1989.09 nr. 306

Levend geloof 1989.09 nr. 306

Wanneer gaan de vensters wagenwijd open? door Evert van de Kamp

“Gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen”, Efeze 4 vers 20(Ef. 04:20).

In zijn geschiedenis van ons land tijdens de Twee­de Wereldoorlog vertelt Dr. L. de Jong dat de Hervormde Kerk zich al tijdens de bezetting op­maakte om een centrale plaats in de samenleving in te nemen. Na de bezet­ting nam zij een kerkorde aan die het haar moge lijk moest maken de ‘herker­stening’ van ons volk ter hand te nemen.

In Trouw concludeerde de bekende Amsterdamse Hervormde predikant Dr. A. A. Spijkerboer on­langs in een artikel ‘Nieuwe Christenen ver­dienen alle steun’, dat die ‘idealen’ hoegenaamd niets hebben op geleverd.

Morsdode letter

‘Het is allemaal wel op papier gekomen en er zijn wel gesprekken geweest om te komen tot een ge­meenschappelijk belijden’, schrijft hij, ‘maar intus­sen is het verworden tot een morsdode letter. Je hoort er niet meer van’.

Letterlijk schrijft Spijker­boer: ‘De koers is overi­gens sinds een jaar of vijftien wel verlegd. Samen met andere kerken is de Hervormde Kerk bezig voor gerechtigheid, vrede en sinds kort het milieu, onder het motto dat ‘we wel zien zullen wat we geloven’. Maar het gezamenlijk geloof van de kerken is op het ogenblik een tamelijk mis­tige, en eigenlijk vrij pijnlijke aangelegenheid:

“De kerken zijn zekerder van de verwerpelijkheid van de apartheid dan van de opstanding van Jezus Christus, ze (de kerken) zijn ze­kerder van de verwerpelijkheid van de apartheid dan van de opstanding van Jezus Christus. Over de kerkorde, die we na de bezetting kregen, is in de Hervormde Kerk wel breed overleg geweest, maar over de koers die we nu met andere kerken va­ren veel minder: we heb­ben die meer over ons la­ten komen dan aanvaard. Zo varen we met een vlag die de lading niet dekt, een koers waarover nooit grondig is doorgepraat’.

Zijn klaagzang eindigt met de woorden: ‘Het zou alle­maal niet erg zijn als wij beseften dat wij hard op weg zijn een regionaal verschijnsel te worden. Wij worden weggevaagd uit de grote steden, een goede kans dat iemand in het jaar 2020 zegt dat hij Hervormd is ten antwoord krijgt: ‘Dan komt u zeker van Tholen?’

Een nieuw evangelisch Christendom

Toch ziet Spijkerboer een lichtpuntje. Hij signaleert een nieuw, evangelisch Christendom. Hij vindt het niet nieuw voor wie de kerkgeschiedenis een beetje kent , maar wel nieuw ten opzichte van wat op het ogenblik het kerkelijk toneel beheerst. Hij geeft het de volgende kenmerken mee:

Je bent met je hele ge­voel bij het Evangelie be­trokken. Ja, als het waar is dat God ons in Jezus Christus heeft overge­plaatst van het donker, waarin wantrouwen, haat en machtswellust heersen, naar het licht, waarin echte liefde mogelijk wordt, en dat je daar nu iets van kunt beleven, hoe zou je hele gevoel dan niet gemobiliseerd worden?

Je weet dat het Evan­gelie niet met je meepraat: het dekt je lage, materiële belangen niet, en ook je hoge, nobele idealen niet. Je hebt gemerkt dat je ik, dat zich op alle mogelijke manieren uit kan leven, een tik van het Evangelie krijgt.

Je maakt je wel zorgen over wat er in de samen­leving gebeurt, maar je vindt het allemaal maar moeilijk. Je krijgt het benauwd als de politieke orthodoxie, die op het ogen­blik in de kerken heerst, je de maat wil nemen en eens even wil nagaan of je wel zuiver op de graat bent als het gaat over ar­moede, apartheid, kern­wapens en al dergelijke dingen. Je weet wel dat het Evangelie ook over deze dingen spreekt, maar daar maak je dan eerder in je persoonlijke leven ernst mee. Je zult eerder dienstweigeren en vervan­gende dienstplicht op je nemen, dan met een bijl op een straaljager inhakken.

De traditionele kerken zeggen je niet veel meer, omdat die ver van je bed zijn en weinig warmte bie­den. Maar je hebt wel veel over voor de gemeen­schap met mensen die net zo bezig zijn als jij’.

Tenslotte schrijft hij: ‘Omdat het de meest authentieke vorm van Christendom is die er op het ogenblik te vinden is, verdient het onze harte­lijke steun. Als wij Her­vormden van dit evangelische Christendom leren wat ervan te leren valt, als wij het van harte steunen, doen wij wat er op het ogenblik door ons gedaan moet worden’.

Kritiek in eigen huis

In eigen huis heeft Spij­kerboer inmiddels al heel wat moeten horen over zijn gedurfde uitspraken. Zo gauw iets het stempel ‘evangelisch’ of ‘Pinksteren’ draagt, is de kritiek helaas nog steeds volop aanwezig. Op de genoem­de vier kenmerken valt zeker wel wat af te din­gen en vanuit de Volle Evangeliebeweging behoe­ven ze evenzeer aanvul­lingen. Maar wanneer zijn wij eindelijk eens bereid wederzijds naar elkaar te luisteren, om samen terug te keren naar de bron van levend water – Jezus Christus – in wie al de volheid van God is en wij hebben die volheid ver­kregen in Hem Kolossenzen 2 vers 9 en 10 (Kol. 02:09-10)?

Wanneer mag deze Jezus eens gaan zeggen hoe Hij in de naam van de Vader over alle dingen denkt?

Wanneer mag Hij eindelijk de dingen eens recht gaan zetten? Moet Hij nog lang wachten?

Ik vrees dat de bereid­heid, althans in Neder­land en België, om met elkaar te buigen voor de levende Heer, het werke­lijke Woord van God en de heerschappij van de Heilige Geest (nog) zeer gering is.

Zo klaagt de Kamper hoogleraar Schippers wel dat de infrastructuur van de kerk moet veranderen en hij noemt wel alles leeg als het zoeken en tasten naar God niet cen­traal staat, maar zegt verder: ‘ Jaloerse blikken werpen naar de religieuze bewegingen buiten het kerkelijk circuit, die wel aantrekkingskracht uit­oefenen op veel jongeren, is onterecht. Jongeren prikken op korte of lange termijn ook weer door de gemakkelijke antwoorden die ze daar krijgen heen’. Hoe weet hij dat?, vraag ik mij af. Wat weet hij bijvoorbeeld echt van de Volle Evangeliebeweging? Kent hij die van binnen­uit?

Bemoedigend zijn al deze klanken niet. Op deze wijze wordt er al zo lang gepraat en daardoor komt het Koninkrijk geen streep dichterbij. Intussen trekt de ‘opwekkingskaravaan’ verder en dringt de tijd. Ik schrijf dit alles zo uit­voerig op omdat ik ener­zijds hier en daar nieuw leven voel ritselen en an­derzijds vurig hoop dat de vensters eindelijk eens wagenwijd opengaan naar de geweldige geestelijke rijkdom die de Heer ons, ondermeer in tal van le­vende Christengemeenten heeft gegeven. En er is nog zoveel meer te ont­dekken!

Hoe kan het anders worden?

‘Jullie hebben Christus leren kennen’, schrijft de apostel Paulus Efeze 4 vers 20 (Ef. 04:20). Daardoor kan het allemaal anders worden, tenminste als wij dat willen. Nodig is het zeker, maar hoe? De kerken stromen leeg. In de laatste vijf jaar heeft in de Verenigde Staten twintig tot veertig procent van de jongeren de kerk verlaten, las ik één dezer dagen. En in ons land gaat het niet beter. Vertwijfeld vragen velen zich af: waar gaat het heen met de kerk? Wat moeten wij doen?

Als deze vraag dezelfde inhoud heeft als in Hande­lingen 2 vers 37 (Hand. 02:37), dan is het antwoord even eenvou­dig: ‘Bekeert u en een ieder van u late zich do­pen (het besprenkelen van zuigelingen is geen doop in Bijbelse zin overeenkomstig Romeinen 6), op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden en u zult de gave des Heiligen Geestes (de Geestesdoop) ontvangen’ Handelingen 2 vers 38 (Hand. 02:38).

Is dit niet te fundamenta­listisch gesteld? Ik denk van niet. Heel de katho­lieke en reformatorische wereld en een groot deel van de evangelische chris­tenen gaan aan dit Woord van de Heer voorbij, of geven er een andere uit­leg aan. De doop op ge­loof door onderdompeling in water, een zaak van puur geestelijke aard, acht men niet. Is dit Christus leren kennen, die Zelf het meest duide­lijke voorbeeld heeft ge­geven door te eisen dat Johannes Hem door onderdompeling in de Jordaan doopte? Hij wel en wij , niet, dat kan toch niet?

En zicht op de doop in de Heilige Geest is er vaak nog minder. Dat wordt veelal afgedaan met: dat was voor vroeger, of als je tot geloof gekomen bent, heb je ook de Heili­ge Geest ontvangen. Was Jezus dan een uitzonde­ring Matteüs 3 vers 13 tot en met 17 (Matt. 03:13-17)? Is het overigens niet merk­waardig dat je hen ook nooit in tongen hoort spreken? Klopt dit wel met wat geschreven staat in Handelingen 2 vers 1 tot en met 4 (Hand. 02:01-04)?

Als deze fundamentele Bijbelse zaken bijna lucht­hartig worden afgeschre­ven, wat blijft er dan verder nog over van het ‘Goddelijke’ fundament en hoe denkt men dan gees­telijk verder te komen en te groeien in Gods Ko­ninkrijk? Zonder de doop in de Heilige Geest is dit toch niet mogelijk? Ook aan de leer van oplegging der handen komen we dan niet meer toe, Hebreeën 6 vers 1 tot en met 3 (Heb. 06:01-03).

De schreeuw van de wereld

Je ontmoet ook mensen die deze dingen wel zien, maar de ‘prijs’ die de ge­hoorzaamheid aan Chris­tus kost, niet willen be­talen. Immers, wat zal de buitenwacht wel zeggen? Maar wel willen ontvangen zonder’ jezelf radicaal te geven, is onmogelijk. Er zijn ook ‘geestelijke prijs­kaartjes’ en elk vooroor­deel neemt de zegen weg.

De wereld schreeuwt in­derdaad om ‘nieuwe’ christenen. Het is best aardig dat Ds. Spijker­boer het uitroept: ‘Ze verdienen onze hartelijke steun’. Maar zou het niet effectiever zijn als hij­zelf eens het goede voor­beeld gaf? Je kunt wel klagen, gelijk Schippers: ‘de infrastructuur moet veranderen’, maar als je zelf niet verandert en zelf het voorbeeld geeft, heb je dan nog recht van spreken?

Het klinkt allemaal zo mooi ‘de infrastructuur moet veranderen’, maar ik geloof dat de mens gewoon moet veranderen en weer moet gaan leven conform het Woord van God. Ik bedoel dit niet cynisch, maar klagen en zelfs ‘bezorgd’ praten helpt niet. Wij allen moe­ten (steeds weer en meer) veranderen. Samen met elkaar veranderen!

Ons allen geldt nog altijd onverkort: ‘Laat je behou­den uit dit verkeerde ge­slacht’, Handelingen 2 vers 40 (Hand. 02:40). Daar­op zijn geen uitzonderin­gen. En wie de vrijwillige, maar volledige gehoorzaam­heid aan Christus’ Woord niet wil opbrengen, maakt ook dit Woord tot een morsdode letter. Wereld­wijd is er een geweldige beweging van Gods Geest in deze tijd. Maar hoe is dat in Nederland en Bel­gië? Gaat het ons voorbij, omdat wij in die beweging toch niet mee willen? Wat zou dat jammer zijn!

Er kan nog meer veranderen

Ook in de Volle Evangelie- beweging dienen wij deze vragen aan onszelf te stellen. Het is waar, veel is er al ten goede veran­derd, maar er kan nog meer veranderen.

In Kracht van Omhoog schreef broeder J. E. van den Brink in het juninummer: ‘De christe­nen van de toekomende eeuw zijn geestelijke men­sen. Hun denken is niet vervuld met de zorgvul­digheden van deze aarde, hoe indringend deze ook mogen zijn, maar met de glorie van het hemelrijk. Met blijdschap gaan zij de toekomende eeuw in. Tijdens de late regen ontstaat immers een ge­heel nieuw type christe­nen, die allen uitzien naar de openbaring van Jezus Christus in hen. Ook zingen zij: ‘Hef uw hoofden op, want de Koning komt’.

Uiteraard is in hun ge­meenten geen ruimte meer voor allerlei spanningen, twisten en scheu­ringen, die niet voortkomen uit de ‘wijsheid die van boven is’. De blijde sfeer van het hemelse le­ven verdrijft ook alle ne­gativisme. ‘Geen strijd om beuzelingen, daar en­gelen ons omringen’. De nieuwe pinkstertijd is het eind van iedere broeder­strijd’.

Tot zover deze kostelijke woorden van onze broe­der. Na zijn heengaan had hij geen betere ach­ter kunnen laten. Wij zijn er blij mee en wij kunnen er onze winst mee doen. Laten wij dat vooral niet vergeten.

Een nieuw type Christenen

Laten kerkelijke en ande­re muren maar vallen. Dat is geen punt, als maar overblijft de pure gehoorzaamheid aan Jezus waarover ik schreef. Dan komt er voor alle christe­nen een geestelijke ontwikkeling op gang, die zijn weerga niet kent. Absolute toewijding en liefdevolle gehoorzaamheid aan de Heer maken nieu­we christenen, die meer en meer gaan beantwoor­den aan het beeld van de Meester. Dat kan een ge­heel nieuw type christe­nen opleveren. Mensen van de toekomende eeuw, die werken met al de mo­gelijkheden van die toe­komende eeuw. Met de Heer herstellen zij de ganse schepping.

Laat de grote ‘uittocht’ achter de Heer aan, die als altijd vooraan gaat, maar beginnen, Exodus 13 vers 21 en 22 (Ex. 13:21-22).

‘En ik zag de hemel ge­opend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Ge­trouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschre­ven naam, die niemand weet dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed ge­verfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. En de heerscharen, die in de hemel zijn volg­den Hem op witte paar­den, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen’, Openbaring 19 vers 11 tot en met 14 (Openb. 19:11-14).

Zij, die Christus kennen, zijn geheel anders. Dat mag de wereld (eindelijk) best eens zien.

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Waarom “Levend Geloof” onafhankelijk is

“Levend Geloof” is een onafhankelijk volle evangelie maandblad. In onze statuten is het zo onder woorden gebracht: “De stichting is onafhankelijk, dat wil zeggen niet gebonden aan een kerk, gemeente, sekte of beweging”. Wij geloven dat de opdracht die “Levend Geloof” heeft – de verkondiging van het volle evangelie van Jezus Christus – zo het beste tot zijn recht komt. Een blad mag niet vergeleken worden met een gemeente. Het heeft een wezenlijk andere taak die, wat “Levend Geloof” betreft, hierin bestaat dat wij niet alleen de verschillende facetten van de volle boodschap zo goed mogelijk trachten te belichten, maar ook opinievormend bezig zijn. Soms komen dingen aan de orde die in de gemeenten (nog) niet gebracht kunnen worden omdat men er niet rijp voor is, of omdat men zo vast zit in een bepaalde structuur, dat iedere andere mening al bij voorbaat wordt afgewezen.

Uiteraard betekent dit niet dat we tegen gemeenten of gemeentevorming zijn. Integendeel, wij zijn van mening dat ieder kind van God zijn plaats behoort te hebben ingenomen in een gemeente, maar dan wel bij voorkeur in

een gemeente waar het volle evangelie centraal staat.

Echter als gemeente voor op onze hoede zijn gemeente waartoe wij behoren, zien als de gemeente. Alles is nog aan verandering en altijd weer dreigt het gevaar om te raken in bepaalde structuren         en leerstellingen.

Waar Gods Geest de ruimte krijgt, ‘zal er een gezonde geestelijke groei naar de Volwassenheid en volkomenheid in Christus zijn. Dit geldt voor de gelovige individueel als ook voor de gemeente waartoe hij of zij behoort. “Levend Geloof” probeert hieraan als tijdschrift haar steentje bij te dragen. Vele lezers en lezeressen weten dit te waarderen en daar zijn we dankbaar voor. Het bemoedigt en stimuleert ons om volhardend door te gaan, ondanks de soms felle tegenstand uit het rijk der duisternis.

Wij geloven dat de boodschap, zoals wij die in ons blad verwoorden, in de komende tijd op gezonde en positieve wijze zal doorwerken in allen die zich daarvoor (blijven) openstellen. En wij geloven óók dat de ware gemeente uiteindelijk ten vol Ie gestalte gaat krijgen en de zonen Gods zich gaan openbaren.

 

Mededelingen zomeractie 1989

Omdat ook deze maand nog verschillende giften binnenkomen voor onze zomeractie, tot ondersteuning van de “Levend Geloof’-arbeid, wordt met het toezenden van het overzicht van de ontvangen giften nog gewacht tot oktober. Maar ook nu reeds willen wij iedereen die heeft meegedaan heel hartelijk bedanken!

Nieuwe brochures

Van Tea Keuper-Dijk is een nieuw gedichtenbundeltje verschenen onder de titel “Komen tot God” (zie ook blz.32). Het boekje is de eerste van een serie nieuwe brochures over diverse onderwerpen. Zo verschijnt volgende maand een brochure van Hessel Hoefnagel, waarin de artikelen zijn verwerkt die broeder Hoefnagel vorig jaar in “Levend Geloof” schreef over de innerlijke mens. Ook zijn momenteel verschillende brochures in herdruk. Een volledig overzicht van de thans verkrijgbare brochures volgt in het nummer van oktober.

 

Het liefhebben van onze naaste door Margreet Gast

Een wetgeleerde vraagt aan Jezus wat hij doen moet om het eeuwige leven te beërven. Jezus laat hem zelf het antwoord geven: “Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf”, Lucas 10 vers 25 tot en met 27 (Luc. 10:25-27).

De naaste liefhebben als zichzelf,, doet de mens dat pas nadat dit nadruk­kelijk geboden is in de Thora en door Jezus? Heeft eigenlijk de een de ander al niet lief als zich­zelf? Is deze ‘regel’ al niet te ontdekken, als we er op letten hoe mensen met elkaar omgaan?

Hoe gaan wij om met elkaar?

Stel: je denkt doorgaans negatief-kritisch over je medemens, je ziet eerder het slechte dan het goede in de mens. Wijst dit er niet op dat je geneigd bent ook negatief over je­zelf te denken? … Je houdt van je naaste zoals je van jezelf houdt .. .

Stel: iemand is sterk in het uithalen van flauwe grappen. Een ander flink te grazen nemen, eens goed belachelijk maken, daar is hij sterk in! En wie slachtoffer wordt van dit soort humor, kan niets anders doen dan te lachen als de bekende boer-met-kiespijn. Wie zo met mensen omgaat, toont daarin uiteindelijk zijn , minachting voor de ander. En wijst dit er ten diep­ste niet op dat zo iemand zichzelf verwerpt en min­acht? … Je houdt van de ander zoals je van je­zelf houdt …

Stel: je bent er niet zo bijster in geïnteresseerd hoe een ander denkt en zich voelt. Je daarin ver­diepen is eigenlijk te veel moeite. Is dan eigenlijk je eigen leven, je eigen ge­dachten en gevoelens, wel belangrijk voor je?

… Je houdt van je naas­te zoals je van jezelf houdt . . .

De manier waarop mensen met elkaar omgaan, ver­raadt heel vaak hoe ze met zichzelf omgaan.

Verheffing of verwerping

Het zal duidelijk zijn dat het in de hiervoor gege­ven voorbeelden niet gaat om het ‘houden van’ zoals God dat bedoelt. Wie de liefde van God niet kent, kan niet naar Zijn bedoe­ling van zichzelf houden. Eerder verwerpt men zichzelf, hierdoor geïn­spireerd door het rijk der duisternis. Want zo­als God, de Vader, elk mensenkind wil verheffen omdat Hij hem hoogacht, zo is het satans wens de mens te vernederen en verwerpen. En, als de mens die God en Zijn lief­de niet kent, zichzelf verwerpt, hoe kan hij dan liefde hebben voor de ander?

Het eerste gebod is: “Ik zal de Here, mijn God, liefhebben uit geheel mijn hart en met geheel mijn ziel en met geheel mijn kracht en met geheel mijn verstand”. “Doe dat!”, zegt Jezus. Van mezelf houden en van mijn naas­te begint met God lief­hebben. Ik weet pas wat het is liefde voor mezelf en de naaste te hebben, als ik God liefheb.

Het komt God rechtens toe dat wij, Zijn schepse­len, Hem eren en gehoorzamen. Hij is onze Maker. Hij wil de mens voeden en koesteren, hen als een goede herder leven en overvloed geven. Hij is de enig goede God, Die mensen tot herstel brengt. Door God lief te hebben en Hem te eren, stellen we ons open voor Zijn wezen.

We gaan dan aannemen als waarheid hoe Hij van mensen houdt. We gaan ontdekken hoe Hij zich ontfermt over mensen, hen genade geeft, hen vergeving schenkt. Al­lereerst gaan we die liefde leren kennen voor onszelf, heel persoonlijk.

En als we Hem in gehoor­zaamheid navolgen in de­ze liefde, gaan we leren van onszelf te houden. Pas dan kunnen we toe­komen aan het tweede gebod: de naaste lief­hebben als onszelf.

Pas als we van de Vader gaan leren positief en mild over onszelf te den­ken, kunnen we eraan gaan werken het negatie­ve denken over de ander weg te doen.

Als we geleerd hebben onszelf te schatten op de waarde die God ons toe­kent, kunnen we ook de ander gaan hoogachten. Dan verwerpen en min­achten we de ander niet meer.

Als we beseffen hoe in­tens geïnteresseerd de hemelse Vader is in elk van Zijn kinderen per­soonlijk, dan worden we ook betrokken op de an­der. Met Gods ogen zien we dan de naaste: een prachtige schepping, de moeite meer dan waard te leren kennen.

Een kind van God mag de eindeloze liefde van Zijn hemelse Vader kennen, en deze als een schat koesteren in zijn hart. Door deze liefde leert hij van zichzelf te houden. En deze liefde stelt hem in staat de naaste, naar Gods wil, lief te hebben als zichzelf.

 

Doet u ook mee? Door de redactie

– Ook dit najaar doen wij weer een beroep op onze lezers en lezeressen ons te helpen het abonneebestand te vergroten. U kunt dit doen door iemand te winnen als abonnee of op te geven voor een geschenkabonnement. Denk ook eens aan de mogelijkheid een aantal exemplaren van “Levend Geloof” te bestellen en deze een plaatsje te geven op de boekentafel van uw gemeente of deze zelf te verspreiden onder hen waarvan u denkt dat ze geïnteresseerd zijn.

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst -4-

Als je het Hallel (Psalm 113 tot en met 118) in zijn geheel doorleest en herleest, dan zie je steeds duidelijker dat het niet gaat om zomaar zes Psalmen, die toevallig achter elkaar in de Bijbel zijn terechtgekomen. Het is als een prachtige kom­positie waar alles harmo­nisch gerangschikt is zonder dissonanten.

Het thema, dat klinkt vanaf het eerste vers in Psalm 113 tot het slotak­koord in Psalm 118 vers 29 (Ps. 118:29) is: “Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid”. En het is goed dat dat ook na blijft klinken in ons hart en ons vergezelt op onze levensweg, zoals het onze Heer vergezelt heeft en vergezelde toen de doods­dreiging op Hem afkwam. “Halleluja, looft gij knech­ten des Heren, looft de naam des Heren. Looft de Here, want Hij is goed, ja, zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid”. Een machtige lofzang dus op de goedertierenheid van God.

Het licht door de Vader gezonden

Wij hebben gezien dat Je­zus deze lofzang samen met zijn discipelen zingt bij het laatste avondmaal en op gemerkt dat in Psalm 113 vers 2b (Ps. 113:002b) en Ps. 115:018b) gezongen wordt: “van nu aan tot in eeu­wigheid”.

Door Jezus Christus komt alles in de schepping let­terlijk in het ware licht te staan. In Psalm 43 is de bede van de Psalmist: “Zend uw licht en uw waarheid, mogen die mij geleiden, mij brengen naar uw heilige berg en naar uw woningen” Psalm 43 vers 3 (Ps. 043:003). Hij – Jezus Christus – is de vervul­ling van dit gebed. Hij zegt: “Ik ben het Licht en Ik ben de Waarheid”, Johannes 9 vers 5 en Johannes  14 vers 6 (Joh. 09:05; Joh. 14:06). Daarom zegt Psalm 118 vers 27a (Ps. 118:027a) in de lofzang: “De Here is God die ons licht ge­geven heeft”.

Wij zagen dit licht al schijnen bij de Naam des Heren die in Jezus vol­ledig geopenbaard is. Maar ook de goedertieren­heid van God komt in dat ware licht te staan, om­dat Jezus de ‘Goedertie­renheid Gods’ is. Hij is de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, zegt Hebreeën 1 vers 3a. (Heb. 01:03a) Daarom lezen we ook in Psalm 118, in verband met de ‘goedertierenheid’ driemaal het woordje nu, wat zeggen wil: ‘van nu af aan’ of ‘voortaan’. “Laat Israël nu zeggen… Laat Aaron nu zeggen…

Laat wie de Here vrezen nu zeggen: Zijn goeder­tierenheid is tot in eeu­wigheid” (Ps. 118:001-004).

De genade Gods is verschenen

In de volheid des tijds heeft God Zijn Zoon uit­gezonden Galaten 4 vers 4 (Gal. 04:04) en in Hem is de ‘genade Gods’ verschenen heilbrengend voor alle mensen, Titus 2 vers 11 (Tit. 02:11). De grondslag van het nieuwtestamentische woord ‘genade’ (Grieks: charis) is het Hebreeuwse woord ‘chèsed’ wat ‘goedertierenheid’ betekent. In Jezus Christus is dus de ‘goedertierenheid Gods’ verschenen tot heil (letterlijk: redding) van alle mensen.

Psalm 117 past dus schit­terend in het geheel van de lofzang waarin de volken opgeroepen worden de He­re te loven. Het begint bij de knechten des Heren, maar door de knechten zal het licht komen tot al­le volken, tot alle mensen. “Looft de Here, alle gij volken, prijst Hem alle gij natiën; want zijn ‘goedertierenheid’ is machtig over ons en des Heren trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja” (Psalm 117). Een, korte Psalm met een krachtige oproep aan alle volken en alle natiën de Here te loven en te prijzen.

Leo Hirsch schrijft in zijn boekje ‘De wereld van het joodse geloof’. dat de paasmaaltijd beëindigd wordt met Psalm 136. Je­zus zal dus als de Heer des huizes de verzen van die Psalm gezongen heb­ben en 26 maal zal in de nacht van de verlossing geklonken hebben uit de mond van de eerste ge­meente: “Want Zijn goe­dertierenheid is tot in eeuwigheid”.

Maar het is in die nacht ook gezongen in geheel Israël in ieder huis; dus is er op overweldigende wijze geproclameerd in de geestelijke wereld dat Gods goedertierenheid is en blijft tot in eeuwig­heid. Zo treedt Jezus dan enkele ogenblikken later de vijand tegemoet om de goedertierenheid van God ten volle gestal­te te geven en te ver­heerlijken. (De vertalin­gen van Prof. Obbink en Petrus Canisius vertalen in Psalm 136 het woord ‘chèsed’ steeds met ‘ge­nade’) .

De geest van de Antichrist

De gemeente van Jezus Christus wordt geroepen uit en groeit op in een wereld waar de begrippen ‘goedertierenheid’ en ‘ge­nade’ steeds meer ver­vlakken en vervagen, terwijl het toch de pijlers van de hele schepping Gods zijn , zoals Psalm 136 duidelijk laat zien. De schepping, de verlos­sing, de voltooiing, alles wordt gedragen door de genade Gods.

De wereld waarin wij le­ven wordt gekenmerkt door de macht van weten­schap en techniek. Daar komt nog bij dat dit steeds meer vermengd wordt en doortrokken raakt van occultisme en spiritisme. Het is een cultuur waarin de mens steeds onafhankelijker wil staan van God, Zijn Schepper, en zichzelf centraal stelt en zich als een god gaat zien. Het is een ik-gerichte wereld en men bouwt eigenlijk één grote wereldstad, één groot Babylon, waar door wetenschap en techniek, occultisme en spiritisme, alles mogelijk wordt, wat ze denken te doen, Genesis 11 vers 5 en 6 (Gen. 11:05-06). (Zie Levend Ge­loof van april 1989 in het artikel ‘New Age. bedrei­ging of uitdaging?’ van broeder Evert van de Kamp).

Zo is de duivel op zeer geraffineerde en listige wijze de hele mensheid nog steeds aan het verlei­den om als God te willen zijn, via zijn weg van onafhankelijkheid van God, Genesis 3 vers 5 (Gen. 03:05). Hij speelt hier uiteraard in opdat wat God ingeschapen heeft, want vóór de grondlegging der wereld heeft God naar de raad van Zijn wil ver­ordend dat de mens aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig zou worden en deel zou hebben aan Zijn heerlijkheid, Romeinen 8 vers 29 en 2 Thessalonicenzen 2 vers 14 (Rom. 08:29; 2 Thess. 02:14). Dit kan de mens echter niet in eigen kracht of via een eigen gekozen weg en ze­ker niet via de weg die de duivel wijst. De weg van God voor de mens is de weg van Zijn goeder­tierenheid of genade in Zijn Zoon Jezus Christus.

Gods wezen is onveranderlijk

Nu is de genade niet een uitvinding van God omdat de mens in zonde is gevallen, maar het is het wezen van God. God is niet goedertieren gewor­den omdat dat tijdelijk nodig is in verband met de verlossing, maar Hij is goedertierenheid, zo­als Hij liefde is tot in alle eeuwigheden.

U herinnert zich nog wel de openbaring van God aan Mozes als Mozes vraagt Gods heerlijkheid te zien. Deze heerlijkheid is dan: “Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertieren­heid bestendigt aan dui­zenden, die ongerechtig­heid, overtreding en zon­de vergeeft”, Exodus 34 vers 6 en 7a (Ex. 34:06-07a).

Dit is de heerlijkheid van God en daar hoort ook bij: “die ongerechtigheid en zonde ver geeft”. Dat is óók Zijn wezen, dat Hij gaarne vergevend is (Ps. 086:005). God verandert niet in Zijn wezen naar gelang een situatie dat nodig maakt want dan zou Hij veranderlijk zijn. Dan zou er geen enkel vast punt meer zijn in de schepping. Eén van de Godsnamen is echter: ‘de onveranderlijke Israëls’, 1 Samuel 15 vers 29 (1 Sam. 15:29). En ook van Jezus Christus staat geschreven dat Hij on­veranderlijk is, Hebreeën 13 vers 18 (Heb. 13:18).

Gods trouw aan Zijn verbond

Nu valt nog iets op, na­melijk dat goedertieren­heid en trouw heel vaak als een woordpaar voor­komt. Ook in de Naam van Exodus 34 zien we het sa­men genoemd. Je zou kun­nen zeggen: ze horen bij elkaar. Waar sprake is van goedertierenheid Gods daar handelt God vanuit Zijn trouw. Het hoort bij God. Hij is getrouw en laat niet varen het werk Zijner handen (Ps. 138:008).

“Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar”, zegt Psalm 85 vers 11 (Ps. 085:011). Die trouw van God heeft te maken met Zijn eeuwige raadsbesluiten, met het eeuwige verbond wat God heeft met de schepping en in het bijzonder met de mens. Het is het genade- verbond in Zijn Zoon Je­zus Christus waarvan Paulus zegt, dat wij door God geroepen zijn “met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus ge­geven is voor eeuwige tijden”, 2 Timoteüs 1 vers 9 (2 Tim. 01:09).

En de apostel Petrus zegt: “U bent verlost met het kostbaar bloed van Chris­tus, als van een onberis­pelijk en vlekkeloos Lam. Hij was van tevoren ge­kend, voor de grondlegging der wereld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard terwille van u”, 1 Petrus 1  vers 19 en 20 (1 Petr. 01:19-20).

Tot lof zijner heerlijkheid

Paulus spreekt in zijn brief aan de Efeziërs ook over dit eeuwige genade- verbond als Hij zegt: “Hij heeft ons immers in Jezus Christus uitverkoren voor de grondlegging der wereld opdat wij heilig en onbesmet zouden zijn voor Zijn aangezicht”, Efeze 1 vers 4 (Ef. 01:04).

En dan zet Paulus verder uiteen dat dit alles over­eenkomstig is naar het welbehagen van Gods wil en dat God in alles werkt naar de raad van Zijn wil (of wilsbesluit), opdat wij zouden zijn tot lof Zijner heerlijkheid, Efeze 1 vers 3 tot en met 14 (Ef. 01:03-14).

