1985.03 nr. 257

Levend geloof 1985.03 nr. 257

Hoe vieren wij echt Paasfeest? Door Gert Jan Doornink

Gezegend paasfeest’

Wij wensen al onze lezers en lezeressen een gezegend Paasfeest toe! Als gemeente van Jezus Christus gaan wij uiteraard weer met grote blijdschap in onze harten dit feest vieren. Daar is ook alle reden voor, immers het grote en machtige heilsfeit dat Jezus de dood heeft overwonnen en is opgestaan uit de dood, is één van de belangrijkste zekerheden van ons geloof. Jezus maakte openbaar dat God de dood niet wil, maar het leven’ Door de komst van Jezus naar deze wereld bracht God zijn volle heerlijkheid tot openbaring. Daarom lezen we in Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) dat Jezus de afdruk van het wezen van God is en de afstraling van zijn heerlijkheid. Elke twijfel over het karakter en de bedoeling van God gaat verdwijnen als we in de evangeliën lezen hoe Jezus op een volkomen wijze afrekende met het rijk der duisternis. Dat gebeurde niet zonder slag of stoot. Op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt beschreven hoe Jezus de ‘volle weg’ voor ons is gegaan. Als voorbeeld een citaat uit Hebreeën 5: “Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden…” Hebreeën 5 vers 7 tot en met 9 (Heb. 05:07-09). Een waarachtig christen zal daarom ook nooit op oppervlakkige wijze het Paasfeest kunnen vieren. Hij weet dat Pasen werd voorafgegaan door Goede Vrijdag.

Jezus betaalde de prijs voor onze verlossing met zijn leven! Hij gaf zich op een volkomen wijze!

Er gaat meer gebeuren!

Toch behoren we ook te bedenken dat de overwinning van Jezus slechts één van de ‘onderdelen’ is van Gods grote heilsplan met zijn schepping. Er gaat meer gebeuren! En wat er gaat gebeuren is reeds in volle gang! Paulus zegt over Jezus dat Hij de eerstgeborene was onder vele broederen Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29). Hij is het hoofd van de gemeente, waarvan de leden zelf tot volwaardige zonen zullen uitgroeien! Het herstel van de schepping gaat niet buiten de gemeente om. De gemeente, met Jezus als koning, zal naarmate de geestelijke groei van haar leden verder gaat, hoe langer hoe meer de werken van satan ontmaskeren en overwinnen.

Wij behoren derhalve, bij de viering van Goede Vrijdag en Pasen, niet alleen onze blik terugwerpen, maar vooral ook vooruit! Vanuit de overwinning van Jezus zullen ook wij de overwinning gaan realiseren. Wat Christus vóór ons deed, zal ook dóór ons tot openbaring behoren te komen. Dat is. een proces waarbij gehoorzaamheid gevraagd wordt, zoals ook Jezus de weg van gehoorzaamheid leerde kennen. Die gehoorzaamheid wil God door zijn Geest in ons bewerken. Want het is niet alleen Pasen geweest, ook Pinksteren is een realiteit! Dit betekent dat wij de volheid van Gods Geest nodig hebben, iedere dag opnieuw.

Zonder de Heilige Geest, die ons leidt in de volle waarheid, kunnen wij ook de werkelijke betekenis van het Paasfeest niet verstaan. Dan is het gevaar levensgroot aanwezig dat wij op surrogaatwijze het Paasfeest vieren. We geloven dan nog wel in de opstanding, maar de volle doorwerking van het nieuwe leven van Christus in ons blijft achterwege. En daar gaat het juist om! Wie hier (geestelijke) ogen voor heeft, kan pas echt Paasfeest vieren. Hij laat zich niet meer opjutten door vrome machten, die uiterst geraffineerd te

werk kunnen gaan en waardoor helaas sommige kinderen Gods verblind zijn. Dan zoekt men het in allerlei spectaculaire dingen, zelfs de lofprijs is dan onecht en de geestelijke groei om de ‘mannelijke rijpheid’ in Christus te bereiken is er niet meer bij. Natuurlijk is ‘lofprijs en aanbidding’ een wezenlijk en belangrijk onderdeel van ons christenzijn. Maar dan moet het wel écht zijn’ Gehoorzaamheid is nog altijd beter dan offerande. Wie een voorstander is van lofprijzing en tegelijkertijd de volle boodschap, zoals Jezus die bracht, afwijst, zit onherroepelijk in verkeerd vaarwater, ook al zou hij zichzelf in één of andere vorm van extase brengen. Uiterlijke vormen van blijdschap, zoals dansen springen, hebben dan voor God geen enkele waarde meer.

Het gaat om de volle blijdschap’

Wij zullen in de eerste plaats moeten verstaan dat Jezus een radicale en geestelijke boodschap bracht, rechtstreeks uit het hart van God. Hij leefde in volkomen afhankelijkheid en verbondenheid met de Vader. Daar was geen speld tussen te krijgen. Jezus bracht de boodschap van het (geestelijk) Koninkrijk van God. die de mens losmaakt van de aarde en haar aardsgerichte leringen. Daarom kunnen ook alleen ‘hemelburgers’ op een Gode welgevallige wijze (Paas)feest vieren’

Zorg dat ook u uw plaats met Jezus hebt ingenomen in de hemelse gewesten, want daar heeft dat rijk zijn domicilie. Alleen van daaruit kunnen we op de juiste wijze geestelijk strijden en overwinnen. En alleen van daaruit zijn we op aarde – zij het nu nog in een lichaam van     vlees en bloed – volwaardige

vertegenwoordigers van dat Koninkrijk. Elke vorm van schijnheiligheid en aardsgerichtheid heeft in Gods ogen geen enkele waarde. Dat is altijd al zo geweest, maar geldt zeker voor deze eindtijd, waarin God ten volle zijn heerlijkheid in en door de gemeente tot openbaring wil brengen. Het Paasfeest zal dit jaar pas écht een feest worden als we ons dit gaan realiseren en ernaar gaan handelen’.

 

Intermezzo door Gerry Velema

Er is hoop

Ineens lag er zomaar een pak prachtig witte sneeuw. Dus vegen en sneeuwruimen. Onze buurman was met zijn stoepje bezig. “Prachtig die sneeuw hè, buurman?” “Ach, dit wordt niks hoor. Het is zo weer weg, met dag of wat zitten we met de nattigheid”.          

Na een week, strenge vorst en nog steeds sneeuw uit de hemel. Weer samen met de buurman aan het vegen. “Het blijft toch liggen de sneeuw”. “Tja zo’n winter als we nu hebben is toch wel bar. Dit kost menig gezin een haast niet te betalen gasrekening. Het is me wat, zo’n vorst”. Genieten liet de buurman maar aan anderen over.

Een paar weken later weer zo’n ontmoeting met onze buurman. Hij stond te kijken bij de aanbouw van een grote supermarkt. “Het wordt allemaal groothandel. De kleine zaakjes gaan één voor één over de kop. Er is een grote economische crisis op komst. Ja dat weten de mensen nog niet. Maar de Bijbel heeft het al voorspeld. In 1990 bestaat er geen geld meer. Dan betalen we alles met pasjes en codes. Nou, je kent de Bijbel wel, daar staat dat van het teken aan je hand. Ja dat einde nadert! Dat wordt nog wat, en ik heb ook nog jonge kinderen. Hoe moet dat straks allemaal? Wat voor tijd gaan we tegemoet?” Hoofdschuddend vervolgde hij zijn weg.

Ach, veel heb ik er niet opgezegd. Onze belijdenis kan de buurman iedere dag op onze voordeur lezen: Er is hoop! Geen angst, geen vrees, maar een levende hoop, in ons, gevestigd op Jezus, de Koning die komt!

De nacht vordert, de dag nadert. De zon der gerechtigheid gaat steeds helderder schijnen. Wat een blije en perspectief volle boodschap leeft er in ons.

 

De opstanding tot ontferming door Klaas Goverts

“En er was een rijk man,..” Lucas 16 vers 19a (Luc. 16:19a).

Er staat eigenlijk: Er was een rijk mens. In de grondtekst is het woord ’mens’ het eerste woord waar dit verhaal mee be­gint. Ook de gelijkenis van de verloren zoon begint met: “Een mens had twee zonen”.

“Iemand had twee zonen” is veel te vrij vertaald. Het t om de kern: het mens- . Het woord ’mens’ is een sleutelwoord. Als in de grondtekst het woord ’mens’ staat, behoort ook met ‘mens’ vertaald te worden. Wij horen eerbied te hebben voor wat Gods woord zegt. De mens in dit verhaal is rijk. Het is de vraag of deze rijkdom een zegen is of niet.

Het kernpunt: Waaraan wordt elk menszijn getaxeerd?

Wat is het meest wezenlijke van de mens?

Zowel in het oude als in het nieuwe testament komen de­zelfde grondgedachten voor. Hieruit blijkt des te meer dat het oude testament niet minder is dan het nieuwe testament.

“…die gekleed ging in purper en fijn linnen..” Lucas 16 vers 19b (Luc. 16:19b).

Het is een koninklijk kleed. Je zou kunnen spreken van een koninklijk mens. ‘Fijn linnen’ is eigenlijk een priesterkleed. Deze man gaat gekleed als een koning en priester, maar gedraagt zich niet als een koning en een priester. Iemand wordt niet beoordeeld naar wat hij aantrekt, maar wat hij zich aantrekt: of hij zich het lot van de ander aantrekt. ?

Het wezen van God is, dat Hij zich het lot van de mens aantrekt.

“…en elke dag een schitterend feest hield”. Lucas 16 vers 19c (Luc. 16:19c).

Er staat: “…en elke dag schitterend vrolijk was”.

“En er was een bede­laar” (letterlijk: En er was een arme) Lucas 16 vers 20 (Luc. 16:20).

Deze arme krijgt, in tegen­stelling tot de rijke, een naam. In de Bijbel is het van groot belang als je een naam hebt. Je wordt dan bij de naam geroepen. Je naam is je identiteit.

“…Lazarus genaamd, vol zweren,…” Lucas 16 vers 20b  (Luc. 16:20b)

De arme (een woord uit de Boeken van Mozes) heette Lazarus. Lazarus betekent: God helpt. Het is de Griekse vorm van het Hebreeuwse Eleazar. Eén van de zonen van Aaron heette Eleazar. Het was van oorsprong een priesternaam. De arme had dus een priesternaam.

 “.. .nedergelegd bij zijn voorportaal, (Er staat: bij de poort) die ver­langde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke af­viel…” Lucas 16 vers 21 (Luc. 16:21).

De arme begeerde, maar kreeg niets. De rijke heeft de kans van zijn leven gemist. Hij had de unieke kans om navolger van God te worden. Juist in het evangelie van Lukas is het kenmerk van God, dat Hij rijk is aan barmhartigheid en ontferming. In Lucas 15 vers 20 (Luc. 15:20) werd de vader met ontferming bewogen.

Het wezen van het menszijn is de ontferming; het is het hart van alle menselijke bestaan.

In de ogen van de Schrift is de mens iemand die zich ontfermt. Het kenmerk van de Zoon des mensen is zijn ontferming. “Toen Hij de schare zag, werd Hij met ontferming bewogen”. De rijke man wordt gemeten naar de maatstaf van zijn ontferming. In hoeverre gaat hij zich ontfermen over zijn medemens die bij hem aan de poort ligt. Hij hoef­de niet ver te zoeken om zijn ontferming te kunnen tonen. De rijke mens faalt hier op het meest we­zenlijke van zijn bestaan.

”zelfs kwamen de honden zijn zweren lik­ken” Lucas 16 vers 21b (Luc. 16:21b).

Er was niemand die zijn zweren verzorgde. De hon­den waren de enige barmhartigen voor Lazarus.

“Het geschiedde…” Lucas 16 vers 22a (Luc. 16:22a).

Je moet hier nooit overheen lezen. Als er staat: ‘Het geschiedde’, betekent het dat er eindelijk iets heel belangrijks gaat gebeuren. De rijke mens had nooit in zijn leven iets gedaan dat ‘geschiedde’. Hij heeft nooit het gesprek gekend met La­zarus, die aan zijn poort lag. Hij gaat het gesprek pas zoeken als het te laat is: in het dodenrijk.

“… dat de arme stierf” Lucas 16 vers 22b (Luc. 16:22b).

De eerste geschiedenis vindt plaats als de arme sterft. ‘Het sterven van de arme is in Gods ogen veel belangrijker dan al de feesten van de rijke. God denkt vanuit zijn ontferming. Het sterven van de arme wordt in de hemel opgetekend. Als de arme sterft, komt de gehele hemel in beweging.

“…en door de engelen gedragen werd in Abra­hams schoot” Lucas 16 vers 22c (Luc. 16:22c).

De ‘schoot van Abraham’ wordt in het boek Genesis slechts één keer genoemd: in verband met de slavin Hagar. Zij was ook arm en rechteloos. De ‘schoot van Abraham’ is bedoeld voor de armen en ontrechten: voor degenen die zichzelf niet kunnen redden.

“Ook de rijke stierf en hij werd begraven” Lucas 16 vers 23a (Luc. 16:23a).

Het hele dorp loopt uit, maar er komen geen engelen aan te pas. Er was blijkbaar niemand die Lazarus heeft begraven. In de dagen van Jezus werd het begraven als liefdewerk gezien. In die tijd waren er in het Joden­dom twee soorten werken, a. aalmoezen; b. liefdewerk. Liefdewerk werd hoger aangeslagen dan de aalmoezen. De rijke heeft de laatste kans om ontferming te beto­nen gemist.

“…en toen hij in het dodenrijk zijn ogen op­sloeg onder pijnigingen, zag hij Abraham’ van verre en Lazarus in zijn schoot”. Lucas 16 vers 23b (Luc. 16:23b).

Het is de eerste keer dat hij Lazarus werkelijk ‘ziet’. Er staat geen enkele keer dat hij voor die tijd Lazarus ge­zien heeft. Ontferming be­gint met ’zien’. De rijke heeft Lazarus nooit gezien met de ogen van God. Uit Jezus’ zien van de schare, kwam zijn ontferming voort. Toen God de Israëlieten in Egypte in hun verdrukking zag, leidde dit tot daden van ontferming. Lazarus heeft nu geen problemen meer. Hij heeft het goed.

“En hij riep: Vader Abraham, heb medelijden met mij!…” Lucas 16 vers 24a (Luc. 16:24a).

Jezus zou gezegd hebben: ‘Doe dan ook de wérken van Abraham, als je hem ‘vader’ noemt!’ “Heb medelijden met mij”. Er staat: “Wees barm­hartig. Heb ontferming met mij”. De rijke vraagt in het dodenrijk om ontferming. In zijn leven is het woord ‘ont­ferming’ niet voorgekomen. In zijn leven heeft hij de kans gehad om een ontfermer te worden en om ontfer­ming te ontvangen, door zich over Lazarus te ontfer­men. Ontferming wordt in de mens wakker als hij het uitdeelt.

…en zend Lazarus, opdat hij de top van zijn vinger in water do­pe en mijn tong verkoele, want ik lijd pijn in deze vlam” Lucas 16 vers 24b (Luc. 16:24b).

‘Kunt u Lazarus als zende­ling tot mij zenden om mijn tong te verkoelen?’ Met deze tong heeft de rijke nooit een woord van ontferming gesproken. In het dodenrijk ervaart hij de gevolgen van zijn eigen leven. In wezen is de arme de weldoener. Bij veel christenen leeft het enorme misverstand dat de rijken de weldoeners zijn. Je zou misschien kunnen zeggen: ‘Wij hebben veel ontvangen en zijn geestelijk rijk geworden. Wij zullen hiervan ook iets uitdelen aan de wereld die in de duisternis is. Dit is erg sympathiek van ons. Wij zijn de weldoeners’. God zegt echter: ’Nee, de armen zijn de weldoeners voor de rijken. De armen maken het namelijk voor de rijken om ontferming in zich tevoor­schijn te laten komen’.

Het Hebreeuws heeft geen woord voor ‘aalmoes’. Er zit iets neerbuigends in. Het Hebreeuws heeft voor aal­moes: gerechtigheid.

Je geeft de arme geen aalmoes, maar je gaat de arme recht verschaffen.

 “Maar Abraham zeide: Kind. ..” Lucas 16 vers 25a (Luc. 16:25a).

…de vader zei tot de oudste zoon: Kind. De oudste zoon en de rijke man lijken als twee druppels water op elkaar. Ze worden aangesproken op wat ze in wezen zijn. Ze hebben hun oorsprong in God. Ze zijn uiteindelijk ‘kind’, maar zijn ook nooit verder geko­men dan een kind. Het zijn in wezen kleine kinde­ren. De oudste zoon zit te zeuren dat hij nooit een bokje ontvangen heeft.

 “… herinner u hoe gij het goede in uw leven hebt ontvangen en ins­gelijks Lazarus het kwade”; Lucas 16 vers 25b (Luc. 16:25b).

Letterlijk: “Hoe gij uw goede tijdens uw leven hebt ontvangen”. Dus: ‘Jij hebt jouw goede dingen reeds ontvangen tijdens jouw leven’.

De goede dingen horen bij het menszijn, maar de rijke heeft er niets goeds mee gedaan.

“Gelijk Lazarus het kwade”. Niet: zijn kwade. Het kwa­de hoort niet bij het mens­zijn .

 “…nu wordt hij hier vertroost en gij lijdt pijn” Lucas 16 vers 25c (Luc.16:25c).

Zij ontvangen elk het ge­volg van hun handelingen op aarde.

“En bij dit alles, er is tussen ons een onover­komelijke kloof, opdat zij, die van hier tot u zouden willen gaan, dit niet zouden kunnen, en zij vandaar niet aan on­ze kant zouden kunnen komen” Lucas 16 vers 26 (Luc.16:26).

De kloof is in wezen de kloof die de rijke zelf ge­maakt heeft. God haalt de mensen niet uit elkaar. De rijke heeft de kloof gescha­pen. Hij heeft nooit het gesprek gezocht en ontfer­ming betoond.

…Doch hij zeide: Dan vraag ik u, vader, dat gij hem naar het huis van mijn vader zendt, want ik heb vijf broers” Lucas 16 vers 27 (Luc. 16:27).

De vijf broeders zijn ken­nelijk ook onbekeerd.

 “Laat hij hen dan ernstig waarschuwen, dat zij ook niet in deze plaats der pijniging komen” Lucas 16 vers 28 (Luc. 16:28).

Er volgt een diepgaand antwoord.

“Maar Abraham zeide: Zij hebben Mozes en de profeten’,’ naar hen moeten zij luisteren” Lucas 16 vers 29 (Luc. 16:29).

Jezus zegt dit ook, want Hij vertelt dit verhaal. Abraham zegt: ’Er komt niemand uit de doden terug om ze te vertellen wat zij moeten doen, maar laat ze luisteren naar Mozes en de profeten’. Zij horen dan, dat zij zich moeten ontfermen, want in de Boeken van Mozes staat: ’De arme hebt gij altijd bij u’. De arme hoeft niet uit de doden terug te keren, want er zijn armen genoeg. Lazarus was inmiddels niet arm meer. Hij had geen ontferming meer nodig. Als ze uit Mozes en de profeten niet leren wat het karakter van God is, zullen ze het ook niet leren als iemand uit de doden opstaat, want dat is alleen maar een spektakel. Niet iemand die uit de doden terugkomt is je weldoener, maar de mensen die je altijd bij je hebt, zijn je weldoeners. Er komt een totale omzetting van denken tevoor­schijn.

Het valt mij de laatste tijd steeds meer op, dat, als je de Boeken van Mozes leest, je daaruit kunt leren wat God oorspronkelijk bedoeld heeft. Zij zijn één en al ge­tuigenis van de ontferming van God. Al de onderwij­zingen die God geeft, de hele Thora, zijn alle aanwij­zingen die de Heer geeft over de wijze waarop de mens zich moet ontfermen over zijn broeder. De pro­feten doen niets anders dan Mozes onderstrepen. Zij zeggen: ‘Mensen, jullie zijn afgedwaald. Jullie moeten weer terug naar de ontfer­ming. Daarom verwijst Abraham naar Mozes en de profeten. ”… zullen zij ook, indien iemand uit de do­den opstaat, zich niet laten gezeggen” Lucas 16 vers 31 (Luc. 16:31). (Er staat: “dan zullen zij niet overtuigd wor­den”).

‘Opstaan’ houdt veel meer in dan wij denken. Als in de Bijbel iemand opstaat, dan houdt dat altijd in ‘op­staan ten behoeve van’. Het is een grondgedachte van het Bijbelse denken.

In Jona 1 vers 2a (Jona 01:02a) zegt God tegen Jona: “Maak u op”; er staat eigenlijk: “Sta op”. Jona moet opstaan ten be­hoeve van zijn broeders.

In Jona 1 vers 5b (Jona 01:05b) lezen wij dat Jona in het ruim van het schip in diepe slaap was gevallen. ‘Diepe slaap’ komt in de Bijbel een paar keer voor.

Het wordt ook gebruikt in het tweede scheppingsver­haal. Daar komt ‘een diepe slaap over Adam’. Tijdens deze diepe slaap wordt een rib uit Adam genomen en wordt Eva uit hem gebouwd. Vooraf staat: “Het is niet goed dat de mens alleen zij”. Als Adam uit de diepe slaap komt, is hij niet meer alleen. De ‘diepe slaap’ bij Adam is de overgang van ‘de mens alleen’ naar ‘de mens met de ander’. De diepe slaap kwam omdat het ‘niet goed was’.

Bij Jona gaat hetzelfde ge­beuren als met Adam (met de adam: de mens).

In Jona 1 vers 6 (Jo­na 01:06) lezen wij dat de gezagvoerder bij Jona kwam en zei: “Hoe kunt gij zo vast slapen. Sta op!” Het wil zeggen: ‘Sta op, ten behoeve van ons’. “Roep tot uw god, misschien zal die god onzer gedenken!”

Jona moest opstaan ten be­hoeve van zijn broeders. Jona wist niet dat er op het schip broeders waren. Als hij wakker wordt, is hij niet meer mens alleen, maar mens tezamen met de mensen. Jona moet opstaan tot ontferming!

In Genesis 15 valt een ‘diepe slaap op Abraham’. Hij krijgt een visioen over het zaad. Genesis 15 begint te vertellen dat Abraham zich heel alleen voelt. Hij klaagt tegen God en zegt: ‘Ik heb geen zaad’. In de diepe slaap gaat Abraham over van mens alleen naar mens met zijn zaad.

En dan Psalm 68: God staat op! (‘De Heer zal opstaan tot de strijd, Hij zal zijn haters wijd en zijd, ver­jaagd, verstrooid doen vluchten…’).

Als God opstaat, staat Hij op ten behoeve van Zijn broeders; ten behoeve van de mens, ten behoeve van de armen en ellendigen, om zich over hen te ontfermen.

De aarde vreesde en werd stil, toen God op stond ten gerichte om al de ootmoedigen op aarde te verlossen” Psalm 76 vers 9b en 10 (Ps. 076:009b-010).

Er zijn ongeveer twaalf teksten waarin staat dat ’God opstaat’.

 “Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet be­vreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien” Matteüs 28 vers 10 (Matt. 28:10).

Deze tekst gaat over de op­standing van Jezus.’ Als Hij is opgestaan, denkt Hij het eerste aan zijn broeders’ Hij is in wezen opgestaan ten behoeve van zijn broe­ders. ’lk zal jullie voorgaan naar Galilea’. Jezus had dit ook al gezegd in Matteüs 26 vers 32 (Matt. 26:32): “Doch nadat Ik zal zijn opgewekt, zal Ik u voorgaan naar Galilea”. Als Hij opgewekt is, zegt Hij: “Daar zullen ze Mij zien”. Jezus staat op ten behoeve van zijn broeders.

De opstanding van jezus was in wezen de grootste daad van ontferming van God. En als God tegen ons zegt: ’Sta op”, is dit een opstaan tot ontferming’.

Een ander ‘ópstaan’ bestaat er niet voor God.

