luc. 11:24-26) . Christus wil zo graag elk mens uit de macht van de boze ver­lossen en vrij maken. De Waarheid – is Christus – maakt waarlijk vrij (Joh. 08:31-36). De satan brengt slechts leugen voort.

De volkomen vrijheid in Christus is niet voorbe­houden aan een klein groepje elitaire christe­nen. Drijf de boze geesten uit uw leven, voorgoed en volhard daar in. Kerk­vaders als Justinus en Origenes bevestigen dat ook de eenvoudigste christen in staat is om bij zichzelf boze geesten uit te drijven. In latere tijden heeft de kerk het er dikwijls deerlijk bij laten zitten. Maar in onze dagen – de tijd van de late regen – komt het te­rug (Jak. 05:07) .

In Jakobus 4 vers 7 (Jak. 04:07) staat een prachtig woord om mee aan de slag te gaan: “Onderwerpt u aan God, maar biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden. Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen”.

Ieder christen wordt op­geroepen de geestelijke handen uit de geestelijke mouwen te steken. Bijbel­se voorwaarden zijn zich wedergeboren en ge­doopt met de Heilige Geest te weten. Precies zó als dat staat in Handelingen 2 vers 4 (Hand. 02:04). En verder is de Heer Zelf onze be­kwaamheid (2 Kor. 03:04-06). Christus bevrijdt ons en… anderen door ons heen.

Lukt het niet om zelf de vrijheid in Christus te vinden – machten kunnen taai zijn en onwillig om te vertrekken – zoek dan hulp bij vertrouwde men­sen. Ik weet dat velen bang zijn zich bloot te geven, om vooral bij in­tieme zaken naar een an­der te gaan. Aarzel toch niet, want het gaat er om dat u vrij komt. U weet toch wie u in zijn ban heeft en u vrees aanjaagt? Geestelijk denkende men­sen verwijten u niets, evenmin als de Heer, en zwijgen als het graf. Zij willen u slechts helpen. Laat u bevrijden en al duurt ‘het gevecht’ soms lang, houd vol tot u volledige bevrijding wer­kelijkheid is geworden. Uit ervaring weet ik hoe heerlijk dat is!

En.. houd u voor de boze dood!

Christus, een machtige verlosser

Jezus getuigde van zich­zelf: “De overste der we­reld komt en heeft aan Mij niets” (Joh. 14: 30). Persoonlijk behaalde Hij de overwinning over het ganse rijk der duisternis. Satan vond niets bij Hem. Zijn dood en opstanding brachten ons een totale overwinning. Aan het kruis betaalde Christus onze zondeschuld, waar­voor de duivel ons nog wil laten boeten, maar weiger dit ten enenmale altijd en in elke situatie. Want Jezus kocht ons uit de macht der duister­nis: “Hij heeft de over­heden en machten ontwa­pend en openlijk tentoon­gesteld en zó over hen gezegevierd” (Kol. 02:15). Christus is het huis van de sterke binnengegaan en heeft hem gebonden. Jezus is meer dan Beëlzebul (Luc. 11:14-22) .

Vandaar dat de schrijver van Hebreeën het uit ju­belt: “Daarom kan Chris­tus ook volkomen behou­den (dat is genezen en herstellen naar geest, ziel en lichaam -red.), wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te plei­ten” (Heb. 07:25). Het is zijn bediening (Luc. 04:18-19) En wat onszelf betreft zegt de Heer: “Sta dan in de volle wapenrusting Gods” (Ef. 04:10-18). In Christus bent u meer dan overwinnaar!

 

Het hemelse Jeruzalem door Hessel Hoefnagel -3-

Daniël en de puinhopen van Jeruzalem.

De profeten in de oude tijd, waarvan Daniël er één was, wisten vaak zelf niet precies, waarop hun gedachten, woorden en handelingen betrekking hadden. Toch werd hun geopenbaard, dat ze ons dienden met die dingen, “die thans verkondigd worden bij monde van hen die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, het evange­lie hebben gebracht”. In deze dingen begeren zelfs enge­len een blik te slaan, want ook zij zijn in grote trouw bezig de Schepper en de mens te dienen, zonder dat ze al­les in detail begrijpen.

De profeten speurden na en waren bezig met de vraag, wat het herstel en de toekomstige heerlijkheid voor het volk van God zou inhouden. De Heilige Geest gaf vooraf getui­genis van al het lijden, dat over Christus zou komen, maar ook van al de heerlijkheid daarna (1 Petr. 01:11-12). “Christus” is Jezus als Hoofd van Zijn lichaam, de ge­meente, vervuld met de heilige Geest.

Daniël was een hoveling aan het hof van de koningen van het Babylonische en het latere Perzische Rijk. Zijn wer­kelijke bestaan wordt door hedendaagse bijbel-commentatoren niet altijd voor waar aangenomen. Het feit echter dat de Heer Jezus blijkens (Matt. 24:15) hem citeert, geeft vrijmoedigheid om de profetieën van het boek Daniël te betrekken op de “tijd van het einde” waar de Heer over sprak.

De profeet Daniël was bezig met het beloofde “herstel van de puinhopen van Jeruzalem” (Jer. 25:12). De profeet Jeremia was tijdens de wegvoering naar Babel in het land Juda (2-stammenrijk) achtergebleven. Hij schreef een brief aan de ballingen in Babel. Daarin wekte hij hen na een gods­spraak op om huizen te bouwen, tuinen aan te leggen, te huwen én zich voort te planten, vrede te zoeken voor de plaats waar men woonde en daarvoor te bidden, zodat in haar vrede hun vrede gelegen zou zijn. Na zeventig jaar zou de Here naar hen omzien en Zijn woord van heil en herstel in vervulling doen gaan, door ze terug te brengen in hun land, alle valse profetieën ten spijt. Ze zouden terugkomen in het land om dat te bezitten. Ze zouden hun God dienen en David, hun Koning, die God zelf hun verwek­ken zou (Jeremia 29 en 30). Deze “David” is de aanduiding van de Messias, Die zou komen en Die als de Heer Jezus Chris­tus is geopenbaard.

Daniël lette op de woorden van de profeet en richtte zich op de geschreven beloften. Ondanks zijn ijver in dienst van aardse gebieders, was hij onophoudelijk geconcen­treerd op de verwezenlijking van de gedachten van God (Dan. 09:02). Ogenschijnlijk was hij, evenals de andere pro­feten, gericht op het herstel van het aardse volk van de Joden en haar tempeldienst te Jeruzalem, getuige zijn ge­bed in hoofdstuk 9. Toen echter de engel Gabriël aan hem verscheen, terwijl hij nog bad, werd hij onderricht om een klaar inzicht te verkrijgen (Dan. 09:22-23). Hij begreep, dat de Geest van God méér bedoelde, dan de wederoprich­ting van het aardse Jeruzalem en zijn tempeldienst.

De zeventig (jaar)weken

Het gezicht van de zeventig weken duidt op een verre toe­komst evenals het gezicht van de avonden en morgens in Dan.8:26. Die verre toekomst betreft de tijd van het einde (vgl. Dan. 08:17-19). Dit is de tijd, waarin wij leven. In deze tijd komt het doel van God met Zijn volk, waarvan Jezus Christus het Hoofd is, tot openbaring. In samenhang met andere profetieën en openbaringen heeft het gezicht van de zeventig weken betrekking op de gemeente van Jezus Christus in haar ontwikkeling naar de volkomenheid.

In Zijn rede over de laatste dingen (Matt. 24) sprak de Heer Jezus over de gruwel van de verwoesting, daarmee doelend op de “verwoester” in (Dan. 09:27) en de gruwelen, die deze zal bewerken (Dan. 11:31; Dan. 12:11).

Deze verwoesting voltrekt zich aan de uiterlijke ver­schijningsvorm van het heiligdom, de heilige plaats en het heilige volk. De uiterlijke verschijningsvorm van de godsdienstige mens zal niet bestand zijn tegen de ver­woestende inwerking van de machten der duisternis. De ge­schiedenis leert, dat de ware kinderen van God niet kun­nen bogen op macht en invloed in uiterlijke zin. Waar zij zich maar enigszins openbaarden, ontstond vervolging, verachting en niet zelden martelaarschap. Hoewel wij, wat deze dingen betreft, “tijden van verademing” meemaken, moeten wij nooit onze zekerheid zoeken in uiterlijke er­kenning en het tot stand brengen van respectvolle gemeentestructuren. Deze blijven kwetsbaar en onder zekere in­vloed van de machthebbers in deze wereld.

Voor de “gemeente in de eindtijd” is de godsspraak aan Daniël over de zeventig weken te plaatsen in de geeste­lijke ontwikkelingen met betrekking tot het volk van God. Temeer omdat onze Heer Jezus deze profetie in verband bracht met de verdrukking, de misleidende “christus”-aan- duiding, de verschijning van het teken van de Zoon des Mensen en Zijn komst op de wolken van de hemel (Matth.24)

Daniël 9 verhaalt ons van de engel Gabriël, die op de tijd van het avondoffer, toen Daniël in gebed was, aan hem verscheen om hem te onderrichten en een klaar inzicht te geven. De woorden van Gabriël zijn dan: zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad,

– om de overtreding te voleindigen

– om de zonde af te sluiten

– om de ongerechtigheid te verzoenen

terwijl deze feiten gepaard gaan met

  • het brengen van een eeuwige gerechtigheid
  • het bezegelen van gezicht en profetie en
  • het zalven van iets allerheiligst (Dan. 09:24).

De komst van het Koninkrijk van God.

Er worden in deze woorden van de engel Gabriël aan Daniël een aantal kernzaken met betrekking tot de komst van het Koninkrijk van God weergegeven. Deze waren bedoeld om aan Daniël een klaar inzicht te geven, maar ze zijn ook voor ons van wezenlijk belang. Het brengen van een eeuwige ge­rechtigheid bepaalt ons als vanzelf bij het werk, dat on­ze Heer Jezus Christus teweegbracht. Eeuwen na Daniël was Hij het, die in gehoorzaamheid aan de wil van God een keer bracht in het lot van de mens. Hij verbrak door Zijn sterven en opstanding de weeën van de Dood, dus de claim die deze had op de mens en de hele schepping (Hand. 02:24). Alle (godsdienstige) mensen voor Hem, behalve de drie in de bijbel beschreven profetische typen Henoch, Mozes en Elia, waren naar hun innerlijke mens onder de macht van de Dood gekomen en konden niet anders dan hopen op Dege­ne, die komen zou. Hun hoop werd niet beschaamd, want bij het verschijnen van de Heer der heerlijkheid in het rijk van de Dood werden vele lichamen der ontslapen heiligen opgewekt en gingen uit de graven (dodenrijk) en kwamen in de heilige stad (hemelse Jeruzalem) (Matt. 27:52-53).

De eeuwige Schepper vervult in grote trouw Zijn profe­tische belofte, aan het eerste mensenpaar. (Gen. 03:15). Hij verbond Zich in Zijn grote mensenliefde (vgl. Titus 03:04) met het zaad van de vrouw, dat uit de eerste mens tevoorschijn zou komen. De eerste van deze nieuwe genera­tie was onze Heer Jezus. Bewust en in volle overgave aan de wil van God was Hij als een graankorrel, die in de aarde valt en sterft. Langs deze weg moest de “Zoon des mensen” verheerlijkt worden. Deze verheerlijking ligt daarin, dat Hij niet op Zichzelf zou blijven, maar juist vanwege dit sterven veel vrucht zou voortbrengen (Joh. 12:23-24). In ditzelfde verband, omdat de Vader in de hemel Zijn Zoon bevestigde met een waarneembare stem, sprak Jezus: “nu gaat er een oordeel over deze wereld, nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot mij trekken” (Joh. 12:31-32).

De overste van de wereld

De feitelijke beheerser van de wereld is niet de duivel, maar de Dood, de engel van de “afgrond”, die in het He­breeuws Abáddon en in het Grieks Apollyon tot naam heeft (Openb. 09:11).

Deze macht heerst sinds de zondeval van de eerste mens als koning over de aarde. Zelfs in de tijd tussen Adam en Mozes, toen er nog geen wet was en de zonde nog niet kon worden toegerekend, was deze koning als heerser actief en ging door tot alle mensen, ook degenen die niet gezondigd hadden op de manier van Adam. De zonde van de eerste mens had dus verstrekkende gevolgen voor de hele mensheid.

De genade van God echter, die in Jezus Christus ver­scheen, heeft veel grotere gevolgen. Deze overvloed van genade en van de gave van de gerechtigheid bewerkt, dat de mens weer als koning gaat heersen en het eeuwige leven verkrijgt (vgl. Rom. 05:12-21).

In Zijn afscheidswoorden aan Zijn discipelen sprak Jezus: ”…. de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets” (Joh. 14:30). Net zo min als de duivel Jezus tot ongehoor­zaamheid aan God kon verleiden, zo min kreeg de Dood vat op deze Zoon van de Mens en moest hem weer uitspuwen, zo­als indertijd de grote vis de profeet Jona weer moest uitspuwen op het droge (Jona 02:10).

Van de komende Trooster, de Geest van de Vader, die de Heer zou zenden als Hij zou heengaan tot de Vader, zei Jezus, dat deze de wereld zou overtuigen van zonde, ge­rechtigheid en oordeel. Dit zuivere oordeel, dus het aan­brengen van scheiding tussen wat bij de mens hoort en wat niet bij de mens hoort, werd mogelijk omdat de Macht van de dood, de beheerser van de wereld, geoordeeld was (Joh. 16:05-11).

Vanwege de gehoorzaamheid van de Eersteling van de nieuwe schepping, Jezus Christus, kon de Vader Zijn Zoon opwekken door de kracht van de inwonende Heilige Geest en de Heer stond op om te verschijnen in de heerlijkheid van de Vader.

Als gevolg van dit “wapenfeit” in de wereld der geesten kan de innerlijke mens, die dood is vanwege de zonden, door bekering, wedergeboorte en geloof in God gehoor ge­ven aan de stem van het Evangelie: “Ontwaakt, gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten” (Ef. 05:14). Op deze wijze wordt het lichaam van Christus openbaar als de laatste Adam, welke niet slechts een levende ziel, maar een levendmakende geest is. Op de openbaring van deze “zoon” wacht de gehele schepping (Rom. 08:23).

Over de eeuwige gerechtigheid van deze nieuwe “Adam” sprak de engel Gabriël tegen Daniël, zonder wellicht zelf ten volle inzicht te hebben in de boodschap, die hij moest overbrengen. In het werk van Jezus Christus en de vorming van Zijn geestelijk lichaam worden gezicht en profetie bezegeld. Door de inwonende Heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat en de gelovigen vervult, wordt iets “allerheiligst” gezalfd (Dan. 09:24). De periode van “zeventig weken” betreft de volle tijd, waarin het plan van God met de mens zich voltrekt. Deze periode wordt in de profetische waarde onderverdeeld in drie deeltijden, namelijk:

-een periode van zeven weken

-een periode van tweeënzestig weken

-een periode van één week (Dan. 09:25-27), waarin op de helft een ingrijpende kentering plaats vindt.

Als vergelijking, vanwege dezelfde profetische betrokken­heid, kennen we in de profetieën van het boek “Openbaring van Johannes” de aanduiding: “tijd, tijden en een halve tijd (Openb.12:14), welke aanduiding ook wordt gegeven in (Dan. 12:07).

De bovenstaande onderverdeling uit (Dan. 09:24) is te plaat­sen in de ontwikkelingen, zoals de gemeente van Jezus Christus sinds haar eerste vorming meemaakt op weg naar haar bestemming.

 

Wat is bekering door Margreet Gast

Het leven begint bij…

De mensen van de wereld kunnen hier van alles aanvullen, maar een kind van God zal uitroepen: bij mijn bekering! Elke christen zal van zijn of haar bekering kunnen getuigen. Een meestal is het een verhaal van een proces, wat aan en in die mens plaatsvond doordat Gods Geest aan het werk was.

Wat gebeurt er zo al voordat een mens tot be­kering komt? Hoe vinden mens en Woord elkaar?

De mens

De mens is er voor ge­maakt om in harmonie en vrede te leven met zijn Schepper en met de men­sen om hem heen. Dit houdt in dat elk mens, diep van binnen, of hij het zich bewust is of niet, zoekt naar zijn ’thuis’. Hij wil die geestelijke situatie vinden waarin hij veilig is en vertrouwd, geliefd en geaccepteerd. Want vanuit zo’n thuisbasis kan de mens echt gaan leven.

De mens wordt in een bo­ze wereld geboren. De sa­tan zal zijn beslag al (wil­len) leggen op dat leven: al in de kinderjaren of nog eerder. Hij doet dat zo dat bij sommigen zelfs de hoop op het goede ver­stikt. Maar wat de satan ook aan kwaad en verderf in de schepping kan doen, hij kan niets veranderen aan het onvernietigbare feit dat elk mens een schepping van God is, en dat de Schepper hem er voor bestemd heeft om te heersen over de schepping- (Ps. 008:006-007). God de Vader bepaalde en bepaalt de oorsprong en bestem­ming van de mens!

Daarom blijft diep van binnen iedereen verlangen naar de vrede die alle verstand te boven gaat. Daarom weet uiteindelijk ieder mens dat het moge­lijk moet zijn het goede, reine, liefdevolle in zijn leven te ontvangen. Er kan heel wat gebeuren in een mensenleven, maar de stem van het hart, die roept om het ware – de Ware – zal blijven klinken.

Het doeltreffende woord

Het Woord van God is er vanaf het begin (Joh. 01:01-02). Dat Woord creëerde de aarde en alles wat er op is. Het Woord van God is gesproken en ‘geleefd’. Het was Jezus die in zijn leven volledig leefde naar dat Woord, en zo toonde wie de Vader was en is. Zo zijn er altijd kinderen Gods geweest in wie het woord van God leefde en door wie het dan ook an­dere mensen bereikte. Een gesprek met een christen, het lezen van een boek. het horen van een preek of Bijbelstudie, een her­innering aan woorden die vroeger zijn gesproken, op allerlei manieren kan het Woord de mens berei­ken. En als zo’n woord dan het hart van de mens treft, dan gaat er wat gebeuren (Hand. 02:37)!

En het zal doeltreffend zijn, want de hemelse Va­der zelf wil immers niets liever dan dat allen tot bekering komen (2 Petr. 03:09b). Eens vinden het doeltreffende woord van God en het roepende hart van de mens elkaar.

Erkennen dat God God is

Alsof de schellen van de ogen vallen, zo komt de mens dan tot het besef wie God is! Het komt dan tot een innerlijk weten en erkennen dat Degene die tot hem spreekt zijn Meerdere is. God komt het toe erkend en aanbe­den te worden om wie Hij is. De bekering omvat: de hemelse Vader de plaats geven die Hem toekomt. God is degene die de mens geschapen heeft en die ook het recht heeft om zijn leven te bepalen!

Erkennen wat zonde is

Als het Woord van God doeltreffend het hart van de mens bereikt, komt deze ook tot het besef dat zijn leven, zoals dat tot dan toe was, niet naar Gods bedoeling was. Er waren wel inspanningen om het goed te doen, ze­ker wel. Maar hoe vaak was er machteloosheid: wat men wilde doen en bereiken, kreeg men niet voor elkaar. Een het goe­de wat gedaan was, had geen eeuwigheidswaarde. De mens beseft dan ook bij zijn bekering: ‘al die inspanningen: zonde van de energie! Al die jaren zonder God: zonde van de tijd!’

Bekering houdt in: het besef dat het oude leven heilloos was, en het weten dat een leven met God pas echt waarde heeft.

Berouw hebben hoort er ook bij

Berouw hebben, om de dingen die verkeerd zijn gedaan, hoort ook bij de bekering. Als de liefde voor God en Zijn plan met mensen, in het hart gebo­ren wordt, als de mens vol verbazing en dank­baarheid de uitweg uit het oude leven aanneemt, kan het niet anders, of er is een oprecht berouw over de zonden. De gees­telijke waarheid dat de duivel zondigt van den beginne (1 Joh. 03:08), ontslaat de mens niet van zijn verantwoordelijkheid voor zijn daden. Ook al waren de machten der duisternis in het oude leven soms sterker dan de mens, het kwaad is door hem of haar heen gebeurd.

De kracht tot behoud

Maar, het ‘slaaf van de zonde zijn’, zal men graag willen inwisselen voor een leven ‘in dienst van God’ (Rom. 06:06 en Rom. 06:13). En door Jezus is dat mogelijk. Door zijn kruisdood werd de muur van zonde, die tussen God en mens in­stond, afgebroken. Zo wordt het mogelijk voor de mens, te leven naar Gods wil. Houden van Gods plan met mensen gaat gelijk op met: haten van de zonde, en verlan­gen om volledig uit de slavernij van satan ver­lost te worden.

Door Gods Geest zal de mens tot erkentenis van de waarheid komen (1 Tim. 03:04b). De liefde van God gaat naar de mens uit. Aan God ligt het niet. Hij wil elk van Zijn schitterend mooie schep­selen in Zijn Koninkrijk van vrede en vrijheid brengen.

De mens, die met een goddelijke liefde van de hemelse Vader gaat hou­den en van Zijn bedoelin­gen met het leven van de mens, zal daardoor sterk zijn om het oude leven volledig achter zich te laten. De Waarheid erken­nen en er van houden is in de mens als een sterke kracht. Door zo iemand heen kan Gods werk – tot Zijn eer – openbaar ko­men.

 

Fundament en gebouw door Wim te Dorsthorst

Als Paulus in de brief aan de Korinthiërs schrijft hoe men zich moet gedragen in de ge­meente, dan vergelijkt hij de gemeente met een bouwwerk. Hij zegt dat hij, naar de genade Gods die hem gegeven is, als een kundig bouwmeester het fundament gelegd heeft, waarop een ander – zegt hij – voortbouwt (1 Kor. 03:10). Vervolgens zet hij uiteen hoe belang­rijk het is met welke ma­terialen een ieder bouwt, wil dat gebouw bestand zijn tegen het vuur van de dag die komt (1 Kor. 03:13) .

Onze Heer spreekt even­eens van een bouwwerk, een huis, dat op een fun­dament gebouwd dient te worden. We kunnen dat lezen in Matteüs 7 vers 24 tot en met 27 (Matt. 07:24-27) en in Lukas 6 vers 46 tot en met 49 (Luc. 06:46-49).

Wat opvalt is dat Paulus meer ingaat op het mate­riaal waarmee – terwijl Jezus nauwkeurig het fundament omschrijft waarop het huis gebouwd moet worden, wil het be­stand zijn tegen de stor­men en de watervloeden van de dag die komende is. Tweeërlei fundament en tweeërlei bouwmateri­aal dus. Beiden zijn dus mogelijk en beiden heb­ben bepaalde verstrek­kende gevolgen.

Het huis Gods

Nu gaat het uiteraard niet om zo maar een bouw­werk, maar om de gemeen­te van Jezus Christus, het huis Gods. Maar iede­re gelovige is weer, be­hoort weer te zijn, een levende steen in dat huis Gods, in dat geestelijke huis (1 Petr. 02:05).

Iedere gelovige is op zich ook weer een tempel van de Heilige Geest, dus ook een huis Gods. Paulus zegt immers: “Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest van God in u woont?” (1 Kor. 03:16; 1 Kor. 06:19). Al die Geest- vervulde gelovigen samen, al die levende stenen, vormen samen het huis Gods, welke gebouwd wordt door de Zoon Jezus Christus (Heb. 03:04-06).

De gemeente van Jezus Christus is het hoogste, het heiligste, in de hele kosmos. Het is het huis Gods, het geestelijke Is­raël, het hemelse Jeruza­lem, de berg Sion, het lichaam van Jezus Chris­tus, de bruid of de vrouw des Lams, de vrouw van God. Het is het heilsorgaan, een koninklijk priestervolk, waarmee en waardoor de duivel en de dood teniet gedaan zal worden en dat tot in alle eeuwigheden als koningen zal heersen temidden van de volken (Openb. 22:05; Openb. 05:10).

Het is naar het eeuwige voornemen van God, dat alles wat in de hemel en op de aarde is, onder één hoofd – en dat is Je­zus Christus – samenge­vat zou zijn ter voorbe­reiding van de volheid der tijden (Ef. 01:10). De gemeente, het lichaam van Christus, is hierbij echter niet los te denken van het hoofd Jezus Christus zelf.

De grote dag

Het zal duidelijk zijn dat de grote tegenstander van God en mensen: de duivel zal trachten bij de bouw van dit huis Gods, bij de­ze gemeente van Jezus Christus, zijn misleidend en vernietigend werk te doen.

Nu is het echter wel zo dat er een bepaalde tijd gaat komen, waarin pas duidelijk zichtbaar zal worden of fundament en gebouw overeenkomstig de wil van de bouwmeester zijn. Dus gebouwd met de juiste materialen en rus­tend op het juiste fundament. Op de dag’ zal het openbaar komen, zegt Jezus en ook Paulus.

De profeten hebben veel gesproken over die dag’ of ’te dien dage’ of ‘de dag des Heren’. Jezus zelf spreekt over ‘de dag van de Zoon des mensen’ of over ‘Mijn dag’ (Luc. 17:24; Joh. 08:56). Ook Paulus spreekt over ‘de dag des Heren’ (1 Thess. 05:02) en Johannes spreekt in Openbaring van ‘de grote dag’ (Openb. 06:17; Openb. 16:14).

De dag des Heren is de tijd dat de volledige scheiding tussen licht en duisternis, tussen vlese­lijk en geestelijk, tussen waarheid en leugen, tus­sen leven en dood, zich voltrekt. Dit proces is be­gonnen met de eerste komst van Jezus Christus (2 Tim. 01:10) en vindt zijn voltooiing bij Zijn tweede komst (Hebr.l:6) of de wederkomst des Heren (1 Thess. 04:16; Titus 02:13) . Het is ‘de grote dag’, een bepaalde tijd, aan het einde van deze bedeling.

Horen wat de Geest zegt

In de rede over de laatste dingen in Matthéüs 24, Markus 13 en Lukas 21, noemt Jezus vele tekenen, waaraan de gelovigen dui­delijk deze tijd kunnen onderkennen. Niet in het minst echter is het door de werking en de openba­ring van de Heilige Geest in de gemeenten, dat ver­staan wordt dat het einde der tijden aangebroken is.

Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt, lezen we zeven maal in Openbaring. Alles wat nog verborgen is, zal dan aan het licht komen. Het goede wat uit God is, zal blijven bestaan, het demonische, maar ook alles wat van deze wereld is, wat vleselijk is, zal geen stand kunnen houden.

De tekenen van de dag

Paulus, en ook de Heer zelf, bedoelen met genoem­de uitspraken niet in de eerste plaats de algehele toestand, die in de schep­ping ontstaat, maar be­doeld wordt waar het huis Gods, de gelovigen, u en ik, mee geconfronteerd gaan worden, namelijk ‘vuur’ en ‘watervloeden’.

De hele schepping zal een demonische verdrukking meemaken, waarvan Jezus zegt: “Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der we­reld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal” .

En: “Op de aarde zal ra­deloze angst onder de volken zijn vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de men­sen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen” (Matt. 24:21; Luc. 21:25b-26) .

Maar de hele legermacht van de vijand zal zich juist samentrekken rondom het volk van God en trachten dit te verwoesten. Verleidingen, intimidatie, geweld, leugenleringen, bedrieglijke tekenen en wonderen, alles zal de antichristelijke macht aan­wenden om het volk van God te misleiden en ten onder te brengen.

Jezus zegt hierover: “Ziet toe, dat niemand u verlei­de. Want velen zullen ko­men onder mijn naam en zeggen: ‘Ik ben de Chris­tus’, en zij zullen velen verleiden” .

En: “Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier., gelooft het niet. Want er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote teke­nen en wonderen dóen, zodat zij, ware het moge­lijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden” .

En: “Dan zullen zij u overleveren aan verdruk­king en zij zullen u do­den, en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns naams wil” (Matt. 24:05; Matt. 24:23-24) .

Paulus zegt dat de anti­christ zal komen naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en allerlei verlokkende ongerechtigheid (2 Thess. 02:09-10a).

Als Johannes op Patmos het beest ziet opkomen die alle kracht en troon en macht van de draak (de duivel) ontvangt, dan ziet en hoort hij: “En het beest opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen. En hem werd gegeven om te­gen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwin­nen (Openb. 13:01-02, Openb. 13:06-07a).

Dat is het vuur waar Pau­lus van spreekt en dat is de stortregen en de stormwind, het bulderen van zee en branding, waar Jezus van spreekt: “Lasteringen tegen God om zijn naam te lasteren en Zijn tent en hen die in de hemel wonen” . De gemeente is het huis van God, gevormd door de ge­lovigen, die hemelbewo­ners, hemelburgers zijn (Filip. 03:20) . Daar is het de duivel en zijn demonen dus om te doen!

Het bouwen op de rots

Wat is het van ontzettend groot belang om niet maar wat aan te sukkelen in deze tijd en te denken: zo’n vaart zal het nu ook wel niet lopen, ik leef netjes, geef ieder het zijne, bezoek trouw de samenkomsten, dus zal de Heer best met mij tevreden zijn. Dit is een valse rust en een enorme misleiding uit het rijk van satan.

Als het huis – je persoon­lijke levenshuis – niet op de rots gebouwd is, dan is het op het zand ge­bouwd. Dan heeft het geen vaste grondslag, geen wettige geestelijke basis. Dan is het gebouwd op vergankelijke dingen, op menselijke inzettingen en verordeningen, op leer-systemen, op vlees. Misschien wel bekering, maar geen volwassen waterdoop. Misschien wel bekering èn waterdoop, maar geen bewust ontvan­gen doop met de Heilige Geest, waardoor je bij het lichaam van Christus behoort (Rom. 08:09). Niet gebouwd dus op het fun­dament van de apostelen en profeten, terwijl Jezus zelf de hoeksteen is (Ef. 02:20) .

