1987.06 nr. 282

Levend geloof 1987.06 nr. 282

Hij geeft de Geest niet met mate door Gert Jan Doornink

“Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn getuigenis neemt niemand aan. Wie zijn getuigenis aanvaardt, heeft bezegeld, dat God waarachtig is. Want Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate” (Joh. 03:31-34).

Deze woorden werden uitgesproken door Johannes de Doper, die ook wel genoemd wordt de laatste profeet van het Oude Verbond. Hebreeën 1 vers 1 (Heb. 01:01)zegt dat God destijds vele malen en op velerlei wijze sprak door middel van de profeten. Het waren spreekbuizen van God, zij moesten de woorden Gods doorgeven. Profeten waren dus zeer belangrijke instrumenten in handen van God en dat geldt zeer zeker ook voor Johannes de Doper, die als laatste profeet voor de komst van Jezus, in feite de wegbereider van de Heer Jezus was. Sprekend over zichzelf zei hij: “Ik ben de Christus niet, maar ik ben voor Hem uit gezonden” (Joh. 03:28). Hij kondigde de komst van Jezus aan en ook wat Hij zou gaan doen. Hij kondigde ook aan dat zijn taak ten einde liep en die van Jezus zou gaan beginnen. “Hij moet wassen, ik moet minder worden” (Joh. 03:30). Een tekst die vaak verkeerd geïnterpreteerd wordt. Johannes sprak hier zeer duidelijk over zijn eigen bediening die door de komst van Jezus bijna was afgelopen.

Wat Johannes zei over Jezus

Het is bijzonder leerzaam om acht te geven op wat Johannes zoal vertelde over Jezus. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Matteüs 3, toen hij in de woestijn van Judéa predikte over Jezus met de woorden: “Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Hij toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg. des Heren, maakt recht zijn paden” (Joh. 03:02-03). Johannes wilde als het ware zeggen: Wat er nu gaat gebeuren ‘is nog niet eerder gebeurd in de geschiedenis. Er gaat iets gebeuren dat ver uitgaat boven alles wat er tot dusver heeft plaatsgevonden. De geestelijke wereld gaat zich openen: het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.

De overgang naar het nieuwe tijdperk was eigenlijk al door de bediening van Johannes de Doper begonnen. Hij had als het ware een brugfunctie. Jezus zou later van hem zeggen dat onder hen die uit vrouwen geboren zijn, niemand is opgestaan die groter was dan hij. En dat het Koninkrijk der hemelen zich baan breekt, sinds de bediening van Johannes. Maar ook dat de kleinste in het Koninkrijk der hemelen groter is dan hij (Matt. 11:11-12). In Jezus zou alles tot een climax gaan komen!

Johannes de Doper kondigde de komst van Jezus daarom ook aan door te zeggen dat Hij degene zou zijn die zou dopen met de Heilige Geest en met vuur (Luc. 03:16). Jezus zelf herinnerde later, vlak voor zijn hemelvaart, aan Johannes de Doper met de woorden: “Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze” (Hand. 01:05).

Jezus is de doper met de Heilige Geest

Tweeduizend jaar geleden werd de Heilige Geest voor het eerst uitgestort op het Pinksterfeest te Jeruzalem. Een geweldige gebeurtenis en als we zelf gedoopt zijn met de Heilige Geest weten wij wat dat betekent. Welke een geweldige realiteit ‘Pinksteren’ is (zie ons artikel in het meinummer). De kracht Gods is thans in ons. Zijn Geest geeft ons kennis en inzicht. Wij mogen de vrucht van de Geest openbaren. Zijn Geest leidt ons in alle waarheid. En zo zouden wij nog talrijke facetten van de Heilige Geest kunnen noemen.

De grote tragedie van de gemeente van Christus is echter dat velen de Heilige Geest niet aanvaard hebben of verminkte gedachten hebben over de vervulling met de Heilige Geest. Het is duidelijk dat de duivel een ontzettende hekel heeft aan elk Geest gedoopt kind van God en er alles aan probeert te doen om de doop en vervulling met de Heilige Geest in een verkeerd daglicht te stellen. Hoe vaak horen wij nog – om een voorbeeld te nomen – de opmerking: dat spreken in tongen is dat nu wel echt? Alsof God stenen voor brood geeft. Hij is de Doper met de Heilige Geest. Jacobus 1 vers 17 (Jak. 01:17)zegt: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”. De Heilige Geest is een goede gave, een volmaakt geschenk en bestemd voor allen die een kind van God zijn! Wij hoeven er slechts om te bidden, om te vragen en de Vader geeft het ons (Luc. 11:09-13).

Hij geeft de Geest niet met mate

“Hij geeft de Geest niet met mate”, zegt Johannes de Doper. Dat zijn woorden die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Dat gold voor de Vader ten opzichte van Jezus, maar dat geldt ook voor ons die geroepen zijn in de voetstappen van Jezus te treden’ . We krijgen niet een ‘klein beetje’ van de Heilige Geest, maar de Geest in Zijn totaliteit. Ik denk dat er ook in dit opzicht nog vaak te klein en te ongelovig over de Heilige Geest gedacht wordt. Als Petrus op de Pinksterdag de profeet Joel citeert, dat God in het laatst der dagen van zijn Geest zal uitstorten op alles vlees, denken we vaak alleen aan de kwantiteit, maar laten we vooral ook oog gaan krijgen voor de kwaliteit. Hij geeft de Geest niet met mate! Jezus wil niet dat we geestelijke gebrek lijden. Hij is gekomen om ons leven en overvloed te geven (Joh. 10:10).

De gemeente vol van de Heilige Geest

De eindtijdgemeente (de laatste gemeente) zal een gemeente zijn die vol is van de Heilige Geest. Wat nu nog onvolkomen is, zal volkomen worden. Wat nu nog onvolmaakt is, zal volmaakt worden. Wat nu nog ten dele is, zal totaal worden. Daar groeien we naar toe, mits we zelf meewerken, dat wil zeggen gehoorzaam zijn. Wij moeten geen afwachtende houding gaan aannemen. Kinderen Gods die, ondanks de doop in de Heilige Geest, geestelijk niet verder komen, zouden zich eens af moeten vragen wat daarvan de oorzaak kan zijn: Is er een verlangen om geestelijk verder te komen? Zijn er nog gebondenheden die opgeruimd moeten worden? Zijn er verkeerde leringen die de rug toegekeerd moeten worden? Laten we elke belemmering, elke barrière verbreken. Alleen dan gaan de woorden van Jezus uit Johannes 7 in vervulling dat stromen van levend water uit ons binnenste zullen vloeien.

Hij geeft de Geest niet met mate. De Geest komt niet in ons om ons vol te maken zonder meer, nee, om door ons heen te stromen. Zoals een rivier vol leven is, worden ook wij dan levende getuigen van onze Heer. Johannes de Doper was een instrument in Gods hand. Jezus zelf was een Gezondene des Vaders. Maar ook wij zijn dat… Maar we kunnen het niet volbrengen zonder de Heilige Geest. Wat is het geweldig dat dit verder geen enkel probleem behoeft op te leveren. De oplossing is voorhanden. We hebben een goede God, die niet een beetje van zijn Geest geeft, maar alles, zichzelf. Wij mogen één worden en zijn met Hem, Zijn beelddragers zijn en dat alles omdat Hij ons de volheid van zijn Geest heeft geschonken!         

 

Van de redactie een duidelijke functie door redactie

“Levend Geloof” vervult nog steeds een duide­lijke functie ten aanzien van de verkondiging van de boodschap van het Koninkrijk Gods (het volle evangelie van Jezus Christus). Dat is ons vooral het afgelopen half jaar nog eens weer duidelijk geworden uit de verschillende positie­ve reacties welke wij ontvingen over de inhoud van het blad, alsmede door de toename van het aantal abonnees. De artikelen in “Levend Geloof” voorzien duidelijk in de behoefte aan uitleg van alle facetten van het evangelie, op een eenvoudige maar compromisloze wijze. Daarvoor zijn we dankbaar, maar we willen alle eer aan Hem geven die ons door Zijn Geest wijsheid en inzicht geeft om dit werk te doen. Wij weten dat onze arbeid niet, ‘vergeefs is in ‘de Here, kunnen wij met Paulus zeggen.

En als we schrijven over ‘onze arbeid’, willen wij uiteraard alle medewerkers daarbij betrek­ken. Zonder hen zou ons blad niet zo veelzijdig de boodschap kunnen belichten als thans het ge­val is. Het is iedere maand veer een ‘wonder’ hoe er – zonder onderling overleg – altijd weer een ‘eenheid in verscheidenheid’ ten aanzien van de inhoud van ons blad tot stand komt. Duidelijk zien we hierin de leiding van Gods Geest die ons inspireert over die dingen te schrijven die voor publicatie rijp zijn.

Opinievorming

Een blad als “Levend Geloof” helpt mee aan een heldere opinievorming over de volle boodschap. Wij functioneren niet als een soort ‘papieren gemeente’, maar juist als onafhankelijk blad kunnen wij gezonde impulsen geven met betrekking tot het persoonlijk geloofsleven, maar ook met het oog op het functioneren in de gemeente.

Daarnaast hebben wij een duidelijke ‘ zendings- functie’, niet alleen in de wereld en het naam- christendom, maar ook in die gemeenten die de volle boodschap slechts ten dele onderschrijven of soms geheel afwijzen. Wie de inhoud van ons blad op serieuze wijze op zich laat inwerken maakt een verandering en vernieuwing van denken mee, die voortdurend doorgaat en – dat is uiteraard het doel – positieve uitwerking heeft in ons leven. Het is Gods doelstelling dat wij meer en meer omgevormd worden naar het beeld van Christus en dat wij ons als zonen Gods gaan openbaren. Dat we in en vanuit de geestelijke (onzichtbare) wereld opereren, met uiteraard een zichtbare uitwerking op aarde. De doorbraak van Gods Koninkrijk blijft niet verborgen, maar gaat zich realiseren in en door de waarachtige gelo­vigen.

De financiën

Daarom willen wij met blijdschap, toewijding en volharding doorgaan met de uitgave van “Levend Geloof”, zoals wij ook in het januarinummer schreven in het artikel: “Trouw aan het volle

evangelie”. Op dit artikel, wat wij schreven naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van ons blad, ontvingen wij een aantal fijne reacties, onder andere ook in financieel opzicht. En wat dit laatste betreft: in het vorig nummer kondig­den we reeds aan hier in dit nummer wat uitvoe­riger over te schrijven. Daar zijn verschillende redenen voor.

In de eerste plaats is het de laatste jaren de gewoonte geworden in het juninummer een oproep te doen om een zogenaamde ‘zomergift’ voor ons werk over te maken. Tijdens de zomermaanden lo­pen de inkomsten vaak sterk terug, terwijl de uitgaven gewoon doorgaan. Ook dit jaar vragen wij daarom een extra bijdrage over te maken.

In de tweede plaats willen wij nog eens de na­druk leggen op het feit dat ons werk een ‘geloofswerk’ is, dat wil zeggen: wij ontvangen geen enkele vorm van steun, subsidie, uitkering of iets dergelijks. Het blijkt ons namelijk dat sommigen nog wel eens denken dat wij andere bronnen van inkomsten hebben. De opbrengst van de abonnementsgelden en de verkoop van de bro­chures dekken slechts een klein deel van de wer­kelijke kosten. Wij zijn dus voor het grootste deel afhankelijk van giften.

In de derde en laatste plaats zijn er op korte termijn enkele belangrijke uitgaven noodzakelijk op ons kantoor en drukkerij. Toen wij nu ruim tien jaar geleden overgingen naar offsetdruk, schaften wij nieuwe apparatuur aan (offsetmachine, plaatmaker, snijmachine, etc.). Deze machi­nes zijn en worden intensief gebruikt, maar zijn dus wel tien jaar oud en ten dele aan vernieu­wing toe. Wij willen vertrouwen dat onze lezers en lezeressen ons hierbij naar vermogen zullen helpen en zien met verwachting uit naar uw reacties! (Voor overmaking giften: zie blz. 20, onderaan). Uw, in onze Heer en Heiland verbonden.

 

Godsvrucht door Tea Keuper

“Oefen u in de godsvrucht” (1 Tim. 04:07).

Wat is eigenlijk ‘godsvrucht’? In Van Dale’s woordenboek staat: vroomheid. En vroomheid betekent weer: dapperheid, godsdienstigheid. Vroom is zonder bedrog, deugdzaam. Het is allemaal wat vaag. Ik dacht dat godsvrucht te maken heeft met Gods aard. God is goed, rechtvaardig, geduldig, liefdevol. God is liefde en lees in 1 Korinthiërs 13 eens wat die liefde uitwerkt.

Als wij gemeenschap met God hebben (dit is één met Hem zijn in de Geest, , want God is Geest) worden er vruchten geboren. Ook wij kunnen dan liefhebben, rechtvaardig, lankmoedig en geduldig zijn. Maar.. . dat waait ons niet aan. Een natuurlijke vrucht van gemeenschap (een kind) wordt vaak met moeite geboren. Zo ook een geestelijke vrucht. Vandaar het ‘oefenen in de godsvrucht’ waar Paulus over schrijft aan Timótheüs.

Als God zegt: ‘Hebt elkaar lief’, dan is dat een gebod. Maar niet bedoeld zo van: ‘dat moet nou eenmaal’. Nee, God zegt dat vanuit zijn één zijn met ons. Zijn we ons bewust, dat we één zijn met Hem, één van gedachte, dan gaan we ‘op pad’. Net als een klein kind leert lopen en praten. Het oefent en wordt geleerd door zijn vader en moeder. Het is niet zo, dat we kunnen wachten in een houding van: ‘de Heer moet het maar doen’. God zegt: ‘Heb je Mijn Geest, dan heb je al die godsvruchten ontvangen. Werk het zelf uit in geloof! Geloofsactiviteit is anders dan krampachtig iets moeten!

Dank U God voor de vruchten, die U door Uw kinderen heen wilt openbaren. Dank U, dat wij het in Uw kracht mogen beoefenen!

 

Wat Salomo miste door Ada Karst

 

Wat had Salomo niet, wat de leliën wel hebben?

Leest u even mee? Lukas 12 vers 22 tot en met 32 (Luc. 12:22-32): “En Hij zei tot zijn disci­pelen: Daarom zeg Ik u: Weest u niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of over uw lichaam, waarmee gij u zult kleden. Want het leven is meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kle­ding. Let op de raven, zij zaaien niet en zij maai­en niet, zij hebben geen voorraadkamer of schuur, en toch voedt God ze. Hoever gaat gij de voge­len te boven’

Wie van u kan door be­zorgd te zijn een el aan zijn lengte toevoegen? In­dien gij zelfs het gering­ste niet kunt, wat zult gij u bezorgd maken om het overige? Let op de leliën, hoe zij spinnen noch weven, en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze.

Indien nu God het gras op het veld, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó be­kleedt , hoeveel temeer u, kleingelovigen? En gij, zoekt niet wat gij eten of drinken zult en weest niet verontrust, want naar al deze dingen gaat het zoe­ken van de volken der wereld uit. Doch uw Va­der weet dat gij deze dingen behoeft. Maar zoekt zijn Koninkrijk, en die dingen zullen u boven­dien geschonken worden.

Weest niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te geven”.

Je zou je kunnen afvragen: Wat had Salomo dan niet, wat de leliën wél hebben? Als we de bloemen en planten bekijken tijdens hun groeiperiode, springt er een eigenschap naar voren. Nu spreek je, als je het hebt over bloemen en planten, meestal niet over karaktereigenschap­pen , maar toch gaat er iets van hen uit.

Het is de kombinatie van kleur, groeiwijze, vorm,, grootte of geur, waardoor een bloem of plant iets karakteristieks uitstraalt. Behalve dat specifieke is er nog iets waarmee alles wat groeit, bekleed is: er gaat een ‘volmaakte’ rust vanuit. Geen bloem of plant is bezig met zich zorgen te maken. Ze léven gewoon. Ze zijn niet be­zorgd over hun bestaans­mogelijkheden. Hun aan­dacht is niet afgeleid. Ze staan voor wat ze zijn. Deze ‘menselijke’ beschrij­ving kan ons veel leren. Met kostelijke eigenschap­pen heeft God het tijde­lijke gewas bekleed, hoe­veel temeer zal hij ons bekleden!

Waarmee heeft God ons bekleed?

Met Christus, zoals het staat in Galaten 3 vers 27 (Gal. 03:27): “Want gij al­len, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed”. Met Christus, dat is’ met de Gezalfde,! Dat ‘houdt in: een leef- en denkklimaat dat geïnspireerd is door de Heilige Geest. Want die Geest is het die ge­dachten uit de Vader en de Zoon neemt, en het ons verkondigt. (Joh. 16:14).

Wie Christus heeft aange­daan, heeft zich met de gedachtewereld van God bekleed. Dat was de keus die we maakten toen we ons lieten dopen in water. Ons verstand werd ge­opend en we gingen de schriften begrijpen.

(Luc. 24:25).

We begrepen uit de schriften, dat de Ge­kalfde ons ook met zijn gezag wou bekleden, met kracht uit de hoge. (Luc. 24:49). Wat een bekleding’ Heerschappij over boze machten, waardoor we ons, als de leliën, niet hoeven te laten afleiden, maar in volmaakte rust mogen blijven staan en functioneren.

Kijk, dat ontbrak Salomo nou net. Hij liet zijn hart afleiden, en hij volgde de Heer niet ten volle.

(1 Kon. 11:04-06). En dat ondanks al zijn heerlijk­heid en rijkdommen en wijsheid. Wat dat betreft ging de heerlijkheid van de leliën de heerlijkheid van Salomo te boven. Hoe­veel temeer zal de Heer ons bekleden!

In deze tijd van grote wereldproblemen, van burgerlijke ongehoor­zaamheid en geweld, heeft God een volk bekleed met zijn Goddelijke natuur (2 Petr. 01:04). En keer op keer betuigt Hij ons: Wees niet bezorgd, wees niet verontrust, wees niet be­vreesd!

Deze aanpak klinkt velen al te simpel in de oren. Moet je met deze eenvou­dige woorden de grote wereldproblemen te lijf? Wij zeggen: ja! Bekleed met Christus, aangedaan met kracht van omhoog, en deelhebbend aan de goddelijke natuur, staat er een uniek, onwankel­baar evangelie in de we­reld. Ja, dit evangelie zal zelfs de wereld over­winnen.

Als klein kuddeke zullen we niet vrezen, want het heeft onze Vader behaagd ons het Konink­rijk te geven. (Luc. 12:32).

 

Met innerlijke ogen (gedicht) door Tine Seepma

Als ik soms te midden van de mensen sta,

Als ik zo hun doen en laten gadesla,

Als ik in hun ogen zie angst en onzekerheid,

Of bitterheid of haat of minderwaardigheid.

Dan wil dit alles mijn gedachten trekken naar de dood.

Ik voel me klein, onmachtig tegenover deze nood.

 

Toch is het leven sterker dan de dood,         

De uitkomst altijd groter dan de nood.

Want ik weet die grote kracht die in mij woont,

’t Is de kracht van Jezus Christus die daar troont.

En deze kracht is leven,

En geeft overwinning op alle dood.

 

Mijn innerlijke ogen richt ik op mijn God,

Mijn Schepper, uit wie alle leven is.

Mijn oor wil ik te luisteren leggen,

Naar Zijn opdracht en gebod.

En ik wil de mensen vertellen,

Dat al hun schuld vergeven is!

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (8)

De begeerte in het licht van de Schrift

In Genesis 3 vers 16 (Gen. 03:16)lezen wij: “Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen”. Het woord ‘begeerte’ betekent letterlijk ’toewending’. Het komt driemaal in de Schrift voor, namelijk in Genesis 3 vers 16; Gen. 4 vers 7 (Gen. 04:07)en Hooglied 7 vers 10 (Hoogl. 07:10). In Genesis 4 vers 7 staat: “Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager -aan de deur, wiens begeerte (toewending) naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”. En in het Hooglied zegt de bruid: “Van mijn geliefde ben ik en naar mij gaat zijn begeerte (toewending) uit”. (Letterlijk: ‘en zijn toewending is tot mij’) .

Wij zien in deze drie teksten hoe prachtig de Schriften zijn opgebouwd. In de eerste plaats is er sprake van de toewending van de vrouw tot de man. Ten tweede gaat het over de toewending van de zonde tot de mens. En ten derde lezen wij over de toewending van de bruidegom tot de bruid; ofwel: de toewending van de nieuwe Man tot de Vrouw: de Gemeente. We zien in het laatste het omgekeerde van Genesis 3 vers 16. (Gen. 03:16) Het is de completering ervan. Hiermee wordt het punt uit Genesis 4 vers 7 (Gen. 04:07) buitenspel gezet. Als God en mens helemaal tot elkaar zijn toegewend krijgt de zonde er in wezen geen speld meer tussen.

Het is niet toevallig dat het grondwoord ’toewenden’ driemaal in de Schrift gebruikt wordt; niet meer en niet minder. De Bijbel is niet in omgangstaal geschreven, maar in scheppende taal; in taal die iets tevoorschijn brengt. Ten diepste moet je de Bijbel niet bij de mensen brengen, maar je moet de mensen bij Gods Woord brengen. De Bijbel zegt ons iets anders dan men in de omgang pleegt te vernemen. Juist omdat de Bijbel ‘openbaring’ is, moet je leren hóren.

We gaan nu enkele kernpunten behandelen. In Genesis 3 vers 20 (Gen. 03:20)wordt weer een naam geroepen. Het mooie is, dat de mens ook na zijn val weer een naam gaat roepen. Letterlijk staat er: “En de mens riep de naam van zijn vrouw Eva” . Dé Hebreeuwse vorm van Eva is ‘Chawwah’: de ‘levende’ of ‘leven’. Vers 20b zegt dat zij de moeder is geworden van alle leven (of van al het levende). Adam is gevallen. Nu gaat Eva de zaak overnemen en in het vervolg handelend optreden, vanuit de naam die zij ontvangen heeft.

Het falen van de mens als bewaarder

In Genesis 3 vers 23 en 24 (Gen. 03:23-24)lezen wij dat de mens wordt verbannen: “Toen zond de Here God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te dienen. En Hij verdreef de mens en Hij deed wonen ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des Levens te bewaren (letterlijke vertaling) . Het woord ‘bewaren’ is hetzelfde grondwoord als in Genesis 2 vers 15 (Gen. 02:15). Adam had de taak om te dienen en te bewaren. Het ‘bewaren’ heeft hij niet gedaan. Nu komen de cherubs om de weg tot de hof te bewaren. Er moet, hoe dan ook, bewaard worden. ‘Bewaren’ is één van de meest wezenlijke opdrachten van de mens. De mens moet de aarde bewaren. In de loop van de geschiedenis heeft de mens op dit punt diep gefaald.

Het sabbatsjaar in Leviticus 25 is ook één van de kernpunten in verband met het bewaren van de aarde. Het gaat mij steeds meer opvallen, dat de wetten in Leviticus helemaal niet ‘wettisch’ zijn. Het zijn in wezen bevrijdende principes. Als je Leviticus 25 leest, proef je een stuk ontspanning. De opdracht was om zes jaar lang de aarde te bewerken en daarna een jaar rust te nemen, zodat de aarde óók een jaar rust gegund zou zijn. We lezen dat in Leviticus 25 vers 2 (Lev. 25:02). De mens is helaas met de aarde omgegaan als een bezitter, in wezen als een baal. In hoofdstuk 26 vers 34 (Lev. 26:34)staat dat als je het land zijn rust niet gunt, de ballingschap komt. En de ballingschap is ook gekomen.

Heilzame principes voor de maatschappij

In Leviticus en Deuteronomium liggen alle grondprincipes, die in wezen ook heilzaam zijn voor een maatschappij. Er wordt hierin uitvoerig gesproken over hoe je met je broeder moet omgaan. Ook de richtlijnen voor het koningschap, over hoe een regering moet zijn, komen aan de orde. Er wordt ook gesproken over de vrijstellingen van de vrouw. Er zijn veel dingen onder de tafel geraakt. Als we deze dingen weer gaan ontdekken, zullen we ook gaan verstaan waaróm bepaalde dingen zijn fout gegaan; maar ook hóe het herstél zal geschieden.

In hoofdstuk 25 vers 23 zegt God: “Het land (de aarde) is van Mij; en jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij Mij”. Het land is nooit het eigendom van de mens; het is Gods eigendom. Daarom heeft de boze in wezen geen eigendomsrecht; hij heeft een claim. Dit wil zeggen dat hij aanspraak maakt. Dit is iets anders dan: hij heeft récht. Hij kan geen recht laten gelden. Hij is wetteloos. Met iemand die wetteloos is, kun je niet over ‘recht’ praten. Het is een tegenstrijdigheid in zich.

 

Waarom het huwelijk een verbond is.        

Genesis 4, waar we nu mee beginnen, behoort nog tot de cyclus die in Genesis 2 vers 4b (Gen. 02:04b)begint. Het is het tweede scheppingsverhaal: de leer over de mens. Het gaat nu over ‘de mens als man en broeder’. In Genesis 4 vers 1 (Gen. 04:01) lezen wij: “De mens nu (de adam) bekende Eva, zijn vrouw”. Het begint met het woord ‘kennen’ of ‘bekennen’. Het is in het Hebreeuws hét woord voor de relatie tussen God en mens, maar ook voor de relatie tussen man en vrouw.

‘Bekennen’ houdt de totale eenwording in tussen man en  vrouw naar geest, ziel en lichaam. Het omvat de totale verbinding in het huwelijk; ook de geslachtsgemeenschap. Alleen binnen het huwelijk kan de man de vrouw bekennen. Als in de boeken van Mozes staat, dat een man buiten het huwelijk gemeenschap heeft met een vrouw, wordt niet het grondwoord ‘bekennen’ gebruikt, maar ‘lag bij haar’.

Vanuit het Hebreeuwse woordgebruik is de gemeenschap gebonden aan het huwelijk. Het huwelijk is vanuit het Bijbelse denken een verbond. Maleachi 2 vers 14 (Mal. 02:14)zegt: “Gij hebt de vrouw uws verbonds verlaten”. Het huwelijk is een verbond, en nooit zomaar een zaak tussen twee mensen. Tegenwoordig wordt vaak gezegd: ‘Er staat nergens in de Bijbel dat je naar het stadhuis moet’.

In de Bijbel is het huwelijk een sociale aangelegenheid. Je doet het temidden van je familie en je vrienden; temidden van het verband waarin je geplaatste bent. Het samenwonen is totaal in strijd met de grondprincipes van het Bijbelse denken. In de Bijbel is ‘liefde’ altijd een verbond, een ‘je verbinden aan’. Vrije liefde is een tegenstrijdigheid. God kent geen vrije liefde. Hij is de God van het verbond!

(In de volgende aflevering gaan wij ons bezighouden met de geschiedenis van Kain en Abel) .

 

Intermezzo door Gerry Velema

Werk voor God; Gods werk?

Hij was al vijf jaar gepensioneerd. Genieten van je oude dag heet dat. Trouw lid van de gemeente, een echte krasse oude baas die z’n plaatsje wel innam.

Binnen de gemeente waren ze volop bezig met evangelisatie. Door een gezonde bloei van de gemeente ontstond er ook een grote behoefte aan ‘fulltimers’ in dienst van de Heer om de nieuwe mensen op te vangen en te begeleiden in hun geloof. En we weten allemaal dat verbreiding van het evangelie hand in hand gaat met het brengen van offers aan en door de gemeente. Offers van liefde, tijd en gebed en last but not least offers van geld!

Daar hadden ze het samen in de gemeente eens over gehad. Als je geld werkelijk offert, dan geef je iets weg wat je eigenlijk niet echt missen kunt. De voorganger sprak over ‘geld geven in het geloof’. God zorgt dat je in staat bent het te geven en je komt dan toch in niets tekort. Hij wil ons ook op financieel gebied principes leren dat Hij niet afhankelijk is van onze bijdrage, maar wij van Zijn zegen!

Onze oude broeder had alles met zeer veel belangstelling gevolgd. Hij had het niet breed, maar ook niets tekort. Hij overwoog hoe hij iets zou kunnen geven in die afhankelijkheid en geloof in God!

Een ‘dwaas’ plan kwam bij hem boven. Waarom zou hij niet weer gaan werken? Werken voor God! Hij zou vast nog wel iets kunnen doen waarmee hij nog wat kon verdienen. Dat geld zou hij dan kunnen investeren – ja, ja, zo heette dat nu! – in het Koninkrijk van God.

Hij ging biddend op zoek en vond een baantje. Het leverde hem f 800,- per maand op-, omgerekend een kleine f 10.000,- per jaar. Dat zou hij kunnen ‘investeren’, maar dat alles wel in het geloof en in afhankelijkheid aan zijn Heer. Geloof voor een baantje, geloof voor vitaliteit op zijn leeftijd en dat hij het zou kunnen volhouden.

Acht jaren heeft deze broeder zijn dienst verricht. Rekent u maar uit hoeveel geld hij op zijn oude dag nog heeft bijgedragen aan het voorthelpen van evangeliserende broeders.

De voorganger van deze broeder was niet alleen blij met deze instelling, maar eigenlijk ook een beetje trots op zo’n voorbeeld in zijn gemeente.

Hij uitte eens enthousiast tegen een andere broeder: “Weet je, ik vind zoiets nu echt een werk van God. Een wonder gewoon”.

De broeder reageerde wat nuchter met: “Ach, eén wonder, dit kan toch immers iedereen doen, die vitaal blijft”.

“Nee,, nee, dit is echt een wonder van God. Want afgezien van het feit dat onze gezondheid en vitaliteit afkomstig is van God, moet je mij de mensen eens

aanwijzen die ook doen wat ze zouden kunnen doen…

Ik ben het met je eens dat er velen zijn die zouden kunnen doen wat deze man heeft gedaan, maar er zullen maar heel weinigen zijn die ook zullen doen wat hij heeft gedaan. Daarom is het een wonder, een werk voor God en toch helemaal Gods werk!”

 

Een ontspannen leven

Heb jij dat ook wel eens (gehad): een berg in je leven?

Dat wil zeggen: een probleem dat je zó dwarszit, dat het lijkt alsof échte vrede en blijdschap niet meer je deel kunnen zijn? Ja, vrede en vreugde lijken in zo’n periode van je leven onmogelijk. Lijken zeg ik want niets is minder waar.

Lees maar eens wat Jezus over zo’n probleemberg zegt in Matteüs 17 vers 20 (Matt. 17:20): “Als je geloof maar zo klein is als een mosterdzaadje en je zegt tegen deze berg: ‘Ga weg’, dan gaat hij weg. Dan is niets onmoge­lijk voor je” (Het Levende Woord) .

Problemen in ons leven kunnen op diverse manieren ont­staan. Soms kan een pro­bleem plotseling huizen­hoog voor je oprijzen. Vaak ook begint het in het klein. Bijna ongemerkt wordt de kiem ervan ge­zaaid. Zo’n kiem kan bijvoorbeeld een kleine ge­beurtenis zijn. Of een ge­dachte die bij je opkomt. Misschien een opmerking van iemand. Iets wat je leest. Iets wat je hoort. Of gewoon – en dat is na­tuurlijk ook heel goed mo­gelijk – iets wat je overkomt. Thuis, op je werk, of op school…

De hamvraag wat dóé je met een probleem dat je op je krijgt? Hoe ga je met dit probleem óm? Wat vindt- er precies plaats in jouw we­reldje? Wat speelt er zich af in die geestelijke, on­zichtbare wereld van jou? Ik zou je dat graag, voor zover ik dat kan, willen uitleggen. Ook zou ik je graag willen tonen hoe je met een probleem kunt omgaan. Hoe Jezus Chris­tus wil dat je ermee om­gaat. Namelijk: als een koning.

Maar er is één die dat, ten koste van alles, wil verhinde­ren. Er is één die jouw wereldje het liefst op z’n kop zet, zodat je er, geestelijk, geen touw meer aan vast kunt knopen. Satan – want dat is zijn naam – gaat rond “als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden” (1 Petr. 05:08). Zijn bedoe­ling is, jouw probleem op te blazen door er allerlei leugentjes omheen te spin­nen, waardoor het angst­aanjagende vormen aan­neemt. Hij eist je gedach­tewereld voor zich op en opereert daarin zodanig, dat je op je probleem ge­fixeerd raakt. Zo lijkt het te groeien en te groeien totdat het zó groot is dat je ervan overtuigd bent dat’ door dit probleem alles zal mislukken. Het is gebeurd met je! Een klinkklare leugen natuur­lijk.

