1987.01 nr. 277

Levend geloof 1987.01 nr. 277

Trouw aan het volle evangelie door Gert Jan Doornink

Vijfentwintig jaar “Levend Geloof”!

Meestal is het eerste artikel in ieder nummer van “Levend Geloof” reeds direct een artikel dat verband houdt met de opbouw van ons geloof. Wat we nu gaan schrijven is echter ‘anders dan anders’, want dit is het eerste nummer van de 26ste jaargang van ons blad. Het betekent dus dat “Levend Geloof” 25 jaar heeft bestaan! Alle reden om feest te vieren. Toch willen wij dit niet doen, vooral vanwege het feit dat ons blad – zoals we ook meermalen hebben geschreven – geen ‘doel’ is, maar ‘middel’. Eén van de vele middelen die de Heer wil gebruiken, opdat iedereen kennis kan nemen van de boodschap van Gods volle heil geopenbaard in Jezus Christus!

“Levend Geloof” heeft het van meet af aan nooit onder stoelen of banken gestoken dat het een volle evangelie blad is, dat wil zeggen: wij proberen zoveel mogelijk alle facetten van het evangelie van Jezus Christus te belichten. Daarbij is onze doelstelling te schrijven in een voor iedereen begrijpelijke taal. Aan deze opdracht willen wij ook in de nieuwe periode, die nu is begonnen, trouw blijven. Vandaar het opschrift: Trouw aan het Volle Evangelie”.

Wij geloven dat alleen de boodschap van het Koninkrijk Gods, zoals Jezus die bracht en later’ de apostelen, waardevol is voor deze eindtijd, omdat zij in overeenstemming is met de wil van God. Uit de woorden van Jezus en de brieven van de apostelen blijkt echter overduidelijk dat het bij hen niet alleen ging om een eenmalige verandering bij de mens, maar om een blijvende en doorwerkende verandering. Wij schrijven daarom in ons blad niet alleen hoe wij vanuit ‘de wereld’ het Koninkrijk Gods binnen kunnen komen (door geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus), maar vooral ook hoe geestelijke groei absoluut noodzakelijk is om het eindstadium van het geloof: de volkomenheid in Christus te bereiken. Wie geestelijk groeit – en de dingen dus ook geestelijk ziet – distantieert zich meer en meer van natuurlijke, aardsgerichte leringen, die alleen maar verwarring en onduidelijkheid veroorzaken. Elk kind van God behoort er van doordrongen te zijn dat zijn plaats met Christus is in de hemelse gewesten, om van daaruit te strijden en te overwinnen.

Wij zouden ontrouw zijn aan onze opdracht als we in dit opzicht water in de wijn zouden doen. Wij weten dat satan deze radicale opstelling haat, maar weigeren ons te laten afremmen door hem, ook al probeert hij – vaak onder een vrome dekmantel – dat wij compromissen zullen sluiten. “God is een goede God en de duivel is een slechte duivel”. Dat is de duidelijke stellingname van “Levend Geloof”. De overwinning van de eindtijdgemeente op het rijk der duisternis kan pas gerealiseerd worden als wij daar, vanuit Gods Woord en door de Heilige Geest, kennis en inzicht over hebben en ernaar handelen.

Scheiding tussen licht en duister

In onze dagen voltrekt zich meer en meer de scheiding tussen licht en duisternis. We zien hoe (Openb. 22:11) in vervulling gaat: (1) “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; (2) wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. Waarachtige gelovigen behoren tot deze tweede categorie. Het is hun verlangen dat wat hier beschreven wordt, in hun leven ten volle tot openbaring gaat komen. De opdracht van “Levend Geloof” is daarover – en alles wat daarmee in verband staat – te schrijven. Uit de talrijke positieve reacties bemerken wij hoe mensen daardoor tot geestelijke groei komen en de ‘volle weg’ met de Heer gaan bewandelen. Wie eenmaal werkelijk gegrepen is door de Jezus èn de boodschap die Hij bracht ( die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden), kent geen weg terug meer, maar heeft als doel volhardend te blijven tot het einde (Matt. 24:13-14).

Dit heeft niets te maken met fanatisme of extreem zijn – dat komt uit de verkeerde bron -, maar met ‘de liefde van Christus die ons dringt…’ Waarom zouden we met surrogaat genoegen nemen, als het échte beschikbaar is? Daarom willen wij als redactie van “Levend Geloof” getrouw blijven aan de grote opdracht van Jezus Christus het volle evangelie te proclameren! Wij zijn dankbaar dat wij dit 25 jaar via “Levend Geloof” konden doen. Uiteraard hebben wij over de verschillende onderwerpen in de loop der jaren meer licht gekregen. Wij willen vertrouwen op de Heer dat onze inzichten verder zullen groeien, zodat wij die weer kunnen delen met onze lezers en lezeressen. Uiteraard willen wij daarbij alle eer geven aan onze hemelse Opdrachtgever en zeggen met Paulus: “Noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God die de wasdom geeft” (1 Kor. 03:07).

Ook is het natuurlijk ondenkbaar dat wij “Levend Geloof” kunnen uitgeven zonder de medewerking van gemotiveerde lezers en lezeressen. Wij vertrouwen ten volle op uw medewerking, ook in het 26ste jaar dat “Levend Geloof” verschijnt. Door onze gezamenlijke  inzet bewijzen wij dat we trouw willen zijn en blijven aan de verbreiding van het volle evangelie!

 

Het recht van de zonen Gods door Jan W. Companjen

“Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw’, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren vrij te kopen, op­dat wij het recht van zo­nen zouden verkrijgen” (Gal. 04:04-05).

Hoge roeping

Eén van de grootste bevrijdingen die Christus Jezus bracht was, dat Hij ons vrij maakte van de drang: ‘gij zult’. Wij wor­den door God aanvaard als mens, zonder ook maar één prestatie van onze kant. Hij kocht ons vrij opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen. Dit alleen is al voldoende bewijs om in te zien dat het nieuwe volk van God niet tot Israël beperkt bleef. Die hoge roeping is er voor jood en heiden, voor man en vrouw. Jezus maakte de weg vrij voor het zoonschap God voor een ieder die gelooft dat Jezus de Christus is.

De wet is er om de mens te bewaken en zij is daar­om dan ook bij de mense­lijke wetgevingen tot lei­draad genomen. Zij wordt buiten werking gesteld zodra Jezus in ons leven komt. Dan wordt dé wet van Christus, die boven alle wétten staat, in ons hart geschreven. Dan ro­ven, stelen en haten wij niet meer omdat wij Chris­tus toebehoren. Wij heb­ben dan onze naaste lief, zoals Hij die heeft lief­gehad .

Jezus’ komst heeft tijd­perken afgesloten en een nieuw tijdperk geopend. Het oudtestamentische leven met zijn geweldple­gingen, dwang, dood en machteloosheid, is verle­den tijd en voor de gehe­le mensheid afgesloten. Het – is ons alles tot voorbeeld geschied, opdat wij zouden inzien dat macht en geweld, de weg niet is.

Nieuw begin

De mens van nu heeft – ja zelfs al 2000 jaar lang – een nieuwe weg, een nieuw begin gekregen. Wij zijn erfgenamen geworden van een nieuw leven in Christus. De komst van Chris­tus bracht ons een geheel nieuwe toekomst en Hij heeft dan ook – erkend of niet erkend door de wereld – het recht om aan dat tijdperk ‘zijn naam’ te ge­ven.

Met de komst van Christus leerden wij God kennen zoals Hij werkelijk is: goed, rechtvaardig, liefde­vol en er op gericht dat Zijn schepping tot vol­maaktheid komt. In Chris­tus werd werkelijkheid hoe Hij zich de mens gedacht heeft. Een mens, zoals Hij die bij de schepping for­meerde , een mens zoals wij.

Die mensen kunnen de we­reld redden en leiden naar de volmaaktheid en volheid zoals God die bedoeld heeft. Om tot dat doel te komen is en wordt de Geest Gods nog éénmaal rijkelijk uitgestort. Dat gebeurt niet zomaar plotse­ling op een keer, buiten de mens om en voor je het weet. Neen, indien je mee groeit of mee wilt groeien naar die volheid Gods, zul je gaan bemerken en zien dat de bruid zich aan het toebereiden is.

Toebereiding

Over die toebereiding wil Ik iets meer zeggen. Zij die van Christus zijn, ne­me dit ter harte. 1987 wordt voor ons allen een belangrijk jaar. De tijd dringt, de tijd raakt vol en opnieuw wordt een tijd­perk afgesloten. In het vorige tijdperk, toen de volheid van Christus ge­komen is, werd Jezus als eerste zoon van God uit­gezonden. Hij was komen­de aan een nieuw begin. Ons tijdperk zal afsluiten met de vrucht van datgene wat toen gezaaid is, name­lijk het openbaar worden van de zonen Gods. De vrucht in de aar is rijp geworden, het stro en het kaf heeft zijn functie ver­vuld en de vrucht is gelijkvormig met het zaad geworden.

Dat één en ander weldra geschieden zal, moge on­der andere blijken uit het feit dat Gods Geest op machtige wijze werkt. Die Geest leidt ons naar de volle waarheid en die Geest zal alles in allen volmaken. Ook zijn er veel mensen die in verwachting leven. Er gaat wat gebeu­ren. God is weer aan het woord en Hij zal altijd het laatste woord hebben. Bij de komst van Jezus was het Simeon en Anna die ‘ verwachtende waren (Luc. 02:22-39). Nu is die verwachting nog veel gro­ter. We zijn er namelijk zelf bij betrokken. Het gaat echter niet alleen om verwachting, maar ook om toerusting, opdat wij Jezus kunnen volgen in de grote eindoverwinning.

Bij die toerusting zal vol­daan moeten worden aan het gebed van Jezus dat wij God, de Vader, en Jezus Christus, de Zoon, volkomen moeten leren kennen. Dat gebed wordt verhoord, daar kunnen we zeker van zijn. In de eerste plaats is het Gods wil, ten tweede is het, het gebed van Jezus en ten, derde verlangen velen er met geheel hun hart naar.

Tot de komst van Chris­tus had de duivel macht over deze aarde. Bij de verzoeking in de woestijn kon hij de wereld macht geven aan wie hij wilde. Nu is die macht aan Jezus gegeven en (let op!) aan hen die Hem toebehoren. Wij, broeders en zusters, kunnen en zullen de overwinning behalen en met Hem deze wereld her­stellen tot eer van Hem die daartoe alles gescha­pen heeft. Het is Gods wil en doel en Hij is wel bij machte om ons op­drachten daartoe te geven omdat de hemel steeds verder open gaat.

Geen weduwe meer

Na 2000 jaar Christendom wordt de gemeente als bruid van Christus wak­ker. Zij is jaren lang weduwe geweest (zie het boek Ruth) en zij gaat zich toebereiden. Zij zal, door de Geest geleid, tot het uiterste gaan en haar bruidegom eraan herinne­ren dat zij rechten heeft.

De gelijkenis van de ver­loren penning (Luc. 05:08-10) is in deze een bijzon­der mooi en volledig voor­beeld. Deze gelijkenis staat zo opmerkelijk tus­sen de gelijkenis van het verloren schaap en die van de verloren zoon in.

Jezus vertelt over een vrouw die tien munten heeft. Zij is dus op de hoogte van hetgeen zij bezit. Zij is zelfs rijk, tien is meer dan zeven (van de volheid). Op een dag ontdekt ze dat zij één munt kwijt is. Nu dat is reeds uitzonderlijk. De vrouw – ook hier een beeld van de gemeente – komt tot de ontdekking dat er iets van haar schat zoek is. Dat hebben wij in de afgelopen eeuwen en jaren anders gezien. Men kende zonder meer de schat niet die men in Christus ontvangen had. Weg is weg, vroeger, ja vroeger was die schat er nog, maar nu is hij weg. Je moet blij zijn met wat je nog hebt. Een mens is maar een mens. Hij is een arme zondaar en de mens kreeg weet van het zalig ‘niets’ zijn. Het op geheven hoofd van hen die wisten wat zij in Christus ontvan­gen hadden, was hun vreemd. Men berustte en hun geloof was gericht op datgene wat was geweest of nog komen moest.

Rijk in Christus

Het rijk zijn in Christus, waarin wij mogen leven, bewegen en staan wij zijn van Zijn geslacht, zie (Hand. 17:28), is hun vreemd. Zij willen tevreden zijn met hun behoud. Het hogerop zoeken en meer ontvangen – bijvoorbeeld de Geestesdoop – is voor hen uit de boze. Weg is weg. En dan als bliksem­afleider het vrome praatje: ‘Als God het wil zal Hij mij dat wel geven’. Het ernaar zoeken en doen wat de vrouw deed is hun vreemd.

De vrouw uit onze gelijke­nis neemt het niet dat zij iets mist. Zij wil hebben wat haar toebehoort. Zij gaat aan het werk. Als eerste daad steekt zij de lamp aan, die lamp is een licht op haar pad. Met an­dere woorden: zij pakt de bijbel en maakt vervolgens haar hele huis schoon. Let wel, haar eigen huis maakt zij schoon en haar bezem veegt schoon, dat verzeker ik u. Zij zoekt en maakt schoon in alle hoeken en gaten en ja hoor, ook hier wordt het woord waar dat degene die zoekt ook vindt. De vrouw is meteen in de glorie en nodigt haar vriendinnen en buren uit om feest te vieren. Zij zegt daarbij: ‘Verheugt en verblijdt u met mij, want ik heb gevonden wat ik kwijt was’.

Velen van ons kennen dat: wij hebben terug gevonden wat we kwijt waren en we zijn zelfs op weg naar een overlopende maat. De enge­len in de hemel vieren het feest mee, want zij weten: na deze bekering gaat het gebeuren, er komt werk aan de winkel. Er komen vruchten aan de boom, vruchten die verwacht wor­den, zowel door de Vader als door de Zoon. (Een boom, een rank, die geep vrucht draagt wordt weg­gedaan). De oogsttijd is aan gebroken. Prijst de Heer!

Gods plan staat vast

Wij hebben een persoonlijke God, die wij aan kunnen spreken. Hij is: ‘Ik ben die Ik ben’, de eeuwig on­veranderlijke. Hij heeft een vast en goed plan voor Zijn schepping vastgelegd. Hij heeft die schepping lief en Hij heeft die schep­ping geschapen om tot vol­maaktheid te laten komen. Een volmaaktheid waarin de mens leven kan tot lof en eer van Zijn Naam.

Zijn plan staat vast. Jezus was de eerste mens die dat plan ging uitvoeren. Hij is de eerste, maar velen zullen Hem volgen.

Hij is de eerstgeborene van vele broeders. Hij en zij die als zonen Gods zul­len gaan volgen, zijn allen uit één Geest geboren en daarom zal het volbracht worden. Zij – de gemeente als lichaam van Christus – zal één zijn, zoals de Va­der en Jezus één zijn. Zij die het nog moeilijk heb­ben, zich met Christus te veréénzelvigen, moeten onder andere eens denken aan Handelingen 4 vanaf vers 27 (Hand. 04:27 e.v.). Daar zijn de dis­cipelen in gebed in verband met hun vervolging door de overpriesters en de oudsten van het volk. Zij bidden dan, dat daar in Jeruzalem, alles is sa­men vergaderd tegen Gods heilige Knecht, Jezus.

Een samenspanning tegen Jezus, die door God zelf gezalfd was voor het grote doel dat het volk zich zou bekeren. ‘Here’, roepen zij uit, ‘let op hun drei­gingen en help ons’. En dan het antwoord: ‘Toen zij zó baden – Christus werd in Zijn werk geblok­keerd – werd het opnieuw pinksteren en allen wer­den vervuld met de Heilige Geest. Ook denken we aan Paulus op weg naar Damascus. Daar zegt Jezus niet tegen Paulus: Paulus, Paulus, wat vervolgt gij mijn volk of mijn gemeente…, maar: ‘Paulus, Paulus, wat ver­volgt gij Mij’. Het Hoofd en het lichaam zijn één. Zij horen bij elkaar, zijn onafscheidelijk, want bui­ten elkaar kunnen zij niet.

Wij zullen zien dat de werking van dat lichaam steeds meer in overeen­stemming zal komen met het functioneren naar Gods wil. God is goed, dan moet ook dat ganse lichaam die gesteldheid be­zitten. Dat wil zeggen: dat we elkaar aanvaarden en vergeven zullen, elkaar willen aanhoren en elkaar willen opbouwen. En wat dat laatste betreft: er het geduld voor opbrengen. Bij dat alles geldt die éne wet van Christus, elkaar liefhebben als jezelf.

Buiten het heil ons in Christus geschonken is er geen oplossing, voor niemand, niet voor de jood, niet voor de kerk­mens , voor geen mens van welke godsdienst dan ook. Er is maar één weg, die weg is maar zeer smal, namelijk over één persoon, Jezus Christus. Indien wij die weg helemaal gaan, zoals Hij ons die geleerd heeft, zullen wij gaan ervaren dat wij Hem gelijk zullen worden. Zij die deze Heer aanhangen, worden één Geest met Hem en dat is Gods wil.

Geef elkaar ruimte

Tot slot nog dit, geliefde broeders en zusters: geeft elkaar de ruimte! Wij zullen dit voor het ko­mende jaar en de komende jaren nodig hebben, omdat God een groot werk gaat doen. Hij gaat iedereen gebruiken die zich be­schikbaar stelt naar Zijn wil, dat wil dus zeggen: niet naar onze wil. Het is toch iets geweldigs dat de God van hemel en aarde zo ruim voor ons is. Hij legt geen beperkingen op maar geeft ons onbeperkte vergezichten met eindeloze mogelijkheden. De grote tegenstelling tussen het oude: ‘oog om oog en tand om tand en wie niet horen wil moet maar voelen’ en het nieuwe van nu, het wandelen in de vrijheid van de Geest, die ieder mens tot ontplooiing wil laten komen, is toch wel zeer groot en uitermate verblijdend.

Eén van de machtigste te­kenen daarvan vind ik wel dat het nieuwe testament meteen al begint met vier evangeliën. Vier verslag­gevers die , ieder op hun manier, verslag uitbrengen van hetgeen zij gezien en gehoord hebben. Elk op hun eigen manier brengen zij hun innerlijk naar bui­ten. Matthéüs begint zijn evangelie als joodse ge­schiedschrijver, schrijft zich het oude verbond uit en het nieuwe binnen en eindigt zijn evangelie met de mededeling dat het heil voor alle volken bestemd is. Met Markusevangelie is geschreven door een genezingsevangelist (de eerste en het beste van het type Osborn en Johan Maasbach). Heel het evangelie van Markus staat vol won­deren, maar aan het die­pere leven komt men niet toe. Dat is meer het. werk voor Lukas en Johannes, met vanzelfsprekend Jo­hannes als topper.

Geweldig is dat evangelie voor mij en naar ik zeker geloof, ook voor Matthéüs, Markus en Lukas, toen zij daarvan kennis namen. Zij zullen zeker blij zijn ge­weest dat dat hun mede­broeder in Christus was. Op zijn beurt zal zeer ze­ker Johannes in genomen zijn geweest met de wijs­heid Gods die door middel

van zijn medebroeders tot, openbaring kwam.

Zo’n instelling moeten wij ook nu weer krijgen: blij zijn met elkaar. Blij zijn met datgene wat de Heer aan die ander geschonken heeft tot heil voor allen. De oudtestamentische in­stelling dat het volk naar de profeet moest gaan is verleden tijd. Het laatste voorbeeld daarvan was Johannes de Doper (‘de grootste’, zei Jezus). Hij zette zich neer in de woestijn en het volk kon tot hem gaan of niet tot hem gaan.

 

Het koninkrijk Gods

Bij de komst van Jezus is dat totaal anders. Jezus treedt de wereld tegemoet. Hij roept het uit in de sy­nagoge en op straat dat het Koninkrijk Gods nabij gekomen is. Later stuurt Hij zijn discipelen tweemaal op generale repetitie. ‘Als u wat bijzonders geopen­baard wordt, verkondigt het dan van de daken’, zegt Hij tot hen: ‘Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken’ (Luc. 12:03). ‘En weest niet bevreesd’.

De tijd dat wij ons als no­maden en/of strijdgroepen opstelden is voorbij. Wij moeten de handen ineen slaan en Jeruzalem – de stad Gods – herbouwen, ieder voor zich op zijn (Zijn) plaats. Dan gaan we gezamenlijk herstellen wat de duivel vernield heeft. Dan gaan we werkelijk voort met het werk wat Jezus begonnen is te doen.

Daarbij zullen wij ons aan het woord moeten houden wat Paulus sprak, namelijk: ‘Wat gij nu nog niet ver­staat , zal u door de Geest geleerd worden’. Eerst horen en dan geloven, geldt ook hier. Het geloof is uit het gehoor en hoe zullen zij geloven, indien zij het niet gehoord heb­ben. Het laten horen wat ons gegeven is, is aan ons. Dat mogen en moeten wij uitzaaien, dat is onze taak. God zelf zal er de wasdom aan geven. Het is aan ons geopenbaard tot – heil der volken. Het zijn van het zout der aarde, is meer dan zout in een zoutvaatje. Ook al is dat zoutvaatje van goud of zilver! Wij hebben het recht van zonen en dat geeft ons een grote op­dracht , namelijk dat in eerste instantie iedereen gaat weten wat hij of zij mist. Zij die aanspreekbaar zijn, zullen het verstaan. Het zijn er velen, want de velden zijn wit om te oogsten. Zij zullen zoeken en vinden en… ons gaan uitnodigen als broeders en zusters en buren om een groot feest te gaan vieren. Want, hetgeen de bruid kwijt was, is door haar terug gevonden! Halleluja!

Zie, wij zijn een nieuwe schepping, – ook ons denken is vernieuwd! ’t Goddelijk heil is de bestemming, – dat ons leven nu bezield.

Hij heeft ons Zijn Geest gegeven, – die ons in de waarheid leidt, van een overwinnings­leven, – tot de top der heerlijkheid!

Het boek Genesis door Klaas Goverts (4)

De scheppingsdagen (vervolg)

“Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag” (Gen. 01:05b). Er staat, heel sterk en mooi: een dag. In (Zach. 14:07a) staat: …ja, het zal een dag zijn”. Hier wordt over de eindtijd gesproken. We zien een prachtige overeenkomst tussen het begin en het eind. Er wordt het eind van een periode bedoeld, want God eindigt nooit.

Van de tweede dag lezen wij: “En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren”. Uitspansel betekent: gewelf, een firmament. In firmament zit het grondbegrip ‘stevig’. …. En dit make scheiding tussen wateren en wateren. God maakte het gewelf en scheidde de wateren, die onder het gewelf waren’ (Gen. 01:06b-07)

In Genesis 1 wordt tweemaal een scheiding voltrokken: 1. tussen licht en 2.duisternis  tussen wateren en wateren.

Het gewelf krijgt de naam ‘hemel’; “En God riep het uitspansel: hemel” (Gen. 01:08, letterlijk), bijbel is eigenlijk ‘roepen’. Noemen in de  bijbel is eigenlijk roepen. Namen worden altijd uitgeroepen. Op deze wijze wordt iets tevoorschijn geroepen. Het roepen van de naam is de voltooiing van de wording van een wezen. Er gaat een wording, een genesis, een geboorte plaatsvinden. Het sluitstuk van de geboorte is het roepen van , de naam. Als een kind geboren wordt, is de geboorte pas voltooid, als de naam van het kind geroepen wordt. In de regel doet de vader dit; een enkele keer de moeder. Hanna roept de naam Samuël. Zonder het roepen van de naam is de geboorte niet compleet. Het roepen van de naam geschiedde op de achtste dag. Later werd dit aan de besnijdenis gekoppeld. Als een jongetje werd besneden , riep de vader, terwijl hij het kind in de armen hield, de naam uit over het kind, terwijl hij sprak: “Ik zeide tot u, in uw bloed, leef” (Ez. 16:06b) . Er werd over het kind uitgesproken: Ik wil dat je zult leven. Als God iets schept, voltooit Hij dit met het roepen van de naam over het geschapene. De betekenis van het gewelf: de hemel, is, dat de mens een dak boven het hoofd zal hebben. Het biedt veiligheid, bescherming.

Bij de tweede dag staat niet vermeld: En God zag dat het goed was. God kon dit op de tweede dag niet zonder meer zeggen, want ‘de wateren beneden’ zijn: de chaos. Dan komt de derde dag. En op de derde dag wordt er twee keer gezegd dat het goed was! Als we een Bijbelstudie zouden houden over de derde dag, dan zouden we heel wat kunnen ontdekken. Bijvoorbeeld: de bruiloft te Kana vond plaats op de derde dag. Ik geloof dat de bijbel zo uniek is, dat al deze dingen betekenis hebben. Jezus stond ten derde dage op uit de dood. Ook Jona verkeerde drie dagen in het dodenrijk. Ik geloof dat deze dingen betekenis hebben. Zij geven de verbanden aan, die God in de tijd heeft gelegd.

Een grondbegrip van het Bijbelse denken

“En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge tevoorschijn kome” (Gen. 01:09). Letterlijk: Dat het droge zich late zien. Toen liet het droge zich zien, want er staat: “Het geschiedde alzo”. Als God spreekt, komt er geschiedenis. Daarom is het beter om te vertalen met ‘geschieden’ dan met ‘was’. “En God noemde (riep) het droge aarde” (Gen. 1:10a). Het droge: Erets. Het woord Erets is één van de grondbegrippen van het bijbelse denken. Erets betekent: 1. aarde; 2. land. Als er in de bijbel over ‘het land’ gesproken wordt, staat het land model voor de gehele aarde. Dus: het beloofde land is model voor de beloofde aarde. God belooft uiteindelijk de gehele aarde aan de mens. Wat er in het land gebeurt is voorbeeldig, exemplarisch, voor de gehele aarde. Je zou kunnen zeggen dat het land de aarde in een notendop is. Het land is de proeftuin van-de aarde. God gaat de dingen eerst in het land doen, om het daarna in de gehele aarde te doen. (Ps. 115:016b) zegt: “…maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven”. Letterlijk: Hij heeft de zonen van Adam de aarde gegeven. Er zijn ook teksten waar je zowel met ‘land’ als met ‘aarde’ kunt vertalen, bijvoorbeeld (Num. 14:21): “Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des Heren de ganse aarde vervullen zal” . De verspieders hadden gezien dat het land vol reuzen zat. Uitgerekend van dat land zegt de Heer, dat de heerlijkheid des Heren het hele land vervullen zal. Hij wil zeggen dat de reuzen uit het land worden weggevaagd. God spreekt zijn geloof, tegen wat de verspieders zeggen, in. Tegelijkertijd is er het beeld, dat de heerlijkheid Gods de ganse aarde vervullen zal. Het zijn altijd twee beelden in één.

In (Ps. 074:012) lezen wij dat God bevrijdingen bewerkt in het midden van de aarde. Het kan ook vertaald worden met: in het midden van het land. De betekenis van ‘het droge’ is: grond onder de voeten hebben. Genesis 1 is bijna geheel gericht op een leefbare wereld voor de mens. De mens krijgt grond onder de voeten en een dak boven het hoofd. God is als het ware bezig een nestje te bouwen, waar de mens zijn intrek kan nemen. ‘Het droge’ komt op een aantal markante plaatsen in de bijbel weer terug: 1. Bij de zondvloed. 2. Bij de doortocht door de Schelfzee (Exodus 14). 3. Bij de doortocht door de Jordaan (Jozua 4) . 4. Aan het slot van Jona 2, waar de vis Jona uitspuwt op het droge.

Als de Israëliet het woord erets hoort, zal het woord uit (Gen. 1:10) meteen doorklinken. Hij zal denken: Dit is op het land, of op de aarde; het beloofde land De Schriften zijn niet bedoeld om gelezen te worden, maar om gehóórd te worden. Wij’ moeten zó leren horen, dat, als een tekst weerklinkt, de andere teksten méé gaan klinken. Wij moeten de verbanden leren hóren!

…en de samengevloeide wateren noemde (riep) Hij zeeën. En God zag dat het goed was. En God zeide: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten. En het was alzo” (Gen. 01:10b-11). In Genesis 1 wordt meteen al het thema van ‘zaad’ aangesneden. Het kernwoord ‘zaad’ gaat een zeer belangrijke rol spelen. Voor ‘zaadgevend gewas’ staat eigenlijk: kruid dat zaad zaait, of: gewas dat zaad zaait. Hoofdthema in het boek Genesis is het zaad van Abraham. Het wordt in (Gen. 01:11) als een voorspel aangekondigd.

God schept de lichten

Op de vierde dag zien wij dat God de lichten schept. Er staat voor ‘lichten’ eigenlijk: verlichters. Je zou haast kunnen vertalen met een samengesteld woord- de lichtbrengers, de lichtdragers. Het unieke is dat ’ het licht er allang was! Het licht was er op de eerste dag; op de vierde dag schept God de lichtdragers. God is best m staat om in het begin licht in het heelal te creëren. Geestelijk overgezet: In den beginne was het woord, en het woord was het licht. Daarna schept God de lichtdragers: zon, maan en sterren.

Eerder hebben we geschreven over het feit dat het scheppingsverhaal een antigodenlied is, met de bedoeling om de góden van de omliggende volkeren te ontmaskeren. Bij de volkeren heersen de sterren. ‘Je lot staat in de sterren beschreven’. Bij de heidenen zijn de sterren heersende machten. In Genesis 1 worden ze aangesteld om te heersen. De sterren worden hier gedegradeerd en worden beambten van God. Zon en maan zijn twee heersers met één gebied. Ze hebben een afwisselende tijd van heerschappij, ofwel: twee heersers met

ploegendienst. Er móet dus iemand zijn, die bóven hen staat en ze in klokt. Zij moeten op commando aantreden. Voor de mens, die opkijkt tegen de sterren en zegt: ‘Zij zijn het die mijn lot bepalen’, betekent het een stuk bevrijding. De humor van God hierbij is, dat dag en nacht, zonder dat zon en maan er waren, al drie keer gewisseld hebben. Zon en maan hebben geen lichtkracht van zichzelf.

De feesttijden des Heren

En God zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren” (Gen. 01:14). Letterlijk: Dat zij worden tot tekenen zowel voor vaste tijden als voor dagen en jaren. Zij hebben een teken functie! Het woord dat er staat voor ‘vaste tijden’ kan ook aanduiden feesttijden. Gods kalender is gebouwd op feesttijden. Het geestelijk principe erachter, is dat de gemeente de feesttijden des Heren moet leren’. Feesttijden horen heel wezenlijk bij het karakter van God; ook bij de indeling van de tijd. De Israëlieten leefden van feest tot feest.

Bij de Franse revolutie wilde men de week afschaffen. Men wilde decaden: tijden van tien dagen invoeren. Ook wilde men de rustdag en de feesten afschaffen. Als de mens Godloos wordt, wordt hij in wezen ook feestloos.

zijn leven wordt een eindeloze herhaling. De feesten geven juist iets om naar toe te leven en iets om vanuit te leven. Bij de feesten werd men ergens aan herinnerd.

In het boek Daniël staat dat de antichrist er op uit zal zijn om tijden en wet te veranderen. De duivel heeft een verschrikkelijke hekel aan feesttijden, omdat hij weet dat in de feesttijden geschiedenis wordt gemaakt. Als Jezus gearresteerd moet worden, zeggen de Farizeeën dat dit niet op het feest mag geschieden, om opschudding te voorkomen. Waar het eigenlijk óm gaat, ligt veel dieper: Het Paaslam mag niet op het Paasfeest, het Pascha, geslacht worden. Zij willen de tijden van God uit elkaar halen.

… en dat zij tot lichten worden aan het gewelf van de hemel, om licht te geven op de aarde. God maakte de twee grote lichtdragers, de grootste lichtdrager om te heersen tot heerschappij over de dag en de kleine lichtdrager tot heerschappij over de nacht en de sterren. En God gaf ze aan het gewelf van de hemel, om over de aarde te lichten om  te heersen, om te scheiden tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest (avond werd en morgen werd) de vierde dag’ (Gen. 01:15-19)

 

Wat er op de vijfde dag gebeurde, lezen we in (Gen. 20:23) en God zeide dat de wateren wemelen van levende wezens en dat het gevogelte over de aarde vliege langs het gewelf aan de hemel en God schiep de grote zeedieren. Barà, om aan te geven dat de grote zeemonsters schepselen zijn en alle krioelende levende wezens waarvan de wateren wemelen naar hun aard en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn aard. Nu volgt een zegen en een opdracht God zegende en zei: “wordt vruchtbaar, wordt talrijk en vervul de wateren in de zeeën en het gevogelte worden veel op aarde.

Genesis 1 vers 24 tot en met 31 (Gen 01:24-31) vertelt ons wat er op de zesde dag plaats vond. En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte, en wild gedierte naar hun aard. En het werd alzo. In vers 24 wordt gesproken over kuddedieren. Het vee. De wilde dieren behoren tot de groep die zich helemaal In het wild ontplooit en niet direct bestemd is om getemd te worden en in dienst van de mens te staan. De grote zeemonsters in vers 21 zijn heel grote dieren. Zoals nijlpaard, krokodil, dinosaurus, brontosaurus, enzovoort. Zij kunnen doordat zij zo reusachtig zijn, iets bedreigend hebben. God zegt, wees niet bang voor ze, want het zijn ook schepselen. God zegt tegen Job, zie toch de Behemot die ik gemaakt heb samen met u. God bedoelt zie hier niet tegen op Job. Het is ook een schepsel. Ik heb dat dier gemaakt samen met jou. Later worden de grote zeedieren soms beeld van machten der duisternis. Gij zijt het die de zee hebt gekliefd door uw kracht, de koppen der draken In het water verbrijzeld. Gijs zijt het die de koppen van Leviathan heb vermorzeld hem aan het woestijn gedierte tot spijze hebt gegeven. (Ps. 074:013-014). God zegt, Je moet niet bang zijn voor deze enorme machten.