Als Petrus belijdt, door openbaring van de Vader in de hemel: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”, dan zegt Jezus: “Op deze petra, op deze rots, zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen” (Matt. 16:16-18).

Dat huis, die gemeente, zal niet weggespoeld worden als het beest uit de afgrond met zijn le­gers als een wolkbreuk en orkaan zich op dat huis zal storten. Naast bekering, waterdoop, Geestesdoop, zal ook die belijdenis door de Heilige Geest in ons hart moeten zijn: “Gij zijt de Chris­tus, de Zoon van de levende God”. Dan is Jezus zelf in ons leven de hoeksteen, de rots, dan ben je niet overdreven vroom of fa­natiek, maar dan ben je een verstandig mens, zegt Jezus, die bij het bouwen van het huis diep gegraven heeft en het fun­dament op de rots ge­legd heeft. Dat huis zal niet aan het wankelen te brengen zijn en zal niet instorten (Matt. 07:24; Luc. 06:48). Let wel, het fundament moet dus op de rots gelegd worden.

Onvergankelijk materiaal

En als dat fundament wel goed is, zoals ook Paulus zegt, dan moet een ieder wel toe zien hoe hij daarop bouwt (1 Kor. 03:10). Ook hier geldt het­zelfde als bij het funda­ment. Hout, hooi en stro, dat zijn de vergankelijke, aardse stoffelijke zaken. Dat zijn menselijke inzet­tingen, geloofsbelijdenis­sen, ceremonieën, wetti­sche instellingen, leugen- leringen, eigenwillige godsdienst.

Zoals bijvoorbeeld de ge­dachte dat de gemeente opgenomen zal worden, voordat het vuur en de orkanen en de stortvloe­den, de grote verdrukkin­gen, komen en dat God dan weer verder zal gaan met het natuurlijke volk Israël. Een natuurlijk volk dus, dat niét de tent van God is, dat niét heilig is en niét in de hemel woont (Openb. 13:06) . Ook niet serieus ingaat op verlos­sing, bevrijding en levens­heiliging. Toch allerlei za­ken achterna loopt waar Jezus en de apostelen ons juist voor waarschuwen.

Veel meer zaken zijn te noemen die te vergelijken zijn met hout, hooi en stro, maar ‘een ieder zie zelf toe’ hoe hij op het enige juiste fundament – en dat is Jezus Chris­tus, de rots -, zijn levenshuis bouwt (1 Kor. 03:10b). Het vuur ‘van de dag’ zal het uitmaken, zegt Paulus (vers 13).

Een ieder die bouwt met goud, zilver en kostbaar gesteente zal standhouden, al wordt de oven ook ze­ven maal heter gestookt. Goud, zilver en edelge­steente wordt niet door het vuur aangetast. Het vuur heeft daar geen vat op. Zo’n levenshuis is gebouwd met de leer van Jezus Christus en de apostelen. In zo’n levens- huis heeft de Heilige Geest de leiding, de Geest der waarheid, die de weg zal wijzen tot de volle waarheid en die de toeko­mende dingen zal bekend maken. Jezus zegt: Ver­standig is hij die Mijn woord ‘hoort en doet’ (Matt. 07:24) .

Dat is bouwen met goud, zilver en kostbaar ge­steente. Ook zegt Hij: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden” (Matt. 24:13) . En Paulus merkt op dat zij die verloren gaan, de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kun­nen behouden worden (1 Thess. 02:10).

Er zal uiteindelijk een ge­meente, een volk van God, overblijven die enkel uit liefde tot de Heer, die de waarheid is, de weg in volharding tot het einde zal zijn gegaan. Een volk waardig de vrouw van het Lam, de bruid van God te zijn.

Johannes mag op Patmos deze gemeente in een vi­sioen reeds zien. De engel zegt tot hem: “Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kostbaar gesteente, als de kristalheldere diamant” (Openb. 21:10-11) .

 

 

Bouwstenen door Duurt Sikkens

* “Je zult volmaakt zijn als je hemelse Vader” is geen wet, geen opdracht, maar een belofte.

* De gemeente van Jezus Christus is een bijstands­moeder .

* Bomen geven zuurstof aan de mens.

* Als je geen uitweg ziet, kijk dan es omhoog.

 

1990.01 nr. 310

Levend geloof 1990.01 nr. 310

Waar zouden we zijn zonder het Volle Evangelie? Door Gert Jan Doornink

Een reclameslagzin die het de laatste tijd erg goed doet is: “Waar zouden we zijn zonder de trein?” Het suggereert niet alleen de auto te laten staan en de trein te nemen, maar ook wordt de trein daarbij voorgesteld als iets onmisbaars: niemand kan eigenlijk effectief reizen zonder gebruik te maken van de trein.

Met een variant op deze slogan willen wij de stelling naar voren brengen: “Waar zouden we zijn zonder het volle evangelie?” Als we behoren tot de waarachtige gemeente van Jezus Christus, kunnen we daar in feite maar één antwoord op geven: “Dan zouden we ‘nergens’ meer zijn…”

Het volle evangelie is immers dé boodschap die de mens bij aanvaarding niet alleen overplaatst vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus, maar maakt het ook mogelijk dat het nieuwe leven van Christus beleefd kan worden als een dagelijkse realiteit. Verder wordt door dit evangelie de mogelijkheid geschapen om het einddoel: de volkomenheid in Christus, te bereiken. Daarvoor is geestelijke groei nodig. Zoals in de natuurlijke wereld iemand opgroeit van baby tot volwassene, zo is dit, als het goed is, ook in geestelijk opzicht het geval. En zoals in het natuurlijke leven gezonde voeding erg belangrijk is, geldt dit ook ten aanzien van het geestelijke leven.

Ontvangen wij gezonde geestelijke voeding? Worden wij opgevoed in de (gezonde) leer van het Koninkrijk? Leren wij geestelijk te strijden en daardoor geestelijk te overwinnen? Zoeken wij de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn? Vragen die nog met talrijke andere aangevuld kunnen worden, maar waarop wij volmondig ‘ja’ moeten kunnen zeggen, want het gaat om de boodschap die Jezus bracht en later de apostelen. Deze boodschap – dit evangelie – is in deze tijd nog even waardevol als in die tijd.

Het evangelie naar de wil van God

Feitelijk is er ook nooit een ander evangelie geweest, althans geen evangelie dat was naar de wil van God. Voor treinreizigers zijn er verschillende alternatieven mogelijk om te reizen, voor ‘geestelijke reizigers’ zijn er in de loop der eeuwen weliswaar ook verschillende alternatieven op de markt gekomen, maar het zijn stuk voor stuk surrogaten. Ze zijn misleidend omdat satan erin heeft geïnfiltreerd. En een ‘half’ of ‘gedeeltelijk’ evangelie is geen echt evangelie …. burgers van een rijk in de hemelen” (Filip. 03:20) .

De apostel Paulus kreeg er in zijn tijd al mee te maken. In Galaten 1 lezen wij dat hij verbaasd is dat de gelovigen in een ‘ander evangelie’ gaan geloven. Hij stelt heel duidelijk: “Dat is geen evangelie” . Voor Paulus had alleen het ‘volledige evangelie’, zoals hij dat had leren kennen, rechtsgeldigheid.

De taak van “Levend geloof”

Over de aanvaarding en beleving van dit ‘volledige evangelie’ willen wij ook dit jaar weer op veelzijdige wijze schrijven. Veelzijdig, dat wil zeggen dat de artikelen in “Levend Geloof” niet alleen bedoeld zijn voor ‘volwassen christenen’, maar ook gericht zijn om ‘onbekeerden’ en pas-bekeerden’ in contact te brengen met dit evangelie. Bovendien zullen christenen die nog vastzitten aan aards gerichte (dwaalleringen het werkelijke evangelie moeten leren kennen. Een belangrijke taak die wij alleen kunnen uitvoeren dank zij de medewerking van verschillende werkers in Gods Koninkrijk, die ook in ons blad schrijven. En natuurlijk denken wij daarbij ook aan de regelmatige financiële steun die wij van verschillende lezers en lezeressen ontvangen.

We schreven het reeds vaker: het werk van “Levend Geloof” kan alleen ten volle functioneren door de gezamenlijke inzet van gemotiveerde kinderen Gods die ook achter de volle boodschap staan. Zij hebben het evangelie in zijn totaliteit aanvaard en hebben evenals wij het verlangen dat ook anderen dat zullen doen. Wij zijn blij en dankbaar te mogen constateren dat steeds meer lezers en lezeressen gaan ontdekken dat het gaat om het ‘volledige aanvaarden van het volledige evangelie’. Misschien wat superlatief uitgedrukt, maar wij doen dit om de belangrijkheid ervan duidelijk te onderstrepen. Wij kunnen en mogen in deze eindtijd niet de weg van het compromis bewandelen, want dan geven wij de duivel weer kans te infiltreren. Het gaat erom dat God ons ten volle kan gebruiken in Zijn grote plan tot herstel en voltooiing van Zijn schepping. Hij wil zo graag dat we ‘in het centrum van Zijn wil’ zijn en blijven. En hoe zouden we dat kunnen realiseren als we het volle evangelie niet zouden kennen en steeds beter leren kennen?

 

Hemelburgers door Duurt Sikkens

“… burgers van een rijk in de hemelen” (Filip. 03:20).

Veel mensen leggen het boek Hooglied uit als een lied dat alleen maar is geschreven om een ontwakende liefde tussen een jonge vrouw en een man te beschrijven. Dat kan natuurlijk maar het is ook een duet van Jezus Christus en Zijn gemeente. Die verhouden zich als man en vrouw. Hij wordt door Paulus ‘de laatste Adam’ genoemd, wat ’t beste omschreven kan worden als ‘de uiteindelijke mens’. Dan zou je Zijn vrouw ‘de laatste Eva’ kunnen noemen en dat wat zich afspeelt tussen deze twee geliefden is een diep geheim.

Paulus zegt: “Dit geheimenis is groot, maar ik spreek met het oog op Christus en de gemeente” (Ef. 05:32). De enigen die dit geheim als geheim bewaren zijn de twee geliefden en de Vader die ons tot die gemeenschap heeft geroepen.

Jezus bevindt Zich in de hemel, bij de Vader, maar Zijn vrouw ook. Al is ons sterfelijk lichaam zichtbaar op aarde, onze geestelijke gestalte is zichtbaar in de hemel. Daar beleven wij het één zijn, daar waar wij wonen, omdat wij door de uitwerking van Jezus’ opstanding, met Hem zijn samengegroeid. Het is dus nu mogelijk om in de hemel, in het Koninkrijk van God te wonen. Onze inwendige, geestelijke mens is met Hem opgestaan en beleeft het eeuwige leven samen met Jezus Christus. Ben je al ingeburgerd?

 

Bevrijding van demonie door Evert van de Kamp

 

“In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven” (Mark. 16:17).

De in 1880 overleden pre­diker J, C. Blumhardt schreef in zijn dagen al: ‘Onze tijd verdraagt het niet dat men veel spreekt en denkt over aanwezige krachten der duisternis. Zij meent door stilzwijgen feiten te kunnen uitwis­sen’ .

De Hervormde predikant Dr. W. C. van Dam be­gint zijn boek ‘Demonen eruit in Jezus’ Naam’ – oorspronkelijke titel ‘Daemonen und Besessene’ – met het woord ‘Middel­eeuws’. Hij schrijft: ‘Dat is de reactie, die zeer velen geven, wanneer ze iets horen over demonen en bezetenen. Het wil er bij velen niet in dat hier iets anders dan bijgeloof in het spel zou kunnen zijn’.

  1. E. van den Brink po­neert: ‘De theologie houdt geen rekening met het be­staan van de duivel en zijn engelen. Zij heeft af­gerekend met de zoge­naamde middeleeuwse voorstellingen. Maar het bestaan der demonen is geen uitvinding van een hysterisch mens: wij dan­ken onze kennis omtrent hen aan goddelijke open­baring .

Jezus sprak over de on­reine geesten en over Beëlzebul, de overste der boze geesten of duivelen (Matt. 12:27) . Hij wierp de demonen uit en be­vrijdde daardoor de mensen van zonden, ziekten en gebondenheden. Ook beval Jezus zijn volgelin­gen desgelijks te doen, was een essentieel van de opdracht aan discipelen (Matt. 10:01; Matt. 10:07-08; Luc. 10:10; Luc. 10:19) .

De hedendaagse theologie heeft de duivel uit haar denken geëlimineerd en de hypothese van de erfzon­de, erfschuld en erf smet in zijn plaats gesteld. De vijand van de mens is nu de mens zelf. Men strijdt niet meer tegen de boze en wil niet meer van hem verlost wordén, maar van zichzelf’.

Wie bekend is met de geestelijke wereld, weet dat de duivel niet maar een symbool is, maar de tegenstander van God en mensen. Geen mens ont­komt aan zijn beïnvloe­ding . Daardoor is het voortbrengsel van het menselijk hart boos van zijn jeugd af aan (Gen. 08:02) . Daar moeten wij van af en dat kan ook. Met de apostel Paulus kunnen wij zeggen: “Satans gedach­ten (werkingen) zijn ons niet onbekend” (2 Kor. 02:11) . Velen zijn geknecht en gebonden. Daarom wil­len wij over dit omstreden en complexe onderwerp. hoe bemerkt ook, schrij­ven en nadenken. “Om gevangenen loslating te verkondigen” (Luc. 04:19).

Wat is demonie?

Dr. Derek Prince merkt op: ‘Het Griekse woord voor boze geest is ‘daimonion’. Dat is afgeleid van een ander Grieks woord ‘daimon’. In het Nieuwe Testament staat ‘daimonium’ in verband met ‘daimonizomai’. De letterlijke betekenis daar­van is ‘gedemoniseerd’. Dat wil dus zeggen: onder invloed of in de macht van demonen, boze geesten’.

Dat uit zich in vele vor­men. Boze geesten zijn de bewerkers van zonde, ziekte, gebondenheid, be­zetenheid, etc.

Van Dam noemt bezetenheid: ‘De toestand waarbij door gedrongen, dat ze zijn persoonlijkheid hebben overmeesterd en zich van, zijn lichaam en stembanden kunnen bedienen, zolang tot aan hun macht een einde wordt gemaakt’.

Demonen bezitten kennis: Marcus 1 vers 24 (Mark. 01:24): “Wat hebt Gij met ons te maken Jezus van Nazareth? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods” . Handelingen 19 vers 15 (Hand. 19:15): “Jezus ken ik”.

Demonen hebben een wil: Matthéüs 12 vers 14 (Matt. 12:14): “Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitge­varen”. Lucas 8 vers 31 en 32 (Luc. 08:31-32): “Zij smeekten Je­zus , dat Hij hun niet ge­lasten zou in de afgrond te varen. Zij smeekten Hem, dat Hij hun zou toe­staan in de kudde zwijnen te varen” .

Demonen hebben gevoel: Jakobus 2 vers 19 (Jak. 02:19): “De boze geesten geloven ook en zij sidderen” .

Thurneysen zegt het zo: ‘De mens in de bezeten­heid is als onder de voet gelopen, overmand, over­stroomd door de donkere machten, die over hem zijn losgebarsten. Het ‘ bewust handelende, denkende en willende ik wordt volledig opzij ge­schoven en uitgeschakeld. Hij denkt en spreekt: maar precies uitgedrukt denkt en spreekt hij zelf niet, maar ‘het’ denkt, ‘het’ spreekt in en uit hem, dat niet meer/hijzelf is, dat veeleer zich van zijn zelf heeft meester gemaakt, doordat het zich als heer en meester gewelddadig met hem iden­tificeert’ .

Gedeeltelijke bezetenheid

Dikwijls is er sprake van een ten dele. Hierover de arts E. Flöning: ‘We kun­nen onderscheid maken tussen demonische kwel­lingen en demonische bezetenheid. Het verschil ligt min of meer in de he­vigheid waarmee demoni­sche machten bij iemand indringen of hem overval­len en zich aan hem vastklemmen; of ze alleen maar komen en gaan, of gedurende een zekere periode blijven, terwijl in de tussentijden die per­soon bevrijd schijnt te zijn en volkomen normaal’. Leo Harris maakt in zijn boekje ‘Satan overwonnen’ de volgende opmerking: ‘Als wij over bezetenheid spreken, moeten wij er van uitgaan, dat de boze macht of machten bezit genomen hebben van een gedeelte van het lichaam of verstand. Buiten de aangetaste sector kan de

patiënt volkomen vrij en normaal zijn’.

In Matteüs 12 vers 22 (Matt. 12:22) lezen we, dat men tot Je­zus een bezetene bracht, die ‘blind en stom’ was. Er wordt niet gesproken over aantasting van zijn verstand en persoonlijk­heid. Lucas vertelt in hoofdstuk 13 vers 11 en 16 (Luc. 13:11; Luc. 13:16) van een vrouw, die reeds achttien jaar een geest van zwakheid had en (daardoor, door die demon) verkromd was en zich in het geheel niet kon oprichten. Jezus noemt haar een gebondene van satan. Onder handop­legging bevrijdt hij haar.

Kenmerken en signalen

Er zijn veel kenmerken en signalen van bezet-gebied- zijn en bezetenheid en vele vormen van demonie. In het Nieuwe Testament vin­den we tal van voorbeelden van religieuze, lichamelijke, psychische en para psychische aard. Elk geval is weer anders .Om dit te kunnen doorgronden zullen wij, zoals Hebreeën 5 vers 14 (Heb. 05:14) zegt, onze zinnen moeten oefenen in het onder­scheiden van goed en ‘kwaad.

De Duitse psycholoog Oestereich wijst er met nadruk op, dat de kentekenen van bezetenheid door de loop der eeuwen heen gelijk zijn gebleven. Hij vindt dat de evangeliën de bezetenheidstoestand correct weergeven en spreekt van de historische waarde van het Nieuwe Testament.

Het beginsel der wetteloosheid

Bij gebondenheid spreken we over het beginsel der wetteloosheid. Dat dringt de mens binnen. Zo kan iemand gebonden’ zijn aan leugen, drift, onrein­heid, nicotine, drank, drank, drugs, verdovende middelen, spel, etc. Een mens is gebonden als hij zondige dingen moet doen, die hij niet wil. Je leest het wel in de krant: ‘Ik weet niet hoe het kwam, maar ik moest dat doen’.

Een waarlijk vrij christen behoeft geen zonde te doen. In Romeinen 7 vers 14 tot en met 24 (Rom. 07:14-24) schetst Paulus de situatie van voor zijn bekering en bevrijding. Hij komt tot de conclusie: “Ik ben vlees verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwa­de, dat doe ik”. Paulus geeft ook aan hoe dat komt: ‘Ik bewerk het niet, maar de zonde (geïnspi­reerd door de duivel) , die in mij woont’.

Dit is de binnenkant zou je kunnen zeggen, maar satan valt evenzeer van buiten af aan. Ik noem dit geestelijk, of als u wilt ongeestelijk terrorisme. Ik heb gezien dat normale correctie dan niet mogelijk is. Dat is een stukje erva­ring opgedaan in de leer­school van de Heer. Er moet dan iets ‘anders’ ge­beuren .

Ik heb zo eens een ver­schrikkelijk moeilijke leer­ling onder mijn hoede ge­had. Al gauw merkte ik dat het hem bij vlagen heel erg ‘moeilijk’ werd gemaakt. Er was duidelijk sprake van demonische in­vloeden. Zijn moeder, zelf evenmin vrij, typeerde dat heel juist met de woor­den: ‘Hij is van de duivel bezeten’. Overigens had zij geen enkele oplossing voor dit probleem. Met mijn ‘nieuw’ verkregen kennis heb ik hem twee jaar lang, zo goed en zo kwaad als het ging, gees­telijk mogen opvangen.

Er zijn psychiaters die volmondig erkennen dat zij met werkelijk bezeten mensen niets kunnen uit­richten. In een t.v.-uit­zending van de N.C.R.V. gaf een Noord-Hollandse evangelist een getuigenis hoe hij een volstrekt be­zeten vrouw in de naam van Jezus totaal had mogen bevrijden. Na afloop van het programma gaf de psy­chiater Dr. Frank van Ree zijn visie. Aan de orde kwamen de vragen: Waar liggen de grenzen van de wetenschap en wat kan een psychiater doen als een bezetene bij hem komt, komt? Zijn antwoord op de laatste vraag was: Eigen­lijk niets. Zonder meer gaf hij toe dat de evan­gelist de enig juiste weg had bewandeld. “Drijft de boze geesten uit”, sprak Jezus.

Hoe ontstaat demonie?

Door de zondeval, sinds Adam Gods schepping aan de vruchteloosheid heeft onderworpen (Rom. 08:20), hebben satan en zijn engelen grip op .heel de mensheid. Het bestaan van de mens wordt door de duivel en zijn trawan­ten belaagd en beheerst.

, De strijd tegen de demo­nie is er nooit één tegen mensen en jezelf, maar tegen al die duistere machten (Ef. 06:12). Dit is een geestelijke strijd in een geestelijke wereld en alleen, maar dan met zekerheid, te winnen in de kracht van de Heilige Geest. De Geestesdoop is hierbij onmisbaar.

Voor alles is het de boze drom te doen, het denken van de mens onder zijn beslag te krijgen. Op ve­lerlei wijze tracht hij bij” de mens binnen te komen, de troon van het mensen­hart te bezetten (2 Thess. 02:04). en demonie in die tempel Gods te bewerk­stelligen .

Om dat te voorkomen is grote waakzaamheid gebo­den. Satan manifesteert zich in diverse gestalten. Als een engel des lichts (2 Kor. 11:14), als een tegenstander (1 Petr. 05:08), als een tegenwerker (1 Thess. 03:05), etc. Ver demonisering kan dan ook op heel veel manieren tot stand komen. Om daarvan enig idee te geven noem ik een klein aantal.

Door zonden.

Het verlangen van de zondemachten gaat uit naar de mens. Als de begeerte van de mens loskomt van God, nemen de boze geesten contact op met die mens. Zij ‘bevruchten’ die be­geerte en dat brengt de zonde voort (Jac.l:15). Je kunt ook zelf de deur voor de vijand openen en contact met de satan zoe­ken, je in zonden storten. Het trieste verhaal van Ananias en Saffira in Han­delingen 5 is hiervan een voorbeeld. In Galaten 5 vers 19 tot en 21 (Gal. 05:19-21) geeft de apostel een opsomming van allerlei werkingen van het vlees, die kunnen leiden tot demonie.

Door afval van het ge­loof.

In 1 Timotheüs 4 vers 1 (1 Tim. 04:01) brengt de apostel Paulus de afval van het geloof in verband met het volgen van dwaalgeesten en lerin­gen van boze geesten. In 1 Korinthiërs 10 vers 20 en 21 (1 Kor. 10:20-21) waarschuwt hij: “Ik wil niet, dat gij in ge­meenschap komt met de boze geesten. Gij kunt niet de beker des Heren drinken en de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des He­ren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten” .

Het toe geven aan ver­keerde begeerten en tot verslaving leidende gewoonten.

Drugs- en alcoholgebruik, bepaalde medicijnen, spel­en gokpraktijken (speel­automaten), etc. kunnen de deur openzetten voor demonische invloeden, –

Door vervloeking en bezwering.

Augustinus verhaalt van een moeder die haar tien kinderen had vervloekt nadat een zoon geprobeerd had haar te verkrachten. Alle tien raakten bezeten. De moeder pleegde zelf­moord .

Door het sluiten van een verdrag met satan.

Bijbelse voorbeelden zijn ondermeer Bileam en Judas Bekend zijn de medaillons met de woorden erin: ‘De­ze ziel behoort aan satan’. Oude Avondmaal formulieren waarschuwden al voor het belezen en/of het zich

toewijden aan de duivel. Een vrouw bezocht een magnetiseur, riep satan aan en schreeuwde: ‘Als God mij niet helpen wil, help jij mij dan satan?’ Demonie was het gevolg.

Door het bedrijven van en het sympathiseren met het occultisme.

“Het actief uitoefenen van occulte praktijken lokt de demonen meer dan iets an­ders. Dit ‘bovennatuurlij­ke’ terrein van de vorst der duisternis is schier onbeperkt. Het wordt enorm gestimuleerd door een ruim aanbod van lite­ratuur, satanische films en toneelstukken, t.v.- en radio-uitzendingen als Parallax en het Zwarte Gat (van Veronica), het bezoeken van samenkom­sten waar hypnose, mag­netisme, helderziendheid- en horen, spiritisme, yo­ga, het wichelroedelopen, etc. worden gedemon­streerd of beoefend.

Door de kwetsbaarheid van kinderen.

Kinderen hebben nog niet hun natuurlijke, laat staan hun geestelijke, verdedigingslinie gevormd. Basham vertelt hoe bij hem een angstgeest was bin­nengedrongen, doordat zijn broer hem had mee­genomen naar een vampierfilm. Het is mij gebleken dat kinderen zelfs binnen de schoolmuren lang niet altijd veilig zijn. Heerlijk dat ouders hun kinderen kunnen heiligen in de Heer.

Deze opsomming lijkt mij voldoende. Veel meer dan dit soort zaken zijn dui­delijk te herkennen. An­dere verschijnselen zijn zo subtiel dat hiervoor de Geestesgave van het onderscheiden der gees­ten nodig is (1 Kor. 12:10). Het woord van de apostel: “Vertrouwt niet iedere geest, maar be­proeft de geesten of ze uit God zijn” (1 Joh. 04:01), is zeer terecht.

In een tweede artikel hoop ik in te gaan op een paar duidelijke Bijbelse voorbeelden van demo­nie en geven we de weg aan voor bevrijding en herstel. We zullen zien dat de Heer Jezus Chris­tus zonder aanzien des persoons een machtige Verlosser, Bevrijder en Heelmeester is!

 

 

 

Bouwstenen door Duurt Sikkens

* Wie de sleutels van het koninkrijk der hemelen is toevertrouwd, bekleedt een sleutelpositie.

* Beloof God maar niks, geloof liever wat Hij jou beloofd heeft.

* Is het stille tijd binnen in je?

* Wat is waarheid? Door God gekend zijn.

* God houdt van je om wie je bent, niet om wat je allemaal doet,

* Bouwen is meer dan stenen stapelen.

* Ben je twee of één?

 

Perspectief voor de toekomst door Piet Snaphaan

“Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter mij ligt, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt…” (Filip. 03:14).

 

Dat ene ding waar ’t juist om gaat

is heel belangrijk in ons leven:

vergeten ’t geen je achterlaat,

wetend wat je te wachten staat,

als je naar ’t doel van God wilt streven.

 

Eerst dit of dat is niet genoeg,

wat ook Jezus eenmaal zei,

ook Hij sprak eens over een ploeg,

als je eenmaal daar de hand aan sloeg,

ga dan aan ’t oud voorbij.

 

Je blik vooruit – ’t geldt u en mij

zie niet meer achterom,

wat vóór ons ligt, zoals Paulus zei,

een geestelijk leven, vrij en blij,

stralend als de ochtendzon.

 

Het hemelse Jeruzalem door Hessel Hoefnagel -3-

De “vrouw” van God

Omdat de Schepper als de Onvergankelijke nooit Zijn oorspronkelijk doel loslaat, profeteerde Hij direct na de zondeval van de eerste mens over de eeuwige verwerping van de slang (satan), door wiens toedoen de vorst van de Duisternis (de Dood) in de wereld van de mens kon infil­treren. Tegelijk verbond God zich met de mens door een belofte. Uit de eerste mens, die een “levende ziel” ge­noemd wordt en met de aarde verbonden was, zou het “zaad van de vrouw” geboren worden. Deze nieuwe mens zou als “levendmakende geest” allereerst de kop van de slang ver­morzelen, ondanks de tegenstand, die deze zou bieden (Gen. 03:15).

De “vrouw” is de aanduiding van de gemeente van Jezus Christus, die de volkomenheid zal bereiken. In haar moe­derschoot ontwikkelt zich de nieuwe generatie, die als “zonen Gods” openbaar zal worden. Deze zonen zijn de eer­stelingen van de nieuwe schepping, die met het Lam staan op de berg Sion. Ze zijn vol van het wezen van het Lam en de Vader in de hemelen. Ze zijn daartoe gekocht “uit de mensen”. Ze spreken het woord van de waarheid en hebben de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon bereikt, want ze zijn onberispelijk (Openb. 14:01-05).

Met grote grimmigheid staat de duivel en satan, die ook de grote draak wordt genoemd, voor de vrouw. Hij weet, dat deze zwanger is en dat de zoon, die zij zal baren, hem de kop zal vermorzelen naar het profetisch woord van de Schepper. (Gen. 03:15). Hij weet dat zijn macht niet verder reikt, dan dat hij dit zaad van de vrouw de hiel kan vermorzelen, dus het kan belemmeren in haar voortgang naar het door God gestelde doel.

Tegen de mens in de hof van Eden, die door zijn ongehoor­zaamheid daaruit verbannen werd en gedoemd was tot een wandel op aarde in plaats van een wandel in de hemel, werd gezegd: “met smart zul je kinderen baren” en “in moeite zal je zwangerschap zijn” (Gen. 03:16).

Hoe is deze profetie uitgekomen! Door onderdrukking en slavernij werd het eerste “kind” van de mens gevormd in Egypte om vandaaruit onder leiding van Mozes op weg te gaan naar het aan Abraham, Izak en Jakob beloofde land. Toen dit volk van God in de volheid van de tijd was geko­men, hetgeen met verdrukkingen gepaard ging, kondigde zich het kind van Bethlehem aan. Hoe ging ook deze ge­boorte met “smart” gepaard vanwege het dreigen van de duivel. Satan inspireerde en misbruikte de goddeloze koning Herodes om dit kind te vermoorden, hoewel het hem niet gelukte (Matt. 02:16)

Ondanks de dreiging en moord, waarmee de Eersteling van de nieuwe schepping In zijn korte aardse leven te maken had, werd Hij overwinnaar door de zonde van de wereld teniet te doen en de macht van de veroorzaker van dood en vruchteloosheid te verbreken.