Aan ons is het om, door de kracht en de wijsheid van de Hei­ige Geest, de satan te ontmaskeren. Aan jou en mij de taak om te onder­scheiden wie er bij ons ‘aan het roer staat’. Heb oog voor datgene wat de duivel in je leven probeert te bewerkstelligen! Geef  hem geen kans om je pro­bleem op te blazen tot een gigantische berg die er helemaal niet hoeft te zijn! En dat doe je door de autoriteit, die je van de Heer hebt gekregen, te gebruiken en te zeggen tegen de berg: ‘Ga weg. In Jezus’ naam”.

Jezus heeft ons macht gegeven om op slan­gen en schorpioenen te treden, terwijl niets ons enig kwaad zal doen. Op­juttende, hysterische geesten, handlangers van de duivel, hebben geen recht op ons. Als je die geesten hebt ontmaskerd en vervolgens de toegang tot jouw wereld hebt ont­zegd, stel dan je geloof in werking. Namelijk het geloof dar de opjutter is verdwenen. Het ‘vertrou­wen dat Gods kracht ook door jou heen werkt. Een geloof als een mosterdzaad­je, zoals Jezus het in Zijn uitspraak omschrijft, is overigens geen gering ge­loof hoor. Vergis je niet, een mosterdzaadje heeft grote kiemkracht. En als het ontkiemt, wordt het een grote boom. Het is oersterk.

Jezus is op aarde gekomen opdat jij en ik leven zullen heb­ben en overvloed. Jezus’ wil, Gods wil, is dat we vrij zijn van problemen. Met andere woorden: dat wij het probleem aanpak­ken. En niet dat het pro­bleem ons aanpakt. Proble­men zullen zich heus nog wel in ons leven aandienen. De vraag is: overweldigen ze ons of gaan wij er bo­ven staan? De berg op ons? Of wij, als koningen en priesters, op de berg? Het laatste toch zeker?

Ik zou willen eindigen met jou Gods zegen en kracht toe te wen­sen in het slechten van jouw persoonlijke ‘probleem- bergen’, voor zover nog aanwezig! Ook zou ik on­derstaand nog een frag­ment van een liedje willen op schrijven dat hier zo prachtig op aansluit:

‘Er is een heerlijk, blij, ontspannen leven,

voor wie verlangt naar innerlijke vree.

Wie daaglijks echte blijd­schap wil beleven,

zegt ‘ja’ tot God en tot de duivel ‘nee’!

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (10)

Houdt God zich verborgen?

In Hebreeën 12 vers 22 en 23 (Heb. 12:22-23) lezen wij over het hemelse Jeruzalem welke ‘de stad van de levende God’ genoemd wordt. Vers 23 noemt God ‘Rechter over allen’. Paulus zegt in Romeinen 11 vers 36a (Rom. 11:36a): “Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen” .

Deze waarachtige God alleen komt aanbidding toe. Hij is echter onzichtbaar. Jesaja 45 vers 15 (Jes. 45:15) zegt: “Voorwaar, Gij zijt een God, die Zich verborgen houdt, de God van Israël, een Verlosser’. Altijd hebben boze geesten de mens geïnspireerd God zichtbaar te maken in materie die God geschapen heeft. Men aanbidt dan niet de Maker maar zijn maaksel en pleegt – hoe goed bedoeld ook – afgoderij, wat een gruwel is voor God (Jes. 44:06-20) .

De vraag is: wil God zich altijd verborgen houden? Kan Hij wel eens gezien worden? Heeft God ook een gestalte? Bij het beantwoorden hiervan is het belangrijk niet op eigen inzicht te vertrouwen, maar vanuit het Woord van God het antwoord te vinden.

 

God is Geest

Als Jezus in gesprek is met de Samaritaanse vrouw dan zegt Hij op een gegeven moment: “God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Joh. 04:24). Hieruit is de conclusie getrokken: Geest is onzichtbaar, dus God is onzichtbaar. Een dergelijk uitgangspunt leent zich dan uitstekend voor allerlei vage theorieën. God is dan immers vaag, iets wat alom vertegenwoordigd is, alles omspant, een hogere macht, de grote oneindige, enz.

Wat bedoelt Jezus hier met zijn uitspraak: “God is geest” ? Als we het lezen in de context blijkt dat Jezus hier niet iets vertelt over het uiterlijk van God, maar wat Hij is in wezen. Hier staan tegenover elkaar vlees en geest. God aanbidden op bepaalde plaatsen, de berg Gerizim of in Jeruzalem (Joh. 04:20), dat is naar het vlees, dat is in wezen ritueel, ceremonie, religie. God is geen vlees, Hij behoort bij de geestelijke wereld en moet daarom aanbeden worden in geest en in waarheid. “Zij die in het vlees zijn (en van daaruit uiteraard ook handelen) kunnen God niet behagen” (Rom. 08:09). Ik geloof dat Jezus ons dit wil leren met zijn uitspraak: “God is geest”.

Hij wil ons ook leren dat God nooit verschenen is en ook niet verschijnen kan, ook niet spreekt of kan spreken tot de vleselijke natuurlijke mens. En dan moeten we dit zelfs niet alleen maar verbinden met de zondeval. Als er in het Oude Verbond gesproken wordt over ‘De stem van God’ of ‘De stem uit de hemel’, dan is dit het spreken van een engel of van de profeten die door de Heilige Geest geïnspireerd werden. Hebreeën 1 vers 1 (Heb. 01:01) zegt dat Hij heeft gesproken in de profeten en in het laatst in Zijn Zoon.

Johannes schrijft in zijn evangelie: “Niemand heeft ooit God gezien” (Joh. 01:18). Paulus schrijft in 1 Timótheüs 6 vers 16 (1 Tim. 06:16) : “God, die alleen onsterfelijkheid heeft en een ontoegankelijk licht bewoont, die geen der mensen gezien heeft of zien kan”, Jezus zelf zegt in Johannes 5 vers 37b (Joh. 05:37b): “Gij hebt nooit zijn stem gehoord of zijn gedaante gezien. Als Adam of Abraham of Mozes bijvoorbeeld hierop een uitzondering gemaakt zouden hebben, zou Jezus dit hebben moeten vermelden. Dan zouden immers Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18) en 6 vers 46 (Joh. 06:46) en vele uitspraken niet kloppen.

Mozes en de engel des Heren

Bij de roeping van Mozes is het alsof God met hem spreekt, maar in Exodus 3 vers 2 (Ex. 03:02) lezen wij dat het de engel des Heren is die Hem verschijnt. Exodus 33 vers 11 (Ex. 33:11) vermeldt: “En de Here sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend”. Vers 20 (Ex. 33:20) zegt dan weer overduidelijk: “Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven”. Er is dus een spreken, een stem, heel vertrouwelijk zelfs – als van een vriend – maar het is onmogelijk Gods aangezicht te zien in het vlees zijnde. De stem van God is bij Mozes steeds van de engel des Heren.

Ook het handelen van Mozes was door de macht van deze engel. Stefanus, die vol is van de Heilige Geest, zegt: “God heeft Mozes als een overste ‘en bevrijder gezonden; met de macht van de engel, die hem verschenen was in de braamstruik. Deze (Mozes) is het, die in de vergadering in de woestijn met de engel was, die tot hem sprak op de Sinaï’, en met onze vaderen; en hij ontving levende woorden om die u te geven” (Hand. 07:35-38). Niet God zelf was met Mozes op de Sinaï, maar de engel des Heren en deze maakte aan Mozes Gods wil en wet bekend wat leven was voor het volk (Ps. 103:019-020).

Jezus leert ons God kennen als Vader

Niemand kent de Vader als de Zoon Jezus Christus en niemand heeft Hem ooit gezien. Alleen die van God komt, die heeft de Vader gezien, zegt Jezus (Joh. 01:18; Joh. 06:46). Hij is niet alleen gekomen om ons weer met God te verzoenen door zijn kruisoffer. Hij is ook gekomen om ons tot wedergeboorte te brengen zodat we in de geestelijke wereld kunnen zien en binnengaan door de Heilige Geest (Joh. 03:03-08). Daardoor kan Hij ons ook God leren kennen. Hij brengt ons door de wedergeboorte immers ook aan de boezem des Vaders.

In het Oude Verbond had God zich bekend gemaakt als ‘Jahweh’, wat betekent: ‘Ik ben, die Ik ben’ of: ‘Ik zal erbij zijn, zoals Ik erbij zal zijn’. Jezus is ook de verpersoonlijking en de vervulling van deze Naam. God zelf bepaalt die naam en zegt: Gij zult hem de naam ‘Jezus’ geven en dit is ‘Immanuel’, hetgeen betekent: ‘God met ons’ (Matt. 01:21-23) . Voor zijn heengaan zegt Jezus: “En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” (Matt. 28:20).

In het Oude Verbond begreep men de verbondenheid van God met de mens niet. Men durfde de naam Jahweh niet of nauwelijks uit te spreken. Jezus heeft ons God leren kennen als een persoonlijkheid die wel heel nauw verwant is aan de mens. Het zou te ver voeren omdat allemaal te beschrijven. Hij heeft Hem ons doen kennen als ‘Vader’. Heel opmerkelijk is dat in het Oude Verbond maar acht maal over God gespróken wordt als ‘Vader’ en 6823 maal als ‘Jahweh’, terwijl Jezus- in de evangeliën God 158 maal ‘Vader’ noemt. Hij spreekt niet alleen over God als ‘Zijn Vader’, maar ook als ‘Onze Vader’ (Matt. 06:09). “Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God” , zegt Hij tot zijn discipelen (Joh. 20:17b).

De verwantschap van God en de mens

Tussen de mens en God zijn eeuwige banden van gelijkenis. Hij schiep ons naar zijn beeld en gelijkenis (Gen. 01:26-27; Gen. 05:01). Wij zijn van Gods geslacht (Hand. 17:28b) . Wij zijn verwant aan Hem, van dezelfde soort.

Gods eniggeboren Zoon – niet geformeerd uit de aarde, zoals de eerste mens, maar door het zaad Gods”, het Woord, in een moederschoot verwekt – is een mens. Echter niet zomaar’ een mens, maar de ‘Zoon, des mensen’ (Joh. 03:13). God verwekt ‘Het Heilige’ de schoot van Maria en in haar baarmoeder groeit een mensenkind en wordt ‘Zoon Gods’ genoemd (Luc. 01:35). Hiermee toont God zijn verwantschap met de mens wel overduidelijk aan. Heel duidelijk had God aan het volk Israël verordeningen gegeven, dat gemeenschap met een ander soort en tweeërlei zaad op één akker de mens onder de vloek zou brengen. Maar de mens is van Gods geslacht en van eeuwigheid bedoeld als vrouw van God. God en de mens zijn van bevruchting en daarom is vrucht dragen mogelijk. De bevruchting van Maria was daarom ook niet een wetteloze daad, maar God verwekte (als man) bij de mens (zijn vrouw) zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus, de Zoon des mensen.

En God zegt in Jesaja 45 vers 13a (Jes. 45:13a): “Ik ben het, die Hem verwekt heb in gerechtigheid”.

De eenheid van Vader en Zoon

Jezus heeft ons de Vader getoond in alle facetten van zijn leven. In heel zijn optreden toont Hij ons een liefdevolle menselijke God. Jezus zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” (Joh. 14:09) en “Ik en de Vader zijn één” (Joh. 10:30). De Joden begrijpen deze taal waarschijnlijk beier dan wij. Zij weten dat Vader en Zoon één zijn. De Zoon vertegenwoordigt de Vader al was hij de Vader. De duivel haat het als God zo dicht bij de mens wordt gebracht in goedheid, liefde en ontferming. God moet veraf blijven als de gestrenge waarvoor men moet vrezen en die gediend wil worden door middel van een vroom religieus en zwaar stelsel. De vrome leidslieden van die dagen achtervolgden Jezus met een dodelijke haat, juist om het getuigenis dat God zijn Vader was. Zij zeggen als antwoord op een vraag van Jezus: “Niet om een goed -werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij – een mens – uzelf God maakt” (Joh. 10:33).

Heel opmerkelijk is dat dit getuigenis van Jezus ook zijn dood geworden is. Eensluidend hebben de vier evangelisten dit opgetekend. Matthéüs beschrijft het met deze woorden: “En de hogepriester zeide tot Hem: Ik bezweer u bij de levende God, dat Gij ons zegt of Gij zijt de Christus, de Zoon van God. Jezus zeide tot hem: ‘Gij hebt het gezegd’. Toen scheurde de hogepriester zijn klederen en zeide: ‘Hij heeft God gelasterd!’ Waartoe hebben wij nog getuigen nodig? Zie, nu hebt gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? Zij antwoordden en zeiden: ‘Hij is des doods schuldig'” (Matt. 26:63-66). Hierom werd Hij onder de misdadigers gerekend, omdat Hij God zijn Vader noemde (Mark. 15:28).

Het voorhangsel is gescheurd

Maar – prijs de Heer – de dood van de waarachtige Zoon van God bracht de rechtvaardiging ten leven voor alle mensen (Rom. 05:18). Hij heeft de dood van zijn kracht beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht door het evangelie (2 Tim. 01:10). En de Heilige Geest getuigt nu met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Dat is niet een stil getuigen, maar een juichkreet van erkenning door de Heilige Geest: Abba, Vader! (Rom. 08:15-16) .

Toen Jezus stierf scheurde het voorhangsel in de tempel (Matt. 27:51) . De Hebreërschrijver leert dat het voorhangsel het beeld is van het’ -vlees dat de toegang tot God blokkeert (Heb. 10:20) . In de doop zijn wij ook met Hem gestorven, aan het kruis geweest en is ook ons voorhangsel gescheurd. Is dat, wat scheiding maakte, teniet gedaan en hebben wij volle vrijmoedigheid om in te gaan in het hemelse heiligdom (Rom. 08:03; Heb. 10:19). Nu kunnen wij God dienen met onze geest in het evangelie van zijn Zoon (Rom. 01:09a) en Hem aanbidden in Geest en waarheid.

Het zien van aangezicht tot aangezicht

Wij zijn geschapen naar Gods beeld evenals de engelen. En als wij en de engelen een geestelijk lichaam hebben, is dit naar het beeld van God en heeft God dus ook een geestelijk lichaam. Ons aardse lichaam is een beeld van de geestelijke werkelijkheid, het hemelse of geestelijke lichaam. Wij zullen God zien van aangezicht tot aangezicht. Niet echter zolang wij in dit lichaam’ zijn, maar als wij gestorven zijn en onze intrek hebben genomen bij de Heer (2 Kor. 05:08) of wanneer wij de wederkomst van de Heer beleven en ons sterfelijk lichaam verzwolgen wordt in de verheerlijking, de overwinning (1 Kor. 15:54; 2 Kor. 05:04) .

Jezus zegt: “Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien” (Matt. 5:8). Daartoe is de mens door en door goed geschapen en God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand heeft gegeven (2 Kor. 05:05). Van de heilige engelen staat geschreven dat ze voortdurend het aangezicht zien van de Vader, die in de hemelen is (Matt. 18:10) . Dit zal evenzo gelden voor de, tot geestelijke volwassenheid gekomen, verheerlijkte mens. De apostel Johannes schrijft in zijn brief: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij (Statenvertaling ‘het’) zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is” (1 Joh. 03:02).

 

 

Vreugde bij God en mens

Als de Bijbel over deze dingen spreekt dan is dat in termen van opperste verbazing, blijdschap en vreugde door de Heilige Geest. Paulus citeert de profeet Jesaja en zegt: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben (1 Kor. 02:09). De apostel Petrus spreekt hiervan en zegt dan: “En gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen” (1 Petr. 01:08b-09).

Het is echter niet alleen de mens, die zich onuitsprekelijk verblijdt, maar ook God zelf is verrukt over de mens die Hem liefheeft. De Heilige Geest vervult de profeet Zefanja die dan in een vreugdelied zegt: “Jahweh, uw God, is temidden van u, een reddende Held. Hij zal om u juichen van vreugde, zijn liefde vernieuwen en als op een« feestdag huppelen van blijdschap om u!” (Sef. 03:17; Petr. Canisiusvertaling) . De vreugde is wederzijds. Schepper en schepsel zijn verheugd en vieren feest!         (slot volgt).

 

 

Levend Geloof – 281

Levend geloof 1987.05 nr. 281

De realiteit van Pinksteren door Gert Jan Doornink

Het Pinksterfeest, wat wij als gemeente van Jezus Christus over enkele dagen weer vieren, doet ons ongetwijfeld terugdenken aan het eerste Pinksterfeest te Jeruzalem, zoals dat beschreven wordt in Handelingen 2. Daar heeft ons Pinksterfeest zijn wortels, daaraan ontleent het Pinksterfeest, zoals wij dat vieren, zijn bestaansrecht. Wie de verbinding met het eerste Pinksterfeest doorsnijdt, maakt een kardinale fout en mist de zegeningen en doelstellingen van dit feest.

In de loop der eeuwen is dit binnen de gemeente van Jezus Christus wel gebeurd. Het gevolg was dat er een karikatuur van de bedoeling van Pinksteren ontstond, die tot op de dag van vandaag negatief doorwerkt. Gelukkig zijn er door alle eeuwen heen ook altijd christenen geweest die wel bleven zien en beleven hoe belangrijk dit feest was. Was dit niet het geval geweest dan zou de gemeente van Jezus Christus niet meer hebben bestaan. In deze eeuw zijn er zelfs meer christenen dan ooit tevoren die ‘Pinksteren’ weer gaan ontdekken en beleven.

En om die ‘ontdekking en beleving’, gaat het! We kunnen er wel allerlei theorieën rondom Pinksteren op na houden, we kunnen zelfs op uitbundige wijze Pinksterfeest vieren, maar waar het op aankomt is of we dinsdag 9 juni en de dagen die daarna volgen óók Pinksteren beleven! Pinksteren behoort een continu doorwerkende aangelegenheid te zijn. Na de eerste ervaring van de doop met de Heilige Geest zal de verdere groei moeten volgen. Wie de doop met de Heilige Geest ziet als een soort eindstation, zit er faliekant naast. Bij de Geestesdoop begint het pas. Er zijn zoveel facetten met het werk van de Heilige Geest verbonden, dat we rustig kunnen stellen: Wat een ongekende geestelijke rijkdom heeft God ons ter beschikking gesteld.

Maar wat gaan wij er mee doen?

Het spreken in tongen, het profeteren, het onderscheiden van geesten, de vermeerdering van kennis en inzicht, maar ook de vrucht van de Géést Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22), zijn even zovele ‘eigenschappen’ die tot volle ontwikkeling behoren te komen in ons leven. We zijn geweldig bevoorrecht dal wé weten: ‘ik ben gedoopt met de Heilige Geest’, maar tegelijkertijd behoren we ook onze verantwoordelijkheid te beseffen, dat wij geroepen zijn het werk wat Jezus deed voort te zetten. En dat is alleen mogelijk als we ‘het leven van Jezus’ ook ten volle gaan openbaren.

In onze tijd is de roep om te evangeliseren en te werken voor de Heer’ groot. Hierin schuilt echter een levensgroot gevaar als we het zonder de leiding en vervulling met de Heilige Geest willen doen. Daarom zullen wij primair er van doordrongen moeten zijn dat de werkelijke betekenis van Pinksteren is dat daardoor het echte leven van Jezus in ons komt. Pinksteren schept de mogelijkheden dat dit ‘echte leven’ tot groei en volheid gaat komen. Het blijft niet langer verborgen maar gaat zich op een machtige wijze openbaren. Dan gaan, zoals Jezus zelf reeds zei, stromen van levend water uit ons binnenste vloeien Johannes 7 vers 37 (Joh. 07:37). Dat is de realiteit van het echte Pinksteren zoals dat in uw en mijn leven behoort te functioneren!           

 

De daad bij het woord door Jan W. Companjen

“Een ieder nu, die deze mijn woorden hoort en ze doet, zal gelijken op een verstandig man, die zijn huis bouwde op de rots” Matteüs 7 vers 24 (Matt. 07:24).

Willen wij volwassen worden?

Eén dezer dagen zei een voorganger van een op het oog bloeiende en groeiende gemeente tegen mij, dat hij het zo ver­drietig vond dat na zo­veel jaren van opwekking en vermeerdering van kennis ten opzichte van Gods Woord en de toe­komstverwachting, er nog zoveel broeders en zus­ters zijn die het inhoude­lijke van het Koninkrijk Gods niet begrijpen. Het is inderdaad een droevige zaak dat men als geïnspi­reerd voorganger het ‘volle leven in Christus’ niet kan doorgeven, om­dat de hoorder de wasdom in het geloof slechts op afstand volgt.

Het volwassen worden in het geloof is velen nog vreemd. Het zelf op de bres gaan staan en ten strijde trekken (dit laat­ste is nog een stap ver­der) tegen de machten en krachten die ons dagelijks belagen en/of hele groe­pen van medegelovigen eronder houden en vruch­teloos maken, is voor ve­len een te grote opdracht omdat de zekerheid van de kracht van het eigen geloof ontbreekt. Men verwacht echter in veel gevallen wel van de ander datgene waartoe men zelf niet in staat is. Het geloof, dat alles mo­gelijk is voor hen die ge­loven, is er wel maar ve­le potentiële gelovigen zijn kind in het geloof gebleven. Zij verwachten het van een vader of moeder in het geloof, dat wil zeggen van een voor­ganger of oudste. Theo­rie en praktijk liggen een eind uit elkaar. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Ten eerste kan een geest van verwerping de mens onvruchtbaar ma­ken en klein houden. Men luistert naar de volle f boodschap van Gods heil, vindt het prachtig dat men in een volle evangelie gemeente zit, maar laat de handeling die dit geloof vraagt aan anderen over omdat men zichzelf daar­toe niet in staat acht.

De daad bij het woord

Nu is mijn ervaring dat dit gebeuren niet altijd aan een geest van verwer­ping ligt, maar dat men klein is gebleven omdat het ‘handelen in het ge­loof’ nooit geleerd werd. Gods Woord in het oude verbond en het vleesge­worden Woord in het nieu­we verbond – het gaan en staan van Jezus – is één en al daad. Er gebeurde niéts of er moest bij ge­handeld (een daad ge­steld) worden. De mens werd er in alles persoon­lijk bij betrokken.

De uittocht uit Egypte, de verovering van het beloof­de land, het leven van de profeten, speciaal Elia, was doortrokken van ge­loof en daad. Men leze in dit verband maar eens He­breeën 11 en denke daar­bij dan eens speciaal aan de zegen die Abraham en zijn nakomelingen aan hun kinderen meegaven. En wat te denken van het volk, dat zeven dagen lang rondom Jericho trok en dat op de zevende dag juichend tot overwinning kwam toen die muren van die onneembare stad in­stortten.

Door het geloof hebben zij koninkrijken onderworpen, gerechtigheid geoefend en de vervulling van de be­loften verkregen. Israël veroverde het ‘beloofde land’. Zij deden het met kracht en geweld omdat de volkeren, die het land Kanaän bewoonden, vol­komen in het bezit van duivelse machten waren. Occultisme en spiritisme waren aan de orde van de dag en doortrokken alles. Helaas was er toen geen andere oplossing omdat met de boze geest ook de behuizing moest worden opgeruimd.

Niet meer door kracht of geweld

Hoewel wij een zelfde be­lofte en opdracht hebben, namelijk het veroveren van het Koninkrijk Gods, is het nu niet meer door kracht of geweld, maar door de Geest Gods die liefde is. Bevrijding is nu niet meer een land verlossen van boze mach­ten, desnoods met geweld, maar het gaat om een he­mels koninkrijk, waarin de bewoners één zijn. Jezus verwijt zijn discipe­len domheid als zij een aards koninkrijk verwach­ten. Jezus predikt ‘liefde’ in plaats van ’tand om tand’. Lees in dit ver­band Matthéüs 5 vers 38 tot 48. (Matt. 5:38-48) Wij, als volk Gods, mogen een woonstede van zijn Geest zijn en tot dat doel gekomen, mogen en moeten wij ons laten ge­bruiken als levende ste­nen.

Dat hele gebeuren vraagt in deze eindtijd om men­sen met de overgave als Maria. Toen Gods Woord tot haar kwam antwoordde ze: “Mij geschiede naar uw Woord”. En het Woord werd vlees, Jezus Chris­tus , Gods Zoon, werd uit haar geboren. Indien wij dan uit diezelfde geest geboren zijn, is ook onze opdracht identiek. Indien wij met Hem gestorven zijn, zijn wij ook opge­staan tot een nieuw leven en met Hem erfgenaam.

Willen wij de vruchten plukken en tezamen met alle heiligen opwassen tot alle volheid Gods? Zo ja, ga dan op uw voeten staan en trek de geeste­lijke wapenrusting aan. Wij hebben niet te vechten tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse ge­westen. Het volk dat voor die strijd aantreedt, is een volk dat van aanpak­ken weet op alle fronten. Dat volk sluit zich niet op, maar zal de wereld tegemoet treden in de macht en de kracht van de Heilige Geest en in de Naam van Jezus, die alle macht gekregen heeft in hemel en op aarde.

In het voetspoor van de Meester

Het is dan ook geen won­der dat satan alles in het  werk stelt om te voorko­men dat de gemeente, als lichaam van Christus, een handelende gemeente wordt. De duivel maakt zich geen zorgen omtrent de gedragingen van een evangelisch christen die alles van de Here ver­wacht. De gedachte en de instelling dat satan onder de voeten van de gemeen­te van Christus verplet­terd zal worden, zie Romeinen 16 vers 20 (Rom. 16:20)) is daar niet aanwezig. Gods Woord leert ons echter dat Gods Zoon en de zo­nen Gods macht hebben. Zij hebben de opdracht om Gods macht te open­baren.

God de Vader wil op deze aarde verheerlijkt worden. Jezus Christus deed dat door zijn opdracht uit te voeren en wij mogen het­zelfde doen door dat werk, wat Hij begonnen is te doen, zie Handelingen 1 vers 1 (Hand. 01:01) te voleindigen. Dat doel eist een volk dat gaat wandelen in het voet­spoor van de Meester. Op dat thema is het lied ge­maakt : “Voorwaarts chris­tenstrijders, drukt uws Konings spoor”.

Jezus is waarlijk opgestaan en heeft zich na zijn hemelvaart gezet aan de rechterhand van de Vader om u’ en mij, ja allen die Hem toebehoren, tot volheid te brengen. Is dat niet iets geweldigs en is dat geen geweldige opdracht? Met Jezus als leidsman, satans macht te­niet doen, werkelijk vrede scheppen voor de hele schepping? Werkelijk blij zijn met elkaar, omdat de één dit en de ander dat als gave ontvangen heeft? Dan gaan wij samen Gods macht openbaren en laten wij aan deze wereld zien dat Hij enkel goed is. Dat met de komst van Jezus, alles, ja alles nieuw gewor­den is.

De grote scheiding voltrekt zich

De tijd van een theocratisch rijk op aarde is voorbij. Bij de komst van Jezus op aarde begrepen de joden dat niet en nu, 2000 jaar later, begrijpen zij en velen met hen dat nog niet. Jezus stichtte geen rijk dat je met de vuist of met de wapenen veroveren moet. Hij sticht­te een rijk in de hemelen en zijn volgelingen zouden die ‘bodem’ veroveren in de hemelse gewesten.

De scheiding tussen een aards denkend volk en het volk dat Jezus aanhangt is nog steeds in volle gang. Eén deel gaat zich steeds meer – zie maar om je heen – identificeren met het natuurlijke volk Israël en het andere deel gaat zich steeds meer geestelijk opstellen en wordt één met Hem die zei: Ik wil dat gij zijt waar Ik ben, namelijk in de hemelse gewesten. Zij zullen steeds meer door­trokken worden met de veelkleurige wijsheid Gods en zullen de Goddelijke liefde ook onder elkaar uit dragen tot verheerlij­king van zijn Naam en tot een getuigenis dat Hij in ons woont.

Met dit doel vieren wij ook dit jaar weer Hemelvaarts­dag en Pinksteren. Jezus heeft zijn plaats ingenomen in de hemelse troonzaal. Hij heeft de overwinning op het kwade en alles wat anti-goddelijk is behaald. Daar, vanaf die troon, zal Hij, als alleenheerser, zijn volk naar de overwinning leiden. Daartoe gaf Hij ons zijn Geest en die zal ons leiden naar de volle waar­heid en naar de volein­ding.

In het laatste vers van het Hogepriesterlijk gebed zegt Jezus: “Ik heb hun bekend gemaakt wie U bent en Ik zal dat blijven doen, want Ik wil dat zij de liefde in zich hebben die li voor Mij hebt en dat Ik in hen ben”. Jezus en zijn gemeente zijn één. Die gemeente is zijn li­chaam , zijn hand en zijn voet en zijn mond. De mond en de voet waardoor Christus de wereld tot zich roept en naar haar oorsprong en doel terug­voert .

De groei naar de volmaaktheid

Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt u niét, maar laat u leiden, wordt uit gerust en toebe­reid tot de dienst in het leger van koning Jezus. Langs die weg, die gees­telijk is, zal Gods volk komen tot de éénheid in het geloof en in de kennis van de Zoon van God. Dan bereiken wij, als vrucht dragers van zijn Koninkrijk, het niveau van de volmaakte mens, de volle om vang van de volmaaktheid van Chris­tus. Dan zullen wij niet langer onmondige kinderen Zijn, die als golven op en neer deinen en heen en weer bewogen worden door elke wind, dat wil zeggen: door de leer van sluwe mensen die ons met hun valse wijsheden op dwaalwegen willen brengen.

Door ons aan de waarheid te houden (dat Zijn Ko­ninkrijk een geestelijk Koninkrijk is), zullen wij in liefde volledig toe­groeien naar Hem die het Hoofd is: Christus Efeze 4 vers 12 tot en met 15 (Ef. 04:12-15).

De mensheid heeft met de komst van Christus een geweldige opdracht gekregen en daartoe is alles gereed. Door Zijn bloed zijn we bevrijd van alle, schuld en zijn onze zon­den vergeven. Overvloe­dig is de genade die God ons heeft geschonken in allerlei vormen van wijs­heid en inzicht Efeze 1 vers 7 en 8 (Ef. 01:07-08). Gods plannen staan vast en zij falen niet. Hij zal zijn besluit ten uitvoer brengen en alles wat in de hemel en op de aarde bestaat onder één Hoofd plaatsen: Christus Efeze 1 vers 10 (Ef. 01:10).

Alle theorieën die niet in overeenstemming zijn met deze plannen Gods, zijn valse wijsheden die de mens op dwaalsporen brengt. De opdracht, aan de gemeente van Christus gegeven, wordt dan door- geschoven., naar een toekomst waarin de joden, tot bekering gekomen zijn of naar de tijd van de we­derkomst. Het is echter tot ons gekomen om Israël tot jaloersheid te verwek­ken .

Een jaloersmakend gebeuren

De volheid der heidenen is nabij en dat zal voor heel de wereld een jaloersmakend gebeuren zijn. Dan zal men zien wie men doorstoken heeft. Waar op aarde reeds bereikt is wat ons in Christus geschon­ken is, zien wij daar, waar wij als gemeente van Christus samenkomen.

Daar zijn mensen uit alle volken bijeen: joden en niet-joden, zwart en bruin, blank, man en vrouw, rijk en arm. Met God en met elkaar verzoend. De nieu­we mens, de tempel Gods, bestaande uit een mens­heid die God gehoorzaamt en handelt in overeen­stemming met Zijn wil, is werkelijkheid geworden.

Als wij ons, die zo gelo­ven, gezamenlijk gaan op­stellen tot verwezenlijking van Zijn doel, dan zal Pinksteren 1987 heel bij­zonder zijn. Dan geeft Hij ons Zijn Geest in over­vloed en zullen wij het jaar 1988 kunnen gaan uitroepen tot het jaar van herstel van alle dingen. Dan zal de gemeente van Christus toonaangevend zijn op alle fronten, op alle terreinen van het le­ven. Dan zal tot uitdruk­king komen dat Jezus Christus ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft. Ja, Hij heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten om (dus met dat doel) in de komende tijd de overweldi­gende rijkdom van zijn ge­nade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons, in Christus Jezus. Amen.