Maar aan al het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, geef ik het groene kruid tot spijze (Gen. 01:30) Het is geestelijk principe dat in de schepping geen verderf roofzucht of wraakzucht voorkwam. In de Babylonische ballingschap hebben de Israëlieten het scheppingsverhaal voorgedragen ter bemoediging in hun situatie. Temidden van de bedreigende machten en temidden van een volk dat leefde onder de macht van de sterren. Ze zingen hun anti goden lied. Het lied van de zeven scheppingsdagen en van de 10 woorden om vast te houden, onze God. Staat boven het tumult van al de machtig der duisternis.

 

Intermezzo door Gerry Velema

Het ongelukje.

Ze was een ongelukje. U begrijpt me een niet gewenst kind. Al Jong in een pleeggezin opgenomen, niet uit idealen of liefde, maar omdat toch iemand voor haar zorgen moest. Het leven was hard en onvriendelijk voor haar als jong meisje. Om ‘s zondag wat van haar af te zijn, stuurde ze haar naar de zondagsschool aan de overkant. Prijst God voor dit fijne werk onder kinderen. Het werd voor het ongelukje een groot geluk. Bij het ouder worden leren ze dat de Heer Jezus van haar hield. En dat de liefde van de Hemelse Vader oneindig veel meer waard is dan de liefde van Mensen, het mooiste wat ze hoorde was dat God haar leven wel wenste en wel in die mate dat hij samen met haar door het leven wilde. Ze gaf haar leven ongewenst door mensen in de hand van haar Vader? Dat was niet de bedoeling geweest in het pleeggezin. Nee, ze mocht geen christen worden. Opnieuw werd het haar moeilijk gemaakt. Op zestienjarige leeftijd besloot ze haar huis te verlaten en in een liefdevol geestelijk gezin haar thuis weer te vinden. En meer en meer ging ze op in de gekozen weg met de Heer. Ze leerde omgaan met haar Vader. Ze leerde de waarde van hem te aanbidden als haar schepper en Heer. Haar leven kreeg betekenis voor haarzelf en voor de mensen om haar heen. Hoe weinig liefde ze ook heeft ondervonden in haar kinderjaren, de liefde van God maakte alles goed. Ze is in staat om veel liefde te geven aan wie om haar heen staan of op haar weg worden geplaatst. Terugkijkend naar die moeilijke jaren, hoor ik haar zeggen, wat is God toch goed voor me geweest? Hij was er altijd en heeft me ook altijd geholpen. Oh, Ik kan hem alleen maar prijzen dat ik hem heb leren kennen. Mijn leven is echt helemaal van hem. Hoe groot is onze God? God doet iets réels voor al die mensen die niet gewenst en niet bemind zijn geweest. Ik las onlangs in een pro life blad een uitspraak van moeder Teresa als mensen hun kinderen niet willen. Geef ze daar maar aan mij, maar boven al deze nobelheid uit gaat Gods oproepen: Kom tot Mij. Hij alleen kan dat verwerpende gevoel van nietswaardigheid veranderen in een volwaardig gevoel van gewenst te zijn. Een heerlijk, ik ben waardevol gevoel. Bij hem en met hem wordt ons leven een gelukje.

 

Je voeten op de Rots

Een nieuw jaar ligt weer voor ons, 1987.

Wat zal dit jaar jou en mij brengen? We weten het niet. Althans, we kunnen dat nog niet hele­maal overzien. Maar één ding mogen we zeker we­ten: dat God met ons is, onder elke omstandigheid. Dat Hij ons kracht geeft. Dat Hij ons levensvreugde en levensmoed geeft. Dat Hij ons innerlijke vrede x wil schenken, een vrede die het menselijk verstand vèr te boven gaat. Weet je, het is zo móói dat Hij weet in welke situatie we verkeren. Het is zo heer­lijk dat Hij ons boven die situatie wil uittillen. Hij kent ons dóór en dóór en Zijn liefde gaat naar ons uit. Hij houdt zo veel van jou en mij. Zullen we aan het begin van dit nieuwe jaar gewoon eens een stukje van Zijn Wezen gaan bekijken?

In (Ps. 040:006) staat het volgende:

“Talrijk hebt Gij ge­maakt, o Here, mijn God, Uw wonderen en uw ge­dachten jegens ons; niets is bij U te vergelijken” .

Zó is God, zoals in dit vers wordt be­schreven. Dit is een stukje van Zijn Wezen. HIJ wil op déze manier met jou dit jaar ingaan. Talrijke wonderen heeft Hij voor jou klaarliggen. Sta je daar wel eens bij stil? God heeft voor jou en mij wonderen ‘gepland’. Dingen waarvan je niet had durven dromen, gaan gebeuren. Tenminste, als ook jij dat wilt.

Talrijke gedachten koestert God over ons. Hemelse gedach­ten. Gedachten van vre­de. Gedachten van vreug­de. Gedachten van vrij­heid.

Lees Psalm 40 eens helemaal door. David zat in het slijk. Mid­den in de modder. Hij zat vast in de prut van de zonde. Maar vurig ver­wachtte Hij de Here. En wat gebeurde er? De Heer trok David uit die kuil van het verderf. Hij stel­de Davids voeten óp een rots. Davids leven kreeg een vaste basis, een vei­lige, solide ondergrond. Hij steunde vanaf dat mo­ment namelijk op God, de Rots, wiens werk volko­men is, wat staat in (Deut. 32:04). David steunde op “een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaardig en waarachtig is Hij” . Nu wordt David niet meer op en neer, heen en weer geslingerd, vervuld van twijfel. Nee, hij weet: “God heeft mij lief!” En dan kun je immers zingen, als je weet geliefd te zijn door de Schepper van hemel en aarde! Nu, Da­vid kréég een nieuw lied in ,de mond. En uiteraard wordt dat een heerlijke lofzang, ter ere van Zijn Redder, die vastheid aan zijn leven verleent. En die lofzang van David wordt, héél spontaan, meteen nog een getuige­nis ook: “mogen velen het zien en vrezen, en op de Here vertrouwen” .

En als je op de Heer vertrouwt, dan ben je gelukkig. Dan kun je jubelen voor de Heer, juichen ter ere van de rots van je heil. Een be­tere Vriend kun je im­mers niet Hebben! In Hem is geen enkele leugen óf onbetrouwbaarheid. Hij is zuiver, betrouwbaar, en­kel liefde. Welzalig, dol­gelukkig kun je zijn als je op de Rots vertrouwt, die nooit wankelt.

Talloze wonderen heeft de Heer voor ons in petto. Een paar ervan worden genoemd in Psalm 107. In (Ps. 109:009) staat bijvoorbeeld dat Hij “de dorstende ziel heeft gelaafd en de hon­gerende ziel met het goe­de vervuld”. Fijn hè? Hij vervult je met leven. Hij doordrenkt je met het goede, het welgevallige, het volkomene. Met datgene, wat jouw levens­honger hélemaal kan stil­len. De Heer weet dat we dat nodig hebben. Het verlangen naar leven heeft Hij in ons gelegd, hélemaal Zijn bedoeling dat dit verlan­gen wordt bevredigd. Dat je innerlijke dorst wordt gelest en je inner­lijke honger wordt ge­stild .

In (Ps. 107:016) staat nog zo’n wonder dat God voor ons klaar heeft. Hij heeft

“koperen deuren verbro­ken en ijzeren grendels verbrijzeld” . Hij geeft het wonder van bevrijding. Bevrijding uit don­kerheid, uit diepe duis­ternis. Als je daar bent, dan voel je je gebonden in ellende (vers 10) . Maar de Heer verbreekt elke gevangenisdeur, Hij verbrijzelt elke grendel. Ook in ons leven. Ook in dit komende jaar kunnen we ervaren dat in ons leven weer een stukje meer bevrijding zijn in­trede doet. Dan worden we als David: onze voeten op de rots en in onze mond een lofzang voor God.

“Komt, laat ons jubelen voor de Here, juichen ter ere van de rots onzes heils. Laat ons met lofgezang voor Zijn aangezicht komen, ter ere van Hem juichen bij sna­renspel. Want de Here is een groot God, een groot Koning, boven alle góden (…) Treedt toe, laten wij ons neerwerpen en ons buigen, knielen voor, de Here, onze Maker, want Hij is onze God, en wij zijn het volk dat Hij weidt” .

Met je voeten op de eeuwige, onwankelbare rots en een nieuw lied in je mond, kan het niet anders of je ware aard – bijna goddelijke aard – komt weer spontaan naar boven! Dat was bij David óók het geval in (Ps. 040:008). “Ik kom!” roept David. “In de boekrol is over mij geschreven; ik verlang ernaar uw wil te doen, Heer. Uw wet is in mijn binnenste” . Zó is het. Dit is de ware aard van ieder mens. En dat verlangen ‘om te komen’, de lust om Gods wil te , doen, zal er hélemaal gaan uitkomen. Weliswaar is het nog niet helemaal zo ver. Onze ware aard gaat soms nog verborgen onder een flinke hoop slijk. Maar daar mogen we in 1987 aan gaan werken. Samen met een God die ons als mens bijna goddelijk heeft gemaakt. Die ons met heerlijkheid en luister heeft gekroond. Die ons de lust heeft gegeven om Zijn wil te doen. Die Zijn wet in ons binnenste heeft gelegd. Met die God mogen we dit jaar op weg gaan. Een ieder van ons persoonlijk. En die weg mag een pad zijn, dat is “als het glanzende mor­genlicht, dat steeds hel­derder straalt tot de volle dag” (Spr. 04:18).

Zet je voeten op de eeuwi­ge, onwankelbare rots, dan kun je die weg veilig gaan.

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (5)

Alles is door het woord geworden

In (Gen. 01:01) lezen wij: “In den beginne schiep God de hemel en de aarde”. Hij schiep eerst de hemel of ‘de hemelen’, zoals andere vertalingen zeggen. Dat wil zeggen: alles wat daarin thuishoorde en een functie had en waarvan God door Zijn woord bepaalde: dat behoort bij de geestelijke onzienlijke wereld. Psalm 33 vers 6 (Ps. 033:006) zegt: “Door het woord des Heren zijn de hemelen gemaakt, door de adem van Zijn mond al hun heer”.

God zelf was daar in die geestelijke – onzienlijke – wereld van eeuwigheid en als enige. Hij heeft gedachten gedacht, plannen gemaakt, dat nam vorm en gestalte aan en vormde zich als een woord in Hem. En als God gaat scheppen dan gaat Hij dat ‘woord’ uitspreken en dat ‘woord’ brengt alles tot stand. Dat begint te ontwikkelen en dat zal tot een volheid komen overeenkomstig de inhoud van dat ‘woord’ en het zal in stand blijven dóór dat ‘woord’ (Jes. 55:10-11).

In dat scheppingswoord zijn ‘alle gedachten Gods als levenswetten, wetmatigheden, morele normen, vermogens en mogelijkheden, doel en bestemming, aanwezig. Het woord is leven en licht (Joh. 01:01-04). Alles wordt op deze wijze gedragen door het woord Zijner kracht (Heb. 01:03b; Ps. 119:089-093; Hand. 17:26-28) . Of-zoals (Ps. 145:013) zegt: “Uw koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, uw heerschappij duurt alle geslachten door. Betrouwbaar is Jahwe in al Zijn woorden en goedertieren m al zijn werken” (Leidse vertaling). Dit is het fundament in Genesis 1, van Gods scheppend handelen: betrouwbaar in al Zijn woorden; goedertieren in al Zijn werken”. Dat is Gods koningschap in het ‘woord’, waardoor Hij alles scheppend tot stand brengt, in stand houdt en tot voltooiing brengt.

In het nieuwe testament gaan we de voltooiing van de mens zien in Jezus Christus. Ook Hij steunde op dit fundamentele van al Gods handelen. David spreekt profetisch van het lijden dat over Jezus Christus zou komen in (Ps. 040:012). De bede van onze Heer in Zijn nood is dan: “Gij Jahwe, zult uwe erbarming mij niet onthouden, uwe ‘’goedertierenheid’ en ’trouw’ zullen mij voortdurend behoeden” (Leidse vertaling).

God schept naar de raad van Zijn wil

God sprak op de zesde dag: “Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis” (Gen. 01:26a). Dit woord is nog steeds in ontwikkeling en zal doorgaan totdat voortgebracht is wat het woord, dat gesproken werd, inhield. Niemand is Hem hierbij tot raadsman geweest. Alles komt tot stand overeenkomstig Zijn wil (Jes. 40:13; Rom. 11:33-36; Joh. 01:01-03). Paulus zegt, in (Ef. 01:11), dat alles is ontstaan en zal geschieden krachtens het voornemen van Hem, die alles werkt naar de raad van Zijn wil.

Het scheppingsverhaal besluit met: “Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer” (Gen. 02:01). De vertaling van Reisel zegt: “De hemel en de aarde werden voltooid en alle groeperingen daarvan” . Dus alles wat bij of in de hemel behoorde en alles wat bij of op de aarde behoorde in bepaalde rangorden. De engel in (Openb. 10:06) zweert bij Hem, die leeft tot in alle eeuwigheden en zegt: “die de hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is en de aarde en hetgeen daarop is en de zee en hetgeen daarin is” (vergelijk Hand. 17:24, Neh. 09:06).

Gods woord is onveranderlijk

Dit beschouwende zien we dat er geen enkele grond is voor welke evolutieleer dan ook. Niets ontstaat zomaar per toeval of begint als vanzelf, op onverklaarbare wijze, aan een ontwikkelingsproces. Ook een aap verandert op een goede dag niet in een mens. God heeft bij de veelheid van dieren ook apen geschapen en God heeft mensen geschapen. De aap blijft aap en de mens blijft mens. Door het scheppingswoord ligt het wezen van alles onveranderlijk vast. Dat geldt voor mensen, engelen, dieren, bomen, planten, ja voor alles wat God geschapen heeft. Daarom zegt (Ps. 033:011) zo schitterend: “De raad des Heren houdt eeuwig stand, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht” . Alles wat geboren wordt, draagt dat scheppingswoord van God weer in zich van geslacht tot geslacht. Het kan derhalve niet veranderen van wezen of bestemming. Dit is fundamenteel voor de gedachtenvorming over de mens. Wat voor de aarde is (en de dieren zijn voor de aarde) en wat voor de hemel is, blijft voor de hemel.

Zo heeft God de mens geschapen met een bestemming voor de aarde en de mogelijkheid van ontwikkeling en bestemming voor de hemel. Ieder mensenkind, dat op de aarde geboren wordt, draagt dat in zich van geslacht tot geslacht. Zo houdt Gods woord en koningschap eeuwig stand en is alles in de schepping, op deze wijze, met Hem verbonden die het leven en alles geeft (Hand. 17:25b en Hand. 17:28a) . De mens ontaardt door de werking van de duivel met zijn demonenleger, leert de bijbel (Filip. 02:15) en dan kan het gedrag onmenselijk worden. Dat wil zeggen dat het niet meer in overeenstemming is met de scheppingsgedachte Gods. Maar de mens blijft mens en wordt geen dier (Ps. 049:013 en Ps. 049:021) of afgevallen engel.

God schiep de engelen

De hemel en al haar heer of ‘groeperingen’, die God schept, dat zijn die ontelbare engelenscharen. Dat zijn inderdaad groeperingen. Er zijn grote en kleine, leiders en die geleid worden. Maar boven alles staat God, de Schepper van hemel en aarde. De bijbel noemt ter onderscheiding drie hoofdengelen, namelijk Lucifer, Michael en Gabriël. In het Apocrieve boek Tobit lezen we ook nog van Rafaël als de engel der gebeden. Hier wordt gesproken over zeven heilige engelen: “Ik ben Rafaël, een van de zeven heilige engelen, die de gebeden van dé heiligen opdragen en toegang hebben tot voor de heerlijke troon van de Heilige” (Tobit 12:15; vergelijk (Openb. 08:02). Verder staat in het boek Ezra-vier en Henoch nog genoemd de aartsengel Uriël. In (Openb. 09:11) wordt ook nog genoemd de grote engel van de afgrond Abaddon (Hebr.) of Apollyon (Grieks).

De bijbel spreekt van ‘aartsengelen’, ‘engelen’ cherubim’, ‘serafim, ‘de engel van Jahweh’ en/ in Openbaring        ‘de engel van Jezus’. Het vijandelijk

engelenrijk  wordt door Paulus omschreven met overheden, machten, krachten, heerschappijen en tronen’ enz. (Ef. 06:12). Het hoofd van dit vijandelijk rijk is ‘satan’ of ‘de duivel’, de afgevallen engel die in schepping en rangorde de eerste en grootste was. In (Jes. 14:12) wordt hij genoemd:

morgenster zoon des dageraads’ (dit betekent eigenlijk lichtdrager’ of ‘lichtengel’. De Latijnse naam ‘Lucifer’ is hier van afgeleid) . In (Matt. 12:24) wordt de duivel nog genoemd: ‘Beëlzebul, de overste der geesten’. In het engelenrijk wordt gesproken over ‘vorsten’ niet over koningen. Deze titel is voor God, Jezus Christus en de mens gereserveerd. Een duidelijk voorbeeld hiervan is wat m de bijbel staat over Perzië. In (Dan. 10:13) lezen we namelijk van ‘de vorst’ van het koninkrijk der Perzen waar de hemelvorsten Gabriël en Michaël in de geestelijke wereld tegen te strijden hebben.

Zoals het vijandelijke leger uit vele groeperingen bestaat, zo zal dat ook in het rijk van Gods heilige engelen het geval zijn. Allen echter, van groot tot klein, zijn dienstbaar aan God en de mens (Heb. 01:14). Alle engelen hebben hun plaats en taak waar ze volledig voor toegerust zijn. Ze zullen ook alleen een naam dragen, omdat bij God geen naamloze bestaat.

Wat zijn engelen?

De heilige engelen zijn niet ‘de goede gedachten van God’ of bewegingen en krachten die God de mens zou inblazen, zoals wel eens gedacht en/of gezegd wordt, maar het zijn wezens, geestelijke wezens, persoonlijkheden en God is hun Schepper. Ze zijn geschapen naar Zijn gedachten en overeenkomstig Zijn wil en woord (Ps. 033:006). God is ook de Vader van de engelen. De bijbel noemt Hem de Vader der geesten, van alle levende schepselen (Num. 16:22a; Num. 27:16; Heb. 12:09c) .

Ze zijn geschapen om te functioneren in de geestelijke wereld en daartoe hebben ze een geestelijk lichaam, in tegenstelling tot ons aardse lichaam, waarmee wij op aarde functioneren. Paulus schrijft over deze hemelse lichamen: “Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam” (1 Kor. 15:44b) en in (1 Kor. 15:40) zegt hij: “Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders die der aardse” . Bij verschijningen zien we ook deze glans in een sierlijk wit gewaad, een jeugdig uiterlijk, een zuivere blik en hun hele optreden is zuiver, rein, wijs en hemels. Maar het is niet afschrikwekkend voor de mens in die zin dat het een of ander vreemdsoortig wezen zou zijn. De gedaante van de engelen wordt in de bijbel steeds beschreven als heel menselijk. Ze spreken de taal van de mens, passen zich bij hem aan, groeten zoals voor de mens gebruikelijk is, enz. Enkele voorbeelden zijn: Genesis 18 en (Gen. 19:01-22; Matt. 28:01-07; Luc. 01:26-38).

Door middel van hun geestelijk lichaam functioneren ze in de geestelijke wereld en er is communicatie. In de voorbeelden zien we eigenlijk al dat alles aan dat geestelijk lichaam aanwezig is zoals bij een natuurlijk menselijk lichaam. Ze spreken tot de mens en luisteren naar wat hij antwoordt. Ze zien‘hierbij1, uiteraard ook met hun ogen. Ze hebben handen eh voeten en kunnen staan, zitten, lopen, enz. In de geestelijke wereld is onderling ook die communicatie. In (Dan. 08:13) lezen we van een gesprek en ook in (Judas 01:09) staat vermeld dat Michaël in twist gewikkeld was met de duivel en zegt: “De Here straffe u” . Het zijn dus geen robotachtige wezens die alleen maar spreken, ze hebben ook gevoelens. Ze verblijden zich als een zondaar zich bekeert (Luc. 15:10). Ze juichen en jubelen (Job 38:07). Ze zingen (Luc. 02:13-14) enz.

De engelen zijn volmaakt toegerust

God is liefde, schrijft de apostel Johannes en zo zijn de engelen ook vanuit en door deze liefde geschapen. Als ze tot de mensen komen om hen te dienen dan komen ze in dat goddelijke klimaat. Ook zijn ze door God volkomen toegerust voor hun taak om dienstbaar te zijn. De engelen maken niet een groeiproces door en kennen ook geen voortplanting of vermeerdering. Ze zijn door God als volmaakte, geweldig toegeruste, wezens geschapen naar aantal en vermogens.

In Ezechiël 28 wordt over de grootste en eerste engel geschreven en dat helpt ons te verstaan hoe de engelenwereld geschapen is: “Volmaakt zijt gij van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malschiet. Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat en aan u vastgehecht; toen gij geschapen werd, waren zij gereed” (Ez. 28:12b-13). Al die geweldige eigenschappen, die hier uitgedrukt worden in allerlei edelgesteente, groeide of ontwikkelde niet, zoals bij de mens, maar bij de engel is dat gereed. Er staat: “het werd aan u vastgehecht” (vers 13). Het was in goud gevat, wat zeggen wil: ‘zuiver goddelijk’. “Toen gij geschapen werd, waren zij gereed” (vers 13). Zo zijn de engelen dus ‘geschapen’: “volmaakt, tot alle goed werk volkomen toegerust”, zoals Paulus dat zegt, in (2 Tim. 03:17), van de mens die door het woord van God opgevoed is en daardoor ontwikkelt tot die volmaakt toegeruste geestelijke mens.

Engelen zijn dus geschapen om de mens die God nog zou gaan formeren, te dienen, te beschutten en te beschermen. Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels” (vers 14a), Ze staan voor Gods troon en zien van Hem van aangezicht tot aangezicht (Matt. 18:10) . “De Here heeft Zijn troon in de hemel gevestigd, Zijn koningschap heerst over alles. Looft de Here, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord” (Ps. 103:19-20). Zo schiep God de hemel of voltooide God de hemel en alle groeperingen daarvan (Gen. 02:01, vertaling Reisel) .    (wordt vervolgd).

 

 

 

 

1986.12 nr. 276

Levend geloof 1986.12 nr. 276

Gezonden in de wereld door Gert Jan Doornink

“Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem” Johannes 18 vers 37b (Joh. 18:37b).

Ook dit jaar wordt het geboortefeest van Jezus weer op verschillende wijzen gevierd. Terwijl het bij ‘de wereld’ alleen gaat om een uiterlijke beleving – al of niet overgoten met een vroom sausje – gaat het bij de waarachtige gemeente van Christus in de eerste plaats om de innerlijke beleving.

Maar ook deze innerlijke beleving telt grote verschillen, al naar gelang de intensiteit van ons geloof in Christus. ’ Wie als kind van God bijvoorbeeld geen verlangen heeft geestelijk te groeien, zodat het einddoel des geloofs – de volle openbaring van Jezus in ons – niet bereikt wordt, blijft in een beginstadium steken en weet weliswaar dat hij ‘behouden is voor de eeuwigheid’, maar mist het doel wat God met zijn leven voor ogen heeft. Als in het natuurlijke leven ons kind niet normaal opgroeit tot volwassene, is er iets ernstigs aan de hand en zullen wij er alles aan doen om dat probleem op te lossen. Hoeveel temeer zullen we ons volledig behoren in te zettén om op te groeien tot volwassen christenen opdat wij ten volle kunnen functioneren in het plan van God.

Jezus was geboren en gezonden

Jezus groeide op van kind tot volwassene en toen begon Zijn werkelijke bediening. Een bediening die besloten lag in de grote opdracht die Hij van Zijn hemelse Vader ontvangen had. Zelf sprak Jezus meermalen over deze opdracht, onder andere met de woorden: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen” Johannes 18 vers 17b (Joh. 18:17b).

Jezus was geboren èn gezonden! Wie alleen stilstaat bij Zijn geboorte heeft van het werkelijke doel van Zijn komst niets begrepen. Het gaat juist om het ‘gezonden zijn’. Hij kwam in de wereld. Hij groeide op als mens onder de mensen. Juist hierin kwam de grote liefde van God tot openbaring: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, opdat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heelt… ” Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16). God bleef niet de ‘verre God’ die wij op ‘afstandelijke’ wijze kunnen dienen, zodat er een verhouding ontstaat in de vorm van ‘de grote God en de kleine nietige mens’, zoals dat bij verschillende andere godsdiensten het geval is. Hij kwam in de wereld. Daar openbaarde Jezus zich als de eerste nieuwe mens waarop satan geen vat meer had! En deze nieuwe mens had het wezen van God in zich. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dat Hij de afstraling van Gods heerlijkheid was en de afdruk van Zijn wezen.

Jezus werd één met de mens. Daarom duldde Hij niet langer dat de mens gemanipuleerd werd door de vorst der duisternis. Hij maakte hem ‘los’ van de boze. En zoals Hij op volmaakte wijze een eenheid met de Vader vormde, zo had Hij ook het verlangen in zich dat ook de andere mensen dit gingen beleven. Ieder die ging ‘geloven’, die Zijn vertrouwen ging stellen op de levende God, geopenbaard in Jezus Christus, kwam daardoor in de gemeenschap met God. Hij ging daarmee beantwoorden aan de oorspronkelijke doelstelling die God met de mens voor had.

Ieder waarachtig kind van God kan daarom – met de apostel Johannes – getuigen: “En onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b). De apostel Paulus schrijft trouwens dat wij hiertoe geroepen zijn. Ook de viering van het heilig avondmaal is in dit verband erg belangrijk. Dan bevestigen en vernieuwen we als het ware deze gemeenschap, dit één zijn met Hem 1 Korinthe 10 vers 16

(1 Kor. 10:16).

De gezondene(n) des Vaders

In de zending van Zijn Zoon naar deze wereld heeft God Zijn hart gelegd. Heel Zijn wezen, heel Zijn liefde, heel Zijn goedheid, alles wat in Hem is, werd via Zijn Zoon naar deze wereld overgebracht. Hij was de Gezondene des Vaders. “Ik ben van de Vader uitgegaan en in de wereld gekomen”, sprak Hij tot Zijn discipelen Johannes 16 vers 28a (Joh. 16:28a). En meteen er achteraan zei Hij: “Ik verlaat de wereld weer en ga tot de Vader”.

Deze laatste uitspraak heeft een belangrijke consequentie met zich meegebracht. Want het betekende dat het werk wat Jezus deed, door Zijn volgelingen zou worden voortgezet. Het onderricht wat Jezus aan Zijn discipelen gaf was er helemaal op gericht dat zij Zijn taak konden overnemen. In het Hogepriesterlijk gebed bad Hij: “Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld” Johannes 17 vers 18 (Joh. 17:18). Eerder had Hij reeds gezegd: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze” Johannes 14 vers 12 (Joh. 14:12). Hij sprak daarom ook veel over iets wat onmisbaar en noodzakelijk was om deze taak met bekwaamheid te kunnen uitvoeren: de -vervulling met de Heilige Geest. Zijn afscheidswoorden waren: “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn… ” Handelingen 1 vers 8a (Hand. 01:08a).

Zo gingen de discipelen beantwoorden aan het plan van God om de taak van Jezus over te nemen. Het boek Handelingen vertelt ons hoe dat in zijn werk ging, hoe de discipelen datgene deden wat ook Jezus deed. De gemeente was ontstaan en groeide zowel in kwantiteit als in kwaliteit. Vooral op dit laatste legden de apostelen – denk aan de brieven – steeds weer de nadruk. Het ging er immers om dat het beeld van Jezus, in allen die Hem volgden, ten volle tot openbaring zou komen. Bovendien werd, zoals Jezus belaagd werd door de duivel, ook de gemeente het doelwit van zijn aanvallen. En wie niet geestelijk gegroeid was tot een ‘volwassene in het geloof’ kon onmogelijk standhouden en met Jezus overwinnaar zijn.

Wie het Kerstfeest werkelijk beleeft weet dat het dus niet alleen gaat om het geboren worden van Jezus in Bethlehems stal en in eigen hart (daar begon het mee), maar daarna – en dat was Gods uiteindelijke doel – om het gezonden zijn in de wereld! Jezus was de eerste Gezondene des Vaders in deze wereld en wij mogen in Zijn voetstappen volgen. Maar dan zullen ook wij bereid moeten zijn geestelijke te groeien, zodat we niet meer heen en weer geslingerd worden door allerlei wind van leer, maar Jezus ten volle gaan openbaren. Want wij zijn ”een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden Gods te verkondigen!” 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09). 

 

De mens in relatie tot God door Gert van de Kamp

Hoe belangrijk is de rela­tie die een mens met God heeft? Het antwoord op deze vraag luidt, dat een relatie met God hebben van levensbelang is! Je kunt er nog zoveel ‘ge­loofswaarheden’ op na houden, als je in je dage­lijkse leven niet ervaart dat je een persoonlijke relatie met je Schepper en Vader hebt, dan devalueer je de geloofswaarheden tot op zichzelf staande dog­ma’s. Dan zijn de – in we­zen – levende waarheden niet levend maar dood.

De betekenis van het begrip relatie

Wat betekent het begrip relatie ten diepste? In het woordenboek staat het zo: Betrekking waarin perso­nen, zaken, begrippen of grootheden van nature tot elkaar staan. Ga ik dat betrekken op de rela­tie tussen God en mensen, dan zien we dat bij de re­latie tussen God en mens het van nature zo gepland is. Met andere woorden: het is een vanzelfspreken­de en oorspronkelijke zaak dat God verbonden is met mensen. Vanaf het begin van de schepping ging het hart van God naar de mens, die Hij gemaakt heeft, uit. Vol verlangen naar contact, met de in­tentie dat de mens geheel aan Zijn beeld gelijk mag zijn.

Een voorbeeld uit mijn eigen leven van een rela­tie is die tussen mijzelf en mijn nu nog jonge zoon. In onze relatie speelt de liefde een enorm grote rol. Door liefde te geven win ik als vader, het vertrouwen, wordt een band gekweekt. Daar­naast zorg ik dat ik tijd voor hem heb, waardoor we elkaar leren kennen. Een heel normaal voor­beeld uit het dagelijkse leven is dat.

In Matteüs 3 vers 17 (Matt. 03:17) zien we nog een voorbeeld van een relatie tussen Vader en Zoon. Als Jezus gedoopt is in water en in de Heilige Geest, is daar de stem van God als be­vestiging voor iedereen dat tussen de Vader en de Zoon er sprake is van een hechte relatie: “Dit is mijn Zoon, mijn veel­geliefde, in wie Ik welbe­hagen heb” (Willibrord- vertaling). Jezus is de agapètos van God, de ge­liefde. In een relatie tus­sen Vader en Zoon is al­tijd sprake van liefde, die aan de ene kant een voorwaarde en aan de andere kant een vervulling van de relatie is.

Jezus is de eerstgeboren Zoon van God. In Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29) lezen we dat door God mensen voorbestemd zijn om het evenbeeld van zijn Zoon te zijn, zodat die de eers­te zou zijn van een groot aantal broers (Groot Niéuws Bijbel). God heeft Zonen, Zonen die op Hem mogen lijken. Gewone mensen zoals u en ik, gegrepen door het evan­gelie, Zonen van God! Ook tegen ons zegt God: Je bent mijn agapètos, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb. God zegt het tegen ons, Hij spreekt ons op die per­soonlijke manier direct aan!

De relatie met God maakt ons volmaakt

De relatie tussen God en mens werkt uiteindelijk volmaaktheid uit. Een rela­tie hebben is een proces, waarin allerlei zaken op hun plaats komen. In Matteus 5 vers 48 (Mat­t. 05:48) staat: “Weest gij dan volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is” (Statenvertaling).

Volmaakt zijn kan op veel manieren worden in gevuld. ‘Zonder enig gebrek of waaraan niets ontbreekt, perfect’, zegt het woor­denboek. Het betekent ook dat je in de relatie met God volmaakt mag zijn in de zin dat je volledig bent. Het Griekse woord is teleios. Het betekent dat je volledig ontwikkeld, volleerd mag zijn.

In relatie met God kun je dus zondermeer stellen dat de mens zich volledig gaat ontwikkelen totdat je on­berispelijk en volleerd bent. The New English Bible vertaalt het zo: “There must be no limit to your goodness, as your heavenly Father’s goodness knows no bounds”.

Deze vertalers hebben in­vulling gegeven aan het begrip volmaaktheid. Ze laten iets zien van de kwaliteit van de volmaakt­heid die zich ontwikkelt in een relatie met God. Er moeten geen grenzen zijn aan jouw goedheid, omdat de goedheid van jouw Vader geen grenzen kent. Jij mag enkel goed zijn omdat je Vader zo is! Dat is pure volmaaktheid, ook voor mensen bestemd.

In de relatie tussen God en mens ontwikkelt zich het Leven. Daar is het dagelijkse leven een af­spiegeling van de relatie tussen God en Jezus. Dagelijks mag je ervaren dat je één van de Zonen Gods mag zijn. Dan kun­nen de geloofswaarheden in hun context geplaatst worden en is de mens één doordat leer en leven één zijn. 

 

Zoon van het licht (gedicht) door Piet Snaphaan

Geboren Koning, Zoon van God,

van ’t licht, dat eeuwig straalt.

U brak door ’t duister van de nacht,

op aarde heeft U het al volbracht,

de hoogste prijs betaald.

 

Geboren Koning, eeuwig heil,

heeft U daardoor bereid.

Als Redder van de mens in nood,

verbrak U banden van de dood,

‘ de mens van angst bevrijd.

 

Geboren Koning, Vredevorst,

daarvoor bent U gekomen.