Er is een prachtig verhaal over het ware opstaan en de karikatuur van ‘opstaan’ (Elia in Koningen). Het zijn twee koppelverhalen. Ook hier is ‘ontferming’ de sleu­tel.

 “Zo zegt de Here: Om drie overtredingen van Tyrus, ja om vier, zal Ik het niet herroepen. Omdat zij een gehele bevolking aan Edom hebben uitgeleverd en aan geen broederverbond hebben gedacht” Amos 1 vers 9 (Amos 01:09).

Een duidelijke tekst in dit verband. De zonde van Ty­rus is, dat zij niet heeft gedacht aan het broederver­bond, de broederbond.

 “Omdat hij zijn broeder met het zwaard heeft vervolgd en zijn mede­lijden heeft verstikt…” Amos 1 vers 11b (Amos 01:11b). (Er staat: “Zij hebben hun barmhartigheid verstikt”).

Het meest wezenlijke van de mens is zijn barmhartigheid. Als je de barmhartigheid verstikt, krijg je: “…zodat zijn toorn eeuwig verscheurt en hij zijn gramschap immer blijft koesteren”. Het vuur is het gevolg van hun eigen onbarmhartigheid zie Amos 1 vers 11 en 12 (Amos 01:11-12).

Er is in wezen maar één wet in het Koninkrijk Gods: de wet van de ontferming; het op staan ten behoeve van je broeders. Dan ga je je wel­doeners ontdekken. Het zijn zij, die in jou de ontferming naar boven halen. Het zit er in, maar het moet er ook uitkomen. Daarvoor heb je mensen nodig, die het bij jou tevoorschijn halen!

 

 

 

De waarde van de mens door Gert van de Kamp

 

Gedachten over de mens

Er zijn veel meningen over de mens, over wat de mens waard is. Om eens enkele gedachten te noemen: De Grieken zeiden dat er verschil was tussen mensen en alle andere levende we­zens, omdat het wezen van de mens in de rede (logos) ligt. Een mens kan denken, is in staat om zijn verstand te gebruiken.

Erich Fromm, een vooraan­staand man in de humanis­tische psychologie, zei over het menszijn: “Het humanistische standpunt luidt dat er niets hoger en waardevoller is dan het menselijk bestaan”.

Hitler verkondigde: “Du bist nichts, dein Reich ist alles”.

Calvijn gaf te kennen: “De mens is volstrekt verdor ven door de zonde”. De Heidelbergse Catechis­mus leert dat de mens van nature geneigd is tot alle kwaad.

Bovenstaande is een bonte bloemlezing van allerlei ge­dachten rondom het thema ‘mens’. Over oorsprong, bestaan, wezen en nut van de mens, is en wordt veel nagedacht. Er wordt heel negatief gedacht over de mens, èn gelukkig kan ik constateren dat er ook positief over de mens wordt gedacht. Ik wil in dit ar­tikel mijn aandacht niet richten op de gedachte dat de mens waardeloos is, een uiterst negatieve visie. Ik wil graag aantonen dat u en ik zeer waardevol zijn, dat niets ter wereld te vergelijken is met ons mensen. De reden waarom ik dit zo vrijmoedig naar voren breng is daarin gele­gen dat ik mijn Maker als énkel goed beschouw. God, zijn wezen, is goed, puur goed’ Een heel simpel, lo­gisch gevolg is, dat ook zijn maaksel goed is.

De hoge oorsprong van de mens

David maakte een psalm waarin heel duidelijke din­gen over de mens staan. Op een gegeven moment vraagt hij zich in Psalm 8 af: Wat is de mens, dat Gij aan hem denkt, dat Gij aan­dacht aan hem besteedt, dat Gij naar hem om ziet? David, geïnspireerd door de Geest, geeft ook ant­woord: “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt en hem met heerlijkheid en luister gekroond”.

God wist heel goed wat Hij deed toen Hij de mens schiep. Wat Hij voortbrengt, wat Hij schept, is gewoon goed’ De mens is door God gemaakt. Bij God ligt de oorsprong van de mens. De mens, geschapen door God, bijna goddelijk, heeft een hoge oorsprong; ge­schapen zelfs naar het beeld van God. Zeer waar­devol, kostbaar in zijn ogen’

De apostel Paulus begreep dat terdege. In Efeze 2 vers 10 (Ef. 02:10) zegt hij over de mens “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”.

Waarvoor zijn wij geschapen

Wij mensen zijn geschapen om goed te doen. De mens is geen vloermatje, is niet ‘minder dan een worm’. Als je dat wel belijdt, om zo de grootheid van God ergens ver van de mens te illus­treren, is dat een beledi­ging voor Hem. Dan is de bedoeling van God met de mens helemaal niet begre­pen. Ons nut is daarin gelegen dat we in staat zijn om ons te ontwikkelen tot het zoonschap van God. Daartoe zijn we in Jezus Christus, de Zoon van God, geschapen. Een geestelijke ontwikkeling, net zo reëel als de ontwikkeling van een baby tot een volwassene. Ons nut is tevens daarin ge­legen dat we als zonen Gods de strijd aangaan met dege­ne die de mensenmoorder is, de satan. Ook daar zit – paralcl lopend aan de groei van het zoonschap – ontwik­keling in. God, die goed is, zal door zijn goede mensen het kwaad uitbannen.

Daarvan begrijpen ze niets, ook al bedoelt men het goed. Erich Fromm schrijft in zijn boek “De Zelfstandige mens”, wat je wel de geloofsbelijde­nis van het humanisme zou kunnen noemen: “Geloof be­staat uit het aanvaarden van de ingevingen van de ziel; deze te verwerpen betekent ongeloof”. Naar mijn mening zit je hier op een verkeerd spoor. Als je leeft vanuit je ziel (je gevoel, wil en verstand) ben je bezig te geloven in jezelf, daarbij totaal onafhankelijk van God. Dan zul je je nooit kunnen ontwikkelen tot zoon van God en ben je met je vele goede bedoelingen nooit in staat het kwade aan te pak­ken.

Het is de bedoeling van God met de mens dat zijn Geest de geestelijke mens tot ont­wikkeling brengt, die juist niet alleen op zichzelf ge­worpen is, maar één geest is met God 1 Korinthe 6 vers 17 (1 Kor. 06:17).

Vanuit die positie hoef je je niet te laten beschuldigen. Er is in ons land onder be­paalde christenen de laatste tijd een tendens aanwezig om met een beschuldigende vinger naar zichzelf te wij­zen: “We moeten boete doen want we zijn medeschuldig aan het feit dat ons land…” en vul dan voor uzelf maar allerlei negatieve ontwikke­lingen in.

Een. eigenschap, een ken­merk van een mens die een zoon van God is, is dat hij zichzelf niet beschuldigt en zich ook niet laat beschul­digen. Zonen Gods zijn in de vrijheid gezet van de Geest en weten dat hun activiteiten niet hier op aarde plaatsvinden, maar in de hemelse gewesten Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12). Daar wijzen wij de schuldige aan en zullen hem de kop vermorzelen Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15).

God wil communiceren met de mens

Toen God de mens schiep was dat met de beste be­doelingen. God wilde gemeenschap met de mens, het hoogste wezen na Hem. God wilde communiceren, dat is van gedachten wis­selen. En dat wil Hij van­daag nog. Hij wil zijn ideeën aan zijn kinderen voorleggen zodat zij die ten uit voer kunnen brengen. Samen werken aan een nieuwe aarde, een nieuwe hemel, waar het goed zal zijn.

Als mens kun je die taak niet alleen volbrengen, als je weet dat je macht hebt, dat je kunt heersen, dat je groot mag zijn in het Koninkrijk der hemelen. Dat je goed bent, omdat Gods Geest in je woont die je voortdurend stimuleert het goede te doen en te zoeken. Je bént iets als je een zoon van God bent! En God de Vader, Hij weet dat zeer te waarderen. Hij kan er zich over verblij­den, want Hij hééft wat aan ons!

Met Paulus mogen ook wij weten en daarvan ten volle overtuigd zijn, dat Hij, die in ons een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus Filippenzen 1 vers 6 (Filip. 01:06). God ziet ons mensen ’wel zitten’! U ook?

 

 

 

Brieven door redactie

 

Kennismaking op boekenbeurs

Broeder C. C. te Dadizele (België), maakte kennis met “Levend Geloof” op de Boekenbeurs te Antwerpen waar de Volle Evangelie gemeente van Rob Polderman een stand had ge­huurd. Hij schreef: “Te­midden van de grote hoeveelheid boeken op de boekenbeurs in Antwerpen heb ik uw volle evangelie maandblad “Levend Geloof” gelezen. Ik dank u harte­lijk voor dit positieve blad en Gods zegen toegewenst. U mag iedere maand het blad naar mij toesturen en ook alle brochures” .

De geest van nuchterheid

Hoewel het al weer enkele maanden geleden is dat wij in “Levend Geloof” een ar­tikel publiceerden over bo­venstaand onderwerp, wil­len wij nog gaarne melding maken van een brief welke wij ontvingen van de be­kende pinkstervoorganger W. J. L. te Koudekerke ( Z.), welke onder andere schreef: “Met belangstelling lees ik altijd het blad “Le­vend Geloof’1 . Wat mij deze keer opviel was uw artikel: De geest van nuchterheid. Ik weet niet hoe groot de oplage van uw blad is, maar feitelijk zou u indien dit niet het geval is, dit artikel nog eens in een fol­der moeten verspreiden in het land. Want twee zaken die u aantipt, baren zorgen in ons land, a. de weder­komst als een zeer over­trokken zaak, b. het vallen gedurende bepaalde bedie­ningen. Vooral dat vallen is nergens bijbels te sta­ven, toch worden deze za­ken verheerlijkt en toege­past. Het is goed dat men de gemeente keer op keer wijst op deze uitwassen. Het is zeker een zorgelijke zaak, dat velen in ons land achter dit soort merkwaar­dige zaken aanlopen en vaak de gemeenten daarmee infecteren. Moge de Heer u zegelen, en wijsheid en kennis schenken in uw ar­beid voor Hem”.

Duidelijk en eenvoudig

Zuster T. de W. te Rijswijk (Z.H.), zond haar abonne­mentsgeld op per brief en A schreef onder andere: “Het is altijd weer een heerlijk opbouwend blad, wat zo duidelijk en eenvoudig de boodschap van het evange­lie weergeeft en opbouwt tot geestelijke groei”.

 

 

 

Toegerust (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Heer, geef me daag’lijks van Uw levend brood,

en drenk mij met Uw levend, heilzaam water.

Dan ben ‘k in U geborgen, nu en later,

Want U verlost mij uit ellende en dood.

 

De werken Gods, die wil ik Heiland, doen.

Vanuit Uw Heil ‘ge Geest, vanuit Uw denken.

Zodat ‘k Uw liefde anderen kan schenken,

Dan blijft mijn leven altijd fris en groen!

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 11 –

God de enige en rechtvaardige rechter

In de eindtijd zal aan iedereen ten volle geopenbaard worden dat God ‘enkel’ goed is, dat Hij enkel licht is en dat in Hem geen duisternis is. Ook zal in de eindtijd blijken dat God de enige en rechtvaardige Rechter is. Buiten Hem is niemand bij machte dit te zijn. Hij is de absolute Heer die troont boven zijn schepping 1 Korinthe 10 vers 26. Psalm 24 vers 1 en 2 (1 Kor. 10:26; Ps. 024:001-002). Nooit zullen we mogen stellen dat door de toenemende demonie er een scheiding of oordeel tot stand zal komen. De duivel – de oude slang – heeft maar één bedoeling en dat is de mens te scheiden van God en vervolgens te verderven. Jezus zegt dat zijn methode is: stelen, slachten en verdelgen Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10). Verder is hij een dief, een mensenmoordenaar van den beginne en de vader der leugen. In al deze hoedanigheden zal hij volkomen tot openbaring komen in de eindtijd.

Nooit echter is aan hem de eer tot enig initiatief, nooit zal hij rechtmatig iets in bezit kunnen nemen, want hij is van de berg der góden verbannen Ezechiël 28 vers 16 (Ez. 28:16) en heeft dus geen rechten of erfdeel. Nooit zal hem iets gegeven of een prijs betaald worden voor wat hij heeft, want hij heeft het gestolen. Hij heeft op onrechtmatige wijze bezit verworven, terwijl hij een ‘beschuttende en dienende cherub’ behoorde te zijn Ezechiël 28 vers 14 (Ez. 28:14). God erkent wel dat hij er is, maar Hij heeft in zijn raadsbesluiten nooit enige rekening met hem gehouden, hem iets toegekend of iets met hem besproken. Hij is door God veroordeeld, zijn kop zal vermorzeld worden Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15) .

God is rechter, buiten Hem is er geen ander en de maatstaf voor het oordeel is het eeuwige evangelie Openbaring 14 vers 6 (Openb. 14:06), wat in wezen overeenkomt met de ingeschapen wetten Gods. Als de Here uittrekt ter verlossing dan zegt Jesaja 42 vers 8 (Jes. 42:8): “Ik ben de Here, dat is mijn Naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven, noch mijn lof aan de gesneden beelden”. Niet aan gesneden beelden, niet aan de duisternis, maar God heeft alles in handen gelegd van de Zoon, Jezus Christus, en zijn gemeente.

Sluiers en bedekkingen zullen vernietigd worden

Door te geloven dat de Schriften letterlijk vervuld zullen worden in de natuurlijke wereld, ontstaan er verschrikkelijke eindtijdbeelden, waarin God als een grote verderver wordt af geschilderd. Alles wordt dan met vuur verbrand. Een even groot – of misschien nog groter – gevaar is, als men de schriften gaat veranderen, om zo God als enkel goed voor te stellen. Op die wijze wordt de naam van God niet geheiligd, hoe goed men het misschien ook bedoeld. Jezus zelf, en ook de apostelen, hebben hier nooit enige aanleiding toe gegeven, terwijl we toch kunnen stellen dat het Nieuwe Testament uit het Oude geboren is.

Als de Hebreeënschrijver, zonder enig commentaar, de oudtestamentische tekst neerschrijft: “Want onze God is een verterend vuur”, dan geloof ik dat hij precies weet, wat dit woord probeert te zeggen in de context waarin het staat. Jezus verwijt de Emmaüsgangers dat ze onverstandig en traag van hart zijn en Hij zegt: “Dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben” Lucas 24 vers 25 tot en met 27; Lucas 24 vers 44 tot en met 46 (Luc. 24:25-27; Luc. 24:44-46). In Matteüs 5 vers 18 (Matt. 05:18) zegt Jezus: “Want voorwaar, Ik zeg u eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet een jota of een tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied” zie ook Lucas 16 vers 17 (Luc. 16:17). Petrus schrijft erover in 2 Petrus 2 vers 19 tot en met 21 (2 Petr. 2:19-21: “Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat, want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken” . Ze begrepen zelf niet altijd wat ze zeiden, maar ze spraken door de heilige Geest van Godswege en zagen wel in dat het niet om een letterlijke vervulling of betekenis ging, maar dat ze spraken over de voor ons bestemde genade 1 Petrus 1 vers 9 tot en met 12 (1 Petr. 01:09-12). Paulus schrijft aan Timótheüs: “Omdat ge van kindsbeen af de heilige schriften kent (Mozes tot en met Maleachi) , die u wijsheid ter zaligheid kunnen geven, door het geloof in Jezus Christus”. De gehele Schrift is door God ingegeven, en is nuttig tot onderrichting, weerlegging, terechtwijzing en opvoeding in de gerechtigheid; opdat de man Gods erdoor volmaakt zou worden en toegerust tot ieder goed werk 2 Timoteüs 3 vers 15 tot en met 16 Canisius vertaling (2 Tim. 03:15-17).

Al deze Schriftplaatsen maken ons duidelijk dat niet ’de Schrift’ veranderd moet worden, maar dat de Schrift de mens moet veranderen, zodat ze tot alle goed werk toegerust zal zijn. Wij hebben de belofte dat op de berg Sion iedere sluier en bedekking vernietigd zal worden Jesaja 25 vers 7 (Jes. 25:07), zodat wij door de heilige Geest gaan verstaan wat de profeten van Godswege gesproken hebben 1 Petrus 1 vers 12 (1 Petr. 01:12). Niemand kan nu reeds zeggen: Ik ken volkomen! Ik geloof dat we met Paulus mogen zeggen: “Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht”

1 Korinthe 13 vers 12 (1 Kor. 13:12).

Het verstaan van de beeldspraak

Het boek Openbaring is bijzonder rijk aan beeldspraak ontleent aan het Oude Testament, ‘de Schriften’. Zo lezen we in Openbaring 6 vers 16 en 17 (Openb. 06:16-17) over de toorn van God en van het Lam: “want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?” Om dit te begrijpen zullen we moeten leren verstaan wat de profeten daar van Godswege mee hebben willen zeggen. De profeet Sefanja, die bij uitstek geprofeteerd heeft over ‘de dag des Heren’ als de grote oordeelsdag, profeteert: “Daarom, wacht op Mij, luidt het woord des Heren, ten dage dat Ik zal opstaan tot de buit; want mijn vonnis is, volken te vergaderen, koninkrijken te verzamelen, over hen mijn gramschap uit te gieten, heel mijn brandende toorn, want door het vuur van mijn na-ijver zal de ganse aarde verteerd worden” Sefanja 3 vers 8 (Sef. 03:08).

Gramschap, brandende toorn, vuur, na-ijver, verteren! Beeldspraak die we in verband met de dag des Heren steeds weer tegen komen bij alle profeten en die zo beangstigend kan zijn als de geestelijke betekenis er niet van wordt verstaan. In Psalm 83 vers 14 tot en met 16 (Ps. 083:014-016) blijkt zo overduidelijk de rijkdom aan beeldspraak van de profeten: “Mijn God, maak hem als een werveldistel, als kaf voor de wind, gelijk een vuur, dat het woud verbrandt, gelijk een vlam die de bergen in laaiende gloed zet, vervolg hen zó met uw storm, verschrik, hen met uw wervelwind”. Of Psalm 18 vers 19 (Ps. 018:019) waar we lezen: “Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond, kolen raakten er door in brand”.

Deze en nog vele andere uitspraken komen wij steeds weer tegen in de Bijbel met betrekking tot de eindtijd: ‘de dag des Herén’. Toch moeten wij bedenken dat God zelf deze woorden, maar vooral ook de beelden, in de geest van de profeet heeft gelegd, zodat Johannes, die het boek Openbaring geschreven heeft, dezelfde beelden kan gebruiken met hun specifieke betekenis. Willen wij het boek Openbaring verstaan, willen wij de eindtijd gaan verstaan, dan is het nodig te weten wat er vuur, toorn, gramschap, enz. bedoeld wordt, en daarvan is het vuur wel het meest fundamentele beeld.

De Openbaring van God als vuur

Als God zich aan de mens wil openbaren dan zien wij dat Hij, nog voor Hij zijn Naam aan Mozes bekendmaakt, zich openbaart als vuur. Wij lezen dat in Exodus 3, waar Mozes die wonderlijke ontmoeting heeft met God. “Daar verscheen hem de engel des Heren als een vuurvlam midden uit een braamstruik. Hij keek toe, en zie, de braamstruik stond in brand, maar werd niet verteerd’ (Ex. 03:02) Het verteerde de braamstruik niet, maar Mozes mocht niet dichterbij komen om het te onderzoeken.

God wil hier al zijn heiligheid, heerlijkheid en zuiverheid in het bewustzijn van de mens leggen als vuur, wat men niet zomaar kan naderen. Hiermee krijgt dit beeld al gelijk een zeer diepe en rijke betekenis. Het is vuur, maar niet per definitie verterend, maar veeleer heiligend. Het heiligt de plaats waar God verschijnt. God spreekt tot Mozes: “Kom niet dichterbij; doe uw schoenen aan uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilige grond” Exodus 3 vers 5 (Ex. 03:05).

Wij kunnen hier al direct een belangrijke gedachte aan verbinden, namelijk dat in de nabijheid van God geen duisternis of ongerechtigheid kan bestaan. Ook niet een mens die met duisternis verbonden is. Gods ‘heerlijkheid’ is ontoegankelijk voor het kwaad en ook voor alles wat met het kwaad verbonden is. Als duisternis tot God zou willen naderen, zal dit ogenblikkelijk verteerd worden want het vuur heiligt. Als Mozes het volk vermaant geen afgodsbeelden te maken (dat wekt Gods na-ijver op, Hij begeert immers onze geest met jaloersheid, Jakobus 4 vers 5 (Jak. 04:05), dan zegt hij: “Want de Here, uw God, is een verterend’ vuur, een na-ijverig God” Deuteronomium 4 vers 24 (Deut. 04:24).

De heerlijkheid des Heren

Niet alleen aan Mozes, maar ook aan Israël als volk maalt. God zich bekend in het beeld van vuur. Als ze aangekomen zijn in de Sinaï’, bij de berg Gods, Horeb, waar God de eerste keer aan Mozes verscheen Exodus 3 vers 1 en 2 (Ex. 03:01-02), verschijnt Hij nu aan het gehele volk en wij lezen dan: “Toen leidde Mozes het volk uit de legerplaats God tegemoet en zij stelden zich op onderaan de berg. En de berg Sinaï’ stond geheel in rook, omdat de Here daarop nederdaalde in vuur” Exodus 19 vers 17 en 18  (Ex. 19:17-18). En Exodus 24 vers 17 (Ex. 24:17) zegt: “De verschijning van de heerlijkheid des Heren was als verterend vuur op de top van de berg ten aanschouwen van de Israëlieten”. Zo wil God zijn in het bewustzijn van de Israëlieten, een verterend vuur, wat men niet zomaar kan naderen of aanraken.

Zo heeft God zijn volk begeleid op hun tocht door de woestijn. Altijd was de wolk bij hen, waarin de heerlijkheid van God was en van waaruit Hij sprak

Exodus 16 vers 10 (Ex. 16:10) . In de   eindtijd is dus die wolk de gemeente. De laatste woorden van het boek Exodus luiden dan ook: “Want op de tabernakel rustte des daags de wolk des Heren en des nachts was er een vuur in voor de ogen van het gehele huis Israël, op al zijn tochten” Exodus 40 vers 38 (Ex. 40:38).

God woont temidden van Zijn volk

Zo was God heiligend aanwezig temidden van zijn volk en zijn heiligheid, heerlijkheid en gerechtigheid werd uitgedrukt in het beeld van vuur. God stelde zichzelf verantwoordelijk voor de heiliging van zijn volk. Als er grove zonde, ongerechtigheid of ongehoorzaamheid was, waarmee het voortbestaan van het volk (dus van het hele heilsplan Gods) op het spel stond, bedreigd werd, dan ging er vuur uit van God om zo het kwaad uit hun midden uit te roeien.

In Numeri 16 lezen we over de opstand van Korach, Dathan en Abiram. Ze staan met geweld op tegen Mozes die door God als leider is aangesteld. Als God dit had laten geworden, was dit de ondergang van het volk geworden, waaruit toch in de volheid des tijds de Christus geboren moest worden. Ze hadden, evenals Ananias en Saffira in het Nieuwe Testament Handelingen 5 vers 1 tot en met 11 (Hand. 05:01-11), de satan toegelaten in hun hart en waren zo tot tegenstanders (satan) geworden temidden van Gods volk Numeri 16 vers 11 (Num. 16:11). Maar God had gesproken: “Ik ben de Here, die u heilig, die u uit het land Egypte deed trekken, opdat Ik u tot een God zou zijn: Ik ben de Here” Leviticus 22 vers 33 (Lev. 22:33).

God onttrekt zich niet aan deze verantwoordelijkheid en volbrengt wat Hij gesproken heeft. Hij vindt het uiteraard verschrikkelijk als mensen lijden onder de gerichten, maar het kwaad – wat de mens toch zelf naar zich toehaalt – moet uitgeroeid worden temidden van zijn volk. Uitdrukkelijk staat vermeldt: “Immers niet van harte verdrukt en bedroeft Hij de mensenkinderen” Klaagliederen 3 vers 33 (Klaagl. 03:33). En: “Zowaar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze, maar veeleer daarin, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen. Want waarom zoudt gij sterven, huis Israëls?” Ezechiël 33 vers 11 (Ez. 33:11).