Heer, wij willen U aanbid­den –

Prijzen voor Uw liefde groots-

Door wat U voor ons volbracht hebt –

redde U ons van de dood

Wij ontvingen eeuwig leven –

Zijn voortaan aan U gehecht –

Vol vertrou­wen gaan wij verder-

Vast in wat Uw Woord ons zegt.

 

Door uw Heilige Geest ver­licht, Heer –

Leren wij de waarheid Gods

-toe te pas­sen in ons leven –

staan met U als op een rots –

Leren lijden, strijden, werken –

zoals U Heer zelf het deed –

en voor ons als overwinnaar –

ligt dan ook de kroon gereed.

 

Heer, zo willen wij ons le­ven –

stellen in Uw dienst en dan –

door geloof, ge­duld, volharding –

bruik­baar wezen voor Uw plan –

ied’re vijand neer te vel­len –

omdat hij aan ons niets heeft –

en tot zonen Gods herstellen –

tonen dat U in ons leeft.

Zo Uw leven openbaren –

overwinnen op de dood –

iedereen zal dan verklaren –

Juichend: ‘God wat bent u groot!’

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (7)

De mens voor Gods aangezicht

Genesis 3, waar wij’ nu mee beginnen, moeten we plaatsen in het kader: de mens voor Gods aangezicht. In Genesis 2 hebben we de mens als man en vrouw gezien. Het eerste vers vertelt ons dat de slang het listigste van alle dieren des velds was. Het Hebreeuwse woord voor ‘slang’ hangt samen met het werkwoord ’toveren’ (Slang: Nachasj). ‘Toveren’ komt in Deuteronomium 10 voor in verband met waarzeggerij. De slang was in het oude oosten het dier van het leven en van de wijsheid. De slang is goed geschapen als dier, maar wordt hier het symbool van de occulte wereld.

In Genesis 3 vindt het gesprek plaats tussen de slang en Eva. Het opvallende is, dat de slang het gebod van God gaat verscherpen. “Zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof?” Genesis 3 vers 1b (Gen. 03:01b). Letterlijk: ‘Ofschoon God zei: Van alle bomen in de hof zult gij niet eten’. Dit hééft God niet gezegd; de slang maakt er iets bij. God heeft gezegd: ‘Van die ene boom mag je niet eten’. De slang gaat God meteen in een verkeerd daglicht plaatsen: ‘Je zit nu wel mooi in de hof, maar je gaat wel dood van de honger in het paradijs’. Het is merkwaardig dat de slang zijn zin  niet afmaakt: ‘Ofschoon God zei: Van alle bomen in de hof mag je niet eten.

Eva voegt er ook iets aan toe. Zij gaat het gebod óók verscherpen door te zeggen: “Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom , die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven” (vs.2-3). Over het ‘aanraken’ heeft God niets gezegd. Eva gaat het gebod van God scherper maken dan het is. Het gevolg is verdraaiing. De slang speelt met Gods woord. Dat blijkt uit vers 4, waar de slang tot de vrouw zegt: “Gij zult geenszins sterven (Letterlijk: ‘Gij zult niet sterven, sterven, 2 maal; ook in Genesis 2 vers 17 (Gen. 02:17), maar God weet, (God is bekénd) dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad”. Een halve waarheid! Een andere vertaling zegt: ‘dat gij als de góden zult zijn’. Het zóu kunnen, omdat ‘kennende’ in het meervoud staat. De slang gaat hier de zaak weer misleiden en zegt: ‘Je zult als God (góden) zijn’.

“En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden.. (Vs. 6). Eva gaat af op het ‘zien’; daar begint het probleem al. De mens was geroepen om de woorden Gods te ‘hóren’. In plaats van naar het woord van God te hóren, gaat Eva af op haar ogen. 1 Johannes 2 vers 16 (1 Joh. 02:16 spreekt over de begeerte van de ogen) . Een andere vertaling zegt: ‘En dat hij geschikt maakt om te begrijpen’. Hier gaat het ‘zien’ over in ‘schouwen’. Je kunt met je natuurlijke ogen niet zien of een boom geschikt maakt om te begrijpen. ‘Schouwen’ is: geestelijk zien. Het ene ‘zien’ gaat over in het andere ‘zien’. Je kunt wél zien hoe heerlijk de vruchten er uitzien.

“En zij nam van de vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. Toen werden hun beider ogen geopend…” (vs.6b-7a). Tot zover klopt het wat de slang zei: ‘Als je ervan eet, worden je ogen  geopend’. Het gebeurde echter op een andere-manier dan Gód bedoelde. Hun/ogen werden eigenlijk geopend op de wijze waarop de ogen van de helderziende, worden geopend. Dan lezen we verder in vers 7 dat zij bekénden, dat zij naakt waren. Aan het slot van Genesis 2 staat, dat zij beiden naakt waren, maar zij schaamden zich voor elkander niet. Maar nu valt hun geestelijke bedekking weg; hun kleed van gerechtigheid valt af. De boom des levens is het leven vanuit God. Ik geloof niet dat het Gods bedoeling was, dat zij van die andere boom zouden eten. Het is een ander principe!

De boom der kennis van goed en kwaad

Wat is de boom der kennis van goed en kwaad? (zonder lidwoord!). De uitdrukking ‘goed en kwaad’ komt slechts in één andere tekst voor.

In Deuteronomium 1 vers 39 (Deut. 01:39) zegt God tegen de Israëlieten: ‘Jullie komen het beloofde land niet in, maar jullie zonen, die heden Goed en Kwaad niet uit elkaar kennen’. Goed en kwaad zijn alomvattende begrippen. Het is niet alleen het morele goed en kwaad, maar het is ook: geluk en onheil; orde en stoornis; het heilzame en het schadelijke. Het zijn de tegengestelden op allerlei terreinen.

De uitdrukking komt ook nog voor mét lidwoord erin, namelijk in 2 Samuël 14 vers 17b, (2 Sam. 14:17b) waar wij lezen: “Want als een engel Gods, zo is mijn heer, de koning, hij weet alles wat op aarde geschiedt! Dus: goed en kwaad is alles wat op aarde geschiedt! In dit verband is het recht en onrecht; schuldig en onschuldig. Het wordt zowel van de engel als van de koning gezegd; ze weten het allebei.

In Genesis 3 komt de uitdrukking ‘goed en kwaad’ driemaal voor. 1. De boom der kennis van goed en kwaad. 2. In vers 5: “Gij zult als God zijn, kennend goed en kwaad”. 3. In vers 22: “De mens is geworden als Onzer, kennend goed en kwaad”. Het is zowel het goed en kwaad, dat de mens ondergaat, als het goed en kwaad dat hij zélf teweegbrengt. Kent God goed en kwaad? Ja, God kent de tegenstellingen van het ‘zijn’; God kent de mogelijkheid. In zijn denken omvat God deze tegenstellingen, zonder er door geraakt te worden. God kent het goede van binnenuit en het kwade kent Hij op een afstand. God kan overzien wat de gevolgen zijn, als iemand een verkeerde keuze maakt. God kon tevoren overzien wat de gevolgen zouden zijn, als Lucifer zou kiezen voor zelfverheffing. God overziet de tegenstellingen, maar Hij gaat ze even volstrekt te boven, als Hij vertrouwd met hen is. God kent de geestelijke wereld door en door. De duivel kan God nooit voor verrassingen zetten.

Als de mens goed en kwaad leert kennen, is dat echter anders. De mens kent de tegenstellingen alleen vanuit het kwade. De mens leert goed en kwaad kennen als hij zelf in het kwaad valt. Dit gebeurt in Genesis 3. God wilde de mens ervoor bewaren. Het misleidende van de slang was, dat hij zei: ‘Je zult als Gód worden, en goed en kwaad kennen’. Het resultaat is, dat de mens inderdaad goed en kwaad gaat kennen, maar daarmee wordt hij niet als God, want de mens staat niet boven het kwaad. Hij leert het kennen zoals een drenkeling het water leert kennen. De mens leert een toestand waarin hij zich bevindt, kennen als kwaad. Bij de mens is het kennen van goed en kwaad, dat hij ontdekt dat hij naakt is. Hij komt tot besef dat hij verkeerd zit: in het kwaad. God heeft willen voorkomen dat de mens er op die manier achter zou komen.

De mens leert het goede kennen als een verloren gegane toestand, die ontoegankelijk geworden is. Vanuit zichzelf kan de mens niet terug naar het totaal goede. Vanaf dat moment zit de mens in de gespletenheid. Alleen Gód kan hem eruit -halen. God wilde, dat de mens zich door hem zou hebben laten leiden. Had de mens dit gedaan, dan had God de mens, door zijn Geest, in het goede geleid. Van daaruit had de mens, onder leiding van de Geest, inderdaad, nét als God kunnen weten wat niet goed was.

Wat gebéurt er in feite? De mens onttrekt zich aan Gods wil en hoede, aan de bescherming van God. De mens gaat op eigen houtje de geestelijke wereld in, om zelf uit te vinden wat goed en kwaad is. God kent goed en kwaad van bovenaf; de mens kent goed en kwaad van onderaf, doordat hij eronder zit. Als de mens zich onttrekt aan Gods bescherming, wordt hij naakt en worden zijn ogen geopend.

“Toen zij het geluid van de Here God hoorden…” (vs.8). Het is onlogisch dat men hier vertaald heeft met ‘geluid’. Er staat ‘stem’. Zij hoorden de stem van de Here God in de hof. Dit grondwoord wordt altijd met stem’ vertaald. Op deze plaats moet het vanzelfsprekend ook met ‘stem’ vertaald worden.

“De mens en zijn vrouw verborgen zich voor de Here God, die wandelde in de avondkoelte” (vs. 8bj. Als je vertaalt met ‘avondkoelte’, maak je van God iemand, die wacht tot de grootste hitte voorbij is en ’s avonds een blokje om gaat. Letterlijk staat er echter: ‘de wind van de dag’.

God laat de mens niet aan zijn lot over.

“En de Here God riep de mens tot zich en zei tot hem: Waar zijt gij?” Hier zien we in feite de genade van God al beginnen. God laat de mens niet aan zijn lot over, maar heropent van zijn kant het gesprek. God wil nog steeds de dialoog met de mens; God roept. Door iemand te roepen, wordt die iemand jouw ’tegenover’, jouw partner. God roept de mens nog steeds om partner van Hem te worden: Waar zijt gij?

Het antwoord van de mens komt nu vanuit een geheel! andere situatie. “En hij zeide: Toen ik Uw stem (!) in de hof hoorde, werd ik bevreesd, omdat ik naakt ben”.

Voor het menszijn moet van nu aan worden betaald. Dat blijkt bijvoorbeeld uit vers 16, waar wij lezen: “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren”. (Letterlijk wordt tweemaal het woord ‘vermeerderen’ gebruikt, terwijl het woord ‘moeite’ feitelijk ook met ‘smart’ vertaald moet worden. We zien hier twee vormen van het woord ‘smart’. Ze hangen samen, komen van dezelfde woordstam. God geeft hier een geestelijke wet aan). Het is van groot belang, dat wij het woord ‘smart’ zien in verband met Genesis 6 vers 6 (Gen. 06:06): “Het berouwde de Here, dat Hij de mens op aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart”. Het betekent: Als de mens smart ervaart, dan ervaart God het ook. God voelt wat de mens voelt. God lijdt met de mens mee.

Het is een geestelijke wet, dat vanuit de geschonden toestand geen geboorte meer mogelijk is zonder smart. Geestelijk geldt dit ook! In Openbaring 12 schreeuwt de vrouw in haar weeën en haar pijn om te baren. Het geestelijk principe is dat de gemeente zonder smart geen zonen kan baren. God beschikt het niet zo, maar het kan niet anders. Op zich is lijden iets negatiefs. De andere kant is, dat lijden een vrucht heeft; het brengt iets positiefs voort. De vloek bergt een zegen in zich. De mens wordt vanuit zijn zitplaats op weg gebracht. Er komt een wég.

In Genesis 3 vers 17b (Gen. 03:17B)komt ‘smart’ ook voor: “…al zwoegende zult gij daarvan eten, zolang gij leeft” (Letterlijk: ‘in moeite, in smart, zult gij daarvan eten’. – ‘Zolang gij leeft’ is veel te Vrij vertaald. Er staat: ‘alle dagen van uw leven’). Het kernwoord ‘dagen’ is van groot belang. We moeten dit vasthouden in de vertaling. We zullen het later weer tegenkomen. De dagen, zijn de dagen, die God maakt; die God de mensen schenkt. God ; heeft de slang wel vervloekt, maar de mens niet!! (vs. 14).        (wordt vervolgd).. [

 

Van aangezicht tot aangezicht door Gert van de Kamp

Levinas, een psycholoog, heeft eens gezegd: “In het aangezicht van de ander herkent de mens zichzelf”. Ik zou daar een variant op aan willen brengen: in het aangezicht van de Ander herkent de mens zichzelf. Een kleine, maar wezen­lijke verandering. De op­merkende lezer onder­scheidt het verschil tussen de eerste en de tweede zin, waar de ander met een hoofdletter (Ander) wordt geschreven.

In de psychologie en psy­choanalyse geldt vaak dat mensen op mensen zijn aangewezen om uit een be­paalde problematiek te ge­raken. Trekken we dit door naar het Koninkrijk van God dan zien we daar dat de gemeente dé plaats is waar mensen zijn aan­gewezen op de Ander. In de gemeente komen mensen in het reine met zichzelf door het contact met de Schepper. De Heer is de spiegel waarin je jezelf herkent. Vanuit die her­kenning (ik mag op de Heer lijken), komt erken­ning voort (ik ben het waard een kind van God te zijn).

Erkenning, waardering, herkenning. Het zijn be­grippen die binnen de grenzen van het Konink­rijk van God tot de vol­maakte mens leiden. Nog­maals: in het aangezicht van de Ander herkent de mens zichzelf.

Het aangezicht des Heren

In Genesis 4 vers 16 (Gen. 04:16)lezen we dat, nadat Kaïn zijn  broer Abel heeft doodge­slagen, hij weg ging voor het aangezicht des Heren.

In de Revised Standard Version van de Engelse bijbel staat: “Then Cain went away from the presence of the Lord”. Voor het aangezicht van God zijn betekent in zijn aanwe­zigheid of in zijn tegen­woordigheid (presence). Deze betekenis is ook te­rug te vinden in de He­breeuwse grondtekst.

“Ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn”, constateert Kain. Door zijn broer te vermoorden plaatste Kain zich buiten de aanwezigheid of tegenwoordigheid van God. Hij plaatste zichzelf in een isolement.

De analogie met deze ge­schiedenis is niet moeilijk af te leiden. De mens mag voor het aangezicht van de Heer verkeren. Dat is de normale situatie vanaf de schepping van de mens. Door “niet goed te hande­len, ligt de zonde als bela­ger aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat” Genesis 4 vers 7 (Gen. 04:07). De aanstichter van de zonde, de duivel, heeft er alle belang bij dat mensen niet voor het aan­gezicht des Heren verke­ren, waar ze hun volmaakt­heid kunnen uit werken.

De duivel wil niet dat men­sen zich in hun Schepper herkennen. Dat herkenningsproces is namelijk essentieel voor de totstand­koming van de volmaakte mens. Dat is een mens waarover zonde (de duivel dus) geen enkele macht meer heeft.

Aansluitend op deze ge­dachte past het tekstge­deelte uit Exodus 29 vers 38 tot 46 (Ex. 29:38-46). Daar wordt ge­sproken over een brand­offer dat wordt bereid bij de ingang van de tent der samenkomst vóór het aan­gezicht des Heren. Er wordt dan ook gesproken over het samenkomen van de Israëlieten met de Heer (dat is verkeren voor het aangezicht des Heren). “En zij zullen door mijn heerlijkheid geheiligd wor­den”, staat in hetzelfde tekstgedeelte.

Wie voor het aangezicht des Heren verkeert wordt door zijn heerlijkheid geheiligd. Ook dat past in onze variant “in het aan­gezicht van de Ander her­kent de mens zichzelf”.

Bij God kun je jezelf zijn

Vóór het aangezicht des Heren kun je als mens je­zelf zijn. Daar staat de

mens recht tegenover God, die de mens door en door kent (Psalm 139’). Je hoeft voor Gods niets te verbergen, Hij weet im­mers toch wel wat in je is. Voor God kun je “open kaart spelen”.

Doe maar gewoon tegen­over God, mag een popu­lair maar wel degelijk se­rieus advies zijn. Aan de Israëlieten gaf God de op­dracht “vrolijk te zijn voor het aangezicht des Heren” Leviticus 23 vers 40 (Lev. 23:40). Ook mag je “eten” voor het aangezicht des Heren Deuteronomium 12 vers 7 (Deut. 12:07). En zoals Hannah dat deed mag je je hart uitstorten voor het aangezicht des Heren 1 Samuël 1 vers 15 (1 Sam. 1:15). Respectievelijk dansen, feestvieren, wandelen en wonen, het mag allemaal voor het aan­gezicht des Heren. 2 Samuël 6:14; 1 Koningen 8:65; Psalm 116:9; Jesaja 23:18 (2 Sam. 06:14; 1 Kon. 08:65; Ps. 116:009; Jes. 23:18).

Van aangezicht tot aange­zicht. God en de mens, verkerend in elkaars aanwezigheid en tegenwoor­digheid. Daarin verheugt zich God bovenmate. Dat is namelijk van meet af aan de bedoeling geweest toen God de mens schiep. Ook nu is aan die bedoe­ling niets veranderd en kan het bestaan dat God èn mens elkaar voort­durend “ontmoeten”. Dat geldt ook voor u!

 

Hebt de wereld niet lief! Door Liesbeth Seepma

“Heb de wereld niet lief en datgene wat in de wereld is.

Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde van de Vader is niet in hem.

Want alles wat in de wereld is, de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen, een hovaardig leven, dat komt niet van Vader, maar het komt uit de wereld” 1 Johannes 2 vers 15 en 16 (1 Joh. 02:15-16).

Dit staat in een brief uit de Bijbel, die (waarschijnlijk) is ge­schreven door Johannes, één van de discipelen van Jezus.

Tegen wie heeft Johannes het eigenlijk?

Zijn brief heeft hij ‘geadresseerd’ aan iedereen die hoort bij de gemeente van de Here Jezus Christus. Ze is bestemd voor kinderen. Ze is be­doeld voor vaders. Ze is ook gericht aan ‘jongelin­gen’, ofwel aan jongeren. Dus ook aan mij. En aan jou. Wat zegt Johannes tegen ons? “Heb de we­reld niet lief. Laat je niet in met datgene wat in de wereld is. Vereenzelvig je niet met de gedachten die de wereld beheersen”.

Maar. . . hoe kunnen we aan deze dringen­de oproep gehoor ge­ven in het leven van alle­dag? Wat betekent het concreet om ‘de wereld niet lief te hebben’? Mis­schien is het goed als we het begrip ‘wereld’ wat nader gaan bekijken. Als de Here Jezus in Johannes 3 vers 16 (Joh. 3:16) tegen Nicodémus zegt: ” Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft…”, dan bedoelt Jezus dat God zijn schep­ping – in het bijzonder de mens , die in die schepping leeft – zeer liefheeft. Als Johannes ons in zijn brief echter oproept de wereld niet lief te hebben, dan heeft hij het niet over de men­sen om ons heen. Hij heeft het dan over’ de maatschappij, over de’ om­geving waarin wij leven.

Er is namelijk iets mis met die omgeving: zij ligt onder de heer­schappij van de tegen­stander van God, de dui­vel. Satan strekt over deze wereld zijn handen uit om haar te vergifti­gen met wetteloze, anti-goddelijke gedachten en levenspatronen. Wat dat voor gedachten zijn, daar windt Johannes geen doekjes om. De begeerte van het vlees. De begeer­te van de ogen. Een hovaardig leven. Gericht op status. Op aards bezit. De meeste, de hoogste willen zijn. Met deze le­vensinstelling infiltreert Gods tegenstander dé-we­reld om ons heen. Zijn pogingen zijn erop ge­richt om ons van het he­melse, goddelijke denken af te trekken en onze aandacht volledig op te eisen voor het aardse, zichtbare leven. Zijn doel is dat wij vervuld zullen zijn van dit onbevredigende leven, zodat het ons drijft, voortjaagt, opjut, opdat wij maar in

al onze aardse,, behoeften zullen kunnen voorzien. Hoe dit dan gebeurt en ten koste waarvan? Wat kan het de duivel sche­len!

In de Bijbel staat dat jij hij met geen ander doel komt, dan om te “stelen, te slachten en te verdelgen”. Als we maar helemaal gericht zijn op mooie kleding, een dikke auto en dito bankrekening, een kast van een huis, een succesvolle job… dan is de vader der leugen in zijn element. Waarom? Om­dat we dan enerzijds geen tijd meer hebben voor en anderzijds geen zin meer hebben in een hoger le­ven dat God voor ons in petto heeft. Het resultaat zal namelijk zijn dat we oppervlakkig zullen gaan denken, afgestompt zul­len raken en niet meer in staat zullen zijn te handelen en te wandelen in het koninkrijk van God.

In Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36) zegt de Here Je­zus: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”. Het Koninkrijk van God is een geestelijk, onzicht­baar koninkrijk. Dit is overigens ook het geval mét de heerschappij van de duivel. Ook hij ope­reert vanuit de geestelij­ke, onzichtbare wereld. De gevolgen van beide koninkrijken worden na­tuurlijk wel duidelijk zichtbaar in het natuur­lijke leven. Als we ons bevinden in het Konink­rijk van de Here Jezus, als we met Hem en door Hem leven, dan zal ons bestaan worden geken­merkt door harmonie, vrede, veiligheid, blijd­schap, frisheid, liefde, begrip, vriendelijkheid. Wat is het aantrekkelijk om in dit Koninkrijk te handelen en te wandelen!

De uiterlijke resultaten van een leven onder het zware juk van satan zijn: haat, wanorde, onvrede, onze­kerheid, angst, depres­siviteit, onbegrip. Wat is zo’n bestaan eigenlijk triest en onaantrekkelijk!

Daarom is het dat Johannes jou en mij waarschuwt: Heb die wereld niet lief. Houd je niet bezig met de gedach­ten die daar heersen. Als je het wel doet, zal er geen ruimte en geen mogelijkheid meer zijn voor, de liefde van Vader.

Vader, die zijn Zoon gaf opdat het voor jou moge­lijk zou worden je van die duistere, opgejutte wereld te distantiëren. Ook al ben je er midden­in, je hebt de mogelijk­heid om er – geestelijk – afstand van te nemen. Die mogelijkheid heeft Jezus Christus jou en mij gegeven toen Hij voor eeuwig de macht van sa­tan brak en de dood – – in al zijn facetten – overwon. In 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 3:8) staat: “Hiertoe is de Zoon van God ge­openbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” . Wij hebben dat met Pasen herdacht. Het is een levende werkelijkheid die in ons leven op dit mo­ment mag en kan functioneren. Vind je dat niet te gek? Ik wel!

“Kijk toch eens, wat een liefde Vader ons toont, dat we door Hem kinderen Gods wor­den genoemd! En we zijn het ook!”

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (9)

Het oordeel over de duivel

Het sterven brengt in de zichtbare wereld scheiding met de leden van de gemeente die op aarde verder werken en strijden. In de geestelijke wereld blijft het echter een onverbrekelijke eenheid. Het is één lichaam waar Jezus het hoofd van is. “Eén lichaam en één Geest, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen” Efeze 4 vers 4 tot en met 6 (Ef. 04:04-06) .

Er is voor de gestorvenen geen strijd meer tegen het rijk der duisternis. De duivel is de overste van de wereld, niet van de hemel. Hij is uit de hemel geworpen Ezechiël 28 vers 17 (Ez. 28:17) en verbonden met de tijdelijke, stoffelijke wereld. Hij is overste van deze wereld, van deze eeuw. Daarom is hij ook de overste van de macht der lucht, het geestelijke leven dat bij de aarde behoort. Hij zal er in de toekomende eeuwen dan ook niet meer zijn. Dan zijn de eerste hemel en de eerste aarde voorbijgegaan Openbaring 21 vers 1 (Openb. 21:01) .

Het oordeel over- hem luidde: “Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het gedierte des velds, op uw buik zult gij gaan (er is geen verheffing mogelijk) en stof zult gij eten, zolang gij leeft… en het zaad zal u de kop vermorzelen” Genesis 3 vers 14 en 15 (Gen. 03:14-15) . Hij kan alleen de mens verleiden, belagen, kwellen en pijnigen, zolang deze in een lichaam van vlees en bloed (stof) is. Als een mens sterft is hij rechtens vrij van zonde(machten)” Romeinen 6 vers 7 (Rom. 06:07). Dat geldt evenzo voor de mens die buiten Jezus Christus sterft. Die gaat naar het dodenrijk en ondervindt daar ook geen pijn of onderdrukking meer. Hij wordt daar ‘bewaard tot de jongste dag’ Johannes 11 vers 24; Daniel 12 vers 13; Openbaring 20 vers 13  (Joh. 11:24; Dan. 12:13; Openb. 20:13) , ‘het laatste oordeel’ Daniel 12 vers 2; Matteüs  25 vers 32; Openbaring 20 vers 12 (Dan. 12:2; Matt. 25:32; Openb. 20:12) . (Dit zullen wij hier nu niet verder uitwerken) .

Vergelding naar ieders werk

Van hen die in Jezus Christus sterven, zegt Openbaring 14 vers 13 (Openb. 14:13): “En ik hoorde een stem uit de hemel zeggen: Schrijf, zalig de doden, die in de Here sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na”-. De Willibrordvertaling zegt: “Laat hen uitrusten van hun ‘moeten’ (‘zwoegen’, vert. Petrus Canisius) “Want hun daden vergezellen hen” . Er is rust van de strijd en de moeite. En het werk, tijdens het aardse leven, is niet tevergeefs geweest, maar vergezeld hen als een kostbare schat, als een schitterend wit kleed Psalm 62 vers 13 en Efeze 6 vers 8 (Ps. 062:013; Ef. 06:08).

Openbaring 19 vers 8 (Openb. 19:08)zegt: “En haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen” . Dat is de schat die wij in de hemel verzamelen en die tot in eeuwigheid blijft Matteüs 6 vers 20 (Matt. 06:20) . Het is de statuur van het geestelijk lichaam zoals de drie apostelen dit mochten zien op de berg der verheerlijking van onze Heer Jezus Christus, Matteüs 17 vers 2 (Matt. 17:02). Paulus schrijft in 2 Korinthiërs 5 vers 2 en 3 (2 Kor. 05:02-03): “Want hierom zuchten wij: wij haken er naar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden” .

Wat die statuur betreft moeten wij niet meten met onze menselijke maatstaven, want Jezus leert ons in de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard, dat God goedertieren is. Of men een uur gewerkt heeft of de hele dag de hitte van de dag doorstaan heeft, Hij betaalt een ieder hetzelfde loon uit (Matt. 20:1-16) . Het is bij de Heer geen kwestie van prestatie leveren maar van genade. Wel zegt Paulus dat er verschil zal zijn. “De glans van de zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de ander in glans. Zo is het ook met de opstanding der doden” 1 Korinthe 15 vers 41 (1 Kor. 15:41).

Herstel ook na het sterven

De gemeente op aarde gaat door met haar werk. Steeds helderder spreekt de Heilige Geest tot de gemeente. Het proces van herstel, heiliging en reiniging gaat door. “De Heilige Geest is tot verlossing van het volk, dat Hij zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid” Efeze 1 vers 14 (Ef. 01:14).

Zo werkt de Heilige Geest ook door in de gestorven heiligen. Als iemand nu sterft is hij nog niet onberispelijk naar geest, ziel en lichaam. Er is geen herstel meer mogelijk van het aardse lichaam; dat wordt begraven en keert weer tot stof. Maar de geest zal steeds verder opgericht worden en vervuld worden met de rechte kennis van Hem, de volle waarheid. Het zieleleven, het gevoelsleven, waarmee we de goddelijke heerlijkheid zullen beleven, moet volmaakt hersteld worden. Alle misvorming, juist op dit terrein door de duivel aangericht, zal in een klimaat van volkomen liefde genezen. Ook na het sterven gaat door wat Paulus zegt in Efeziërs 4 vers 16 en 17 (Ef. 04:16-17): “dat door de kracht van de Heilige Geest, Christus in de harten volledig woning make” . Wij blijven het eigendom van de Heer of wij nu leven of sterven Romeinen 14 vers 8 (Rom. 14:08). Psalm 48 vers 15, Willibrordvertaling, zegt (Ps. 048:015): “Zie, deze is God, ónze God, in tijd en eeuwigheid, die tot over de dood ons zal leiden” zie ook: 1 Thessalonicenzen 5 vers 10; Romeinen 14 vers 9 (1 Thess. 05:10 en Rom. 14:09). De Heer werkt door en Filippenzen 1 vers 6 (Filip. 01:06)zegt daarom: “Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus” .

De laatste bazuin, de dag des Heren

Op de dag van Christus zal de gemeente in zijn totaliteit geheiligd en gereinigd zijn, onberispelijk naar geest, ziel en lichaam. “Die u roept is getrouw, Hij zal het ook doen” 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24). Op die dag van Christus – als de zevende bazuin zal klinken – zal de verheerlijking van de gemeente plaatsvinden en de vereniging van de gestorvenen en hen die nog levend zijn achtergebleven, met Hem.

Wat Paulus hiervan heeft opgetekend is heel belangrijk om de geestelijke werkelijkheid te verstaan. Hij zegt: “Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen (die dan nog niet ontslapen zijn) zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen” 1 Korinthe 15 vers 51 tot en met 53 (1 Kor. 15:51-53). Dit is ook wat Paulus bedoelt ’in Romeinen 8 vers 11 (Rom. 08:11) als hij schrijft over het levend maken van onze sterfelijke lichamen door de Heilige Geest.

In een ‘ondeelbaar ogenblik’ zal het geschieden zegt Paulus. De attente gemeente wordt er niet door verrast, want de bazuin is het spreken van de Heilige Geest in de gemeente. De antichrist heeft de getuigen gedood; hun lichamen liggen drie en een halve dag op de straten Openbaring 11 vers 7 tot en met 9 (Openb. 11:07-09) . Met hun geestelijk lichaam zijn ze evenwel in het dodenrijk en proclameren daar de overwinning, evenals Jezus Christus dit gedaan heeft 1 Petrus 3 vers 19 (1 Petr. 03:19). De Heilige Geest heeft hun echter niet verlaten en door die kracht staan ze weer op en wordt het stoffelijk lichaam wat op straat ligt, verzwolgen in de overwinning, evenals bij Jezus Christus op de paasmorgen Efeze 1 vers 19 en 20 (Ef. 01:19-20) . En zoals Jezus Christus de weg baande voor de doop in de Heilige Geest, zo banen deze getuigen de weg voor de verheerlijking van de gehele gemeente en de wederkomst van de Heer, door de kracht van de Heilige Geest.

Het geheimenis van God voltooid

In 1 Thessalonicenzen 4 vers 13 tot en met 17 (1 Thess. 04:13-17)beschrijft Paulus deze geweldige gebeurtenis als volgt: “Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus terug brengen met Hem.

Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achter blijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen” .

Paulus stelt nadrukkelijk: “Dit zeggen wij u met een woord des Heren” . Dit is dus niet een of ander menselijk verdichtsel, maar goddelijke openbaring, goddelijke waarheid. Zó zal het geschieden en niet anders. Op die grote dag zal er een gemeente zijn: stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en onbesmet Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27). Een gemeente die bestaat uit zonen Gods, die de strijd niet geschuwd hebben, maar daar sterk in zijn geworden. Een gemeente die door de grote verdrukking is gegaan, door die zee van glas met vuur vermengd Openbaring 15 vers 2 (Openb. 15:02) , maar daarin de golven (de machten der duisternis) heeft neergeslagen en de duivel van zijn heerschappij heeft beroofd Zacharia 10 vers 11 en 12 (Zach. 10:11-12).