Door geloof in Jezus Christus is de “vrouw” opnieuw bezig volwassen te worden, maar nu door de vervulling met de Geest van de Vader en de Zoon. De duivel weet echter dat hij slechts weinig tijd heeft (Openb. 12:12) en gaat rond, brullende als een leeuw en hij zoekt wie hij kan verslin­den (1 Petr. 05:08).

Vanwege de voortdurende dreiging van de draak schreeuwt deze vrouw in haar weeën en pijn om te baren. Toch zal haar zaad, dat wil zeggen wat uit haar voortkomt, zich openbaren als “een mannelijk, wezen”,-dat de duivel tege­moet treedt in de hemelse gewesten (dit is de geestelijke wereld). Dit doet de vorst van de duisternis sidderen.

Met grote grimmigheid tracht hij daarom de openbaring van de zonen van God te verhinderen door dit “kind van de vrouw” te “verslinden” middels de verleidende stroom van leugen en ongerechtigheid die uit zijn bek komt. Het kind wordt echter “plotseling weggevoerd naar God en Zijn troon” (Openb. 12:05)

Het zaad van de vrouw

Het zaad van de vrouw werd door de profeet Jesaja aange­duid als het nakomelingschap, dat gezien zou worden als de knecht van God (Jezus Christus) zichzelf tot een vlek­keloos schuldoffer zou hebben gesteld (Jes. 53:10).

Jezus Christus ging als de Hogepriester van het Nieuwe Verbond het hemelse heiligdom binnen. Dit is de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is niet van deze schepping. Hij vergoot Zijn eigen bloed, de drager van het leven en verwierf daarmee een eeuwige verlossing van de claim van de Dood. Als een smetteloos offer stelde Hij Zichzelf beschikbaar om de wil van God te volbrengen. Zo reinigde Hij ons bewustzijn van dode werken, zodat we de levende God zouden kunnen dienen. Door de dood te ondergaan heeft Hij bevrijding gebracht voor de overtredingen onder het eerste Verbond, zodat de geroepenen de belofte van een eeuwige erfenis zouden ontvangen (Heb. 09:11-15).

De profeet en apostel Paulus noemde het nakomelingschap, dat de Knecht van de Here zou zien, zonen Gods (Rom. 09:26; Gal. 03:26). Zij zijn de bedoelde eerstelingen van de nieu­we schepping. Ze zijn voortgekomen als een rijsje uit de wortel van Isaï en als een scheut uit zijn wortels die vrucht zou dragen (Jes. 11:01).

Naar Zijn raadsbesluit heeft God deze eerstelingen voort­gebracht door het woord der waarheid om door middel van hen de hele schepping te herstellen. De apostel Johannes zag in een gezicht de hele nieuwe mensheid als een grote schare, die niemand tellen kan, uit alle volken, stammen, natiën en talen. Deze schare staat voor de troon van God en voor het Lam. Ze is bekleed met witte gewaden en palm­takken in haar handen.

Wanneer dit beeld werkelijkheid wordt, zal de hele schep­ping zich uiten in aanbidding en lofprijzing: “Amen, de lof en de heerlijkheid, de wijsheid en de dankzegging, de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden” (Openb. 07:09-12).

Het is in dit verband te begrijpen, dat de hele schepping met de mens voorop zucht en in barensnood is, terwijl ze met reikhalzend verlangen de openbaring van de zonen van God verwacht (Rom. 08:18-23).

Dit verlangen van de schepping richt zich op het herstel van de oorspronkelijke bestemming en mogelijkheden. Sinds in de eerste Zoon van God het leven van God de vernieti­gende werking van de vorst van de Dood doorstond, is dit herstel ingezet. In de openbaring van de zonen van God ofwel het nakomelingschap van Jezus Christus zet het her­stel zich voort, totdat alles zal functioneren, zoals de Schepper het vanaf het begin heeft bedoeld.

 

Wat betekent gemeente zijn? Door Liesbeth Hagendoorn

 

‘Gemeente zijn is Gods bedoeling

Weet je nog, dat we enke­le maanden geleden hebben nagedacht over het trainen van je geestelijke conditie? Daarbij zagen we, dat er voor deze training geen beter oefenterrein te be­denken is dan: de gemeente.

Maar de gemeente is niet alleen oefenterrein. Gemeente zijn betekent veel en veel meer. Zo veel, dat je dat eigenlijk onmo­gelijk even in een artikel kunt neerschrijven. Waar­om dan toch die titel? Om­dat ik, als ik denk aan de gemeente, mijn hart snel­ler voel kloppen. De ge­meente, daarvoor wil ik warmlopen. De gemeente mag een heel grote plaats in mijn leven innemen.

Ik hoop dat jij, die dit leest, ook bij een gemeen­te ‘hoort’. En als dat niet zo is, dan hoop ik dat je, nadat je mijn gedachten ever gemeente-zijn hebt gelezen, in je hart bent geraakt en dat je in je hart ook overtuigd wordt dat ‘gemeente-zijn’ altijd al Gods bedoeling is ge­weest, vanaf het allereerste begin dat God sprak: “Laat Ons mensen maken” .

Laten we gemeente-zijn eens van dichtbij bekijken. Daarbij stuiten we op een eerste vraag: gemeente- zijn, ja, waarom eigenlijk? Waarvoor ga jij elke zondagochtend – als heel veel anderen nog lekker op een oor liggen of aan het sporten zijn – vroeg je bed uit, naar de gemeente? Waar­voor ga jij elke zaterdag- (of vrijdag-)avond – als je klasgenoten zich verma­ken in de disco – naar je jeugdgroep? Waarvoor doe je dat? Met welk doel?

Het verlangen van Gods hart

We gaan daarvoor helemaal terug naar het allereerste begin van alles. Naar die zesde scheppingsdag, waarop God Zijn diepste verlangen in woorden om­zette: “Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis…” (Gen. 01:26).

Het hoge woord was eruit! Heel de schepping was klaar… in afwachting van dat ene, hoogste schepsel, waarom alles draaide: de mens. Partner van God! Metgezel om alles mee te delen! Dat was het verlan­gen van Gods hart, daar­om dacht God aan mensen.

En God schiep de mens (Gen. 01:27). Een wezen naar Zijn beeld, zo op Hem lijkend. . . De gelijke­nis was zo treffend dat God zei: “Het is zeer goed” (Gen. 01:31).

De mens. Een wezen, ge­maakt om contact te heb­ben met zijn Schepper. Maar ook gemaakt om contact te hebben met andere mensen. Geestelijk contact, van hart tot hart. Want zo had God het be­doeld: Hij verlangde naar mensen, naar een volk, naar mensen samen. Die contact zouden hebben met elkaar. Die elkaar steun, troost, veiligheid, liefde zouden geven. Die elkaar zouden leren, sti­muleren, aanmoedigen, onderwijzen, op voeden.

Aan zo’n volk dacht God. Een volk dat Zijn heerlijk­heid zou uitstralen, in de manier waarop ze met Hem en met elkaar optrokken. God dacht aan: een ge­meente! En Adam zou daarin de eerste zijn, het hoofd van dat volk, voor­aan gaand, de ‘voorgan­ger’ !

We weten: Adam luisterde naar de verleider, naar de duivel, die de mens van zijn hoge bestemming wilde (en nog steeds wil) afhouden. Adam luisterde en zondigde. De mensheid kwam onder de macht van de duivel.

Maar God liet Zijn plan niet los! Zijn volk zou er komen, dat was Zijn vas­te geloof. God gelooft in Zijn zeer goede schep­ping! Zijn geloof is nooit aan het wankelen te brengen. De mensheid zou be­vrijd worden, zodat het opnieuw Zijn volk zou zijn.

Die grote en heel zware taak, om de mensheid vrij te kopen, kwam te liggen op de schouders van de Here Jezus. Hij was de eerste mens die Gods plan echt begreep en er ook helemaal in meeging, er Zijn leven voor inzette. Hij werd de tweede Adam, de ’tweede eerste’ mens. Hij kocht de mensheid vrij uit de macht van de dui­vel, met Zijn eigen leven. Zodat Gods plan gereali­seerd kon worden, name­lijk een volk van God, een. . . gemeente!

En omdat de Here Jezus die zware opdracht zo grandioos heeft vervuld, heeft God Hem aangesteld op een heel hoge plaats, zo hoog dat alleen de He­re Jezus die plaats kan en mag hebben: als hoofd boven het volk van God, als hoofd boven de ge­meente, als hoofd boven de mensheid! (Ef. 01:22).

De gemeente, Gods hartenwens “Vanaf het moment, dat Hij aan mensen dacht, is er gekomen. En in Gods hart is vreugde als Hij ziet dat de gemeente, op heel veel plaatsen in de wereld, ontstaat, ontwik­kelt, opgroeit, geestelijk groot wordt, onder leiding van het Hoofd, Jezus Christus!

De gemeente is als een gezin

Weet je waarmee je de ge­meente zou kunnen verge­lijken? Met een gezin. Wie staan in een gezin aan het hoofd? De ouders. Zij bepalen wat er binnen het gezin gebeurt. Wat wel en wat niet mag, wat wel en wat niet goed is voor het gezin.

Op eenzelfde manier is de Here Jezus Hoofd van de gemeente. Hij bepaalt wat goed is voor de gemeente en wat niet. Hij geeft de koers aan. Hij geeft aan welke ‘kant’ de gemeente opgaat. Hij staat in het middelpunt, Hij is de Spil, waar alles om draait!

In een gezin zijn het de ouders, die aan de kinde­ren opdrachten geven. Ze doen dat niet zomaar luk­raak, maar ze kijken daarbij wat ieder kind aankan. Kleine kinderen krijgen minder moeilijke en verantwoordelijke ta­ken dan oudere kinderen. De taakverdeling zal zo zijn, dat er rust en har­monie is in het gezin, een goede sfeer, waarin iedereen gelukkig kan zijn.

Zo is het de Here Jezus, die binnen de gemeente opdrachten geeft. Hoe? Hij, maakt Zijn bedoelingen bekend door de Heilige Geest. En aan wie dan? Aan mensen in de ge­meente die vol van de Heilige Geest zijn. En dat zijn in de eerste plaats de leiders van de gemeen­te, die mensen die, onder leiding van de Here Jezus, voor het gezin zorgen! De Here Jezus zal in de eer­ste plaats bij die mensen in hun hart leggen wat Hij graag wil.

En Hij deelt niet zo maar willekeurig taken uit, Hij werkt niet met ‘natte-vinger-werk’! Hij kijkt in het hart van elk gemeentelid persoonlijk: is daar in de eerste plaats een diep verlangen om Jezus te dienen, te volgen? Dan zal Hij dat verlangen in­vullen met een taak, die precies bij die ene per­soon past. Een taak waar­in die persoon helemaal zijn capaciteiten en talenten zal kwijtkunnen. Want reken er maar op dat de Here Jezus ‘ef­ficiënt’ omgaat met Zijn gemeente (-leden)! Geen talent of gave zal onge­bruikt, renteloos blijven liggen. Dat is juist wat God en Jezus het liefste willen: dat wij al de gaven die we in ons hebben, ontwikkelen, en dat bin­nen de gemeente, voor de gemeente, zodat de ge­meente erdoor gebouwd wordt.

Maar Jezus is daarbij ook fijngevoelig: Hij geeft je een taak die jij aankan, waar jij aan toe bent. Hij weet precies wat jouw schouders kunnen dragen. Hij heeft geen haast.

Daarin lijkt Hij sprekend op God, die ook geen haast heeft. Maar… Hij zit niet stil. Zijn ogen gaan door de rijen van de gemeente, geduldig, vol liefde, maar ook onderzoe­kend en vol verwachting: wie mag ik inzetten in Mijn lichaam? Wie is er klaar voor?

De gemeente..,. dat ben jij!

En dan ontdekt Hij jou. Jij, die misschien op de achterste rij zit; voor Hem maakt dat namelijk geen verschil. Hij heeft van jou een even grote verwachting als van de­genen die vooraan zitten. Hij kijkt in je hart. En Hij ziet wat in jou, dat ene of misschien wel die vele talenten die jij hebt. Hij. ziet het als je hart in verlangen naar Hem uit­gaat. Als dat zo is, zal Hij tot jou spreken, recht­streeks tot je hart: ‘Zou je misschien jouw muzika­le aanleg voor Mij willen inzetten, ten behoeve van Mijn lichaam? Zou je mis­schien jouw spontaniteit willen geven, waardoor je zo fijn met mensen kunt praten? Zou je je fijnge­voeligheid actief willen gebruiken, waardoor je mensen kunt troosten, helpen, op vangen? Zou je jouw goede verstand willen inzetten, waarmee je Mijn woord zou kunnen onderzoeken en uitleggen aan anderen? Zou je…’ Hij zal jouw verlangen invullen, eraan tegemoet komen.

Ook zal Hij, zoals ik hier­boven al zei, spreken tot de leiders van de gemeen­te. En zij zullen het naar jou toe bevestigen door je uit te nodigen voor die ene bepaalde taak. Zo werkt de Here Jezus door de Heilige Geest, Fantas­tisch, hè?

Als je het nog niet geconcludeerd had, dan zou ik het hier duidelijk willen zeggen: de gemeente, dat ben jij, Dat ben jij. Ge­meente van de toekomst.

De gemeente heeft jou no­dig, zoals in een muur goede stenen nodig zijn ’(1 Petr. 02:04-05) . Als jij het erbij laat zitten, is de gemeente een beetje incompleet. Alsof er midden in een muur een steentje ont­breekt .

Als jij je geeft aan de ge­meente, dan ben je rechtstreeks aan ’t bouwen aan: Gods grootste wens! En Zijn reactie zal dan ook zijn, dat Hij blij met jou is. (En dat is dan zacht­jes uitgedrukt) Vol (vreugde zal Hij bij Zich­zelf denken: alweer een mens, die begrijpt wat Ik van plan ben. Alweer een mens die begint te besef­fen wat een belangrijke plaats de gemeente inneemt I in Mijn plan! Hoera!

Waarop wacht de schepping?

Gemeente. Gods gedachte en wens vanaf het aller­eerste moment dat Hij aan mensen dacht. Gemeente, volk van God, mensen sa­men . Mensen die leven vanuit vergeving. Mensen die steeds verder bevrijd worden van hun vijanden. Mensen die steeds meer de wil van God leren ken­nen. Mensen, die hecht met elkaar verbonden en hecht met de Here Jezus verbonden, uitgroeien tot volwassen geestelijke men­sen, tot volwaardige part­ners van God. God zou het liefste willen dat heel de wereld Zijn gemeente was! Maar dat is nog niet zo. . .

…want daarvoor wil God de gemeente inzetten. Lees eens Romeinen 8 vers 19 (Rom 08:19): “Want met reikhalzend l verlangen wacht de schep­ping op het openbaar worden van de zonen Gods”.

De schepping wacht. Waar­op? Op het moment dat er mensen zullen zijn die, binnen de gemeente, zover gegroeid zijn dat er een tijd aanbreekt, dat ze zonen van God worden (Ef. 04:12-13). Mensen die, binnen de gemeente, de Here Jezus zo gevolgd hebben, dat ze aan Zijn beeld gelijk worden. Men­sen dus, die Jezus Chris­tus ook volgen in: het Zoon-van-God zijn!

En de zonen van God, on­der leiding van de eerste Zoon van God, die zijn het waarop de schepping wacht. En ze rekt haar nek uit om te kijken: ko­men ze al? Zijn ze er al? Want de schepping moet bevrijd worden. Waarvan dan? Dat staat in Romeinen 8 vers 20 en 21 (Rom 18:20-21): van de vruchteloosheid en van de vergankelijkheid. Twee dingen die nu nog heersen over de hele schepping. Twee dingen waarmee de duivel de schepping in zijn greep houdt. Ze komen uit zijn koker. Want bij God is nooit vruchteloosheid, bij Hem is het altijd de bedoeling dat er vrucht komt. En bij God is geen vergankelijk­heid. Bij Hem heeft alles zo’n grote waarde dat het eeuwig blijft bestaan, blijft voortleven.

Uitdaging en verantwoordelijkheid

De gemeente, jij en ik! Wij mogen ons ervoor klaarmaken, ervoor toebe­reiden om zonen van God te worden! Hoe dan? Waar dan? Door onze inzet, in de gemeente. Want de schepping wacht op… jou en mij. Met reikhal­zend verlangen. Hoe lang duurt het nog?

Mensen, wat een uitdaging! Maar ook: wat een verantwoordelijkheid! Gemeente- zijn, wat is dat belangrijk, veelomvattend, alles be­palend.

Zoals ik al zei aan het begin: ik hoop dat ik, door deze gedachten over gemeente- zijn, in jouw hart een vuurtje heb mogen aansteken. Een vuurtje voor de gemeente. (Als dat er niet al was).

Heb een warm hart voor de gemeente! Omdat God er een warm hart voor heeft. Omdat Jezus Chris­tus er een warm hart voor heeft. Wil je Zijn gemeente versterken? Zoek dan naar een hechte relatie met Hem. Dat natuurlijk in de eerste plaats. En als je zo hecht met Hem bent verbonden, zal Hij zeker tot je spre­ken. Je zult Zijn stem ze­ker kunnen verstaan.

Geef het beste wat je hebt! In de tijd van het Oude Testament offerden de Israëlieten het beste van hun oogst en hun kudde aan God, hun eers­telingen (Ex. 23:19a) . Laten wij ook onze ‘eers­telingen’ geven, het beste wat we in huis hebben!

Wees in de gemeente. Voel je er verantwoordelijk voor. Voel je er verbonden mee. Ik zei al: in deze paar bladzijden kan ik eigenlijk nog maar heel weinig zeggen over het gemeente-zijn. Want, laten we eerlijk zijn, de duivel zit niet stil om de gemeente ‘onderuit te halen’. Hij gaat rond als een brullende leeuw, ook in de gemeenten, om on­rust, verwarring, onzuiver­heid, onwaarheid te zaaien, zodat Gods bedoeling met de gemeente ondersneeuwt. Want de duivel weet: als de gemeente werkelijk zo wordt zoals God haar be­doelt, is het afgelopen met hem.

Daarom moedig ik je aan om zelf in de Bijbel op zoek te gaan naar Gods gedachten over gemeente- zijn. Want alleen die ge­dachten moeten voor ons de ‘maat’, de ‘norm’ zijn!

Als er dan van binnen nog geen vuurtje gaat bran­den . . . !

 

 

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts 15 – slot –

De proclamatie van het koningschap van God

We gaan nog even verder met Openbaring 14 waar we in vers 6a lezen (Openb. 14:06a): “En ik zag een andere engel vliegen in het midden des hemels…” (letterlijk: ‘in de midhemel’). De eerstelingen laten hun citerspel horen en terstond komt er weer een engel in beweging. Deze engel reageert op de eerstelingen en komt niet zomaar uit de lucht vallen. Deze engel vliegt in de midhemel. De midhemel is het knooppunt in de geestelijke wereld; je kunt zeggen: het kruispunt waar de wegen samenkomen. Kruispunten zijn vaak erg gevaarlijk. In de midhemel komen alle wegen in de hemelse gewesten samen. Zo zijn er knooppunten boven bepaalde landen of volkeren.

De engel in de midhemel had een eeuwig evangelie. ‘Evangelie’ is oorspronkelijk de boodschap van het Koningschap; de proclamatie van het Koningschap van God. Deze engel gaat het eeuwig evangelie proclameren. In vers 6b lezen wij: “…om dat te verkondigen aan hen, die op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie. De engelen gaan het evangelie proclameren over alle volken, met het doel om over de volkeren de duisternis te verdrijven. Er komt ruimte boven die volkeren.

Dan komt de oogst! In vers 15 lezen we over de oogst die is rijp geworden. Het grijpt allemaal in elkaar. De eerstelingen beginnen. Zij gaan de zaak vrij bidden met hun citers. Daarna komt de engel in beweging, als vertegenwoordiger van de hele engelenwereld en gaat over de volken het evangelie proclameren. Daarna komt de oogst (vs.14-16).

De ondergang van de wereldbeheersers

In Openbaring 14 vers 8 (Openb. 14:08) lezen wij: “En een tweede engel volgde, zeggende: Gevallen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volkeren heeft doen drinken”. De wijnoogst betreft het gericht over de wereldbeheersers (Openb. 14:17-20). Ze gaan in de persbak van de gramschap. “En de persbak werd getreden buiten de stad” (Openb. 14:20a). De wereldbeheersers worden onder de voeten van de gemeente: de Christus, gebracht. Een interessante tekst, die in verband staat met de wijnoogst en de wereldbeheersers is Psalm 76 vers 13a (Ps. 076:013a): “…die de toorn der vorsten verslaat” (Statenvertaling: “die de geest der vorsten als druiven afsnijdt”). De wijnoogst! De vorsten zijn de druiven en hun geest: de wereldbeheersers. Ze worden afgekapt om in de persbak vertreden te worden.

Een belangrijke profetie

Verschillende van de dingen waar ik in deze serie artikelen over geschreven heb, zijn profetisch aangereikt. Ik denk aan de nu volgende profetie, welke aanknoopt bij een oud gezangvers: “Ja, zo spreekt uw Heer:

Rust mijn ziel, uw God is Koning;

heel de wereld zijn gebied.

Alles wisselt op Zijn wenken,

maar Hijzelf verandert niet.

Zulke oude woorden, Mijn volk, zo vaak en door zovelen gezongen, maar nog zo weinig begrepen: Heel de wereld is Mijn gebied!

Mensen, die in ellende geboren worden, Mijn volk; mensen die nooit iets anders zien dan dat en sterven in dezelfde ellende; de uitzichtloosheid van miljoenen mensen. Dezelfde uitzichtloosheid geldt de mensen in een hoog beschaafde cultuur. Ze hebben geen wensen meer voor de toekomst; alles is grijs en «grauw voor hen. Het zijn allen mensen, die door Mijn scheppende kracht tot aanzijn geroepen zijn. Geen enkele daarvan is niet door Mij gekend.

Er zijn ontelbaar velen in duisternis, maar Ik heb ze gezien. Mijn hart gaat naar hen uit, want heel de wereld is mijn gebied, Mijn volk. Maar het wisselt op Mijn wenken. Het zal niet altijd in duisternis gehuld blijven, want waartoe zou Ik dan het Licht der wereld geworden zijn? Ik ben niet het Licht van een kleine uitgelezen groep, maar Ik ben het Licht der wéreld geworden. Het wisselt op Mijn wenken!

Mijn volk, in de hemelse gewesten zal uw strijd zijn voor de volkeren. Ik heb Mij een lichaam verkoren, om mét Mij uitvoerder te zijn voor Mijn plan. Wanneer gij het Mij vraagt, zal Ik u een gebied van deze aarde tonen, waarvoor gij in de hemelse gewesten zult strijden, want daar begint de verandering op Mijn wenken. Ik deel u Mijn wenken mede en gij zult spreken in de hemelen binnen, wat Ik in uw harten leg, om over een bepaald gebied van deze aarde te spreken. En gij zult bemerken dat op uw spreken legioenen engelen aan het werk zullen gaan en strijd zullen leveren voor de Heer en Zijn Gezalfde.

En het zal wisselen op Mijn wenken, omdat Ik niet veranderd ben, omdat Ik het Licht der wéreld ben, omdat Ik mensen gemaakt heb en voor elk mens een kans bereid heb om redding in Mijn bloed te aanvaarden.

Mijn macht reikt verder dan uw inzicht en het uitzicht van die mensen. Mijn macht reikt over de dood heen en aan elk mens zal Ik openbaren wie Ik ben, want de wereld is mijn gebied. Het zal veranderen op Mijn wenken naar het beeld Gods. Mijn volk, de aarde zal tot volheid gebracht worden. Bereid des weg des Heren, maak ruim baan in de hemelen en toon dat gij Mijn lichaam zijt en wenk mijn wenken verder. Rust, Mijn ziel, want voor u ben Ik de Koning en de wereld is mijn gebied, spreekt uw Heer”.

De vier cirkels waarin God gaat werken

God zegt tot ons als gemeente: ‘Wenk Mijn wenken verder!’ Wees u bewust dat heel de wereld Zijn gebied is. Wij mogen deel zijn van de komende Koning. God gaat werken in cirkels. De binnenste cirkel is het volk in de troon. De tweede cirkel zijn de engelen rondom de troon. De derde cirkel zijn de volkeren. De vierde cirkel is de hele schepping.

God gaat in de binnenste cirkel beginnen. Daar is het volk dat het hart van God gaat kennen en Gods hart gaat vertolken naar de engelen toe en via de engelen naar de volkeren. God gaat de volken samenbinden. Eerst gaat God Zijn gemeente samenbinden. In een andere profetie werd gezegd, dat God zegt: “Ik ben de Samenbinder, dit is één van Mijn namen. Ik ben de Samenbinder van ménsen en Ik ben de Samenbinder van volken”.

Zó zal de schepping één worden: één Heer, één God, één naam, één volk, één kudde en één Herder! Amen!

 

1989.12 nr. 309

Levend geloof 1989.12 nr. 309

De komst van de zoon des mensen door Gert Jan Doornink

Wie een overzicht maakt van de belangrijkste gebeurtenissen, waarover we in de Bijbel kunnen lezen, komt al spoedig tot de conclusie dat er heel wat is gebeurd en nog gaat gebeuren tussen ‘de schepping van hemel en aarde’ en ‘de eindvoltooiing aller dingen’. Maar dat de komst van de Zoon des mensen naar deze wereld een centrale plaats inneemt is aan geen enkele twijfel onderhevig.

We spreken met opzet over de ‘komst’ van de Zoon des mensen, want rondom het kerstfeest zien wij vaak een overaccentuering van de herdenking van Zijn geboorte als kind in Bethlehems stal. Natuurlijk is Zijn komst naar deze wereld ondenkbaar zonder Zijn geboorte, en wij mogen dan ook het kerstfeest met grote blijdschap vieren. Maar nooit mag uit het oog verloren worden waarom Christus werkelijk in deze wereld kwam, namelijk als de ‘Gezondene des Vaders’. God legde Zijn hart, Zijn wezen in Zijn Zoon, waarom wij ook in Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) lezen dat Hij de afstraling van Gods heerlijkheid was en de afdruk van Zijn wezen.

In Johannes 3, bij het gesprek wat Jezus had met Nicodemus, komt ook zeer duidelijk het gezonden zijn van Jezus naar voren Johannes 3 vers  17 en 17 (Joh. 3:16-17) . En in Johannes 18 vers 37, (Joh. 18:37) toen Jezus Zich verantwoorden moest voor Pilatus, zien wij dat Jezus Zijn geboorte ook verbonden heeft met Zijn gezonden zijn in deze wereld. Hij zegt: “Hiertoe ben Ik geboren èn hiertoe ben Ik de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem”.

Uit de waarheid of uit de leugen

Dit is een belangrijke uitspraak van Jezus. Hij wist dat velen de ‘waarheid’ zouden afwijzen. Wie niet ‘uit de waarheid is’, wie niet wedergeboren is, wie het nieuwe leven van Christus niet kent, is nog verbonden met de ‘leugen’. Hij is gemakkelijk te infiltreren vanuit het rijk der duisternis en kan zich tijdens het kerstfeest misschien wel laten meeslepen door allerlei romantische of nostalgische gevoelens, al of niet met een religieus sausje overgoten, maar heeft geen enkel ‘zicht’ op het werkelijke doel van de geboorte van Christus.

Eerst wanneer het nieuwe leven van Christus in ons is, en dit nieuwe leven ook regelmatig gevoed wordt vanuit Gods Woord en door de Heilige Geest, ontstaat er een geheel nieuwe situatie. Dan is het oude leven werkelijk voorbij en gaat het nieuwe leven zich hoe langer hoe meer manifesteren. Dan gaan we ook ontdekken dat niet alleen de Zoon des mensen in deze wereld gezonden werd, maar ook wij gezondenen des Vaders zijn. Tot Zijn discipelen sprak Jezus destijds reeds dat zoals Hij gezonden was door de Vader, ook zij gezonden waren Johannes 20 vers 21 zie ook Johannes 17 vers 18 (Joh. 20:21; Joh. 17:18).

Het is goed om juist rondom en tijdens de kerstdagen hier onze aandacht bij te bepalen. Het unieke feit dat de Zoon des mensen in deze wereld kwam en als baby geboren werd, zou geen enkele betekenis hebben gehad als Hij daarna niet was opgegroeid tot volwassene en Hij zich als de Gezondene des Vaders kon openbaren.

Maar dit geldt ook voor ons! Als wij nieuwe scheppingen in Christus zijn, zal uit ons leven moeten blijken of er bij ons ook ‘groei’ is van baby’s in het geloof tot volwassen christenen. Het is ondenkbaar dat men in de natuurlijke wereld het aspect ‘groei’ over het hoofd ziet. Hoeveel te meer zal uit de geestelijke groei van ons als kinderen Gods moeten blijken, dat ook wij ons bewust zijn dat we ‘gezondenen des Vaders’ zijn.

Jezus was de ‘Eerstgeborene onder vele broederen’ zegt Paulus in Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29). En Petrus zegt dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten, opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden 1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21). De komst van de Zoon des mensen naar deze wereld en alles wat Hij deed en sprak tijdens Zijn bediening, mag ons dagelijks inspireren dit grote Voorbeeld te volgen. Hij is onze grote Koning, die het ons, door de volheid van de Heilige Geest, mogelijk maakt Zijn beeld tot openbaring te brengen, Hij, de Zoon des mensen, heeft ook ons het recht van het zoonschap gegeven Galaten 4 vers 5 (Gal. 04:05). De vreugde van het kerstgebeuren wordt er alleen maar groter en echter door hoe meer wij ons dat realiseren! Daarom kunnen wij met grote vreugde kerstfeest vieren en prijzen wij Hem die als kind in de kribbe zijn leven begon, maar thans de Koning der koningen is!