Als we dan deze bijzonder tragische geschiedenis doorlezen, die toch ook als voorbeeld en waarschuwing voor ons is opgetekend, dan zien we dat allen die bij Korach behoren, levend in het dodenrijk verdwijnen. In vers 35 lezen we dan: “Toen ging er een vuur uit van de Here en verteerde de tweehonderdvijftig mannen, die het reukwerk geofferd hadden”. Evenals in Leviticus 10 vers 1 tot en met 7 (Lev. 10:01-07), waar de twee zopen van Aaron in het heiligdom omkomen (zie aflevering 8), gaan hier de heilige engelen van God uit en voeren de boze geesten weg uit het midden van Gods volk. De heilige engelen kunnen door hun heiligheid en zuiverheid in de nabijheid van God verkeren en gaan als vlammen uit van het vuur van Gods heerlijkheid om zijn woord te volvoeren Psalm 103 vers 20 en 21 (Ps. 103:020-021). Psalm 104 vers 4 uit de Statenvertaling zegt: (Ps. 104:004): “Hij maakt zijne engelen geesten, zijne dienaars tot een vlammend vuur” zie ook  Hebreeën 1 vers 7 en 2 Thessalonicenzen 1 vers 8 (Heb. 01:07; 2 Thess. 01:08).

Zo heeft God in het beeld van vuur zijn heiligheid en gerechtigheid uitgebeeld. Gerechtigheid waardoor ongerechtigheid verteerd wordt. Vuur dat zwavel doet ontbranden. God heeft gewaakt over dit beeld en we zien dan ook hoe de profeten dit beeld op velerlei wijze gebruiken zonder het beeld van de gerechtigheid en de heiligende kracht aan te tasten (zie ook aflevering 8 over het vuur op het altaar) .

God is als een muur rondom Zijn volk

Zo is het vuur als een bescherming rondom Gods volk en als heerlijkheid midden in haar. “En Ik zelf, luidt het woord des Heren, zal haar een vurige muur (muur van vuur, Canisiusvertaling) zijn rondom een heerlijkheid binnen in haar” Zacharia 2 vers 5 en Jesaja 4 vers 5 (Zach. 02:05; Jes. 04:05). De vijanden deinzen terug, struikelen en vergaan voor Gods aangezicht Psalm 9 vers 4 (Ps. 009:004), maar ‘de glans’ van Gods aangezicht, zijn heerlijkheid, zal heil zijn voor zijn volk. Duisternis kan niet bestaan waar Gods heerlijkheid verschijnt. Juist omdat er in God geen enkele duisternis is, en ook geen compromis met welke vorm van duisternis dan ook, is Hij – ook in de eindtijd – zo veilig voor de mens, voor de zuchtende schepping, die gescheiden wil worden van de duisternis.

Psalm 9 vers 8 tot en met 10 (Ps. 009:008-010) zegt: “Maar de Here zetelt voor eeuwig, zijn rechterstoel heeft Hij ten gerichte gezet; ja, Hij oordeelt de wereld in gerechtigheid, Hij richt de natiën in rechtmatigheid. Daarom is de Here een burcht voor de verdrukte, een burcht in tijden van nood” . De mens mag zich veilig voelen bij God, die naast het beeld van vuur, toch vooral ook gekend wil worden als de God, die zich aan Mozes bekend maakt als: “Here, Here, God, barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw” Exodus 34 vers 6 (Ex. 34:06).

Jesaja, die ook veel geprofeteerd heeft over het vuur, beschrijft in hoofdstuk 33 de ondergang van de vijanden met deze woorden: “De adem des Heren is een verterend vuur voor hen”, Jesaja 33 vers 11 (Jes. 33:11). “Ze zullen als af gesneden doorns verbrand worden” Jesaja 33 vers 12 (Jes. 33:12). En dan is de uitroep van Jesaja in vers 14(Jes. 33:14): “Wie onzer kan verkeren bij een verterend vuur; wie onzer kan verkeren bij een eeuwige gloed?” Het antwoord is: “Niet de zondaar, niet de godvergetenden, niet hij die de duisternis liever heeft dan het licht, maar hij die in gerechtigheid wandelt en oprecht spreekt; die gewin, door afpersing verkregen, versmaadt; die zijn handen weerhoudt om een geschenk aan te nemen, zijn oor toestopt om niet naar een moordplan te horen en zijn ogen toesluit om het slechte niet aan te zien” Jesaja 33 vers 15  (Jes. 33:15). Voor hen is Hij geen verterend vuur, maar voor hen geldt: “Uw ogen zullen de koning in zijn schoonheid aanschouwen; zij zullen een wijd uitgestrekt land zien” Jesaja 33 vers 17 (Jes. 33:17). Een duidelijk beeld dat in de eindtijd de goddeloze door het vuur zal verbranden en de oprechte door datzelfde vuur gereinigd zal worden, behouden zal worden en leven.

Is niet mijn woord zo: Als een vuur?

-Heel vaak is door de profeten het beeld van vuur gebruikt voor het woord van God. Er is in wezen ook geen scheiding te maken tussen God en zijn Woord. Zo ook in Psalm 18 vers 9 (Ps. 018:009), wat we al noemden: “Rook steeg op uit zijn neus, verterend vuur kwam voort uit zijn mond”. Dat is zijn woord!

Jesaja 30 profeteert van het oordeel over Assur. Hij zegt dan in Jesaja 30 vers 30 en 31 (Jes. 30:30-31): “Dan zal de Here zijn machtige ‘stem’ doen horen en zal Hij doen zien het neerkomen van zijn arm in grimmige toorn; een verterende vuurvlam, overstroming, stortbui en hagelstenen. Want Assur zal voor de stem des Heren schrikken, wanneer Hij met de roede slaat”. Het woord van God is oordelend en is als een verterend vuur voor Assur, welke een beeld is van het rijk der duisternis. Jeremia zegt nagenoeg hetzelfde in Jeremia 23 vers 29 (Jer. 23:29): “Is niet mijn ‘woord’ zó: als een vuur, luidt het woord des Heren, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt?”

(wordt vervolgd).

 

1985.02 nr. 256

Levend geloof 1985.02 nr. 256

Op zoek naar het volkomene door Gert Jan Doornink

Het volkomene zoeken is niet één of andere hobby of vrijetijdsbesteding-, maar pure noodzaak voor elk kind van God. Want wie het einddoel, zoals God dat voor zijn kinderen op het oog heeft, wil bereiken, zal het verlangen in zich moeten hebben te komen tot de volkomenheid in Christus. Een verlangen hebben alleen is niet voldoende, we zullen er ook aan moeten werken. Dat houdt in dat we de talenten die de Heer in ons gelegd heeft tot ontwikkeling behoren te brengen en in dienst te stellen van Gods Koninkrijk. Wie zegt: ”Ik ben niet volmaakt en ik word het ook nooit”, komt geen stap verder en ondermijnt het eigen geloofsleven. Het gaat erom dat we de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereiken zullen, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13).

Het volkomene zoeken is ons leven richten op Jezus en zijn maatstaven leven. Dan zijn we bezig Gods wil te doen en functioneren in het plan van God. Dan zullen we ook ten alle tijde Gods bijstand ervaren, want de ogen van God gaan over de gehele aarde om krachtig bij te staan, hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09).

Het volkomene zoeken betekent wandelen is het volle licht, geestelijk strijden vanuit de plaats die we met Christus hebben in de hemelse gewesten, loskomen van deze wereld en van de (door satan geïnspireerde) leringen van deze wereld. Door deze ‘hoge weg’ te gaan, krijgt satan steeds minder vat op ons, ook al zijn de aanvallen van satan soms nog, zo hevig? maar de groeiende volkomenheid (Jezus) in ons rekent af met elk restant van onvolkomenheid.

Het is een heerlijke zaak het volkomene te zoeken, want daardoor komt het beeld van Jezus in ons ten volle tot openbaring en zijn wij vruchtbare vertegenwoordigers van Gods Koninkrijk. De primaire taak van elk kind van God behoort het zoeken naar de volkomenheid te zijn. En wie met dit zoeken op consequente wijze bezig is en blijft, zal ook in dit opzicht het gezaaide oogsten en de belofte van Jezus: “Wie zoekt zal vinden” in vervulling zien gaan!

 

Gemeenschap met God (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Ik zoek U in het stille morgenuur,

als ’t licht der dag de donk’re nacht verdrijft,

zodat geen enk’Ie duisternis meer blijft,

en blij ontwaakt daar buiten de natuur.

 

Zo toch omgeeft Uw licht mijn leven, Heer,

als ‘k bid om kracht, om liefde en geduld,

dat U mijn dagen met Uw plannen vult,

dat ‘k leef niet voor mijzelf, maar tot Uw eer!

 

Hoe heerlijk is het dat ik dan ervaar:

dat daar Uw blijdschap en Uw sterkte zijn;

zij helen ’t hart, zij dragen elke pijn,

ik pluk de dag met vreugd’, want U bent daar!

 

Is God een straffende God?  door Gert van de Kamp

“Het begrip straf op zich- zich is een uitvinding van de godsdienst. Waarvoor zou je gestraft moeten worden? Wie wordt er gestraft voor slech­te daden? Meestal gaat het de boosdoeners steeds beter. Straf is een uitvinding van de mensen zelf. Waarom doen mensen elkaar zo maar iets aan? Ze geloven in een straf­fende God en nemen vervol­gens diens taak over” (Lizzy Sara May, schrijfster).

Wat is straf?

Bovenstaand citaat kwam ik tegen in het dagblad “De Gelderlander”. Op zijn minst een voor velen opmerkelijke uitspraak. In twee opzichten. In de kringen van de justitie weten ze wel degelijk waar­voor je gestraft moet worden én ze weten ook wié ze pak­ken! Ik geloof, dat in zo’n beetje alle culturen, straf een middel is waarmee je het recht kunt laten zege­vieren. Ook in religieuze kringen zullen weinigen achter deze uitlatingen staan, dit overeenkomstig het godsbeeld dat ze erop na houden, namelijk dat van een straffende God, ‘de God der wrake’.

En dat is het punt waar het mij in dit artikel om gaat. Waarom zou God een straf­fende God zijn? Is Hij een soort rechter die alles ziet en je voor je zonden straft? Bijvoorbeeld door je ziek te maken, je een ongeluk te laten overkomen?

Straf, zegt het woorden­boek, is in het algemeen het opzettelijk aandoen van leed aan degene die een norm, wet of regel hoeft overtreden, door een (laat toe bevoegde persoon of instantie. Ook heb ik eens geleerd: Straffen is de  (pedagogische) relatie voor onbepaalde tijd verbreken.

Wat liet Jezus zien?

Jezus is degene die ons heeft laten zien wie God is, hoe Hij is. Jezus heeft orde op zaken gesteld. Jezus maakte niemand ziek, Hij stortte geen mensen in het ongeluk. Jezus strafte niet. Hij kwam niet om te vergel­den, maar om te vergeven! Die Hij lief had verweet Hij niet, want zo is Jezus niet.

Een vraag: Worden we in het Oude Testament niet ge­confronteerd met een straf­fende God? Een tegenvraag: Jezus hoefde toch niet orde op zaken te stellen als de mensen God kenden zoals Hij werkelijk is, enkel licht, in het geheel geen duister­nis?

Jezus’ komst onder de men­sen was een noodzaak omdat de mens in nood verkeerde. Zijn nood bestond daaruit dat ze God ten volle wilden leren kennen, maar dat niet konden grijpen! Kennis van God was ten dele aanwezig. Inzicht in de geestelijke we­reld had men niet. Dat de satan de mens, die zondig­de, in zijn wurggreep had, begreep men niet. Het goede én het kwade schreef men God toe.

Nooit zal God zijn relatie met ons willen verbreken. Door Jezus is er een zeer hartelijke relatie ontstaan tussen God en de mens die geloofde. Een relatie tussen Vader en zoon. Als de mens die relatie verbreekt, ont­trekt hij zich aan de be­schermende hand van God. Dan kan God niet meer voor je instaan. Maar Hij zal je nooit en te nimmer straffere als je je van Hem afkeert,’ ’ dat deed Jezus ook niet. Hij blijft op je wachten totdat je weer thuiskomt.

Er is één uitzondering en die is voor de duivel en de­gene die willens en wetens zijn partij kiezen. Met hen verbreekt God de relatie, dat is straffen. In Judas 1 vers 9 (Judas 01:9) zien we daar een voorbeeld van. Daar wordt tegen de satan gezegd: “De Here straffe u!” Dan wordt het oordeel voltrokken dat al sinds mensenheugenis vast­ligt! Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15).

De mens mag heel duidelijk weten dat God door zijn Zoon Jezus Christus heeft laten merken dat Hij ziels­veel van de mens houdt, hem koestert en beschermt. Dat Gods strijd daarin bestaat de mens van het kwade af te houden, te reinigen. God straft niet om het goede te bewerken. In Hem is in het geheel geen duisternis.

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 9 –

Het ware huis en het valse huis

In Zacharia 5 zijn ons twee gezichten opgetekend; we zouden kunnen zeggen: zij vormen het tegenbeeld van Zacharia 4: daar ging het immers over de gereedkoming van het huis des Heren; hier krijgen we opnieuw te horen over een huis: in het eerste gedeelte over het huis dat afgebroken wordt, en in het tweede gedeelte over het huis dat gebouwd wordt voor de goddeloosheid. Zo zien we hoe het woord ‘huis’ optreedt als verbindingswoord tussen deze drie visioenen. Steeds gaat het om het ware huis dan wel het valse huis; we zouden ernaast kunnen zetten de gedachten uit de Bergrede aangaande het huis op de rots en het huis op het zand; het huis dat niet viel, omdat het gefundeerd was op de rots, en het huis dat viel, en waarvan Jezus opmerkt: zijn val was groot.

De eerste vier verzen van Zacharia 5 vertellen ons over de aard van het valse huis, het huis dat geen stand houdt. De profeet ziet een vliegende boekrol; ook in het volgende gezicht komt de activiteit van het vliegen naar voren, ook al wordt het woord zelf daar niet gebezigd; beide gezichten spelen zich dus af, althans gedeeltelijk, in de lucht, het terrein waar de overste van de macht der lucht opereert.

Wat nu speciaal opvalt, dat is: de afmetingen van deze boekrol worden vermeldt De lengte is twintig el en de breedte tien el. Nu kunnen we deze getallen natuurlijk omrekenen en dan tot de slotsom komen dat deze rol ongeveer tien meter lang geweest is en vijf meter breed, en dan kunnen we vaststellen dat het hier een gigantische rol betrof. Maar daarmee hebben we de kern niet geraakt. Het gaat om de getallen die in de tekst staan en niet om de getallen die wij ervan maken als we de ellen omzetten in meters.

Het grondgetal van de schepping                  

We plaatsen enkele kanttekeningen bij deze getallen en daarbij willen we ons strikt houden aan het materiaal dat de Schriften ons bieden. Tien is hier het basisgetal, want twintig is in feite: dubbel tien; in het Hebreeuws is het woord twintig de meervoudsvorm van het woord voor tien; de woorden tien en twintig komen dus van dezelfde woordstam. Nu hebben we al een belangrijke sleutel, want tien is het grondgetal van de schepping: God sprak tienmaal, volgens het eerste scheppingsverhaal in Genesis; tien woorden hebben de schepping voortgebracht. Eveneens sprak God tienmaal om een eind te maken aan de tirannie van Egypte; en nog eens sprak God tien woorden om zijn volk te leren de grondprincipes van zijn rijk, de uitspraken die wij kennen als de tien geboden, maar die we beter kunnen noemen de tien woorden. Met tien woorden maakte God een eind aan de oude wereld, het oude régime, van de farao; met tien woorden maakte God een begin met de nieuwe wereld het nieuwe rijk, dat naar zijn Naam genoemd is.

Hiermee krijgen we al enig zicht op deze boekrol: hij vertegenwoordigt de driemaal tien woorden die God gesproken heeft, de scheppings- en bevrijdingswoorden die van God zijn uitgegaan. Misschien kunnen we nog een stap verder gaan: de lengte van de rol is tweemaal tien: dat zijn de tweemaal tien woorden uit Exodus, dat is de lengte van heel Gods bevrijdende geschiedenis, de lengte van de geschiedenis die God met de mens, met de tot slaaf gemaakte mens, doorwandelt. De breedte van de rol, tien el, dat is de breedte van Gods scheppende liefde, waarbij we bedenken dat het woord breedte in het Hebreeuws ook ruimte kan betekenen; zo breed haalt God uit, zo ruim is zijn werk opgezet: ruimte voor elk schepsel, dat stond Hem voor ogen, zo ruim is zijn hart.

De mens wordt gemeten

Wat gaat derhalve deze boekrol doen? Hij gaat ieder meten aan de grondwoorden Gods, aan de principes van schepping en bevrijding. De mens wordt gemeten: is hij scheppend en bevrijdend bezig geweest in navolging van zijn Maker en Meester? Of is hij de weg terug gegaan, tegen de draad van Gods geschiedenis in, ten einde het oude régime weer op te richten, ten einde weer een farao te worden, zijn medemens weer tot slaaf te maken?

Dit is de meest fundamentele gedachte; er is echter nog een verbinding die we kunnen leggen en die toch ook nog een heel belangrijk aanvullend licht werpt op de maten van de rol. Toen Jozef door zijn broeders verkocht werd, was de prijs die ze voor hem ontvingen, twintig zilverlingen Genesis 37 vers 28 (Gen. 37:28). Het getal twintig heeft dus te maken met de mens die zijn broeder verkoopt. Met andere woorden: dit is de mens die nu precies lijnrecht tegen de scheppings- en bevrijdingswoorden van God ingaat, degene die de tweemaal tien woorden schendt, ze met voeten treedt, en die daarom zelf geen levenskansen heeft, want geen mens kan leven zonder zijn broeder.

God gaat het kwaad inperken

Er is nog een derde motief dat meespeelt: de voorhal van de tempel, zoals Salomo die bouwde, was twintig el lang, en tien el breed zie 1 Koningen 6 vers 3 (1 Kon. 06:03). Nu komt hier deze boekrol, die dezelfde maten heeft als de voorhof van het huis Gods; ligt het niet voor de hand, hier te denken aan het oordeel dat begint bij het huis Gods? De voorhof is bedoeld als de plaats waar de verzoening geschiedt, en hoe vaak was hij niet geworden tot een rovershol, zoals ook het geval was in de dagen van Jezus?

In het derde vers wordt de volgende verklaring gegeven van de boekrol: “Dit de vloeit die uitgaat over het ganse land”. Er staat eigenlijk: over het aangezicht van het ganse land, of de ganse aarde. Ook hier zien we weer een schakel tussen hoofdstuk 4 en hoofdstuk 5: immers, in het voorgaande hoofdstuk hoorden we herhaaldelijk over de ganse aarde, over God als de Meester van al de aarde. Heel de aarde (of heel het land) zal het recht van God ervaren.

Wanneer hier gesproken wordt over een vloek, dan moeten we bedenken: een vloek heeft in wezen een positief doel; hij dient tot begrenzing van het kwaad. Hij dient tot bescherming van de aarde. Het kwaad moet worden ingeperkt; als God dat niet zou doen, zou Hij ophouden God te zijn; dan zou Hij ophouden goed te zijn. Hij is het aan zijn wezen verplicht, het op te nemen voor zijn schepping, en dus tegen de verdervers van die schepping.

Vers 3 vervolgt aldus: “Volgens deze wordt ieder die steelt, van dit ogenblik af weggevaagd en volgens deze wordt ieder die (vals) zweert, van dit ogenblik af weggevaagd” . Het opmerkelijke is dat hier niet meer dan twee vergrijpen genoemd worden; op het eerste gezicht lijken zij ietwat willekeurig gekozen. Men zou denken: er zijn wel zwaardere misdrijven dan deze. Waarom nu juist stelen en zweren?

Wat stelen werkelijk is

Allereerst bezien we het stelen. Het woord van de profeet bouwt hier voort op het achtste van de Tien Woorden: gij zult niet stelen. Treffend is in dit verband de uitleg van de Heidelbergse Catechismus: Wat verbiedt God in het achtste gebod? God verbiedt niet alleen dat stelen en roven dat de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting zijner gaven.

Nadat in Exodus 20 het woord geklonken heeft: gij zult niet stelen, komt het in Exodus 21 enkele malen terug, om dan in Exodus 22 tot motiefwoord te worden: zevenmaal horen we deze woordstam daar. Nu is het thema van de cyclus Exodus 19 tot en met 23: het op richten van de ware mens. Een kernuitspraak is in dit gedeelte Exodus 21 vers 16 (Ex. 21:16), waar gezegd wordt: “Voorts zo wie een man steelt, hetzij dat hij die verkocht heeft of dat hij in zijn hand gevonden wordt, sterven zal hij, sterven” . De diepste wortel van stelen is mensenroof. Stelen, dat is in diepste zin: een ander tot slaaf maken. De mens wordt geroofd, of datgene waarmee die mens gerechtigheid kan oefenen, wordt hem ontnomen. In Exodus 22 gaat het over het stelen van een os of een stuk kleinvee, over het stelen van geld of goederen; dat zijn dus de instrumenten waarmee de mens zijn broeder had kunnen dienen; wie steelt, doet veel meer dan iemand beroven van gemak of genot; dat is niet de zaak die hier primair aan de orde is; wie steelt, benadeelt niet alleen die ene mens, maar ook diens broeder. De mens die bestolen is, kan geen gerechtigheid meer doen aan de wees en de weduwe, aan de arme en de ellendige. Hij kan niet meer zijn hand openen voor zijn broeder, want zijn hand is leeg. En reken maar niet dat de dief van plan is zijn hand te openen voor de hulpeloze. Stelen is: de weg der gerechtigheid voor een ander afsluiten. Dat is veel ernstiger dan de gangbare opvatting: iemand zijn bezit afhandig maken. Het is veeleer: een mens onthand maken. In feite kende men in Israël geen bezit, geen privé eigendom.

Waarom gaat de vloek uit?

Nu verstaan we waarom hier zo streng moet worden opgetreden: wie de weg der gerechtigheid afsnijdt, hem moet de pas worden af gesneden; diefstal moet ingedamd worden, want diefstal roept diefstal op en zo wordt de gerechtigheid uit het land teruggedrongen. Want hoe gemakkelijk zal niet de arme, wanneer hem geen gerechtigheid bewezen wordt, op zijn beurt tot diefstal vervallen?

Ieder die steelt, wordt weggevaagd. Nu is alleen een probleem: het hier gebruikte woord betekent in Tenakh nooit: wegvagen, maar het is de vaste term voor: onstraffelijk stellen. Dit zeg ik niet omdat ik het wegvagen wil wegwerken, maar omdat ik eerlijk wil zijn ten opzichte van de Hebreeuwse tekst. Rudolph eerbiedigt de betekenis van het bedoelde grondwoord en vertaalt aldus: Want ieder die steelt, is sedertdien, – hoe lang reeds – ongestraft gebleven. Zo kunnen we de betekenis van dit woord intact laten; de vloek gaat uit, waarom? Omdat al geruime tijd degene die steelt, ongestraft gebleven is.

Het zweren als bekrachtiging van de leugen

Het is opmerkelijk dat de tweede misdaad die hieraan gekoppeld wordt, het zweren is, of zoals vers 4 nader omschrijft: het zweren in de Naam des Heren tot leugen. Hiermee komen we in de buurt van het derde gebod uit de Tien Woorden. Het doel van deze mensen is dus de leugen: zij zweren tot leugen; het is derhalve niet genoeg, gewoon te liegen, neen, ze willen hun leugen ook nog eens extra bekrachtigen door er de Naam des Heren aan te verbinden. Jeremia gebruikt letterlijk dezelfde uitdrukking: “tot leugen zweren zij” Jeremia 5 vers 2 (Jer. 05:02); daartegenover stelt Jeremia 4: “Zweer in waarheid” (in betrouwbaarheid, in trouw, vers 2). Wanneer een mens zweert tot leugen, dan wordt daarmee alle fundament ondergraven. Dan kan niemand meer een relatie aangaan met zijn broeder, want de Naam des Heren wordt gebruikt als dekmantel voor de onwaarachtigheid.

