1987.12 nr. 287

Levend geloof 1987.12 nr. 287

De doorwerking van het kerstfeest door Gert Jan Doornink

De grote betekenis van Jezus’ komst

In het plan van God met Zijn schepping, neemt Jezus Christus een centrale plaats in. Het is goed dat wij ons dat als gemeente van Jezus Christus telkens weer realiseren, want wie Jezus Christus naar de achtergrond schuift, zit op een verkeerd spoor en kan het geloof in Hem niet op de juiste wijze beleven.

Nu heeft de moderne theologie allang afstand genomen van de persoon Jezus Christus. Hoogstens is er plaats voor Hem als revolutionair leider, als moreel voorbeeld en verder wordt Hij op één lijn gesteld met belangrijke figuren uit andere godsdiensten.

Maar ook binnen de gemeente van Jezus Christus zijn er velen die Jezus weliswaar kennen als ‘Verlosser en Zaligmaker’, maar zich niet realiseren dat Zijn komst naar deze wereld van veel groter en ingrijpender betekenis was. Hij kwam niet alleen naar deze wereld om de mensen de mogelijkheid te bieden om ‘behouden te worden voor de eeuwigheid’ door te geloven in Hem. Hij kwam, m opdracht van Zijn Vader, met een boodschap in deze wereld, waarop de mensen die in Hem gingen geloven, verder moesten ingaan. Jezus maakte het bewustzijn van de mensen wakker “dat ook zij betrokken zouden worden bij het grote herstel- en vernieuwingsplan van God, waarbij geen plaats meer zou zijn voor de werken der duisternis, maar waarbij uiteindelijk de glorie en de heerlijkheid van God zich ten volle zou gaan openbaren!

De persoon Jezus Christus mag daarom ook nooit los gezien worden van de boodschap die Hij bracht. Een boodschap die radicaal was, dat wil zeggen de duivel ontmaskerde en de bedoeling van God: het goede, welgevallige en volkomene voor ieder mens, duidelijk maakte. Jezus zelf bracht het grote verschil tussen wat Hij deed en de duivel zeer duidelijk onder woorden met de opmerking: “De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10).

Onze betrokkenheid bij het werk van Jezus

Wanneer wij oog hebben gekregen voor het feit dat Jezus èn Zijn boodschap één zijn en beide dus belangrijk, zijn we al een stap verder. Maar ook dan kan er nog een soort ‘afstandelijk geloof’ zijn, als wij ons niet bewust zijn dat wij voor de volle honderd procent erbij betrokken zijn om dit door te geven! Tot Zijn discipelen sprak Jezus reeds: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u” (Joh. 20:21b). Paulus schrijft aan de Galaten dat toen de volheid des tijds gekomen was, God Zijn Zoon heeft uitgezonden (Gal. 04:04). De volheid des tijds voor allen die in Hem (gingen) geloven, kwam toen op de Pinksterdag de Heilige Geest werd uitgestort. Daarom mogen ook wij ons bewust zijn dat wij zijn uitgezonden in deze wereld. We hebben daarvoor het recht van zonen ontvangen (Gal. 04:05).

We zijn een tijd binnengegaan waarbij iedere halfslachtigheid, lauwheid, twijfel on ongeloof behoort te verdwijnen. De infiltraties uit het rijk der duisternis zullen meer en meer worden ontmaskerd en overwonnen, naarmate de Geest van God in en door ons kan werken. Nog blijft in veel evangelieprediking de duivel buiten schot. Men spreekt wel over de slechtheid van de mens, zonder de veroorzaker van deze slechtheid te ontmaskeren. Vaak komt dit omdat men zelf nog geheel of gedeeltelijk gebonden is en geen geestelijke kennis en inzicht bezit. Let wel: ik schrijf dit niet als een soort ‘liefdeloos verwijt’ aan allen die de volle evangelie boodschap afwijzen. Het gaat erom dat wij onszelf onderzoeken op dit punt en dat we elkaar op positieve wijze helpen de volheid van Christus te leren kennen. Paulus zegt: “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is?” (2 Kor. 13:05). Met andere woorden: staat ons geloof in Jezus Christus op een laag pitje, of is het een dagelijks werkzaam, levend geloof? En dan niet alleen in ons eigen leven, maar ook naar de anderen – onze medemens – toe!

Dat is de werkelijke betekenis van het Kerstfeest, dat we weer met grote blijdschap, maar ook met verantwoordelijkheidsbesef mogen vieren, want niet alleen Jezus Christus werd uitgezonden in deze wereld, maar ook wij zijn uitgezonden! Het grote werk Gods gaat door, totdat Christus zal zijn ‘alles en in allen’. Wat een heerlijkheid daar bij betrokken te zijn!

 

Sta op, ‘wordt verlicht door Wim te Dorsthorst

 

December is de maand van de huiselijke feesten: Sint Nicolaas, Kerstfeest, de jaarwisseling, lange gezel­lige (?) winteravonden, enz. De hele economie is er op ingesteld. Winkels liggen vol en in een snel tempo ziet men de etalages veranderen van het ene feest naar het andere.

Ieder jaar zijn de verkooppercentages weer hoger dan de voorgaande jaren.

Het hoogtepunt van de decembermaand is onge­twijfeld het Kerstfeest. Van oudsher een kerkelijk feest met veel sfeer en romantiek omgeven. Het wordt echter steeds meer een gelegenheid om te eten, te drinken en op een volkomen vleselijke manier vrolijk te zijn. Ja, men gaat óók nog wel even naar de kerk, want dat hoort bij de sfeer, maar aan de geboorte van de Verlosser – ‘het Licht der wereld’ – wordt vrij­wel niet gedacht. Er is zoveel kunstlicht dat niet gezien wordt hoe men wegzinkt in een steeds toenemende duisternis. In enkele grote weekbladen stond pas geleden nog te lezen hoe snel de ontkerkelijking toeneemt.

Maar – prijs onze grote, goede God – in het ver­borgene gebeurt er ook nog iets, wat hier totaal tegengesteld aan is. De Bijbel spreekt in dit ver­band over het geheimenis Gods. Er treedt namelijk een volk uit de duisternis te voorschijn waar het licht steeds helderder over opgaat. De profeet Jesaja – die zoveel gepro­feteerd heeft over de komst van de Messias, de eniggeboren Zoon van God – zegt over dit volk: “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op. Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden” (Jes. 60:01-02)

De uitgeroepenen door de Geest

Wat is dit dan voor volk dat toegeroepen wordt: “Sta op” of “Maak u op”? Profeteerde Jesaja dan niet voor het volk Israël? Ja en neen! Hij profeteer­de voor het natuurlijke volk Israël wat de komst van de Messias, Jezus Christus, betrof, maar niet los daarvan gold en geldt zijn profetie het geestelijke volk Israël, waar Petrus op doelt in 1 Petrus 1 vers 10 tot 12 (1 Petr. 01:10-12). Dat is het volk uit alle stammen, talen, natiën en volkeren, die door het bloed van het Lam voor God gekocht zijn en die door Jezus Christus ge­vormd worden tot een Koninkrijk van priesters voor zijn God en Vader (Openb. 01:05-06; Openb. 05:09). Dit is de gemeente van Jezus Christus. Dit is de ‘ec­clesia’, de door de Heilige Geest ‘uitgeroepenen’ of ‘bijeen geroepenen’ uit de hele wereld (Matt. 16:18).

Toen de eerste gemeente vervuld werd met de Hei­lige Geest, op die zo belangrijke eerste Pinkster­dag, zei Petrus: “Dit is het waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laat­ste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees” (Hand. 02:16-17a) .

‘Dit is het’. Dit is de belofte’ van God. Hier heeft God naar toegewerkt van vóór de grondlegging der wereld, dat na de ver­heerlijking van Zijn Zoon Jezus Christus, de Heilige Geest uitgestort zou worden. (Luc. 24:49; Joh. 07:39; Hand. 02:33).

Jezus Christus is de ge­rechtigheid Gods voor de gehele wereld. Niet dat ieder mens zomaar de Hei­lige Geest zou ontvangen, maar de Heilige Geest kan nu werkzaam zijn in de wereld. Hij zoekt mensen­harten, die overtuigd zijn van zonde en van gerech­tigheid (in Jezus Chris­tus) en van oordeel (vrij­making uit de macht van satan door te gaan tot het Licht), zegt Jezus in Johannes 16 vers 8 (Joh. 16:08).

Velen hebben hun geweten tot zwijgen gebracht, maar de Geest doorloopt de gan­se aarde om krachtig bij te staan, hen, wier hart volkomen naar Hem uit­gaat (2 Kron. 16:09).

Gij zult Mijn getuigen zijn.

Dit doet de Geest niet los van het Woord. De Geest werkt in het Woord en dat Woord moet verkondigd worden. Paulus zegt: “Ge­loven is een gevolg van het horen van de bood­schap, en dat horen vindt plaats bij de verkondiging van Christus” (Rom. 10:17, Groot Nieuws). Dit ver­kondigen vindt plaats door de prediking, zoals in de dagen van Paulus, maar in deze tijd ook bijvoor­beeld door middel van lectuur. Zo is “Levend Ge­loof” ook al meer dan 25 jaar een verkondiger of getuige van Christus. Naast de opbouw van hen die al tot geloof gekomen zijn, klinkt ook altijd wel het goede nieuws door van Jezus Christus als Verlosser en Licht der wereld.

Op velerlei wijzen wordt in deze tijd zo het goede nieuws verkondigd. Maar, zegt Paulus in Romeinen 10 vers 16 (Rom. 10:16): “Ze hebben niet allemaal gehoor gege­ven aan het grote nieuws”. Het overgrote deel geeft geen gehoor, maar geluk­kig zijn er ook velen die het wél aannemen. Zelfs uit de Moslimwereld komen er mensen tot erkentenis der waarheid en worden toegevoegd aan de miljoe­nen die al verlost en ge­doopt zijn en de Heilige Geest hebben ontvangen. Dit is nu het werk van de Heilige Geest die is uit gestort op alle vlees en die in deze tijd met kracht overtuigt als het Woord Gods gepredikt wordt.

Duidelijk zien we deze werking ook op de eerste Pinksterdag als 3000 men­sen tot bekering komen. Jezus zelf zegt hierover: “Niemand kan tot Mij ko­men, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt” (Joh. 06:44, Willibrord vert.). En: “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem (God) die Mij gezonden heeft. Als iemand bereid is Zijn wil te doen, zal hij van deze leer weten of zij uit God voortkomt of dat Ik haar uit Mijzelf verkondig” (Joh. 07:16-17).

Zo trekt God mensen en brengt die mensen, die Zijn wil willen doen, in het Koninkrijk (de ge­meente) van de Zoon Zijner liefde” (Kol. 01:13). Deze mensen, die over de gehele wereld in plaatse­lijke gemeenten op groeien naar het volle zoonschap, noemt de Bijbel ‘door God uitverkoren heiligen en geliefden’ (Kol. 03:12). Dit is niet weer een kerkge­nootschap of een sekte, maar door God ‘uitgeroe­penen’ uit de wereld.

Een volk Gode ten eigendom

Het is een bijzonder volk dat, juist nu de hele we­reld weer danst en zingt en eet en drinkt en speelt bij hun eigen gemaakte gouden kalf, kiest voor een totale breuk met deze wereld. Het is een volk dat de woorden van Jezus begrepen heeft als Hij zegt: “Want een ieder die zijn leven zal willen be­houden , die zal het ver­liezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden” (Matt. 16:25). In de doop van dit volk is de oude mens gekrui­sigd en met Hem begraven in de dood. Het nieuwe leven van Christus is er voor in de plaats gekomen (Rom. 06:01-11).

Dit volk leeft nu voor God en is het eigendom van Hem en is niet voortdu­rend met zichzelf bezig. Door de Heilige Geest ver­anderen zij van dag tot dag naar het beeld van hun Meester, Jezus Chris­tus (Rom. 08:29; Ef. 04:13-15). Deze gemeente breekt meer en meer uit in gejuich en gejubel voor God en het Lam. Ondanks strijd, moeite en verdruk­king is er voortdurend een lofzang in hun hart. Paulus zegt: “Laat u be­zielen door de Heilige Geest, spreekt elkander toe in psalmen en hymnen en liederen, ingegeven door de Heilige Geest.

Zingt en speelt voor de Heer van ganser harte” (Ef. 05:18b-19, Willibrord vert.). Tot dit volk klinkt nu de profetische oproep van Jesaja (Jes. 60:01): “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op”.

Zonen worden geboren

Wij staan aan de vooravond van een geweldige tijd: een nieuw wereldwijd ‘Kerstfeest’ gaat baanbreken. De gemeente – die in Openbaring 12 geschil­derd wordt als de vrouw, bekleed met de heerlijk­heid Gods en staande op het fundament Jezus Chris­tus en gekroond met de leer van de apostelen en profeten – is hoog zwan­ger.

De duivel, de grote draak, tracht de geboorte nog te verhinderen, maar de zonen worden geboren en krijgen goddelijke heer­schappij (Openb. 12:01-05). Dit volk, deze zonen, zul­len staan temidden van de duisternis als een stralend licht, temidden van het rijk van de antichrist, dat met bedrieglijke won­deren en tekenen en gena­deloos geweld, zal trach­ten de gemeente en de hele wereld aan zich te onderwerpen (1 Thess. 02:09-10).

Maar wij kijken nog even mee met Jesaja als hij, door de Geest van Chris­tus, geweldige dingen ziet gebeuren voor dit volk en met dit volk en zegt:

“Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.

Volken zullen opgaan naar Uw licht en koningen naar Uw stralende opgang.

(Jes. 60:02-05)

(Jes. 60:04-05) Hef uw ogen op en zie rondom: zij allen verzamelen zich, komen tot u; uw zonen komen van verre en uw dochters worden op de heup aangedragen.

Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen.”

Jesaja ziet de gemeente die als het ‘geheimenis Gods’ wordt toebereid tot een koninkrijk van priesters. Het zijn de uit­geroepenen die de wil van God willen doen en die hun leven inzetten voor een wereld in nood. Jesa­ja ziet hoe déze gemeente als een ark zal zijn, waar alles in binnen gebracht zal worden en voor de hele wereld tot behoud zal zijn.

Daarom is de oproep voor nu: ‘Volk van God, Ge­meente van Jezus Chris­tus: Sta op!’

God gaat de wereld, die in diepe duisternis dreigt weg te zinken, een gran­dioos, onvoorstelbaar nieuw Kerstfeest bereiden door de zonen die door de Zoon gevormd zijn. “Sta op, wordt verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op!”

 

Van de redactie

Een bijzonder jaar ligt achter ons. In januari verscheen namelijk het eerste nummer van de 26ste jaargang en mochten wij terug zien op 25 jaar “Levend Geloof’-arbeid. Omdat wij geen organisatie zijn die eigen conferenties, contactdagen en bijeenkomsten organiseert, hebben wij er uitsluitend in ons blad aandacht aan geschonken. “Levend Geloof” heeft het van meet af aan

haar opdracht gezien, voornamelijk via het gedrukte woord de volle evangelie boodschap te proclameren. Juist omdat wij een onafhankelijk blad zijn kunnen wij vrij en onbevangen schrijven over datgene wat wij – geïnspireerd door Gods Woord en Geest menen dat nuttig is voor de verkondiging van dit evangelie.

”Levend Geloof” staat ten dienste van alle gemeenten en individuele gelovigen die verlangen het volle evangelie te leren kennen en beleven, terwijl wij uiteraard de gemeenten en gelovigen die deze boodschap nog niet kennen, opwekken dat ook te doen! “Levend Geloof’ mag daarom, behalve als blad voor ‘geestelijke opbouw’ ook gezien worden als ‘zendingsblad’. Onze taak was ‘is en

blijft de verkondiging van het evangelie van het koninkrijk Gods.

Wij zijn dankbaar dat vele van onze lezers en lezeressen dit ook zo zien en niet alleen zelf gezegend worden door de inhoud van ons blad, maar ook daadwerkelijk meewerken, bijvoorbeeld door abonnees te winnen, geschenk abonnementen op te geven en door het overmaken van giften. En last-but-not-least, door gebed. Het gelovige, positieve gebed is de motor waarop ieder werk in Gods Koninkrijk functioneert en dat geldt zeker ook voor de arbeid van “Levend Geloof”.

Als blad werken we ook mee aan de ‘opinievorming’ rondom de boodschap, dat wil zeggen, wij proberen zo veelzijdig mogelijk de boodschap te belichten, zonder fanatiek of extreem te zijn, maar ook zonder water in de wijn te doen. En vooral dat laatste is in deze tijd erg belangrijk. Daarom willen wij doorgaan met de compromisloze verkondiging van het evangelie, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen en kunnen met Paulus zeggen dat onze arbeid niet vergeefs zal zijn in de Here. Ook willen wij – redactie en medewerkers – al onze lezers en lezeressen een rijk gezegend Kerstfeest toewensen en wat 1988 betreft: laten we standvastig blijven, onwankelbaar en te allen tijde overvloedig in het werk des Heren! (1 Kor. 15:58).

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (8)

De geschiedenis van Noach (2)

“Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man” (Gen. 06:09b). Als er in Genesis over een ‘man’ gesproken wordt, dan is dit een kernwoord. In de eerste hoofdstukken van Genesis gaat het steeds over ‘man en vrouw’: ‘man en mannin’ (iesj en isjah). Daarna gaat het over ‘man en broeder’. Daarom staat er in Genesis 4 vers 1 (Gen. 04:01), dat Eva zegt: “Ik heb met de Here een man voort gebracht”. Eva zegt niet, zoals de ‘Groot Nieuws’-vertaling zegt: “Ik heb een zóón voort gebracht”. Dit geeft een complete verwarring, want hier moest juist het woord ‘man’ staan. Het Hebreeuws klutst de woorden niet door elkaar. Het gaat om ‘man en broeder’. Van Noach wordt in vers 9 (Gen. 06:09) ook gezegd dat hij een ‘man’ is.

Noach krijgt twee aanduidingen: Hij is rechtvaardig en onberispelijk. Dit willen we eens wat nader gaan bezien. In de eerste plaats het woord ‘rechtvaardig’ (tsaddieq). Het is in de Schrift een heel fundamenteel woord. Rechtvaardig is iemand die beantwoordt aan zijn bestemming. Een stapje verder: Een tsaddieq is iemand die het opneemt voor zijn broeders en daarmee waarlijk mens wordt. Jezus Christus is de ware tsaddieq geworden: de Rechtvaardige die het opnam voor zijn broeders, tot in de dood.

In de tweede plaats wat het woord ‘onberispelijk’ betreft. Dit woord is eigenlijk te negatief. Het gaat er niet om wat hij niet is (on), maar in het Hebreeuwse denken gaat het er veelmeer om wat iemand wel is. Er staat het woord tamiem, één van de grondwoorden uit de Schrift. Tamiem betekent: totaal, geheel.

Noach: de man uit een stuk

Je zou dus ook kunnen zeggen: ‘Noach was een man uit één stuk’. Het betekent veel meer dan: ‘Er was aan Noach niets te berispen’. Het woord tamiem staat ook in Matteüs 5 vers 48 (Matt. 05:48), waar Jezus zegt: “Gij zult volmaakt (tamiem) zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt (tamiem) is”. Met andere woorden: ‘Jullie zult mensen zijn uit één stuk, gelijk uw hemelse Vader ook iemand is uit één stuk’. Het is een mooie afsluiting van Matthéüs 5, waarin het steeds gaat om ‘het ongedeelde leven; het werkelijk één zijn’. Jezus bedoelt: ‘Je moet zonder onderscheid, als een mens die één geheel vormt, leven uit één principe en je medemens van ganser harte liefhebben. Je zult tamiem zijn’. Jezus geeft hier in feite alleen maar een toepassing van Genesis. Daarom zegt Hij ook in vers 17 (Matt. 05:17): “Ik ben niet gekomen om de wet (Thora) te ontbinden, maar Ik ben gekomen om ze te vervullen”. Zoals we eerder reeds schreven vormt de Thora de vijf boeken van Mozes: de onderwijzing. ‘Vervullen’ is: tot de oorspronkelijke inhoud en tot de oorspronkelijke kracht terugbrengen. Het treft mij steeds meer, dat Jezus met beide benen in het boek Genesis staat. Als Jezus bijvoorbeeld spreekt over het huwelijk, zegt Hij: “Van den beginne is het niet zo geweest”. Je zou ook kunnen vertalen: ‘In Genesis is het niet zo geweest’. Genesis is het boek: ‘In den beginne’ (beresjiet). Zo begint het boek Genesis ook.

Nog enkele kernteksten over tamiem, om een lijn te trekken: De lijn bij Noach wordt voortgezet bij Abraham. Genesis 6 vers 9 (Gen. 06:09)en Genesis 17 vers 1 (Gen. 17:01) zijn twee teksten uit het begin van de Thora. Noach en Abraham zijn twee figuren’ waarvan gezegd wordt: Tamiem. Genesis 17 vers 1b (Gen. 17:01b): “Ik ben God, de Almachtige(El Sjaddai) wandel voor mijn aangezicht en wees onberispelijk” (tamiem). Dus: ‘Wees (of word) een mens uit één stuk’. Deuteronomium 18 vers 13 (Deut. 18:13), een tekst uit het eind van de Thora, zegt: “Gij zult onberispelijk staan tegenover de Here, uw God”. Letterlijk staat er: ‘Gij zult tamiem zijn met de Here, uw God”. De Israëlieten staan vlak voor het beloofde land. Mozes zegt dan: ‘Jullie moeten niet waarzeggers en tovenaars aanlopen, want dat doen de volken rondom. ,Jullie moeten naar hen. niet luisteren, maar naar een profeet’. God wilde dat het volk zich helemaal zou scharen aan de zijde van de Here, hun God.

Het kenmerk van Noachs tijd.

Tamiem is één van de grondwoorden waar de Thora van Mozes op gebouwd is. Het staat lijnrecht tegenover wat’ in de tijd van Noach allemaal naar voren kwam. Genesis  6 vers 9 (Gen. 06:09) zegt dat Noach onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig man was. (Letterlijk: ‘in zijn geslachten, generaties’). In vers 9b wordt van Noach gezegd, dat hij met God wandelde; evenals Henoch. Het kenmerk van die tijd wordt vermeld in vers 11 (Gen. 06:11): “De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij”.

Als in de Schrift het woord ‘geweld’ gebruikt wordt, heeft dit in wezen altijd te maken met onderdrukking.’ ‘Geweld’ is een kernwoord. Het wil zeggen dat de ene mens leeft ten koste van zijn broeder. De mensen in de tijd van Noach liepen over hun broeders. Het woord ‘geweld’ speelt door heel de Schrift heen. Een paralleltekst is bijvoorbeeld: Habakuk 1 vers 2 (Hab. 01:02): “Hoelang, Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U: geweld! en Gij verlost niet?” (eigenlijk: bevrijdt niet). ‘Ik schreeuw tot U: geweld!’, is een noodkreet van Habakuk. Het woord ‘schreeuwen’, dat hier in het Hebreeuws gebruikt wordt, betekent – altijd, dat een hulpeloze om hulp roept. Het is interessant, dat dit woord ook gebruikt worgt als Kaïn Abel vermoord heeft: “En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem” (of schreeuwt) (Gen. 04:10). Het is hier niet een roepen om wraak, maar om hulp; er was geen helper, geen broeder meer.

Een mens gaat schreeuwen als hij geen broeder meer heeft. De aarde gaat schreeuwen als de aarde geweld proeft. ‘Geweld’ staat lijnrecht tegenover ‘broederschap’, en dus ook lijnrecht tegenover ‘rechtvaardigheid’. Een rechtvaardige neemt het op voor zijn broeders en een geweldenaar vertrapt zijn broeders. Rechtvaardig ben je nooit op je eentje, maar altijd ten behoeve van de ander, de rechtvaardige neemt het op voor de hulpeloze. Wie zegt: ‘Als ik er maar kom, als ik het doel maar bereik’, die is een vrome egoïst. Jezus was een rechtvaardige, die het opnam voor de hulpeloze. Jezus werd een tsaddieq doordat Hij een hele mensheid meenam.

De mens op een doodlopende weg

In Genesis 6 vers 11 en 12 (Gen. 06:11-12) valt het woord ‘verdorven’ op: “De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweld. En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want alle vlees had zijn weg op de aarde verdorven”. ‘Al wat leeft, staat er niet; er staat: ‘alle vlees’: de mensen. Het haakt in op vers 3, waar staat: ‘de mens… hij is vlees’. Het woord ‘weg’ is ook een belangrijk woord in de Schrift; het is je levenswandel, je weg door de geschiedenis. De mensen hadden hun weg verdorven.

“Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten” (Gen. 06:13a). Er staat echter letterlijk: ‘Een einde van alle vlees is voor mijn aangezicht gekomen’. Er staat dus niet dat het door God besloten is, maar het is voor Gods aangezicht gekomen. God ziet op een bepaald moment voor zijn aangezicht komen, dat er een einde komt aan al dat vlees dat zijn weg had verdorven. Deze mens kan niet meer verder, maar is aan het eind gekomen. Hij loopt letterlijk en geestelijk dood. Het is een doodlopende weg. Want het is een geestelijke wet, dat de mens vastloopt in zijn eigen puinhopen.

“De Here kent de weg der rechtvaardigen, (die mens die het opneemt voor zijn broeders) maar de weg der goddelozen gaat teniet of teloor. (Ps. 01:06). Een goddeloze is niet alleen maar een mens, die God niet heeft: een atheïst, maar het is, letterlijk vertaald: een doemende: iemand die een doem legt op anderen. Vers 13 b zegt: ‘Want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij…” (letterlijk: ‘want vanwege hun aangezicht is de aarde vol geweld’). Het woord ‘vol’ herinnert ergens aan het scheppingsverhaal. God zei- Vervul de aarde’. Het was Gods bedoeling dat de aarde vervuld zou worden met Zijn heerlijkheid. De mensen hebben de aarde inderdaad vervuld, doch met gewéld. Als de maat vol is, komt er een einde.

Je aangezicht is: je relatie met God en je relatie met je broeder. Hoe kijk je naar God en hoe kijk je naar je broeder? Als je aangezicht valt, is het resultaat: geweld, zoals bij Kaïn. De geschiedenis van Kaïn is het modelverhaal, voor wat er later in het groot gaat gebeuren. Verder lezen we in vers 13b (Gen. 06:13b): “En zie Ik ga hen met de aarde verdelgen”. Er staat hier hetzelfde woord als in vers 11 en 12 (Gen. 06:11-12): verderven. We zien de lijn: vers 11(Gen. 06:11): De aarde was verdorven’. Vers 12 (Gen. 06:12): “Zij was verdorven, want alle vlees had zijn weg verdorven’ Daarop volgt in vers 13b (Gen. 06:13b): ‘Ik ga hen met de aarde verderven’.

Kanttekeningen bij het woord ‘verderven’

Ik wil nog iets dieper ingaan op het woord ‘verderven’ vanuit de grondbetekenis. Ten eerste kan het komen van een Assyrisch woord, dat ‘vluchten’ of ‘ontwijken’ betekent. De woorden hebben een bepaalde ontwikkeling door gemaakt . Vanuit de grondbetekenis krijg je een duidelijke zin. We zien, dat de mensen van ‘hun weg afgeweken waren. God zegt: ‘Ik zal ze doen vluchten’,  doen ‘wijken’. Ten tweede kan het woord ‘verderven’ afgeleid worden van het Hebreeuwse woord ‘groeve’. Dit woord heeft dezelfde woordstam: sjachat. Dan zou het woord betekenen: ‘ondergraven’. Alle vlees had zijn weg ondergraven. Deze afleiding spreekt mij wel aan. De aarde was ondergraven. Alle vlees had zijn weg ondergraven. Als gevolg hiervan, staat in vers 13 (Gen. 06:13): ‘En zie, Ik zal hen ondergraven’. De mensen hebben hun weg ondergraven. God zegt: ‘Ik zal hun ondergraven’. Het wil zeggen: ‘Ik zal hun verdergaan onmogelijk maken’.

Het woord sjachat kan in ruimere zin gebruikt worden. In Klaagliederen 2 vers 6 (Klaagl. 02:06) wordt het gebruikt in verband met de feesttijden. De Here heeft de feesttijd ondergraven, of: doen wijken. In dit verband noem ik nog een ander woord, dat hier niet voorkomt, maar er toch wel mee te maken heeft. Dit woord wordt meestal vertaald met ‘vernietigen’: abad. Het woord abad heeft oorspronkelijk een andere zin; het betekent eigenlijk ‘verdwalen’; in de causatieve vorm: ‘doen verdwalen’ of ‘laten verdwalen’. Oorspronkelijk wordt het gebruikt bij: ‘het verdwalen van een schaap’. Vandaar dat je een heel andere gedachtewereld krijgt. Er wordt niet gesproken over ‘vernietiging’, maar het gaat veelmeer over het ‘verdwaald raken’. Als een schaap verdwaald raakt, is er altijd nog een mogelijkheid dat het schaap weer thuiskomt. Als je spreekt over ‘vernietigen’, dan is het afgelopen.

De Herder zoekt het verdwaald en verlorene

“Ik heb gedwaald als een verloren schaap, zoek uw knecht, want uw geboden vergeet ik niet” (Ps. 119:176). Een prachtige tekst uit één van de meest kostelijke Psalmen. Als je hem góéd leest, kun je er enorm veel uit ontdekken. Deze Psalm is de vreugde van de Thora,, van de onderwijzing. De mens kan zich nergens méér in verheugen dan in de onderwijzing, die Gód geeft”. ‘Ik heb gedwaald als een verloren schaap…’ Er staat eigenlijk: Ik heb gedoold (of ik ben af geweken); als een verdwaald schaap zoek uw knecht… Achter ‘gedoold’ kan een punt of puntkomma gezet worden. Het schaap is verdwaald en wordt dan ook door de herder gezocht.

In het laatste vers van Psalm 119 zitten in wezen al twee gelijkenissen, die Jezus heeft verteld. Het zijn aparte gelijkenissen. Matteüs 18 vers 12 tot 14 (Matt. 18:12-14) gaat over een verdwaald schaap. Matthéüs vertelt de gelijkenis helemaal in het kader van de gemeente. In de gemeente kun je te maken krijgen met een schaap, dat gaat dwalen. Lucas 15 vers 1 tot 7 (Luc. 15:01-07) gaat over een verloren schaap in de wéreld: een zondaar. Wat is het heerlijk te weten dat Gods liefde steeds weer uitgaat zowel naar het verdwaalde als naar het verlorene. Hij wil niet dat de mens in het ‘verderf’ terecht komt.

“Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden” (Luc. 19:10).         

(wordt vervolgd).

 

Noach (gedicht) Piet Snaphaan

Meer dan vijf eeuwen was hij oud,

rechtvaardig in Gods ogen.

God had Zijn plan aan hem ontvouwd:

Bouwt u een ark van goferhout,

met ’t licht, een el van boven.

 

Heel wat lange, lange jaren,

heeft Noach aan de ark gebouwd.

Hoeveel tegenstand ervaren,

wie zal ’t ooit kunnen verklaren?

’t Ging immers om hun behoud!