“Daarom”, zegt Paulus, werkt God naar de raad van Zijn wil: “opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid”. En dit door zijn weg van goedertierenheid en trouw, genade en waarheid in de Zoon Zijner liefde, Jezus Christus, Efeze 1 vers 5 en 6 (Ef. 01:05-06).

“Looft de Here, want Hij is goed, ja, Zijn goeder­tierenheid is tot in eeu­wigheid!

 

Intermezzo door Gerry Velema

Jezus is Heer!

“Mevrouw, wat bent u toch vlot geslaagd!”, complimenteerde de verkoopster. Met zichtbaar veel plezier pakte ze de diverse kledingstukken voor haar klant in. Kleren waar bij je aan het kom bi neren kunt blijven. Als verkoopster kwam ze toch ook wel andere klanten tegen, waar maar heel moeizaam een klein resultaat werd behaald. En dat ook nog met verveelde ondankbare gezichten, omdat het allemaal niet lukken wilde.

Haar klant glunderde zo blij en tevreden en alsof ze de verkoopster haar geheim liet weten, deelde ze mee: “Weet u, ik bid ook altijd als ik de stad inga om kleren te kopen. Soms kun je zoveel tijd verdoen met passen en zoeken. Als ik er voor bid, merk ik altijd dat het vlotter en beter lukt. Begrijpt u?”

Nee, dat begreep de verkoopster helemaal niet. Het leek haar zo’n aardige en vooral normale vrouw toe, die klant van haar, maar zo’n opmerking, hier wist ze toch echt niet op te reageren. Het bleef zoiets als: “Ja, ja!”

Tussen de ingepakte kledingstukken zat ook een vlotte feestelijke blouse. Deze blouse werd s’ avonds met veel plezier aangedaan, samen met nog wat nieuwe spulletjes, om zo naar een feestelijke bijeenkomst te gaan van kinderen van God! En dat mag toch, er een beetje leuk modieus uitzien, als je naar de gemeente gaat.

De klant – een zus van ons – genoot van de avond, waarin de Heer Zijn woorden aan Zijn volk kon geven. Iedereen straalde en was enthousiast voor Cod. Aan het einde van de dienst was er zoals gebruikelijk ook de collecte. Alleen anders dan gewoonlijk. De mandjes bleven vóór staan, en als je iets aan God wilde geven, (offeren) mocht je naar voren komen, om het in de mandjes te doen.

Op het moment dat er voor de collecte werd gebeden, ervoer onze zuster heel sterk, dat God van haar, die leuke nieuwe blouse vroeg. Haar God, haar Helper, zelfs bij het uitzoeken van kleren, liet nu ook de andere kant zien, van het Hem je Heer noemen!

Hoe zou de verkoopster hebben gereageerd, wanneer ze zou zien, wat ik zag; dat de feestelijke blouse, spiksplinternieuw, bij de mandjes bleef liggen? Als Jezus echt Heer is over ons doen en laten wordt, onze tijd, zodat we bidden voor uitzoeken van kleren, over onze bezittingen, ja zelfs onze nieuwe spulletjes, dan kan dit gebeuren!

En Hij is Heer en het Hoofd van Zijn Lichaam. Ik ben benieuwd wie God gelukkig heeft gemaakt met deze feestelijke ‘geofferde’ blouse… Geeft dit – waar gebeurde – verhaaltje ook u te denken?

 

Wat doen wij met ons erfdeel? door RON GAST

(Het eerste deel van dit artikel werd gepubliceerd in “Levend Geloof” van juli /augustus ).

De verdeling van Kanaän

Jezus’ toehoorders zullen ongetwijfeld goede kenners van de geschiedenis van God (de Vader) met Zijn volk (Zijn kinderen) zijn geweest. De verdeling van het erfdeel in de ge­lijkenis van de verloren zoon zal daarom bij menig­een de beschrijving van de verdeling van een an­der erfdeel te binnen hebben gebracht: De ver­deling van Kanaän.

In Jozua 14 vers 1 (Joz. 14:01) begint die gebeurtenis:

“Dit nu zijn de erfdelen die de kinderen Israëls in het land Kanaän ont­vangen hebben”, vergelijk Lucas 15 vers 12 (Luc. 15:12): “En hij verdeelde het goed onder hen”).

En dan verhaalt het boek Jozua over de verdeling van de erfenis. Zo belan­den we bij de kinderen van Jozef:

“De kinderen van Jozef echter spraken tot Jozua: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één deel gegeven, terwijl ik toch een talrijk volk ben, aan gezien de Here mij tot dusverre gezegend heeft”, Jozua 17 vers 14 (Joz. 17:14).

Hé! , is er iets misgegaan? Is God iemand vergeten? Heeft Hij een beetje te weinig gegeven? “Tot dus­ver gezegend…”, maar nu? Als de kinderen van

Jozef, de lieveling van Jakob, al niet genoeg krijgen, wat moet je dan wel niet vrezen voor die anderen?

Waar ligt het probleem?

Gods antwoord lezen we in Jozua 18. Eerst een in­leiding:

“De gehele gemeente van de kinderen Israël werd samengeroepen te Silo waar zij de tent der sa­menkomst oprichtten, aangezien de streek onder­worpen was en te hunner beschikking stond” (vs. 1).

God spreekt waar Zijn volk vergaderd is: in de samenkomst, in de ge­meente. Maar voordat Jo­zua Gods woorden kan uit­spreken, wijst de schrij­ver op nog meer proble­men :

“Toen waren er onder de kinderen Israël zeven stammen over die hun erf­deel nog niet gekregen hadden” (vs.2).

De tekortkomingen van God zijn blijkbaar nog ernstiger dan zich eerst liet aanzien. Is God een liefdevolle Vader als Hij de één wel laat delen in de erfenis en de ander niet? Hoe zit dat?

“Daarom zei Jozua tot de kinderen Israël: Hoe lang zult gij traag blijven om het land in bezit te nemen dat de Here de God uwer vaderen u gegeven heeft?” ( vs. 3).

Dat is dus de oorzaak! Het probleem ligt niet bij God, de Vader. Maar bij de kinderen die niets met de erfenis hebben gedaan. De notaris heeft de ver­deling van de erfenis uitgesproken, maar nie­mand heeft zijn deel op­gehaald. Daarom zegt Jozua: ‘Neem het land in bezit!’

De instructies die God geeft

Dan rijst de vraag: hoe? In vers 4 lezen we de raadgevingen die God geeft:

Laat je uitzenden. 1.

Begeef je op pad. 2.

Doorkruis het land. 3.

Maak een beschrijving daarvan. 4.

Naar gelang je erfdeel. 5.

En keer terug tot mij. 6.

Ga Gods raadgevingen eerst in je eigen innerlijke leven toepassen. Het be­gint bij jouw geloofsgroei.

Verlaat je oude manier van denken. 1.

Ga op pad in Gods Woord. 2.

Doorkruis de Bijbel. 3.

Schrijf op wat 4.

jou in het bijzonder aanspreekt. 5.

Kom er mee terug naar God en naar de ge­meente. Praat erover met Hem en met je broers en zussen. Zo bouw je elkaar (en ook jezelf) op. 6.

Geloof je dan wat je als erfdeel is toebedeeld?

Neem je je erfdeel in bezit?

En daarna:

Laat je uitzenden; ook buiten je vertrouwde omgeving. Uitzenden om terug te keren met de daklozen en ont­heemden van de (gees­telijke) wereld.

Begeef je op pad; goed toegerust. Vol van de Heilige Geest. Voorzien van alles wat je nodig hebt: liefde, blijdschap, zachtmoedigheid, barm­hartigheid, vergevings­gezindheid, volharding.

Doorkruis het land; ontdek God in de an­der. (En als je eens een geest die niet uit God is tegenkomt, ver­jaag die!).

Maak een beschrijving; want dan oefen je je­zelf om dingen helder te gaan waarnemen. Iets wat je niet scherp ziet, kan je immers niet goed beschrijven. Wees niet tevreden met onduidelijkheden of halve waarheden.

Naar gelang jouw erf­deel; dus voor jou. Op je eigen wijze, op jouw plaats. Het gaat om je eigen kwaliteiten; jouw specifieke talenten.

En keer terug tot mij; om te getuigen. Vertel wat je hebt meegemaakt, gezien. Vul elkaar aan dan ontstaat er een fantastisch samenge­steld beeld van wat God allemaal doet.” De mannen nu gingen heen en trokken door het land; zij maakten daarvan een beschrijving, stad voor stad, in zeven ge­deelten, en kwamen bij Jozua in de legerplaats te Silo” (vs. 9).

Ze deden aldus! En toen?

“Zo heeft de Here aan Is­raël het gehele land ge­geven, dat Hij gezworen had hun vaderen te zullen geven; zij namen het in bezit en gingen er wonen. En de Here gaf hun aan alle zijden rust, geheel zoals Hij hun vaderen ge zworen had; niet één van al hun vijanden heeft voor hen kunnen stand­houden; al hun vijanden gaf de Here in hun macht. Niet één van alle goede beloften, die de Here aan het huis van Israël had toegezegd, is onvervuld gebleven; alles is uitge­komen”, Jozua 21 vers 43 tot en met 45 (Joz. 21:43-45).

Alles is uit gekomen! Een fijn beeld voor de gemeen­te en voor ieder persoon­lijk! “Al het Mijne is het uwe”, zegt onze Vader. Neem er dus gerust bezit van! Stap voor stap.

 

Vuur (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Ik ben niet bang voor Uw verterend vuur,

want ik ervaar de vuurgloed van Uw liefde,

waar die de duisternis in mij verbrak, doorkliefde,

daar stond ik op tot léven, in dat heilig uur!

 

En waar ik in Uw hand mijn leven heb gelegd,

Uw wil ga doen, in U geworteld groeien,

daar zal mijn leven tot Uw eer gaan bloeien,

zo dikwijls wordt het immers in Uw Woord gezegd.

 

O Heer, mijn God, zo heilig en verheven,

maar ook zo dicht bij ieder, die U zoekt,

om mijnentwil hebt U het kwaad vervloekt,

door Jezus geeft U mij het Goddelijk leven!

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (11)

Het terugdrijven van de wereldbeheersers

De gemeente is de thuisbasis van waaruit God zijn engelen gaat uitzenden. Zij worden uitgezonden over de volkerenwereld met de bedoeling om de volken tot orde te brengen. God gaat aan de gemeente bepaalde gebieden toewijzen. Psalm 2 is in dit verband een prachtige profetische Psalm. In vers 1 wordt de vraag gesteld (Ps. 002:001): “Waarom woelen de volken en zinnen de natiën op ijdelheid?” Dit komt omdat de koningen der aarde – de wereldbeheersers – de zaak opjutten. We zien het keerpunt in vers 6 (Ps. 002:006): “Ik immers heb mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg”. Tegenover de koningen der aarde staat de door Gód aangestelde koning. Tot déze koning wordt gezegd in vers 8 (Ps. 002:008): “Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel en de einden der aarde tot uw bezit”.

Deze koning is Jezus Christus met de gemeente. Wij gaan als gemeente deel uitmaken van de Koning, die bezig is om zijn intocht te houden. Daarbij spelen ook de engelen een rol, want zij gaan de wereldbeheersers terugdrijven. Ik geloof, dat dit in deze tijd gaat beginnen. God is bezig zijn gemeente hiervoor klaar te maken. Al doende ga je het verder ontdekken! Ter illustratie een voorbeeld uit deze tijd.

Wat Derek Prince meemaakte in Kenia

Derek Prince was in 1960 zendeling in Kenia. Hij had daar een soort bijbelschool. Hij had er heel wat jonge mensen opgeleid. Op een keer was er een samenkomst met ongeveer 200 jonge geestelijke leiders. Zij hadden op deze conferentie veel dingen samen besproken. Toen tijdens de aanbiddingsdienst Gods Geest vaardig werd over de mensen, voelde Derek Prince in de geest aan, dat van deze gelegenheid ook gebruik moest worden gemaakt. Hij heeft eens gezegd dat het probleem in de pinksterwereld geweest is dat er veel kracht van God is verspild. God verleent zijn kracht niet slechts om voor een moment ‘in de glorie’ te zijn. De bedoeling is dat je er iets aan overhoudt.

Tijdens de aanbidding en lofprijzing ging Derek Prince naar het podium toe om de dienst te leiden. Plotseling zei zijn vrouw tegen hem: ‘Zeg tegen de mensen dat zij nu voor het volk van Kenia in gebed moeten gaan’. Dit was voor hem een bevestiging van de ervaring in de geest, die hij vooraf gekregen had, namelijk dat Gods Geest verlangde dat er iets zou worden ondernomen.

Op het podium aangekomen ging hij de mensen leiden om voor het volk van Kenia op de bres te staan. Terwijl ze hiermee bezig waren, toonde God een gezicht. Een broeder zag in de geest dat een leger van rode paarden de grens van Kenia naderde. Eén rood paard ging voorop. Het was duidelijk dat hier een bedreiging voor het land aanwezig was. Gezamenlijk is men deze machten der duisternis gaan binden en de naam van God gaan uitroepen over deze situatie.

Op een gegeven moment gaf de Heer weer een gezicht. Het voorste paard keerde zich vlak voor de grens plotseling om. De andere rode paarden deden hetzelfde. Toen wisten de mensen dat er in de geestelijke wereld iets was gebeurd. In de jaren hierna is in de landen om Kenia heen steeds beroering geweest. Er waren revoluties, burgeroorlogen, of ook vaak een machtsovername. Alleen Kenia is ervan verschoond gebleven. Kenia is in de jaren vanaf 1960 open geweest voor evangelisatie. De toenmalige president stond positief tegenover het zendingswerk. Tijdens genoemde samenkomst is een stuk wereldbeheersing teruggedrongen. Het volk van Kenia was geclaimd voor het Koninkrijk Gods.

Geestelijke volharding geeft overwinning

Als de gemeente zich gaat bundelen, kan zij bepaalde krachten uit het rijk der duisternis tegenhouden. Derek Prince vertelt, dat hij meermalen door de Geest wordt aangespoord om een kort gebed te bidden. Hij gaat hier regelmatig mee door, om het door de Geest ingegeven gebed in de geestelijke wereld uit te spreken, totdat het op een gegeven moment zijn uitwerking heeft.

We zien eigenlijk hetzelfde bij de verovering van Ai. In Jozua 8 vers 18 (Joz. 08:18) lezen wij: “Toen zeide de Here tot Jozua: Strek de spies, die in uw hand is, uit naar Ai, want Ik geef het in uw macht. En Jozua strekte de spies, die in zijn hand was, uit, naar de stad”. Vervolgens lezen wij in vers 26 (Joz. 08:26): “En Jozua trok zijn hand, waarmee hij de spies uitgestrekt hield, niet in, voordat hij alle inwoners van Ai met de ban geslagen had”. Jozua staat de hele tijd met de spies naar Ai gericht. In de zichtbare wereld lijkt het een nutteloze bezigheid, maar Jozua gaat er net zolang mee door totdat de stad Ai in zijn hand is.

Ook in het onderricht van Jezus vinden we bepaalde dingen hierover. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de belijdenis van Petrus in Matthéüs 16 vers 13 tot en met 20 (Matt. 16:13-20). Als Jezus de discipelen vraagt: ‘Wie zeggen de mensen dat de Zoon des mensen is?’, komen er verschillende antwoorden. Daarna wordt de vraag persoonlijk toegespitst: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Dan volgt het geladen antwoord van Petrus: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!’ Petrus spreekt hier uit welke plaats Jezus in de geestelijke wereld inneemt: ‘Gij zijt de Christus, de gezalfde Koning!’

Jezus heeft dit antwoord uitgelokt met een strategische bedoeling. Hier zijn twee redenen voor. 1. De aanduiding Caesarea Filippi is niet toevallig. Caesar: keizer. Caesarea Filippi was het centrum van de keizerverering. In die tijd waren er bepaalde plaatsen en gebieden waar de invloed van de Romeinse keizer zich heel sterk deed gelden. Juist in het gebied van de keizercultus stelt Jezus de vraag: ‘Wie ben Ik?’ 2. In die streek had de God Pan het voor het zeggen. Ons woord ‘paniek’ is hiervan afgeleid. Hij was de uitvinder van de panfluit. Als Pan op de fluit speelde, weerkaatste het fluitspel tegen de hoge rotswanden. Het was een angstaanjagend geluid en veroorzaakte bij de mensen een panische angst. Pan: de god van de angst.

De eerste steen van de gemeente wordt gelegd

De uitspraak: ‘Gij zijt de Christus!’, was een frontale aanval tegen de godenwereld in dat gebied. ‘Gij zijt de Christus; U alleen, en niet de keizer of de god Pan’. Het is de proclamatie om het machtsblok van de godenwereld stuk te breken. De belijdenis van Petrus was een stuk geestelijke strategie van Jezus: ‘Laat het op deze plaats maar eens hóren!’

Het is niet toevallig dat Jezus uitgerekend daarop voor het eerst over de gemeente gaat spraken. In vers 18a zegt Jezus: ‘Op deze Petra zal Ik mijn gemeente bouwen’. Door de belijdenis van Petrus is in feite de eerste steen gelegd. Jezus bedoelt: ‘Op deze geloofsuitspraak, op dit stuk openbaring, ga Ik mijn gemeente bouwen’.

Dan lezen we in vers 18b: ‘En de poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen!’ De poorten vormen de plaats waar de plannen gemaakt worden. In de oudheid waren de rechters en het stadsbestuur in de poorten gezeten. Lot zat in de poort van Sodom. Je zou kunnen zeggen: ‘Lot zat in de gemeenteraad’. De poorten van het dodenrijk is de plaats waar het dodenrijk zijn plannen maakt. Hier bepaalt de duivel zijn strategie. Jezus zegt eigenlijk: ‘De duivel kan nog zoveel plannen maken, maar zijn poorten krijgen mijn gemeente er niet onder!’

Juist dan zegt Jezus in vers 19: ‘Ik zal u de sleutels van het Koninkrijk der hemelen geven’. Petrus is begonnen om deze sleutels te hanteren en de zaak open te breken. Ook in het onderricht van Jezus en in de praktijk van Jezus met zijn discipelen komen deze zaken aan de orde. Een schitterend voorbeeld daarvan vinden we in Johannes 4 in het gesprek wat Jezus had met de Samaritaanse vrouw. Daarover in de volgende aflevering van deze serie.

 

1987.07-08 nr. 305

Levend geloof 1989.07-08 nr. 305

Vertrouwen in God en in onszelf door Gert Jan Doornink

Zelfvertrouwen, een woord dat taboe was

Het woord ‘zelfvertrouwen’ is jarenlang taboe geweest bij vele christenen. Iemand die het woord zelfvertrouwen in de mond wilde nemen, werd aangezien voor een over het paard getild iemand, hoogmoedig, iemand die zich van God en zijn gebod niets aantrok. Het werd voor totaal onmogelijk gehouden dat iemand zichzelf vertrouwde. Dat kon immers niet: de mens was alleen maar tot slechte dingen in staat, hij bleef zondaar tot de dood, hij was slechts een stofje aan de weegschaal… Van teksten, zoals die van David in Psalm 8 vers 5 en 6 (Ps. 008:005-006): “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en eer gekroond”, werd alleen op het eerste deel het accent gelegd, terwijl het ‘bijna goddelijk’ als onmogelijk werd geacht.

Hoe kwam het (en komt het soms nog) dat er zo’n scheef beeld van de mens werd geschetst en dat de mens als het ware zo werd neer gedrukt? Omdat men blind was voor het grote plan van God met de mens en dit werd weer veroorzaakt doordat de geestelijke leidslieden met blindheid waren geslagen Het waren, om de woorden van Jezus te gebruiken, blinde wegwijzers. En om nog even bij het woord blindheid te blijven “Hoe zal een blinde een blinde leiden, zullen ze niet beiden in de put vallen?” Matteüs 15 vers 14 (Matt. 15:14).

Die blindheid had natuurlijk een achtergrond, een oorzaak. Het was satan, die gedurende vele eeuwen lang, er in geslaagd was de Geest van God aan banden te leggen en het Woord van God krachteloos te maken, althans de werkzaamheid ervan in en door mensen heen.

Een nieuwe doorbraak van Gods Geest

Maar – prijst God – in deze eeuw zien wij dat langzaam maar zeker een grote ontwaking zich begint te voltrekken. We spreken van een ‘pinksteropwekking’. Gods Geest is weer doorgebroken en steeds meer Bijbelse waarheden worden onder het stof vandaan gehaald.

Dat wil niet zeggen dat er de eeuwen door niets gebeurd is wat betreft de werking van Gods Geest. Gelukkig wel! Temidden van allerlei nare dingen, godsdienstoorlogen, etc., zijn er ook altijd oprechte gelovigen geweest. Maar wat vooral achterwege bleef was de bewustwording en ontplooiing van de nieuwe mens in Christus. Er werd soms nog wel gepredikt dat de mens van een zondaar een kind van God kon worden door geloof in het volbrachte werk van Christus en dan later ‘naar de hemel’ zou gaan. Maar verder kwam men niet.

Niet de prediking van: ‘Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping en dit nieuwe schepping zijn mag je beleven, daar mag je ingroeien, dat mag je je bewust zijn, dat mag je uitdragen’. Geen belijdenis van ‘wie we zijn in Christus’. Dan was je teveel met jezelf bezig, dan stond Christus niet meer centraal. Terwijl de werkelijkheid natuurlijk net andersom is. Want waardoor staat Christus centraal? In de eerste plaats als we Hem gesproken over een nieuw gezang. Wat is een nieuw lied en waarom komt uitgerekend in dit verband het nieuwe lied naar voren? Ook in de Psalmen 96, 98 en 149 komt het nieuwe lied voor. Waarom nu juist in déze Psalmen? Als je de Psalmen een beetje kent, ga je een bepaald verband ontdekken. De Psalmen 96 en 98 spreken over het heil voor de volkeren. Psalm 149 spreekt van de strijd tegen de wereldbeheersers: “om hun koningen met ketenen te binden en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken. Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Halleluja”, Psalm 149 vers 8 en 9 (Ps. 149:08-09). Dit zijn eindtijdpsalmen!

Het nieuwe lied tegenover het oude lied

In Jesaja 42 komt juist in verband met de exodusnaam van God en in verband met het heil voor de volkeren, dit nieuwe lied naar voren. ‘Nieuw’ in de Bijbel, heeft te maken met een nieuwe kwaliteit en is duidelijk iets anders dan het oude. Het nieuwe lied wordt gemarkeerd tegenover het oude lied. Het oude lied is het lied wat de volkeren altijd gezongen hebben. Dit waren vaak klaagzangen. Er werd vaak gezongen vanuit de beschadiging, de verwonding. Denk aan het Indianen gezang: ‘We are all wounded at Wounded Knee’, of aan de negrospiritual: ‘Sometime I feel like a motherlees child’. Je kunt veel leren uit hetgeen een volk zingt; je kunt proeven wat er in een volk leeft. We komen dan tot de conclusie dat het nieuwe lied het antwoord is op het oude lied.

Als je een volk wilt bereiken, zul je eerst het oude lied moeten kennen. Je kunt, als antwoord daarop, het nieuwe lied ontvangen door de Geest. Ik geloof dat dit ook een wezenlijk principe is bij evangelisatie. Je kunt misschien het evangelie over iemands hoofd uitroepen, terwijl je niet verstaat wat er in de ander leeft. Je kunt pas antwoord geven als je zijn vraag gehoord hebt. Denk aan wat er in Spreuken 18 vers 13 (Spr. 18:13) staat: “Wie antwoord geeft, voordat hij hoort, die is tot dwaasheid en smaad”.

Jesaja gaat inspelen op het oude lied. Daarop geeft hij, vanuit de Geest, het nieuwe lied als antwoord.

De naam van een bepaalde plaats kan soms Iets laten zien van de geschiedenis. Als je een bepaald gebied wilt opeisen voor het Koninkrijk Gods, kan hot zijn dat God zegt: ‘Bestudeer maar eens wat zich in hot verleden in die plaats heeft afgespeeld’. De Heilige Geest kan je ook bepaalde dingen openbaren over zo’n gebied. Het kan een vingerwijzing zijn waar de genezing moet inzetten. Je gaat ontdekken waar de beschadiging is ingetreden.

Als voorbeeld willen wij Richteren 2 aanhalen, waar wij lezen: “Toen ging de Engel des Heren van Gilgal naar Bokim en zeide: Ik heb u uit Egypte doen trekken en gebracht in het land dat Ik uw vaderen onder ede beloofd had, en Ik heb gezegd: Ik zal mijn verbond met u in eeuwigheid niet verbreken, maar gij zult geen verbond sluiten met de bewoners van dit land; hun altaren zult gij afbreken. Doch gij hebt naar Mijn stem niet geluisterd. Wat hebt gij gedaan? En Ik heb óók gezegd: Ik zal hen niet voor u uit wegdrijven, maar zij zullen u tot tegenstanders en hun góden u tot valstrik zijn. Toen de Engel des Heren deze woorden tot al de Israëlieten gesproken had, verhief het volk zijn stem en weende; daarom noemde men die plaats Bokim. En zij offerden daar aan de Here” Richteren 2 vers 1 tot en met 5 (Richt. 02:01-05).

Bokim is een plaatsnaam met een geschiedenis. Bokim: de wenenden. Als je in Bokim woont, vraag je je op een keer af hoe men aan deze plaatsnaam komt. Als je dan de geschiedenis induikt, kom je bij Richteren 2 terecht. Het kan zijn dat je in Bokim een klimaat ervaart dat niet erg plezierig is. De sfeer kan beklemmend zijn. Je kunt dan zeggen: ‘De mensen willen niet’, maar je kunt je ook afvragen welke geest daar bezig is en hoe het komt dat het zo geworden is. Zo’n plaatsnaam heeft, vanuit een bepaald gebeuren, een stempel op een streek gezet. Vanuit het verleden moet er iets hersteld worden; de verwondingen moeten genezen.

Vertrouwen is geen vrijblijvende zaak

Vertrouwen in God en onszelf, die dus hand in hand behoren te gaan, brengt de verantwoordelijkheid met zich mee om een getuige van Christus te zijn in deze wereld. Maar dat werkt niet als een soort opgelegde verantwoordelijkheid, het is geen ‘wettisch moeten’. Het komt er als het ware automatisch uit, al is het uiteraard altijd goed elkaar op te wekken en te bemoedigen, zoals Paulus dat bijvoorbeeld ook doet als hij schrijft aan Titus: “Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken”, Titus 3 vers 8 (Titus 03:08).

Vertrouwen moet blijken en is dus geen vrijblijvende zaak. Het schakelt ons volledig in, in het grote plan van God tot herstel van de schepping. Het begint in de gelovige individueel, dan komt het tot ontwikkeling en ontplooiing in de gemeente en vanuit de gemeente gaat het naar de wereld toe.

Tenslotte – om het niet weer te vergeten – het gaat dus om Godsvertrouwen èn zelfvertrouwen; zelfvertrouwen èn Godsvertrouwen. Is er een mooiere kombinatie denkbaar? Daarom mogen we voor elkaar bidden en elkaar bemoedigen met de woorden van Hebreeën 13 vers 18 (Heb. 13:18): “Wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, daar wij in alle opzichten de rechte weg willen gaan”. Petrus Canisius vertaalt: “Bidt voor ons; want we vertrouwen een rein geweten te hebben, daar we onder ieder opzicht ons onberispelijk trachten te gedragen”. Zoiets kun je niet schrijven als je niet een werkelijk Godsvertrouwen èn zelfvertrouwen hebt. Is dit ook de grote doelstelling van óns leven? Zijn we er enthousiast voor? Willen we ons daarvoor inzetten? Laat dit ons antwoord zijn: Ja Heer, wij hebben er geloof in, omdat U dat door Uw Woord en Geest in ons bewerken zult!

 

Van de redactie door redactie

Onze zomeractie

In dit ‘zomernummer’ – voor de maanden juli en augustus vragen wij voor het laatst aandacht voor onze financiële zomeractie. Omdat ons werk een geloofsweek is – wij ontvangen geen subsidie, uitkering of wat dan ook – zijn wij voor een belangrijk deel, voor een goed functioneren van onze arbeid, afhankelijk van wat er via extra bijdragen binnenkomt. De opbrengst van deze actie is dus bestemd voor de ‘instandhouding en uitbreiding van ons werk’. En wat dit laatste betreft zijn er onder andere momenteel verschillende brochures in voorbereiding om te worden gedrukt en uit gegeven. Meer bijzonderheden hierover volgen in het septembernummer.

Inmiddels hebben reeds verschillende lezers en lezeressen positief gereageerd op onze oproep mee te doen aan onze zomeractie. Heel veel dank voor alle giften die tot dusver per giro of bank binnenkwamen! En wanneer u nog niet hebt gereageerd, is hiervoor In deze augustusmaand nog volop gelegenheid! Mogen wij ook op u rekenen? Bij voorbaat hartelijk dank.

(U kunt uw gift overmaken ten name van “Levend Geloof”.

 

Wat doen wij met ons erfdeel? door Ron Gast

 

De broer van de verloren zoon

De broer van de verloren zoon, wie kent hem? Ja, de verloren zoon, die ge­niet volle bekendheid. Zelfs vele niet-gelovigen kennen hem: de jongen die het ouderlijk huis verliet om zijn deel van de erfenis er doorheen te jagen. En dan naar zijn vader terugkeerde en hem om vergeving vroeg. Een ideaal verhaal voor de zondagsschool: (moraal 1: gehoorzaam je ouders!), voor de kerk (moraal 2: ben je al tot God terug­gekeerd , jij verloren zoon?) en voor calvinistisch/moralistisch Neder­land (moraal 3: verzaak het erfgoed van onze vaderen niet).

Het verhaal in Lukas 15 bevat naast de gelijkenis van de verloren zoon ech­ter tevens de gelijkenis van de broer van de ver­loren zoon. Een onderbe­licht mens die het ver­dient ook eens in de zon te worden gezet.

Het verhaal begint als volgt:

“Een zeker man had twee zonen. De jongste van hen zei: Vader, geef mij het deel van het goed dat mij toe komt. En hij (de vader) verdeelde het goed onder hen”.

En dan ontrolt zich het hele foute leven van de jongste zoon; tot zijn va­der hem weer in de armen kan sluiten.

De mensen rond Jezus zullen ongetwijfeld de boodschap van deze gelij­kenis beaamd hebben: (moraal 4: God is een goede Vader die zich ont­fermt over wie Hem om vergeving vraagt) en (moraal 5: eind goed, al goed).

Maar Jezus stopte niet toen Hij dit verteld had. Nee, hij begon eigenlijk pas… Hij had immers niet slechts de geschiede­nis van de ene (de jong­ste) zoon verteld?

“Een zeker man had twee zonen”.

De oudste zoon moest nog in beeld komen. De gelij­kenis gaat dus verder!

“En zijn oudste zoon.. . “

Het volk rond Jezus moet gespannen geluisterd heb­ben: de oudste zoon, daar herkende menigeen zichzelf in! Als oprechte gelovigen had men immers het huis van de Vader nooit verlaten, men was tróuw aan zijn ‘opvoeding en nam alle regels in acht.

De verwachting is dan gerechtvaardigd dat er iets heerlijks, over zóveel getrouwheid wordt uitge­sproken. (En verwachten wij ook niet als ‘getrouwe gelovigen, dat Gods heer­lijkheid ons ten deel zal vallen?).

De reactie van de oudste zoon

In het verhaal dat Lucas ons vertelt, volgt eerst een korte uiteenzetting van de situatie. De oud­ste zoon is op het land, hoort de drukte on vraagt wat er aan de hand is. Er is feest, de verloren broer is terug!

Maar in plaats van wat verwacht mocht worden – het klapstuk van het feest – de broers weer verenigd, gebeurt er iets anders:

“Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan (tot het feest)”.

Op zo’n reactie werd niet gerekend. De oudste (maar in zijn eigen ogen ondergewaardeerde) zoon keerde zich van de ge­beurtenissen af.

“Zo ging dan zijn vader naar buiten en bad hem (binnen te komen)”.

Precies het beeld van de enkel goede Vader: eerst haalde hij de ‘slechte’ zoon binnen; daarna ging hij naar buiten om zijn andere zoon te overreden binnen te komen. (Het zesde moraal luidt dus: God neemt het initiatief, Hij laat niemand verloren gaan. Als wij denken dat wij onszelf buiten geslo­ten hebben, haalt God ons binnen!).

“Doch hij – antwoordende zei tot de vader: Zie ik dien u nu zo vele ja­ren en ik heb nooit uw gebod overtreden en gij hebt mij nooit een geitenbokje gegeven opdat ik met mijn vrienden vrolijk mocht zijn”.

Hoe afwijkend is de reactie van mensen op de uit­nodiging van God! Ons leven en dat van onze Va­der hebben vaak te weinig gemeenschappelijks. Wij hebben onze eigen vrien­den, net zoals de verloren zoon. Liefde tot de Vader ontbreekt: “Ik dien u, ik heb nooit uw geboden overtreden”, alsof wij als slaven aan onze meester gehoorzaam moeten zijn.

Al het Mijne is het uwe!’