Het is interessant dat de termen: vloek, zweren straffeloos zijn, gezamenlijk voorkomen in Genesis 2 waar Abraham tot Eliëzer zegt: “Maar indien de vrouw niet gewillig is, achter u aan te gaan, dan zult ge onstraffelijk zijn van deze eedzwering” (vers 8); en in vers 41 spreekt de knecht, wanneer hij de woorden van zijn heer wil overbrengen: “Dan zult gij onstraffelijk zijn van mijn vloek: komt gij tot mijn clan, en zij geven haar aan u niet, dan zult gij onstraffelijk zijn van mijn vloek”. Wat was de vloek? De knecht mocht in geen geval de zoon terugbrengen naar het land waar Abraham uitgetrokken was.

Gods goedheid laat de leugen niet toe

Juist in verband met het derde gebod horen we dit woord: onstraffelijk. De Here zal geenszins onstraffelijk houden wie zijn Naam ijdel gebruikt. God neemt het op door de mens die het slachtoffer wordt van degene die zijn Naam misbruikt, die leugen verkondigt in de Naam des Heren. Juist daar blijkt zijn goedheid, Hij is de God die het niet zomaar laat passeren dat een mens de Naam hanteert om de leugen aan de man te brengen.

Als we het zo bezien, noemt Zacharia hier de twee basiszonden die elke broederband tot in de wortel aantasten: diefstal en meineed. God komt op voor de broederband. Hier is het fundament van het menszijn in het geding. Dit is niet een bijkomstigheid, er wordt niet een willekeurige greep gedaan uit een arsenaal van zonden die zoal hier en daar voorkomen, neen, het voortbestaan van de mensheid staat hier op het spel. Het is een kwestie van leven of dood, to be or not to be. Met andere woorden: God moet wel ingrijpen, want als de mens niet meer handelt als broeder, dan is hij geen mens meer, en als een mens op zijn broeder niet meer aankan, waar moet hij dan heen?

Daarom zegt vers 4: “Ik doe hem (namelijk die vloek) uitgaan, is de uitspraak van de Here der heerscharen, en hij zal komen tot het huis van de steler en tot het huis van hem die zweert in mijn Naam tot leugen, en hij zal overnachten in het midden van zijn huis en hij zal er een eind aan maken, met zijn houten balken en met zijn stenen”.

Het huis dat geen stand houdt

Het gaat hier om het huis van deze mensen; een huis is datgene wat iemand heeft opgebouwd in zijn leven. We vermelden een paar tekstverbanden die hierover zeer beeldend spreken; allereerst Psalm 49: “Hun binnenste gedachte is dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen” Psalm 49 vers 12 (Ps. 049:012); we kunnen ook vertalen: ze riepen hun namen uit over landen (hier staat het meervoud van ‘adamah, aardbodem, en het volgende vers begint met het woord ‘adam, mens; dus: ze riepen hun namen uit over aardbodems) . Het is merkwaardig dat hier exact dezelfde formulering gebruikt wordt die elders dient om aan te geven: ze riepen de Naam des Heren erover uit. Alles draait bij deze mensen om hun huizen, die zullen voor altijd bestaan, die zullen de tijd trotseren.

Maar juist dan komt het dertiende vers: “De mens echter, in de kostbaarheid mag hij niet vernachten”. Frappant is dat ook hier het woord ‘overnachten’ klinkt; de mens zal niet overnachten in de kostbaarheid, maar- zoals Zacharia vertelt: de vloek zal overnachten in zijn huis.

Er is nog een tekst die ons aanspreekt in dit verband: die vinden we bij de profeet Habakuk; hij vermeldt over Babel: “Wee hem die woekerwinst maakt ten bate van zijn huis, om zich een nest te bouwen zo hoog, dat Hij daarmee denkt te ontkomen aan de hand van het onheil” Habakuk 2 vers 9 (Hab. 02:09); letterlijk: om zich te redden uit de vuist van het kwaad; vers 10 vervolgt dan: “gij hebt schande of schaamte beraamd voor uw huis; door vele volken uit te moorden hebt gij uw leven verbeurd” (eigenlijk: uw ziel verzondigd) . “Want de steen schreeuwt vanuit de muur, en de balk antwoordt hem uit het hout” (vers 11). Waar gaat het hier over? Over de mens die zijn huis bouwt met onrecht, met bloed, zegt vers 12, met woekerwinst, of uitbuiting. Dit komt geheel overeen met wat Zacharia vertelt over diefstal en meineed.

Een huis dat zo tot stand gekomen is, kan eenvoudig niet overeind blijven. Als daar de vloek overnacht, gaan de houten balken en de stenen eraan, waarom? Omdat ze gebouwd zijn ten koste van de broeder. Iemands huis is zijn levenswerk, zijn leefwereld, zijn toekomst, zijn onderdak.

Waarin ligt ons voortbestaan?

Zo wordt het recht hersteld. Ook dit zesde gezicht heeft zijn onmiskenbare plaats in het geheel. God waakt over de broederband, en de mens die weigert als broeder te leven, zal de gevolgen daarvan ondervinden. Daarom is het toch wel typerend dat de lengte van de boekrol ons uitgerekend herinnert aan de prijs waarvoor de broeders Jozef verkochten. Tien broeders verkochten hun broeder voor twintig zilverlingen. Over hen komt de boekrol met zijn maten: tien en twintig, om hun huis te beëindigen. Want dat betekent het door Zacharia gebruikte woord: de vloek overnacht in het huis en beëindigt het. God beëindigt elk huis dat niet gefundeerd is in de broederband. Zo kwam er een einde aan het huis van de broeders die geen broeder wilden zijn voor Jozef, met – welk doel? Niet om deze broeders te vernietigen, maar juist om hen bij hun broeder te laten terechtkomen, want alleen bij hun broeder vinden zij een weg tot voortbestaan. Huizen worden beëindigd, opdat broeders elkaar zullen vinden.

Zo zal God het ook in onze dagen doen: Hij maakt een eind aan de huizen waarin wij ons verschansen, want Hij wil dat broeders elkaar vinden. Want ons voortbestaan ligt in de hand van de verworpen broeder.

(wordt vervolgd).

 

De vrijheid van Lech Walesa door Gert Jan Doornink

Hoewel we de laatste tijd wat minder horen van Lech Walesa, de bekende leider van het inmiddels verboden Poolse vakverbond ‘Solidariteit’, is wat we onlangs in een interview over hem lazen, zeker de moeite waard om even bij stil te staan. Zoals bekend werd aann Lech Walesa, de jarige electrotechnicus op een scheepswerf in Cdansk, in 1983 de Nobelprijs voor de vrede toegekend.

Het geld gaf hij aan een steunfonds van de Katholieke kerk waartoe hij en de meeste Polen behoren. Walesa, die bijna een jaar in de gevangenis zat, kwam innerlijk geheel ongebroken weer in vrijheid, dat wil zeggen een zeer beperkte vrijheid, want de Poolse autoriteiten houden hem uiteraard nauwlettend in de gaten. (Zojuist konden we weer lezen hoe hij zich bij de autoriteiten verantwoorden moest, omdat hij had opgeroepen tot een proteststaking ).

In het interview, dat het Franse blad ‘Sélection’ met hem had, wordt het geheim van zijn ‘innerlijke kracht’ onthuld. Zo vertelt hij onder andere hoe hij zich onder alle omstandigheden een vrij man voelt: “Ik ben altijd vrij, al zit ik in de gevangenis. Mijn gedachten, mijn dromen, mijn streven zijn niet fysiek te vernietigen. De waarheid is altijd de waarheid. Christus verloor fysiek als mens, maar nu zien we dat Hij heeft gewonnen. Niet dat ik mezelf met Hem vergelijk. Ik ben maar een klein mannetje”. Verder vertelt Walesa onder meer dat hij zich geen leven zonder geloof kan voorstellen en dat hij zich zonder geloof in God in de strijd voor de rechten van de mens, niet staande had kunnen houden…

Het zijn uitspraken die vooral ook duidelijk maken wat echte vrijheid betekent, want wie ‘innerlijk vrij’ is, die is pas werkelijk vrij! Zoals Jezus zei: “Wanneer dan de Zoon u vrij gemaakt heeft, zult ge werkelijk vrij zijn” Johannes 8 vers 36 (Joh. 08:36). En Paulus schreef aan de Galaten: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt” Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01). De werkelijke vrijheid, die alleen’ door persoonlijk geloof in Christus ons deel is, maakt’ iedere omstandigheid, hoe moeilijk en gecompliceerd ook, totaal ondergeschikt, want ‘Christus in ons’ is een realiteit waar de satan machteloos tegenover staat.

 

Intermezzo door Gerry Velema

Niet als een schaakspel

Een koffiebezoekje, een kans die je krijgt om iemand met het Licht en leven als kind van God te confronteren. De laats­te tijd komt het nog al eens voor, dat het koffie­bezoekje plaatsvindt met een gelovige, die alleen wat anders over allerlei zaken denkt. Als voorbeel­den: voor de verdrukking (de bom) zijn we opgeno­men. Spreken in tongen, moet je heel voorzichtig mee zijn en was toch meer bedoeld voor vroeger. Net als genezingen. Nee geen campagnes en tot slot de vrouw hoort te zwijgen. De Bijbel en concordantie lagen naast de kopjes en de kruimeltjes van het koekje. Het lijkt net een spel, een schaakspel. Ik argumenteer het zo en zij zoekt een tekst op die het weer anders zegt, waarop mijn zet al weer klaar ligt in een andere Bijbeltekst. (Even opzoeken). Spreekt de Bijbel dan soms twee talen? De ene zet volgt op de andere, ja in liefde na­tuurlijk. (?) Totdat de koning van het spel ten val komt of mat komt te staan. Je hebt de ander in het nauw gedreven. Het zijn gevoelige momenten: je wilt wel je gelijk zien, maar eigenlijk niet het verlies van de ander. En dan komt het eigenlijke verlies: “We moeten hier maar niet meer over pra­ten, we komen er toch niet uit” . De deur gaat dicht… Gewonnen? Toch veel meer verloren, door een schaakspel van woor­den .

Ik zucht terwijl ik de kop­jes opruim. Hoelang zal ik me nog laten verleiden tot een schaakspel. Dit is toch geen bouwen aan relatie en vertrouwen? Het kostbare cement van liefde en ver­trouwen vind je wel in een bouwwerk, maar niet op een schaakbord. Ik weet het wel: niet als een scha­ker, maar als een bouwer. Of misschien nog veel meer als een bouwsteen in Zijn hand. Dan komt Hij, mijn Heer, tot Zijn doel, zelfs tijdens een koffie- uurtje.

 

Wie is Jood? Door Gert Jan Doornink

Meningsverschil

In de “Leeuwarder Cou­rant” trof ons onlangs een artikel van Jacob Noord- mans, één van de redac­teuren van het blad, onder de titel “Wie is Jood?” . In het kort komt het hierop neer dat er binnen het wereldjodendom een erns­tig meningsverschil bestaat over de vraag wie wel of niet als Jood kan worden aangemerkt. Eén van de belangrijkste wetten van de sinds 1948 bestaande staat Israël is de zogenaam­de ‘wet op de terugkeér’. Deze wet geeft iedere Jood, waar ook ter wereld, het recht zich in Israël als burger te vestigen. Nu willen de orthodoxe partij­en in Israël deze wet aan­scherpen, waardoor mensen, die bij niet-orthodoxe jood­se gemeenschappen tot het jodendom zijn overgegaan, niet langer automatisch staatsburger van Israël kunnen worden.

Ook in 1970 werd de wet reeds verscherpt, onder druk van orthodoxe joodse wet- en Schriftgeleerden. Als Jood werd voortaan alleen erkend ieder die uit, een joodse moeder geboren was, of die bekeerd was tot het Jodendom, zonder tot een andere religie te zijn toegetreden. Thans is men echter veel verder gegaan en worden in Isra­ël als Jood slechts bekeer­lingen erkent die volgens de rechtzinnige joodse wet­ten en riten (de ‘halacha’) tot het Jodendom zijn overgegaan. Deze regel geldt echter niet in de Verenig­de Staten, waar ruim 80% van de zes miljoen Joden die daar wonen, behoort tot de vrijzinnige of gema­tigd orthodoxe gemeenschappen. Bekeerlingen van deze gemeenschappen zouden dan dus niet langer als Jood en staatsburger in Israël kunnen worden toe­gelaten .

De vrijzinnige en gematigd- orthodoxe Joden in Amerika en Europa vinden dat de orthodoxe leiders in Israël met hun drijven de eenheid van het joodse volk in ge­vaar brengen. De ortho­doxen daarentegen zeggen dat zij juist de eenheid willen herstellen rondom de wetten van Mozes. De niet-orthodoxen banen, volgens hen, de weg naar afval en assimilatie van Joden met hun niet-joodse omgeving. Dat zou de eenheid van het joodse volk en het Jodendom afbreken.

Vorig jaar werd op sabbath 11 augustus voorgelezen hoe Mozes Jahweh tevergeefs smeekte met het volk Israël het beloofde land binnen te mogen trekken. Joodse Schriftgeleerden denken dat dit mee was omdat Mozes destijds tegen­over Jethro’s dochters, die meenden dat hij een Egyptenaar was, had ver­zwegen dat hij een Isra­ëliet was. Mozes mocht Is­raël niet binnen omdat hij op een beslissend moment nagelaten had, voor zijn identiteit uit te komen.

Tot zover deze samenvat­ting van een artikel in de “Leeuwarder Courant”.

Schaduwbeeld

Wie dit alles zo leest, kan zich afvragen: is dit alles voor ons wel zo belangrijk? Dit is toch een interne joodse aangelegenheid?

In de eerste plaats kunnen wij zeggen dat inderdaad het oorspronkelijke volk van God, dat onder Mozes uit Egypte was verlost, het beloofde land niet bin­nenging. Het kwam door ongeloof en ongehoorzaam­heid om in de woestijn. Onder Jozua trok een ge­heel nieuwe generatie het beloofde land binnen. De Bijbel waarschuwt ons dat dit ongeloof en ongehoor­zaamheid een voorbeeld is om niet na te volgen!

Het hele oudtestamentische volk van God vormt trou­wens een schaduwbeeld van de werkelijkheid van thans: de gemeente van Jezus Christus. Daarom mag de Gemeente van Jezus Christus zijn geloof ook niet verbinden met de op­vattingen van allerlei or­thodoxe leiders van de huidige staat Israël. Zij beroepen zich uitsluitend op de wetten van Mozes, en niet op Christus, in wie de wet vervuld is! We leven niet meer ten tijde van het oude verbond, maar bijna 2000 jaar na Christus. De vraag: “Wie is Jood?” is derhalve ook in de eerste plaats geestelijk van belang. Dat wil zeggen: door persoon­lijk geloof in Jezus Chris­tus worden wij een nieuwe schepping. Daarbij valt ieder natuurlijk onderscheid weg. Paulus, van nature zelf een Jood schrijft: “Want er is geen onderscheid tus­sen Jood en Griek. Immers eén en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen” Romeinen 10 vers 12 en Kolossenzen 3 vers 11 (Rom. 10:12; Kol. 03:11)

De vorst der duisternis heeft helaas in onze dagen velen hiervoor verblind en een ongeestelijke ‘Israël- cultus’ doen ontstaan die in feite averechts werkt. Want hoe helpen we de Joden werkelijk? Door onze plaats in te nemen in het nieuwe (geestelijke) Israël: de Gemeente van Jezus Christus. Door te verlan­gen de volheid van Chris­tus tot openbaring te bren­gen. En dit is alleen mo­gelijk als we ons bewust zijn dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten. Door de vervul­ling met de Heilige Geest leren we daarbij de weg van geloof en gehoorzaam­heid te bewandelen. Zo groeien wij op tot volwas­sen christenen en zijn wij volwaardige leden van de eindtijdgemeente.

De eindtijdgemeente heeft een geweldige taak, ook ten aanzien van de Joden! Want wat zij in de loop der eeuwen van het Christen­dom hebben gezien en mee­gemaakt was vaak volkomen negatief en had niets met de openbaring van het beeld van Christus in de gelovigen te maken. De thans levend wedergeboren christenen hebben echter niets met dit verleden te maken. Als in dit opzicht satan ons ‘schuld’ wil aan­praten, kunnen wij dit rustig naast ons neerleg­gen. Het is een valse voor- I stelling van zaken als sommigen prediken dat wij ons moeten verootmoedigen voor de zonden die ande­ren in dit opzicht in het verleden hebben gedaan.

Wat wel van ons gevraagd wordt is dat wij het nieuwe leven van Christus door woord en daad openbaar gaan maken. Dan maken wij niet-joden zowel als Joden jaloers en wordt bij hen het verlangen opge­wekt om ook Christus te aanvaarden. Dan openbaren wij ons als werkelijke Jo­den. “Want niet hij is een . Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is besnijdenis, wat uiterlijk, aan het vlees geschiedt, maar hij is een Jood, die het in het ver­borgen is, en de ware be­snijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter” Romeinen 2 vers 28 en 29; zie ook Galaten 6 vers 15 (Rom. 02:28-29; Gal. 06:15).

 

Geloofsinjecties door de redactie

Overgave

Het functioneren van ons geloofsleven hangt ten nauwste samen met onze ‘overgave’. Dat wil zegen: wie als gelovige alleen maar leeft om te ‘ontvangen’, zal ook nooit de echte blijd­schap die het ‘geven’ mee­brengt, beleven.

Overgave aan Hem houdt in dat we, door Woord en Geest geleid, ons inzetten voor allen die nog buiten het Koninkrijk van Jezus Christus staan. De door satan beschadigde mens heeft herstel en bevrijding nodig . Zoals Jezus zich gaf voor het verlorene, zijn ook wij als Zijn volge­lingen geroepen ons te ‘geven’!

Geestelijke groei

Het leven van Jezus werd gekenmerkt doordat Hij sprak en handelde vanuit de verbondenheid met de Vader. Daardoor was Hij niet alleen immuun voor iedere aanval uit het rijk der duisternis, maar kon Hij ook anderen uit de macht van satan bevrijden. Naarmate onze gemeenschap met Hem hecht en volkomen gaat worden, zullen ook wij hetzelfde leven (Zijn leven) openbaren. Daar­voor is geestelijke groei onontbeerlijk. En die ont­staat als we de geestelijke weg van geloof en gehoor­zaamheid bewandelen.

 

Gods Vaderhart (gedicht) door Piet Snaphaan

Gods hart is vol van liefde

Barmhartig als altijd

Dat nimmer iemand griefde

Als Vader steeds bereid.

 

Gods hart, vol mededogen

Oneindig Zijn geduld

Voor ieder mens bewogen

Vergevend alle schuld.

 

Gods hart, vol van genade

Ziet steeds ontfermend rond

Naar hen met last beladen

Plaatst hen op hoger grond.

 

Gods hart, dat is Zijn wezen

Zijn Woord, een Bron die voedt

Zijn Naam, Hij zij geprezen

Want God is enkel goed!

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst -10-

Wij weten, vanuit het Woord, dat er tijden en gelegenheden zijn in het heilsplan van God en dat alles ontwikkelt en tot volheid komt’. Jezus zelf zegt in verband hiermee: “De grond brengt vanzelf vrucht voort, eerst een halm daarna een aar, daarna het volle koren in de aar” (Mark. 04:28) Het volle koren of de volle vrucht openbaart zich wanneer de late regen er op gevallen is. Toch zal dit moment van de volle vrucht, de geboorte van de eerste zonen, van het openbaar worden van Gods kracht en heerlijkheid in de gemeente vrij plotseling geschieden. Het zal echter niet als een verrassing komen voor die gelovigen die het verwachten er om bidden en zich in dat baringsproces bevinden (Openbaring 12), maar wel voor allen die deze gang van zaken min of meer afwijzen en zeggen het zal mijn tijd wel duren! Die geen ernst maken met het heil van verlossing, bevrijding, genezing, vernieuwing van  denken, door de werking van de Héilige Geest, waarin de openbaring van Jezus Christus plaats vindt en zeggen de Heer doet het allemaal wel. Christenen die er dwaalleringen op na blijven houden, die het lichaam van door verdeeldheid, genezing buiten de gemeente bij wonderdoeners enz. Er zullen weerspannigen zijn, die zeggen: Waarom doet de Heer het niet? Als Hij wil en kan genezen, waarom geneest de Heer dan niet?

Er gebeurt niets! Waar blijft de belofte van zijn komst…? Maar die dan wel naar hun eigen begeerten en goeddunken blijven wandelen 2 Petrus 3 vers 3 en 4 (2 Petr. 03:03-04) . Het zijn christenen waarbij de tijd een grote rol speelt, die verslappen naarmate de strijd heviger wordt en de oplossing wel eens op zich laat wachten.

De dag des Heren komt als een dief

De Bijbel spreekt veel over volharden en dat de gemeente waakzaam moet zijn. Jezus zelf maakt het wel bijzonder duidelijk als Hij spreekt over de wijze en de dwaze maagden Matteus 25 vers 1 tot en met 13; Lucas 12 vers 35 tot en met 48 (Matt. 25:01-13; Luc. 12:35-48) . Ook spreekt Hij over het onverwachte en dat het niet te berekenen valt. Men kan ook niet zeggen: ‘Hier is het of daar is het’, want het is een openbaring van de Heer ‘In de gelovigen’ met grote kracht en heerlijkheid Lucas 21 vers 27 (Luc. 21:27). Hij zegt: “Weest ook gij bereid, want op een uur, dat gij het niet verwacht, komt de Zoon des mensen” Lucas 12 vers 40 (Luc. 12:40). De apostelen schrijven het ook aan de gemeente van toen en van nu: “Weest waakzaam!”. “Maar de dag des Heren zal komen als een dief”, schrijft Petrus (2 Petrus 3 vers 10 (2 Petr. 03:10).

Paulus gebruikt in 1 Thessalonicenzen 5 vers 2 (1 Thess. 05:02) bijna dezelfde woorden, nadat hij eerst in hoofdstuk 4 gewezen heeft op het belang van een heilige levenswandel: “Want dit wil God: uw heiliging” (vers 3). Voor wie dit woord verachten en ongehoorzaam blijven, voor die zal ‘de dag des Heren’ Komen als een dief in de nacht, maar voor hen die in het licht leven en wandelen, geldt: “Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk J. anderen, doch wakker en nuchter zijn” 1 Thessalonicenzen 5 vers 4 (1 Thess. 05:04).

De dag des Heren of de wederkomst

Velen zijn van mening dat deze tekstgedeelten betrekking hebben op de wederkomst des Heren of de opname van de gemeente. We moeten er dan wel op letten dat er sprake is van ‘de dag des Heren’, .die – als je het scherp af zou kunnen bakenen – begint bij Openbaring 8 vers 6 (Openb. 08:06), dus bij de eerste bazuin. De wederkomst des Heren, waarbij de Heer terugkomt met alle gestorven heiligen die dan een geestelijk lichaam hebben 1 Korinthe 15 vers 44 (1 Kor. 15:44) en waarbij van hen die dan nog leven het sterflijke lichaam veranderen zal in een verheerlijkt lichaam, vindt plaats in Openbaring 11 bij de zevende bazuin zie ook 1 Thessalonicenzen 4 vers 13 tot en met 17; 1 Korinthe 15 vers 51 tot en met 54 (1 Thess. 04:13-17; 1 Kor. 15:51-54) . Dan pas is de gemeente voltooid, en volmaakt bekleed met goddelijke heerlijkheid, ook naar het lichaam (hierover later).