Het geheimenis Gods is dan voltooid, zoals Openbaring 10 vers 7 (Openb. 10:07)zegt: . “.Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd”. “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn gezalfde (de gemeente) en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” Openbaring 11 vers 15b (Openb. 11:15b) . De gemeente van Jezus Christus, de geopenbaarde zonen Gods, met hun Heer aan het hoofd, zal verlossing, bevrijding, genezing, herstel en kennis des Heren brengen aan de zuchtende schepping. “Van Sion zal het heil en de wet uitgaan” Jesaja 61 vers 4 en Jesaja 2 vers 3 (Jes. 61:04; Jes. 02:03). Tot in alle eeuwigheden zal de gemeente dat koninklijke priesterschap vervullen. Ook als God zal zijn ‘alles in allen’ 1 Korinthe 15 vers 28c (1 Kor. 15:28c) dan zal in die geweldige theocratie de gemeente het koningschap vervullen.

Leven met een verheerlijkt lichaam

De gemeente is bij de zevende bazuin dus tot totale behoudenis gekomen. De mens is namelijk pas voltooid als hij ook een verheerlijkt lichaam heeft. Petrus noemt dat ‘het einddoel des geloofs, de zaligheid der zielen’  1 Petrus 1 vers 9 (1 Petr. 01:09). Dit verheerlijkte lichaam behoort niet bij de stoffelijke wereld en is dus volledig onttrokken aan de macht van de duivel en zijn (antichristelijke) rijk. Met dit lichaam is het echter wel mogelijk op aarde te zijn en te functioneren. Niet meer als natuurlijke mensen met de natuurlijke opdracht Genesis 1 vers 28 (Gen. 01:28), maar als geestelijke, volwassen zonen Gods, zoals Jezus Christus na zijn opstanding. Evenals Jezus Christus kan de verheerlijkte mens zich terugtrekken in de geestelijke, onzienlijke wereld. Paulus zegt in Filippenzen 3 vers 21 (Filip. 03:21) dat Jezus Christus, als verlosser, ons vernederd (sterfelijk) lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt.

Jezus heeft zich veertig dagen vertoond aan zijn discipelen met dit verheerlijkte lichaam. Het was niet een soort visionair verschijnen maar heel concreet met een lichaam van vlees en bloed en beenderen, terwijl het toch volledig onderworpen was aan geestelijke wetten en niet meer aan natuurlijke. Als zijn discipelen schrikken en denken een geest te zien, dan zegt Jezus in Lucas 24 vers 39 (Luc. 24:39): “Ziet mijn handen en mijn voeten, dat Ik het  zelf ben; betast Mij en ziet, dat een geest geen vlees en beenderen heeft , zoals gij ziet, dat Ik heb”.

Lukas vermeldt in Handelingen dat Jezus zich met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hen verschijnende en tot hen sprekende over alles wat het Koninkrijk Gods betreft (Hand. 1:3). Hij verscheen, Hij onderwees, Hij zat met hen aan, wat zeggen wil dat Hij met hen de maaltijd gebruikte. Kortom: Jezus had een lichaam zoals wij dat nu ook kennen en wij zullen er onbelemmerd mee kunnen werken, maar het is onsterfelijk, niet meer stoffelijk en volkomen onderworpen aan de Geest.

En de familieband is dan niet meer van de aarde: vader-moeder; man-vrouw; kinderen, enz., maar de familieband is dan het zoonschap Gods. Als Jezus vragen gesteld worden over huwelijksbetrekkingen bij de opstanding (Luc. 20:27-36) , dan zegt Hij in vers 36b: “Immers zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen (zonen) Gods, omdat zij kinderen (zonen) der opstanding zijn”. ‘Aan de engelen gelijk’, waarbij ook geen man of vrouw of huwelijksbetrekking meer is. Jezus bedoelt te zeggen dat het huwelijk en familiebanden bij de aarde, bij het vlees behoren. In de opstanding zijn er geen huwelijksbetrekkingen en aardse familiebanden meer.      (wordt vervolgd).

1987.04 nr. 280

Levend geloof 1987.04 nr. 280

Scheiding en onderscheiding door Gert Jan Doornink

Een oud liedje zegt: “Scheiden doet lijden, afscheid brengt leed”. Het geeft aan wat er plaatsvindt in ons gevoelsleven als we afscheid moeten nemen van iemand die ons lief is. Over deze vorm van scheiding willen we het echter in dit artikel niet hebben, maar over de scheiding die plaats vindt en een gevolg is van ons geloof in Christus. We willen het hebben over de scheiding van de machten der duisternis, de scheiding van de zonde, kortom de scheiding van alles wat onze gemeenschap met God in de weg staat. Deze scheiding wil God aanbrengen in ons leven, opdat we aan Zijn doel beantwoorden, en het wezen, het karakter van Hem tot openbaring brengen.

Reeds in het begin van de Bijbel lezen we, in de geschiedenis van Kain en Abel, hoe God wil dat we niet beheerst zullen worden door de zonde, maar dat wij over de zonde zullen heersen. Als het offer van Abel wordt aangenomen en dat van Kain niet, lezen wij dat Kain zeer toornig wordt en zijn gelaat betrekt. Dan spreekt God tot Kain: “Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie, gij moet heersen” (Gen. 04:06-07).

De eerste scheiding in ons leven

De eerste scheiding in ons leven voltrekt zich als we tot geloof komen in Christus. Dan worden we overgezet vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus. Paulus formuleert het in Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13) met deze woorden: “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden”. Dit is een geweldige gebeurtenis, een totale verandering, want door ons geloof in het volbrachte werk van Christus zijn wij een nieuwe schepping geworden. 2 Korinthiërs 5 vers 17 (2 Kor. 05:17) zegt: “Zo is dan wie in Christus is ecu nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”. Nu moeten we oppassen en met denken: ‘Nu zijn we er, mij kan niets meer gebeuren’, want dan lezen wij over het hoofd dat er staat: ‘Het nieuwe is gekomen’. Dit nieuwe leven is dus aanwezig, maar moet tot groei en wasdom komen. Velen maken hier een grote denkfout met als gevolg dat er geen verlangen is om geestelijk te groeien, ja men gaat zich hier zelfs tegen verzetten. Men klampt zich vast aan verkeerde leringen en wordt geen overwinnend christen.

Wat we moeten onderkennen is dat na de eerste scheiding in ons leven er verdere scheidingen behoren te volgen. Het proces van groei naar de volwassenheid is begonnen op de dag dat we Christus hebben aangenomen. Blijft die groei achterwege dan blijven we in een beginstadium steken en – wat het ergste is – heeft de duivel eigenlijk vrij spel in ons leven… Dat was ook bij Kain het geval. We lezen hoe hij ‘zeer toornig werd, en wat nog meer zegt: zijn gelaat betrok. In de oorspronkelijke tekst staat: zijn gelaat viel. Hij kon God niet meer recht in de ogen kijken. Blijkbaar was Kain iemand die niet leefde in volkomen gemeenschap met God, of in ieder geval was hij niet op zijn hoede. Hij handelde niet goed, staat er. Er was een ‘macht’ in hem werkzaam. Er valt in dit opzicht bij heel wat kinderen Gods nog wel het één en ander op te ruimen. Denk bijvoorbeeld aan de ‘machten van het voorgeslacht’, die vaak een grotere rol spelen dan wij denken. Wie geen verlangen in zich heeft geestelijk te groeien is in feite nog gebonden , want wie werkelijk geestelijk wil groeien heeft een verlangen in zich gescheiden te leven van de machten der duisternis.

Hebben wij dat verlangen? Willen wij gehoorzaam zijn? Dan mogen we er zeker van zijn dat God het in ons gaat bewerken. Hij gaat meer en meer scheiding aanbrengen. Niet op een wijze die wij passief over ons laten komen, maar waarbij wij actief betrokken zijn! Het eerste wat God namelijk doet is ons Zijn Geest aanbieden! Zonder de doop en vervulling met de Heilige Geest komt er van een verdere scheiding in ons leven niets terecht.

Geen scheiding zonder onderscheiding

Eén van de gevolgen van de vervulling met de Heilige Geest is dat we gaan onderscheiden wat uit de goede en wat uit de verkeerde bron afkomstig is. Paulus noemt in 1 Korinthiërs 12 als één van de uitingen van de Geest, het onderscheiden van geesten. Met andere woorden: we krijgen inzicht met welke geest we te maken hebben. Dus niet in Zijn     algemeenheid, maar in

bijzonderheid. De Heilige Geest geeft ons inzicht om op geestelijke wijze juist te kunnen handelen. En dat hebben we nodig! Velen hebben wel ‘natuurlijk inzicht’ maar het gaat om het ‘geestelijke inzicht’. In Hebreeën 5 vers 13 en 14 (Heb. 05:13-14) staat: “Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad”.

Dit is het wat we nodig hebben in deze tijd, want het doel van God met zijn gemeente is een volmaakte gemeente. Dat is een gemeente die werkelijk gescheiden is van de machten en waarin dus de duivel op geen enkele wijze meer infiltreren kan. In de Bergrede sprak Jezus: “Gij dan zult volmaakt zijn, ..gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” (Matt. 05:48). Maar Hij sprak ook: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is” (Matt. 07:21).

Paulus schrijft in Filippenzen 1 vers 9 tot en met 11 (Filip. 01:09-11) : “En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God”. Kunnen wij onderscheiden waarop het aankomt? Laat niemand ontmoedigd zijn door de gedachte: ‘Bij mij is het nog niet zover…’ Of: ‘Ik heb al zo vaak gefaald, het zal bij mij ook nooit zover komen…’ Laten we afrekenen met déze negatieve gedachten en denken aan de geschiedenis van Kain en Abel. Kaïn faalde en hoe… Toch gaf God hem als het ware een nieuwe kans. Hij gaf hem een teken, dat niemand, die hem zou aantreffen, hem zou verslaan (Gen. 04:15). Kain bleef ook na zijn misdaad in gesprek met God en toonde berouw (Gen. 04:13).

Nu moeten we dit niet opvatten als een soort vrijbrief om maar te zondigen. Integendeel: Paulus zegt in Romeinen 6 vers 1 en 2 (Rom. 06:01-02): “Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?” Wat is eigenlijk zonde? Zonde is ongeloof, zonde is staan in dienst van de duivel, zoals 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08) zegt: “Wie de zonde doet, is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne”. Zonde hoort niet bij de nieuwe mens. Bij de nieuwe mens hoort de inwonende kracht van de Heilige Geest. Die doet ons triomferen, die geeft ons kracht om te overwinnen en te heersen over de zonde en de machten der duisternis. En uiteindelijk zal de volgroeide nieuwe mens meehelpen Gods schepping te herstellen. En taak waar ieder

 

waarachtig kind van God nu reeds bij betrokken is. Hij brengt immers scheiding aan tussen licht en duisternis in eigen leven en in de levens van anderen. “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”, zegt Johannes in zijn eerste brief. Wat een perspectief dat uiteindelijk ook in Zijn schepping elke vorm van duisternis zal zijn verdwenen als de grote scheiding tussen licht en duisternis zal zijn voltooid!

 

De Heer is waarlijk opgestaan! (gedicht) door Piet Snaphaan

‘t Gesproken Woord, vervuld voorwaar,

De tijd was vol, de tijd was daar,

De Heer had eenmaal zelf gezegd:

Breek deze tempel af en Ik leg,

Het fundament voor eeuwig weer,

Drie dagen bouw Ik zonder meer.

Geen macht heeft ’t tegendeel bewezen,

De ware Tempel is herrezen!

Hoe wonderbaar is ’t al geschied,

Men hoorde ’t wel, doch vatte het niet.

Toch is ’t voorzegde uitgekomen,

Hij heeft de dood zijn kracht ontnomen.

Prijst Hem, die ons is voorgegaan,

Verheerlijkt is Hij opgestaan!

 

Gods wil en onze wil door Evert van de Kamp

 

“Uw wil geschiede…” (Matt. 06:10).

In Lukas 11 vers 1(Luc. 11:01)  ‘’lezen we: “En het geschiedde, terwijl Jezus ergens in ge­bed was, dat één van zijn discipelen, toen Hij op­hield, tot Hem zei: Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft”.

Zo werd het, wat wij dan noemen, ‘Onze Vader’ ge­boren. Velen spreken over het volmaakte gebed. Wie echter deze woorden van Jezus op natuurlijke wijze hanteert vertilt zich er deerlijk aan. Dit geldt trouwens voor alle woorden Gods. Jezus heeft dit met­een doorzien. Ook zijn discipelen handelden nog dikwijls als onveranderde mensen.

Daarom leidt Hij – zie Matteüs 6 vers 9 – (Matt. 06:09) de woorden in met: “Bidt gij dan aldus”. Aldus, dat is op deze wijze, op geeste­lijke wijze. Dit gebed ‘is alleen geestelijk te ver­staan.

Gezonde weerstand

In de loop der kerkge­schiedenis is er veel aan­gerommeld met de gebeden van het “Onze Vader”. De woorden van Christus werden en worden nog vaak verlaagd tot een for­muliergebed, een formule. Of gedegradeerd tot een aflaat. Bidt maar zoveel ‘Onze Vaders’, dan is het wel goed. Het is op het occulte af, als het al niet occult is. Menige ‘genezerbegint zijn werk met dit gebed.

Geen wonder dat velen tegenwoordig vérzet in zich voelen opkomen tegen dit ‘automatisch’ bidden. Ik denk dat dit een gezon­de weerstand is. Maar be­ter is te vragen naar de geestelijke betekenis en dienovereenkomstig ge­bruik te maken van de woorden van Jezus.

De enige oplossing

Wie kan de ware zin van het gebed dat Jezus ons leerde vatten? Dat is belangrijk, want het gaat niet aan om deze woorden, zoals sommigen doen, maar te verwijderen uit de Bijbel of ze bijvoor­beeld te bestemmen als alleen geldig voor de Jo­den.

Ook hier is weer dat de oplossing komt door de doop met Gods Geest. De­gene die de Heilige Geest heeft ontvangen, kan door die Geest de geeste­lijke betekenis van dit gebed gaan begrijpen. Die leert woord voor woord geestelijk te overdenken.

Neem nu de derde bede: “Uw wil geschiede”. Dat zeg je niet zomaar even in je eigen leven, zo dat het dan ook helemaal waar is. Dat leer je alleen als je een geestelijk mens bent en geestelijk handelt.

De apostel Paulus getuigde van zijn oude leven: “Niet wat ik wens (wil), het goede, doe ik, maar wat ik niet wens (wil), het kwade dat doe ik” (Rom. 07:19). Maar dat verandert radicaal als de Geest van God in de mens woning krijgt. Dan verandert zijn wil. Zelfs in de richting van het “Uw wil geschie­de”. De heerlijkheid van deze bede wordt ontdekt.

Geen doemdenken

Het is onzin om te zeggen: Je wil moet gebroken wor­den. Je moet zelf niets meer willen, je bent immers niks en daarom kun je ook niks. Dan beweeg je je aardig in het straatje van de tegenstander, die er altijd op uit is om je als mens volkomen te breken.

Onze Heer breekt ons ech­ter niet, maar Hij herstelt en bouwt ons enkel op. Hij legt geen doem op ons. Integendeel, God wil voor de mens het goede, welge­vallige en volkomene. Dat is zijn uitgesproken wil. Geen slaafse houding. Van ziekte, nood en ongeval mogen wij nooit zeggen: Uw wil geschiede. Dat is Gods wil nimmer. Zulke zaken kunnen niet voortkomen uit zijn vaderlijke hand, omdat het Hem we­zensvreemd is; dus mag het ons wezensvreemd zijn. Vervuld met Gods Geest ga je iets geweldigs ont­dekken. Dat is het diepste verlangen in jezelf om voortaan Gods wil te vol­brengen in je leven. Om Gods wil te gehoorzamen.

Een heilig verlangen

Dat is het verlangen van de Heilige Geest in je om uitsluitend de weg van God te gaan. Jezus zelf zei tegen de Vader: “Zie, hier ben Ik om Uw wil te doen” (Heb. 10:09a). In, Gethsémané, in het allergrootste en felste lijden, is zijn gebed: “Niet Mijn wil geschiede, maar de Uwe”. Wat de Heer ande­ren in het ‘Onze Vader’ had voorgehouden, beleeft Hij hier zelf geestelijk ten diepste. Het is zijn op­gang in de hoge, de grootste overwinning door Gods Geest.

In ons leven mag dit ge­weldige werk van de Hei­lige Geest zich precies zo voltrekken. Het is de Geest van God die de wil van God uitwerkt in de met de Heilige Geest ver­vulde mens. Je wordt gelijk willend met God. Je ontdekt: Wat God wil, dat wil ik ook. Je kiest wat de Heer wil dat je zult kiezen. Dat is je nieuwe verlangen, een heilig ver­langen. Een wonderbaar werk van de Geest Gods in je. De Heilige Geest schrijft Gods wil in je eigen hart (Heb. 10:16). Een wonderlijk heerlijk werk. In die weg maak je jezelf in volkomen vrijheid helemaal afhankelijk van de wil van God de Vader.

Voor wie Gods Geest niet heeft ontvangen, moet dit wel een grote dwaasheid lijken. Maar wie werkelijk met Gods Geest gedoopt is, bemerkt dat God jouw eigen geest in volmaakte harmonie brengt met Hem­zelf. Het “Uw wil geschiede” functioneert. Geeste­lijk. Je gaat meer en meer op de Heer lijken.

Dat is vrede

Die geestelijke groei be­werkt een rust en een vrede, die je alleen bij de Heer zelf vindt. Je beleeft dat de Heer zelf het willen en het werken in je be­werkt. Om – dat is heel mooi – zijn welbehagen (Filip. 02:13). Het “Uw wil geschiede” is dan geen ‘must’ meer. Geen wet, geen probleem, maar hei­lig verlangen dat wordt waargemaakt. Dat is één van de meest kostelijke veranderingen in een men­senleven. De wil van God prevaleert. Je weet – en daarvan mag je volop genieten – dat is het aller­beste voor mij.

Iets anders dan uitslui­tend het beste heeft de Heer niet met je voor. Vanuit die harmonie en vrede wil je in alle strijd maar één ding, namelijk dat de wil van de Heer zal geschieden. Een gro­ter overwinning is er niet.

Op deze wijze kon de apostel Petrus in zeer groot doodsgevaar, ge­boeid met ketenen tussen twee soldaten in, nog rustig slapen. Hij had één ding in zijn leven door alle strijd geleerd en dat is: De wil van de Heer geschiedt, alle tegenstanders ten spijt.

“Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, zelfs mijn vlees zal in veiligheid wonen” (Ps. 016:009).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Groeien

Als jongen van acht jaar was hij enorm onder de indruk gekomen van een imponerende ‘baardman’. Een broeder, die in hun samenkomst kwam spreken, had een lange volle baard. De jongen vond het prachtig. Zoiets zou hij ook wel willen hebben. En aangezien je al je wensen bij God bekend mocht maken, schroomde de jongen niet om ’s avonds voor zijn bed te knielen en vol geloof de Heer om zo’n mooie baard te bidden.

De volgende zondag zat de jongen met een onverhoord gebed en tijdens de  preek hoorde hij dat je voor verhoringen en overwinningen in je gebedsleven wel eens moest vasten. Dus besloot de jongen regelmatig een dag te gaan vasten en bidden voor een baard. Echter zonder resultaat. Zijn jongenshuid toonde geen veranderingen en de baardgroei bleef uit!

Later, toen de jongen in de puberteit kwam, was hij allang niet meer aan het bidden en vasten voor een baard. Maar toen kwam de baardgroei wel op gang, zelfs zonder gebed. Door de veranderingen in zijn lichaam, rijpte hij in zijn mannelijkheid en door die rijpheid kreeg hij een baard.

Groeien, dat doen we allemaal, als het goed is. We zijn bezig, dagelijks, te rijpen in de zon van de heerlijkheid van God. God kon de wens van de jongen niet verhoren, omdat hij nog niet’ rijp was voor een baard. Het zou geen gezicht zijn geweest, een jongenslichaam met een knots van een baard. Dit vertrouwen mocht de jongen hebben: die baardgroei en daarmee de baard komt! Als ik ouder ben geworden, rijper, mannelijker, dan zul je het zien, helemaal geen probleem meer; die baard komt te voorschijn!

Dit vertrouwen mogen wij op God hebben: We groeien! En al de dingen waar je van hoort of leest in Gods Woord, en waar je in gelooft, maar soms nog niet uitgewerkt ziet: je zult het meemaken, ze komen tevoorschijn in je leven.

De vruchten komen, passend bij de rijpheid waarin we zijn. Ze komen tot eer van God.

Rust in dat besef en verhinder je eigen groei niet.

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (6)

De mens is geroepen te dienen en te bewaren

We gaan in deze aflevering verder met het tweede scheppingsverhaal. Het eerste scheppingsverhaal geeft de achtergrond, met de mens als eindpunt. Het tweede scheppingsverhaal geeft de antropologie: de leer van de mens.

In Genesis 2 vers 8a (Gen. 02:06a) zien we dat de Here God een hof in Eden plant. Het woord ‘paradijs’ komt in de Hebreeuwse tekst niet voor. In de Septuagint, de Griekse vertaling van het oude testament, wordt over het paradijs gesproken. Het woord ‘paradijs’ is een Perzisch leenwoord. Het betekent: afgesloten ruimte, afgebakend gebied, een omheinde tuin. Dan lezen we in vers 8b dat God de mens, die Hij geformeerd had, in de hof plaatst. In vers 9 krijgen we het probleem van de twee bomen: de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad.

“En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden (met de bedoeling) om die te dienen” (Gen. 02:15). Ik wil dit speciaal benadrukken. Er is vertaald met: bewerken. Er staat echter hetzelfde woord als in vers 5: Er was geen adam (geen mens) om de adamah (de aardbodem) te dienen. De allereerste omschrijving van het menszijn is’; dienen; de mens is van huis uit: dienaar. Hetzelfde woord komt in Jesaja terug als de knecht des Heren: Ebed Adonai. Hier wordt al in de leer aangaande de mens het fundament gelegd:

  1. De mens is geroepen om te dienen.
  2. De mens is geroepen om te bewaren.

Vers 15 maakt duidelijk dat de mens de opdracht heeft om te bewaren wat Gód bewaart. In hoofdstuk 4 komen ‘dienen’ en ‘bewaren’ opnieuw voor. De hoofdstukken 2 tot en met 4 vormen een verhaal, gebouwd op hetzelfde patroon.

En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven” (Gen. 02:16-17) . Er staat: ‘moet gij sterven, ja sterven’. We zien de herhaling van, de kernwoorden. Als het Hebreeuws iets met nadruk wil zeggen, wordt het’ werkwoord herhaald, in een iets afwijkende vorm. In’ onze vertaling wordt zoiets weergegeven met: voorzeker, terdege, stellig, etc. Het is beter om de werkwoordsvorm te herhalen. In ‘ deze tekst worden twee werkwoorden herhaald, namelijk eten en sterven. Op deze punten valt de volle nadruk. Wij moeten hier niet zozeer spreken van een straf, maar van een gevolg. Het sterven is een gevolg van het eten Het is een geestelijke wet! Het gebod is niet willekeurig door God gekozen, om de mens uit te proberen of om hem een strik te zetten. Het eten van die speciale boom heeft als gevolg: ‘dan moet gij sterven, ja sterven’.

God plaatst de mens in de dialoog

“En de Here God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past”. Het is de eerste keer dat er gezegd wordt dat iets niet goed is. Er staat eigenlijk iets wat veel dieper reikt: een hulp als zijn tegenover’. De vrouw wordt het tegenover van de man. Het heeft te maken met partnerschap. ‘Tegenover’ houdt ook in: op hetzelfde niveau. Het wil óók zeggen: van aangezicht tot aangezicht. De dieren staan onder de mens; niet tegenover de, mens. De mens had nog niets wat tegenover hem stond, alleen iets wat ónder hem stond. Ook de engelen zijn lager in rang dan de mens. God maakt iets op zijn niveau, waar hij van aangezicht tot aangezicht mee kan omgaan. Een heel wezenlijk punt in verband met de leer aangaande de mens is, dat God de mens van meet af aan in de dialoog plaatst. God zet de mens in het gesprek.

Een volgend punt komt er als het ware tussenin. In vers 19 lezen wij namelijk: “En de Here God formeerde uit de aardbodem (adamah) al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het bij de mens, om te zien hoe deze het noemen zou”. Er staat: ‘hoe deze het roepen zou’. De mens krijgt de opdracht om al het levende, elk levend wezen, te roepen.

Het roepen van een naam is in de bijbel een erg belangrijk punt. Het roepen van de naam is de voltooiing van de wording van een wezen. De adam, de mens, wordt hier een medeschepper met God! Hij mag het scheppingswerk voltooien. ‘Jij moet ze hun naam roepen’. Vers 19 b zegt: “Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend, wezen noemen zou, zo zou het heten”. Letterlijk staat er: ‘om te zien hoe deze het roepen zou. En zoals de mens elk levend wezen zou roepen, dat was zijn naam’ (niet: zo zou het héten).

De bijbel is geen Nederlands boek, maar-een Hebreeuws boek. Wij zullen ons moeten aanpassen aan het Hebreeuwse denken, het denken van de bijbel. De bijbel moet zich niet aanpassen aan óns. De bijbel moet niet bij de méns gebracht worden, maar de mensen moeten bij het wóórd gebracht worden, bij de gedachten van Gód.

‘Hoe heet je’, is Nederlands. Dé bijbel zegt: ‘Wat is zijn naam?’ In onze bijbel gaat een essentieel begrip verloren; de naam: ‘zo zou zijn naam zijn’. Iemands naam is zijn identiteit. Adam heeft een enorme creativiteit aan de dag gelegd; hij was medeschepper met god. Hiervoor moest Adam al veel in zijn mars, hebben. Adam moest de identiteit van het dier verstaan en hij moest hun naam uitspreken. God heeft Adam helemaal in Zijn’ werk betrokken en hem een arbeidsveld, een werkterrein gegeven, om zijn geest te oefenen en zijn vermogen te ontwikkelen. Als je ‘de naam roept’, betekent het dat je gezag hebt. Vers 20: “En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp die bij hem paste”. Letterlijk staat er: ‘De mens riep met name al het vee, het gevogelte des hemels en het gedierte des velds, maar voor een mens vond hij geen hulp als tegenover hem’.

De parallel tussen vrouw en Tabernakel

“Toen deed de Here God een diepe slaap op de mens vallen (‘diepe slaap’, kan ook betekenen: verdoving. Het is bijna weer te geven met: narcose. In Genesis 15 vers 12 (Gen. 15:12) staat het hetzelfde woord: Er valt een diepe slaap op Abraham); en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees” (Gen. 02:21). De vrouw wordt gebouwd uit de rib. Hetzelfde woord ‘rib’ komt in Exodus 20 keer voor in verband met de bouw van de tabernakel. Er is een parallel tussen het bouwen van de vrouw en het bouwen van de tabernakel, de tent. Het woord ‘component’ is voor het Hebreeuws veel te abstract. Het Hebreeuws denkt veel meer in béélden. Zowel de vrouw als de tent zijn beeld van de gemeente. We zien een prachtige parallel tussen het scheppingswerk van God en het ontwerpen van de tabernakel. God bouwt Eva en God bouwt de tabernakel.

“En de Here God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. Toen zeide dé mens (let op de reactie van de mens als hij Eva voor het eerst ziet) : Dit is nu eindelijk been van mijn been en vlees van mijn vlees; deze zal ‘mannin’ heten, omdat zij uit de man genomen is.

(‘Mannin’ is een hulpvertaling. Het Hebreeuwse woord voor ‘man’ Isj; het woord voor ‘vrouw’ is: Isjah, de vrouwelijke, vorm van het woord ISJ). Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees worden. In Deuteronomium 10 vers 20 (Deut. 10:20) wordt ‘aanhangen’ gebruikt in verband met Gód. Uitgaande van het begin, wordt het principe voor alle tijden gesteld: een man zal zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen. En zij waren beiden naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet” (Gen. 2:22-25) .

Het ‘herkennen’ (vers 23a) is een wezenlijk punt. Wat uit God is herkent elkaar! God hoefde Adam geen handleiding te geven of hem een soort Bijbelstudie te geven, maar er is een herkenning van hart tot hart.  

 

De betekenis van de uitdrukking: ‘Been en vlees’

De uitdrukking ‘been en vléés’ is erg belangrijk en komt zeven maal in de Schriften voor. Er moet hier zeer nauwkeurig vertaald worden. ‘Gebeente’ is je persoonskern, je diepste identiteit, de ruggengraat van je wezen. Het natuurlijke gebeente is beeld van iemands persoon. Daarom speelt het gebeente van Jozef een belangrijke rol bij de uittocht. Jozef zegt profetisch: ‘Je zult mijn gebeente mee omhoogvoeren naar het land’. Het boek Genesis eindigt met het gebeente van Jozef: ‘En ze legden hem in een ark in Egypte’. De identiteit van Jozef ging mee naar Kanaän. In- Psalm 34 vers 21 (Ps. 034:021) staat van de rechtvaardige: ‘Geen been van hem zal gebroken worden’. Hier wordt profetisch aangekondigd, wat vermeld staat bij het sterven van Jezus in Johannes 19 vers 36 (Joh. 19:36): ‘…opdat het Schriftwoord vervuld zou worden: Geen been van Hem zal gebroken worden’.

‘Been en vlees’ komen in zéven teksten voor. Ik noem er enkele, omdat ‘been en vlees’ meestal niet goed vertaald is. Genesis 29 vers 14 (Gen. 29:14): “Toen-zeide Laban tot hem: Waarlijk, gij zijt mijn- eigen vlees en ”bloed”. Dit. zei Laban niet. Hij zei: ‘Waarlijk, gij zijt mijn eigen ‘Been en vlees’. Bij de vertaling is begripsverwarring opgetreden. ‘Vlees en bloed’ is wezenlijk iets anders dan ‘been en vlees’. Er wordt vaak gezegd: ‘Ja, maar wat maakt dat nu uit. Als je de bedoeling maar ongevéér weergeeft’. Er zijn bijbelvertalers, die ‘ongeveer’ weergeven wat er staat, maar op deze manier worden de mensen niet bij het wóórd gebracht. Met ‘vlees en bloed’ wordt de mens in zijn aardse vergankelijkheid aangeduid, in zijn beperking, in zijn natuurlijke bestaanswijze. Jakob zegt hetzelfde tegen Laban als wat Adam tegen Eva zei: ‘Wij hebben dezelfde identiteit’. Het heeft te maken met broederschap: ‘Jij bent mijn broeder’. Genesis 29 gaat over het thema ‘broeders’.

2 Samuël 5 vers 1 (2 Sam. 05:01): Vlak voor David Sion in bezit gaat nemen, zeggen de stammen van Israël: “Zie, wij zijn uw eigen vlees en bloed”. Maar in werkelijkheid staat er: Wij zijn uw eigen been en vlees’. Israël zegt in feite tegen David: ‘Wij zijn uw lichaam; uw been en vlees’. Ook wij zeggen dit tegen ónze Koning, Jezus Christus. Wij zijn van dezelfde identiteit als Jezus. Als Jezus de gemeente, die uit Hem genomen is, herként, kan ook Hij, als tweede Adam, zéggen: ‘Jij bent nu werkelijk been van mijn been en vlees van mijn vlees’. Het is het herkennen tussen Jezus en de gemeente.

(wordt vervolgd).

 

Welke rol speelt ons gevoel? door Tea Keuper

 

Wat is gevoel?

Om te beginnen willen we enige gegevens uit Van Dale’s woordenboek aanhalen over gevoel en daarvan afgeleide hoeda­nigheden.

Gevoel – wat men voelt, besef, gemoeds­beweging, stemming.

Gevoelig – reagerend op indrukken of ge­waarwordingen .

Gevoeligheid – vatbaar­heid voor indrukken, teer punt, iemands gevoeligheden ontzien, hem sparen.

Overgevoelig – al te gevoelig (dus teveel geleid door het ge­voel) .

Fijngevoelig – met fijn gevoel begaafd (is dus een ‘gave’).

Fijnbesnaard – met een verfijnd gevoelsleven, ontvankelijk voor verscheidenheid van ge­voelens.

(Datgene wat tussen haakjes staat heb ik zelf op gemerkt).

Gevoel is iets wat ieder­een meegekregen heeft in zijn of haar leven. Het hoort bij de mens en is dus iets wat nodig is. Net zoals de geest een belangrijke taak heeft in zijn bestaan. Door deze twee geleid op een juiste manier, kan het lichaam goed functioneren.