“Maar als deze uw zoon gekomen is die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht”, Lucas 15 vers 30 (Luc. 15:30)

Een uitspraak die bepaald niet wijst op enige ver­broedering. Daarom spreekt de Vader nog één keer een verlossend woord:

“Kind! (Mijn kind, mijn zoon ben jij!) Gij zijt altijd bij Mij en al het Mijne is het uwe”.

Anders gezegd: Je bent nooit uit mijn denken weggeweest; ik heb altijd inclusief aan jou gedacht. Alles van mij is van jou! Weet je dan niet dat ik de goederen al verdeeld heb?

In het begin van het ver­haal staat immers:

“En hij verdeelde het goed onder hen”.

Het erfdeel komt hem (lees: ons) al lange tijd rechtens toe, maar hij (wij) heeft (hebben) er niets mee gedaan!

Het verhaal eindigt voor, de ene zoon met een hap­py end, maar voor de an­dere zoon zonder enig uitzicht:

“Je broer was dood en is weer levend”.

Dat wel!, maar hij, de broer van de broer, werd niet teruggevonden…

(En wij, zijn wij al te­recht?).

Zou dat het hele verhaal zijn? Blijft ook ons leven steken in dienstbaarheid zonder liefde en overga­ve? Dienstknecht in plaats van Zoon? In het tweede en laatste deel van dit artikel, dat in “Levend Geloof” van sep­tember wordt gepubli­ceerd , wordt daar een duidelijk antwoord op ge­geven.

 

 

 

Gods onderwijzing (gedicht) door Piet Snaphaan

“Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet; Ik raad u; mijn oog is op u” Psalm 33 vers 8 (Ps. 033:008).

Gods onderwijzing doet ons leren

de hoge weg met Hem te gaan,

al wat niet goed is steeds te weren,

al wie Hem volgt zal het verstaan.

 

Beloften Gods zijn ‘ja en amen’

voor ieder die ’t van Hem verwacht,

die zal Hij nimmer doen beschamen,

doch vullen met Zijn Geesteskracht.

 

God overziet de ganse aarde,

Zijn oog is op de mens gericht,

voor Hem is hij van grote waarde,

Hij heeft zich zelf een volk gesticht.

 

Een volk waar bij Hij zelf wil wonen,

dat Hem zal volgen, t’ allen tijd,

de weg wil gaan die Hij zal tonen,

de weg die leidt tot heerlijkheid.

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst (3)

Jezus, de Zoon van God, die weet dat Hij Heer is, die weet dat de Vader Hem alles in handen heeft ge geven en dat Hij van God is uitgegaan, zingt met zijn discipelen de lofzang voor Hij weer uit de wereld weggaat en tot de Vader terugkeert Johannes 13 vers 3 (Joh. 13:03). Vóór Zijn lijden en sterven als het Lam Gods, vóór de over­ste dezer wereld (de dui­vel) buiten geworpen wordt Johannes 12 vers 31 (Joh. 12:31), zingt Jezus met de Zijnen, die de Vader Hem uit de we­reld gegeven heeft Johannes 17 vers 6 (Joh. 17:06), het lied van de overwinning. De woorden van dit lied zullen nog naklinken in Zijn hart en zullen Hem vergezellen bij Zijn lijden, sterven en opstanding.

We staan hier met de Heer op de grens van een gebeuren dat de hele kosmos zal omvatten, Kolossenzen 1 vers 20 (Kol. 01:20) en wat alles zal veranderen van nu aan tot in eeuwigheid, zoals we al zagen in Psalm 113 vers 2 (Ps. 113:002) en Psalm 115 vers 18 (Ps. 115:018).

Dit is de dag die de Here gemaakt heeft

De slotverzen van het Hallel beginnen met de woorden: “Dit is de dag, die de Here gemaakt heeft, laten wij juichen en ons daarover verheu­gen”, Psalm 118 vers 24 (Ps. 118:024).

Wie kent deze woorden niet die in een koortje in onze samenkomsten gezongen worden? En terecht zien we iedere dag als een geschenk van de Heer. Maar als we weten dat dit de enige plaats is in de Bijbel waar deze woorden staan opgetekend en dat de Heer die zingt vóór Hij vertrekt naar Gethsémané, waar Hij in de greep komt van de doodsangsten, zoals Psalm 116 vers 3 (Ps. 116:003) zegt: “Banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het dodenrijk hadden mij aangegrepen, ik onder­vond benauwdheid en smart”, dan hebben zulke woorden een meerwaarde.

Dan spreekt daaruit een goddelijke macht en majes­teit . Een proclamatie van de overwinning en de on­dergang van de vijand, waarvan in Psalm 118 in de voltooid verleden tijd gesproken wordt met de woorden: “Alle volken omringden mij – in de naam des Heren heb ik ze neer­ gehouwen ; zij omringden mij, ja, zij omsingelden mij – in de naam des He­ren heb ik ze neer gehou­wen; zij omringden mij als bijen, zij werden als een doornen vuur uit ge­blust – in de naam des Heren heb ik ze neer ge­houwen” Psalm 118 vers 10 tot en met 12 (Ps. 118:010-012). Met deze zekerheid treedt de Heer de vijand tege­moet. Tot driemaal toe zegt Hij: “Ik heb ze neer­ gehouwen”.

In het bijzijn van al Zijn volk

Vele duizenden mensen waren ten tijde van het Paasfeest in Jeruzalem en zij zijn getuigen geweest van wat zich daar met de Heer afspeelde, Lucas 2 vers 41 en Lucas 24 vers 18 (Luc. 02:41; Luc. 24:18). De heidenen, de Romeinen, hebben in de zichtbare wereld alles voltrokken wat geschre­ven stond, dat geschieden zou. Psalm 22 vers 17 en 19 (Ps. 022:17-19) zegt: “Want honden, beeld van de heidenen, Markus 7 vers 24 tot en met 30 (Mark. 07:24-30), hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij om­singeld, die mijn handen en voeten doorboren. Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad”, zie ook Handelingen 2 vers 23 (Hand. 02:23).

Dit was zichtbaar voor al het volk dat naar Jeruza­lem opgetrokken was om het Paasfeest te vieren, waardoor het woord ver­vuld werd: “Mijn geloften zal ik de Here betalen, in de tegenwoordigheid van al zijn volk”, Psalm 116 vers 14 tot en met 18 (Ps. 116:014-018). Al het volk is getuige geweest hoe het Lam Gods geslacht is en voor de Israëlieten, die de Schrift kenden, had duidelijk moeten zijn dat dit de Christus was, de Zoon van de levende God. Ze zijn getuigen geweest van de drie uur durende duisternis en ze hebben gehoord hoe Jezus op de tijd dat het avond­offer (of laatste offer) gebracht werd in de tem­pel (drie uur in de mid­dag) geroepen heeft: “Het is volbracht” Johannes 19 vers 30 (Joh. 019:30). Zij waren echter verblind en hielden Hem voor een misdadiger of wisten er geen raad mee, Lucas 23 vers 48 (Luc. 23:48).

De overwinning, die voor niemand te zien was, lag echter in de onzienlijke wereld. Daar werd de Heer omringd door vele stieren, buffels van Basan omsingelden Hem, zij sperden de muil tegen Hem open als verscheu­rende, brullende leeuwen, Psalm 22 vers 13 en 14 (Ps. 022:013-014). Zo omsin­gelde Hem het hele rijk van satan. Daar heeft de Heer ze neer gehouwen en als een doornenvuur uit­geblust in de naam des Heren.

De dag van de verlossing

Dit is de dag van de ver­lossing, die de Here ge­maakt heeft. Er is alle reden voor ons om te jui­chen en ons ‘daarover’ te verheugen! Als deze dag er niet geweest was, als God, in Zijn oneindige liefde en wijsheid, niet voorzien had in het Lam als de grondslag van de schepping, als de grond­slag van Zijn verbond met de mens, als de grondslag van al Zijn verlossend handelen, dan was er geen reden voor juichen, maar diepe einde­loze duisternis en ellen­de. Dan was er geen le­ven, maar de eeuwige dood. Daarom mag het nieuwe Pascha, het Avondmaal, dat de Heer instelde tot Zijn gedach­tenis, 1 Korinthe 11 vers 23 tot en met 26 (1 Kor. 11:23-26), een feestelijke aangele­genheid zijn in de ge­meente. Wij trekken niet meer op naar het aardse Jeruzalem, maar wij vie­ren het Avondmaal met onze Heer in de gemeen­te, in het Koninkrijk Gods, in het hemelse Je­ruzalem, Markus 14 vers 25 (Mark. 14:25).

Er bestaat altijd gevaar gewend te raken aan bepaalde uitspraken of handelingen die wij bij »’ regelmaat horen of doen in de gemeente. Toch meen ik dat dit gebeuren rond het lijden, sterven en opstanding van onze Heer nooit mag vervagen of vervlakken door ge­wenning omdat het dé basis is van ons hele be­staan. Ook de liefde van God die hierin wordt uit gedrukt, 1 Johannes 4 vers 9 en 10 (1 Joh. 04:09-10) zou dan haar glans ver­liezen .

Wie is waardig het Lam te zijn?

God gaf alles wat Hij be­zat , Zijn eniggeboren Zoon, uit liefde voor de wereld, Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16). Alles behoort aan God toe, want alles is door Hem gescha­pen. Had Hij dan niet iets anders kunnen nemen voor de verlossing?

God zelf stelde de dieren­offers in, maar deze reik­ten niet verder dan de schaduw-bedeling. “Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren of bokken zonden zouden weg­nemen”, lezen wij in He­breeën 10 vers 4 (Heb. 10:04). Het voorhangsel bleef daarom voor het heilige der hei­ligen als een onneembare afscheiding tussen God en de mens.

Abel was een rechtvaar­dige en als de tweede zoon van Adam en Eva nog een zeer gaaf mens. Hij is de eerste recht­vaardige die door de hand van een onrechtvaardige wordt gedood. Zijn bloed kon echter geen verlos­sing bewerken, Hebreeën 12 vers 24 (Heb. 12:24, Petr. Can. vert.).

Mozes, een dienaar en vriend van God, biedt zich aan uit liefde voor God en het volk, Exodus 32 vers 30 tot en met 32 (Ex. 32:30-32), maar ook hij kon niet het Lam Gods zijn.

Van Johannes de Doper zegt Jezus, dat hij de grootste is die ooit uit een vrouw geboren is, Matteüs 11 vers 11 (Matt. 11:11) en de Joden zagen hem aan voor de Christus. Daarom moest Johannes getuigen: “Ik ben de Christus niet”, Johannes 1 vers 20 (Joh. 01:20). Dus ook hij was niet het Lam Gods.

God neemt niets van het geschapene. Niets van het planten- of dierenrijk, niet de meest verheven engel of de meest vol­maakte mens. God schept ook niet iets nieuws, maar Hij neemt dat wat voor de grondlegging der wereld ten grondslag heeft gelegen aan de schepping, de Zoon zijner liefde, Jezus Christus, 1 Petrus 1 vers 19 en 20 (1 Petr. 01:19-20). Dat wat ten diepste van God zelf is en volmaakt één met Hem is, de Zoon Zijner liefde, is het Lam Gods, Johannes 1 vers 9 (Joh. 01:29).

Hij is waardig het Lam te zijn, want: “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle din­gen geschapen, die in de hemelen en op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, het­zij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem ge­schapen; en Hij is voor alles en alle dingen heb­ben hun bestaan in Hem”, zegt Paulus in Kolossenzen 1 vers 16 en 17 (Kol. 01:16-17).

Hij is bovenal het licht en het leven van de mensen, Johannes 1 vers 4 (Joh. 01:04). “Hij is onze levensadem”, zegt Klaag­liederen 4 vers 20 (Klaagl. 04:20).

Als Hij sterft, sterven al­le dingen met Hem die in Hem en door Hem en tot Hem geschapen zijn. Hij is derhalve bij machte en waardig om door het bloed des kruises alle dingen, hetzij wat op de aarde is, hetzij wat in de hemelen is, met God te verzoenen, Kolossenzen 1 vers 20 (Kol. 01:20).

Het voorhangsel is gescheurd

Iedereen die in Hem ge­looft en zich in de waterdoop één maakt met Zijn dood en met Hem begra­ven wordt, is op een vol­maakt wettige wijze gerechtvaardigd. En zoals Hij door de majesteit des Vaders uit de doden is opgewekt, zo ook wij om in nieuwheid des levens te wandelen, Romeinen 6 vers 1 tot en met 5 (Rom. 06:01-05).

Toen Hij stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel, Matteüs 27 vers 51 (Matt. 27:51), wat een beeld is van Zijn vlees, Hebreeën 10 vers 20 (Heb. 10:20), het lichaam waarin Hij onze zonden op het kruis heeft gebracht, 1 Petrus 2 vers 24a (1 Petr. 02:24a). Als wij nu met Hem ge­storven zijn in de doop, zijn wij rechtens vrij van de zonden en is ook ons voorhangsel, ons vlees, gescheurd, want onze ou­de mens is mede gekrui­sigd, opdat aan het li­chaam der zonde zijn kracht zou ontnomen wor­den, Romeinen 6 vers 6 tot en met 8 (Rom. 06:06-08).

In de brief aan de Kolos­senzen verwoordt Paulus het aldus: “In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besne­den door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de do­den heeft opgewekt. Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw over­tredingen en onbesnedenheid naar het vlees, le­vend gemaakt met Hem, toen Hij al onze overtre­dingen kwijtschold” Kolossenzen 2 vers 11 tot en met 13(Kol. 02:11-13).

Ziehier de grenzeloze wijs­heid pp liefde van God die niemand zal rechtvaardi­gen op grond van eigen werken, “maar naar Zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Chris­tus Jezus gegeven is vóór eeuwige tijden, doch die nu geopenbaard is door de verschijning van onze Heiland, Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht heeft door het evangelie”, 2 Timoteüs 1 vers 9 en 10 (2 Tim. 01:09-10).

Wat een reden om met on­ze Heer te zingen: Dit is de dag die de Here gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen’ Halleluja’

 

 

 

Intermezzo door Gerry Velema

Kom maar, er staat een komma…

Dacht je nu werkelijk dat er een punt staat, omdat jij er een punt achter hebt gezet!? Zomaar een dikke punt!

Een punt achter je relatie.

Een punt achter jaren lange vriendschap.

Een punt achter het gaan naar de kerk of samenkomst.

Of een punt achter je geloof in God of zelfs een punt achter je leven.

Vastgelopen situaties: uit… kapot… stuk… punt.

Als we het in onze gemeente niet meer zien zitten, gaan we eruit. Als ons huwelijksleven niet meer beantwoordt aan onze idealen, stellen we niet onze verwachtingen bij, maar we gaan uit elkaar. Als vrienden ons teleurstellen, ontlopen we ze liever, dan eerlijk bekennen dat je pijn hebt.

Punten zetten. Maar wie zijn wij eigenlijk dat we zomaar punten zetten? Eens wordt er een punt achter ons leven gezet. De enige en eeuwige punt van ons bestaan.

Maar tijdens ons leven wil God telkens onze punten in komma’s veranderen. Het leven is nog niet voorbij… Nog is er kans op verandering, op herstel.

Geloof je niet meer? Is alles je te moeilijk om nog gewoon te aanvaarden wat de Bijbel je zegt. Ben je misschien ‘dood’ gegooid met Bijbelse begrippen? God, de levende en genadevolle God, kent je. Beter dan wie ook. Hij weet wel hoe je als kind gewoon voor je bed knielde, je handjes gevouwen. Hij weet ook wat je dwars zit. Hij zal je blijven zoeken in liefde en begrip. Je mag leven omdat Hij nog geen punt zet, maar genadetijd geeft.

Heb je een punt gezet achter je huwelijk? ’t Was toch niets. God verandert jouw punt in een komma. Hij heeft nog een heel verhaal achter jouw verhaal liggen. Een beter verhaal met een beter slot! Wil je dat verhaal leren kennen dan moet je het gaan lezen. Samen met God die Heer in relaties wil zijn. Een God die voor jou een komma plaatst, waar jij zo’n trieste punt hebt gezet. Hij spreekt over herstel van alle dingen.

Misschien staat er een grote punt bij het beeld over jezelf: “Zo ben ik nu! Zo lelijk, zo onaantrekkelijk, zo niets-niets!” De mensen om je heen zeggen dat je jezelf moet nemen zoals je bent. Je kunt er zo moeilijk vrede mee vinden. En nemen mensen je werkelijk zoals je bent?

God plaatst een komma, waar jij een punt zet. Hij wil je in Zijn liefdevolle handen nemen, als klei in de hand van de pottenbakker. Oh, je mag en kunt veranderen, zoals klei in de hand van de pottenbakker. Hij maakt mooi en heel! Hij zegt als het ware tegen ons: “Kom maar! Wees maar niet bang. Ik weet wel dat jij het niet meer ziet zitten. Maar jij ziet ook niet wat ik we! zie. Vanuit mijn kracht en mijn Koninkrijk zie Ik mogelijkheden die je niet eens kunt zien. Kom maar… laat Mij je ogen genezen, je oren openen voor waarheid. Kom maar tevoorschijn, wees maar niet bang. Kijk dan, er staat een komma,”

 

Omgaan met blijdschap door Margreet Gast

 

Een goddelijke eigenschap

In Johannes 16 vers 22b (Joh. 16:22b) lezen wij: “…en niemand ontneemt u uw blijdschap”. Jezus zegt dit tegen zijn discipelen. Blijdschap die niet geroofd kan worden, is dus voor iedere disci­pel van Jezus weggelegd! Maar, helaas, ook voor kinderen Gods is het in de praktijk van alledag wel eens anders. Want: zijn we altijd blij? En wat voor blijdschap ervaren we dan? Blijdschap uit gevoel? En, welke reden is er voor onze blijd­schap? Om op deze vra­gen antwoord te krijgen is het goed de Bijbel te laten spreken.

Blijdschap (vreugde) is een goddelijke eigen­schap. God de Vader ver­blijdt zich vol vreugde, staat er in Sefanja 3 vers 17 (Sef. 03:17). En zijn grote vreug­de betreft Zijn kinderen, u en ik! Dit mogen we heel persoonlijk maken. Er is vreugde in de he­mel over u, over mij. Was er al niet een groot feest toen u en ik tot be­kering kwamen? Lucas 15 vers 10 (Luc. 15:10). En die vreugde om ons gaat door. We hoeven er niets voor te doen om God blij te maken. De reden van Gods vreugde zijn wijzelf, zoals we zijn. De hemelse Vader acht ons hoog, we zijn kost­baar in Zijn ogen, Jesaja 43 vers 4 (Jes. 43:04). God is onverander­lijk, onvoorwaardelijk verheugd over u en mij. Een troostende, genezende, blij makende gedachte is dat!

Een vrucht van de Geest

In Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22) wor­den de vruchten van de Geest, waaronder blijd­schap, genoemd. En als we die eens doorlezen, valt op dat ze alle te ma­ken hebben met het hele wezen van de mens, dus ook met zijn gevoelsleven. Het werk van de Heilige Geest betreft beslist niet alleen het denken van de mens. De teksten, die spreken over ‘verande­ring van denken’ Efeze 4 vers 23 en Kolossenzen 3 vers 33 en Romeinen 12 vers 2 (Ef. 04:23; Kol. 03:33; Rom. 12:02) staan alle in een context waarin het gaat over een nieuwe levenswandel. Het hele zijn van de mens, dus ook het ziele- (gevoels) leven, wordt ver­nieuwd door de Heilige Geest.

Zo is blijdschap een vrucht die groeit in een kind van God, doordat de geest van de mens en de Geest van God een eenheid worden. Deze goddelijke vreugde door­drenkt geest en ziel, en zal in het doen en laten van de mens openbaar worden. Door het geloof is deze blijdschap ons deel.

Reden tot blijdschap

Jezus heeft verschillende malen over blijdschap ge­sproken. Hij vertelde ook waarom Zijn volgelingen zich mogen verheugen. Want blijdschap heeft een reden. Als we voor ons­zelf zouden bedenken wat ons blij maakt, komen we wellicht op dingen als: het bij elkaar zijn als ge­meente, een genezing, het herstel in onszelf, ons gezin. En niet be­paald reden tot vreugde geven: strijd in je leven, terecht gewezen worden, een bekering die uitblijft..

Waarover mogen de volge­lingen van Jezus zich ver­heugen? De Heer doet daar zelf uitspraken over, bijvoorbeeld in Lukas 10 vers 17 tot 20 (Luc. 10:17-20). Daar lezen we dat de discipelen te­rugkomen bij Jezus, nadat ze waren uit gestuurd om het evangelie van het Ko­ninkrijk der hemelen te verkondigen met woord en daad. Enthousiast vertel­len ze dat de boze geesten zich aan hen onder­wierpen op gezag van de naam van Jezus! En de Heer beaamt volkomen dat zij in Zijn naam gehandeld hebben. Maar hij bena­drukt ook dat de reden voor hun blijdschap niet in eerste instantie moet liggen in de (zichtbare) wonderen die gebeuren v maar in het (onzichtbare) feit dat hun namen staan opgetekend in de hemel.

Ook in Matteüs 5 vers 12 (Matt. 05:12) zegt Jezus, aan het eind van de zaligsprekin­gen : “Verblijdt u en ver- heugt u…!” En als reden voor onze vreugde geeft Hij: “…want uw loon is groot in de hemelen”. Dit loon ontvangen kinderen Gods vanwege hun trouw en verbondenheid aan Hem. Het vasthoudend, volhoudend, radicaal vol­gen van Jezus zal zijn loon hebben bij God. Maar voor het volgen van Jezus moet vaak ook een prijs worden betaald. Daarvan spreekt de Mees­ter ook: “Men zal u sma­den, vervolgen en liegen­de allerlei kwaad tegen u spreken…” Kijken we naar de omstandigheden (de smaad, vervolging, ‘leugens) dan is er weinig reden tot vreugde. Maar zien we in de onzienlijke wereld, dan is er alle reden tót vreugde: loon in de hemel, genade van God, vanwege de trouw aan Jezus.

Het fundament van onze blijdschap ligt in de he­mel. De oorsprong van onze blijdschap even­eens. Het onzienlijke feit dat onze zonden zijn vergeven, door het ge­loof in het offer van Je­zus , het onzienlijke feit dat we kinderen van de Allerhoogste worden ge­noemd, eeuwig Hem toe­behoren, dat is onze vreugde’ Want: “Hem hebben we lief, zonder Hem gezien te hebben, in Hem geloven we, zon­der Hem thans te zien, en we verheugen ons met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde!” (1 Petr. 01:08).

 

“Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!” (Paulus in Filippenzen 4 vers 4 (Filip. 04:04); één van de vele teksten uit de Bijbel waarin gesproken wordt over blijdschap ).

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (10)

Hoe gaat God de volkeren genezen?

In hoofdstuk 42 gaat Jesaja zijn gedachtegang vervolgen over de terugkeer van de volkeren. De volkeren moeten onder de vrede van God komen. Zij verlangen naar vrede, maar toch lukt het niet om de vrede tot stand te brengen. De wereldbeheersers zetten de volken tegen elkaar op. Zij trekken in de onzienlijke wereld aan de touwtjes en manipuleren als het ware de volken, zodat deze geen baas meer over zichzelf zijn. De volken kunnen de onzienlijke wereld niet in de hand houden. Hierin zien we een stuk ‘zuchtende schepping’.

Jesaja 42 (de eerste profetie aangaande de knecht des Heren) begint met de woorden: “Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren”, Jesaja 42 vers 1 (Jes. 42:01). Met de knecht des Heren wordt Jezus bedoeld. Hij is de Christus, die het Koningschap ontvangt. Hij zal de volken het recht, dat eeuwenlang verhuld – verborgen – was, openbaren. De lijn van de knecht des Heren kunnen wij doortrekken naar de gemeente: Jezus en de Zijnen.

In Jesaja 42 vers 3 (Jes. 42:03)lezen wij dat Hij het geknakte riet niet zal verbreken en de kwijnende vlaspit niet zal uitdoven. Meestal wordt dit beeld toegepast op individuele mensen, maar wij mogen hierbij ook denken aan geknakte en kwijnende volkeren. De knecht des Heren zal de volkeren niet verbreken en uitdoven, maar tot wederoprichting brengen, want we lezen verder in vers 3 en 4 (Jes. 42:03-04) dat Hij naar waarheid het recht zal openbaren: “Hij (zelf) zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot Hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten”. De knecht des Heren zal op aarde het recht van God herstellen.

Vooral Jesaja spreekt over ‘kustlanden’. Het wordt vaak gebruikt als aanduiding van de niet bereikte gebieden, van hetgeen nooit aan bod kwam. De oude vertaling spreekt over eilanden. Het zijn de grensgebieden tussen aarde en zee, tussen het natuurlijke en het religieuze leven. ‘Kustlanden’ zijn zij, die altijd werden beïnvloed vanuit de religieuze, occulte wereld. Het zijn de grensgebieden, waar het licht van God niet aan toe kwam, gebieden die altijd buiten de belofte schenen te vallen. God zegt: ‘De kustlanden wachten op het wetsonderricht van de Knecht des Heren’.

In Jesaja 42 vers 6 (Jes. 42:06) zien wij op prachtige wijze de twee lijnen: “Ik de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat en u gesteld tot (1) een verbond voor het volk, (2) tot een licht der natiën”. In de lofzang van Simeon zien we in feite dezelfde twee grondprincipes aangegeven. In Lucas 2 vers 32 (Luc. 02:32) wordt namelijk gesproken over (1) “licht tot openbaring voor de heidenen en (2) heerlijkheid voor uw volk Israël. (We komen hier aan het eind van dit artikel nog op terug). In Jesaja 42 vers 7 (Jes. 42:07) lezen we verder wat Gods uiteindelijke doel is met de vele volken die in duisternis gezeten zijn: blinde ogen zullen geopend worden, gevangenen zullen uit de kerker geleid worden en allen die in duisternis gezeten zijn.

Het contrast tussen God en de goden

Als we dit hoofdstuk verder bekijken, komen we op een bijzonder punt, wat telkens in Jesaja meespeelt, namelijk het contrast dat er bestaat tussen God en de góden. De góden zijn de wereldbeheersers. Ze zijn vaak plaatsgebonden. Als je buiten een bepaald gebied treedt, kom je op het terrein van een andere godheid. Elke godheid had zijn eigen territorium. Ook de Baäls hadden hun eigen plaatsaanduidingen. Zo lezen wij bijvoorbeeld in 1 Samuël 26 vers 19 (1 Sam. 26:19), dat David tegen Saul zegt: “U drijft mij het land uit en zegt: Ga heen en dien andere góden”. Als David het land uit moet, heeft dit als logische consequentie dat hij bij andere góden terechtkomt. De algemeen gangbare gedachte was dat je in zo’n geval onder de invloedssfeer van die góden terechtkwam. Vandaar dat ballingschap zo erg was. Het betekende dat je voor de haaien, de afgoden gegooid werd.

In Jesaja 42 vers 8 (Jes. 42:08) lezen wij: “Ik ben de Here, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan gesneden beelden (de afgoden)”. Dit is niet zomaar een aankondiging, maar het is de ‘exodusnaam’ van God. Het betekent niet dat God zich even wil voorstellen, maar God proclameert wie Hij in wezen is: ‘Ik ben de Here’, JHWH. Deze naam is met de uittocht verbonden. Het is de naam die God aan Mozes bekendmaakte. God gaat hier Zichzelf presenteren als de God van de uitleiding. God zegt als het ware: ‘Dit is mijn naam, mijn identiteit. Zó ben Ik kenbaar. Ik ben de uitleider van het volk en de volkeren en Ik geef mijn eer aan niemand anders’.

Verder lezen wij in vers 10: “Zingt de Here een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en haar bewoners”. In wat wij het ‘oude testament’ plegen te noemen, wordt zeven keer gesproken over een nieuw lied. In Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09) en 14 vers 3 (Openb. 14:03) wordt hebben aangenomen als Verlosser. Ten tweede als we belijden één te willen zijn met Hem. Ten derde als we weten dat de Heilige Geest in ons is, want die verheerlijkt Jezus in ons leven, zegt Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14). Tenslotte: als we weten dat onze (geestelijke) plaats met Christus is in de hemelse gewesten om vandaaruit te strijden en te overwinnen.

Dan zijn we – zonder dat we ons dat misschien bewust zijn – op positieve en creatieve wijze met onszelf bezig en ontwikkelen een gezonde dosis zelfvertrouwen. Dan weten we – omdat we naar Gods beeld geschapen zijn – dat God niets liever wil dan dat dat beeld van Hem in ons weer zichtbaar wordt. We zijn immers uniek en kostbaar in Zijn ogen? We zijn Gods oogappel, geschapen om goede werken te doen, Efeze 2 vers 10 (Ef. 02:10), geschapen om voor de gerechtigheid te leven, 1 Petrus 2 vers 4 (1 Petr. 02:24).

Zelfvertrouwen en Godsvertrouwen gaan samen

Gaan we dit ontdekken, dan krijgen we vertrouwen in onszelf, omdat wij op God vertrouwen en Hij daardoor ons vertrouwen kan! Onzekerheid en twijfel moeten plaatsmaken voor zekerheid en stabiliteit. Zelfvertrouwen plaatst ons niet op een voetstuk, maar maakt dat Christus de centrale plaats in ons leven heeft ingenomen. Het doet ons – temidden van welke omstandig­heden ook – toch met een op gericht hoofd en rechte schouders door het leven gaan. Oral Roberts heeft eens gezegd dat christenen feitelijk de enigste mensen zijn die daartoe gerechtigd zijn. In de wereld zie je ook wel dat succesvolle mensen, geslaagd in het leven, dit laten blijken. Maar de Bijbel zegt: “Wat baat het de mens dat hij de gehele wereld zou verwerven en hij zou schade lijden aan zijn ziel”, Matteüs 16 vers 26 (Matt. 16:26). Dan is er zelfvertrouwen zonder Godsvertrouwen en daarin heeft alleen satan de hand.

Het zelfvertrouwen, zoals God dat bedoelt, is Godsvertrouwen. Zelfvertrouwen is daarom ook ondenkbaar zonder Godsvertrouwen. Daarom is het ook niet Godsvertrouwen óf zelfvertrouwen, maar Godsvertrouwen èn zelfvertrouwen, baten we dit principe goed vasthouden, want het is de basis, het fundament, om het nieuwe leven in Christus werkelijk te kunnen beleven naar de wil van God.

Vertrouwen; Wat is dat eigenlijk?

Als we het hebben over Godsvertrouwen en zelfvertrouwen is het goed om ook aan het woord ‘vertrouwen’ zelf aandacht te schenken. In de Bijbel, en ook in ons taalgebruik, heeft het vaak dezelfde betekenis als het woord ‘geloof’. En geloof is, zoals Hebreeën 11 vers 1 (Heb. 11:01) zegt, ‘de zekerheid van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die we niet zien’. Geloof hebben we dagelijks nodig, want we zijn geroepen om door geloof te leven. Dat kun je natuurlijk ook zeggen ten aanzien van vertrouwen, maar dat is toch net iets anders. Ik zou het zo willen formuleren: vertrouwen is geloof met een diepere dimensie. Vertrouwen duidt aan dat er een hechte, innige relatie bestaat. Wie God vertrouwt, heeft niet zomaar een beetje geloof in God, maar leeft in gemeenschap met Hem. Dan zien wij ook dat God óns vertrouwt en dat we daardoor een zelfvertrouwen tot ontwikkeling brengen, waardoor anderen jaloers op ons worden. Zij voelen zich tot ons aan getrokken.

Onzekerheid, angst en twijfel zijn dan verdwenen. Daar is geen plaats meer voor. Soms worden we er nog wel door aangevallen, maar het beheerst ons leven niet meer. Zoals bij Paulus bijvoorbeeld. Aan Timotheüs schrijft hij over het lijden dat hij moet ondergaan. Hij schaamt zich er niet voor, omdat hij weet, op wie hij zijn vertrouwen heeft gevestigd (Godsvertrouwen). Hij is ervan overtuigd (zelfvertrouwen) dat God bij machte is, wat God hem heeft toevertrouwd, te bewaren tot de grote dag van Zijn verschijning 2 Timoteüs 1 vers 12 (2 Tim. 01:12). Hier zijn als het ware Godsvertrouwen en zelfvertrouwen tot één verweven.

De vernietiging van de (doods)sluiers

We gaan nu naar Jesaja 25. Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk gaat over de geweldenaars, de tirannen. Hier zie je weer de wereldbeheersers. Het gaat over de stad van de tegenstander. In Jesaja 25 vers 5 (Jes. 25:05) lezen wij dat gezang der geweldenaars wordt gedempt, zoals hitte door de schaduw van een wolk. Dit is het oude lied, het lied van de wereldbeheersers. Je ziet vaak dat volken door bepaalde vormen van zang en muziek worden opgezweept, zodat mensen niet meer weten wat ze doen. In Jesaja 25 vers 6 (Jes. 25:06) lezen wij: “En de Here der heerscharen zal op deze berg voor alle volken een feestmaal aanrichten van vette spijzen, van belegen wijnen: van mergrijke, vette spijzen, van gezuiverde, belegen wijnen”. Hier wordt dus gesproken over een aangerichte maaltijd voor alle volken op de berg Sion, de berg des Heren. Alle volken mogen komen en ontvangen het goede voedsel. De volken worden nu in waarheid gevoed en gelaafd. ‘Wijn’ is in dit verband vaak beeld van het evangelie.