 

Jezus’ moeder door Duurt Sikkens

“…is vrij, en dat is onze moeder” Galaten 4 vers 26 (Gal. 04:26).

In Openbaring 12 vers 1 (Openb. 12:01) wordt gesproken over een vrouw. Wie is zij? Niet Maria, de aardse moeder van Jezus, want wat voor          zin heeft het een visioen te beschrijven over iets wat al heeft plaats gevonden? Bovendien bevindt zij zich in de hemel, de       voor natuurlijke zintuigen afgesloten gebieden.

Deze vrouw is een beeld van de gemeente, de vrouw van Jezus die bij Hem in de hemel woont. Deze vrouw gaat door een zware periode van veel verdrukkingen en dreigingen want de duivel staat er vlak bij.

En dan baart zij een volwassen kind, een man. Dat is een zware bevalling en ze schreeuwt het dan ook uit. Ze roept de naam. Want uit haar worden rijpe, volgroeide kinderen geboren, de zonen Gods waarop de hele schepping wacht en die – net als de eerste zoon Jezus – hun troon rechten innemen en in wie de genade Gods gestalte heeft gekregen. Zij binden de strijd aan, samen met de engelen en werpen de draak op de aarde, opdat de hemel gezuiverd wordt van de veroorzakers van al het kwaad.

Overigens, Jezus’ moeder. Wie was dat? Op aarde was het Maria, in de hemel waren dat degenen die Zijn wil doen en bij Hem zijn gebleven. Deze vrouw is vol van genade want ze is bekleed met de zon. Er is geen duisternis in haar, geen kwaad woord komt over haar lippen. Als je zonen wilt zien, leg je dan eerst toe op het goddelijk moederschap.

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst (7 slot)

Gods handelen is wonderbaar

Wonderlijk als wij beden­ken hoe God gehandeld en gewerkt heeft met het volk Israël. In Romeinen 8 vers 4 en 5a (Rom. 08:04-5a) merkt Paulus op hoe bevoorrecht zij waren: “Hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijk­heid en de verbonden en de wetgeving en de ere­dienst en de beloften; hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft de Christus”.

Wonderlijk hoe God ervoor gezorgd heeft dat ze het heil voor zichzelf en voor de volken als een belijde­nis en een getuigenis uit­zongen bij de viering van Pesach. Dat ze, zo vaak ze het Pesach-lam slach­ten, heen wezen naar het Lam Gods dat ook geslacht moest worden in de vol­heid van de tijd en waar ze als volk zo’n grote rol zouden vervullen.

Ze zongen Psalm 114 over de wonderbare uittocht uit Egypte onder Mozes, niet beseffende dat ze te­gelijkertijd zongen en ge­tuigden van een veel gro­tere, veel wonderbaarlij­ker geestelijke uittocht in en door Jezus Christus. Niet beseffende dat ze zongen over de Messias die ze zo vurig verwacht­ten en het waarachtige Pesach-lam zou zijn.

Zij hebben Hem niet aangenomen

En toen Hij kwam tot het zijne – zegt Johannes – hebben de zijnen Hem niet aangenomen Johannes 1 vers 11 (Joh. 01:11). De Joden maakten de fout dat ze de Schrift voor de werkelijkheid hielden, ter­wijl de Schrift getuigt dat de werkelijkheid van Hem, die de werkelijkheid is. Jezus zegt: “Gij onder­zoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig le­ven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij ge­tuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben” Johannes 5 vers 38 tot en met 40 (Joh. 05:38-40).

Ook op de laatste dag, de grote dag van het Loofhuttenfeest, werd de grote lofzang gezongen in de tempel en dan zongen ze: “Die de rots verandert in een waterplas, de keiste­nen in een waterbron” Psalm 114 vers 8  (Ps. 114:008). En als de priester opsteeg naar de tempel met een gouden kan water op zijn schouder, geschept uit de bron Siloam, dan werd hij ontvan­gen met muziek van har­pen, trompetten en cymbalen.

En dan lezen we van Jezus dat Hij stond en riep: “In­dien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 37 en 38 (Joh. 07:37-38). Hij was het levende water Johannes 4 vers 10 (Joh. 04:10), Hij was de waterbron waarvan ze altijd al gezon­gen hadden.

Paulus zegt in 1 Korinthiërs 10 vers 4 (1 Kor. 10:04): “Ze hebben in de woestijn gedronken uit een geeste­lijke rots welke met hen mee ging, en die rots was de Christus”.

Uit de rest van het ver­haal in Johannes 7 blijkt dat de woorden van Jezus nogal voor opschudding hebben gezorgd. Het ein­digt bij de schare in ver­deeldheid om Hem. Ze wil­len Hem zelfs grijpen om Hem om te brengen.

De profeten moeten vervuld worden

Hoe kon de Christus, de Zoon van God, nu een mens zijn van vlees en bloed, zonder enig aan­zien? Dat is de grote vraag bij de Joden. Ze kenden Daniël 7 vers 12 tot en met 14 (Dan. 07:12-14) waar de Zoon des men­sen gezien wordt als koning met heerlijkheid en macht als een hemels we­zen.

Jazeker, ze verwachtten de Messias en ze wisten: dat is de Zoon van God, en hun Messias zou het Koninkrijk van Israël her­stellen en vrede brengen op aarde. Maar in Jezus, die geen gestalte of luister bezat in het zichtbare, zien ze een godslasteraar, een mens, die zichzelf God maakt en daarom gedood moet worden Johannes 10 vers 33 (Joh. 10:33).

Ook hier zijn ze niet be­seffend dat ze zelf mee­werken dat het Lam Gods geslacht gaat worden en dat God zo de profeten in vervulling doet gaan die zeggen dat Zijn Christus moest lijden Handelingen 3 vers 18 (Hand. 03:18).

Jezus sterft als plaatsvervanger

De hogepriester van het jaar, Kajafas, spreekt van Godswege de profetische woorden: “Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat”. En dan merkt Johannes nog op: “Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hoge­priester van het jaar pro­feteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk maar ook om de verstrooi­de kinderen Gods bijeen te vergaderen” Johannes 11 vers 49 tot en met 52 (Joh. 11:49-52).

God spreekt hier door Ka­jafas: “Gij weet niets en beseft niet”. Kajafas had geprofeteerd dat Hij plaatsvervangend moest sterven voor het hele volk, ja, voor de hele wereld. Dat is echter alleen maar mogelijk als iemand als koning dat volk en ook de hele wereld vertegenwoor­digt. In de berechting van Jezus staat dit dan ook centraal en komt steeds de vraag: “Zijt Gij de koning der Joden?”. Zou Jezus dit ontkennen dan zou Hij niet sterven voor het volk en de hele schepping, zou Hij geen plaatsvervanger zijn; maar Hij is Koning en antwoordt Pilatus: “Gij zegt, dat ik koning ben” Lucas 22 vers 3 en Johannes 18 vers 37 (Luc. 23:03; Joh. 18:37). Jezus laat het Pilatus zelf zeggen: “Gij zegt dat Ik koning ben”. Hij zal sterven als koning van de Joden, maar ook als koning van de heidenen, van de volken.

Het Lam dat God geeft

Aan het avondmaal – waar de grote lofzang gezongen wordt – neemt Jezus niet alleen de plaats van de ko­ning in, maar ook van het Lam Gods. Door het samen eten van het brood – ‘dit , is Mijn lichaam’ – en het samen drinken van de wijn – ‘dit is het bloed van Mijn verbond’ – maakt Hij zich één met zijn discipelen en de discipelen worden één met Hem. Zij vertegen­woordigen het volk en als Jezus als Lam geslacht wordt, neemt Hij het volk mee in Zijn dood op het kruis.

Als Jezus dan geboeid aan Kajafas, de hogepriester van het jaar, overgegeven wordt door Annas, geeft deze het Lam ter slachting over in naam van het volk. Kajafas vertegenwoordigt als hogepriester het volk bij God die het Lam zal slachten. In Zijn lichaam brengt Jezus dan de zonde van het volk in de dood op het kruis.

Maar Kajafas geeft ook nog het Lam in de handen van de heidenen, van de zondaren Lucas 24 vers 7 (Luc. 24:07) die Hem kruisigen. De heidenen, de volken, hadden nooit deel gehad aan de verbon­den van Israël. Ze hadden nooit een lammetje kunnen slachten voor hun zonden. Maar het Lam Gods dat geslacht wordt is voor Jood en heidenen samen – Jood en heiden – brengen ze

Hem in de dood. Hij draagt de ongerechtigheden van alle mensen, van alle volken en alle tijden. Hij is het Lam Gods voor Adam en Eva, maar evengoed voor het laatste mensen­kind dat uit een vrouw ge­boren zal worden. Niemand zal in de eeuwigheid be­staan op grond van eigen gerechtigheid, maar enkel door de gerechtigheid Gods in Jezus Christus 2 Korinthe 5 vers 21 en Efeze 1 vers 4 (2 Kor. 05:21; Ef. 01:04).

Geen bloed tot wraak maar tot behoud

Helaas wordt op het Jood­se volk een enorme schuld gelegd door sommigen die geen inzicht hebben. Dit wordt dan gegrond op Matteüs 27 vers 25 (Matt. 27:25) waar staat: “En al het volk ant­woordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen”.

Op grond van deze tekst worden de grootste wan­daden dit volk aangedaan verdedigd en goedgepraat. De uitroeiing van zes mil­joen Joden in de tweede wereldoorlog, van kinde­ren tot grijsaards, wordt met deze tekst in de hand aangemerkt als hun ver­diende loon.

Zou het bloed van het Lam Gods, dat geslacht is voor alle mensen, ook voor de Joden, Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16) zoiets verschrikkelijks kunnen brengen voor onschuldige mensen? Is Zijn bloed niet enkel reinigend, verlos­send, vrijsprekend? Het bloed van Jezus Christus werd door de Joden inder­daad over zichzelf afge­roepen, maar dit was niet tot hun veroordeling en ondergang, maar tot hun behoud. We lazen immers dat God door de mond van Kajafas sprak: “Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het hele volk en niet het hele volk verloren gaat” Johannes 11 vers 50 (Joh. 11:50).

Ook wisten ze niet eens wat ze deden: “Gij weet niets, en beseft niet”, zegt God. En Jezus roept toch ook tot Zijn Vader: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen” Lucas 23 vers 34 (Luc. 23:34). De Vader heeft het vergeven! Denk ook aan Handelingen 3 waar Petrus zegt: “En nu broeders, ik weet, dat gij uit onkunde (andere vertalingen: onwetend­heid) gehandeld hebt, ge­lijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan, wat Hij bij monde van alle profeten tevoren gebood­schapt had, dat Zijn Christus moest lijden” Handelingen 3 vers 17 en 18 (Hand. 03:17-18).

In het verhaal van de Emmaüsgangers horen we zeggen: “…hoe Hem (Je­zus) onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem ge­kruisigd hebben.

Het antwoord van Jezus is dan: “Onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben. Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” Lucas 24 vers 20 tot en met 25 (Luc. 24:20-25).

Nog veel meer Schriftplaatsen getuigen ervan dat Je­zus gekruisigd moest worden en dat alles was naar de raad en voorken­nis van God Handelingen 2 vers 23 (Hand. 02:23). Jezus heeft volkomen de wil van de Vader vervuld Hebreeën 10 vers 5 tot en met 7 (Heb. 10:05-07). De schrij­ver van de Hebreeënbrief merkt ook nog op dat Je­zus zichzelf, door de eeu­wige Geest, als een smet­teloos offer aan God ge­bracht heeft” Hebreeën 9 vers 14 (Heb. 09:14). Hierin wordt met geen woord gerept over een aandeel van de Joden of de heidenen of over schuld, maar het is een zaak van de Vader, de zoon en de Heilige Geest.

Het is wonderlijk in onze ogen

Als Jezus met de zijnen het avondmaal viert is Hij de enige die alles overziet en weet er spoedig gebeu­ren gaat. Maar vanuit de liefde van God zegt Hij: “Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd” Lucas 22 vers 15 (Luc. 22:15).

Hoe wonderbaar en groots is dit allemaal. Helaas zijn er nog altijd vele Joden die nog Pesach vieren en daarbij de grote lofzang zingen, niet beseffende dat het Paaslam Jezus Christus voorgoed geslacht is. Dat het oude voorgoed voorbij is gegaan en het nieuwe gekomen is.

Voor Joden en heidenen is er maar één weg, zegt Pe­trus in Handelingen 15 vers 11 (Hand. 15:11), en dat is door het geloof in de genade van de Here Jezus. Voor de hele schepping geldt wat in de lofzang al die eeuwen gezongen werd: “Dit is de poort des Heren, de rechtvaardigen gaan daar binnen . Ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt en mij tot heil geweest zijt. De steen die de bouw­lieden versmaad hebben is tot een hoeksteen ge­worden; van de Here is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen” (Ps. 118:020-023).

Bouwstenen door Duurt Sikkens

-Wat heerlijk wanneer je, nadat je je schuld hebt beleden, je onschuld belijden kan.

-Eigen aard is goud waard.

-De Heilige Geest is de leraar die boven de stof staat.

-Jezus volgen is Jezus begrijpen. Kunt u Hem volgen?

-Ga niet onder in de grijze massa; beken kleur.

 

Ontmoeting met Alfons Lehardy door Gert Jan Doornink

Enige tijd geleden ontvin­gen wij het getuigenis van broeder Alfons Léhardy uit Niel bij Antwerpen. Later hadden wij een ontmoeting met hem. Deze broeder – die reeds 86 jaar is – maar nog zeer actief is in dienst van Gods Koninkrijk, leest reeds vele jaren “Levend Geloof” . Hij heeft zelfs drie abonnementen, één voor zichzelf en twee om door te geven.

Bewogen leven

Alfons Léhardy heeft een bewogen leven achter de rug. We willen er graag iets van doorgeven, uiter­aard tot eer van de Heer die onze broeder telkens weer door zeer moeilijke situaties heen hielp.

In 1933 – Alfons was toen 30 jaar – kwamen hij en zijn vrouw tot bekering. In 1937 stierf hun enige dochter op achtjarige leef­tijd aan een ziekte, waar­voor in die tijd nog geen geneesmiddel bestond. Het sterven van hun dochtertje veroorzaakte een ernsti­ge crisis in het leven van zuster Léhardy, mede ten gevolge van allerlei ‘advie­zen’ die zij kreeg van zus­ters uit een kring waar ze bij aangesloten waren. Ver­driet en depressiviteit gin­gen haar leven beheersen en zij keerde de Heer ge­heel de rug toe. Alfons bleef echter vertrouwen dat zij uiteindelijk terug zou keren tot de Heer.

Dat gebeurde pas na 30 jaar in 1967. Dat gebeurde voor Alfons niet onverwachts, want de Heer had het kort tevoren aan hem geopenbaard.

Uitreddingen

Het spreekt vanzelf dat het leven van Alfons al die jaren niet gemakkelijk was. Hij bleef echter on­wankelbaar wat betreft zijn geloof in de levende Heer. Verschillende keren in zijn leven beleefde hij ook wonderbare uitreddin­gen, zoals in 1945, toen hij bij zijn werk als elektricien, bleef vastzitten op een paal en onder 250 volt stroom kwam te staan. In levensgevaar sprak hij tot de Heer: “Here God, als Gij mij hier niet afhelpt binnen 5 seconden is het leven uit mij” . Alfons weet zich niet te herinneren hoe lang hij was blijven vast­zitten, maar kwam weer bij kennis.

In 1950 overkwam onze broeder opnieuw een erns­tig ongeluk, toen hij van een bouwstelling naar be­neden stortte. Hij kwam op een betonrand terecht, waardoor drie halswervels gebroken waren gebroken en hij zes jaar niet kon werken.

Samenkomsten

In 1967 ging onze broeder met pensioen. Hij ging ech­ter niet stilzitten maar om­zien naar een groot huis waarin ook samenkomsten konden worden gehouden. Aan het Sint Hubertusplein te Niel werd een geschikte locatie gevonden. Al spoe­dig werden hier volle evan­gelie samenkomsten gehou­den die voor velen tot ze­gen waren. Ook kwamen er veel jonge mensen. In de zomer werden Bijbelstudies in de openlucht gehouden, want bij het huis hoorde een groot grasveld. Alfons had de leiding en verzor­ging wat betreft eten en drinken, terwijl broeder Rob Polderman het geeste­lijk voedsel uitreikte.

Toch voelde Alfons zich in die tijd belemmerd in zijn werk voor de Heer, doordat hij steeds een korset om moest hebben voor ver­sterking van zijn rug, die na het ongeluk in 1950 ernstig beschadigd was. Op een dag sprak hij tot de Heer: “Here God, ik kan het niet meer doen, ik heb onvoldoende adem” . Er kwam een wonderbaar antwoord. God sprak na­melijk: “Doe uw band van uw lichaam af en er zal u niets gebeuren!” “Ik deed zoals de Heer mij gezegd had” – vertelt Alfons – “er gebeurde mij niets en ik was sterker dan ooit tevoren”.

Er zou nog veel meer te vertellen zijn uit het leven van broeder Léhardy, want ook de laatste jaren beleefde hij nog menigmaal uitreddingen uit benarde situaties, onder andere bij een bromfietsongeluk, waarbij hij buiten zijn schuld, betrokken raakte en bij de val van een lad­der, bij het plukken van peren. In beide gevallen had hij veel pijn, maar al­tijd weer was zijn getuige­nis èn ervaring dat de Heer zijn grote Heelmeester was.

Alfons woont nu in een an­der huis dan waarin des­tijds de samenkomsten werden gehouden. De sa­menkomsten werden ver­plaatst naar Mortsel en worden nog geregeld be­zocht door onze broeder.

In de loop der jaren is daar een volle evangelie gemeente ontstaan, welke thans onder leiding staat van broeder Du Fossé. Uiteraard is Alfons in en voor deze gemeente nog steeds actief. Stilzitten is er niet bij. Toen ik hem onlangs opbelde en voor­zichtig vroeg of hij mis­schien gestoord werd in zijn middagdutje, was het lachende antwoord: “Ik ga altijd direct na het eten weer aan het werk. . .”

Het geheim van zijn vruchtbaar leven in dienst van de Heer is ongetwij­feld zijn verlangen om in voortdurende gemeenschap met    Hem te leven. Zo­

als hij het zelf onder woor­den brengt: “De Heer is mij altijd nabij geweest, omdat ik veel met Hem in verbinding was” .

 

Redaktie en medewerkers van “Levend Geloof” wensen alle lezers en lezeressen een rijk gezegend kerstfeest en een voorspoedig 1990 toe! Onze bede is dat wij ook in het nieuwe jaar vruchtbaar zullen zijn in dienst van Gods Koninkrijk!

 

Het hemelse Jeruzalem -2- door Hessel Hoefnagel

De hof van Eden

Na een bepaalde ontwikkelingstijd als natuurlijk mens formeerde de Schepper een gedeelte van de aarde als een bijzondere plaats voor de mens. Deze geografisch in de bijbel aangeduide omgeving kennen we als de “hof van Eden”. De reden van haar formatie staat in duidelijk ver­band met de bestemming van de mens.

De hof van Eden is een schaduwbeeld van het Koninkrijk der hemelen, waarvan Jezus later sprak en waar de geeste­lijke, wedergeboren mens met Hem geplaatst wordt. Zij was zeker niet het toonbeeld van het Koninkrijk van God met haar vrede en gerechtigheid. Daarom waarschuwde God de mens, toen Hij deze geestelijk in staat achtte de hof te betreden, voor de gevaren en verleidingen. Het ging hier­bij om niets minder dan de invloed van de Engel van de Afgrond, de Dood en diens handlanger, de duivel.

In de hof was een rijke schakering aan bomen en planten met een enorme variatie aan vruchten. Van al deze vruch­ten kon de mens eten om de behoeften van zijn natuurlijk lichaam te bevredigen.

In deze bomenvariatie beeldde de Schepper uit tot welke kennisontwikkeling de natuurlijke mens zou kunnen komen. De vruchten die deze mensheid zou voortbrengen, zouden haar in staat stellen om met wijsheid en inzicht de aar­de te bebouwen en te bewaren”. De mens zou zich ontwikke­len tot een waardig medewerker aan het doel van de Schep­per.

In het midden van de hof duidde de Schepper twee bomen aan met een bijzondere verhouding tot de mens. Deze was bestemd tot een taak, die verder ging dan alleen de zichtbare schepping. Ook en bovenal was hij bestemd tot een hemels wezen, met een taak en plaats in de wereld der geesten. Om de situatie in deze onzichtbare wereld aan de mens duidelijk te maken, wees God twee bomen aan in het midden van de hof en benoemde ze met kenmerkende waarden met betrekking tot de ontwikkeling van de mensheid.

Het midden van de hof duidt op de centrale invloed, die deze belde bomen zouden hebben In de ontwikkeling van het Koninkrijk der hemelen.

De “boom des levens” is de aanduiding van de mens, zoals God die van oorsprong bedoelde. Van de vrucht van deze boom mocht de mens eten om verzadigd te worden. Deze boom wordt aan het eind van de bijbel beschreven, als zijnde het centrale object In het “Paradijs Gods , waarvan dege­nen die volharden in geloof, mogen eten om tot het zoon­schap Gods uit te groeien Openbaring 2 vers 7 (Openb. 02:07). Deze mogelijkheid was er al voor de eerste mens, die geplaatst was in de hof van Eden.

De “boom der kennis van goed en kwaad” is eveneens een aanduiding van een mens, die zich zou ontwikkelen door gehoor te geven aan een stem, die niet van God kwam. Deze mens wordt later aangeduid als de mens der wetteloosheid, de antichrist en de tegenstander, die zich bewust verzet tegen al wat God of voorwerp van verering heet 2 Thessalonicenzen (2 Thess. 02:03-04). De zonde van deze mens ligt daarin, dat hij ken­nis heeft van het goede, dat van God is, maar zich daar bewust tegen verzet. Hij wordt daarbij geleid door de geest uit de Afgrond, waarover later meer.

Door te luisteren naar een stem, die wezensvreemd was aan het Woord van God, vervreemdde de mens van zijn Schepper. Ook dit vreemde woord had haar oorsprong in de geestenwereld. Het was de leugen, die door middel van de slang (beeld van de duivel) in het paradijs tot de mens kwam. In de onzienlijke wereld zocht de Duivel (satan) als de vader van leugen contact met de mens Johannes 8 vers 44 en Openbaring 20 vers 2 (Joh. 08:44; Openb. 20:02). Deze leugen verdrong het woord van de waarheid, dat van de Schepper kwam en aan de mens het leven gaf Matteüs 4 vers 4 (Matt. 04:04). Het gevolg was dat de mens naar zijn inner­lijk stierf (dus het contact met God kwijt raakte) en on­der het beslag van de Dood kwam Genesis 3 vers 1 tot en met 5 (Gen. 03:01-05).

De vervreemding van de Schepper kenmerkte zich in de mens allereerst door vrees en schaamte, dingen die wezens­vreemd zijn aan de mens. Deze kenmerken zouden de mens eigen blijven, zolang de Dood in hem zou heersen vanuit de misleiding door de duivel.

De mens In ballingschap

Daniël was een profeet in ballingschap. Het gros van het volk Israël was door de koningen van Assur en Babel in gevangenschap weggevoerd.

Aan deze ballingschap kwam een eind, toen God Zelf daar­toe de geest van Kores, de koning van Perzië, opwekte om de ballingen terug te doen keren naar hun eigen land. Dat was op de door de profeet Jeremia uitgesproken profetie inzake de zeventig jaren, waarin het volk zou worden on­derdrukt (Jer. 25:12).

Ook in deze gebeurtenis met betrekking tot het natuurlij­ke volk der joden zit een profetische waarde, die aan Da­niël werd geopenbaard. Alvorens dit verder uit te diepen, eerst nog iets over het begrip ballingschap.

Toen de mens vanwege de misleiding door de slang, waar­achter de duivel schuilging, uit de hof van Eden werd verdreven, was hier sprake van ballingschap. De mens, die geroepen was tot medewerker van God in het grote plan van de schepping, raakte door de zogenoemde “zondeval” ver­vreemd van zijn ontwikkeling in het Koninkrijk der heme­len.

De Schepper had hem gewaarschuwd: ten dage als je eet van de vrucht van de boom van kennis, zul je de dood sterven. Dat dit niet slechts zijn lichaam betrof, bleek wel daar­uit, dat de mens nog honderden jaren leefde, eer hij stierf. Deze profetie betrof de innerlijke mens, die zou worden losgeweekt van zijn Schepper, in Wie hij leven had. Hij zou komen onder de macht van de Dood, die over hem zou heersen. Deze heerschappij betekent vruchteloos­heid ten opzichte van het doel van de Schepper. De vruch­teloosheid en onderworpenheid aan deze vijand van God en mens is voor de innerlijke mens ballingschap, dus ver­vreemding van eigen bodem.

De ballingschap, waarin de niet wedergeboren mens ver­keert, heeft alles te maken met de klimaat van de Dood, dat als gevolg van de zonde over hem gekomen is. De zonde is de sfeer van misleiding, waarin de duivel de mens brengt. Vaak is het ingaan op deze misleiding een niet bewuste daad, vanwege de schijnbare onschuld daarvan. De natuurlijke begeerte van de mens naar eten, bezit en ken­nis is vaak de aanleiding tot het komen onder de wet van de zonde (vgl. de wet van oorzaak en gevolg). Deze wet is zo sterk, dat de aan de natuurlijke mens opgedragen wet­ten, al hoe rechtvaardig en goed ze zijn, haar niet kun­nen uitschakelen.

De kracht van deze wet ontleent zij aan de heerschappij van de Dood. Daarom wordt deze wet ook die van de Dood genoemd Romeinen 8 vers 1 en 2 (Rom. 08:01-02).

Het einde van de ballingschap

Tegenover de wet van de zonde en de dood staat in de geestelijke wereld de wet van de Geest van het leven. De­ze wet is de ware wet van de Schepper van hemel en aarde. Zij is in werking gesteld door de overwinning van Jezus Christus over de claim van de Dood. Deze claim ofwel de “weeën van de Dood” (Hand. 02:24) werden door Hem verbro­ken, toen Hij het dodenrijk binnenging. De sleutels van Dood en dodenrijk werden Zijn eigendom, omdat de Vorst van de Afgrond deze reine, zondeloze mens niet kon vast­houden en Hem terug moest geven aan het leven.

Zo werd de Zonde(macht) veroordeeld in het vlees, dat op zich zwak is ten opzichte van deze macht, omdat Jezus, verbonden met de Geest van God, vrij bleef van de claim van de Zonde op de mens Romeinen 8 vers 1 tot en met 3 (Rom. 08:01-03).

De ballingschap van de eerste mens duurde tot een vastge­stelde tijd. Over deze volheid van de tijd schreef de apostel Paulus in de brieven aan de Galaten en de Efeziërs.

In de brief aan de Galaten schreef hij over de uitzending van de Zoon van God in de volheid van de tijd Galaten 4 vers 4 (Gal. 04:04). Met de komst van Jezus en Zijn overwinning over de Dood werd de ballingschap voor het volk van God doorbroken. Een nieuwe tijd brak aan. Een tijd waarin God de volheid van alle tijden voorbereidt om alles wat in de hemelen en op de aarde is, te brengen onder het gezag van Jezus Chris­tus Efeze 1 vers 10 (Ef. 01:10).

Tijdens Zijn bediening op aarde sprak Jezus reeds: Ik ben de weg, de waarheid en het leven Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06). Om deze weg te kunnen bewandelen teneinde het oorspronkelijke doel met de mens te bereiken, wees Hij Zijn volgelingen op de komst van de Heilige Geest, die de weg zou wijzen om te komen tot de volle betekenis van wat de waarheid inhoudt Johannes 16 vers 13 (Joh. 16:13).

Alleen door geloof in Jezus Christus en de vervulling met de Geest van de Waarheid kan de mens het doel van God be­reiken. Dit doel is de heerlijkheid van de goddelijke be­stemming, welke de Schepper reeds van oorsprong in Zijn voornemen had. Deze bestemming is de erfenis van Gods kinderen, die op deze wijze worden aangenomen tot zonen. De Heilige Geest, die aan de gelovigen gegeven wordt, is het onderpand van deze erfenis 2 Korinthe 1 vers 22 (2 Kor. 01:22).

Alleen langs deze weg wordt de mens verlost uit de bal­lingschap, waarin hij door de zondeval is terechtgekomen. Deze verlossing is tot lof en verheerlijking van de grote Schepper van alle dingen Efeze 1 vers 11 tot en met 14 (Ef. 01:11-14).

De profeet Jeremia schreef een brief aan de ballingen in Babel, waar ook Daniël verbleef. Daarin wekte hij de bal­lingen op om huizen te bouwen, tuinen aan te leggen en de vruchten daarvan te eten. Ook zouden ze gewoon door moe­ten gaan met de gangbare verplichtingen inzake huwelijk en gezin. Bovendien zouden ze de vrede moeten zoeken en moeten bidden voor hun leefomgeving, zodat ze daar in vrede konden verkeren. Op Zijn vastgestelde tijd zou de Heer zelf naar hen omzien en hen terugbrengen naar hun land. “Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvol­le toekomst te geven”, luidde het woord van de Heer Jeremia 29 vers 1 tot en met 14 (Jer. 29:01-14).

Ook voor ons geldt, dat we gericht moeten zijn op de ont­wikkelingen in de geestelijke wereld. Ook daar gelden vastgestelde “tijden”, die in de profetieën van de bijbel zijn vastgelegd. Ook voor ons geldt, dat we ons niet hoe­ven af te zonderen in deze wereld, maar dat we ons door de zorgvuldigheden van het natuurlijke leven niet moeten laten losweken van onze hemelse roeping en bestemming. Na een bewuste en radicale bekering, waarop de innerlijke wedergeboorte volgt, groeit de nieuwe mens, zich vasthou­dend aan de waarheid, op tot het einddoel. Zo doet de in­nerlijke mens onsterfelijkheid en onvergankelijkheid aan, zodat het woord werkelijkheid wordt: de Dood is verzwol­gen in de overwinning 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:54).