 

Hoevaak had hij ’t kwaad bestreden,

als lichtend licht en zoutend zout,

de goede strijd intens gestreden,

getracht de mensen te overreden,

dat God nog steeds van allen houdt.

 

Het mocht alleen niet langer baten,

de boze gaat zijn slag dan slaan.

Die had ’t allang reeds in de gaten:

de mens had zelf zijn God verlaten.

Die kans liet hij zich niet ontgaan.

 

Dan volgt een ramp van satans wegen,

de grootste wel sinds aards bestaan.

Een grote vloed, en wel terdegen,

door massa’s water aangedreven,

wat mens en dier dan doen vergaan.

 

Na al ’t geweld van ’t woelend water,

drijft daar de ark: God had voorzien.

Symbool van rust, en bovendien

had Hij aan mens en dier gedacht.

Een rest houdt stand voor ’t nageslacht.

Gods plan gaat onveranderd voort,

als Schepper heeft Hij ’t laatste woord!

 

Verleden, heden en toekomst door Gert van de Kamp

“In het heden ligt het verleden, in het nu wat worden zal”.

Willem Bilderdijk.

Bovengenoemde beroemde versregel van de befaamde literator Willem Bilderdijk geeft veel te denken. De regel getuigt van inzicht in de geschiedenis. Ver­schillende tijden en ver­schillende gebeurtenissen staan in relatie tot elkaar, leert ons de dichter. Bil­derdijk vertelt ons dat de tijden als schakels van een ketting met elkaar verbonden zijn. Samen maken deze schakels de ketting, samen ook vor­men de verschillende tij­den – verleden, heden en toekomst – de geschiede­nis .

Je identiteit (dat is wie, wat èn hoe je bent, in de natuurlijke wereld, maar zeker ook in de geestelij­ke wereld), wordt bepaald door de geschiedenis.

Door uw persoonlijke ge­schiedenis. Je verleden bepaalt wat je nu bent. Je bekering, je doop in water en je doop in de Heilige Geest, de strijd in de hemelse gewesten en de communicatie met de Heer hebben je gemaakt tot wat je nu bent. Door wat men heeft beleefd in zijn leven met de Heer, weet iedereen ook hoe het er met hem of haar voor­staat. Iedereen kent zijn geschiedenis. Ben je een zoon van God of kijk je anders naar jezelf?

Gods hand in de geschiedenis

Er is een boekje dat heet: ‘Gods hand in de geschie­denis”. Zonder stil te staan bij het punt óf het altijd Gods hand is ge­weest die de geschiedenis – de loop der dingen en zaken – heeft bepaald (daar heb ik zo mijn vra­gen over), wil ik de titel van dit boekje wel betrek­ken op mijn en uw per­soonlijke geschiedenis met God. Gods hand in mijn geschiedenis, in mijn he­den, verleden en wat wor­den zal. Je persoonlijke geloofsbelijdenis mag zijn dat je Gods hand in je eigen geschiedenis erkent.

Je geschiedenis kun je op­delen in drie tijdperken: het verleden, het heden en de toekomst. Wat er gisteren gebeurde en van­daag gebeurt, bepaalt wat we nu zijn. Doordat God geschiedenis met mensen wil schrijven, hoopt Hij dat mensen uitgroeien tot zonen Gods. We zeggen vaak: dat is een proces, met andere woorden, daar gaat een tijd overheen.

Verlangt u er ook naar om door Gods hand uw geschiedenis te laten be­palen? Veel mensen hebben in het verleden frustraties opgelopen, waardoor ze in het heden hun geschiede­nis ontkennen. “God heeft met mij geen geschiedenis geschreven, want wat ik heb mee gemaakt en hoe ik nu ben, ik wil er niet meer aan denken”, zeggen ze. Anderen menen: “Wat ben ik blij dat ik God ben tegengekomen in mijn ge­schiedenis. Door wat er zich in het verleden heeft afgespeeld, ben ik nu een zoon van God”. Misschien zijn er ook mensen die  verkondigen: “Was Gods hand maar vaker in mijn geschiedenis. Ik zie dat er bij tijd en wijle blanco bladzijden in mijn geschie­denis met God voorkomen. Ik wil wel graag een zoon van God zijn, maar…” Ongetwijfeld zijn op boven­staand voorbeelden nog wel een aantal varianten te verzinnen.

Geen rol voor het verleden

Weet u wat nu het fijne van God is? Het verleden speelt voor Hem geen rol meer, in die zin: Hij wil dat voor een ieder het vertrekpunt naar de toe­komst nu (in het heden) gelijk is. God zegt niet: met jou heb ik vroeger geen geschiedenis geschre­ven óf, jou ken Ik goed uit het verleden, jij bent er één van Mij. Zo is God niet. Voor Hem geldt dat vanaf het heden verder gewerkt kan worden aan de geschiedenis van ‘wat worden zal’.

God wil met ieder mens de toekomst in. Of je nu al een hele tijd samen ge­schiedenis hebt geschreven of niet, God wil met ieder mens verder. Hier geldt alleen: in het nu ligt wat worden zal. En wat worden zal, dat is een nieuwe schepping waarbij de zo­nen Gods zich openbaren en hun plaats innemen. God en mensen vormen dan een totale eenheid. In het heden ligt uw ver­leden (hoe dat eruit ziet, doet erbij God niet toe). In het nu ligt wat worden zal. Dat is voor God be­langrijk. Voor u ook?

Jesaja 43 vers 18 en 19 Groot Nieuws vertaling (Jes. 43:18-19) maken duidelijk dat God Heer is van de toekomst: “Blijf niet stilstaan bij het oude (positief of negatief verleden), klamp je niet vast aan het verleden. Let op, Ik begin iets nieuws. Het krijgt al vorm, je kunt het al zien: een weg door de woestijn, rivieren door de steppe”.

 

Intermezzo door Gerry Velema

Overwinnaar in Jezus

Daar zaten we dan. Samen bijeengebracht door een verdrietig verlies. Na een intensieve gebedsstrijd, al dan niet met vasten en volharden, gebeurde het toch, dat we samen moesten komen, om van een vriend en broeder van ons afscheid te nemen. Een gebeuren dat ons allemaal erg aan het hart ging. Een gebeuren dat ons diep liet beseffen dat we elkaar zo nodig hebben.

Terwijl we daar waren en luisterden naar de troostvolle en geloofsvolle woorden die gesproken werden, dacht ik aan het machtige geloof in de opstanding.

Eigenlijk lachte de boze ons uit, vanachter die doodskist. Hij bespotte ons en onze gebeden. “Wat heeft het allemaal geholpen”, grijnsde hij Gods kinderen toe, “ik was sterker, dat zie je nu maar. Jullie vriend is dood”.

Maar door ons geloof en door de woorden heen, die gesproken werden als een belijdenis, zag ik Jezus komen. Hij was verheven boven de dood. Satan sidderde en vluchtte voor onze Heer, Nog siste hij op zijn vlucht: “Nee, niet weer… niet weer”. Maar Jezus zei: “Wel weer! Mens, sta op uit de doden, Ik zal over je lichten. Opstandingskracht… Kom, sta op en leef!”

Ineens was de aula voor mij niet meer een trieste naargeestige ruimte. Ik werd blij, blij in Jezus, blij in dat geloof in Zijn overwinning. Jezus was er immers. Ja, ‘ dit voor het menselijke oog, zwakke moment, kwam Gods kracht juist nu, als de sterkste tot openbaring En wat gaat die kracht te boven?

Jezus is Overwinnaar. En wij met Hem!

 

Kerstfeest? Dat is goud! Maar welke waarde heeft het voor jou?

Ieder jaar opnieuw zie je, al ver voor 25 december, de winkels vol liggen met allerlei gezellige snuiste­rijtjes. Leuke kaarsen, kerstversieringen, enz. In muziekzaken worden platen of cd’s met kerstmuziek verkocht. Allemaal dingen die te maken hebben met gezel­ligheid, met warmte en sfeer. Tja, daar houdt een mens nu eenmaal van. Dat is ingeschapen bij hem, dat verlangen naar rust, naar vrede… En je kunt dat tot uiting brengen in het scheppen van een stukje gezellig­heid.

Maar. . . uiteindelijk is er voor zo’n sfeer, zo’n warm, vredig en veilig klimaat, méér nodig. Er is een stukje innerlijke vrede nodig, een stukje innerlijke blijdschap en rust.

In Psalm 138 staat een grandioze tekst: “Want Gij hebt, om uws groten naams wil, uw toezegging heerlijk gemaakt” (Ps. 138:002).

Wat is dat, een toezeg­ging? Het is een belofte. En in dit geval draait het om een belofte, een toe­zegging van God, onze Schepper. Van die belofte zegt David in deze Psalm: “Heer, u hebt uw belofte héérlijk gemaakt!” Wij zouden misschien zeggen: “Heer, uw belofte, die is goud! Die is te gek!”

Zo’n gouden belofte staat bijvoorbeeld in Efeziërs 1 vers 4 (Ef. 01:04):

“Al voordat hij de wereld maakte, heeft God ons uitgekozen (…). Wij zouden al­leen van Hem zijn en zonder onvolmaakt­heid voor Hem staan” (Het Levende Woord) .

Gods verlangen naar een partner

Dat was de bedoeling van God: Hij verlangde naar een partner met wie Hij zou kunnen samenleven in Zijn schitterende schepping, voor eeuwig. Hij verlangde vurig naar een liefdesrelatie. O, Hij zag het hélemaal vóór zich: Hij zou, met Zijn partner, de schepping besturen en beheren, en alles zou harmonieus en volmaakt zijn. Er zou een liefdesrelatie ontstaan om­dat die partner uit eigen beweging voor Hem zou kiezen. Hij zou geen ma­rionet maken, want marionetten kunnen niet kiezen, en dan zou er immers geen sprake zijn van lief­de. Nee, Hij zou de mens zó maken, dat die zélf kon kiezen. En omdat Hij héél Zijn enkel goed en positief Wezen in die mens zou leggen, zou de mens zéér goed zijn en altijd verlangen naar en kiezen vóór het goede. Zó had Hij het hélemaal bedacht; de toekomst zou heerlijk zijn.

De mens, als volmaakte Godspartner, met heerlijk­heid en luister gekroond, zou, als hij volgroeid was, bóven de engelen worden geplaatst.

Eén engel, Lucifer, kon dat niet hebben. Hij was jaloers op de mens, wilde op diens plaats staan. Lucifer werd God onge­hoorzaam. En zo ontstond voor het eerst in de ge­schiedenis het kwaad, de rebellie, de ongehoorzaamheid. Zo ontstonden voor de eerste maal nega­tieve gedachten en gevoelens. Lucifer viel, en sleurde in zijn val een heel leger van engelen mee.

Lucifer had het op de méns gemunt, dat gehate schepsel, dat zo nodig boven hem moest staan. Met zijn eigen duivelse ongehoorzaamheid injecteerde hij Gods partner. Zo at Eva van de boom die door Lucifer was ge­annexeerd’, de boom waarvan God had gezegd: Als je van die boom eet, of hem aanraakt, zul je sterven” .

De mens op verkeerd terrein

En God had gelijk, gehad. Adam en Eva begaven zich op het terrein waar Lucifer, de ongehoorzame, de leugenaar, zich be­vond. Lucifer verlokte en verleidde hen. Hij misbruikte de schoonheid van een vrucht. Hij mis­bruikte het verlangen van Gods partner naar schoonheid. En Hij mis­bruikte het verlangen van de mens God te ken­nen .

Zo kwam Gods partner in wording, in handen van de duivel. Satan had dat prachtige schepsel in zijn greep en vergiftigde het met het verkeerde. Het paradijs werd gesloten. Adam en Eva, en heel veel mensen na hen, stierven. In de eerste plaats geestelijk. En, la­ter, ook lichamelijk.

Was dit het verdrietige einde van Gods dromen? O nee. Hij was niet voor één gat te vangen! Zijn plan met de mens bleef volkomen overeind. In 2 Samuël 23 vers 5 (2 Sam. 23:05) wordt David door God gebruikt om het nog eens eventjes duidelijk te laten weer­klinken :

“Toch heeft Hij mij een eeuwig verbond gegeven, geordend in alles en verzekerd. Want al mijn heil en alle welbehagen, zou Hij die niet laten uitspruiten?”

Zó dacht God erover. Die Goddelijke partner zóu er komen. Het kon niet mis­sen. Hij had er immers zijn eigen Wezen in ge­legd! Oké, misschien zou het allemaal wat langer gaan duren, maar wat zijn nu duizend jaar in de ogen van een God die eeuwig leeft?

Nee hoor, het was zeker dat de mens tot die be­stemming zou komen die God voor hem had weg­gelegd. En… God stak dat niet bepaald onder stoelen of banken: telkens en telkens opnieuw maakte Hij de mens duidelijk dat Hij nog steeds zielsveel van hem hield. En dat Hij nog steeds werkte aan Zijn voornemen. Eén van die herhaalde liefdesbe­tuigingen van God staat bijvoorbeeld beschreven in Jeremia 29 vers 11 (Jer. 29:11) (uit je hoofd leren!):

“Want Ik weet, mens, man, vrouw, jongen, meisje, welke gedach­ten Ik over jou koes­ter, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede, en niet van onheil, om jou een hoopvolle toekomst te geven”.

Kijk. Zó luidt het woord van de Heer. En réken maar dat dat woord krach­tig is. Fijn hè, dat God zulke gedachten koestert over Zijn geliefde mens.

Het woord werd vlees en bloed

En Zijn woord, dat oer­sterke woord van onze Heer, het werd vlees en bloed. Dat staat onder andere in Hebreeën 1 vers 1 en 2 (Heb. 01:01-02): “Vroeger heeft God op verschillende manieren tot onze voorouders gesproken, in visioenen en dromen, en zelfs van man tot man. Zo liet Hij stukje bij beetje weten wat Zijn plannen waren. Maar  nu, in onze tijd, heeft Hij tot os gesproken door Zijn Zoon, aan wie Hij alles heeft gege­ven en door wie Hij de wereld heeft ge­maakt en alles wat er verder bestaat. Gods Zoon straalt van Gods heerlijkheid, en uit al­les wat Hij doet, blijkt, dat hij in wezen God is. Hij beheerst het heelal met Zijn machtig woord” (Het Levende Woord) .

Eindelijk, eindelijk was daar een mens, die zó leefde zoals God dat bij de schepping al had bedacht. Die vóór deed, vóórleefde, hoe je met je hemelse Vader een fantastische liefdesrelatie kunt opbouwen. Jezus Christus werd geboren. Als mens.

Uit een vrouw. God had, in eindeloze liefde en goddelijke wijsheid, een zaadje geplant in de baarmoeder van Maria.

Daaruit werd een kind geboren, dat opgroeide als jij en ik. Precies hetzelfde. Ook dit kind werd door de duivel niet met rust gelaten. Maar dit kind ging er niet op in. Deze tiener knokte.

Deze jongeman vocht. Deze mens koos… voor het goede, voor de gehoorzaamheid. Voor God en hij slaagde. Glansrijk, met lóf.

Gods bedoeling met de mensen

Wat is nu God bedoeling? Dat, dóór de overwinning van deze mens, vele men­sen, légers mensen, tot overwinning zullen komen. En dat al die mensen een liefdesrelatie met hun he­melse Vader zullen opbou­wen. Een relatie zoals de Here Jezus Christus die kende. Een relatie zoals de Schepper had bedacht.

Wat een waarde krijgt het Kerstfeest voor mij als ik me verdiep in Gods be­doeling met mensen! God begrijpt immers mijn hun­kering naar warmte, lief­de, rust en vrede. Als ik tot Hem nader, zal Hij tot mij naderen. Hij is niet ver weg, maar heel dicht­bij . Heerlijk is het om – met deze wetenschap in je hart en in je leven – dit feest te vieren. Laten we tot in onze vingertoppen maar genieten van de ge­zelligheid en sfeer van dit feest. Maar, zullen we nu eens die sfeer ƒ vasthouden? Het is mogelijk. Het is volkomen Gods bedoeling.

Hij heeft ons een machtige Redder gestuurd uit het geslacht van Zijn knecht

David, zoals Hij lang geleden, door Zijn heilige profeten had beloofd. Hij heeft ons iemand gestuurd die ons zal redden uit de handen van onze vijanden, van allen die ons haten. Hij is goed voor onze voorouders geweest. Hij is zijn plechtige belofte aan Abraham niet vergeten. Hij heeft ons het voorrecht gegeven Hem te dienen zonder vrees, bevrijd uit de handen van onze vijanden.

Wij mogen bij Hem behoren en doen wat Hij zegt, heel ons leven lang (…).

Want het hart van onze God loopt over van liefde en goedheid.

Een hemels licht zal op ons schijnen, zodat de mensen die in het donker en de schaduw van de dood zitten, weer kunnen zien, en wij op de weg van de vrede worden gebracht”. (Luc. 01:69-75 en Luc. 01:78-79)

1987.11 nr. 286

Levend geloof 1987.11 nr. 286

De boodschap die actueel blijft door Gert Jan Doornink

De boodschap van het Koninkrijk Gods (het volle evangelie van Jezus Christus), was, is en blijft actueel! Ieder die deze boodschap werkelijk heeft leren kennen, zal dit kunnen bevestigen. In deze eindtijd zal deze boodschap zelfs van steeds grotere betekenis worden. Het is immers de wil van God dat het evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt zal worden, tot een getuigenis voor alle volken Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14) .

Meer en meer zal men ook gaan ontdekken dat de verkondiging van het evangelie, de verkondiging van het ‘werkelijke evangelie’ behoort te zijn. Want het gaat om het evangelie zoals Jezus dat bracht en later de apostelen. God heeft nooit gewild dat daar iets anders voor in de plaats zou komen. De duivel verheugt zich dat er nog zoveel ‘evangelie’ verkondigd wordt, waarbij de toevoeging ’ten dele’ zou moeten staan. Natuurlijk gebeurt dit niet altijd bewust, maar wordt veroorzaakt omdat men niet meer inzicht heeft. Daarom zijn zij,. die achter de volle boodschap staan, er ook verantwoordelijk voor dat déze boodschap in al zijn facetten verkondigd wordt. Daarvoor is volharding en toewijding vereist. De Bijbel vermeldt niet voor niets dat men trouw niet bij allen vindt. Soms horen, we van gelovigen die afhaken en van spanningen en scheuringen in gemeenten die de volle boodschap proclameren. Dat is altijd een droevige zaak en geeft aan dat het eindstadium – de volwassenheid in Christus – nog niet bereikt is en de duivel kans kreeg te infiltreren.

Maar juist daarom zal de waarachtige gelovige doorgaan met de verkondiging van het evangelie van de volheid van Christus. Hij weet dat, ook al is niet iedereen volhardend tot het einde, het gaat om dit evangelie. En hij weet óók welk een geweldige taak hij heeft ten opzichte van medechristenen bij wie het ‘volle licht’ nog niet is doorgebroken, maar die óók de Heer met een oprecht hart willen dienen.

Iemand die werkelijk de Heer volgt zal vroeg of laat in aanraking komen met de verschillende facetten van de volle evangelie boodschap. Het zal zijn leven op een onvoorstelbare wijze verrijken en de liefde van Christus die in zijn hart is uitgestort door de Heilige Geest, zal hem meer dan ooit tevoren in staat stellen om ten volle te functioneren in dienst van Gods Koninkrijk.

De groei van het koninkrijk

Behalve die kinderen Gods, die geestelijk groeien en daardoor de boodschap van de volheid gaan ontdekken, zijn ook allen die de boodschap reeds kennen betrokken bij een verdere geestelijke groei. Dat is juist het geweldige van het evangelie: het kent geen limiet, er is geen plafond. De Heer wil ons een weg aanwijzen die nog veel verder omhoog voert! Want Gods heerlijkheden en rijkdommen zijn onuitputtelijk voor allen die zich daarvoor openstellen.

Als gelovigen individueel en als gemeenten gezamenlijk blijven wij betrokken bij de groei van Gods Koninkrijk. Steeds weer wil de Heer ons nieuwe dingen openbaren opdat Zijn Koninkrijk nog meer gestalte gaat krijgen en wij nog effectiever kunnen functioneren in het plan van God. Wie zich , afsluit voor ‘nieuwe openbaringen’ gaat tegen de wil van God in, die ons steeds voller wil maken van Zijn heerlijkheid en de kennis, het inzicht, de onderscheiding, etc. in ons wil doen toenemen.

Uiteraard behoort alles wat ‘nieuw’ is eerst getoetst te worden aan het Woord van God onder de leiding van de Heilige Geest. Niet alles wat ‘nieuw’ is, is werkelijk nieuw. Soms zijn er nieuwe trends die alleen maar betrekking hebben op ons gevoelsleven, terwijl nog altijd het geloof primair is. Zonder geloof’ is het immers onmogelijk God welgevallig te zijn? Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Wel behoren we ons steeds weer flexibel op te stellen We kunnen zo gemakkelijk terechtkomen in systemen en structuren, die in het begin functioneel zijn, maar later herziening behoeven. Vooral als leiding van de gemeenten zullen we in dit opzicht steeds attent moeten zijn of er misschien iets veranderd moet worden. Daarbij mag één ding nooit uit het oog verloren worden en dat is de verkondiging van het woord.         Waar de

woordverkondiging in het gedrang komt en niet zo belangrijk (meer) wordt gevonden, is er iets fundamenteel mis. Het gaat er om dat het evangelie in al zijn aspecten steeds weer op duidelijke wijze wordt uit gelegd, zowel voor pasbekeerden als voor hen die op weg zijn naar de volwassenheid. Soms blijkt dat er nog wel eens verschillend gedacht wordt, wie het woord moet bedienen’: alleen uit eigen gemeente of ook sprekers van buiten de gemeente (gastpredikers). Wij denken dat een gezond evenwicht hier op zijn plaats is. De ’talenten’ in eigen gemeente behoren ingeschakeld te zijn, maar óók al die predikers die aan het Lichaam van Christus in zijn geheel geschonken zijn. Steeds zal waakzaamheid betracht moeten worden om niet ‘ te vervallen tot eenzijdigheid.

Bij een ‘levende gemeente’, dat wil zeggen een gemeente die openstaat voor de leiding van de Heilige Geest, zullen zich in dit opzicht geen problemen voordoen. Men is dan immers voortdurend bezig de boodschap actueel te houden, dat houdt in dat men geep compromis sluit of water in de wijn doet, maar ook openstafit voor niéuwe dingen, – mits ze werkelijk nieuw zijn en geopenbaard door de Geest. Zo zal de boodschap blijven doorwerken, in allen die de Heer met een oprecht hart willen dienen, tot de volle openbaring van Christus werkelijkheid is geworden!       

 

Wat lezers schrijven

Het is altijd weer bemoe­digend en stimulerend als wij positieve reacties ontvangen betreffende de inhoud van “Levend Ge­loof” en bemerken hoe ‘geestelijke groei’ het ge­volg is. Dat was ook in de afgelopen maanden weer het geval blijkens onderstaande flitsen uit brieven.

“Ik ben erg blij met het blad “Levend Ge­loof” . Je krijgt daar­door ook een helder in­zicht in het Woord van God. Je wordt niet meer zo heen en weer geslin­gerd en klemt je steeds meer aan Hem vast. Ik zie het nu ook geestelijk en wil daarin ook verder. Ik weet dat ik elke dag Zijn Geest nodig heb, om staande te blijven en te groeien in Hem, want Hij is de Gever van alle goeds, het is Zijn genade. Hij heeft ook mij gekocht en betaald met Zijn bloed en gedoopt met Zijn Geest. Ik kon eigenlijk nooit zeggen dat dat spreken in tongen zo’n ervaring was, ik begreep het niet. Maar nu heeft de Heer mij laten zien wie Hij werkelijk is, een goede God, een Vader die ons lief heeft” .

Dit schrijft zuster J. Z . te Heerenveen. Deze zus­ter die op een kleine Bijbelkring komt schrijft verder onder andere nog: “Al groeien wij nog niet in aantal, als we maar opwassen tot zonen Gods, dat is ons doel, het gaat om Zijn Koninkrijk en ge­rechtigheid en waarheid. Ik ben blij dat er broe­ders en zusters zijn waar wij mee in kunnen stem­men en die ons meer kunnen vertellen aan­gaande het Koninkrijk Gods; al zien we elkaar niet, ik heb veel geleerd uit “Levend Geloof”. Prijs de Heer! Hem komt alle lof en dank toe” .

“Wij zijn zéér tevreden over de inhoud van uw maandblad “Levend Geloof” . De uitleg over Kain en Abel heeft ons zeer aangesproken. Ook de uitleg over de toorn Gods (“Verlost van de toorn”, nr.283) vonden wij zeer goed en gedetail­leerd” , schrijft de familie P. R. te Peer in België.

“Hartelijk dank voor het laatste nummer van “Levend Geloof” . Vooral het onderwerp “De geestelijke werkelijkheid” door Wim te Dorsthorst trok onze aandacht”, schrijven W. en H.B uit Ulverstone in Austra­lië.

Een andere reactie uit Australië, van zuster A. C. te Port Lincoln is kort maar dui­delijk: “Wij genieten van “Levend Geloof”.

Tenslotte nog een reactie uit België. Zus­ter J. B. te De Klinge schrijft: “Hiermee vraag ik u vriendelijk om mij de volgende brochures toe te zenden, gezien ik benieuwd ben naar de in­houd ervan… Sinds kort heb ik een abonnement gekregen van een christen-zuster en ik moet zeggen dat de inhoud van “Levend Geloof” veel ruimte geeft aan mijn geestelijk leven. Veel din­gen, die ik al had vermoed, maar nog niet waren uit­gesproken, worden nu bevestigd in “Levend Ge­loof”. “Het boek Genesis” van Klaas Goverts is voor mij ‘levend water’ en een antwoord op een intens gebed”.

 

 

De basis van onze heiliging door Wim te Dorsthorst

“Van goedertierenheid en recht wil ik zingen, U, o Here wil ik psalm­zingen.

Ik wil acht geven op een onberispelijke levens­wandel.

Wanneer zult Gij tot mij komen?

Ik wandel in oprechtheid des harten in mijn huis, ik stel geen schandelijke dingen voor ogen; ik haat het doen der afvalligen, het kleeft mij niet aan. Een verkeerd hart wijke verre van mij, de boze wil ik niet kennen. Wie zijn naaste heimelijk lastert, die zal ik verdelgen; – wie hoog van ogen en trots van hart is, die duld ik niet” Psalm 1001 vers 1 tot en met 5 (Ps. 101:001-005).

Goedertierenheid en recht

In Psalm 101 spreekt David van levensheiliging. In de ik-vorm dicht hij” over zaken, die hij ver­acht en neemt zo heel duidelijk een standpunt in ten aanzien van alles wat verachtelijk en goddeloos is. Alles wat de duivel aan ongerechtigheid in de mens wil uitwerken, maar waar de mens wel een stuk eigen verantwoorde­lijkheid in heeft.

“Van goedertierenheid en recht wil ik zingen, U, o Here, wil ik psalmzingen”, zegt hij in vers 1. David vereenzelvigt zijn Heer, zijn God, met goedertie­renheid en recht. Hij weet dat het onmogelijk is om deze God lof te zingen met een onwaarachtig hart. Hij zegt daarom; ‘Ik wil acht geven op een onbe­rispelijke wandel” (vs.2a) en somt dan alles op wat hij schandelijk vindt, wat hij haat, wat hij niet toe­laat , wat hij verdelgt, wat hij niet duldt, enz.

Nu weten wij dat het David niet altijd is gelukt om zo te leven en te han­delen als hij hier bij el­kaar dicht. Was David dan een vrome zwijmelaar die met een onoprecht hart zijn God stond te loven en te prijzen? Neen, zeker niet. Hij zegt immers: “Ik wandel in oprechtheid des harten in mijn huis” (vs. 2b). Maar David kende zijn God en daarom zegt hij in Psalm 65 vers 4 (Ps. 065:004): “Velerlei zonden zijn mij te machtig geworden; maar Gij verzoent onze overtre­dingen” (Leidse vert.).

 

God is goed en gaarne vergevend

David kende het principe van vergeving en hij wist als ik met een oprecht hart naar God ga, dan vergeeft Hij en komt daar nooit meer op terug. “Zo­ver het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons” Psalm 103 vers 12 (Ps. 103:012). “Welza­lig hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welzalig de mens wie de Here de on­gerechtigheid niet toere­kent en in wiens geest geen bedrog is. Mijn zon­de maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid ver­heelde ik niet; ik zeide : Ik zal de Here mijn over­tredingen belijden en Gij vergeeft de schuld mijner zonden” Psalm 32 vers 1 tot en met 5  (Ps. 032:001-005).

Wij kunnen van David nog wel iets leren, denk ik. David had ook ontdekt dat als hij niet met zijn zonden naar God ging en alles maar verzweeg, het niet zo bijster goed ging in zijn leven. Hij zegt in diezelfde Psalm 32, in vers 3 en 4 (Ps. 032:003-004) : “Want zolang ik zweeg, kwijnde mijn gebeente weg onder mijn gejammer de ganse dag; want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij, mijn merg verdroogde als in zomerse hitte”.

Wij mogen hierbij ook nog bedenken dat het voor Da­vid niet voldoende was als hij zich terugtrok in zijn binnenkamer en daar zijn zonden beleed. Als koning kende hij de wet uit zijn hoofd. En die wet schreef precies voor wat er gedaan moest worden om ook van de zonde ‘gereinigd’ te worden.

Ook David moest persoon­lijk met een offerdier naar de tempel en, onder belijdenis van zijn zonden, voor het aangezicht des Heren de handen leggen op de kop van het offer­dier Leviticus 1 vers 4 en Leviticus 5 vers 5 en Numeri 5 vers 5 en 6 (Lev. 01:04; Lev. 05:05; Num. 05:05-06). De eventueel ne­gatief ingestelde buren konden zeggen: Daar gaat David weer, wat zou hij weer gedaan hebben?

Maar David zegt: “Ik zal de Heer mijn overtredingen belijden” en de smaad die dit mee kon brengen, wil­de hij dragen.

Het Lam (Jezus) is geslacht

Hoeveel gemakkelijker is het voor ons in het nieuwe verbond. Jezus Christus, het Lam Gods, is geslacht en de smaad van ons is op Hem geweest Psalm 69 vers 10 (Ps. 069:010).

Wij hoeven niet in het openbaar schuld te belij­den en voor het oog van iedereen met offerdieren te sjouwen naar een zicht­baar heiligdom. Het Lam is geslacht en als wij ge­zondigd hebben, leggen wij in het geloof de hand op Zijn volbrachte werk – zoals de Israëlieten de hand legden op de kop van het offerdier – en belijden we onze zonden. De apostel Johannes zegt: “Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. Het bloed van Jezus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zon­de” 1 Johannes 1 vers 9 (1 Joh. 01:09).

Dat kan zich nu allemaal in onze binnenkamer af­spelen , behalve wanneer wij gezondigd hebben te­gen onze naasten. Onze man of vrouw, kinderen, mensen in de wereld en broeders en zusters in de gemeente. Het zal ons dan met veel baten als wij alleen maar naar de Heer gaan, want de Heili­ge Geest zal ons overtui­gen dat dat niet voldoen­de is.