Op deze berg zal God ook de sluier vernietigen, lezen wij in Jesaja 25 vers 7, (Jes. 25:07) “die alle natiën sluiert, en de bedekking waarmee alle volken bedekt zijn”. Alle volken zitten onder een sluier. Het is geen wonder dat ze niets kunnen zien en het is ook geen wonder dat de volken met elkaar in botsing komen. Het woord ‘sluier’ heeft de betekenis van zweetdoek, die over het gelaat van een dode gelegd wordt. Toen Jezus was gestorven werd ook een zweetdoek over zijn gelaat gelegd. Later vonden de mensen de windsels in het graf. De zweetdoek lag opgevouwen op een aparte plaats. Jezus heeft de zweetdoek speciaal van zijn gelaat afgelegd. Als Lazarus gestorven is en weer uit het graf komt, is hij helemaal in doeken gewikkeld. Jezus zegt: ‘Maak hem los en laat hem gaan’. Lazarus is wel tot leven gekomen, maar zit nog helemaal ingepakt. Hij kan niets zien en zich niet bewegen.

In Jesaja 25 zien we hetzelfde beeld. De volkeren zijn als doden en hebben de zweetdoek op het gelaat. Ze zitten in het graf, het dodenrijk. Ze worden belemmerd in hun uitzicht en hun ontwikkeling. Het Klimaat van de dood ligt over de volkeren. Maar dan lezen wij in vers 7: “En Hij zal op deze berg de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, Jesaja 25 vers 7 (Jes. 25:07) (dit is de dood waarin de volken gedompeld zijn), en de bedekking waarmede alle volken bedekt zijn”. Een andere vertaling spreekt van ‘het weefsel’. De volkeren zijn omweven door een weefsel en ingesponnen door een web. Ze kunnen niet uit de voeten.

Dan volgt er meteen achteraan: “Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here Here zal de tranen van alle aangezichten afwissen…”, Jesaja 25 vers 8 ( Jes. 25:08). De sluier heeft met de dood te maken’ Tranen zijn de uiting van de verwonding, die er is; het verdriet en het leed dat de volkeren vanuit de wereldbeheersers is aangedaan. De volkeren hebben niet voor het heidendom gekozen, maar zitten hierin van geslacht op geslacht. Jesaja spreekt over ‘overoude puinhopen’. De volken zijn erin gedompeld. Ze zijn door de god dezer eeuw met blindheid geslagen, 2 Korinthe 4 vers 4 (2 Kor. 04:04).

De profetische lofzang van Simeon

Simeon heeft profetisch gezongen. Hij heeft het hartsgeheim van God aanschouwd, want wij lezen in Lukas 2 vers 29 tot en met 31 (Luc. 02:29-31) dat hij zegt: “Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken”. Simeon spreekt in woorden vanuit de profeten. Het woord ‘vrede’ (shalom) is een puur Hebreeuws woord. Ook het woord ‘heil’ is Hebreeuws en hangt eigenlijk samen met de naam Jezus. Je zou haast kunnen zeggen: ‘Mijn ogen hebben uw Jezus gezien’.

‘Gij hebt het heil bereid voor alle volken!’ Simeon kijkt verder en zegt: ‘God, U hebt het heil voor alle volken bedoeld!’ Hij geeft de twee lijnen aan. Ten eerste het licht tot openbaring voor de heidenen en ten tweede de heerlijkheid voor uw volk Israël. Als je het helemaal letterlijk vertaalt, staat er iets wat eigenlijk nóg dieper reikt: 1. Licht tot openbaring van de heidenen en 2. Heerlijkheid van uw volk Israël.

Als heidenen openbaar gaan worden, zijn het geen heidenen meer. Je kunt ook vertalen: de onthulling (Apocalyps) van de heidenen. Als je een heiden onthult, haal je de verpakking eraf en je houdt een mens over. Samengevat kunnen wij zeggen: een heiden is een mens, die onder de afgoden zit. God haalt de afgoden eraf en de mens komt tevoorschijn. Zo gaat het heil van God geschieden voor het aangezicht van alle volken.

 

Als de opgaande zon (gedicht) door Piet Snaphaan)

“Maar allen die Hem liefhebben, zijn als de opgaande zon in haar kracht”, Richteren 5 vers 31b  (Richt. 05:31b).

Een prachtig beeld is hier beschreven:

al wie God liefheeft, Hem verwacht,

zijn als de zon, stralend in kracht.

Zo is ons een Geest van kracht gegeven

om te overwinnen in dit leven.

 

God liefhebben is Hem vertrouwen,

vandaar we ook dankbaar zeggen nu:

Heer, al mijn bronnen zijn in U.

Uw Geest wil ons met kracht bedauwen,

waardoor we ook geestelijk leren bouwen.

 

Zo gaan we al strijdend, voet voor voet,

door het geloof dat nooit beschaamt,

doch krachtig voor Gods werk bekwaamt,

vervuld met kracht, vol goede moed

de toekomst juichend tegemoet.

 

1989.06 nr. 304

Levend geloof 1989.06 nr. 304

Waarom wij zien op Jezus door Gert Jan Doornink

“Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de Leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt” Hebreeën 12 vers 1 en 2 (Heb. 12:01-03).

De schrijver van de brief aan de Hebreeën doet hier een indringende oproep om te allen tijde ons oog gericht te houden op Jezus, de Zoon van God. Hoe moeten we ons dat voorstellen, terwijl Jezus niet meer lichamelijk in deze wereld aanwezig is? Het is duidelijk dat hier het geestelijk zien wordt bedoeld. Dit ‘geestelijk zien’ is niet iets abstracts, iets wat onwerkelijk is, iets wat ons niet meer nuchter in het dagelijks leven doet staan. Integendeel. Als wij tot geloof in Christus zijn gekomen, zijn wij nieuwe scheppingen, kinderen Gods, die weten – zoals Paulus dat ook zegt – dat de werkelijkheid van Christus is. Met andere woorden: het nieuwe leven is het échte leven, het eeuwige leven, het leven zoals God dat bedoelt. En als het goed is doen we er alles aan dat dit nieuwe leven geopenbaard wordt. De adviezen hiervoor krijgen we vanuit Gods Woord en door de Heilige Geest aangereikt ’én als wij er acht op slaan zal er een groei zijn in ons geestelijk leven, die een positieve uitwerking heeft. Wij willen nu enkele adviezen uit Hebreeën 12 onder ogen zien; waarbij wij ons voordeel kunnen doen.

De wolk van getuigen rondom ons

In de eerste plaats dienen wij te beseffen dat wij niet alleen in de wereld zijn. Hebreeën 12 is een vervolg op Hebreeën 11, waar boven staat ‘geloofsgetuigen’. Het waren de gelovigen ten tijde van het Oude Verbond die er alles voor over hadden God te dienen, maar ‘het beloofde nog niet hebben verkregen, omdat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen’ Hebreeën 11 vers 39 en 40 (Heb. 11:39-40). Dus zij hebben pech gehad…, zou je kunnen zeggen. Maar dat is natuurlijk niet zo, alleen zij leefden in een andere tijd. De volmaakte Zoon van God was nog niet gekomen, zij konden dus Hem ook niet als voorbeeld nemen. Maar zij zijn zeker niet minder dan ons. Hebreeën 12 vers 23 (Heb. 12:23) spreekt over ‘de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben’. Terwijl zij dus niet meer op aarde waren, zoals wij thans nog in een lichaam van vlees en bloed, ging hun geestelijke ontwikkeling gewoon door. En zij staan nu – ondanks het feit dat zij voor Christus geleefd hebben – in dezelfde hoedanigheid voor God als wij. Ook dit is weer een bewijs dat er geen zogenaamde zieleslaap is, zoals hier en daar geleerd wordt.

De Bijbel spreekt over een grote wolk van getuigen. Een wolk is een verzameling waterdruppels en in de Bijbel vaak een beeld van volken, van mensen. Er is sprake van een verzameling mensen, een grote schare. Ook in Openbaring 7 vers 9 (Openb. 07:09) lezen wij over een grote wolk van getuigen. Daar wordt gesproken over een grote schare, die niemand teilen kan, uit alle volk en stammen, natiën en talen. Zij staan voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun handen.

Het afleggen van de last en de zonde

In de tweede plaats spreekt Hebreeën 12 vers 1 (Heb. 12:01) over ‘het afleggen van alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat’. Dit doet wat merkwaardig aan, omdat het in één zin met die wolk van getuigen genoemd wordt. Maar de schrijver wil ons doen realiseren dat wij thans óók nog te maken hebben met de duivel, door Jezus genoemd ‘de mensenmoordenaar vanaf het begin’. Want de zonde vindt zijn oorsprong in de duivel en de zorgen en lasten worden gevormd door alles wat ons dagelijks op negatieve wijze omringt of probeert te infiltreren.

Wat doen wij nu met deze zonde, met deze last. Die leggen we af, die schudden we vanaf ons af, zoals een hond de waterdruppels van zich afschudt, als hij uit het water komt. We willen er niets meer mee te maken hebben, ze horen niet meer bij ons. In Christus zijn wij immers nieuwe scheppingen. Paulus zegt: “Hoe zullen wij, die der zonden gestorven zijn, daarin nog leven?” Romeinen 6 vers 2 (Rom. 06:02).

Met volharding de wedloop lopen

De derde richtlijn die we krijgen aangereikt is de oproep om ‘met volharding de wedloop te lopen, die voor ons ligt’. Enkele dingen vallen hierbij op. In de eerste plaats wordt het woord ‘volharding’ gebruikt. Het betekent, zoals het woord reeds zegt, volharden, volhouden, niet opgeven. Een oproep die we in de Bijbel vele malen tegenkomen. In Matteüs 24 sprak Jezus reeds over het feit dat we volharden moeten tot het einde opdat wij het einddoel zullen bereiken. We mogen niet halverwege de ‘wedloop’ afhaken. Zoals Paulus bijvoorbeeld van één van zijn medewerkers getuigde: ‘Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten’.

We zijn bezig met een ‘wedloop’. Dat is het tweede wat opvalt. Een wedloop maak je niet alleen. Je doet het samen met anderen. Je probeert te winnen… Je zet je er volledig voor in, je hebt er alles voor over. Wat ook opvalt in deze richtlijn is het feit dat er gesproken wordt over de wedloop die voor ons ligt. Zijn deze laatste woorden niet overbodig? Zeer zeker niet, want om de wedloop te lopen heb je volharding nodig, hebben we zoeven gezien. Zien we op de omstandigheden, op de tegenstander, op de fouten die we in het verleden gemaakt hebben, dan zouden we geneigd zijn het op te geven. Het doet ons denken aan de woorden van Jezus dat dat niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet hetgeen achter hem ligt, geschikt is voor Gods.

Alleen zien op de leidsman van ons geloof

Dan komen we aan het vierde belangrijke punt. Je zou dit het centrale thema kunnen noemen, de spil waar alles om draait: Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus de leidsman en voleinder van ons geloof”. Je kunt je bewust zijn dat er een grote wolk van getuigen rondom je is, je weet dat je alle last en zonde behoort af te leggen en met volharding de wedloop moet lopen die voor je ligt, maar als je niet als het grote doel het gericht zijn op Je zus voor ogen houdt, dan is de mogelijkheid aanwezig dat we het einddoel niet bereiken.

Niet voor niets staat erbij dat Hij de leidsman en voleinder van ons geloof is. Het gaat om Hem. We zijn geroepen Hem te volgen en zijn beeld tot openbaring te brengen. Zonder Jezus gaat het niet. Eens toen wij tot geloof kwamen, was Hij  de weg tot God. Niemand komt tot de Vader dan door Mij Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Maar ook na onze wedergeboorte behoort Hij de centrale plaats in ons leven in te nemen.

Als we nu verder lezen in Hebreeën 12, bemerken we dat de verzen 3 en 4 (Heb. 12:03-04) een herhaling zijn van de verzen een en twee uit Hebreeën 12 vers 1 en 2 (Heb. 12:01-02). Nogmaals worden wij opgeroepen onze aandacht op hem te vestigen. En te worstelen tegen de zonde. De schrijver van de Hebreeënbrief spreekt verder over tuchtiging en haalt daarbij enkele teksten uit het oude testament aan. Deze tuchtiging wordt gevormd door de onderwijzing en vermaningen die uit de Bijbel tot ons komen en die we uiteraard ter harte behoren te nemen.

Het is duidelijk dat God nooit met de duivel onder één hoedje speelt. Als we het zwaar hebben In de geestelijke strijd, is dat geen bestraffing van God, al zouden we dat kunnen denken, Maar het is wat ons sterk maakt. God behandelt ons als zonen, zegt vers. 7. Hij is niet bang. Dat we In de geestelijke strijd terechtkomen en onderuitgaan. We gaan het leren, we oefenen. Erin, net zolang dat we zo sterk en krachtig zijn dat we de allen tijden met Jezus overwinnaars zijn punt.

God wil niet dat we bastaarden zijn! Bastaarden gaan de geestelijke strijd uit de weg. Bastaarden zijn niet volhardend en behouden het niet vol in de wedloop. Maar zonen gaan zich gedragen als zonen, overwinnend met Jezus, op wie hun blik voortdurend gericht is. Zij onderwerpen zich, zoals vers 9 zegt aan de vader der geesten en leven! Het echte goddelijke leven gaat zich in en door hen manifesteren. Naar deze zonen ziet de wereld uit. De schepping wacht met reikhalzend verlangen naar het openbaar worden van de zonen Gods Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19) wilt u een van deze zonen zijn?

Waarom onze blik gericht is op Jezus?

Wij willen tenslotte nog een aantal punten noemen waarom het zo belangrijk is dat wij voortdurend op Jezus moeten zien.

  1. Hij is het grote voorbeeld van iemand die volhardde tot het eindpunt. Jezus had een vaststaand. Einddoel, hij nam het kruis op zich, de schande niet achtende, zegt vers 2. Hoe kon hij dat doen? Om de vreugde die voor hem lag! Zegt hetzelfde vers, hij keek niet op de omstandigheden, maar zijn blik was op de vader gericht door wie hij in de wereld gezonden was. En Petrus zegt dat hij ons een voorbeeld heeft nagelaten.
  2. Jezus openbaarde wat de wil van God was. Het goede, welgevallige en volkomene, Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; Want God was met hem. Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) God openbaarde in en door zijn zoon dat Hij enkel goed is en niet wil dat de mens beheerst wordt door de vorst der duisternis. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dat Hij de afstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen.

3.Jezus zorgt ervoor dat we niet door ‘matheid van ziel’ verslappen. Met andere woorden: Hij maakt het mogelijk dat we kunnen volharden. Als Hij in Matthéüs 28 zegt dat Hij met ons is, al de dagen tot aan de voleinding der wereld, brengt Hij dat in praktijk door ons de Heilige Geest te schenken.

Hij is de Leidsman en Voleinder van ons geloof. Zonder Hem zou ons geloof niet kunnen functioneren en zouden wij het einddoel – de volkomenheid – niet bereiken. Maar met Hem, in Hem en door Hem komen wij tot volmaaktheid en gaan wij beantwoorden aan het grote doel wat God met ons leven heeft. Daarom zien wij op Jezus.’

 

Zomeractie 1989 door Gert Jan Doornink

Het “Levend Geloof” zendingswerk

Heeft het werk van “Levend Geloof” met ‘zending’ te maken? Deze vraag kunnen wij met een volmondig ‘ja’ beantwoorden. De veelzijdige en intensieve belichting van het volle evangelie, zoals deze sinds jaar en dag plaatsvindt in “Levend Geloof”, kent namelijk verschillende doelstellingen. Ons blad is niet alleen bedoeld tot stimulering en bevordering van de eigen ‘geloofsgroei’, maar ook om andere christenen deelgenoot te maken van het volle heil in Christus. Daarnaast is “Levend Geloof” ook bij uitstek geschikt om niet-christenen in contact te brengen met de volle boodschap. Geschenkabonnementen zijn in dit opzicht bijzonder geschikt om anderen in aanraking te brengen met de compromisloze maar duidelijke wijze waarop wij het evangelie in “Levend Geloof” proberen te verwoorden.

Uiteraard kan een zendingswerk als dat van “Levend Geloof” niet op gezonde wijze functioneren zonder gebed en financiële steun uit de lezerskring. Het abonnementsgeld dekt niet de werkelijke kosten, hoewel wij zo efficiënt mogelijk trachten te werken en veel zelf doen om daarmee de kosten te drukken. Wij zij daarom bijzonder dankbaar voor die lezers en lezeressen die ons werk regelmatig met een extra bijdrage ondersteunen. Daarnaast doen wij éénmaal per jaar door middel van een speciale actie een extra beroep op onze lezers en lezeressen een financiële bijdrage over te maken. Deze zogenaamde ‘zomeractie’ is deze maand weer van start gegaan. Wij vertrouwen erop dat zoveel mogelijk abonnees meedoen.

In het kader van deze actie willen wij er ook nog even op attenderen dat naast de uitgave van ons blad wij ook verschillende brochures uit geven. In deze boekjes worden verschillende onderwerpen uitvoeriger behandeld. Zij voorzien ook duidelijk in een behoefte.

In de komende maanden worden verschillende brochures herdrukt en komen er nieuwe titels bij. In het septembernummer volgt hierover een uitgebreide mededeling. Maar reeds nu kunt u ook dit gedeelte van ons werk ondersteunen, door deel te nemen aan de ‘zomeractie’, want dit vergt natuurlijk een extra financiële investering.

Uw bijdrage zien wij gaarne tegemoet met vermelding: ‘zomeractie 1989’. (In september ontvangt iedereen die een bijdrage overmaakt een overzicht van de binnengekomen giften).

Met hartelijke groeten en Gods rijke zegen toegewenst,

 

Wat God uit de hemel aanreikt door Evert van de Kamp

“Geen mens kan iets aan­nemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn” (Johannes de Doper in Johannes 3 vers 27 (Joh. 03:27).

Altijd al heb ik dit een bijzonder fijne tekst ge­vonden. Het is een woord dat veiligheid schept. Het nodigt uit om alleen dat aan te nemen wat van God komt. Er komt ech­ter zoveel op je af, zo­wel goed als kwaad.

Wat je echter van de Heer ontvangt, dus mag aannemen, is altijd goed, enkel goed. Dat zijn tal van kostelijke zaken. Ik wil er een paar noemen:

-De vergeving der zon­den (1 Joh. 02:02; 1 Joh. 04:10).

-Het kindschap Gods (Joh. 01:12).

-De doop met de Heilige Geest (Hand. 01:05).

-De gaven van de Heili­ge Geest: tongentaal, profetie, genezingen, etc.

-De bedieningen die de Heer in de gemeente geeft.

Kortom, het is een stroom van allerlei gees­telijke zegeningen uit de hemelse gewesten (Ef. 01:03), bedoeld om ons te brengen tot een echt en eerlijk overwinningsleven. Neem daarom nooit iets anders aan.

Schuilevinkje spelen

Het is jammer dat dit woord van Johannes nog al eens wordt gebruikt om schuilevinkje te spe­len. Hoe vaak wordt bij­voorbeeld de uitspraak gebezigd: ‘Het moet je maar gegeven worden’. En heus niet alleen in de zogenaamde ‘zware hoek’. Je komt het overal tegen waar het mensen maar in hun kraam te pas komt. Soms wordt het wat an­ders gezegd, het komt echter op hetzelfde neer. Johannes 3 vers 27 (Joh. 03:27) wordt misbruikt om er zich ach­ter te verschuilen. De reactie is: ‘Het staat er immers. Je kunt zelf niets aannemen. Als God het niet geeft, dan…’

Zo gesteld is dit een le­ring van boze geesten, die het heerlijke van Gods Woord roven en belache­lijk maken 1 Timoteüs 4 vers 1 (1 Tim. 04:01). Jezus noemt dat het Woord van God beroven van zijn kracht Matteüs 15 vers 6 (Matt. 15:06).

De wil om te gehoorzamen ontbreekt. Het verlangen om zich in te zetten de Heer te leren kennen zo­als Hij is, is er niet. De prijs om Jezus Christus te volgen is te hoog. De duivel speelt daar maar al te graag op in. En dan is er niets gemakke­lijker – ook in het Volle Evangelie – dan de schuld op God te werpen, terwijl de Heer alles gegeven heeft en geeft wat Hij maar geven kan. Wat zou de Heer nog meer kunnen geven?

Geen beslag leggen op

De vertaling van Canisius spreekt in plaats van ‘aannemen’ over ‘beslag leggen op’. Weer anderen vertalen met ‘niemand kan iets verkrijgen of nemen’. Inderdaad, dat kan ook zomaar niet. Tenminste niet zonder hart verandering, ver­nieuwing van denken. de juiste gesteldheid van de innerlijke mens. Je hand zomaar leggen zonder ge­loof op een zaak Gods is een reactie van de na­tuurlijke mens. Dat is het wederrechtelijk nemen van iets. Je hebt er geen recht op, omdat je er geestelijk geen deel aan hebt. Er is niet voldaan aan de regel van geloof in de Heer en overgave aan de Heer. Je klimt in als een dief en een rover, Johannes 10 vers 1 (Joh. 10:01).

Zo probeerde Simon de tovenaar de Geestesdoop, en het vermogen om die gave Gods te kunnen uit delen, voor geld te ver­krijgen Handelingen 8 vers 18 en 19 (Hand. 08:18-19). Op dezelfde wijze – bui­ten de Heer om dus – vergrepen de zonen van Skeva zich, toen zij een boze geest trachtten uit te drijven, Handelingen 19 vers 13 (Hand. 19:13).

Gods geestelijke regel is dat de Heilige Geest alle dingen aanreikt, die de mens in geloof mag aan­vaarden, Johannes 16 vers 12 tot en met 15 (Joh. 16:12-15). Wie dat zoekt, vindt en ontvangt altijd.

Wat bedoelde Johannes toch?

Wat Johannes de Doper werkelijk bedoelde maakt het verhaal in Johannes 3 duidelijk. De discipe­len van Johannes zijn in een fel dispuut gewik­keld met een Judeeër over de reinigende kracht van de doop. Die Judeeër, mogelijk een discipel van Jezus, zal wel hoog opgegeven heb­ben van de doop van Je­zus. Die doop was toch meer dan de doop van Johannes! Ze waren het volstrekt niet met die man eens. Hun meester Johannes was er eerder dan Jezus, dus was hij ook meer dan Jezus. Hun meester had Jezus zelfs gedoopt. Wat nu gebeur­de was’ oneerlijke concurrentie in hun visie. Met lede ogen moesten zij bo­vendien aanzien dat allen die Jezus achterna gin­gen. Ze zijn bitter ja­loers. Van Johannes ver­wachten ze nu op z’n minst een beslist scherpe afkeuring. Maar het pakt heel anders uit.

Johannes is heel zeker van zijn zaak. Ik denk dat hij met een glimlach in zijn hart naar zijn verontwaardigde volgelin­gen heeft gekeken. Hij ziet wat zijn discipelen (nog) niet zien. Er is al zoveel van God gebeurd in zijn leven. Het verhaal van zijn geboorte is hem niet vreemd. Johan­nes kent de profetieën. Zijn bediening heeft hij bewust aanvaard, in ge­loof en uit gewerkt in zijn leven. Hij kan van zich­zelf getuigen: “Ik heb het alles uit Gods hand ontvangen en in geloof heb ik mijn hand erop gelegd” Johannes 1 vers 33 (Joh. 01:33).

Zo kan hij het zeggen: “Niemand kan iets aanne­men, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn”. Wat God aanreikt is be­trouwbaar. Zo heeft hij het ervaren en beleefd.

Daarom kan hij in één zin door deze uitspraak definitief een eind maken aan het twistgesprek van zijn discipelen en hun zorg over zijn persoon­lijke positie.

Voor Johannes is die po­sitie kort en bondig: “Hij moet wassen, ik moet minder worden”. Zo wordt zijn blijdschap vervuld. Er is geen reden tot eni­ge ongerustheid, Johan­nes zegt: “Jullie weten het toch, ik ben de Christus niet, Ik de vriend van de Bruidegom, de ceremoniemeester, mocht de bruid even bij mij houden. De bruid is echter van de Bruidegom. Bij Hem heb ik haar mo­gen brengen’.

Het voorbeeld van de tweede Elia

De tweede Elia is een prachtig voorbeeld voor ons. Wat hem werd aan­gereikt, heeft hij voor­treffelijk uitgewerkt. Hij liet er niets van liggen. Johannes haatte alle mis­plaatste vroomheid. Nauw­keurig zag hij op zichzelf toe of het Woord Gods in zijn leven werd vervuld. Daar wist hij zichzelf ver­antwoordelijk voor.

Ook wij zijn verantwoor­delijk voor wat God geeft. Gods Geest wil veel in ons (be)werken. Gods be­moeienis met ons – altijd ten goede – is groot. Wantrouw God toch nooit! Menigeen van ons mocht één of meer profetieën voor zijn persoonlijk leven van de Heer ontvangen. De Heer verwacht dan dat wij ons daar naar richten. Als je dat niet doet, leidt je geloof schipbreuk 1 Timoteüs 1 vers 18 en 19 (1 Tim. 01:18-19).

Geen mens kan zich, zon­der zichzelf te beschadi­gen, verschuilen; achter geen enkele dooddoener, en ook niet achter een tekst uit de Bijbel.

Een geweldig getuigenis

Tenslotte geeft Johannes – de man die op de rand balanceert van oud en nieuw verbond – een ge­weldig getuigenis van Je­zus. Voor ons een enor­me uitdaging ons leven volkomen met Christus te vullen. Om niet te ver­vallen in starre formules, maar een leven te hebben waarin de levende Heer zelf volop functioneert.

Heel duidelijk vertelt Johannes wie Jezus is: ‘Ik ben van de aarde, dat is: uit aardse ouders gebo­ren. Zo spreek ik’, zegt Johannes. ‘Maar Hij, Je­zus, is van boven, gebo­ren uit de Geest. Wat Hij van boven gezien en ge­hoord heeft, daarvan spreekt Hij. De woorden Gods reikt Hij aan. Hij is boven allen. En wie zijn getuigenis – van ‘God is goed’ – aanvaardt, bevestigt dat God waar­achtig is’.

‘Helaas’, klaagt Johannes, ‘niemand neemt zijn ge­tuigenis aan. En het is zo de moeite waard! Want wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven’, Johannes 3 vers 31 tot en met 36 (Joh. 03:31-36).

Waarvoor wij geroepen zijn

De mens Gods – wedergeboren en vervuld met Gods Geest – is ge­roepen tot een parallel leven met de Heer Jezus. Die mens is ook van bo­ven geboren. God ziet naar die mens uit, wacht erop dat hij gaat leven als een Jezus-mens, als ook een zoon van God.

Jezus zelf getuigde van Johannes: “Ik zeg u, on­der hen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes”.

Van de mens Gods ge­tuigde Jezus: “De klein­ste in het Koninkrijk van God is groter dan Johan­nes” Lucas 7 vers 28 (Luc. 07:28).

Die mens moet tevoor­schijn komen en zich niet (langer) verschuilen. Die mens kan zich niet tevre­den stellen met de ge­dachte: ‘Het moet je maar gegeven worden’. Die mens verheugt zich met Johannes over alles wat hem uit de hemel gegeven is.

Daarmee gaat hij aan het werk. Hij voelt zich door niemand beconcurreerd. Integendeel, het is: “Hij moet wassen, ik minder worden”! Jezus – helemaal in ons – maakt ook onze blijdschap vol­komen .

Here der heren, Koning der koningen, U wil ik eren, U wil ik lofzingen. Rots aller eeuwen, U bent mijn vesting, mijn vaste burcht, bij wie ik schuil.

 

Intermezzo door Gerry Velema

Ikke ben niet stout!

Daar kwam ze alweer met een mandarijn aan wandelen. Uit het fruitkastje gehaald. Een geliefde bezigheid als ik even aan de telefoon ben of met het huishouden in de weer.

Maar het is mijn taak haar te leren dat we niet zomaar mandarijntjes pakken en opeten Ze hoort het eerst te vragen en ik kan dan nog nee zeggen.

Dus: “Floor, breng het mandarijntje maar terug! Dat mag je niet zomaar pakken”. Ze is twee-en-een-half jaar en haar eigen willetje wordt helemaal wakker: “Ikke bandarijn!” “Nee, dat mag niet van mamma, je moet de mandarijn terug leggen in het kastje”. Dat wil ze niet! Dus kom ik met zwaarder geschut: “Floortje, als jij de mandarijn nu niet vlug terug legt, moet mamma jou een klap voor de bibs geven!”

Dat helpt! Onder luid protest gaat de mandarijn terug. En wat beweert die kleine meid in zulke omstandigheden: “Ikke ben niet tout, mamma! Ikke ben tief!”

Ze is lief! Met mandarijn en zonder mandarijn. Ik houd van haar en mijn liefde verandert geen moment als ze ‘stoute’ dingen doet. Mijn liefde verandert niet als onze willetjes tegenover elkaar komen te staan. Mijn liefde verandert zelfs niet als ik haar toch ‘een pak voor de broek’ moet geven!

We willen niet afgewezen worden. Niemand die fouten doet wil een stoute meid of een stoute jongen zijn. Of je nu groot bent of klein.

Wat kunnen stempels in de kinderjaren gedrukt nog lang een vernietigend werk doen. Een stempel van een ‘moeilijk kind zijn’.

Een stempel van ‘zij is altijd tegen de draad in’.

Of een stempel van ‘zo’n saggerijnig kind’.

Later komen stempels als ‘hoogmoed’, slappe karakters’, ‘een onrein mannetje’, ‘een roddelende vrouw’ en ga zo maar door. Fouten die we maken, die gezien worden en vervolgens aan de persoon verbonden.

Fouten, die zonden zijn en door de verbinding aan de persoon, verwerpen we niet alleen de zonde, maar ook de persoon!

Hoe graag zouden we, net als dat kleine meisje, willen roepen: “Ikke ben niet stout!” Ik heb wel fout gedaan. .. oh ja, maar ik ben toch niet fout! Wat ik deed was fout…, maar aanvaard me toch… ik wil zo graag lief zijn en het goede doen!

God heeft zondaars lief! Jezus kwam voor hen die gezondigd hadden. Die zelf niet uit hun zonden konden komen. Hij kwam om zonde en mens te scheiden. De zonde doet Hij weg in de diepte der zee en de mens wil Hij redden, behouden, in Zijn oneindige liefde voor mensen zoals u en ik.

Hij begrijpt ons hart, wanneer dezelfde gevoelens naar boven komen als bij m’n kleine meid.

“Heer, ik heb gezondigd… maar U wijst me ook nu niet af! Dank U wel dat U van me blijft houden. Wilt U mijn fouten vergeven, uit genade, in Jezus’ Naam. Amen!”

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst (2)

Het verhaal van de verlossing

Het Pascha, waarbij de lofzang wordt gezongen, is tot gedachtenis van de wonderbare uitleiding van het volk van God uit de slavernij van Egypte. Dit is de nacht dat het doorverteld moet worden aan het nageslacht. Deuteronomium 6 vers 20 tot 22a (Deut. 06:20-22a) zegt hiervan: “Wan­neer later uw zoon u vraagt: wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen, die de Here, onze God u opge­legd heeft?, dan zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte, maar de Here heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid, de Here deed voor onze ogen tekenen en wonderen”.

De Heer des huizes leest dan uit ‘de Haggada’ (dat is het boekje met het Pesach-verhaal) het verlos­singsverhaal. De uiteen­zetting begint met de tijd van Abraham en eindigt met de uittocht.

De Hallel wordt dan inge­leid met de woorden: Daarom zijn wij schuldig te danken, te roemen, te verheerlijken, te prijzen, te verheffen, lof en hoog­heid toe te kennen, en met verheven liederen te zingen Hem, die onze voorvaderen en ons al de­ze wonderen heeft bewe­zen , die hen uit de he­rendienst tot de vrijheid, uit de ellende tot de vreugde, uit de rouw tot de blijde dag, uit de duisternis tot het grote licht, uit alle slavernij verlost heeft: laat ons dan Hem zingen… En dan volgt Psalm 113 met: “Halleluja! Looft, gij knechten des Heren, looft de Naam des Heren”, enz.

Alles wat in de aanhef gezegd wordt, wordt in de lofzang verder uitge­zongen en dan zien wij hoe dit alles toepasbaar is op ons, en zijn vervul­ling heelt gekregen in, Jezus Christus.

De naam en de verlossing

Bij de uittocht speelt in wezen alles om de ‘Naam des Heren’, zoals het nu gaat om het geloof in de ‘Naam van de eniggeboren Zoon van God’ o.a. Johannes 3 vers 18b en Johannes 20 vers 31 en Handelingen 4 vers 12 (Joh. 03:18b; Joh. 20:31; Hand. 04:12).

We zagen al dat God aan Mozes Zijn Naam bekend maakt: “Ik ben, die Ik ben” Exodus 3 vers 14 (Ex. 03:14). In de Griekse vertaling van het Oude Testament wordt dit weergegeven met de woor­den: “Ik ben de zijnde” of “Ik ben Hij die is”.