Het gevoelsleven heeft te maken met het zieleleven

 

en hierover geeft Van Dale de volgende defini­tie: “Het stoffelijke en gewoonlijk onvergankelijk geachte wezen van de mens als zodanig. In meer wetenschappelijke zin het vermogen om ge­waar te worden en te be­geren. Zetel of bron van gedachten, van het ge­voel en de wil”.

Wanneer we dit eens rus­tig op een rijtje zetten en overdenken, weten we dat gevoel, net als al het an­dere., wat God aan de mens gaf, onmisbaar is om goed te kunnen functioneren’. Onze handen verrichten arbeid, onze voeten bren­gen ons ergens heen, de neus ruikt, de mond spreekt, het oor hoort en zo heeft alles in het li­chaam een functie. En als alles door een goede geest geleid wordt, functioneert het geheel goed, tot lof en eer van de Schepper.

 

Een artikel over ‘gevoel’ in een tijdschrift over ‘geloof’. Is dat geen ver­gissing? Neen, want ook het gevoel hoort bij ons mens-zijn en als kind van God bij ons christen-zijn. Uiteraard gaat het primair om ons geloof. Terecht zegt Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) dat het zonder geloof onmogelijk is God wel­gevallig te zijn.

Maar bij het functioneren van ons geloof kun­nen we ons gevoel niet uitschakelen omdat het een wezenlijk onderdeel van onze persoonlijkheid is. Wel is het natuurlijk zo dat ons gevoelsleven vanuit ons geloofsleven geïnspireerd behoort te worden en niet omgekeerd. In het kader van onze geestelijke groei leren wij dit, dat wil zeggen: de Heilige Geest wil in samen­spel met onze geest er voor zorgen dat onze ‘ge­voelens’ meer en meer in goede banen geleid wor­den. Geen overgevoeligheid, maar fijngevoelig­heid, zoals Tea Keuper in haar artikel terecht opmerkt. Zij reikt ons enkele waardevolle gedach­ten aan over het gevoel die het overdenken zeker waard zijn.

Wanneer u wilt reageren op dit artikel (of op an­dere artikelen) stellen wij dit zeer op prijs. Echter uitsluitend schriftelijk aan ons redactieadres: Postbus 101, 8180 AC Heerde. (Red. “Levend Geloof”).

Dikwijls zien wij echter dat kwade geesten probe­ren te beletten dat een mens écht mens kan zijn. Deze geesten uit het rijk der duisternis vallen ons aan en treffen ook het gemoedsleven, het ziele- leven, het gevoel.

Hoe gaan wij daar als christen mee om? Letten we er op als het anderen aangaat in de gemeente of in onze omgeving? Raakt het ons of reageren wij alleen maar negatief op al het kwaad?

Hoe ging Jezus om met ‘het gevoel’?

In Jezus, onze Heiland, hebben we gelukkig een volmaakt voorbeeld. Hij was 33 jaar lang op onze planeet als mens zoals wij en heeft ook gezien, ge­hoord en gevoeld. De laatste drie jaar van zijn leven bracht Hij het Ko­ninkrijk Gods aan de men­sen, de waarachtige bood­schap over zijn Vader, die bewogen is met zijn schep­ping en het herstel ervan op het oog heeft. Hoe zou Hij anders zoiets moois hebben gemaakt?

In mijn concordantie vond ik niets over het woord ‘gevoel’, wel over ‘ziel’ en ‘ontroeren’. U kunt in het Johannesevangelie (de hoofdstukken 11 tot en met 14 bijvoorbeeld) veel hierover lezen. Je bemerkt dat de Heer zelf ook ‘ontroerd’ kon zijn. Jezus werd ook getroffen in zijn zieleleven, maar blijft niet in die ontroe­ring steken (ontroerd = zonder roer). Hij werd ook niet hard en gevoelloos. Jezus was fijngevoe­lig en wist waar het op aan kwam. Hij herstelde zich door in gelóóf te spreken, te getuigen, te handelen en ook te profe­teren, te bemoedigen en te genezen. Zo ging de Heer om met ‘het gevoel’: positief tegenover de mens; met gezag tegen de machten der duisternis.

Zelf hebben we dus ook met gevoel te maken. Het kan (en moet) een dienaar zijn, nooit een heerser. Overgevoeligheid leidt tot zelfmedelijden, verwerping van jezelf én anderen, isolement en andere nare dingen. Maar wees wél fijngevoelig’ In denken, spreken en handelen, want dat is van God. Kwets niemands gevoel (1 Korinthe 13), dat is liefde­loos. En al teveel gebeurt dit, ook onder christenen, misschien soms nog wel in uw en mijn leven.

Het is goed voor jezelf hier samen met de Heer mee bezig te zijn. God wil niet dat we het leed van heel de wereld op onze schouders nemen. Hij wil wél dat we ons door Zijn Geest laten leiden, waar en wie je mag helpen met bemoediging, gebed, mee­lijden en strijden. En uit­eindelijk resulteert dit in overwinning!

Hij wil ons ook tonen en leren dat door kleine din­gen en daden, je kunt troosten, bemoedigen en inspireren! Wat is het goed hierop attent te zijn, niet opgezweept door overgevoeligheid, maar – door de Geest geleid – in alle fijngevoeligheid, tot troost en heil van onze medebroeders en zusters en van onze om­geving. De Heer wil het ons leren door zijn Heilige Geest!

 

 

 

Het syndroom van Jeruzalem door Gert Jan Doornink

Een merkwaardig bericht van het persbureau AP trok dezer dagen de aan­dacht. Onder de kop: “Toeristen slachtoffer van ‘Syndroom van Jeruzalem'” wordt melding gemaakt van een tijdelijke gees­tesziekte die voornamelijk Amerikaanse toeristen treft. Wanneer ze de ‘hei­lige oorden’ in Jeruzalem bezoeken, vertonen ze tekenen van waanzin zoals het zich uitkleden en het in gezang uitbarsten. De patiënten worden behan­deld in een psychiatrisch ziekenhuis, waar ze een week geïsoleerd worden en behandeld met medi­cijnen en psychotherapie. Daarna voelen ze zich meestal weer uitstekend en weten zich nauwelijks meer iets van hun waan­zin te herinneren.

Het AP-bericht vermeldt verder dat slechts een klein deel van de toeris­ten dit syndroom krijgt. Tachtig procent van hen bestond uit Amerikaanse protestanten in de leef­tijd van 18 tot 45 jaar. De meesten zeiden dat ze wel de Bijbel hadden ge­lezen, maar geen funda­mentalisten of pelgrims waren. Bij de cijfers zijn niet de ongeveer 100 patiënten per jaar meegeteld, die bezeten worden van het idee dat ze Christus zijn of een andere Bijbelse figuur.

Waarom we dit bericht publiceren en van commentaar voorzien is niet uit sensatie-oogpunt of om stemming te maken tegen Israël. Er is natuurlijk niets op tegen het land Israël te bezoe­ken als toerist of om het land van de Bijbel beter te leren kennen, zodat men zich een duidelijker begrip kan vormen hoe de gebeurtenissen die de Bijbel ons beschrijft zich hebben af gespeeld. Maar we moeten wel realistisch blijven en bedenken dat de Bijbel een geestelijk boek is en het voor ons dus gaat om de ‘geestelij­ke waarde’. Het gaat niet meer om het aardse Jeru­zalem, maar om het hemel­se Jeruzalem, waarvan de schrijver van de Hebree­ënbrief zegt: “Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem…” (Heb. 12:02),

Denk ook aan het gesprek wat Jezus had met de Samaritaanse vrouw. Toen deze tot Jezus zei: “Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden en gijlieden zegt, dat te Jeru­zalem de plaats is, waar men moet aanbidden” , is het duidelijke antwoord van Jezus: “Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Va­der zult aanbidden. Gij aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten, want het heil is uit de Joden; maar de ure komt en is nu dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt zul­ke aanbidders; God is geest en wie  Hem aanbidden, moeten aanbidden geest en in waarheid” (Joh. 04:20-24)

In deze eindtijd is niet belangrijk waar wij de Vader aanbidden, maar hoe! En dat is alleen maar mogelijk, zoals Jezus zegt, ‘in geest en in waarheid’. Wie als kind van God vervuld is met de Heilige Geest en de geestelijke weg bewan­delt, hoeft niet bang te zijn één of ander syn­droom op te lopen of in een dwaling uit het rijk der duisternis terecht te komen. De Heilige Geest – de Geest der waarheid – zorgt er voor dat we de juiste koers aanhouden en het einddoel bereiken.

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (8)

De verlossing door Jezus Christus

Als God in Genesis 3 spreekt over het zaad is dat voor de duivel een duidelijk begrip, maar voor de mens is het een verborgenheid. De duivel weet precies wat met het zaad bedoeld wordt en bij de ‘rechtvaardige’ Abel begint hij al, alles wat op de komst van het zaad betrekking heeft, te bestrijden en zo mogelijk uit te roeien (Gen. 04:03-08; Heb. 11:04; Heb. 12:24b). Maar het zaad zou komen en is gekomen! In de volheid des tijds is Jezus Christus geboren’ uit de maagd Maria, als vertegenwoordigster van de mensheid, de vrouw van God. De mensheid had maagdelijk voor God bewaard moeten blijven om de Zoon te kunnen baren. Galaten 4 vers 4 (Gal. 04:04) zegt: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen” .

De mens die zondigt komt in de dood en bij het sterven daalt hij neer in het dodenrijk. De duivel kan de mens daar niet verder pijnigen of beschadigen, want dat is alleen maar mogelijk in het lichaam zijnde. In het dodenrijk wordt de mens bewaart tot de tijd van het laatste oordeel, waarin hij dan rechtvaardig en vanuit de barmhartigheid Gods geoordeeld zal worden. Alles zal de dood en het dodenrijk prijs ‘ moeten geven (Openb. 20:11-15). Er zal voor God geen leven verloren gaan. Ook niet wat de mens door zijn verderfelijke praktijken verwerpt en doodt (denk bijvoorbeeld aan abortus) .

Wie echter nu hoort naar de stem van Jezus Christus, die voor ons allen overgegeven is (Joh. 03:16) en opgestaan is uit de dood en daarmee verklaarde Gods zoon te zijn in kracht (Rom. 01:04), gaat over uit de dood in het leven (Joh. 05:24; Joh. 11:25-26). En zo iemand zal – als hij het woord van Jezus Christus bewaard heeft – de dood niet zien als hij sterft (Joh. 8:51). Wie Hem aangenomen heeft die heeft Hij macht gegeven om een kind (of zoon) van God te worden (Joh. 01:12).

Hiervoor is nodig de weg te gaan, die Jezus gewezen heeft, van bekering,, waterdoop en doop in de Heilige Geest. Dan is men een ‘wedergeborene’ en ingevoegd; in het huis Gods, de gemeente. (Zie aflevering 1 en 2) . Van deze wedergeborenen zegt Paulus in Galaten 4 vers 6 en 7 (Gal. 04:06-07): “En dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten, die roept: Abba Vader. Gij zijt dus niet meer slaaf, doch zoon; indien gij zoon zijt, dan zijt gij ook erfgenaam door God”.

De gemeente als moeder

Om echter het volle zoonschap te bereiken, is er een weg te gaan die Jezus gewezen heeft. Hij zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14:04-06). Deze weg is alleen maar te gaan in de gemeente, het lichaam van de Heer. Men kan niet in z’n eentje of als echtpaar of als gezin gemeente zijn. De Heer heeft de gemeente gegeven als ‘De Moeder’, die het nieuwe leven vormt door hef fundament te leggen, waarop in de gemeente, met persoonlijke verantwoordelijkheid van ieder lid, op verder gebouwd wordt. De gemeente is het huisgezin Gods (Gal. 04:26; Jes. 66:10-11; Ef. 02:11-20).

In de gemeente geeft de Heer gaven en bedieningen (1 Kor. 12:27-28; Rom. 12:04-08) . In Efeziërs 4 vers 11 tot en met 13 (Ef. 04:11-13) lezen wij: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke wasdom der volheid van Christus,” .

In de gemeente zal het volle zoonschap geopenbaard worden. Alleen het baringsproces zal met. veel meer moeite en smart geschieden omdat de duivel als een grote afschuwelijke draak voor de vrouw (de gemeente) staat, die barende is (Gen. 03:16; Openb. 12:01-03) . Maar – prijs de Heer – de zoon wordt geboren en neemt de plaats op de troon (beeld van geestelijke volwassenheid en heerschappij) in (Openb. 12:05; Openb. 20:04a).

Herstel en bedrieglijke wonderen

In de gemeente wordt de verwoesting die de duivel in mensenlevens heeft aangericht weer hersteld door bevrijding, verlossing en genezing. Jezus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken (1 Joh. 03:08). Dat vindt in de gemeente plaats in Zijn Naam en door de kracht van de Heilige Geest (Mark. 16:17-18; Ef. 01:13-14) . Zelfs hierin zal de duivel in de eindtijd misleidend te werk gaan. Opnieuw zal de boom van kennis van goed en kwaad staan naast de boom des levens. Er kan een overaccentuering komen van lichamelijke genezing en voorspoed en het tellen van zegeningen op aarde. (En Eva zag dat de boom goed was, een lust was en begeerlijk was – (Gen. 03:06). Paulus leert ons echter dat de God en Vader van onze Heer Jezus Christus ons met allerlei Geestelijke zegen in de hemelse gewesten (in de geestélijke wereld) gezegend heeft in Christus. En dat Hij ons in Jezus Christus uitverkoren heeft vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 01:03-04).

 

Jezus waarschuwt ons in Zijn rede over de laatste dingen als Hij zegt: “Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tékenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden” (Matt. 24:24) . In vers 5 zegt Jezus dat er velen verleid zullen worden! Dit is ook een ‘Geestelijke werkelijkheid’ waar we onze ogen niet voor mogen sluiten. Vooral mensen met psychische noden, chronische kwalen en ernstige ziekten zouden zich kunnen laten verleiden door de tekenen en wonderen die elders geschieden. Paulus zegt in 2 Thessalonicenzen 2 vers 9 (2 Thess. 02:09) over de antichrist: “Diens komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen”. Ze zijn zo bedrieglijk omdat ze zo moeilijk van echt te onderscheiden zijn.

De gemeente zal echter de weg van geloof en volharding moeten gaan naar , de wil van God, wetende dat in volharding alle beloften en het leven verkregen zullen worden (Luc. 21:18-19; Heb. 10:36). Die volharding – zegt Jakobus 1 vers 4 – (Jak. 01:04)moet volkomen doorwerken, zodat wij volkomen en onberispelijk zijn en in niets te kort schieten. Dat is niet de gemakkelijkste weg, maar de: weg die Jezus zelf gegaan is en ons gewezen heeft. De zuchtende schepping wacht niet alleen op genezen en gezonde mensen maar op zonen Gods, die onberispelijk zijn naar geest, ziel en lichaam in de kracht en de heerlijkheid Gods (Rom. 08:19; 1 Thess. 05:23).

De gemeente het geheimenis Gods

Dit is een geheimenis wat in de gemeente van Jezus Christus zijn voltooiing vindt door de Heilige Geest. Daarom zegt Paulus ook: ‘Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen” (1 Thess. 05:24). Jezus Christus heeft dit geheimenis geopenbaard wat van de grondlegging der wereld af verborgen is gebleven in God (Matt. 13:35) . Het geheim van het koninkrijk der hemelen. Preciezer geformuleerd: Het koningschap van God in de geest van de mens door de doop in de Heilige Geest. Dat heeft Jezus ons geopenbaard en voorgeleefd. Hij is het zuivere beeld van God. Hij is de afstraling van Zijn heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen (Heb. 01:03; Kol. 01:15). In Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk (Kol. 02:09). Dit is het evangelie, de blijde boodschap die Hij verkondigd heeft en waar dan als vanzelfsprekend het verbreken van de werken van de duivel (zijn koningschap) een onderdeel van is.

Paulus heeft ditzelfde evangelie door rechtstreekse openbaring van de Heer ontvangen, dieper uitgewerkt en doorgegeven (Gal. 01:11-12; Ef. 03:03). Paulus verkondigt dat dit het plan van God is voor alle mensen. Maar eerst zal de gemeente tot voltooiing moeten komen, het lichaam van Christus, waardoor alles geschieden zal. De gemeente zal los moeten komen van de aarde door geestelijke groei en ontwikkeling zodat het geestelijke het aardse gaat besturen. Als het volle koren in de aar rijp geworden is, breekt de oogsttijd aan, zegt Jezus in Markus 4 vers 28 en 29. (Mark. 04:28-29) Iemand die nog vastzit aan de dingen van deze aarde kan daarom niet geoogst worden. Dit oogsten is de verheerlijking waartoe wij door God bereid zijn, namelijk dat het stoffelijke, sterfelijke lichaam, door het leven wordt verslonden. Lees wat Paulus daarover schrijft in 2 Korinthiërs 5 vers 4 en 5 (2 Kor. 05:04-05) (1 Kor. 15:54).

De uiterlijke en de innerlijke mens

Zolang dit nog niet bereikt is, zal de mens – ook in de gemeente – nog sterven. Dus een scheiding tussen het natuurlijke, stoffelijke lichaam en de inwendige mens. Het aardse lichaam is uit stof geformeerd en zal tot stof wederkeren (Gen. 02:07; Gen. 03:19; Ps. 146:004; Pred. 12:07).

Om deze dingen goed te verstaan moeten wij bij Paulus te rade gaan. Hij zegt in 1 Korinthiërs 15 vers 50 (1 Kor. 15:50): “Vlees en bloed (dat is het natuurlijke, stoffelijke lichaam) kunnen het koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet” . God heeft de hemel en de aarde geschapen en deze twee zijn niet te vermengen. Het is niet mogelijk met het aardse lichaam de geestelijke, onzienlijke wereld binnen te gaan.

Evenmin is het mogelijk met een verheerlijkt lichaam, wat geestelijk is. een natuurlijk aards bestaan te leiden, zoals wij dat nu kunnen’. Paulus zegt en Romeinen 8 vers 10 (Rom. 08:10): Indien Christus in u is (door de doop in de Heilige Geest) dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid” (zie ook Gal. 02:20). De innerlijke mens – het geestelijk lichaam – is leven door de gerechtigheid Gods in Jezus Christus, is reeds uit de dood opgestaan.

Het lichaam heeft daar geen deel aan, dat behoort bij de aarde, waar de duivel nog als overste regeert. In het lichaam werkt nog de dood door de zonde. De duivel werkt er nog op in met zijn destructieve krachten en daarom vervalt ook de uiterlijke mens. Er is dus een duidelijk verschil tussen de uiterlijke mens en de innerlijke mens, terwijl dit toch heel nauw met elkaar verbonden is en alleen maar door het sterven van elkaar te scheiden is. In 2 Korinthiërs 4 vers 16 (2 Kor. 04:16) heeft Paulus het aldus onder woorden gebracht: “Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd”. En vers 18 zegt dat wij niet zien op het zichtbare maar op het onzichtbare, want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.

Het leven overwint de dood

Het uitwendige, het zichtbare is tijdelijk, maar het innerlijke, het onzichtbare behoort bij de eeuwige, geestelijke wereld. Maar dat vernieuwingsproces van de innerlijke mens zal toch op een door God bepaalde tijd, het sterfelijke – de dood – overwinnen. Dit zal geschieden door de kracht van de Heilige Geest. “En indien de Geest van Hem (van God) die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen (die nog dood zijn vanwege de zonde) levend maken door Zijn Geest, die in u woont” (Rom. 08:11). “En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid heeft aangedaan, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?” (1 Kor. 15:54-55).

Dit proces, dit geheimenis, is zich aan het voltrekken. De Heilige Geest, verbonden met onze innerlijke mens, zal het stoffelijke lichaam levend maken. Ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest en van onze inwendige mens (1 Kor. 06:19). Maar zoals het in de schaduw-bedeling niet ging om de aardse tempel maar om de geestelijke werkelijkheid, zo gaat het ook niet om onze aardse tent – de uiterlijke mens – maar de geestelijke werkelijkheid, de innerlijke mens, het geestelijk lichaam, wat zich na de verheerlijking, op aarde kan manifesteren in een verheerlijkt lichaam. Daarom zegt Paulus: “Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis”.

Wij wonen nu nog in een ‘aardse tent’, maar met ons geestelijk lichaam, de innerlijke mens, verheffen wij ons en hebben onze wandel in de geestelijke wereld, het hemelse Jeruzalem, de stad Gods. En als een wedergeborene sterft, dan woont hij dus niet meer in die aardse tent, maar is heel concreet met zijn geestelijk lichaam in dat hemelse Jeruzalem bij God, Jezus Christus, de gestorven heiligen en de heilige engelen.

(wordt vervolgd).

 

 

 

1987.03 nr. 279

Levend geloof 1987.03 nr. 279

De leer van het Koninkrijk door Gert Jan Doornink

Er zijn heel wat christenen die bij het horen van het woordje ‘leer’ huiverig worden. Niet geheel onterecht, want wat is er in de loop van het bestaan van de gemeente van Jezus Christus al veel schade aangericht door het hanteren van leringen. Christenen die elkaar gingen haten of zelfs vervolgen, omdat zij verschillende interpretaties over een bepaalde leer hadden en niet bereid waren elkaars mening te respecteren. Uiteraard’ had de vorst der duisternis hierbij een belangrijke vinger in de pap. Het is hem er immers om te doen, met zijn destructieve krachten, alles te ondermijnen en te vernietigen. En zijn eerste en belangrijkste doelwit is de leden van de gemeente van Jezus Christus. Zij hebben zich, omdat zij een nieuw leven met Christus zijn begonnen, onttrokken aan zijn macht en beïnvloeding.

Maar voor hen die niet op groeien tot volwassen christenen, bestaat het grote gevaar dat ze weer in meerdere of mindere mate onder zijn heerschappij terechtkomen. Jezus zelf onderkende dit gevaar volledig. Hij was er dan ook uit degenen die tot geloof gekomen waren, op te voeden. Zijn volgelingen werden

‘discipelen’, dat wil zeggen ‘leerlingen’ genoemd. Hij instrueerde hen op allerlei wijze hoe zij in Zijn voetstappen konden treden. En Hij deed dat door hen ‘de leer van het Koninkrijk’ uit te léggen en in praktijk te brengen. Wat moeten wij onder deze leer verstaan?

Jezus was een met Zijn boodschap

Johannes de Doper – de laatste profeet van het oude verbond – kondigde de komst van Jezus aan met de woorden: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Matt. 03:02). En dan lezen we in het volgende hoofdstuk over het optreden van Jezus: “En Hij (Jezus) trok rond in geheel Galiléa en verkondigde het evangelie van het koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk” (Matt. 04:23).

Het is duidelijk dat Jezus verbonden was met de leer (boodschap, evangelie) die Hij bracht. Jezus en de woorden die Hij sprak vormden een éénheid. Jezus was de Vertegenwoordiger van het Koninkrijk, Hij was zelf het Koninkrijk en Hij bracht de boodschap van het Koninkrijk.

Het is zeer essentieel dit goed in ons innerlijk op te nemen. De duivel haat deze ‘eenheid’, probeert deze uit elkaar te trekken en in een verkeerd daglicht te stellen.

Over het optreden van Jezus schrijft Matthéüs verder dat de scharen versteld stonden over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun Schriftgeleerden (Matt. 07:28-29). Dit was het grote verschil met alle andere leringen, ook die van de Farizeeën en Schriftgeleerden. Zij spraken wel over God en godsdienst, maar zij waren niet innerlijk verbonden met de levende God, zoals Jezus. De vorst der duisternis kon hen daardoor onder een vrome dekmantel bespelen, terwijl Jezus leefde in volkomen gemeenschap met de Vader en vol was van de Heilige Geest.

Een leer die wij steeds meer gaan beleven

Aangezien wij als waarachtige eindtijdgelovigen door geestelijke groei, meer en meer op Jezus zullen gaan gelijken, zullen wij ook steeds meer ‘het evangelie van het Koninkrijk’ leren kennen en beleven. In onze dagen ontbreekt het soms nog aan de praktische beleving. Maar dat is daarom nog geen reden deze leer af te wijzen, zoals sommigen menen te moeten doen. Dan komen we in gevaarlijk vaarwater terecht en krijgen dwalingen de kans binnen te dringen. Vanuit een oprecht verlangen de leer van het Koninkrijk te beleven, zal dit ook in de praktijk gestalte gaan krijgen doordat wij geestelijk groeien tot het volwassen stadium in Christus is bereikt.

Dit maakt ons niet hoogmoedig. Wij hoeven ons niet op de borst te slaan door te zeggen dat wij beter zijn dan de andere christenen, maar het is een eenvoudig gevolg van onze gehoorzaamheid. Maar we hoeven er daarom ook niet een soort gewilde nederigheid op na te houden. Wij mogen best dankbaar zijn en ons bewust zijn wie wij zijn in Christus: nieuwe scheppingen, overwinnaars, koningen en priesters. Daarvan getuigen wij, daarnaar handelen wij. De duivel heeft daar een ontzettende hekel aan, maar zoals Jezus hem overwon, gaan ook wij die overwinning beleven. Dat is het gevolg van de ontdekking van de leer van het Koninkrijk Gods, een leer die, juist in deze eindtijd, van steeds grotere betekenis zal worden.

Een waardevaste belegging zonder risico

In de financiële wereld spreekt men over waardevaste beleggingen. In de geestelijke wereld is de meest ‘waardevaste belegging’ de leer van het Koninkrijk. Het is bovendien een belegging zonder risico omdat zij werkelijk waardevast is en niet aan koersschommelingen onderhevig is. Terwijl alles in deze wereld uiteindelijk verdwijnt heeft deze leer ‘eeuwigheidswaarde’. Jezus sprak: “De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan” (Matt. 24:35). “Het woord des Heren blijft tot in eeuwigheid” (1 Petr. 01:25).

Wie over de leer van het Koninkrijk spreekt, denkt aan de bediening van Jezus, wat Hij sprak en deed. Johannes zegt dat de woorden van Jezus ‘geest en leven’ zijn (Joh. 06:63). De leer van het Koninkrijk is niet dood of theoretisch, maar heeft het échte, goddelijke leven in zich. Daar waar die leer de kans krijgt door te werken in het leven van een kind van God, ontstaat uiteindelijk algehele bevrijding uit satans macht en omvorming naar het beeld van Jezus.

En behalve de positieve uitwerking in eigen leven, heeft het uitstraling naar de andere mensen. Want wie het leven van Jezus zélf ervaart, zal het ook mee willen delen aan allen die dit leven nog niet kennen. Zoals Jezus met innerlijke ontferming bewogen was over allen die nog in de greep van satan waren, is ook ieder kind van God dat, die deze leer heeft leren kennen. Dan .zijn we ook op de juiste wijze bezig in dienst van Gods Koninkrijk, omdat we door de Heilige Geest geleid worden. We hoeven niet in het wilde weg allerlei activiteiten te ontwikkelen, hoe goed bedoeld ook. Eerst moet de basis van ons denken, spreken en handelen goed zijn. En die basis is alleen te vinden in de leer van het Koninkrijk. 

 

“Levend geloof” voor jonge mensen – door redactie

Sinds enkele jaren verzorgt Liesbeth Seepma voor ons de rubriek met bovenstaande titel. We zijn erg blij met haar fijne en geloofsopbouwende artikelen die uiteraard in de eerste plaats bedoeld zijn voor onze jongste lezers en lezeressen, al hebben wij bemerkt dat ook vele ouderen er door gezegend worden. Ook zijn we erg blij dat Liesbeth na haak trouwen blijft schrijven voor “Levend Geloof”. Op 10 april hoopt zij namelijk in het huwelijk te treden met Mare Hagendoorn uit Voorburg. Liesbeth en Mare, we wensen jullie een blijde en gezegende trouwdag toe en bovenal Gods onmisbare zegen voor jullie verdere leven!

 

 

De zin van ons bestaan door Evert van de Kamp

 

“Laat ons oog gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs” (Heb. 12:02a).

Het aantal jongeren dat in Nederland jaarlijks door verkeersongelukken om het leven komt, is groot. Het getal van jongeren dat in ons land in 1986 hun leven beëindigden door zelfdoding is echter onrustbarend groter ge­bleken. Een oud-leerling, nog maar een paar jaar van school, blijkt ‘ineens’ niet meer te willen leven. Ze heeft er geen ‘zin’ meer in. Waarom zou ik? Zo zijn er velen.

In de jaren twintig en dertig schreef de bekende psychiater Carl Gustav Jung reeds: ‘Ongeveer een derde van mijn pati­ënten lijdt aan de zin­loosheid en de leegheid van hun bestaan’.

Harold S. Kushner schreef onlangs een boek getiteld: ‘Niets meer te wensen en toch niet ge­lukkig’. Het boek draagt de ondertitel: ‘Op zoek naar de zin van het le­ven’. Vroeg of laat vragen veel mensen zich af: Wat is nu toch de zin van mijn leven? Er zijn er ook die aan deze vraagstelling niet eens meer toekomen. Maar goed, de zoekers dan, vinden die een antwoord op hun levensvragen.

Geen pasklaar antwoord

Wat is de zin van mijn be­staan, van mijn leven? Is daar zomaar voor ieder een pasklaar antwoord op te geven? Er zijn mensen en geloofsgemeenschappen die menen van wel. Van­uit hun veelal fundamentalistische visie wordt de goegemeente een bepaald recept voorgeschoteld, dat men maar moet gelo­ven. Ik denk dat het zo niet werkt. Je kunt niet van bovenaf de zin van het leven voor iemand decreteren. In het natuur­lijke leven niet en nog minder in het geestelijke leven. We hebben ontdekt dat de Heilige Geest nooit en te nimmer enige pres­sie uitoefent. Hij is de Geest van de vrijheid.

Een pasklaar en universeel antwoord op de zingevingsvraag geven is niet mogelijk. Dat ant­woord moet de mens zelf zoeken, ontdekken en vinden.

Onze eigen verantwoordelijkheid

De bejaarde Viktor Frankl uit Wenen was voor de tweede wereldoorlog al bezig met mensen die het leven zinloos achten en wegzakken in een lang­durige depressie of zelf­moord willen plegen. Toen hijzelf, door zijn Joodse afkomst, in Auschwitz terecht kwam, werd de vraag naar de zin van het bestaan en de vrij­heid van de mens nog dringender voor hem. Hij overleefde het concentratiekamp en leert nu overal dat de mens zelf vanuit de vrijheid die hij heeft gekregen het ant­woord op die vraag moet geven.

Ik geloof dat dat juist is. Ieder mens heeft zijn eigen verantwoordelijk­heid, het kontragewicht van de vrijheid. Wij ge­loven in de goddelijke zin en oorsprong van elk mensenleven. De mens wordt het leven toever­trouwd om te beantwoor­den aan Gods doel.

Is het niet wonderlijk dat heel de mensheid op zoek is naar dat doel? Vooral in onze tijd is de hang naar het bovennatuurlijke leven groter dan ooit te­voren. En terecht. Het is de mens ingeschapen. Hij is op God aangelegd. De apostel Petrus schrijft: “Opdat gij deel zoudt heb­ben aan de goddelijke na­tuur, ontkomen aan het verderf, dat door de be­geerte in de wereld heerst” (1 Petr. 01:04).

Het moeilijke is echter dat de mens, op zoek naar de zin van zijn leven, letter­lijk overdonderd wordt door een veelheid van bo­vennatuurlijke krachten uit het rijk der duister­nis. Maar eeuwen her sprak God bij monde van zijn profeet Amos: “Want zo zegt de Heer: Zoekt Mij en leef; maar zoekt Betel toch niet, en komt niet naar Gilgal, en trekt niet naar Berseba (plaat­sen waar allerlei occulte praktijken werden uit ge­oefend). Want Gilgal wordt onherroepelijk weggevoerd en Betel gaat te­niet. Zoekt de Here en leeft” (Amos 05:04-05).

Het is onze eigen verant­woordelijkheid en niemand kan die van je afnemen om de zin van je bestaan te zoeken en te vinden. Je moet zelf beslissen. Een modern kinderlied zegt: ‘Ik ben geen mari­onet . Ik beslis zelf in goed en kwaad. Ik ben het evenbeeld van de Heer!’. Het is satans truc van de mens een willoze marionet te maken. Onze Heer verkiest mon­dige mensen, geestelijke mensen, die zijn wil wil­len en kunnen volbren­gen.