Belijdt en vergeeft elkaar

En daar ligt nu juist het grote probleem. Het belij­den aan de Heer dat lukt nog wel, maar om naar je naaste te gaan, wie dat dan ook is, en te belijden wat fout gezegd of gedaan is en vergeving te vra­gen , dat kost heel wat meer. Dat kost ‘sommigen meer dan het brengen van het offerdier in het oude verbond. Wat komen dan niet gauw de veront­schuldigingen – en wie kent dat niet – ‘ik had toch gelijk, hij of zij is toch begonnen; ik heb al­leen maar gezegd waar het op stond; hij of zij weet wel dat ik het niet zo erg bedoelde’, enz. Of: ‘ja maar dat is geen stelen, er lagen er zóveel en an­ders gaat het toch maar naar de vuilnis, het was toch overjarig spul’, enz.

Het valt niet mee om van je hoogte te komen en ook hierin volkomen open en eerlijk te zijn, en zacht­moedigheid en nederigheid te openbaren. Jezus leert ons dat het er helemaal niets toe doet of je wel of niet gelijk hebt. Hij zegt in Matthéüs 5 vers 23 en 24 (Matt. 05:23-24): “Stel je voor dat je in de tempel voor het altaar staat om God een offer te brengen. Als je je daar herinnert dat je broeder iets tegen je heeft, moet je het offer naast het altaar laten lig­gen. Ga eerst naar je broeder en maak het met hem in orde. Breng pas daarna je offer aan God” (vert. Het Levende Woord).

Jezus leert hier dat je niet alleen verantwoorde­lijk bent voor de rust in je eigen hart maar ook voor dat van je broeder of zuster in de gemeente of welke andere naaste ook. Dan pas is je offer – en vul dat maar nieuwtestamentisch in – voor God welbehaaglijk.

Lofzingen met een waarachtig hart

Wij zullen zonder voor­waarden en ongelimiteerd moeten vergeven en onze zonden willen belijden Matteüs 18 vers 21 en 22 (Matt. 18:21-22). Dit is het begin en de basis van iedere levensheili­ging.

En als wij zo gehandeld hebben dan zullen we ons ook niet meer aan laten klagen door de duivel, de grote aanklager, die ons en onze broeders en zus­ters, dag en nacht aan­klaagt voor onze God. Wij zullen hem neerwerpen met de belijdenis van ons geloof in het bloed van het Lam dat ons volkomen reinigt van alle zonden Openbaring 12 vers 10b en 11 (Openb. 12:10b-11).

Dan willen we ons ook niet laten weerhouden om, evenals David, onze goede God te eren in aanbidding en lofprijzing. Een gerei­nigd mens is waardig voor God en Jezus Christus om zijn handen op te hef­fen en zijn stem in de he­melen te laten horen.

Wij zijn niet zo gewend om in lof en aanbidding te zingen met woorden zoals David dat deed. Maar zou het niet heerlijk en wel­luidend zijn voor God als wij met een waarachtig hart uitzingen, dat wij de ongerechtigheid haten en goedertierenheid en recht liefhebben

 

 

 

Wees getrouw (gedicht) door Piet Snaphaan

“Wees getrouw tot de dood en Ik zal u geven: de kroon des levens”, Openbaring 2 vers 10 (Openb. 02:10).

Getrouw te zijn, tot aan de dood

Daartoe zijn we geroepen

Getrouw aan ’t Woord, dat God ons gaf

Daar uit te leven, dag aan dag

Zijn aangezicht te zoeken.

 

Ja, trouw te zijn, volhard daarin

Getrouw ook in het kleine

Ja zelf te toetsen naar Gods Woord

Om trouw te zijn, wat Hem bekoort

Aan God en al de zijnen.

 

Getrouw zijn, ’t is een levenstaak

In ’t Woord zijn Gods gegevens

Voor al Zijn kinderen van belang

Opdat u straks aan ’t eind ontvang

Als loon, de kroon des levens.

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (12)

De zonen Gods en de dochters der mensen

“Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij, is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam” Genesis 6 vers 1 tot en met 4 (Gen. 06:01-04).

Er zijn heel wat uitleggingen over dit onderwerp. Ik ga mij beperken tot ‘Wat staat er?’ en ‘Hoe staat het in het verband van Genesis?’ Ik wil het niet gaan lezen als een los verhaal, maar als een deel van het boek Genesis. Dan gaat het om de vragen: Waarom staat het er? Waarom staat het in het boek Genesis? En waarom staat het in Genesis 6; juist op deze plaats in Genesis? Tenslotte gaat het om de vraag: Welke functie heeft het in het geheel.

Het eerste wat we op kunnen merken is dat het om de adam, de mens gaat. Het woord ‘mens’ is het kernwoord in vers 1: “En het geschiedde dat de mens (de adam; enkelvoud)… Het woord ‘adam’ komt in elk der vier verzen voor. In vers 2 lezen we over de dochters van de mens (de adam). Vers 3 zegt: “Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven”. En in vers 4 wordt gesproken over de dochters des mensen: van de mens (enkelvoud).

We willen nu de eerste verzen nog eens wat intensiever doornemen. In vers 1 staat letterlijk vertaald: “De adam begon veel te worden op het aangezicht van de aardbodem”. Wij weten vanuit de vorige afleveringen, dat adam en adamah bij elkaar horen. De mens hoort op de aardbodem. Het is de van God toegewezen plaats. Psalm 115 vers 16 (Ps. 115:016) zegt: “De aarde (erets) heeft Hij aan de zonen van Adam gegeven”.

Vers 1b (“… en hun dochters geboren werden”) haakt in op Genesis 5 waar over zonen en dochters gesproken wordt. Er staat ‘geboren’, niet ‘verwekt’. ‘Geboren’ is een passieve vorm van hetzelfde werkwoord.

In vers 2a lezen wij, letterlijk vertaald: “Toen zagen de zonen Gods de dochters van de mens (enkelvoud) dat zij goed waren” (goed: tov). ‘Goed’ betekent, dat het aan zijn bestemming beantwoordt. Net als in Genesis 1 vers 4 (Gen. 01:04): ‘God zag dat het licht goed (tov) was. Er staat niet: dat het licht goed was. De nadruk ligt op goed.

In vers 2b (letterlijk: “… en zij namen voor zich vrouwen…”) zien wij weer een contrast met Genesis 5: God nam Henoch…” Er wordt hetzelfde woord gebruikt. Zonen Gods’ zijn, naar mijn overtuiging: engelen. Hier: boze engelen. In Job 38 vers 7 (Job 38:07)worden de engelen ook zonen Gods’ genoemd. Deze zonen Gods gaan God imiteren. God zag dat het goed was en zij zien ook dat het goed is.

In vers 2b (letterlijk: “… uit al wie zij verkozen) zien wij het tegenbeeld van de ware verkiezing. De zonen  Gods kiezen, maar hun verkiezing is willekeur. Het is iets heel anders dan uitverkiezing bij Gód.

Vers 3! “En de Here zeide: Mijn Geest (Roeach) zal niet altijd in de mens, de adam, blijven, omdat hij vlees is (letterlijk: “omdat hij óók vlees is). En zijn dagen zullen honderdtwintig jaar zijn”.

Leren luisteren naar de stem van God

De hele schepping was goed. Adam was ook goed, maar toch had de slang een kans. De schepping was goed, maar nog wel kwetsbaar. Adam en Eva moesten nog wel ontwikkelen tot ‘sterk zijn’. ‘Sterk zijn’ wil zeggen: luisteren naar de stem van God. De Schrift kent geen heldendom. Iemand die goed is moet ook nog leren luisteren; het is een zaak van oefening. Maar Adam luistert naar de stem van zijn vrouw. De dochters des mensen waren goed, maar ook zij moesten leren luisteren. Het probleem is dat zij luisteren naar de zonen Gods. De ‘dochters des mensen’ is een deel van het geheel, en staan als vertegenwoordigers van het mensdom.

Vers 4: “De reuzen waren (of: werden) in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters des mensen kwamen, (of: ingingen) en zij baarden. (Dat zij kinderen baarden staat er niet). Dit zijn de helden uit de voortijd (of: van oudsher), mannen van naam”.

Er staat: ‘zij baarden hun’; niet: ‘zij verwekten hun’. Enkele punten die in dit verband van belang zijn:

Genesis 5 laat ons de verwekkingen van de adam zien. Genesis 6 laat ons zien wat géén verwekkingen zijn in de ogen van God. Daarom het contrastbeeld! Je kunt hoofdstuk 6 alleen maar zien in contrast met hoofdstuk 5. De ware mens verwekt, maar het heidendom baart. Hier zien we die vruchtbaarheid.

God werkt niet door helden. De ware mens is niet het heldendom; de ware mens is een rechtvaardige. In vers 9 komt Noach. Hij was een rechtvaardig en onberispelijk man. Dit is            de ware mens! Een rechtvaardige is iemand die het opneemt voor zijn broeders. Wanneer de dochters van de adam zich verbinden met de kwade engelen, (goede engelen verbinden zich niet met de mens) dan gaan ze in wezen omlaag. Zij willen meer zijn dan de mens op de aardbodem. Zij denken: ‘Wij gaan wat hogerop, wij verbinden ons met de engelen’. Het gevolg is dat zij onder hun niveau komen te staan. Ze komen op lager niveau dan de mens op de adamah. ‘Het ware’ is bij God, dat de mens verwekt; niet dat de mens gaat baren vanuit de hulp van de engelen.

In Genesis 6 gaan de dochters des mensen fouten maken een huwelijk met de engelen. Dit gebeurt vóór de vloed. De zónen gaan fout in Genesis 11 en bouwen een toren in de hemel, de toren van Babel. Dit gebeurt na de vloed. ‘Zonen en dochteren’ zijn tezamen beeld van de volkeren. ‘De eerstgeborene’ is beeld van Israël. ‘De reuzen’, zoals Nimrod, zijn degenen die zich grootmaken, zich verheffen in de geestelijke wereld. Het Hebreeuwse woord voor reuzen, Nefieliem, komt tweemaal in de Tenach voor: in Genesis 6 vers 4 (Gen. 6:4) en in Genesis 13 vers 33 (Gen. 13:33).        

De geschiedenis van Noach

In Genesis 6 vers 9 (Gen. 06:09)begint een nieuw gedeelte. Het loopt tot en met hoofdstuk 9 vers 27 (Gen. 09:27). Het heeft als opschrift: ‘Dit is de geschiedenis van Noach’. Het Hebreeuws heeft geen woord voor ‘geschiedenis’, hoewel in het Hebreeuwse denken alles om de geschiedenis draait. Als men wil aanduiden wat ‘geschiedenis’ inhoudt, dan gebruikt men het werkwoord ‘geschieden’. ‘En het geschiedde’ komt talloze malen voor in de Schrift; zowel in de Tenach, wat wij oude testament plegen te noemen, als in het evangelie. Met ‘en het geschiedde’ wordt aangeduid, dat’ God in wezen degene is, die de geschiedenis maakt.

“Dit zijn de verwekkingen (toledot) van Noach” (vs.9). Zondvloed heeft niets met zónde te maken. Het is eigenlijk: sontvloed, wat ‘grote vloed’ betekent. Het hele verhaal over de grote vloed staat in het kader van: ‘de verwekkingen van Noach’. Het leven van Noach wordt ingedeeld in een leven vóór de vloed en een leven na de vloed. Je zou kunnen zeggen dat Noach als het ware een tweede Adam is: Adam opnieuw.

Noach betekent: rust. Het woord ‘Noach’ gaat een rol spelen in het vloedverhaal. Genesis 8 vers 4 (Gen. 08:04) zegt: “En in de zevende maand, op de zeventiende dag der maand, bleef de ark vastzitten op het gebergte van Ararat” (letterlijk: “de ark rustte op de berg Ararat”). De werkwoordvorm tanach is duidelijk een zinspeling op de naam Noach. De ark, met Noach daarin, kwam op de berg Ararat tot rust. Vers 9 is een andere tekst in dit verband: “Doch de duif vond geen rustplaats voor het hol van haar voet…” Het woord ‘rustplaats’ is in het Hebreeuws: manoach. Het is weer een zinspeling op de naam Noach. De vader van Simson heette ook Manoach. Noach is in feite degene die de schepping tot rust brengt. In vers 20 vinden we nóg een woord in dit verband: ‘En Noach bouwde een altaar voor de Here,… en bracht brandoffers op het altaar (eigenlijk: slachtplaats). Brandoffers zijn in de grondtekst: stijgoffers. Hierin zit het woord: opstijgen. Noach brengt stijgoffers. Als in vers 21 staat: Toen de Here de liefelijke reuk rook…” is dit het best te vertalen met: “Toen de Here de rustgevende rook rook…” Rustgevende rook:  reach haniechoach. Weer een zinspeling op de naam Noach. De rust tussen God en mens wordt hersteld. De rustgevende rook brengt als het are de hemelse gewesten tot rust. Wat opstijgt gaat rust brengen in de geestelijke wereld.

Het woord ‘ark’ betekent: kist. Hier wordt een ander woord gebruikt dan voor de ark, die in de tabernakel stond. In de grondtekst heeft het totaal niets met elkaar te maken.            De ark met de stenen tafelen heeft als grondwoord Aaron; de ark van Noach tebah. Het is een Egyptisch leenwoord en betekent waarschijnlijk oorspronkelijk: doodkist. Het is verwarrend dat in onze vertalingen    zowel Aaron als tebah met ‘ark’ vertaald zijn. Zo weet je niet waar je het eigenlijk over hebt.

We moeten dus onderscheiden: 1. Aaron voor de ark van Mozes en de kist van Jozef (beide te vertalen met: ark of schrijn). En 2. Tebah voor de ark van Noach en het biezenkistje van Mozes. Er zit een prachtige lijn in. Noach werd met zijn tebah door het water heen gered. Kleine Mozes werd óók in zijn tebah door het water heen gered. Hier zien we tweemaal het woord kist (doodkist). Zij gingen inderdaad door de doodswateren: het dodenrijk, heen. De ‘wateren’ vormen vaak een beeld van het dodenrijk. Petrus gebruikt het als beeld in verband met de doop: “Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop…” 1 Petrus 3 vers 21 (1 Petr. 03:21). De mens gaat door de doodswateren heen en de nieuwe mens komt tot rust. Noach is helemaal beeld van de nieuwe mens, die opstaat. (wordt vervolgd).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Het zout der aarde

Het liep volkomen uit de hond. Het ene verwijt volgde op het andere en op het laatst had ze, in machteloze woede, haar ring en armbanden afgedaan en ze hem in de handen geduwd. “Hier heb je alles weer terug!” Het was uit!

Ze waren samen op weg geweest. Zomaar ergens heen. Nu stond ze alleen bij haar fiets en haar vriend stond een vijftig meter verderop. Ze wilde wel dat alles anders was gelopen. Ze wilde zelfs wel naar hem toe gaan. Maar wat moest ze nu nog zeggen, er was al zoveel verkeerds gezegd.

Terwijl ze stond te huilen bij haar fiets, liepen er twee vrouwen langs, ieder met een hond. Een ervan merkte haar op en kwam op haar toe. “Is er iets, kan ik je misschien helpen?” Nee, dat kon ze natuurlijk niet. Maar toch kwam hortend en stotend het verhaal van de ruzie met haar vriend ter uit. Ze wilde nu graag naar huis gaan, naar haar moeder.

“Ken je de Here Jezus ook?” Onwillekeurig gleed er een vage glimlach over het meisjesgezicht. Nee, ze kende de Here Jezus niet, en begreep ook helemaal niet wat die vreemde vrouwen eigenlijk zeggen wilden. “Toch is de Here Jezus bij uitstek iemand die jou helpen kan. Die je troosten kan. Als je nu straks alleen bent op je kamer, bedenk dan eens, dat God ook bij jou           is. Vertel het dan maar aan Hem hoe naar je alles vindt. Vertrouw jouw leven en dat van je vriend maar toe aan God. Leg dat samenzijn maar in Gods hand, en let dan          eens op, wat

Hij voor jou kan doen! Heus waar!”

Ze knikte even hoopvol van ‘ja’.’ Ze begreep het maar een heel klein beetje, maar misschien net genoeg, om met God op weg te gaan. Nog een hand op haar schouder, een groet en ze maakte aanstalten naar huis te gaan.

De vrouwen wandelden weer door. Maar niet veel verder stond nog steeds de ex-vriend te wachten. Hij had het allemaal best gezien, hoe die twee vreemde vrouwen zijn vriendin aanspraken. En bij voorbaat zette hij al een hoge rug op, (bijna letterlijk), om vooral maar te laten blijken, dat hij erg ontstemd was. Toch liepen de vrouwen hem niet voorbij. Ze begonnen ook met hem een praatje. En terwijl ze aan het praten waren, zakte de ‘hoge’ rug. Wat spraken die vrouwen anders dan dat hij verwacht had. Ze hadden het over goed maken, vergeven en de eerste durven zijn.

“Moet ik dan de eerste zijn, altijd ik zeker. Zij heeft het toch uitgemaakt, ziet u maar”, en met een gekwetste blik liet hij de ring en de armbanden zien, die hij nonchalant in zijn zak had gestopt.

“Ach, joh, God moet ons zoveel vergeven. Hij wil dat we elkaar vergeven. Dat liefde onze boosheid kan overwinnen”.

Deze jongen kende God evenmin als het meisje. Maar zijn hart werd geraakt door woorden uit een andere Geest dan waarin hijzelf leefde. Mooiere woorden, mooiere daden door een mooiere Heiliger Geest!

Toen ook de jongen dit allemaal gehoord had, liepen de vrouwen verder, God dankend voor deze mogelijkheden om van Hem te getuigen. Biddend dat ook in het leven van deze twee mensenkinderen het licht opgaat.

Niet veel later werd het tweetal, diezelfde avond nog, gearmd lopend ontdekt. Wat zouden ze met elkaar te bespreken hebben gehad… ? Maar wij prijzen God, omdat het zout zijn kracht niet verloren heeft, maar werkt onder de mensen. Halleluja.

 

Veldtocht tegen het paranormale door Gert Jan Doornink

Geheel onafhankelijk van elkaar hebben de laatste tijd diverse gemeenten acties ondernomen tegen het occultisme. Een ver­heugende ontwikkeling want de brutaliteit en op­dringerigheid welke de vijand ten toon spreidt via het occultisme neemt hand over hand toe en steeds meer mensen raken op deze wijze gebonden. Het is een goede zaak dat vele christenen in dit op­zicht wakker worden en tot de tegenaanval over­gaan. En hoe verschillend er vaak nog, gedacht wordt over allerlei facet­ten van het evangelie, over één ding is men het in ieder geval met elkaar eens, namelijk de totale afwijzing van elke vorm van occultisme.

Van één van deze acties volgt thans een verslag. Voorganger Wilkin van de Kamp van de volle evan­gelie gemeente “De Kan­delaar” te Aalten schreef er onder andere het vol­gende over in het orgaan van de gemeente:

” Zoals Elia op de berg Karmel de occulte Baal- priesters uitdaagde en al spottend hun afgod vleugellam maakte, zo mogen ook wij als gemeen­te onze plaats innemen en het in de zienlijke en onzienlijke wereld uitroe­pen: Jezus Christus is de Heer der Heren en de koning der koningen!

’t Was fantastisch zoals God bevestigde, ook door broeders en zusters bui­ten onze gemeente om, dat we dit jaar zo radicaal bezig mogen zijn met één kerngedachte: Ik zal de naam des Heren uitroepen!

Het feest van de Geest

We mochten al snel ervaren hoe dit in de praktijk zijn uitwerking zal krij­gen: Tijdens ‘het feest van de geest’ in ’s Heerenberg hebben we – samen met twee andere gemeen­ten in de Achterhoek en het echtpaar Bénard uit Doetinchem – post gevat voor de ingangen van ‘Douden Handen” .

Zo’n honderd paragnosten, magnetiseurs en andere occult ‘begaafden’ lieten hun ‘kunnen’ zien aan een vijfduizend-koppig publiek! Wat een getuigenis was het om de naam des Heren hier uit te roepen door kontakten te leggen met deelnemers en bezoekers van deze manifestatie naar aanleiding van een prima folder ‘Er is meer tussen hemel en aarde’, geschre­ven door Peter Bronsveld.

We hebben veel gesprekken gehad met magneti­seurs, spiritisten, bezoe­kers en voorbijgangers. Veel duidelijke gesprek­ken en weinig agressivi­teit! We hadden tijdens de gebedsavond in de week vooraf net als Elia gezien dat, voordat God zich kan openbaren, er in de onzienlijke wereld een slag moet worden gewonnen. Rollen worden daardoor omgedraaid. Het is dan niet meer ‘het feest van de geest’, maar ‘het Feest van de Geest’!

Bijzonder aardig was dat de radio (AVRO’s radio­journaal besteedde aan­dacht aan het occulte ge­beuren), ons ook in een interview aan het woord liet, zodat we ook door de ether een kort, maar duidelijk geluid konden laten horen.

Inmiddels zijn er zo’n 8000 folders uitgegaan met de duidelijke boodschap dat Jezus Christus zich wil openbaren in zijn ge­meente, de plaats van herstel voor de totale mens!” Tot zover Wilkin,-van de Kamp in dit artikel wat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat!

Wetenschappelijke sceptici

Niet alleen de gemeente van Christus, (waar door alle leden die wedergebo­ren en gedoopt zijn met de Heilige Geest, altijd al het occultisme is afge­wezen) , is in de aanval tegen het paranormale. Zo lazen wij onlangs in NRC-Handelsblad een ar­tikel, onder dezelfde kop als boven dit artikel, waaruit blijkt dat er ook vanuit wetenschappelijke kring een tegenaanval is geopend, waarbij para­normale verschijnselen worden ontmaskerd.

Het artikel maakt melding van de oprichting van de Nederlandse afdeling van de CSICOP, een van oor­sprong Amerikaanse orga­nisatie van sceptici die zich tot doel stelt om de pseudowetenschap in haar vele vormen en gedaanten te bestrijden. (De afkor­ting SSICOP staat voor de lange naam: Committee for the Scientific Investigation of Claims of the Paranormal) .

De CSICOP bestaat al sinds 1976. Voorzitter en drijvende kracht is de in Buffalo woonachtige hoog­leraar in de filosofie Paul Kurtz. Deze energieke “ zestiger bepleit al meer 25 jaar in woord en ge­schrift het gebruik van de kritische rede als het gaat om ‘psi’ fenomenen als telekinese, astrologie, UFO-geloof of paranorma­le geneeswijzen.

De CSICOP is sceptisch, maar stelt zich niettemin tot doel om paranormale claims serieus vanuit we­tenschappelijk standpunt te onderzoeken. Openheid en onbevooroordeeldheid staan voorop. Hoe extra­vagant de paranormale claims soms ook mogen zijn, ze dienen op hun (on)juistheid te worden onderzocht.

Paul Kurtz, die onlangs in Nederland was, sprak in Utrecht en waarschuw­de, dat het tijdperk van de ‘Space Age Religions’ nog lang niet is afgelopen. Integendeel: in het afge­lopen jaar zijn er in de Verenigde Staten alleen maar nieuwe wetenschap­pelijke bij geloven bijgeko­men. Vaak zijn het oude geloven in een nieuw jas­je, zoals het geloof in t’ ’trance-channeling. Channelers beweren in trance te kunnen communiceren met geesten ‘aan de an­dere kant’, die hun infor­matie onthullen die ze op ‘geen enkele andere ma­nier te weten hadden kunnen komen’. Kortom, het aloude spiritualisme.

Veel onzin van tegenwoor­dig valt onder de vlag van de ‘New Age’, de vloedgolf van holistische humbug die op dit moment de hele westelijke wereld overspoelt. Tot de absur­dere varianten behoort een nieuwe UFO-rage: een toenemend aantal vrouwen beweert door uit UFO ’s af­komstige buitenaardse half­goden verleid en verkracht te zijn.

Volgens Kurtz vormt het geloof in paranormale ver­schijnselen een uitdaging 4ie niet onbeantwoord mag blijven. Iedere weten­schappelijke onderzoeker heeft volgens hem de mo­rele plicht om pseudo- wetenschappelijke claims te weerspreken Waar dat mogelijk is. Door het .kri­tisch denken te bevorde­ren kunnen de CSICOP- afdelingen over de hele wereld een bijdrage leveren tot bestrijding van het paranormale ‘geloofs­systeem’  – “

Dit schrijft het NRC- Handelsblad. Ondertussen is – blijkens een bericht in Trouw – op 28 oktober in Utrecht de stichting SKEPSIS opgericht onder voorzitterschap van de emeritus-hoogleraar in de astronomie, dr, Cees de Jager. (SKEPSIS is een

Dr. C. de Jager, voorzitter-in-spe van de Nederlandse sceptici acroniem van ‘Stichting voor kritische evaluatie van paranormale stellin­gen en irrationele stand­punten’) . Deze stichting gaat zich bezighouden met ‘het stimuleren van kri­tisch onderzoek naar, en het geven van voorlichting over paranormale en pseudowetenschappelijke be­weringen.

Trouw schrijft dat voor dit doel de stichting werkgroepen in het leven heeft geroepen die zich met specifieke paranorma­le onderwerpen (zoals al­ternatieve geneeswijzen, Ufo’s, astrologie) gaan bezighouden, hierin bijge­staan door wetenschappe­lijke adviseurs en anders- soortige experts. Ook gaat SKEPSIS lezingen organiseren, informatie aan pers en publiek ver­strekken, aan discussies deelnemen en een periodiek uit geven.

Voorbede en geloof gevraagd

Wie kennisneemt van deze berichten kan als gelovige alleen maar blij zijn dat er ook vanuit wetenschap­pelijke kring thans een aanval is begonnen tegen het occultisme. Uiteraard kan met niet verwachten dat men de zaak geestelijk gaat aanpakken. Men heeft geen oog voor de strijd in de hemelse ge­westen, tussen het rijk van het licht en het rijk van de duisternis, tenzij men door geloof in Jezus Christus óók het rijk van het licht binnenkomt. Daarom is voorbede van­uit de gemeente hier op zijn plaats. God is nog altijd bij machte oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen. En laten we geloof hebben dat ook vele mensen uit de wetenschap het nieuwe leven in Christus gaan ontdekken.

In ieder geval behoren wij actief te blijven in de strijd tegen het occultis­me en waar we kunnen zullen we de vijand ont­maskeren en terugdringen. Daarbij willen wij voor ogen houden dat wij aan de overwinnende kant staan! Want met een va­riant op 2 Korinthiërs 10 vers 4 (2 Kor. 10:4) weten en beleven wij dat de wapenen van onze veldtocht krachtig voor God zijn tot het slechten van occulte bol­werken!

 

Bewaring door Tea Keuper Dijk

“De Here zal u bewaren voor alle kwaad. Hij zal uw ziel bewaren” Psalm 121 vers 7 (Ps. 121:007).

Angst is één van de vurige pijlen die Gods vijand in zijn koker heeft. Elk mens wordt er mee geconfronteerd. Ook David heeft vee! op zich zien af komen. Zijn leven werd vaak belaagd, er was reden tot angstig zijn. Maar wat doet David? Hij heft zijn ogen op! Hij belijdt, vanwaar zijn hulp komt. Hij belijdt, wie God is! Hij getuigt van de bewaring door God.

Dit is het schild,, dat we kunnen opheffen om- de brandende pijlen van, satan te doven! Als ons leven onder druk wordt gezet, zodat strijden haast onmogelijk is, moeten we niet slap gaan zitten afwachten. Dan komt onze kracht in het nauw, zegt Gods Woord. Ik geloof dat we – hoe moeilijk het ook kan zijn – toch wel ons oog kunnen richten (opheffen) naar God. Dat we onszelf kunnen aanmoedigen: “Ziel, (en vul je eigen naam dan maar in) loof de Heer en vergeet niet één van Zijn weldaden! Die al uw krankheden geneest, die uw leven verlost van de groeve, die Al uw ongerechtigheden vergeeft, enz.” Psalm 103 vers 2 tot en met 5 (Ps. 103:002-005).

En als we zelf dat niet op kunnen brengen, wil een bloeder of zuster hierbij wel helpen, als het ware onze armen ondersteunen, zoals Mozes ondersteund werd door de zijnen. Samen met anderen bidden en voor ons laten bidden. Want God troont en regeert. Hij herstelt en geneest. Hij verlost door de lofzangen van Zijn kinderen!

Heer, mijn hulp is van U. U zult ook vandaag niet toelaten dat mijn voet wankelt!

 

Fundament en einddoel door G. J. R. Doornink

 

Er is maar een fundament

De Bijbel spreekt op ver­schillende plaatsen op duidelijke wijze over het fundament van ons geloof. Dit fundament is Jezus Christus. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus., Christus, kan niemand leggen” 1 Korinthe 3 vers 11 (1 Kor. 03:11). Ieder ander fundament is waardeloos, is onecht, heeft in de ogen van God geen enkele betekenis. Het maakt geen deel uit van het Koninkrijk van God?

Het is belangrijk dat we dit even duidelijk vast­stellen, want we zien soms hoe er binnen het Christendom geluiden wor­den gehoord, waarbij men waardering uitspreekt over andere godsdiensten, die weliswaar Christus niet erkennen, maar waar bij dan toch veel uit het christelijk geloof is terug te vinden. ‘In iedere godsdienst zit wel wat goeds’, wordt er dan ge­zegd. En de oecumeni­sche beweging spreekt zelfs over ‘de gemeen­schappelijke basis van de in wording zijnde éne wereldgodsdienst’. Het is duidelijk dat dit niet is naar de wil van God, maar een voedingsbodem is voor de groei naar de antichrist. Wie in dit spoor geraakt wordt ver­leid door machten uit het rijk der duisternis.

Er is maar één fundament en dat is Jezus Christus.

Een waarachtig christen zal daarom op zijn hoede zijn en zich niet laten’? verleiden in dit opzicht een andere koers te gaan varen. En zeker in deze eindtijd moeten we waak­zaam zijn dat we niet wor­den afgetrokken van de ‘eenvoudige en loutere toewijding aan Christus’, zoals Paulus daarover schrijft in 2 Korinthiërs 10 vers 3 (2 Kor. 10:03). Aan Timótheüs schrijft hij zelfs de waar­schuwende woorden: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommi­gen zullen afvallen van het geloof, doordat’ zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen” 1 Timoteüs 4 vers 1 (1 Tim. 04:01). Let wel: Pau­lus uit hier geen eigen gedachte, maar hij spreekt ‘door de Geest’.

We zien hier weer hoe be­langrijk de doop met de Heilige Geest is, want door middel van de gave van onderscheiding der, geesten, kunnen we het kaf van het koren schei­den. Dat geldt ook ten aanzien van allerlei bijzon­dere figuren die zich soms binnen de gemeente van Christus manifesteren en door het doen van spec­taculaire dingen proberen de aandacht op zich te vestigen en mensen aan zich te binden.