Dit is de Naam waarmee Mozes “het volk uit de macht van Farao gaat verlossen.

Maar ook op de tocht door de woestijn is het de Naam des Heren die het volk begeleid. God zegt tot het volk: “Zie, Ik zend een engel vóór uw aangezicht om u te bewa­ren op de weg en om u te brengen naar de plaats, die Ik bereid heb. Neem u voor hem in acht en luis­ter naar hem, wees tegen hem niet weerspannig, want Mijn naam is in Hem” Exodus 23 vers 20 en 21 (Ex. 23:20-21) .

Een nieuwe uitleiding

Als Jezus met zijn disci­pelen het Pascha viert, dan staan we aan de voor- vooravond van een nieuwe Exodus, pon nieuwe uit­tocht. Hijzelf is het Lam dat geslacht wordt, Hijzelf is de Hogepriester. Hijzelf is de Leider, zoals Mozes de leider was en de Naam van God is niet alleen in Hem, maar Hij is de Naam, zoals we al zagen.

Nu echter wordt niet een aards volk uitgeleid op aarde, maar Jezus Chris­tus leidt een geestelijk volk uit in de geestelijke wereld. In de dagen van Mozes was de Naam van God nog bedekt en toch gebeurden er geweldige dingen waar deze Naam geproclameerd werd. De grootheid en de majesteit was zichtbaar in de wer­ken, de wonderen en de tekenen. Deuteronomium 26 vers 8 (Deut. 26:08) zegt: “Toen leidde ons de Here uit Egypte met een sterke hand, een uitgestrekte arm en grote verschrik­king, door tekenen en wonderen”.

Een sterke hand en uitgestrekte arm

Telkens als er sprake is van uitleiding, van ver­lossing, van ingrijpend handelen van God, lezen wij van ‘Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekte arm’. Hand en arm: een woord­paar zoals we in de Bijbel meer tegenkomen. Goeder­tierenheid en trouw vin­den we ook meestal samen, zoals in Psalm 117 vers 2 (Ps. 117:002).

In het Nieuwe Testament komt dit overeen met ‘ge­nade en waarheid’. De sterke hand is hierbij het beeld van de Heilige Geest. Jezus is door de rechterhand Gods verhoogd, Handelingen 2 vers 23a (Hand. 02:33a), terwijl Paulus zegt dat de Geest Hem uit de doden heeft opgewekt, Romeinen 8 vers 11a (Rom. 08:11a).

De uitgestrekte arm is beeld van de Zoon, Jezus Christus. Op vele plaat­sen wordt er zo over Je­zus gesproken, onder an­dere in de profetie van de lijdende knecht des Heren (Jesaja 53). De apos­tel Johannes citeert deze profeet als het volk, on­danks de vele wonderen en tekenen, niet in Jezus wil geloven. Hij zegt:

“Here, wie heeft geloofd, wat hij van ons hoorde? En aan wie is de arm des Heren geopenbaard?” Johannes 12 vers 38 (Joh. 12:38). Jezus is ‘de arm des Heren’, zegt Jo­hannes. Als Jezus Zijn werk volbracht heeft en Zich gezet heeft op de troon van Zijn Vader, dan zegt Jesaja 53 vers 10c (Jes. 53:10c): “het voornemen des Heren zal door Zijn hand voortgang hebben”.

De Heer zet Zijn werk nu voort door Zijn Geest, door de Heilige Geest, die op de eerste Pinksterdag werd uitgestort, Handelingen 2 vers 1 tot en met 4 en Handelingen 2 vers 32 en 33 (Hand. 02:01-04; Hand. 02:32-33).

De volmaakte eenheid van God

God spreekt dus zelf heel duidelijk over Zijn Zoon als over Zijn uitgestrekte arm en over de Heilige Geest las Zijn sterke hand. Daarom geloof ik dat de Zoon en de Heilige Geest net zo wezenlijk bij God behoren als arm en hand bij de mens behoren.

Dit tast naar ik meen de éénheid van God niet aan. Hoofd en arm en hand horen bij elkaar en vor­men in hun werkzaamheid naar de mens en aan de mens een onverbrekelijke eenheid. Jezus zelf bena­drukt deze gedachte in de opdracht de mensen te dopen in de Naam van de Vader, in Naam van de Zoon en in Naam van de Heilige Geest, Matteüs 28 vers 19 (Matt. 28:19). Dat is de volheid, de volledigheid, de één­heid van God.

Ook de apostel Paulus schrijft dat in de genade­gaven de Geest en de Zoon van God werkzaam zijn, 1 Korinthe 12 vers 4 tot en met 6 (1 Kor. 12:04-06). “God is Geest”, zegt Jezus in Johannes 4 vers 24 (Joh. 04:24) en Hij werkt in deze wereld door Zijn Zoon, Zijn uitgestrekte arm, en door de Heilige Geest, zijn sterke hand.

De Zoon, Jezus Christus, werkt nu na Zijn verheer­lijking, in de wereld door Zijn Geest, de Heilige Geest, die het uit Hem neemt en niet uit Zich­zelf spreekt of handelt, maar in alles van de Zoon getuigt en de Zoon ver­heerlijkt. De Zoon spreekt en handelt niet uit Zich­zelf, maar neemt het uit de Vader, want wat van de Vader is, is ook van de Zoon en Hij getuigt zo van de Vader en Hij ver­heerlijkt hiermee de Va­der, Johannes 14 vers 24 en Johannes 16 vers 13 tot en met 15 en Johannes 17 vers 9 en 10 (Joh. 14:24; Joh. 16:13-15; Joh. 17:9-10).

Dit is dus een volmaakte eenheid, de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. God, Zijn uitgestrekte arm en Zijn sterke hand. Dit is zo’n volmaakte een­heid, dat de Bijbel zegt: “Wie de Zoon niet heeft, heeft ook de Vader niet”, 1 Johannes 2 vers 23 (1 Joh. 02:23). En wie de Vader en de Zoon niet heeft, heeft ook de Heili­ge Geest niet, welke im­mers gegeven wordt aan hen, die de Zoon gehoorzamen, Handelingen 5 vers 32 (Hand. 05:32).

Jezus leert dat Hij van de Vader is uitgegaan en in de wereld is gekomen, Johannes 16 vers 28 (Joh. 16:28) en dat ook de Heilige Geest van de Vader uitgaat, Johannes 15 vers 26 (Joh. 15:26) en woning maakt in het hart van de mens, 2 Korinthe 1 vers 22 (2 Kor. 01:22).

Schaduw en werkelijkheid

Zo zien we dat in de schaduw-bedeling alles aan de zijde van Mozes gaat en hem zo tot een sterk leider maakt. Hij wordt uit de mensen ge­nomen en door God afge­zonderd (geheiligd) en toegerust. We zagen al dat de Naam van God was in de engel die voor hun aangezicht uitging, de engel die ook in de braamstruik sprak: ‘Ik ben, die Ik ben’, Handelingen 7 vers 30 tot en met 37 (Hand. 07:30-37).

Jesaja 63 vers 12 tot 14 (Jes. 63:12-14) beschrijft dit met enkele woorden aldus: “God, Die Zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan, die dóór hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige Naam te maken; die hen deed gaan door de waterdiepten? Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des Heren hun rust. Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luister­rijke naam te maken”.

Mozes was echter niet de werkelijkheid. De werke­lijkheid is van Christus Kolossenzen 2 vers 17 (Kol. 02:17). Mozes is uit de mensen genomen, Je­zus niet, Hij is uit de Vader uitgegaan. In alles is Hij de vervulling van wat we zagen dat Mozes begeleidde. In Hem was God met en bij en onder de mensen. Zijn Naam is: ‘Immanuel’, wat betekent ‘God met ons’, Matteüs 1 vers 23 (Matt. 01:23). In Hem heeft God zich een luisterrijke eeu­wige Naam gemaakt.

De naam van de Zoon

Zo zien wij dat in het boek Openbaring – de grote exodus van de eindtijd – de Naam van het Lam centraal staat. Niet minder dan 29 keer wordt zo over Gods enig­geboren Zoon gesproken. Het is de triomf van het Lam dat geslacht is. God had tot Mozes gezegd bij het noemen van de Naam: ‘Ik ben’: “Dit is Mijn Naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht” Exodus 3 vers 15c (Ex. 03:15c).

Paulus merkt op in 1 Korinthiërs 1 vers 2 (1 Kor. 01:02) dat al­lerwegen de naam van onze Here Jezus Christus aangeroepen wordt. Dat is dan niet in strijd met de wil van God maar, zoals we reeds zagen, is Jezus Christus die naam.

Aan het einde van Open­baring noemt Jezus ‘Zijn Naam’ die ook de Naam van God, Zijn Vader is. Hij zegt: “Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is: bij Mij om een ieder te vergelden naar dat zijn werk is. Ik ben de Alpha en de Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde”, Openbaring 22 vers 12 en 13 zie ook Openbaring 1 vers 8 en Jesaja 44 vers 6 en Jesaja 48 vers 12 (Openb. 22:12-13; zie ook Openb. 01:08; Jes. 44:06; Jes. 48:12).

Hij is de eeuwige luister­rijke Naam van God, de uitgestrekte arm, die de mensen uitleidt en ver­lost van de geestelijke slavernij en ze tot vol­maaktheid brengt.

 

Mededelingen door redactie

“De volledige mens” – In 1981 schreef Klaas Goverts op ons verzoek een serie artikelen over geest, ziel en lichaam onder de titel ‘De volledige mens’. Later werden deze artikelen in brochurevorm uitgegeven. In de loop der jaren hebben velen kennis genomen van dit onderwerp, zowel in binnen- als buitenland, want behalve in het Nederlands werd de brochure ook vertaald in het Engels, Frans, Duits en Italiaans. Thans is de brochure bijna uitverkocht en wordt voorlopig niet herdrukt. De reden treft u hieronder aan. Klaas Goverts schrijft namelijk: “Ten aan zien van de publicatie ‘De volledige mens’ zijn fundamentele correcties noodzakelijk gebleken. In Tenakh (en dus ook in het Evangelie) ontmoeten we een mensbeeld, waarin de mens gezien wordt als een eenheid. Na verdere bezinning en toetsing hopen we hier nader op terug te komen. Men dient derhalve genoemde brochure niet langer te gebruiken daar de standpunten, daarin verwoord, als achterhaald beschouwd moeten worden”. Wanneer er te zijner tijd een herdruk zal verschijnen, valt op dit moment nog niet te zeggen, maar uiteraard leest u hierover in “Levend Geloof”. (De Duitse en Franse uitgaven van deze brochure blijven voorlopig nog verkrijgbaar).

Opbouwweek in Frankrijk – Van 2 tot 8 juli wordt in Saulxures sur Moselotte weer een geestelijke opbouwweek gehouden. Deze week zou aanvankelijk geleid worden door de broeders Roose en Van den Brink, maar in verband met het overlijden van broeder Van den Brink wordt zijn plaats thans ingenomen door broeder Klaas Goverts. Voor verdere inlichtingen dient u uitsluitend contact op te nemen met de organisator van deze week: Jack Gerritsen, Sennecey Ie Grand (Frankrijk).

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (9)

God haalt de volkeren onder Babel vandaan

Het tweede gedeelte van Jesaja (hoofdstuk 40 tot en met 55) handelt over één onderwerp: De terugkeer uit Babel. Ook dit kunnen we beschouwen als een exodus. Er zijn twee lijnen, die parallel lopen: 1. De terugkeer van het volk Gods, dat in Babel in ballingschap verkeert. 2. De terugkeer van de volkeren. De tweede ‘ lijn wordt soms een beetje over het hoofd gezien. Naast het volk Gods worden ook de volkeren tot hun bestemming teruggebracht.

Het boek Jesaja is een troostboek. Het spreekt over de vertroosting, die komen gaat. Het heeft te maken met het herstel, de wederoprichting. Vandaar dat het boek, Jesaja eindigt met te spreken over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Jesaja 65 en 66). In Jesaja 40 vers 1 en Jesaja 40 vers 2a (Jes. 40:01; Jes. 40:02a) lezen wij: “Troost, troost mijn volk, zegt uw God. ‘ Spreekt tot het hart van Jeruzalem…” Kennelijk heeft Jeruzalem een hart. De mens heeft een hart, maar er wordt ook gesproken over het hart van een volk of het hart van een stad. De terugkeer komt opgang, doordat God tot het hart van het volk gaat spreken. In het hart van de volkeren zijn kwetsuren aanwezig; veel volkeren zijn in de loop der geschiedenis kapotgeslagen. Eén van de unieke thema’s in de Bijbel is, dat God de volkeren gaat genezen.

Ook het volk van Egypte heeft een hart. Dat blijkt uit wat wij lezen in Jesaja 19 vers 1, de Godsspraak over Egypte, (Jes. 19:01): “Zie, de Here rijdt op een snelle wolk en komt naar Egypte; dan beven de afgoden van Egypte voor Hem en het hart van Egypte versmelt in zijn binnenste”. Elk volk heeft zijn unieke karakter. Eén van Gods grote gedachten is, om de volkeren onder Babel vandaan te halen. Babel is niet alleen een valse kerk, maar ook een valse cultuur. We kunnen rustig stellen dat Babel een dwangcultuur is.

De dwangcultuur van Babel

Eén van de geliefde tactieken van de tegenstander is, om de volkeren onder één bepaalde cultuur te dwingen, zodat ze zichzelf niet meer kunnen zijn. Ze worden in een systeem geperst. Het wordt één denkpatroon. Het principe van Babel is, om alle volken te overkoepelen en onder één heerschappij te brengen.

Nu volgen enkele frappante teksten, waarin je het wezen van Babel terugvindt: “En het zal geschieden ten dage, wanneer de Here u rust geeft van uw smart en van uw onrust en van de harde dienst die men u heeft laten verrichten, dat gij dit spotlied op de koning van Babel zult aanheffen: Hoe heeft de drijver opgehouden, opgehouden is de verdrukking! De Here heeft de stok der goddelozen verbroken, de scepter der heersers, die in verbolgenheid zonder ophouden natiën sloeg, die in toorn volken vertrad in meedogenloze vervolging”, Jesaja 14 vers 3 tot en met 6 (Jes. 14:03-06). Babel vertreedt de volkeren en loopt natiën onder de voet.

Ook in onze tijd kunnen we Babel herkennen. Iedereen moet op een bepaalde manier denken. Er is een eenvormigheid in uitingsmogelijkheden. Ook in Nederland zijn er bepaalde tendensen, die hierop wijzen. Denk ook aan landen die van oorsprong gevormd worden door een mengeling van culturen en volken en waar men probeert alles onder één cultuur de brengen. Daniël 3 spreekt heel duidelijk hierover. We zien het symptoom bij Nebukadnezar. De naam Nebukadnezar is eigenlijk een gebed. Nebo: de god van de schrijvers en de profeten; de inspiratiebron van de Babylonische wereld. Nebukadnezar : ‘Nebo, bescherm mijn rijk’ (gebied). Koningsnamen waren vaak verbonden met namen van goden.

Uit Daniël 3 vers 1 en 2 (Dan. 03:01-02) blijkt dat Nebukadnezar de geestelijke wereld te hulp roept. We lezen namelijk: “Koning Nebukadnezar maakte een gouden beeld, waarvan de hoogte zestig en de breedte zes el bedroeg; hij stelde het op in de vlakte van Dura in het gewest van Babel. En koning Nebukadnezar liet de stadhouders, de oversten, de landvoogden, de staatsraden, de schatbewaarders, de rechters, de bewindvoerders, ja alle bestuurders der gewesten bijeenroepen, om de inwijding bij te wonen van het beeld, dat koning Nebukadnezar gemaakt had”. Opmerkelijk zijn de getallen hier vermeld. Het komt al een eind in de richting van het getal 666 uit Openbaring 13. Tekenend is dat alle gezagdragers en overheden bij elkaar gepakt worden. Overgezet in de hemelse gewesten: alle wereldbeheersers worden hier verzameld. Overheden en machten worden onder één overkoepeling gebracht, onder één heerschappij. Babel wil de volkeren beheersen en onderwerpen: het wil de cultuur der volkeren samenpersen.

Wat gaat God met Babylon doen?

In Openbaring 18 wordt de val van Babylon uitvoerig beschreven. Hoofdstuk 17 spreekt van het oordeel over Babylon. Hier vind je Babel speciaal als religie; in hoofdstuk 18 vind je Babel speciaal als cultuur. Kennelijk is de val van Babylon een heel wezenlijk aspect van de eindgeschiedenis. Ik geloof, dat je kunt zeggen dat de val van Babylon te maken heeft met de genezing der geschiedenis. In het eindtijdgebeuren gaat God iets met Babylon doen.

Johannes krijgt het beeld te zien van de vrouw op het beest. We lezen in Openbaring 17 vers 1 en 2 (Openb. 17:01-02): “En één van de zeven engelen, die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij, zeggende: Kom hier, ik zal u tonen het oordeel over de grote hoer, die zit aan vele wateren, met wie de koningen der aarde gehoereerd hebben, en zij, die op de aarde wonen, zijn dronken geworden van de wijn harer hoererij”. Ik geloof dat de ‘koningen der aarde’ de wereldbeheersers zijn, die zich met Babel hebben verbonden. De engel gaat het oordeel over deze hoer tonen.

Dan lezen we Openbaring 18 vers 1 (Openb. 18:01)(dit gebeuren loopt parallel met hoofdstuk 17 vers 1) (Openb. 17:01): “Hierna zag ik een andere engel, die grote macht had, nederdalen uit de hemel, en de aarde werd door zijn lichtglans (heerlijkheid) verlicht”. Er komt een engel met grote macht en autoriteit. We zien hier dat de engelen betrokken zijn bij het oordeel over Babel. De engel daalt uit de hemel neer en de aarde wordt verlicht. Het gebeurt vanuit de hemel en heeft zijn uitwerking op de aarde. De aarde wordt niet vernietigd, maar juist door de lichtglans, de heerlijkheid, verlicht! We moeten hierbij als uitgangspunt vasthouden, dat de engelen, vanuit de gemeente functioneren.

Je kunt de engelen nooit los zien van de gemeente!

“En hij riep met sterke stem, zeggende: Gevallen, gevallen is de grote stad Babylon en zij is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte”. Waarom wordt Babel aan de demonen prijsgegeven? Wat is het wezenlijke punt bij Babel? Vers 3 geeft het antwoord: “Omdat van de wijn van de hartstocht harer hoererij al de volken gedronken hebben en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben”. Het gevolg van het drinken is, dat al de volken bedwelmd zijn; ze zijn onder invloed geraakt. Babel brengt een soort hersenspoeling over de volkerenwereld. De volken kunnen niet helder meer denken. Als je de wijn van Babel binnenkrijgt, ben je niet nuchter meer.

De sterke engel gaat het gericht over Babel verkondigen. God gaat zich tegen Babel verzetten, met het doel om de volkeren onder Babel vandaan te krijgen. God wil de volkeren terug hebben. Er is een soort complot tussen Babel en de wereldbeheersers: de koningen der aarde. Ze gaan met elkaar aanpappen en hebben de volkeren klemgezet. God gaat Babel opzij schuiven, terugdrijven, zodat de volkeren weer tevoorschijn kunnen komen. Ik geloof dat dit heel concreet gaat gebeuren. Het zal niet overal tegelijkertijd zijn, maar elk volk zal aan de beurt komen. Juist daar gaat God de gemeente bij inschakelen. De engelen zullen uit gaan vanuit de gemeente om de duisternis boven de volkerenwereld terug te drijven.

Het rechtsgeding tegen Babel

In Openbaring 18 vers 20 (Openb. 18:20) zien wij een heel opmerkelijke gedachte: “Wees vrolijk over haar, gij hemel en gij heiligen, en gij apostelen en profeten, want God heeft uw rechtszaak tegen haar berecht”. Er is een rechtsgeding van God tegen Babel, met als inzet de volkeren, om deze onder Babel vandaan te krijgen. Het is de rechtszaak van de heiligen, de gemeente, van degenen, die in de hemel wonen. God zegt: ‘Het is jullie zaak om de volkeren vrij te krijgen. Ik doe het niet buiten jullie om; het is de zaak waar jullie voor staan’. Jesaja 34 vers 8 (Jes. 34:08) spreekt van ‘Sions rechtsgeding’.

Het is frappant dat er meteen op volgt: “En een sterke engel nam een steen op als een grote molensteen en wierp hem in de zee, zeggende: Zó zal Babylon met geweld geworpen worden, de grote stad, en zij zal nooit meer gevonden worden”, Openbaring 18 vers 21 (Openb. 18:21). Het is ‘uw rechtszaak’ (vers 20). Dan komt er een sterke engel, die Babel in zee gooit. Ook hier zien wij weer de samenwerking tussen gemeente en engelen. De gemeente krijgt     de bevoegdheid om recht te spreken. De gemeente: de rechters of richters. Zij zijn degenen die de taak hebben om de dingen recht te zetten. Denk ook aan wat Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 6 vers 3 (1 Kor. 06:03): “Weet gij niet dat wij over engelen zullen oordelen?”

Als de gemeente het recht van God gaat verkondigen, en gaat uitspreken over bepaalde volkeren, zeggende: ‘God heeft recht op dit volk en Zijn Koningschap zal zijn over deze natie. De wereldbeheersers hebben geen recht om dit volk te bezetten’, dan komen de engelen en gaan Babel als een molensteen in zee werpen. Ook Jézus gebruikt het beeld van de molensteen. In Matteüs 18 vers 6 (Matt. 18:06) lezen we namelijk: “Maar een ieder, die één dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee”. Een molensteen is beeld van de macht, die tot zonde verleidt. Daarom wordt gezegd dat Babel als een molensteen in ze zee geworpen zal worden. Als je een molensteen in zee gooit, komt hij nooit meer bovendrijven. Hetzelfde beeld zien we in Markus 11 vers 23 (Mark. 11:23), waar Jezus zegt: “Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden”.

De misleiding der volkeren door toverij

“En geen stem van citerspelers en zangers, van fluitspelers of bazuinblazers zal meer in u gehoord worden, (Nebukadnezar was ook druk bezig met fluitspelers, Daniël 3 vers 10 (Dan. 03:10) en niemand die enige kunst beoefent (de culturele invloed!) zal meer in u gevonden worden, en geen geluid van de molen zal meer in u gehoord worden. En geen lamplicht zal meer in u schijnen, en geen stem van bruidegom en bruid zal meer in u gehoord worden, want uw kooplieden waren de machthebbers der aarde, want door uw toverij werden alle volken verleid; en in haar werd gevonden het bloed van profeten en heiligen en van allen die geslacht zijn op aarde”, Openbaring 18 vers 22 tot en met 24 (Openb. 18:22-24). Heel nadrukkelijk staat erbij: Want door uw toverij werden alle volken verleid (misleid).

In wezen werden de volken betoverd. We zien bij veel heidense godsdiensten dut er oen betovering overheen ligt. In plaats van ‘primitieve volkeren’ kunnen we beter spreken van ‘gedegenereerde volken”. De volkeren zijn door de geestenwereld in hun ontwikkeling afgeremd.

Maar dan lezen wij in Openbaring 19 vers 1 tot en met 3 (Openb. 19:01-03): “Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen: Halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, (‘onze God’ als contrast tegenover de góden) want waarachtig en rechtvaardig zijn Zijn oordelen (rechtzettingen), want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf, en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist. En zij zeiden ten tweede male: Halleluja! En haar rook stijgt op tot in alle eeuwigheden”.

De eerste keer dat in het boek Openbaring ‘halleluja’ wordt gezegd, houdt verband met de val van Babylon. ‘Halleluja’ komt viermaal voor in Openbaring, en wel in hoofdstuk 19. De eerste ‘halleluja’ weerklinkt als Babel platgaat. Het is opmerkelijk dat men juist in dit verband in gejubel uitbreekt. Maar als wij bedenken dat het hart van vele volkeren verwond is, denk bijvoorbeeld aan de negerslaven, kunnen we iets begrijpen van de grote vreugde die er heerst als de rook wordt gezien. Ze zitten niet langer onder de bedwelmende inwerking, want als Babel ondergaat, kunnen de volkeren eindelijk weer uit de verf komen!

In de volgende afleveringen zullen wij gaan bezien hoe God de volkeren gaat genezen en hoe de gemeente en de engelen daarbij betrokken zijn.

 

Examen door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Het is voorbij, de proefwerken, tentamens,

het blokken vroeg en laat en dan de eindexamens.

’t Verwerken van de stof, je daarop concentreren

zodat ’t in de praktijk in iets zal resulteren….

 

En nu is daar de rust en toch, in spanning, ’t wachten.

Je zet het van je af, toch vult het je gedachten:

Kom ik erdóór of niet…. ga ‘k over, blijf ik bakken….

Misschien met vlag en wimpel of ook – met de hakken!

 

Straks komt het resultaat en daarna de vakantie!

O, heerlijk nietsdoen! Maar – dat geeft je geen garantie.

Er is altijd weer ’t beginnen in een klas, een school, een werk,

want ergens stelt een plicht je daag’lijks paal en perk….

 

Zou het dan goed zijn zónder plicht te leven?

Zonder iets moois en zin vols na te streven?

Alleen maar “halen”, zelden iets te géven,

Alleen maar moeitevol het leven léven….?

 

Wees dankbaar als gezondheid toch je deel is,

bedenk dat, wanneer alles je te veel is,

het beter is te geven dan t’ ontvangen,

dat mensen liefde van elkaar verlangen!

Voor hen, die straks iets nieuws zullen beginnen:

Ga positief, want dat zal overwinnen!

Wees blij, oprecht en lééf, daarvoor ben je geboren,

tot Godes eer, dan raak je niet verloren!

 

(Bovenstaand gedicht is afkomstig uit de bundel “Vreugdewijn”, uitgegeven door “Levend Geloof” en o.a. te bestellen bij on/o administratie. Van Tea Keuper-Dijk geven wij binnenkort (een nieuwe gedichtenbundel uit onder de titel “Komen tot God”).

1989.05 nr. 303

Levend geloof 1989.05 nr. 303

De kracht van het koninkrijk door Gert Jan Doornink

“Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht” 1 Korinthe 4 vers 20 (1 Kor. 04:20).

Met deze uitspraak vat de apostel Paulus in één regel de werkelijke betekenis van het Koninkrijk Gods samen. Hij vertelt waaruit het Koninkrijk Gods niet bestaat en waaruit het wel bestaat: Geen woorden, maar kracht! Dit vraagt enige toelichting, want men zou kunnen denken dat daarmee bedoeld wordt dat woorden er niet toe doen. Uitgesproken of geschreven woorden of zelfs het Woord van God, zouden van minder of geen betekenis zijn. Het gaat toch immers alleen om de kracht?

Maar met deze ‘woorden’ van Paulus worden uiteraard die woorden bedoeld die negatief, afbrekend en zonder inhoud zijn en geuit door mensen die zelf niet ‘in het Koninkrijk’ zijn. Men kan praten of schrijven over het ‘Koninkrijk Gods’ zonder dat men weet waarom het werkelijk gaat. Het gaat immers om de openbaring van dat Koninkrijk in en door ons leven heen. Jehova’s getuigen bijvoorbeeld spreken over de ‘Koninkrijkszaal’ als plaats van samenkomst. Maar deze dwaalleer heeft geen weet van het werkelijke Koninkrijk zoals Jezus en de apostelen dat tot openbaring brachten en ook wij dat mogen doen.

De doorbraak van het koninkrijk

Maar ook vele kinderen Gods, die oprecht de Heer willen dienen, hebben vaak een versluierd of beperkt inzicht wat betreft de betekenis van het begrip ‘Koninkrijk’. Tot deze conclusie komt men in ieder geval als men eerst zelf onder een ‘bedekking’ heeft gezeten. Ik heb het in mijn eigen leven ervaren welk een afremming dit in het geestelijke leven veroorzaakt en hoe men blind is voor de werkelijke betekenis van het Koninkrijk Gods.

Ook bij de discipelen van Jezus was dit aanvankelijk het geval. Zij waren tot geloof in Jezus gekomen en volgelingen van Hem geworden. Maar zij maakten nog vele fouten, waren soms ongehoorzaam en vaak op ‘natuurlijke wijze’ bezig. Dat wil zeggen: als Jezus sprak over de geestelijke dingen, begrepen zij er vaak lang niet alles van. Daarom ontvingen zij ook veel onderricht van Jezus. Pas op de Pinksterdag, toen zij vervuld werden met de Heilige Geest, brak de werkelijke betekenis van het Koninkrijk Gods bij hen door en werden daarna ook volwaardige getuigen van het Koninkrijk.

Wie de werkelijke betekenis van het Koninkrijk Gods heeft leren kennen, is in een geheel nieuwe belevingswereld van het geloof terechtgekomen. Hij ontdekt de ‘kracht’ van het Koninkrijk en weet dat de kracht die in Jezus was ook in hem is gekomen, wanneer hij tenminste gedoopt en vervuld is met de Heilige Geest. Jezus sprak: “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn…” Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08). Door de kracht, die in de Heilige Geest aanwezig is, worden wij waardige vertegenwoordigers van Zijn Koninkrijk en fungeren in en vanuit de geestelijke wereld als overwinnaars.

Jezus gebruikte in plaats van ‘Koninkrijk Gods’ ook dikwijls de uitdrukking ‘Koninkrijk der hemelen’ om daarmee duidelijk aan te geven dat er een strijd aan de gang is tussen licht en duisternis. Zelf behoorde hij tot het ‘Koninkrijk van het licht’ terwijl de duivel en zijn demonen behoren tot het ‘koninkrijk van de duisternis’. De grote strijd tussen licht en duisternis speelt zich af in de hemelse gewesten en in deze strijd zal uiteindelijk het Licht volledig zegevieren over de duisternis. Jezus zelf ontmaskerde en overwon reeds de duisternis. Hij openbaarde in elk opzicht de kracht van het Koninkrijk. Nu is het de beurt aan Zijn volgelingen: de gemeente van Jezus Christus.

De groei van het koninkrijk

In de tijd waarin wij leven gaan steeds meer gelovigen de kracht van het Koninkrijk ontdekken. Het blijft daarbij niet alleen bij een ontdekking, want daarna komt een geestelijk groeiproces op gang waarbij het mes aan twee kanten snijdt: Enerzijds komen wij los van natuurlijke, aardsgerichte visies en leringen die van geen enkele geestelijke betekenis zijn en anderzijds breekt het werkelijke geestelijke leven door. Vanuit onze plaats met Christus in de hemelse gewesten worden wij geestelijke strijders van Zijn Koninkrijk. De woorden die in het verleden over onze lippen kwamen hebben plaatsgemaakt voor nieuwe woorden, waarbij wij niet alleen denken aan het spreken in nieuwe tongen. Want ook de woorden die wij in onze eigen taal uitspreken hebben een totaal nieuwe betekenis gekregen omdat ze ‘in de Geest’ gedrenkt zijn. Dat was ook met de woorden van Jezus het geval, waarvan we in Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63) lezen dat ze ‘geest en leven’ waren.

De openbaring van het Koninkrijk bestaat natuurlijk niet alleen in ‘nieuwe woorden’ maar ook ’n ‘nieuwe daden’. De werken die wij nu doen worden niet meer tot stand gebracht uit eigen enthousiasme of als een dwangmatig moeten, maar worden in alle vrijheid geïnspireerd en geleid door de Heilige Geest. Het Koninkrijk Gods, waarvan wij deel uitmaken blijft niet langer verborgen maar kan door de Heilige( Geest geopenbaard worden. Zoals Jezus, in Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38), over de Heilige Geest zei dat daardoor stromen van levend water uit ons binnenste zullen vloeien.

Ook Paulus was zich daarvan ten volle bewust en hij Openbaarde daardoor ook te allen tijde de kracht van het Koninkrijk. En hij benadrukte ook telkens weer dat het ging om de geestelijke betekenis. Aan de gemeente te Rome schreef hij bijvoorbeeld dat het Koninkrijk Gods niet bestaat in eten of drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest (Rom. 14:17). En van hem is ook de uitspraak dat het Koninkrijk Gods niet bestaat in woorden, maar in kracht.

De volle openbaring van Gods Kracht

Het is de Heilige Geest die het Koninkrijk Gods, dat wij vertegenwoordigen, maakt tot een onneembare veste, een lichtbaken in de duisternis, een speerpunt waartegen de vijand zich te pletter loopt Want als de kracht van het Koninkrijk zich gaat openbaren moet de vijand wijken en manifesteert zich de overwinning. Het is Gods plan en wil dat elk kind van God zich dat ten volle bewust is, want zoals de kracht van het Koninkrijk zich in de dagen van Jezus en de eerste christengemeente zich openbaarde, zal dit in het laatst der dagen weer gaan gebeuren. Ja, dan zal de openbaring van Gods kracht nog veel groter en heerlijker zijn’

Het is onvoorstelbaar heerlijk en het vervuld ons met grote blijdschap, als wij de zekerheid in ons hebben dat wij behoren tot het Koninkrijk van God. Maar tegelijkertijd behoren we er altijd weer goed van doordrongen te zijn dat wij geroepen zijn dat Koninkrijk te vertegenwoordigen. Een geweldige opdracht’ Wij willen daarvoor lof, eer en dank toebrengen aan onze grote Koning, want Hij geeft ons de bekwaamheid om de kracht van Zijn Koninkrijk tot openbaring te brengen.