Dit is het einde van de ballingschap, waarin de mens door de misleiding van de Zondemacht is terecht gekomen.

“Deur de hoop” door Gert Jan Doornink

In Zaltbommel bestaat reeds verschillende jaren de volle evangelie gemeen­te “De Kandelaar” . De kleine maar zeer actieve gemeente houdt regelmatig samenkomsten in het ge­bouw van de Mannenvere­niging, Omhoeken 17 in het centrum van Zaltbom­mel. Daarnaast zijn er verschillende activiteiten zoals speciale evangelisatieavonden, koffieontmoetingen, colportagewerk en ook staat men met een lectuur- en boekenkraam op braderieen en markten in Zaltbommel en omgeving.

Vanuit deze laatste activiteit groeide langzaam de gedachte om met een eigen boekwinkel te beginnen, maar hoe komt men aan een geschikte locatie en de benodigde financiën? De gedachte kreeg een vastere vorm toen er een winkelpandje vrij kwam op één van de drukste punten van de stad (Wa­terstraat 33a) en de ver­huurder niet onwillend bleek om mee te werken dat hier een evangelische boekwinkel kon worden gevestigd. Men werd het eens over de huurprijs, de benodigde financiën kwamen er, er kwam me­dewerking van een be­vriende evangelische boek­winkel en na veel werk door de gemeenteleden, kon de locoburgemeester van Zaltbommel, de heer Krijger, op vrijdag 17 november het pand openen.

Dat men deze ‘evangelisatiepost’ niet zag als een vreemde eend in de bijt, bleek wel uit de reacties van de verschillende win­keliers uit de buurt. Meer dan 20 bloemstukken wer­den bezorgd en de eerste weken na de opening was er reeds een forse omzet.

De exploitatie van de boek­winkel, die de naam “Deur der Hoop” heeft, naar aan­leiding van Hosea 2 vers 14 (Hos. 02:14), staat onafhankelijk van de gemeente, waarom een aparte stichting werd op­gericht. Dit om zoveel mogelijk mensen te bereiken.

De winkel, waar behalve boeken, ook wenskaarten, tegels, cd’s, Ip’s en cassettes, etc., verkrijgbaar zijn is voorlopig geopend op dinsdag van 9 tot 13 uur; op vrijdag van 13.30 tot 21 uur en op zaterdag van 9 tot 17 uur.

Voor verdere inlichtingen – ook betreffende de sa­menkomsten van de ge­meente – kan men altijd contact opnemen met de echtparen Anton en Coos Hildebrand of met Johan en Tine Seepma.

 

Liever het licht door Liesbeth Hagendoorn

De belangrijkheid van het licht

Licht, wat is dat belang­rijk voor een mens! ’t Is eigenlijk zo vanzelfspre­kend voor ons, dat we er niet zo bij nadenken. Al­les om je heen gewoon goed te kunnen zien, zo­dat je je niet stoot aan dingen, niet struikelt en valt, je niet bezeert, zo­dat je kunt waarnemen wat er op je pad komt. Zo gewoon…

Maar… probeer je eens voor te stellen dat je blind bent. Je kunt met jouw twee gezonde kijkers misschien maar heel moei­lijk verplaatsen in het be­staan van iemand om wie het altijd alleen maar don­ker of wazig is. Als ik soms verhalen lees over hoe blinde mensen leven, bewonder ik vaak hun zeer fijn afgestemde ge­hoor- of reukorgaan. Dat is vaak extra ver ontwik­keld.

En toch, blindheid is en blijft een enorme handi­cap. Als je blind bent, worden je mogelijkheden opeens een stuk beperk­ter. Misschien heb je wel geweldige talenten in je, bijvoorbeeld in de sport, of heb je een prachtig tekentalent, maar dergelijke talenten zul je nooit kunnen gebruiken en ont­wikkelen, want: daar heb je ogen voor nodig die kunnen zien. Wat jammer is dat, wat onbevredigend!

Stel dat een oogarts het geweldige nieuws voor je zou hebben dat je door een operatie weer zou kunnen gaan zien. Hoe zou je reageren? Je zou toch dolblij zijn en die mogelijkheid, om bevrijd te worden uit dat eeuwige donker, met beide handen aangrijpen!

Kiezen tussen licht en donker

Nee, over zo’n aanbod zou niemand lang hoeven na te denken! Als je mag kiezen tussen donker en licht, dan wist je het wel . . . : liever het licht! Lie­ver die ingrijpende ver­andering in je leven, waardoor er opeens zoveel ruimte bij komt, waardoor er een compleet nieuwe wereld voor je opengaat. Waardoor jouw wezen, al jouw gaven, pas echt tot hun recht kunnen gaan komen! Waardoor je opti­maal kunt gaan leven.

Misschien denk je nu: ja, dat lijkt me voor een blin­de echt geweldig om op­eens te kunnen zien. Maar ja, ik kan al zien, dus voor mij is dat verhaaltje verder niet geschreven. Maar weet je dat wij ook zo’n geweldig aanbod krijgen in ons leven? Weet je dat ieder mens die keu­ze kan maken tussen duis­ternis» en licht?

Je begrijpt natuurlijk wel dat ik ’t niet heb over jouw lichamelijke ogen, want hopelijk is daar niks mis mee. Nee, als ik het heb over een keus tussen licht en donker, die elk mens kan, mag, nee, moet maken, dan gaat het om iets heel anders. Dan gaat het niet om licht of donker in de zichtbare wereld om je heen, maar dan heb ik het over een toestand in de onzichtbare, geestelijke wereld.

En dat is de situatie waar de Bijbel vaak over spreekt. Die situatie wordt bijvoorbeeld onder woorden gebracht door de profeet Jesaja in het Ou­de Testament, in Jesaja 9 vers 1 (Jes. 09:01): “Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis straalt een licht…”

In de tijd dat Jesaja deze woorden opschreef werd het volk Israël bedreigd door zijn grote buurman, het land Assyrië. Toch was dat niet in de eerste plaats wat Jesaja bedoel­de toen hij het had over een land van diepe duisternis. Er was een andere duisternis in en rondom dat volk: namelijk, dat ze zich van God, hun Vader en Schepper, hadden af­gekeerd. Dat bracht duisternis in hun leven. Zonde en leugen, dwang en gebondenheid waren de gevolgen. God werd ver en moeilijk te begrij­pen. Wie was God nu wer­kelijk? Niemand wist het echt meer. Het volk was zijn zicht op God kwijt. En dus hun zicht op echt leven, hun zicht op alles wat goed en gaaf, rein en waar, echt en sterk was. Ze werden steeds meer verblind en gehandicapt. Een volk dat alleen nog maar oog had voor het op­pervlakkige leven om zich heen en geen zicht meer had op het leven dat God eigenlijk voor de mens had bedoeld: het leven als geestelijk wezen, hecht verbonden met God in de geestelijke wereld. . .

God dacht eerst aan het licht!

Het volk Israël was en is echt niet het enige dat in zo’n situatie terecht kwam. Vanaf het moment dat de leugen voor het eerst door de slang de wereld in kwam (Genesis 3), probeerde de duivel altijd de mens het zicht te ont­nemen. Vanaf die eerste leugen was het vaak ‘slecht zicht’ in de gees­telijke wereld! Terwijl Gods eerste gedachte, die Hij onder woorden bracht, was geweest: “Er zij licht…” Genesis 1 vers 3 (Gen. 01:03). En God meende dat. Hij

meent het nog steeds, met heel Zijn goddelijke, ruime, onovertroffen Vaderhart. ‘Ik wil dat het licht is rond en in mijn mens!’ God wil niets liever dan dat elk deel van Zijn schepping optimaal leeft, met elke vezel! Heel Zijn schepping mag leven, dat is Zijn wil, zo heeft Hij het bedoeld. Zo heeft Hij het zeker bedoeld voor de kroon van Zijn schepping: Zijn mens. Helemaal uit de verf mag die mens komen, op en top mens, beeld en weerspiegeling van de le­vende God, stralend door dezelfde heerlijkheid. God meent het nog steeds…

Daarom mag en kan ik straks weer kerstfeest vieren. Want er kwam licht. “Ik ben als een licht in de wereld geko­men, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve” Johannes 12 vers 46 (Joh. 12:46). Dat zei de Here Je­zus Christus, Gods eerste mens, die eindelijk be­greep dat God het nog steeds meent.

En Jezus bracht licht, was dat licht zelf. Licht, dat elke donkere ruimte in één klap verlicht en dat echt ruimte geeft, levensruimte. Licht, dat ieder mens verlicht Johannes 1 vers 9 (Joh. 01:09), ieder menselijk leven zo com­pleet wil maken! Licht dat een wereld voor je opent van ongekende mo­gelijkheden, waardoor jouw wezen pas echt tot zijn recht gaat komen.

Iedereen om je heen die die geweldige keuze voor dat stralende licht heeft mogen maken, zal je kun­nen vertellen waaruit dat licht bestaat. Maar ik denk dat het hier de Here Jezus mag zijn, die het jou Zelf uitlegt. Want hoe dat licht merkbaar kan worden, ook voor jou, dat vind je in Johannes 18 vers 37 (Joh. 18:37): “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou ge­tuigen” .

Het licht waarmee Jezus Christus je wil verlichten, omhullen, doorstralen, is: de waarheid. De waar­heid op elk terrein. Ein­delijk de waarheid over wie God nu echt is. Ein­delijk de waarheid over wat Zijn gedachten over jou nu echt zijn. De waar­heid over hoe Hij jou nu echt bedoelt. De waarheid over waar het kwaad nu eigenlijk echt vandaan komt. De waarheid, dat jij mag heersen over het kwaad. De waarheid over hoe je dat mag en kunt volbrengen. De waarheid over jouw toekomst. De waarheid. . .

God wilde dat die boven water zou komen! En de Here Jezus begreep dat. Wat heerlijk, Hij begreep het! Hij werd Degene, die met Zijn hele leven getuig de voor de waarheid. Vocht voor de waarheid. Overwon voor de waar­heid! Voor Hem, de Koning aller koningen, sloeg de leugen op de vlucht. Tegen Hem, de Heer aller heren, moest de aartsleu­genaar, de duivel, het af­leggen!

Waarheid betekent: licht in de geestelijke wereld. Ruimte en helderheid, echtheid en zuiverheid in die onzichtbare wereld, waarin ieder mens zich bevindt. Waarheid in die wereld maakt je niet alleen vrij, maar ook sterk. Want je begint meer en meer te ontdekken dat al jouw vij­anden zich daar bevin­den. Die vijanden, die je willen op zadelen met han­dicaps en die je zo aan handen en voeten willen binden. Maar ze kunnen zich niet langer voor je verstoppen, je hebt ze in de peiling, want je kunt zien! Die onzichtba­re wereld is voor je open­gegaan. De mist is opge­trokken .

Ik zou je willen zeggen: maak ook die keuze, kies liever het Licht! Zeg ook: ‘Ja Heer, ik wil liever uw Licht in mijn leven, uw licht en uw waarheid” .

Is er een beter en mooier moment dan die keuze te doen tijdens het kerst­feest? Doe het. Er gaat een wereld voor je open. Een wereld waarin je, sa­men met de Here Jezus Christus, onze Leidsman en God, onze Schepper, pas echt, met elke vezel, zult gaan leven. Zoals een mens behoort te le­ven .

En als je die keuze mis­schien al lang hebt ge­maakt, dan mag je die feestdagen van kerst ge­bruiken om die keuze van je hart nog eens op­nieuw te bevestigen. Uit liefde voor onze Heer Je­zus Christus, die getrou­we getuige van de waar­heid. Doordat Hij zo’n getrouwe getuige was en is, werd Hij het Licht, dat ieder mens verlicht.

Ik kan het niet laten om je nog te wijzen op Psalm 45, een schitterende Psalm in de Bijbel, die subliem laat zien waarom de Here Jezus zo’n geweldige Koning der koningen is, die voorspoedig uitrijdt, voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht. Lees hem met je hart.

Ik wens je toe, dat kerst­feest het feest mag wor­den van jouw keuze voor het Licht.

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (14)

Wat in Openbaring 14 onthuld wordt

We gaan ons nu bezighouden met Openbaring 14, een hoofdstuk dat eigenlijk één geheel vormt. In dit hoofdstuk – en ook op andere plaatsen in het boek Openbaring – ga je het verband zien tussen de activiteit van de gemeente en als gevolg daarvan het uit gaan van de engelen. In Openbaring 14 gaat het om drie punten: 1. De eerstelingen Openbaring 14 vers 1 tot en met 5 (Openb. 14:01-05). 2. De graanoogst Openbaring 14 vers 15b (Openb. 14:15b): …”de oogst der aarde is geheel rijp geworden”). 3. De wijnoogst Openbaring 14 vers 18b (Openb. 14:18b: …”oogst de trossen van de wijngaard, want zijn druiven zijn rijp”). Het is een schitterend beeld van de ontwikkeling, die God gaat aangeven.

Het hoofdstuk begint met de woorden: “En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden”. De berg Sion wordt in de Bijbel vaak verbonden met het heil voor de volkeren. Zo lezen wij in Jesaja 2 vers 2a (Jes. 02:02a): “En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen en hij zal verheven zijn boven de heuvelen”.

Letterlijk staat er voor ‘als de hoogste der bergen’: ‘als het hoofd der bergen’. Het hoofd van alle machten en koninkrijken. Er staat meteen bij: “en vele volken zullen derwaarts heen stromen” Jesaja 2 vers 2b (Jes. 02:02b). De volken zullen naar de berg Sion stromen, want uit Sion zal de wet uitgaan. De eerstelingen staan op de berg Sion. Zij staan daar om de volken te zegenen en hun het heil te verkondigen.

De citer als instrument van openbaring

“En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers; en zij zongen een nieuw gezang voor de troon…” (vs.2-3a). Zij zingen als antwoord op het oude lied van de volkeren , een nieuw lied. We noemen twee plaatsen waarin de citers een belangrijke rol spelen:

In 2 Koningen 3 krijgt de profeet Elisa bezoek van drie koningen, die ten strijde getrokken zijn. Na zeven dagreizen te zijn rondgetrokken, was er geen water meer voor de legers en de lastdieren. De koning van Israël zegt: “Voorzeker heeft de Here deze drie koningen geroepen om hen in de macht van Moab te geven” 2 Koningen 3 vers 10 (2 Kon. 03:10). Koning Josafat van Juda zegt: “Is er een profeet in de buurt?” 2 Koningen 3 vers 11 (2 Kon. 03:11). Als de drie koningen bij Elisa komen en hun verhaal vertellen, zegt Elisa: “Haal mij een citerspeler!” Als de citerspeler gaat spelen, ontvangt Elisa een woord des Heren. Hij zegt: “Dit dal zal vol water lopen. Jullie moeten greppels gaan graven!” Als dan de citerspeler zijn spel doet horen, komt er heil voor de volkeren. De drie koningen vertegenwoordigen drie volken. Er komt water in de woestijn om de volken te drenken. In Openbaring 14 zien we de citerspelers weer. Dit heeft ook te maken met het heil, dat de volken in de woestijn water zullen ontvangen.

In Psalm 49 vers 5 (Ps. 049:005) lezen wij: “Ik zal mijn oor tot een spreuk neigen, mijn geheimenis bij de citer ontsluieren”. De tempelzangers, de Korachieten, zeggen: ‘Wij gaan ons geheimenis ontsluieren bij de citer’. Dit wordt tot alle volken gesproken: “Hoort dit, alle gij volken, neemt ter ore, alle bewoners der wereld…” (vs.2). Het geheimenis wordt voor de volken ontsluierd. De volken waren zelf ook gesluierd. De citer is het instrument van de openbaring voor de volkeren.

Ik geloof niet dat muziek op zich een mens verlossen kan. Hier is echter sprake van muziek met inhoud. Als iemand liederen van bevrijding zingt, eventueel met muzikale begeleiding, dan kunnen de woorden Gods, die worden uitgezongen, in de geestelijke wereld iets uitwerken. Als David zijn liederen zingt ten aanhoren van Saul, dan heeft dit uitwerking op de boze geest, die Saul opjaagt. Deze geest wordt het zwijgen opgelegd. David deed de dingen heel bewust. Dat blijkt wel uit de Psalmen, die hij gemaakt heeft. Bijvoorbeeld Psalm 57 vers 10 (Ps. 057:010): “Ik zal u loven, o Here, onder de volkeren, Ik zal U psalmzingen onder de natiën”. De gemeente zingt: 1. voor de volken; 2. over de volken (over de volken héén, om hun genezing te bewerken); 3. namens de volkeren (de gemeente zingt en bidt namens degenen, die niet kunnen bidden).

De gemeente heeft in zekere zin hierin een plaatsvervangende functie. De gemeente is als het ware de stem voor de volkeren, zoals een vader of moeder de stem voor het kind is. Een kind kan misschien niet onder woorden brengen wat het mankeert. Dan moet de vader of moeder namens het kind bidden. De gemeente is op deze wijze in de geestelijke wereld bezig voor de volkeren, om hun stem te zijn voor de troon van God. Vandaar dat er juist in Openbaring staat, dat ‘alle volken, stammen, taal en natiën’ voor de troon zijn. Op deze wijze zijn alle volken in de hemel vertegenwoordigd.

 

“Bevrijding van demonie”

Over dit belangrijke onderwerp, geschreven door broeder Evert van de Kamp, volgt het eerste artikel in “Levend Geloof” van volgende maand.

1989.11 nr. 308

Levend geloof 1089.11 nr. 308

Zijn wij volwaardige lichtdragers? Door Gert Jan Doornink

“God heeft Jezus van Nazareth met de heilige Geest en met kracht gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) .

Het centrale thema van Petrus’ boodschap

Behalve de apostel Paulus neemt ook de apostel Petrus in de Bijbel een bijzondere plaats in. Denk aan wat er allemaal van hem geschreven staat over zijn omgang met Jezus als discipel. En aan zijn grote rede op de Pinksterdag. Ook zijn twee, weliswaar korte, brieven zijn bijzonder inspirerend en geloofsopbouwend. Maar in dit artikel willen wij stilstaan bij de toespraak die hij hield ten huize van Cornelius, toen voor het eerst de Heilige Geest ook werd uitgestort over de heidenen Handelingen 10 vers 34 tot en met 43 (Hand. 10:34-43) .

Er zijn natuurlijk verschillende dingen die opvallen in deze rede, maar duidelijk komt naar voren dat het centrale thema van zijn boodschap is: Jezus Christus. Om Zijn verkondiging gaat het! Hij is aller Heer, zegt vers 36. En in vers 42 lezen wij: “Hij heeft ons geboden het volk te prediken en betuigen dat Hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden. Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van’ zonden ontvangt door zijn naam” . En dan niet te vergeten het boven dit artikel geciteerde vers 38. Hier gebruikt Petrus de benaming ‘Jezus van Nazareth’, om daarmee duidelijk aan te geven dat Jezus ‘mens onder de ‘mensen’ wast Hij was de zoon van een timmerman. Maar het geheim van de succesvolle bediening van Jezus was dat (a) God Hem met de Heilige Geest en met kracht gezalfd had en (b) dat Hij gehoorzaamheid kende door ‘rond te gaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren.

Het ‘succes’ van Jezus was géén automatisch gevolg van het feit dat Hij de Zoon van God was, maar omdat Hij gehoorzaam die dingen deed die de Vader van Hem vroeg. Jezus leefde in gemeenschap met Zijn Vader. En zoals Hij leefde in gemeenschap met de Vader, zijn ook wij daartoe geroepen. Zoals Hij gehoorzaam was, is het ook onze opdracht gehoorzaam te zijn. Wij zijn geroepen Zijn werk voor te zetten.

Voor de meeste kinderen Gods zijn dit allemaal bekende geluiden. Ik denk dat we er weinig moeite mee hebben, daarmee in te stemmen. Maar nu de praktijk… Van Jezus staat geschreven dat Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren. Wij hebben dus te maken met mensen die door de duivel overweldigd zijn. Daar moeten we niet te gemakkelijk over denken. Ik zou het zo willen formuleren: ‘Ons zijn hier in deze wereld betekent dat we dagelijks betrokken zijn bij een keiharde confrontatie tussen licht en duisternis.

Het betekent ook dat wij er verantwoordelijk voor zijn dat het licht in ons zo helder mogelijk schijnt, zodat de duisternis moet wijken. Paulus spreekt erover dat wij ‘lichtende sterren zijn, temidden van een (door satan veroorzaakt) ontaard en verkeerd geslacht’. Wij willen ons nu verder bezig houden met dit ‘lichtdrager’ zijn, omdat het in de praktijk van ons christen-zijn zo belangrijk is.

Volwaardige lichtdragers van Jezus Christus

Hoe zijn wij nu op optimale wijze lichtdragers van Jezus Christus. In de eerste plaats door een juist Godsbeeld te hebben. Wie een verkeerd, onvolledig of tweeslachtig beeld van God heeft, faalt ten aanzien van de opdracht om een getuige te zijn in deze wereld. Er is in feite maar één die ons het werkelijke beeld van God doet kennen, dat is Jezus. God openbaart wie Hij is door Zijn Zoon Jezus Christus Hebreeën 1 vers 1 tot en met 4 (Heb. 01:01-04) . Als iemand ons nu aanvalt met de woorden: ja, maar in het oude testament staan heel wat verhalen, waarvan het soms net lijkt of God ook de hand heeft in de duisternis, dan kunnen we dit gedeelte uit Hebreeën naar voren brengen. In het oude testament had de Zoon zich nog niet geopenbaard. Door de komst van Jezus brak de volle openbaring van God door Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18). Daarom is het geloof dat Christus centraal stelt altijd het goede geloof. Daarmee vallen dus ook alle andere godsdiensten af! Alleen door Jezus te aanvaarden, door Hem te volgen, leren we het wezen van God kennen. Dan leren we ook verstaan dat Jezus ons niet alleen ‘eeuwig leven’ wil geven, maar ons leven volkomen vrij wil maken van beïnvloeding uit het rijk van satan. Onze geloofsbeleving is niet compleet als wij ons dat niet realiseren. Waar het licht doorbreekt, verdwijnt iedere vorm van duisternis. Jezus zelf was uitsluitend een lichtverspreider en we kunnen dan ook begrijpen dat er van Hem staat dat God met Hem was.

Een tweede belangrijk punt om lichtdrager te zijn is het feit dat we ons behoren te realiseren dat het niet gaat zonder de doop en vervulling met de Heilige Geest. Jezus zelf was met de Heilige Geest en met kracht gezalfd, dus ook wij kunnen er niet zonder. Door de Heilige Geest – het woord zegt het al – leren we ook de dingen geestelijk te verstaan. Wie ziet op de omstandigheden, op al het negatieve wat vanuit het rijk der duisternis op hem afkomt, en dat is dagelijks heel wat, kan twee dingen doen: (a) hij kan terugschrikken en afhaken, of (b) hij kan met geestelijke ogen zien, dat wil zeggen over de omstandigheden zien op Jezus. De Heer verlangt van ons dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten, opdat wij van daaruit kunnen strijden en overwinnen en dat ook wij, evenals Jezus, met de Heilige Geest en met kracht gezalfd zijn.

Het kenmerk van de eindtijdgemeente

Volwaardig lichtdrager zijn is ook niet mogelijk als we ons niet bewust zijn dat we behoren tot de ‘eindtijdgemeente’. En het centrale thema, de grote doelstelling van deze gemeente is: overwinning. Johannes schreef het destijds reeds profetisch: “En zij hebben hem, de duivel, overwonnen door het bloed van het Lam, de overwinning van Jezus, en door het woord van hun getuigenis, de overwinning van de gemeente,” Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11). In 1 Johannes 5 vers 45 (1 Joh. 05:45) wordt het zo onder woorden gebracht: “Al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is?”. Denk ook aan de verschillende keren dat Paulus in zijn brieven het thema ‘overwinning’ ter sprake brengt. Zijn belijdenis dat wij met Christus meer dan overwinnaars zijn, mag ook onze belijdenis zijn. Ook in de zeven brieven aan het begin van Openbaring staat de doelstelling ‘overwinning’ centraal. Overwinning is het werkelijke kenmerk van de eindgemeente, waarvan de leden geroepen zijn volwaardige lichtdragers te zijn.

Er is nog een vierde punt waar we aandacht aan willen besteden, dat is de groei van de kracht en heerlijkheid van God in ons. Als lichtdragers van Jezus Christus zijn we ook bezig te zórgen dat we geestelijk groeien, zodat we volwassen christenen worden. In zekere zin gaat dit natuurlijk automatisch, door in geloof en gehoorzaamheid de Heer te volgen. maar toch denk ik dat het goed is dat we ons bewust zijn dat het ook gebeurt. Dat behoedt ons ervoor dat we loze kreten gebruiken, zoals ‘Jezus redt en geneest en doopt met Zijn Geest’. Op zichzelf is dat natuurlijk 100% waar, maar ze geven soms ook aan dat men in een beginstadium is blijven steken. In dit verband willen we nog eens attenderen op wat Paulus schrijft over de noodzakelijke geestelijke groei in de brief aan de Efeziërs, hoofdstuk 4 vers 9 tot en met 16 (Ef. 04:09-16).

Waardoor zijn er binnen de Pinkster- en Volle Evangeliebeweging nog vaak zoveel dwalingen aanwezig? Omdat de duivel kans ziet, bij hen die niet geestelijk groeien, te infiltreren. Ook in dit opzicht is Jezus ons grote Voorbeeld. Hij liet niet toe dat Zijn boodschap ‘ontkracht’ werd door de Farizeeën en Schriftgeleerden, maar ook niet door Zijn eigen discipelen, die nog heel veel moesten leren. Daarom was èn bleef de bediening van Jezus tot het ‘einde’ (Gethsémané, Golgotha) op glorieuze wijze in stand.

Als ook wij het verlangen hebben en de gehoorzaamheid opbrengen om in Zijn voetstappen te gaan, zullen ook wij volwaardige lichtdragers van Hem zijn. Jezus was het Licht der wereld Johannes 8 vers 12 (Joh. 08:12), maar ook wij zijn dat. Matteüs 5 vers 14 (Matt. 05:14)! Denk daarom aan de vier voorwaarden waardoor het licht in ons brandend blijft en zelfs steeds helderder gaat schijnen: 1. Het gaat om het juiste Godsbeeld: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” 1 Johannes 1 vers 5b (1 Joh. 01:05b). 2. Wij behoren vol te zijn met de Heilige Geest. 3. Wij behoren tot de eindtijdgemeente die als leuze ‘overwinning’ in zijn vaandel heeft geschreven. 4. Geestelijke groei is noodzakelijk, zodat wij de volle kracht en heerlijkheid Gods gaan openbaren. Paulus schrijft in 2 Thessalonicenzen 1 vers 10 (2 Thess. 01:10) over de dag dat Christus verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd zal worden in allen die tot geloof gekomen zijn! Naar die dag zijn we onderweg door een volwaardig lichtdrager van Christus te zijn.

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst (6)

 

Gods verbintenis met de mens

In de grote lofzang zingt Jezus met zijn discipelen over Gods goedertieren­heid, die in het nieuwe testament in het algemeen ‘genade’ genoemd wordt. Die goedertierenheid komt voort uit de onpeilbare liefde van God die nooit ophoudt of verandert door het gedrag van de mens.

Als wij zeggen dat God de mens niet afschreef toen hij zondigde – en zich in wezen dus van God afkeerde – omdat God het goede bleef zien in de mens, dan is dit maar ten dele de waar­heid. Immers Gods goe­dertierenheid en trouw­en zijn genadeverbond is niet een invulling in de tijd, maar is vóór eeuwi­ge tijden zoals we hebben gezien.

God is bondgenoot van de mens en de schepping die Hij in liefde gescha­pen heeft. Daarin ligt ons totale behoud en dat van de hele schepping. Krachtens dat bondge­nootschap heeft God zich aan de mens verplicht en wordt God genoemd ‘Heiland’. Hij is onze Be­vrijder, Verlosser en Hel­per. Hij heeft zich aan de mens verbonden en is trouw aan dat verbond, wat zijn verbondsnaam ‘Ik ben die Ik ben’ of zo­als ook wel vertaald wordt: ‘Ik zal erbij zijn zoals Ik er bij zal zijn’ ook uit drukt. Geen hulp uit medelijden, alleen maar uit liefde in verbondstrouw, die ten volle in Jezus Christus zijn Zoon, geopenbaard is  1 Johannes 4 vers 9 (1 Joh. 04:09).

Buiten dit verbond, buiten deze liefde van God, kan de mens niet eens bestaan, want ons hele bestaan is in de genade van God zo­als we al zagen. Deze ge­nade kan hooguit in naam veranderen naargelang de situatie waarin de mens verkeert en kan genoemd worden: geduld, lankmoe­digheid, barmhartigheid, vergevingsgezindheid, ontferming, verzoening, mededogen, zachtmoedig­heid, enz., maar de Gever en de genade blijven de­zelfde. Het gaat om de velerlei of menigerlei ge­nade Gods, zegt Petrus 1 Petrus 4 vers 10b (1 Petr. 04:10b).

De apostel Johannes zegt: “God is liefde” 1 Johannes 4 vers 8 (1 Joh. 04:08) en dat is niet een statisch begrip maar een actieve kracht die zich uit in een veelkleurigheid van gena­degaven naar de mens toe. Daarom zingt Jezus, die de enige is die de Vader kent, met zijn discipelen: “Vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zij de naam des Heren ge­loofd.. Verheven boven alle volken is de Here, boven de hemelen is zijn heerlijk­heid. Wie is als de Here, onze God, die zeer hoog woont, die zeer laag neer­ziet, in de hemel en op de aarde? Die de geringe opricht uit het stof, die de arme omhoog heft uit het slijk, om hem te doen zitten bij de edelen, bij de edelen van zijn volk; die de onvruchtbare huis­vrouw doet wonen als een blijde moeder van kinde­ren. Halleluja” Psalm 113 vers 3 tot en met 9 (Ps. 113:003-009).