Het waakzaam zijn is juist nu aan de orde, omdat de duivel nu rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Hij wil zoveel mogelijk gemeenteleden afremmen, verleiden, misleiden, vanuit de hemel weer op de aarde werpen, zodat de openbaring van Gods kracht en heerlijkheid wordt tegengewerkt. Bij de wederkomst van Jezus Christus is deze waarschuwing » niet meer aan de orde. Er is dan zo’n heiligheid en heerlijkheid in de gemeente dat enige duisternis daarin niet eens meer kan bestaan. Dan staat er ook in Openbaring 11 vers 19a (Openb. 11:19a): “En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel (de gemeente)”. Het scheppingswoord: Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis (Gen. 01:26) is dan in de gemeente volledig gerealiseerd.

De gemeente gaat door de grote verdrukking

De gemeente wordt niet opgenomen voor de grote verdrukking, maar zal juist tijdens de grote verdrukking een grootse en heerlijke, maar ook een enorme zware taak te vervullen hebben en tot absolute volkomenheid komen. Als in Openbaring 8 vers 5 (Openb. 08:05) de eerste zonen geboren worden en de kracht en heerlijkheid Gods naar buiten treedt en de werken gedaan zullen worden die Jezus ook deed en nog grotere Johannes 14 vers 12 (Joh. 14:12), dan is dat ook weer een beginpunt wat tot volheid komt tijdens de grote verdrukking. Jezus heeft ook hier veel over gesproken met zijn discipelen en, over de hoofden van hen, ook tot de gemeente van nu. De wereld zal je haten, zegt Jezus, omdat je niet van de wereld bent, zoals ze Mij gehaat hebben, zullen ze u ook haten. De leerling staat niet boven de meester. Ze zullen je vervolgen, gevangen nemen en sommigen doden. Ja de tijd komt zelfs dat ze je overwinnen en doden Openbaring 11 vers 7 en 8 (Openb. 11:7-8). Maar Jezus heeft gezegd dat we geen vrees behoeven te hebben voor hen die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen Lucas 12 vers 4 (Luc. 12:04). Hij sprak: “Ik ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” Matteüs 28 vers 20 (Matt. 28:20) .

Jezus had heerlijkheid, kracht en leven in zichzelf. Eerwille van ons – van de gehele mensheid – heeft Hij zichzelf ontledigd en dan zegt Hij: “Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden” Johannes 15 vers 13 (Joh. 15:13). Dat wil de Heer ons leren. Nu al, in de gemeente, ons leven, met wat we hebben, inzetten voor de ander. Dienen en niet alleen om gediend te worden. Alleen dan zal het ware koningschap en priesterschap zich openbaren. Dit is de tijd waar alle profeten veel van gesproken hebben: ‘de dag des Heren’ of ‘de grote en geduchte dag’.

God staat op tot de strijd’

God kan niet strijden zonder ‘strijder’, maar het geestelijk Israël is nu ‘De strijder Gods’. (Dat is de betekenis van ‘Israël’ of ook wel ‘God strijdt’ genoemd). Een volk van koningen en priesters voor God, gevormd ^oor Jezus Christus onze Heer Openbaring 5 vers 10 (Openb. 05:10) .

Als er geen priester is dan treedt niemand tussenbeide. Dan is er geen pleiter of voorspreker bij God. Dan is er alleen de aanklager. Zo is eens het volk Israël onder de heerschappij gekomen van Nebukadnezar (typ        e van de duivel) en zo is nu de hele ‘oikoemene’ de hele bewoonde wereld in de macht van de overste der wereld gekomen. Er waren immers geen priesters die tussenbeide traden. De eerste taak van de priester is verzoening doen. De gemeente’ zal de verzoening prediken, want aan de gemeente is het woord der verzoening toevertrouwd. “En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft, welke immers hierin bestaat, dat God in Christus de wereld met zichzelf verzoenende was’, door hen hun overtredingen niet toe te rekenen, en dat Hij ons het woord der verzoening heeft toevertrouwd” 2 Korinthe 5 vers 18 en 19 (2 Kor. 05:18-19) .

Dit is één van de eerste en geweldige taken waarin de gemeente de liefde Gods zal openbaren: het priesterschap vervullen door de verzoening te prediken en de zonde te vergeven. Jezus zegt: “Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” Matteus 18 vers 18 Johannes 20 vers 23; Matteus 16 vers 19 (Joh. 20:23; Matt. 16:19; Matt. 18:18).

De gemeente in de voetsporen van Jezus

De gemeente zal een enorme schare binnen gaan brengen in het Koninkrijk van God. Niet in het duizendjarig rijk alleen, maar juist ook ten tijde van de grote verdrukking. Er zal – met inzet van eigen leven – een krachtige evangelieprediking zijn, doop in de Heilige Geest, bevrijding, enz. Als de tijd gekomen is dat hun prediking voleindigd zal zijn – dat wil zeggen dat de tijd van de prediking vol zal zijn – dan worden ze zó gehaat door de antichrist, dat ze om hun getuigenis gedood zullen worden Openbaring 11 vers 7 (Openb. 11:07), maar dan zal dit evangelie van het koninkrijk ook in de gehele wereld gepredikt zijn tot een getuigenis voor alle volken Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14). Dat is de rechtvaardigheid Gods.

Ook in de eindtijd zal God zijn geweldige lankmoedigheid tonen, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan doch dat allen tot bekering komen 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09). De profeet Jesaja heeft ook veel gesproken over het gericht dat eenmaal komen zou. Hij zegt in Jesaja 26 vers 9b (Jes. 26:09b): “Want wanneer uw gerichten op de aarde zijn, leren de inwoners der wereld gerechtigheid”. Dat is de bedoeling van God. Juist in de eindtijd, ten tijde van de grote verdrukking, zal alles wat leeft Gods gerechtigheid leren kennen, zowel de goede als de kwade. Wij kunnen hierin de parallel zien tussen het optreden van Jezus Christus in het land Israël en het optreden van de gemeente in de gehele wereld in de eindtijd. Van Jezus staat geschreven: “En Hij ging alle steden en dorpen langs en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal” Matteüs 9 vers 35 (Matt. 09:35) .

Er zal geen Israëliet geweest zijn die niet van de gerechtigheid Gods gehoord zal hebben. Er staat dat het gerucht van Jezus doordrong tot ver buiten de landsgrenzen, zelfs in geheel Syrië en grote scharen volgden Hem. Maar Hij werd zo gehaat door de vrome antichristelijke machten – juist om zijn getuigenis – dat ze Hem gedood hebben toen Hij zijn prediking voleindigd had. Zo zal ook de gemeente aan alle volken, stammen, natiën en talen het evangelie van het Koninkrijk verkondigen en zieken genezen. Het zal ook uitlopen op een grote haat van de antichrist, die velen zal doden.

‘De gemeente – De eersteling’

Eerst zal God, door Jezus Christus – de eersteling van de nieuwe schepping -, de gemeente richten, volmaken, bekleden met gerechtigheid en dan tot heil stellen van de volken en natiën. Psalm 102 vers 14 tot en met 17 (Ps. 102:014-017) zegt: “Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen; (de eindtijd) want uw knechten hebben behagen in haar stenen, zij hebben deernis met haar puin. (Dit is de waarachtige ontferming die we ook bij Jezus Christus zien) . Dan zullen de volkeren de naam des Heren vrezen, alle koningen der aarde uw heerlijkheid. Wanneer de Here Sion heeft gebouwd, en verschenen is zijn heerlijkheid” .

In Openbaring 7 hebben wij gezien dat de knechten van onze God verzegeld werden aan hun voorhoofd Openbaring 7 vers 3b doop in de Heilige Geest (Openb. 07:03b). Ze worden met het symbolische getal honderdvierenveertigduizend aan geduid en vormen het geestelijk Israël (vers 4-8). In Openbaring 14 vers 1 tot en met 5 (Openb. 14:01-05 beschrijft Johannes hoe hij speciaal bij deze honderdvierenveertigduizend bepaald wordt en bij hun bijzondere positie en hij noemt ze dan ‘de eerstelingen’. “Deze zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden;        zij zijn onberispelijk” Openbaring 14 vers 4b en 5

(Openb. 14:04b-05).

De ontelbaren uit de grote verdrukking

In Openbaring 7 vers 9 (Openb. 07:09) lezen wij vervolgens: “Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volken, stammen en natiën en talen, stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen”. Eerst ziet Johannes hoe de gemeente verzegeld, geheiligd en gereinigd wordt en daarna ziet hij de situatie aan het einde van de grote verdrukking. We lezen dat in vers 12 en 14: “Een van de oudsten antwoordde en zeide tot mij: Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? En ik sprak tot hem: Mijn heer gij weet het!” En dan is het antwoord van die oudste: “Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking, en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed van het Lam” .

Er zal dus tijdens de grote verdrukking een geweldige krachtige prediking van het evangelie zijn waardoor een ontelbare schare uit alle volken, stammen, natiën en talen binnengebracht zal worden, door de gemeente, in het Koninkrijk Gods. Als Johannes in Openbaring 11 vers 1 (Openb. 11:01) de tempel Gods gaat meten en het altaar en hen, die daarin aanbidden, dan hoort deze ontelbare schare, die ook vervuld is met de Heilige Geest, daar ook bij. Er staat immers in Openbaring 7 vers 15 (Openb. 07:15: “Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij, die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden” .

De machten der hemelen wankelen

Zo is onze goede God.

Het zal een tijd zijn van zeer zware verdrukking. Jezus zegt: “Er zal radeloze angst zijn onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld zullen komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen” Lucas 21 vers 25 en 26 (Luc. 21:25-26). Maar zoals eens de maat van de ongerechtigheid der Amorieten vol zou zijn Genesis 15 vers 16 (Gen. 15:16), zo zegt Jezus in Lucas 21 vers 24 (Luc. 21:24): “dat het volk van God als gevangenen weggevoerd zou worden onder alle heidenen en Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn” Lucas 21 vers 24 (Luc. 21:24). Dat wil zeggen: dan is de maat vol en gaat God ingrijpen. De ondergang van het rijk der duisternis gaat zich voltrekken. De scharen die in de hemel zijn hebben hierin de goedheid maar ook de wijsheid van God ontdekt en daarom aanbidden ze samen met al de engelen, de oudsten en de vier wezens, zeggende: “Amen, de lof en de heerlijkheid, en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden! Amen”.          (wordt vervolgd).

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Het werk van “Levend Geloof” beweegt zich in ‘opgaande lijn’. Hoe kan het ook anders, zou men kunnen opmerken, voor een blad met een ‘opgaande boodschap’. En het is duidelijk wat we daaronder verstaan. Het is de boodschap van het volle evangelie, de boodschap van het Koninkrijk der hemelen. De boodschap die Jezus bracht en de apostelen. De boodschap die ook vandaag mensen verandert, vernieuwt en herstelt. Daarom is deze boodschap de basis van ons werk; daar denken en schrijven wij over, daar zetten wij ons voor in, want daar gaat het om!

Daarbij onderscheiden wij ons van de meeste andere bladen doordat wij géén specifiek mededelingen- of nieuwsblad zijn, met veel nieuws over eigen werk of organisatie, maar de uitleg van de volle evangelieboodschap staat bij ons centraal. Aan deze opdracht willen wij getrouw blijven. We zijn dankbaar voor de vruchten die dit afwerpt. Wij willen niet bouwen aan ‘eigen huis’, maar medearbeiders Gods zijn 1 Korinthe 3 vers 9 (1 Kor. 03:09). En met Paulus willen wij getuigen: “Onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” 2 Korinthe 3 vers 6 (2 Kor. 03:06).

Als we aan het begin van deze rubriek schreven dat “Levend Geloof” zich in ‘opgaande lijn’ beweegt, betekent dit uiteraard niet dat alles van een leien dakje gaat. Dagelijks staan wij in de geestelijke frontlinie en de vijand laat geen gelegenheid onbenut om ons op allerlei wijze aan te vallen. Maar dat bevreemdt ons niet, Jezus zei immers: “Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen” Johannes 15 vers 20 (Joh. 15:20). Daarom gaan we met blijdschap in ons hart verder met onze arbeid, waarbij wij ons gesteund weten – blijkens de vele fijne en bemoedigende reacties – door onze lezers en lezeressen. Daar zijn we erg dankbaar voor en het stimuleert ons om, samen met u, te blijven werken aan het grote einddoel: de volle’ openbaring van het beeld van Jezus in ons!

G.J.R.D.

 

Houdt vast wat u hebt!… (gedicht) Wim van Wingerden

Openbaring 3 vers 11 (Openb. 03:11)

Nimmer mag het geloof in Jezus u ontglippen,

versterkt dagelijks uw geestelijke kracht,

getuigt van uw Heiland met uw hart en lippen,

Gods grote liefde heeft aan ieder gedacht!

Nimmer mag uw contact met Jezus ontbreken,

zonder Hem, zijn we gelijk een riet in de wind,

bedenk dat hellemachten en satans-streken,

onafgebroken werkzaam willen zijn aan Gods kind!

 

De boze, hij is ontwapend en overwonnen,

blijf dus pal staan in de geestelijke strijd,

‘Wie overwint, heeft het kwade bedwongen,

de gelovige zal leven, in alle eeuwigheid!

 

1985.01 nr. 255

Levend geloof 1985.01 nr. 255

De doorbraak van het zoonschap door Jan W Companjen

God, onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen. Want er is één God en één middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus, die zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen” (1 Tim. 02:04-06).

Gods wil duidelijk geopenbaard

Wij beginnen dit jaar, dat voor de vooruitgang van het volle evangelie een belangrijk jaar wordt, met een klaar en duidelijk stuk evangelie dat niet mis te verstaan is. God, de Vader, en Jezus Christus, de Zoon, willen, ja streven daar met ‘goddelijke energie’ naar, dat alle mensen gered worden en, wat nog veel meer is, tot de kennis van de waarheid zullen komen. Dat laatste is noodzakelijk om te kunnen opwassen tot het zoonschap Gods.

Zolang de mens nog ‘zoekende’ is vraagt hij zich af: wat waarheid? wat is waar en wat is onwaar? Waar vind ik het ware leven en wat is het ware leven? Ons antwoord is: Gods woord is de waarheid, de zin van het ware leven is Jezus Christus. Hij is de weg naar dat ware leven en Hij zegt ons de waarheid om tot dit volle leven te komen. Jezus is het vleesgeworden woord van God. Hij kocht ons vrij uit de macht van satan en Hij wil ons door zijn Geest leiden naar de volle waarheid. Jezus zei daarvan, zie onder andere Johannes 8 vers 31 en 32 (Joh. 08:31-32)): Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en zult gij de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken.

Jezus was één Geest met God de Vader en daarom kon Hij handelen en wandelen naar de wil van God. Hij had God tot Vader en deed de werken Gods doordat zij één waren. De Geest der waarheid zal ons er naar toe leiden dat wij ook zo één worden met de Vader en de Zoon. De heilige Geest is ons daartoe gegeven er dat legt de verantwoording op ons dat wij in de geest van Christus gaan wandelen. (Joh. 14:17 en Joh. 15:26 en Joh. 16:13) zegt dat de heilige Geest de Geest der waarheid is, dat die Geest in ons zal zijn en dat die Geest Gods werk in ons zal uitwerken, zoals dat ook in Jezus Christus, als eerstgeborene van vele broeders en zusters, uitgewerkt is. Ons denken zal daarom dan ook aangepast moeten zijn aan deze werkelijkheid dat Jezus Christus in ons, de hoop der heerlijkheid is. Hij is het, Zijn Geest in ons is het, die de waarheid in ons volmaakt. Dit is hét evangelie van Jezus Christus en dat is voor ons bestemd. Dat evangelie herstelt en vernieuwt alles wat door de duivel beschadigd en overweldigd is.

Medearbeiders van Gods herstelplan

Bij dat herstel mogen wij medearbeiders zijn, wij zijn immers leden van het lichaam van Christus? Het gedragspatroon van Jezus; Christus als Gods Zoon, is daarbij onze waarheidsspiegel, want zoals Christus zich als Gods Zoon openbaarde, zo heeft Hij ook u en mij gedacht. De schepping zal verlost worden uit de macht van satan. Van deze wil van God, heeft Jezus dan ook op de vastgestelde tijd het bewijs geleverd en daarvan getuigenis afgelegd. Hij als hoofd en wij als zijn lichaam mogen samen daartoe verder op weg gaan. Daarbij zullen wij waarlijk mens worden. Een rijke schakering van allerlei mensen met ieder een eigen opdracht in Zijn Koninkrijk. Het daarnaar toegroeien is op zich al een feest. Van Jezus zelf staat daar ook van dat Hij opwies en toenam in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.

Bij het openbaar worden van de zonen Gods hebben wij vaders in het geloof nodig. Eén van de kenmerken van een goede natuurlijke vader, bestuurder van het gezin, is toch wel dat hij de wil of de wens heeft dat zijn kinderen het net zover of nog verder zullen brengen dan dat hij het zelf gebracht heeft. Nu is er voor het geestelijk vader- en zoonschap geen bepaalde leeftijd nodig, maar wel het kenmerk of iemand volwassen is of niet, of hij een goed bestuurder is. Ook voor de andere bedieningen in het Koninkrijk van God is een zelfde instelling nodig. Het gaat bij een apostel, herder of leraar er niet om of hij of zij mooi spreekt of het woord Gods uitlegt; het gaat erom dat zij de instelling hebben tot opbouw en toerusting. Dat zij er op in gesteld zijn dat ‘leken’ koningen en priesters worden en dat zij als zodanig kunnen functioneren. Het is ook met deze dingen zo gesteld dat wij tot de volle waarheid moeten komen.

Is er ruimte voor de Geest?

God de Vader is een verhoorder der gebeden. Dat hebben velen van ons zeer zeker in hun leven al wel ervaren. Toen wij zo’n 25 a 30 jaar geleden in Nederland weer opnieuw gingen bidden voor uitstortingen en vervullingen met de heilige Geest, ging het gebeuren. Duizenden gelovigen werden vervuld met de heilige Geest. Predikanten, ambtsdragers, maar nog veel meer gewoon kerkvolk (herders in de velden), werden vervuld met de heilige Geest en riepen uit: Dit is het waarover in Handelingen 2, 10 en 19 gesproken wordt. Zij kwamen tot de erkenning dat het woord Gods waar is en ook nu, in deze eeuw, volkomen geldig is voor een ieder die tot erkenning der waarheid komt.

wereld heeft nog nooit de Geest van Christus zo hard nodig gehad als nu. Het is daarom dan ook zo diep treurig dat er nog steeds Schriftgeleerden zijn die precies weten waar Christus geboren wordt, maar de weg naar Hem toe afbakenen en tot ontoegankelijk of gevaarlijk gebied verklaren. Jezus waarlijk leren kennen, God de Vader waarlijk leren kennen, kan niet anders dan door de vervulling met de heilige Geest. Die Geest kan ons leiden tot de volle waarheid en tot de volmaaktheid. Die Geest zal dan ook bij ons en in onze samenkomsten de volle ruimte moeten hebben. Toen de Geest Gods over zoveel kerkvolk werd uitgestort, wist de kerk er geen raad mee. Organisatie en voorvaderlijke overleveringen stonden’ niet toe dat Gods Geest weer ging werken door mensen en dat die Geest die mens gebruikte naar Zijn wil.

Nu we zoveel jaren verder zijn is er weer heel wat gebeurd in de onzienlijke wereld. De mens Gods is aan het opwassen en komt tot. de erkentenis der waarheid. Ook van het lichaam van Christus kan gezegd worden dat zij toeneemt in wijsheid, grootte en genade (Luc. 02:52). In de jaren ’60 en ’70 groeide de geestelijk geworden christen uit de kerk (kerker). Hij liet het huis der dienstbaarheid achter zich en ging op weg naar het beloofde land. Men rook de vrijheid en ging aan het schatgraven. De schat in de akker werd gevonden en een nieuw tijd brak aan waarin men tot het besef kwam en komt dat het gaat om de waarheid dat Christus gestalte in ons krijgt en dat we geroepen zijn om allen op te wassen tot alle volheid Gods. Wij zien het woord uit (Ef. 04:01-16) waar worden. Wij zien steeds duidelijker dat éne lichaam, die éne Geest, één Heer, één geloof, één God en Vader van allen, die is boven allen en in allen.

Het lichaam van Christus krijgt gestalte

Christus is opgevaren om alles tot volheid te brengen. Evangelisten, herders, leraars, apostelen en profeten werden gegeven tot opbouw van het lichaam van Christus. Nu wij zo direct met deze dingen te maken hebben, moeten wij ons afvragen of de gemeenten van Christus nu wel in staat zijn dit op te vangen of zullen zij ook moeten aanzien dat zij die de waarheid zijn gaan onderkennen, zullen uittrekken om de weg des Heren te kunnen gaan. Het volwassen worden van de gemeente Gods als lichaam van Christus vraagt ruimte, vraagt inzicht en alléén maar toezicht om bij ontsporing te kunnen ingrijpen. In (Openb. 01:06) lezen wij dat Christus ons tot een koninkrijk, tot priesters voor God de Vader gemaakt heeft. Dat is een algemeen priesterschap en de waarheid daarvan zullen we ook moeten leren verstaan.

Het uitgroeien tot volwassenheid geeft vreugde en blijdschap omdat wij gaan zien dat de gekochten des Heren op eigen benen kunnen gaan staan. Zij zijn van afhankelijke kinderen, zelfstandige gelovigen geworden en weten waarover het gaat in (Ef. 04:13). Zij zijn op weg naar de volle kennis en de éénheid door het geloof in Jezus Christus. Dat is wat anders dan het met elkaar eens zijn over een bepaalde gedachte, of het er over eens zijn op een bepaalde manier samen te komen, of het als gemeente elkaar verdragen door dik en dun als zijnde een stukje van het lichaam van Christus. De tijd is daar dat wij persoonlijk weer zullen gaan handelen naar Zijn wil. Dan zijn wij als een boom die staat aan frisse waterstromen en dan zullen wij tezamen verblijd zijn om alles wat Hij door ons doet.

Als wij Hem de ruimte geven zal het goed gaan, dan zullen wetten en wetjes geleidelijk wegvallen, omdat de wet van Christus in ons dit mogelijk maakt. Indien deze dingen geschieden dan is het Mozes-tijdperk voorbij. Dan heeft Hij Zijn wetten in ons hart gelegd en die in ons verstand geschreven. Voorgangers, oudsten en alle andere kinderen Gods, zullen wij zo 1985 verder intrekken? In het geloof dat Hij dit jaar ons op machtige wijze verder brengen zal. Het is dan niet meer onze wil, maar dan zal Zijn wil geschieden tot verheerlijking van Zijn naam. Dan kunnen wij allen zeggen: Ja Heer, ‘ik’ wil dat ieder mens verlost en gezond is en dat ieder tot de grote waarheid komt die er is in Jezus Christus onze Heer.

God roept u om uit te trekken, uit het duister tot het licht. Koningen met Hem te worden, in het Rijk door Hem gesticht’

 

Vriéndschap in afhankelijkheid door Gert van de Kamp

“Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied. Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet: maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt” (Joh. 15:14-15).

Deze teksten staan in een hoofdstuk waarin heel duidelijk eenheid geïllustreerd wordt. Eenheid tussen Jezus en zijn vrienden, tussen Jezus en ons! U kent het beeld dan ook wel: “Ik ben de wijnstok en gij zijt de ranken”. De Heer gebruikt dit beeld om te laten zien dat Hij en zijn vrienden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Tegen de gedachte van vandaag in, dat mensen vrij, zelfstandig, onafhankelijk moeten zijn, wordt hier bekend gemaakt: “Zonder Mij kun je niets doen”.

Volledige afhankelijkheid dus. Maar niet zomaar van iemand, maar van de Zoon van God. Waarom? Om zelf ook deel te hebben aan dat zoonschap. Om op die manier een doelmatig leven te leiden. Dit is geen negatieve afhankelijkheid, waar iemand wat tekort komt. Dit is afhankelijkheid in de positieve zin van het Woord. Afhankelijk zijn van Jezus is pure noodzaak om te kunnen leven.