 

Zomeractie 1989 door Gert Jan Doornink

De zomer staat weer voor de deur. In de afgelopen meimaand hebben we, met vele uren zonneschijn, er reeds een voorproefje van gehad. We hopen dat al onze lezers en lezeressen een fijne en rijk gezegende zomer (vakantie )tijd zullen hebben. En dat betreft natuurlijk ook het ‘dienstbaar zijn in Gods Koninkrijk’. Want vakantie of geen vakantie, winter of zomer: Spreuken zei het reeds: Er is geen verlof tijdens de strijd.

Ook de “Levend Geloof”-arbeid gaat deze zomer gewoon door. Behalve dat er – evenals andere jaren – één nummer uitvalt (de nummers van juli en augustus worden weer gecombineerd), staat ons werk niet stil. Integendeel, vol overgave en toewijding blijven wij ons inzetten om van ieder nummer een zo goed mogelijk nummer te maken. We streven naar de hoogst mogelijke ‘geestelijke kwaliteit’. Ook zijn wij bezig met de voorbereiding van nieuwe brochures en de herdruk van bestaande.

Omdat ons werk een geloofswerk is, zijn wij ook dit jaar weer zo vrijmoedig om een extra financiële bijdrage te vragen. Alle uitgaven gaan uiteraard tijdens de zomermaanden gewoon door. Wij hopen en geloven echter dat ook dit jaar onze ‘zomeractie’ weer zal slagen. En dat is mogelijk als zoveel mogelijk lezers en lezeressen meedoen.

U kunt uw extra bijdrage overmaken ten name van “Levend Geloof”. Iedereen die een bijdrage overmaakt ontvangt in september een overzicht van de binnengekomen giften.

Met hartelijke groeten en Gods rijke zegen toegewenst.

 

 

Wijsheid en inzicht. Door Gert van de Kamp

Dit is het derde en laatste artikel in de serie “De kracht en werking van de Heilige Geest in het leven van Jezus”.

Wie verlangt naar volledige openbaring van de Heilige Geest in zijn leven , doet er goed aan om eens naar het leven van Jezus te kijken. Onze oudste Broer immers, was de eerste die door de Vader gedoopt werd in de Heilige Geest en daar volop uit leefde. Het was de Geest die de identiteit van Jezus bepaalde. Het is dus ook de Geest die onze identi­teit bepaalt.

De Heilige Geest manifes­teerde zich op vele wijzen in het leven van Jezus. Zo zien we ook dat Jezus wijsheid bezat, een manifestatie van de Heilige Geest in zijn leven. Wijsheid in het Grieks ‘Sophia’ is letterlijk het kunnen toepassen van kennis. Jezus had als geen ander kennis van Zijn Vader. Juist daarom kon Hij geïnspireerd door de Heilige Geest, die kennis toepassen in zijn dagelijks leven. En dat was hard nodig, want de leer die Jezus predikte werd enerzijds met grote verbazing ontvangen, an­derzijds echter werd deze fel aangevallen, met name door de Schriftgeleerden.

In de confrontatie met die Schriftgeleerden zien we hoe wijs en vol inzicht Jezus reageerde. Hij deed nooit concessies aan die­genen die hem op listige wijze in de val wilden lokken. Jezus was geen meeloper, kwam niet in het gevlei bij de heersen­de theologenklasse door deze naar de mond te praten.

Drie voorbeelden van wijsheid

Hieronder een drietal voorbeelden van hoe de wijsheid door de Heilige Geest zich in het leven van Jezus manifesteerde.

“Waarom eet Hij met de tollenaars en zondaars?”, vroegen de Farizeeën aan de discipelen van Jezus. Kennelijk durfden ze het de Meester niet zelf te vragen. Jezus heeft zijn oren echter wijd open en hoort wat wordt gevraagd. Vol van wijsheid antwoordt Hij: “Zij die gezond zijn, hebben geen geneesheer nodig, maar zij, die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars” Markus 2 vers 16 en 17 (Mark. 02:16-17).

En heel origineel is het antwoord van Jezus op de vraag, waarom zijn disci­pelen niet vasten, terwijl de volgelingen van de Farizeeën en Johannes dat wel doen. “Kunnen bruiloftsgasten dan vas­ten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten” Markus 2 vers 18 tot en met 22 (Mark. 02:18-22).

Zo’n antwoord kun je al­leen maar geven als je heel duidelijk weet wie je bent. En altijd is Jezus doordrongen van zijn identiteit, die Hem macht en wijsheid verschaft door de Heilige Geest, valse bedoelingen en leringen te ontmaskeren en openlijk ten toon te stellen. Jezus is de bruidegom; als je bij Hem bent is het feest. In de grondtekst staat dat de discipelen van Jo­hannes en de Farizeeën veel vastten. De Farizeeën zelfs twee keer per week, op maandag en donderdag, Lucas 18 vers 12 (Luc. 18:12). Dit vasten was een teken van vroomheid, om aan iedereen te laten zien hoe godsdiens­tig men wel was. Een vas­ten niet geïnspireerd door de Heilige Geest, maar bewerkstelligd door ‘vrome’ geesten, die uiteinde­lijk boze geesten zijn.

Maar Jezus is de bruidegom. Het was in die tijd zo dat als iemand gast was op een bruiloft, hij vrijgesteld was van be­paalde religieuze plichten gedurende de tijd dat het feest duurde. Als de Heer in de gemeente is, is het geen tijd van vas­ten (oudtestamentisch: rouwen of treuren), maar dan eten en drinken we samen. Het samen de maaltijd delen is een ster­ke uitdrukking van ver­bondenheid en vriend­schap. Dat is gemeente zijn met Jezus Christus. Openbaring 19 vers 6 tot en met 9 (Openb. 19:06-09).

Nog een voorbeeld van de wijsheid die Jezus bezat, is het antwoord van Jezus op de vraag van de Fari­zeeën waarom zijn discipe­len op sabbat aren pluk­ten op het korenveld. Ook nu weer is zijn ant­woord origineel en toont Hij daarin zijn identiteit: “De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat. Alzo is de Zoon des mensen heer ook over de sabbat”. Jezus is de Kurios (Grieks voor Heer) van de sabbat, niet de slaaf. De Farizeeën draaien de zaak om. Zij verheffen de sabbat tot doel in zichzelf, ter­wijl het juist een geschenk van God aan zijn volk was, een weldaad Markus 2 vers 23 tot en met 28 (Mark. 02:23-28).

De wijsheid van Jezus is origineel. De gedachten die Jezus uitspreekt zijn oorspronkelijke, zuivere gedachten, geïnspireerd door de Heilige Geest. Een voorbeeld voor chris­tenen als het gaat om on­ze positie in de wereld. De kennis die wij van de Vader hebben – Jezus deed ons Hem begrijpen – mogen we toepassen in ons dagelijks leven, overal en altijd. Zo deed Jezus het immers ook.

Weten wij wie Jezus is?

Wie is Jezus? Dit is één van de kernvragen van het evangelie. Het ant­woord is namelijk de sleu­tel tot God. Als je weet wie Jezus is, weet je wie God is. Als je weet wie God is, weet je wie je zélf bent! Wij zijn immers naar zijn beeld geschapen?

De Farizeeën wilden maar al te graag weten wie Je­zus is. Maar met valse bedoelingen. In Markus 8 vanaf vers 11 (Mark. 08:11 vv) proberen ze te weten te komen wie Hij is, om Hem daarna aan te klagen. Ze willen van Je­zus een teken uit de he­mel, om te kijken wie Hij nou is. Om Hem te ver­zoeken, schrijft Markus erbij. Als Jezus de vraag van de Farizeeën aan hoort en hen doorziet (wijsheid) “zucht Hij diep in zijn geest”. Hij weigert mee te werken, laat hen alleen en gaat aan boord van het schip dat klaar ligt om Hem naar de overkant te brengen.

Jezus doorziet dat ze Hem proberen te ‘pakken’, zo­dra Hij aan hen zijn ware identiteit bevestigt. Daar­voor was het op dat mo­ment niet de tijd. Later wel, als Jezus voor Kajafas staat, die Hem vraagt: “Zijt Gij de Christus, de Zoon van de Gezegende?” Jezus antwoordt dan wel, terwijl Hij weet waarom ze Hem die vraag stellen: “Ik ben het…”

Jezus zucht in zijn geest om zoveel valsheid, geïnspireerd door de satan. Het werkwoord zuchten betekent in het Grieks: stugnazo. Dat is: ontstel­len, ontzetten of treurig of bedroefd zijn. Jezus is ontsteld en bedroefd. Zou de vraag tegen een andere achtergrond zijn gesteld, namelijk om Hem te aanbidden als de Zoon van God in plaats van Hem te kruisigen, dan was de droefenis van dat moment zeker een ogen­blik van grote vreugde voor Jezus geweest.

Wanneer komt het inzicht?

Als Jezus aan boord van het schip gaat, waar zijn discipelen al zijn, zien wij dat zij nog niet be­grijpen wie Jezus is. Je­zus waarschuwt hen, na de confrontatie met de Farizeeën op de vaste wal, voor het zuurdesem van de Farizeeën.

De discipelen hadden ver­geten brood mee te nemen. Dat was een probleem, omdat ze voorlopig geen brood zouden kunnen ko­pen en dus honger moes­ten lijden. “Waarom spreekt gij erover dat gij geen broden hebt? Ver­staat gij nog niet en be­grijpt gij niet? Hebt gij een verhard hart? Hebt gij ogen en ziet gij niet; hebt gij oren en hoort gij niet?”

Jezus vermaande zijn dis­cipelen. Eén en ander moet namelijk tegen de achtergrond van de twee wonderbare spijzigingen worden gezien. Tot tweemaal toe zagen zijn volge­lingen dat Hij van vrijwel niets brood maakte, maar ze “waren bij de broden niet tot inzicht gekomen” Markus 6 vers 52 (Mark. 06:52).

Nóg hebben de discipelen geen inzicht in de identi­teit van Jezus. Ze weten niet wiet Hij is. Anders zouden ze niet met elkaar hebben overlegd hoe dat nou moest met hun dage­lijks voedsel.

De harten van Jezus’ vrienden waren nóg ver­hard. Ze waren niet tot inzicht gekomen, ook niet na de vele vormen van manifestatie van de Heilige Geest in het leven van Je­zus. Zijn identiteit was nog steeds verborgen. Die identiteit in deze context is, dat Jezus de vermenig­vuldiger van het brood is. Met andere woorden: Jezus deelt zijn woorden uit aan wie er maar van wil eten! Dat is nu: bij de broden tot inzicht komen. Het duidt erop dat je inzicht krijgt in wie Jezus is, als je zijn woorden ‘opeet’.

De ogen gaan open

Bovenstaande staat in het evangelie naar Markus be­schreven in hoofdstuk 8 vers 11 tot en met 21 (Mark. 08:11-21). In Betsaïda gekomen, mani­festeert de kracht van de Heilige Geest zich ander­maal in het leven van de Heer. Een blinde wordt door Jezus op een origi­nele manier genezen. Zijn ogen gaan open (Mark. 08:22-26).

In Markus 8 vers 27 tot en met 30 (Mark. 08:27-30), zien we dat ook de ogen van de dis­cipelen opengaan vóór de identiteit van Jezus. Ze zien dan wie Jezus is.

“Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Zij antwoord­den en zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; weer anderen: Eén van de profeten. En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben? Pe­trus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus”!

Nu zien we dat de ogen van de discipelen open zijn gegaan. Ze bevestigen de identiteit van Jezus, nadat ze al een hele tijd van dichtbij hebben mee­gemaakt , hoe de Heilige Geest zich in het leven van Jezus manifesteerde.

Een zaak van identiteit

Het verlangen naar de volledige openbaring van de Heilige Geest in ons leven, is een zaak van identiteit. Wie ben je in Christus? Weet je daarop een antwoord, dan is de weg vrij voor de Geest om zijn heilzaam werk te doen. Net als in het leven van Jezus. Aan zijn iden­titeit ontlenen wij onze identiteit. Dat wordt mo­gelijk door de doop in de Heilige Geest, dat is de Geest van Christus, Romeinen 8 vers 9  (Rom. 08:09).

Wij behoren Hem toe. Dat komt tot uitdrukking in onze naam: christenen. Heb je je identiteit aldus gevonden, ben je bij de broden tot inzicht geko­men, dan kan de Heilige Geest de veelkleurigheid van God in ons manifes­teren .

Dan kunnen christenen de opdracht van Christus volledig uit voeren: “In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen en zelfs in­dien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de han­den leggen en zij zullen genezen worden” (Mark. 16:17b-18).

Net als Jezus zijn, net als Jezus doen…

 

 

 

Zijn gedachten vrij? Door Tea Keuper Dijk

“Hieruit volgt, broeders, dat je je gedachten moet richten op alles wat waar, eervol, rechtvaardig, zuiver, mooi en aangenaam is, kortom alles wat voortreffelijk en bewonderenswaardig genoemd mag worden” (Filippenzen 4 vers 8 (Filip. 04:08), Het Levende Woord).

leder mens is geschapen met een denkvermogen. Hij bezit daartoe een geest, die zich ergens op kan richten, zich ergens mee bezig kan houden in de geestelijke wereld.

In feite ben je nooit zonder gedachten: je kunt ze niet uitschakelen of stopzetten. In de slaap ben je er vaak nog mee bezig, al kun je door slaap soms een poos alles om je heen vergeten.

We zijn God dankbaar voor ons geestelijk vermogen. Andere scheppingen: dieren, planten en bloemen hebben ook een levensgeest, maar die van de mens is van hogere orde. Immers: wij zijn naar Gods beeld geschapen en… God is geest.

Wanneer je hierover nadenkt begrijp je ook waarom God ‘onze geest begeert met jaloersheid’ Jakobus 4 vers 5 (Jak. 04:05). Waarom Hij, in Christus en dóór Zijn Geest in ons wil wonen: Hij verlangt naar gemeenschap met Zijns gelijke! Jezus Christus was de eerste mens, die aan God gelijk was. Hij was Gods Geliefde, in wie Hij een welbehagen had! En – omdat Jezus de Heilige Geest zond aan mensen op aarde – is het mogelijk door die Geest te groeien naar het zoonschap! Daar verlangt God zo naar! Want – in gemeenschap met God kunnen wij onze gedachten, onze geest alleen op het positieve richten, kunnen’ we bedenken wat waardig, waar, zuiver, mooi, eerlijk en aangenaam is!

Zodra onze gedachten bezig zijn met iets, wat negatief is of negatief beïnvloedt, zorg, haat, liefdeloos denken, eer- en zelfzucht, wat niet al, komen onze gedachten onder invloed van de tegenstander van God, de vernieler en kaalvreten. Het ‘vreet aan je’! Je kunt er ziek en overspannen van worden. En die gedachten kunnen – net als de positieve – tot daden worden. Positieve gedachten – positieve daden; negatieve gedachten – negatieve daden!

Wat is het goed, gedachten ‘krijgsgevangen te maken’! Ze te zuiveren en de kwade uit te bannen, satan te weerstaan. (Biedt weerstand en hij zal van u vlieden). Wat is het goed, het goede te bedenken en tegenover het kwade te zetten, zodat dat wordt overwonnen. Ook in de praktijk van elke dag, waar we ook zijn. Je richten op het Goddelijke en vandaaruit je medemens ‘beïnvloeden’, dat wil zeggen: in het goede laten meedelen, het goede met hem of haar delen. Dat werkt wat uit, zéker weten!

Mijn gedachten zijn vrij:

God kent mij van binnen,

Hij reinigde mij,

mijn hart en mijn zinnen.

Wil satan mij raken:

Gods Geest doet mij waken.

Hij overwint in mij!

Mijn gedachten zijn vrij!

Tea Keuper-Dijk

 

De grote lofzang door Wim te Dorsthorst

 

Wij lezen in de evangeliën dat Jezus aan het einde van zijn bediening met zijn discipelen het Pascha – dat is de paasmaaltijd – houdt. In Matteüs 26 vers 30 (Matt. 26:30) en Markus 14 vers 26 (Mark. 14:26) zien wij dat het Pascha werd besloten met ‘de lofzang’. “En na de lofzang gezongen te heb­ben, vertrokken zij naar de Olijfberg”, lezen we dan. Deze lofzang heeft de naam ‘het Hallel’ en bestaat uit de Psalmen 113 tot en met 118.

De paasmaaltijd is niet een bezigheid waar een ieder – in stil gepeins verzonken – eet wat voor­geschreven is, maar het is een feestmaaltijd waar­bij gegeten en gedronken wordt. De hele maaltijd is rijk aan symboliek, aan gesprekken, aan vraag en antwoord en niet in het minst aan lofzang.

Zo is het hele joodse gezin er intens bij betrok­ken, terwijl de heer des huizes in alles voorgaat en de maaltijd leidt. Het is alsof de tijd stilstaat als iedereen met zijn fa­milie dit feest viert en na de lofzang de tijd weer voortschrijdt. “Na de lofzang gezongen te hebben, vertrokken zij naar de Olijfberg”. Ook voor de Heer gaat nu de tijd weer verder en gaat Hij zijn opdracht van de Vader voleindigen.

De plaats van het Hallel

Het hallel is de grote hymnen-cyclus, die op hoogtijdagen gebeden en gezongen wordt. Ook op laatste dag van het Loofhuttenfeest is het opgeno­men in de liturgie van de viering in de tempel. Eveneens op het Pinkster­feest, het inwijdingsfeest van de tempel en het feest van nieuwe maan wordt het ‘groot hallel’ gezongen. ‘Hallel’ is een afkorting van ‘Hallelujah’ en dat betekent: ‘Loof de Heer’.

Het woord ‘Hallel’ is in zijn oorspronkelijke bete­kenis klankverwant met het woord ‘uitstralen’. Als de lofzang gezongen wordt dan straalt dat uit, dan breekt dat door de begrenzing van de tijd en plaats heen en komt het eeuwige, ja, De Eeuwige, nabij en bereikt het de einden van hemel en aar­de. De ‘eeuwigheid’ is dan ook een motiefwoord in deze zes psalmen, zoals we zullen zien.

Symboliek en werkelijkheid

Jezus viert zo dit laatste Pascha met zijn discipelen. Hij zegt: “Ik heb vurig begeerd dit Pascha met u te eten, eer Ik lijd.

Want Ik zeg u, dat Ik het voor­zeker niet meer eten zal voordat het vervuld is in het Koninkrijk Gods” Lucas 22 vers 15b en 16 (Luc. 22:15b-16). De Heer weet wat dit Pascha bete­kent voor Hem en voor de hele mensheid. Hij is op­gegaan naar Jeruzalem om als Lam geslacht te wort den.

Tot op deze avond was het lichaam van het Pascha’ het lam (met je geweest dat geslacht werd zoals voorgeschreven in Exodus 12. Nu zegt de Heer: “Dit is mijn lichaam” en “dit is mijn bloed” en spreekt de Heer van “mijn verbond” Matteüs 26 tot en met 28 (Matt. 26:26-28). Ook de gesprekken waarin de heer des huizes over het verleden vertelde, zien nu vooruit en kondigen de nieuwe, eeuwige dingen aan die op het punt staan openbaar te worden (Johannes 13 tot en met 17).

Alle symboliek krijgt nu de vervulling in Hem, het onberispelijke en vlekke­loze Lam Gods. “Hij was, van tevoren gekend, vóór de grondlegging der we­reld, doch is bij het einde der tijden geopenbaard terwille van u”, zegt Pe­trus in 1 Petrus 1 vers 19 en 20 zie ook Openbaring 13 vers 8 (1 Petr. 01:19-20; Openb. 13:08) .

Het hele Pascha, dat de Joden altijd weer met zo’n grote nauwgezetheid vierden , had zijn oorsprong en steunde op het Lam Gods, dat gekend was vóór de grondlegging der wereld en geslacht was sedert de grondlegging der wereld.

De Hebreeënschrijver merkt op dat Gods werken van de grondlegging der wereld af al ‘volbracht’ waren Hebreeën 4 vers 3 en Genesis 2 vers 2 (Heb. 04:03, Staten- vert.; Gen. 02:02). In de volheid des tijds echter is het Lam op de door God bepaalde tijd en wijze werkelijk geslacht en is er geroepen: “Het is vol­bracht” Johannes 19 vers 30 (Joh. 19:30). Van nu af aan is er geen bloed van dieren meer no­dig, maar is het Lam ge­slacht dat de mens met zijn bloed koopt voor God, Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09).

Het nieuwe is gekomen

Jezus weet tot in details wat er gebeuren gaat als Hij als ‘de Heer des hui­zes’ de paasmaaltijd leidt. Hij heeft er vurig naar verlangd., zegt Hij, en Hij heeft over alles heen ge­zien, omdat Hij wist wat dit voor de hele schep­ping zou betekenen. Dit heeft Onze Heer met gro­te vreugde vervuld.

Telkens als de Joden ‘het Hallel’ zongen, zongen ze van Hem, want ook deze psalmen spreken en ge­tuigen van Hem die het leven is Johannes 5 vers 39 en Lucas 24 vers 27 en Lucas 24 vers 44 (Joh. 05:39; Luc. 24:27; Luc. 24:44). Het Pascha heeft zijn vervulling in Hem en als Hij met de discipelen de lofzang zingt, dan wordt het oude opgeheven om het nieuwe te doen gelden. En het is juist dit nieuwe wat in ‘het Hallel’ bezon­gen wordt en daarom is het voor de gemeente van Jezus Christus een heer­lijke en vreugdevolle on­derwijzing. Daarom gaan wij in enkele artikelen nadenken over de rijke inhoud van deze psalmen.

Van nu aan tot in eeuwigheid

Elk van de zes psalmen van de lofzang heeft wel een eigen karakter, een eigen boodschap, maar toch vormen ze ook een prachtig geheel. Als wij ze beluisteren vanuit dat gebeuren bij die laatste Paasmaaltijd, waar Jezus zelf aan het woord is in samenspraak met de eer­ste gemeente, zien we  hoe de woorden uitstra­len en de eeuwigheid om­vangen.

In vers 2 van Psalm 113 (Ps. 113:002) wordt dit uit gedrukt met de woorden: “Van nu aan tot in eeuwigheid”. Ook in Psalm 115 vers 18 (Ps. 115:018) zien we diezelfde uitdrukking: “Van nu aan”. Er veran­dert dus iets, er breekt iets nieuws door, wat er nog niet geweest is. Van nu aan tot in eeuwigheid zal het anders zijn, zal het nieuw zijn.

De naam des Heren

“Halleluja. Looft, gij knechten des Heren, looft de naam des Heren. De naam des Heren zij gepre­zen van nu aan tot in eeuwigheid. Vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zij de naam des Heren geloofd” (Ps. 113:001-003). Tot drie­maal toe lezen wij hier in deze eerste drie verzen ‘de naam des Heren’. Het is duidelijk ook een motiefwoord in deze lofzang, waarin elfmaal gesproken wordt van ‘de naam des Heren’. Jezus heft de lof­zang aan met een oproep aan zijn eerste dienst­knechten : “Looft, gij knechten des Heren, looft de naam des Heren. De naam des Heren zij gepre­zen van nu aan tot in eeuwigheid”.

Zeker, de Israëlieten heb­ben dit altijd gezongen en velen zingen het nu nog, maar zij kenden en ken­nen hun God niet. Ja, ze hadden ‘de Naam’. God had tot Mozes gezegd toen hij vroeg naar zijn Naam: “Ik ben die Ik ben”, Exodus 3 vers 14 (Ex. 03:14). Mozes moest tot de Israëlieten zeggen: “De Here, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u ge­zonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht”, Exodus 3 vers 15 (Ex. 03:15). In letterlijke opvolging van het gebod in Exodus 20 vers 7 (Ex. 20:07) werd ‘de Naam’ niet meer uitge­sproken en las men de naam: ‘Adonai’. Het was als een etiket dat je op iemand plakt om hem aan te duiden. Rekenen we dat de Israëlieten toe? Zeker niet, ze konden Hem immers niet kennen’

Jezus Christus heeft ons geopenbaard wie God is. Niemand anders in de ganse schepping is hier­toe bij machte Openbaring 5 vers 13 (Openb. 05:13). “Niemand heeft ooit God gezien; de eniggebo­ren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen ken­nen”, zegt Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18). Zelf zegt Jezus: “Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien”; en: “Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden” Johannes 5 vers 37 en Johannes 7 vers 29 (Joh. 05:37; Joh. 07:29).

Jezus openbaarde Gods wezen

Jezus heeft niet alleen geleerd wie God is, maar Hij heeft Hem geopen­baard. Dat wil zeggen, dat Hij volmaakt ‘eens wezens’ is met de Vader. “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” Johannes 14 vers 9 (Joh. 14:09). Hij en de Vader zijn één (Joh. 10:30). Hij had voor het oog gestalte noch luister, maar Hij weerspiegelde op volmaakte wijze het wezen, het karakter en de heer­lijkheid van God, zijn Va­der. Uit zijn binnenste stroomde voortdurend de Goddelijke heerlijkheid. Iedere – in de Bijbel ge­noemde – eigenschap van God was in Hem aanwezig en kreeg in Hem zijn wa­re invulling.

Hij openbaarde niet alleen, maar Hij was en is vol­maakt wat God aan Mozes openbaart als hij de heer­lijkheid Gods wil zien. Wij lezen van deze gebeurte­nis in Exodus 34 vers 6 en 7a (Ex. 34:06-07a): “De Here ging aan Mozes voorbij en riep: Here, Here, God, barm­hartig en genadig, lank­moedig, groot van goedertierenheid en trouw, die goedertierenheid besten­digt aan duizenden, die ongerechtigheid, overtre­ding en zonde vergeeft”.

Zo openbaarde Jezus het wezen van God, het ka­rakter van God, de Naam van zijn eigen Vader. Hij was ten diepste in zijn wezen, Hij was zélf die Naam en noemde zich dan ook herhaaldelijk: ‘Ik ben’.

In het ‘Hogepriesterlijk gebed’ zegt Jezus: “Ik heb Uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt; en: “Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en Ik zal hem bekend maken, opdat de liefde waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hun zij en Ik in hen”, Johannes 17 vers 6 en Johannes 17 vers 26 (Joh. 17:06 en Joh. 17:26).

Aan zijn apostelen heeft de Heer geopenbaard wie God is en toen ze op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvingen, werd dat voor hen werkelijk­heid in hun hart. Maar Jezus zegt: “Ik zal die naam blijven bekend maken”. Nu verkondigt en openbaart de Heer de Naam van God door zich­zelf te openbaren aan de Geest vervulde gelovigen die Hem liefhebben en Hem gehoorzamen, even­als de apostelen toen Hij in hun midden was, Johannes 14 vers 21 en Matteüs 11 vers 27 (Joh. 14:21; Matt. 11:27). Zo ontstaat er een volk die de Naam kent en op waarachtige wijze – in Geest en in waarheid – looft en aanbidt, Johannes 4 vers 23 en 24 (Joh. 04:23-24). En dat zal uitlo­pen op wat vers 3 van Psalm 113 zegt (Ps. 113:003): “Vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat, zij de naam des Heren geloofd”.

(wordt vervolgd).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Zakdoekjes en gebed

Daar stond ik dan, te snuffen en te snikken. Zomaar. .., nou ja, dat gebeurt nooit zomaar. Maar het huilen overviel me! Verdriet, waar ik niet zoveel mee te koop liep, kwam naar buiten en zocht een uitweg. En ik had niet eens een zakdoekje bij me…

Achter op het podium zag ik door een waas van tranen een groot kruis gemetseld in de muur! Jezus’ lijden en sterven voor mij.

Dat grote sprekende kruis sprak van het volbrachte werk van Jezus, onze Heer. Naar Hem wilde ik gaan met al m’n verdriet.

Door mijn tranen heen zag ik ook vlak voor me, op het podium, een pakje papieren zakdoekjes liggen. Evengoed een oplossing voor al dat water op m’n gezicht en in mijn neus. Maar hoe dicht ze ook bij me waren, ik strekte m’n hand niet uit om ze te pakken! Het enige wat ik deed en kon was huilen en schuilen bij God!

Er stonden om me heen meer vrouwen die naar voren waren gekomen. Naast me stond een grote vrouw met een lichtbruine rok. Ik zag alleen de rok, omdat ik mijn hoofd wat beschaamd gebogen hield. Ik voelde hoe ze rustig, haast teder, een arm om mijn schouders legde en me een beetje tegen zich aandrukte. Met de andere hand gaf ze met het pakje zakdoekjes. Zonder dat ze het zei, wist ik zeker dat ze ook voor me bad.

Zakdoekjes en gebed: het troostte me zo!

Ze reikte me iets aan, waar ik zelf niet bij kon! Toen ik weer ging zitten had ik nog niet gezien wie deze vrouw was geweest. Pas de volgende morgen herkende ik de ‘rok’ en zo de vrouw!

Misschien was het niet nodig geweest, er werd wel meer samen gehuild en gebeden, maar ik wilde het toch even uitleggen. Het kwam zo onverwachts boven! “Ik moest gisteren ineens zo huilen, en ik vond het lief van u dat u me troostte…, ik had helemaal geen zakdoekjes bij me. Dan sta je daar zo te snuffen. Vond u het niet gek?”

“Weet je”, zo begon m’n zuster in de Heer, “de avond daarvoor was ik ook naar voren gegaan en over kwam me precies hetzelfde als jou. God raakt je soms aan, dat de tranen gaan stromen. Verdrukt verdriet dat een uitweg zoekt! Toen was er iemand die naast me stond en haar armen om me heen sloeg en me zachtjes troostte. Nu was het net of God tegen me zei: Troost jij nu maar, zoals jezelf getroost bent!”

 

De rechtszaal van God door Margreet Gast

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijge­maakt van de wet der zonde en des doods” (Romeinen 8 vers 1 en 2 (Rom. 08:01-02).

In het Woord van God komen we regelmatig het beeld van het ‘recht­spreken’ tegen. Zo is er bijvoorbeeld in Jesaja 50 vers 8 (Jes. 50:08) sprake van het voeren van een rechts­geding. Wat zich in de gedachten en het gevoe­len van een kind van God afspeelt, is inder­daad vaak te vergelijken met het gebeuren in een rechtszaal.

Wat gebeurt er in de rechtszaal?

In de rechtszaal vinden we allereerst een rechter. Dat is God, Hij is de rechter die zal oor­delen over levenden en doden, Psalm 50 vers 6 en Psalm 75 vers 8 en Jakobus 4 vers 12 (Ps. 050:006; Ps. 075:008; Jak. 04:12).

Er is ook een gedaagde, een aangeklaagde, dat is de mens. Hij staat daar voor de Rechter. Om die mens is het alle­maal te doen. Over zijn leven zal een uitspraak moeten komen.

De gedaagde is gelukkig niet alleen. Hij heeft een advocaat, die erbij geroepen is om hem te helpen, om voor hem te pleiten. Dat is de Heilige Geest, de Parakleet, Johannes 14 vers 16 en Romeinen 8 vers 26b (Joh. 14:16; Rom. 08:26b).

Naast de mens in de be­klaagdenbank staat nog Iemand. Degene die voor hem Broeder-door-dik-en- dun zal blijken te zijn. Dat is Jezus. Hij is de mensenzoon, die gekomen is om zijn broeders bij te staan en niet te ver­laten, in welke moeilijke situatie dan ook, Hebreeën 2 vers 17 en 18 (Heb. 02:17-18).

Degene die het gehele ta­fereel vaak domineert is de aanklager. Die is onmiskenbaar aanwezig. De aanklager van de broeders Openbaring 12 vers 10b (Openb. 12:10b) die hen dag en nacht aanklaagt voor God, zal met gewéld en brutaliteit de leugens over de mens die rechtszaal in slingeren.

Angst voor veroordeling

De satan doet niets an­ders dan de mens be­schuldigen. Ook leugens over het wezen van de mens brengt de aanklager in de gedachten van de mens. Angst voor straf, voor veroordeling gaat dan de mens beheersen Angst ‘voor straf brengt een verwijdering tussen God en mens. Door Jezus Christus is de relatie hersteld, omdat door Jezus de veroordeling is weggenomen. Alle straf – welke eigenlijk het deel van de mens zou zijn – was immers op Hem! Deze volmaakte liefde van God, drijft alle vrees – angst voor veroordeling – uit 1 Johannes 4 vers 18 (1 Joh. 04:18).

Ontkomen aan veroordeling

Hoe ontkomen we aan de veroordeling? Gods ant­woord op deze vraag is in en door Jezus Christus gegeven. Er is geen ver­oordeling voor hen die in Christus Jezus zijn Romeinen 8 vers 1 (Rom. 08:01). God wil niets liever dan een innige relatie met elk van zijn kinderen. Hij heeft er alles aan ge­daan om dat mogelijk te maken. Want dan kan Hij vrijuit spreken met de mens en zijn herstel bewerken .

Maar desondanks gebrui­ken kinderen Gods nog maar al te vaak andere manieren om van de ver­oordeling af te komen. Het lijkt dan of hetzelfde doel is bereikt, namelijk ‘geen veroordeling’. Maar in werkelijkheid zijn het schijnoplossingen. Ze lei­den er namelijk niet toe dat er open met de Vader over de zonde gesproken wordt en dus leiden ze niet tot herstel!