Gods heerlijkheid en de afgoden

De grootheid van God, zijn verhevenheid en de heerlijkheid van zijn Naam worden niet naar aardse maatstaven berekend zoals van een groot koning, maar Gods grootheid wordt zichtbaar in zijn daden, in zijn werken. Dan wordt zijn heerlijk­heid openbaar als een stralend licht. Psalm 86 vers 8 (Ps. 086:008) zegt als antwoord op: “Wie is als de Here, onze God?”: “Onder de góden is niemand U ge­lijk, o Here, en niets is als uw werken”. De apos­tel Paulus komt tot de conclusie dat er góden en heren in menigte zijn (1 Kor. 08:06a). Maar het zijn zogenaamde góden, afgoden, zegt hij (1 Kor. 08:04-05). In Psalm 115 (van de lofzang) worden deze góden – de afgoden van de mensen – terug­gebracht tot hun ware proporties Psalm 115 vers 4 tot en met 7 (Ps. 115:004-007). Samengevat: ze zijn tot niets in staat. In Psalm 96 vers 5 (Ps. 096:005) wor­den de afgoden ‘Elilim’ genoemd. Dat wil zeggen: ‘de nietszijnde’, ‘de tot niets voerende’. De Sta­tenvertaling spreekt van ‘drekgoden’.

Maar zijn ze, omdat ze niets kunnen, dan ook ongevaarlijk voor de men­sen die zich ervoor bui­gen of hun vertrouwen erop stellen? Helaas niet!

Psalm 115 vers 8 (Ps. 115:008) geeft het antwoord want daar lezen wij: “Wie hen maak­ten, zullen worden als zij, ieder die op hen vertrouwt”. ‘Worden als zij’ wil dus ook zeggen: ’tot niets in staat zijn’. Gelijk worden aan de drekgoden waar men op vertrouwt! Paulus leert dat de afgod niets is, maar dat achter de af­goden de boze geesten schuil gaan 1 Korinthe 10 vers 19 en 20 (1 Kor. 10:19-20).

De góden der volken zijn de grootmachten, de vorsten, de wereldbeheersers dezer duister­nis, met de overste van de macht der lucht, de duivel, aan het hoofd. Die heersen met harde hand en vertrappen de volken. Ze gebruiken de sterke mensen om de zwakken en behoeftigen te onderdrukken. Ze stelen en slachten en verdelgen, zegt Jezus Johannes 10 vers 10a (Joh. 10:10a). Onze God is geheel anders. Exodus 15 vers 11 (Ex. 15:11) zegt: “Wie is als Gij, onder de góden, Here, wie is als Gij, heer­lijk in heiligheid, vreselijk in roemruchte daden, won­derbaar in uw doen”.

God die Zich neerbuigt

God is in zijn grootheid en heiligheid niet onbewo­gen met de mensen, ook al hebben ze zich van Hem af gekeerd. Hij is het die zeer laag neerziet in de hemel en op de aarde, zegt Psalm 113 vers 6 (Ps. 113:006). God heeft aandacht voor de hele mens, voor de in­nerlijke mens: de hemel, en de uiterlijke mens, de aarde, want in de mens komen hemel en aarde, het geestelijke en het stoffelijke tezamen. Zo zegt , Psalm 120 vers 20 en 21 (Ps. 120:020-021): “Want Hij heeft uit zijn heilige hoogte neergezien, de Here heeft uit de hemel op aarde geschouwd, om het zuchten der gevange­nen te horen, om de ten dode gedoemde te bevrij­den” . Hij buigt zich neer en Hij lijdt in grote liefde en ontferming met de mens mee. “In al hun be­nauwdheid was ook Hij benauwd”, zegt Jesaja 63 vers 9a (Jes. 63:09a).

En Gods hart gaat in het bijzonder uit naar het geringe, het arme, dat weerloos is tegen de ge­weldenaars en de uitbui­ters. Naar de armen van geest, die lijden onder het geweld van de boze geesten, zie Jesaja 57 vers 15 (Jes. 57:15). Jesaja 59 beschrijft het als volgt: “Het recht wordt teruggedrongen en de gerechtigheid blijft verre staan, want de waarheid struikelt op het plein en oprechtheid vindt geen ingang. Zo ontbreekt de waarheid en wie wijkt van het kwade, wordt slachtoffer van uitbuiting. Maar de Here zag het en het was kwaad in zijn ogen, dat er geen recht was”

Als God dit ziet komt zijn hele wezen in bewe­ging en gedenkt Hij zijn eeuwige verbond met de mens, Genesis 9 vers 16 (Gen. 09:16). Jesaja ziet door de Heilige Geest wat er gaat gebeuren en schrijft verder: “God zag dat er niemand was, en Hij ontzette Zich, omdat er niemand tussenbeide trad. Toen bracht zijn arm Hem hulp en zijn gerechtigheid ondersteun­de Hem; Hij bekleedde zich met gerechtigheid als met een pantser en de helm des heils was op zijn hoofd; Hij bekleedde Zich met wraak als met een gewaad en Hij hulde Zich in ijver als in een mantel. Naar de daden zal Hij vergelden: grim­migheid aan zijn tegen­standers, vergelding aan zijn vijanden”, Jesaja 59 vers 16 tot en met 18 (Jes. 59:16-18).

Gods heilige arm is ontbloot

Vaak hoort men de kreet: Als er een God is waarom gebeuren er dan zulke vreselijke dingen? Waarom dan zoveel onrecht? Waar­om doet Hij dan niets? De duivel, die de veroor­zaker is van alle ellende, heeft de mens bovendien met blindheid geslagen zodat God de schuld krijgt in plaats van de duivel. Maar God is altijd bezig gebleven, is altijd naar de mens toe gekeerd geweest en heeft alles gedaan en alles gegeven wat Hij kon. God is zelf tussenbeide gekomen in zijn Zoon Jezus Christus, die Zich in de volheid des tijds geopenbaard heeft.

“Zijn arm is Zijn helper”, zegt Jesaja. In Jezus Christus bekleedde God Zich met een lichaam van vlees en bloed. Paulus schrijft hierover in 1 Timotheüs 3 vers 16 (1 Tim. 03:16):

“En buiten alle twijfel, de verborgenheid van de godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees” (Statenvertaling). Jesaja stelt vast door de Heilige Geest: “De Here heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God”, Jesaja 52 vers 10 (Jes. 52:10). De Lutherse ver­taling zegt: “De Here heeft zijn heilige arm geopenbaard” .

Het klinkt misschien wat oneerbiedig, maar God stroopt de mouwen op om tussenbeide te komen en verlossing te brengen aan alle volken. Jezus Chris­tus is de Heilige ontblote arm van God die in de volheid van de tijd geo­penbaard is en Hij vol­brengt alles wat geschre­ven staat. Hij is de ver­vulling van al het heil dat God door middel van de profeten heeft voor­zegt. Als Hij werkt dan werkt God, Johannes 5 vers 17 (Joh. 05:17) zo­als Jesaja 59 en Psalm 113 dat ook beschrijven.

Het heil van onze God

Als Jezus het geknakte riet niet verder verbreekt maar opricht en de wal­mende vlaspit niet uit­dooft, maar aanwakkert, Matteüs 12 vers 20 en Matteüs 4 vers 23 (Matt. 12:20; Matt. 04:23), dan is Hij bezig de werken te werken van zijn Vader en wordt vervuld wat in de lofzang gezongen wordt. Als Hij door de Geest Gods of de vinger Gods de boze geesten uitdrijft Matteüs 12 vers 28 en Lucas 11 vers 20 (Matt. 12:28; Luc. 11:20), dan volvoert God zijn oordelen door zijn uitge­strekte ontblootte arm en zijn heilrijke rechter­hand.

Zo zien we dat de oorde­len van God altijd voort­komen uit zijn diepste wezen, namelijk liefde, goe­dertierenheid en trouw. Dan schittert zijn heerlijkheid en zal zijn Naam geloofd en geprezen wor­den, vanwaar de zon op­gaat tot waar zij onder­gaat Psalm 113 vers 3  (Ps. 113:003).

Als Petrus later het werk van Jezus Christus samen­vat dan zegt hij: “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overwel­digd waren; want God was met Hem, Handelingen 10 vers 38” (Hand. 10:38).

Dan kunnen we opmerken wat een schitterend ver­vulling dit is van Psalm 98 vers 1 tot en met 3 (Ps. 098:001-003), waar geprofeteerd wordt: “Zing de Here een nieuw lied, want Hij heeft won­deren gedaan, Zijn rechterhand en Zijn heilige arm gaf Hem zege; de Here heeft zijn heil be­kendgemaakt, zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der volken; Hij heeft gedacht aan Zijn goedertierenheid en aan Zijn trouw jegens het huis Israëls; alle einden der aarde hebben aanschouwd, het heil van onze God”.

(slot volgt).

 

Vast en zeker door Duurt Sikkens

“…om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepselen”, Jakobus 1 vers 18 (Jak. 01:18).

Dat stukje ‘in zekere zin’ klinkt wat vaag en twijfelachtig. Alsof het eersteling-zijn maar ten dele is. Merkwaardig dat in de grondtekst staat dat het vast en zeker is. Met andere woorden, dat daaraan niet getwijfeld hoeft te worden, want God heeft ons wedergeboren doen worden met het doel dat we eerstelingen zijn onder zijn schepselen.

Wie dus Jezus Christus gelooft, die in navolging van Zijn Vader, zegt dat Hij de eerste is, heeft zelf ook deel aan het eerst-zijn. Dan ben je zelf ook geworden wat God al vanaf het allereerste begin voor je bedacht heeft: Een woord dat in jou ook vlees wordt, dat gestalte in je aanneemt. Anders gezegd: Je wordt je Goddelijke afkomst bewust zoals Jezus. Trouwens, Adam wordt ook een zoon van God genoemd door Lucas, Lucas 3 vers 38 (Luc. 03:38).

Die oorspronkelijke bedoeling, dat je God je Vader noemt, is weer geopenbaard in het evangelie van Jezus Christus. Als je je bekeert wordt je je dat eigenlijk weer bewust. Dan heb je dus weer deel aan het allereerste begin en dat is God. Want ‘begin’ is niet zozeer een tijdsaanduiding. Het is veel meer een beginsel, als een zaad. Wie dat gelooft is weer terug bij het begin en zo kan het eeuwige leven weer opgepakt worden. Je staat niet stevig als je de bijbel uit je hoofd kent, maar als je dit gelooft, dan ben je pas beginselvast.

 

Het hemelse Jeruzalem door Hessel Hoefnagel

Voorwoord

In een aantal artikelen, welke in een later stadium als brochure zullen verschijnen, wil ik wat nader ingaan op de oorsprong en het doel van de schepping, met name de mens, gezien vanuit bijbels perspectief.

Al een aantal jaren geleden werd ik geboeid door het le­zen van de profetie van de “puinhopen van Jeruzalem”, zo­als deze door de profeet in ballingschap Daniël werd be­studeerd, Daniël 9 vers 2 (Dan. 09:02). Naar aanleiding van deze profetie met betrekking tot het gros van het volk Israël, dat in bal­lingschap was gevoerd, kreeg Daniël het gezicht van de “zeventig weken” en de openbaring daarvan. Bij het plaat­sen van deze openbaring, zoals in Daniël 9 beschreven, in het perspectief van de gebeurtenissen in de eindtijd, zo­als in verschillende Bijbelboeken weergegeven, zag ik steeds meer, dat ook deze profetie en haar uitlegging be­trekking hebben op ons, over wie “het einde der eeuwen” gekomen is, 1 Korinthe 10 vers 11 (1 Kor. 10:11).

In de afgelopen maanden had ik gelegenheid de eertijds gemaakte notities nader uit te werken met als basis de kennis van het koninkrijk der hemelen, zoals die in de laatste tijd tot ons is gekomen.

Als volk van God door geloof in Jezus Christus verblijven wij als christenen in ballingschap op aarde, terwijl we door bekering en wedergeboorte reeds een “wandel in he­mel” hebben. In deze onzichtbare, geestelijke, maar zeer reële wereld is God onze Vader en Jezus Christus onze Heer, gezeten aan Diens “rechterhand”. Vanuit deze hemel zal onze openbaring als “lichaam van Christus” zijn, als we met Hem verschijnen in heerlijkheid, Kolossenzen 3 vers 4  (Kol. 03:04).

Als titel voor deze artikelen koos ik “De Vrede van Jeru­zalem”. Deze naam komt al vroeg in de bijbel voor en heeft met betrekking tot de openbaring van het doel van God met de hele schepping een profetische waarde. Eens zal het Jeruzalem, dat onze God van oorsprong af voor ogen heeft, zich openbaren als het centrum van de her­schepping van hemel en aarde. Het is de stad met funda­menten, die Abraham reeds zag, waarvan God Zelf de ont­werper en bouwmeester is, Hebreeën 11 vers 10 (Heb. 11:10).

De verzameling van boeken, brieven en geschriften, die onze bijbel vormen, is een uniek geheel, waarin de oor­sprong, de ontwikkeling en het doel van de schepping wordt beschreven. De bijbel begint met het scheppingsver­haal en eindigt met de profetieën van het boek Openbaring van Jezus Christus. Zowel het begin van de bijbel als het eind geven duidelijk weer, dat er voor dit begin en na dit eind een veel diepere en verdergaande ontwikkeling is geweest en zal zijn. De strekking hiervan wordt duidelijk door de inzichten, die de Heilige Geest geeft aan diege­nen, die de profetische waarde van de bijbel onderkennen en weten te plaatsen in de lijn van deze ontwikkeling.

Inleiding

Hoewel vele honderden jaren na Daniël, zijn ook wij als christenen bezig met het beloofde herstel voor het volk van God. Wij nu weten dat het aardse Jeruzalem slechts een voorafschaduwing is van de hemelse stad, die de eeuwige God vanaf het begin voor ogen heeft. Deze stad wordt uit de hemel zichtbaar op aarde”, terwijl ze vervuld is met de heerlijkheid van God. De hemel is de onzichtbare wereld, waarin de ontwikkelingen met betrekking tot het volk van God en daardoor met de hele schepping plaats vinden en gestalte krijgen, alvorens zichtbaar en tast­baar te worden op aarde. De apostel en profeet Johannes zag dit “nieuwe Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God”, Openbaring 21 vers 2 (Openb. 21:02).

Omdat het aardse Jeruzalem als centrum van de eredienst aan de “God des hemels” een schaduwbeeld was van het nieuwe Jeruzalem, dat wij als christenen verwachten, is de profetie van Jeremia te plaatsen in de lijn van deze verwachting. Daarbij is aan te sluiten bij de profetieën in het boek “Openbaring van Jezus Christus”, Openbaring 1 vers 1 (Openb. 01:01).

Als wij, als volgelingen van Jezus Christus, ons richten op het herstel van de puinhopen van Jeruzalem, laten we dan dit nieuwe, volmaakte Jeruzalem bedoelen, dat als een stad van de vrede zich openbaart temidden van een zuch­tende en beschadigde schepping. Deze hemelstad immers heeft haar poorten open, zodat de gezegenden van de Heer kunnen ingaan, om deel te hebben aan de vrede van Jeru­zalem, waarvoor de ouden reeds hun gebeden opzonden (Psalm 122).

De bijbel begint dus met het scheppingsverhaal. In de zes zo genoemde scheppingsdagen wordt de wording van hemel en aarde vermeld. Bij de orthodoxe interpretatie wordt sim­pel uitgegaan van zes dagen van 24 uur. Hierbij wordt het als een gegeven aangenomen, dat bij God alles mogelijk is en het dus geen probleem is dat de voltooide hemel en aarde, inclusief de mens volledig functioneren binnen dit tijdsbestek.

Toch belet deze interpretatie het werkelijk op waarde zien van de dingen, zodat de grote Schepper werkelijk de eer ontvangt die Hem toekomt, vanwege de uitwerking van Zijn geweldige plan met betrekking tot de schepping, inzonderheid de mens.

Ook roept deze interpretatie de vraag op, waarom het her­stel van alle dingen dan zoveel tijd vergt, omdat we nog steeds en steeds meer geconfronteerd worden met de onvol­komenheid en verwording van de dingen, terwijl toch de almacht van God vaststaat. Is de macht van de duivel dan zo sterk, dat zelfs eeuwen na de dood en opstanding van Jezus Christus de mensheid en de hele schepping steeds meer lijden onder deze vruchteloosheid ? Of is de genoem­de interpretatie niet juist en is het nodig de uitgangs­punten te herzien. Het is goed om op basis van een juiste Bijbelse interpretatie en openbaring door de heilige Geest een antwoord te zoeken op de belangrijke vragen met betrekking tot de zin van de schepping. Daarvoor heb ik deze artikelen geschreven in de verwachting, dat ze zul­len bijdragen aan het opscherpen van de gedachten van de­genen, die met mij de levende en waarachtige God willen dienen en de komst van Zijn Zoon uit de hemelen verwach­ten, vergelijk 1 Thessalonicenzen 1 vers 10 (1 Thess. 01:10).

Het “woord des Levens” en het “woord des Doods”

Toen de Schepper bezig was de dingen, die niet waren tot aanzijn te roepen, vergelijk Romeinen 4 vers 17 (Rom. 04:17) en orde schiep in de chaos van het heelal, profeteerde Hij reeds over de uit­eindelijke bestemming van de mens, Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26): “laat Ons mensen maken naar Ons beeld en als Onze gelijkenis”. Het Woord, dat één geheel was met de eeuwige, onzichtbare God, ging uit om te doen wat Hem zou behagen en dat te volbrengen, waartoe Hij het uitzond vergelijk Jesaja 55 vers 11 (Jes. 55:11). In dit Woord is leven en het leven is het licht van de men­sen. Dit licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet kunnen overweldigen en uitschakelen, Johannes 1 vers 1 tot en met 5 (Joh. 1:1-5). Het woord van het Leven werd in de sfeer van de Dood geopenbaard. Immers, toen de zonde de zichtbare schepping kon binnenkomen vanwege de ongehoorzaamheid van de mens, kon daardoor ook de Dood binnendringen. Deze sterke macht heeft zijn invloed kunnen doen gelden in al­le mensen, omdat niemand in staat was de verleiding tot zonde te weerstaan, Romeinen 5 vers 12 (Rom. 05:12). In het klimaat van de Dood werd onze Heer, Jezus Christus als het Woord van het Le­ven geopenbaard. Door geloof in Hem wordt de mens ont­trokken aan de macht van de Dood en krijgt een plaats in het Koninkrijk van God. Door het “Woord des Levens” krijgt de nieuwe schepping steeds meer gestalte, zoals God zich had voorgenomen.

In Jezus Christus, dat wil zeggen als deel van Zijn lichaam, Is de nieuwe mens bestemd als de drager en verkon­diger van het Woord van het Leven. In de eeuwigheid sprak de Schepper: “Laat Ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis”. De mens is in wezen de uitdrukking van dit Woord van God. Aan dit Woord gaf God een lichaam, dat zich door de mens zou vermenigvuldigen. Op deze wijze zou het heelal met het woord van God vervuld worden tot eeu­wige heerlijkheid.

Vanaf de oorsprong is de mens bestemd om te “heersen”. Hij zou “al de werken van Gods handen” tot ontwikkeling brengen, zoals de Schepper bedoelde. Zo zou het “Konink­rijk van God” gestalte krijgen. Het wezen van de grote Schepper zou geopenbaard worden in vrede, gerechtigheid en blijdschap door de Heilige Geest, Romeinen 14 vers 17 (Rom. 14:17). In deze sfeer zouden goedheid, liefde, geloof, hoop, waarheid en trouw onbelemmerd aanwezig zijn. Vanwege deze kenmerkend? eigenschappen betitelde de Schepper Zijn werken als zeer goed, dus in staat om tot in eeuwigheid in volmaaktheid te functioneren. De mens zou daarin als beheerder en ou­derhouder alles in nauwe relatie met de Schepper tot on­gekende hoogten uitbouwen, opdat God zou zijn alles in allen, 1 Korinthe 15 vers 28 (1 Kor. 15:28).

 

De vrucht van de Geest, Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22) door Piet Snaphaan.

Liefde –

De liefde Gods, een ware zegen, ze overwint al wat belaagt.

Gods liefde, ’t staat belagers tegen, terwijl ze zelf alles verdraagt.

Blijdschap –

Laat blijdschap nimmer je ontnemen, ’t is een geschenk dat bij je hoort.

Pas op voor zorgen of problemen, weersta ze door de kracht van ’t Woord.

Vrede –

Houdt vrede steeds met alle mensen, zoek niet je recht, blijf in de rust, al laat het dan ook soms te wensen, God doet je recht, wees dat bewust.

Lankmoedigheid –

Lankmoedigheid, geduld bedrijven, door geestelijk handelen blijf je fit, zodat je toch je zelf kunt blijven, ondanks dat alles tegenzit.

Vriendelijkheid –

Een vriendelijk woord doet meestal goed en wordt ook gewaardeerd, Het geeft zo vaak weer nieuwe moed aan hen, die ’t hebben begeerd.

Goedheid –

Tracht steeds het goede na te jagen, God doet ook immers enkel goed.

Hij zal je daarin altijd schragen, beseft wie goed doet, goed ontmoet.

Trouw –

Wees getrouw in alle dingen, ook in de kleinste, dagelijks weer, tracht wat niet goed is te bedwingen en blijf je richten op de Heer.

Zachtmoedigheid –

Zachtmoedigheid doet veel verdragen, zachtaardig zijn, is dus haar aard.

Wie haar bedrijft, doet God behagen en daarom het beoefenen waard.

Zelfbeheersing –

Door jezelf te zijn en ook te blijven, ondanks de druk van veel verweer, waardoor je ’t moeilijk toch kunt krijgen, blijf je toch staande met je Heer.

“De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken”, Romeinen 15 vers 5 en 6 (Rom. 15:5-6) .

 

Verandering van denken door Margreet Gast

 

Bij het nieuwe leven van de mens die Jezus Chris­tus als Heer en Heiland heeft aangenomen, hoort ook de verandering van denken. “Gij geheel an­ders” staat er immers in Efeziërs 4 vers 20 (Ef. 04:20).

De oproep om te verande­ren van denken vinden we in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) (“wordt hervormd door de vernieuwing van uw den­ken”) en in Efeziërs 4 vers 23 (Ef. 04:23) (“wordt verjongd door de geest van uw den­ken” ), Er wordt mee be­doeld dat we Gods gedach­ten gaan overnemen. Onze mening, onze gedachten vanuit ons oude leven, zullen we wegdoen en in plaats daarvan gaan we over tal van zaken – over onszelf, over ons leven, over de ander – denken zoals God daarover denkt. En dit dank zij het gees­telijk inzicht in de onzien­lijke wereld door de Heili­ge Geest. Dachten we vroeger: “Ik ben en blijf tot mijn dood een zondaar” , dan mogen we nu, in ge­loof, Gods woorden aanne­men die ons zeggen: “Je bent in de Zoon een recht­vaardige!” En in plaats van te zuchten: “mij lukt nooit iets” , mogen we be­lijden: “de Here is mijn Helper” .

Door de Heilige Geest zul­len we steeds beter Gods gedachten gaan begrijpen en kunnen overnemen. En dat is ook de wens van de Vader zelf! 1 Korinthe 2 vers 10a tot en met 12b en 1 Johannes 5 vers 20 (1 Kor. 02:10a-12b; 1 Joh. 05:20) . Als ware discipelen van Jezus willen we in Zijn woord blijven en de waarheid, verstaan, Johannes 8 vers 31 (Joh. 08:31).

Onze (westerse) gedachten

We zijn allemaal opgegroeid in de westerse wereld met zijn verstandelijke denken. En dat kan ons danig par­ten spelen als we willen verstaan wat “verandering van denken” betekent. Het denken van onze westerse wereld is afkomstig van het Griekse denken: dit is een analytische, abstracte wijze van denken over de dingen. Men tracht een complex geheel te begrij­pen door het op te delen in onderdelen. En men poogt dan elk (onder)deel te vatten naar zijn wezen. Maar, losgemaakt uit zijn verbanden, is het deelbegrip niet meer te vatten in zijn betekenis die het heeft in het geheel. Zo kan dat ook gaan met het begrip “ons denken” of “onze gedachten”.

Men kan dat begrip als een op zichzelf staand gegeven beschouwen. Het denken behoort tot de geestelijke wereld. Daar kan dat den­ken enerzijds geïnspireerd worden door de duivel – hij laat de mens leugens denken en spreken – 1 Johannes 8 vers 44b (1 Joh. 08:44b) -, anderzijds kan God de Inspirator zijn. Dan zijn er goddelij­ke gedachten. “Verande­ring van denken” kan dan worden: zorgen dat men geen verkeerde dingen denkt of uitspreekt, maar juist positieve. Aan dat ene onderdeel van het geestelijk functioneren kan de mens op deze ma­nier zelf werken. Aan dat­gene wat een mens uit­spreekt is dan af te meten wat iemands “geestelijke status” is: in hoeverre het denken al door God en in hoeverre het denken nog door de duivel wordt geïnspireerd.

Verandering van denken als leer

Wordt het “denken” opge­vat op de wijze als hierbo­ven beschreven, dan wordt het gebod van onze God een juk op de schouders van Zijn kinderen. Het wordt een “leer”, die tot wet wordt. Want er is geen vrijheid meer in dat gebod, maar inperking en oordeel! Wil men bijvoorbeeld iets zeggen over moeiten en verdriet, dan is er de angst om beoordeeld te worden als “negatief” .

Want- uitspraken als: “ik heb het moeilijk” zijn im­mers negatieve belijdenis­sen die worden geïnspi­reerd door de duivel (! ).

Het gevaar zit er in dat kinderen Gods elkaar we­derzijds gaan beoordelen op de boze geesten die hen inspireren: dat is immers af te leiden uit de dingen die iemand zegt. Zo wordt de mens de mond gesnoerd – beter niks gezegd dan iets verkeerds gezegd – of men leert het snel alleen maar positieve woorden in de mond te nemen. Dan wordt men immers goed beoordeeld. Zo komen de kinderen Gods weer onder een wet. En dat terwijl “verandering van denken” is bedoeld als een vrij­makend gebod des Heren Johannes 8 vers 31 (Joh. 08:31).

Terug naar de grondtekst

De Griekse grondtekst heeft voor het woord “denken” het woord “nous” staan. Dit woord vinden we ook in Romeinen 14 vers 5 (besef) (Rom. 14:05), Lucas 24 vers 45 (verstand) (Luc. 24:45), 1 Korinthiërs 2 vers 16 (zin) (1 Kor. 02:16), 1 Korinthiërs 1 vers 10 (zin) (1 Kor. 01:10).

Met “nous” wordt bedoeld: het denkend, oordelend vermogen van de mens, het diepste oorspronkelij­ke beginsel in de mens dat de wils-beslissingen van het leven voortbrengt. “Nous” is dus niet louter “gedachten” maar gaat veel dieper. Het omvat het hart van de mens, zijn innerlijk: daar waar de verlangens, gevoelens, beoordelingen en overwe­gingen uit voort komen.

Het Hebreeuwse denken

Het Hebreeuwse denken kent geen woord voor “gedachten” als op zichzelf staand begrip. Wel komt men “overwegingen- teneinde-. . .”, of “berekeningen-met-als-doel-. . . ” tegen. Hieruit blijkt dat het Hebreeuwse denken de gedachten van de mens niet losmaakt van zijn in­nerlijk en evenmin van de daden welke volgen op de overdenkingen!

In navolging hiervan kan het Griekse begrip “nous” dus beter – op Joodse wij­ze – vertaald worden met “hart” , hiermee aangevend dat het gaat om alles wat in de mens leeft. Jezus vraagt immers niet van ons om te “sleutelen” aan een onderdeel van ons geestelijke functioneren. Hij wil ons totaal verande­ren en bevrijden!

Het hart van de mens

Ons hart staat voor onze innerlijke mens. Uit ons hart komen de overleggin­gen voort. Dat zijn de woorden – gedachten – die er in ons gevonden worden. Het “woord” gaat in de bijbel altijd samen met “daad”, met handelen.

Laten we dan Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) eens lezen als: “En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieu­wing van uw hart, denken en doen” . En Efeziërs 4 vers 23 (Ef. 04:23) wordt dan bijvoorbeeld: “dat gij verjongd wordt door de geest van uw hart, uw overleggingen en uw handelen” .

Een nieuw hart en nieuwe gezindheid

God komt in ons leven niet tot Zijn doel, als we alleen onze “gedachten omvormen, maar daarbij ons hart on­veranderd laten. In Ezechiël staat al: “Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnen­ste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijde­ren en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnen­ste geven en maken dat gij. naar mijn inzettingen wan­delt en naarstig mijn ver­ordeningen onderhoudt”, Ezechiël 36 vers 26 en 27 (Ez. 36:26-27).

Paulus roept in 1 Korinthiërs 2 vers 16 (1 Kor. 02:16) overtuigd uit: “Maar wij hebben de zin van Christus!” Dat is het wat verandering van denken inhoudt: de ge­zindheid van Christus krijgen. Er zin in hebben om de verordeningen van God te onderhouden, naarstig, vol overgave.

Heel ons hart, denken en doen zullen we laten ver­anderen naar het beeld van Christus. Geen buitenkant-gebeuren, maar ten volle en ten diepste een verandering van bin­nenuit zal het zijn!