Waardering voor hen die leiding geven

Nu betekent dit uiteraard niet dat we geen erken­ning en waardering moeten opbrengen voor hen die leiding geven binnen de gemeente van Christus. Hebreeën 13 spreekt in dit opzicht duidelijke taal. Vers 7 zegt (Heb. 13:07): “Houdt uw voorgangers in gedach­tenis, die het woord Gods tot u hebben gesproken; let op het einde van,-hun wandel en volgt hun ge­loof na”. “Gehoorzaam^ uw voorgangers en onder­werpt u aan hen, want zij zijn het, die waken over uw zielen, daar zij reken­schap zullen moeten af­leggen” (vs.17). Daarbij hoeven we niet direct te denken aan de éénhoofdi­ge leiding , zoals we die in de meeste kerken en vele gemeenten nog aan­treffen. Paulus spreekt over verschillende ‘amb­ten’ binnen de gemeente van Christus. Zo schrijft hij in Efeziërs 4 vers 11: (Ef. 04:11) “En Hij heeft zowel apos­telen als profeten gegeven, zowel evangelisten als her­ders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij al­len de’ eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon van God be­reikt hebben…” Het woordje ’totdat’ duidt er al op dat hun taak tijde­lijk is, maar in deze tijd dus nog zeer belangrijk.

Daarbij zoeken ze als het goed is, niet hun eigen eer, maar geven alle eer aan Hem die hen daartoe geroepen heeft. Het be­kendste voorbeeld uit de Bijbel is in dit opzicht Paulus. Hij was zich be­wust dat hij een apostolaire taak had. Hij kende geen valse bescheidenheid, want hij noemde zichzelf een ‘kundig bouwmeester’. Maar hij zocht nooit zijn eigen eer. Hij schreef: “Noch wie plant, .noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft” 1 Kor. 3 vers 7 (1 Kor. 03:07).

Dat hij zichzelf een kun­dig bouwmeester noemde, betekent dat hij zijn opdracht probeerde zo goed mogelijk uit te voeren. Dat is de opdracht voor elk kind van God, want ook wij zijn medearbeiders Gods!

Hoe bouwen wij op het fundament?

Als het fundament er één keer ligt, is het belang­rijk dat wij gaan bouwen op het fundament. Zoals in de natuurlijke wereld een huis of gebouw niet af is, als er alleen maar een fundament ligt, zo geldt dit ook in geestelijk opzicht. Wij hebben te maken met de ‘geestelijke bouwopdracht’, dat wil zeggen: Hij verlangt van ons dat we geestelijk zul­len groeien, zodat we uit­eindelijk ten volle het beeld van Jezus gaan openbaren. We zijn immers Zijn huis?

Daarom behoren we te bouwen met deugdelijk ma­teriaal. Paulus noemt in één zin als materiaal: goud, zilver kostbaar ge­steente , hout, hooi of stro. Het is duidelijk dat er een groot verschil is tussen de eerste drie en de laatste drie. Het ene houdt stand in het vuur, het andere is in een oog­wenk verteerd 1 Korinthe 3 vers 12 tot en met 15 (1 Kor. 03:12-15).

Met welk materiaal bouwen wij? Als het goed is bouwen we geestelijk, dat wil zeggen: we laten ons leiden door Gods Woord en de Heilige Geest, want die twee gaan hand in hand. Bouwen we niet geestelijk dan zijn we be­zig op de verkeerde wijze te bouwen en geven we satan de kans te infiltre­ren. En door satans ‘ad­viezen’ op te volgen komt Gods huis niet van de grond…

De gevaren van het fundamentalisme

In dit verband willen wij ook wijzen op de gevaren van het zogenaamde fun­damentalisme. Hoewel het woord ‘fundamentalisme’ direct doet denken aan het ‘fundament’ heeft het met een gezond en vrucht­baar bouwen op dat fundament niets te maken.

Het fundamentalisme ver­tegenwoordigt die stroming in het christendom die ge­heel of gedeeltelijk afwij­zend staat tegenover de geestelijke interpretatie van het woord van God. Men staat bij­voorbeeld afwijzend tegen­over de doop met de Hei­lige Geest gepaard gaande met het spreken in ton­gen. Men belijdt weliswaar te geloven in ‘de onfeil­baarheid van de letter van de Bijbel’, maar wijst tegelijkertijd de geestelij­ke betekenis ervan af. En dat is altijd een gevaarlijke zaak. Want hoe zal men dan Gods Woord op de rechte wijze kunnen verstaan? De letter doodt immers, maar de Geest maakt levend!

Een kenmerk van het fun­damentalisme is het maken van en vasthouden aan leringen die natuurlijk en aards gericht zijn. Men heeft daardoor geen licht op de ene ware gemeente, die straks zonder vlek en rimpel zal zijn en hoe dat doel bereikt kan worden. Want bouwen op het fun­dament betekent: zich richten op het einddoel: de volkomenheid in Chris­tus ..

Van fundament naar einddoel

Het gaat dus om het eind­doel, om de volle openba­ring van Jezus in ons le­ven. Wie altijd maar bezig blijft met het fundament, bijvoorbeeld door te zeg­gen : ik ben gedoopt door onderdompeling en met de Heilige Geest, maar verder niet geestelijk groeit, heeft niets aan het fundament, hoe be­langrijk en noodzakelijk dit ook is. Niet voor niets roept de schrijver van de Hebreeënbrief; ons op om het eerste onderwijs aan gaande Christus te laten rusten en ons te richten op het volkomene Hebreeën 6 vers 1 (Heb. 06:01).

Het fundament behoort bij het eerste onderwijs, de basis, de melkvoeding. Iemand die tot geloof in Christus is gekomen zal zorgen dat deze basis gelegd is Hebreeën 6 vers 1 en 2 (Heb. 06:01-02). Maar dan begint er een nieuwe periode in ons geestelijk leven. In He­breeën 5 vers 13 en 14 (Heb. 05:13-14) staat: “Ieder die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking; hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zin­nen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad”.

Wij bouwen dus verder op het fundament. En naar­mate wij verder bouwen (geestelijk groeien) leren wij hoe langer hoe meer te (onder)scheiden, dat wil zeggen: de duivel krijgt hoe langer hoe minder vat op ons. Om­dat wij wandelen in het licht en onze plaats met Christus hebben ingeno­men in de hemelse gewes­ten , is er geen plaats meer voor welke vorm van duisternis ook. We leven dan volkomen gescheiden van de machten. En zoals Jezus beleed dat satan aan Hem niets meer had, zo za’. dat ook onze belij­denis worden.

Wie zijn (geestelijke) ogen gericht houdt op Jezus, de leidsman en voleinder van het geloof Hebreeën 12 vers 2a (Heb. 12:02a), zal daarom het einddoel zeker bereiken. Want – zoals Jezus in de Bergrede reeds zei – hij heeft zijn geloof niet op het zand maar op de rots gebouwd!

1987.10 nr. 285

Levend geloof 1987.10 nr. 285

De Geest maakt levend! Door Gert Jan Doornink

“De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik (Jezus) tot u gesproken heb, zijn geest en leven” (Joh. 06:63).

Een kind van God die tot de ontdekking komt welk een belangrijke en allesomvattende functie de Heilige Geest in zijn of haar’ leven wil vervullen, heeft de sleutel in handen om verder te groeien tot het stadium van geestelijke volwassenheid is bereikt. Feitelijk zou ieder kind van God er veel meer van doordrongen moeten zijn hoe belangrijk Gods Geest is, Vaak blijkt dat men de doop met de Heilige Geest, gepaard gaande met het spreken in tongen, beschouwt als een soort doel ‘dat bereikt is, maar men ziet over het hoofd dat dan het eigenlijke geestelijke leven nog moet beginnen. Juist in het prille stadium van de geestelijke ontwikkeling van een kind van God zal de duivel echter proberen toe te slaan, want hij weet dat een gelovige die vervuld is met de Heilige Geest, voor hem veel gevaarlijker is, dan een gelovige die alleen maar weet ‘gered te zijn voor de eeuwigheid’.

Het is immers de Heilige Geest in het leven van een kind van God die het échte leven met Christus openbaar gaat ‘ maken, die de woorden Gods tot leven brengt en die leidt in de volle waarheid. Maar de Heilige Geest moet wel ‘de ruimte’ krijgen om dit te kunnen bewerken!

Gebondenheden zullen moeten worden afgelegd of men zal zich ervan moeten laten bevrijden. Verkeerde leringen zullen opgeruimd moeten worden en plaats moeten maken voor de éne ware leer, die van het Koninkrijk. Voor de doop met de Heilige Geest komt hier dikwijls weinig van terecht en we zien dan ook bij velen die de doop met de Heilige Geest afwijzen, hoe verkeerde leringen en gebondenheden aanwezig blijven.

Na de doop met de Heilige Geest is als het ware de geestelijke wereld in al zijn facetten opengegaan, maar dan zullen wij er alles aan moeten doen dat we op positieve wijze onze plaats in deze geestelijke wereld in gaan nemen, want dan gaat ook de geestelijke strijd pas werkelijk een realiteit worden. In deze strijd zullen we ons alleen als overwinnaars kunnen openbaren als we vol zijn van de Heilige Geest en daardoor ook het Woord van God op de juiste wijze kunnen hanteren. Paulus zegt dat de wapenen van onze veldtocht krachtig zijn tot het slechten van (vijandelijke) bolwerken. Het is duidelijk dat deze wapenen alleen uitwerking hebben als ze goed gebruikt worden.

God zoekt in déze tijd naar gelovigen die vol zijn van Zijn Geest. Alleen zij zullen volledig ingeschakeld worden in het grote plan van God tot herstel van Zijn schepping. Zij hebben het nieuwe leven van Christus in zich en door de Heilige Geest gaan zij ook dat nieuwe leven tot openbaring brengen. Eén van de positieve gevolgen is dat daardoor ook anderen dit echte leven kunnen gaan ontdekken en beleven. En onze blijdschap en dankbaarheid wordt er alleen maar groter door, wanneer wij ervaren dat Gods Geest niet alleen in ons eigen leven, maar ook in de levens van anderen ten volle tot doorbraak gaat komen. Evenals Jezus, die een afstraling was van Gods heerlijkheid en een afdruk van Zijn wezen, zijn ook wij geroepen ‘afstraling’ en ‘afdruk’ te zijn. Iedere dag opnieuw behoren we ons daarom ten volle open te stellen voor de Geest van de levende God, want die Geest maakt levend en doet het Goddelijke leven in ons triomferen!   

 

Het juiste evenwicht door Wim te Dorsthorst

Wij lezen in het evangelie van Lukas dat Jezus zijn twaalf discipelen bij zich roept en dan staat er: “en Hij gaf hun macht en gezag over alle boze geesten en om zieken te genezen. En Hij zond hen uit om het Koninkrijk Gods te verkondigen en genezingen te doen” (Luc. 09:01-02).

De discipelen, die met de Heer zijn opgetrokken, hebben gehoord hoe de Heer onderwees aangaande het Koninkrijk Gods en gezien hoe deze onder­wijzing gepaard ging met vele wonderen en tekenen. Hij sprak tot de scharen in gelijkenissen, maar aan zijn discipelen geeft de Heer speciaal onderricht en zegt: “U is gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk Gods te ken­nen, maar aan de anderen worden zij gepredikt in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien en horen­de niet begrijpen” (Luc. 08:10).

Matteüs 4 vers 24 (Matt. 04:24) ver­meldt: “En men bracht tot Hem, allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden, en Hij genas hen”. Zij hebben dit allemaal ge­hoord en gezien. Ook het dochtertje van Jaïrus, dat gestorven was, wekte Hij weer tot leven, evenals de jongeman van Naïn. (Matt. 09:18-26; Luc. 07:11-17).

Aan wie geeft de Heer macht en gezag?

En nu zegt de Heer: “Ik geef jullie macht en gezag om precies hetzelfde te doen. Ik heb jullie laten zien dat het werkt, dat het realiteit is, dat ge­bondenheid, bezetenheid en ziekte niet van God komt, maar veroorzaakt wordt door boze, onreine geesten.

Jezus voerde niet een strijd tegen God, ook niet tegen de mensen, maar tegen de duivel en zijn rijk. Jezus deed wat Paulus later schrijft aan de gemeente: “Wij hebben niet te strijden tegen vlees en bloed, maar te­gen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12).

Jezus geeft geen macht en gezag aan de gods­dienstige leiders van die dagen, maar aan zijn discipelen. Aan dat kleine groepje dat de Heer heeft uitgekozen (Luc. 06:13), die Hem dag en nacht volgen, waar Hij ook heen gaat en die heel bijzonder door Hem geleerd en ge­vormd worden en de ge­heimenissen van het Ko­ninkrijk leren verstaan.

De godsdienstige leiders” wijzen zijn leer over het Koninkrijk Gods van de hand en zeggen dat Hij duivelen uitwerpt en krachten doet door Beëlzebul, de overste der geesten (Matt. 12:24 en Matt. 09:34). Ze zien Hem als een godslasteraar en een gevaar voor de gevestig­de godsdienst.

Ook nu geeft de Heer geen macht en gezag aan hen die de geheimenissen van het Koninkrijk Gods niet verstaan. Velen binnen het naam-christendom’ vinden het uitdrijven van boze geesten zelfs middel­eeuws en gevaarlijk.

Alle macht en kracht is van God

Het zijn ook nu de ‘uit­geroepenen’ – de gemeen­te van Jezus Christus -, die van de Heer macht en gezag ontvangen. De meeste vertalingen spre­ken terecht over ‘kracht en macht’. Het Grieks heeft voor macht ‘exousia’, dat wil zeggen: vol­macht, bevoegdheid, ge­zag.

Zoals de Heer zelf macht ontving van de Vader in de hemel, die de enige oorsprong is van alle macht en kracht (Ps. 093:001-002), zo geeft Hij aan zijn volgelingen ook volmacht, autoriteit, (geestelijke) wettelijke bevoegdheid om in Zijn Naam handelend op te treden. Als ze uit­gaan, dan zijn ze ‘gevol­machtigd’ door Hem, die alle macht heeft in de hemel en op de aarde.

Het Griekse woord voor kracht is ‘dunamis’ en betekent: vermogen, energie (denk aan dyna­mo), in staat gesteld worden.

Paulus noemt de Heer in 1 Korinthiërs 1 vers 24 (1 Kor. 01:24)’de kracht Gods’. Jezus verrichtte wonde­ren en tekenen ‘in de kracht’ des Heren.

(Luc. 05:17).

Gij zult kracht ontvangen

Jezus stuurt zijn discipe­len niet zomaar weg met de woorden: ‘Nou jongens, ik hoop dat je er iets van terecht brengt’. Nee, Hij delegeert Zijn macht en kracht. Ook nu is de ge­meente toegerust door de Heer zelf. Tegen de eers­te discipelen zei Hij: “Gij zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt” (Hand. 01:08).

Iedere wedergeborene kan in principe over die kracht beschikken en heeft ook van de Heer zelf de volmacht ontvan­gen om te handelen zoals Hij deed. “In Mijn Naam, zegt Jezus, zullen zij bo­ze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen (verg, met Luc. 10:19), op zieken zullen zij de handen leg­gen en zij zullen genezen worden” (Mark. 16:17-18). Zelf zegt Jezus, dat Hij door de Geest Gods de boze geesten uitdrijft en door diezelfde ‘kracht des Heren’ genezingen verricht (Matt. 12:28; Luc. 05:17).

Ook nu werken al deze dingen in de gemeenten en de gelovigen door de Geest van God, de kracht des Heren, in de Naam van Jezus Christus.

Wat is de reden van onze blijdschap?

Opgetogen komen de dis­cipelen terug in Lukas 10 vers 17 (Luc. 10:17) (dat gaan dan over de 72 discipelen die door Jezus zijn uitgezon­den). Zij zeggen: “Here, ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in Uw Naam”. En dan zegt de Heer in vers 20: “Evenwel, verheugt u niet hierover, dat de geesten zich aan u onder­werpen, maar verheugt u, dat uw namen staan op ge­tekend in de hemelen”.

Ik geloof dat ook nu die opmerking van de Heer nog geldt voor de gemeen­te. Mogen we ons dan niet verblijden als we zién dat de kracht van God werkt in Zijn Naam? Natuurlijk wel! Maar de Heer zegt: ‘Pas op dat u dat niet overtrekt. Dat die mach­ten en boze geesten zich aan u onderwerpen, is eigenlijk vanzelfsprekend. Daartoe heb Ik u macht en kracht gegeven (Luc. 10:19), geloof daar nu maar in en het zal wer­ken. Maar uw blijdschap moet zijn oorsprong vin­den in het feit dat uw naam is opgetekend in het boek des levens van het Lam (Openb. 13:08). Dat het Lam ook voor u persoonlijk geslacht is en Hij u voor God gekocht heeft met Zijn bloed (Openb. 05:09) Dat u verlost bent, ontrukt bent, zegt de Willibrordvertaling) uit de macht van satan en overgeplaatst bent in het Ko­ninkrijk van de Zoon van Gods liefde, Jezus Chris­tus (Kol. 01:13). Dat u hemelburgers geworden bent, dat u zich als levende ste­nen mag laten gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, dat u bij die uitverkorenen en ge­roepen heiligen behoort, dat u… Wat is er niet ontzettend veel op te noemen wat samenhangt met die uitspraak van de Heer: “Maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen” (Statenvertaling).

Een koninklijk priesterschap

De Heer wil dat we een juist inzicht hebben om­trent de reden waarom Hij ons macht en kracht gegeven heeft. Hij wil van ons niet een stelletje beroeps exorcisten maken, maar mensen die zich ge­heel en al willen heiligen voor een schepping die in al haar delen zucht en in barensnood is (Rom. 08:22). Openbaring 13 vers 8 (Openb. 13:08) zegt dat straks allen, wier namen niet geschreven staan in het boek des levens het beest (dat is de antichrist) zullen aanbidden. Die mensen wachten op ons! (Rom. 08:19).

Daarom behoren we ons leven te heiligen en te reinigen door Gods Woord en Geest, zodat wij ten volle de kracht en de macht die Hij ons gegeven heeft kunnen aanwenden tegen de gehele legermacht van de vijand.

Dan is er evenwicht en verheugen we ons in de overwinning die we op de vijand behalen, maar zijn in de eerste plaats verblijd over het feit dat onze namen staan opgete­kend in de hemelen.

En zo openbaren wij dan dat wij waarlijk een uit­verkoren geslacht zijn, een koninklijk priester­schap, een heilige natie, een volk Gode ten eigen­dom (1 Petr. 02:09). Want onze taak is de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duis­ternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (11)

De verwekkingen van de mens

“Dit is het geslachtsregister van Adam” (Gen. 05:01) (Letterlijk: ‘Dit is het boek van de verwekkingen van Adam’). Het gaat hier niet om een register maar om een boek: het boek van de verwekkingen: de toledoth. ‘Verwekkingen’ is het sleutelwoord waar het boek Genesis op gebouwd is: de verwekkingen van Adam óf de verwekkingen van de, mens. Genesis 5 vers 1 is het opschrift boven de rest van Genesis (hoofdstuk 5 tot en met 50). De mens wordt verwekt en de mens gaat verwekken. Het woord ‘verwekken’ komt 28 keer in Genesis 5 voor. Het geeft het thema aan waar het in dit boek verder om draait.

“Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; man en vrouw schiep Hij hen…” (Gen. 05:01b-02a). ‘Ten dage dat God Adam schiep…’ Hier begint het mee en hier eindigt vers 2 mee: ‘…ten dage dat zij geschapen werden’. ‘De dag dat zij geschapen werden’ is het kader, de omlijsting, waarin vers 1 en 2 gezet zijn. Het gaat om de dag van het scheppen van de adam de mens. De Hebreeuwse mens denkt in ‘dagen’. God geeft de mens ‘dagen’ op aarde om mens te zijn.

Met de woorden dat de mens geschapen werd naar de gelijkenis Gods, wordt het scheppingsverhaal even samengevat. Er staat meteen bij: ‘…man en vrouw schiep Hij hen’. De mens wordt dus geschapen naar de gelijkenis Gods en als man en vrouw. ‘Man en vrouw staat er niet voor de aardigheid. In Genesis 5 staat steeds: “En hij verwekte zonen en dochteren”. De structuur die hier aangegeven wordt is dus:

  1. man en vrouw en
  2. zonen en dochteren.

Deze structuur gaat verder; er worden lijnen getrokken door heel Genesis heen. De ‘dochteren’ komen in Genesis 6 terug: ‘de dochters des mensen’ (waarover in de volgende aflevering). De ‘zonen’ komen terug in Genesis 10. Het begint met: ‘Hun (Sem, Cham en Jafeth) werden zonen geboren na de vloed’. Je hebt: dochteren vóór de vloed en zonen na de vloed.

De mens als man en vrouw

We gaan nu de lijn doortrekken. Genesis 3 behandelt het thema van ‘man en vrouw’, de adam en Eva zijn vrouw. In Genesis 3 komt het eropaan of de adam gaat luisteren naar de stem van God of naar de stem van zijn vrouw. De adam gaat luisteren naar de stem van zijn vróuw. Wij hebben hier als kiem het thema dat verderop terugkomt.

De geschiedenis van Abraham is ook helemaal gestructureerd op het thema: ‘de mens als man en vrouw’. Het komt er bij Abraham op aan, net als in Genesis 3, of hij gaat luisteren naar de stem van God of naar de stem van Sara. Er ligt een keuzemogelijkheid voor Abraham. Toen Abraham luisterde naar de stem van Sara, zijn vrouw, werd Ismaël geboren, Genesis 16. In Genesis 21 luistert Abraham óók nog naar de stem van zijn vrouw; nu zelfs in opdracht van Gód. Aan het eind van Genesis 22 luistert Abraham naar de stem van Gód. Genesis 3 correspondeert met de geschiedenis van Abraham.

In Genesis 4 hebben we de mens gezien als ‘man en broeder; bij Kaïn en Abel. Dit ‘ thema-komt óók later weer terug, namelijk bij Jakob en Ezau én bij Jakob en Laban. Het centrale punt in het thema ‘mens en broeder is: het elkaar ontmoeten van aangezicht tot aangezicht: en daarmee het aangezicht van Gód zien.

Genesis 4 vers 5 en 6 (Gen. 04:05-06) komt terug in Genesis 32 en 33; Pniël. Jacob ziet het aangezicht van zijn broer Ezau en zegt. Nu heb ik jouw aangezicht gezien zoals een mens het aangezicht van God ziet’ (Gen. 33:10). Het aangezicht van onze broeder zien valt samen met het aangezicht van God zien. Als we ons aangezicht van onze broeder afwenden, wordt het aangezicht Gods voor ons verborgen. In Genesis 4 vers 14 (Gen. 04:14) zegt Kaïn: Ik zal voor

Uw aangezicht verborgen zijn’. Als Jakob het aangezicht van Ezau niet onder ogen wil komen, gaat hij in ballingschap.

Genesis 29 tot en met 33 gaat over het thema mens en broeder In Genesis 29 gaat Jakob naar Laban. Daar wordt Jacob bij zijn broeder Laban van broeder tót knecht. Nu moet Jacob zijn broeder Laban als knecht dienen omdat hij zijn broeder Ezau bedrogen heeft. Hier treedt een geestelijke wet in werking. Jakob heeft zijn broeder Ezau bedrogen. Het gevolg is dat Jakob door zijn broeder Laban bedrogen wordt. In Genesis 32 en 33 wordt Jakob van knecht tot broeder. Als Jakob geschenken naar Ezau stuurt, zegt hij- ‘Hier zijn geschenken van uw knecht Jakob’. De verzoening met Ezau brengt Jakob weer van het knechtschap in de broederschap.

Het voortplanten van de naam: ‘Mens’

We gaan nu weer verder met Genesis 5 en lezen in vers 2b (Gen. 05:02b) hoe man en vrouw door God gezegend worden en genoemd worden ‘mens’. (Letterlijk:’… en zegende hen en riep hun naam: adam’. Er staat niet: ‘en riep zijn naam: adam’). Man en vrouw worden samengeroepen: adam. Man en vrouw zijn één.

De eerste twee verzen van Genesis 5 vormen de inleiding. Daarna volgen 10 korte verhalen van elk 3 regels. In deze 10 verhalen worden de verwerkingen verteld. God geeft de naam mens. Het gaat erom hoe die naam zich gaat voortplanten. Heel de schrift spreekt over het voortplanten van de naam. Het was de reden waarom men in het oude Israël niet kinderloos wilde zijn. De naam moest worden voortgeplant, vandaar ook het zwagerhuwelijk. Als ze de broeder kinderloos stierf, dan moest zijn broeder kinderen voor hun verwekken opdat de naam niet uit Israël zou worden uitgewist. In de 10 verhalen in Genesis 5 staat de voortplantingslijn niet de afkomstlijn van de adam de mens een heel unieke uitdrukking In het Hebreeuws hiervoor is hoe een man uitbreekt in menigte. In Genesis 28 vers 14 (Gen. 28:14) staat hierover gij zult u uitbreiden. Het staat er veel sterker. Een man breekt uit in menigte en Jesaja 54 vers 3 (Jes. 54:03) lezen wij naar links en rechts zult gij u uitbreiden. Hier staat ook naar links en rechts zult gij uitbreken in menigte.                                                                           De mens wordt navolger van God                                                                               In Genesis 5 zien we 10 verhalen van 3 regels elk. Hij leefde, hij leefde, Hij stierf in hoofdstuk 11 vers 10 tot en met 26 staat weer zo’n serie. Nu zijn het 9 verhalen van twee regels elk. Hij leefde, hij leefde, hier staat niet bij, en hij stierf.

 

“Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Seth” (Gen. 05:03) Hier zijn wij één van de punten waarin de mens beeld Gods is: God verwekt de mens, de mens mag op zijn beurt een mens naar zijn beeld en gelijkenis verwekken. Daarin wordt de mens meteen al navolger van God!

De zoon van Adam wordt hier Seth noemde hem’ is veel te zwak vertaald …en riep zijn naam Seth’. Elk mens wordt niet zómaar genoemd, maar elk mens krijgt zijn naam, dat wil zeggen de naam die bij Hem hóórt, de naam die wezenlijk met hem verbonden is. Daarom staat er in Matteüs 1 óók niet: ‘Gij zult Hem de naam Jezus geven’, maar: ‘Gij zult Zijn naam roepen: Jezus’. Jezus ontvangt de naam die bij Hem hóórt!

De tweedeling van de mens

“En de dagen van Adam, nadat hij Seth verwekt had, waren achthonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Adam, die hij geleefd heeft, negenhonderd dertig jaar; en hij stierf” (Gen. 05:04-05). Het leven van Adam wordt in tweeën gedeeld. Dit is een zeer belangrijk punt! Toen Adam honderddertig jaar geleefd had, verwekte hij Seth. Daarna leefde hij nog achthonderd, jaar. Seth vervult hier de functie van, eerstgeborene, omdat Kain verbannen en Abel gedood is. Seth is degene die Kain’ thuis moet brengen. (Zie vorige aflevering). Seth is de plaatsvervangende broeder die aan Kaïn gegeven wordt.

“Toen Seth honderd vijf jaar geleefd had, verwekte hij Enos (Enosj: mensje, mens in zijn zwakheid en beperktheid). En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderd zeven jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd twaalf jaar; en hij stierf” (Gen. 05:06-08). Seth leefde honderdvijf jaar vóór de eerstgeborene en achthonderdzeven jaar na de eerstgeborene. In het boek Genesis draait alles om de eerstgeboren zoon. Hier zien we in wezen het thema van de ‘wording van Israël temidden van de volkeren’. De vader wordt telkens voorgesteld als levende voor en na de verwekking van de eerstgeboren zoon. De eerstgeboren zoon wordt steeds met name genoemd. De rest wordt samengevat onder het hoofd ‘zonen en dochteren’.

De eerstgeborene is Israël; de zonen en dochteren zijn de volkeren. Het gaat in Genesis om ‘die éne temidden van de anderen’. De eerstgeborene komt te staan temidden van zonen en dochteren. Zo spreekt Genesis voortdurend over ‘vaders’ en ‘zonén’. Die ‘zonen’ zijn ‘broeders’. Van Genesis 5 tot en met 11 gaan we van geslacht op geslacht van de vader naar de zoon.

Hetgeen in Genesis 5 in drie regels wordt verteld, wordt in deel twee van Genesis een heel verhaal; een verhaal van drie regels wordt breed uitgesponnen in Genesis 11 vers 27 tot en met hoofdstuk 37 vers 11. Als we in Genesis 11 gelezen hebben over de verwekkingen van Terach, volgt het hele leven van Abraham, dat wordt bepaald door het leven vóór dé’ eerstgeborene en het leven na de eerstgeborene: Izak. Abraham leeft eerst honderd jaar naar Izak toe; daarna leeft hij nog vijfenzeventig jaar van Izak uit: een leven van het verwachten van de zoon en een leven vanuit de zoon. Daarna komt de toledoth van Izak. Hier gaat het helemaal over het punt, hoe de zonen als broeders gaan leven. Izaks leven wordt bepaald door de twee zonen, die uit hem komen en broeders moeten worden, en die uiteindelijk samen, als broeders, Izak gaan begraven.

Afwijkingen van het tien geslachten patroon

Als je het patroon van de tien geslachten uit Genesis 5 voor ogen hebt, zijn er een paar afwijkingen.

Van Henoch staat niet dat hij stierf. “Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Methusela” (vs.21). Normaal had er kunnen staan: ‘En Henoch leefde, nadat hij Methusela verwekt had, driehonderd jaar’. In plaats van ‘hij leefde’, staat erin vers 22: “En Henoch wandelde met God”. Bij Henoch was het leven een ‘met God wandelen’. De schrijver van Genesis heeft hier heel bewust een ander woord ingevuld. In plaats van ‘hij leefde driehonderd jaar’, staat er: ‘hij wandelde met Gód driehonderd jaar’. De bijbelschrijvers schreven de woorden nooit toevallig neer! “… en hij verwekte zonen en dochteren. Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar” (vs.22b-23). Je zou nu verwachten dat er zou staan: ‘en hij stierf’. In plaats daarvan staat in vers 24: “En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem genomen”. (Er staat niet: ‘God had hem óp genomen’.

“Toen Lamech honderd tweeëntachtig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon, en gaf hem de naam Noach” (vs.28-29a). Letterlijk staat er: ‘Hij riep zijn naam Noach’. Noach betekent: rust. Noach brengt de schepping in de rust. De naam ‘Noach’ wordt hier verder speciaal uitgewerkt met de woorden: “Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft” (vs.29b). (Troosten: Nacham. Noach/Nacham is een

Woordspeling).     

In vers 32 vinden, we nóg een afwijking, waar het tiende verhaal van de reeks begint. Je zou verwachten: ‘Toen Noach vijfhonderd jaar geleefd had’. Er staat echter: ‘Toen Noach vijfhonderd jaar oud geworden was’. Letterlijk: ‘En Noach werd een zoon van vijfhonderd jaar’. “En Noach verwekte (je zou verwachten: één zoon) Sem, Cham en Jafeth” (drie zonen!). Er zóu nog moeten volgen: ‘En Noach leefde, nadat hij Sem, Cham en Jafeth verwekt had … jaar; en hij stierf’. Het staat er niet. Tóch is er een slot aan dit verhaal: Wé lezen namelijk in Genesis 9 vers 28 en 29 (Gen. 09:28-29): “En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar; zo waren al de dagen van Noach negenhonderdvijftig jaar; en hij stierf”. Het hele verhaal over de vloed zit er tussenin! Het slot van Genesis 9 is eigenlijk het vervolg van Genesis 5.