Vriendschap met Jezus ontstaat op basis van zijn Woord. Omdat Hij ons alles bekend gemaakt heeft, laat Hij ons niet in het ongewisse. Het is een open relatie. We weten nu waar we aan toe zijn. We weten hoe de Vader is, wat zijn plan is met de wereld, met ons. Dat heeft Jezus ons verteld. In deze relatie is geen plaats voor geheimen. Er is sprake van een steeds dieper wordende relatie, waarin Jezus ons door zijn Woord steeds meer vervolmaakt. Er is vriendschap op gelijke voet, er is geen emancipatie nodig. Er is geen slaafse afhankelijkheid, want daar geldt: ‘Befehl ist Befehl’ en ‘er wordt voor je gedacht’.

In de relatie slaaf-heer is de dood te vinden. Een slaaf is namelijk niet meer dan een machine, een soort robot. Een vriend daarentegen vertelt je alles en je kunt blij zijn over wat er gebeurt.

Jezus is een vriend van ons. Dat mag je elke dag van je leven bewust ervaren. Hij staat naast je. Wat is er eigenlijk fijner om te zeggen: Heer, dank U wel dat U mijn vriend bent!

 

Op hoger grond (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Heer, plaats me in de koelte van Uw Koninkrijk,

Daar wil ik helen, daar wil ik me laven,

Daar zult U Uw beloften aan mij staven

en kan ‘k gebiedend zeggen: ‘boze machten, wijk!’

 

Ik wil U vragen, Heer: Doorlicht me met Uw Geest

en wijs me aan, wat ik nog af moet leggen:

Heer, ELKE steen, wilt U ’t me duidelijk zeggen,

 ‘k Wil met een vlekk’loos kleed U naad’ren op het feest!

 

Wanneer ik in die koelte rustig met U ga,

me elke dag, elk uur bewust ben, Vader,

Dat U mij maakt van hoorder ook een dader,

Dan juich ik: Heer, mijn God heb dank! halleluja!

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 8 –

Het gezicht over de kandelaar

In het vierde hoofdstuk gaat het over de kandelaar. Dit gezicht heeft voor de profeet een bijzondere betekenis, hetgeen blijkt uit het feit dat het niet zoals de andere visioenen wordt ingeleid met: ik zag, of hij liet mij zien, of ik hief mijn ogen op en zag, maar hij vertelt uitdrukkelijk hoe de engel, de bode Gods, hem wekt, en hij vergelijkt dit met een gewekt worden uit de slaap. Blijkbaar waren er pauzes in het ontvangen van de nachtelijke openbaringen en het naderen van een nieuw beeld ervaart hij als een wakker geroepen worden.

Het beeld van de kandelaar doet ons denken aan het boek Leviticus, waar we een schitterende typering vinden: “En de Here sprak tot Mozes, zeggende: Gebied de kinderen Israëls, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie voor de luchter, om de lampen gedurig lijk aan te steken. Aaron zal die voor het aangezicht des Heren gedurig lijk toe richten, van de avond tot de morgen, buiten de voorhang van de getuigenis, in de tent der samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten” (Lev. 24:01-03). Het accent valt op het duurzame: tot driemaal toe horen we het woord ‘gedurig lijk’ in de eerste vier verzen. Letterlijk zegt het tweede vers: om een duurzame lamp te verhogen, of te doen opgaan. Vers vier herhaalt de grondgedachte: Op de zuivere of reine kandelaar zal hij de lampen toe richten voor het aangezicht des Heren, duurzaam. Het slotwoord van de perikoop is opnieuw het geladen woord: duurzaam.

Van de avond tot de morgen

Die duurzaamheid wordt nader geconcretiseerd in de uitdrukking: van de avond tot. de morgen. Dat is de periode van de duisternis, als alle zonlicht de mens heeft verlaten. Zo ook: in de nacht van de geschiedenis zal aar de kandelaar zijn, de menora, de lichtdrager. Van de avond tot de morgen, van die avond tot die morgen, waar het eerste scheppingsverhaal over spreekt: er geschiedde avond en er geschiedde morgen, de avond van de inkeer en de verstilling, de morgen waarin God en mens opstaan om hun werk te doen. De avond van de Pésach en de morgen van Pasen, de avond waarin het lam werd geslacht en de morgen van de opstanding.

Van die avond tot die morgen, toen de leerlingen van de Meester zwoegden op het meer en Hij tot hen kwam in de vierde wake van de nacht, om als in een paasnacht sparend aan hen voorbij te gaan.

Van die avond tot die morgen, toen de leraar Israëls, Nicodemus, kwam om geleerd te worden vanuit de hemel, en hij vragen mocht stellen, zoals in de paasnacht het jongste kind de aloude vragen stelt, en de vader antwoordt; zo mocht de geleerde, van wie altijd maar weer werd verwacht dat hij antwoorden had, en wie had hem ooit onderwezen? zo mocht hij kind worden, kind aan de pèsachtafel, eenvoudig vragend kind, kind dat eindelijk vraag mag worden, kind dat eindelijk antwoord vindt. En op hetzelfde moment dat hij wanhopig (want hoe zou dat ooit mogelijk zijn? De geschiedenis is immers onherhaalbaar?) vraagt: Hoe kan een mens opnieuw de moederschoot ingaan als hij oud geworden is (en wat kan een mens oud zijn door alle pijn en moeite en het kennen van eigen niet op te heffen tekort) ? – op datzelfde moment is hij nu juist bezig datgene te doen waaraan hij wanhoopt: al vragende wordt hij kind en gaat hij de moederschoot  in die hij voor altijd achter zich-gesloten dacht. Van die avond tot die morgen is er voor die oude man tijd, volop tijd, om een droom te dromen, zoals dat voor de ouden voorzegt is, en hij zal ervaren dat voor hem de aloude pèsachvraag beantwoord wordt: Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten?

De kandelaar en de toonbroden

Van die avond tot die morgen mag hij daar zitten in het licht van de kandelaar, en hem wordt het brood getoond. Zo sluit het in Leviticus op elkaar aan: de kandelaar en de toonbroden. Want we moeten niet vergeten de Nicodemus in de paasnacht kwam, want het gaat over ‘zijn tekenen, die Hij deed’, op het Pascha, op het feest (Joh. 02:23) en daarnaar vraagt hij: niemand kan deze tekenen doen die Gij doet.

Zo is er meer tussen avond en morgen dan men vermoedt; er geschiedt heil van de avond tot de morgen, er is een weg van dood naar opstanding, er is een weg door het donker naar het licht, er is een terugkeer van een mens naar de moederschoot, er is een sparend voorbijgaan in de nacht.

Zo ontvangt Zacharia zijn gezichten tussen avond en morgen en dan, juist dan is daar de kandelaar, en als een kind is de paasnacht mag hij vragen stellen; daarom is het ook geen schande als hij zegt: “Mijn heer, wat zijn deze dingen? En de bode zei: Weet gij niet wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn heer”. En in het gedeelte vanaf vers elf opnieuw dit vragen, en ’ erkennen van eigen onkunde. Deze houding past hem, zo mag Zacharia zijn als een Nicodemus, als een pèsachkind, zijn naam betekent tenslotte: de HERE heeft gedacht, en in verband met het Pascha wordt gezegd: “Deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis” (Ex. 12:14) .

Het symbool van de ogen des Heren

Wat moet er verlicht worden? Er is sprake van zeven lampen met elk zeven pijpen, of buizen: dus komen we op zeven maal zeven lichtpunten, een volkomenheid van licht. We vinden hier het symbool van de ogen des Heren, zoals het tiende vers vermeldt: de zeven zijn de ogen des Heren, die het ganse land doortrekken (Statenvertaling), of de ganse aarde doorlopen (NBG). Nu moeten we erop letten dat in het Hebreeuws de uitdrukking ‘ de gehele aarde’ het slot vormt van de tekst; er staat dus: die rondtrekken in al de aarde. Al de aarde, daar valt derhalve het zwaarste accent op, dat klinkt door als de woorden van de tekst zijn weggestorven.

Aarde en land is in het Hebreeuws hetzelfde woord; het land staat model voor de aarde; het beloofde land is in dezen de beloofde aarde. Vers 14 eindigt eveneens met de woorden: al de aarde. Dat is het slotakkoord van het hele hoofdstuk. Nu dienen we te bedenken: hier is niet de gebruikelijke vorm voor Here: Adonai, gebezigd, maar een kortere vorm: Adon. Deze kunnen we wellicht het best weergeven met: Meester. God is de Meester van al de aarde.

De Adon van al de aarde

Doordat deze titel van God de afsluiting vormt van dit gezicht, komt het onderhavige beeld in bepaald verband te staan. De uitdrukking komt nog een keer bij Zacharia voor, namelijk in hoofdstuk 6, waar van de paarden vertelt wordt dat ze hun standplaatsen hebben bij de Here (Adon, Meester) van al de aarde (vers 5). Nu zijn er nog enkele plaatsen waar we deze vrij zeldzame omschrijving aantreffen; dat is bij de profeet Micha: “Gij zult vele volkeren verbrijzelen en gij zult hun rechtmatig gewin door de ban aan de Here wijden, en hun vermogen aan de Here (Meester) van al de aarde” (Micha 04:13). De term: in de ban doen, herinnert aan de dagen van Jozua, toen het volk het land binnengingen Jericho met al zijn schatten gebannen moest worden, dat wil zeggen: gewijd aan de Here.

We noemen nog een tekst: (Ps. 097:005) zegt: “De bergen versmelten als was voor het aanschijn des Heren, voor het aanschijn van de Here (de Meester) van al de aarde. Hier bevinden we ons in één van de Koningspsalmen, waar het eindtijd-koningschap van de Allerhoogste wordt bezongen (zie bijvoorbeeld vers 9: “Want Gij, Here, zijt de Allerhoogste over al de aarde”).

We vestigen de aandacht op nog een andere psalmtekst, waar we eveneens de naam Adon aantreffen: “Gij aarde, beef voor het aangezicht des Heren: beef voor het aangezicht van de Adon, van de Meester”, zo horen we in (Ps. 114:007). Weer worden hier de titel Adon en de aarde op elkaar betrokken. De aarde wordt opgeroepen, haar Meester te erkennen en te herkennen. Nu zet deze psalm dat appèl in een bepaald verband, namelijk de uittocht van Israël uit het land der benauwdheid en de intocht in het land der belofte: “de zee zag het en vluchtte, de Jordaan wendde zich achterwaarts” (vers 3). De doortocht door de zee en de doortocht door de Jordaan worden hier in één adem genoemd. Zo betoont God zich de Meester van al de aarde.

Het herstel van Gods eigendomsrecht

En hiermee komen we terecht bij dat magistrale gebeuren in het boek Jozua, waar de zonen Israëls de beslissende grens overtrekken: de rivier de Jordaan. En dan staat er in (Joz. 03:11): “Ziet, de ark des verbonds van de Here (Meester) van al de aarde trekt voor u over, de Jordaan in. Hieraan zullen zij weten dat de levende God in hun midden is en de vijanden voor hen uit verdrijven zal”. En dan klinkt het in het dertiende vers nogmaals: “De priesters die de ark van de HERE, de Here (Meester) van al de aarde, dragen”. De zee en de Jordaan vertegenwoordigen de ganse aarde, die betrokken raakt bij hetgeen God verricht ten behoeve van zijn volk.

Zo heeft de naam ‘Meester van al de aarde’ zijn wortels in de geschiedenis van het beërven van het nieuwe land, de nieuwe aarde. We zouden in dit verband ook nog kunnen denken aan de uitspraak van Jesaja: “God der ganse aarde zal Hij genoemd worden” (letterlijk: God van al de aarde zal Hij geroepen worden, (Jes. 54:05). Als we de gedachte samenvatten, komen we tot de slotsom: Meester der ganse aarde, dat heeft te maken met het herstel van het eigendomsrecht Gods. Juist waar de aarde in verkeerde handen is, in de handen van de Kanaänieten (Jozua 3) , in de handen van Babel (Jesaja 54), onrechtmatig bezit (Micha), kortom in de greep van grote machten (wie zijt gij, grote berg? (Zach. 04:07), juist daar moet de naam uitgeroepen worden: Meester van al de aarde.

De twee zonen van de olie

Nu is er sprake van twee olijfbomen, in het derde vers, en zij keren in het elfde vers terug. In vers 3 horen we dat ze zijn boven de kandelaar, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. In vers 14 wordt deze gedachte als volgt toegepast: “Zij zijn de twee gezalfden (letterlijk de twee zonen van de olie) die voor de Here der ganse aarde staan”. Hier staat exact: staande boven de Meester van al de aarde. Ze zijn niet gesitueerd voor Hem, maar boven. Hem. Boven iemand staan is een vaste term voor de houding van een ondergeschikte: de heer zit en de dienaar staat, vandaar dat de dienaar zich, strikt genomen, boven zijn heer bevindt. De beide gezalfden zijn derhalve knechten van God, speciaal in zijn ambt als Meester van de aarde. Eén staat aan zijn rechterzijde en één aan zijn linkerzijde; dit vernemen we tweemaal, in het derde en het elfde vers.

Dit doet ons denken aan de moeder van de zonen van Zebedeüs, die tot Jezus kwam met het verzoek: “Zeg dat deze mijn twee zonen mogen zitten, één aan uw rechterzijde en één aan uw linkerzijde in uw koninkrijk”, waarop de Meester verklaart: “Mijn beker zult gij wel drinken, maar het zitten aan mijn rechterzijde en linkerzijde staat niet aan Mij te geven, maar het is voor hen, dien het bereid is door mijn Vader” (Matt. 20:21-23). Zij zijn de uitvoerders van Gods raad. Met de twee gezalfden zijn bedoeld Jozua en Zerubbabel, het priesterschap en het koningschap.

Wie is werkelijk gezalfd?

Wanneer we horen van olijfbomen, dan worden we herinnerd aan het beeld uit Psalm 52, waar David  profetisch over zichzelf zegt: ‘Maar ik ben als een groenende olijfboom in het huis van God” . David spreekt dit uit in een intense strijdsituatie, als aan alle kanten zijn leven bedreigd wordt. Dan getuigt hij van de innerlijke zalving, die hem niet ontroofd kan worden. Deze olie is onaantastbaar. Wat beroemt gij u op het kwade, gij geweldige? zo vraagt David zijn tegenstander, en zelf verklaart hij dat hij zijn knecht niet zoekt in geweld, maar in vertrouwen: ik vertrouw op Gods goedertierenheid. Evenzo staat in Zacharia 4 de olie van de Geest tegenover de kracht en het geweld van de vijand.

Als we willen zien wat een gezalfde in wezen is, dat? zullen we onze blik richten op Jezus; gezalfde zijn,, dat bemerken we bij Hem, dat houdt in dat een mens zich werkelijk volstrekt ter beschikking stelt. Het is zeer beslist geen pretentie; wat dat betreft kunnen we leren van Jezus want Hij verbood ten strengste tegen iemand tijdens zijn leven op aarde te zeggen dat Hij de Christus, de gezalfde was. We kunnen ons nooit op enige wijze laten voorstaan op onze zalving; we worden gezalfd tot dienstbetoon en niet tot een status. Alleen wie beschikbaar wil zijn voor God en voor zijn broeder, zal een gezalfde kunnen zijn. Hij zal zijn net als David, die te midden van druk en weerstand toch beschikbaar bleef; hij zal zijn als Jezus, die altijd één doel voor ogen hield: niet dat men Hem koning zou maken; dat ontweek Hij juist; maar zijn ene doel was: beschikbaarheid.

De voltooiing van het huis Gods

“Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte” (Zach. 04:07). “Hij zal de gevelsteen doen uitgaan” , of de hoofdsteen; dat wil zeggen: de tempel komt gereed in zijn dagen. Dan vervolgt het NBG: “onder het gejubel: heil, heil zij hem!” Genade, genade, staat er. Daar blijkt zonneklaar: van het begin tot het eind is de bouw van het godshuis een zaak van genade. De hoofdsteen is de sluitsteen; Rudolph merkt op dat de weergave met gevelsteen onjuist is omdat een tempel geen gevel heeft maar een plat dak. De bouwlieden laten een plek vrij waar Zerubbabel als leider van het hele project de laatste steen mag invoegen.

Vers 9 haakt daarop in en vertelt over de handen van Zerubbabel: “zijn handen hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien” . Hier wordt een vrij zeldzaam woord gebruikt voor voltooien, een term die eigenlijk betekent: afsnijden, beëindigen. Zoals men een draad afsnijdt wanneer men klaar is met weven.

“Want wie veracht de dag der kleine dingen?” (vers 10). Dan vervolgt het NBG: “Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel” . Het is ‘échter hoogst onwaarschijnlijk dat de opperste regeringsbeambte persoonlijk met het paslood rondgaat om te controleren of de muren wel recht staan. Er staat eigenlijk: ze zullen zich verheugen als ze de steen der afzondering, de steen der uitzondering, de steen der scheiding zien. Bedoeld moet zijn dezelfde steen waar vers 7 over sprak: de sluitsteen, hier genoemd de afgezonderde steen, die reeds apart gelegd was om voor dat doel gebruikt te worden.

De sluitsteen van de ware tempel

Wellicht is er nog een diepere zin gelegen in de uitdrukking: steen der afzondering. Dit is de sluitsteen en we weten dat de sluitsteen van de ware tempel is: Jezus. Hij is ook de steen der afzondering of der onderscheiding, want juist door Hem is dit huis onderscheiden van alle andere tempels. Er zijn tempels in menigte, maar het waarmerk van het ware godshuis is: “Jezus, de nieuwe mens. Zonder Hem is elke tempel, hoe kunstig en schoon ook, niet meer dan een stuk religie, een monument. Alleen waar Hij de sluitsteen is, daar is sprake van een godshuis in de ware zin des woords. En dan bedoel ik niet: waar Hij voorkomt in de geloofsbelijdenis of waar wij menen het volle evangelie te bezitten, maar daar waar het mens-zijn van Jezus aanwezig is in mensen. Dat wil zeggen: het mens-zijn in ontferming, in betrouwbaarheid. De steen der afzondering is in wezen het nieuwe mens-zijn, de nieuwe ‘adam’, de barmhartigheid. Daarin onderscheidt het huis Gods zich van alle andere bouwwerken.

Dat lijkt voor het oog van de machthebbers een dag van kleine dingen; een dag waarop ontferming wordt betoond, een dag waarop een mens wordt opgericht. Maar wat in de ogen van machtigen klein is, dat is groot voor God.

Gods grote geheim

Let op het contrast: grote berg – kleine dingen. En daartussen staat tot tweemaal toe het woord ‘genade’. De genade scheidt ons van de grote berg, en brengt ons in de dag der kleine dingen. Genade doet de grote berg verbleken; vaak zijn we nog zo onder de indruk van wat iedereen groot noemt, en we zien niet de Meester van de ganse aarde, die zo meesterlijk groot is in de kleine dingen.

Wie weet er nog van genade? Genade, dat is de moeder die zich over je heen buigt; genade, dat is dat een mens uit de ongenade wordt weggerukt, door een God die het niet laat bij wat het is. Genade is een God die kan huilen om een mens die niet meer weet wie hij is. Genade is een God die niet zal rusten voordat Hij zijn eenzaam mensenkind heeft- thuisgebracht. Genade is een God die het kleine niet veracht, maar die zegt met de woorden van Zacharia 13: Ik zal mijn hand tot de kleinen wenden (Zach. 13:07, Statenvertaling). Genade is Gods geheim in een genadeloze wereld. Wie haar herkent, is diep verrast: hij had nooit geweten dat hij daarvoor gemaakt was.

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Bij het verschijnen van dit nummer is 1985 al weer enkele weken ‘oud’. De tijd gaat snel en het leven is, zoals Jacobus schrijft, een damp die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.. . Daarbij doelt Jacobus uiteraard op het tijdelijke, vergankelijke leven, wat we in een lichaam van vlees en bloed doorbrengen. Als kinderen Gods weten wij echter dat er een ander, onvergankelijk, verheerlijkt lichaam voor in de plaats zal komen. Het ’tijdelijke leven’, waar wij nu nog mee te maken hebben, vormt echter reeds een onderdeel van het nieuwe, eeuwige leven wat wij door geloof in Jezus Christus hebben ontvangen. Wij behoren ons bewust te zijn dat in dit leven grote beslissingen vallen. Dat begon met het aanvaarden van Christus. Daarbij werden we vanuit het rijk der duisternis overgeplaatst in het Koninkrijk van Jezus Christus. Maar bij die ene beslissing is het – als het goed is – niet gebleven.

Telkens weer worden we voor de keuze gesteld of we het nieuwe leven van Christus ook verder in ons leven gestalte willen geven. Daar wordt gehoorzaamheid voor gevraagd, dat wil zeggen de bereidheid geestelijk te groeien, zodat we ons als stabiele, volwassen christenen gaan openbaren.

De opdracht van “Levend Geloof” daarbij is ‘geestelijk voedsel’ aan te dragen, zodat wij niet stil blijven staan in ons geestelijk denken en leven, maar geactiveerd en gestimuleerd worden ons volledig in te zetten in dienst van Gods Koninkrijk. Geïnspireerd door Gods Woord en Geest hebben wij ook in 1985 weer véél stof tot schrijven! Hoe kan het ook anders met zo’n rijke boodschap! Wij willen doorgaan, ‘in goed gerucht en kwaad gerucht’, de boodschap van het Koninkrijk Gods te verwoorden in een voor iedereen begrijpelijke taal, daarbij rekenen wij vooral ook op de voorbede en steun van onze lezers en lezeressen! Want wie op compromisloze wijze de volle boodschap doorgeeft, zoals wij dat doen via “Levend Geloof”, heeft te maken met felle tegenstand uit het rijk der duisternis. Dit ontmoedigt ons echter niet, maar veroorzaakt juist dat wij op effectieve wijze onze geestelijke wapenen kunnen hanteren! En deze wapenen zijn, zoals Paulus zegt in 2 Korinthiërs 10, niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken!

 

Brieven door de redactie

Immanuel, God met ons

Broeder G. v. d. H, te Bilthoven reageerde op het artikel “Immanuel: God met ons” in “Levend Geloof” van december, speciaal op de bijgeplaat­ste tekening. Het deed hem denken aan een schilderij van Rembrandt waar ook een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven: “Deze grote schildert hem als iemand, die besprenkeld wordt. Toen ik de conser­vator van het Utrechts museum schriftelijk vroeg hoe het komt, dat bijna altijd de doop verkeerd wordt gepenseeld, deelde hij mede dat de schilders op hun doeken de opvat­tingen van hun kerk (de R.K.) weergaven. Daarom ziet men Jezus altijd in het water staan en wordt zijn hoofd besprenkeld met wat druppels water, zoals de reformatorische kerken deze van Rome hebben overgenomen. Men dient daarom te spreken van Johannes de Besprenkelaar. Toch heb ik eens een stuk gezien van een schilder, die de Bijbel goed gelezen had, want hij gaf deze gebeurtenis weer, zoals de evangelis­ten het hebben opgete­kend. Maar ook het Avondmaal wordt onjuist weergegeven. Zelfs op het beroemde schilderstuk van Leo da Vinci zit de Heiland met Zijn jongeren aan een lange tafel, maar de Bijbel vertelt dat men aanlag.

In standbeelden en op het doek worden Bijbelse per­sonen en zogenaamde Roomse heiligen afgebeeld met een stralenkrans om het hoofd.