 

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (13)

De rijke man en de arme Lazarus

In Lucas 16 vers 19 tot en met 31 (Luc. 16:19-31) treffen wij de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus aan. Lazarus betekent: God helpt; in het Hebreeuws: Eleazar. In Lazarus zien we het beeld van de zuchtende schepping. De rijke man bekommerde zich niet om Lazarus, die bij hem in het voorportaal lag. Hij was met zweren overdekt. De rijke man betoonde geen barmhartigheid, hij liet het karakter van God niet zien.

Vers 22 en 23a is ongetwijfeld de sleuteltekst. We lezen daar: “Het geschiedde dat de arme stierf en door de engelen gedragen werd in Abrahams schoot. Ook de rijke stierf en hij werd begraven”. De engelen functioneren mee om Abraham thuis te brengen. In Abrahams schoot wordt Lazarus vertroost; daar krijgt hij verkoeling, water. God zegt: ‘De volkeren krijgen een tijd van verkoeling in Abrahams schoot’. In Matthéüs 8 vers 11 (Matt. 08:11) lezen wij dat Jezus zegt: “Velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham”. Lazarus’ naam wordt bewaarheid: God helpt. De engelen zullen uit gaan vanuit de gemeente om de volkeren thuis te brengen. De zuchtende volkeren zullen het evangelie horen. ‘Abrahams schoot’ is een merkwaardige uitdrukking, die slechts eenmaal in het oude testament voorkomt; dit is uitgerekend in verband met Hagar, die een beeld van de heidenwereld is. We hebben reeds eerder gezien dat Hagar tweemaal een engel ontmoette, die haar beloften gaf in verband met haar zoon Ismaël. De engel wijst haar de bron waaruit zij Ismaël te drinken kan geven, als beiden van dorst bijna omkomen.

De strategie die Paulus moest leren

Paulus was heel strategisch bezig en ging bij voorkeur naar de steden, de belangrijkste centra. De Heilige Geest gaat Paulus een bepaalde strategie tonen, want het gaat om de voortgang van het evangelie, opdat de volkeren hiermee zullen worden bereikt.

Zo lezen wij in Handelingen 16 vers 6 en 7 (Hand. 16:06-07): “En zij gingen door het Frigisch-Galatische land, maar werden door de Heilige Geest verhinderd om het woord in Asia te spreken; en bij Mysië gekomen, poogden zij naar Bytinië te reizen, maar de Geest liet het hun niet toe”. En in Handelingen 16 vers 9 en 10 (Hand. 16:09-10) lezen wij dat Paulus in de nacht een gezicht kreeg: “Er stond een Macedonisch man, die hem toeriep: Steek over naar Macedonië en help ons. Toen hij het gezicht gezien had, zochten wij dadelijk gelegenheid om naar Macedonië te vertrekken, daar wij eruit opmaakten dat God ons had geroepen om hun het evangelie te verkondigen”.

Vlak daarop wordt de overtocht van Asia naar Europa gemaakt. Als Paulus in een totaal ander werelddeel aankomt, krijgt hij ook te maken met andere wereldbeheersers. Hij krijgt lijnrecht een botsing met de beheersers van dat gebied. Toen ze in Filippi aangekomen waren, belandden ze al spoedig in de gevangenis. In vers 18 pakt Paulus bovendien een waarzeggende geest aan. Ze komen in de binnenste kerker van de gevangenis terecht en hun voeten worden zorgvuldig in het blok gesloten. Dan lezen we in vers 25: “Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen”.

Dit is rechtstreeks een stuk overwinning. Als Paulus en Silas de lof van God gaan zingen, wordt hiermee in de geestelijke wereld iets in beweging gebracht. De engelen komen tegen de wereldbeheersers in actie. Er ontstaat een enorme botsing van geesten. De gevangenis is op dat moment het bolwerk van de wereldbeheersers. Op zoveel geestelijk krachtsvertoon was de gevangenis niet ingericht en stort in elkaar. Hier is geestelijk veel meer aan de hand dan een wonder dat ten behoeve van een paar mensen plaatsvindt.

Het is interessant om te zien hoe het evangelie voortgang maakt. Hierin zit de strategie van God, waar Paulus helemaal inpast. Vanuit Azië gaat het evangelie naar Europa. De volgende stap is dat het evangelie van Europa naar Amerika is gegaan. Er zijn aanwijzingen dat Columbus oorspronkelijk een roeping van God heeft gehad en een man met zendingsvisie is geweest. Hij is zijn roeping kwijtgeraakt en naar Amerika gegaan om er beter van te worden. Later’ zijn de Pilgrimfathers naar Amerika gegaan. Zij hebben zich jarenlang geestelijk voorbereid om het Koninkrijk Gods in het nieuwe werelddeel te planten. De volgende beweging is geweest, dat het evangelie vanuit Amerika naar Azië terugkeert. De cirkel is rond. God is door de eeuwen heen bezig geweest om een stuk geschiedenis te bouwen. Vandaar dat Handelingen 16 een erg belangrijk gedeelte is.

De storm op het meer

In Matteüs 8 vers 23 tot en met 27 (Matt. 08:23-27) is er ook veel meer aan de hand dan een zware storm als een natuurlijk verklaarbare zaak. Als je het verhaal in het verband leest, zie je dat onmiddellijk na de storm de genezing van twee bezetenen volgt. Toen het schip kwam aanvaren, heeft de tegenstander gedacht: ‘Nu raak ik mijn mensen kwijt. Ik moet zorgen dat ik Jezus buiten mijn gebied houd’. De boze wist dat hij terrein zou moeten prijsgeven als Jezus daar verschijnen zou. Het was een strategische aanval van de boze. Jezus was met zijn discipelen in één schip. Het was de hele gemeente. Als de boze het schip in één klap ten onder had kunnen laten gaan, had hij in één moment de hele gemeente: hoeksteen én fundament, in het dodenrijk kunnen laten verdwijnen. Ze komen tóch behouden aan de overkant.

Er is nog een merkwaardig detail in deze geschiedenis. Daarover lezen wij in Markus 5 vers 9 en 10a (Mark. 05:09-10a): “En Hij vroeg hem: Hoe is uw naam? En hij zeide tot Hem: Mijn naam is legioen, want wij zijn talrijk…” Een legioen is een Romeinse legerafdeling, bestaande uit 6000 man voetvolk en ongeveer 800 ruiters. Zo’n legioen had ook een commandant. In Markus 5 vers 10b (Mark. 05:10b) lezen wij: “…en hij smeekte Hem dringend hen niet buiten het land te zenden. ‘Hij’ is de bevelhebber, de woordvoerder van het legioen. Hij zegt: ‘Stuur óns niet uit het land’. Voor het woord ‘land’ staat eigenlijk ‘streek’. Ze willen de streek niet uit omdat het hun gebied is; daarbuiten hebben ze niets te vertellen. Ze voelen zich ook niet thuis buiten hun gebied. Ze willen hun gebied vasthouden. Ze verzoeken Jezus om in de zwijnen te mogen varen. Jezus staat het hun toe. De bevolking moet niets van Jezus hebben en wil de zaak houden zoals het is. De mensen zijn woedend omdat ze hun zwijnen kwijt zijn.

We zien dat bepaalde vorsten zich in een bepaalde streek willen handhaven. Als demonen geen mensen als woning kunnen krijgen, hebben ze liever een stel dieren als helemaal niets. Anders zouden ze dakloos en werkeloos zijn. Werkeloosheid is een pijniging voor een boze geest. De boze geesten beschouwen een bepaald gebied als hun eigendom en willen er zoveel mogelijk afbreken. Doordat de mensen zich tegen het evangelie verzetten, hadden de demonen vrij spel in dat gebied. Ze konden er doen wat ze wilden. De storm op het meer was duidelijk een stuk tegenstand, om een gebied voor de tegenstander te behouden.

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Door verschillende nabestellingen zijn de twee laatste nummers van “Levend Geloof” geheel uitverkocht. Het betreft het septembernummer waarin het artikel “Wanneer gaan de vensters wagenwijd open?” werd gepubliceerd. En het nummer van oktober met het artikel: “Laat de Heilige Geest ons vallen?”. Op laatstgenoemd artikel ontvingen wij onder andere reacties uit Amersfoort, Deventer, Harderwijk, Hoogeveen, Huizen, Haarlem, Terneuzen en Lisse. Vaak reageren lezers alleen wanneer men het niet eens is met iets wat men leest,, maar deze keer waren het voor het overgrote deel instemmende reacties, waar we erg blij mee waren.

Dat de twee bovengenoemde artikelen veel aandacht trokken, betekent niet dat de andere artikelen minder belangrijk waren. Het blijkt telkens weer dat de duidelijke uitleg en de veelzijdige benadering van de volle evangelie boodschap, in de verschillende artikelen, door velen gewaardeerd wordt. De doelstelling van ons blad blijft de verkondiging van de boodschap van het Koninkrijk der hemelen in al zijn facetten en wij proberen dit in ieder nummer weer te verwezenlijken.

In dit nummer start een nieuwe serie vervolgartikelen van Hessel Hoefnagel onder de titel “Het hemelse Jeruzalem”. De vorig jaar van hem gepubliceerde

artikelen over de innerlijke mens, zijn thans verwerkt in een brochure die onder de titel “De ontsluiering van het , geheim van God” bij ons is verschenen. Twee andere series naderen thans hun einde. Van “De grote lofzang” van Wim te Dorsthorst volgt nog één artikel en van “De wereld van de engelen” van Klaas Goverts volgen nog twee afleveringen. Verder verschijnen er binnenkort enkele belangrijke artikelen van Evert van de Kamp over “Bevrijding van demonie”, een onderwerp dat ook zeker veel aandacht zal trekken. Ook onze jonge lezers en lezeressen worden niet vergeten. In het eerstvolgende nummer volgt weer een nieuw artikel van Liesbeth Hagendoorn. Tevens wordt in dat nummer het getuigenis ; opgenomen van broeder Alfons Lehardy uit Niel bij Antwerpen.

Tenslotte attenderen wij onze abonnees nog eens op de “herfstactie”. We zijn dankbaar dat reeds verschillende lezers en lezeressen gereageerd hebben door het opgeven van een nieuwe abonnee of een adres voor een geschenkabonnement. Iedereen die abonnee wordt ontvangt het decembernummer gratis.

1989.10 nr. 307

Levend geloof 1989. 10 nr. 307

De identiteit van het evangelie door Gert Jan Doornink

Het evangelie: De kracht Gods tot behoud

Wanneer Paulus in Romeinen 1 vers 16 (Rom. 01:16) zegt dat het evangelie ‘een kracht Gods tot behoud is, voor ieder die gelooft’, is het geen overbodige zaak dat hij deze definitie van het evangelie zo duidelijk stelt. Vanaf het begin dat het evangelie van Jezus Christus gepredikt werd is het vanuit het rijk der duisternis fel aangevallen en bekritiseerd. Niet alleen opdat de mensen het af zouden wijzen, maar ook om christenen te verleiden en een vertekend beeld op te hangen. Paulus schrijft er bijvoorbeeld over in Galaten 1. Hij spreekt, daar zijn verbazing uit dat sommigen zich inlaten met een ‘ander evangelie’, dat is geen evangelie, zegt Paulus. Er is maar één evangelie, dat van verlossing, bevrijding en herstel door Jezus Christus, dat is het ware evangelie, de kracht Gods tot behoud.

Ook in onze dagen wordt het woord ‘evangelie’ enorm onderuit gehaald. Het is bij velen gedevalueerd en wordt misbruikt voor allerlei doeleinden. Het is daarom goed om eens stil te staan bij de identiteit van het evangelie, de wezenskenmerken, want zonder dat we ons bewust zijn wat die kenmerken zijn, komt er van onze eigen kenmerken als kind van God – onze herkenbaarheid in Christus – ook weinig terecht. En daar komt het op aan! Hoe openbaren wij ons als christenen? Zijn wij werkelijk leesbare brieven van Christus? De bekende woorden van Paulus in 2 Korinthiërs 5 vers 17 (2 Kor. 05:17): “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping”, zijn ‘dode woorden’ als we niet openbaar maken dat we nieuwe scheppingen zijn.

De openbaring van het ‘nieuwe schepping zijn in Christus’, het nieuwe leven in Hem, is alleen mogelijk als het gevoed wordt. Het moet daarom in verbinding staan met Degene die het voedsel verstrekt. Want door die verbinding, door dat kanaal, kunnen de voedselstromen vanuit Gods heiligdom ons bereiken. Dit kanaal mag niet verstopt zijn, de verbinding mag niet verbroken zijn. Iedere remming, iedere belemmering, iedere gebondenheid is een sta-in-de-weg voor het doorkomen van de voedselstromen vanuit Gods heiligdom. Blokkades moeten worden opgeruimd, vandaar de oproep in Gods Woord om af te leggen al datgene wat belemmerend werkt, of als men daartoe niet in staat is, zich te laten bevrijden van elke gebondenheid.

Zijn wij uitdelers van het grote heil?

Wanneer alles in orde is, dat wil zeggen: we zijn gedoopt met de Heilige Geest, we werken eraan dat er een open verbinding met Gods heiligdom in stand blijft en we zijn ons bewust dat we behoren tot Zijn Koninkrijk, wat doen we dan met het voedsel wat God voor ons beschikbaar heeft gesteld? Met het evangelie van Jezus Christus, dat zo rijk en vol is? Met alles wat in Gods voorraadschuren aanwezig is? Halen we er iets vanaf en laten het meeste voor wat het is? Of gaan we zoveel mogelijk nemen en zijn we uitdelers van het volle heil in Christus?

Wij willen nu een aantal oorzaken onder ogen zien, waarom het ‘uitdelen’ vaak nog niet optimaal functioneert. In de eerste plaats kan dit te maken hebben met het feit dat wij ons niet bewust zijn hoe rijk we geworden zijn in Christus. Paulus spreekt in Efeziërs 3 vers 8b (Ef. 03:08b) over de ‘onnaspeurlijke rijkdom van Christus’ en over de ‘rijkdom Zijner heerlijkheid’ Efeziërs 3:16 (Ef. 03:16). Eerder in deze brief had hij gesproken over de ‘rijkdom van Zijn genade’. Maar ook op talrijke andere plaatsen worden wij er bij bepaald hoe rijk we zijn geworden in Christus. Niet alleen het geloof in Christus heeft ons rijk gemaakt, maar óók het geloof in Zijn evangelie. We kunnen ons geloof niet losmaken van de boodschap die Hij bracht. Jezus en Zijn boodschap vormen een onlosmakelijke eenheid. Als we niet weten wat de werkelijke betekenis is van het evangelie, kunnen we dus ook nooit ten volle als gelovige functioneren.

Paulus zegt dat het evangelie een kracht Gods tot behoud is voor ieder die gelooft. Het evangelie wat ‘goed nieuws’ betekent, oftewel ‘blijde boodschap’, is niet zomaar een willekeurige boodschap. Het is de openbaring van Gods plan voor de mensheid. Het evangelie doet wat’ Het werkt! Het ontmaskert en overwint de vijand! God heeft Zijn wezen gelegd in het evangelie. God en Zijn evangelie (Zijn Woord) zijn één. God heeft zich geïdentificeerd met Zijn evangelie. Wie over God of Jezus Christus spreekt of denkt, kan dit nooit losmaken van Zijn boodschap.

Een tweede reden waarom er van het ‘uitdelen’ weinig of niets terecht komt kan zijn dat we niet inzien dat we geroepen zijn uitdelers te zijn. Jezus gaf de opdracht die Hij had ontvangen door aan Zijn discipelen. En dit ‘doorgeven’ is in feite de spil waar alles omdraait ten aanzien van het evangelie. Zijn wij alleen maar ‘ontvangers’ of willen wij ook ‘uitgevers’ zijn. Denk aan de woorden van Jezus bij de uitzending van de twaalf discipelen: “Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet!” Matteüs 10 vers 78 (Matt. 10:78). Op allerlei wijze wordt deze grote opdracht centraal gesteld in de bediening en prediking van Jezus en mondt tenslotte uit in Zijn afscheidswoorden: “Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” Markus 16 vers 15 (Mark. 16:15).

Dan is er nog een reden waarom er van het uitdelen soms nog zo weinig terecht komt. Dat is als wij ons door de vijand laten beroven van onze rijkdom in Christus of ons door hem angst laten aanjagen. In Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10) zegt Jezus dat de dief (satan) maar één bedoeling heeft, namelijk te stelen, te slachten en te verdelgen. Dat is de tactiek van de vijand. Een tactiek waarvoor God ons een machtig wapen heeft gegeven om ons daarvoor af te schermen, dat is de veiligheid en geborgenheid van Zijn Koninkrijk.

De bescherming van Gods koninkrijk

In Psalm 91 vers 1 en 2 (Ps. 091:001-002) lezen wij: “Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God op wie ik vertrouw”. De ‘schuilplaats des Almachtigen’ betekent, nieuwtestamentisch gesproken, de bescherming van het Koninkrijk, het volle heil in Christus, het vol zijn van de Geest van God, weten dat Hij alle macht heeft in hemel en op aarde en dat wij mogen delen in die macht. Maar ook hier geldt weer: zonder aanvaarding beleven wij het niet. We zullen ons één moeten maken met Zijn woorden, met Zijn evangelie. De identiteit van het evangelie zal met heel ons wezen, ons bestaan, ons denken, spreken en handelen, verweven moeten zijn.

Dan worden we ook zelf meer en meer herkenbaar als levende getuigen van Christus. We gaan dan ook meer en meer begrijpen hoe waar het woord van Jezus is als Hij zegt: “Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden” Matteüs 13 vers 12 en Matteüs 25 vers 29 en Markus 4 vers 25 (Matt. 13:12; Matt. 25:29; Mark. 04:25). Ik heb deze tekst vroeger wel eens anders geïnterpreteerd door te denken dat God dan datgene afneemt van wat hij meent te bezitten. Maar uiteraard gaat het hier om de duivel.

Iemand die niet heeft, of weinig heeft, iemand die de werkelijke identiteit van het evangelie niet kent, is een gemakkelijke prooi voor de vijand. Maar iemand die wel heeft, die het volle evangelie van Jezus Christus in al zijn facetten heeft Ieren kennen en meer en meer leert kennen is onaantastbaar voor de duivel. Jezus sprak: “Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed” Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10). Het evangelie van het Koninkrijk is vol, is compleet, en hoe meer we daarmee samengroeien, hoe meer wij ook geïdentificeerd worden met dat evangelie, dat wil zeggen: hoe meer wij ook werkelijke getuigen van Christus zijn en kunnen functioneren in het grote plan van God tot herstel en voltooiing van Zijn schepping.

Uiteraard gaat dat niet altijd van een leien dakje, het een groeiproces, het gaat vaak stap voor stap, maar wie in geloof en gehoorzaamheid volhardend doorgaat, zal van dag tot dag de kracht van het evangelie ervaren en over kunnen brengen in de levens van anderen. In de natuurlijke wereld hebben wij onze identiteitspapieren, paspoort, rijbewijs, etc. We kunnen bewijzen wie we zijn. Hoeveel belangrijker is dat we ons geestelijk identiteitsbewijs op zak hebben: het evangelie van Jezus Christus, de kracht Gods tot behoud voor ieder die gelooft.

 

Laat Gods Geest ons vallen? door Marja Dalhuijzen

 

Van de redactie

Het is al weer enkele jaren geleden dat wij in een ar­tikel onder de titel “De Geest van nuchterheid” schreven over het zoge­naamde vallen of rusten in de Geest. Naast posi­tieve reacties ontvingen wij toen ook enkele brie­ven die op uitvoerige wij­ze dit ‘vallen’ verdedig­den. Uiteraard willen wij altijd openstaan voor correcties van medechriste­nen en hoewel wij niet twijfelden aan de oprecht­heid van de briefschrij­vers, werden we niet overtuigd.

We bleven de ontwikkelin­gen op dit terrein nauw­lettend volgen. Objectieve informatie uit verschillen­de gemeenten en van broe­ders en zusters en eigen waarneming, brachten ons meer en meer tot de over­tuiging dat we juist had­den gehandeld door een afwijzend standpunt in te nemen.

Omdat er bij sommige van onze lezers en lezeressen nog steeds vragen op dit terrein bestaan leek het ons goed in dit nummer op dit onderwerp nog een keer terug te komen. We doen dit met het hierna

volgende artikel waarop een lezeres ons onlangs attent maakte en dat ver­scheen in het gemeente­blad van de volle evange­lie gemeente te Amersfoort. Het werd geschreven door zuster Marja Dalhuijzen, echtgenote van de voorganger van de gemeente, broeder Henk DaIhuijzen. We zijn blij dat we toestem­ming kregen dit artikel ook in “Levend Geloof” te publiceren. Het geeft namelijk naar onze mening een duidelijke en even­wichtige belichting van dit onderwerp. Met de in­houd kunnen we dan ook volledig instemmen en wij hopen dat dit ook bij vele van onze lezers en lezeres­sen het geval zal zijn.

 

Vallen of staan?

Is er een Bijbelse gedach­te die aangeeft dat vallen een zegen van de Heer is? Roept het woord van God ons op om ons daar­aan over te geven? Geeft de bijbel aan dat het ons geestelijk leven kan ver­rijken? Kom je iets tekort in je geestelijke leven als je deze ervaring niet kent?

Vallen een gebeuren te­midden van kinderen Gods. Dikwijls doordat een bekend prediker of predikster mensen uitno­digt om naar voren of op het podium te komen. Tijdens wat vragen of terwijl er gebeden wordt kan iemand ineens op de grond zakken of achter­over vallen. Ook wordt er wel gevraagd of er een getuigenis is, maar voordat de persoon kan gaan spreken valt hij om en is niet meer aan­spreekbaar.

De verleiding is er om vallen te accepteren als zijnde een uiting van de krachtige werking van de Heilige Geest. Immers, het vindt plaats in een samenkomst waar het evangelie gepredikt wordt, de Heer groot ge­maakt en de mensen vol verwachting uitzien naar wat de Heer gaat doen.

Toch denk ik dat het vallen getoetst mag wor­den aan het woord van God. Zoals de bijbel ons oproept om te toetsen of iets van de Heer is. Het woord van God mag nog steeds een lamp voor on­ze voet en een licht op ons pad zijn.

Belichting van enkele gedachten

Er zijn verschillende ge­dachten die aangevoerd worden om te bewijzen dat vallen een positieve uitwerking heeft voor ons geestelijk leven. Deze ge­dachten wil ik nu belich­ten met het woord van God.

Vallen is rusten in de geest.

Dit rusten kan duren van een ogenblik tot langere tijd. Soms wil een geval­lene weer gaan staan, maar is dit onmogelijk om­dat de geestelijke kracht nog steeds werkzaam is. De bijbel spreekt niet over rusten in de geest. Wel worden we opgeroepen om in te gaan, in de rust van het geloof in Hebreeën 4 vers 11 (Heb. 04:11) .

De rust van het geloof is niet inactief, maar een werkzame kracht in de onzienlijke wereld. Het is een onwankelbaar vertrou­wen op de Heer en in zijn plan met de mens. De eni­ge die baat heeft bij het rusten van iemands geest, is de boze. Van hem mag dit rustig eeuwig duren’

Er komt een gevoel van diepe rust en ont­spanning, over degene die ‘rust in de geest’.

Waar komt dit gevoel eigenlijk vandaan? Jezus zelf zegt: “Komt tot Mij, die vermoeid en belast zijn en Ik zal u rust ge­ven”. Komen tot Jezus heeft niets te maken met een inactieve geest. Wie tot Jezus komt richt zich in geloof tot Hem. Geloof is altijd een actieve wer­king van onze geest.

Er vindt een ‘gene­zingsproces’ plaats.

In het verleden kan ie­mand gewond zijn door mensen of omstandigheden, soms heeft iemand daar zelf geen weet van. Tij­dens het rusten in de geest komt dan de Heilige Geest in die persoon en gaat hem genezen.

Jezus is onze Redder. Wij spreken ook over Hem als Heiland, dat betekent Heelmeester. Wie tot Hem komt ervaart zijn liefde en kracht door de woor­den die Hij spreekt en door zijn Geest die Hij geeft aan hen die Hem daarom vragen. Jezus Christus is geen inbreker die zonder onze medewer­king dingen in ons inner­lijk verandert. In de evangeliën lees je telkens weer dat Hij vraagt aan de persoon die tot Hem komt: “Wat wil je dat Ik doen zal?” De mens wordt aangesproken.

Wat is vallen eigenlijk? Als een mens valt komt dat doordat hij een ogen­blik geen contróle heeft over zijn evenwicht. Meestal blijft hij dan niet liggen, tenzij hij iets ge­broken heeft of niet meer in staat is om te gaan staan. Dit komt niet zo positief over. Er is nie­mand die een ander zoiets toe bidt, of toewenst. Als je valt, verlies je een ogenblik je gezicht, je waardigheid.

Ik denk dat er bij het vallen in de geest ook zoiets gebeurt. Verder verlies je een ogenblik je gezichtsvermogen. Dit is heel bedenkelijk in de geestelijke wereld. We zijn wedergeboren, dus geplaatst in de onzicht­bare wereld om te zien en te onderscheiden waar het op aankomt, zodat we ons kunnen heiligen van alles wat de boze over ons wil leggen. De brief aan de Hebreeën zegt: “Maar wij zien Jezus, met eer en heerlijkheid ge­kroond”. Er is een bedek­king over ons weggeno­men toen we Christus aanvaardden met de belof­te dat iedere bedekking weggenomen wordt in Christus. Wij kunnen de Heer niet dienen door te slapen. Bij het dienen ? van de Heer komt het aan op ‘geheel onze kracht en geheel ons hart en geheel ons verstand’. Kortom met alles wat we ter be­schikking hebben.

Het komt in het nieuwe testament voor dat men­sen vallen, maar daarmee geeft de bijbel niet aan dat het een werking van de Heilige Geest is. De maanzieke knaap werd regelmatig ter aarde ge­worpen. Jezus bestrafte de boze geesten, pakte zijn hand en richtte hem op.

Saulus valt op de grond als Jezus zich aan hem openbaart. Saulus was toen vervuld met moord en dreiging. Duisternis verdraagt geen licht. Het is geen wonder dat Saulus bij zo’n licht ter aarde valt. De Heer zegt bijna onmiddellijk: ‘Sta op!’

Johannes op Patmos kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren. Hij hoorde een luide stem die hem opdracht gaf. Als hij zich dan om draait ziet hij Jezus in al zijn heerlijk­heid. Het verbaast mij niet dat Johannes bij zo’n openbaring neervalt. De Heer heeft echter niets aan een Johannes die als dood op de grond ligt en richt hem onmiddellijk op. Johannes moest aan het werk.

Dit artikel heb ik geschre­ven omdat de boze, onder de dekmantel van het evangelie, kinderen Gods, wat dit punt betreft, ver­leidt en onder een ver­sluiering brengt. Zo’n zes jaar geleden hoorde ik voor het eerst over het vallen. Toen wilde ik daar geen oordeel over geven. Nu is voor mij de tijd ge­komen om voor mijzelf vast te stellen wat werk­zaam is in de geestelijke wereld.

Niet om mensen te veroor­delen, maar uit liefde voor mijn broeders en zusters geef ik dit door, zodat zij zich van het vallen verre kunnen houden. Het evan­gelie dat gebracht wordt kan dan wel zuiver zijn, maar vallen op zich komt niet van de Heer Jezus Christus en kan ik alleen maar bestempelen als een duistere werking. Ik hoop dat velen dit gaan onder­scheiden en waar nodig zich laten bevrijden en reinigen van deze bedek­king.

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst (5)

 

Wie is voor de Here?

We zien dat bij de menta­liteit die in de wereld heerst, de mens zichzelf verheft en spot met alles wat van God en Jezus Christus is. In 2 Timotheüs 3 ziet Paulus door de Geest dat het in ‘de laatste dagen’ zware tij­den zullen zijn. Hij zegt in vers 4b (2 Tim. 03:04b) dat de mensen meer liefde voor genot dan voor God zullen heb­ben. Zo maakt de mens­heid zich een enorm gou­den kalf en zij hangen dat aan met heel hun hart en zeggen: ‘dat is de god van onze verlossing’ .

Dat zongen de Israëlieten ook terwijl Mozes bij God op de berg was om leven­de woorden voor het volk te ontvangen Exodus 2 vers 5 en Handelingen 7 vers 38 (Ex. 32:05; Hand. 07:38). En dan stelt Mozes zich op in de poort van de legerplaats en roept temidden van dat goddeloze tumult: Wie is voor de Here die kome tot Mij! En dan verzamelen zich al de Levieten bij Mozes, die zijn oog gevestigd houdt op de Onzienlijke Exodus 32 vers 26 en Hebreeën 11 vers 27 (Ex. 32:26; Heb. 11:27).

Wat het gevolg is van de­ze gezegende keuze van de Levieten lezen we in Deuteronomium 10 vers 8 en 9 (Deut. 10:08-09): “Toen zonderde de Here de stam der Levie­ten af, om de ark van het verbond des Heren te dragen, vóór de Here te staan om Hem te die­nen, en in zijn naam te zegenen tot op deze dag.

Daarom heeft Levi geen bezit of erfdeel met zijn broederen; de Here is zijn erfdeel, zoals de He­re, uw God, tot hem ge­zegd heeft”.

De uitgeroepene

Zo roept de Heer in deze tijd ook een volk bijeen uit de grote christenheid, uit de wereld: ‘Wie is voor de Here? Die kome tot Mij’. Uit alle volken, over de gehele aarde, ge­ven mensen gehoor aan de oproep om toe te tre­den tot het priesterschap. Er wordt niemand geprest of gedwongen, maar juist op vrijwillige basis vormt zich zo de gemeente van Jezus Christus. Het Griekse woord voor ge­meente ‘ecclesia’ betekent ook letterlijk ‘uitgeroepe­ne’ of ‘bijeengeroepen’. Jezus bouwt deze uitge­roepenen tot een konink­rijk, tot priesters voor zijn God en Vader Openbaring 1 vers 6 (Openb. 01:06).