De mens die was van Gods geslacht,

heeft U terug bij Hem gebracht,

om eeuwig er te wonen!

Piet Snaphaan

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (3)

De vier grond-elementen van het plan Gods

We komen nu aan een paar punten toe waar in feite de hele Bijbelse boodschap op gebouwd is. Het gaat om de kernbegrippen: ruimte, tijd, woorden en namen.

Ruimte.

Hemel en aarde vormen de ruimte waarin het plan van God zich gaat, afspelen.

Tijd.

Het Bijbelse denken spreekt altijd over dagen. Vandaar dat het scheppingsverhaal opgebouwd is uit zeven dagen. Als Jakob moet vertellen hoe oud hij is, zegt hij: “De dagen mijner jaren zijn… “. In Psalm 90 vers 12 (Ps. 090:012)lezen wij: “Leer ons onze dagen tellen”. En Jezus spreekt in Lucas 17 over “de dagen van de Zoon des mensen”. Dagen vormen de tijd die God de mens geeft om geschiedenis te maken.

Het Hebreeuwse woord voor ‘dag’ kan zijn: 12 uur, 24 uur of een onbepaalde periode. Openbaring 1 vers 10 (Openb. 01:10) spreekt over “de dag des Heren”. Het woord ‘aeoon’ of ‘olam’ betekent tijdperk of eeuw; tijd, eeuwigheid. ‘ad olam’: tot in eeuwigheid. ‘me olad ad olam’: van eeuwigheid tot eeuwigheid. ‘Van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God’. ‘Van oertijd tot eindtijd zijt Gij God’. ‘olamien’ betekent eeuwigheden of tijdperken. Van huis uit betekent het toch een bepaalde periode. Een bepaalde olam wordt gevolgd door een nieuwe olam. Er wordt gesproken over ‘de tegenwoordige eeuw’ en ‘de toekomende eeuw’: olam hasar en olam haba. Het zijn twee tijdperken ofwel aeonen. Wij behoren in feite bij de toekomende eeuw. Vanaf het begin wordt er gedacht in ‘dagen’.

Woorden.

Er gaat iets gebeuren in de ruimte en de tijd. Door middel van het woord van God gaat er iets geschieden. Vandaar dat Johannes kon schrijven: “In den beginne was het woord”. Alles wat geschiedt, geschiedt door het woord. Het zijn woorden die Gód spreekt, maar ook woorden die mensen spreken. Vandaar dat het hele plan Gods gebouwd is op het gesprek. De mens wordt van meet af aan in gesprek gezet: in gesprek met God en in gesprek met zijn medemens. Je kunt alleen mens zijn’ in de dialoog. Je bent nooit mens op je eentje.

Namen.

We zien in Genesis al dat er namen gegeven worden. Namen hebben altijd een betekenis; ze vormen een wezensaanduiding. Zoals je naam is, zo ben je. Het is frappant dat het ook al speelt in het scheppingsverhaal. In de regel kun je zeggen dat als namen met nadruk geponeerd worden, zij een program inhouden. In onze tijd ligt het anders. Wij gaan uit van het Bijbelse principe. Ruimte, tijd, woorden, en namen zijn de grondelementen waarmee het plan van God werkt.

Er is nog een punt dat samenhangt met ‘woorden’. In het eerste scheppingsverhaal staat tien keer: “En God sprak… Je kunt het eerste scheppingsverhaal samenvatten als ‘de tien woorden’. Als Gods gedachte van Hem uitgaat, gaat het woord geschieden. Door tien woorden werd de hele schepping tot stand gebracht. Maar ook door tien woorden werd het rijk van de farao tenietgedaan en werd de oude wereld af gesneden. En door tien woorden (de tien geboden) kreeg het volk richting en werd de nieuwe wereld geopend.

De uitdrukking ‘Woest en ledig’

Het scheppingsverhaal begint met ‘hemel en aarde’, maar er wordt éérst iets verteld over de aarde: “De aarde nu was woest en ledig”. Wat van de aarde gezegd wordt is iets waar een soort rijmvorm in zit: ’tohu wa bohu’. In de vertaling moet je het rijm handhaven. Nauwkeurig vertaald betekent tohu: ordeloos en bohu: vormeloos. ‘De aarde nu was ordeloos en vormeloos’. De uitdrukking ‘woest en ledig’ komt driemaal in de Schrift voor. (We noemen de Schrift gemakshalve het oude testament. Ik spreek liever van de Schrift). In de tweede plaats komt ‘woest en ledig’ voor in Jesaja 34 vers 11b (Jes. 34:11b): “Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid”. Het meetsnoer van tohu en het paslood van bohu. Het is een gericht, een stuk verwoesting of verderf wat over Edom komt. In Jeremia 4 vers 23 (Jer. 04:23) zien we het scheppingsverhaal achterstevoren: “Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel en zijn licht was er niet”. Jeremia 4 vers 25 (Jer. 04:25): “Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen”. Ook hier zien we ‘woest en ledig’ in verband met een stuk onheil, een stuk afbraak dat komen zal. (Tohu wa bohu).

Veel mensen veronderstellen dat tussen vers 1 en 2 van Genesis 1 de val van Lucifer heeft plaatsgevonden. Daardoor zou de aarde woest en ledig zijn geworden. Het zóu kunnen, maar het blijft een veronderstelling. Er zijn een paar aanwijzingen voor wat betreft het ‘woest en ledig’. Ik geloof dat in Genesis 1 wordt uitgebeeld dat ‘scheppen’ niet zo vanzelf gaat. Je zou zeggen dat er tegenkrachten werkzaam zijn. In de Bijbel zie je vaak dat het strijd kost als God gaat scheppen. De schepping wordt ook vaak uitgebeeld als een bevrijding. Als God gaat scheppen moet Hij bepaalde tegenkrachten overwinnen.

De strijd tegen de vloed

We zien in Genesis 1 vers 2 (Gen. 01:02) dat de Geest de strijd gaat aanbinden tegen de vloed. “Duisternis lag op de vloed”. Vloed (tehom) betekent eigenlijk: oervloed. Vanuit de grondbetekenis: draaikolk, chaos water. Het woord ‘vloed’ is in de Septuagint vertaald met ‘abussos’: het onpeilbare. Abussos is het woord voor afgrond. De Statenvertaling zegt: “Duisternis was op de afgrond”. In Openbaring 9 gaat de afgrond open. De geesten zeggen tegen Jezus: “Werp ons niet in de afgrond”. Op deze manier krijgt het woord ‘vloed’ een geladen betekenis.

Het woord ‘vloed’ komt onder andere voor in:

  1. Het scheppingsverhaal;
  2. Bij Noach;
  3. Bij de doortocht door de Schelfzee, als farao met zijn hele legermacht in de vloed verdwijnt;
  4. Bij Jona. In hoofdstuk 2 zegt hij: “De wateren van de vloed overstroomden mij”. Telkens verheft de oervloed zich tegen God. Tehom (vloed) is in het Babylonisch: Tiamat;’ bij de Babyloniërs gezien als een god. De vloed was een god, die scheppende kracht had. Tiamat was de’ god van de oerwateren.

Het Bijbelse scheppingsverhaal zegt: ‘Die vloed is geen god, maar de vloed is aan Gód onderworpen’. Dit is een prediking die bevrijdend werkt. Iemand heeft het eerste scheppingsverhaal ‘het anti-godenlied’ genoemd. In het scheppingsverhaal worden de góden van de omliggende volkeren stuk voor stuk ontmaskerd. Het lijkt een aftelrijmpje. Op het eind van het scheppingsverhaal blijft er slechts één God over: de Schepper van hemel en aarde.

De afgang der goden

Het volk Israël zat temidden van de heidense volken. Het scheppingsverhaal uit Genesis is eigenlijk een strijdlied dat Israël gezongen heeft tegen al de godsdiensten er omheen. Bij de heidense volken waren zon, maan en sterren góden. God zegt: ‘Aanbid ze niet en vereer ze niet, maar aanbid Mij, want Ik heb ze gemaakt. Het zijn schepselen’. Alle góden worden naar beneden gehaald en op hun plaats gezet. Het is de afgang der góden. Ze moeten het veld ruimen voor de ware God, de Schepper. Het hele oude testament is een anti-heidens getuigenis.

De Israëlieten moesten getuigen tegen de heidenen en tegen de góden van die volkeren. In de Babylonische ballingschap heeft het scheppingsverhaal enorm veel betekenis gekregen. De Israëlieten zaten temidden van die zon, maan en sterren. Zelf hadden ze niets, geen tempel en geen godenbeelden. Dan gaan ze het scheppingslied uit Genesis zingen: ‘Onze God staat boven de zon, de maan en de sterren. Hij is de Schepper’. Ze zingen hun anti-heidens getuigenis.

Zo is het ook in ónze dagen. Echte prediking is altijd ergens vóór, maar haakt ook altijd ergens op in. Iets wat iedereen al weet hoef je niet te prediken. Je gaat prediken om dwalingen te weerleggen, om de waarheid te laten zien tegenover alles wat de mens op een dwaalspoor brengt. Zo handelden de ballingen ook. Het was voor hun een levensnoodzaak. De omringende volkeren hadden ook hun scheppingsverhalen. Daarom moesten zij met hun scheppingsverhaal komen, zoals het écht geweest was.

De Geest Gods boven de wateren

“De Geest Gods zweefde over (of boven) de wateren” Genesis 1 vers 2b (Gen. 01:02b). ‘Zweven komt tweemaal voor in de vijf boeken van Mozes. In Genesis 1 vers 2 en in Deuteronomium 32 vers 11 (Deut. 32:11), waar de arend over zijn jongen zweeft. De torah van Mozes begint én eindigt ermee. Als de mensen in Deuteronomium 32 vers 11 hoorden lezen, herinnerden zij zich Genesis 1 vers 2. De Geest is dezelfde als de arend. De Geest zweefde over de wateren om ze op orde te brengen en zweeft ook over de jongen, om ze hun plaats te wijzen. De Geest wijst de wateren hun plaats en Hij wijst de volkeren hun plaats.

De opstanding van het nieuwe leven

“En God zeide: Er zij licht… ” Genesis 1 vers 3a (Gen. 01:03a). Dit is het eerste woord van de tien woorden. God begint te spreken: “Er zij licht!” Letterlijk: “Er geschiede licht!” Het licht gaat er niet zomaar zijn, maar het licht gaat geschieden. Als God spreekt gaat er altijd iets geschieden.

“En God zag dat het licht goed was… ” Genesis 1 vers 4a (Gen. 01:04a). Letterlijk: “God zag het licht dat het goed was… ” God zegt: ‘Ik sta er helemaal achter’.

“… en God maakte scheiding tussen licht en duisternis” Genesis 1 vers 4b (Gen. 01:04b). Er wordt in het scheppingsverhaal tweemaal scheiding gemaakt:

  1. tussen licht en duisternis en
  2. tussen wateren en wateren.

“En God noemde het licht dag en de duisternis noemde hij nacht” Genesis 1 vers 5a (Gen. 01:05a). ‘Noemen’ is in de Bijbel altijd ‘roepen’. Je geeft iemand niet zijn naam, maar je roept zijn naam. God roept het licht en zegt: ‘Jij bent de dag’; en Hij roept de duisternis: ‘Jij bent de nacht. God begint met het licht. Genesis 1 is in feite een roepingsverhaal. Het ‘is interessant om te weten dat de vroege christenen Genesis 1 in de paasnacht hebben gelezen, als het licht gaat overwinnen. Het is dé opstanding van het nieuwe leven.

“Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag” (letterlijk: één dag)

Genesis 1 vers 5b (Gen. 01:05b). In Gods gedachten komt er na de avond altijd een morgen. Bij God heeft de avond nooit het laatste woord.

(wordt vervolgd).

 

De geboorte van de vrede door Evert van de Kamp

“Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde;

Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard” Matteüs 10 vers 34 (Matt. 10:34).

Vrede waar ben je?

Wereldwijd klinkt door de vele eeuwen heen de schreeuw om vrede. Naar­mate het tumult in de wereld toeneemt, verme­nigvuldigt zich de roep om vrede. Paus Johannes 2 heeft samen met de religieuze leiders van twaalf wereldgodsdiensten, 160 man sterk, in Assisi een gebedsdag voor de vrede gehouden. Aldert Schipper stelde in ‘Trouw’ terecht de vraag: ‘Voor welke vrede baden ze in Assisi?’ Is het inderdaad geen onzin als er niet bij gezegd wordt voor wel­ke vrede men bidt?

Barnard dichtte:

‘O lieve Heer, geeft vrede aan allen hier beneden die uitzien naar uw feest, opdat de mensen weten; uw heilige profeten zijn niet verblind geweest’.

Best begrijpelijk, gezien alle puinhopen om je heen. Jezus draait het toch lie­ver om. Zijn opdracht aan de mens is: vrede, de vrede van Hem, teweeg brengen. “Zalig de vrede­stichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden” Matteüs 5 vers 9 (Matt. 05:09).

Want de vrede ging weg van de aarde. In Genesis verkocht Adam de harmo­nie. En in Openbaring 6 vers 4 (Openb. 06:04) lees ik: “En een tweede, rossig paard, kwam, en hem, die er op zat, werd gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en dat zij el­kaar zouden slachten, en hem werd een groot zwaard gegeven”.

Overal de roep om vrede! Hoe krijgen we de ware vrede terug? Niemand is gebaat met een vrede die. slechts schijn is. Vrede waar ben je?

Zwaard des vredes

Ogenschijnlijk brengt , Jezus de vrede op aarde ook al niet, blijkens zijn woord: “Denk niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde, maar het zwaard”. Wie deze tekst zo simpelweg leest en verder niets meer, kan zich deerlijk vergissen. Verander het woord ‘vrede’ maar eens in ‘schijnvrede’ en het wordt al duidelijker.

Het zwaard, beeld van het Woord Gods, brengt scheiding. Scheiding tus­sen de ware vrede en de schijnvrede. Met welke bedoeling? Om alles te vernietigen wat iemands bevrijding in de weg staat. Zo bracht het zwaard van Salomo eens de werkelijke oplossing: rust,’ vrede, en harmonie 1 Koningen 3 vers 16 tot en met 28 (1 Kon. 03:16-28).

Mensen maken kapot om kapot te maken. Mensen kunnen zichzelf vernie­tigen en soms doen ze dat ook. Mensen trekken voort in het spoor van de duivel, inspirator van alle ongerechtigheid. Gods handelen is geheel anders. God verandert het kwade met één be­doeling: Om het goede te bevrijden. Om de ‘goede mens’ te bevrijden; de misleide, verwarde mens. Met het zwaard des vredes. Is dat niet positief?

Een gezegend zwaard

Die bevrijding van de mens wordt God lang niet altijd in dank af genomen. Waar schijnvrede en schijngeluk worden ontmaskerd, de vinger wordt gelegd bij onwetendheid en ongehoor­zaamheid, komt menigeen in de weer. Wat een be­zwaren ineens! Wie zijn leven bouwt op een niet be­vrijd leven, krijgt te maken met het zwaard van Jezus. Menselijke vrede, rust en vreugde worden geestelijk stevig aan de tand gevoeld. Heel heil­zaam voor wie werkelijk met de Heer verder wil. Wat heeft een mens aan schijnvrede en schijngeluk? Niets immers?

Jezus wil onze echte vrij­heid en vrede. Satans zwaard Openbaring 6 vers 4 (Openb. 06:04) ver­nietigt. Het zwaard van Jezus, het Woord van God, behoudt. Het Woord van God brengt in ons leven altijd een gezegende schei­ding voort Hebreeën 4 vers 12 en 13 (Heb. 04:12-13). Ook tussen de ware vrede en de schijnvrede. Anders gezegd: Het zwaard van Jezus brengt uitsluitend de ware vrede voort.

Het zwaard bewerkt twee­dracht. In de mens zelf en tussen de mens en zijn omstandigheden. In het Grieks staat voor het woord ’tweedracht’ ‘dicha- sai’, dat is: in tweeën verdelen. Een mens moet namelijk volkomen ge­scheiden worden van elke macht der duisternis.

Dat vermag nu het Woord, mits wijzelf dat toelaten in ons leven. De Geest moet zijn werk kunnen doen. Geboorte van de vrede!

Jezus, de enige vredevorst

Geen enkele vredesbewe­ging is in staat de vrede Gods te scheppen. Elke poging daartoe vanuit de mens loopt dood. Op deze natuurlijke wijze wordt geen werkelijke vrede op aarde gerealiseerd. Echte

Echte vrede komt daar tot stand waar de mens zijn eigen ‘vredestichter’ wordt. Die mens ontdekt: Hij, Jezus is mijn vrede. Dit woord uit Efeze 2 vers 14 (Ef. 02:14) mogen wij best eens op onszelf betrekken. Christus maakt de twee tot één. De vijandschap in jezelf verdwijnt. Het zwaard verdrijft de dis­harmonie, de onvrede.

Het wordt voluit: “Mijn vrede geef Ik u, Mijn vrede laat ik u” Johannes 14 vers 27 (Joh. 14:27). Maar niet gelijk de wereld die geeft. Daar is het surrogaat. De vrede van Jezus is betrouwbaar. Zouden ze in Assisi om die vrede gebeden hebben?

Het leven van Jezus was één voorbeeld van vrede. Hij leefde in volmaakte gemeenschap met de Vader. Zijn vrede in God bleef volkomen ongestoord, on­danks alle laster, boosheid en kwaadsprekerij. Niets of niemand kon die vrede aantasten.

Tot diezelfde goddelijke vrede roept God ons op 1 Korinthe 7 vers 15 (1 Kor. 07:15). Jezus sprak: “Dit heb Ik tot u gespro­ken, opdat gij in Mij vre­de hebt” Johannes 16 vers 33 (Joh. 16:33). God wil zijn vrede in ons open­baren, de vrede van Je­zus. Geen vrede die daar wat op lijkt, maar precies diezelfde vrede. Die vrede gaat alle verstand te bo­ven Filippenzen 4 vers 7 (Filip. 04:07).

“Barmhartigheid, vrede en liefde worde u verme­nigvuldigd” Judas 2 (Judas 01:02).

Hoe lieflijk op de bergen zijn de voeten van hem, die brengt goed nieuws. Die heil en vrede proclameert en die ons zegt: Mijn God heerst! Die vrede van Jezus, de onverstoorbare, onkwets­bare vrede, hebben we nodig in elke situatie van ons leven, in elk detail van ons leven. Met die vrede houden wij ons be­zig op de weg naar het Vrederijk van de Vrede­vorst. Daarom is het: Ik wens u een gezegend Kerstfeest in de ware vrede van Hem, Die alle dingen nieuw maakt! Het is de Geest, Die dit door het blijde, onveranderlijk heerlijk evangelie bewerkt. Open uw hart, laat de vrede van God u over­stromen!  

 

Intermezzo door Gerry Velema

Zo gaat dat in een huis waar de Heer woont!

Er ligt een klein jongetje in zijn bed. Dat is ’s nachts niet vreemd maar overdag wel. Nee, hij is ook niet ziek, maar door zijn moeder naar boven gestuurd, omdat zijn gedrag niet meer binnen de grenzen van de maatstaven van zgn. moeder bleven. Hij was dus stout geweest. Grote mond, niet luisteren naar wat er gevraagd werd daarna nog eens op een storende manier gaan huilen om zo nog te proberen iets gedaan te krijgen. Maar wat slechts werd bereikt, was dat moeder hem met een tik voor zijn billen naar boven heeft gestuurd. En nu? Spijt? Gevoelens van ‘dat had ik niet moeten doen’? Of die bij dit zesjarig jochie aanwezig zijn, is voor de moeder nog niet zo duidelijk. Maar ze wil het hem wel graag leren.

Eeuwenoude principes: je hebt verkeerd gedaan, je krijgt spijt en je vraagt vergeving en na het opruimen is alles echt voorbij.

Terwijl het jochie daar nog wat ligt na te pruttelen gaat de deur van de slaapkamer open. Mamma komt bij hem op zijn bed zitten en ze begint zomaar zachtjes te bidden, terwijl hij met zijn rug naar haar toe blijft liggen. Hij hoort wel wat mamma bidt. Of de Heer wil helpen dat alles tussen hun tweetjes weer goed wordt, of Hij mamma wil helpen een goede moeder voor hem te zijn en of Hij haar kleine vent wil helpen een gehoorzame knul te worden.

Als mamma ‘amen’ zegt, draait hij zich ineens naar haar toe. Hij wil zo graag even bij haar op schoot zitten. Zo, met die twee armen om hem heen, is het niet zo moeilijk om het weer goed te maken. Nee, die grote mond was niet goed van hem en hij wil het ook graag weer helemaal goed hebben. Ineens valt hem nog iets te binnen over school, iets heel leuks wat mamma nog helemaal niet weet.

Als alles weer ‘koek en ei'” is, probeert mamma duidelijk te maken dat de Here God hun samen toch echt geholpen heeft. (En zo ervaart ze het zelf ook wel degelijk). Maar dan blijkt dat het jongetje ook een eigen inbreng heeft en tot zijn moeders verbazing hoort ze hem zeggen: ‘Ja maar ik heb óók gevraagd of de Here God mamma naar boven wilde brengen toen ik nog op bed lag, nou en toen ben jij ook gekomen!’

Zo gaat dat nu in een huis waar de Heer woont, zo gaat dat waar Hij met Zijn liefde troont.

Troont op al onze handel,

want wij zijn met Hem – van groot tot klein – aan de wandel

 

Kerstfeest; een feest van blijdschap door Liesbeth Seepma

Ik zou je een paar gedachten willen doorgeven over het Kerstfeest, dat we heel binnenkort weer gaan vieren. Want het Kerst­feest is eigenlijk een feest dat je voortdurend kunt vieren, en niet alleen op 25 en 26 decem­ber. Kerstfeest is een feest van licht dat schijnt in de duisternis, een feest van leven, een feest waarin de liefde van God overvloedig door jou en mij mag heen stromen. Kerstfeest is een feest van bevrijding uit de gevangenis van de zonde en een overplaatsing in het Koninkrijk van God, zodat daardoor liefde, licht en leven steeds vrij­er en vollediger gaan functioneren. Het is een feest van genezing en herstel, een feest van de toekomst.

Laten we eens een stukje lezen uit de Bijbel, waarin wordt geprofeteerd over de ge­weldige toekomst die voor jou en mij is weggelegd. Een toekomst die mogelijk werd gemaakt doordat de Here Jezus als mens in deze wereld werd gebo­ren. Die prachtige profe­tie over ons leven staat beschreven in Lucas 1 vers 68 tot en met 80 (Luc. 01:68-80). Ik wil je voorstellen om deze profetie van Zacharias op je gemak een paar maal ach­ter elkaar te lezen en de woorden ervan goed op je te laten inwerken. Als je dat namelijk doet, gaat zo’n lofzang – die regel­recht werd geïnspireerd door de Heilige Geest! – ook voor jou léven. Je zult daarin steeds meer mooie aspecten gaan ont­dekken. Ik persoonlijk heb dat ook gedaan en de gedachten die ik daar­door van God kreeg, wil ik graag aan je doorgeven, want ze hebben voor mij het Kerstfeest een nieuwe dimensie gegeven, een grotere waarde dan die welke ik er voorheen aan hechtte.

Barmhartigheid en bevrijding

In deze lofzang/profetie van Zacharias komt Gods barmhartig­heid overweldigend over je heen. Hij is een God die oneindig veel van Zijn volk houdt. Hij houdt dit volk te allen tijde vast. Hij blijft daarvan hoge verwachtingen koesteren. In Lucas 1 vers 68 (Luc 01:68) staat dat Hij “naar Zijn volk heeft omgezien en het verlossing heeft ge­bracht”. Hij zag dat Zijn volk zich in een gevange­nis bevond en bevrijding nodig had.

Wie behoren eigenlijk tot dat volk van God? Dat volk wordt gevormd door die men­sen, die in hun leven zoeken, verlangen naar écht leven. Het is het verlangen naar leven zo­als je dat proeft in Psalm 42 vers 2 en 3 (Ps. 042:002-003): “Gelijk een hinde die naar water­beken smacht, zo smacht mijn ziel naar U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God”. Echter, helaas wordt dat grote, intense verlangen naar leven bij lang niet alle mensen bevredigd. Heel veel mensen zoeken koortsachtig, maar vin­den het niet… Hoe komt dat ?

Er is in de loop van de tijd een blokkade ontstaan die jou en mij, die ieder mens wil afhouden van licht en le­ven. En die blokkade, de zonde, wordt bedacht door degene die in ons leven het licht wil roven, die onze gedachten wil vertroebelen, die rem­mingen in ons leven wil aanbrengen: satan. Hij is het die het verlangen naar het goede – dat in ieder mens aanwezig is!(– overschreeuwt met zijn leugens. Hij is het die ons afleidt van het zoeken naar écht leven.

Maar dan komt God.

Hij ziet om naar Zijn volk. Hij zoekt naar Zijn volk. Dat heeft Hij altijd al gedaan. Vanaf het begin, vanaf de eerste zonde, riep Hij, vol innerlijke barmhartig­heid: “Adam, waar ben je?” Hij zoekt naar Zijn volk, naar jou en naar mij, want Hij heeft ons lief en Hij wil contact met ons hebben op God­delijk niveau. Daartoe zijn wij door Hem gescha­pen. God zoekt niet naar Zijn volk om het een pak op zijn falie te geven, maar… om het te verlossen!

Lees Lucas 1 vers 78 (Luc. 01:78) maar eens: “door de in­nerlijke barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons zal omzien, om hen te beschijnen die gezeten zijn in duister­nis en schaduw des doods, en onze voeten te richten op de weg des vredes”.

God kijkt naar jou en mij om,’ met als doel ons te bevrijden en niet om te straffen. Wat een God hebben wij. Hij is vol van innerlijke barmhartigheid. Als jij misschien op dit moment gezeten bent in duisternis en schaduw des doods” , weet dan dat er een Op­gang uit de Hoogte is die jou wil beschijnen, die je voeten wil richten op de weg van de vrede. Er is Eén die je kan verlossen, die je kan redden uit de hand van je vijanden en allen die je haten Lucas 1 vers 71 (Luc. 01:71). Want God, onze God, is de Almachtige. Lees maar eens Psalm 68 vers 2 (Ps. 068:002): “God staat op, Zijn vijanden worden ver­strooid, Zijn haters vluchten voor Zijn Aan­gezicht”. Wat een macht spreekt daaruit. En die macht heeft Hij getoond door Zijn Zoon Jezus Christus geboren te laten worden. Jezus, Die aan het eind van Zijn leven op aarde zei: “Mij is ge­geven alle macht, in de hemel en op de aarde”. God heeft alle macht. Hij heeft, in en door Zijn Zoon, het laatste woord, en niet satan, al wil hij je dat maar al te graag wijsmaken.

Door de geboorte van Jezus Christus is er echter verlossing mo­gelijk geworden uit de macht die satan over ons leven denkt te hebben door middel van de zonde. In Romeinen 3 vers 23 (Rom. 03:23) zegt Paulus: “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijk­heid Gods”. Paulus be­doelt dat we door de zonde ‘bezet gebied’ zijn gewórden, en daardoor afgesneden zijn van de heerlijkheid die God ons heeft toebedacht, We kun­nen er niet meer bij, ze is ons afgenomen door de duivel. Maar wat gewel­dig dat dit Bijbelvers, Romeinen 3 vers 23, daarmee niet ophoudt: “én worden om niet ge­rechtvaardigd uit genade, door de verlossing in Je­zus Christus”. Dat wil zeggen dat voor jou en mij, voor ieder mens die wil, de toegang tot die heerlijkheid van God weer volkomen vrij is! Er is niets, maar dan ook niets dat ons daarvan meer mag of kan afhouden. Paulus zegt immers in 1 Korinthe 6 vers 12 (1 Kor. 06:12): “Alles is mij geoorloofd, maar ik zal mij door niets laten knechten”.

Wat is het heerlijk dat een volkomen bevrijding uit de ge­vangenis van de vijand mogelijk is, op elk ter­rein van je leven! Wat een uitdaging om aan die bevrijding te gaan werken. Je mag dat sa­men met de Heer doen.

Een hoorn van heil

Vanuit de bevrijding van de vijand die ons wil knechten, mogen we gaan genezen van alles wat de duivel kapot heeft gemaakt. Heil betekent namelijk heling, genezing. God heeft een grenzeloze portie heil voor ons klaarliggen! De duivel heeft je – door de zonde – van binnen beschadigd. Hij heeft als het ware ‘gaten gemaakt’ in de ‘mantel der gerechtigheid’ die elk mens van God krijgt op het moment dat hij wordt geschapen.

Maar God geeft je een nieuw kleed van heil, je krijgt een nieuwe mantel van gerech­tigheid. Je wordt door Jezus Christus immers gerechtvaardigd. Jesaja jubelt niet voor niets in Jesaja 61 vers 10 (Jes. 61-10): “Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klede­ren des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, ge­lijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt”.

Wat mooi! In Gods ogen ben je een priester, de telg uit een koninklijk priesterschap. Je hebt een hoofdsieraad dat je mag ombinden. Een hoofdsieraad in plaats van as.

Ook dat profeteert de profeet Jesaja in Jesaja 61 vers 3 (Jes. 61:03). Héél Jesaja is overigens een hoofdstuk dat speciaal voor jóu geschreven is. Laat ook dit Bijbelgedeel­te eens goed op je inwer­ken, want het vervult je werkelijk met vreugde. Ook Jezus betrok dit hoofdstuk op Zichzelf. Dat doet Hij in Lucas 4 vers 17 tot en met 22 (Luc. 04:17-22). Jezus zegt daarbij in Lucas 4 vers 21 (Luc. 04:21): Heden is dit Schriftwoord voor jullie oren vervuld. Wat in Jesaja 61 wordt geschreven is wer­kelijkheid geworden, ook voor jou en mij.

Gods heil, Gods ge­nezing is weggelegd voor iedereen die van harte de Heer wil dienen. En dit alles is mogelijk geworden doordat God Zijn Zoon geboren liet worden op deze aarde, wat we met het vieren van het Kerstfeest ge­denken. Maar we mogen niet alleen dat feit op zich gedenken. Laten we ook vooral bedenken wat voor een toekomst daar­door voor ons mogelijk is geworden! Dan wordt het Kerstfeest werkelijk een feest met inhoud, een feest om elke dag te vieren. Een feest waar­door mogelijkheden zijn ontstaan die ons een hoopvolle toekomst bieden, zoals God dat vanaf het begin in gedachten had. In Jeremia 29 vers 11 (Jer. 29:11) zegt Hij: “Want Ik weet welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedach­ten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te ge­ven”.

God twijfelt niet aan onze toekomst. Die gaat komen. Het is alsof de Heer zegt tegen jou en mij: “Maak je toch geen zorgen! Ik, de Al­machtige, wéét immers, vanaf het begin, hoe Ik het in Mijn gedachten had en zo zal het wor­den”.

Ja, zó zal het zijn, zoals Zacharias het heeft gezien in Lucas 1 vers 74 (Luc 01:74): “Dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vijanden verlost, Hem te dienen, in heiligheid en gerech­tigheid, voor Zijn Aange­zicht, al onze dagen”.

En aan déze toekomst mogen jij en ik, in alle ontspanning en in volkomen rust, gaan wer­ken. God geeft ons daar­voor immers een heel men­senleven de tijd. Al onze dagen mogen we blij zijn met de verlossing door Jezus Christus en de toekomst met Hem.

Een heel fijn Kerstfeest gewenst, met daaraan verbonden een 1987, vól met datgene dat de Heer jou, héél persoonlijk, door Zijn Zoon wil geven.

 

Oud en nieuw (gedicht) door Piet Snaphaan

Al weer een jaar, zoals zo velen,

gleed in zijn tijd aan ons voorbij.

Zo gaat ’t met ieder jaargetij.

Wat gister oud was, is nu heden,

want ’t nieuwe jaar is ingetreden.

 

En ieder heeft zo zijn gedachten,

wat ’t oude jaar toch heeft gebracht.

Wat had men zelf van God verwacht?

Waar strijd was, was toch ook Gods zegen!

Herinneringen zijn gebleven.

 

De tijd gaat voort, jaar in jaar uit,

een cirkelgang van alle dagen.

Tot ’t uur van volheid heeft geslagen:

Oud jaar is dan voorgoed voorbij,

’t blijft eeuwig nieuw, voor u en mij!

Piet Snaphaan

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te  Dorsthorst (4)

Wat geen oog heeft gezien…

Wij zijn door God bestemd tot heerlijkheid, schreven we in de vorige aflevering van deze serie. (deel 3). Nu zal menigeen de neiging hebben, te zeggen: ‘Hoe kan dit allemaal geschieden, ik ben toch maar een mens?’ Een dergelijke gedachte komt voort uit de erfenis van twintig eeuwen christendom, waarin de mens is voorgesteld als een nietig, zondig en slecht wezen, die, als hij al niet totaal verdorven is, dan toch zeker onbekwaam is tot enig goed. Dat zijn leringen van vrome geesten, dwaalgeesten en leugengeesten; kortweg leringen uit de duivel, de vader der leugen Kolossenzen 2 vers 23; 1 Timoteüs 4 vers 1; 2 Johannes 8 vers 44 (Kol. 02:23; 1 Tim. 04:01-02; Joh. 08:44).

De Bijbel – het woord van God – spreekt van Genesis tot Openbaring over de bestemming van de mens in eeuwige heerlijkheid. Dat is het evangelie, de blijde boodschap. De grote apostel Paulus schrijft in 1 Korinthe 2 vers 7 (1 Kor. 02:07: “Maar wat wij spreken, als geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid”. En dan citeert hij de profeet Jesaja en zegt: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben” 1 Korinthe 2 vers 9 (1 Kor. 02:09).