Een mogelijkheid om niet veroordeeld te wor­den is: de beschuldigin­gen van de aanklager af­zwakken.

In de gedachten en het spreken van de mens worden dan allerlei ver­ontschuldigingen aange­dragen, waarom ‘het’ alle­maal zo erg niet is. Of de schuld wordt gegeven aan de omstandigheden. Kort­om : de mens staat in de rechtszaal maar te veront­schuldigen. Maar tot een gesprek tussen de rech­ter en de gedaagde komt het niet.

Een andere mogelijk­heid is: zich doof houden voor de aanklacht.

Wil je als mens de be­schuldigingen niet aanho­ren , bijvoorbeeld uit angst voor alles wat dat met zich meebrengt, dan is een hele ‘goede’ ma­nier: om je volledig doof te houden voor al het le­lijks wat er op je af wordt gevuurd. Is er geen aan­klacht’, dan is er dus ook ‘geen veroordeling’.

Wordt deze methode ge­bruikt, dan is het resul­taat helaas, dat er geen gesprek met deze mens meer mogelijk is! Er komt een bedekking over de geest van de mens. Elke uitspraak over hem of haar wordt niet verdra­gen. Dat er dan ook geen gesprek met de Rechter zal plaatsvinden, is dui­delijk. Er zal dus ook geen weg tot herstel zijn.

Nog een manier is: de rechtszaal mijden.

Sommige mensen – kinde­ren Gods! – hebben zo’n angst voor de aanklager, dat ze de rechtszaal bij wijze van spreken niet eens binnen gaan. Er is een grote moedeloosheid en een verlammende angst. Ondanks de Broeder Je­zus, ondanks de Pleiter de Heilige Geest, durven ze het leven niet aan. Het geloof in Jezus is dan nagenoeg weggedrukt door het ander ‘geloof’, namelijk de angst voor de aanklager. Ook deze men­sen zullen zo de weg van herstel niet vinden.

Nog een manier om van de veroordeling af te komen is: zelf gaan beschul­digen.

Ook door kinderen Gods wordt deze – duivelse – methode om van de straf af te komen, gebruikt. Diep in het hart van de mens is er pijn om het onrecht hem aangedaan. Hij gaat dan, als reactie op de valse beschuldi­gingen en uit angst voor de dreigende straf, de methode van de aanklager overnemen en even hard ’terugschreeuwen’. Ande­re mensen krijgen de schuld.

Als kinderen Gods zo re­ageren is dat vaak een aanwijzing ervoor dat ze zelf nog niet hebben be­grepen wat het betekent dat door Christus hun zonden zijn vergeven, en dat ze in liefde door de Vader zijn aangenomen. Want pas als men dat zelf begrepen en ervaren heeft, wat het is om niet veroordeeld te worden, zal men een ander ook niet veroordelen.

Tot slot kan aan de veroordeling ontkomen worden door: de duivel de schuld te geven.

Door ^e prediking van het Koninkrijk der heme­len is duidelijk geworden dat de duivel de bron is van alle kwaad. Hij zon­digt vanaf het begin, 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08). Maar dit gege­ven kan worden gebruikt om de duivel de schuld te geven van de zonden die de mens doet. Het lijkt zo mooi en zo waar. De mens is van de schuld en veroordeling af, want de duivel is schuldig. Maar vaak komt het ook niet tot een gesprek met de hemelse Vader. De vraag naar het eigen fa­len en hoe dat te voorko­men, wordt niet gesteld.

In Christus geen veroordeling!

God wil niets liever dan in liefde en vrijheid met Zijn kinderen praten over hun leven, over de manier om de gezamenlijke vijand uit dat leven uit te ban­nen. God wil dat we volledig mens zijn.

De weg hiertoe gaat via de rechtszaal. Het geloof in Christus maakt de oren van de kinderen Gods doof voor de leugenachti­ge aanklachten van satan, en maakt die oren wijd open voor de raadgevin­gen van de Vader. Praten over de verkeerde dingen in het eigen leven?

Graag’ Maar dan wel met de Vader en zeker niet met de aanklager. Laat er recht geschieden. Laten de kinderen Gods de rechtszaal ingaan om tot herstel te komen. “En zij hebben hem – de aankla­ger – overwonnen…” Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11). Gode zij dank, door Jezus Chris­tus.

 

Stille tijd (gedicht) door Piet Snaphaan

Het drukke leven aller dagen,

dat vraagt veel aandacht van de mens.

Daarom is ’t raadzaam God te vragen,

of Hij je dagelijks wil schragen,

met wijsheid, inzicht, ’t al intens.

 

Vandaar in stilte je bezinnen,

spreken met God, leren verstaan.

Gedachten Gods, die soms vergingen,

doordat je dacht aan andere dingen.

Hij reikt ze je opnieuw weer aan.

 

Daarom al aandacht, zoekt dat stille,

waar God u voor uw taak bereidt.

‘t Is Zijn verlangen, dat te willen,

Hij zal u boven ’t aardse tillen,

doen zegevieren in uw strijd.

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts -8-

De uitleiding uit het diensthuis

In het boek Openbaring wordt veel over engelen gesproken, maar ook veel over volkeren. Het boek Openbaring is helemaal een ‘boek van de uittocht’, een exodusboek. Het gaat in het boek om een viervoudige exodus: 1. De uittocht van de mens; 2. De uittocht van de gemeente; 3. De uittocht van de volkeren; 4. De uittocht van de schepping. De hele schepping wordt uit het diensthuis geleid. De wereld ligt in het boze, maar niet om daar te blijven. God gaat de hele schepping onder de machten vandaan halen.

In het boek Openbaring wordt 23 keer over volk of volkeren gesproken. In Openbaring 22 vers 2 b (Openb. 22:02b) lezen we dat de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren. Ik geloof dat God juist voor de komende tijd iets op het hart heeft. Hij zegt: ‘Ik ga niet alleen ménsen genezen, maar Ik ga ook volkeren genezen’. Hoe vaak zijn volkeren niet beschadigd. De negers zijn als slaven verhandeld, vaak juist door christelijke naties. Het motto daarbij was: ‘Het zijn afstammelingen van Cham en Cham is vervloekt’. Het heeft er niets mee te maken, want niet Cham, maar zijn zoon Kanaän is vervloekt. In Kanaän wonen geen negers. Ik denk dat het principe van Kanaän vervloekt wordt, namelijk het principe van het occultisme, de afgoderij. Kanaän was door en door occult.

Veel volkeren zijn kapotgeslagen. Eén van de kenmerken van Babel is de dwang cultuur: alles onder één cultuur. Het principe van Babel is: de cultuur van een volk wurgen. Je maakt in zo’n volk iets wezenlijks kapot. Ik denk daarom ook dat God bedoelt dat, als een volk genezen wordt, de eigen cultuur van dat volk weer uit de verf komt. Dit is juist de veelkleurigheid. In de culturen zitten wezenlijke elementen, die geweldig goed zijn. De afgoden hebben deze kuituren tot hun instrumenten gemaakt. Je krijgt dan een karikatuur, een vertekend beeld. De volkeren worden als. het ware in een tang genomen en in een dwangbuis geperst. Je kunt eigenlijk niet spreken van primitieve volkeren. Ze zijn gedegenereerd.

We moeten twee dingen goed onderscheiden. Bij ‘Babel’ zijn de verschillende talen ontstaan. Daardoor is er een kloof tussen de volkeren gekomen. De klóóf tussen de volkeren is demonisch; de veelkleurigheid is echter niet verkeerd. Een demonisch element bij de spraakverwarring is dat de volkeren elkaar niet meer verstaan. Het wordt haat en nijd ten opzichte van elkaar. We komen hier later nog op terug.

Van het ene volk naar alle volken

We lezen in Psalm 147 vers 19 en 20 (Ps. 147:019-020): “Hij heeft Jakob zijn woorden bekendgemaakt, Israël zijn inzettingen en verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet. Halleluja”. Een vreemde tekst op het eerste gezicht. ‘Halleluja’ slaat niet op de laatste regel. Je kunt niet blij zijn met de gedachte: ‘Er is maar één volk dat God kent en de rest weet nergens van’.

Deze Psalm toont ons een bepaalde geschiedenis. God is begonnen met dit ene volk. Aan hen heeft Hij zijn inzettingen toevertrouwd. Zo doet God het ook nu! Hij begint met de gemeente en zegt: ‘Ik ga jullie mijn woorden, mijn gedachten toevertrouwen; mijn verordeningen en principes. De andere volken hebben dit nog niet, maar het zal wél komen. Via dat ene volk zal het komen tot alle volkeren’. Daarom zegt Jezus: “Maakt al de volken tot mijn discipelen” Matteüs 28 vers 19 (Matt. 28:19). In vers 12 van Psalm 147 (Ps. 147:012) begint het met ‘Jeruzalem’: “Jeruzalem, roem de Here, Sion, loof uw God”. Dit wordt gezegd tegen het enige volk dat er verstand van heeft. De anderen kunnen nog niet roemen. God begint met dit ene volk. En als er in vers 15 staat: “Hij zendt zijn bevel op aarde, zijn woord loopt zeer snel”, doet ons dat denken aan wat Paulus schreef in 2 Thessalonicenzen 3 vers 1 (2 Thess. 03:01): “Voorts, broeders, bidt voor ons, dat het woord des Heren snelle voortgang hebbe”.

“Hij geeft sneeuw als wol, Hij strooit rijp als as; Hij werpt zijn ijs als stukken; wie kan bestaan voor zijn koude”, lezen we in Psalm 147 vers 16 en 17 (Ps. 147:016-017). Hier wordt de wintertijd bedoeld. Er zit een beeld in van de geestelijke geschiedenis der mensheid. Ook in die tijd zaten de volken in een wintertijd. Er staat: ‘Zijn verordeningen kennen zij niet’.

De lentetijd voor de volken breekt aan

Maar nu komt het woord in beweging, want we lezen in vers 18a: “Hij zendt zijn woord en doet ze smelten”. Dit is het evangelie. Zó gaat God de volken ontdooien. Er komt een lentetijd voor de volken. Voor deze tekst kun je ook zeggen: “Hij zond zijn woord, Hij genas hen”, zie ook Psalm 107 vers 20 (Ps. 107:020). In vers 18b, Psalm 107 vers 18b, (Ps. 107:18b) lezen wij: “Hij doet zijn wind waaien, – daar vloeien de wateren”. Hij doet de adem van zijn Geest gaan over de bevroren volkeren. Ze waren ingevroren in een geestelijke doodsstaat. Dan vloeien de wateren: stromen van levend water. De volkeren gaan tot leven komen.

We willen ook nog even het begin van deze Psalm lezen: “De Here bouwt Jeruzalem. Hij verzamelt Israëls verdrevenen; Hij geneest de verbrokenen van hart en verbindt hun wonden” (Ps. 147:002-003). Het is frappant dat het gelijk verbonden wordt met de geestelijke wereld, want we lezen in vers 4: “Hij bepaalt het getal der sterren. Hij roept ze alle bij name”. Sterren zijn vaak beeld van de engelen. God roept de sterren: de engelen, die over de volkeren zijn, bij name, opdat zij zullen uitgaan over de volkeren en opdat de ijstijd wordt verdreven. ‘Hij geneest de verbrokenen van hart’: God gaat de verbroken volken genezen.

De tekst: ‘De bladeren van het geboomte zullen zijn tot genezing van de volkeren’, krijgt nu een diepe betekenis. De bladeren van het geboomte zullen niet slechts dienen tot genezing van ménsen, maar ook tot genezing van volkeren, die vertrapt, verdrukt, geslagen en uitgebuit zijn. Ik geloof dat de gemeente, in de geestelijke wereld, voor de volkeren op de bres zal staan, om over de volkeren de duisternis terug te drijven. En de engelen zullen hieraan actief meewerken!

 

Volmaakte schepping door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Stilte, bomen, die zacht hun bladeren wiegen in de wind,

Geuren van bloemen; de zon die te schijnen begint…

Warmte, weldadig en helend.

Wolken, zacht zeilend voortgedreven door de wind,

daar, waar het leven begint, z’n oorsprong vindt…

God heeft het gedacht en – zij waren,

de bomen, de bloemen en blaren,

de winden, de zee en de aarde –

’t Was goed en – ’t is God, die het spaarde.

 

1989.04 nr. 302

Levend geloof 1989.04 nr. 302

De vrijheid van de Geest door Gert Jan Doornink

Pinksteren heeft vele aspecten. Eén ervan is de ‘vrijheid’ die de Heilige Geest wil bewerken in het leven van ieder mens dat zich daarvoor openstelt. Dit openstellen houdt in dat de mens tot geloof komt in Christus, want Hij is Degene die werkelijk vrijmaakt. Hij heeft de volle prijs voor de vrijheid van de mensen betaald. Petrus zegt van de gelovigen dat zij vrijgekocht zijn met het kostbare bloed van Christus 1 Petrus 1 vers 18 en 19 (1 Petr. 01:18-19).

Wie Christus heeft aanvaard kan voortaan als een ‘vrije man’ of ‘vrije vrouw’ door het leven gaan. De afrekening met het verleden heeft definitief plaatsgevonden. Hij heeft “onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht” 1 Petr. 2 vers 24a (1 Petr. 02:24a). “Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons” Psalm 103 vers 12 (Ps. 103:012).

Een geheel nieuwe wereld is voor ons opengegaan; er is een totale verandering in ons leven gekomen. We zijn nieuwe scheppingen in Christus met als doel om “voor de gerechtigheid te leven” 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24). Dat houdt in dat wij geroepen zijn het nieuwe leven van Christus te openbaren.

Het nieuwe leven is een vrij leven

Dit nieuwe leven is een ‘vrij leven’, dat wil zeggen: het wordt niet langer beheerst door de vorst der duisternis. We zijn vrijgekocht van de zonde, maar ook van alles wat ons opgelegd was. Bijvoorbeeld als wij meenden dat wij God konden dienen door de wet te vervullen, mogen wij nu weten dat de wet in Christus vervuld is. Nu gold de wet in de eerste plaats voor de Joden, maar ook niet-Joden, die God willen dienen menen vaak nog dat dit alleen mogelijk is in een keurslijf van geboden en verboden.

De Bijbel stelt echter zeer nadrukkelijk: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt” (Gal. 05:01). Alleen geloof in Jezus geeft de ware vrijheid. Dan ontvangen wij de ‘nieuwe wet van de Geest’ in ons hart en worden de perspectieven geschapen voor de ontwikkeling van de nieuwe mens. Deze nieuwe mens is geroepen het beeld van Jezus te openbaren, zodat anderen die nog beheerst worden door de vorst der duisternis, door ons ‘getuigenis’ ook zullen kiezen voor de ware vrijheid.

Wanneer Paulus in Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01) stelt dat Christus ons heeft vrijgemaakt, zegt hij er wel met nadruk bij dat we daarna stand moeten houden en ons niet weer een slavenjuk moeten laten opleggen. De duivel is er op uit ons te beroven van onze vrijheid en ons weer ‘onder de wet’ en onder zijn bezetting te brengen.

Hoe komt het dat christenen, die de werkelijke vrijheid hebben leren kennen, soms toch weer deze vrijheid kwijtraken? Dat kan verschillende oorzaken hebben, onder andere wanneer deze vrijheid ontaardt in ‘losbandigheid’, waarvoor Gods Woord ons trouwens ook waarschuwt. Dan maken we misbruik van onze vrijheid door de duivel toe te laten bij ons te infiltreren. De ‘vrijheid’ die hij aanbiedt is een surrogaat-vrijheid en betekent in werkelijkheid gebondenheid.

Ook kan het gebeuren dat we met een verkeerde leer opgevoed worden. Dan leren we nooit de werkelijke vrijheid kennen en beleven. Daarom is de prediking van de boodschap van het Koninkrijk der hemelen ook zo belangrijk. Ieder kind van God behoort zich af te sluiten voor alle verkeerde leringen die telkens weer de kop opsteken en afwijken van de ‘volle boodschap’. We behoren ons te richten op het ene grote doel: de openbaring van de volheid van Christus in en door ons. En dat zal alleen gebeuren als we gezonde geestelijke voeding ontvangen.

Waarom de Geestesdoop zo belangrijk

Tegen de beroving van onze vrijheid. waar de duivel op uit is, is maar één remedie, dat is de doop en vervulling met de Heilige Geest. Alleen waar de Geest des Heren is, is vrijheid, schrijft Paulus in 2 Korinthiërs 3 vers 17 (2 Kor. 03:17). Dat is niet één of ander gevoel of gedachte dat de Geest van God met ons is of ergens in het luchtruim zwevend aanwezig is, zodat wij maar af moeten wachten of Hij op ons ‘neerdaalt’. Maar de Geest behoort een realiteit in ons te zijn.

Daarom is de boodschap van Pinksteren ook zo belangrijk. Door de doop met de Geest kunnen wij als nieuwe scheppingen in vrijheid opgroeien en leven. Door de doop met de Geest gaat de geestelijke wereld voor ons open en kunnen wij waarheid van leugen en licht van duisternis onderscheiden en leren wij hoe wij om moeten gaan met Gods Woord. Want Gods Woord komt alleen tot leven door de Heilige Geest. Door de doop met de Geest leren wij ook op de juiste wijze geestelijk te strijden en te overwinnen. De tongentaal is daarbij een machtig wapen.

De doop met de Geest moet echter ‘in het geloof’ aanvaard worden, zoals wij ook door het geloof in Christus het nieuwe leven van Hem hebben ontvangen. En na de doop in de Geest als eerste ervaring, hebben we de dagelijks vervulling nodig. Ook die wil de Heer ons schenken, want in Zijn grote liefde wil Hij niets, liever dan dat we de ware vrijheid in Christus op optimale wijze leren kennen zodat de vorst der duisternis steeds minder kans krijgt te infiltreren. Zo gaan wij – zoals Paulus dat formuleert in 2 Korinthiërs 3 -. de heerlijkheid des Héren weerspiegelen en veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is. Dat is de beleving van de ware vrijheid!

 

Als koningen heersen… (gedicht) door Piet Snaphaan

“Wij mogen leven en als koningen heersen door Jezus Christus” (Romeinen 5 vers 17(Rom. 05:17).

Geestelijk leven is ook geestelijk strijden,

het kwade weren, elke dag;

de naam van Jezus steeds belijden,

je dagelijks in Hem verblijden,

beseffend wat je in Hem vermag.

 

Het is een voorrecht om te leven,

als koning, priester, met gezag,

te mogen heersen, geven, nemen,

als kinderen Gods je rechten claimen,

die Jezus aan Zijn gemeente gaf.

 

De macht van het geloof door Gerrit van de Kamp

Jezus, de leraar met gezag

In Markus 1 vers 21 tot 28 (Matt. 01:21-28) zien we dat de Heilige Geest Jezus inspireert tot het leraarschap. Opnieuw een manifestatie van de Geest in het leven van Jezus.

Jezus brengt een leer (Grieks: didachei). Jezus leert wie God is. Er is sprake van kennisover­dracht. Voor Jezus’ tijd had niemand God gekend zoals Hij in werkelijkheid is. Door de manifestatie van de Geest komt de waarheid over God voor het eerst openbaar. En Jezus kan het weten, want Hij zat aan de boezem van zijn Vader en Hij was het die sprak: als je Mij kent, dan ken je de Vader Johannes 1 vers 18 en Johannes 8 vers 19 (Joh. 01:18; Joh. 08:19). Jezus be­schikte derhalve over inside informatie.

Als Jezus leert, dan leert Hij als gezaghebbende Markus 1 vers 22 (Mark. 01:22), dit in tegen­stelling tot de gevestigde Schriftgeleerden, merkt Markus fijntjes op. De Statenvertaling zegt dat Jezus als machthebbende leert en dat zegt nogal wat over de identiteit van Jezus, over wie Hij is. Hij is machthebber.

De Duitse Luthervertaling zegt het zo: “Er lehrte mit Vollmacht”. Dat bete­kent dat Jezus als gevol­machtigde, in dit geval namens zijn Vader, leert. Je kunt dan stellen: Jezus leert over God namens God.

De woorden van Jezus hebben macht

Elk woord dat Jezus uit­spreekt heeft macht. Zijn woorden werken altijd iets uit èn ze hebben eeuwig­heidswaarde : “De hemel en de aarde zullen voorbij gaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan” Markus 13 vers 31 (Mark. 13:31).

Een heel duidelijk voor­beeld van de macht van Jezus’ woorden staat in Matteüs 8 vers 8. (Matt. 08:08) Daar ontmoet Jezus een Romein­se hoofdman die een zieke knecht heeft. De Romein gelooft dat Jezus hem wel beter kan maken en zegt tegen Jezus: “Spreek slechts één woord en mijn knecht zal herstellen”. De hoofdman weet dat de woorden van Jezus mach­tig zijn, zelfs als het maar één woord is…

Een ander voorbeeld van de machtige uitwerking van de woorden van Jezus lezen we in Matthéüs 8 vers 16 (Matt. 08:16), waar staat dat Jezus de geesten met zijn woorden uit dreef. Het is dus duidelijk: als Jezus spreekt dat zijn woorden geen loze kreten. De woorden van Jezus hebben inhoud. Hij is écht leraar en gevolmach­tigde .

Wat valt er te melden over de houding van Je­zus? We zien dat Hij een volkomen dominante hou­ding heeft tegenover de demonen. Jezus is name­lijk nog niet uitgesproken of een onreine geest re­ageert . De geestenwereld komt blijkbaar in rep en roer als Jezus leert. De­zelfde dag nog loopt de hele stad te hoop voor de deur van Petrus. Ook daar worden vele boze geesten uitgedreven en zieken worden genezen.

Met de onreine geest maakt Jezus korte metten. Hij heeft geen twijfelach­tige houding maar treedt meteen op: “Zwijg stil en ga uit van hem”, spreekt Jezus op autoritaire wijze tegen de geest die het leven van een mens ver­galde .

De reactie van de omstanders

Hoe reageren eigenlijk de omstanders in de synago­ge als ze Jezus horen spreken? Die raken bij de woorden Van Jezus “bui­ten zichzelf, ze zijn stom verwonderd en dodelijk geschrokken”, aldus de grondtekst waar voor “de verwondering van de mensen” een zeer sterke uitdrukking wordt ge­bruikt: ekplessomai. Die­genen die horen wat Je­zus spreekt zijn echt bui­ten zichzelf van verba­zing, omdat Jezus als machthebber spreekt en dat was nog niet eerder voor ge kom en.

Als je ziet hoe dat bij Je­zus ging, mag je ernaar verlangen dat dit ook in onze tijd gebeurt. De woorden die wij in de naam van Jezus spreken gaan gepaard met machts­uitoefening. De boodschap die wij in de naam van Jezus verkondigen gaat wat uitwerken. Dan zullen ook in onze omgeving de toehoorders buiten zich­zelf zijn over dit evange­lie, een leer met gezag.

Welk geloof openbaarde Jezus?

“Waar heeft Hij deze din­gen vandaan en wat is dat voor een wijsheid, die Hem gegeven is? En zulke krachten, als door zijn handen geschieden?” Dat vragen de inwoners van Nazareth in hun stomme verwondering zich af als ze Jezus aanhoren Markus 6 vers 1 tot en met 6a (Mark. 06:01-06a). We zien dus dat zich in het leven van Je­zus wijsheid en kracht manifesteren door de in­spiratie van de Geest.

Machthebbers twijfelen niet. Als Jezus wonderen verricht is dat door de kracht van de Geest die kan werken vanwege het geloof van Jezus. Wonde­ren komen tot stand door geloof. En Jezus had een houding van on voorwaar­delijk geloof.

Jezus definieert het geloof in Markus 11 vers 22 tot en met 24 (Mark. 11:22-24) absoluut. Geloven is tot een berg zeggen dat hij zichzelf moet opheffen en zichzelf in de zee moet werpen. En daarbij niet twijfelen. Sterker nog: als je bidt voor of om iets, dan moet je geloven dat je het ontvangen hebt, “en het zal geschieden”. Abso­lute woorden van Jezus.

In Matteüs 17 vers 20 (Matt. 17:20) staat dat niets wat in het Woord van God is beloofd, onmogelijk is. Geloof zon­der twijfel geeft onbe­grensde macht. Zo is de houding van Jezus, zo behoort onze houding te zijn.

Een goed voorbeeld van de houding van Jezus is te lezen in Markus 9 vers 14 tot 29 (Mark. 09:14-29). Een vader brengt zijn door demonen overmeesterde zoon naar Jezus, maar eerst probe­ren de discipelen de boze geest uit te drijven. Dat lukt niet en de Schriftgeleerden staan daar met hen over te discussiëren. Als Jezus erbij komt ver­telt de vader wat er ge­beurd is. Jezus verwijt de discipelen ongeloof en laat de bezeten jongeman bij zich brengen. “Als u iets kunt doen, heb dan mede­lijden en help ons”, roept de vader van de jongen Jezus toe. “Als u kunt?”, zei Jezus, “alles kan voor wie gelooft” Markus 9 vers 23 (Mark. 09:23). Voor Jezus is het wel of niet kunnen uit drijven van de boze geest geen vraag. “Alles kan voor wie gelooft”, zegt Hij. Op zijn gezag wordt vervol­gens de stomme en dove geest uitgedreven.

Een ander voorbeeld van de onberispelijke houding van Jezus komen we tegen in het verhaal over de op­wekking van het dochter­tje van Jairus. Jezus – krijgt de tijding dat het meisje heel ziek is en gaat naar haar op weg. Onder­weg wordt Hij op gehouden en ondertussen komt iemand vertellen dat het meisje al gestorven is. Dan staat er in Markus 5 vers 36 (Mark. 05:36): “Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zeide tot de overste der synagoge (de vader van het meisje): Wees niet bevreesd, geloof alleen”. Frappant is dat bij deze jobstijding wordt vermeld dat Jezus eenvoudigweg niet luisterde naar wat Hem over het meisje werd meegedeeld. Jezus be­steedt geen enkele aan­dacht aan de omstandig­heden.

Dat is geloven. Niet zien op de omstandigheden maar geloven dat God de Vader boven de omstan­digheden staat. Geloven dat wij boven de omstan­digheden mogen staan… Dan kan de Heilige Geest zijn werk doen.

(Gerrit van de Kamp schreef een driedelige serie artikelen over ‘De kracht en werking van de Heilige Geest in het leven van Jezus’. Dit is het tweede artikel. Het eerste deel verscheen in “Levend Geloof” van vorige maand).

 

New age door redactie.

Hoewel er de laatste tijd reeds velé publicaties zijn verschenen over de zogenaamde New Age- beweging zijn wij blij dit artikel te kunnen publiceren. Broeder Evert van de Kamp weet namelijk niet alleen het New Age-denken op duidelijke wijze te analyse­ren en te ontmaskeren, maar geeft ook het enige alternatief aan, door te stellen dat niet alleen het beproeven der gees­ten nodig is, maar óók het brengen van- en het in de praktijk realiseren, van het Evangelie van het Koninkrijk.

(redactie ).

 

”New age”: Bedreiging of uitdaging? door Evert van de Kamp

“Beproeft de geesten of ze uit God zijn” (1 Joh. 04:01).

Wat ‘New age’ zelf zegt

‘New Age’ betekent let­terlijk ‘nieuwe tijd’. De New Age-beweging is de nieuwe tijd-beweging. Het tijdperk van de vis­sen – bekend uit de as­trologie en symbool voor het christendom – is praktisch afgelopen. Nu komt na tweeduizend jaar het volgende teken van de dierenriem, het sterrenbeeld Aquarius of Waterman, aan bod.

De verscheidenheid in deze beweging is enorm. Dat blijkt ook uit de New Age-aanhangers. Je vindt er macrobiotische groen­tetelers en Boeddhisten onder, maar evenzeer predikanten en priesters. De volgende vraag wil ik stellen en beantwoorden: Betekent ‘New Age’ een nieuwe tijd of is het een nieuwe toren van Babel?

Wat behelst ‘New age’?

Men verwacht inderdaad een ‘gouden tijdperk’. De ‘nieuwe’ denkbeelden komen vanuit Californië over West-Europa aanwaaien.     

Het aantal variaties in dit ‘nieuwe denken’ is zo groot, dat het niet mee valt daar enige orde in te scheppen. Christus speelt daarin nauwelijks een rol. Het christendom bracht niet wat men er van verwacht had, hekelt men.

De Jezuiet Karel Douwen, New Age-aanhanger, ziet wel wat in de kombinatie christendom en de ‘nieu­we tijd’. Hij spreekt lie­ver over het ‘nieuwe tijds-denken’, waarin de Christusbelijdenis wordt vervangen door de Christuservaring.

In deze tijd zal het ‘holisme’ centraal staan. Dat houdt in dat alle dingen in deze wereld met elkaar samenhangen, dat mens en natuur, lichaam en geest, innig verbonden zijn. Deze tijd kondigt zich aan in de sterren. Het tijdperk van Aquarius, de Waterman, wordt gekenmerkt door eenheid en harmonie.

De afzonderlijke religies zullen elkaar niet meer bestrijden, want men re­aliseert zich dat de kern van iedere levensbeschou­wing hetzelfde is. De ver­schillende godsdiensten blijven gewoon bestaan, maar beseffen dat ze in principe één zijn. Het maakt niet (meer) uit of je Islamiet, Boeddhist, Christen of een volgeling van Bhagwan bent, vindt men. Van het polariseren­de tijdperk van de Vissen zijn wij immers op weg naar het harmoniserende tijdperk van de Waterman. Die is het symbool van de universele religie uit het Verre Oosten. Deze brengt alles samen en lost tegenstellingen op. Te­genstellingen verdwijnen of worden overbrugd.

De samenleving vaart er wel bij. Aan het hokjes- denken komt een einde. En wat wil je, de kern van de Bijbelse boodschap is toch dat er een nieuwe tijd wordt aangekondigd? Denk eens aan de nieuwe hemel en de nieuwe aar­de!

Gelukkig denken wij an­ders! In de New Age-beweging beoogt men de zogenaamde heelheid van de schepping. Dat klinkt heel mooi. Maar het is… vruchteloos. Adam heeft de schepping aan de vruchteloosheid onder­worpen en het is alleen de Heer Zelf die met zijn volk – de gemeente van Christus – de schepping van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid kan en zal bevrijden tot de vrijheid van de heer­lijkheid der kinderen Gods Romeinen 8 vers 20 en 21 (Rom. 08:20-21).

Kenmerken van ‘New age’

Eén van de grondprin­cipes van New Age is het uitwissen van de grenzen tussen de Schepper van hemel en aarde en het geschapene. God is een eindeloze stroom van energie. Een alles dra­gende en alles omarmende kracht, die alles door­drenkt en waarin alles meedoet: mensen, plan- . ten, dieren, bomen, mi­neralen , sterrenstelsels, woestijnen, rivieren, etc. in het holisme vloeit alles in elkaar over en zijn individu en tegenstelling een illusie.

Men zoekt naar de ver- vergoddelijking van de mens overeenkomstig Ge­nesis 3 vers 4 (Gen. 03:04) waar staat: “Gij zult als God zijn”. De mens wordt, wat hij in aanleg is, een levende god. In zijn wezen, zijn diepste wezenskern, is iedereen God. Men grijpt dan ook terug naar tal van mythen van Grieken en Hindoes, Germanen en Babyloniërs. Daarin wordt de mens verheer­lijkt als een godheid. Dit gaat regelrecht in tegen Gods bedoeling de mens, door wedergeboorte en doop in de Heilige Geest, gelijkvormig te maken aan het beeld van Jezus.

De ‘God-in-ons’ moet door allerlei therapieën worden wakker geschud.

Door yoga, meditatie­technieken, cursussen , voor bewustzijnsgroei (het gaat om het meer) en in geleid worden in de Germaanse magie zijn slechts enkele school­voorbeelden om de ver­goddelijking te bereiken. Zoals in het Hindoeïsme wordt zelfontplooiing zelfverwerkelijking en dat wordt zelfvergodde­lijking.

Alle godsdiensten en heilige boeken worden gelijk gewaardeerd. Alle uitleggingen worden ge­lijkgeschakeld en wie zich uit naam van de waarheid verzet, wordt uit geschakeld. Van enige tolerantie is dan plotse­ling geen sprake meer, tenzij men bereid is zich voor de zegekar van de beweging te spannen. De ware christenheid moet maar op ‘zwaar weer’ rekenen.

Dit zijn slechts een klein aantal kenmerken. Be­proef ze maar of ze uit God zijn.

Verschijningsvormen

De ‘nieuwe-tijdscentra’ tieren welig. In ons land zijn er al ongeveer 500.

Tienduizenden volgen hun cursussen, die variëren van het leren om positief te denken tot zenmedita­tie. Je kunt er les krij­gen in zelfhypnose, aura- lezen, zelfhealing (gene­zing) etc., maar je kunt er evengoed terecht voor massage, een gesprek met de sterren, yoga voor zwangere en oudere vrou­wen.