Zo is de gemeente de nieuwtestamentische stam der Levieten en zij is de draagster van de waarheid en de geheimenissen Gods, van de ark van het ver­bond des Heren 1 Timoteüs 3 vers 15 (1 Tim. 03:15). De gemeente zal vóór het aangezicht van de Heer staan om Hem te die­nen en in Zijn Naam te zegenen Lucas 21 vers 36 en Numeri 6 vers 22 tot en met 27 (Luc. 21:36; Num. 06:22-27).

De gemeente zal niet de mensen doden met het zwaard, zoals de Levieten deden in de dagen van Mozes, maar ze doden de boze geesten, de tegenstanders van God en mens, die achter dit alles staan, door het zwaard des Geestes, dat is het woord van God Exodus 32 vers 27 tot en met 29 en Efeze 6 vers 17 en Openbaring 19 vers 14 (Ex. 32:27-29; Ef. 06:17; Openb. 19:14).

Leven uit genade

Maar ook voor de gemeen­te zal gelden dat ze geen erfdeel op aarde zal heb­ben, want de Here is haar erfdeel. De gemeen­te, die uit de wereld ge­roepen wordt, zal moeten leren volledig uit de ge­nade te leven van God in Jezus Christus. Dat staat diametraal tegenover de houding, de geest, die in de wereld heerst,

Nu is de genade een be­kende term, maar ik ge­loof dat het voor velen een vaag, zweverig be­grip is. Zonder er hier al te diep op in te gaan, wil ik er het volgende van zeggen. We zagen al dat de goedertierenheid (chèsed), zoals gebruikt in het oude testament, in het nieuwe testament ver­taald wordt met genade (charis). God heeft in het nieuwe verbond niet ineens een andere eigen­schap, die dan genade genoemd wordt, maar het gaat om één en hetzelfde begrip.

De goedertierenheid van God krijgt echter pas ten volle gestalte in Jezus Christus. En deze genade is veel meer dan: ‘gratie, onverdiende en onverwachte ontferming’ zoals het theologisch wel ge­formuleerd wordt, al is het doordacht en oprecht.

De genade is ook veel meer dan onze verzoening met God door het bloed van Jezus Christus, hoe fundamenteel dit ook is. Genade is niet iets wat je ontvangt en dan als een soort geestelijk goed bezit. Ieder zakelijk be­grip betreffende genade is volkomen vreemd aan de Bijbelse betekenis hiervan. Leven onder de wet, trachten door eigen inspanning, eigen kracht en inzicht God te behagen en genade te verdienen, is een absolute onmogelijk­heid. Paulus zegt: “Indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken; anders is de ge­nade geen genade meer” Romeinen 11 vers 6 (Rom. 11:06). “Gij zijt los van Christus, als gij door de wet (eigen werken) gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij” Galaten 5 vers 4 (Gal. 05:04).

In deze en nog veel meer van dergelijke uitspraken maakt Paulus duidelijk hoe scherp en groot de tegenstelling eigen kracht – wet, en alles wat daar­mee verband houdt, en genade is.

Het liefde verbond van God

Het genadeverbond van God in Jezus Christus met de mens is geen werkverbond maar een liefde verbond, waarin alle initiatief van God uit­gaat en alles door Hem geschonken wordt.

Genade is dat we in Je­zus Christus deel krijgen aan de goddelijke natuur 2 Petrus 1 vers 4 (2 Petr. 01:04) en gelijk­vormig worden aan het beeld van Gods Zoon Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29). Genade is dat wij worden binnengebracht in de levenssfeer van God, bestaan en le­ven in de liefde van God. Zoals een vis alleen maar kan leven in het water, zo kan de mens alleen maar leven, werkelijk le­ven, in de genade van God.

Dat is niet tegennatuur- lijk voor de mens, maar daartoe zijn wij door God geschapen om in een per­soonlijke ontmoeting, in een onafgebroken gemeen­schap samen te kunnen zijn in Gods leefwereld. Wij krijgen hier deel aan door de Heilige Geest, waardoor het goddelijke leven in ons komt en sa­men gaat groeien met on­ze geest tot één 1 Korinthe 6 vers 17 (1 Kor. 06:17).

Ik ben uw erfdeel

De gemeente die in die vrijwillige leefgemeen­schap treedt met God door Jezus Christus, die dus gehoorzaamt en leeft door de Heilige Geest, die dus vrijwillig afstand doet van ieder erfdeel van deze wereld en uit genade leeft, daarvoor geldt: “Gij zult onder al­le volken Mijn bijzonder eigendom zijn” Exodus 19 vers 5 (Ex. 19:05). Tot dit volk zegt God: Ik ben uw erfdeel. –

De gemeente erft God, door vrijwillig in te gaan in Zijn wereld, uit liefde voor Hem. Dat is binnen­gaan in een levenssfeer van volmaakte heiligheid en liefde. En dan zegt God: “Nooit meer zal Ik mijn gelaat voor hen ver­bergen, omdat Ik Mijn Geest heb uit gestort over Israëls huis: is de Gods­spraak van Jahweh de Heer!” Ezechiël 39 vers 29 Petrus Canisiusvertaling (Ez. 39:29). En aan deze belofte houdt God zich in goedertieren­heid en trouw.

De heerlijkheid van Gods genade

Dat eeuwige genade-ver- bond van God voor de mens, in de Zoon zijner liefde, is tot lof van de heerlijkheid Zijner genade, zegt Paulus Efeze 1 vers 6 (Ef. 01:06). Dit handelen van God naar zijn eeuwig voornemen is tot lof, tot verheffing, tot glans van de heerlijkheid zijner ge­nade. Paulus zoekt als het ware naar woorden om uit te drukken hoe wonder­baar Gods genade is. Hij doet dat ook in Efeziërs 2 vers 5 tot 7 (Ef. 02:05-07), waar hij zegt dat wij door genade behouden zijn en dat God ons heeft opgewekt en ons mede een plaats heeft gegeven in de hemelse ge­westen, in Christus Jezus.

En dat, zegt Paulus, is nu uit de onbegrensde liefde van God, want hij vervolgt dan met: “om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen naar zijn goedertie­renheid over ons in Chris­tus Jezus”. Paulus die kon zeggen: “Niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij” Galaten 2 vers 20 (Gal. 02:20). begrijpt wat goedertieren­heid of genade Gods bete­kent en tracht dit in su­perlatieven als ‘de heer­lijkheid Zijner genade’ en ‘de overweldigende rijk­dom Zijner genade’ uit te drukken.

Genade is dus veel meer dan iets van God ontvan­gen of iets hebben als een bewijs om in de hemel te komen. Paulus wil als het ware zeggen: “Eeuwen, misschien wel de eeuwig­heid, zijn nodig om die overweldigende rijkdom Zijner genade te gaan zien naar Zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

David zegt: “Alle wegen des Heren zijn goedertie­renheid en trouw”. Dat betekent dat alle wegen van God, al het handelen van God met de mens, om een mensheid te creëren waarin Hij eens ‘alles zal zijn in allen’, geschieden zal in goedertierenheid en trouw. Een dichterlijk schrijver heeft eens ge­zegd over de genade: De mens kan niet hoger vlie­gen dan hij zelf is, maar door de genade wordt hij Gods liefde en leven bin­nengebracht, waar hij in onbegrensde hoogten zijn vleugels mag leren uit­slaan .

 

 

 

Bewijzen wij barmhartigheid? door Ron Gast

 

“Barmhartigheid wil Ik en geen offerande” Matteüs 9 vers 13 en Matteüs 12 vers 7 (Matt. 09:13 en Matt. 12:07).

Menigeen zal deze tekst herkennen als een uit­spraak van Jezus. En dat Hij daarbij de profeten Hosea 6 vers 6 (Hos. 06:06) aanhaalde zal niemand verbazen; Hij deed ‘niets anders’! Maar toch. . . Laten we eens beter kijken naar deze woorden van Jezus.

Barmhartigheid, daar gaat het om als Jezus in het verhaal over de barmhar­tige Samaritaan uitlegt wie je naaste is (en hoe je zelf naaste wordt!) (Luc. 10:37).

Barmhartigheid, daar gaat het om als Jezus in de Bergrede tegen zijn disci­pelen zegt: “Zalig zijn de barmhartigen want hun zal barmhartigheid geschie­den” Matteus 5 vers 7 (Matt. 05:07).

Over barmhartigheid be­wijzen aan God lezen we in Hosea 6, over barmhartigheid bewijzen aan je naaste in Lucas 10 en over barmhartigheid bewijzen aan jezelf in Matteüs 5. Blijkbaar speelt barmhartigheid een veel belangrijker rol in Gods denken en handelen dan wij ooit bedacht en bewe­zen hebben.

Barmhartigheid in de Joodse traditie

In de Joodse traditie komt barmhartigheid voor als uiting van trouw, ge­trouwheid en betrouwbaar­heid. De hechte relatie tussen God en Zijn volk door het verbond met Abraham en zijn nage­slacht veronderstelt zulke trouw over-en-weer. Deuteronomium 5 vers 10 (Deut. 05:10) spreekt over “. . . getrouw­heid bewijzend aan duizen­den van hen die Mij lief­hebben .

Ook trouw tussen mensen – broeders! – is een be­kend gegeven. Het ver­bond tussen David en Jo­nathan 1 Samuel 20 vers 8 (1 Sam. 20:08) staat of valt bij de betrouwbaar­heid van de partners; hun leven hangt er zelfs van af.

Het is daarom helemaal niet verwonderlijk dat Je­zus zijn omgeving deze uitspraken over trouw en betrouwbaarheid voor­houdt . Elke gelovige wordt immers persoonlijk aange­sproken op zijn of haar inzet voor de Heer en zijn gemeente!

Jezus over barmhartigheid

Maar Jezus gaat verder dan de traditie. In het verhaal van de barmharti­ge Samaritaan wordt name­lijk geen barmhartigheid bewezen aan een (ver-) bondgenoot, maar aan een vijand! Samaritanen en Joden gaan immers niet met elkaar om Johannes 4 vers 1 tot en met 42 (Joh. 04:01-42). Dan blijkt wat Jezus werkelijk op het oog heeft: barmhartigheid bewijzen is genade bewijzen!

In de Griekse grondtekst staat niet voor niets: ‘eleos’ dit is ‘genade’. Genade bewijzen doe je aan iemand die bij jou in het krijt staat. Iemand die het – bij jou – verbruid heeft. Iemand die geen relatie met jou kan of wil aangaan. Genade wordt geschonken aan personen die op grond van het recht niet meer hoeven te rekenen op clementie.

Gratie en genade

Maar zoals God ons Zijn genade schenkt, zo wil de Vader dat wij onze schuldenaren vergeven. God verleent ons zelfs gratie van de zondedood (“Zo is er dan in Jezus Christus geen veroorde­ling meer”). Dan kunnen wij onze naaste toch niet (meer) voor de rechtbank slepen? genade voor recht! Of misschien wel: genade is recht, in Gods Konink­rijk.

In Matthéüs 18 vers 23 tot en met 35 (Matt. 18:23-35) wordt dit beeld door Jezus volledig geschetst. Ons wordt de schuld van een alle fron­ten tekort schietend leven (’tienduizend talenten’, in onze valuta tientallen mil­joenen) kwijtgescholden. Dan laten wij onze naaste die ons misschien eens dwars zit of onheus beje­gent (‘honderd schelling­en’ schuldig is) de vrij­heid in plaats van hem klem (‘gevangen’) te zet­ten.

Echte barmhartigheid is ons bewezen door Jezus toen Hij voor ons Zijn le­ven gaf: opdat wij zouden leven door Hem. Echte barmhartigheid mogen wij bewijzen aan onze naaste omgeving: opdat allen worden geraakt door Gods liefde, èn leven.

Barmhartigheid bewijzen

“Barmhartigheid wil Ik, geen offerande”, betekent daarom: God wil graag dat ik mijn hele leven inzet om aan mijn naaste iets van God te laten zien. Genade voor recht laat gelden aan degenen die mij oneerlijk tegemoet tre­den. Help waar dat nodig is. Betrouwbaar ben. Niet ophoud het goede te doen. Omdat mijn Vader in de hemel mij oneindig veel meer genadig is.

Daarom: niet af en toe eens een beetje je best doen. Geen offerande; geen ‘ziezo ik heb mijn plicht ook weer gedaan’! Want plicht verwijst naar de wet. En juist op grond van de wet wordt recht (dus vonnis) gesproken en geen genade. Nee: met gaat erom dat wij barm­hartigheid bewijzen met heel ons hart, met heel onze kracht en met heel ons verstand. . Door Zijn Heilige Geest geleid.

 

 

Geestelijke conditietraining door Liesbeth Hagendoorn

Doe jij wel eens aan conditietraining? Vast wel. De meesten van ons heb­ben wel een sport waarin ze zich eens in de zoveel tijd lekker even uitleven. Vooral na een vermoeien­de school- of werkdag, waarin je vaak vooral met je grijze massa actief bent, is ’t heerlijk om er lichamelijk eens flink te­genaan te gaan.

Maar nu moet je eens even met mij meelezen in de bijbel, want daar las ik iets over conditietraining wat me best wel even aan ’t denken zette, namelijk in 1 Timotheüs 4 vers 7 en 8 (1 Tim. 04:07-08): “Benut je tijd en energie om geestelijk in conditie te blij­ven. Lichaamsoefening is wel nuttig, maar oefening

van de geest is veel nut­tiger; het heeft een goe­de uitwerking op alles wat je doet. Oefen dus je geest en probeer een beter christen te worden; dat zal je niet alleen hel­pen in dit leven, maar ook in het volgende. Dit is de waarheid, die ieder­een zou moeten aannemen” .

Dus naast de oefening van je body op zich , prima en nuttig – is er ook nog een andere oefe­ning, een training op een andere manier, op een ander niveau, namelijk: op het terrein van je geest. En met betrekking tot die oefening schrijft Paulus aan de nog jonge Timotheüs: “Timotheüs, jongen, vergeet die oefe­ning van je geest niet!

Want die is nog veel belangrijker dan de training van je lichaam!”

En waarom? Omdat die oefening van je geestelijke vermogens een uitwerking heeft op alles wat je doet, dus: op alle terreinen van je leven. De manier waar­op je allerlei dingen in je leven aanpakt, wordt heel erg beïnvloed door je geestelijk ‘welzijn’, door je conditie in de geeste­lijke wereld. Ben je gees­telijk gezond? Dan zul je dat merken in je leventje van alledag! Blijdschap, ontspanning en vrede zul je ervaren, onafhankelijk van de omstandigheden. Kracht zul je ervaren, in moeilijke momenten waarin niet alles zo gesmeerd loopt. Blijvende kracht, die je bij God vandaan haalt. Je zult mogen er­varen, dat je beschikt over een flinke portie doorzet­tingsvermogen. En al deze eigenschappen in je wor­den sterker en sterker naarmate je je geestelijk gaat ontwikkelen.

Kopje onder in het woord van God

Maar hoe doe je dat dan, werken aan je geestelijke conditie? Hoe train en ontwikkel je je geestelijke vermogens? Ik denk dat dat in de eerste plaats betekent: je helemaal openstellen voor de vol­maakte, zuivere, heldere denkwereld van God, die geest is en Die wil dat wij Hem aanbidden in geest en in waarheid. Stel je open voor de woorden, de gedachten, de normen en waarden van God.

Dompel jezelf onder, ga helemaal onder in dat wa­terbad van het woord! Efeze 5 vers 26 (Ef. 05:26). Dat betekent wel: actie vanuit jezelf! Je bijbel pakken, lezen. Nadenken over de woorden en gedachten van God. Uitvinden hoe je ze kunt toepassen in je eigen le­ven .

Maar daarin hebben we zo’n grandioos voorbeeld in de Here Jezus! Als kind al verdiepte Hij zich in Zijn ‘bijbel’ (de schrif­ten, het oude testament). Hij verlangde ernaar om te begrijpen wat daar stond. Hij leerde God kennen als Zijn eigen Va­der en Schepper door al die oude verhalen en profetieën heen. En Hij ging daarin zichzelf ontdekken! Hij ging Zijn eigen naam invullen. “Vader, Ik heb lust om uw wil te doen, uw wet is in Mijn binnen­ste” Psalm 40:9 (Ps. 040:009). “De Here heeft MIJ als een leerling leren spreken, om met het woord de moede te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt Mij het oor, opdat Ik hore zoals leerlingen doen. De Here Here heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet weerspannig geweest, Ik ben niet te­ruggedeinsd. . . ” Jesaja 50 vers 4 en 5 (Jes. 50:04-05).

De vonk van Gods liefde sloeg over in het hart van de Here Jezus. Elk woord van God viel in Zijn hart op z’n plaats. Hij begon Gods woord in zich op te nemen als een legpuzzel, die steeds completer werd. Gods woord, Gods plan, werd vlees in Hem. Zo werd de Here Je­zus daadwerkelijk het vleesgeworden woord, zo­als Johannes het onder woorden brengt in Johan­nes 1 vers 14 (Joh. 01:14). Als jongen al begon Jezus te begrij­pen: “God is mijn Vader, Ik ben zijn Zoon. Hij heeft een plan met mijn leven, Hij heeft een plan met de mens, met de we­reld, met de schepping!”

En het verlangen in de Here Jezus, om bruik­baar te zijn voor Zijn Vader, werd sterker en sterker.

Zo trainde de Here Jezus Zijn geest, vanaf dat hij nog een kind/tiener was tot op het moment dat Hij werd gedoopt, in water en in de Heilige Geest. Die onderdompeling in water en Geest was bij de Here Jezus de voltooiing, , de bekroning, de climax van Zijn voortdurende on­derdompeling in het woord en de denkwereld van God tijdens Zijn jeugd. Zo maakte de Here Jezus zich klaar voor Zijn grote opdracht en Zijn ontzet­tend belangrijke aandeel in het plan van God.

Gaaf toch, hè? Op zo ’n manier mogen ook wij onze jeugdtijd invullen, door onszelf onder te dom­pelen in Gods gedachten! Zo mogen ook wij Gods woord en plan in ons ei­gen leven ‘vlees laten wor­den’! Ik zou niet weten wat een effectievere uit- conditietraining van je geest is dan deze, om je te vullen met de woorden en gedachten van God, om daarmee verzadigd te wor­den. Zo verzadigd, dat het jouw woorden en ge­dachten worden, dat het leven van God jouw leven wordt.

Thuis in de geestelijke wereld

Tegelijk met het jezelf onderdompelen in het woord van God, is er nog een andere kant aan gees­telijke conditietraining.

Omdat- het gaat om trai­ning van je Geest is het namelijk van levensbelang om thuis te raken in de wereld van de Geest, oftewel de geestelijke we­reld, om daar inzicht en kennis te krijgen.

In de wereld om je heen kom je helaas veel mensen tegen die alleen maar be­zig zijn met de wereld van het zichtbare, met het na­tuurlijke, materiële leven. Daar is onze westerse maatschappij vol van. Zul­ke mensen zijn geestelijk diep in slaap, inactief. En dus kwetsbaar. . .

Maar God roept jou en mij – ieder mens – juist om wakker te worden, om uit die slaap op te staan en wel te gaan functioneren. In Efeziërs 5 vers 14 (Ef. 05:14) staat het op de volgende manier: “Ontwaak, jij die slaapt, en sta op uit de (geestelijke) dood”. God roept ons op om niet lan­ger te slapen, maar om wakker en actief te wor­den en daadwerkelijk on­ze positie te gaan innemen in de geestelijke wereld.

En dan geldt voor ieder­een die wakker wil worden en met beide benen op de (geestelijke) grond wil gaan staan, ook nog die gave tweede helft van Efeziërs 5 vers 14: “. . . en Christus zal over je lich­ten!” Dat wil zeggen: de Here Jezus zal je, door de Heilige Geest, helpen en leiden, zodat de gees­telijke wereld ook echt helder, duidelijk, reëel voor je zal zijn, zodat je die wereld ook echt zult ervaren.

De goede strijd: van je geloof

De plaats waarbinnen we veilig en rustig onszelf geestelijk kunnen trainen is de gemeente. De ge­meente, het lichaam van Christus, de veilige schuilplaats, waar alle ge­meenteleden hetzelfde ver­langen hebben, namelijk om te werken aan die geestelijke ontwikkeling. Het huisgezin van God, waar ruimte is voor iedereen, zowel voor de jeugd als voor oudere broeders en zusters. Waarin je ont­spannen en rustig mag groeien en jezelf ontplooi­en. De gemeente, waarin je ook nog gerust eens een fout mag maken. De gemeente, waarin geen ri­valiteit heerst, waarin niet het recht van de sterkste geldt. Nee, waarin juist het meerdere het opneemt voor het mindere. Die ge­zindheid van Jezus, om de ander te respecteren, uitnemender te achten dan jezelf, die gezindheid om in de ander altijd het goe­de te zoeken, die gezind­heid heerst in de gemeen­te. Een oefenterrein bij uitstek!

Misschien denk je nu bij jezelf: ik kom in de ge­meente ook nog wel eens een andere gezindheid te­gen. . . Dat is misschien wel zo, maar elk gemeen­telid is immers aan het werk aan zijn of haar ont­wikkeling. Jij bent in de gemeente toch niet de eni­ge die er geestelijk aan trekt! De bijbel geeft ons een beeld van de gemeente zoals ze uiteindelijk zal zijn, en ik denk dat we ons aan die visie van de bijbel moeten vasthouden. Het is de bedoeling dat de gemeente eenmaal als een stralende bruid voor haar

God zal staan, smetteloos, zonder vlek of rimpel! Als je in jouw gemeente nog wel eens vlekjes of rim­peltjes opmerkt, houd dat goddelijk toekomstbeeld vast! Laten we liever ons­zelf afvragen wat wij per­soonlijk kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van dat toekomstbeeld.

De waarheid

Heb je er ook zin in, om je in te zetten voor Gods plan door training van je geest? Voel je ook dat verlangen in je hart?

Samen willen we ons inzet­ten om niet alleen in de natuurlijke wereld onze benen te strekken, maar ook in de geestelijke we­reld! We leven in twee werelden tegelijk’. Samen willen we ondergedompeld worden in het leven van God, zodat het ons leven wordt. Samen mogen we onze plaats innemen in de hemel, ons hechtend aan de Here Jezus, waardoor de duivel geen schijn van kans heeft.

Ja, dit is echt de waar­heid, die iedereen zou moeten aannemen.

 

 

 

 

Nieuwe brochures door de redactie

Vorige maand verscheen een nieuw gedichtenbundeltje van Tea Keuper- Dijk onder de titel “Komen tot God”. Het boekje met positieve en geloofsopbouwende gedichten is uitstekend geschikt voor versprei­ding of cadeautje tijdens de aanstaande feestdagen.

In november verschijnt de brochure “De ontsluiering van het geheim van God” door Hessel Hoefnagel. Het is een bewerking van de vorig jaar in “Levend Geloof” versche­nen serie artikelen over het onderwerp “De innerlijke mens”.

Verder zijn de meeste brochures herdrukt en weer ver­krijgbaar, behalve het boekje “Het boek Ruth als profe­tie” dat nog herdrukt wordt en “De volledige mens”. Laatstgenoemde brochure wordt voorlopig niet herdrukt.

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (12)

Het gesprek met de Samaritaanse vrouw

In Johannes 4 lezen we over de ontmoeting die Jezus had met de Samaritaanse vrouw. Ik geloof dat in deze geschiedenis een extra dimensie aanwezig is, met betrekking op de volkerenwereld. Jezus heeft op het persoonlijke vlak gewerkt, maar er zit tegelijk een uitbeelding in van iets wat met een bepaald volk gaat gebeuren. De ‘vrouw’ is in de bijbel vaak beeld van een stad, bijvoorbeeld de dochter van Sion. Ook Babel wordt als een vrouw uitgebeeld. De vrouw kan ook beeld van een volk zijn. Er zijn bevolkingsgroepen die vaak een hele problematiek vanuit het verleden hebben. In Nederland zijn onder andere de gastarbeiders en de Molukkers, die hiermee te kampen hebben.

Ook rondom de Samaritanen zit een stuk beschadiging. In vers 4 lezen we dat Jezus door Samaria moest gaan. Normaal maakte men een grote omweg en ging om Samaria heen. Het was een stelling, een axioma voor de Joden: ‘Wij gaan niet met de Samaritanen om. We zijn dit gewend’. Er was een kloof tussen deze twee bevolkingsgroepen. De Samaritanen werden beschouwd als een tweederangs bevolking. De Samaritaanse vrouw is de vertegenwoordigster van dit beschadigde volk. De kloof werd nog scherper door de godsdienstige kloof tussen beiden. De Samaritanen hadden alleen de vijf boeken van Mozes. De rest was voor hun niet gezaghebbend. Voor de Joden telden de profeten ook mee. Het ging allemaal lijnrecht tegen elkaar in.

De Samaritaanse vrouw vormt het voorbeeld van wat er met het hele volk gebeurt. Er zijn meer voorbeelden uit de bijbel waaruit je kunt aflezen wat Gods bedoeling met alle mensen is. Rachab de hoer, bijvoorbeeld. Zij werd uit Jericho behouden. Dit was in feite Gods bedoeling met al de mensen in Jericho. God neemt één mens als illustratiemateriaal, om zijn bedoeling met alle mensen te tonen.

De noodkreet van de volkeren

Het wezenlijke kenmerk van de Samaritaanse vrouw is, dat zij dórst heeft. Ook de volkeren hebben dorst. Bovendien is hier sprake van een stuk isolement. De vrouw moest met haar kruik naar de bron op het heetste uur van de dag, als niemand op pad was. Kennelijk was er niemand die water wilde putten. Deze vrouw had vijf mannen gehad; de zesde was haar man niet. Jezus is de zevende, die tot haar komt: de volheid. Ze had de vijf boeken van Mozes gehad. Nu is ze bezig met het zesde: de Samaritaanse religie, een soort mengsel. De Samaritanen hadden allerlei góden bij elkaar gepakt. Ze hadden priesters van allerlei pluimage 2 Koningen. 17 vers 9 tot en met 12 (2 Kon. 17:09-12). Bij déze religie hoort de vrouw niet. Jezus is de zevende, die tot haar komt.

In vers 20 lezen wij dat de vrouw tot Jezus zegt: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden”. Ik geloof dat de vraag van deze vrouw eigenlijk een noodkreet is, een harte schreeuw. Het is eigenlijk de noodkreet der volkeren: ‘O God, hoe komen we ooit tot aanbidding in ons leven!’ Als je niet weet of je op de góede berg zit, wordt je voortdurend aangeklaagd.

Het antwoord van Jezus is uniek: “Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden, maar de ure komt en is nu dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en in waarheid. . . ” Johannes 4 vers 21 tot en met 24 (Joh. 04:21-24). Jezus spreekt eerst over ‘geloven’, dat wil zeggen ‘vertrouwen’. Ook is het frappant dat Jezus ineens het woord ‘Vader’ er inbrengt. Voor de vrouw was God altijd heel ver weg geweest. Het is tegelijk een belofte: ‘Vrouw, de ure kómt, dat je de Vader zult aanbidden!’ De vrouw had de hoop allang opgegeven om ooit tot waarachtige aanbidding te komen.

De belofte voor de volkeren

“Gij aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want het heil is uit de Joden” (vs. 22), zegt Jezus tot de vrouw. De volkeren hebben altijd in een versluiering gewandeld. Wij aanbidden niet op deze of op die berg, maar uit de geest, vanuit de verbondenheid met God zelf; vanuit Zijn gedachten, vanuit het thuiskomen bij Hem. De waarachtige aanbidders zullen de Vader aanbidden in geest en in waarheid. ‘Waarheid’ betekent letterlijk onverborgenheid (aletheia). ‘Je zult de Vader aanbidden in onverborgenheid’, dus ongesluierd.

Deze belofte geeft de Heer voor de volkeren, waarvan de vrouw het prototype is. Als het gesprek is afgerond, laat de vrouw haar kruik staan. Zij laat de problemen achter: de verwonding uit het verleden. Hier is sprake van een stuk innerlijke genezing. De hele stad loopt uit, als de vrouw verteld heeft wat Jezus heeft gezegd. In vers 35 lezen wij dat Jezus zegt: “Zie, Ik zeg u, slaat uw ogen op en beschouwt de velden, dat zij wit zijn om te oogsten”. Jezus doelt hier op de grote schare men­sen, die is komen toestromen (vs. 30). Samaria is één oogst veld. Jezus als Jood, gaat de Samaritanen tot Zich brengen. Zij komen thuis. Jezus heft de kloof tussen de volkeren op. Hij is bezig met de genezing der volkeren. Dan lezen wij in vers 42 dat de Samaritanen, die tot geloof gekomen zijn, tot de vrouw zeggen: “Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is”. Ze zijn erachter gekomen en denken wereldwijd: Jezus is niet slechts de Heiland van een klein groepje mensen, maar Hij is de Redder en Behouder van de hele kosmos. Deze geschiedenis is een schitterend voorbeeld van de genezing van de volkeren.

 

Alles wordt nieuw (gedicht) door Piet Snaphaan

Alles wordt nieuw, God heeft gesproken

door de eeuwen heen vanaf Zijn troon,

in schaduwbeelden door profeten

en in ’t laatst der dagen door Zijn Zoon.

 

Alles wordt nieuw, wederopgericht,

’t krijgt reeds gestalte, ja ’t komt in ’t gezicht,

Gods kinderen claimen weer hun recht

wat hen door satan werd ontnomen,

bolwerken worden reeds geslecht

en vestingswerken afgebroken.

 

Alles wordt nieuw, verblijd u heden,

’t is zaak om rein voor God te staan,

de goede strijd wordt saam gestreden,

met Jezus kun je alles aan.

 

Alles wordt nieuw, Gods Woord is waar,

Gods zonen worden openbaar,

de tijd raakt vol, ’t eind is in ’t zicht:

alles wordt weder opgericht.

Gods plan gaat door, de wereld wacht,

tot ’t alles straks zal zijn volbracht.