Geen passiviteit

De omstandigheden waarin een mens kan terecht ko­men, zijn meestentijds niet te veranderen. Maar het is niet waar, zoals de psychoanalyse van Freud leert, dat de mens zo sterk door zijn omstandig­heden – bijvoorbeeld op­voeding en milieu – wordt bepaald, dat hij niet of nauwelijks meer zou kun­nen veranderen. Dat is een pertinente leugen, die de duivel ons maar al te graag wil doen geloven.

Opvoeding en milieu zijn inderdaad uitermate be­langrijk: wat vertellen wij onze kinderen en welk voorbeeld geven wij ze mee? Maar wij kunnen te allen tijde onze houding ten opzichte van de om­standigheden – hoe naar en ellendig die ook mogen zijn – veranderen. Zeker door de onmiskenbare kracht van de Heilige Geest. Het volle evangelie verkondigt hierin de kos­telijke boodschap van het evangelie van het Konink­rijk. Waar nodig wil Gods Geest ons in de geestelij­ke wereld vrij maken, zo­dat wij ons duidelijk en zuiver kunnen opstellen. Matthéüs 4 vers 23 en 24 (Matt. 04:23-24). Hier past geen passiviteit.

Frankl vertelt het volgen­de verhaal: Op een dag in Auschwitz komen twee vrienden van hem af­scheid nemen. Ze zien het niet meer zitten en heb­ben besloten zich in de onder elektrische stroom staande draadversperring van het kamp te werpen. Dan stelt Frankl hen de vraag: ‘Jullie zeggen dat je niets meer van het le­ven verwacht, maar denk je dat het leven ook van jullie niets meer ver­wacht?’ Na die vraag voe­ren zij hun plannen niet meer uit. Ze gingen zelf anders tegenover de om­standigheden staan.

Wij moeten leren de waar­de van ons leven – en die is bijzonder groot – buiten onszelf te zoeken. Het le­vensdoel zullen wij nooit in zichzelf kunnen vinden. Kushner schrijft in zijn boek dat de behoefte om de zin van het leven te zien, niet van biologische aard en evenmin iets psy­chologisch is, maar dat het een religieuze behoef­te is, waar onze zielen naar dorsten. De Bijbel noemt dat: ‘dorsten naar de gerechtigheid’. Jezus sprak heel eenvoudig: “Heb geloof in God”. En de vraag is: wat is je doel? Je hebt een doel­stelling nodig.

Het oog van het geloof

In alle eerbied wil ik vra­gen: Wat is de doelstel­ling van God, onze hemel­se Vader? Heeft God eigenlijk wel een doel voor ogen? Nou en of, gelukkig wel. God heeft zichzelf een fantastisch mooi doel gesteld, waar­aan heel zijn plan met de mensheid ten grondslag ligt, een plan dat hij nooit zal loslaten, maar dat Hij onherroepelijk verwezenlijkt.

De apostel Paulus heeft dat duidelijk gezien en onder andere prachtig verwoordt in Romeinen 8 vers 21 (Rom. 08:21) : “Heel de schep­ping zal van de dienst­baarheid aan de vergan­kelijkheid bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods”. En in 1 Korinthiers 15 vers 28 (1 Kor. 15:28) schrijft hij: “God zal alles in al­len zijn”.

En Jezus, de Heer? Wat is zijn levensdoel? Om te be­ginnen zegt de Heer: “Hier ben Ik om Uw wil, o God, te doen” (Heb. 10:07) En in Hebreeën 2 vers 10 (Heb. 02:10) lezen wij dat het zijn vreugde is om vele zonen tot heerlijkheid te bren­gen. Hij wil zijn gemeente voor zich stéllen: “stra­lend, zonder vlek of rim­pel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbe­smet” (Ef. 05:27). De Heer heeft een duidelijk doel voor ogen.

Wat heeft het leven aan ons?

Wat is de zin en het doel van óns leven? Het stellen van een doel in je leven geeft zin aan je bestaan. Wij bepalen dat zelf in ons leven, net als God onze Vader en als Jezus onze Heer, hoezeer de duivel dat ook tracht te bestrijden. Het zou kun­nen zijn dat God nu al alles in ons en in de ge­meente zal zijn. Hier en nu! Vandaar de tekst uit Hebreeën 12: “Laat ons oog gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs”.

Het is een wedloop. De gemeente bevindt zich in de arena. De overwin­naars (de wolk van getui­gen) zijn op de tribune. We mogen best even naar hen kijken. Zie Hebreeën 11. Zij hebben een gewel­dig getuigenis gegeven. Maar dan lopen. Lopen in de renbaan. Het oog gericht op Jezus ons voorbeeld. Hij is de leidsman, de gids die ons voorging, de voleinder des geloofs. Hij bracht het geloof in eigen leven tot een hoogtepunt. Het was zijn vreugde om voortdurend te zijn in de tegenwoordigheid en het krachtencentrum van God de Vader.

Achter Hem aan. Dat vraagt om volharding tot het doel is bereikt, opdat wij niet door matheid van ziel verslappen (Heb. 12:03).

De vraag is gewettigd: Heeft het leven iets aan ons? De mensheid? God? Je kunt alleen zelf het antwoord geven op de zin van je leven. En Hij, de Heer, wil het volmaken. Hij wil zin aan ons leven geven. Hij sprak: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” (Matt. 05:48).

Dat is Gods wil. Dat is ook Gods belofte. Zingt u mee: ‘De vreugde van mijn leven, de zin van mijn bestaan, heb ik in Hem gevonden. En Jezus is zijn naam’.

Is Jezus de zin van je leven? Dan zit je goed!

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (5)

De scheppingsdagen (tweede vervolg)

“En God zeide: (weer, een spreken van God) Laat ons mensen maken”. Het staat in het enkelvoud: ‘Laat ons Adam maken’. In de oorspronkelijke tekst staat ‘óns’ niet met een hoofdletter. Er zijn opvattingen, die zeggen dat dit al een bewijs zou zijn van de Drie-eenheid. U mag het wel zo zien, maar het hóeft er niet in te zitten. Persoonlijk heb ik het idee, dat je kunt zeggen dat dé Koning zich, samen met zijn dienaren, gaat concentreren op de schepping van de mens. God zegt als het Ware tegen zijn engelen heer: ‘Laat ons mensen maken’. Alles wat in de hemel is moet zich hierop gaan instellen. God betrekt de engelen in de schepping, die Hij gaat volbrengen, en zegt als het ware: ‘Kom erbij, want er gaat iets heel belangrijks geschieden’.

Er komen drie werkwoorden naar voren: 1. scheppen; 2. maken; 3. formeren, vormen. De mens wordt beeld van Elohiem; van God. Letterlijk staat er: ‘in ons beeld en naar onze gelijkenis’. De mens is beeld van God, als hij op Zijn wijze weerspiegelt, hoe God menselijk leven mogelijk maakt. Mensen treden in de bijbel juist op in hun menselijkheid, en niet bij voorkeur als helden. Het verschil met de omringende volken is: het heidendom kent helden en de bijbel kent mensen. Dit is zo omdat God een ménselijke God is. Het kosmische wordt in Genesis 1 ook vermenselijkt.

Er zijn twee scheppingsverhalen. Het eerste loopt tot en met hoofdstuk 2 vers 4a. Het tweede scheppingsverhaal loopt van vers 4b tot en met hoofdstuk 4. We komen hier verderop nog op terug. In het eerste scheppingsverhaal gaat het om de aarde en de mens. In het tweede verhaal komt de vraag ‘Wie is de mens?’ aan de orde. Eerst wordt getoond tegen welke achtergrond de mens geplaatst wordt: hemel en aarde. Eerst zien we het grote beeld, daarna neemt God een close-up eruit en laat zien wie de mens is. Hemel en aarde zijn in feite het decor voor de mens. Het wezenlijke ‘worden’ is een menselijk gebeuren.

 

De mens als partner van God

Er is nóg een verschil tussen heidendom en bijbels denken: De heidense góden hebben elkaar als partner, namelijk: god en godin. De mens moet maar zien dat hij al deze góden tot vriend houdt. De Bijbelse God heeft de mens als partner. Daarin is God uniek.

Er is geen vrouwelijke vorm van Elohiem.

De mens is: 1. partner van God; 2.navolger van God; als gelijkenis. Efeziërs U vers 1 zegt: “Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen”. Paulus spreekt hier een puur Joodse gedachte uit. Het is een grondgedachte uit het Jodendom. Paulus zegt in wezen niets nieuws, hij vat de hele boodschap samen, van Genesis tot en met Maleachi. Wij kunnen beter spreken van ‘de Schriften’ dan van het ‘oude testament’. Paulus heeft hier nieuw licht gekregen op een aloude waarheid.

In Genesis 2 tot en met 4 wordt uitgewerkt hóe de mens’ beeld en gelijkenis is. In vers 26 zien we hoe de mens geroepen wordt om te heersen over de schepping. De mens mag stadhouder Gods zijn, mederegent met God. En dan zegt vers 27: “En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw

 

schiep Hij hen”. Er staat eigenlijk: Hij schiep ‘hen mannelijk en vrouwelijk. Dit is een structuurthema van het boek Genesis. Het hóórt bij het beeld Gods, omdat alleen op deze wijze de mens in staat is om te verwekken en te baren, zoals Gód verwekt.

Het sleutelwoord van het boek Genesis zijn ‘de verwekkingen’ (zie aflevering 1). God gaat verwekken. Als de mens beeld Gods moet worden, moet de mens óók verwekken. Daarom wordt het principe ‘mannelijk en vrouwelijk’ er van meet af aan ingelegd, opdat de mens zal kunnen verwekken en op die manier navolger Gods kan worden. Het woord ‘mannelijk’ hangt, wat de woordafleiding betreft, samen met dezelfde woordstam als ‘gedenken’. Priesters hadden de taak om te gedenken. Priesters waren mannelijk. Het woord ‘vrouwelijk’ hangt samen met het woord ‘bron’. Man en vrouw zullen voor elkaar instaan en de een zal op de ander gericht zijn; Het is ook een aspect van het beeld Gods zijn, want Gód staat in voor de ander. Het beeld Gods is dus niet een statisch gegeven, maar het wordt werkelijkheid. Het is een geschiedenis van daden. De mens wordt navolger” Gods doordat hij als partner en navolger van God gaat wandelen. Het is iets dat geschiedt. Zoals God geschiedenis maakt, gaat ook de mens geschiedenis maken. Als de mens niets dóet, zit er wel veel in, maar het komt er niet uit. Het is geen statische eigenschap, maar een relatie. “Wordt vruchtbaar, wordt talrijk (veel) en vervult de aarde (zie ook vers 22) en onderwerpt haar” (Gen. 01:28).

De dubbele betekenis van de sjabbath

De zevende dag hoort er heel wezenlijk bij. De sabbat heeft een dubbele betekenis. In de eerste plaats betekent het ‘vieren’, in de dubbele zin die het woord ook in het Nederlands heeft: a. een feest vieren; b. de teugels vieren. Aan de ene kant is het een feest, aan de andere kant een ontspanning. ‘Ten tweede kan sabbat ook betekenen: ophouden. De zevende dag was voor Adam de eerste dag. Hij mag beginnen met zich te ontspannen. Adam hoeft zich niet eerst waar te maken, maar mag beginnen met rusten. Het principe waar het om gaat is dat God tijd heeft voor de mens en de mens tijd krijgt van God.

Alzo werden voltooid de hemel en aarde en al hun heer” (Gen. 02:01). ‘Al hun heer’; al hun heerscharen. Letterlijk: legerscharen: de engelenwereld. “En God voltooide op de zevende dag zijn arbeid, die Hij gemaakt had en Hij rustte op de zevende dag van al het werk dat Hij gemaakt had” .

De woorden ‘werk’ en ‘maken’ komen letterlijk terug in de ’tien geboden’. “Gedenkt de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen” (Ex. 20:08-09) . Er staat eigenlijk: ‘al uw werk maken’. Al uw werk dóen’, wordt niet bedoeld. We zien hier de mens als navolger van God. De mens moet in zes dagen al zijn werk maken, net als God. Op de zevende dag mag de mens rusten, net als God. Daarom moeten Genesis 2 vers, 2 (Gen. 02:02) en Exodus 20 vers 9 (Ex. 20:09) eender worden vertaald! Het is niet: God heeft iets gemaakt en de mens dóet wat. Het is: God maakt zijn werk en de mens maakt zijn werk. Als deze dingen niet nauwkeurig worden vertaald, is er geen verband meer. Zo ook: “God zegende de zevende dag en heiligde die…” (Gen. 02:03a) in verband met Exodus 20 vers 8 (Ex. 20:08): “Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt”. God zet de dag apart en de mens moet deze dag heiligen- en dus apart zetten. ‘Heiligen’ is apart zetten met een doel: namelijk, dat die ene dag de hele week zal beïnvloeden. De hele week zal het klimaat van de sabbat ervaren. Vers 3b zegt: “…omdat Hij gerust heeft van al het werk dat God geschapen heeft om het te maken” (letterlijk). Het is niet: ‘dat God scheppende tot stand gebracht heeft’. Het kan ook vertaald worden met: ‘het werk dat Hij makend schiep’. Tenslotte vers 4a: “Dit zijn de verwekkingen van hemel en aarde” . Dit vers hoort nog bij het eerste scheppingsverhaal.

Het verband tussen mens en aardbodem

Het tweede scheppingsverhaal loopt van hoofdstuk 2 vers 4b tot en met hoofdstuk 4. Hierin staat de mens centraal. Vers 4b: “Ten tijde dat de Here God aarde en hemel maakte”. Niet: hemel en aarde. Letterlijk staat er: ‘Op de dag dat de Here God aarde; en hemel maakte’. God werkt in ‘dagen’. In het tweede scheppingsverhaal maken we kennis met de dubbele naam: Here God oftewel: JHWH Elohiem. JHWH betekent: ‘Heer van dé geschiedenis’. JHWH wordt niet uit Elohiem: ‘Heer van de natuur’.

Er was nog geen enkel veldgewas op de aarde uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens, geen Adam, om de aardbodem (Adamah) te bewerken” (Gen. 02:05). Er is een diep verband tussen mens en aardbodem, tussen Adam en Adamah. Ze horen bij elkaar en vormen een twee-eenheid. Het is niet slechts een woordspel, maar het gaat veel dieper. Als de Adam faalt, dan lijdt de Adamah. De aardbodem lijdt onder de val van de méns. De mens moet de aardbodem niet bewérken, (dat is veel te vrij vertaald) maar hij moet de aardbodem dienen (Hebreeuws).

Het woord ‘dienen’ is enorm fundamenteel in verband met de Bijbelse leer aangaande de mens. In Genesis 2 tot en met 4 zijn drie punten te noemen:

  1. de mens voor Gods aangezicht.
  2. de mens als man en vrouw.
  3. de mens als man en broeder.

Je bent nooit mens alleen, je bent altijd mens in een verband. Zonde scheurt de verbanden, de mens wordt uit zijn verband gerukt. De mens wordt een eenling, een alleenganger, daarom ook een blindganger. Het basisbegrip van de Bijbelse leer over de mens is: dienen. Vanuit het scheppingsverhaal is de mens een dienaar, geen bewerker. We moeten de twee scheppingsverhalen naast elkaar leggen. Ze lopen gelijktijdig. Dan zien we ten eerste het afgesloten verhaal: de zeven dagen en ten tweede een nieuw scheppingsverhaal, dat begint vanaf het begin, toen de mens er nog niet was.

Het vorige deel in de serie over het boek Genesis verscheen in “Levend Geloof” van januari (nr. 277).

Het begrip ‘dienen’ in het kort 

Dienen uit eigen, vrije beweging. Dienen is geen negatief begrip. Het wordt ook gebruikt voor de gastheer, die zichzelf als dienstknecht aan zijn gast aanbiedt. Vandaar de unieke uitdrukking: gastvrijheid. Het betekent dat je zo vrij bent, dat je gasten kunt ontvangen.

Dienen wordt door de boze misvormd. In Exodus 1 staat dat de Egyptenaren de Israëlieten deden dienen. Het is vaak weer anders vertaald. In Exodus 1 vers 14 en 15 (Ex. 01:14-15) komt ‘dienen’ vijfmaal voor. De Israëlieten moeten gedwongen dienen, niet uit vrije beweging. “Ik ben de Here uw God, die u uit het diensthuis geleid hebt”. De mens gaat uit het diensthuis, met de bedoeling Gód te gaan dienen. De mens komt nu tot de ware dienst terug. In Jesaja 42 wordt gesproken over de ‘dienstknecht des Heren’ (Ebed JHWH) . Dit is het hoogtepunt! Jesaja beschrijft het beeld van de knecht des Heren, die plaatsvervangend gaat lijden en daarin waarlijk dienstknecht wordt.

De uitdrukking ’tot knecht maken’ komt bijna nooit voor met Gód als onderwerp. God maakt de mens nooit tot slaaf. Hij maakt de mens ook niet tot knecht. De mens moet vanuit zichzélf dienaar worden.

De aarde krijgt weer een aangezicht

“Een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de hele aardbodem” (Gen. 02:06). Letterlijk: ‘en bevochtigde heel het aangezicht van de aardbodem’. De aardbodem heeft een aangezicht. Daarom kan de aardbodem gekwetst worden en wordt het aangezicht ontoonbaar gemaakt. “Gij vernieuwt het gelaat van de aardbodem” (Ps. 104:030). ‘Gij vernieuwt het aangezicht van de Adamah’. Het betekent dat de aardbodem weer een aangezicht krijgt. De aardbodem is vaak door alle leed en misvorming gezichtsloos geworden.

“Toen formeerde de Here God de mens van stof’ uit de aardbodem …”(Gen. 02:07a,) . Letterlijk: ‘Toen formeerde de Here God de mens stof’. Er staat niet: ‘van stof’, maar ‘stof’. ‘Van’ is door de vertalers ingevoegd. Er wordt wel gedacht dat de Here God als een pottenbakker bezig is geweest, om van leem of klei de mens te formeren. ‘Stof’ is geen klei of leem, maar het rode poeder, dat op een warme dag op de oosterse akker ligt. Je kunt er niets van kneden. Hiermee wordt uitgedrukt dat de mens puur afhankelijk is van God. De Adam wordt uit de Adamah genomen, om te laten zien dat het een eenheid is en zij bij elkaar horen. “En Hij blies de levensadem in zijn neus en alzo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 02:07b). (Eigenlijk: een levende ziel). De mens leeft dus op de adem Gods (nsjamah) . Nu kunnen we ook Psalm 103 vers 14 (Ps. 103:014) begrijpen, waar staat: “Hij gedenkt dat wij stof zijn” . Het betekent dat wij zijn adem nodig hebben om te leven!     (wordt vervolgd).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Perziken met slagroom

We krijgen vanavond op de Bijbelstudie perziken met slagroom. Dat is tenminste beloofd door de voorganger. Lekker hè? Ik ga vanavond, want het zal vast wel een goede avond worden. Gaat u ook regelmatig naar een Bijbelstudie toe?

Nu, ik ben geweest. Maar die perziken waren er niet en de slagroom bleek geestelijk te zijn. ‘k Heb de voorganger dus niet zo goed begrepen. Weet u waar het wel over ging? Over perziken met slagroom en ons bijbel lezen! Snapt u het verband? Ik begreep er eerst niets van.

De voorganger begon met een lepel levertraan. Niet zo smakelijk, maar toch een erg nuttig middel. Allemaal eenmaal per dag een lepel ervan nemen. Zo gaan velen van ons met de bijbel om. ‘Leuk is het niet, maar als je geestelijk gezond wilt blijven, moet je toch elke dag even in de bijbel lezen’. Hij noemde dit: stadium levertraan.

Daarna kwam hij met een stevige boterham op de proppen. Ook om elke dag te gebruiken, maar met dit verschil dat een goed belegde boterham best smakelijk kan zijn. En u weet het van de reclame: ‘Brood daar zit wat in!’ Ik benijd de trouwe boterham- bijbellezers onder ons, want ze groeien gestadig in hun geestelijk leven.

Maar… het laatste stadium is die van perziken met slagroom. Dan lees je je bijbal om er uit te smullen. Zoiets als wat in de psalmen staat over David (Psalm 119): “Hoe lief heb ik uw wet! Zij is mijn overdenking de ganse dag… In Uw inzettingen zal ik mij verlustigen”.

David was een man voor wie het woord van God, uit zijn tijd, zoiets heerlijks was, dat hij genoot. Het was een lust voor hem geworden.

De bijbel gaat voor ons open door de leiding van de Heilige Geest. Het is Gods verlangen dat Zijn Woord niet onbegrijpelijk is, maar tot ons hart gaat spreken en daar wordt verstaan. Het stadium ‘perziken met slagroom’ was niet alleen voor David of voor uw voorganger, maar ook voor u! In welk stadium ‘bevinden wij ons? Levertraan. ,. ? Boterhammen. .. ? Of perziken met slagroom. . \? ‘Wie zoekt. . . vindt! Wie klopt. .. wordt geopend! Wie bidt… ontvangt!’

 

Hoe gaan wij om met de Bijbel? Door Gert Jan Doornink

Verschillende uitleggingen

‘Wij geloven in de Bijbel als het onfeilbare woord van God’. ‘Onze grond­slag is de Bijbel’ . ‘De basis van ons werk is de Bijbel als het geopen­baarde Woord van God’. ‘Wij geloven in de Bijbel van kaft tot kaft’.

Zo zouden we nog een poos door kunnen gaan en vele kolommen kunnen vullen hoe kerken, ge­loofsgemeenschappen, partijen, sekten, stro­mingen en bewegingen allen aanspraak maken op het feit dat ze hun basis hebben in het Woord van God.

Maar hoe komt het dan dat er zoveel interpre­taties zijn van het Woord van God? En dat men – ondanks het feit dat met zegt de Bijbel als fundament van het ge­loofsleven te hebben – zo totaal verschillend en soms tegenstrijdig omgaat met het Woord – van God?

Dit kan maar door één ding veroorzaakt worden, namelijk dat men zich niet of onvoldoende re­aliseert dat de Bijbel een geestelijk boek is en alleen geestelijk is te verstaan. In Johannes 4 vers 24 (Joh. 04:24) (in het gesprek met de Samaritaanse vrouw) zegt Jezus: “God is geest en wie Hem aan­bidden, moeten aanbid­den in geest en waarheid” . Wanneer God ‘geest’ is, zijn ook zijn woorden ‘geestelijk’ en zullen we zelf ook ‘geestelijk’ moeten zijn om zijn woorden te kunnen begrijpen.

De Geest maakt levend

Wie als kind van God be­hoort tot het Koninkrijk Gods, weet dat hij op­nieuw geboren, dat wil zeggen uit de Geest geboren is (Joh. 03:05-08). Maar dan komt het er op aan of wij ook verder ‘uit de Geest’ willen le­ven! Daarom is de doop- en vervulling met de Hei­lige Geest zo belangrijk! Blijft die achterwege dan kan de Heilige Geest ons niet leiden in alle waar­heid (Joh. 16:13) en kun­nen wij de werkelijke be­tekenis van het Woord van God niet vatten. Dan kunnen we wel zeggen dat we van a tot z in de Bijbel geloven, maar de manier hoe dan met het Woord van God omgaan en Bijbelteksten citeren kan zelfs gevaarlijk en misleidend zijn. Denk aan de talrijke sekten en dwaalleringen die zich allen op één of andere wijze beroepen op het Woord van God.

Paulus zegt dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt (2 Kor. 03:06). Dit is het geheim, dit is de sleutel tot de juiste invulling van de betekenis van het Woord van God. Alleen door de Geest gaat het Woord ‘leven’, dat wil zeggen: het heeft een positieve uitwerking in ons leven door ons meer en meer om te vormen naar het beeld van Chris­tus .

Dan zijn wij ook op onze hoede voor allerlei ‘letter­lijke’ en ‘natuurlijke’ uit­leggingen van de Bijbel ook binnen de gemeente van Christus. Wij denken in dit verband aan de talrijke boeken, geschrif­ten, schema’s, etc. die er over de eindtijd gepu­bliceerd worden en waar­in alles precies wordt aangegeven hoe de ge­beurtenissen zich zullen voltrekken. Men beweert overal een antwoord op te hebben en als het niet uitkomt, heeft men alweer een andere uitleg klaarliggen.

Is Gog Gorbatsjov?

Wat te denken – om een willekeurig voorbeeld aan te halen van een bericht wat we onlangs lazen in het blad ‘Middenachtsroep’ Dr. Wim Malgo onder de titel: Wie is Gog?’ na de in bepaalde kringen bekende uitleg dat met Gog, zoals dit woord enkele malen in de Bijbel voorkomt. Rusland bedoeld wordt, komt men op een gegeven moment bij de conclusie dat de huidige leider van de Sovjetunie Gorbatsjov terug te vinden is in het woord Gog. De eerste twee letters van het woord Gog komen overeen met de eerste twee letters van Gorbatsjov. En de derde letter (de g) kan men dan weghalen van het woord General nuj skretar (algemeen secretaris). Gorbatsjov is  immers de algemeen secretaris van de communistische partij. Met drie uitroeptekens wordt deze ‘vondst’ gepubliceerd. Wie op een dergelijke wijze bezig is met het Woord van God kan natuurlijk nog talrijke andere constructies bedenken. De Bijbel is echter geen boek die men op deze wijze misbruiken mag.

Laten we op onze hoede zijn en ons niet bezig houden met deze misleiding. Wie zich op gezonde, geestelijke wijze verdiept in de Bijbel zal ontdekken hoe dit boek altijd weer nieuwe rijkdommen in het licht stelt. Hij gaat geestelijk groeien en wordt niet meer heen en weer geslingerd door allerlei ‘wind van leer’. In deze eindtijd gaan de zonen Gods zich openbaren. Zij hebben geleerd op de juiste wijze (geestelijk) om te gaan met het Woord van God. En dit Woord is ‘levend’, krachtig en scherp’(Heb. 04:12) het is vlees geworden in Christus en komt tot leven door de Heilige Geest.

 

Wat mag God van ons verwachten? Door Peter Hagendoorn.

Wij zullen een mensheid maken naar ons beeld en in overeenstemming met ons. Genesis 1:27 (Gen. 01:27) transcriptie vertaling, Dr. M. Reisel. Deze tekst is ondubbelzinnig en geef duidelijk aan wat God met de mensheid voor had, namelijk dat de mens gelijkvormig moest worden aan het beeld van God. Het is onder andere de roeping en bediening van Jezus geweest dat hij de mensheid heeft laten zien hoe God was en derhalve hoe wij dienen te zijn in Johannes 14 vers 9 (Joh. 14:09) zegt Jezus, Wie mij gezien heeft, heeft de vader gezien. Pas door het werk van Jezus en zijn dood. Werd het voor de mens mogelijk aan dit doel van God te gaan beantwoorden, wat God In het begin van het Boek Genesis betekent. Wording in werking stelde, komt pas in het nieuwe verbond vervuld c.q. ingevuld worden, want pas toen en niet eerder konden mens deel uit gaan maken van het goddelijk geslacht.

In Handelingen 17 vers 29 (Hand. 17:29) lezen wij: “God dan verkondigt, met voorbij zien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij overal tot bekering moeten komen’. Paulus zegt dus in zijn brief aan de Romeinen niets bijzonders, als hij stelt: “Want die Hij tevo­ren gekend heeft, heeft’ Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijn Zoons” (Rom. 08:29).

Kan God onze gebeden verhoren?

Wat is – jammer genoeg – vaak de praktijk? Dat de mens God schept naar Zijn (verwachtings) beeld. God, als almachtig God wordt verantwoorde­lijk gesteld voor allerlei misstanden die meestal door de mens zelf – direct of indirect – veroorzaakt zijn. God moet maar ver­geven en alles ten goede keren want, zo redeneert men, als zondaar zijn we toch niet in staat goed te doen. Vandaar dat we dan onze problemen of onze wensen maar aan God voorleggen die dan geacht wordt elk gebed te verho­ren… Of deze gebeden al dan niet met elkaar in strijd zijn wordt gene­geerd. Voorbeeld: De boeren bidden of God het maar wil laten regenen en tegelijkertijd bidt de vakantieganger of het maar mooi weer mag blij­ven. ..

Het moet voor God op de­ze wijze toch wel buiten­gewoon moeilijk zijn om al deze gebeden naar waarde in te schatten en te ver­horen. En wat te doen als het gebed niet ver­hoord wordt? Stelt ons gebed dan niets voor? Zijn we nog een te groot zondaar, zonder recht van spreken? Bidden we niet op de juiste manier?

Allemaal vragen die in ons op kunnen komen. Maar hebt u zich wel eens af gevraagd, of er voor God een reden is om speciaal aandacht te schenken aan uw gebed? Hebt u steek­houdende argumenten dat God uw gebed wel moet verhoren en dat van een ander niet? U verwacht veel van God – overigens terecht – maar wat stelt u daar tegenover? Voldoet u aan datgene wat God van u verwacht?

Dienen wij God uit liefde?

God is liefde. God wil de mensheid bijstaan, daar behoeft niet over getwij­feld te worden. Maar de mens moet God dat wel mogelijk maken. Hij zal zijn God door en door  moeten kennen om te we­ten hoe hij als rentmees­ter naar behoren zijn taak op aarde moet ver­vullen. God wil dat wij als gemeente – onder an­dere geestelijk uitgebeeld als zijn vrouw – bereid zijn God uit liefde te die­nen.

En zoals in een goed hu­welijk, man en vrouw elkaar door en door ken­nen en soms zelfs geen woorden nodig zijn om elkaar iets duidelijk te maken, zo behoort het ook tussen ons en God te zijn. Door het woord van God, zoals dit in de Bij­bel tot ons komt, kunnen wij God ruimschoots leren kennen en gaan begrijpen wat God van ons ver­wacht .

Als een man of een vrouw zijn ‘ware’ ontmoet, wil ze alles van hem weten. Ze kijken elkaar – letter­lijk en figuurlijk – naar de ogen. Daar waar het God betreft – en in over­drachtelijke zin ook een relatie tussen man en vrouw – wordt maar al te vaak volstaan te herkau­wen wat anderen ons voorhouden. Als u de mening van uw man of vrouw wilt weten gaat u dat toch ook niet aan een ander vragen. (Maravillosa) Nee, u vraagt het heel normaal aan uw partner. De antwoorden van de vragen die u aan God wilt stel­len staan in de Bijbel.

Groeien in de kennis van God

Paulus zegt het als volgt: “We vragen, dat u, om Gods wil geheel te leren kennen, vervuld wordt met grote wijsheid en geestelijk inzicht. Dan kunt u leven zoals de Heer het wil en altijd doen wat Hij verlangt. Zo kunt u op elk terrein goed en vruchtbaar werk doen en groeien in de kennis van God” (Kol. 01:9-11; Groot Nieuws Bij­bel).

Jammer genoeg is het satan gelukt het Gods­beeld van veel mensen te vertroebelen. Door gebrek aan inzicht en kennis kan hij ze van alles en nog wat wijs­maken. Jezus had dit in­gezien en kon daarom zelfs aan het kruis nog bidden voor deze onwe­tende mensheid, die niet wist wat ze deed. Ook Petrus stelt het heel duidelijk in Handelingen 3 vers 11 tot en met 26 (Hand. 03:11-26) als hij zegt: “En nu broeders, ik weet, dat gij uit onkunde gehan­deld hebt, gelijk uw oversten” (Hand. 03:17).

Als we geen kennis hebben van het woord van God, kunnen we ook niet door de Heilige Geest geïnspi­reerd worden. En het ge­volg? Lees bijvoorbeeld 2 Korinthiërs 10 vers 4 tot en met 6. (2 Kor. 10:04-06) Wij hebben de Heilige Geest nodig. En daarvan zegt Jezus: “Die zal u alles leren en u te binnen brengen, al wat ik tot u gezegd heb” (Joh. 14:26).

Onze taak als koning en priester

God mag van ons verwach­ten dat we zijn belangen dienen. En deze belangen betreffen het beheer van de schepping in al zijn facetten en het helpen realiseren bij het plan van God. Als wij derhalve bidden, is dat gebed dan gericht op de taak die wij als koning/priester moeten waarmaken? En als wij iets vragen, zijn wij daarmee dan alleen gediend of heeft God en onze mede­mens er ook nog wat aan?