Er is nog iets merkwaardigs. In vers 28 zou je verwachten dat er staat: ‘En Noach leefde nadat hij verwekt had…’ Er staat echter: ‘En Noach leefde na de vloed…’ De scheidslijn in het leven van Noach wordt niet de verwekking van de eerstgeborene maar de vloed. De negen anderen leefden voor en na de eerstgeborene, maar Noach, de tiende, leefde voor en na de vloed. Zoals wij zeggen: ‘Voor en na de oorlog’. De vloed was hét gebeuren in Noachs leven,

Waarom de toledoth van Abraham ontbreekt

Abraham leefde voor en na de eerstgeborene. Naast Abraham krijgen we Lot. Lot leefde voor de ramp met Sodom en na de ramp; net als Noach: voor en na de ramp. Genesis 5 begint met de verwekking van de adam, de mens, en het eindpunt is Noach: de rust. Henoch is de zevende van de serie. Henoch betekent: de ingewijde. In Genesis 11 vers 27 (Gen. 11:27) begint de toledoth van Terach, dé vader van Abraham. En in Genesis 25 vers 25 (Gen. 25:25) begint de toledoth (verwekkingen) van Izak, hier vertaald met ‘geschiedenis’. De toledoth van Abraham ontbreekt!

Het hele leven van Abraham wordt verteld onder het motto: de toledoth van Terach. Dit komt omdat de toledoth van Abraham juist een probleem was. In de eerste plaats kon Abraham niet beginnen met verwekken. Hij moest wachten tot Gód uiteindelijk iets ging verwekken. En in de tweede plaats stond het leven van Abraham helemaal in het teken van zijn vader Terach. Het beslissende punt voor Abraham was: ‘Ga uit uws vaders huis’. Hij moest een keuze maken.

Een bijzonder punt bij het verwekken is, dat de vrouwen, die sleutelfiguur zijn in het heilsplan van God onvruchtbaar zijn. Met name: Sara, Rebekka, Rachel’ Hanna de moeder van Simson. Van het hemelse Jeruzalem wordt gezegd in Jesaja 54 vers 1 (Jes. 54:01): “Jubelt, gij onvruchtbare, dié niet gebaard heeft”. Verder kan genoemd worden: Elisabeth, de moeder van Johannes de Doper. Maria, – de moeder van Jezus, was niet onvruchtbaar, maar bij haar was ook sprake van een onmogelijkheid. Menselijk gesproken kon dit niet.

Het geestelijke boven het natuurlijke

Waarom is dit zo? Dit is, om de vrouw te verheffen bóven de wil van de man. Het is een diepgaand geestelijk principe! ” … die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn” (Joh. 01:13). De vrouw wordt verheven boven de willekeur van de man, die zegt: ‘Nu is het mijn tijd, nu doe ik het’. Gód zegt: ‘Nee, het zal op mijn tijd gebeuren en dan zal Ik het doen!’ De man mag bij de gratie (genade) nog meedoen.

Een voorbeeld daarvan vinden wij in 1 Samuël 1 vers 5 en 6 (1 Sam. 01:05-06): ‘ … en de Here had haar moederschoot toegesloten’. Aan de ene kant, kun je zeggen, dat de boze er belang bij heeft om de voortplanting van de naam tegen te houden. De andere kant is, dat hier duidelijk een daad van Gód in zit. Ik versta het zó. Ik laat het zo staan. God verheft Hanna bóven het niveau van Peninna, die de vruchtbaarheid zelve was. God zegt tegen Hanna: ‘Ik heb voor jou iets hógers. Ik sluit jouw moederschoot toe voor het natuurlijke, opdat je een geboorte zult krijgen vanuit het gééstelijke’.

In wezen is dit het principe van de nieuwe mens, die wordt afgesloten voor de mogelijkheden vanuit het natuurlijke, opdat God iets hógers in die nieuwe mens kan planten. Het kenmerk van het heidendom is juist, dat het openstaat voor alles. Alle góden kunnen hun vruchtbaarheid daarin doen. De afgod van het heidendom was de Baal, de god van de vruchtbaarheid. God zegt: ‘Ik snijd die weg voor jullie af. Ik heb voor jullie iets totaal anders’.

Abraham kwam óók uit de vruchtbaarheidscultus. In Ur der Chaldeeën had men de maangodin: de god van de vruchtbaarheid. Abraham trekt bij de god van de vruchtbaarheid vandaan. Hij komt bij Gód terecht en dan kan hij niets meer. God zegt: ‘Maar nu ga Ik het doen’. Dan wordt het een woord (dabar). Sara zal dan, naar het woord des Heren, vruchtbaar worden. Het is de dabar, dat God gaat doen, want Gód doet een woord. Het is een woorddaad of een daadwoord. Bij God zijn woord en daad een.

Het gaat altijd door de belofte. De belofte is het woord; het Hebreeuws heeft geen woord voor ‘belofte’. Als ze het woord ‘belofte’ willen zeggen, zeggen ze ‘het woord’. Vandaar dat er staat dat God zegt: ‘Ik zal het goede woord in vervulling doen gaan’. Dat is de belofte. Daarom zegt Maria: ‘Mij geschiede naar uw woord’. Zo wordt er uit haar de Zoon verwekt, omdat het woord in haar geschiedt.

Daarom staat er in Lucas 1 vers 1 (Luc. 01:01): “Geen woord (dabar) dat van God komt, zal krachteloos wezen”. God wil een verwekking vanuit het wóórd en daarom sluit Hij de moederschoot tóe, opdat het zal zijn vanuit de Géést! Het is ook het principe van ‘bekering en wedergeboorte’. Als je tot bekering komt, sluit je het natuurlijke af. Het is ook het beeld van de waterdoop. Je sluit je natuurlijke moederschoot en je gaat in wezen in de hémelse moederschoot. Dan word je van daaruit verwekt. (Wordt vervolgd).

 

Samen op weg (gedicht) door Piet Snaphaan

Samen als gemeente

Gaan de hoge weg

Met één doel voor ogen

Het zeker weten mogen

Door kennis, overleg.

 

Samen vernieuwd in denken

Zoals de Bijbel ’t teert

Door één te zijn in streven

Samen ’t geloof beleven

Wat God in ons begeert.

 

Samen dan ook ervaren

Dat God is enkel goed

Met Hem zijn we verbonden

Hij zocht ons, en wij vonden

Hem die ons leven doet.

 

Dat leven samenleven

God is ’t die ons behoedt

Hij schept in ons behagen

Als wij elkander schragen

In voor- en tegenspoed.

 

Bewaar je mond

Hoi! Fijn dat je dit leest, dat we elkaar op papier (opnieuw) mogen ‘ontmoeten’. Intussen hebben we beiden een nieuwe start gemaakt in het seizoen dat vóór ons ligt, ofwel op school, ofwel op ons werk of in ons gezin. We zijn, na een welver­diende vakantie, weer met frisse moed aan, de slag gegaan.

In het vorige artikel (“Bouw je mee aan her­stel?”) heb ik jou – en niet in de laatste plaats mezelf – moed willen in­spreken. We hebben sa­men nagedacht over het verspreiden van een goede sfeer op de plaats waar we werken en leven. Weet je nog? We hebben geconcludeerd dat je een goede, zuivere sfeer om je heen kunt verspreiden doordat je erop vertrouwt dat de Here Jezus in je is doordat je je sterkte Hem vandaan haalt.

Dit keer zou ik ’t fijn vinden om eens even stil te staan bij één aspect van dat ‘bouwen aan een goede sfeer’, namelijk: de manier waarop we, over onszèlf en over die ander, spreken.

Een paar weken geleden hoorde ik een klein meis­je een zondagsschoollied- je zingen:

“Bewaar je mond, bewaar je mond voor wat je spreekt, er is er Eén die op je let en die luistert naar ’t gebed, bewaar je mond, bewaar je mond voor wat je spréékt”. Wat is dat waar. ‘Wat is dat belangrijk’, ‘dat we er heel goed op letten wat we allemaal zeggen.

Dat staat ook in de Bijbel. Op heel veel plaatsen. Ik wil één tekst voor je opschrijven, omdat ik vond dat ook jij die moest weten:

“Wie is de man die het le­ven begeert, vele dagen wenst om het goede te genieten? Bewaar uw tong voor het kwade en uw lip­pen voor het spreken van bedrog; wijk van het kwa­de en doe het goede, zoek de vrede en jaag die na” Dit is Psalm 34 vers 13 tot en met 15 (Ps. 034:013-015).

Verlang je naar écht le­ven? Wil je ervan genie­ten? Nou, dat mag ’t Is zelfs hélemaal de bedoeling van God, onze Schepper. Maar dat echte leven komt je helaas (nog) niet aan­waaien. Daar moet je heel bewust aan gaan werken. Héél bewust moet je wijken van het kwade, je mond en je tong ervoor bewaren. Héél geconcentreerd moet je het goede’ doen, de vrede zoeken en zelfs’ najagen.

Waar het hart vol van is…

Waar het hart vol van is daar loopt de mond van over. De Here Jezus zegt dat in (Matt. 12:34) ‘Groot Nieuws voor u”). Ook in Psalm 19 vers 15 (Ps. 019:015) heeft David het over “de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart”. Als wij dus iets zeggen, dan is ’t eigenlijk ons hart dat spreekt. Daar ontstaan onze gedachten.

Welke informatiebron?

Er is een onzichtbare bron die ons in ons hart voort­durend ‘informatie’ geeft. Om precies te zijn: er is niet één bron, nee, er zijn er twee, twee totaal verschillende. Ze geven ook twee verschillende soorten water, twee soor­ten informatie. Dat constateert de apostel Jakobus ook als hij zich afvraagt in Jakobus 3 vers 11 (Jak. 03:11): “Komt uit één en dezelfde bron soms zoet water en water wat bitter is tegelijk?” Nou, dat kan niet. Dat moet dus betekenen dat er twee bronnen zijn, die ons bei­den graag van informatie willen voorzien. En de keuze is aan ons: welke informatiebron zullen wij ‘aanboren’ voor onze ge­dachten èn onze woorden? Wat die twee bronnen zijn zó totaal verschillend!

De één is een levensbron, een bron vól van goedheid en licht. Deze bron is God zelf, die met Zijn Geest in ons wil wonen. Als we deze bron ‘aanbo­ren’, zullen we gedachten vormen die op hun beurt goed zijn. En daaruit kun­nen ook alleen maar goede wóórden worden gespro­ken.

De andere bron, de dui­vel, is enkel kwaad en duisternis. Het water uit deze bron is bitter. De ‘informatie’ uit die bron is altijd besmet door on­rust, beschuldiging, negativiteit, leugen. De ge­dachten wie we uit die bron halen zijn dan ook van hetzelfde gehalte.

Beide bronnen willen, zo­als ik al zei, graag hun informatie kwijt.  Alleen, ze doen dat op heel verschillende manieren. De Lichtbron wacht rustig af totdat je je voor Hem openstelt. De bittere bron dringt zich voortdurend aan je op. Onophoudelijk ‘projecteert’ hij z’n infor­matie op jouw geestelijk ‘beeldscherm’.

Daarom vergt het jouw concentratie om een goede keu­ze te maken uit alle informatie die jouw geeste­lijke wereld binnenkomt. Daarom moet je heel daadwerkelijk ‘je mond bewaren voor wat je spreekt’.

De uitwerking van onze woorden

Want wat voor invloed heeft jouw uitspraak? Zo­als we allemaal weten, kunnen we iemand met onze woorden opbeuren, maar we kunnen hem óók de grond inboren. En oh, wat gebeurt dat laatste vaak in deze wereld! Wat komt het vaak voor dat mensen elkaar, met hun tong, geestelijk ‘een kop­je kleiner maken’! Want als je harde, negatieve dingen zegt over een an­der, dan bewerk je iets in zijn geestelijke, on­zichtbare wereld. Op zo’n moment zaai je daar duisternis, negativiteit! Het staat ook op verschillende plaatsen in de Bijbel:

“Valsheid in haar’ (je tong dus) is een verderf in de geest” (Spr. 15:04). Dat is nu wat de duivel teweeg wil brengen, waar hij altijd op uit is: ver­derf in de geestelijke we­reld van een mens.

“Er zijn er, wier gepraat werkt als dolksteken…” (Spr. 12:18). Wat kunnen mensen worden verwond, beschadigd, door negatie­ve taal! Je ziet dat niet meteen, maar achter de schermen speelt zich héél wat af.

Maar laten we nu eens even kijken naar datgene wat je in de ‘hemel’ van die ander kunt bewerken met positieve woorden.

Er gebeuren namelijk ge­weldig fijne dingen als jij je tong góéd gebruikt!

” Zachtheid van tong is een boom des levens” (Spr. 15:04). Door zacht­moedig te spreken ben je bij machte om leven te brengen in de geestelijke wereld van de ander, om dood en negativiteit te verdrijven.

” . . .maar de tong der wij­zen brengt genezing aan” (Spr. 12:18). Ga de won­den maar genezen met jouw opbeurend woord!

“… maar voor wie tot vrede raden, is er vreug­de” (Spr. 12:20). Als je vrede laat dóórklinken in dat wat je zegt, dan geef je die ander de ruimte om blij te zijn. “De Here Here heeft mij als een leerling leren, spreken om met het woord de moede te kunnen on­dersteunen” (Jes. 50:04).

Hoe wordt onze invloed positief?

En om positieve taal te hanteren hoeven we maar één ding te doen: ons voortdurend, geconcentreerd richten op Diegene, die zelf Liefde is. Die zelf Licht en Leven is. Als Zijn Geest in ons werkt, Zijn wezen in ons is, dan worden we wérkelijk een (jong)mens, zoals Hij die vanaf het begin in Zijn gedachten had. Als we ons laten inspireren door die zuivere, leven brengen­de Bron, dan kunnen we een gigantisch positieve invloed uitoefenen in de geestelijke wereld!

Hóé kunnen we die Bron aanboren? Door Zijn Woord, de Bijbel, te lezen. Door al Zijn gedachten ons eigen te maken en ze vervolgens écht in praktijk te bren­gen in ons dagelijks leven!

Een mooi voorbeeld van zo’n inspiratie heb ik ge­vonden in 2 Samuël 23 vers 2 tot en met 4. (2 Sam. 23:02-04) De Geest des Heren spreekt door mij, zijn woord is op mijn tong; hij is als het morgenlicht bij het opgaan der zon, een morgen zon­der wolken”.

Heb je wel eens op een vroege zomerochtend bui­ten gelopen? Wat is alles dan móói, fris en zuiver, omgeven door een stralend morgenlicht! Zó is ook on­ze Heer: een fris, zuiver licht, door geen enkele wolk verduisterd. Zó is ook Zijn Wezen. Dat straalt Hij uit. En Hij be­doelt dat jij en ik datzelf­de wezen gaan uitstralen. Hij wacht op het moment dat wij met onze tong de geestelijke wereld in bewe­ging gaan zetten, gaan veranderen in een tinte­lend frisse, stralende, wolkeloze zomerochtend. Zowel onze éigen geestelij­ke wereld, onze eigen ‘hemel’, als de ‘hemel’ van die ander, van die naaste, van die schoolvriend, die buurvrouw, die collega. Hé, zullen we dat gaan proberen? Wat zullen er veel dagen komen waarin we ‘het goede genieten’! Réken maar dat we dan meemaken wat écht leven is!

 

De twee lossers aan Ruth door Jan W. Companjen

“Indien er een wet gege­ven was, die levend kon maken, dan zou inderdaad uit een wet de gerechtig­heid voortgekomen zijn. Neen, de Schrift heeft alles besloten onder de zonde, opdat ten gevolge van het geloof in Jezus Christus de belofte het deel zou worden van hen die geloven” (Gal. 03:21-22).

“Onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de pletter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 03:06).

Ik las kortgeleden een levensbeschouwing over een nu al wat oudere man die in zijn jeugd slechts één doel had: priester worden in de Rooms Ka­tholieke kerk. Tot twee­maal toe trachtte hij via een kloosterorde tot dat doel te komen. Hij was verstandig, goed ontwik­keld en had roeping, maar hij had daarnaast een geweldige vrijheids­drang. Dit laatste was er de oorzaak van dat hij beide keren na verloop van tijd afgewezen werd voor datgene waarvoor hij alles over had. Hij paste niet in het (wettisch) systeem. Hij huwde en kreeg vijf zonen. Deze zonen werden volwassen en allen academicus. Deze kinderen hadden hun opvoeding best moeilijk gevonden. Als ze bij hun vader kwamen met het één of andere probleem of hem vroegen hoe dit of dat te doen, was steevast zijn antwoord: Wat denk je er zelf van? In het daaropvolgende gesprek waren ze er wel altijd uitgeko­men maar ze waren heel wat keren jaloers geweest op hun vriendjes die een andere opvoeding hadden. Die vriendjes wisten namelijk, dankzij geboden en verboden, precies wat ze wel en niet mochten doen. Hun leven was veel eenvoudiger omdat hun vader en moeder voor hen dachten en gedragsregels bepaalden. Het éne uiters­te zou je autoritair en het andere antiautoritair kun­nen noemen. Er tussenin liggen dan de diverse trekken die de mens ‘eigen’ is.

Hoe komen wij tot geestelijke groei

Ik gebruik deze inleiding omdat geestelijke groei eenzelfde ondergrond heeft. Het antiautoritaire gedrag van Jezus Christus is één van de meest kenmerkende dingen in zijn optreden als Zoon van God. Hij nam de mens, oud en jong, groot of klein, arm of rijk, volkomen serieus.

Wisselwerking is het gevolg en dat is noodzakelijk om tot zelfstandige beslissin­gen te komen. Vaste regels en strikte geboden maakt de mens (jong en oud) tot een marionet. Tot onevenwichtige mensen die alleen maar in groepsverband en of onder leiding kunnen leven. Buiten die veiligheid leven ze in een verkrampte toestand en komen niet tot hun doel. Een doel waartoe ze best in staat waren ge­weest indien ze maar tot ontplooiing hadden kunnen komen. Wetten en verorde­ningen, geschreven en ongeschreven, heeft ze ingekapseld en vruchteloos gemaakt.

Op het terrein van de geestelijke opvoeding is het niet anders gesteld. Ook daar geeft autoritair gedrag van de leiding ‘op­voeders’, slappe en gees­telijk onontwikkelde n vol­gelingen. Het staan onder wetten en verordeningen is er de oorzaak van dat we geestelijk in het slob zijn geraakt of halfweg zijn blijven steken. Er zijn zeer veel gelovigen die onder de wet willen blijven staan. Zij kiezen de zeker­heid van wet en gebod; leven daarmee zo netjes mogelijk, maar blijven daardoor zitten met de vraag: Is dit nu het leven waarvoor ik geboren ben en Christus gestorven is? Is Christus mijn Man en ben ik Zijn bruid?

Hier zitten we meteen mid­den in het antwoord op de vraag: Wie zijn de twee lossers van Ruth? Speciaal zij die de brochure “Het boek Ruth als profetie” gelezen hebben zullen zich dat hebben afgevraagd omdat ik in die brochure daarop geen antwoord heb gegeven. Het antwoord daarop moet duidelijk zijn en, wat misschien nog belangrijker is, de tijd moet er rijp voor zijn. Met an­dere woorden, het moet door de lezers van ons blad begrepen en verwerkt kunnen worden. Mede dankzij een brief van een zuster’ uit Schiedam, die in dit artikel verwerkt wordt, geloof ik dat dit nu het geval zal zijn.

Wie zijn die twee lossers?

De losser, naast Boaz, heeft te maken met het oude testament, het oude verbond, dat God had af­gesloten met het volk Is­raël. Bij de komst van Jezus (Boaz is in het boek Ruth een type van de Here Jezus) moest de vraag worden afgehandeld: Kan de losser van het oude verbond Ruth (type in het boek Ruth van de gemeen­te van Jezus Christus) lossen, ja of nee? Heeft die losser daarvoor de mo­gelijkheid? Het antwoord is klaar en duidelijk: Neen. Hij kan wel het land maar niet Ruth lossen. Hij zegt zelfs daarbij: Als ik die los, betekent dat mijn ondergang.

Er is een radicaal verschil tussen het oude en het nieuwe verbond. Het oude verbond was/is aards ge­richt. Het had en heeft te maken met het land Israël en het aardse Jeruzalem. Het werd gegeven vóór de intocht (in de woestijn) in het beloofde land. Het on­derhouden van wetten en voorschriften gaf als zegen een goed en gezegend le­ven in een aards land dat overvloeiende was van melk en honing. Op zich waren die wetten en voorschriften goed voor het volk Israël; zij verkozen immers, op weg naar de vrijheid, een volk van’ God onder een wet te worden.

Tot op de dag van van­daag is het Joodse en voor een groot gedeelte ook het Christelijke geloof hierop gericht en ingesteld. De scheiding tussen het oude en nieuwe verbond is nog steeds in een fase tussen licht en donker. Dat wil zeggen: het volle licht van Jezus’ komst is nog steeds niet doorgebroken.

Alleen de Geest maakt levend

Met de komst van Jezus werd alles nieuw. De slavin moet weggezonden worden! Het Jeruzalem beneden baart slaven en is wettisch ingesteld. Hun nazaten bestaat uit ‘chris­tenen’ die onder andere meer belangstelling hebben voor de onbekeerde Jood, dan voor de Messias belijdende Joden. Volgens de leider van ‘Kruistochten’, Anne van der Bijl, klagen deze steen en been dat christenen uit het westen totaal geen interesse voor hen hebben. Het is toch duidelijk dat aards ge­richte christenen zich meer verwant voelen met aards gerichte Joden met alle gevolgen van dien.

Wij zijn inwoners van het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God, gegrondvest op Jezus de middelaar van een nieuw verbond (Heb. 12:22-24). Dat verbond levert vrije mensen op omdat zij zich geestelijk kunnen ontwik­kelen. Zij zijn een volk Gods onder de genade en werden een nieuw volk van God (bestaande uit Jood en heiden, uit man en vrouw) door de Geest die in hen woont. Die Geest verandert mensen, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Strakke en stijve geesten zijn wettische geesten, waardoor de leek, leek blijft en het kind, kind. Het kan geen volk vóórt­brengen dat vruchten draagt. Zijn worden op zijn best een puber.

Mensen, die met Gods Geest vervuld zijn, zijn hunkerende naar meer. Zij zijn in de vrijheid gekomen van Gods Geest en zien steeds helderder in waar­om’ zij kroon der schepping zijn. Zij zijn vrij om de Heer te dienen, vrij om de gaven te kunnen laten functioneren. Men is er als leraar op uit om ‘de heiligen’ toe te rusten tot dienstbetoon. Men kan im­mers geen Goddelijk leven ontwikkelen zonder een an­der daarvan te laten meegenieten. Langs die weg van vrijheid, zullen-wij tezamen met alle -heiligen opwassen tot alle volheid Gods.

Om dit nooit meer te ver­geten, nogmaals een sa­menvatting: Er is verschil tussen oud- en nieuw ver­bond. Het één is wettisch en het ander is gegrond­vest op de genade. Jeru­zalem op aarde is de moe­der van de wet. Jeruzalem in de hemelen is de moe­der van de vrijen. Is onze moeder. De genade wordt door de wet vervolgd en daarom moet het eerste als afgedaan worden ver­klaard. De slavin moet worden heengezonden. De wet van steen moet ver­vangen worden door de wet Gods in ons hart. Het Woord Gods moet vlees in ons worden. Dan is de weg open naar het zoon­schap en dat is hetgeen waarvoor wij staan.

Het boek Ruth is profetie

Ik wil u nu ter verduide­lijking laten meegenieten van een brief die ik ontving van zuster L.V.J. te Schiedam. Zij schrijft: “Toen ik in uw brochure las dat ons in de toe­komst steeds duidelijker geopenbaard zou worden wie die eerste losser was, werd ik uiteraard nieuws­gierig wie of wat die eerste losser was. Ik wist het niet en niemand kon het mij vertellen. Toen dacht ik: de Heer weet het en ik ga het Hem vragen. Er was inmiddels een groot verlangen in mij gewekt en de Heer geeft toch als je het Hem vraagt. En ik kreeg een antwoord van de Heer op mijn vraag, wie die eerste los­ser was. Het oude ver­bond kon geen zoon verwekken. Mooi, duidelijk en simpel. Ineens zag ik alles helder. De wet van het oude verbond kon wel het land lossen omdat het van de aarde is, maar Ruth, de vrouw, kon hij niet lossen. De wet kon de mens niet vrij maken. In Ruth 3 vers 12 (Ruth 03:12) zegt Boaz: “Er is nog een los­ser, ja zelfs één nader dan ik”. Die eerste losser is geen tegenstander of mededinger maar een deel van de wet. Een losser naar de wet als tegenbeeld van Christus die een los­ser is naar de Geest en daar is Boaz hier in Ruth het beeld van. Christus heeft de wet niet ontbon­den maar vervuld. Wij zien hier bij die lossing het moment van het be­sluit van Jezus om de mens vrij te kopen. Als Boaz zegt: “Wanneer hij u niet lost, zal ik u tossen”, zijn dat woorden van pro­fetie van ‘Boaz.

In Johannes 18 vers 8 (Joh. 18:08) zegt Jezus: “Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan”. Boaz is beeld van Christus en Ruth, de vrouw, beeld van de gemeente. Hier gaat het duidelijk worden dat het hele boek Ruth één en al profetie is. Het viel mij op dat er zesmaal in Ruth geschreven staat: “Ruth de vrouw uit Moab”. Ze was toch gehuwd geweest met Machlon uit Juda, maar ze was en bleef een Moabitische. Pas nadat Boaz haar gehuwd heeft lezen wij in Ruth’ 4 vers 13 (Ruth 04:13): “Ruth, zij was Moabitische af”. Ze was gelost en heiden af. Hier zien we weer een beeld van Christus. Hij loste allen, ook de heidenen.

Allen die Hem aangenomen hebben zijn kinderen van het geestelijke volk Israël. Ruth, de Moabitische, le­zen wij zesmaal, is een beeld van aards geloof. Christus opende de toe­gang tot Gods Koninkrijk. Hij heeft het werk van Adam volbracht. Adam moest Eva helpen naar de volwassenheid. Het is Christus die zijn vrouw, de gemeente, helpt de volwassenheid te bereiken zodat de zoon daaruit ge boren gaat werden, zoals God dat bedoeld had in Genesis. Als Obed geboren wordt koestert Naomi het kind. Wanneer uit de ge­meenschap met Christus en zijn vrouw de geeste­lijke zonen geboren worden zal het herstel beginnen, het duizendjarig rijk neemt een aan vang en de schepping die in bittere ballingschap was, zal zich verheugen. Ook het Jood­se volk, eens Gods uitver­korenen, zal zich, zoals Naomi verblijden over de zonen Gods die satan on­der hun voeten hebben gebracht”. Tot zover een deel uit de brief van onze zuster uit Schiedam.

Door een geest tot een lichaam

Is het geen feest dat wij allen zo mogen en kunnen meeleven in het openbaringswerk dat de Heer ons in deze tijd geeft? Een le­vende Heer en een levende gemeente kunnen met el­kaar communiceren. Langs die weg is het de bedoe­ling dat we allen volwassen worden en samen de weg des Heren geopenbaard krijgen.

De overgang van oud naar nieuw, waarin Christus ons ook voorging, is het zien dat een geloof dat van buitenaf door wet en starheid tot ons komt, niet tot volheid en éénheid van een volk Gods kan ko­men. Om tot dat doel te komen moet de wet Gods ook in ons vervuld worden. Daarvoor is de Geest Gods in ons noodzakelijk. Door die Geest gaan de wetten Gods in ons hart werken. De Geest zuivert en voedt op en leidt ons naar de volle waarheid. Die Geest is ons aan het opbouwen tot het ware lichaam van Christus, Dan zullen wij ervaren dat wij door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt.

Die Geest zal in ons meer doen dan wij nu nog bid­den of beseffen. Ja, wat in geen mensenhart is op­gekomen is weggelegd voor eenieder die tot dat lichaam behoort. De dag is daar dat het in ons ge­zien zal worden en de schepping zal erkennen dat Jezus Heer is.

1987.09 nr. 284

Levend geloof 1987.09 nr. 284

Pagina 3 mist

Door Gert Jan Doornink

Een waarachtig kind van God zal weten té selecteren wat belangrijk is en onbelangrijk. Hij zal zijn gedachten niet in beslag laten nemen door alles wat er ‘uit de wereld’ op hem af komt. Natuurlijk hoeven we ons niet te onttrekken aan het normale functioneren in de maatschappij. Integendeel, juist omdat wij het ‘zout der aarde’ en ‘het licht der wereld’ zijn. hebben wij met de woorden die wij spreken en het leven dat wij openbaren, een positieve inbreng temidden van allen die nog buiten het Koninkrijk van God staan.

De basis om te kunnen functioneren als een getuige van Jezus in deze wereld, vindt een kind van God in het woord van God. Hij voedt zich met het ‘geestelijke voedsel’ wat hij daar aantreft en kan daardoor weer uitdelen aan anderen. Geleid door de Heilige Geest proberen wij zoveel mogelijk de betekenis van Gods woord te verstaan., En uiteraard letten wij daarbij in de eerste plaats op de woorden die Jezus sprak toen Hij op aarde was. De uitspraken van Jezus zijn daarom ook: zo belangrijk, omdat ze, zoals Jezus zelf zei ‘Geest en leven’ zijn (Joh. 06:63). Dat betekent dat er bij wijze van spreken dynamische kracht aanwezig is in al datgene wat de Zoon van God gesproken heeft. Het doet iets, het verandert ons, het geeft ons visie, het maakt ons – als we er op ingaan – bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk. En daar gaat het om in de uitspraak van Jezus in Lukas 9 vers 62 (Luc. 09:62): het geschikt zijn voor het Koninkrijk Gods.

Wanneer zijn wij geschikt?

Wanneer is iemand nu geschikt voor het Koninkrijk Gods? Wanneer is iemand bruikbaar in dienst van de Meester? Het meest eenvoudige antwoord is natuurlijk: wanneer hij of zij Jezus volgt. Maar ik denk dat we dat wel eens te gemakkelijk kunnen opvatten. En zo simpel is het niet. Alleen reeds uit dit gedeelte van Lukas 9 blijkt dat wie Jezus wil volgen, Hem alleen maar kan volgen, als hij Hem radicaal wil volgen. Alles loslaten dus en Jezus op de eerste plaats. Lees in dit verband ook eens hoe de eerste discipelen door Jezus geroepen werden’ en wat hun reactie was (Matt. 04:18-22; Mark. 02:13-17).