In de ‘gelukswinkels’ van de ‘nieuwe tijd’, zoals bijvoorbeeld in het New Age-centrum ‘Sous le So- leil’ in Utrecht (nu al 30 cursussen per semester), is van alles te koop. U vindt er stenen met ge­neeskracht en een einde­loze hoeveelheid symboli­sche snuisterijen, zoals yin-yankaarsen, kettingen met de Davidsster , kruis- beeldbroches, etc. Brain- tapes zijn in. Je kunt een hypnosebandje kopen dat de angst om in het open­baar te spreken wegneemt, maar ook bandjes voor af­slanken zonder dieet, af­rijden zonder zenuwen, studeren en slagen. Er zijn ook brontapes, band­jes met synthesizermuziek en fluisterstemmen, die je bij de bron van geluk brengen.

Daar is de geur van wierook en bezwerende violen. De grootste collectie wierook uit Tibet, Japan en China is hier present. In een deel van de winkel verkoopt de al­ternatieve drogist zijn holistische gezondheids- producten op kruidenbasis en massageolie voor het hoofd. Zelfs de New Age-bibliotheek en een theehuis met vegetari­sche hapjes. notenbrood en verschillende soorten thee ontbreken niet.

Ook in het bedrijfsleven maakt het ‘nieuwe-tijds- denken’ grote opgang. Een medewerker van een groot organisatieadviesbureau concludeert: ‘Er borrelt in het Nederlandse zakenleven het nodige. Bij alle mensen met wie ik tot nog toe gewerkt heb, blijkt de behoefte aan een nieuwe manier van leven. In de bankwe­reld, in de grote bedrij­ven, bij de overheid’.

Door de antroposofie, het marxisme, Bhagwanreizen, etc is hij veranderd. Zijn New Age-voorspelling luidt dat het holisme de hele samenleving zal ver­anderen, inclusief de kerken.

De Jezuiet Douven uit Enschede vertelt dat er nu al elk kwartaal ruim zeventig protestantse en katholieke theologen bij elkaar komen om de Bijbel te bestuderen op New Age-elementen.

En de hervormde predi­kant Floris Kruyne vindt de nota ‘Kerkzijn in een tijd van Godsverduistering’ van de hervormde synode ver beneden alle peil. Oosterse meditatie, holis­tische filosofie en huma­nistische psychologie wor­den op een hoop gescho­ven, vindt hij. Bepaalde oosterse meesters zijn voor hem net zo belang­rijk als Christus. Christus is eigenlijk verouderd.

Het nieuwe-tijd-denken is voor hem het geloof in de komst van een nieuw geestelijk tijdperk, waar een nieuw trillingsniveau zal gaan werken. Mensen zullen meer openstaan voor hogere sferen. Het hoopgevende aspect van de New Age-beweging spreekt hem zeer aan.

Operatie uit de afgrond

Het is overduidelijk: de put is los. De grote aanval wordt geopend op al­les wat van de Heer is. Dat moet verleid en ten onder gebracht worden. Het beest uit de zee en de aarde maakt zich op. Het geprofeteerde woord uit Openbaring 13 gaat in vervulling. Het beest uit de afgrond is in op­mars Openbaring 11 vers 7 en Openbaring 17 vers 8 (Openb. 11:07; Openb. 17:08). Het lijkt net een nieuw syncretisme. Syncretisme is vermenging. Vroeger noemde men dat het over­nemen van de ene gods­dienst door de andere. Nu gaat het om gelijk­schakeling met een enor­me vermenging van wer­kelijk alle vormen van occultisme.

Het enige oogmerk van de duivel is de absolute heerschappij over elk mens. Wat hem met Chris­tus nimmer lukte, pro­beert hij nu als nooit te­voren met de mens in de eindtijd te bereiken.

Letterlijk lezen wij in 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 en 4 (2 Thess. 02:03-04) het volgende: “Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook (satan wordt de engel des lichts genoemd), want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voor­werp van verering heet, zodat hij zich in de tem­pel Gods zet om aan zich te laten zien dat hij een god is”. Dat is wat nu meer dan ooit gebeurt.

Velen zeggen: ‘Als ik maar, genees’. En… ‘als iets helpt, kan het toch niet verkeerd zijn? Wat voor een gevaar schuilt er nu in acupunctuur of het magnetisme?’

De leugen wordt grif ge­loofd. Er komen vele spectaculaire genezingen tot stand door duivelse manipulaties. Heel opzien­barend zijn tal van frap­pante spiritistische gene­zingen. Er is nauwelijks eerder vertoonde imitatie van het Goddelijke boven­natuurlijke leven op gang gekomen.

Ik geef u één voorbeeld. De Heer Ouwejan uit Den Haag schrijft: ‘Ik heb in Den Haag een praktijk en school gehad, waarop wij een opleiding verzorgden tot beroeps-voetreflex- zonetherapeut. Altijd heb ik als wedergeboren christen gedacht dat de voetreflexzonetherapie geheel zuiver is en uit de hand van de Here God, misleid als ik ook was, totdat de Here God ingreep en mij op een duidelijke manier liet zien, dat de therapie wel de­gelijk occult is en op precies dezelfde lijn zit als acupunctuur, magne­tisme, iriskopie, etc. Ik was dus ook, ongewild uiteraard, een dienst­knecht van de duivel. Het wordt zo fraai ver­pakt dat het lijkt of het van God komt’.

Dit soort zaken bedreigt velen. Walter en Rianne van der Smitte hadden tien jaar lang een New Age-centrum als succes- vol hypnotherapeut, hel­derziende en magnetiseur. Ze hadden maar liefst 1700 vaste klanten. In 1986 kwamen zij tot be­kering en zij volgen nu een opleiding aan een bijbelschool.

Een zaak die beschamend is

Prof. Verkuyl noemt de opmars van de New Age- beweging een beschamen­de zaak. Beschamend om­dat ze christenen voor de vraag stelt hoe het „ komt dat zovelen zich sluiten voor de boodschap van de Heer en de oren openen voor een gods­voorstelling, een mens­beeld, een toekomstbeeld, een heilsleer, die falie­kant in strijd is met het evangelie van Jezus Christus.

Beschamend ook, omdat zoveel theologen nog steeds zeer eenzijdig aan­dacht schenken aan de secularisatie (verwereld­lijking) en blind blijken te zijn voor de opkomst van de nieuwe religies.

Ik hoop dat er in de Pinkster- en Volle Evangelie-beweging nog meer alert op dit alles inge­speeld en gereageerd gaat worden. Het is niet alleen het beproeven der geesten wat nodig is, maar ook het brengen van en het in praktijk reali­seren van de boodschap van het Evangelie van het Koninkrijk. Daaraan zal de Heer de kracht van zijn Geest verbinden.

Gezondmakend tegenspel

De New Age-beweging is niet alleen beschamend, ze vraagt ook om effectief bijbels tegenspel tegen alle dwalingen en vormen van valse profetie.

Drs. R. H. Matzken, lid van de werkgroep ‘Bijbel en New Age’ heeft een »’ recent congres over New Age bezocht. Hij vertelt dat Verkuyl daar het volgende stelde: ‘Wan­neer wij het isolement van de ‘Vissen’ aanvaar­den, staan wij buiten­spel; wanneer wij mee­doen met het denken van Aquarius, plegen wij geestelijk overspel; wan­neer wij vasthouden aan de Bijbel, boven alle tij­den, beoefenen wij tegenspel.

Liggen hier geen ‘gouden kansen’ voor het Volle Evangelie? Ik noem enkele wezenlijke punten voor ‘gezond makend’ tegenspel:

De unieke en persoon­lijke en reële relatie die er mag zijn tussen God en de mens. Geen zon­daar meer tot de dood, maar het leven beleven van de rechtvaardige, Romeinen 5 vers 1 en 2 (Rom. 05:01-02), rechtens vrij van de zonde, Romeinen 6 vers 7 (Rom. 06:07).

Het leven met God door de doop met de Hei­lige Geest. Daarin wordt God niet gereduceerd tot een goddelijke kracht, maar ligt de weg, door persoonlijke overgave aan God en heiliging in God, open om gelijkvormig te worden aan het beeld van Christus Romeinen 8 vers 27 en 1 Johannes 3 vers 2 (Rom. 08:27; 1 Joh. 03:02). De mens mag als een werkelijke ‘zoon van God’ geopenbaard worden, Romeinen 8 vers 14 en Galaten 3 vers 26, (Rom. 08:14; Gal. 03:26). Daar wacht de schepping op, daar ziet de schepping naar uit en niet naar een beweging van New Age.

Het belijden dat God enkel goed is en dat de mens in datzelfde spoor van ‘goed-zijn’ mag tre­den , niet door zelfver­werkelijking, maar door eenvoudig geloof in de Heer Jezus Christus, be­heerser van alle wereld­geesten. Hij is de enige in ons mensenvlees geko­men Heelmeester, Verlos­ser en Bevrijder, Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38). Alleen Jezus vol­maakt de mens.

Niet het schoonklinken­de ‘evangelie’ van de sa­tan overwint de wereld, maar het Evangelie van het Koninkrijk van Jezus Christus. Dat zal geen einde hebben, maar het einddoel Gods bereiken: God alles en in allen, hoop en herstel voor de hele schepping, Romeinen 8 vers 21 en 1 Korinthe 15 vers 28, (Rom. 08:21; 1 Kor. 15:28).

Dat is de nieuwe tijd van Jezus Christus en zijn Gezalfde, de Gemeen­te!

Tenslotte, dit is de belof­te van God: “In de dagen van al die koningen (ook New Age-koningen) zal de God des hemels een Ko­ninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal over­gaan: het zal al die ko­ninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde ma­ken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid” Daniël 2 vers 44 (Dan. 02:44).

 

 

Intermezzo door Gerry Velema

Net als bij het zwemmen

Gelooft Dick ook in de Here God, mam?

Een veel voorkomende vraag bij ons thuis. Hoe ik ook probeer uit te leggen dat geloof niet gezien wordt aan de buitenkant, deze vraag – per definitie bijna niet te beantwoorden – keert steeds weer terug. De koningin, de ministers, de nieuwslezer, van de buurman tot Henny Huisman, allemaal komen ze aan de beurt.

Nu was het Dick. Hij kwam een keertje bij ons eten. Soms waagt hij zich in de samenkomst. Wagen… omdat hij zeker geen christen wilde heten! Dat is iets vreselijks: christenen. Maar zijn hart is bezweken. De liefde van Jezus kon hij niet weerstaan.

Jezus volgen! Dat is alles wat hij nog wil. Leven naar het grote gebod der liefde, tonen dat je leven veranderd is. In zijn leven een hele grote verandering.

Aan tafel – waar de kinderen vol aandacht meeluisteren – zegt hij van alles over Jezus en Boeddha en andere góden. Alles draait nog in elkaar om. Af en toe waait een vloek over onze tafel.

En toch: Dick zoekt zo… met z’n hele hart, naar waarheid! We begrijpen de strijd die om hem wordt gevoerd, en in hem woedt.

Dan komt een dag later die we! bekende vraag. Hoe zat het nu met Dick? Hij had het wel over Jezus, maar toch… zo anders dan onze kinderen gewend zijn.

Gelooft Dick ook in de Here God?’, vraagt de jongste zoon. ‘Ik denk het wel hoor!’ antwoordt de oudste. ‘Ik denk het ook’, doe ik ook mee, ‘alleen Dick vindt geloven in God nog zo moeilijk. Hij heeft het ook niet zo geleerd, zo van jongs af aan, als jullie. Kinderen geloven het beste in de Here God’.

‘Ja, het is net als bij zwemmen, mam’, begint de oudste weer, ‘als je dat leert als je jong bent… dan gaat het later vanzelf. Als je geloven leert als je jong bent, dan hoef je er later ook niet zo bij na te denken, dan gaat het ook vanzelf. Ik denk er nu ook niet zo bij na! In God geloof ik gewoon’.

Tja, hij is ook al bijna tien! Die grote knul van me.

Wat een wijsheid! Jammer dat Dick er nu niet bij is. Want al dat geploeter, dat afzetten tegen christenen, tegen de bijbel, tegen het leven in het Lichaam van Christus; het is zo eenvoudig te vergelijken met iemand die watervrees heeft en niet zwemmen kan! Hoe moeilijk leert een volwassene zwemmen! Zoveel meer obstakels te overwinnen dan een kind dat voor z’n plezier naar het zwembad gaat. (Uitzonderingen daargelaten).

Wat een voorrecht voor kinderen uit gezinnen waar men de Heer kent, ondanks alle kromme en rechte wegen die nog bewandeld zullen worden. Ze hebben het eens jong geleerd… net als zwemmen! En: jong geleerd… oud gedaan!

 

Vrijmoedigheid: Gevoel of recht? door Wim te Dorsthorst

 

Het woord ‘vrijmoedigheid’ roept in ons spraakge­bruik veel meer een ge­voel op dan dat het ons doet denken aan een be­paald recht. ‘Hij had niet de vrijmoedigheid om te spreken’ wil zeggen: hij durfde het niet, hij voel­de zich minderwaardig of angstig.

De betekenis die de grote Van Dale eraan geeft, wijst ook in die richting. Komen we dan in de Bij­bel dit woord tegen dan zijn we geneigd die alge­mene betekenis eraan te geven.

Het valt mij echter op dat woorden in de Bijbel maar al te vaak een veel diepe­re of ook wel andere be­tekenis hebben dan in ons hedendaags spraakgebruik het geval is. Veel woor­den zijn – zoals zoveel andere dingen – gedeva­lueerd .

De Bijbelse betekenis

Naast de algemene beteke­nis heeft het woord ‘vrij­moedigheid’ ongetwijfeld een – wat ik zou willen noemen – Bijbelse beteke­nis. In de Griekse wereld betekende het woord “Parrhesia’, dat over het alge­meen met ‘vrijmoedigheid’ vertaald wordt, oorspron­kelijk: het recht van de vrije burger van een stad om op een volksvergade­ring zijn mening naar vo­ren te brengen. Het ging dus bij dit woord niet om een subjectief gevoel, dus of iemand de moed had iets te zeggen, maar om een objectief recht van iemand om in vrijheid zijn mond te openen.

Later kreeg het woord een meer algemene betekenis (ook in het Nieuwe Testament), maar het bleef die betekenis van recht behouden boven de sfeer van het gevoel. De Bijbelse vrijmoedigheid is dan ook in het Nieuwe Testament over het algemeen geen eigenschap van de gelovigen zelf, maar een hun door God geschonken recht dat in het geloof aanvaard en gekend mag worden.

Zwakheid en vrijmoedigheid

De grote apostel Paulus was zich bewust dat hij een dienstknecht van Je­zus Christus was, een ge­roepen apostel, afgezon­derd tot verkondiging van het evangelie van God Romeinen 1 vers 1 (Rom. 01:01). Dit te weten alleen maakte hem nog niet tot een krachtige persoon­lijkheid, Aan de Korinthiërs schrijft hij: “Ook kwam ik in zwakheid met veel vrezen en beven tot u”, 1 Korinthe 2 vers 3 (1 Kor. 02:03).

Maar op grond van zijn geloof-in Jezus Christus en zijn roeping, had hij recht van spreken en sprak hij dan ook met grote vrijmoedigheid. In zijn brief aan Filémon vers 8 (Filemon. 01:08) lezen wij in de Staten­vertaling: “Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betame­lijk is”. De Petrus Canisius-vertaling heeft hier: “Ofschoon ik in Christus ’het volste recht heb’, u te bevelen wat uw plicht is”.

Paulus wist dat hij vrij­moedigheid bezat om de gemeenten zonodig te be­velen , omdat hij hierbij steunde op zijn recht in Jezus Christus.

Vrijmoedigheid door de Geest

In het boek Handelingen wordt veel gesproken over de vrijmoedigheid van de apostelen en anderen om het Woord te verkondigen. Dit was gevaarlijk en bracht soms geseling en gevangenschap mee en kostte sommigen het leven, Handelingen 5 vers 40 tot en met 42 en Handelingen 7 vers 58 en Handelingen 12 vers 1 en 2 en Handelingen 16 vers 22 en 23 (Hand. 05:40-42; Hand. 07:58; Hand. 12:01-02; Hand. 16:22-23).

Waren dit dan zulke kra­nige mensen van zichzelf? Zien we niet dat de apostelen zich doodsbenauwd opsluiten na de dood van Jezus Christus, uit vrees voor de Joden? Zijn ze zo geleerd en welsprekend van zichzelf? Neen, juist niet, maar ze hebben recht van spreken en ze ontvangen de vrijmoedig­heid van hun Heer en Meester.

In Handelingen 4 lezen we hoe ze bedreigd worden door de overheid als ze nog langer leren op gezag van de Naam van Jezus. Ze verdwijnen dan niet in angst van het toneel, maar eenparig verheffen ze hun stem, met de ove­rige discipelen, tot God. “En nu Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot ge­nezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de Naam van Uw heilige knecht Jezus”, Handelingen 4 vers 24 tot en met 30  (Hand. 04:24-30).

Zij dreigen niet terug, ze bidden de Heer niet om wraak, maar ze bidden om vrijmoedigheid om tekenen en wonderen in de Naam van Jezus Christus.

Dan lezen we verder in Handelingen 4 vers 31 (Hand. 04:31): “En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen, en zij werden allen vervuld met de Hei­lige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoe­digheid”.

Ze hadden het recht, ja de opdracht, om van de Heer te getuigen en ze hadden daartoe ook kracht ontvangen door de Heilige Geest Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08). Als daar dan dreiging en afwijzing is, dan is het gebed ‘geef uw dienst­knechten vrijmoedigheid’ en ze worden vervuld met de Heilige Geest en ont­vangen ‘vrijmoedigheid’. Naar ik meen is dit een geweldig voorbeeld voor de gemeente nu en zeker in de tijden die komen gaan.

In deze voorbeelden onderkennen we duidelijk dat vrijmoedigheid niet gebaseerd is op eigen kunnen, op eigen moed of kracht, maar op het geloof in Jezus Christus en de kracht van de Heilige Gees. Paulus verwoordt dit heel treffend in 2 Korinthe 3:4-6 (2 Kor. 03:04-06) als hij zegt: Zulk een vertrouwen hebben wij door Christus op God. Niet, dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als ons werk in rekening te bren­gen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond”.

Onze vrijmoedigheid is een zegen van God en ze ver­spreidt zegen onder de mensen.

Vrijmoedigheid is ons burgerrecht

Iedere gelovige mag op die vrijmoedigheid aanspraak maken die hem typeert als burger van het hemelse Koninkrijk. Paulus zegt nadrukkelijk dat wij bur­gers zijn van een rijk in de hemelen” Filippenzen 3vers 20 en Efeze 2 vers 6 en Efeze 2 vers 19 (Filip. 03:20; Ef. 02:06; Ef. 02:19). Dat wil niet alleen zeggen dat we erbij horen, ingeschreven zijn in het boek des levens van het Lam, maar dat wil ook zeggen dat we ‘burgerrecht bezitten.

Het centrum van het he­melse Jeruzalem is de troon der genade, waarop God, de Vader en Jezus Christus gezeten zijn. Vanuit die troon wordt iedere burger recht ge­daan. Daarom zegt Hebreeën 4 vers 16 (Heb. 04:16): “Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barm­hartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd”.

Wij zijn hier op aarde ‘vreemdelingen en bijwoners’ omdat het nog het gebied is waar de troon van de satan is (Openb. 02:13a). En zoals Jezus, tijdens zijn dagen in het vlees gebeden heeft en smekingen onder sterk ge­roep en tranen geofferd heeft aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij ook verhoord is uit zijn angst Hebreeën 5 vers 7 (Heb. 05:07), zo kunnen wij in diezelfde situaties geraken. Daarbij hoeven we ons niet krampachtig flinker te houden dan we zijn en dan onze Heer was, want dan maken we geen ge­bruik van onze rechten en missen de barmhartig­heid en de genade die we zo broodnodig hebben.

De gerechtigheid van God

Wij houden dan echter vast aan onze belijdenis dat Jezus de grote Hoge­priester, de Zoon van God is, Hebreeën 4 vers 14  (Heb. 04:14). Onze rechtsgrond is ons geloof in Hem als de Zoon van God.

In Efeziërs 3 vers 1 (Ef. 03:01) verwoordt Paulus dat al­dus : “En zo bezitten wij in Jezus Christus, door ons geloof in Hem, de vrijmoedigheid om met vol vertrouwen tot God te gaan” (vert. Prof. Brou­wer). De Israëliet mocht zelfs het aardse heiligdom nog niet binnengaan. Wij hebben het recht om zon­der angst of vrees of minderwaardigheid, het hemelse heiligdom binnen te gaan en te verschijnen voor Gods aangezicht Lucas 1 vers 74 en 75 en Hebreeën 10 vers 19 (Luc. 01:74-75; Heb. 10:19).

Dit is de grote genade van God, die Jezus Chris­tus , die geen zonde ge­kend heeft, voor ons tot zonde heeft gemaakt, op­dat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem (2 Kor. 05:21). Wij na­deren dus niet op grond van eigen gerechtigheid of op grond van goede werken, maar op grond van genade, bestaande in de gerechtigheid Gods in Jezus Christus.

Door geloof en liefde

Ook de apostel Johannes schrijft in zijn eerste brief verschillende malen over die vrijmoedigheid. Het recht om met vrijmoe­digheid te bidden tot God steunt bij Johannes op het geloof in de naam van de Zoon van God en de lief­de tot elkaar. Hij zegt: “Geliefden, als ons hart (geweten) ons niet ver­oordeelt , hebben wij vrij­moedigheid tegenover God en ontvangen wij van Hem al wat wij bidden, daar wij zijn geboden bewaren en doen wat welgevallig is voor zijn aangezicht” 1 Johannes 3 vers 21 en 22 (1 Joh. 03:21-22).

Nu laat de apostel ons niet in het ongewisse wat die geboden zijn en wat God welgevallig is. Hij zegt in 1 Johannes 3 vers 23 (1 Joh. 03:23): “En dit is zijn gebod: dat wij geloven in de naam van zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft”.

Dat is dus de rechtsgrond van onze vrijmoedigheid. In het slot van zijn brief stelt Johannes dit nog­maals heel duidelijk aan de orde als hij schrijft: “Dit heb ik u geschreven, die gelooft in de naam van de Zoon Gods, opdat gij weet, dat gij eeuwig leven hebt. En dit is de vrijmoedigheid die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort”, 1 Johannes 5 vers 13 en 14 (1 Joh. 05:13-14).

Volharden in de vrijmoedigheid

Dit geweldige recht zal ons door de duivel altijd betwist worden. Hij wil ons ontmoedigen, hij zal ons aanklagen en beschul­digen, zodat we geen vrijmoedigheid meer zou­den hebben. Maar dan klinkt de oproep van de schrijver van de brief aan de Hebreeën: “Geef dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen be­loofd is” Hebreeën 10 vers 35 (Heb. 10:35).

Wat de wil van God is, hebben we gezien in de eerste Johannesbrief. Wij zullen volhardend ons recht als burgers van het Koninkrijk van God handhaven, ondanks alle tegenspraak. Wij zullen daarbij echter voor ogen houden dat we hierbij niet steunen op eigen recht of op eigen be­kwaamheid. Onze vrijmoe­digheid steunt op het ge­loof in Hem, Jezus Chris­tus, de Zoon van God, die alle macht heeft in he­mel en op aarde, en de kracht van de Heilige Geest. Zo wordt ons het recht gegeven om in vrij­moedigheid de mond te openen.

 

 

 

Pinksteren door de redactie

Het eerstvolgende (mei )nummer van “Levend Geloof” verschijnt na Pinksteren. Wij willen daarom reeds nu al onze lezers en lezeressen een rijk gezegend Pinksterfeest toewensen. Het is ons gebed dat de vrucht en de gaven van de Geest in ons meer en meer werkzaam zullen zijn, zodat wij ons ten volle gaan openbaren als beelddragers van Christus.

Redactie “Levend Geloof”

 

De wereld van de engelen door Klaas Goverts (7)

God is een met Zijn schepping

Aan het slot van de vorige aflevering hebben wij opgemerkt dat in verband met de volkeren de góden ook een rol spelen. God is totaal anders dan de góden. Hij heeft, in tegenstelling met de góden, hart voor zijn schepping. Daarom bindt Hij ook de strijd aan tegen de góden. Hij haalt de volkeren onder de góden vandaan».

Psalm 115 vers 5 (Ps. 115:005) zegt over de góden: “Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet”. De aanvulling hierop kan zijn: ‘Zij hebben geen hart’. Dit ontbreekt in hun wezen; ze hebben geen identiteit. De góden hebben geen ‘hart’ voor de mens, vandaar dat ze de mens afdanken als ze er genoeg van hebben. Ze gebruiken de mens alleen maar. Bij de góden is de mens ‘huisraad van de duivel’; bij Gód is de mens ‘huisgenoot’. Daarom is God zo fel tegen de góden. God zegt: ‘Ik wil niet dat de mens, die van Mij is, onder de góden gebukt gaat’. Het fundament van alle geboden is het eerste gebod: “Gij zult geen andere góden voor Mijn aangezicht hebben”. Het heeft onmiddellijk te maken met: “Ik ben de Here, uw God, die u uit het diensthuis geleid hebt”.

God is één met zijn schepping. r Je kunt God niet scheiden van zijn werken. God heeft zoveel ‘hart’ voor zijn schepping, dat Hij nooit zal toelaten dat zijn schepping eraan gaat. Vaak wordt gedacht: ‘Hier is de schepping en daar is God. Als de schepping vergaat, leeft God vrolijk voort’. Dat kan niet, want God heeft zogezegd zijn ‘hart, ziel en zaligheid’ in de schepping gelegd. God is verweven met zijn werken. Ook een kunstenaar legt ‘hart en ziel’ in het werkstuk dat hij maakt. Je zou kunnen zeggen: ‘Als de aarde zou vergaan, zou God ophouden te bestaan’.

Wat wordt bedoeld met de ‘hoogten der aarde’?

We gaan nu weer terug naar Deuteronomium 32, waar we in vers 13 (Deut. 32:13) lezen: “Hij deed hem (weer dat ene volk) rijden over de hoogten der aarde”. Dit ene volk mag rijden over de hoogten der aarde. Je ziet hier de bestemming van Israël en ook de bestemming van het nieuwtestamentische Israël.

Wat is een hoogte? Een hoogte is in de eerste plaats een uitkijkpost. Op een hoogte zie je meer dan in een dal. Vanuit de hoogten kun je het terrein overzien. Je hebt uitzicht en overzicht. Ten tweede is een hoogte een machtscentrum. Als je de hoogte in bezit hebt, kun je van daaruit het hele gebied in bezit nemen, het is een centrum van gezag, van autoriteit, In de derde plaats is een hoogte een waterkering, een dam. Je houdt er de vloed mee tegen. De waterstroom wordt ermee af gedamd. Tenslotte kunnen we nog denken aan religieuze hoogten. ‘Hoogten’ hadden altijd een godsdienstige betekenis.

Vanouds was elke hoogte verbonden met een bepaalde god, die vanuit de hoogte het omliggende gebied beheerste. Elke Baal had zijn eigen territorium. Er waren vele Baäls, onder andere Baal-Peor en Baal-Zebub. “Hij deed hem (Israël) rijden over de hoogten der aarde”. Als ze de hoogten der aarde krijgen, betekent het dat ze van daaruit de hele aarde zullen beërven. Israël was geroepen om de hoogten vrij te maken. De góden moeten eraf en zij, als zonen, erop, met het doel: voor de volkeren. Ze krijgen de hoogten der aarde om op die manier de volkeren onder de góden vandaan te krijgen, in vers 8 wordt gesproken over de mensenkinderen en de zonen van Israël. De zonen van Israël en de zonen van adam zijn op elkaar betrokken. Het is ook de lijn van het boek Genesis: van adam tot Israël, van de mens tot de mens Gods.

De boze engelen vormen alleen een beperkte eenheid., in zoverre ze met zijn allen ergens tegen zijn. Ze hebben geen liefde voor elkaar. In het Koninkrijk Gods is het andersom. Wij zijn één omdat we samen ergens vóór zijn. Wij zijn voor het Koningschap van Jezus Christus. Dit is een positieve eenheid. Vandaar dat uiteindelijk de eenheid van de gevallen engelen geen stand houdt. Ik geloof dat het principe van de ontbinding er bij Babel van meet af aan reeds inzit. Het heeft geen innerlijke samenhang. Het is een dwangcultuur. Als je iets oplegt, houdt het geen stand. Alleen wat van binnenuit geschiedt, is blijvend. Daarom zegt God: ‘Ik zal mijn wetten in uw hart schrijven’.

De betekenis van de zegen van Mozes

In Deuteronomium 33 lezen wij over de zegen van Mozes. Deze zegen heeft Mozes uitgesproken over de twaalf stammen van Israël. Het is mooi dat hij deze zegen in een raam plaatst; er staat een kader, een omlijsting omheen. Deze omlijsting wordt gevormd door Deuteronomium 33 vers 1 tot 5 (Deut. 33:01-05) en Deuteronomium 33 vers 26 tot 29 (Deut. 33:26-29). Deuteronomium 33 vers 1 tot en met 5 geeft een overzicht van de geschiedenis en Deuteronomium 33 vers 26 tot en met 29 geeft een beeld van de toekomst.

In vers 2 lezen wij: “Hij zeide: De Here is gekomen van Sinaï en over hen opgegaan uit Seïr. Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden”. Ik geloof dat je kunt zeggen dat de ‘heilige tienduizenden’ engelen zijn. Er zijn ook commentaren die vermelden dat hier engelen bedoeld zijn. Er wordt ook wel gezegd, dat dit de engelen zijn, die betrokken zijn geweest bij de wetgeving op de Sinaï’. In het nieuwe testament staat dat de wet werd gegeven door bemiddeling van engelen. Als God op de Sinaï’ verschijnt, is Hij omringd door en komt Hij vanuit tienduizenden van engelen.

Vers 2 vermeldt verder dat zij aan zijn rechterzijde een brandend vuur zagen. De Septuagint zegt: “en zijn engelen waren met Hem als vuurvlammen”. Dit hangt samen met de lichtglans. Toen het volk Israël door de woestijn trok, was er in de nacht een vuurkolom. Hetzelfde woord ‘vuurkolom’ komt in Openbaring weer terug als ‘zuilen van vuur’. In Openbaring 10 vers 1 (Openb. 10:01) lezen wij namelijk: “En ik zag een andere sterke engel nederdalen uit de hemel, bekleed met een wolk (de wolkkolom! )… en zijn gelaat was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur”. Hier staat letterlijk hetzelfde woord, dat in Exodus wordt gebruikt voor vuurkolom. Je zou kunnen zeggen: ‘zijn voeten waren als kolommen van vuur’ Exodus 13 vers 21 en Exodus 14 vers 24 (Ex. 13:21; Ex. 14:24). Deze engel staat op kolommen van vuur. De vuurkolom in de nacht maakte scheiding tussen Israël en Egypte.

Wij hebben te maken met hetzelfde begrip als in Deuteronomium 33 vers 2b (Deut. 33:02b) waar we lezen over de engelen die aan zijn rechterhand zijn. De Here verschijnt op de Sinaï met zijn tienduizenden engelen. Hij geeft de Thora aan het volk Israël. Er staat meteen achter in vers 3: “Ja Hij heeft de volken lief”. Hier spreekt het hart van God. Hij zegt: ‘Ik kom jullie de Thora, de onderwijzing geven, maar Ik houd van al de volkeren. Ik begin bij jullie, maar als Ik jullie zie, zie Ik in jullie de vertegenwoordiging van de hele volkerenwereld’.

God heeft de volkeren op het oog

De zeventig zonen van Israël vertegenwoordigen zeventig volkeren (Ex. 01:01-05). Het getal 70 is in de bijbel vaak het getal van de volkerenwereld. In Genesis 10 – de volkerenlijst – worden er zeventig genoemd. Jezus zond er zeventig uit, als beeld van het getuigenis voor de volkeren. Merk waardig is dat bij het Loofhuttenfeest zeventig stieren werden geslacht, als beeld van het heil dat uitgaat tot alle volkeren. Hier zat heel bewust het getuigenis in dat men op die manier plaatsvervangend wilde zijn voor de volkerenwereld.

In vers 3b lezen wij: “…al zijn heiligen – in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden”. God heeft de volkeren op het oog

In Deuteronomium 33 vers 3 tot en met 5 (Deut. 33:03-05) lezen wij: “Ja, Hij heeft de volken lief; al zijn heiligen – in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden. Mozes heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Jakob. Hij werd koning in Jeschurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen , de stammen van Israël alle tezamen”. Opnieuw wordt duidelijk dat God de volkeren op het oog heeft. Wanneer er staat dat Mozes ons de wet geboden heeft, is het goed om te bedenken dat Mozes helemaal niet zo wettisch was. De wet betekent eigenlijk: onderwijzing, Thora. Verder betekent ‘Jeschurun’: rechtuit, oprecht. Het is een andere naam voor Israël; het is een erenaam. God wordt koning in Jeschurun. Daar geeft Hij zijn onderwijzing, met het oog op al de volkeren. De engelen waren niet tevergeefs bij de Sinaï’. Ze staan als het ware in de startblokken om vanuit dat ene volk uit te gaan over al de volkeren.