Als ”men God niet – of niet genoeg kent – is het ge­vaar levensgroot aanwezig, dat men tot God gaat bid­den als tot een onbekende kracht/macht die wel eens even een en ander kan regelen. Op datzelfde mo­ment maakt men van God een ‘iets’ (een ding, een afgod) in plaats van een persoonlijkheid waar we mee ver/getrouwd zijn en waarmee we in onze innerlijke mens (samen) leven. In feite houden we ons dan bezig met afgo­derij

Als wij weten wat God van ons verwacht en als wij verlangen daaraan te gaan beantwoorden, dan is er een gemeenschappelijke basis aanwezig, waarop God gebeden kan gaan verhoren. God weet dan ook wat Hij van ons mag verwachten.

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (7)

De beschuttende cherub

Velen zitten met de vraag: Als God alles zo volmaakt goed geschapen heeft, waar komt dan het kwade vandaan? Had God dat niet kunnen voorkomen? Ik geloof dat het kwade voorkomen had kunnen worden als God niet geschapen had en in ieder geval de mens niet geschapen had. Om de mens is namelijk de deling – de scheiding – in de engelenwereld geschied en het kwade ontstaan. God had miljarden engelen geschapen om die grote mensenzee, die uit Adam en Eva geboren zou worden, te bewaren, te beschutten, te dienen in zijn natuurlijke ontwikkeling en later in de weg naar de heerlijkheid Gods, waar de mens uiteindelijk voor bestemd is (2 Kor. 05:05). Hiervoor waren ze door God volmaakt toegerust. (Besproken in deel 5). De mens zou zeer kwetsbaar beginnen in de moederschoot, maar uiteindelijk zijn plaats innemen in de geestelijke wereld en bekleed worden met goddelijke heerlijkheid.

Het hoofd van de engelenwereld – in de Vulgata Lucifer (licht engel) genoemd – kende het plan van God met de mens. Hij was met wijsheid begiftigd (Ez. 28:17) om met zijn kennis en geweldige gaven, die in Ezechiël 28 vers 12b en 13 (Ez. 28:12b-13) genoemd worden, zijn roeping en taak uit te voeren. Niet alleen hij maar alle engelen waren zo voor hun taak volmaakt toegerust. Ezechiël 28 vers 14a (Ez. 28:14a) zegt: “Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven”. De Septuaginta beschrijft deze cherub als de verzegelaar van de som of de bewaarder van het beeld, het model van God. De mens dus die naar Gods beeld geschapen is (Gen. 01:27). Hij zou die hele mensheid moeten bewaren. Daar werd hij door God voor aangesteld en toegerust en daarin functioneerde hij als medewerker Gods.

Van medewerker tot satan

Deze engel wist van het plan van God met de mens. Hij wist dat hij de mens moest bewaren totdat ‘het zaad’ Jezus Christus zou komen in de volheid des tijds, die de mensheid tot die hogere plaats zou brengen. God: vertrouwde hem de hele aarde met de mensheid toe, niet als heerser maar als bewaarder, als beschuttende cherub (Ez. 28:14a) . Hij had, evenals Jezus Christus, later moeten kunnen zeggen: “Ik heb over hen gewaakt en niemand van hen is verloren gegaan van wie U mij gegeven hebt” (Joh. 17:12). Hij wist dat het zaad ‘Jezus Christus’ als hoofd gesteld zou zijn over alles wat geschapen is in de hemel en op de aarde (Ef. 01:09b-10) en dus zou zitten aan de rechterhand Gods op de troon en aan God gelijk zou zijn. Hij zelf zou dus ook aan deze Koning der koningen onderworpen zijn.

Toen kwam er onrecht in zijn hart (Ez. 28:15). Er kwamen overwegingen die niet meer bij zijn roeping pasten. (Val van Satan) Hij wilde die plaats van Jezus Christus grijpen en zo ook boven de mens gesteld zijn. Jesaja 14 vers 12 tot en met 14 (Jes. 14:12-14)beschrijft dit wel heel duidelijk: “Hoe zijt gij uit de hemel gevallen, gij morgenster, zoon des dageraads; hoe zijt gij ter aarde geveld, overweldiger der volken! En ‘gij overlegdet nog wel: ik zal ten hemel opstijgen; boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen”.

In plaats van, beschermer en bewaarder werd hij een overweldiger. ‘Een vertrapper’, zegt de Leidse vertaling. Hij heeft zich de mens toegeëigend. Jezus zegt later dat hij een dief is die steelt, slacht en verdelgt (Joh. 10:10a) . Alles in zijn wezen – wat volmaakt en goed geschapen was (Gen. 01:31) – werd een omkering. De waarheid werd leugen. Daarom noemt Jezus hem de vader der leugen (Joh. 08:44b). Liefde om de mens met zorg te omringen, werd haat. Zo werd alles in hem een: tegenstelling van het goede, door God geschapen. En met zijn geweldige vermogens overweldigt hij – en zijn demonenleger – de mens en verleidt, misleidt, beschadigt en vernielt hem naar geest, ziel en lichaam. De wolken die een beeld zijn van de wedergeboren mens die opstijgt van de aarde (Openb. 01:07; Dan. 07:13; Matt. 24:30) en zijn plaats inneemt in de geestelijke wereld. Daar wil hij zich boven verheffen, daar hoofd van zijn.

Maar in Gods scheppingsplan is deze plaats toebedeelt aan Jezus Christus. Hij is immers aan de gemeente gegeven als hoofd (Ef. 01:22; Matt. 24:30b) . Satan wil zich aan de Allerhoogste gelijkstellen, weer dus de plaats van Jezus Christus innemen. Jezus zegt: “Ik en de Vader zijn een”. Als nu – in de eindtijd – de gemeente tot volheid komt, zal ook de duivel, door middel van de antichrist, alsnog dit doel trachten te verwezenlijken. We lezen immers dat hij zich’ in de tempel Gods zal zetten en zich voor God zal uitgeven (2 Thess. 02:04).

Zo is deze geweldige engel geworden tot satan. Van medewerker Gods tot tegenwerker, tegenstander van God (satan betekent tegenstander). Van beschermer tot overweldiger van de mens. Ezechiël 28 vers 16 en 17 zegt dan nog: “Want gij zijt van binnen vol geweldenarij geworden, (dat had God dus niet ingeschapen!) vanwege uwen uitgebreide handel en hebt gezondigd (gevolg van overleggingen en begeerten); daarom zal ik u neerstorten van de berg Gods, en zal u, de overschaduwende cherub, uit de vurige stenen wegdoen (scheiding tussen de heilige engelen en gevallen engelen, licht en duisternis) . En dewijl uw hart zich verheft omdat gij zo schoon zijt, en gij u door uw wijsheid hebt laten bedriegen in uw pracht, daarom wil ik u ter aarde storten,-,en een schouwspel van u maken voor de koningen” . (Lutherse vertaling) .

Voor of tegen je bestemming kiezen

Zo is het kwaad ontstaan. Niet dat deze engel een keuze maakte tussen goed en kwaad, want er was geen kwaad, maar hij werd ontrouw aan zijn roeping, zijn oorspronkelijke bestemming (Judas 01:06). Hij bleef niet wandelen in het scheppingswoord van God waarin zijn plaats, bestemming, vermogens, vreugde, enz. opgesloten lag (Ez. 28:14). Dat is wat men met zijn vrije wil’ kan doen: kiezen voor of tegen je bestemming’. Dat is zo bij de engelen en de mensen. Dat was ook zo bij Jezus Christus. De duivel zondigde dus, wat in de diepste betekenis van het woord’ wil zeggen: ‘Zijn doel missen’ (Hebr. ‘chate’ en Grieks ‘harmatia’). Hij werd met de engelen die in deze keuze meegingen – de personificatie van zonde. Daarom spreekt de bijbel van ‘zondemachten’. Als nu mensen op de verleiding van zondemachten ingaan, zondigen ze dus ook en missen ze op dat moment het doel. Zo valt het eerste mensenpaar ook in de zonde door de verleiding van de duivel.

Er is echter een groot verschil met de zonde van de duivel. De mens maakt niet vanuit een ‘volmaakt kennen’ een keuze tegen zijn bestemming, maar hij is onmondig en wordt door de sluwheid van de slang verleid (2 Kor. 11:03) en overtreedt een gebod. Er komen dus geen overleggingen en overwegingen in zijn hart op om een hogere plaats te grijpen dan waarvoor hij geschapen is. Het kwaad ontstaat niet in hem zelf zoals bij Lucifer. Hij is ongehoorzaam en het gebod wat hij overtreedt, heeft ernstige gevolgen. Het is de wet van zonde en dood (Gen. 02:16-17; Rom. 08:02).

Paulus zegt: “Door één mens is de zonde de wereld binnengekomen en door de zonde de dood en zo is de dood tot alle mensen doorgegaan omdat alle mensen gezondigd hebben” . In Genesis 3, wat handelt over de zondeval en de gevolgen daarvan, is daarom ook ‘De belofte’ voor de mens en de ‘veroordeling’ voor de slang, de duivel. “Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad, dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen” (Gen. 03:14-15).

De mens – door God goed geschapen – werd niet door en door slecht en verdorven, maar door het gebod te overtreden, wat God gegeven had, omdat de duivel in zonde was gevallen, kwam de zonde binnen en kwam er scheiding met God, wat vanzelfsprekend de dood betekent (Jes. 59:02). Hij is immers de bron van het leven. Scheiding heeft daarom de dood als gevolg. Niet als straf maar als gevolg, hoewel het wel als zodanig ervaren kan worden. Maar in zijn oneindige wijsheid en liefde heeft God voorzien in het zaad, Jezus Christus, dat ondanks de zondeval toch uit de vrouw geboren zou worden. Hij zou de mens weer met God verzoenen (omdat de mens in wezen goed is gebleven!). En het voornemen van God met de mens zal door zijn hand gelukken (Jes. 53:10b, vertaling Obbink), zoals het van voor de grondlegging der wereld door God bedoeld is.

(wordt vervolgd).

 

1987.02 nr. 278

Levend geloof 1987.02 nr. 278

Alle dingen werken mede ten goede door Gert Jan Doornink

”Wij weten nu,, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn” Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28).

Christen-zijn betekent optimist-zijn! Dit is geen holle frase of uit de lucht gegrepen kreet, maar werkelijkheid voor allen die het nieuwe levén met Christus beleven. Christenen bezien het leven niet van de donkere kant, maar van de lichte kant, dat wil zeggen van God uit, Hij is immers de bron van alle leven.

Ten onrechte wordt wel eens gedacht dat dit een oppervlakkig leven inhoudt, maar het tegendeel is waar Wie als christen de Heer werkelijk volgt weet dat we dagelijks te maken heeft met de aanvallen uit het rijk der duisternis. Alleen doordat wij met Christus onze plaats hebben ingenomen in de hemelse gewesten, kunnen strijden tegen de vijand en ervaren dat wij met Jezus overwinnaars zijn. Dan kunnen wij woorden van Paulus begrijpen als hij aan de Rome schrijft dat alle dingen medewerken ten goede voor hen die God liefhebben. Let wel: alle dingen.  In hetzelfde hoofdstuk schrijft hij dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, geopenbaard in Jezus Christus.

In gemeenschap met de Vader

Paulus is het standaardvoorbeeld van een ‘geloofsoptimist’! Wat hij ook meemaakte in zijn leven, hoe de omstandigheden ook tegen waren, het deerde hem niet. Zijn geheim was een leven van voortdurende gemeenschap met Jezus Christus. Hij attendeerde zijn medebroeders en -zusters erop dat ook zij hiertoe geroepen waren 1 Korinthe 1 vers 9 (1 Kor. 01:09). De apostel Johannes zei het met deze woorden: “En onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b).

In deze (eind)tijd komt het er op aan dat wij ons niet van de wijs laten brengen door de vijand. Het is hem er alles aan gelegen ons uit de gemeenschap met de Vader te halen. Dan ebt de vrede, blijdschap en overwinning van ons geloof weg en gaat optimisme plaats maken voor pessimisme.

Ook is het mogelijk dat de groei van ons geloofsleven tot stabiele, overwinnende christenen die het leven ‘aankunnen’, nog onvoldoende tot ontwikkeling komt, doordat er nog gebondenheden of infiltraties uit het rijk der duisternis aanwezig zijn, die eerst opgeruimd moeten worden. Iedere christen behoort in deze tijd ‘schoon schip’ te maken, verkeerde dingen af te leggen, of als men meent daartoe zelf niet in staat te zijn, zich te laten bevrijden.

Dan krijgt ook de Heilige Geest die plaats in ons leven die hem toekomt. Wie alleen maar gedoopt is met de Heilige Geest en het verder alleen maar als een bijzondere ervaring beschouwd, kan niet groeien in kennis en inzicht, wat wij zo broodnodig hebben in deze tijd. Het is immers de Heilige Geest die ons de weg wil wijzen naar de volle waarheid en ons de enig ware leer, die van het Koninkrijk, doet kennen en beleven’

Kan de Heer zich door ons openbaren?

God heeft de leden van de eindgemeente een bijzondere taak toebedeeld. Zij zullen zich als zonen Gods gaan openbaren en zoals Jezus een begin maakte en ons ten voorbeeld is, mogen wij verder meehelpen de geruïneerde en beschadigde schepping te herstellen. Dat is de grote opdracht waarbij u en ik betrokken zijn!

Kan de Heer Zijn gang gaan in ons leven, dat wil zeggen zich door ons openbaren? Gods wil voor de mensheid laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij wil ‘het goede, welgevallige en volkomene’ Romeinen 12 vers 2b (Rom. 12:02b). Hij heeft altijd het beste met ons voor. Daarom weet een waarachtig kind van God ook dat alle dingen medewerken ten goede, omdat Gods doel met ons leven is dat het beeld van Zijn Zoon in ons zichtbaar wordt. En God wijkt niet af van deze doelstelling. Hij is in ons een goed werk begonnen en Hij wil dit tot het einde toe voort zetten Filippenzen 1 vers 6 (Filip. 01:06).

En wie werkelijk God lief heeft en Hem als oprechte discipel van Jezus volgt, behoeft niet bang te zijn dat er iets mis gaat en dat dit doel niet bereikt zal worden. De zekerheid dat alles meewerkt ten goede heeft tot gevolg dat we leren dat de tegenwerkende krachten uit het rijk van satan niet beslag op ons leggen of ons kunnen uitschakelen. Ons oog blijft immers gericht op Jezus de Leidsman en Voleinder van ons geloof? Met Hem zijn we overwinnaars en functioneren in het plan van God als Zijn medearbeiders! Zo heeft Hij het gedacht en zo zal het geschieden!

 

God is getrouw, Zijn plannen falen niet,

Hij kiest de Zijnen uit Hij roept die allen;

Die ’t heden kent, de toekomst overziet,

Laat van Zijn woorden geen ter aarde vallen.

En ’t werk der eeuwen, dat Zijn Geest omspant,

Volvoert Zijn hand.

  1. J. R. Doornink

 

Oog om oog tand om tand door Klaas Goverts

(In dit artikel wijst Klaas Goverts erop dat de vijf eerste Bijbelboeken, die door Mozes geschreven zijn en de Torah vormen, vaak ten onrechte met ‘wet’ ver­taald zijn, maar in werke­lijkheid ‘onderwijzing’ bete­kenen. Dit werpt een ge­heel ander licht op hei be­gin van de Bijbel en laat ons zien dat God ook toen reeds barmhartig was en niet pas barmhartig gewor­den is bij de komst van Jezus, zoals soms geleerd wordt. Omdat God onver­anderlijk en eeuwig is, is Zijn Woord dat ook. Daarom pleit Klaas Goverts voor een eerherstel van de Te­nakh (de boeken die het Oude Testament vormen). Het begrip Oude Testament is pas later gegeven. Het is van fundamenteel belang dat we de eenheid en continuïteit in de Schrift ontdekken)

Over de uitdrukking: ‘oog om oog, tand om tand’, wordt veelal wat negatief of laatdunkend gesproken. Men heeft het idee dat dit zoiets betekent als: wie niet horen wil, moet maar voelen. En vaak zegt men dan: Dat is nu typisch oudtestamentisch. Gelukkig leven wij nu in een andere tijd want met de komst van Jezus is dat allemaal voor­bij. En dan schudden we ietwat meewarig ons hoofd over die tijd van het Oude Testament want dat was toch maar gruwel en ge­weld .

Het lijkt mij noodzakelijk hierbij enkele kanttekenin­gen te maken, in de eerste plaats omdat we steeds weer moeten leren horen. Horen is het ABC, het fundament van heel de Schrift.

En nauwkeurig horen moet geoefend worden, want slordig horen is geen horen en juist omdat we in een gejaagde, haastige tijd leven, gaat ons dit zo moei­lijk af. Maar de basis van alles is en blijft: Hoor Is­raël. Zo gemakkelijk praat de een de ander na en dan gaan we leven bij kreten, bij slogans. Maar we zullen steeds moeten onderzoeken en vragen of deze dingen wel zo zijn.

Torah is niet wet maar onderwijzing

In de tweede plaats hebben we te maken met de eeuwi­ge God. Hij heeft het woord voortgebracht. Wat zou dit woord dan anders kunnen zijn dan eeuwig? Derhalve, de vijf boeken van Mozes zijn onvergan­kelijk en eeuwig. Zij vor­men de Torah en dat is niet Wet, zoals men veelal abusievelijk heeft vertaald, maar Onderwijzing. De Schrift begint met de vijf boeken Onderwijzing.

En hoe was God toen Hij die onderwijzing gaf? Ook hier dienen we goed op te letten wat we zeggen, want God is niet pas barm­hartig geworden met de komst van Jezus. Toen heeft God niet plotseling een ommezwaai gemaakt. In de tijd van de Torah was Hij net zo goed reeds barmhartig.

Daarom is het ook beter niet te spreken over Oude Testament, want dat wekt de indruk als zou het Oude minder zijn dan het Nieu­we. Men gaat dan twee zaken door elkaar halen. Van het oude verbond wordt gezegd dat het veroudert en verjaart en niet ver is van verdwijning.

Maar van het Oude Testa­ment niet!

We spreken derhalve liever over Tenakh. De naam Oude Testament is pas veel later gegeven, zo om­streeks de derde eeuw na Christus. Zo pleit ik voor een eerherstel voor Te­nakh. En het is van fun­damenteel belang dat we de eenheid en de continuïteit in de Schrift leren ontdekken. Want de God van Tenakh is geen andere God dan de Vader van Je­zus, de Messias.

Driemaal komen we de aan­duiding ‘oog om oog’ tegen in Tenakh, namelijk in de boeken Exodus, Leviticus en Deuteronomium. Nu is het een grondregel dat we een tekst moeten verstaan in en vanuit het verband waarin hij zich bevindt. Alleen dan hebben we een bepaalde tekst recht ge­daan. Die behandeling verdienen teksten; daar heb­ben ze recht op. Want eer­bied is één van de basisprincipes van het konink­rijk Gods; dat houdt in eerbied voor God, eerbied voor de mens, eerbied voor jezelf dus ook eerbied voor de schepping. Dat impli­ceert dan natuurlijk ook eerbied voor wat iemand (God of mens) spreekt. We zullen nu deze drie teksten de revue laten passeren en we beginnen bij de laatste.

Deuteronomium 19

In vers 21 horen we: “Gij zult niet ontzien (uw oog zal niet sparen): leven om leven (ziel om ziel), oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet”. Maar in welk ver­band staat dit woord? Om daar zicht op te krijgen behandelen we eerst het grote verband, het boek Deuteronomium, en ver­volgens het kleine ver­band: Deuteronomium 19.

  • Deuteronomium

Dit boek is geen herhaling der wet, maar instructies voor Kanaän: hoe zal de nieuwe mens kunnen leven in het nieuwe land dat straks opengaat? Het doel van God wordt aangegeven in Deuteronomium 26 vers 19 (Deut. 26:19):, “Dan zal Hij u verheffen tot een lof, tot een naam en tot een sieraad”. Is dat een oudtestamentisch doel? Hoger dan dit is er niet. Hoger is in het Evangelie (het zogenaamde Nieuwe Testament) niet denkbaar. Een mens, een volk als lof, als naam, als sieraad voor God.

En hoe wordt dat doel be­reikt? Doordat die mens, dat volk in de wegen van God gaat wandelen. Zo wordt het maar liefst zeven keer in Deuteronomium geformuleerd. Is dat oudtes­tamentisch, is dat verou­derd? Hebben wie iets hogers? Dit is het oerbegin­sel van de ganse Schrift, de mens zal gaan in de wegen Gods, met andere woorden: hij is gemaakt en geroepen om een navolger Gods te worden.

Want wat zijn die wegen van God? Dat zijn de we­gen die Hij zelf bewandelt, de wegen die Hij vanouds gewend is te gaan. En dan zegt Hij tot de mens: Kom, ga met Mij en doe als Ik.

Een centraal gedeelte daarover vinden we in Deuteronomium 10. “Nu echter, Israël, wat vraagt de Here uw God van u dan de Here uw God te vrezen, in al zijn wegen te gaan” Deuteronomium 10 vers 12 (Deut. 10:12). En wat zijn dan die wegen van God? Hij is onpartijdig, Hij neemt geen geschenk aan, wees en weduwe verschaft Hij recht, de vreemdeling heeft Hij lief, namelijk Hij geeft hem brood en kleding, zo zegt het vervolg. En daar sluit dan onmiddellijk op aan: “Hebt de vreemdeling lief, want gij zijt vreemdeling geweest in het land Egyp­te”.

Dus: de wegen van God houden volgens Deutero­nomium in: God neemt het op voor het zwakke: wees, weduwe, vreemdeling. Wanneer Jezus zich ont­fermde over de zwakken, dan ging Hij daarmee de weg van Deuteronomium, dan was zijn hele wandel gegrond in de Torah. Hij zegt immers ook: “Ik ben niet gekomen om de Torah en de profeten te ontbin­den, maar om die te ver­vullen” Matteüs 5 vers 17 (Matt. 05:17).

Gelukkig heeft Hij Deutero­nomium niet ontbonden.

Dan zou Hij de wegen van God ontbonden hebben. En waar hadden de vreemdeling, de wees en de we­duwe dan heen gemoeten? Dat zou een ramp geweest zijn. Gods wegen zijn: ont­ferming. In dat kader moe­ten we ook Deuteronomium 19 verstaan.

1.2 Deuteronomium 19

Het directe tekstverband begint in vers 16. Deuteronomium 19 vers 16 (Deut. 19:16) Daar wordt gesproken over een misdadig getuige, die te­gen iemand optreedt. Een getuige van geweld, zegt de grondtekst. En geweld is in de Schrift altijd ge­weld tegen je broeder.

God heeft de aarde zo be­doeld dat ieder daar een plaats zou hebben. Wan­neer nu de ene mens de andere mens geen plaats gunt, en plaats voor twee wil hebben, dan spreekt de Tenakh van geweld. Dan drukt die mens zijn broeder weg, zodat deze geen ruimte meer heeft om mens te zijn.

Nu wordt hier gezegd: een getuige van geweld staat op (zoals Kaïn op stond tegen Abel) tegen iemand, om hem aan te klagen. In dat verband staat het. Een zeer ernstige aangelegen­heid dus. Want dit kan niet en dit mag niet. Zo doet men niet in Israël. De bei­de mannen die de twist hebben, zullen gaan staan voor het aangezicht des ’ Heren. De priesters zul­len goed onderzoeken: er wordt niet lichtvaardig gehandeld. Als het inder­daad zo is, een leugengetuige is hij, leugen heeft hij tegen zijn broeder uit­gesproken , dan zult gij hem doen zoals hij zijn broeder dacht te doen.

Wat is het woord waar het om draait? Broeder. Hij heeft leugen getuigd tegen zijn broeder. Wat hij zijn broeder dacht te doen, wordt hem gedaan. En let wel, dit is een geestelijke’ wet. Wat jij je broeder denkt te doen, dat wordt jou gedaan. Zo zegt Jezus het ook: Al wat gij wilt dat u de mensen doen, doe gij hun evenzo.

Broeder is een motiefwoord in Deuteronomium. Het is een handleiding voor broe­ders om te laten zien hoe mensen als broeders moe­ten leven in het land dat de Here hun God hun ge­ven zal. Wie zijn broeder aantast, kan dit niet zo­maar doen. Want dan neemt God het op voor de zwak­ke; dat was immers de grondregel van Deuterono­mium. Dat waren (en zijn) immers de wegen van God? Als we hoofdstuk 19 in zijn geheel bezien, dan blijkt het thema te zijn: de be­scherming van het leven. Zo horen we in (Deut. 19:5-6) Deuteronomium vers  5 en 6: Als iemand per on­geluk een ander doodt (zijn naaste!) maar hij had geen haat tegen zijn naas­te, dan mag hij vluchten naar een van de vrijsteden. Anders zou de bloedwreker komen, de moordenaar na­jagen en hem om het leven brengen.

Nu is de uitdrukking ‘bloedwreker’ bijzonder in­teressant want daar staat in het Hebreeuws: de los­ser van het bloed (de go’ el). Zijn doel is niet wraak maar het lossen, het te­rugkopen van het bloed, zoals de losser tot taak had, het kwijtgeraakte land terug te kopen: zo immers was bijvoorbeeld Boaz losser voor Ruth.

Bloed dat vergoten is, moet teruggekocht worden. Want vergoten bloed mag niet zomaar spoorloos ver­dwijnen. God zegt niet: zand erover! Maar God zoekt het verhaal op. Want Hij zoekt het verlorene, net zolang totdat Hij het terugvindt.

Maar als iemand een hater was van zijn naaste, zo zegt Deuteronomium 19 vers 11, (Deut. 19:11) en hij loert op hem, staat tegen hem op en slaat hem aan, zijn ziel, dat hij sterft  dan moet hij gegeven worden in de hand van de losser van het bloed, dat hij sterve. Uw oog zal niet sparen, uitdelgen zult gij het onschuldig bloed uit Israël, opdat het u goed gaat. God neemt het op voor het onschuldig (on­straffelijk) bloed, een vas­te uitdrukking in de Tenakh, die trouwens in het Evangelie nog weer terugkomt. Zo getuigt Deuteronomium 19 van de eerbied voor het leven.

Het hoofdstuk past in de hele structuur van Deute­ronomium , waar we Gods hart leren kennen en zijn wegen.

  1. Leviticus 24

Leviticus 24 vers 19 (Lev. 24:19) zegt: “Wanneer iemand letsel toebrengt aan zijn volksgenoot”. Dit gedeelte staat in de context van Leviticus 23 tot en met 26, vier hoofd­stukken die handelen over het leven in de gemeen­schap. Hoe gedraag je je als mens ten aanzien van je volksgenoot. Elf maal horen we in Leviticus dit woord ‘volksgenoot’; Je hoort samen bij één volk en een volk is een gemeen­schap. Nu is hier iemand die zijn volksgenoot, be­schadigt, aantast. Leviticus 24 vers 20 (Lev. 24:20) zegt: “Zoals hij letsel geeft aan de ‘adam (de mens), zo zal hem gegeven worden”. En Leviticus 24 vers 21 (Lev. 24:21): “Wie een ‘adam slaat, zal tot sterven ge­bracht worden”. Waarom? Zoveel is een ‘adam waard voor God. Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand, zoals hij de mens een letsel geeft, zo zal hem gegeven worden. Enerlei recht zal er voor u zijn , hetzij voor de vreem­deling, hetzij voor de in-geborene, want Ik ben de Here uw God. Zo wordt hier het leven leven in de gemeenschap beschermd. Opnieuw zien we: God staat in voor de vertrapte.

  1. Exodus 21

Hier bevinden we ons in het boek Exodus, dat is het boek van de Bevrijding. Je bent nu bevrijd uit het diensthuis, uit het land van angst er tirannie; hoe ga je nu leven? Exo­dus 20 tot en met 23 kun­nen we typeren als Bondsboek; God sluit een ver­bond met de mens en Hij geeft de principes aan, hoe je als bondgenoten met Hem en met elkaar om­gaat. Exodus 21 vers 23 (Ex. 21:23) zegt: “Als er een kwetsuur is, dan zult gij geven ziel in ruil voor ziel, oog in ruil voor oog, tand in ruil voor tand, hand in ruil voor hand, voet in ruil voor voet, blaar in ruil voor blaar, wond in ruil voor wond, striem in ruil voor striem”. Let op dat er staat: gij zult geven!

De man die zijn naaste be­schadigd heeft, moet ge­ven. Wat moet hij geven? Vergoeding, in ruil voor wat de ander verloren heeft. Kort gezegd: invaliditeitspensioen .

We hebben hier een stuk sociale wetgeving waarvan wij vinden dat het nieuw is in de twintigste eeuw, maar God had het toen al. Iemand beschadigt het oog van zijn naaste. Wat doet God dan? Dan roept God die mens ter verantwoording: Wacht eens even’ Jij kunt niet zomaar weg­lopen en zeggen: Sorry, ik had het niet zo bedoeld. Neen, je zit nu aan je broeder vast, levenslang. Jij moet vergoeden wat hij aan inkomsten derft door­dat hij zijn oog niet meer kan gebruiken. Hij mist nu een oog; jij zult voor­taan zijn oog moeten zijn. Zo komt jouw oog in ruil voor zijn oog. Dat is Gods principe van oog om oog. Oog in ruil voor oog, staat er eigenlijk. Heb je hem zijn hand afgeslagen of verminkt? Dan ben jij ­voortaan zijn hand. Dan zul jij het werk moeten doen. Jouw hand zal moe­ten doen wat anders zijn hand had kunnen doen. Dat is toch rechtvaardig?

Zo neemt God het op voor de beschadigde, de invalide mens. Zo worden mensen aan elkaar geklonken; ze kunnen niet meer van el­kaar af. Ze zullen levens­lang oog of oor, hand of voet moeten zijn voor hun broeder.

Is dit wettisch? Is dit oud­testamentisch? Verre van dat. Moest God dan zeggen: die mens die zijn broeder beschadigd heeft, die kan vrolijk overgaan tot de orde van de dag, alsof er niets gebeurd is? Maar waar moest dan de invalide broeder heen? Dan zou God ophouden barmhartig te zijn. Het hele tekstverband van Exodus 21 getuigt nu juist van deze barmhartig­heid. Wanneer iemand het oog van zijn knecht be­schadigt, moet hij die knecht vrijlaten. Zelfs om een tand is hij verplicht zijn knecht zonder meer de vrijheid te schenken (vs. 26-27). En als de een de ander slaat zodat hij met een stok moet lopen, dan moet de dader de rusttijd vergoeden en hem laten genezen, helemaal laten genezen (vs.18-19).

  1. De rabbijnen

Belangrijk is het te vermel­den dat de rabbijnse uitleg vanouds is geweest: oog om oog, dat betekent: zorg voor vergoeding. Nimmer heeft men deze tekst in ge­welddadige zin toegepast. We mogen dus niet het jodendom in de schoenen schuiven dat het een religie is of geweest is van wraak en geweld; dan gebiedt de eerbied dat we eerst luiste­ren hoe zij deze teksten hebben verstaan. De religie van Tenakh is niet een godsdienst van geweld; we zagen juist dat waar geweld gepleegd wordt, dat God daar ingrijpt.

  1. Onschuldig bloed

Een twintigtal keren komen we de term ‘onschuldig bloed’ tegen in de Schrift. In Israël mocht geen on­schuldig of onstraffelijk bloed vergoten worden. Als dat toch gebeurt, neemt God het op voor de onschuldige. Dit wordt ons zo diepgaand verteld in het verhaal van Kain en Abel. Kain stond op tegen zijn broeder, zo horen we in (Gen. 4:8) Genesis 4 vers 8 (dus als een getuige van geweld)  en hij vermoordt zijn broe­der. Dan roept God hem ter verantwoording: Waar is je broeder? God zegt in Genesis 4 vers 10 (Gen. 4:10): “Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de akker (de aard­bodem). Hier krijgen we een ongelooflijk diepe waarheid te horen. Het bloed van Abel heeft een stem. De stem van het bloed van uw broeder, zegt de Hebreeuwse tekst. Vergoten bloed van een onschuldige heeft een stem. En God hoort die stem. Want er staat: het roept tot Mij. Het roept niet zo­maar in een lege ruimte. Neen, het heeft een adres en dat adres is Adonai.