Nu kunnen we in onze gedachten ons nog een beetje verplaatsen in de tijd waarin zich dat afspeelde en hoe het daarbij toeging. Jezus zelf was immers persoonlijk aanwezig. Maar wij zitten mét de moeilijkheid dat Jezus niet meer in een lichaam van vlees en bloed op deze aarde is. Thans is het echter de Heilige Geest die de mens ‘bewerkt’. Het eerste wat de Heilige Geest doet is de wereld overtuigen van zonde (Joh. 16:08). Dat is één kant van de medaille. De andere kant is dat de mens die ‘overtuigt is van zonde’ tegelijkertijd weet dat Jezus de zonde ‘gedragen’ heeft, dat wil zeggen: door geloof in het volbrachte werk van Jezus wordt de mens verlost van de zonde. Hij wordt vanuit het rijk der duisternis, overgeplaatst in het Koninkrijk van Jezus Christus.

En dan kan het ‘volgen van Jezus’ beginnen… Het is duidelijk dat het volgen van Jezus thans dus een geestelijke aangelegenheid is. Onze wedergeboorte is een geestelijke geboorte en ook ons verder volgen van Jezus is een geestelijke zaak. Nu zijn er nog al eens kinderen Góds die bij het horen van het woord ‘geestelijk’ een beetje huiverig worden, Zij denken dan aan iets abstracts, iets onwerkelijks, het niet meer met beide benen op de grond staan, etc. Laten we deze dingen ogenblikkelijk van ons afzetten, want de sleutel tot het werkelijk volgen van Jezus is gelegen in het feit of we de dingen met geestelijke of alleen maar met natuurlijke ogen zien.

De komst van het koninkrijk

Johannes de Doper, de wegbereider van de Here Jezus, wees hier reeds op, door de komst van Jezus aan te kondigen met de woorden: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen -is nabijgekomen. . .” (Matt. 03:02). Hij zei niet: “Bekeert u, want Jezus, de Zoon van God is nabijgekomen”, terwijl hij het wel duidelijk over Jezus had. Johannes de Doper wist echter dat, wat nu ging gebeuren, uit de geestelijke wereld zou komen en er zich een geestelijke strijd zou gaan ontwikkelen. De vorst der duisternis zou worden ontmaskerd en overwonnen.

En ook Jezus zelf sprak daar telkens weer over. In Matteüs 4 vers 17 (Matt. 04:17) lezen wij bijvoorbeeld: “Van toen aan begon Jezus te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen”. In vers 23 (Matt. 04:23) van hetzelfde hoofdstuk lezen wij: “En Hij trok rond in geheel Galiléa en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en kwaal onder het volk”. In Matteüs 12, lezen wij over de zware beschuldiging die tegen Hem wordt ingebracht dat? hij de duivel zou uitdrijven door de overste der boze geesten. Jezus’ antwoord is duidelijk: “Indien Ik door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen” (vs.28). In Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14) wordt gesproken over het evangelie van het Koninkrijk dat in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken. En in Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36) zegt Jezus dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is..

Een geestelijk koninkrijk

Gods Koninkrijk, waartoe u en ik behoren als wij kinderen Gods zijn, is een geestelijk koninkrijk en onze strijd is daarom ook niet meer tegen vlees en bloed, muur “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12). Laten we deze zekerheid nooit loslaten en als we dat al gedaan hebben  zullen we weer moeten leren geestelijk te denken, te spreken en te handelen. In deze eindtijd bestaat het grote gevaar dat we de Heer proberen op een ‘natuurlijke’ wijze te gaan volgen. Dit staat ook in- verband met de -nadere komst van de antichrist. Laten we in dit verband ook voorzichtig zijn met het nalopen van allerlei bijzondere figuren die door het doen van spectaculaire dingen proberen de aandacht op zich te vestigen Wat zijn er in dit opzicht al vele kinderen Gods bedrogen uitgekomen en terecht gekomen in allerlei dwalingen, die veelal aardsgericht zijn.

Daarom is de plaats waar wij thuis horen en geestelijk tot ontwikkeling kunnen komen de gemeente. Daar kunnen de gaven van de Geest zich openbaren, daar kunnen we elkaar corrigeren en bemoedigen, daar werkt de gave van onderscheiding der geesten, daar krijgt het koninkrijk Gods gestalte.

De Heilige Geest is onze ‘Leraar ter gerechtigheid’, Hij leidt ons in de waarheid, Hij maakt óns geschikt en bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk. Dan gaan we ook niet meer achterom zien op fouten uit het verleden bij onszelf of bij anderen, maar wij slaan vastberaden de hand aan de ploeg en bewijzen daarmee dat we geschikt zijn voor het Koninkrijk van God. Het parool voor de eindtijd is: voorwaarts in het Koninkrijk van God. Evenals de eerste volgelingen van Jezus, gaan ook wij Hem volkomen en radicaal volgen en proberen ook zoveel mogelijk anderen erbij te betrekken. Want de liefde Gods is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest’

 

Van Gods geslacht (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Jezus, U bent ‘d eerste mens

die voldeed aan ’s Vaders wens.

Door Uw Geest, die in mij woont

en volmaakte wegen toont,

mag ik zijn van Uw geslacht,

mag ik leven door Uw kracht!

 

De zin van ons leven door Gert van de Kamp

“Vroeger was je op aarde om in de hemel te komen. Toen lag onze bestemming in het opbouwen van een welvarende wereld. Nu hebben we die welvaart en duikt opnieuw de vraag op naar de zin van ons leven. Tegen die achter­grond verklaar ik de op­komst van de nieuwe spiritualiteit en belangstelling voor oosterse mystiek”. Bart van Steenbergen, cultuursocioloog.

Wat is de zin van ons leven? Dat is de vraag die volgen Van Steenbergen telkens weer opduikt. Ik geloof dat zolang de mensheid heeft bestaan men

Zichzelf deze vraag heeft gesteld. Ik denk zelfs dat het een “ingeschapen” vraag is. Dat het te maken heeft met de behoefte van de mens aan religie, iets dat volgens mij in elk – mens zit. God heeft de mens zó geschapen, dat deze van nature geneigd is Hem te zoeken.

De Spreukendichter zegt het zo met zijn eigen woor­den : “Wie op eigen hart vertrouwt, is een dwaas”. En David maakt in Psalm 14 vers 1 (Ps. 014:001) korte metten met het idee dat God niet zou bestaan: “De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God”. Het is dus een dwaasheid te veronderstel­len dat God er niet is en het is dus helemaal niet dwaas, stil te staan bij de vraag: Wat is de zin van mijn leven? Een vraag die verbonden is aan een andere: Hoe kom ik in contact met God?

In de relatie’ met God is het antwoord gelegen op de vraag naar de zin van het leven.

Je kunt stellen dat het een geestelijke wet is dat men­sen contact willen en zoeken met een geestelijke macht. Die geestelijke wet heeft echter wel twee kan­ten. Je kunt je verbinden met God de Schepper of met de satan, de antischepper. God en satan bewegen zich beiden op dat geestelijke erf, waar­bij de laatste zich vooral zo voordelig mogelijk aan de mensen presenteert: als een engel des lichts (2 Kor. 11:14), een bedrieglijke rol. Waar God constructief is, is de satan destructief, dat is het grote verschil.

Antwoord

In de relatie met God is het antwoord gelegen op de vraag naar de zin van het leven. Veel mensen vinden dat veel te goed­koop. Zij vullen de leegte, de behoefte aan “religie” niet door een relatie met hun Maker aan te gaan. Zij zoeken het in alterna­tieven die met name de laatste jaren onder de

noemer “oosterse mystiek” vallen, terwijl ook de be­langstelling voor allerlei vormen van spiritualiteit niet “van de lucht” zijn. Wat te denken van “het feest van de geest” in het centrum voor “huis­vlijt” ‘Gouden Handen’ in s’ Heerenberg en bijvoor­beeld een radioprogramma als “Het Zwarte Gat” waarin occultisme op aller­lei manieren centraal staat.

Al deze manifestaties tonen de realiteit aan van een geestelijke wereld, eigenlijk één grote warenmarkt waar veel te koop is. In­zet is de mens die loopt te zoeken naar de zin van het leven.

Het christen-zijn is niet bepaald meer in de mode. Yoga bijvoorbeeld wel, Transcendente Meditatie was en is het ook nog wel. Ondermeer is TM populair geworden doordat de Beat­les zich met goeroe Maharishi Mahesh Yogi inlieten. De zin van hun levens lag blijkbaar niet in hun succes.

Geconstateerd mag worden dat er een felle strijd aan de gang is in de hemelse gewesten, waarbij de satan misbruikt maakt van de in­geschapen behoefte van de mens: contact met God zoeken naar de zin van het leven. De duivel doet er ‘ alles aan om maar te ver­hinderen dat mensen het echte antwoord op die vraag, het echte contact met God vinden. Heel ge­raffineerd is bijvoorbeeld ook – vooral in de wel­varende westerse maat­schappij – de oppervlak­kigheid en onverschillig­heid waarin en waarmee sommige mensen (zich laten) leven.

Fris en eenvoudig

Hoe fris is niet het evan­gelie en hoe eenvoudig? Wie zich onvoorwaardelijk (dus zonder “maars” en “alsen”) aan Jezus Chris­tus overgeeft, gaat de zin van het leven ervaren. Jezus gaat heel ver als Hij zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14:06).

Dat betekent echter niet dat je je blind moet staren op die relatie met de Heer in de zin van: nu heb ik de zin van mijn leven ge­vonden, het is Jezus, hiep hiep hiep hoera! Dat is op zich zinloos. Je moet die relatie niet isoleren van je dagelijkse bestaan. Het moet geen “egoïsme a deux” worden ( = alleen wij samen).

Het is de bedoeling dat die relatie, als antwoord op de zin van het leven, in je dagelijks leven in­houd krijgt. Het dient door te werken in alle facetten van je bestaan: in je relaties tot de ander, in je werk, in je vrije tijd?, kortom, altijd en overal. ’

Dan leef je in het Konink­rijk van God. Het mooie is dan ook nog dat het je geen geld kost, dat je er niet voor naar de radio hoeft te luisteren, dat je er niet voor hoeft te rei­zen . want het is simpel: God is er, nu en altijd, klaar om zin te geven aan een ieders bestaan.

 

 

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (10)

“Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken” ( 2 Kor. 10:03-04).

 

Het teken dat Kaïn ontving

“En de Here stelde een teken aan Kaïn…” (Gen. 04:15c). Er zijn heel wat uitleggingen over dat teken. Men zegt wel, dat het een soort stempel op het voorhoofd van Kain zou zijn, zodat iedereen zou kunnen zien dat ze deze man moesten ontwijken. Wat is de sleutel? Als God een teken geeft heeft dit in de eerste plaats een heilsbetekenis en in de tweede plaats is het in de regel een mens. Als God Kain een teken geeft, betekent het: Ik schrijf jou niet af. In Jesaja 14 vers 7 (Jes. 14:07) lezen wij: “Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven”. Het teken is hier de zoon. En in Jesaja 8 vers 18 (Jes. 08:18) zegt de profeet: “Zie, ik en de kinderen die mij de Here gegeven heeft, zijn tot tekenen…” In Openbaring 12 vers 1 (Openb. 12:01) staat: “En er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw…”

“En Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf hem de naam Seth, want zeide zij, God heeft mij een andere zoon gegeven in plaats van Abel; hem immers heeft Kain gedood” (Gen. 04:25). Seth is het teken! Zijn naam betekent: ‘de gestelde’ of ‘de gezette’; degene die door God gesteld wordt: de plaatsvervanger. “Want God heeft mij een ander zaad gesteld”. “Een andere zoon gegeven”, staat erin feite ‘ niet. Als er ‘zaad’ staat, moet ook met ‘zaad’ worden vertaald; niet met ‘zoon’. Er staat ook niet ‘gegeven’, maar ‘gesteld’. ‘Zaad’ is juist het woord waar het hele boek Genesis om draait: het ‘zaad van Abraham’ is de plaatsvervanger. Het teken dat God aan Kaïn geeft, is een nieuwe broeder: Seth. Dit is een geweldig stuk evangelie, God zegt : ‘Ik- geef jou een nieuwe mogelijkheid. Je hebt je broeder gedood. Nu heb Ik voor jou een nieuwe broeder’.

“En ook aan Seth werd een zoon geboren, en hij noemde ! hem Enos” (Gen. 04:26a). Letterlijk staat er:’ “Aan Seth, ook hij werd een zoon geboren, en hij riep zijn naam ‘ Enos”. Enos betekent: ‘mens’, in de zin van ‘de zwakke ‘ mens’. Je zou haast kunnen vertalen met: ‘mensje’ (Enosj). Het is hetzelfde woord als in Psalm 8 vers 5 (Ps. 008:005): “Wat is de mens (dat mensje) dat U aan hem denkt”. .

En dan het vervolg van vers 26 – let op.’ -: “Toen begon men de naam des Heren aan te roepen”. Er staat: ‘uit te roepen’. Seth, de plaatsbekleder en zijn zoon Enosj, gaan de naam des Heren uitroepen over Kain en over de zijnen. De plaatsbekleder neemt het op voor de moordenaar. Dit is het geheim, want hier komt een stuk evangelie in werking. Als Kain zijn broeder doodt, zegt God: ‘Ik geef jou een nieuwe broeder’. De rollen worden om gedraaid.

Seth wordt beeld van het volk van God

Kain was beeld van het volk van God en Abel was beeld van de heidenen. Nu wordt Kain beeld van de heidenen, want iemand die zijn broeder doodt, is een heiden. Seth wordt nu beeld van het volk van God. Het heil voor Kaïn ligt in het feit dat Seth hem bij de hand neemt en thuis brengt. De vraag aan Kain is: ‘Wil jij je door Seth bij de hand laten nemen? Als je dit doet, kan je thuiskomen’. Door deze vraag eindigt het verhaal ‘open’.

Het thema door heel de Bijbel heen is: ‘Je kunt nooit thuiskomen. zonder je broeder’. God zegt tot Kain: ‘Ik kan jou alleen maar bereiken via een nieuwe broeder. Je hebt je van je broeder ontdaan en de enige weg tot herstel is, dat je weer leert leven met een broeder. Een andere weg heb Ik niet voor jou; alleen zó kun je waarlijk méns worden’. God zegt niet: ‘Ik ga met jou wel even apart’. Seth is hier de plaatsbekleder.

Zo is ook Jezus Christus de plaatsbekleder geworden. Hij heeft gebeden voor zijn moordenaars: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen’. Jezus is de Broeder, die zijn broeders bij de hand neemt. Hij heeft gebeden voor de ‘Kaïns’.

Ook Stefanus heeft bij zijn steniging gebeden voor de Kains. De jongeman Saulus stond erbij en stemde in met de terechtstelling van Stefanus, maar hij kwam wél tot bekering op het gebed van Stefanus. “Heer, reken hun deze zonde niet toe!” (Hand. 07:60). Toen kwam er een Kain thuis en Saulus werd Paulus.

De lijn door het boek Genesis

We zien een lijn door het boek Genesis. Eerst: Kain – Abel; later: Abraham – Lot: Israël en de heidenen. Abraham bidt voor Lot en brengt Lot thuis. Genesis 14 vers 14 (Gen. 14:14): “Toen Abraham hoorde dat zijn broeder Lot als gevangene was weggevoerd, bracht hij zijn geoefenden in de strijd”. Lot was een neef van Abraham, maar noemde Hem broeder. Verder: Izak – Ismaël. Over Ismaël zijn prachtige dingen te zeggen. Ismaël betekent: ‘God hoort’. Dit is een prachtige naam voor de heidenen. Van Ismaël staat, dat hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen. ‘

Ezau – Jakob. Jakob krijgt het eerstgeboorterecht. Het betekent, dat hij vanaf dat moment voor Ezau verantwoordelijk is. Jakob betekent: ‘vasthouder’. De zegen voor Ezau ligt in het feit dat Jakob hem  vasthoudt. Het hoogtepunt in de geschiedenis van Jakob is de ontmoeting tussen broeders Genesis 33 ). Als je het aangezicht van je broeder ziet, zie je Gods aangezicht.

Jakob zegt in vers 10: “Ik heb uw aangezicht gezien, zoals men het aangezicht van God ziet”. Het doel is ; bereikt: de verzoening tussen broeders. En dan de laatste fase: Jozef temidden van de broeders. Jozef zegt; ‘Ik zoek mijn broeders’. Het hoogtepunt uit het boek Genesis is ongetwijfeld de gebeurtenis waarbij Jozef brood geeft aan zijn broeders.

De lijn loopt door naar het nieuwe testament, naar Jezus, die óók zijn broeders gezocht heeft. Hebreeën 2 vers 11 (Heb. 02:11): “Hij schaamt zich niet hen broeders te noemen”. Als je een ‘gemeente van eerstgeborenen’ bent, betekent het dat je verantwoordelijk bent voor je broeders.

(wordt vervolgd).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Blind zijn en toch zien!

Bij de kassa rekent hij zijn boodschappen af. Zijn witte stok met rode strepen ligt voor hem, naast de tas waar de kassière de boodschappen in doet. Het meisje bij de kassa voelt zich duidelijk onzeker ten opzichte van de blinde man. Ze weet helemaal niet wat ze moet zeggen als hij haar in plaats van een briefje van vijf en twintig een briefje van tien gulden geeft.

De blinde man ziet meer dan het meisje denkt. Hij ziet haar onzekerheid, haar nerveuze blikkén naar de klanten achter hem. Dan legt hij met een – door worsteling – verkregen moed en kracht alles zo open, zodat het meisje uit haar verlegenheid wordt geholpen.

Het meisje kan zien en toch ‘ziet’ ze niet. Ze ziet alleen maar zichzelf in een voor ‘haar onzekere situatie. Ze ziet alleen maar de ogén van andere klanten op haar gericht. Deze vorm van zien geeft geen kracht, maar het tegendeel: on zekerheid.

De man is blind, maar toch ziende. Hij wil zich niet langer in een hoekje laten duwen, van de zielige blinde man. Levenskracht en levensmoed lieten hem overwinnaar worden over angst voor mensen. Angst om ‘vreemd’ gevonden te worden. .. Vaak hebben mensen met goede ogen of oren, meer moeite met blinden of doven dan andersom.

De strijd die deze man moest leveren, was een strijd van blind zijn en toch als ziende gaan leven en functioneren. Dat trof me!

In het Koninkrijk van God kun je ook ziende blind zijn! Je kunt zelfs zo blind fijn, zegt de Heré Jezus, dat je een balk in je ogen hebt. Je kunt het Koninkrijk Gods zien, zoals je door het rijksmuseum loopt. Tjonge wat mooi allemaal, bekering, bevrijding door de kracht van Jezus, herstel van beschadigingen in je ziel. Maar het levert je niets op. Echt ‘zien’ komt pas, als jezelf ten volle leeft in de wereld waarin je gelooft.

Je blind voelen in het Koninkrijk van God, is een gevoel zoals Paulus uitdrukt in zijn brief aan de Korinthiërs: “Nu zie ik nog door een spiegel in raadselen, doch straks zie ik van aangezicht tot aangezicht”. Blind voelen, heeft zoveel te maken met nog niet alles zien, wat je wilt zien. Wij zien nog niet dat Hem alle dingen onderworpen zijn. zegt de Hebreeënbrief. Dat is je blind voelen. Je gehandicapt voelen, omdat je gelooft dat je nog veel meer van de Heer zou kunnen zien en beleven.

Maar dit ‘blind zijn’ mag niet tot gevolg hebben dat we nu maar bij de pakken neer gaan zitten. Ons past dezelfde houding als van die blinde man aan de kassa. Een houding van: ik weet dat Hem toch alles onderworpen is, ik wil dat geloven en beleven, wandelen in dat besef, omdat ik zie op Jezus, met heerlijkheid en eer gekroond! (Heb. 02:09).

Dan ontstaat er een levenslust, een dadendrang, die afrekent met angsten als ‘raar’ gevonden te worden, of: ‘wat zullen de mensen wel van me zeggen?’ Wij mogen staan en wandelen als een ziende. Iemand, die nog niet alles gerealiseerd ziet, maar zijn oog gevestigd heeft op Jezus.

Jezus is de Leidsman en Voleinder van ons geloof. Hij doet ons voorwaarts gaan, veilig aan Zijn hand. Hij doet ons functioneren, ondanks alle tekorten. Hij doet ons overwinnen, keer op keer. Hij maakt blinden ziende!

Helemaal!

 

Bouw je mee aan herstel? Door Liesbeth Seepma

 

De vakanties zijn weer voorbij. Ik hoop dat je een fijne, ontspannen tijd hebt gehad. Een tijd waarin je mocht genieten van het ‘er-eens-even- helemaal-uit-zijn’.

En dan is nu het alledaag­se leven weer begonnen. Het schoolleven. Of het ‘werkleven’. Het leven in je gezin. Het leven van alledag. Het leven, waar­in je je wel eens moet be­geven in een sfeer waar­voor jij persoonlijk mis­schien nu niet direct zou kiezen. Het klimaat op school is namelijk nu een­maal niet altijd zoals jij je het zou wensen, tiet kli­maat op je werk kan soms aan je knagen. Het klimaat thuis kan soms plotseling niet (meer) ‘onder je controle’ zijn. . .

 

Functioneren wij naar de wil van God?

Maar laten we nu eens even positief gaan naden­ken over ons leven van alledag. En als we het hebben over positief den­ken, dan hebben we het – indirect – over onze Schepper. Over een grote, liefdevolle God Die ons met Zijn zorgen wil om­ringen, opdat bij ons dat­gene eruit komt wat Hij in ons heeft’ gelegd, óók als we in ons door de weekse pak rondlopen. Want dat Hij wat in ons heeft gelegd, is iets wat we uit ‘Zijn woord, de Bij­bel, kunnen opmaken. Mag ik je Psalm 84 vers 6 tot en met 8 (Ps. 084:006-008) laten lezen, en wel een vrije, persoon­lijke ‘bewerking’ ervan? Mijn kind, welzalig ben je als jouw sterkte in Mij is, als er in jouw hart gebaande wegen zijn. Wanneer je dan trekt door een dal van balsemstruiken, dan maak je het tot een oord van bronnen. Ook hult Mijn vroege regen het in zegeningen. Je zult voortgaan van kracht tot kracht en je zult voor Mij verschijnen in Sion. Zó wil Ik, dat jij in dit komend seizoen zult functioneren” .  ,

Dit is Gods heilbrengend plan voor jouw en mijn leven! Wordt dit plan, ook in ’t komende seizoen, weer een stukje verder verwezenlijkt? Als ’t aan de Heer ligt wel! Alleen… wij moeten daar wel héél daadwerkelijk zijn! Hoe dan? en gedachten open te stellen gedachten, over ons en onze toe­komst. Door daadwerkelijk te verlangen naar Zijn rijkdom, waarvan Hij zo graag wil, dat het de on­ze wordt. Zullen we daar samen eens op papier over gaan nadenken?

Welzalig ben je, een rijk gezegend jongmens, als je sterkte is in de Heer. Als je je kracht vindt in God, in het leven met Hem. In Psalm 20 vindt je, in vers 8 (Ps. 020:08), de volgen­de uitspraak: “Dezen be­roemen zich op wagens en genen op paarden, maar wij roemen in de naam van de Here, onze God”. ’

Wij roemen – dat wil zeg­gen vinden kracht in de naam van onze God’ en niet zoals de Egyptenaren dat deden, in paarden en wagens. Wat kwamen ze bedrogen uit…

Jezus zegt in Markus 16 vers 17 (Mark. 16:17): “In Mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ . Ook belooft Hij dat alles wat wij bid­den in Zijn naam, ons zal gebéuren (Joh. 14:13-14) . Zo werd de Vader ver­heerlijkt in de Zoon. ‘Je sterkte vinden in God’ houdt in dat je wéét: ‘Met mijn God kan ik staande blijven, met mijn ik het leven aan, God spring ik muur” . Hij is vol van kracht.

En op die kracht mogen wij steunen.

Trouwens, Hij wil dat die kracht ook in óns wordt geopenbaard: ” in Uw’ hand is sterkte en macht, en Gij hebt het in Uw macht, een ieder groot en sterk te maken” (1 Kron. 29:12).

 

God heeft een plan met ons leven

Als je je krachtbron hebt ontdekt, dan durf je ook meer en meer vanuit die

Bron te gaan leven. Met andere woorden: er ont­staan in je hart gebaande wegen, vrijgemaakte we­gen, waarlangs de Heer kan werken. Er ontstaat geloof in en visie op Gods plan voor je leven.

Geloven we in Gods kracht? Hebben we visie op datgene wat de Heer met ons leven op ’t oog heeft? Zien we het plan van God zitten? Als dat zo is, dan komt er ruim­te in de geestelijke wé­reld, zodat de Heer aan de slag kan. Zodat wij, met Hem, kunnen gaan werken aan een intens, Goddelijk leven.

“Wanneer je dan trekt door een dal van balsemstruiken , dan maak je het ( tot een oord van bronnen”. ( Ziehier wat de Heer met { jou van plan is. Namelijk, ( dat jij, als zoon van God ( – van oorsprong ben je dat! – een goed, positief klimaat gaat verspreiden.

Aan het begin merkte ik ; op dat je niet altijd kunt kiezen voor de sfeer waar- in je het liefst zou willen – verkeren. In zekere zin is dat ook zo. Maar jij en ; ik kunnen wél onze eigen sfeer méébrengen! Meer nog: God heeft het zo bedoeld dat wij, met onze , gezindheid vanuit de Heer, : de sfeer positief gaan beïnvloeden! Het is een héél , verschil of je door een gebied met balsemstruiken trekt of door een oord van bronnen. In een Duitse

’ vertaling las ik zelfs: ’tranendal’. Dal waar (nog) onvruchtbaarheid en eenzaamheid heersen. Dal waarop beschadiging zijn stempel heeft gedrukt, dal waar ‘levend water’ ontbreekt.

En dan kom jij. Je neemt Levend Water mee. Dat is immers in je! Jezus zegt ! in Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38):  “Wie in Mij gelooft, gelijk ’ de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”.  In jouw hart zijn die door geloof in gebaande wegen. Dus verandert dat tranendal in een bronnen­oord. Geen dal meer, een óórd. Dat is mooi: jij en ik kunnen zo’n droog, beschadigd dal veranderen in een ‘kuuroord’! Een oord van herstel, doordat zuivere bronnen ontstaan waaruit écht leven vloeit.

En dan belooft de Heer,’ als je in je leven zó bezig bent, dat Hij het door jou ‘ontgonnen’ gebied zal verzadigen, zal ‘na zegenen met Zijn vroe­ge regen, Zijn kennis, ‘ Zijn gedachten, zodat dit herstellingsoord óók nog gehuld zal zijn in zege­ningen. Omgeven zal zijn met het goede, het wel­gevallige en het volkomene, zoals Gods wil is voor elk mensenleven.

Wat een gebied, wat een klimaat zal dat kunnen worden!

Van overwinning tot overwinning  

In Zijn plan beschrijft onze Schepper vervolgens een logisch gevolg van het door Hem bedoelde leven: jij en ik mogen voortgaan van kracht tot kracht. Zó heeft de Heer het voor ons bedoeld. Dit is normaal. We trekken dus niet voort van ‘strui­kelblok tot struikelblok’. Dat is niet normaal.

Maar… hoe kan het dan toch dat wij onze tocht nog wél vaak als zodanig ervaren? Er is één die altijd hindernissen op­werpt en die erop uit is zoveel mogelijk struikel­blokken op onze weg te plaatsen: satan. Maar wij trekken ons van hem niets aan. Uiteindelijk zal hij elk beschadigd tranen­dal moeten prijsgeven. Hij is een overwonnen vijand, overwonnen op het kruis van Golgotha, overwonnen door de eerste, volmaakte mens: Jezus Christus. En daardoor kunnen ook wij hem overwinnen. Paulus schrijft: “Gode zij dank, die ons, de overwinning geeft dóór onze Jezus Christus” (1 Kor. 15:57)

Het is volkomen Gods bedoeling dat wij nu gaan van kracht tot kracht, van overwinning tot over­winning. In 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) staat: “… en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”. Ons geloof, dat Hij, Die in ons is, sterker is dan hij die in de wereld is.

Dan komt de kroon op onze overwinningstocht: we verschijnen voor God in Sion. We mogen Zijn aangezicht zien, Zijn heerlijke aanwezigheid

voelen in Zijn lichaam, de gemeente, in Sion, Als wij met Hem ‘bouwen aan kuuroorden’, dan komt er, logischerwijs, herstel in levens van mensen. En het gevolg daarvan is dat Sion, de “gemeente, wordt gebouwd en uitgebreid. Reken maar dat de Heer ons graag ziet verschijnen!

Hé… krijg jij er óók zo’n zin in om in jouw leven ‘eruit te laten komen wat erin zit’? Ik wel. Heus, ik ervaar zélf dat het allemaal niet één-twee-drie ‘voor de bakker’ is, het versprei­den èn ten goede veran­deren van een klimaat.

Maar laten we wel in die gezindheid ’t komend seizoen tegemoet gaan. En onze Heer ziet ons hart aan. Alleen al om ons vóórnemen tot het ver­spreiden van een positief klimaat zal Hij jou en mij rijkelijk belonen. Samen met Hem zou ons alle­daagse leventje nog wel. eens avontuurlijk kunnen worden!

 

Een verterend vuur door Tea Keuper Dijk

“Want onze God is een verterend vuur” (Heb. 12:29).

Boven dit Bijbelgedeelte (Heb. 12:18-29) staat: Grote verantwoordelijkheid. Het gaat over de heerlijkheid en heiligheid van God en over het naderen tot Hem. Tot het naderen van Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot tienduizenden engelen, tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, tot de geesten der rechtvaardigen èn tot het naderen van Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond (vers 22 tot en met 29).

Dat God een ‘verterend vuur’ is, klinkt onheilspellend in onze oren. Maar wie zijn gééstelijke oren (en ogen) goed open heeft weet dat dit vuur de ongerechtigheden weg doet, alle machten van satan opruimt, want bij God kan geen ongerechtigheid bestaan. Hij, de enkel goede, positieve, liefdevolle en getrouwe God, heeft Zijn Zoon gegeven, zodat ieder, die in Hem gelooft en Zijn verlossingsplan aanneemt, eeuwig leven heeft!

Wanneer we dit als eerste aangenomen hebben, ons laten reinigen van zonden en vervolgens de Heilige Geest als Leraar binnenlaten in ons leven, gaan de verbindingen met satan eraan, ze worden verbroken, afgelegd en uitgeworpen! En Gods vuur verteert hén. Houdt dus geen kwaad vast, leg iets af, zodra de Geest dit duidelijk maakt! En Gods Geest is een liefdevolle Leraar ter gerechtigheid!

Mensen, vast verbonden, willens en wetens, met het kwaad, worden door satan meegesleurd in het vuur. God echter wil elk mens redden door Jezus’ bloed en herstellen naar Zijn beeld!

Dank U, Vader, voor Jezus, die wil verlossen en bewaren door de Heilige Geest!