Ik zal u Mij tot bruid werven

Als we nog even terugkijken naar de bewoners van het hemelse Jeruzalem, dan valt het op dat de mens zich tussen de hemelse wezens bevindt in de geestelijke wereld. Wat ook opvalt is, dat de mens daar niet een ondergeschikte plaats vervult, maar daar is als een woonstede Gods in de Geest Efeze 2 vers 22 (Ef. 02:22). Zonder de mens heeft God, die Geest is, dus geen woning! En tenslotte valt ook nog op dat de mens in die hoedanigheid, niet beneden de engelen staat, maar, evenals God, door de engelen gediend wordt Hebreeën 1 vers 11 (Heb. 01:11).

In de mens heeft God zich dus een lichaam bereid. Nog een ander beeld wat de Bijbel gebruikt, is de man-vrouw relatie. Bij de verbondssluiting op de Sinaï was dat als een huwelijk waarin man en vrouw elkander trouw beloofden Exodus 19 vers 1 tot en met 8 en Exodus 24 vers 1 tot en met 8 (Ex. 19:01-08; Ex. 24:01-08). Als het volk dan afvalt en hoereert met andere, góden, zegt de profeet Jeremia: “Bekeert u, gij afkerige kinderen! , spreekt de Heré, want Ik heb u getrouwd en Ik zal u aannemén” Jeremia 3 vers 14a Statenvertaling (Jer. 03:14a).

De profeet Hosea profeteert van de voor ons bestemde genade 1 Petrus 1 vers 10 (1 Petr. 01:10) en spreekt over “te dien dage”. Dat is de uitdrukking voor ‘de tijd die komen zal’, voor ‘de dag des Heren’ of ‘de eindtijd’. Hij zegt: “En het zal te dien dage geschieden, luidt het woord des Heren, dat gij Mij noemen zult: mijn man en niet meer: mijn Baal” Hosea 2 vers 15 (Hos. 02:15). En Hosea 2 vers 18 en 19 (Hos. 02:18:19) zegt: “Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig; Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de Here kennen”.

Uiteraard is deze huwelijksverhouding een beeld van een geestelijke situatie, waarin de eenheid en de trouw worden uitgebeeld. Paulus zegt daarom: “Want zegt Hij (God): die twee zullen tot één vlees zijn. Maar die zich aan de Here hecht is één geest met Hem” 1 Korinthe 6 vers 16 en 17; Genesis 2 vers 24 (1 Kor. 06:16-17; Gen. 02:24). Zoals man en vrouw zijn als een hulp voor elkaar Genesis 2 vers 18 (Gen. 02:18) en door de gemeenschap in het huwelijk zijn tot één vlees voor hun hele (natuurlijke) leven, zo is de mens die God schept tot een hulp tegenover God en één geest met Hem voor eeuwig in dat beeld van die intieme huwelijksrelatie.

Niemand komt tot de Vader dan door Jezus

In deze ‘eenwording’ is Jezus Christus, de, van voor de grondlegging der wereld bedoelde enige zoon van God, de verbindingsschakel tussen God en de mens. Zie hiervoor Efeze 1 vers 3 tot en met 14 (Ef. 01:03-14). Hij is het hoofd van al wat in de hemel en op aarde is. Hij is het verbondshoofd van de nieuwe wedergeboren schepping, zoals Adam van de eerste of natuurlijke schepping. Hij is in het hemelse Jeruzalem als de Heer der heren, als de Koning der koningen en als de Hogepriester der priesters. In die hemelse       stad is ook Zijn bloed der besprenging Hebreeën 11 vers 24 (Heb. 11:24), dat altijd reinigt van alle zonden 1 Johannes 1 vers 7 (1 Joh. 01:07).

In Hem is als de Zoon des mensen – de vertegenwoordiger van de mensheid – en als de Zoon van God – de vertegenwoordiger van God – deze éénwording met God tot volheid en openbaring gekomen. In het Hogepriesterlijk gebed (Johannes 17) spreekt Jezus van ‘volmaakt tot één’. Dat is op geen enkel punt meer te scheiden. Wat van de Vader is, is van Jezus en omgekeerd, maar; ook: wat de Vader is, is Jezus. “Ik en de Vader zijn één” Johannes 10 vers 30 (Joh. 10:30) en: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” Johannes 14 vers 9 (Joh. 14:09). (Dit betekent natuurlijk niet letterlijk dat Jezus de Vader geworden is en de Vader Jezus. Het zijn en blijven twee persoonlijkheden).

In Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09) zegt Paulus: “Want in Hem (Jezus Christus) woont al de volheid der godheid lichamelijk”. Dus Vader en Zoon volmaakt tot één. (Denk aan het beeld van het huwelijk). Jezus Christus is in dat hemelse Jeruzalem als de uitvoerder van Gods plan. Hij heeft van de Vader – als enige Zoon en erfgenaam – daartoe alle macht gekregen in de hemel en op aarde en zal de gemeente tot volheid brengen door de Heilige Geest, waar Hij ook de beschikking over heeft gekregen Handelingen 2 vers 33 (Hand. 02:33).      

De ontelbare engelenschare, die ook in dat hemelse Jeruzalem is Hebreeën 12 vers 22 (Heb. 12:22), helt helpt mee het plan van God met de mensheid te volvoeren. Dit plan van God omvat in de eerste plaats de gemeente van Jezus Christus, maar geldt ook voor de volkeren en voor de miljarden die op zullen staan uit de dood Openbaring 21 vers 11 tot en met 15 (Openb. 21:11-15) en door middel van Jezus Christus en de gemeente deel zullen hebben aan het heil en de volheid Gods. Daarbij zullen de engelen een dienende taak verrichten. “Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil zullen beërven?” Hebreeën 1 vers 14 (Heb. 01:14).

Wij zien dus dat God de mens geschapen heeft als kroon van Zijn schepping met de enorme mogelijkheid en doel van natuurlijk wezen te metamorfoseren tot geestelijk wezen, door Jezus Christus, en een éénheid met Hem te vormen.

de natuurlijke ontwikkeling.

De niet-wedergeboren natuurlijke mens is dood voor enige ontwikkeling in het Koninkrijk Gods. Hij is onder de wet van zonde en dood, waarvan alleen door Jezus Christus verlossing is Genesis 2 vers 17; Romeinen 8 vers 2 (Gen. 02:17; Rom. 08:02). Paulus zegt dat een ieder die niet levend gemaakt is met Christus, dood is door overtredingen en zonden Efeze 2 vers 15; Kolossenzen 2 vers 13 (Ef. 02:15; Kol. 02:13).

Heeft de natuurlijke mens dan geen geestelijke ontwikkeling? Ik geloof dat we duidelijk twee niveaus van ontwikkeling in de mens kunnen onderscheiden. In de eerste plaats is er een geestelijke ontwikkeling die bij de aarde behoort. Naast de lichamelijke groei en ontwikkeling is er ook een ontwikkeling van het verstand, gevoelsleven, de wil, maar alles op aards niveau. De ziel en de geest richten zich op het natuurlijke en zichtbare. Dat begint al heel vroeg bij ieder mensenkind, dat op aarde geboren wordt.

Waarnemen, onderscheiden, kennen en herkennen, luisteren en spreken, geloven, denken en verwoorden, kennis, inzicht, wijsheid, gevoelens, begeerten, enz.

Zo maakt ieder mens een geestelijke ontwikkeling door die bij de aarde hoort. Sommigen ontwikkelen zich tot briljante denkers, deskundigen op velerlei gebied, grote en sterke geesten, die landen, volken en instellingen besturen, waardoor een geordend leven op aarde mogelijk is. Ook op het gebied van techniek, kunst en cultuur is er ontwikkeling in grote verscheidenheid. Dit alles is in overeenstemming met het scheppingswoord: “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar” Genesis 1 vers 28b (Gen. 01:28b).

Bij dit alles wordt men wel vanuit de geestelijke wereld beïnvloed, zonder dat men zich dat bewust is. Paulus zegt: Ze wandelen “overeenkomstig de loop dezer wereld; overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid”. Ze handelen “naar de begeerten en wil van het vlees en van de gedachten” Efeze 2 vers 2 en 3 (Ef. 02:02-03).

Maar al leven wij in een tijd van enorm verval, toch is alles wat de mens voortbrengt nog niet slecht en demonisch. Ieder mens is van Gods geslacht Genesis 1 vers 27 en Handelingen 17 vers 28c (Gen. 01:27; Hand. 17:28c) en draagt van daaruit in zijn diepste innerlijk de ingeschapen wetten Gods. Paulus zegt dat er heidenen zijn die zo vanuit de wet die in hun harten geschreven is, van nature doen wat de wet gebiedt Romeinen 2 vers 14 en 15 (Rom. 02:14-15). Naarmate deze ingeschapen wetten nog functioneren in het geweten, door een bescherming hiervan in de opvoeding en door de aardse wetgeving – voor zover die hierop nog aansluit – kan een natuurlijk mens zich zo ontwikkelen tot een verstandig en moreel goed functionerende persoonlijkheid. En zoals de kinderen beschermd worden door de heilige engelen Matteüs 18 vers 10 (Matt. 18:10) , geloof ik, dat ook ieder mens waarin nog iets van het goddelijke functioneert, bescherming geniet van de heilige engelen. Maar het brengt hen niet in het Koninkrijk van God, evenmin als een stipt godsdienstig leven of een grote theologische kennis. Dat blijkt duidelijk uit het gesprek wat Jezus heeft met Nicodemus Johannes 3 vers 1 tot en met 13 (Joh. 03:01-13) en uit het leven van Paulus, die toch wel een godsdienstige jood was Filippenzen 3 vers 5 en 6 (Filip. 03:05-06).

De geestelijke ontwikkeling

Het andere (tweede) niveau van geestelijke ontwikkeling is een ontwikkeling in de geestelijke onzienlijke wereld, in het Koninkrijk Gods. Niet dat een mens dood is door zonde en overtredingen Efeze 2 vers 1 (Ef. 02:01) is door God gewild, maar wel deze volgorde van ontwikkeling. Eerst het natuurlijke en dan het geestelijke, zegt Paulus in dit verband 1 Korinthe 15 vers 46 (1 Kor. 15:46). Een gezonde natuurlijke ontwikkeling (ik bedoel niet een bijzondere geleerdheid) is een belangrijke basis voor een gezonde geestelijke ontwikkeling.

De wedergeboren mens is uit de geestelijke dood opgestaan, leeft en ontwikkelt verder in de natuurlijke zichtbare wereld, daar tegelijkertijd leeft en ontwikkelt hij nu ook in de geestelijke wereld – in het Koninkrijk Gods – en neemt daar zijn plaats in. Hij leeft nu in twee werelden, waarin het leven in de geestelijke wereld steeds meer de overhand krijgt en ook het leven in het natuurlijke meer en meer gaat bepalen. De gedachtenvorming vindt nu plaats door het woord van God en de werking van de Heilige Geest. Dit vernieuwt en hervormt de mens Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) tot een geestelijk wezen, wat uitloopt op de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13).

En dan zegt Paulus in 1 Korinthe 15 vers 45 tot en met 49 (1 Kor. 15:47-49): “De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijke (de natuurlijk geboren mensen), en zoals de hemelse (Jezus Christus) is, zijn ook de hemelse (de weder- of bovennatuurlijk geboren mensen). En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen”.

Met dit geweldige doel en met deze mogelijkheid heeft God de mens toegerust bij de schepping en is in ieder mensenkind dat op aarde geboren wordt – ingeschapen – aanwezig. Ook het verlangen hiernaar ligt in de mens besloten. Prediker 3 vers 11 vertaling Obbink (Pred. 03:11) zegt dat God de eeuwigheid. behoefte in het hart van de mens heeft gelegd. Zo heeft Hij hemel en aarde geschapen en toegerust om deze mogelijkheid van natuurlijke en geestelijke ontwikkeling volkomen te realiseren.  

(wordt vervolgd).

1986.11 nr. 275

1986.11 nr. 275

Wat doen wij met onze opdracht? Door Gert Jan Doornink

“Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping” Markus 16 vers 15 (Mark. 16:15).

De grote opdracht van Jezus, om het evangelie in de gehele wereld te verkondigen, is een onderwerp om ons van tijd tot tijd op te bezinnen. Het is van het allergrootste belang dat de uitvoering van deze opdracht voor elk kind van God (en dus ook voor de gemeente van Jezus Christus in zijn totaliteit) op de eerste plaats staat, willen wij optimaal functioneren in het plan van God. We kunnen onmogelijk in de wil van God staan als we niet gehoorzaam zijn aan de opdracht van Jezus en deze zo goed mogelijk trachten uit te voeren.

De inhoud van onze opdracht

Wat houdt deze opdracht nu in? Toen Jezus op aarde was, maakte Hij in ieder opzicht de wil van God openbaar. Deze wil is voor ieder mens: Het goede, welgevallige en volkomene  Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Let wel: voor ieder mens, want “God onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen” 1 Timoteüs 2 vers 4 (1 Tim. 02:04). God wil niet dat sommigen verloren gaan, doch, dat allen tot bekering komen” 2 Petrus 3 vers 9b (2 Petr. 03:09b). De liefde van God is allesomvattend! Johannes 3 vers 16 en Johannes 10 vers 10b (Joh. 03:16; Joh. 10:10b).

Jezus haalde de mens uit het rijk der duisternis en plaatste de mens in Zijn Koninkrijk. Hij gaf de mens zijn oorspronkelijke plaats, zijn oorspronkelijke status terug. Daarom ging het bij Hem niet alleen om zondevergeving (daar begon het mee), maar om de werkelijke verlossing uit de macht van satan. Dat blijkt ook wel uit het eerste optreden van Jezus als Hij in de synagoge te Nazareth voorleest uit het boek Jesaja: “De Geest des Heren op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren” Lucas 4 vers 18 en 19 (Luc. 04:18-19). Als Hij dan het boek sluit en de ogen van iedereen op Hem gericht zijn, spreekt Hij deze bijzondere woorden: “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld” Lucas 4 vers 21 (Luc. 04:21). Jezus zei als het ware: Nu ga Ik in praktijk brengen, wat jullie zo even hebben gehoord. Ik ga de mensen die tot geloof in Mij komen, werkelijk verlossen uit de macht van satan. Ik ga hen werkelijk gelukkig maken.

Zo leerde Hij ook Zijn discipelen dat zij, door Hem te volgen, ook die volkomen verlossing konden beleven en op hun beurt weer konden doorgeven aan de andere mensen. Want zoals Hij gezonden was, werden ook zij gezonden, en zijn ook wij gezonden! Daarom moeten wij over de inhoud van onze opdracht ook nooit oppervlakkig denken. Het gaat er niet alleen om dat wij ‘zielen winnen voor Jezus’, maar dat het nieuwe leven van Christus in elk opzicht gestalte gaat krijgen. Wie dit facet over het hoofd ziet, maakt direct al een grote en kardinale fout. Jezus leefde in totale overgave aan Zijn opdrachtgever en heeft ons ook in dit opzicht een voorbeeld nagelaten 1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21). In de opdracht van Jezus komt dit ook duidelijk naar voren. Het gaat er niet alleen om dat wij ‘het evangelie prediken’, maar ook dat er werkelijke volgelingen van Jezus gevormd worden. In de opdracht zoals Matthéüs die onder woorden brengt, komt dit ook duidelijk tot uitdrukking: “Gaat dan heen, maakt al de volken tot Mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons Aan wie moet het evangelie verkondigd worden?

Hierop is slechts één antwoord mogelijk: aan de ganse schepping! Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14) spreekt over ‘in de gehele wereld’. En in hoofdstuk 28, wat wij zoéven al citeerden, staat: ‘maakt al de volken tot Mijn discipelen’. Behalve de tekst boven dit artikel denken wij ook aan de woorden van Jezus in Handelingen 1: “Gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterst der aarde. Het evangelie is dus bedoeld voor de gehele wereld, voor alle mensen, niemand uitgezonderd.

We leggen hier even de nadruk op omdat sommige christenen de neiging hebben (en zelfs wordt het hier en daar wel geleerd) voor bepaalde categorieën mensen een uitzondering te maken. En dan denk ik aan de gedachte die hier en daar leeft dat bijvoorbeeld aan de Joden het evangelie niet gebracht behoeft te worden. Zij krijgen hun tijd nog, wordt er dan gezegd. Maar het gaat juist primair om het Joodse volk! En al hebben de Joden in de loop der eeuwen dan nog weinig van de doorwerking van het evangelie gezien bij vele gelovigen, in deze eindtijd gaat de groei naar de volle openbaring van Jezus in de waarachtige gelovigen door en zullen ook vele Joden daardoor tot jaloersheid verwekt worden en het verlangen krijgen Jezus te leren kennen.

Een andere categorie waarvan sommigen denken dat ze geen evangelie nodig hebben, zijn de kerkmensen. Velen van hen zijn echter niet wederom geboren. Maar ook velen die dat wel zijn, moeten veranderd worden, dat wil zeggen omgevormd worden tot échte christenen. En met echte christenen bedoel ik dan volwassen christenen. Dat zijn kinderen Gods, die de mannelijke rijpheid bereikt hebben en niet meer onmondig zijn. Zij worden niet meer heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer, maar openbaren meer en meer het beeld van Christus. Lees wat Paulus daarover schrijft in Efeze 4 vers 11 tot en met 16 (Ef. 4:11-16).

Om welk evangelie gaat het?

De groei naar de volwassenheid, die elk kind van God nodig heeft is ondenkbaar als niet het échte evangelie gebracht wordt. Er zijn in onze dagen vele soorten evangeliën, maar er is maar één evangelie dat beantwoordt aan de bedoeling van God, dat is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen. Van dit evangelie zei Jezus dat het in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14). Enkele kenmerkende facetten van dit evangelie (ook wel het volle evangelie genoemd) zijn:

Het benadrukt de totale bevrijding uit satans macht. Het nieuwe leven in Christus behoort gestalte te krijgen in geest, ziel en lichaam. Paulus schrijft: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw;

Hij zal het ook doen” 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24). Het is dus duidelijk Gods wil dat Hij ons herstelt en omvormt naar het beeld van Jezus, waarbij wel de kanttekening willen plaatsen, dat het lichaam nog een verandering ondergaat, als het van een vergankelijk lichaam een verheerlijkt lichaam wordt. De uiterlijke mens vervalt, maar de innerlijke wordt van dag tot dag vernieuwd.

Als we het volle evangelie prediken, bevestigt de Heer Zijn Woord door tekenen en wonderen. Daar gaat het echter niet alleen om’ Er zijn kinderen Gods die in dit opzicht te eenzijdig hiermee bezig blijven en daardoor ‘beginstadiumchristenen’ blijven. Natuurlijk is het leven van een waarachtig kind van God in feite een aaneenschakeling van ‘wonderen’, maar ze ontstaan als het ware ‘automatisch’ als we gehoorzaam zijn, en niet als we krampachtig bezig zijn te forceren. In dit opzicht zijn er, ten opzichte van de lichamelijke genezing bijvoorbeeld, vele fouten gemaakt.

Het is Gods wil dat we het ‘eindstadium’ zullen bereiken, want alleen volwassen christenen zijn stabiel en onwankelbaar, trouw en volhardend. Daarom is geestelijke groei een absolute must. Geestelijke groei ontstaat als we ons laten leiden door Gods Woord en Gods Geest en onze plaats in een gezonde gemeente hebben ingenomen. Hebreeën 12 vers 2 (Heb. 12:02) zegt: “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van ons geloof”. Alleen op deze wijze zullen we het einddoel – de volle openbaring van Jezus in ons leven – bereiken.

Wij zullen ons bewust moeten zijn van onze geestelijke plaats met Christus in de hemelse gewesten om van daaruit te kunnen strijden en te kunnen overwinnen. Efeze 2 vers 6 en Efeze 6 vers 12 (Ef. 02:06; Ef. 06:12).

Wie zijn geestelijke plaats heeft ingenomen, maakt zich ook los (heeft zich losgemaakt) van natuurlijke, aardsgerichte leringen, die geen enkele geestelijke waarde hebben en alleen maar verwarring en verdwalen veroorzaken. Men heeft ‘dan ook een totaal verkeerde (ongeestelijke) visie op de eindtijd.

Wij mogen ons bewust zijn wie wij zijn in Christus:

een nieuwe schepping! 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17). Petrus zegt dat wij een uitverkoren geslacht zijn, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09).

Opdracht en boodschap horen bij elkaar!

Uiteraard zijn er nog meer facetten van de volle evangelie prediking op te noemen, maar het gaat er dus vooral om dat wij er goed van doordrongen zijn dat de opdracht van Jezus om ’ het evangelie te verkondigen nooit losgekoppeld mag worden van de boodschap. Het gaat om de boodschap van het Koninkrijk. Wanneer de Heer ons het meerdere licht heeft geschonken, zijn wij ook verantwoordelijk dat dit meerdere licht ook de anderen bereikt. Adeldom verplicht! Juist in deze eindtijd is elke vorm van compromis uit de boze! Laten we getrouw zijn om het volle evangelie door woord èn daad te verkondigen. Want temidden van een (door satan veroorzaakt) ontaard en verkeerd geslacht zijn wij geroepen als lichtende sterren te schijnen!

 

Vader-Zoon (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Wees maar stil, m’n kind en luister naar Mij,

Ik heb woorden van troost en van liefde.

Die vormen je denken en maken je vrij

van de vijanden, die je zo griefden.

 

Wees gerust, m’n kind en vertrouw op Mij:

Het komt goed, maak je nu maar geen zorgen.

Leef je leven met Mij als een kind, zo blij,

‘k Houd nog éven de toekomst verborgen!

 

Wees vol liefde, m’n kind en denk positief,

Ook wanneer je een ander ziet falen.

‘k Breng ook and’ren in ’t spoor: zij zijn me ook lief:

Als jij bidt, zullen zij niet verdwalen!

 

Wees volhardend, m’n kind, biedt tegenstand,

de bezetter zal lachen en honen.

Maar hij werd overwonnen in ’t hemels land,

waar ‘k mijn Zoon met Zijn volk zal belonen!

 

Strijd de goede strijd, kind en je erft de kroon,

Je zult macht in de hemel ontvangen.

Ontvang nu mijn Geest, houd je vast aan mijn Zoon,

dan zal ‘k tronen op jouw lofgezangen!

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (2)

De drie hoofddelen van Genesis

We kunnen het boek Genesis in drie hoofddelen onderscheiden. Het eerste deel betreft Genesis 5 vers 1 tot en met Genesis 11 vers 26 (Gen. 05:01 tot en met Gen. 11:26). Het is merkwaardig dat in het boek Genesis steeds een indeling wordt gemaakt in een ‘voor’ en een ‘na’. Steeds is er een inkeping in de tijd. De mensen in die tijd spraken over de tijd voor en de tijd na de vloed, zoals wij spreken over de tijd voor en de tijd na de oorlog.

Het tweede deel omvat Genesis 11 vers 27 tot en met Genesis 37 vers 11 (Gen. 11:27 tot en met Gen. 37:11). De titel is: de verwekkingen van Terach en Izak. We kunnen dit gedeelte weer onderverdelen in Gen. 11:27 tot en met Gen. 25:11. Dit gedeelte handelt speciaal over de vader. En Gen. 25:19 tot en met Gen. 35:29. Dit gedeelte handelt speciaal over de zoon.

Het derde deel loopt van Gen. 37:2 tot en met Gen. 50:26. Hier gaat het om de verwekkingen van Jakob. Het interessante hiérbij is, dat heel de geschiedenis over de verwekkingen van Jakob, handelt over Jozef. Jozef is de zoon  temidden van de broeders Of: Het volk van God temidden van de volkeren

te midden van de broeders. Dit is eigenlijk het hoogtepunt van Genesis.

Van hieruit kunnen we lijnen trekken naar onze tijd, namelijk: Christus temidden van de broeders.

Het boek Genesis eindigt met een doodskist Genesis 50 vers 26 (Gen. 50:26). Ze namen Jozef en legden hem in een kist, in Egypte. Het grondwoord voor kist, in het Hebreeuws Aaron, wordt slechts door twee voorwerpen in de Bijbel gebruikt, namelijk: 1. de kist met het gebeente van Jozef. 2. de ark des verbonds met de tafelen van de wet: het spreken Gods. De Israëlieten liepen met twee arken door de woestijn en gaan ermee op weg naar het beloofde land. Het woord Aäron moet óf met ark óf met kist worden vertaald, want anders raakt men het verband kwijt.

De betekenis van de naam ‘Israël’

In Genesis 32 valt de naam ‘Israël’ pas voor het eerst. Dit is het punt waar het in het boek Genesis naar toe gaat, want het gaat hier immers om de wording van het volk van God. De naam ‘Israël’ betekent: strijders Gods, of: God strijdt, God heerst. In deze naam zit een stuk verkondiging: God strijdt en God heerst door middel van de mens.

Het boek Genesis draait om de eerstgeboren zoon. De naam van die zoon is vaak van beslissende betekenis. In dit verband is Genesis 5 het belangrijkste hoofdstuk van het boek Genesis. Daarom moeten we de geslachtsregisters nooit overslaan!

In Genesis 5 staan 10 korte verhalen, die allen dezelfde structuur hebben. Vers 3: “Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon… Seth”. Vers 5: “Toen Seth honderd vijf jaar geleefd had, verwekt hij Enos”. Vers 7: “En Seth leefde, nadat hij Enos verwekt had, achthonderd zeven jaar, en hij verwekte zonen en dochteren”. Vers. 8: “Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd twaalf jaar; en hij stierf”.

Het leven van al deze mensen wordt ingedeeld voor en na de eerstgeboren zoon. De eerstgeboren zoon is steeds de mijlpaal. De centrale gebeurtenis in het leven van deze mensen is dat de vader de eerstgeborene verwekt. In de tweede plaats valt op dat al deze verhalen zijn opgebouwd volgens een bepaald schema. 1. Hij leefde en verwekte. 2. Hij leefde en verwekte. 3. Hij stierf. Samengevat: Hij leefde; hij leefde; en hij stierf. Als je het vaste schema ziet, zie je meteen wie eruit springt. Alles draait om de eerstgeboren zoon!

Gods voornaamste scheppingswerk

De Bijbel begint met de woorden: “In den beginne… ” Genesis 1 vers 1 (Gen. 01:01). In de grondtekst staat geen lidwoord. Er staat: in begin; of: in beginsel. Het is het grondbeginsel van alles wat God doet. Het woord ‘begin’ hangt samen met het Hebreeuwse woord voor ‘hoofd’. Je kunt ook zeggen: Het is Gods hoofdwerk. Als hoofdwerk schiep God de hemel en de aarde.

Het woord ‘scheppen’ wordt alleen in verband met God gebruikt. Het Hebreeuwse woord ervoor is BARA. Het komt alleen voor met God als onderwerp. Van de grondbetekenis van BARA zijn verschillende afleidingen. Het wordt wel in verband gebracht met bouwen of maken; vormgeven aan wat vormeloos was. Verder heeft het te maken met: baren of voortbrengen. En ook kunnen we het in verband brengen met: vrij zijn; afzonderen; uit elkaar zetten.

Een belangrijk principe in de schepping is dat God de dingen uit elkaar zet. Het wordt niet één grote mengelmoes, maar de dingen worden op hun plaats gezet. We zien inderdaad hoe hemel en aarde vorm krijgen. Het eerste scheppingsverhaal begint en eindigt met’ ‘scheppen’. Hoofdstuk 1 vers 1: God schiep. Hoofdstuk 2 vers 4a: Toen zij geschapen werden. Het woord BARA is de omlijsting van het scheppingsverhaal. In hoofdstuk 1 valt het woord ‘scheppen’, maar verderop wordt over ‘maken’ gesproken. De zaak wordt als het ware overgenomen.

Het woord BARA komt 6 keer in het scheppingsverhaal voor. Het is merkwaardig dat in vers 21 het woord ‘scheppen’ staat en niet het woord ‘maken’. Het gaat hier namelijk over het ontstaan van dé grote zeemonsters. Ook deze grote gevaarten zijn geschapen en hebben geen eigen gezag. Ook zij zijn van God afhankelijk. In feite is het een bemoediging. Het is alsof God zegt: Mensenkind, als je naar al die zeemonsters kijkt, wees dan maar niet bang, want het zijn allen schepselen. In vers 27 komt ‘God schiep de mens’ driemaal voor.

God schiep de hemel en de aarde. We komen weer op een kerngedachte in het Bijbelse denken. Er staat niet: ‘In een begin schiep God de wéreld’. Het Hebreeuws heeft zelfs geen woord voor ‘wereld’. Er wordt steeds in de tweedeling ‘hemel en aarde’ gesproken. God zegt als het ware: ‘Je hebt de hemel en de aarde. Je moet deze twee uit elkaar halen en ook uit elkaar hóuden. Het moet niet door elkaar lopen’. Je hebt de onzichtbare wereld en de zichtbare wereld.

(wordt vervolgd).

 

Over vergeving gesproken…

Wanneer de Here Jezus antwoord geeft op de vraag van Petrus, hoe vaak hij zijn broeder moet vergeven, sluit Jezus zijn uitleg af door te zeggen: “Alzo zal ook mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet, een ieder zijn broe­der, van harte vergeeft” Matteüs 18 vers 35 (Matt. 18:35).

Een zeer duidelijk slot van een toespraak waarin de Heer ons wil laten zien hoe kwijtschelding van schuld werkelijk effect heeft. Petrus denkt zijn broeder zevenmaal te ver­geven. Zevenmaal is mis­schien veel vaker dan wij in de praktijk in toepas­sing brengen, maar Jezus zegt: zeventig maal zeven­maal! Je zou de tel kwijt­raken en dat is ook de bedoeling, want iemand die echt vergeeft, houdt geen kasboek bij.

Vervolgens lezen we in Matteüs 18 vers 23 (Matt. 18:23): “Daarom is het Konink­rijk der hemelen te ver­gelijken met een koning, die afrekening wilde hou­den met zijn slaven… ” De Heer geeft een uitleg van wat Hij zojuist heeft gezegd: zeventig maal zevenmaal vergeven.

Een slaaf wordt een grote schuld kwijt gescholden en men laat hem vrij. Dit was volgens deze ge­lijkenis de eerste maal. Enige tijd later wordt de slaaf weer bij de koning gebracht en… de koning laat hem niet vrij, maar geeft hem in handen van de folteraars.

Hoe is dit mogelijk? Ik ben in mijn telling pas bij twee en nog lang niet bij zeventig maal zeven­maal! De Here Jezus geeft volgens mijn idee uitleg over het feit dat we altijd moeten vergeven, maar deze koning vergeeft maar éénmaal…

Geen eenmalige ontmoeting

Wat wil de Here Jezus ons hier duidelijk maken? Mis­schien is het goed wanneer u eerst Matteüs 18 vers 21 tot en met 35 (Matt. 18:21-35) eens nauwkeurig doorleest.

Nadat de slaaf zijn schuld was kwijt gescholden, ging hij heen, terwijl hij had moeten blijven om de ko­ning te dienen. Ook wij kunnen niet heengaan na­dat we geproefd hebben wat het Jezus allemaal heeft gekost aan het kruis om onze schuld weg te kunnen doen en om ons los te kopen van de folte­raars.

Als het kruis een plaats gekregen heeft in ons hart, zijn we een ander mens. Het is niet zo be­langrijk of we Jezus eens ontmoetten, zoals de Fari­zeeër in Lucas 7, die Hem uitnodigde voor een diner, om daarna gewoon weer vérder te leven. Paulus schrijft in Kolossenzen 2 vers 6 (Kol. 02:06) “Nu gij Jezus, de Here, aanvaard hebt… wandelt in Hem… ” Het is niet voldoende de Heer een keer te ontmoe­ten, maar dat we ‘in Hem’ zijn, Zijn gezindheid over­nemen.

De slaaf had de koning niet leren kennen en denkt, evenals de slaaf met het ene talent, dat zijn heer een hard mens is, die als een dief (satan) maait, waar hij niet ge­zaaid heeft. Zijn relatie tot zijn heer is angst: “Ik was bevreesd” Matteüs 25 vers 25 (Matt. 25:25). Ze kenden beiden hun heer niet, want dan had de volmaakte liefde de vrees uitgedreven.

Kent u de Heer? Weet u hoe Hij spreekt? Hoe Hij over u denkt? De slaaf uit Matteüs 18 vroeg om uitstel en denkt later alles nog terug te moeten beta­len, denkt iets terug te moeten doen. Kent u die gedachte? God zegt: “Ik schenk je uit genade, Mijn zegen maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe”. De koning schonk kwijt­schelding en de slaaf dacht uitstel. Het geheim is dat de slaaf niet ontvangen had, wat de koning hem aanreikte! Waarom dan een tweede maal hetzelfde aan­reiken , wanneer het niet ontvangen wordt? Wanneer het geen reactie van gro­te liefde geeft?

Wat is onze reactie?

Hoe is uw reactie op het grootste aanbod aller tij­den van God de Vader? Slechts één antwoord is goed, namelijk door te zeggen: “Dank U, Vader! Dank U Jezus! Dank U Heilige Geest!” En dan altijd bij Hem blijven.

Dan is er voor de folte­raars van bitterheid, in­nerlijke onrust, zelfverwijt, angst en minderwaar­digheid geen plaats meer. Ook wacht ons dan geen gramschap en toorn, want dan zoeken we niet ons­zelf, maar Hem die ons lief is. Het is erg belang­rijk – ’t liefst hardop – de grote Koning der koningen te bedanken voor Zijn kwijtschelding, voor Zijn liefde, voor Hemzelf!

Folkert Pool

 

Is ons denken positief? door G. J. R. Doornink

Wat is toch de reden dat er nog zoveel kinderen Gods zijn die geen leven van overwinning kennen? Terwijl Paulus zegt dat Jezus ons verlost heeft uit de macht der duister­nis en ons overgebracht heeft in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13), blijkt uit het leven van velen dat er nog wel terdege beïnvloe­ding is uit het rijk van satan, met als gevolg meer nederlaag dan over­winning. Toch is het Gods wil dat het nieuwe leven van Christus in hen die Jezus volgen praktisch beleefd wordt en geen theorie blijft.