Zo viel mij bij het lezen van uw mooie artikel over Immanuel op, dat het kindeke Jezus licht uitstraalt. Hij was inderdaad een “licht tot verlichting der heidenen, maar dit zag men niet aan zijn uiterlijke verschijning. De profeet zegt zelfs, dat Hij geen gedaante noch heerlijkheid had. Maria heeft ook een soort stralenkrans, terwijl Jozef wordt afgebeeld als een oude man. Met de engelenkopjes is het één stuk fantasie. Trouwens dat zijn de meeste schilderijen. Niemand weet hoe Bijbelse figuren er uitza­gen, want er zijn ons geen afbeeldingen nagela­ten. Jammer, dat ook de naam Immanuel, die onder het plaatje staat, verkeerd is gespeld. (Een druk­fout – red.). Het is maar goed dat u de naam Immanuel hebt beschreven als de naam boven alle naam. In die naam zal alle knie in hemel en op aarde zich buigen. We zien hier al weer dat de geestelijke werkelijkheid niet is uit te beelden. U kunt zich nu wel voorstellen waarom ik op dit plaatje ben inge­gaan, hoewel ik met de uitbeelding, door uw weer­gegeven, volkomen instem” .

Naschrift redactie

 – Ter onderbreking van de vele bladzijden gedrukte tekst, plaatsen wij bij de verschillende artikelen zo nu en dan tekeningen die verband houden met het onderwerp. Omdat wij niet geïmponeerd zijn door al­lerlei abstracte tekeningen van deze tijd, lopen we natuurlijk het risico dat bij de ‘oude’ tekeningen die wij gebruiken, soms een geromantiseerde voor­stelling van zaken wordt gegeven. Dat was ook bij de kersttekening in het decembernummer het geval, hoewel de ‘stralenkransen’ rondom de hoofden van Jozef en Maria reeds wa­ren weggewerkt. We zijn het met de briefschrijver eens dat geestelijke werkelijkheden niet zijn uit te beelden. Overigens kan­nen ‘Bijbelse illustraties’ ook duidelijk een functie vervullen bij het overbren­gen van de boodschap, zoals dat ook bij film, to­neel, muziek, etc. het ge­val kan zijn, mits de waarheid van de Bijbelse boodschap niet wordt aan­getast .

Aangesproken door “De volledige mens” Broeder P. v. d. M. te Neitersen (West- Duits­land) schreef: “Van een broeder uit Holland kreeg ik enige exemplaren van “Levend Geloof”, dat is reeds meer dan een jaar geleden. Vanmiddag zocht ik naar een geschrift en kreeg deze bladen in han­den (4 stuks van ’81 en ’82). Ik las wat broeder Goverts over geest, ziel en lichaam schreef, het heeft me zeer aangespro­ken. Is het mogelijk het boekje “De volledige mens” te ontvangen? Tevens wil­de ik me een jaar abonne­ren op “Levend Geloof”, wanneer dit mogelijk is voor iemand die in Duits­land woont. Ik woon meer dan 4 jaar hier, was in Holland lid van een onaf­hankelijke Baptistenge­meente en ging later naar de-Volle Evangelie gemeenten te Nieuwegein en Culemborg. Hier ben ik lid van een Freikirchliche ge­meente in Wölmersen, waar ook het Missionshaus “Neues Leben” van Anton Schulte staat” .

Dankbaar voor “Levend geloof”

Zuster J, R, G. te Utrecht schreef o.a.: “Donderdagavond heb ik voor een broeder uit Amersfoort een geschenkabonnement besteld. Bovendien heb ik voor mezelf een tweede abonnement genomen om te kunnen uitlenen. Vergis ik me?, maar ik vind ’t blad steeds fijner worden, ’t Artikel over Mozes was hier en daar voor mij een openbaring, maar ook het artikel van Jan W. Companjen, waarin ik zelfs enkele zinnen met m’n ge­le stift bewerkt heb. Maar eigenlijk moet ik geen namen noemen, want ik vond, alle artikelen heerlijk.

‘k Heb de Heer extra ge­dankt dat ik zo’n fijn blad mag lezen. Nu wilde ik voor m’n vriendin-buur­vrouw, die ook een Geest- vervuld kind van God is en ook tot de gemeente Amersfoort behoort, een geschenkabonnement ge­ven”.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 9 –

De geest der gebeden

De profeet Zacharia profeteert in hoofdstuk 12 over de eindtijd en spreekt dan van ’te dien dage, dat is ‘de dag des Heren’. “Te dien dage zal ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken. Doch Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden” (Zach. 12:09-10a, Statenvertaling). Zacharia noemt de Heilige Geest de Geest der gebeden. De engel (Openb. 08:03) neemt vuur van het (brandoffer- )altaar en brengt dit met het reukwerk op het gouden altaar waar het in rook opgaat voor het aangezicht van God (Ex. 30:01-10; Ex. 30:34-38).

In het Oude Verbond was het volk buiten in gebed als het reukwerk voor de priester werd gebracht voor het heilige der heiligen in de tempel. “En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer” (Luc. 01:10). In (Openb. 08:03) gebruikt Johannes dit beeld om te omschrijven wat hij gezien heeft in het hemelse heiligdom. Het reukwerk is dan het beeld van de gebeden van alle heiligen en het vuur is het beeld van de Heilige Geest: ‘de Geest der gebeden’. Alleen door de Heilige Geest kan een volk lofprijzing en aanbidding brengen in geest en in waarheid. Dit zal  aanbidding zijn met het verstand maar ook zeer zeker met de Geest: in tongentaal. Paulus zegt immers: “Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand; ik zal lof zingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand” (1 Kor. 14:15).

De late regen

Opnieuw gaat de engel naar het altaar en nu wordt de geest der genade en der gebeden uitgestort op aarde (Openb. 08:05). Zo wordt de ‘late regen’ uitgestort op de gelovigen op aarde vanuit het hemelse heiligdom. “Ik zal voor het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der’ gebeden”. Dit is niet plaatsgebonden, maar wereldwijd. Het is een tijd die aangebroken is in het heilsplan van God. “Vraagt van de Here regen ten tijde van de laten regen” (Zach. 10:01) . Het is een geestelijke gebeurtenis. Ik wil nogmaals opmerken dat er in de hemel niet ergens een altaar staat, maar dit is een beeld van Jezus Christus. Ook is er geen vuur maar dit is het beeld van de Heilige Geest.

Jezus Christus is de doper met de Heilige Geest. Hij heeft van de Vader hierover de beschikking gekregen. Petrus zegt dat Ook in (Hand. 02:33): “Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader heeft ontvangen, heeft Hij dit uitgestort, wat Gij ziet en hoort”. Als Jezus tot Johannes de Doper komt om gedoopt te worden, dan spreekt Johannes profetisch over dit moment in (Openb. 08:05) als hij zegt: “Ik doop u met water tot bekering, maar Hij (Jezus Christus) die na mij komt, die zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur” (Matt. 03:12; Luc. 03:16). Nog enkele teksten in dit verband: “Hij zal u dopen met de vroege regen en met de late regen op de juiste tijd” (Jer. 05:24; Jak. 05:17). “Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met kracht” (Hand. 06:05a-08). “Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met de gerechtigheid, de heerlijkheid en de heiligheid van God” (Jes. 60:01-02) .

Jezus zelf spreekt ook over deze twee dimensies van de doop in de Heilige Geest. In (Luc. 24:49a) zegt Hij:  “En zie, Ik doe de belofte mijns Vaders op u komen” . Dat is de Heilige Geest ontvangen als de leraar ter gerechtigheid (Joël 02:23) bij de doop in de Heilige Geest. En in (Joël 02:24) zegt Joël: “Daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft”. En Jezus zegt: “Maar gij moet in de stad blijven, totdat gij ‘bekleed’ wordt met kracht uit de hoge” (Luc. 24:49b) . Ook van Jezus staat geschreven, dat Hij door God met de Heilige Geest en met kracht gezalfd was (Hand. 10:38) .

Een volk tot alle goed werk toegerust

Op vele plaatsen is er door de profeten over gesproken als over een vreugdevolle gebeurtenis. Zonder late regen is er geen oogst! Een nieuwe tijd is aangebroken want Gods volk wordt aangedaan met de kracht van de Heilige Geest. Het is de tijd waarvan geschreven staat, dat God zal opstaan tot de strijd. “God staat op, zijn vijanden worden verstrooid, zijn haters vluchten voor zijn aangezicht” (Ps. 068:002). God staat op in een volk dat Hem volkomen is toegewijd. Een volk dat zich heeft laten reinigen door Jezus Christus, dat een rein hart heeft, dat onwankelbaar en trouw is, dat de strijd geleerd heeft in eigen leven en volhard heeft tot het einde. Een volk dat geen valse profeten en valse Christussen is na gelopen, die grote wonderen en tekenen doen om zo van de problemen af te komen (Matt. 24:23-26) . Een volk waar de kracht Gods aan toevertrouwd kan worden omdat de vrucht van de Geest tot rijpheid is gekomen in hun leven (Gal. 05:22; 1 Kor. 13:04-07; Matt. 21:43) .

In geweldige bewoordingen wordt dit moment van de geboorte van de eerste zonen beschreven. Jezus zelf zegt: “Want gelijk de bliksem flitst en van de ene kant des Hemels tot de andere kant licht; zo zal de Zoon des mensen wezen op Zijn dag” (Luc. 17:24; Matt. 24:27) . Paulus zegt in (2 Thess. 01:10) dat Hij op die dag verheerlijkt zal worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd zal worden in allen, die tot geloof gekomen zijn. De psalmist Asaf zegt in (Ps. 050:001-002: “De God der góden, de Here, spreekt en roept de aarde, vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat”.

De stilte is verbroken en God gaat spreken en Hij roept tot de aarde; vandaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat. De vraag is: Wie zal Zijn mond zijn? Wie zal roepen? Wie zal de vreugdebode zijn? Het antwoord geeft vers 2: “Uit Sion (de gemeente) de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans” . Vanuit de gemeente treedt de heerlijkheid Gods als een lichtglans naar buiten. En dan vervolgt Asaf in vers 4 tot en met 6: “Hij nodigt de hemelen, daarboven, en de aarde, om zijn volk te richten: Breng Mij mijn getrouwen bijeen, die door offers het verbond met Mij sloten! En de hemelen verkondigen zijn gerechtigheid; want God begint met het gericht” (Canisius-vertaling) .

God gaat spreken vanuit Zijn heiligdom

De tijd is gekomen dat God gaat spreken als rechter over hemel en aarde. In (Joël 03:16) staat: “En de Here brult uit Sion en verheft zijn stem uit Jeruzalem,

zodat hemel en aarde beven” (zie ook Amos 01:02). In (Openb. 08:05 zien we dat de late regen vergezeld gaat met           ‘stemmen, donderslagen, bliksemen  en

aardbevingen’. Ook in Samuel lezen we van donderslagen bij het vallen van de late regen (1 Sam. 12:17) en in (Zach. 10:01 over bliksemschichten (zie ook Ps. 135:007; Jer. 10:13; Jer. 51:16). En in (Joël 03:16) lezen we over het beven van hemel en aarde als God gaat spreken.

De donderslagen zijn beeld van het spreken van God over belangrijke zaken op belangrijke momenten. Het zijn proclamaties die in de hemel klinken en hun weerslag en uitwerking hebben op aarde. In Psalm 29 beschrijft David de kracht van Gods stem in de donder (zie ook Job 37:05).

Eén van de belangrijkste momenten van Gods spreken is ongetwijfeld geweest op de berg Sinaï’, bij het uitspreken van de tien geboden. Als God daar gesproken heeft dan lezen we in (Ex. 20:18a): “En het gehele volk was getuige van de donderslagen, de bliksemstralen, het geluid van de bazuin en de rokende berg”.

In Johannes 12 zien wij ook zo’n belangrijk moment in het leven van Jezus Christus. Het is in verband met zijn lijden en sterven. Jezus zegt dan: “Vader, verheerlijk Uw naam!” En dan gaat God spreken: “Toen kwam een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem nogmaals verheerlijken!” (Joh. 12:28b). “De schare dan, die daar stond en toehoorde, zeide, dat er een donderslag geweest was; anderen zeiden: Een engel heeft tót Hem gesproken” (Joh. 12:29). Dat spreken van God had zulke verstrekkende gevolgen, dat Jezus kon zeggen: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld; nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden” (Joh. 08:31). In (Openb. 04:05) lezen we ook dat stemmen en donderslagen en bliksemstralen uitgaan van de troon van God. (zie ook Openb. 11:19;  Openb. 16:18).

De engelen die Zijn woord volvoeren

De donder zien we steeds vergezeld van bliksemschichten en bliksemstralen. De bliksemschichten zijn beeld van de heilige engelen die Gods woord volvoeren. “Looft de Here, gij zijn engelen, gij krachtige helden, die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn stem” (Ps. 103:020). In het roepingsvisioen van Ezechiël ziet hij de engelen als bliksemschichten: “De wezens snelden heen en weer als bliksemschichten” (Ez. 01:14) . En in (Openb. 05:05 zien we dat de engelen (bliksemstralen) uitgaan van Gods troon. Altijd zijn de engelen de volvoerders geweest van Gods woord. In de brandende braamstruik is de engel des Heren en als hij dan spreekt dan komt ‘de stem van de Here’ tot Mozes (Ex. 03:01-10) . En al de woorden, geboden, verboden onderwijzing, – ‘levende woorden’ – zijn door middel van de engel des Heren tot Mozes gesproken (Hand. 07:38).

Ook in de eindtijd zijn de engelen zeer actief en ze volbrengen nu ook het woord van God wat door de ‘zonen’ wordt uitgesproken. Ze volbrachten zo ook de woorden van ‘de Zoon’ Jezus Christus. Zij waren Zijn dienaren. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt dat God nu, in het laatst der dagen, tot ons gesproken heeft in de Zoon (Heb. 01:01). De Zoon Jezus Christus heeft echter nooit uit zichzelf gesproken, maar Hij heeft gesproken al wat Hij van de Vader hoorde (Joh. 12:49-50). Het spreken van de Zoon is het spreken van de Vader en wordt door de heilige engelen volvoert. In de eindtijd is de Zoon echter niet meer alleen maar een leger van zonen trekt met Hem uit. “En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgen Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen” (Openb. 19:14) . En deze zonen spreken nu ook, zoals de Zoon spreekt en zoals de Vader spreekt. Donderslagen en stemmen!

De Heilige engelen dienen de eerstgeborene

Dan staat er zo bijzonder mooi in (Heb. 01:06): “En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen”. Er is hier sprake van ‘wederom’, dat wil zeggen: nogmaals, opnieuw! De eerstgeborene is nu niet alleen Jezus Christus, maar het zijn ook de zonen die uit de gemeente geboren zijn en worden. Alle engelen zullen de eerstgeborene huldigen, wat ook betekent ‘eren’, ‘erkennen’, ‘dienen’. (Dan. 12:01 spreekt ook van deze dienende functie van de engelen als hij zegt: “Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat”. Openbaring 12, waarin de geboorte van de eerste zonen beschreven wordt, geeft nog duidelijker aan wat dan de taak van Michaël en zijn engelen is: “En er kwam oorlog in de hemel, Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog” (Openb. 12:07) . De engelen zullen zo de zonen Gods terzijde staan in de oorlog tegen de duivel en zijn machten. De woorden die wij spreken in de zichtbare wereld zullen door de heilige engelen in de onzichtbare wereld gerealiseerd worden. Ieder gebod, ieder bevel, uitgesproken door een zoon Gods, zal door de heilige engelen volvoerd worden, zoals wij dat zien in het leven van Jezus Christus en de apostelen toen ze door Jezus uitgezonden werden (Matt. 10:01; Mark. 03:14-15; Luc. 10:17) en na de eerste Pinksterdag, wat we later weer zien wegebben.

Nu al mogen we dit ervaren, als wij ons sprekende in nieuwe tongen, tegen de machten der duisternis keren. Wij weten nu nog niet altijd wat wij moeten bidden of uitspreken, maar dan komt de heilige Geest ons te hulp (Rom. 08:26). De Heer wil ons zo bekwamen en vertrouwd maken met de machten en krachten en wetmatigheden in de geestelijke wereld en de kracht van het zwaard des Geestes. Meer en meer gaat de Heer ons leren dat de wapenrusting in Efeziërs 6 niet alleen belangrijk is voor onze persoonlijke strijd, maar veel meer nog in de oorlog tegen “de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:10-12) .

Hemel en aarde beven

Het uitstorten van de Heilige Geest (de late regen) en de geboorte van de eerste zonen luidt een geheel nieuwe tijd in. God spreekt, er komt oorlog in de hemel, en wat nog nooit gebeurd is, mensen nemen hun plaats in op de troon. De geestelijke wereld wordt tot op de grondvesten geschud! Daarom lezen we ook in (Openb. 08:05) over aardbeving. In de grondtekst staat alleen ‘beving’. De machten der duisternis hebben zich echter zo met de mensen verbonden dat deze beving ook grote gevolgen heeft voor de mensen op aarde. Haggai’ profeteert: “Want zo zegt de Here der heerscharen: Een ogenblik nog, een korte wijle, dan zal Ik de hemel en de aarde, de zee en het droge doen beven. Ja, Ik zal alle volken doen beven en de kostbaarheden van alle volken zullen komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Here der heerscharen. Van Mij is het zilver en van Mij is het goud, luidt het woord van de Here der heerscharen. toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn’ dan de vorige, zegt de Here der heerscharen; op deze plaats zal Ik heil geven, luidt het woord van de Here der heerscharen” (Hag. 02:07-10) .

Het rijk der duisternis, en een ieder die er mee verbonden is, beeft van angst en schrik voor de heerlijkheid die zich openbaart in de gemeente van Jezus Christus. Wij kunnen deze tijd vergelijken met de tijd op en na de eerste Pinksterdag als de heerlijkheid van God zich openbaart in de eerste gemeente. Petrus zegt: ‘dit is het’ en dan citeert hij de profeet Joel (Hand. 02:14-21) . Voor het rijk der duisternis en voor de vrome, religieuze wereld is dit een enorme schok. Jezus van Nazareth zijn ze kwijt, de rust was weer gekeerd. Ze konden zich weer helemaal met hun eigen godsdienst bezig houden. Spoedig zou iedereen vergeten zijn wat er gebeurd was… En dan ineens, volkomen onverwachts, uit de hemel geruis als van een hevige storm (Hand. 02:02, Leidse vertaling) Tongen als van vuur, vervulling met de heilige Geest, spreken van de grote daden Gods, in menigerlei talen zoals de Geest het gaf uit te spreken (Hand. 02:01-04) .

Zo wordt het rijk der duisternis en de godsdienstige wereld tot op haar grondvesten geschud. Niet meer één Jezus van Nazareth, maar 120! En de heilige Geest werkt in de harten van de toehoorders en de Heer werkt mee met wonderen en tekenen en bevestigt zo dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Zo wordt het beste van Israël – het zilver en het goud – (Hagg. 02:09) binnengebracht in het Koninkrijk Gods, het hemelse Jeruzalem. Zo is de gemeente de plaats geworden waar God zijn heil openbaart. “Want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Here gezegd heeft” (Joël 02:32b).

De heerlijkheid van de eindtijdgemeente

Ook nu treedt de heerlijkheid Gods naar buiten, vanuit de gemeente. Op een machtige wijze zal het evangelie, waarvan Jezus zelf gezegd heeft: “En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” (Matt. 24:14), verkondigd worden door evangelisten en apostelen, terwijl de Heer zal meewerken met wonderen en tekenen om het te bevestigen (Mark. 16:20) . De heilige Geest zal weer machtig werken en de gehele aarde doorlopen om harten te zoeken die geheel naar God uitgaan (Zach. 04:10; Openb. 04:05; Openb. 05:06; 2 Kron. 16:09). Nu zullen de kostbaarheden van alle volken binnen gebracht worden (Hagg. 02:08) en de gemeente zal de plaats van heil zijn voor alle volken (Hagg. 02:10b). Wij hoeven niet met jaloerse blikken te kijken naar de eerste gemeente in de tijd van Handelingen, want de belofte van de Heer is: “De toekomstige heerlijkheid van dit huis zal groter zijn dan de vorige, zegt de Here der heerscharen” (Hagg. 02:10a). Niet opnieuw zal er een grote afval komen en zal de gemeente uit de hemel op de aarde vallen, waardoor de kandelaar weggenomen zou worden (Openb. 02:05). Nu zal het einde met niets te vergelijken zijn en wij kunnen ons geen voorstelling van maken. Alleen de heilige Geest kan ons openbaren: “welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is, zijner erfenis bij de heiligen, en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven” (Ef. 01:18-19). (wordt vervolgd).

 

1984.12 nr. 254

1984 december nr. 254

Tweeërlei kerstfeest door Gert Jan Doornink

De viering van het kerstfeest neemt van oudsher een belangrijke plaats in bij de feesten die de gemeente van Christus viert. We kunnen echter spreken van tweeërlei kerstfeest. Er is een kerstfeest waarbij het wezen van de mens betrokken is, omdat men weet dat Jezus niet alleen in de stal van Bethlehem maar ook in eigen hart geboren is. Men kan echter ook kerstfeest vieren waarbij het alleen gaat om de sfeer, de romantiek, het gezellige, zonder dat men ook maar enig besef heeft waarom het werkelijk gaat.

De waarachtige gemeente van Jezus Christus heeft de opdracht openbaar te maken waarom het bij de werkelijke kerstfeestviering gaat. Daarom mogen de blijdschap en dankbaarheid, die de hoofdkenmerken zijn van dit feest, niet beperkt blijven tot eerste en tweede kerstdag, maar behoren ook tot uiting te komen op alle andere dagen van het jaar.

Wie Christus’ geboorte ook in eigen leven heeft beleefd, weet dat hij een nieuwe schepping is geworden. Het nieuwe leven van Christus is het visitekaartje dat aan de wereld moet tonen wat dit nieuwe leven inhoudt. De viering van het kerstfeest is voor de echte christen derhalve geen vrijblijvende zaak, want bij alle feestvreugde behoren wij ons bewust te zijn van onze verantwoordelijkheid ten opzichte van hen die nog op surrogaatwijze kerstfeest vieren. En wat is er heerlijker dan dat velen van hen ook gaan ontdekken wat kerstfeest werkelijk betekent!          

 

Het andere licht door Peter Hagendoorn

Een tegenstrijdigheid?

Als we de Bijbel openen, is praktisch het eerste wat we lezen: “En God zeide: Er zij licht, en er was licht” Genesis 1 vers 3 (Gen. 01:03). Dit spreken was het eerste waarin God zich aan ons bekend maakte. En wel op de eerste dag.

Maar wat staat er in vers 14 (Gen. 01:14)? “En God zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing…”

Dit scheppen van het licht geschiedde op de vierde dag. Wat zien wij dus? Het licht was er volgens de Bij­bel eerder dan de zon en de maan, die volgens onze be­grippen zorgen voor het licht. Met andere woorden : het licht van de eerste dag is een ander licht dan het licht van de vierde dag. Een tegenstrijdigheid? Als we een en ander letterlijk willen verstaan, JA. We blijven dan met vragen zit­ten. Maar als we het aan­durven het geestelijk te willen bezien, opent zich een wijds perspectief. Heel veel uitspraken, zowel uit het oude als nieuwe testa­ment , komen dan in een heel ander ‘licht’ te staan.

Licht en duisternis

We spreken dikwijls over Gods plan met de mensheid. Dit plan moet aan de men­sen bekend worden ge­maakt. Hoe? Door ‘onderwij­zing’. Niet voor niets heten de eerste vijf Bijbelboeken ‘Thora’, hetgeen ‘onderwij­zing’ betekent Als wij dus stellen dut het licht in de geestelijke wereld ‘onderwijzing’ kan betekenen, dan betekent dat ook, dat het te­genbeeld van licht, te weten duisternis, ook een geestelij­ke betekenis moet hebben. Het tegenbeeld van onderwe­zen zijn is een gebrek aan kennis of wel onwetendheid.