 

Troost voor verbrijzelden door Wim te Dorsthorst

Heeft God een behagen in verbroken en verbrijzelde mensen? Er zijn altijd christenen geweest – en ze zijn er nog – die menen van wel. Ze bidden en zingen tot de Heer om verbroken te worden. Nu zal de Heer deze gebeden nooit verhoren om de doodeenvoudige reden, dat Hij geen enkel beha­gen heeft in verbroken en verbrijzelde mensen. Daar komt nog bij dat God geen mensen kan verbreken of verbrijzelen, want Hij is in Zijn wezen enkel goed en licht en in Hem is in het geheel geen duister­nis (Joh. 01:05).

Neen, God heeft behagen in mensen die die onbe­rispelijk zijn naar geest, ziel en lichaam, mensen Gods die volkomen zijn, tot alle goed werk volko­men toegerust, leert Paulus (1 Thess. 05:23; 2 Tim. 03:17).

Wat is een verbrijzelde van geest?

De Willibrord-vertaling spreekt van: “het gesla­gen en diep vernederde gemoed”, dat is een mens wiens levensgeest door de duivel en zijn demonen­leger zo verleugent, ver­nederd en geslagen is, dat hij of zij niet meer kan leven naar de inge­schapen wetten Gods. In de levensgeest of de le­vensadem die God de mens inblaast en waar Jesaja hier ook in vers 16 van spreekt, zijn alle levens­wetten, morele en zedelijke normen, ingeschapen. Ook het besef niet op zichzelf staand te zijn, maar verbonden te zijn met God en het verlangen en de behoefte naar het kennen van die God, is . van nature ingeschapen (Pred. 03:01a; vert. Obbink).

Dat is het licht – de Bijbel noemt het ook wel de lamp – waar de mens bij behoort te leven. Het is het Woord Zijner kracht, dat eeuwig stand houdt en waardoor alles in de schepping on­derhouden en gedragen wordt (Ps. 033:011; Heb. 01:03b). Spreuken 20 vers 27 (Spr. 20:27) zegt: “De geest van de mens is een lamp des He­ren, doorzoekende al de schuilhoeken van het hart”. Deze lamp des Heren geeft, vanuit het diepste binnen­ste van de mens, leiding aan zijn hele bestaan.

Hoe de duivel de mens verbrijzeld

Het is juist in de geest van de mens, die God met jaloersheid begeert (Jak. 04:05), waar de duivel zijn vernielend werk wil ver­richten om zo de mens van God te vervreemden. Met zijn horden boze geesten beukt hij op de mens in met leugen, zonde , ‘ziekte, vrome en onreine geesten , afgoderij, occultisme en spiritisme en dooft zo het levenslicht wat in de mens is. Van de goddeloze, dat is de mens zonder God. zegt Johannes 18 vers 6 (Joh. 18:06): “Het licht in zijn tent straalt niet meer, in zijn huis gaan de lampen uit” (vertaling Willibrord). In plaats van dat de mens zou kunnen leven vanuit het ingeschapen levenslicht van God, leeft hij overeenkomstig de loop dezer wereld, zegt Paulus: “De heidenen (de mensen zonder God) leven overeenkomstig de overste van de macht der lucht , dat is de duivel, en ze zijn verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de on­wetendheid die in hen heerst” (Ef. 02:02; Ef. 04:18).

Zo zijn de mensen gepro­grammeerd door de duivel, de overste van deze wereld , en leven ze in een systeem. De mens is verleugent en veelal een gebondene en verontreinig­de. Als hij zijn mond opent, komen daar maar al te vaak de inspiraties van de boze geesten door naar  buiten. Daarom zegt Jezus in Matthéüs 15 vers 18 en 20a (Matt. 15:18-20a): “Maar wat de mond uitgaat, komt uit het hart en dat maakt de mens on­rein. Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk, hoere­rij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslaste­ringen. Dat zijn dingen, die een mens onrein ma­ken”.

De mens is van nature niet een onreine, maar door God zeer goed ge­schapen (Gen. 01:31). Alles wat Jezus opnoemt, is door de inwerking van boze, onreine geesten en die ‘maken’ de mens on­rein. zegt Hij.

Zo zijn alle mensen in meer of mindere mate ver­brijzeld en verbroken of lopen ze, zoals de verta­ling van Willibrord zegt: ‘met een geslagen en diep vernederd gemoed’. God­dank zijn er nog vele mensen die ook nog goede dingen voortbrengen, waarvan Jezus zegt :’ “Want uit de overvloed des har­ten spreekt de mond. Een goed mens brengt uit zijn goede schat goede dingen voort” (Matt. 12:34b-35a).

De verbroken mens is een slaaf

De mens kan op velerlei wijze door de machten der duisternis verbrijzeld en verbroken zijn. Altijd is er wel verleugening, want Jezus noemt de duivel de vader der leugen. Er zijn zondemachten, ziektemachten, geweldgeesten. Maar er is ook een vloedgolf van onreine geesten, die het seksuele leven ont­wrichten en het huwelijk en de huwelijkstrouw tot een ouderwetse aangele­genheid verklaren. God zelf heeft echter het hu­welijk ingesteld en de pro­feet Maleachi zegt bijvoor­beeld: “De Here is getui­ge geweest tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw is. Niet één doet zo. die voldoende geest bezit” (Mal. 02:14-15a).

Het is de verleugende, aangetaste, verzwakte geest, (Maleachi spreekt van ‘niet voldoende geest), die de mens doet handelen zoals wij voor ogen zien. Hét gevolg is nog meer ontwrichte levens, nog meer mensen en vooral kinderen met een geslagen en diep vernederd gemoed, direct of indirect door het rijk der duisternis bewerkt.

Er zijn ook vele mensen die verbrijzeld en verbro­ken door het leven gaan door spiritistische en occulte geesten. Dit zijn de mensen die lijden onder verdrukking en vernede­ring van de vijanden en veelal beheerst worden door angst en depressies.

Helaas zijn er ook velen die een behagen gaan vin­den in het kwade. “Die het kwade goed gaan, noe­men , duisternis voorstellen als licht, die in eigen ogen wijs zijn en in eigen oor­deel verstandig, die voor een geschenk de schuldige vrijspreken en de recht­vaardige zijn gerechtig­heid ontnemen”. Wat Jesaja beschrijft in hoofdstuk 5 vers 18 tot 24 (Jes. 05:18-24) gaat pre­cies in vervulling.

Het verbreken van de werken van satan

Maar God is getrouw en heeft in Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus, het woord uit de profeet Jesaja vervuld en is komen wonen bij de verbrijzelden en nederigen van geest. Altijd was Jezus daar waar de schare was, die de wet niet eens kende, bijvoorbeeld in het duiste­re Galilea der heidenen. Voor de geestelijke leiders van die tijd waren het vervloekten, maar de gro­te proclamatie van Jezus was (en is!): “De Geest des Heren is op Mij, daar­om, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij (God) heeft Mij gezon­den om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het ge­zicht; om ‘verbrokenen’ heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren” (Luc. 04:18).

Hij kwam niet om mensen te verbreken, maar om de verbrokenen weer op te richten en leven te geven! Daartoe was Hij door God gezonden. Het geknakte riet zal Hij niet verbreken en de walmende vlaspit zal Hij niet uitdoven, voordat Hij het oordeel (dat is: scheiding maken tussen de mens en de boze geesten door deze uit te drijven; Matt. 12:28) tot overwin­ning heeft gebracht (Matt. 12:20).

De apostel Johannes schrijft later: “Hiertoe is de Zoon van God geopen­baard, opdat Hij de wer­ken des duivels verbreken zou” (1 Joh. 3:8b).

De apostel Petrus formu­leert het met deze woor­den: “God heeft Jezus van Nazareth met de heilige Geest en met kracht ge­zalfd. Hij is rondgegaan weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” (Hand. 10:38).

Verlossing in en vanuit de gemeente

Nu is deze opdracht en deze taak in handen van de gemeente gegeven. De gemeente gaat volvoeren wat Jezus begonnen is te doen. De gelovigen in de gemeente zijn ook gezalfd met de Heilige Geest en met kracht (Hand. 01:08) en Jezus zegt: “In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven en op zieken zullen zij de handen leg­gen en zij zullen genezen worden” (Mark. 16:17-18).

God heeft opnieuw omge­zien naar Zijn volk en de woorden van Jesaja zijn weer even actueel als bij de openbaring van Jezus Christus. God zegt: “Zijn wegen heb Ik gezien, doch Ik zal het genezen, het leiden en het weer vertroosting schenken, namelijk aan de treurenden ervan” (Jes. 57:18).

Ik merkte al op dat niet iedere verbrijzelde treurt om zijn toestand. Er zijn velen die er zich goed bij voelen en alleen maar be­zig zijn op aarde. Geen wonder dat Jesaja 57 vers 17 (Jes. 57:17) ook spreekt van “om de ongerechtigheid zijner hebzucht”.

Maar aan de treurenden schenkt God genezing, leiding en vertroosting. Hij ziet de harten der op­rechten en brengt ze in gemeenten waar het licht voor hen opgaat. “Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan, hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat” (2 Kron. 16:09). In de gemeente zal door de juiste prediking de verbroken en verlen­gende geest weer opge­richt worden. Er zal bevrijding, genezing en vertróósting zijn door de kracht van de Heilige .Geest, die in onze harten gegeven is (2 Kor. 01:22). En door de goddelijke liefde die er heerst in het huisgezin van God zal er altijd een luisterend oor zijn en eindeloos geduld om het geknakte le­ven weer op te richten.

De herstellers van de toekomst

Zo bouwt Jezus Christus het huis Gods en dat huis zijn wij zegt Hebreeën 3 vers 6. (Heb. 03:06) God zal in de eind­tijd weer wonen temidden van de verbrijzelden en nederigen van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven.

De Heer bouwt de gemeen­te veelal met ‘verbrande stenen’, zwaar beschadig­de mensen, maar zij zullen de herstellers zijn van de toekomst, de zonen Gods, waar de zuchtende en ver­ziekte schepping met reik­halzend verlangen haar uitziet (Rom. 08:18).

De profeet Obadja profe­teerde reeds: “Maar op de berg Sion zal er ontkoming zijn, en die zal een heilig­dom wezen, en het huis van Jakob zal zijn bezit­tingen weer in bezit nemen. Verlossers zullen de berg Sion bestijgen, om over het gebergte van Ezau gericht te oefenen, en het koningschap zal zijn aan de Here”. (Ob. 01:17 en Ob. 01:21). (Obadja 17 en 21).

Zo is er hoop en troost voor de verbrijzelden, want God heeft gesproken: “Ik heb zijn wegen gezien, doch Ik zal het genezen, het leiden en het weer vertroosting schenken, namelijk aan de treuren­den ervan” (Jes. 57:18).

 

Liefde en lofprijs door Tea Keuper-Dijk

Hoe beantwoorden wij Gods liefde?

Liefde is de meest God­delijke eigenschap, die er bestaat. Gods wezen is immers liefde’ Zijn lief­de deed Hem scheppen en daarna alles onderhouden, waf Hij geschapen had. Hij is barmhartig, liefdevol en vol van goedertierenheid.

Hoe kunnen wij nu Gods liefde beantwoorden? God schiep ons met de mogelijk­heid óók lief te hebben. Hij gebood de mensen dan ook: Heb God lief boven alles en de naaste als je­zelf. Jezus herhaalde dit grote gebod later nog eens. Vaderen Zoon wis­ten dat liefde de Goddelij­ke kracht is, die alles overwint!

In het evangelie van Johannes en de brieven van deze apostel worden heer­lijke en duidelijke dingen over de liefde gezegd. Het is goed hierover in Gods Woord te lezen. Een paar teksten: 1 Johannes 2 vers 5 (1 Joh. 02:05): “Wie zijn woord bewaart, in dien is de liefde Gods volmaakt”. 1 Johannes 4 vers 16 (1 Joh. 04:16): “Wie in de liefde blijft, blijft in God”. Ook in Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05) staat iets waar we geweldig veel aan hebben: “En hoop maakt niet beschaamd, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest.

Door Gods Geest kunnen wij liefhebben

Nu is er, doordat alle men­sen gezondigd hebben, moeten ze gewoon doen, beoefenen. Niet opdat het nu eenmaal hóórt of ‘in’ is. Dan doen we het ‘vanuit ons vlees’. Dan kunnen we het beter laten. Maar als de liefde van God ons hart vervult en we het ons bewust worden. dan prijzen we Hem met heel ons wezen!

God verlangt naar onze liefde!

Als twee mensen van elkaar houden, laten ze dit elkaar ook weten. Als ze ver van elkaar zijn door te schrijven of te bellen, als ze elkaar na lange tijd zien (in de verte) door te zwaaien en te roepen. Als ze elkaar na lange tijd weer dichtbij zich hebben door omarming of kussen. Zo verlangt God naar ons. Hij verlangt intens naar onze liefde. Hij begeert onze geest met jaloersheid (Jak. 04:05). We hebben im­mers vaak zo lang geluis­terd naar andere verlei­dende geesten!

Als we ons bewust worden van Gods wonderbare eeuwigdurende liefde, kunnen we Hem te allen tijde prijzen en Hem zeg­gen , dat we Hem toebeho­ren! Ook in moeilijke tij­den. Immers, Psalm 50 vers 23 (Ps. 050:023) zegt: “Wie lof offert, eert Mij en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien”.

“Lofoffers brengen wij aan U in Uw huis, o Heer. En wij brengen aan U: een offer van dankzegging. En wij brengen aan U: een offer van vreugd!”.

 

Dankbaarheid door Tea Keuper Dijk

God, het is fijn

om dankbaar te zijn

ook voor de kleine dingen,

waar ik van kan zingen,

die ik nu zó maar

héél bewust ervaar.

Ik leef vanuit Uw zekerheid

en dat bewerkt mijn dankbaarheid!

 

 

1987.07-08 nr. 283

Levend geloof 1987.07.08 nr. 283

Onze plaats in de hemelse gewesten

“God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om Zijn grote liefde, waarmede  Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden -, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus” (Ef. 2:4-7).

Als leden van de gemeente van Jezus Christus weten wij dat wij door genade een kind van God zijn, dat wij verzoend zijn door het bloed van Jezus en dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten. Toch komt vooral dit laatste bij heel veel christenen nog te weinig of helemaal niet uit de verf, terwijl dit juist de sleutel is tot een vruchtbaar functioneren in het plan van God. Nu is de zekerheid van het ‘kind van God’ zijn bij de meeste wedergeboren christenen wel vaak zo diep verankerd, dat daarover geen enkele twijfel meer aanwezig is. Maar met het ‘geplaatst zijn in de hemelse gewesten’ ligt het vaak heel anders. Wat is daarvan de oorzaak?

We kunnen rustig stellen dat hoofdoorzaak nummer éen is de tegenstand uit het rijk der duisternis. Satan zal alles op alles zetten om ons functioneren in dienst van Gods koninkrijk te beletten. En zolang wij ons niet bewust zijn dat wij in de hemelse gewesten ons domicilie hebben, kunnen wij hem weinig schade berokkenen. Immers daar wordt de strijd uitgevochten, daar wordt telkens weer beslist wie als overwinnaar uit de bus komt. Paulus maakt daarom ook niet zomaar een losse opmerking als hij schrijft dat we de wapenrusting Gods aan moeten doen, “om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels” (Ef. 6:11). En hij vertelt er ook duidelijk bij waarom het in de geestelijke strijd gaat: “Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 6:12). Z

 

Geestelijke geboorte en Geestelijke groei

Het is dus een geestelijke strijd waar we mee te maken hebben, en die kunnen we alleen aan als we geestelijk onze plaats hebben ingenomen in de hemelse gewesten. Wij mogen ons daarom ook niet laten afremmen door de vijand, die wil beletten dat we deze geestelijke plaats innemen. Na de geestelijke (weder) geboorte behoort de geestelijke groei te volgen. Als in natuurlijk opzicht ‘groei’ een vanzelfsprekende zaak is, hoeveel temeer in geestelijk opzicht!

Deze geestelijke groei met als positief gevolg dat we te allen tijde de dingen geestelijk zien – begint met de doop in de Heilige Geest. De Heilige Geest wijst ons de weg naar de volle waarheid en bewaart ons er voor dat we zij- en dwaalwegen opgaan, want door de Heilige Geest gaan we de dingen geestelijk zien en beoordelen. Maar daarbij is het wel belangrijk dat onze geest meer en meer een éénheid gaat vormen met de Heilige Geest. Als we de doop met de Heilige Geest alleen maar zien als een soort ‘ervaring’ blijft ons geestelijk denken, spreken en handelen toch min of meer achterwege en komen we ook nooit tot volle doorbraak in de geestelijke wereld (de hemelse gewesten).

Wat een bemoediging en houvast geeft overigens het feit dat Jezus zelf ons in dit opzicht tot voorbeeld is en de weg voor ons heeft gebaand. Toen Hij nog lichamelijk op aarde was, sprak Hij over zijn heengaan met de woorden: “Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt waar Ik ben” (Joh. 14:3). Daardoor kon Paulus later aan de Efeziërs schrijven dat we door ons geloof in Jezus, niet alleen levend gemaakt zijn met Hem, maar ons ook  mede een plaats is gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus. In het begin van zijn brief had hij zijn dankbaarheid hierover reeds uitgesproken met de woorden  “Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus” (Ef. 1:3).

 

Waarom onze plaats in de hemelse gewesten is

De geestelijke rijkdom die wij ontvangen hebben in Christus Jezus, is met geen pen te beschrijven. Het kan ons alleen maar in dankbaarheid doen uitroepen: ‘Hoe groot en hoe goed bent U!’ En dan te bedenken dat het niet voor een enkeling bestemd is, maar voor al Gods kinderen. “In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anders zou Ik het u gezegd hebben”, sprak Jezus (Joh. 14:2a). Bij God is geen woningnood. Er is plaats voor ieder! Vraag uzelf eens af of u uw geestelijke woning in de hemelse gewesten reeds hebt betrokken. Of blijft u nog buiten bivakeren? God wil zijn doel met ons leven bereiken, maar dat gaat niet buiten de richtlijnen die Hij gesteld heeft om. Zijn plan is een volmaakt plan, ook voor ons persoonlijk leven. Daarom is onze plaats daar waar ook Christus is: m de hemelse gewesten. Daar mag niemand ontbreken, want bij Gods plan tot herstel van zijn schepping is de gehele gemeente betrokken. Door middel van de gemeente zal aan de overheden en de machten de veelkleurige wijsheid Gods bekend worden gemaakt (Ef. 3:10). En door middel van de gemeente zal in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van de genade van Christus getoond worden (Ef. 2:7a).

  1. J. R. Doornink

 

Verlost van de toorn door Evert van de Kamp

 

In het Oude en Nieuwe Testament wordt veel gesproken over de toorn van God. Dat klinkt dreigend, beklemmend. Bij menigeen roept dat het beeld op van de ‘God der wrake’, een angstig spookbeeld. Velen zijn werkelijk beangst. Voor anderen heeft deze ‘God’ afgedaan. Een God mét in zich het karakter van toorn, het wezen van wraak, hoeft voor hen niet (meer).

Trouwens steeds meer op­rechte christenen weten met het begrip ‘de toorn van God’ en notabene ‘de toorn van het Lam’ (Openb. 6:17) geen raad. Zou het een uitdaging voor ons kunnen zijn om te proberen daar, vanuit het ‘Volle Evangelie’, ver­andering in aan te brengen?

 

De uitdaging van het volle evangelie

Maar bij het horen of zien van de naam ‘Volle Evan­gelie’ gaan bij vooral heel wat medechristenen de stekels nog omhoog. Men vindt de mensen die daar­bij zijn zo sektarisch, overdreven, dweepziek, aanmatigend, irritant en soms zelfs belachelijk. Ze weten het immers altijd beter dan een ander. Ze menen wérkelijk de wijs­heid in pacht te hebben.

Dit oordeel is bepaald niet vleiend. En niet altijd ten onrechte. ‘Volle Evangelie christenen’ kunnen, net als anderen, ongelofelijk naïef, star en bot reageren. De naam ‘Volle Evan­gelie’ is een besmeurde naam geworden. Helaas! Er zijn er die deze ’titel’ daarom maar laten schie­ten. Zij tooien zich liever met een naam, die minder weerstand oplevert. Jam­mer, een beetje smaad kan heus geen kwaad. Maar bovenal is het spijtig dat de uitdaging die er van uitgaat, zo verdwijnt.

Het Volle Evangelie kan nooit betekenen dat men het daar alleen weet, of beter zou weten dan wie , ook. Geen sprake van. Maar het Volle Evangelie betekent wel dat men zich daar ten volle en steeds weer opnieuw wil inzetten om de ware geestelijke betekenis van elk woord van de Bijbel als Woord van God boven water te krijgen. En – dat is nog belangrijker – wil praktiseren.

De gemeente van Christus mag zonen Gods gaan voortbrengen. Zoals Jezus on do apostelen het Woord van de Schrift verstonden door de Geest van God, willen wij nu ook wij net als zij de doop met de Heilige Geest ontvangen hebben, in datzelfde spoor’ verder gaan. Dat is Pinksteren, een uitda­ging voor en van het Vol­le Evangelie. Een appèl om te leven en te strijden naar de geestelijke regels van het evangelie. (2 Tim. 2:5).

 

¿Wat is de toorn van God?

Zo willen wij ook de gees­telijke betekenis vatten van het Bijbelse begrip ‘de toorn van God en van het Lam’, dat telkens weer zoveel tongen in beweging brengt. Het gaat om de vraag: Wat is de toorn van God? Als God in zijn wezen enkel goed is, enkel liefde is, hoe hanteert God die toorn dan? Of doet een bron soms uit dezelfde ader zoet en bitter water op wellen? (Jak. 3:11).

Met andere woorden: Is in God de volmaakte liefde, maar ook het element van de wraak aanwezig? Is God er op uit om wraak te nemen op de mens die maar niet naar Hem wil luisteren? In de trant van: ‘Je luistert niet naar Mij, goed dan krijg Ik je wel’.

Nee, zo is het niet. In 1 Timótheüs 2 vers 4 (1 Tim. 2:4) staat onomwonden dat het de wil van God, onze Heiland, is dat alle, mensen behou­den worden en tot erken­tenis der waarheid komen. Maar het is wel zo, dat God nooit en te nimmer in het kwade mee kan gaan of komen. Al het boze en kwade is Hem volstrekt en volkomen vreemd. “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”, zegt 1 Johannes 1 vers 6 (1 Joh. 1:6). Krachtens zijn wezen is Hij werkelijk enkel goed en heeft Hij geen enkele gemeenschap met enige vorm van kwaad of onge­rechtigheid. Het is in Hem niet!

Door de beïnvloeding van de satan kwam de mens tot zonde. Tot afval van God. De mens trad eigen­willig in gemeenschap, in contact met de machten der duisternis. Vanaf dat moment, die val, richt God zich tegen alle boze geesten, die onder andere tot zonde verleiden, ziek maken, etc.

Dit beeld van de Vader heeft Jezus ons duidelijk getoond. Jezus toonde het immer bewogen hart van de hemelse Vader voor elk mensenkind. De instelling van Christus was de mens te scheiden van de machten: ziekte- machten, zondemachten, doodsmachten, onreine geesten, etc. De evange­liën staan er vol van.

De apostel Petrus zou later van de Heer getui­gen: “God heeft Hem met de Heilige Geest en met kracht gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” (Hand. 10:38). En Jezus gaf zijn volgelingen dezelfde opdracht mee. (Luc. 10:1-20).

Niet de mens, maar de duivelse en demonische geesten heeft God voor eeuwig verworpen. Zij vormen zijn toorn, zij zijn Gods gramschap. De mens is geen voorwerp van Gods toorn. Onze God is ook geen God die mensen van eeuwigheid voorbe­schikt tot een eeuwig ver­derf.

De mens kan wel voorwerp van die toorn worden door de volkomen identificatie, de vereenzelviging met de boze geesten. Zo lezen wij in Efeziërs 5 vers 6 (Ef. 5:6): “Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoor­zaamheid. Doet dan niet met hen mede”. En in Kolossenzen 3 vers 5 en 6 (Kol. 3:5-6) lezen wij: “Doodt dan de leden die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeer­ten en hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, om welke dingen de toorn Gods komt”. Zie ook 1 Thessalonicenzen 2 vers 15 en 16 (1 Thess. 2:15-16).

In Romeinen 1 vers 18 (Rom. 1:18) schrijft de apostel Paulus: “Want de toorn van God openbaart zich van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtig­heid ten onder houden”. Dan geeft God de mens prijs, Hij kan niet anders, aan de duistere machten die hij dient. Ananias en Saffira kwamen letterlijk om door de boze geesten die zij dienden (Hand. 5:1-11). Zij raakten in de vernieling door het geweld van de toorn, de duistere machten. Een geestelijke wet trad in werking. In hun goddeloosheid, het willens en wetens ingaan tegen het werk van de Heilige Geest, worden ze overgelaten aan de mach­ten , die zich als de toorn van God openbaren. Geweldgeesten blazen bij hen hun laatste adem uit.

In Efeziërs 2 vers 2 (Ef. 2:2) spreekt de apostel over een wandel overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die thans werkzaam is in de kinde­ren der ongehoorzaamheid. Door zo te handelen haalt een mens zelf de toorn van God, de boze geesten dus, over zijn leven heen. En in zijn weerbarstigheid en onboetvaardigheid van hart hoopt de (ongehoor­zame) mens zelf de toorn op tegen de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oor­deel Gods (Rom. 2:5). God wil dat niet en doet dat dan ook niet. Het is de mens zelf die zich mee laat slepen door de sata­nische machten en zich zelf stelt onder de toorn.

 

Van nature kinderen des toorns

Paulus schrijft in Efeziërs 2 vers 3 (Ef. 2:3): “Wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns”. De belijdenis van velen is nu dat ieder mens in zonden ontvangen en geboren wordt. Door de val van Adam en Eva is de menselijke natuur vol­komen verdorven. Dat is de mens zijn erfdeel van Adam af (Heidelberger Catechismus: zondag 3). Men leert dat de mens aan de toorn van God is on­derworpen vanwege de aangeboren zonde. Van nature of door de natuur is dat zo vanaf de geboor­te. Dat zou betekenen dat elke menselijke persoonlijk­heid al bij voorbaat krach­tens zijn geboorte verdor­ven zou zijn. In die lijn blijft de mens zondaar tot zijn dood, alsof Christus niet voor de zonde gestor­ven zou zijn.

Ik denk dat God met die uitdrukking ‘van nature’ iets anders bedoelt. Ik denk dat wij mogen spre­ken van een bijna hélaas vanzelfsprekende gang van zaken. De mens wordt immers geboren in een duistere, boze wereld. Hij ziet het ‘licht’ in een we­reld die in het boze ligt. Van die wereld, zegt Je­zus , is de duivel de over­ste en hij wordt buiten geworpen. (Joh. 12:31). Daardoor komt er een natuurlijke ontwikkeling op gang, een groei- en ont­wikkelingsproces waardoor de mens een kind des toorns, wordt.

Hij is het niet, hij wordt het door de niet aflatende pressie en de vele ver­leidingen van de machten van satan. En dat duivel­se” proces wordt pas door­broken als de mens zich over laat zetten uit de heerschappij van de duivel in het Koninkrijk van de Zoon van de liefde van God (Kol. 1:13). Wie zich niet laat overzetten en dus tegen de wil van God ingaat, blijft onder de toorn, onder de macht van de boze (Joh. 3:36).

Het is enorm heerlijk dat de Heer deze geestelijke inzichten heeft gegeven. Waar wij weet hebben ge­kregen van het verzoe­ningswerk van de Heer Jezus, geloven en ervaren wij dat de toorn van de zonde weg is. We onder­scheiden door de Geest zelf waar het op aan komt en maken scheiding tussen geod en kwaad. In 1 Thessalonicenzen 5 vers 9 en 10 (1 Thess. 5:9-10) staat een woord dat wij de duivel voortdurend voor mogen houden: “God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot het verkrijgen van zaligheid door onze Heer Jezus Christus, die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij wij wa­ken, hetzij wij slapen, tezamen met Hem zouden leven”. Daar houden wij ons aan vast. Wij willen het einddoel des geloofs bereiken, dat is de zalig­heid der zielen.

(1 Petr. 1:9).

 

Jezus behoudt en verlost van de toorn

“God bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Chris­tus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is”. Dit schrijft Paulus in Romeinen 5 vers 8. (Rom. 5:8) En dan vervolgt hij in de verzen 9 tot en met 11 (Rom. 5:9-11): “Veel meer zullen wij der­halve thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn. Want als wij toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behou­den worden (van die toorn), doordat Hij leeft; en dat niet alleen, maar wij roemen zelfs in God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben”.

Gerechtvaardigd door het geloof in Jezus Christus valt er een heel brok – toorn weg aan pressie en verleiding van boze gees­ten. En is er nog wat, dan mag een mens vrijge­maakt worden van de duistere machten. Maar ook daarna, na verzoening en vrijmaking, probeert de boze de mens opnieuw in zijn macht te krijgen en te houden. Op alle mo­gelijke en onmogelijke ma­nieren tracht de satan de innerlijke mens, de gees­telijke mens, aan te tas­ten. Welnu, dan mogen wij weten dat wij ook daarvan. behouden kunnen worden^ door Jezus doordat Hij leeft. “Hij kan volkomen behouden wie door Hem – gerechtvaardigd door het geloof – tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten” (Heb. 7:25).

Dat kost strijd. De gees­telijke strijd gaat altijd door. Het is tot God gaan, naar Jezus toe en je be­houdenis blijven bewerken. Je kunt niet apathisch aan de kant blijven staan en lijdelijk toezien hoe de duivel huishoudt. (Filip. 2:12-13). Maar in die strijd behoudt de Heer Jezus zelf je van de toorn, de duistere geesten. Is dat niet machtig?

 

Tenslotte: Jezus verlost ook van de komende toorn! (1 Thess. 1:10). In zijn boek: “Bijbelse woorden en hun geheim” noemt Pop dit de eschatologische toorn. In het laatste bijbelboek: “De Openbaring van Johannes” wordt daar veel over gesproken. Je leest dan meermalen: “De toorn Gods is gekomen” (Openb. 6:17; Openb. 11:18, etc.).

In de laatste tijd overstro­men zware en felle mach­ten der duisternis de aar­de. Gods volk mag ook dan rekenen op Gods be­scherming. De Heer zelf zal zijn gemeente op mach­tige wijze onderhouden, beschermen en leiden. (Openb. 12:14). Haar zelfs meer en meer inschakelen bij de strijd die leidt tot de ondergang van het rijk der duisternis.

Voor elke situatie en voor elke tijd geldt: “Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen. Ik zeg tot de Here: mijn toevlucht en mijn vesting, mijn God, op wie ik vertrouw” (Ps. 91:1-2).

 

 

 

Vruchtdragen

“Want in die hoop’ (de verlossing van ons lichaam) zijn wij behouden. Maar hoop, die gezien wordt, is geen hoop, want hoe zal men hopen op hetgeen men ziet? Indien wij echter hopen op hetgeen wij niet zien, verwachten wij het met volharding” (Rom. 8:24-25).