Wie op zoek gaat het ‘blijvende falen’ van vele kinderen Gods, komt al spoedig tot de ontdekking dat de oorzaak vaak weg komt uit een niet voldoende veranderd gedachteleven. En dat uit zich dan weer in ons dagelijks leven, onder andere in ons spreken. Het spreekwoord zegt: “Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over”. Daarom is datgene wat wij belijden zo belang­rijk, en maakt het open­baar hoe ons geloof functioneert.

Negatief of positief belijden

Zoals iedere positieve be­lijdenis een verheerlijking is van Hem die ons kocht met Zijn bloed, zo is iede­re negatieve belijdenis in feite een vernedering van Jezus Christus. Iede­re positieve belijdenis be­wijst dat wij ons vertrou­wen gesteld hebben op Jezus Christus, op Gods Woord en Zijn beloften. Maar iedere negatieve be­lijdenis bewijst (ook al willen we dat misschien niet toe geven) dat wij ons vertrouwen gesteld heb­ben op satan, de inspira­tor van al het slechte en verkeerde. Omdat iedere belijdenis een product is van onze gedachtewereld betekent dat bij ‘negatief belijden’ ook deze gedach­tewereld negatief beïnvloed is.

Paulus wist hoe belangrijk het was dat de gelovigen ‘los’ zouden komen uit de­ze beïnvloeding c.q. bezet­ting uit het rijk der duis­ternis. Aan de gemeente te Rome schreef hij daar­om : “Wordt niet gelijkvor­mig aan deze wereld”; (spreek en leef niet zoals de wereld spreekt en leeft) “maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken opdat gij moogt on­derkennen wat de wil van God is, het goede, welge­vallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

De spil waar alles om draait

De verandering van ons denken van ‘negatief’ naar ‘positief’ is iets wat heel veel kinderen Gods moeten leren. Het is van zeer groot belang bij ons getuige zijn in deze we­reld. Het is de spil waar alles om draait. En het heeft uitwerking in eigen leven en daardoor ook weer in de levens van anderen. Als wij loskomen van een negatief, aards- gericht denken en het vervangen door een posi­tief, hemels gericht den­ken, gaat er een zee van onbegrensde mogelijkheden voor ons open!

Paulus zegt in Romeinen 12 dat we dan kunnen on­derkennen wat de wil van God is. En dat we dan ook gaan ontdekken dat die wil het goede, welgevallige en volkomene is! Wat een zekerheid voor elk kind van God te weten dat God ‘het goede’ wil. God is enkel licht en in Hem is in het geheel geen duisternis! Hij wil ook ons voor 100% in dat licht plaatsen!

Als ons denken echter niet op positieve wijze ver­nieuwd is, beleven wij daar niets van. Dan blij­ven we in de problemen en moeilijkheden en erva­ren niet de vervulling van Gods beloften.

Wat heeft de duivel er een behagen in, dat zo­veel kinderen Gods niet vernieuwd zijn in hun denken. De troebele, ne­gatieve sfeer, die in de gedachtelevens van vele kinderen Gods voorkomt – en die men soms met allerlei uiterlijk vertoon tracht te verbergen – zal opgeruimd moeten worden, wil Gods heerlijkheid kun­nen doorbreken!

Laat u niet afremmen door de duivel. Wat hij wil is uw ondergang. Hij pró- beert u uit te schakelen als bruikbaar instrument in Gods hand of tracht te verhinderen dat u dat ooit zult worden. Wie Je­zus werkelijk volgt maakt daarom schoon schip in zijn gedachtewereld. En ook al kost het soms tijd voordat alle ‘vijandelijke resten’ zijn opgeruimd, uiteindelijk zullen we ook in dit opzicht met Jezus meer dan overwinnaars zijn. Dan zal meer en meer uit ons spreken en handelen blijken, dat ons denken vernieuwd is door de grote Hersteller van ons leven: Jezus Christus. Hij vernieuwt ons totaal en dat begint in onze ge­dachtewereld.

De sleutel tot overwinning

Paulus schreef aan de gemeente te Kolosse: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechter­hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aar­de zijn” Kolossenzen 3 vers 2 (Kol. 03:02). Dit is de sleutel tot een over­winnend leven. Want alles wat wij doen komt voort uit ons denken. En als ons denken niet ‘gezond’ is, blijven we op het na­tuurlijke. vlak zitten en gedragen ons niet als ‘he­melburgers’.

Gezond geestelijk denken houdt ook in dat we ge­zonde geestelijke voeding tot ons nemen. En welke voeding zou beter zijn dat het Woord van God? Als wij bidden om geeste­lijk inzicht en kennis van dat Woord, behoeven wij er geen moment aan te twijfelen dat God ons in de kou laat staan. Hij geeft ons geen stenen voor brood maar door de Heilige Geest ontvangen wij inzicht, zodat onze gedachtewereld vol wordt van Zijn kennis en wil.

Persoonlijk Bijbelonder­zoek, onder leiding van de Heilige Geest, is dus uitermate belangrijk. Daarnaast is het ook be­langrijk dat we kennis en inzicht opdoen via leraren en predikers die God daartoe geroepen heeft Efeze 4 vers 11 (Ef. 4:11). Laten wij ook deze niet minachten want God heeft ze aangesteld voor deze taak. Op mon­delinge en schriftelijke wijze leggen zij ons Gods Woord uit, onder leiding van de Heilige Geest. En ons leven – te beginnen met ons denken – wordt er door verrijkt!

Een kind van God dat ge­leerd heeft zijn gedachte­leven te vullen met alles wat God in Zijn grote lief­de voor ons bestemd heeft, heeft één van de grootste ontdekkingen in zijn leven gedaan. Hij gaat het nieu­we leven, wat Christus in hem tot stand brengt, op een volkomen wijze be­leven. Dit is Gods wil voor u en mij! Want zo verheerlijken wij Zijn Naam en zijn wij levende wegwij­zers voor een wereld in nood!

 

Intermezzo door Gerry Velema

“Het cadeau!”

Het vijf en dertig jarig huwelijksfeest van mijn ouders was in zicht, toen een goede vriendin even langs kwam. “Heb je al een leuk cadeau voor je ouders gevonden?” vroeg ze me. “Het valt vaak niet mee iets te vinden”.

Het was me inderdaad nog niet gelukt iets passends voor hen te vinden. Bedenkend dat bij het ouder worden, de wensen kleiner en eenvoudiger worden en het bezit groter. Mijn ouders zouden niet veel meer verlangen dan een gezellig samenzijn met kinderen en kleinkinderen en dat in een ongestoorde harmonie.

En juist dat – die ongestoorde harmonie – waar we allemaal naar verlangen, kan ook bij ons nog wel eens worden verstoord. Kleine vosjes zijn het die de wijngaard bederven. De wijngaard van het leven in het Koninkrijk van God, geënt op de wijnstok Jezus om vrucht te dragen voor de wijngaardenier. Kleine vosjes, van onbedoelde opmerkingen, onhandig met de gevoeligheden van de ander omgaan, en vult u zelf maar verder in.

En nu was er iemand die met me mee wilde denken met welk cadeau ik mijn ouders kon verrassen. Blij verrast gaf ik toe dat ik nog niet iets geschikt had gevonden. “Heb jij soms een goed idee, fijn joh,… of… heb je soms al iets gekocht?”, vroeg ik, wat nieuwsgierig kijkend naar de plastic zak op haar schoot.

“Ja, ik heb iets voor je… je kunt zelfs kiezen wat je ze wilt geven”, voegde ze er wat geheimzinnig aan toe.

Als eerst haalde ze uit de tas een tak tevoorschijn, afkomstig van een wijnstok. “Wat dacht je hiervan?” Je hebt hier veel bla-bla bladeren om het geheel rondom het feest wat mee te versieren. Zo lijkt het misschien niet zoveel maar heus zo’n tak staat bijzonder decoratief”.

Na een blik op mijn verbaasde gezicht dook haar hand opnieuw in de tas en nu kwam er een groen takje met een trosje miezerige, zure druifjes tevoorschijn, nauwelijks volgroeid. “Met een beetje meer eigen inspanning, zou je ze ook dit kunnen geven. Het beste beentje voorzetten, aardig gezicht en vriendelijke woorden. Het is net iets meer dan de bla-bla bladerentak”, gaf ze er als commentaar bij.

“Maar… maar, je kunt ook dit geven”, en opnieuw diepte ze in de tas. Tot mijn grote verbazing kwam er nu een tros druiven tevoorschijn, zó mooi, zó vol en zó verrukkelijk dat ze voor mijn gevoel zo uit het ‘beloofde land’ konden komen. “Nou, kies jij maar uit. Wat wil je geven, de bla-bla bladeren, wat wel aardig is. Of zure druifjes van eigen inspanning of misschien dit laatste wat slechts in je leven tevoorschijn komt door je relatie met Jezus Christus!”

De koffie was inmiddels op en mijn vriendin vertrok met een blik van ‘ik kan het je toch zeggen, hè?’

Heer, wie maakt ons toch zo creatief, om zomaar op een door-de-weekse dag, elkaar-zo’n boeiende en pakkende boodschap door te geven?

Want wat voor een prachtig cadeau kunnen wij elkaar geven, door te laten delen in die heerlijke kostbare vruchtvorming van het werk Gods in ons leven. En juist dat zorgt voor de ongestoorde harmonie bij ieder feest.

Een lied valt bij me binnen en zingend ga ik weer aan het werk:

“Vruchten rijpen in mijn leven, trouw, zachtmoedigheid, geduld; gaven mij ten deel gevallen, ‘k ben met lof en dank vervuld!”

 

Levend water door Liesbeth Seepma

“Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!

Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”. Johannes 7 vers 37 en 38 (Joh. 07:37-38).

Levend water! Wat houdt dat in? Waar komt het vandaan? Hoe komen we eraan? Wat kunnen we ermee doen? Dat zijn vragen die in ons leven een antwoord moeten hebben! Levend water is namelijk in ons leven iets ontzettend belangrijks.

Je weet natuurlijk wel dat water in ons leven van alledag een enorm belangrijke rol speelt. Wij, die in de westerse wereld leven, hoeven échter de kraan maar open te draai­en en we hebben water. Daardoor staan we niet altijd stil bij het belang van water. Iemand die daarentegen bijvoorbeeld in het Midden-Oosten woont, kent maar al te goed die eerste levensbe­hoefte. Het is niet voor niets dat de Here Jezus – tijdens Zijn mens-zijn zélf levend in een warm, droog klimaat – juist het begrip water neemt om de mensen te wijzen op het echte leven. Laten we daarom gaan ontdekken wat de Bijbel zegt over water.

Als er in de Bijbel wordt gesproken, ge­beurt dat vaak in kombinatie met een bron. Dat is heel logisch, want water in het Midden-Oosten komt uit een bron. Op een dag zit Jezus bij zo’n bron, zo’n put, en nog wel in een vijandig landsdeel, Samaria. En terwijl Jezus daar bij die put zit, komt er een vrouw om water te putten. En dan zegt Jezus tegen die vrouw: “Geef mij te drinken”. De vrouw is hoogst verbaasd. “Hoe kunt U, als Jood van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen!”. Voor haar is dat een onbegrijpelijke en onmogelijke zaak, want Joden gaan niet om met Samaritanen. Zo was dat nu eenmaal.

Maar Jezus houdt niet van zulke vastliggen- regels. Hij houdt niet van vijandschap tussen mensen vanwege hun her­komst of wat voor reden dan ook. Hij kijkt immers naar het innerlijk van een mens. En dus geeft Hij deze vrouw een ongewoon – en geweldig!- antwoord: “Indien gij wist van de gave Gods en wie het is, die tot u zegt: “Geef Mij te drinken”, gij zoudt het Hem gevraagd hebben en Hij zou u levend water hebben gegeven. (… ) Een ieder, die van dit water (uit de put) drinkt, zal weder dorst krijgen; maar wie gedronken zal heeft van het water dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het wa­ter dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen le­ven”.

Wat wilde Jezus nu met dit antwoord zeggen? Dat is be­langrijk, want het is niet alleen een antwoord voor deze vrouw, maar ook voor ons!

Jezus heeft het in dit antwoord over twee soorten water, name­lijk: 1. water waarvan je voortdurend drinkt, terwijl je dorst blijft houden; water dat dus schijnbaar je dorst niet lest. En 2. water dat je hélemaal doordrenkt, zó zelfs, dat het een fontein in je binnenste wordt.

Het eerste soort water lest de dorst voor een ogenblik, waarna je opnieuw dorst krijgt. Er­varen wij dat soms niet ook in óns leven? Er zijn in ons dagelijks leven di­verse bronnen waaruit wij ons water, ons leven, kunnen putten. Misschien is dat voor jou wel je hobby; je bent bijvoor­beeld gek op computeren of op muziek. Misschien ook kijk je veel T. V. of luister je vaak naar de radio. Het zóu kunnen – hoewel dat volgens mij iets minder vaak voor­komt – dat je opgaat in school, in je studie. Let op: ’t hoeft niet te be­tekenen dat je die dingen nou allemaal zo leuk vindt om te doen; ze kunnen bijvoorbeeld ook een Prestigeobject zijn, iets waarin jij stééngoed bent, zodat je daardoor jezelf kunt ‘bewijzen’. Ze bepalen jouw leven, jouw denken, jouw spreken, jouw handelen. En dan worden ze vanzelf tot een levensbron voor je die, jammer genoeg, nooit je dorst naar echt léven kan lessen. Want het ‘water’ dat daaruit komt is geen lévend water. De profeet Jesaja zegt dat ook in Jesaja 55 vers 2 (Jes. 55:02): “Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan?”

De échte levensbron ligt namelijk op een heel ander terrein, een heel ander niveau. Trouwens, deze Bron is er niet voor ons om ons­zelf te bewijzen. Die levensbron, de Schepper van hemel en aarde, heeft ons namelijk zelf gemaakt. Hij “formeerde de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus. Alzo werd de mens tot een levend we­zen” Genesis 2 vers 7 (Gen. 02:07). God heeft geen bewijs van Zijn schepping nodig. Hij weet dat die schepping leeft en zeer goed is. Maar die schepping heeft, om ‘zéér goed’ te zijn, wél één ding nodig: Levensadem. Daardoor wordt die mens van stof uit de aardbodem pas echt een levend wezen. Het is no­dig voor ons, dat wij wa­ter, adem, leven halen uit de échte levensbron, God Zelf.

De Bijbel zegt ook dat God die Bron van levend water is. Lees maar eens een uitroep van de profeet Jeremia, als hij leeft temidden van de ongehoorzaamheid van het volk Israël, dat God had verlaten: “Troon der heerlijkheid, van ouds verheven, plaats van ons heiligdom, hope Israëls, Here, allen die U verlaten, zullen beschaamd worden; wie afwijken, zullen in de aarde geschreven worden, omdat zij de bron van le­vend water, de Here, verlieten”.

Als je de bron van levend water verlaat, zul je ‘in de aarde ge­schreven worden’. Zou dit laatste betekenen dat je geestelijk sterft als je het levende water niet meer krijgt, en zo alleen nog maar op aarde voort be­staat? Gods doel is echter, dat mijn naam niet in de aarde, maar in de hemel, in het boek des levens, staat geschreven.

Hoe kunnen we dat levende water nu krij­gen? Jezus zegt zelf: “Niemand komt tot de Va­der dan door Mij”. Door Jezus Christus kunnen we water putten uit de Bron van Levend Water. De He­re Jezus heeft immers het bewijsstuk van onze zon­den uitgewist door de zon­de aan het kruis te nage­len! Wat geweldig! Dat be­wijsstuk, dat door Gods inzettingen tegen ons ge­tuigde en ons leven be­dreigde, is uitgewist. Dat staat in Kolossenzen 2 vers 13 en 14 (Kol. 02:13-14). Ook al hoeven we dus geen besef van zonde te hebben, toch kan de duivel ons nog wel eens tot zonde verleiden. Maar dan mogen we die zonde aan God belijden, waarna Hij ons vergeeft en ons reinigt van alles wat fout was, zodat we het levende water weer onbelemmerd kunnen drinken. Ook van andere belemmeringen die ons afhouden van het drinken van het levende water, k zoals bijvoorbeeld het feit ( dat de duivel jou en mij aanklaagt met al lang vergeven zonden, of het feit dat de duivel jou en mij wijs maakt dat we niets waard zijn voor God en onze medemens, wil God ons bevrijden. Heerlijk hè, dat we hélemaal kunnen genezen, van binnen èn van buiten, als we God in ons leven toelaten.

Dan zijn er nog een paar belangrijke punten, die om de hoek komen kijken bij het ontvangen van levend water.

Dat is in de eerste plaats geloof in en vertrouwen op God. Geloof in Gods almacht en vertrouwen in die almacht gaan samen, ze zijn één. Vertrouwen en geloof nemen elke vrees weg. De profeet Jesaja weet dat heel goed en hij benadrukt het in zijn boek verschillende malen. Lees maar eens (Jesaja 3 vers 1 tot en met 3; Jesaja 43 vers 18 tot en met 20 vertrouwen in de toekomst; Jesaja 44 vers 1 tot en met 3 (Jes. 03:01-03; Jes. 43:18-20; Jes. 44:01-03.

Ook een aandachtig luisteren naar God is zó belangrijk! Hoe kun je levend water ont­vangen als je God niet de kans geeft je dat te ge­ven? Stel je open voor de werking van Gods Geest, wees bezig met de Bijbel, Gods Woord, waarin Hij spreekt, wees alert, zodat je Hem kunt binnenlaten als Hij klopt (want Hij breekt niet in). Dat be­lang van goed luisteren benadrukt Jesaja ook als wij in Jesaja 55 vers 2 (Jes. 55:02) lezen: “Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goede eet en uw ziel zich in overvloed verlustige. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort, opdat uw ziel leve”. Het gaat er niet alleen om dat je huis op aarde (voort)bestaat – dan ben je dus in de aar­de ‘geschreven’ – maar dat je werkelijk leeft, dat je ziel, je diepste kern, je diepste innerlijk leeft.

Gods liefde maakt, dat je levend water zó maar mag ontvangen. Er is niet méér nodig dan vertrouwen, geloof en aandacht. De rest van de (hoge!) prijs heeft Jezus voor ons betaald. Wat ge­weldig is dat, dat er in Jesaja 55 vers 1 (Jes. 55:01) staat, dat je mag komen, kopen en eten zonder geld, zon­der prijs! God zegt: “Kom maar gewoon als je dorst hebt. Kom maar en drink maar. Word maar diep van binnen verzadigd met écht leven. Ervaar die over­vloed maar”. Niet alleen in het boek Jesaja doet God trouwens die gewel­dige uitnodiging. Ook in Openbaring 22 vers 7 (Openb. 22:17) staat het: “En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet”.

En als je dan zelf drinkt van dat leven­de water, gebeurt er iets zó ontzettend moois, iets zo puur Goddelijks! Dat levende water in jou wordt namelijk een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven, het worden stromen van levend water, die uit jouw binnenste gaan vloeien. Wat een ongelooflijk wonder is dat hè? Als die ontwikkeling in ons leven gaat plaatsvinden, dan komt God, de Bron, vol­ledig tot Zijn doel in ons, dan worden we uitdelers van het échte leven.

Dan worden we, als het jonge deel van de Gemeente Gods, “ver­vuld met Hem, die alles in allen volmaakt”. Dan worden we vervuld met levend water, dat is: de Geest van God.

 

De goede rank (gedicht) door Tea Keuper Dijk

De Landman heeft mij met veel zorg geënt

op d’ afgezaagde wijnstok, die Hij spleet;

Hij maakte alles voor Zijn doel gereed:

Ik werd door Hem verzorgd, ik werd erkend!

 

Hij wist: de sappen in de wijnstok zijn

voor mij tot heil, tot eeuwig Goddelijk leven!

Dat wil de Landman aan Zijn kind’ren geven:

Dan word je een reine rank, vol vreugdewijn!

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te Dorsthorst (3)

De onzichtbare Geestelijke stad.

Het hemelse Jeruzalem waar wij over spreken is niet te lokaliseren. Het is niet ergens een plaats in de kosmos, zodat je er met een raket of ruimtevaartuig naar toe kunt gaan. In dat opzicht had Joeri Gagarin de eerste Russische ruimtevaarder wel gelijk, toen hij bij zijn terugkeer op aarde sprak: nu weten wij zeker dat God niet bestaat, anders had ik Hem moeten zien! Wij weten dat deze geestelijke werkelijkheden zich in het innerlijk van de mens afspelen. Jezus sprak eens tot zijn toehoorders: Het Rijk Gods komt niet met de uiterlijke vertoning, men zal ook niet zeggen, zie hier of daar is het, want zie het Rijk Gods is inwendig in u Lucas 17 vers 20 en 21 Lutherse vertaling (Luc. 17:20-21). Zo kan ook het Koninkrijk van de dood in de mens zijn en daar heerschappij uitoefenen. Dit is heel normaal. Iedere mens op aarde, maar ook naast zijn sterven, is ergens aan verbonden. Of Hij is in de dood, of Hij is in het leven door Jezus Christus. Met andere woorden, Hij is in het Koninkrijk van de duivel, of Hij is in het hemelse Jerusalem, het Koninkrijk Gods. Er is niet ergens een neutraal gebied, zodat men zou kunnen zeggen, ik hoor nergens bij. Je bent dus een inwoner van het hemelse Jeruzalem, ook al leef je biologisch nog op aarde. Sterft iemand dan wordt zijn lichaam begraven. Maar de innerlijke mens neemt dan zijn plaats in de onzienlijke geestelijke wereld. Daar waar vanuit hij in zijn aardse bestaan leefde en in het geloof wandelde. En die voor onze natuurlijke zintuigen, niet waarneembare geestelijke wereld is net zo reëel als de stoffelijke. Alleen, het is niet stoffelijk. Dat geldt voor de licht zijde, het hemelse Jeruzalem, maar eveneens voor de duistere zijde het dodenrijk.

Communicatie in de geestelijke wereld.

Ik noemde al eerder. Aflevering 2 dat Jezus in het dodenrijk gepredikt heeft aan de geesten die daar als gevangenen van de dood zijn. 1 Petrus 3 vers 19 (1 Petr. 03:19) Er is dus duidelijk communicatie, door spreken en horen. Van de heilige engelen zegt Jezus dat ze voortdurend het aangezicht zien van de vader in de hemel Matteüs 18 vers 10 (Matt. 18:10) en ze luisteren naar zijn spreken om zijn woord te volvoeren, Psalm 103 vers 20 (Ps. 103:20).

Communicatie zoals wij dat hier op aarde ook kennen, spreken, horen, zien en gezien worden. Als je erin opgenomen bent erin functioneert, dan schijnt het moeilijk uit te maken te zijn of je nu wel of niet in het lichaam bent. Zo reëel zo levensecht voor onze menselijke begrippen in 2 Korinthe 12 vers 1 tot en met 5 (2 Kor. 12:01-05) beschrijft Paulus hoe hij in de geest weggevoerd werd tot in de derde hemel, het paradijs. Hij heeft daar niet alleen onuitsprekelijke woorden gehoord, maar ook geweldige dingen gezien. Hij was er zo bij betrokken dat hij in niet eens wist of hij het in het lichaam of buiten het lichaam gebeurde. Hij zegt of het in het lichaam of buiten het lichaam was. Weet ik niet, God weet het 2 Korinthe 12 vers 2 en 3 (2 Kor. 12:02-03). Hieruit blijkt wel overduidelijk dat de geestelijke werkelijkheid niet vaag is. Niet uit schimmen of gedachten bestaat, maar heel concreet, heel levensecht is.

Vlees en Geest

Deze geweldige ervaringen hebben Paulus geholpen om met grote wijsheid over zaken van leven en dood te kunnen schrijven. We moeten een uitspraak van hem als in Filippenzen 1 vers 21 tot en met 24 (Filip. 01:21-24) dan ook leren verstaan als hij zegt: “Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste, maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil”.

Met Christus zijn is dus een hele concrete – en ook zeer begerenswaardige – situatie. “Ik smacht ernaar ontbonden te worden en met Christus te zijn” , vertaalt Petrus Canisius de woorden van Paulus. Hij maakt hier scheiding tussen het vlees – het lichaam – en de ware Paulus. In 2 Korinthiërs 5 spreekt hij over het lichaam als over een aardse tent, waarin de ware mens woont. Maakt Paulus zich hier niet schuldig aan het Grieks-platonisch denken? Plato maakte ook scheiding tussen het geestelijke en het natuurlijke. Hij leerde dat het lichaam een kerker was van de ziel. De verlossing was dan dat men zijn lichaam kwijtraakte, dat had toch geen waarde! Wie het evangelie, wat Paulus predikte, kent, weet wel beter. Paulus achtte ook het lichaam en alle behoeften en mogelijkheden van het lichaam, hoog, omdat hij wist, dat alles wat God geschapen heeft, goed is en niets daarvan verwerpelijk is. Andere leringen hierover noemt hij dan ook leringen van dwaalgeesten en boze geesten 1 Timoteüs 4 vers 1 tot en met 4 (1 Tim. 04:01-04).

Bij de Heer onze intrek nemen

Ik geloof dat Paulus – mede door rechtstreekse openbaring van de Heer Galaten 1 vers 12; Efeze 3 vers 3 (Gal. 01:12; Ef. 03:03) – een scherp inzicht had in het wezen van de mens. Waar het Oude Testament hoegenaamd geen scheiding maakt en de mens veel meer als één geheel beschouwd, durft Paulus dit heel duidelijk wel en stelt hij de innerlijke mens hoger dan het lichaam en spreekt ook over geest, ziel en lichaam (1 Thess. 5:23). De ware Paulus is niet het lichaam, het zichtbare, maar woont in een lichaam van vlees en bloed.

Nog duidelijker spreekt hij zich hierover uit in 2 Korinthe 5 vers 6 tot en met 8 (2 Kor. 05:06-08): “Daarom zijn wij te allen tijde vol goede moed, ook al weten wij, dat wij zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, ver van de Here in den vreemde zijn, – want wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen – maar wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen”.

Door de doop in de Heilige Geest heeft de Vader en de Zoon in ons woning gemaakt, leert Jezus ons Johannes 14 vers 23b (Joh. 14:23b), maar toch zegt Paulus: “Zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, zijn we ver van de Here in de vreemde en begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten”. Ik ben er van overtuigd, dat de Heilige Geest er voor gezorgd heeft, dat Paulus deze woorden op schrift stelde, zodat wij er door geleerd, bemoedigd en vertroost zouden worden als broeders of zusters komen te overlijden of zelf gaan ervaren dat die tijd aanstaande is. In 1 Thessalonicenzen 4 vers 13

(1 Thess. 04:13) zegt hij daarom: “Ik wil u niet onkundig laten (broeders (en zusters), wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere mensen, die geen hoop hebben”.

Door God bestemd tot heerlijkheid

Paulus zal ervaren hebben hoe moeilijk het – bijna voor ieder mens – is om te gaan geloven en beseffen, dat het leven dat we hier in het lichaam leven, niet de werkelijkheid is, maar een fase om tot de werkelijkheid te komen. Dit leven is tijdelijk 2 Korinthe 4 vers 18 (2 Kor. 04:18), enorm belangrijk voor natuurlijke en geestelijke ontwikkeling, door God zo gewild en verordend, maar de werkelijkheid is het eeuwige en onvergankelijke leven in gemeenschap met de Vader en de Zoon in verheerlijkte toestand.

God is het, die ons juist daartoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand /gegeven hééft, zegt Paulus  2 Korinthe 5 vers 5 (2 Kor. 05:05). Een onderpand is een voorwerp dat men iemand in handen stelt als bewijs of waarborg, dat men de gedane belofte, ook gestand zal doen (Grote Van Dale). Zo is de Heilige Geest ons als onderpand van onze eeuwige erfenis door God gegeven en zal Hij de gedane belofte ook in ons tot stand brengen in Christus Jezus. Maar zolang wij dit nog niet bereikt hebben, is het leven in het vlees een belemmering om in die werkelijkheid met God, Jezus Christus, de heilige engelen en al die rechtvaardigen, die in dat hemelse Jeruzalem zijn, te leven, te werken en gemeenschap te hebben. Dan zijn we vreemdelingen en bijwoners hier op aarde Hebreeën 1 vers 9 en Hebreeën 1 vers 13 (Heb. 01:09 en Heb. 01:13), ver van de Heer in de vreemde en is het sterven gewin. Dan leven en wandelen wij in het geloof, niet in aanschouwen 2 Korinthe 5 vers 7 (2 Kor. 05:07).

De schat in aarden vaten

Nogmaals, Paulus veracht het leven in het vlees niet en hij spoort ons ook niet aan er dergelijke gedachten op na te houden. Wij zullen ons lichaam verzorgen, koesteren en waken voor demonische infiltraties en afbraak, zover dat in ons vermogen ligt. Ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest, zegt Paulus, en ook ons lichaam is gekocht en betaald. “Verheerlijkt dan God met uw lichaam” 1 Korinthe 6 vers 18 tot en met 20 (1 Kor. 06:18-20).

Hij wist hoe God de mens geschapen had als een afbeelding van het goddelijke, volmaakt functionerend, als een schitterend precisie-instrument. Als dat door duivelse invloeden wordt verstoord, door innerlijke spanningen en conflicten, of door beschadigingen aan het lichaam en ziekten, dan ontstaat er disharmonie. Dat weet Paulus en daarom zegt hij ook tegen de gemeenten: “Streeft (of ijvert) naar de gaven des Geestes” 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01). Daartoe behoren ook de gaven van genezingen en krachten 1 Korinthe 12 vers 9 (1 Kor. 12:09). Hij weet heel goed dat je de mens niet in drie delen – geest, ziel en lichaam – op kunt splitsen, maar hij durft het één van het ander te onderscheiden. Hij komt tot de conclusie dat ons lichaam een aarden vat is, waarin die geweldige schat van de innerlijke mens – die verlicht is met de kennis van de heerlijkheid Gods en verbonden met de Heilige Geest – in woont 2 Korinthe 4 vers 6 en 7 (2 Kor. 04:06-07). In 2 Korinthe 5 vers 1 (2 Kor. 05:01) zegt hij: “Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen”. (Daarover later meer). En als Paulus zegt dat wij nu wandelen in het geloof en niet in aanschouwen, dan houdt dat ook in, dat – als we niet meer in het vlees zijn – dan ook zullen aanschouwen! Wij zullen zien en horen, heel duidelijk, heel helder, heel concreet, zodat wij ook niet eens zullen weten of we in het lichaam of buiten het lichaam zijn.

(wordt vervolgd).

 

 

1986.10 nr. 274

1986.10

De verhoging van de mens door Gert Jan Doornink

“Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden” Matteüs 23 vers 12 (Matt. 23:12).

Het conflict van Jezus met de Farizeeën

Toen Jezus Zijn bediening op aarde had, was Hij vrijwel voortdurend in conflict met de Farizeeën en Schriftgeleerden. We kunnen rustig stellen dat het zijn grootste tegenstanders waren. Ze vielen Hem op alle mogelijke manieren aan en de meest zware beschuldigingen werden tegen Hem geuit. Toch was Jezus geen moment bang voor hen. Hij ging een confrontatie met hen ook nooit uit de weg. Integendeel, Hij wist uit welke koker, vanuit welke achtergrond hun aanvallen kwamen en vertelde hen dit ook openlijk. Hij ontmaskerde hen keer op keer als werkers der duisternis.

Vandaag zien wij in feite precies hetzelfde. Daar waar de waarachtige gemeente van Jezus Christus zich gaat openbaren, zien wij hoe ook de aanvallen uit het rijk der duisternis, vaak onder een vrome dekmantel, zich manifesteren. Als wij in dit artikel de stelling poneren dat God de mens wil verhogen, komt daar allerlei vroom verzet tegen in opstand. Bijvoorbeeld: God de mens verhogen? Dat mag je zomaar niet zeggen… Wat een hoogmoedige gedachte… De mens, is immers niets… een stofje aan de weegschaal. De mens is verdorven, slecht… etc. En die mens zou God willen verhogen?

Verhogen – wat is dat eigenlijk?

Laten we eerst eens zien wat verhogen eigenlijk is. Ik zou het zo willen omschrijven: “Verhogen zijn die handelingen van God, waardoor de mens zijn oorspronkelijke plaats in het plan van God terugkrijgt”. En laat daar geen misverstand of twijfel over bestaan: die oorspronkelijke plaats was een hoge plaats. Denk aan het scheppingsverhaal, waarin wij kunnen lezen hoe de mens volmaakt was, naar Gods beeld geschapen Genesis 1 vers 26 en 27 en genesis 1 vers 31 (Gen. 01:26-27, Gen. 01:31). David zegt dat God de mens bijna goddelijk heeft gemaakt en hem met heerlijkheid en luister heeft gekroond Psalm 8 vers 6 (Ps. 008:006). Hoe kunnen we ook anders van de enkel goede God verwachten? We zijn immers gemaakt in overeenstemming met de normen en gedachten van God. De mens is de hoogste scheppingsvorm van God. We zouden kunnen zeggen: “Het toppunt van Gods creatieve kunnen werd in de mens gelegd

God heeft nooit gezegd dat Hij dit gaat veranderen. Al willen ‘vrome geesten’ het ons anders doen geloven, want de duivel heeft er natuurlijk een ontzettend behagen in de mens te laten zien op zijn ‘gevallen status’. Altijd weer zal hij ons laten zien op de destructieve werken die hij veroorzaakt heeft en nog veroorzaakt. Met zijn rijk is het echter een aflopende zaak. Dat zien wij al direct nadat de eerste mensen gezondigd hadden en God sprak: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad, dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen” Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15). Het was de eerste grote belofte, waarin God duidelijk naar voren bracht, dat satan, die er in was geslaagd de mens uit zijn hoge positie Ie halen, de nederlaag zou lijden! Hoe dat is gebeurd en verder door God voleindigd zul worden, weten wij uit het Woord van God.