En waar roept het om? Het roept niet om wraak, want het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, bete­kent: schreeuwen om hulp. Het bloed van Abel roept: Help! Is er dan niemand meer? Ik heb geen broeder! Waar moet ik heen? Ik ben zo alleen, zo onnoemelijk alleen… Dan wordt God een broeder van Abel.

God zoekt het vergoten bloed, het onstraffelijk bloed op. Dat zien we ook bij Mozes. Als hij in Egyp­te komt, moet hij zijn staf uitstrekken over de Nijl en de Nijl wordt bloed. Is dat zomaar een kunststuk­je? Neen, daarmee maakt Mozes alleen maar openbaar wat er in de Nijl verborgen was. Immers, al die kin­dertjes van Israël waren op bevel van de Farao in de Nijl gegooid: allemaal onstraffelijk bloed. En de Farao dacht: weg is weg! Wat in de Nijl verdwijnt, komt nooit meer terug. Maar God zegt: Mozes, strek je staf uit! En dan bedekt de Nijl het on­schuldig bloed niét langer. Het komt aan het licht. Jesaja 26 eindigt met deze woorden: “Dan zal de aar­de het op haar vergoten bloed aan het licht breng­en en haar verslagenen, niet langer bedekken”.

Jezus

Jezus sprak in Matthéüs 5: “Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg u, de boze niet te weer­staan, doch wie u een slag geeft op de rechterwang, keer hem ook de andere toe” Matteus 5 vers 38 en 39 (Matt. 5:38-39). Jezus ontbindt in Matthéüs 5 de Torah niet, maar Hij legt de oorspronkelijke bedoeling ervan bloot. En Hij geeft een toepassing met het oog op een concrete situatie. Dat is een situatie van vervolging (zie vers 11 en 12). Wat moet je dan doen? Dan moet je geen gebruik maken van je ’ recht; geen schadevergoe­ding eisen. Neem de ver­volger de wind uit de zei­len door een houding van bewuste weerloosheid, of anders gezegd: van geweldloze weerbaarheid.

Keer hem de andere wang toe.

De uitspraken van de Torah en het woord van Jezus vormen geen tegenstelling; de drie Torahteksten be­zien de zaak van de kant van de rechtspraak: de delinquent moet zich het lot van zijn slachtoffer aantrekken. Jezus be­schouwt de zaak vanuit het standpunt van het slachtoffer in een tijd van vervolging.

En al het onschuldige bloed dat vergoten werd door de geschiedenis heen, komt dan samen in Jezus, wan­neer Judas het uitspreekt: “Ik heb onschuldig bloed overgeleverd” Matteüs 27 vers 4 (Matt. 27:4). Zo werd Jezus het on­schuldig bloed dat uit gego­ten werd in de dood en zo werd Hij tegelijk de Losser van het bloed (niet de bloedwreker); degene die al het onstraffelijke bloed terugkocht uit het doden­rijk.

Johannes

Zoals ik reeds zei: oog om oog is een geestelijke wet en die is nog steeds onverminderd van kracht. Johannes schrijft in zijn eerste brief: “Wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en hij weet niet waar hij heengaat, want de duisternis heeft zijn ogen verblind” (vs.2,11). Met andere woorden: als een mens zijn broeder het licht in de ogen niet gunt, komt hij zelf in de duisternis. Wat hij zijn broeder denkt te doen, komt over hem­zelf.

Samenvatting

Oog om oog: principe van barmhartigheid. Zo zijn Gods wegen. Zo worden mensen aan elkaar geklon­ken. Je kunt niet meer los van je broeder. Je moet (mag) oog, hand, voet worden voor je volksge­noot. In leven en in ster­ven zit je aan elkaar vast.

Zo heeft Jezus gedaan. Hij ging de weg van Torah. Hij werd oog, hand, voet voor zijn broeder, in leven en in sterven. Zo heeft Hij de Torah vervuld.

 

De goedheid van God door Gert van de Kamp

“De perfecte moord bestaat wel degelijk. Ik geloof niet zo in de goedheid van de mens. Ik geloof dat veel goeie mensen niet slim genoeg zijn om slecht te zijn” (B. Asscher, recht­bankpresident) .

Meneer Asscher gelooft niet zo in de goedheid van de mens, getuige dit citaat uit het dagblad “De Gel­derlander”. Sterker nog, hij gelooft dat goeie men­sen gewoonweg niet slim genoeg zijn om slecht te zijn. Om bijvoorbeeld de perfecte moord te plegen, zonder dat justitie de (slechte) dader te pakken krijgt. En, zegt Asscher, die perfecte moord bestaat wel degelijk.

Waarschijnlijk is de heer Asscher door zijn beroeps­ervaring wijs geworden. Zo wijs, dat hij voor zich­zelf de conclusie trekt, dat mensen, als ze maar slim genoeg zijn, écht slecht kunnen zijn. Om bijvoorbeeld bewust een ander mens van het leven te beroven. Met voorbe­dachte rade en zonder wroeging achteraf. Zo slecht kan een mens zijn,, zegt meneer Asscher.

De goedheid van de mens. Daar wordt heel verschil­lend over gedacht. Chris­tenen en niet-christenen hebben daar zo hun ge­dachten over, waarbij het al of niet christen-zijn er vaak niet toe doet.

De mens is van nature ge­neigd tot alle kwaad, ver­telt de Heidelbergse Cate­chismus. Niet tot iets goeds in staat. Terwijl bijvoorbeeld het humanisme ervan overtuigd is dat de mens in principe goed is van binnen.

Hoe denkt u erover? Denkt u, als u eens om u heen kijkt en ziet wat er zich allemaal onder mensen afspeelt, dat de mens “ge­neigd is tot alle kwaad”? Of denkt u anders? Denkt u dat de mens, de zich zélf zijnde mens, eigenlijk goed is. Dat hij geneigd is om het goede te zoeken, het goede te doen?

Bijna goddelijk

David vraagt zich in Psalm 8 af: “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt , en hem met heer­lijkheid en eer gekroond”.

Mensen zijn bijna godde­lijk, als God dus, die el­ders in de bijbel de Vader der lichten wordt genoemd Jakobus 1 vers 17 (Jak. 01:17). Met heerlijk­heid en luister gekroond. Mooie en goede mensen. Dat klinkt goed, dat pleit ervoor dat de mens goed is, goed wil doen.

En hoe kan het eigenlijk ook anders? Zijn maaksel zijn wij (mensen) om goe­de werken te doen. Efeze 2 vers 10 (Ef. 02:10). Dat is het antwoord op de vraag of de mens goed is. God, die goed is, heeft mensen ge­maakt , die goed zijn en die op hun beurt goede werken doen. Mensen, geschapen naar zijn beeld, mensen die lijken op God.

Rechtzaak

Het bovenstaande pleit ervoor dat de mens goed is. Een mening die niet bij iedereen populair is. Zeker niet bij de duivel, die probeert mensen onder zijn invloed te brengen. Zo lijkt het alsof de mens in principe niet goed, maar slecht is. De duivel is de aanklager en depo­neert zijn eis: de slechte mens moet dood.

Hij vertelt er alleen niet bij dat zijn rol niet beperkt is tot die van aanklager, maar dat hij ook de aan­stichter is. Zoals hij Adam en Eva tot zonde verleidde, hen aanstichtte tot het kwaad, zo doet hij dat tot op de dag van vandaag. De duivel wil goede mensen slecht maken door in de geestelijke wereld pressie uit te oefenen. Eerst aan­stichten en dan aanklagen. Een valse rol.

En veel mensen spelen de rol van advocaat. Advocaat van de duivel. Vaak zijn ze zich er niet van bewust. Die mensen zeggen dat de mens alleen het kwade wil en dat de mens van het goede niets wil weten. En o wee, als je praat over de duivel, die mensen aan­sticht tot kwaad. Dat accepteert men niet.

Inmiddels is gelukkig het vonnis geveld. Vast is komen te staan dat Jezus Christus de in principe goede mensen heeft bevrijd van hun slechtheid, hun zonde. Dit door de satan als aanklager èn aanstich­ter te ontmaskeren.

Kolossenzen 3 vers 13 en 14 (Kol. 03:13-14): Hij heeft de overtre­dingen kwijtgescholden. Het bewijsstuk is er niet meer. De overheden en machten, de aanklager die ook aanstichter is, zijn ontwapend en openlijk tentoongesteld. Er is over hen gezegevierd. De uitspraak luidt dat de aan­klager, die – meteen al na zijn eerste misdaad in het paradijs – als aanstich­ter is ontmaskerd, de doodstraf krijgt. Genesis 3 vers 1 tot en met 15 (Gen. 03:01-15).

Opvoeding

Bij de opvoeding is het bijzonder essentieel dat je ervan uitgaat dat de mens, het kind in dit geval, goed is, goed is gemaakt door de Schepper. In het niet onderkennen van de duivel als aanstichter en aankla­ger, schuilt een groot gevaar. In plaats van de duivel als de schuldige aan te wijzen, wordt dan het kind “kind van de rekening”.

Kinderen opvoeden is jon­ge mensen begeleiden op de weg naar de volwassenheid. Een boeiende maar ook vaak moeilijke weg – waarbij er veel op het kind afkomt. Allerlei invloeden die kinderen ondergaan, kunnen een misvormende werking hebben. Ouders die inzicht hebben in de geestelijke wereld, weten kinderen te scheiden van duistere, misvormende machten. Kunnen op kri­tieke momenten partij kiezen voor het kind en tegen de duivel. Deze handelwijze voorkomt dat mensen en machten in een later stadium, dat van de volwassenheid, veel moeilijker te scheiden zijn. Dan gaat het vaak met veel meer geestelijke strijd gepaard. Het zijn de vruchten van het volle evangelie dat ouders kinderen opvoeden die van meet af aan – zelfs voor de geboorte al – in diezelfde ouders geheiligd zijn. Dat ze aan God ge­wijd zijn, aldus Van Dale over het geheiligd zijn. Om zo uit te groeien tot volwassen zonen Gods, die samen met de Heer gaan regeren.

‘Het erkennen van de goed­heid van de mens is een principiële zaak met grote consequenties. Het mens­beeld – de mens is goed – is het gevolg van het Godsbeeld – God is enkel goed -, een verworvenheid van het volle evangelie. Het is heel belangrijk dat dit gegeven van het evangelie ver­spreid wordt? Want het evangelie van Jezus Chris­tus is mensvriendelijk en de moeite van het versprei­den waard!

 

 

 

Intermezzo door Gerry Velema

Toeschouwers

De beste stuurlui staan “aan wal. Daar staan ze, met de armen over elkaar. Niet op het woelige water. Voor stormen bang en voor inspanning schuw.

Ze kijken liever en beoordelen graag op een afstand het hele gebeuren. Overal hebben ze hun mening over klaar en ze spreken veel met elkaar over wat er zoal op het water gebeurt. Dat de kapitein niet zo geschikt is voor zijn taak, de zwoegende matrozen geen juist inzicht bezitten. Het schip zijn zeewaardigheid mist en de koers wel eens helemaal verkeerd kon uit komen.

In de natuurlijke wereld is het niet leuk tot de ‘stuurlui aan wal’ te worden gerekend. Als je kunt kiezen, kiezen we toch liever voor de werkende matrozen, dan aan de kant te staan.

Maar geestelijk ligt dit nog wel even scherper. ‘Stuurlui aan wal’ zijn ronduit een groot gevaar binnen de gemeente, ze werken zeer ondermijnend in de gemeente en onder elkaar. We kunnen het niet maken met de armen over elkaar naar anderen te kijken en dan beoordelen hoe zij met de dingen van God omgaan. ‘Stuurlui aan wal’ met kritiek op de oudsten, op broeders en zusters, op het bestaansrecht van de gemeente, het reilen en zeilen van haar, of zelfs over de koers die zij vaart.

Toeschouwers dienen zich met schrik te realiseren dat ze buiten de boot zijn gevallen. Of zoals Gods woord in Nehemia 2 vers 20 (Neh. 2:20) zegt: “Gij echter hebt deel noch recht noch gedachtenis in Jeruzalem”.

Dit is natuurlijk erg hard, maar helaas wel waar. Laten we van kritiek hebben geen hobby maken. Ik moet u bekennen dat die neiging er bij mij ook in zat af en toe, dat beschouwende. Maar het gevolg was wel, dat, terwijl God zijn hemelsluizen opende, er in mijn hart maar weinig zegen kwam. Een hart gevuld met kritiek is reeds gevuld.

Het is zo jammer, lieve mensen. Zonde omdat je het doel mist. Ik geloof zelfs dat het beter is mee te werken in een ‘schip’ waarvan de kapitein niet altijd even aardig is, of waar het schip wel eens kraakt in zijn voegen, dan dat je aan de kant staat en niets doet. Voor werkende zeelui is meer waardering, immers: niet zij die zeggen Here, Here, maar zij die doen de wil van God!

Tot slot een liedje van Elly en Rikkert voor kinderen en dus ook voor u en mij:

Waar hoor je bij, waar hoor je bij,
de schapen of de bokken!’
Zeg ga je met de herder mee,
of blijf je zitten mokken?

Wie achteraan blijft sjokken,

dat is een held op sokken!

Waar hoor je bij, waar hoor je bij,
de schapen of de bokken?

 

Blinde ogen geopend Door Liesbeth Seepma

Ken je de uitspraak: “Eens een dief, altijd een dief?”

De betekenis ervan zou je als volgt kunnen omschrij­ven: als je eenmaal in je leven iets fout hebt gedaan, dan ben je nooit meer te vertrouwen omdat je die ene fout steeds wel weer opnieuw zult maken.

Maar dat is nu niet bepaald een gedachte­gang van God. Nee, Hij denkt er héél anders over. Hij zegt: “Al waren je zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw. Al waren zij rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol” Jesaja 1 vers 18 (Jes. 01:18). Bij God is altijd een nieuw begin mogelijk. Je kunt bij Hem met een schone lei begin­nen. Hij verandert je leven ten goede. Hij leidt je van­uit de duisternis naar Zijn licht. En als je Zijn levens­licht op sommige terreinen van je leven niet ervaart, als je je op sommige punten belemmerd, af geremd voelt, dan is het heerlijk om te mogen blijven weten dat dat niet een situatie is die eeuwig zo hoeft te blijven. Er is verandering, ver­nieuwing mogelijk.

Iemand die dat aan den lijve mocht ondervin­den, was de blindgebo­rene. Hij was dus, zoals het woord al zegt, blind vanaf zijn geboorte. Maar hij bleef niet blind. Hij werd ziende, door zijn een­voudige geloof in de macht en de autoriteit van Jezus Christus. In twee werelden tegelijk werden zijn ogen geopend.

Laten we het verhaal waarin deze fijne overwinning wordt beschreven, eens met elkaar lezen a om te kijken welke waarde het heeft voor jouw en mijn leven, hier en nu. Het staat in Johannes 9 vers a 9 tot en met 41. (Joh. 09:09-41)

In dit verhaal krijgen we te maken met verschillende personen die een rol spelen. In de eerste plaats is daar de Here Jezus. Dan komen we de blindgeborene tegen. De discipelen zijn aanwezig. De Farizeeën bemoeien zich er natuurlijk weer mee. Ook de ouders van de blinde passeren de revue.

En dan is er nog een persoon die zich weliswaar niet openlijk vertoont, maar wel degelijk aanwezig is en de zaak probeert te verleugenen en verdraaien: satan. De enige die overigens van deze verborgen vijand op de hoogte schijnt te zijn, is Jezus Christus. De vijand maakt echter geen schijn van kans tegenover Diegene, die alle macht heeft, zowel in de hemel als op de aarde.

Het verhaal begint op het moment dat de He­re Jezus een man ‘zag’ die – dat wist Jezus ken­nelijk – vanaf zijn geboor­te blind was. Ik kan me zo voorstellen dat die man niet de enige op straat is geweest. En toch ziet Je­zus, temidden van al die mensen, deze man. Ik denk dat Hij hem niet al­leen met Zijn natuurlijke ogen zag, maar ook met Zijn geestelijke. Hij, Die vol liefde en ontferming is, onderkende de nood in het leven van deze man. Jezus heeft ook vast wel het geloof van de blinde / gezien. Hij heeft vast wel geweten dat er een won­der stond te gebeuren, een overwinning in de on­zichtbare geestelijke we­reld. Een overwinning op het werk en het rijk van de duivel.

En dan vragen de discipelen aan Jezus:

“Rabbi, wie heeft ge­zondigd, deze of zijn ou­ders, dat hij blind geboren is?” Zó wordt dat door de discipelen dus bekeken: de handicap van deze man wordt veroorzaakt door zonde. Zó krijgt deze man, die in zijn leven tóch alzo wordt beknot door zijn blindheid, óók nog eens een zondeschuld in de schoenen geschoven. Wat een gemene leugen. Zó probeert de verborgen vijand de discipelen van Jezus te verleugenen.

Gelukkig heeft Jezus de situatie volledig in handen. Hij onderkent de leugen en veegt deze in één zwaai van tafel: “Noch deze heeft gezon­digd, noch zijn ouders” . Wat héérlijk klinkt dat, wat bevrijdend. Wat is die uitspraak liefdevol, vól van genade en waarheid! Direct volgt in Jezus’ ant­woord de zekerheid van de overwinning: “Maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden” . En zoals je verder in het verhaal kunt lezen, wórden die werken Gods ook openbaar, tegenover de werken van de duivel.

Tevens verbindt Jezus aan Zijn antwoord een opdracht die geldt voor Zijn discipelen: “We moeten de werken doen van Degene Die Mij gezon­den heeft, zolang het dag is”. Die opdracht geldt ook voor jou en mij. Ook wij mogen de werken doen van onze Zender. We wor­den in Gods plan helemaal ingeschakeld! En die wer­ken Gods bestaan hierin dat ze Gods heerlijkheid tonen aan de hele schep­ping.

En Jezus tóónt Gods heerlijkheid, Zijn grote Majesteit. Hij maakt modder en legt dat op de ogen van de blinde. Wat een vreemde handeling lijkt dat. Het slijk op die blinde ogen symboliseert echter de heerschappij die de duivel denkt te kunnen voeren. Jezus zegt de (blinde dan ook dat hij dit slijk moet afwassen in het badwater ‘Siloam’. De blinde dóét het, in volkomen gehoorzaamheid. En hij : wordt ziende. God is toch sterker.

Wat een geloof toont deze gehandicapte! Zo’n geweldig, vertrouwend geloof mogen ook wij ontwikkelen! En dat geloof zal dan rijkelijk worden beloond. Ik moet denken aan de uitspraak die Jezus doet in Johannes 11 vers 40 (Joh. 11:40): “Heb Ik u niet gezegd dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?” Ook jij en ik zullen Gods heerlijkheid zien en ervaren als we in geloof en vertrouwen Hem gehoorzamen. Als we een­voudigweg doen wat Hij van ons vraagt, dan’ zullen ook wij zien, en elke blindheid die in ons leven misschien nog heerst, zal verdwijnen.

Het badwater droeg de naam ‘Siloam’ dat, zoals de bijbel ver­telt, ‘uitgezonden’ bete­kent. Als je je wast met dit reinigende, verlossen­de water, dan ben je schoon en klaar om te worden uitgezonden in deze wereld opdat je de ogen van andere mensen zult kunnen openen.

Maar o wee, nu de blinde opeens kan zien heb je de poppen aan het dansen! Hij vertelt de buren het verhaal van zijn gene­zing. Meteen wordt hij door de verbaasde buren naar de Farizeeën gesleept. Hier klopt iets niet ! Opnieuw vertelt hij zijn verhaal, eenvoudig, precies zoals het is gebeurd, zonder om­haal van woorden. De Fa­rizeeën weten al hoe laat het is: die man uit Nazareth is weer bezig. En natuurlijk uitgerekend op de sabbat “Zie je wel”, zeggen sommigen, “die kan niet van God komen want hij houdt de sabbat niet” . Dat is het enige wat de Farizeeën kunnen opmerken. De wet, misbruikt door de duivel, maakt hen blind voor het wonder. Zij sluiten hun    hart toe voor de heerlijkheid van God, die door de werken van de Here Jezus zichtbaar wordt. Opstandig en jaloers zijn ze.

En waar loopt het geharrewar van de om­standers uiteindelijk  op uit? “De Joden  dan geloofden niet van hem dat hij blind geweest en ziende geworden was” . Wat erg dat je het wonder, zelfs als je het met eigen ogen ziet, niet kunt gelo­ven. De ouders van de jongen moeten uiteindelijk het bewijs leveren. Dat doen ze nu niet bepaald met blijdschap. Arme ou­ders! Ze worden beheerst door angst, angst om uit de synagoge te worden – verbannen. Ook in deze ouders slaat die verborgen persoon zijn slag.

In vers 24 wordt de genezen man opnieuw aan de tand gevoeld. De Farizeeën willen hem wijsmaken dat Jezus een zondaar is. Ze slagen er echter niet in. Dan willen ze het genezingsverhaal nog een keer horen. Nou, daarop heeft de genezen man een droog antwoord klaar: hebben ze het niet goed verstaan of willen ze soms ook een discipel van Hem worden? Wóést worden de Farizeeën en ze schel­den hem de huid vol. Maar die genezen man weet het zeker: Jezus heeft hem genezen. Hij weet wel niet wie Jezus is, maar één ding weet hij: dat God al­leen die mensen verhoort, die Hem dienen en gehoor­zamen. Dus Jezus móét wel van God komen

Dat is nog eens een belijdenis die het rijk van de duivel aan het wankelen brengt. Satan reageert hierop dan ook onmiddellijk – door de Fa­rizeeën heen – met een valse beschuldiging: “Jij bent totaal in zonden geboren en jij wilt ons leren?” Schamper, vlijmscherp en spottend komt het over hun lippen. En ze ‘werpen hem uit’. Er staat niet wat dat ‘uit­werpen’ nu precies inhoudt, maar leuk zal het allerminst zijn geweest. Zo zal de duivel het trouwens ook bij ons proberen. Als wij getuigen van de macht en autoriteit van Jezus in ons leven, dan zal hij proberen ons vast te pinnen op onze (misschien nog) zwakke punten en ons zo proberen uit te werpen, ons te verwerpen.

Maar laten we letten op de reactie van de genezen man. Hij schijnt van die schampere taal niet onder de indruk te zijn. Hij laat zich door de beschuldigende woorden niet ondersneeuwen. Hij is alleen maar ontzettend blij, kinderlijk blij genezen te zijn. Wat is het fantas­tisch om te kunnen zien.

Wat is het heerlijk om te mogen en kunnen leven in het licht, zoals God dat heeft bedoeld. De man kan wel juichen. Zijn ogen zijn geopend, in zowel de gees­telijke als de natuurlijke wereld. Hij is klaar om het heil van de Here Jezus te ontvangen. En zijn hart wordt even later gevuld met aanbidding voor Jezus, als hij te weten komt wie Jezus is: “Ik geloof, Here”. Spontaan werpt hij zich voor Jezus op zijn knieën.

Zo laat de Here Jezus in dit verhaal zien dat Hij in de wereld is gekomen om scheiding te maken tussen licht en duisternis. Hij is gekomen om licht in de duisternis te brengen, zo­dat blinde ogen kunnen worden geopend, ook in onze levens.

En dan, als jouw en mijn leven helder, zui­ver, transparant is, ontdaan van elke duister­nis of vertroebeling, dan mogen wij op onze beurt, met de autoriteit die Jezus had, in Zijn Naam, blinde ogen openen.

 

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (6)

Laat ons mensen maken

Na het scheppen van de hemel of hemelen, schept God de aarde, lezen we in Genesis 1 vers 1 (Gen. 1:1). In zes scheppingsdagen of -perioden wordt de aarde toebereid voor de mens die God schept aan het einde van de scheppingsdagen. Zo maakt God alles gereed om de koning van deze schepping te ontvangen. Alles is doortrokken van rust, vrede, harmonie en tintelt van onaangetast – door God voortgebracht – leven.

Op een geweldige wijze ontvangt God eer vanuit zijn werken, zoals Psalm 148 vers 13 (Ps. 148:13) zegt: “Dat zij de naam des Heren loven, want Zijn naam alleen is verheven, Zijn majesteit is over aarde en hemel”. Gods majesteit, kracht en goddelijkheid schitterde in de schepping. Al de engelen kijken toe en zien alles tot stand komen en ze juichen en jubelen voor hun God (Job 38:7).

Dat is het decor, dat is de sfeer, waarin God op de zesde dag spreekt en wat als een proclamatie door de hemelen geklonken zal hebben: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis” (Gen. 1:26a). In dat gezegde ‘laat ons’ of zoals de vertaling van Reisel zegt: ‘God uitte zich’, ‘wij zullen maken’, ligt als het ware een oproep aan alles wat God tot dan toe scheppende tot stand had gebracht om een mens (of ‘mensheid’ want Adam is zowel enkelvoud als meervoud), te maken – via een proces van ontwikkeling – “naar ons beeld, als onze gelijkenis” . God zal het gezegd hebben tot de eerste en grootste engel, die in Jesaja 14 vers 12 (Jes. 14:12) genoemd wordt: ‘morgenster, zoon des dageraads’. En tot alle engelen, die geschapen waren als dienende geesten Hebreeën 1 vers 14 (Heb. 1:14), om mee te werken aan de realisering van dit grootse gebeuren. Maar in de allereerste plaats zal bedoeld zijn Gods Zoon, Jezus Christus, die nog als woord bij of in de Vader was Johannes 1 vers 1 (Joh. 01:01) en pas in een volheid des tijds geopenbaard zou worden Johannes 1 vers 14 en Galaten 4 vers 4 (Joh. 01:14; Gal. 04:04).

“Laat ons mensen maken naar ons beeld , als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissén der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij hen. En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde £n onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt” Genesis 1 vers 26 tot en met 28 (Gen. 1:26-28) .

Naar de gelijkenis Gods

“Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen” (Gen. 2:7). De Statenvertaling, de Lutherse vertaling en de Septuaginta spreken van ‘een levende ziel’. Door de levensadem, de levensgeest, ontvangt ziel en lichaam het leven en dit leven is uit God. Zacharia 12 vers 1 (Zach. 12:1) spreekt van: “de Here, die de hemel uitspant en de aarde grondvest en de geest des mensen in diens binnenste formeert”. Deze geest is de drager van het leven en alle levenswetten en gedachten Gods aangaande de mens naar de raad van Zijn wil. “De raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht” Psalm 33 vers 11 (Ps. 033:011).

God schiep de mens als man en vrouw en noemde hen tezamen ‘mens’. In Genesis 5 vers 1 en 2 (Gen. 05:01-02) zien we hoe daar in enkelvoud en meervoud over man en vrouw gesproken wordt: “Ten dage dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods, man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen mens, Adam. De specifieke eigenschappen van beiden tezamen geven dus het best het beeld en de gelijkenis Gods weer. Hoe nauw man en vrouw bij elkaar horen, blijkt al als Eva uit één component uit Adam genomen geformeerd wordt. Genesis 2 vers 21 tot en met 23 (Gen. 02:21-23). Hierin geeft God ons tegelijk al een prachtig beeld van Jezus Christus en de gemeente die ook samen Gods volheid en heerlijkheid zullen uitstralen en geestelijk vrucht zullen dragen. Genesis 2 vers 24 en Efeze 5 vers 28 tot en met 30 en Efeze 3 vers 18 en 19 en Openbaring 12 vers 1 en 2 en Openbaring 12 vers 5 (Gen. 02:24; Ef. 05:28-30; Ef. 03:18-19; Openb. 12:01-02; Openb. 12:05) ook de gemeente de vrouw wordt uit Jezus Christus geformeerd. Hij is het hoofd en Wij zijn het lichaam en dat in een onverbrekelijke eenheid. Efeze 2 vers 10 en Efeze 1 vers 22 (Ef. 02:10; Ef. 01:22), want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is, zijner gemeente (Ef. 05:23. Zo is Adam, de man, en Eva, de moeder van alle levenden. Genesis 3 vers 20 (Gen. 03:20 een beeld van de geestelijke werkelijkheid: Jezus Christus en de gemeente.

God schiep alles zeer goed

Zo schiep God de eerste mens in zijn beginstadium als een natuurlijk wezen met alle vermogens om, al ontwikkelende, de aarde te bevolken, te onderwerpen en als koning te heersen. Paulus onderwijst later in 1 Korinthiërs 15 vers 45 (1 Kor. 15:45): “Aldus staat er geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel”. En in vers 47a (1 Kor. 15:47a): “De eerste mens is uit de aarde stoffelijk”. Tot in de allerkleinste details was alles volmaakt naar Gods raad en gedachten. Alles overeenkomstig zijn wezen van liefde, trouw en goedertierenheid. Dat gold voor de mens maar ook voor de hele omgeving op aarde waarin de mens geplaatst was en de engelenwereld die hem zou mogen dienen.

“En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed”. Zo op het eerste gezicht een totaal overbodige uitspraak van God. Vanuit het enkel goede kan God immers niet het kwade scheppen of voortbrengen! Maar dan moeten we bedenken dat, toen Mozes dit optekende, er al duizenden jaren verstreken waren vanaf de schepping en dat er geen enkele Godskennis op aarde was. Het volk dat Mozes uit Egypte leidde, had waarschijnlijk ook geen overleveringskennis meer. Het kende enkel onderdrukking en slavernij en het moest kennis gaan krijgen van de God van hun voorvaderen die enkel goed is.

Nog belangrijker is dat de eindtijdgemeente, het volk wat nu uitgeleid wordt uit de macht van satan, door de Heilige Geest, deze woorden in zijn volle betekenis leert verstaan. Met die bedoeling heeft God het op laten tekenen. Wat het betekent dat God enkel goed is, is ook zo’n verborgenheid1‘waar Daniël over spreekt, wat in de eindtijd geopenbaard zal worden aan de verstandigen die zich hebben laten reinigen, zuiveren en louteren Daniël 12 vers 9 en 10 (Dan. 12:09-10) .

Het kennen van het kwade vanuit het goede

“En God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed” . God spreekt hier een oordeel uit over wat ‘Hij’ gemaakt heeft en dat door Zijn woord tot aanzijn is geroepen. Psalm 119 vers 89 (Ps. 119:89) zegt in dit verband: “Voor eeuwig, o Here, houdt uw woord stand in de hemelen”. Dat zeer goede van God zal dus eeuwig stand houden! Dat is niet een constatering van een buitenstaander, maar van God zelf, die vanuit een volmaakte beoordeling deze woorden door Mozes op laat schrijven. Zijn beoordeling komt vanuit het enkel goede van Zijn wezen.’ Als er iets met dit goede in tegenspraak zou zijn geweest, dan. had dit niet. voor God verborgen kunnen blijven.

Juist vanuit dit enkel goede heeft God ook een volmaakt kennen van dat wat er tegengesteld aan is: het kwade.

Ook in Jezus Christus is dit volmaakte kennen aanwezig, waardoor Hij goed en kwaad altijd haarscherp kon onderscheiden. Jezus wist wat in de mens was Johannes 2 vers 25b (Joh. 02:25b) en scheidde door de Heilige Geest het kwade van het goede Matteüs 12 vers 28 (Matt. 12:28).

Ook in de gemeente wil de Heer, door de Heilige Geest, dit volmaakte kennen onderwijzen door de onderscheiding van geesten 1 Korinthe 12 vers 10 en 1 Johannes 4 vers 1 en 1 Thessalonicenzen 5 vers 21 en 1 Korinthe 2 vers 15 (1 Kor. 12:10; 1 Joh. 04:01; 1 Thess. 05:21; 1 Kor. 02:15). Zonder deze kennis zou de gemeente nooit tot dat eeuwig oordeel kunnen komen waar de Hebreeënschrijver over spreekt Hebreeën 6 vers 2 c (Heb. 06:02c). Uiteraard houdt de gemeente geen diepgaande studies om de werken van het rijk der duisternis te bestuderen of om de diepte des satans te leren kennen Openbaring 2 vers 24b (Openb. 02:24b) . De Heilige Geest zal de gemeente hierin leiden. Jezus zegt: “De Heilige Geest zal de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel” Johannes 16 vers 8 (Joh. 16:08).

“En God zag alles wat Hij gemaakt had en zie, het was zeer goed”. Iedere belijdenis die hier tegen ingaat, maakt God tot een leugenaar. “Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en alle groeperingen daarvan” Genesis 2 vers 1 (Gen. 02:01). (wordt vervolgd).