Romeinen 8 vers 18 tot 30 (Rom. 8:18-30) gaat over de hoop, de verwachting van Gods kinderen. De wereld werd door de zonde onderworpen aan de vruchteloosheid. God had haar tot vrucht dragen geschapen. Tot zichtbare natuurlijke vruchten: mensen, dieren, planten, bloemen én tot ‘onzichtbare’ vruchten van de ménsen, Gods beelddragers: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid. gerechtigheid, geduld, die zichtbaar zouden worden in hun leven op aarde.  Door Gods Geest, die Hij te allen tijde wil geven aan wedergeboren kinderen van Hem, is het weer mogelijk, de vruchteloosheid van de schepping te ontkomen. Door verbintenis met Gods Geest brengen we weer vruchten voort, die de bekering waard zijn!

Hoe meer mensen dit gaan doen, hoe meer zij in gemeenschap met God gaan leven, des te meer komt God tot zijn doel: de volmaakte schepping, zoals Hij die altijd heeft gewild en nog wil. Ons lichaam en het gehele lichaam van Christus, zijn gemeente, verlost van de vruchteloosheid en klaar om geopenbaard te worden. Het is al in werking en.we verwachten het verder met volharding!

Vader, dank U voor Uw verlossingsplan. Voor Uw geloof in Uw schepping!

Tea Keuper Dijk

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (9)

De geboorte van Kaïn en Abel

“En Eva werd zwanger en baarde Kam; en zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man verkregen” (Gen. 4:1b). Letterlijk staat er: ‘Ik heb met de Here een man verworven’. Het woord ‘hulp’ staat er niet. (‘Ik heb verworven’: qaniti).

“Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel werd schaapherder, Kaïn landbouwer” (Gen. 4:2). Letterlijk staat er: ‘Zij ging voort met baren zijn broeder Abel’. Er wordt heel nadrukkelijk vermeld dat het ‘zijn broeder’ is. Het lijkt een overbodige opmerking, want als Eva voortgaat met baren, is de volgende zoon automatisch de broeder van de eerste zoon. Het woord ‘zijn broeder’ krijgt het accent, want het gaat om: Hoe leef je als broeders?

De naam Abel is in het Hebreeuws: Hebhel. Het betekent: ijdelheid. Het is hetzelfde woord waar het boek Prediker mee begint: IJdelheid der ijdelheden. Hebhel betekent oorspronkelijk: damp, ijle damp.

We zien hier twee figuren naast elkaar. Wij zullen dit in het boek Genesis steeds weer tegenkomen. De ene figuur is vertegenwoordiger van het volk Israël; de andere figuur is vertegenwoordiger van de heidenen. Hier is  Kain beeld van het volk Gods en Abel beeld van de heidenen. Het is ook een verklaring voor teksten, zoals ‘de heidenen volgen ijdelheid’. Jeremia 2 vers 5b: (Jer. 2:5)”Zij zijn het nietige nagelopen”. Hier staat het woord Hebhel: damp. De afgoden worden slechts met het ene woord ‘damp’ getypeerd. Psalm 94 vers 11 (Ps. 94:11): “De Here kent de gedachten der mensen: ijdelheid (damp) zijn zij”. Er zijn nog meer teksten te noemen waarin dit woord voorkomt. In Gods ogen zijn de heidenen met hun afgoden: damp.

Kain is beeld van het volk Gods, omdat hij de oudste is en verantwoordelijk gesteld voor zijn broeder. Een grondregel is dat ‘eerstgeborene zijn’ een verantwoordelijkheid is. In het boek Genesis draait alles om de eerstgeborene. De eerstgeborene is: één voor allen. Hij wordt aangesproken en moet een weg gaan, met het oog op allen. Paulus zegt in Romeinen 8 vers 29 (Rom. 8:29) dat Jezus de Eerstgeborene is onder vele broeders. Jezus nam het op voor zijn broeders en deed precies het omgekeerde van wat Kain deed. Van Ezau staat dat hij het eerstgeboorterecht verachtte. Het kon hem niet schelen en hij wilde ook de verantwoordelijkheid niet dragen. Hij schudde die van zich af.

Kain en Abel kregen allebei een beroep (vers 2b). Abel werd schaapherder; een typisch heidens beroep. Kain werd landbouwer. Letterlijk: ‘Kain werd dienaar van de aardbodem’. Dit is hélemaal in overeenstemming met de scheppingsopdracht. Kain zit nog in de lijn van de oorspronkelijke mens.

 

De offers (gaven) van Kaïn en Abel

“Na verloop van tijd nu bracht Kain van de vruchten der aarde aan de Here een offer” (Gen. 4:3). ‘Na verloop van tijd’ is erg vrij vertaald, terwijl het woord ‘offer’ in feite ‘gave’ moet zijn. Helemaal letterlijk vertaald, staat er: ‘Hij bracht een toeleiding aan de Here’. Dus hij leidde iets naar God toe, van de vruchten van de adamah. De adamah speelt een belangrijke rol in dit hoofdstuk.

“Ook Abel bracht er één, van de .eerstelingen van zijn schapen” (Gen. 4:4). De eerstelingen waren altijd voor God. Het is beeld van de heidenen, die de werken der wet in hun hart geschreven hebben. Wat later in de thora gezegd wordt, doet Abel al, terwijl er nog geen thora is: de eerstelingen zijn voor God. Het gaat hier om een gave. Vers 4b zegt dat het ‘van hun vet’ is. ‘Al het vet is voor de Here’, is ook een principe (Lev. 3:16b).

“En de Here sloeg acht op Abel en zijn gave, maar op Kaïn en zijn gave sloeg Hij geen acht”

(Gen. 4:4b-5). Het verschil wordt in het vervolg openbaar: “Toén werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok (vs.5b).

Letterlijk: ‘Kaïn ontstak ten zeerste en zijn aangezicht viel’. Uit de toorn blijkt dat Kaïns houding niet goed was. Zijn motivatie deugde niet. Blijkbaar heeft hij zijn gave aan God gebracht om bij God in een goed blaadje te komen. Toen hem dit niet lukte werd hij zeer boos.

Het Hebreeuws werkt heel sterk met lichaamsdelen. Het aangezicht is de spiegel van het wezen van de mens. Denk maar aan het leven ‘van aangezicht tot aangezicht’. Als je aangezicht ‘valt’ betekent het, dat je de communicatie verbreekt. Je kijkt de ander niet meer aan. Het ‘verheffen van het aangezicht’ is het contact, de communicatie,. Daarom staat er in de zegen van Num. 6:26: “De Here verheffe zijn aangezicht over u”?

Het is zo mooi dat God nog steeds het gesprek met Kain zoekt. “En de Here zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken en waarom is uw aangezicht gevallen? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt?” (Gen. 4:6-7). God zegt: ‘Kain, je mag je aangezicht opheffen. Je mag leven met open vizier: van aangezicht tot aangezicht’. ‘Goed handelen’ is: handelen in overeenstemming met de schepping. ‘Goed’ is het woord uit Genesis 1. “Maar indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte (toewending) naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen” (vs.7b). Op dat moment was de zonde nog buiten. Kai’n kon nog kiezen en over de zonde heersen.

 

Kaïn kende niet met zijn hart

“Maar Kai’n zeide tot zijn broeder Abel: (Laten wij het veld ingaan). Toen zij nu in het veld waren, stond Kai’n tegen zijn broeder Abel op en doodde hem” (Gen. 4:8). Wat Kai’n sprak, staat er niet. De vertaler heeft ingevoegd: ‘Laten wij het veld ingaan’. Het staat ook tussen haakjes. Het staat niet in de grondtekst.

‘Opstaan’ is in de Bijbel een zeer belangrijk woord. Als een mens opstaat, is het altijd ten goede of ten kwade. Je staat op ten behoeve van je broeder, óf je staat op ten koste van je broeder. Als Jézus opstaat, staat Hij op ten behoeve van zijn broeders. Een mens staat nooit op voor zichzelf. Kai’n is de eerste mens die opstaat, maar hij staat op tégen zijn broeder. Het loopt uit op de dood, want Kai’n doodt Abel.

“Toen zeide de Here tot Kai’n: Waar is uw broeder Abel?” (vs.9a). God vraagt aan de mens: ‘Waar is uw broeder?’ Kai’n was de eerstgeborene; dus, de verantwoordelijke. “En hij zeide: Ik weet het niet” (vs.9b). Letterlijk: ‘Ik heb niet gekend’. Het is merkwaardig dat Genesis 4 begint met: Adam kende; Eva; en Kaïn zegt: ‘Ik heb niet gekend’. Er staat niet wat hij niet gekénd heeft, maar je kunt heel goed de gedachte invullen: ‘Ik heb Abel nooit gekend’. Kain heeft in wezen zijn broeder nooit als broeder gekend. Kain had geen hartskennis. ‘Kennen’ is in de Bijbel altijd een ‘kennen met het hart’.

“Ben ik de bewaarder van mijn broeder?” (vs.9c). Hier komt het woord ‘bewaren’ weer terug. Zoals Adam de hof moest bewaren en de cherubs de weg tot de hof moesten bewaren, moest Kain zijn broeder bewaren. De Bijbelse leer over de mens is, dat hij de bewaarder van zijn broeder is. Kain stelt meteen de kernvraag: ‘Ben ik de bewaarder van mijn broeder?’ Het Hebreeuws kent het woord ‘ik’ met veel nadruk. Je zou het haast dubbel moeten vertalen, met: ‘ik, ik?’ Normaal hoeft het Hebreeuws het woord ‘ik’ niet te gebruiken. Het zit dan in de uitgang van het werkwoord. . Als het met nadruk gezegd moet worden, zegt men ‘ani’. Met nog meer nadruk, wordt de langere vorm ‘anokhi’ gebruikt. Dus ‘De bewaarder van mijn broeder, ik?’ (anokhi).

“En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan?” (vs. 10a). Er staat eigenlijk: ‘Wat hebt gij gemaakt?’ ‘Maken’ is het woord uit het scheppingsverhaal. God maakte alles. Nu zegt God tot Kain: ‘Wat hebt gij gemaakt?’

Vers 10b, letterlijk: “De stem van het bloed van uw broeder dat schreeuwt tot Mij van de aardbodem”. Het bloed heeft een stem. Er is één ding waar de aardbodem niet tegen kan: tegen het vergoten bloed. De aardbodem kan één ding niet dragen: broeders, die niet als broeders leven. Daar bezwijkt de aarde onder.

Er staat, als gevolg, want God stelt een feit vast: “En nu, vervloekt zijt gij, wég van de aardbodem” (vs.11). Met andere woorden: ‘Als jij geen broeder wilt zijn, kan de aardbodem jou niet meer dragen; dan ben jij een vervloekte’. Je kunt ook vertalen met: ‘een vervloekte ben jij’.

 

Het bloed heeft een stem

“En nu, vervloekt zijt gij, wég van de aardbodem, die zijn mond heeft geopend (opengesperd), om het bloed van uw broeder uit uw hand te ontvangen. Wanneer gij de aardbodem dienen zult, dan zal hij u zijn kracht niet meer geven; zwervend en zwalkend zult gij op de aarde worden. (Er staat in het Hebreeuws een alliteratie. Dit moet in de vertaling ook tot uiting komen: ‘zwervend en zwalkend’). En Kain zeide tot de Here: Te groot is mijn schuld om te dragen” (Gen. 4:11-13).

Kain spreekt nog steeds tot God. Ik geloof dat wij Kain vaak te gauw hebben afgeschreven. Het verhaal eindigt met een ‘open slot’. In het Hebreeuws staat er: ‘Te groot is mijn verwrongenheid om te dragen’. Hier zit het woord ‘verdraaien’ in.

“Zie, Gij hebt mij deze dag verdreven van boven het aangezicht van de aardbodem” (vs.14). De aardbodem heeft ook een aangezicht en is niet zomaar een voorwerp waarmee je doen kunt wat je maar wilt. Als Kain verdreven wordt van boven het aangezicht van de aardbodem, dan heeft de aarde in feite voor Kain geen gezicht meer. Alles wordt onpersoonlijk.

Verder lezen wij in vers 14: “…en ik moet mij voor Uw aangezicht verbergen”. Of; ‘Ik moet voor Uw aangezicht verborgen zijn’, “…zwervend en zwalkend zal ik worden op aarde. En het zal geschieden, al wie mij vindt, zal mij doden”. ‘Het zal geschieden’ staat ertussen. Kain ziet het, als het ware, als een dreiging aankomen.

Maar nu komt het mooiste punt van het verhaal! “En de Here zei tot hem: Geenszins, al wie Kain doodt, wordt zevenmaal gewroken. En de Here stelde een teken aan Kain, dat niemand die hem zou vinden, hem zou slaan. Toen ging Kain weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod ten oosten van Eden”. (Letterlijk: ‘Kain ging uit van voor het aangezicht des Heren en hij ging zetelen in het land Nod, ten oosten van Eden’). (Vs.15-16).

Wat was nu het teken dat Kain ontving? Daarover in de volgende aflevering.

 

Intermezzo Oma is bij de beweging!

Oma is bij de beweging! Tja, voor de familie een bedenkelijke zaak. Bij de beweging, dat hoort zo apart. Ze gaat er bijna iedere woensdagavond heen. Heel geheimzinnig, zo’n beweging!

Nee, oma is niet aan het bewegen op een avond van de bejaardengym. Dat zou op haar leeftijd heel wat aannemelijker zijn geweekt. Ze is ook niet beland in een actieve bejaarden vrouwen beweging, die alsnog voor hun rechten willen vechten.

Oma komt in een heel andere beweging. Een beweging van de Geest van God. Iedere woensdagavond komen ze bij elkaar, oud en jong, om God te zoeken, door Woord en Geest. Om Hem te aanbidden met hun leven en wezen. Daar zit oma tussen en ze geniet, iedere woensdagavond weer. God is immers in hun midden.

Oma is bij het ouder worden niet vast komen zitten in haar hoge leeftijd, ze is al 83 jaar! Ze denkt niet: ‘Ik ben van een heel andere tijd, een heel andere generatie’. Nee, oma beweegt zelf mee. Laatst kwam ze met haar moeite naar voren om hardop te kunnen bidden. Ze durfde het gewoon haast niet. Maar ze had altijd goed opgelet, en zo begrepen en ervaren, dat waar de Geest van God is, daar is vrijheid. Ook vrijheid om wel hardop te kunnen bidden.

Ze had zichzelf niet gesust met de gedachte, dat ze het nog nooit gedurfd had. Nee, oma zat in beweging, of beter: er zat beweging in oma! Anders dan op de bejaardengym, wordt geoefend of bij de vrouwenbeweging wordt gestreden.; oma beweegt zich in de Geest. Vanuit de geestelijke wereld, verbonden met haar God mag ze zich bewegen en haar rechten opeisen, vrij zijn als kind van God!

Het gevolg bleef na gemeenschappelijk gebed dan ook niet uit. Oma durfde weer te bidden. Meer dan eens sprak ze vrij uit tot haar Heer. Oma is een voorbeeld van beweging en dat is ons allemaal veel waard.

Het is niet alleen: ‘Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’. In Gods beweging geldt met evenveel kracht – en dit ter bemoediging van alle oudere gelovigen – : Hij, doet ook opa’s en oma’s jong en fris zijn in hun ouderdom. Ook zij hebben de toekomst!

Gerry Velema

 

Wat lezers schrijven:

 

“Levend geloof” tot zegen in Suriname

“Ik groet u in de Naam van onze Heer en Heiland, Jezus Christus. Ik ver­blijd mij te allen tijde in de Here die mij genadig is. Ik verblijd mij ook over het feit dat Hij mij in Nederland een stel fijne broeders en zusters gaf.

U kunt zich misschien niet voorstellen hoe ver­heugd en dankbaar ik ben dat u mij tot op heden toe nog steeds het blad “Levend Geloof” gratis toezendt. Ik schreef u een hele poos geleden, dat ik u geen geld kan overmaken, van­wege de deviezenproblemen alhier. Zelfs de eerste levensbehoeften zijn schaars. Maar persoonlijk ben ik God dankbaar dat Hij steeds heeft voorzien. Ik ben voorganger in een gemeente van Haïtiaanse gastarbeiders. Ze zijn hier een soort tweederangs­burgers. Maar ze weten door het Woord dat ze in Gods hart een plaats heb­ben gevonden als Konings­kinderen door het offer van onze Heer Jezus.

Nogmaals heel hartelijk dank voor het blad. De artikelen zijn me tot grote zegen en ik mag u nog meedelen dat ik regelmatig Bijbelstudies in onze gemeente geef, gebaseerd op artikelen uit “Levend Geloof” .

  1. Rickets, Paramaribo.

 

¿Wat mag God van ons verwachten?

Het artikel “Wat mag God van ons verwachten?” (van Peter Hagendoorn in nr. 279), vond ik zeer goed. Een duidelijk gegeven waarom misschien gebeden niet verhoord worden. Vooral de vraag: Maar hebt u zich wel eens af­gevraagd, of er voor God een reden is om speciaal aandacht te schenken aan uw gebed? Kortom een frisse Bijbelse benadering en bijbels gezien zeer juist. Kort maar krachtig!

Er staat immers: indien Mijn woorden in u blij­ven, ‘vraagt wat gij- wilt.. (Joh. 15:7). Dus pas als Zijn woorden in ons blij­ven, kunnen wij vragen wat wij willen. Meestal hanteert men alléén het tweede gedeelte van de tekst en komt men gees­telijk in de problemen” .

  1. Scholten, Enkhuizen.

 

Welke rol speelt ons gevoel?

“In “Levend Geloof” nr. 280, vraagt u om een reactie op het artikel / van Tea Keuper: “Welke rol speelt ons gevoel?”. Wel, ik was blij met dit artikel omdat juist zaken waarover Tea Keuper schreef, dikwijls – ten onrechte – bijzaken worden genoemd en ook als zo­danig worden beschouwd. Ik hoop dat Tea Keuper – en mogelijk ook andere redactieleden – in de ge­legenheid zal zijn om meer van dergelijke goed onderbouwde en daardoor opbouwende artikelen te verzorgen. Dat de wijs­heid van de Heer daarbij machtig over u zal zijn is wat ik u allen toewens”.

  1. Pronk, Den Helder.

 

Genezen van watervrees door Clasien Remijnse

 

Daar zat ik op de rand van het zwembad, trots met m’n zwemdiploma in de hand. Mijn leeftijd? Negenendertig jaar. Met m’n tenen tekende ik kringetjes in het water en mijn gedachten gingen terug, heel ver terug, naar een warme zomerdag. Vader en moeder werkten op de tuinderij met hun’ knechten en ik kreeg de opdracht op mijn broertje te passen. Een groot hek scheidde ons van vader en moeder, want wij mochten hen niet storen bij hun werk. Alle spel­letjes waren al gedaan en in zo’n uitgestrekte pol­der, zonder buren, vond je zomaar geen andere kinderen óm mee te spelen. Voor m’n zesde verjaardag had ik een ‘doortrap’-fiets gekregen en ineens kreeg ik een idee. ‘Zeg Brammetje, zal ik jou fietsen leren?’ zei ik. ‘Ja’, antwoordde Brammetje. En met zijn hele vier jaren en zijn korte beentjes probeerde hij of hij op het zadel kon komen. ‘Jij gaat zit­ten. Ik duw je wel… Nou, en dan ga je gewoon rijden’, zei ik.

Daar ging hij… wiebel de wiebel en toen… on­deruit! Huilen. Kusje. Weer op de fiets. ‘Je doet het goed hoor Bram’, moedigde ik hem aan. ‘We gaan eerst eieren rapen in het kippenhok en dan doen wij net alsof jij, met de fiets, eieren gaat be­zorgen in de polder. Goed?’. ‘Ja goed’, lachte Brammetje. Zes eieren gingen in een klein fietstasje dat aan het stuur hing,. Het werd spannend! Het woonerf af, de weg op. Alles ging goed. ‘Ik ben toch een beetje bang’, vertrouwde mijn broertje mij toe.  ‘Niet bang zijn joh. Ik houd de fiets vast en jij moet gewoon doortrappen’, zei ik. Daar gingen wij.

Toen hij vaart kreeg kon ik hem niet meer bijhou­den. Hij voelde dat hij ‘los’ was en riep: ‘Help!’, maar hij moest doortrap­pen, want zo werkte die fiets en tot mijn grote schrik koerste hij op de sloot af. ‘Andere kant met je stuur!’, gilde ik nog, maar dat hielp niet meer. Hij verdween met fiets en eieren onder water. – :

Vanaf dat moment kon ik mij niet meer bewegen. Als aan de grond gebak­ken stond ik daar maar te kijken. Grote angst maakte zich van mij meester. Brams hoofd kwam boven. Hij gilde. Daarna verdween hij weer onder water en dat her­haalde zich een paar keer. Het laatste wat ik zag was zijn hand. Het spartelen was over. Hij zakte weg en ik begreep dat hij niet meer boven zou komen.

Toen ik ontdekte dat ik” mij weer kon bewegen, begon ik te lopen, daar­na te rennen naar huis, naar dat grote hek waar wij nooit door mochten. In de verte zag ik moe­der aan het werk. Ik pakte het hek en begon eraan te schudden (het kon veel lawaai maken) . Ik sloeg erop en trapte ertegen. Ondertussen gilde ik: ‘Bram ligt in de sloot. In de slooooot!”

Het leek lang te duren voordat moeder het hoor­de. ‘Wat?’ riep ze, ‘Bram in de sloot?. Toen ze het begreep werd zij vlug.

 

Ze gooide haar lange werkjas af en riep: ‘Waar dan?’. Ook mijn vader en de knechten kwamen nu het land uithollen.

Terug op de weg keek ik naar de plek in de sloot, waar nu alles stil was geworden. ‘Daar’, wees ik aan. Moeder sprong in het water en graaide net zo lang tot ze met een slap ventje boven kwam. Vader pakte het aan. Heel stil en nat was Brammetje en ik zei hui­lend: ‘Laat m’n fietsje en die eieren maar in de sloot; die hoef ik nooit meer terug’. Vader begon erg lelijk te doen en zei: ‘Ligt die fiets er óók nog in. . . en welke eieren?’ Daarna ben ik naar huis gehold. Nog vóór iedereen was ik thuis en gelijk ben ik op de grote zolder in m’n bed gekropen.

‘O… o… misschien zou vader mij komen slaan’, dacht ik… ‘en… God help mij, want nou is Brammetje dood’.

Niemand is die avond op de zolder komen kijken, waar ik huilde tot ik in slaap viel. Toch, kwam er weer een morgen en voorzichtig liet ik mij uit bed zakken… toen de zolder over… de trap af… de keuken in. Daar stond moeder bij de pomp. ‘Waar is Brammetje? Is hij nu dood?’ vroeg ik. Ze keek mij aan en zei: ‘O, kind, weet je dat niet? Hij is bij gekomen en na­dat hij al dat vieze water uitgebraakt had, is hij gaan slapen’.

Toen begon ik mij heel blij te voelen en daarna heb ik eerst zachtjes ge­zegd: ‘Brammetje wordt weer beter’. Ik ging op mijn tenen staan, maakte mij zo groot mogelijk en riep heel hard: ‘Brammetje wordt weer beter! ‘

Met m’n tenen maak ik steeds grotere kringen  in het water van het zwembad. Ik voel me prima, want Ik weet dat Ik ben genezen van akelige herinnering. Steeds als ik bij water in de buurt kwam, was er die verlammende angst, dan moest ik denken aan verdrinken en alle verschrikkingen die erbij zouden horen. Een volwassen mens en zo bang voor water. Ik schaamde me ervoor, maar er kwam er niet uit. Hoe ben ik er dan nu afgekomen? Eigenlijk? Heel simpel, Ik ben met God gaan leven en wat zo dat het geleidelijk innerlijk tot rust kwam. Een genezingsproces, dus dat heb ik niet in mijn eentje klaargespeeld. Dat heeft zich In de loop van enkele jaren voltrokken in een volle evangelie gemeente. Daar hoorde ik hoe God met de mens wil omgaan, helpend, stimulerend genezend en ik zag wat er uitwerkt in de praktijk. Je krijgt een gezonde kijk op jezelf, op de ander, op de dingen van het leven. Je wordt weerbaar en kunt gaan genezen van pijnlijke herinneringen. Zoals ik genezen ben van mijn watervrees. (De schrijfster van dit ‘getuigenis’, Clasien Remijnse, bezoekt de samenkomsten van de volle evangelie gemeente “In ’t Goudse” te Moor­drecht.)

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (11)(slot)

De ondergang van het rijk van satan

Na de wederkomst van de Heer en de verheerlijking van de gemeente, volgt de eindslag tegen de antichrist en het antichristelijke rijk in de slag bij Harmagedom (Openb. 16:16; Openb. 19:17-21). Dit is geen strijd op aarde, maar een puur geestelijke strijd in de geestelijke wereld en vanuit de geestelijke wereld. Hierna wordt de duivel gebonden in de afgrond en begint het duizendjarig rijk (Openb. 20:1-3) . De heerschappij en het oordeel is dan aan Jezus Christus en de gemeente, die de zuchtende schepping – dat is schepsel en schepping – zal bevrijden en brengen tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods (Openb. 20:4; Rom. 8:21).

Na die duizend jaar volgt de eindafrekening met satan en zijn gehele rijk (Openb. 20:7-10) en de opstanding van de miljarden mensen die in het dodenrijk zijn bewaard (Openb. 20:11-15) . Deze gaan nipt in de geestelijke, onzienlijke wereld zomaar over van het ene rijk naar het andere, maar deze mensen komen op aarde, waar hun leven voortijdig afgebroken was. Ook deze mensen zullen op aarde in moeten gaan in het Koninkrijk Gods, door middel van de gemeente (Openb. 21:24-26) . Er is nu niets vervloekts meer op aarde (Openb. 22:3a) . “De eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbijgegaan” . Door -Jezus Christus en de gemeente is de schepping tot heerlijkheid gebracht en het rijk der duisternis totaal overwonnen en geworpen in de poel des vuurs (Openb. 21:1) .

 

“Zie, Ik maak alle dingen nieuw”

Velen leven in angst dat de aarde op een verschrikkelijke manier in laaiend vuur, door de wraak van God zal vergaan. Maar de aarde zal niet vergaan, want God heeft een verbond met de mens en met de aarde (Gen. 9:13). De Psalmist Asaf zegt zelfs dat Gods heiligdom, Sion, vast zal staan zoals de aarde vast staat. “Hij bouwde zijn heiligdom als de hoogste bergen, als de aarde, die Hij voor altoos grondvestte” (Ps. 78:69).

Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:5)zegt: “Hij die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig” . God verwoest niet eerst zijn schepping, die Hij zeer goed schiep (Gen. 1:31), om daarna iets nieuws te scheppen. Dat is de boodschap van onheilsprofeten zonder liefde en geestelijk inzicht. Hij, die op de troon gezeten is, is getrouw en waarachtig en Hij zegt: ‘Ik maak alles nieuw’.

De verwoester, de verderver, de leugenaar en moordenaar, “de draak, de oude slang, dat is de duivel, de satan” (Openb. 20:2), zal geworpen worden in de poel des vuurs en zijn hele rijk met hem. Door Jezus Christus is de Heilige Geest uitgestort en een ieder die uit Hem geboren is, is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 5:17). Daarom is de belofte in Psalm 104 vers 30 (Ps. 104:30): “Zendt gij uw Geest uit, zij worden geschapen en Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem” .

 

Het nieuwe Jeruzalem

Dan ziet Johannes op Patmos een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en hij ziet de heilige stad, “een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:1-4).

Dit nieuwe Jeruzalem is niet iets van de aarde, het is geen aardse materie, maar bestaat uit levende wezens, vervuld met de Heilige Geest. Het is de bruid van God, de vrouw van het Lam, bekleed met de heerlijkheid Gods (Openb. 21:9-11). Dit is het huis van God. God woont immers niet in een huis van aardse materie met handen gemaakt, maar Hij woont in de geest, de hemel, van de mens en zo is het woord van de profeet vervuld, dat zegt: “Zo zegt de Here: De hemel is mijn troon en de aarde de voetbank mijner voeten, waar zou dan het huis zijn, dat gij Mij zoudt bouwen en waar de plaats Mijner rust?” (Hand. 7:48; Jes. 66:1).

Jezus was eens de enige tempel, de enige waar God door Zijn Geest in woonde, maar Hij zei tot zijn discipelen: “In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anders zou Ik het gezegd hebben” (Joh. 14:2). Het huis van de Vader bestaat niet alleen uit Jezus Christus, maar uit vele mensen. Ieder Geest vervuld mens is zo’n woning of een levende steen die tezamen het huis Gods vormen. “Wij (Vader en Zoon) zullen tot hem komen en bij hem wonen” (Joh. 14:23). . In Openbaring 21 is het nieuwe Jeruzalem geheel vervuld met de Heilige Geest, het huis Gods, gebouwd op de grote en hoge berg Sion (Openb. 21:10; Jes.2:2-3).

 

De stad die tempel is

Als Johannes dit ziet, dan ziet hij geen tempel meer in die stad, want de hele stad is tempel geworden, is goddelijk geworden (Openb. 21: 22; 1 Joh. 3: 2). Iedereen is vervuld met de heerlijkheid Gods en van het Lam. Het is één grote heilige stad, één grote tempel, die het leven en het licht in zichzelf heeft (Openb. 21:23) . Van deze stad, van deze tempel’, van Sion zal het licht des levens uitgaan voor alle volken. De gemeente van Jezus Christus, de koningen der aarde, zullen alles binnenbrengen en de volken zullen wandelen bij hun licht (Openb. 21:24) . De gemeente zal genezing, herstel en goddelijke heerlijkheid uitdelen. De gemeenteleden beschikken over het water des levens (Openb. 22:1-2) en zijn zelf ook geworden tot bomen des levens. Jezus kondigde het al aan toen Hij zei: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” (Joh. 8:38).

Zo zal alles nieuw worden en zal God wonen temidden van de volken. Dan zal de tent van God bij de mensen zijn en Hij zal bij hen wonen en zij zullen zijn volken zijn, zegt Openbaring 21 vers 3 (Openb. 21:3). De profetie van Habakuk gaat in vervulling die zegt: “Want de aarde zal vol worden van de kennis des Heren heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken” (Hab. 2:14).

 

De Alpha en de Omega, het begin en het einde

“En niets vervloekts zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daarin zijn en zijn dienstknechten zullen Hem vereren, en zij zullen zijn aangezicht zien en zijn naam zal op hun voorhoofden zijn. En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden” (Openb. 22:3-5) .

Het tijdelijke, het vergankelijke, waarin de duisternis een rol speelde, is voorbij gegaan en is vervangen door het eeuwige. De nacht zal er niet meer zijn, maar het licht – waarvan in Genesis 1 vers 3 tot 5 (Gen. 1:3-5) geschreven staat dat God zag dat het licht goed was – zal alles verlichten, want Hij zelf én het Lam met de gemeente is het Licht. Wat God in een begintoestand schiep (Gen. 1:1, vertaling Reisel) is tot volledigheid gekomen.

Het vergankelijke, het natuurlijke, dat slechts een schaduw was, is overgegaan in de ‘Geestelijke werkelijkheid’ die eeuwig is.

“O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Rom. 11:33-36) .

„De volledige mens”