 

De twee fasen van Jezus’ verhoging

De geweldige belofte uit Genesis 3 zien wij in vervulling gaan bij de komst van Jezus. Hij was de eerste mens die weer verhoogd werd. Maar de weg die Hij daarbij moest gaan, was geen gemakkelijke weg. Het was een weg vol strijd en vernedering. Want het was een strijd tegen de vorst der duisternis, die het er uiteraard alles aan gelegen was, dit te verhinderen. Deze weg van vervolging, bespotting en vernedering vond zijn climax aan het kruis van Golgotha. Toen Jezus het uitriep: “Het is volbracht!” en satan dacht: nu heb ik het gewonnen, had hij in werkelijkheid de nederlaag geleden, want Jezus triomfeerde over hem en stond na drie dagen op uit de dood!

Jezus werd aan het kruis van Golgotha letterlijk verhoogd, zoals Johannes 3 vers 14 (Joh. 03:14) beschrijft: “En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zó moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Dat was het grote doel van deze ‘verhoging’: de weg werd geopend voor allen die in Zijn volbrachte werk geloofden. Zij ontvingen een nieuw, eeuwig leven! Ook in Johannes 12 spreekt Jezus over deze verhoging: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden; en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken. En dit zeide Hij om aan te duiden, welke dood Hij sterven zou” Johannes 12 vers 31 tot en met 33 (Joh. 12:31-33).

De tweede fase van de verhoging van Jezus, was Zijn ‘geestelijke verhoging’, als Hij gaat zitten aan de rechterhand van de Vader. Petrus spreekt erover op de Pinksterdag door te zeggen dat Hij door de rechterhand Gods verhoogd is Handelingen 2 vers 33 (Hand. 02:33). Paulus schrijft erover aan de Filippenzen, na eerst op aangrijpende wijze de weg van vernedering die Jezus gaan moest beschreven te hebben, zegt hij: “Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken” Filippenzen 2 vers 9 (Filip. 02:09).

De twee fasen van onze verhoging

Ook onze verhoging verloopt in feite in twee fasen. Zo meester, zo knecht! In de tekst boven dit artikel staat: “Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden”. Oorspronkelijk waren deze woorden gericht tot de Schriftgeleerden en Farizeeën. Zij hielden het volk de wet voor, maar leefden er zelf helemaal niet naar. “Ze zeggen het wel, maar doen het niet” Matteüs 23 vers 3b (Matt. 23:03b), sprak Jezus. Zij waren zichzelf bezig te verhogen…

Wie buiten Christus om denkt het wel te kunnen klaren, zit er faliekant naast! Wij zullen bereid moeten zijn dezelfde weg te gaan, die ook Jezus gegaan is. Nadat wij tot geloof gekomen zijn, treden wij in Zijn dienst. We zijn geroepen Zijn getuigen te zijn maar dan treedt ook de eerste fase van onze verhoging in werking. Dan worden ook wij bespot, uitgelachen, vervolgd, enz. Maar wij weten dat de tweede fase van onze verhoging – evenals bij Jezus – zeker komt en feitelijk in onze geest reeds werkzaam is.

Enkele punten om te onthouden

De verhoging, zoals God die bedoeld heeft voor de mens, heeft dus niets te maken met hoogmoed. Mensen die zichzelf willen verhogen, dat wil zeggen buiten Christus om, zijn hoogmoedig en missen het doel wat God met hun leven voor heeft.

Verhogen heeft alles te maken met Gods wil voor ons leven. Hij wil ons verhogen’ Wij mogen ons bewust zijn wie wij zijn in Christus: “Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom. om de grote daden te verkondigen van Hem die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09).

Verhogen betekent dat we ten opzichte van de vijand altijd onze hoge positie met Christus hebben ingenomen. Onze plaats met Hem is in de hemelse gewesten. Maar ook ten opzichte van onze medemens hebben wij onze ‘hoge positie’ in Christus ingenomen. Maar die positie houdt dan in dat wij in elk opzicht de gezindheid van Christus openbaar maken. Het is goed om te lezen wat Paulus daarover schrijft in Filippenzen 2 vers 5 tot en met 9 (Filip. 02:05-09).

Dit alles moeten we leren uiteraard en daarvoor is gehoorzaamheid vereist. Ook bij Jezus was het geheim: gehoorzaamheid! Filippenzen 2 vers 8 (Filip. 02:08). En dan hoeven wij er niet aan te twijfelen dat Hij Zijn doel met ons leven niet zal bereiken, want Hij is verlangend dat wij als verhoogde mensen onze plaats in het plan en de troon van God hebben ingenomen! Want zoals Hij is, mogen ook wij zijn!

 

De kroon van Gods schepping (gedicht) (Naar Psalm 8). Door Piet Snaphaan

De mens als kroon der schepping Gods,

Van Zijn geslacht te zijn.

Dat had de duivel nooit verwacht,

Vandaar dat hij verdeeldheid bracht,

Door leugens, groot en klein.

 

Hij haat de mens, dat is gewis,

En zal hem steeds kleineren,

Ziet hem als stofje aan de schaal,

Een nietig wezen, dat steeds faalt,

Ondanks ’t opnieuw proberen.

 

Zo spreekt hij naar zijn eigen aard,

De vader aller leugen,

Al zijn ze vaak dan nog zo snel,

De waarheid achterhaalt ze wel,

Voor eeuwig zal ’t hem heugen.

 

De mens, geschapen naar Gods beeld,

Wie zal dat kunnen keren?

Wat God er in legt, komt er uit,

Hij schiep de mens naar wijs besluit,

Met Hem te triomferen!

Piet Snaphaan

 

Wees niet bezorgd! door Evert van de Kamp

Het spook van de bezorgd­heid is niet zomaar een verschijnsel dat op zijn tijd wel weer verdwijnt, maar een venijnig aanvals­wapen van de duivel.

Omdat het altijd met vrees, angst en intimidatie ge­paard gaat, lijdt een groot deel van de mensheid on­der dit juk van satan. Zelfs menig christen is hier niet vrij van.

In de Bijbel klinkt het me­de daarom: “weest niet bevreesd”, of “wees niet bezorgd”. En dat keer op keer. Legio is het aantal mensen dat zich over let­terlijk alles en nog wat zorgen maakt. Vaak ten onrechte. Wij kennen alle­maal de volksuitspraak dat de mens het meeste lijdt van het lijden dat nimmer op komt dagen. Waar de duivel echter zijn vurige pijlen kan afvuren zal hij dat niet nalaten. Denk maar aan Elia die in doods­angst de benen neemt voor de dreigende Izebel. Aan een Petrus die in panische vrees voor zijn eigen ik zijn Meester, waarvan hij zoveel houdt, verloochent.

Zorgen of bezorgdheid

Zorgen voor iets is een goede zaak. Het is je ver­antwoordelijkheid beseffen, je verantwoordelijk weten. Verantwoordelijkheid dra­gen, iets waaraan de mens in onze tijd verschrikkelijk lijdt. Jezus had altijd zorg voor de ander. Hij zag al­tijd die ander. Hij ging rond, weldoende en gene­zende allen die door de duivel overweldigd waren. In zijn laatste levensuur droeg Hij de zorg voor zijn moeder Maria op aan zijn discipel Johannes. De Heer maakte zich niet bezorgd om zijn moeder, maar Hij droeg zorg voor haar.

Zorgen is je geloof belij­den en wegen zoeken en bewandelen om dat geloof ten uit voer te brengen. Je zorgen maken, altijd maar weer bezorgd zijn over iets, is een slechte zaak. Eigenlijk de dood­steek voor je geloofsleven. Het Woord zegt: “De Heer is nabij! Weest in geen ding bezorgd” Filippenzen 4 vers 5 (Filip. 04:05).

Een revolutionaire uitspraak

In Matteüs 6 vers 25 tot en met 34 (Matt. 06:25-34) houdt de Heer een hele verhandeling over het euvel van de bezorgdheid. De kernwoorden zijn: weest niet bezorgd; maakt u dan niet bezorgd; zoekt toch eerst het Koninkrijk Gods, etc. Die woorden kunnen o zo lieflijk in on­ze oren klinken, maar in wezen zijn ze eigenlijk heel revolutionair. Waar­om? Omdat de natuurlijk gerichte mens precies het omgekeerde doet en die mens tref je helaas overal aan. Het ‘evangelie’ van die mens is: Ik moet leven, ik moet zoveel moge­lijk geld verdienen, ik moet kleding, voedsel, een woning, een auto kun­nen kopen, ik moet en zal die baan hebben, ik… !

In dit verband spreekt het verhaal en de gelijke­nis over de rijke dwaas, door Jezus verteld in Lucas 12 vers 13 tot en met 21 (Luc. 12:13-21), boekdelen. Daar draait het niet meer om een leven in volle en heerlijke gemeenschap met God, maar over hoe wij zelf, naar onze eigen inzichten en verlangens, ons leven zullen indelen. Als ik maar aan mijn trekken kom. Ik heb er immers recht op. Vlijmscherp is Jezus’ oordeel hierover: “Naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen – de ongelovigen – uit”. Jezus’ zorg over de over­bezorgde mens is ontroe­rend.

Moet u Lucas 12 vers 22 tot en met 34 (Luc. 12:22-34) maar eens lezen.

Een ding is nodig

Je kunt je bezorgd maken over vele dingen, maar zegt de Heer: weinig zijn nodig of slechts één en als je dat goede deel kiest, wordt dat niet van je weggenomen Lucas 10 vers 41 en 42 (Luc. 10:41-42).

Onze relatie met de Heer staat op het spel. In zijn zorg voor ons roept Hij ons toe: Laat elk verkeerd denken en handelen los. Zorg dat jouw relatie met Mij in orde is, voor de volle honderd procent. Laat jouw relatie met Mij voortdurend je enige en grootste zorg zijn en blij­ven. Dat maakt gelukkig. En laat je zorg zich nooit op andere dingen richten, die je bezorgd maken.

Hiervoor is het nodig dat wij ons stellen onder de visie en de leiding van de Heilige Geest. Hij brengt je helemaal in harmonie met de woorden en het leven van Jezus. Iets mooiers is er niet.

Het spook van de verwarring

Als je de Heilige Geest hebt ontvangen, moet je niet proberen andere din­gen op de eerste plaats te zetten, in de plaats van God. De ervaring leert dat je dan in grote verwarring terecht komt. Dat kun je bij jezelf na­gaan.

Die Heilige Geest leert ons geconcentreerd te zijn op de Heer. Op Hem die betrokken wil zijn bij alle zaken van ons leven. Be­zorgd zijn is daarom niet slechts verkeerd, maar een pure uiting van onge­loof en leidt tot verwar­ring. Je bent niet echt bij de Heer. Je gelooft niet dat God voor al die kleine dingen van je leven, laat staan de grote, kan en wil zorgen.

Dat ongeloof of, zo u wilt, klein geloof maakt je nou net zo bezorgd. De Heer noemt dat de zorgen van de wereld. Zo iemand wordt onvruchtbaar, ver­telt de gelijkenis van de zaaier ons Matteüs 13 vers 22 (Matt. 13:22). Al die zorgen zijn de ‘kleine’ vossen, die de vreugde van de wijngaard bederven. En je mist de enorme zegen van Gods heerlijke zorg voor jouw leven.

Gehoorzaamheid aan Gods Geest is het geneesmiddel tegen zorg in het hart. Maar dat gehoorzamen kan de Heer niet voor je doen. Dat moet je zelf doen. In de allergrootste vertwijfeling en verwar­ring riep de cipier van Filippi het uit: “Wat moet ik doen?” Handelingen 16 vers 30 en 31 (Hand. 16:30-31). Het antwoord dat hij kreeg luidde: “Stel uw vertrou­wen op de Heer Jezus en u zult behouden worden”. Toen hij dat metterdaad deed verdween de verwar­ring en elke zorg uit zijn, hart.

Een zorgeloze vrouw

Ze spraken er allemaal schande van toen Maria het albasten kruikje met de inderdaad zo kostbare nardus-mirre brak boven het hoofd van Jezus. Wat een verkwisting. Een jaarloon werd te grabbel gegooid. En vrome geesten zeiden: “Dat was beter besteed geweest aan de armen”. Maar het hart, van Jezus juichte. Dat was ’ eens een goed werk. Een goed werk aan Hem ver­richt. Een daad van loute­re toewijding aan Hem.

En act van ‘onbezorgde’ toewijding. Openlijk prees de Heer Maria voor haar zorgeloze overgave.

Na de ramp van Tsjernobyl werden de winkels en supermarkten bijna letter­lijk geplunderd. Hamsteren en oppotten. Halen, heb­ben, houden. Ons levens­doel mag anders zijn. Met een zekere humor schrijft Paulus in 1 Timoteus 6 vers 7 en 8 (1 Tim. 06:07-08): “Wij hebben niets op de wereld meege­bracht ; wij kunnen er ook niets uit meenemen”. En dan heel betekenisvol: “Als wij echter onderhoud en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn”. En heus, bij de Heer is leven en overvloed. Over­daad schaadt al heel gauw. Iemand schreef iets heel opmerkelijks: “Het beste van het leven mag in ver­trouwen op God, verteerd, uitgegeven en opgeofferd worden”. Inderdaad, een offer voor de Heer is nooit teveel. En verder: Gods manna voor elke dag is voldoende. Anders be­derft het maar. De Heer zou zeggen: “Maak je dan niet bezorgd. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Waar is jouw toewijding?

Een onbezorgd leven

Een onbezorgd leven is een leven voor de Heer door een leven met de Heer! Eigenlijk is het leven voor verantwoordelijkheid van de Heer (2 Tim. 2:4). Zo ben je bezig schatten te verzamelen in de hemel, in de onzichtbare wereld. En waar je schat is… juist, daar is je hart.

In Lucas 6 vers 37 en 38 (Luc. 06:37-38) vinden wij een heel mooie en juiste leefregel, een geestelijke wet: “Laat los en gij zult losgelaten wor­den. Geeft en u zal gege­ven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat waarmede gij meet, zal u gemeten wor­den”.

Maria bepaalde haar eigen maat. Ook wij bepalen zelf de maat waarmee wij geme­ten willen worden. Het kan de maat zijn van de totale onbezorgdheid! Filippenzen 4 vers 6 en 7 (Filip. 04:06-07).

 

Contact met de redactie.

God is een goede God.

Zojuist verscheen een herdruk van de brochure. God is een goede God. Wij zijn blij dat deze brochure thans weer verkrijgbaar is, want ze voorziet duidelijk In de behoefte. Deze belangrijke geloofwaardigheid op eenvoudige, toch duidelijke wijze. Onder de aandacht van velen christenen zowel als niet christenen te brengen. Het boekje legt niet Alleen uit Waarom God een goede God is en hoe wij deze goedheid kunnen beleven, maar gaat ook in op vragen zoals, hoe kan? God het toelaten, en wat is de toren van God? U kunt de brochure bestellen bij de administratie.

Het boek Genesis

In dit nummer starten wij met een nieuwe serie Bijbelstudie-artikelen, geschreven door Klaas Goverts. Het zijn gedachten over het eerste Bijbel­boek. Evenals broeder Goverts destijds in ons blad over het laatste Bijbelboek een groot aantal artikelen schreef (in drie brochures door ons uit­gegeven) die voor velen tot grote zegen waren, verwachten wij ook nu dat dat de kennis en het in­zicht van het begin van Gods Woord, door het le­zen van deze serie, bij velen zal toenemen. Te­recht maakt broeder Go­verts in zijn eerste arti­kel de opmerking dat als je het boek Genesis be­grijpt, je in feite de sleutels van de hele Bijbel in handen hebt, want in dit boek zit het hele heilsplan van God reeds besloten!

Sponsors gevraagd

Vrijwel vanaf het begin dat “Levend Geloof” ver­scheen, zijn er sponsors geweest: lezers en lezeressen die de “Levend Geloof”-arbeid periodiek – bijvoorbeeld maandelijks – met een vaste bijdrage ondersteunden. We zijn daar altijd erg blij en dankbaar voor geweest, want onze arbeid is een geloofsarbeid. We ontvan­gen geen enkele vorm van subsidie, ondersteuning, uitkering of wat dan ook, maar zijn Voor een groot deel aangewezen op wat er via extra bijdragen binnenkomt. Iedere gift, is dan ook altijd hartelijk welkom!

Het mooiste is natuurlijk als er lezers en lezeres­sen zijn die regelmatig een bijdrage overmaken. Dat geeft een zekere ba­sis aan ons werk, zodat wij op financieel gezonde wijze kunnen functioneren. Helaas is het aantal ”sponsors’ altijd te be­perkt gebleven, vandaar in dit nummer de oproep om eens te overwegen sponsor te worden. U steunt daarmee een werk dat nog steeds rijke vruchten afwerpt voor Gods Koninkrijk!

Voor één maand wordt de rubriek “Levend Geloof voor jonge mensen” door Liesbeth Seepma, onder­broken. Volgende maand treft u deze veel gelezen en gewaardeerde rubriek weer aan.

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (1)

Inleiding

Het boek Genesis is een van de meest unieke en onuitputtelijke Bijbelboeken. Als je het boek Genesis te pakken hebt, heb je in feite de sleutels van de hele Bijbel in handen. In dit boek zit in feite het hele heilsplan van God reeds besloten. Alles wat er verder in de Bijbel gaat komen, is een ontvouwing van het boek Genesis. We gaan in deze serie artikelen ook speciaal aandacht besteden aan de opbouw en structuur van het boek Genesis.

De betekenis van de titel ‘Genesis’

Genesis is de Griekse titel van dit Bijbelboek. Het betekent: wording of geboorte. Het gaat ook om de wording. De hoofdlijn van het boek Genesis is de wording van het volk van God temidden van de volkeren.

Ook voor onze tijd is het bijzonder actueel, want wij leven ook in een tijd van wording. Er is een diepe overeenkomst tussen oertijd en eindtijd. We kunnen de boeken Genesis en Openbaring naast elkaar leggen. Hoe meer je van het boek Genesis gaat ontdekken, des temeer ga je begrijpen van hetgeen God in de eindtijd gaat uitvoeren. Schepping en herschepping dekken elkaar en vormen één geheel.

In de Hebreeuwse kanon heeft het boek Genesis een andere titel. Genesis is het boek: In den beginne. De eerste vijf Hebreeuwse Bijbelboeken van Mozes werden genoemd naar de eerste woorden van het desbetreffende boek. Het gaat ook om het begin. Het woord ‘begin’ zou je ook kunnen vertalen met ‘oorsprong’, want het gaat om de oorsprong, de herkomst van alle dingen.

Spreken en lezen in het Hebreeuws

Er is echter één begrip waar het hele boek op gebouwd is. In dit verband is het van belang te weten hóe men in het Hebreeuws gewend is te spreken. Er wordt vaak gewerkt met woordherhalingen, met het herhalen van bepaalde kernwoorden. Het kan een kernwoord zijn in een perikoop; in een hoofdstuk of in een  aantal hoofdstukken; in een Bijbelboek of in een aantal Bijbelboeken.

Als een woord in een bepaald gedeelte een aantal keren herhaald wordt, doet de schrijver dit niet omdat hij geen ander woord ter beschikking zou hebben, maar hij wil door middel van de woordherhaling een stuk verkondiging benadrukken. De woordherhaling is een stuk van de boodschap; hiermee wordt een accent gelegd. Een bepaald woord springt eruit.

De Bijbel is oorspronkelijk bedoel om hardop gelezen te worden. De manier waarop wij gewend zijn te lezen is de oosterling vreemd.

‘Lezen’ in het Latijn, Grieks en Hebreeuws

De betekenis van het woord ‘lezen’ in het latijn (legere) is: aren lezen, bijeen zamelen. Je ziet alle letters op papier en je gaat de woorden bij elkaar zamelen. Aanvankelijk schreef men alle woorden achter elkaar, zonder tussenruimte en leestekens. Je moest bekijken waar het woord begon en waar het ophield. Het woord ‘lezen’ in het Grieks (anaginoskein) betekent: herkennen. Als een Griek over ‘lezen’ spreekt, zegt hij: ‘Ik herken de woorden’.

En in het Hebreeuws betekent ‘lezen’ (qara’) : roepen. Alles komt oorspronkelijk uit het Hebreeuws vandaan. U zult steeds meer gaan ontdekken dat begrippen vanuit het Grieks hun oorsprong hebben in het Hebreeuws. Als iemand zit te lezen, zeg je hiervan in het Hebreeuws: Hij zit te roepen’. Je gaat de Schrift niet lézen maar roepen: proclameren, verkondigen. De woorden Gods worden uitgeroepen. De meest oorspronkelijke benaming van wat wij ‘de Schrift’ noemen is: migra. De Schrift is datgene wat geroepen wordt en is bestemd om gehóórd te worden.

Dat zit er van meet af aan al in. Daarom zegt Paulus dat het geloof uit het gehóór is. Hij zegt niet: ‘Het geloof is uit het lezen’. Je hoort de woorden Gods. Als de mensen op een gegeven moment een bepaald woord hoorden, hoorden zij tegelijkertijd een woord dat zij al kenden. Zij, wisten op welke plaats het betreffende woord voorkwam. Door het horen gingen zij teksten combineren. Er is bijvoorbeeld een woord dat slechts tweemaal voorkomt in de Bijbel: in Genesis 1 en in Deuteronomium 32. Als de mensen de tekst uit Deuteronomium hoorden, hoorden ze tegelijk de tekst uit Genesis 1 klinken. Het klonk samen. De oosterse mens kende veel meer uit het hoofd dan wij; hij was gewend om te memoriseren. Dit is tot op deze dag het geval.

Hoe komt de wording tot stand?

Het kernwoord van het boek Genesis is in het Hebreeuws: ’toledot’. Het probleem is dat het in onze vertaling niet exact is weergegeven. De ene keer is het woord anders vertaald dan de andere keer. De letterlijke vertaling van ’toledot’ is: verwekkingen. Het komt alleen in het meervoud voor. De uitgang ‘ot’ is vrouwelijk meervoud.

Dit is het hoofdthema uit de Bijbel, want het gaat om de wording. De wording gaat tot stand komen via verwekkingen. Het nieuwe testament begint ook met een verwekking, namelijk de verwekking van de Zoon.

Uiteindelijk herkennen we hierin het  thema voor de eindtijd: de verwekking van de zoon: het feit dat de zonen Gods tevoorschijn gaan komen! Aan het woord ’toledot’ zitten twee kanten: aan de ene kant ‘de verwekking van de vader’ en aan de andere kant ‘de geboorte van de zoon’. De Vader verwekt en de Zoon wordt geboren.

De zeven delen van het boek Genesis

Aan de hand van het woord ’toledot’ kunnen we het boek Genesis gaan indelen in zeven delen. Het woord ’toledot’ komt een aantal keren meer voor, doch dit zijn de hoofdpunten. Als u het volgende te pakken hebt, hebt u de grondgedachte van het boek Genesis.

Hemel en aarde.

“Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden” Genesis 2 vers 4 a (Gen. 02:04a). Men heeft vertaald met ‘geschiedenis’, doch letterlijk staat er: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van de hemel en van de aarde”. Alles begint met het feit dat God de hemel en de aarde verwekt. Hiermee wordt het eerste scheppingsverhaal afgesloten Genesis 1 vers 1 tot en met Genesis 2 vers 4 (Gen. 01:01 tot en met Gen. 02:04a). Het tweede scheppingsverhaal begint bij Genesis 2 vers 4 b (Gen. 02:04b) tot en met hoofdstuk 4. We komen hier nader op terug.

Adam.

“Dit is het geslachtsregister van Adam” Genesis 5 vers 1 a (Gen. 05:01a). Letterlijk staat er: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van Adam”. Het eigenlijke verhaal begint bij Genesis 5. De eerste vier hoofdstukken vormen een woord vooraf. Boven de rest van Genesis (hoofdstuk 5 tot en met 50) staat als opschrift: ‘Dit zijn de verwekkingen van Adam’. Je kunt ook zeggen: ‘Dit zijn de verwekkingen van de mens’. Adam betekent gewoon ‘mens’.

Noach

Dit is de geschiedenis van Noach” “Dit zijn de verwekkingen Je gaat nu zo prachtig de perioden in het plan van God ontdekken. In iedere fase springt een bepaalde naam eruit en maakt weer geschiedenis. Het verhaal van de zondvloed is hierbij inbegrepen.

De zonen van Noach.

“Dit zijn de nakomelingen van de zonen van Noach” Genesis 10 vers 1 a (Gen. 10:01a). Letterlijk: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van de zonen van Noach. Hier is het woord ’toledot’ wéér anders vertaald, namelijk met nakomelingen. Het probleem bij sommige Bijbelvertalingen is, dat er niet consequent vertaald wordt. Na de vloed krijgen we ‘de zonen van Noach’. Ook deze zonen krijgen hun verwekkingen.

Terach.

(Hier begint een nieuw gedeelte!). “En dit zijn de nakomelingen van Terach” Genesis 11 vers 27a (Gen. 11:27a). Letterlijk: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van Terach”.

Izak.

“Dit is de geschiedenis van Izak, de zoon van Abraham” Genseis 25 vers 19 a (Gen. 25:19a). Letterlijk: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van Izak, de zoon van Abraham”.

Jakob.

“Dit is de geschiedenis van Jakob” Genesis 37 vers 2a (Gen. 37:02a). Letterlijk: “Dit zijn de verwekkingen (toledot) van Jakob”.

We bemerken dat in deze zeven punten Abraham ontbreekt. Nergens staat: Dit zijn de verwekkingen van Abraham. Dit heeft een bepaalde opzet. Abraham wordt behandeld onder punt 5, bij de verwekkingen van Terach. Dit gebeurt omdat Abrahams leven bepaald wordt door de breuk met zijn vader. Hij moest breken met ‘zijns vaders huis’. De tweede reden is dat het verhaal niet kón beginnen met: Dit zijn de verwekkingen van Abraham. Het probleem was, dat er bij Abraham steeds geen zóón kwam. De ‘verwekkingen van Abraham’ vormen de geloofsstrijd waar hij doorheen moest. In ons artikel van volgende maand gaan we wat verder kijken naar de opbouw van het boek Genesis.

 

Intermezzo door Gerry Velema

De ‘schoot’ van God

“Mama, hij plaagt me en heeft me ook nog een schop gegeven”.

Wat huilend en pruilend probeert mijn zoontje bij me op schoot te kruipen.

Want die schoot van mama is zo’n eindeloos plekje om wat troost en steun te ontvangen, als je broertje eens vervelend tegen je doet.

Twee warme armen komen veilig om je heen. Lieve, troostende woordjes, tja, wat wil je dan nog meer.

Laatst verlangde ikzelf naar dat veilige plekje. Maar dan bij mijn hemelse Vader. Ik voelde me verdrietig, omdat een geestelijk ‘vervelend’ broertje me had geplaagd en pijn gedaan. En ik zocht, zoals een kind, de schoot van mijn hemelse Vader. Zijn liefde en troost zouden als warme armen om me heen kunnen zijn. Hij had die lieve woorden voor me, die me vertroosten zouden.

Terwijl ik bij mijn Vader op schoot probeerde te komen, maakt Hij me iets duidelijk. Zijn armen waren vol liefde voor mij geopend, maar Hij zei daarbij: “Natuurlijk mag je bij me komen, mijn kind. Ik heb nog net één knie vrij. Op die andere knie van me, zit wel dat broertje van je. Want die heb Ik net zo lief, als dat Ik jou heb”.

Even aarzelde ik. Wou ik nu nog wel op schoot?

Dicht bij de Vader zijn, daar verlangde ik heel erg naar, maar dat hield in, dat ik ook dicht bij die ander zou zitten. Als ik op de schoot van God een plaatsje wilde, zou ik bereid moeten zijn, diezelfde warme plaats te delen met de ander.

Wilde ik dat ook? Wilde ik vergeven en die ander daar in de armen van God aanvaarden? Alleen zo kon ik dicht bij het hart van Vader komen. Anders ging het niet; anders gaat het niet.

Toen ik dat goed begreep, ben ik toch op de ‘schoot’ van God gekropen. Door de klauterpartij van echt vergeven en aanvaarden van die ander. En zo werd mijn hart beschermd tegen welke vorm dan ook, van bitterheid of vijandschap tegen mijn broeder. Zo blijft je hart vrij van zelfmedelijden en van valse troost.

Een vrij hart, voor een vrij kind van de Heer, dat na een tijdje bij Vader te hebben gezeten weer fijn gaat spelen met haar broertjes en zusjes.

 

Van verwerping naar verhoging

geesten van verwerping

Geest van hysterie

De laatste jaren is er in verschillende gemeenten veel gesproken en ge­dacht over ‘de geest van verwerping’, met in zijn kielzog twee andere ‘over­heden in de lucht, name­lijk ‘de geest van weer­spannigheid’ en de ‘geest van hysterie’. Het is ge­bleken dat de grote verwerper, satan, die zelf door God verworpen werd vanwege zijn hoogmoed en weerspannigheid, probeert de mens aan te tasten door bovengenoemde machten.

Door de gave van onder­scheiding die wij, door de Heilige Geest geleid, kunnen gebruiken, mogen we dit ontdekken. We kunnen deze machten, die door onze Here Jezus zijn ontmaskerd, ontwapend en openlijk tentoongesteld, afleggen, er aan ontko­men. Dit brengt strijd mee, maar ook en juist gelóóf en volharding.

Allereerst moeten we er voor oppassen, dat de verwerper aller tijden géén eer ontvangt. Wij stellen iets vast, noemen de macht bij zijn naam en maken ons er los van in Jezus’ Naam. Vervolgens gaan we geloven in her­stel van puinhopen in ons leven, we geloven in genezing van beschadigd gevoelsleven en we zeggen dank voor wat Je­zus, onze Voorstander en Voleinder in het geloof, heeft gedaan, gaat doen en doet! Hij verhoogt! Hij trekt ons omhoog en plaatst ons in Zijn eeuwig Koninkrijk, dat van het licht!

Het gevaar van het onder­scheiden van deze geesten is, dat we bang worden, gaan peuteren in onszelf… of anderen… en ons verkeerd opstellen. Dit is geen goede houding en benadering. Het kan de vijand zelfs voet geven terrein terug te winnen.

We dienen ons daarom vóór alles bewust te zijn van de geestesgave: geloof, die in ons is, in ons geval positief geloof, omdat het uit de Heilige Geest komt, waarin we zijn gedoopt. Gelóven in een herstellend God, gelóven in onszelf als Zijn schepping, gelóóf in een almachtig God, ge­lóóf dat de overwinning door Jezus ons deel is, gelóóf in eeuwig leven! Zo werken we door Gods kracht de verhoging uit, die God wil voor al Zijn schepselen!

Want “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat leven en godsvrucht strekt, be­giftigd door de kennis van Hem, die ons geroe­pen heeft door Zijn heer­lijkheid en macht; door deze zijn wij met kostba­re en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daar­door deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.

Maar schraagt om deze re­den met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelfbeheersing de vol­harding, door de volhar­ding de godsvrucht, door de godsvrucht de broeder­liefde en door de broeder­liefde de liefde jegens al­len.

Want als deze dingen bij u aanwezig zijn en over­vloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus. Want bij wie ze niet zijn, die is verblind in zijn bijziendheid, daar hij de reiniging van zijn vroegere zonden heeft vergeten.

Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet zult gij nimmer struikelen. Want zo zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwig koninkrijk van onze Heer en Heiland, Jezus Christus” 2 Petrus 1 vers 3 tot en met 11 (2 Petr. 01:03-11).

Tea Keuper-Dijk

 

In God is niets ongerijmds door Ada Karst

“… doch God slaat geen acht op het gebed”

Job 24 vers 12b (Job 24:12b, N. B. G, vert. ).

Dat is toch ook wat! Je zult toch zo’n God hebben. Hij luistert niet eens!

We zullen eens nauw­keuriger bekijken wat Job bedoelt. En als we Job 24 er op naslaan, valt het op dat Job het in dit hoofd­stuk helemaal niet heeft over al of niet verhoorde gebeden. Dat is zijn thema niet. Hoewel erboven staat: “Slaat God acht op het lot der verdrukten?” is deze vraag echt niet de kern­gedachte, al lijkt vers 12b hier een antwoord op te zijn! Nee, Job is met heel andere zaken bezig. Hij vraagt zich in dit hoofd­stuk af, waarom toch de mensen die God kennen, zijn spreken vaak zo slecht opmerken. “Waarom zien zij die Hem kennen zijn gerichtsdagen niet?” Job 24 vers 1b (Job 24:01b).

En in de verzen daarna beschrijft Job de gevolgen waarvan. Job ziet allerlei praktijken die het daglicht niet kunnen verdragen, uitgeoefend door mensen die God (menen te) ken­nen.

Wij zouden in onze dagen zeggen: Leer en leven stemmen niet overeen waardoor men een bedek­king over het leven haalt. Men kan in het gemeente- leven dan niet meer onder­scheiden waar het op aan komt, omdat men in het persoonlijk leven het spre­ken van God voorbij laat gaan. Zoals ook in vers 15b staat: ‘Geen oog mag mij zien; en hij legt een bedekking op zijn gezicht”. En ondertussen wordt de nood van wezen, weduwen, naakten en gewonden niet opgemerkt.

En dan ineens staat daar in vers 12: “Uit de stad stijgt het gekerm van stervenden op en roept de ziel van gewonden om hulp, doch God slaat geen acht op het gebed”.

Dezelfde Job die in Job 1 vers 22 (Job 01:22), temidden van zijn nood, “Gode niets ongerijmds toeschreef” moet nu toch wel van gedachten veran­derd zijn!

Of God, óf Job doet hier iets ongerijmds! óf…

Precies! Noch God, noch Job doet hier iets onge­rijmds, maar… de verta­ler! De vertaling doet voorkomen alsof God iets ongerijmds in zijn karak­ter bezit. Want wie sluit bij zoveel leed zijn ogen om niet te zien en zijn oren om niet te horen ? Alsof God, de Vader van Jezus Christus, die ook onze Vader is, wreed zou zijn!

In de Statenvertaling is dit hoofdstuk natuurlijk ook te vinden. En daarin

staat het geweldige karak­ter van God overeind! In tegenstelling tot: “doch God slaat geen acht op het gebed”, staat hier in vers 12b: “Nochtans beschikt God niets ongerijmds”!

Wat fijn dat we zo’n God hebben leren kennen. Een God die bezig is alles wat ongerijmds is, uit Zijn schepping te verwijderen. En daar mogen zijn kinde­ren. in wier leven niets ongerijmds past, aan meewerken.

Als een gedicht niet goed loopt, dan zeggen we wel eens: Dat loopt niet, of: dat rijmt niet, of: dat stokt een beetje.

Nu gaan we ons leven ook even vergelijken met een gedicht. Is het een goed maaksel? Loopt het goed? Komt het overeen met on­ze Maker? Ja? Dan rijmt het. Niets ongerijmds!

In Efeze 2 vers 10 (Ef. 02:10) staat: “Want zijn maaksel zijn wij”.

Ik hoorde een predikant zeggen dat in het oor­spronkelijke woord voor maaksel het woord gedicht terug te vinden is. Nu kan ik dat zelf niet controleren, maar geloven wil ik het graag, want: Zijn gedicht zijn wij! Het rijmt!

 

De geestelijke werkelijkheid door Wim te  Dorsthorst

Het ene lichaam met een Geest

Van deze eerstgeborenen is een deel die bij de Heer hun intrek hebben genomen, die in Christus gestorven zijn 1 Thessalonicenzen 4 vers 16 (1 Thess. 04:16), en een deel die nog leven en dus in de gemeente functioneren. Wij kunnen geen plaats situeren voor deze gestorven heiligen, maar door het geloof weten wij zeker, dat ze bij de Heer hun intrek hebben genomen en bij Zijn komst met Hem terugkomen 1 Thessalonicenzen 4 vers 14 tot en met 16 (1 Thess. 04:14-16). Paulus zegt: zolang wij in het lichaam ons verblijf hebben, zijn wij ver van de Here in de vreemde. Als we ons verblijf in het lichaam verlaten – of zoals een andere vertaling zegt: “uit het lichaam uit gaan wonen” – nemen we onze intrek (inwoning) bij de Heer 2 Korinthe 5 vers 6b tot en met 8 en Filippenzen 1 vers 23 (2 Kor. 05:06b-08; zie ook Filip. 01:23). Wij die nog niet gestorven zijn, hebben met onze innerlijke mens deel aan het leven in de hemelse gewesten in Jezus Christus Efeze 2 vers 6 (Ef. 02:06) en zijn medeburgers van de heiligen en huisgenoten Gods, Efeze 2 vers 19 (Ef. 02:19), terwijl de gestorvenen er met geest, ziel en (geestelijk) lichaam hun intrek hebben genomen. Ondanks dat wij geen gemeenschap hebben of zoeken met gestorven heiligen, vormen wij – de levenden – wel een geestelijke eenheid met de in de Heer ontslapenen. Wij vormen één lichaam met één Geest en wij hebben één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen Efeze 4 vers 4 tot en met 6 (Ef. 04:04-06).

Hij is het die mijn stad herbouwen zal.

Jezus Christus is de bouwer van de stad Hebreeën 3 vers 4 en Jesaja 45 vers 13 (Heb. 03:04; Jes. 45:13), maar ook van de tempel, want Hij is ook de doper met de Heilige Geest Markus 1 vers 8 en Handelingen 2 vers 33 (Mark. 01:08; Hand. 02:33). Hij was naast God (op de troon) ook de eerste inwoner van de stad en de hoeksteen of hoofdsteen van de tempel 1 Petrus 2 vers 6 en 7 en Efeze 2 vers 20 en Jesaja 18 vers 16 (1 Petr. 02:06-07; Ef. 02:20; Jes. 28:16). Paulus zegt van Hem: “Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente, Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is” Kolossenzen 1 vers 18 (Kol. 01:18).

De eerste inwoners van het hemelse Jeruzalem zouden we dan kunnen noemen:

De misdadiger die met Jezus mee gekruisigd werd en tot wie Jezus zei: “Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs (dit is het hemelse Jeruzalem) zijn” Lucas 23 vers 43 (Luc. 23:43).

De rechtvaardigen van het oude verbond, die Jezus bij zijn triomftocht door het dodenrijk als krijgsgevangenen meevoerde Matteus 27 vers 52 en 53 en efeze 4 vers 8a (Matt. 27:52-53; Ef. 04:08a).

De 120 discipelen die ook op de eerste Pinksterdag vervuld werden met de Heilige Geest en zo de eerste levende (fundament) stenen voor de tempel vormden Handelingen 1 vers 15 en Handelingen 2 vers 1 tot en met 4 (Hand. 01:15; Hand. 02:01-04).

De krijgsgevangenen die Jezus meevoerde

Toen Jezus dood was, gestorven op het kruis, daalde Hij neer in het dodenrijk, in het hart der aarde, zegt Hij zelf Matteüs 12 vers 40 en Efeze 4 vers 9 (Matt. 12:40; Ef. 04:09) en predikte ook daar het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Het hart der aarde is niet letterlijk in het midden van de aardbol, maar als tegenstelling tot het hart of centrum van de hemel, waar de troon van God is. Hij was niet in het dodenrijk als een gevangene, maar als triomfator. Hij begon zijn zegetocht in het dodenrijk. Hij die gedood was naar het vlees, maar levend gemaakt naar de Geest, heeft in het dodenrijk gepredikt aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, zegt 1 Petrus vers 18b en 19 (1 Petr. 03:18b-19).

Allen in het dodenrijk hebben de blijde tijding gehoord en ook voor hen is er weer hoop. De rechtvaardigen van het oude verbond echter, die hun hoop en verwachting al tijdens hun leven op Christus hadden gebouwd Efeze 1 vers 12 (Ef. 01:12) en naar een beter, dat is een hemels vaderland verlangden Hebreeën 11 vers 16a (Heb. 11:16a), zijn met Jezus Christus uit het dodenrijk opgestaan. Deze heeft de Heer als gevangenen buitgemaakt Efeze 4 vers 8 naar de Petrus Canisius vertaling (Ef. 04:08). Ook voor deze rechtvaardige gelovigen geldt: dat ze mede levend gemaakt zijn met Christus. Zij zijn mede opgewekt en hebben mede een plaats gekregen in de hemelse gewesten, in Christus Jezus Efeze 2 vers 5 tot en met 6 (Ef. 02:05-06).

Zij zijn gekomen in de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. Voor hen was er nu ook volmaakte rechtvaardiging door het bloed van het Lam. Matteüs 27 vers 51 tot en met 53 (Matt. 27:51-53) beschrijft deze geweldige gebeurtenis als volgt: “En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven naar beneden in tweeën en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen” (“En zijn velen verschenen”, Statenvert. ).

Of er in de zichtbare wereld letterlijk graven van oudtestamentische rechtvaardigen zijn opengegaan, daar vermeldt de Bijbel verder niets over. Petrus bijvoorbeeld maakt geen enkele zinspeling op een dergelijke – toch wel aandacht trekkende gebeurtenis – als hij op de eerste Pinksterdag spreekt over de opstanding van Jezus Christus. Hij zegt in Handelingen 2 vers 29 (Hand. 02:29) het volgende: “Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is en zijn graf is bij ons tot op deze dag”. Kennelijk was het graf van David nog in ongewijzigde toestand aanwezig. Ook Paulus zinspeelt er niet op als hij over deze dingen spreekt in Handelingen 13 vers 36 en 37 (Hand. 13:36-37).

Wij weten echter dat voor het opstaan uit de dood geen graf open hoeft te gaan, want wat begraven is staat niet meer op, maar ontbindt 1 Korinthe 15 vers 36 (1 Kor. 15:36). Paulus zegt: “Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam opgewekt” 1 Korinthe 15 vers 44 (1 Kor. 15:44). Deze gebeurtenis moeten we dan ook geestelijk zien en is een letterlijke vervulling (in de geestelijke wereld) van wat Jezus zegt in Johannes 5 vers 25 (Joh. 05:25): “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu dat de doden naar de stem van de zoon van God zullen horen en die haar horen, zullen leven”.

Kunnen wij van deze opgestane rechtvaardigen zeggen: dat is de groep (nr. 5 uit hoofdstuk 1) die de Hebreeënschrijver noemt:  “de geesten der

rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben”? Ik geloof het niet. In Hebreeën 11 vers 39 en 40 (Heb. 11:39-40) wordt van deze geloofsgetuigen gezegd: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkregen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden komen”.

De geesten der volmaakte rechtvaardigen.

De voleinding duidt op het eindpunt of het hoogste wat te bereiken valt. Zie bijvoorbeeld Matteüs 29 vers 29 en Hebreeën 12 vers 2 (Matt. 28:29 en Heb. 12:02). Zo heeft Jezus het oudtestamentische tijdperk voleindigd. “Maar thans is Hij éénmaal bij de ‘voleinding’ der eeuwen verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen” Hebreeën 9 vers 26 (Heb. 09:26).

De voleinding van de mens is: wanneer hij onberispelijk is naar geest, ziel en lichaam en beschikt over een verheerlijkt- of opstandingslichaam, wat – evenals bij Jezus na zijn opstanding – niet meer onderhevig is aan natuurlijke wetten, maar aan geestelijke Handelingen 3 vers 13 en Filippenzen 3 vers 21 (Hand. 03:13; Filip. 03:21). Deze mens kan volledig functioneren in zowel de geestelijke als de natuurlijke wereld. Dit kan de schrijver van de brief aan de Hebreeën niet bedoelen. Zoals vaker geven de oude vertalingen (Statenvertaling, Lutherse vertaling en Leidse vertaling) hier veel meer duidelijkheid. Zo spreekt de Statenvertaling over de geesten der volmaakte rechtvaardigen. De voleinding’ slaat dus niet op het eindpunt (volmaakt naar geest, ziel en lichaam) van de mens, maar op zijn ‘rechtvaardiging’. Het oude verbond kende rechtvaardiging naar de wet, maar dat was onvolmaakt en er moest altijd weer opnieuw geofferd worden, terwijl dit niet toereikend was om zonden weg te nemen Hebreeën 10 vers 4 (Heb. 10:04). Daarom lezen we in Hebreeën 9 vers 26b (Heb. 09:26b): “maar thans is Hij éénmaal bij de voleinding der eeuwen, verschenen om door zijn offer de zonde weg te doen”. En Hebreeën 10 vers 14 (Heb. 10:14) zegt: “Want door één offerande heeft Hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden”. Dat is dus de ‘voleinding’ van de ‘rechtvaardigen’.

Wie Jezus Christus aanneemt als zijn persoonlijke Heiland en Verlosser, dat offer dus erkent als voldoende om hem te reinigen van alle zonde, is weer verzoend met God, is opgestaan uit de dood en overgegaan in het leven, dat is m het hemelse Jeruzalem. Zo iemand is volmaakt gerechtvaardigd of, zoals de Lutherse vertaling zegt: “in eeuwigheid voleindigd degenen die geheiligd worden” Hebreeën 10 vers 14  (Heb. 10:14). Op deze volmaakte rechtvaardiging moet dus de heiliging volgen (“die geheiligd worden”).

Er is een enorme grote groep christenen die dit wel geloven, of soms ten dele, maar die geen wandel in de hemelse gewesten hebben. Johannes 1 vers 12 (Joh. 01:12) zegt, dat allen die Hem (Jezus Christus) aangenomen hebben, macht hebben gekregen om kinderen Gods te worden. Deze macht hebben ze, om verschillende redenen, nooit gebruikt en ze zijn dan ook niet in heiliging. Naar de geest zijn deze mensen gerechtvaardigd. Het meest wezenlijke van de mens, de geest die Hij in ons deed wonen, en die God met jaloersheid begeert Jakobus 4 vers 5 (Jak. 04:05), is opgestaan uit de dood en overgeplaatst naar het hemelse Jeruzalem, dus teruggekeerd tot God, waar hij ook vanuit is gegaan Genesis 2 vers 7 (Gen. 02:07). Maar wat hun levensinstelling betreft, zijn ze volkomen aards gericht, evenals hun belijdenissen en godsdiensten. Daarom spreekt de Hebreeënbrief ook over ‘de geesten der rechtvaardigen’ in tegenstelling met de ‘eerstgebo­renen’.

God wil de behoudenis van de totale mens naar geest, ziel en lichaam, maar ook de geredde zondaar zal de dood niet zien, want hij is overgegaan uit de dood in het leven Johannes 5 vers 25 (Joh. 05:25).

Zo zijn dus de inwoners van het hemelse Jeruzalem, met in het centrum de berg Sion (beeld van de Heilige Geest) waar de tempel gebouwd is, en waai Jezus Christus de hoeksteen van is:

God, de eeuwige koning en rechter over allen.

Jezus Christus, het Lam Gods, die reinigt met zijn bloed en stad en tempel bouwt.

De ontelbare scharen heilige engelen.

De gemeente van Jezus Christus, de met de Geest vervulde christenen.

De volmaakte rechtvaardigen.

(wordt vervolgd).

 

 

1986.09 nr. 273

Levend geloof 1986.09 nr. 273

Afleggen en aandoen door Gert Jan Doornink

“Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts” Romeinen 13 vers 12b (Rom. 13:12b).

Temidden van de talrijke onderwerpen en adviezen, waaraan de brief van Paulus aan de gemeente te Rome zo rijk is, komt deze duidelijke oproep, die ook voor de gemeente van deze tijd uitermate belangrijk is! Paulus laat deze oproep voorafgaan door de woorden: “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is vergevorderd, de dag is nabij…”

De apostel wil zijn medegelovigen er van doordringen hoe belangrijk het is ‘wakker’ te zijn! Een kind van God mag niet in slaap vallen, dat wil zeggen alleen nog uit sleur of gewoonte meedoen en niet werkelijk meer geestelijk betrokken zijn bij het functioneren in het Koninkrijk Gods.

Dit grote gevaar bedreigt ieder kind van God dat niet geestelijk groeit en zich niet laat corrigeren. “Het heil is ons nu meer nabij dan toen wij tot het geloof kwamen”, zegt Paulus. Iedere dag brengt ons dichter bij de realisatie van Gods plan: een gemeente, “stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” Efeze 5 vers 27b (Ef. 05:27b). In de leden van deze gemeente is de volheid van Christus optimaal tot openbaring gekomen. Maar daar zullen we dus ten volle aan mee moeten werken door (a) de werken der duisternis af te leggen en (b) de wapenen des lichts aan te doen! Een dubbele opdracht die we zelf moeten uit voeren’

Een kind van God kan dus nog gebonden zijn met ‘werken der duisternis’, die we onder verschillende benamingen in de Bijbel tegenkomen, onder andere: ‘wereldgeesten’, ‘werken van het vlees’, enz. Als deze in ons leven geïnfiltreerd zijn is de duivel er in geslaagd onze geest te ‘bevruchten’ met zijn verkeerde geesten Jakobus 1 vers 13 en 14 (Jak. 01:13-14). Daarom is het ook zo belangrijk dat we geestelijk groeien, dat we het volwassen stadium in Christus bereiken en dat we als het ware continu vol zijn van de Heilige Geest. Want waar de Heilige Geest is, is geen plaats voor verkeerde geesten.

De Heilige Geest is één van de ‘wapenen des lichts’, evenals het Woord van God, het gebed, het positieve belijden, het geloof, de lofprijzing, enz. Deze geestelijke  wapenen kunnen we echter niet succesvol hanteren als we niet vrij zijn van de werken der duisternis. Willen we als eindtijdgemeente de overwinning behalen – en dat is Gods wil en opdracht – dan is het van primair belang dat deze zijn of worden af gelegd. En als we dan de wapenen des lichts gaan gebruiken zullen we ervaren dat deze wapenen krachtig voor God zijn tot het slechten van bolwerken 2 Korinthe 10 vers 4 (2 Kor. 10:04).

Door de toekomst gegrepen door Gert van de Kamp

 

Door de toekomst gegre­pen, staat er boven dit artikel. De titel sugge­reert dat het hier gaat om, wat je zou kunnen noemen, een wervelend proces, een actief gebeu­ren. De titel geeft aan dat er mensen zijn die voor­uitzien en vertrouwen hebben in de toekomst, de komende tijden.

Toekomst is voor velen iets fascinerends, het boeit mensen. Enerzijds omdat men denkt: er is geen toekomst, anderzijds omdat men uitspreekt: er is toekomst! Tot diegenen die het laatste uitspreken behoort de christen. Een christen is iemand die door de toekomst gegrepen is, die vooruitziet naar wat nog komen gaat. Een christen weet dat God het is die voor hem een heer­lijke toekomst heeft bereid.

Een volgeling van Jezus zal aan de woorden ‘hoop’ en ‘verwachting’ dezelfde inhoud toekennen als het woord ’toekomst’. De Groot Nieuws Bijbel onderstreept dit op een duidelijke ma­nier! “Wees niet jaloers op mensen die zich niet aan God storen, zorg lie­ver steeds ontzag te heb­ben voor de Heer. Dan kun je de toekomst hoop­vol tegemoet zien, dan wordt je niet in je ver­wachtingen teleurgesteld” Spreuken 23 vers 17 en 18 (Spr. 23:17-18).

Samen de toekomst in

Het evangelie schept hoge verwachtingen. Het be­looft de mens een stralende toekomst. “Want Ik weet welke gedachten Ik over u koester, gedachten van vrede en niet van on­heil, om u een hoopvolle toekomst te geven”, zegt Jeremia 29 vers 11 (Jer. 29:11).

Broeder Jongman (voor­ganger volle evangelie ge­meente Den Helder) heeft eens gezegd wat volgens hem het woord ‘hemel’ be­tekent. HEMEL: Hier Ein­digt Mijn Eigen Leven. Ten aanzien van deze uit­spraak kun je stellen dat de toekomst begint waar je eigen leven eindigt, namelijk als een mens zich keert naar zijn Schepper. Dan ben je in de hemel en is je toekomst begon­nen. Als er een besluit gevallen is voortaan samen verder te gaan, opent zich een nieuw perspectief. De vele beloften die God heeft gedaan gaan dan in vervulling. Samen verder gaan is samen met God en samen met de ge­meente waartoe je behoort. De toekomst, die beleef je samen.

Het Ik-tijdperk

Door de voortgaande wes­terse civilisatie zien we dat de westerse wereld in een post-christelijk tijdperk terecht is geko­men. Gingen eens vanuit Europa talloze zendelingen naar alle delen van de wereld om het evangelie te verkondigen, nu zien we een ontwikkeling an­dersom .

In het dagblad “Trouw” stond een foto waarop een zwarte evangelist – deelnemer aan het door Billy Graham georgani­seerde congres voor evangelisten – een traktaat uitdeelt aan een schamel geklede vrouw terwijl hij zelf keurig gestoken is in een driedelig pak. De wereld andersom.

Europa is tot zendingsgebied geworden.

Echt heel veel mensen stel­len zich weinig voor bij het woord toekomst. “Wachten tot de bom valt”, is in dit opzicht moeilijk te zien als een interpreta­tie van het woord toekomst, Toch stellen veel mensen – en vaak juist jongeren – zich de toekomst op een dergelijke manier voor. Een levenswijze a la “pluk de dag” is het gevolg van deze negatieve kijk op de komende tijden. Men zegt: we zijn in het ik-tijdperk gekomen, er vanuit gaand dat ieder mens zoveel mo­gelijk geluk moet vergaren voor zichzelf. De (A)ander is minder belangrijk ge­worden en het woord ‘samen’ is naar de achtergrond verdwenen. De “struggle for live” is be­gonnen en voor jezelf op­komen is heel gewoon. . .

Als je een christen bent, dan weet je van geen ik- tijdperk. Een christen leeft in een wij-tijdperk. Wij is: God en de mens en God en de gemeente. Die gaan samen een hoop­volle toekomst tegemoet. Meteen ligt er dan ook een uitdaging om diegenen die (nog) in het ik-tijdperk leven uit te nodigen de stap te zetten in het wij- tijdperk, het tijdperk van de toekomst.

Erfgenamen van de toekomst

In Jeremia 31 vers 16 en 17 (Jer. 31:16-17) spreekt de profeet over Rachel, die weent om haar kinderen. De door Jeremia gesproken woorden zijn ook actueel voor ons: “Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tra­nen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord des Heren, zij zul­len terugkeren uit het land van de vijand. Ja, er is hoop voor uw toe­komst, luidt het woord des Heren, de kinderen zullen ’naar hun gebied terugkeren” .

In dit tekstgedeelte komen een paar belangrijke ge­zichtspunten naar voren aangaande onze toekomst. Het spreekt van “loon naar arbeid”, van “terugkeren uit het land van de vijand” en van “kinderen die naar hun gebied zul­len terugkeren” .

Deze drie elementen slaan op de toekomst. Het is niet alleen een natuurlijke maar ook een geestelijke wet als de arbeider na gedane arbeid zijn loon krijgt. Een hoopvolle toekomst is je deel, zegt Jeremia. Dat mag je ver­wachten als je Jezus volgt en samen met Hem werkt aan diezelfde toekomst. Dat samen werken doe je in de gemeente, alwaar het Koninkrijk Gods zich steeds meer uitbreidt en alwaar Gods herstelplan tot uitvoer wordt gebracht.

Tegelijkertijd is het voor een christen ook “terug­keren uit het land van de vijand” . Ook dat is een proces. Je losmaken van alle banden die er (nog) bestaan met een leven dat niet uit God is. In het land van de vijand is namelijk geen toekomst, daar kun je niet leven. “Voor de boze is er geen toe­komst”, zegt Spreuken 24 vers 20 (Spr. 24:20).

Als laatste ligt er voor christenen een opdracht: “kinderen die naar hun gebied zullen terugkeren” . “Wees als de kinderen”, zegt Jezus, “want zij er­ven het Koninkrijk Gods” . Kinderen zijn erfgenamen van de toekomst, de jeugd heeft de toekomst! Een christen mag zich in dit opzicht tot de kinderen rekenen èn hij moet terug­keren naar zijn gebied. Dat is de plaats waar je vandaan komt, namelijk de bron van alle leven: de Schepper. Terugkeren naar je Schepper betekent jezelf zijn en een zinvol leven kunnen leiden.

Zo is er hoop voor de toekomst, mag je nu al aan je toekomst werken en dat vanuit de zeker­heid dat je “in je ver­wachtingen niet wordt teleurgesteld” ! God heeft het immers zelf beloofd.

 

 

Het zout der aarde door Jan W Companjen

 

“Gij zijt het zout der aar­de; indien nu het zout zijn kracht verliest, waar­mede zal het gezouten worden? Het deugt ner­gens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden” Matteüs 5 vers 13 (Matt. 05:13).

Onze taak is onvervangbaar

Wij zij het zout voor deze aarde. Dat is als christen ons doel en onze roeping. Wij hebben een taak in deze wereld die onver­vangbaar is. Als lichaam van Christus zijn wij hier op deze aarde zijn verte­genwoordigers en zijn af­straling.

‘Het zout der aarde’ en ‘het licht der wereld’, zijn gezegdes die schei­ding brengen tussen hen die dit ook werkelijk zijn en hen die het niet zijn. Het klinkt namelijk nogal wat aanmatigend, dat wij dit en dat zijn en dat een ander dat niet heeft. Het lokt de vraag uit of wij meer zijn dan de an­der.

Wij zijn niet méér mens dan de ander mens is, maar wij hebben meer ontvangen en daarom zijn wij meer waard. Meer waard voor deze wereld die in de duisternis wan­delt en toch, bewust of onbewust, wacht op het grote licht dat eens schij­nen zal voor alle mensen.

Christenen die niet door Gods Geest geleid worden, zijn op dit punt onzeker. Zij draaien er omheen en putten zich uit om mens onder de mensen te zijn, door middel van wetten en politiek gemanoeuvreer. Samen zoeken en streven zij naar een goede samen­leving. Men is echter niet doordrongen van het feit dat het hier gaat om een strijd om de macht tussen twee tegenpolen.

Tegenpolen mogen er zijn, zij zijn zelfs onontbeerlijk, maar er is dan wel de eis dat ze moeten samenwer­ken en tot de erkenning moeten komen dat er een – (min) en een + (plus) pool is. De – is aards ge­richt en de + hemels, de laatste is immers de stroom-, de kracht drager. Samen zorgen zij voor licht en kracht.

Markus 9 vers 49 (Mark. 09:49) voegt in dit verband dan ook nog aan onze tekst toe, dat iedereen door het vuur van de beproeving moet gaan om gezouten te worden. Dat wil zeggen dat wij in de beproevin­gen moeten kiezen voor het goede, moeten opko­men voor het volmaakte leven dat in Christus is. Al voort gaande worden wij gezouten, doortrokken van het leven zoals de Vader van alle leven het bedoeld heeft.

Bederfwerend en smaakmakend

Wij zijn het zout der aarde en dat zal eruit komen, want Hij laat niet varen wat zijn hand be­gon te doen. Christus Jezus is hét hoofd van deze gemeente en is er één hoofd dan is er ook één lichaam.

Zout is bederfwerend en is een onvervangbare smaakmaker. Wat een roeping en wat een voor­uitzicht ! Dat is iets waar de mens een rechte rug van kan krijgen, omdat hij weet waarvoor hij kroon der schepping is.

Over de bederfwerende werking van zout en het doel van de gemeente van Christus en omdat de doel te vervullen, zullen wij niet zoveel strijd krijgen. Iederéén weet in ons landje wel een ander ‘recht’ te zet­ten. Het zou op dit punt belangwekkend zijn als eens op een rijtje werd gezet wat zonde is en geen zonde, wat recht­vaardig is en niet recht­vaardig, wat natuurlijk – door God geschapen – en wat onnatuurlijk is. Men legt de medemens vaak wetten en verplichtingen op die niet gehou­den kunnen worden omdat, ze bij de mens van vlees en bloed horen.

De aanklager viert hier nog hoogtij. Het leven zonder besef van kwaad, dat eens zal doorbreken, is nog volop in het vuur en veel, ja zeer veel oude vóóroordelen zullen nog doorbroken en opgeruimd moeten worden.

Als deze dingen, die nog veel levens bederven en ontmoedigen, zijn opgelost zal de blijdschap van bin­nenuit weer volop gaan werken. Wij zijn tot blijd­schap geschapen, maar deze natuurlijke levens­vreugde wordt bij velen getemperd omdat het le­ven nog zoveel onzekerhe­den geeft. De echte blijd­schap wordt verstoord door het missen van het geloof dat God, de Vader, en Jezus Christus, de Zoon, je lief heeft zoals je bent en dat Zijn Geest en jouw geest samen op weg zijn naar Zijn doel.

Blijdschap moet voortko­men uit de wetenschap dat God vóór ons is. Dat wat Hij tegen ons zegt en voor ons doet de waarheid is. Dat Zijn le­ven in ons de hoop is op al deze heerlijkheid.

Indien.dat blijde, zonnige leven ons deel is, zijn wij tot ons doel gekomen als smaakmakend zout. Dan zijn wij mensen die de wereld jaloers maakt om datgene wat wij bezit­ten. Dan leven wij van ons af en stralen wij Zijn heerlijkheid uit. Het altijd met onszelf bezig zijn en zoeken naar datgene wat nog niet volmaakt is, maakt ons onvruchtbaar voor de medemens. Zij zien tobbende mensen die nooit met zichzelf tevreden zijn en daardoor de blijd­schap missen die beloofd is voor een ieder die ge­looft dat Jezus de Chris­tus is. Niet de wet of overlevering van geboden of verboden maakt de mens tot zoon van God, maar de Geest Gods die in ons woont, moet het werk Gods uitwerken.

Daartoe kwam Hij op deze aarde en het zal vervuld worden, want het Woord van God heeft het ons voorzegt. Jezus Christus is het antwoord in elke nood, ook de noden van deze tijd. Hij is meer dan een politieke oplossing. Hij en Zijn gemeente (Zijn lichaam) geven een oplos­sing die allesomvattend is.

De barmhartige Samaritaan

Als voorbeeld dat deze dingen zullen geschieden gaan we de ontwikkelin­gen in de geestelijke we­reld eens bekijken aan de hand van de gelijkenis van de barmhartige Sama­ritaan Lucas 10 vers 25 tot en met 37 (Luc. 10:25-37), een pracht profetie voor de gemeente van Christus.

Deze gelijkenis vindt zijn oorsprong in de vraag van een wetgeleerde hoe men deel kan krijgen aan het eeuwige leven. Hij weet dat hij God moet liefhebben als zichzelf. Jezus antwoordde daarop: “Houdt u hieraan en gij zult leven”.

God liefhebben geeft geen problemen, dat is klaar en duidelijk. God mag dat van je eisen. Maar je naaste liefhebben als je­zelf, dat is wel iets meer gevraagd. En dan moet je als mens, die dagelijks bezig is om het beste voor zichzelf te zoeken, net zoveel van je naaste hou­den? Dat moet toch niet voor iedere naaste bedoeld zijn, denkt de wetgeleer­de. Zeker alleen voor die­gene met wie ik in de kerk of in de gemeente .zit of met wie ik dagelijks om ga. Of misschien is het alleen maar mijn eigen vrouw? Hij vraagt dan ook aan Jezus: “Wie is mijn naaste?” Jezus draait in de gelijkenis die Hij dan vertelt, de zaak om. Het is niet: “Wie is mijn naaste?”, maar: “Voor wie ben ik de naaste?”

Door de eeuwen heen heeft deze vraag een rol gespeeld. In vragen rond­om vriend en vijand, ras en vreemdeling, oorlog en vrede, hulp of geen hulp bij rampen, enz.

Langs de weg opgaande van Jericho naar Jeruza­lem, reisde een man, ver­telt Jezus dan in zijn ge­lijkenis. Menigmaal zegt Jezus, bij het vertellen van zo’n gelijkenis, duide­lijk waar het omgaat. Bij­voorbeeld de gelijkenissen betreffende het koninkrijk der hemelen en de gelijke­nis van het onkruid, waarbij het gaat om men­sen die bij Jezus horen of (het onkruid) die slechts in naam volgelingen zijn. In de andere gelijkenissen komt een grote variatie onderwerpen betreffende zijn volgelingen (de ge­meente) aan de orde. Zo ook hier in deze gelijke­nis.

De man die hier halfdood langs de weg ligt, werd gedurende zijn reis door rovers overvallen. Zij be­roofden hem van al zijn bezit en lieten hem half­dood liggen. Die man is een beeld van de gemeen­te. Ook de gemeente van Jezus is tijdens zijn reis overvallen. Ook zij is be­roofd van al haar rijkdom­men en ook dat lichaam is halfdood langs de weg blijven liggen. Reeds kort na de proclamatie van dat lichaam in het hemelse Jeruzalem (waar­van zij die tot het lichaam van Christus behoren toch leden zijn) is die man aan een weg terug begonnen, hij daalde af van Jeruza­lem naar Jericho. Het he­melse Jeruzalem had hij als het ware de rug toe­gekeerd .

Dan gaat de geschiedenis verder en komt er ‘bij toeval’ een priester langs diezelfde weg. Ook van hem staat vermeld dat hij op weg is naar Jericho. Jammer voor het slachtof­fer, indien de reis van die priester/voorganger maar omhoog was geweest, had hij wel hulp mogen verwachten, omdat tijdens het passeren van die eerste voorbijganger het vuur nog wel brandende zal zijn geweest.

Deze priester vertegen­woordigt in zijn beeld het oude verbondsvolk en het volk dat het nieuwe Jeru­zalem uit het oog verloren heeft en in de voetsporen is gekomen van het oude. Bij hen is het nieuwe weer oud geworden. Zij hebben geen antwoord meer voor een leeggeroofd mens. Zij zijn onbekwaam geworden om aan te pak­ken en kruipen weg, on­der andere achter een wet dat je een dood mens niet aan mag raken. Het is immers lang niet denk­beeldig dat zo’n slachtof­fer onder je handen dood gaat?

Er is echter meer aan de hand, de medemens is uit het oog verloren geraakt. Men is zichzelf liever gaan vinden dan de ander. Het eigen hachje staat voorop en ieder zorge voor zich­zelf, ook de priester. Hij die in wezen geroepen is leider van de gemeenschap te zijn, heeft geen ant­woord meer op datgene wat hij ziet. Hij gaat in een boog voorbij. Daar komt nog bij dat die ander die daar ligt dood te gaan van een andere groep, een andere kerk, van een ander volk is. Hij, de priester, is toch alleen maar verantwoordelijk voor zijn volk en toch niet voor al die volkjes en volkeren die er nog meer zijn?

Wij zijn voor ieder verantwoordelijk

Is dit zo? Neen, Jezus zei: “Gij zijt het zout der aarde” en “het licht der wereld”. Ik denk dat op deze grond ook het pries­terschap aan het hele volk van God in het nieuwe verbond toekomt. Iedereen is verantwoordelijk voor iedereen en op de plaats waar je komt, dat wil zeg­gen waar je levensweg je brengt.

Wij zijn nu gekomen bij onze volgende voorbijgan­ger. Bij hem staat niet welke richting hij gaat. Is hij toch op weg in de goede richting? Ik denk van wel. Hij is een Leviet, een man die door geboorte (wij in het nieuwe ver­bond door wedergeboorte) geroepen is tot het pries­terschap. Zij doen dienst in het huis des Heren als opzieners, poortwachters, lofprijzers en muziekmakers. Zoals we zien hoort iedereen van het volk van God hierbij. Wij zijn als het ware nieuw Testamentische levieten. Toch laat deze lofprijzer het erbij zitten. Ook hij passeert met een grote boog. Hij is nog teveel doortrokken van het oude zuurdesem en weet geen antwoord op die dodelijke nood.

Dan komt de Samaritaan in zicht. Ook hij is op reis. Tweeduizend jaar christendom is voorbijge­gaan en wij hebben een christendom gehad zoals bij de twee vorige voorbij­gangers is omschreven. Het lichaam van Christus bleef langs de weg liggen en de passerende ‘chris­tenen’ – geroepenen – waren voorbijgangers.

Even gloort het op in de geschiedenis als Luther een nieuw begin maakt.

Het Woord Gods komt weer onder het stof vandaan en het wordt: door het geloof alleen. Een nieuwe voor­bijganger kwam, maar ging ook in een grote boog voorbij. Alles bleef teveel bij het oude.

Dan de Samaritaan, wat moeten we daar nu mee aan? Hij is als het ware een vreemdeling, een randfiguur waarmee de Joden geen gemeenschap hadden. Het is opmerke­lijk dat Jezus voor zijn ontmoeting met de Samaritaanse vrouw door Sa­maria moest gaan. Het komt daar tot de levens­vraag voor de gehele we­reld namelijk het water. Zonder water is er geen leven. Jezus vertelt dan dat Hij de bron van het werkelijke levenswater is. En wat meer is, de Sama­ritanen drinken van dat water en zij vroegen Hem bij hun te blijven en Hij bleef bij hun twee dagen.

Type van de eindtijdgemeente

Het is niet vreemd dat de Samaritaan weer naar vo­ren komt. Hij is het type van de eindtijd-gemeente, die toegerust is tot dienst­betoon. Toen hij de man zag liggen, kreeg hij medelijden. Het laat hem niet koud hoe het dat andere deel van de gemeente, dat op sterven na dood is, vergaat. Hij ziet niet al­leen wat de rovers en moordenaars hebben aan­gericht . Hij gaat er ook wat aan doen. Hij is niet bang dat die mens dood gaat, maar gaat er vanuit dat hij tot herstel komt. Hij zuivert de wonden met olie en wijn en verbindt hem. Dan zet hij de man op zijn eigen ezel, let op, hij zet die man op zijn eigen plaats en brengt hem naar een herberg. Naar een plaats waar hij verzorgd kan worden, een onderkomen waar het goed toeven is. Waar hij zijn eten en drinken krijgt op de tijden dat dat nodig is.

Moeten wij hierbij niet denken aan de samenkomstvorm zoals wij die nu kennen? De herbergier ontvangt de volgende dag zijn opdracht en die is niet mis te verstaan. Zorg ervoor dat hij weer hele­maal herstelt, hier heb je geld en mocht het je meer kosten dan krijg je dat vergoed als ik terugkom.

Mooier en groter evangelie kan er niet verkondigd worden. Hij zegt – en dat moet de boodschap voor iedere gezonde eindtijdgemeente zijn Zorg ervoor dat dit – mijn lichaam – herstelt, dat het weer ge­zond wordt en op zijn voeten kan staan. Hier heb je er geld voor, dat wil zeggen heb je er dat­gene voor wat je nodig hebt en mocht je tekort komen, schaf dan alles aan wat daartoe nodig is. Ik zal het bij mij terug­komst betalen.

De beheerder van de her­berg is goed toegerust. Hij aanvaardt de opdracht zonder probleem. Hij en de Samaritaan geloven in hun opdracht namelijk herstel van de mensheid. Zo wil Jezus ook ons te hulp komen! Hij wil ons leiden naar de volle waar­heid. De blauwdruk van het grote karwei ligt klaar en Hij zal ons als grote Hogepriester leiden naar dat grote doel: dat alles wordt waartoe het geschapen is!

De weg naar het hemelse Jeruzalem is daar. Het toegetakelde lichaam van Christus kunnen ook wij weer zien, omdat onze ogen daarvoor zijn opengegaan. Wij gaan er niet met een boog omheen, maar komen uit onze schuilhoeken tevoorschijn en gaan herstellen wat door de duivel en zijn trawanten is aangericht. De herbergen zijn er en het zal ons gelukken, want Hij – Jezus – zal het tot verzadiging toe zien waartoe Hij het alles vol­bracht heeft Jesaja 53 vers 11 (Jes. 53:11). En wij? Wij zullen aan Zijn tafel verzadigd worden! Ezechiël 39 vers 20  (Ez. 39:20) Geprezen zij Zijn Naam!

U opent een vergezicht dat ons bekoort,

en zelf bent u daartoe de weg en de poort.

Dank Heer, voor de waar­heid, dat U als de Zoon,

ons leven vernieuwt U tot sieraad en kroon.

 

U straalt als een morgen­ster, helder en klaar,

Wij worden de lichtende dag reeds gewaar.

Vol dank is ons hart, Heer, want zo bent U zelf:

belofte en waarborg voor alle herstel!

 

Intermezzo door Gerry Velema

Reparatiewerk

Met een aardig vaartje snelde ze over ’s Heren wegen, op weg naar haar werk. Haar gedachten liet ze wat de vrije loop. Ze reed automatisch haar dagelijkse route. Toch zijn deze sluimerende momenten niet alleen een gevaar voor het autorijden, maar ook voor je gedachteleven. Zo ging het ook nu…

Zomaar ineens, als in een flits ging het door haar heen, dat de vorige week een wiel was losgeraakt van hun tamelijk oude autootje. Door de herinnering alleen al minderde ze al wat vaart.

Alles was goed afgelopen gelukkig. Ze hadden toen nauwelijks enige snelheid, doordat ze net optrokken. Het wiel en zelfs de bouten werden teruggevonden en opnieuw bevestigd. Maar dat moest zich nu eens herhalen… Tjonge, hoe hard reed ze nu wel niet.

De snelheid verminderde van honderd naar tachtig, naar zeventig. Luid getoeter achter haar liet het ongenoegen van de mede-autorijders merken. Een blik op de klok in het dashboard, zei haar dat ze geen tijd had om het heel kalmpjes aan te gaan doen. Met klamme handen en een verhoogde hartslag maakte ze weer wat meer vaart.

U begrijpt het: ze was bang geworden! Zomaar was het angstduiveltje het gelukt iemand uit haar gemoedsrust te halen.

Maar nu sluimert ze niet langer. Ze pakt dat angst-duiveltje en zichzelf eens even flink aan. En terwijl ze daarmee bezig is, komt er van een heel andere kant óók een gedachte binnen vallen: “Je kent je man toch! Wat hij maakt doet hij goed en vakkundig. En zeker jou, zijn liefste bezit, zou hij nooit in een auto die onbetrouwbaar is laten rijden”.

Deze gedachte deed haar glimlachen, haar handen ontspanden zich rond het stuur. En met een rustiger hart versnelde ze haar vaart weer.

Later, toen ze haar zangdienst voorbereidde, bracht de Heer haar dit voorvalletje weer in gedachten. En Hij liet haar zien, dat ze er een mooie parallel in kon vinden. Als de hemelse Vader ons, vanuit zijn eindeloze liefde voor ons, herstelt, dan gebeurt dit goed en grondig. Dat geeft een veilig gevoel ‘onderweg’ met Hem. Hij repareert me goed, ja zelfs zo dat ik wordt als nieuw: volmaakt!      

 

Contact met de redactie door Gert Jan Doornink

De geestelijke werkelijkheid

Na de serie artikelen onder de titel “Geestelijk licht op de eindtijd, welke voor velen tot grote zegen was, begint Wim te Dorst­horst in dit nummer met een nieuwe artikelenserie getiteld: “De geestelijke werkelijkheid” . Ter introductie het volgende:

In de afgelopen jaren werd broeder Te Dorst­horst enkele malen geconfronteerd met ongenees­lijke zieken in zijn directe omgeving. Mensen wiens lichaam gesloopt werd en wat eindigde met de (lichamelijke) dood.

De grootste nood bleek niet zozeer de ziekte, maar een tekort aan geestelijk inzicht en voorstel­lingsvermogen over de levende werkelijkheid na het sterven.

Zo is deze studie over de geestelijke werkelijkheid ontstaan tot vertroosting van die mensen. Ook in de dagen van Paulus zal deze nood zich wel eens aangediend hebben in de gemeenten, gezien wat hij schrijft in 2 Korinthiërs 4 en 5 over “Goede moed, ook bij het sterven” .

Voor iedere gelovige is het echter van groot be­lang een heldere visie te hebben op de geestelijke wereld en zijn deelhebben en functioneren daarin.

De hele bijbel spreekt dan ook over deze verborgen wereld achter het zicht­bare en het waarneembare. Daarom geeft deze studie ook geen volledig beeld, maar tracht het enkele fundamentele inzichten vanuit de bijbel, aan te reiken, waar een ieder verder op kan doorden­ken en zijn geloofsleven verdiepen.

Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is niet bedoeld om de mens hier op aarde een beter bestaan te garanderen, maar om hem te brengen tot zijn wezenlijke bestem­ming in eeuwige gemeen­schap met God, de Schep­per van hemel en aarde.

Paulus bidt voor de ge­meente te Efeze dat de God van de Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, hen de Geest van wijsheid en van open­baring zou geven, om Hem recht te kennen, dat wil zeggen met ver­lichte ogen des harten, zodat zij gingen beseffen welke hoop zijn roeping wekt. Dat is ook onze bede voor u bij het lezen van “Levend Geloof” .

In de geestelijke frontlinie

Bij de uitgave van een blad als “Levend Geloof”, ontdekken we telkens weer hoe we daarbij in de voorste geestelijke front­linie staan. De voortdu­rende tegenstand uit het rijk der duisternis bewijst hoe de vijand een ontzet­tende hekel heeft aan de duidelijke en compromisloze verkondiging van het volle evangelie, zoals wij dat in “Levend Geloof” nastreven. De vijand weet dat hij terrein prijs moet geven als mensen serieus ingaan op de volle bood­schap. Hij zal er daarom alles aan doen dit te ver­hinderen. . . maar werkelijk verhinderen kan hij niet omdat Hij, die in ons is, meerder is dan die in de wereld is 1 Johannes 4 vers 4 (1 Joh. 04:04).

Dit gaat echter wel met geestelijke strijd gepaard! Een aspect van de bood­schap die in “Levend Ge­loof” ten volle de aandacht zal blijven behouden. Wij hebben vooral de laatste tijd nog eens weer ontdekt hoe belangrijk het is, dat men zich bewust is voort­durend betrokken te zijn bij deze strijd, waarbij wij gerust mogen stellen dat het ‘een strijd is op leven en dood’. Wie het aspect van de geestelijke strijd verwaarloost of minder be­langrijk acht, raakt gees­telijk uit geblust en wordt een ‘ingeslapen christen’, die niet meer het verlan­gen heeft de volheid van Christus tot openbaring te brengen. Dan blijft de verdere geestelijke groei achterwege met alle nega­tieve gevolgen van dien.

Laten we ook niet denken dat het zich bewust zijn voortdurend betrokken te zijn bij de geestelijke strijd, op de duur een soort vermoeidheid ver­oorzaakt die tot gevolg heeft dat we de strijd op­geven en het bijltje er bij neergooien. Dat kan alleen maar het gevolg zijn van een verkeerd in­zicht. Als wij ons bewust zijn dat we in de geeste­lijke strijd niet alleen staan en dat ons perfecte geestelijke wapens (Gods Woord, de Heilige Geest, etc.) ter beschikking staan, wordt het alles geheel anders en ervaren we, met Paulus, dat de wapens van onze veldtocht krachtig voor God zijn tot het slechten van bol­werken! 2 Korinthe 10 vers 4 (2 Kor. 10:04).

Dat we juist in deze redactionele rubriek het onderwerp ‘geestelijke strijd’ aansnijden heeft uiteraard een bedoeling. Wij willen onze lezers en lezeressen er nog eens van overtuigen hoe be­langrijk de uitgave van een blad als “Levend Ge­loof” is. Juist omdat wij geen water bij de wijn doen, kunnen mensen daadwerkelijk geholpen worden, als zij ingaan op de boodschap. Maar het schrijven vóór- en het uitgaven van “Levend Geloof” is natuurlijk on­mogelijk als niet gemoti­veerde lezers en lezeressen (zij die het net zo zien) daadwerkelijk ach­ter onze arbeid zouden staan.

Wij willen in dit verband nog eens onze grote dankbaarheid uitspreken aan allen die ons in de afgelopen maanden be­moedigden door hun ge­bed, hun opbouwende woorden, hun financiële bijdragen, hun opgave van geschenk- en gewone abonnementen en hun af­name en verspreiding van brochures. En… als u in dit opzicht nog niet actief betrokken bent bij onze arbeid, roepen wij u op ook mee te doen! Het gaat erom dat zoveel mogelijk mensen het wer­kelijke evangelie leren kennen en deelgenoot worden van de echte vrijheid en overwinning die Christus bedoeld heeft voor allen die in Hem geloven! Laat u niet af remmen door de vijand, maar wees een waarachtig vertegenwoordiger van het Koninkrijk Gods!

 

Veilig in Gods hoede door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Ik stel in ’t licht wat satan me heeft aangedaan,

Wat ik niet wilde en wil en ‘k wéét, dat ik mag staan!

Want Jezus stierf voor mij, Hij droeg eens al mijn zonden,

En Vader, U heelt, door Uw Geest, mijn denken en mijn wonden!

O Vader, liefdevolle God, ik dank U,

‘k dank U Heer: U houdt van mij en ik van U,

U ziet in liefde neer. Uw eng’len en Uw Geest,

zij helpen m’ U te aanbidden,

U plaatst mij op de Rots,

U stelt mij in het midden van al Uw kind’ren,

zwak en sterk, die gaan de hoge weg,

Daar is het waar ‘k mijn leven leef en het in Uw handen leg!

 

De wacht over je gedachten door Liesbet Seepma

“Maak je nergens zorgen over,

maar laat God altijd precies weten

wat je graag wilt;

vraag Hem wat je nodig hebt

en dank Hem voor wat Hij doet.

Dan zul je Gods vrede ervaren,

een vrede, die het menselijke besef

ver te boven gaat

en die de wacht over je hart en gedachten houdt,

zolang je één met Jezus Christus bent.

Hieruit volgt, Broeders,

dat je je gedachten moet richten

op alles wat waar, eervol, rechtvaardig,

zuiver, mooi en aangenaam is, kortom,

alles wat voortreffelijk en bewonderingswaardig genoemd mag worden” .

Filippenzen 3 vers 6 en 7 (Filip. 03:06-07), In deze teksten uit de brief die Paulus schrijft aan de gemeenteleden van Filippi gaat ’t over Gods vrede die de wacht houdt over je hart en gedachten.

Ik denk zelf – ook al een klein beetje uit ervaring – dat het heel belangrijk is, dat je hart en gedachten worden bewaard door Gods vrede. Ik denk echter ook, dat wij een héél actief aandeel kunnen hebben in die ‘bewaking’. Ik wil proberen eens even op papier na te denken over die bewaking.

De wereld waarin jij en ik onze gedachten ontwikkelen is een heel groot en uitgebreid ‘ontvangstgebied’, waarin, talloze ‘zenders’ allerlei boodschappen – gewenst of ongewenst – binnenbrengen. Die boodschappen variëren van heel positief tot heel negatief.

En nu is het maar net de vraag of al die boodschappen – met hun lading – zo maar heel gemakkelijk ons wereldje kunnen binnenstappen en daar ieder hun eigen sporen achterlaten. De negatieve boodschappen: sporen van verdriet, chagrijn, zorgen, angst, onreinheid, wetteloosheid en ga zo maar door. De positieve boodschappen: sporen van blijdschap, opgewektheid, overgave, rust, zuiverheid, discipline en nog véél meer. En dat ze sporen kunnen achterlaten is zeker!

Maar dat hóéft niet zo te zijn, want we kunnen onze gedachten als het ware bewaken als een stad, door om die stad sterke muren te bouwen. Natuurlijk moeten er in die muren wel poorten zijn, want anders zouden we geïsoleerd raken, zodat we ook ‘ ’t goede bezoek’ niet kunnen ontvangen. Maar laten we de indrin­gers, die onze stad op stelten zetten, niet de kans geven om door die poorten naar binnen te dringen.

De ‘bezoekers’ van onze gedachtewereld, de ‘zenders’, zouden we dus kunnen vergelijken met boodschappers, die ons bepaalde woorden mee­delen. We kunnen die woorden dieper in ons le­ven laten doordringen, en op dat moment wordt er, om die woorden heen, een gedachte ontwikkeld. Het is nu zaak dat we goed uitkijken wélke boodschap­pen/woorden we wél gaan ontwikkelen en welke niet. Het is zaak dat we, op het moment dat een indrin­ger ‘het wel eens pro­beert’, hem weten te ont­maskeren en onschadelijk te maken.

Meestal voel je ’t vanzelf wel aan of een boodschap wél of niet in je gedachten kan of mag worden verwerkt. Maar soms ook heb je ’t helemaal niet door dat er in jouw gedachteleven wordt ‘gerotzooid’! Als je van een gedachte echter verdrietig, bang of de­pressief, nijdig of geïrriteerd wordt, of als daar­door onreinheid vat op je krijgt – waarop meestal ook een daad volgt die niet in de haak is – dan weet je, dat je jouw ge­dachtenspinsels sowieso een halt moet toeroepen. Gods vrede, de bewaker, is op dat moment immers verdwenen.

Een hele goede hulp bij ’t waken over je gedachten is het woord van God. In He­breeën 4 vers 12 (Heb. 04:12) staat, dat het woord, dat God spreekt in de Bijbel, nog scherper is dan een zwaard dat aan twee kan­ten snijdt; dat het zó diep doordringt, dat het de overleggingen en ge­dachten van je hart schift.

Maar ja, dan is het natuurlijk wel zaak, dat jij en ik met Gods Woord in aanraking komen, dat we ’t in ons opnemen en dat we het in praktijk gaan brengen. En Gods Woord is geen droge of taaie kost, maar in He­breeën 4 vers 12 staat, dat het levend en krach­tig is. Het is waard om te worden nageleefd, om in praktijk te worden ge­bracht. Zó wordt Gods woord in onze handen daadwerkelijk een ‘zwaard van de geest’, een wapen dat we kunnen gebruiken bij de bewaking van onze geest, die ‘stad’ waarin wij woorden omzetten in gedachten. Het woord van onze God mogen wij in ons gedachtenwereldje

heel gastvrij verwelkomen, daarvoor mogen we onze poorten wagenwijd openzetten! Want met dat Woord, dat ons zuivere gedachten geeft, verwelkomen we Gods Wezen, Hem Zelf. Dat had David ook al door, toen hij in Psalm 24 vers 7 (Ps. 024:007) uitriep:

“Heft, poorten, uw hoofden omhoog en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga. Wie is toch de Koning der ere? De Here, sterk en geweldig, de Here, geweldig in de strijd!(…) de Here der heerscharen, Hij is

de Koning der ere” .

++++ VERVOLG VAN BLZ. 7

 

Fijn hè, dat je wel degelijk beslist, wie jij in jouw gedachtenwereldje toelaat. Laten we echt gaan werken aan die bewaking van onze ge­dachten. Ik zou je nog één psalm willen noemen, die ook spreekt over ge­dachten, namelijk Psalm 139. Hij spreekt over ge­dachten van God. David vond ze ‘kostelijk’ en hij ontdekte er overweldigend veel. Psalm 139 vers 1 tot en met 16 staat vol met die gedachten.

In vers 23 spreekt David een verlangen uit. Dat is ook zo Mijn verlangen, mijn wens! Ook de jouwe?

” Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie of bij mij een heilloze weg is en leidt mij op de eeuwige weg”.

 

 

De geestelijke werkelijkheid -1- door Wim te Dorsthorst

Geloof is zekerheid en bewijs

Om je te verdiepen in de geestelijke werkelijkheid, heb je geloof nodig. In de natuurlijke, zichtbare wereld kunnen we alles waarnemen met onze zintuigen. Er is echter ook nog een onzichtbare, geestelijke wereld die we alleen maar in het geloof kunnen betreden. Is dat dan geen fictie? Neen, dat is een grotere werkelijkheid dan het zichtbare, wat zijn bestaan te danken heeft aan het onzichtbare ‘woord van God’.

Hebreeën 11 vers 1 (Heb. 11:01) begint met te vertellen dat het geloof het bewijs is van de dingen die men niet ziet. Het gaat dan verder in Hebreeën 11 vers 3 (Heb. 11:03) met: “Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” .

Alles heeft zijn bestaansgrond of bestaansrecht in de scheppingswoorden van God. Niets is er zomaar – per toeval – buiten God om. Dit kunnen we niet beredeneren in een perfect sluitende theorie, maar door het geloof weten we zeker dat het waar is. Zo heeft God altijd gewerkt door mensen die in Hem geloofden, want ook voor het bestaan van God heb je geloof nodig Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) .

De bijbel noemt Abraham de vader van alle gelovigen: besnedenen en onbesnedenen Romeinen 4 vers 11b en Romeinen 4 vers 16 en 17 (Rom. 04:11b; Rom. 04:16-17). Hij is de eerste die door het geloof deel kreeg aan gerechtigheid en beloften van God. “Want niet door de wet had Abraham of zijn nageslacht de belofte, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door gerechtigheid des geloofs” Romeinen 4 vers 13 (Rom. 04:13). Abraham geloofde God en hij begreep dat de werkelijkheid niet het natuurlijke, zichtbare was en daarom verwachtte hij de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Hij beleed dat hij een vreemdeling en bijwoner was op aarde en verlangde naar een beter, dat is een hemels vaderland Hebreeën 11 vers 10, 13 en 16 (Heb. 11:10; Heb. 11:13; Heb. 11:16).

Zoek en bedenk de dingen die boven zijn

Abraham was voortdurend met deze dingen bezig. Hij overdacht alles wat God gesproken had en hij probeerde zich daar een voorstelling van te maken. Abraham was een zoeker en de belofte van Jezus Christus is: wie zoekt zal vinden Matteüs 7 vers 7 en 8 (Matt. 07:07-08) . Durven wij dit wel voldoende over te nemen of is onze aandacht teveel geconcentreerd op een natuurlijk bestaan? Voldoet ons leven hier wel aan alle eisen, want de Heer voorziet immers in alles! Waar verzamelen wij onze schatten: hier op aarde of in dat betere, hemelse vaderland? Denken wij na over ons zijn en functioneren in de geestelijke wereld? Denken wij na over God, over Jezus Christus en over de heilige engelen? Paulus zegt immers dat wij burgers van dat rijk in de hemelen zijn! Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20) .

Sommigen vinden dit gevaarlijk, want ‘God is Geest’, zegt Jezus en hoe moet je je dat dan voorstellen? Heeft God dan een gedaante? En de engelen? De Israëlieten hadden strenge voorschriften dat ze geen enkel beeld van God mochten maken Deuteronomium 4 vers 15 tot en met 19 (Deut. 04:15-19) . De profeet Jesaja zegt dat God zich verborgen houdt: “Voorwaar, Gij zijt een God, die zich verbórgen houdt, de God van Israël, een verlosser” Jesaja 45 vers 15 (Jes. 45:15). Is het dan niet beter maar af te wachten en na ons sterven maar te zien hoe het allemaal is? Dit is echter een grote misleiding. Het is de uitdrukkelijke wens van God dat de mens Hem tijdens zijn leven zoekt en al tastende vindt Handelingen 17 vers 27 (Hand. 17:27). Hij wil zich als een Vader openbaren aan zijn kinderen en niet een vage gedachte blijven. Hij heeft er een welgevallen in als wij nadenken over de onzichtbare wereld, mits wij ons dan niet verliezen in allerlei fantasieën en vrome, onwerkelijke voorstellingen, maar ons houden aan dat wat de bijbel – Gods woord – ons aanreikt. Paulus zegt daarom ook: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 en 2 (Kol. 03:01-02).

De bedekking verdwijnt in Christus

Door wedergeboorte krijgt de mens deel aan de lichtzijde van de geestelijke wereld. Met zijn innerlijke mens staat hij op uit de dood, is dan verlost uit de macht der duisternis en wordt door God overgeplaatst in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde Kolossenzen 1 vers 13 en 14 (Kol. 01:13-14) . Dan ben je dus met Christus opgewekt. Zelf onderwijst Jezus in Johannes 3 vers 3 en 5 (Joh. 03:3-5) dat wij door wedergeboorte het Koninkrijk van God kunnen zien en binnengaan. Ook zegt Hij tot zijn discipelen – dat geldt dus ook voor ons “Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien en uw oren, omdat zij horen!” Matteüs 13 vers 16 en Lucas 10 vers 23 en 24 (Matt. 13:16; Luc. 10:23-24) . Aan de niet-wedergeborenen is dat niet gegeven Matteüs 13 vers 11c en Deuteronomium 29 vers4 (Matt. 13:11c; Deut. 29:04) .

Paulus schrijft aan de Korinthiërs dat “telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart ligt, die slechts in Christus verdwijnt, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen 2 Korinthe 3 vers 15 en 16 (2 Kor. 03:15-16) . Wij maken dus als wedergeborenen deel uit van het Koninkrijk van God en wij hoeven dus ook geen genoegen te nemen met vaagheden.

De stad van de levende God

Door de Heilige Geest geleid willen we proberen wat we al verstaan en zien kunnen van de hemelse werkelijkheid, het hemelse Jeruzalem, de berg Sion, de stad Gods, het Koninkwijk Gods. Wij lezen van deze hemelse stad (hemelse situatie!) in Psalm 48 vers 2 en 3 (Ps. 048:002-003): “Groot is de Here en hoog te loven in de stad van onze God, zijn heilige berg. Schoon door zijn verhevenheid, een vreugde voor de ganse aarde is de berg Sion, ver in het noorden, de stad van de grote Koning” .

De Hebreeënschrijver spreekt in Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 (Heb. 12:22-24) over dezelfde stad met zijn inwoners en zegt: “Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen en tot een geestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen en tot God, de rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel”.

Waar de opdracht van Paulus luidde: “Zoek en bedenk de dingen die boven zijn”, daar zegt Psalm 48 vers 13 tot en met 15 (Ps. 048:013-15): “Gaat rondom Sion en trekt er omheen, telt haar torens, richt uw aandacht op haar voormuur, doorwandelt haar paleizen, opdat gij het aan het volgende geslacht kunt vertellen: “Waarlijk, zo is God, onze God voor eeuwig en altoos; tot de dood toe zal Hij ons leiden”. (“Die tot over de dood ons zal leiden”. Willibrordvertaling) .

De hemelse werkelijkheid zal dus een vreugdevolle uitwerking hebben op de ganse aarde (Openbaring 21). En ook het doel van de opdracht om ons met deze geestelijke werkelijkheid bezig te houden is overduidelijk: God te leren kennen zoals Hij in zijn onveranderlijkheid is. “Waarlijk, zo is God, onze God, voor eeuwig en altoos” Psalm 48 vers 15a (Ps. 048:015a).

Schaduw en werkelijkheid

Wij zijn niet genaderd tot de schaduw, het tastbare, zoals de Israëlieten in de woestijn Hebreeën 12 vers 18 en 19 (Heb. 12:18-19) . De Hebreeënschrijver maakt heel duidelijk dit onderscheid door te zeggen: “Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion… enz.” Het gaat dus niet om de schaduw maar de werkelijkheid en die is niet aards maar hemels of geestelijk. Niet tastbaar, niet hoorbaar, niet zichtbaar voor onze vleselijke zintuigen, maar voor onze geestelijke zintuigen. Het gaat om het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God. Niet een stad van aardse materie, maar een stad opgebouwd uit levende wezens. Een gemeenschap van levende wezens, zoals we dat gelezen hebben in Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 zie ook Leviticus 26 vers 11 en 12 (Lev. 26:11-12).

God kan dus niet in een aardse stad met een aardse tempel wonen of weer gaan wonen, want dat zou een terugkeer zijn naar de ‘schaduw’, welke juist in Jezus Christus is vervuld.

De inwoners van de hemelse stad

Wat vinden wij in die hemelse stad?

God zelf, de Schepper van hemel en aarde, de eeuwige Koning, de Rechter over allen.

Jezus Christus, als de Middelaar van het nieuwe verbond. Hij is het geslachte Lam en zijn bloed der besprenging is dus ook in dat hemelse heiligdom.

De heilige engelen. De Hebreeënschrijver spreekt van tienduizendtallen. Dat is maar een symbolisch getal. Openbaring 5 vers 11 (Openb. 05:11) zegt: “en hun getal was tienduizenden en tienduizendtallen en duizenden duizendtallen” . Ook Daniël 7 vers 10 (Dan. 07:10) spreekt van deze tienduizenden en duizenden. Wij vinden hier dus niet de satan met de afgevallen engelen; de boze geesten. Hij behoort niet meer bij de hemel, maar bij de aarde. Hij is de overste van de macht der lucht, zegt Paulus in Efeziërs 2 vers 2b (Ef. 02:02b). Dat wil zeggen: het geestelijke gebied dat bij de aarde behoort.

De plechtige vergadering van eerstgeborenen.

De geesten der rechtvaardige!?, die de voleinding bereikt hebben. Deze groep inwoners van de hemelse stad, de stad van de levende God, de berg Sion, zullen we nog nader bespreken.

De plechtige vergadering van eerstgeborenen

Wie behoren tot de plechtige vergadering van eerstgeborenen? Dat zijn de wedergeboren mensen, de gemeente van Jezus Christus, het lichaam van Christus. De nieuwtestamentische gelovigen, die gereinigd zijn door het bloed van het Lam, Jezus Christus, en verder de weg zijn gegaan, die Jezus zelf getoond heeft. Zij vervullen de weg van alle ‘gerechtigheid Gods’ Matteus 3 vers 15 (Matt. 03:15), de weg van de waterdoop en de doop in de Heilige Geest Handelingen 2 vers 38 (Hand. 02:38). Dat zijn die christenen die hun geestelijk levenshuis niet op zand (een aardse religie) gebouwd hebben, maar op het geestelijk fundament zoals genoemd in Hebreeën 6 vers 2 (Heb. 06:02): “bekering van dode werken, geloof in God, een leer van dopen, oplegging der handen, opstanding der doden en een eeuwig oordeel”. Geen van deze elementen kan ontbreken in het leven van een gelovige.

Vooral de doop in de Heilige Geest mag niet weggeredeneerd worden, zoals helaas te vaak gebeurd, want zonder de Heilige Geest behoort men niet tot de gemeente van Jezus Christus. Paulus zegt dat in Romeinen 8 vers 9 (Rom. 08:09): “Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe”. Paulus zegt niet: die mensen gaan verloren, maar hij zegt: die behoren niet bij het lichaam van Christus, de gemeente.

Jakobus 1 vers 18 (Jak. 01:18) zegt dat wij, evenals Jezus Christus, verwekt zijn door het woord der waarheid, om in zekere zin ‘eerstelingen’ te zijn onder zijn schepselen. Eerstelingen zijn eerstgeborenen “die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn” Johanna 1 vers 13 (Joh. 01:13). En Petrus schrijft dat wij niet uit vergankelijk zaad wedergeboren zijn maar uit onvergankelijk zaad, het levende en blijvende woord van God 1 Petrus 1 vers 23 (1 Petr. 01:23). Jezus Christus is de eerstgeborene onder de broeders Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29). Zo werd het volk Israël als geheel ‘Gods eerstgeboren Zoon’ genoemd Exodus 4 vers 22 (Ex. 04:22). De gemeente als geheel wordt ook wel in enkelvoud als ‘de Gezalfde’ aangeduid Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15).

De tempel in de Heilige stad

De gemeente van Jezus Christus is een heilige natie, een koninklijk priesterschap, die zich als levende stenen laten gebruiken om een woonstede Gods in de Geest te vormen, een heilige tempel in de stad. De gemeente is gebouwd op de berg Sion, de berg der waarheid, ‘de Heilige Geest’ 1 Petrus 1 vers 4 tot en met 10 (1 Petr. 01:04-10) . Om God werkelijk te leren kennen moet je om Sion trekken, lazen we in Psalm 48 vers 13 tot en met 15 (Ps. 048:13-15), niet om Jeruzalem.

Alleen de Heilige Geest kan openbaren aan onze harten wie God en hoe God werkelijk is. Het werkelijk kennen van de enkel goede God gaat veel dieper dan het corrigeren van oudtestamentische uitspraken. Het gaat zo diep als bij Jezus, die de Vader werkelijk kende en nooit Schriftplaatsen veranderde. Als Hij in de Bergrede zegt: “Er is gezegd…, maar Ik zeg u.;.”, dan is dat bedoeld voor ons als wedergeborenen, welke die dimensie hoger hebben.

De zonen die volmaakt zullen zijn, gelijk hun hemelse Vader volmaakt is Matteüs 5 vers 48 (Matt. 5:48).

Jezus zegt dat er niet één jota of tittel vergaan zal van de wet Matteüs 5 vers 18 (Matt. 05:18) . De gemeente heeft de wet echter niet meer aan de buitenkant, maar door de Heilige Geest is de geestelijke betekenis hiervan in hun verstand gelegd en in hun hart geschreven Hebreeën 8 vers 10; 2 Korinthe 3 vers 3; Jeremia 31 vers 33 (Heb. 08:10; 2 Kor. 03:03; Jer.31:33). Daarom lezen wij in Openbaring 11 vers 9a(Openb. 11:09a): “En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel”. De inwoners van het hemelse Jeruzalem staan opgetekend in het boek des levens van het Lam Openbaring 13 vers 8b; Openbaring 21 vers 7b en Filippenzen 4 vers 3c (Openb. 13:08b; Openb. 21:07b; Filip. 04:03c). “Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd” Jesaja 49 vers 16 Staten vertaling (Jes. 49:16).