Geestelijke betekenis

De Bijbel zelf geeft tal van voorbeelden hoe bepaalde na­tuurlijke begrippen, ook een geestelijke betekenis kunnen hebben. Zo worden bijvoor­beeld in het boek Openbaring en de Psalmen, de volkeren vergeleken met ‘wateren’. Stel nu dat met de wateren in Genesis 1 ook ‘volkeren’ bedoeld worden. Wat kunnen wij dan verstaan? “En de Geest Gods zweefde over de wateren…”, dus Gods Geest zweefde over de volkeren… “En duisternis lag op de vloed…” (ook wateren). Met andere woorden: de volkeren waren onwetend aangaande Gods plannen. En toen sprak God: “Er zij licht…”, er zij onderwijzing. God gaf dus te kennen dat Hij hieraan iets wilde doen. Gods plan om de mensen te leren hoe met de schepping om te gaan, was begonnen.

En waarmee eindigt de Bij­bel? In Openbaring 22 vers 5 (Openb. 22:05) lezen wij: “En er zal geen nacht meer zijn en zij heb­ben geen licht van een lamp of licht van de zon van no­de , want de Here God zal hen verlichten…”

Hier zien wij nu heel concreet en heel simpel Gods plan. God leidt de mensen uit het duister naar het licht, of anders gesteld, God leert de mensen hoe Hij is, hoe Hij wil dat wij met onze medemens en de aarde omgaan. Voor diegenen die openstaan voor het Woord van God is dit ook bereik­baar. Want God w gewoon dat wij dit weten; De God onzer vaderen heeft u voor­bestemd om zijn wil te leren kennen” Handelingen 22 vers 14 (Hand. 22:14),

De zonen Gods

De mensen die het aannemen en er naar gaan leven, die zijn het, die men ingewijden mag noemen, de zonen Gods. Als we kijken naar het le­ven van onze Heer Jezus op aarde, dan zien we dat Hij altijd bezig was de mensen te leren. Laten wij daarom eens kijken hoe wij de be­kende tekst uit het Johannes evangelie kunnen ver­staan: “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duister­nis en de duisternis heeft het niet gegrepen” Johannes 1 vers 4 en 5 (Joh. 01:04-05). Zien wij hoe geweldig mooi het in elkaar past?

Hier staat, vrij vertaald: God, die Zijn Zoon Jezus heeft gegeven om ons te onderwijzen en ons te laten zien wat God van ons ver­wacht, die Zoon hebben wij niet verstaan. De mensheid had/heeft het Woord (de on­derwijzing) niet aangenomen, met als gevolg nog steeds onwetendheid.

Licht is onderwijzing

Dit thema komt u ook tegen bij de kruisiging van Jezus. Tot op het kruis toe bleef Jezus zijn opdracht trouw en kon Hij bidden: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” Lucas 23 vers 24 (Luc. 23:24). En wat gebeurde er? Er was duisternis over het hele land. De Joden hadden hun licht weggedaan. Hier hebben wij weer zo’n voorbeeld waar natuurlijke voorvallen een geestelijke waarheid weerspiegelen of afbeelden.

Tot slot nog enkele Bijbelteksten waaruit mag blijken dat (soms) licht in de gees­telijke betekenis met onder­wijzing vergeleken mag wor­den. “Want het gebod is een lamp en de onderwijzing een licht” Spreuken 6 vers 23 (Spr. 06:23). “Uw ‘ Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad” Psalm 119 vers 105 (Ps. 119:105). “Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandiger! inzicht” Psalm 119 vers 130 (Ps. 119:130).

Daarom, weet dat God in­derdaad licht is, in Hem is totaal geen duisternis. Als we ons laten onderwijzen door Gods Woord en Geest, pas dan kunnen we de die­pere geestelijke betekenis vatten van Jezus’ woorden: “Ik ben het licht der we­reld” Johannes 8 vers 12 (Joh. 08:12) en de be­doeling van Zijn woorden: “Gij zijt het licht der wereld” Matteüs 5 vers 14 (Matt. 05:14).

 

Redactie en medewerkers van “Levend Geloof” wensen u een rijk gezegend kerstfeest en een in elk opzicht voorspoedig 1985 toe! Het is de bede van ons hart dat ieder facet van de komst en het leven van Jezus in deze wereld, ook in ons leven tot volle openbaring gaat komen, want we zijn geroepen beelddragers van Hem te zijn!

 

Wat Mozes ons te zeggen heeft door Klaas Goverts 2

Exodus 4 begint met drie dialogen tussen God en Mo­zes. Daarna volgen nog vier taferelen, zodat het hoofd­stuk in zijn geheel uit zeven delen bestaat. In het eerste van de genoemde drie ge­sprekken worden aan Mozes drie tekenen meegegeven, die hij zal mogen (en moeten) doen voor de ogen van zijn volksgenoten.

Vertrouwen en horen

Het gesprek begint met het probleem dat Mozes aan de orde stelt: “Maar als zij mij niet geloven en niet naar mij luisteren, doch zeggen: de Here is u niet verschenen?” Exodus 4 vers 2 (Ex. 04:02). We gaan nu weer even nauwkeurig vertalen, om de kernwoorden te ont­dekken: Maar zie, ze zullen mij niet vertrouwen en niet horen naar mijn stem, want ze zullen zeggen: Niet heeft zich aan u (of naar u toe) laten zien de Here.

Twee motiefwoorden sprin­gen er meteen al uit: ver­trouwen (van de woordstam die betekent: vast zijn, be­trouwbaar zijn), en horen naar mijn stem. Mozes gaat er bij voorbaat van uit dat ze die twee dingen niet zul­len doen. Daarom is het zo treffend dat het hoofdstuk eindigt in vers 31 met de vermelding: En het volk vertrouwde en zij hoorden (ook het woord ‘zien’ uit het eerste vers komt trou­wens in dat slotvers terug: dat Hij hun ellende (hun neer gebogenheid) gezien had.

Het werkwoord ‘vertrouwen’ komt in de eerste negen verzen (de drie dialogen)

maar liefst vijfmaal voor; het andere motiefwoord: horen naar de stem, driemaal; dit grijpt bovendien terug op Exodus 3 vers 18 (Ex. 03:18) waar God beloofd had: En zij zullen naar uw stem horen.

Merkteken op de weg

Mozes gaat dus regelrecht tegen de uitdrukkelijke toe­zegging van God in, wanneer hij stelt: ze zullen naar mijn stem niet horen. Maar de Here komt hem tegemoet en geeft hem drie tekenen mee. We willen nu gaan zien wat de inhoud van deze te­kenen is en waarom God hem nu juist deze wonderen laat verrichten, want wij geloven niet dat zij willekeurig geko­zen zijn. God bedenkt niet zomaar een aantal daden, zonder enig verband met de mens en het volk waarmee Hij te maken heeft. Neen, het is onze overtuiging dat deze tekenen in relatie staan tot de geschiedenis waarin Mozes en zijn volk zich bevinden. Het zijn teke­nen die de geschiedenis doorlichten. Merktekenen op de weg die God gaat met hen en die zij gaan met God.

Het eerste teken luidt als volgt: Wat is dit in uw hand? En hij zei: Een staf, dat is de herdersstaf die Mo­zes gewend was te dragen. En de Here zei tot Mozes: Werp hem ter aarde. En hij 8 wierp hem ter aarde en hij werd tot een slang en Mozes vluchtte van voor zijn aan­gezicht. Dat is het eerste deel van dit teken. Mozes moet hier iets uitbeelden, maar wat? De staf is, zoals meermalen in de Schrift, symbool van gezag; dit zal later in de geschiedenis van de uittocht ook blijken, want met zijn staf zal Mozes gezag uitoefenen over Egypte, over de zee en over Amalek, om slechts enkele hoofdmomenten te noemen.

Staf en herder

Maar we moeten er goed op letten dat die staf in wezen thuis hoort bij de herder. Het gezag zoals God het bedoelt, is ten diepste al­tijd een herderlijk gezag; het is gegrond en geworteld in het herderschap. Wan­neer kan iemand in het ko­ninkrijk van God autoriteit uitoefenen? Alleen als hij een herdershart heeft. En dat geldt voor alle bedie­ningen in de gemeente: ook al is iemand evangelist, le­raar of profeet, hij zal al­leen werkzaam kunnen zijn vanuit een herderlijke ont­ferming. Gezag zonder herderschap is of wordt tirannie.

Dat moet Mozes hier illus­treren: wanneer de staf, het gezag, ter aarde wordt

geworpen, treedt er prompt ontaarding, misvorming op: de staf verandert in een slang. Anders gezegd: het gezag wordt een macht. Zo­dra het gezag zich niet meer bevindt in de hand van de herder, zodra de autoriteit wordt losgelaten, we zouden kunnen zeggen: zodra gezag uit de hand loopt, zodra het gezag de vrije teugel wordt gelaten, wordt het tot een bedreigende macht, waar Mozes zelf bang voor blijkt te zijn, immers, hij neemt de vlucht.

Gezag wordt toverij

Er is nog een interessante bijzonderheid: het Hebreeuwse woord voor ‘slang’ hangt samen met dezelfde woord­stam als het werkwoord ’to­veren’. In het oude oosten werd de slang gezien als het symbool van wijsheid en le­ven. Als we deze woord verwantschap in rekening bren­gen, kunnen we concluderen: de staf wordt een slang, dat is: gezag wordt toverij, autoriteit verandert in magie.

Waarom ontvangt Mozes dit teken? Om het wezen van Egypte te ontmaskeren, te onthullen. Want hier ligt de wortel, de oergrond, van heel de tirannie, van heel het faraodom, zoals dat in al zijn gruwelijke consequenties in Exodus 1 is be­schreven. Een cultuur, waar weerloze baby’s het bestaansrecht wordt ontnomen, waar mensen gemaakt worden tot gastarbeiders ten dienste van een vergod­delijkt systeem.

De beschaving van Egypte was verankerd in de cultus van de dood. Duizenden werden te werk gesteld om de piramides te bouwen, waar de farao’s na hun dood werden bijgezet; men zou kunnen zeggen: de he­le economie stond of viel met de dood. Wanneer de dood plotseling zou verdwij­nen, dan betekende dit voor de Egyptische maat­schappij niet minder dan een ramp; talloze arbeids­plaatsen zouden wegvallen; een schrikbarende werke­loosheid zou het gevolg zijn. Zo werd de mens een willoos werktuig in dienst van de dood.

Werpen en zenden

Nu komt het tweede deel van dit eerste teken. “En de Here zei tot Mozes: Zend uw hand uit en grijp hem bij zijn staart, en hij zond zijn hand uit en pakte hem vast en hij werd tot een staf in zijn holle hand” Exodus 4 vers 4 (Ex. 04:04). Het gezag moet niet als een wild beest kun­nen opereren, het moet weer ter hand genomen worden; Mozes dient zijn hand uit te zenden; het is merkwaardig dat het woord ‘werpen’ (werp de staf ter aarde) en het begrip ‘zenden’ in het Hebreeuws slechts één letter verschillen; zo dicht liggen de zaken naast elkaar. Werpen herinnert echter aan de werkwijze van de farao; we komen het tegen in het laatste vers van Exodus 1: Alle zoon die geboren wordt, werpt hem in de Nijl. Zenden daarentegen hoort thuis in de wereld van God; Hij im­mers sprak tot Mozes: Ik zend u tot de farao.

Werpen is het kenmerk van de tiran; zenden is typerend voor de God die zelf mee­gaat, de God die toezegt: Ik zal er zijn. De hand van Mo­zes moet er weer aan te pas komen. Zonder de hand van de herder gaat het niet. Nu is het trouwens opmerkelijk dat in dit vierde vers twee woorden gebruikt worden voor ‘hand’. Eerst steeds het gewone woord, maar dan aan het slot een woord dat eigen­lijk betekent: de holle hand. Hetzelfde woord gebruikt Mo­zes in Exodus 9, als hij tot de farao zegt: “Zodra ik bui­ten de stad gekomen ben, zal ik mijn holle hand uit­breiden naar de Here; de donderslagen zullen ophou­den en het zal niet meer ha­gelen, opdat gij weet dat de aarde aan de Here toebehoort” (Ex. 09:29).

In de holte van de hand is de staf op zijn plaats; gezag moet in de hand gehouden worden. Omsloten door de hand van de herder, zoals de mens alleen mens kan zijn, wanneer hij zich weet in de holle hand van de Op­perherder.

Geen spektakelstuk

Dit is het eerste teken: Mo­zes zal daarmee de grond blootleggen waarop het rijk van de farao gebouwd is. De grond waarop in wezen alle tirannie van alle tijden is gevestigd.

Als God een teken geeft, is dat niet een spektakelstuk, om te laten zien dat Hij iets kan wat een ander niet vermag, maar dan heeft zo’n teken een onthullende werking. Het legt de grond­motieven van de geschiede­nis bloot.

Alles wat ter aarde gewor­pen is, zal weer terug moeten keren in de holte van Gods hand. Het doel van het teken wordt ge­noemd in het vijfde vers: “Opdat zij geloven (beter: vertrouwen) dat de Here, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, de God van Jakob, zich aan u heeft laten zien”. Het gaat erom dat de mens, de dwangarbei­der, de gastarbeider, weer tot vertrouwen komt. Uit de sfeer van vrees en wantrou­wen waarin hij heeft verkeerd wel jaren lang, moet daar in hem weer gewekt worden het vertrouwen, dat de grondslag is van alle le­ven.

Uitbeelding van de weg

Het tweede teken heeft op­nieuw te maken met de hand. “De Here zei wederom tot hem: Doe uw hand komen in uw boezem. En hij deed zijn hand komen in zijn boezem, en hij deed haar eruit gaan en zie, zijn hand was melaats, als sneeuw” (vers 6).

Ook dit teken, evenals het eerste, bestaat uit twee de­len, want het gaat verder: En Hij zei: Doe uw hand te­rugkeren naar uw boezem (het NBG laat hier het werk­woord ’terugkeren’ verdwij­nen , door te vertalen met: steek uw hand opnieuw in uw boezem), en hij deed zijn hand terugkeren naar zijn boezem, en hij deed haar uit zijn boezem uitgaan, en zie, zij was teruggekeerd, als zijn vlees. Ook in deze laat­ste regel is bij het NBG het begrip ’terugkeren’ onvind­baar geworden, omdat men vertaalt: zij was weer gewor­den als zijn overige vlees.

We ontdekken dat het in dit tweede teken draait om drie werkwoorden: doen komen (of binnenbrengen), doen uit gaan, en (doen) terugke­ren. Hoe hebben we dit te verstaan? Naar ik geloof, vinden we hierin de ge­schiedenis die Mozes zelf heeft doorgemaakt en nog bezig is door te maken. Mo­zes moet hier de weg uit­beelden die hij zelf, mede namens zijn volk, moet gaan.

De hand in de boezem

Het eerste deel gaat als volgt: Mozes moet zijn hand doen binnengaan en daarbij dienen we te bedenken: de hand van een mens, dat is aanduiding van wat hij doet, van wat hij onder­neemt. De psalmist zingt ervan: Gij leidde uw volk als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. Door de hand van Mozes werd Israël uit het diensthuis bevrijd.

Maar we weten ook: de eerste keer dat Mozes ging handelen, dat hij zijn hand uitstak om zijn volksgenoten tot bevrijding te brengen, werd het een mislukking: het liep uit op doodslag. Zo verontreinigde Mozes zijn handen. Zij werden bezoe­deld met bloed.

Naar ik meen, is dit de zin van het eerste deel. Mozes bracht zijn hand in zijn boezem; dit woord kan be­tekenen boezem of schoot; de schoot nu waar Mozes uit voort gekomen was, was het volk Israël. Wanneer Mozes omziet naar zijn broeders, zoals dat beschreven wordt in Exodus 2, en wanneer hij gaat handelen ten behoeve van zijn broeders, dan is dat de eerste maal dat hij zijn hand in zijn boezem brengt; de hand komt dan echter melaats, onrein, te voorschijn.

Nu komt het tweede deel; dat is toekomst. Mozes krijgt de opdracht: Doe uw hand te­rugkeren naar uw boezem, dus: hij moet terugkeren tot zijn volk, en hij moet op­nieuw gaan handelen, zijn hand uitsteken ten behoeve van zijn broeders.

Het is veelzeggend dat dit woord ’terugkeren’ verderop in Exodus 4 wederom een rol speelt: namelijk in het vierde tafereel, waar we getuige zijn van een gesprek tussen Mozes en Jethro: Mozes ging en keerde terug tot Jether, zijn schoonvader en zei tot hem: Ik wil toch gaan en terugkeren naar mijn broeders (vers 18); de Here had namelijk tot Mozes in Midian gezegd: Ga, keer terug naar Egypte (vers 19; in vers 20 klinkt nogmaals ’te­rugkeren’). Telkens horen we in deze episode (die de verzen 18 tot 20 omvat) de twee werkwoorden: gaan mi terugkeren (het is bevreemdend dat het NBG steeds het woord ‘gaan’ weglaat). We zien dus semi parallel tussen vers 7 en vers 19: doe uw hand terug keren, en keer terug.

Daden van bevrijding

En wat zal er dan gebeuren als Mozes terugkeert? Als zijn hand dan uit zijn boezem uitgaat, dus als hij vanuit zijn volk uitgaat naar de farao, en ook later, als hij uitgaat om voor de zijnen uit te trekken, dan zal het anders zijn dan de eerste keer: ditmaal zal zijn hand terugkeren als zijn vlees, dat wil zeggen: gaaf, normaal, rein. Zijn hand zal daden van bevrijding doen.

Herhaaldelijk vernemen we dan ook in het vervolg van het boek Exodus dat God Mozes de opdracht geeft: Strek uw hand uit naar de hemel Exodus 9 vers 22 en Exodus 10 vers 21 (Ex. 09:22 en Ex. 10:21), strek uw hand uit over het land Egypte Exodus 10 vers 12 (Ex. 10:12), strek uw hand uit over de zee Exodus 14 vers 16 (Ex. 14:16), om maar een aantal voorbeelden te noemen. Zo wordt de hand van Mozes een hand die bevrijdt, een hand die handelt ten behoeve van de broeders, een hand die teruggekeerd is naar haar oorspronkelijke bestemming. Een hand in dienst van God.

We zouden nog een lijn kunnen trekken: dan is dit tweede teken een uitbeelding van de geschiedenis die Israël doormaakte: ze waren Egypte binnengegaan en daar melaats geworden, besmet met de geest van de dood die aldaar heerste; ze zouden uitgaan, terugkeren en bij hun terugkeer genezen worden.

Het derde teken

In het achtste vers spreekt de Here: “Indien zij u niet geloven en geen acht geven op wat het eerste teken te doggen heeft, dan zullen zij geloven wat het tweede te- kon te zeggen heeft”. Letterlijk vertaalt staat het er zo mooi: En het zal geschie­den. indien zij u niet vertrouwen en niet horen naar de dein van het vroegere leken, dan zullen zij vertrouwen de stem van het latere teken. Een teken heeft een stem. Weer draait het om vertrouwen en horen.

Vers 9 vervolgt dan: “En het zal geschieden, indien zij ook deze beide tekenen niet vertrouwen en niet ho­ren naar uw stem, dan zult gij nemen uit de wateren van de Nijl en uitgieten op het droge, en dan wordt het water dat gij neemt uit de Nijl, het wordt tot bloed op het droge.

Wat is de inhoud van dit teken? Dan moeten we ons herinneren welke rol de Nijl gespeeld heeft in Exo­dus 1 en 2. Alle zoon in Is­raël moest geworpen worden in de Nijl, zo luidde het gebod van de koning. Der­halve, de Nijl was vol van het vergoten bloed van tal­loze Hebreeuwse baby’s. Nu zal Mozes water nemen uit de Nijl en het uitgieten, waar? op het droge. Dit is een woord uit het eerste scheppingsverhaal: het dro­ge kwam te voorschijn en God riep het droge: aarde. Het droge is dus de plaats waar mensen kunnen wo­nen, waar de mens grond onder de voeten krijgt, waar hij kan staan en kan bestaan. Het droge is een woord met een heilsbeteke­nis, een veelbelovend be­grip, dat heen wijst naar de toekomst, want straks in Exodus 14 zullen we horen: “En de zonen van Israël gingen op het droge in het midden van de zee en de wateren waren voor hen een muur”, (vers 29).

Teken van genezing

Mozes zal gieten en het water wordt bloed; wat wil dit zeggen? Het vergoten bloed, het onschuldige bloed dat in de Nijl is, wordt aan het licht ge­bracht. Dat ligt in dezelfde lijn als het slotvers van Jesaja 26: “Dan zal de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht brengen en haar verslagenen niet langer bedekken”.

Het derde teken dat Mozes moet verrichten behelst een stuk genezing van de ge­schiedenis. Het bloed dat in de Nijl vergoten is, moet in­derdaad aan het licht komen; God zoekt er verhaal op. De Here zegt niet: Zand erover, want hun bloed is kostbaar in zijn oog; Hij vergeet niet degenen die onschuldig zijn vermoord, degenen die men dwong te zwijgen, hen wier stem nooit werd gehoord. Hun ziel was uitgegoten in de dood, nu komt Mozes en hij giet hun ziel (hun bloed) uit op het droge; om te la­ten zien: God gedenkt ze. Geen van die zuigelingen die ondergingen in de wateren van Egypte, is verloren; de Nijl zal zijn zielen terug moeten geven; ze zullen ko­men op het droge, zoals straks het hele volk zal ko­men op het droge.

Zo stelt Mozes een teken van genezing, voor al die vaders en moeders, die zo gehoopt hadden op een zoon, die hun naam zou voortplan­ten, die hun naam zou ver­der dragen door de geschie­denis heen, maar die hun kind hadden zien verdrin­ken in de wateren van de dood; al die ouders in wier hart een diepe wond gesla­gen was, in wier huis een lege wieg stond, en soms als ze ’s avonds samen aan tafel zaten, was daar die droeve blik, en zagen ze in elkaars ogen die stille, woordeloze vraag: waarom?

Mozes giet: er zal aarde zijn, een land van belofte, een aarde voor bloemen in de knop gebroken. Zo is God: Hij is een God die het vergoten bloed niet vergeten kan, die de kleinen niet veracht. Mozes brengt ze te voorschijn, tot een ge­tuigenis tegen de farao’s, tegen de machthebbers de­zer eeuw; maar vooral ook tot troost, tot vertroosting voor bedroefde ouders: Hij zal uw lijden u vergelden, Hij zal uw tranen drogen, Hij zal het pasgeboren le­ven dat zo ontijdig werd afgesneden, tot zijn be­stemming brengen; het is bij Hem in goede handen, in vertrouwde handen; Hij is de God die zegt: Laat de kinderen tot Mij komen, en die niet kunnen komen, die haalt Hij zelf. Zij die geen dagen gehad hebben om Hem te kennen, ze zul­len Hem kennen, want ze zijn van Hem en ze zijn door Hem gekend.

 

Kerstgedachten (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Het énige, dat Hij bezat. Die nog volmaakt was,

Hem begrijpen kon: de Zoon, die één was met Zijn Wezen,

Die met Hem alles had geschapen: hemel, aarde,

het uitspansel, het licht, de ganse bloemengaarde,

de vogels, vissen, dieren, in soorten uitgelezen…

 

Het énige, dat God bezat, afstraling van Zijn beeld,

als maan en zon, Die werd geboren uit een maagd,

één van de rest, die hoopte en verwachtte,

In ’n tijd van diepe duisternis, waarin de vijand lachte,

omdat hij zich de overwinnaar waande,

met leugen en bedrog de mensen wegen baande,

die tot de dood hen voert ten langen lest’…

 

Toen Jezus kwam en bracht het Licht,

moest duisternis die kerstnacht wijken,

en wie in dit Licht leeft en Jezus volgt,

zal nimmermeer bezwijken!

Jezus, hét Licht, afstraling van Gods eeuwig wezen:

Wie Hem behoort, behoeft geen hel of dood te vrezen,

 

Integendeel, de Leeuw uit Juda leert ons strijden:

Hij en de Vader zullen zich verblijden,

wanneer we ons met Zijn gezag bekleden

om fier de vijand tegemoet te treden!

 

Vertel de waarheid en geen sentiment,

geen vage leren; maak het toch bekend:

God heeft de wereld lief, Hij zoekt des mensen geest,

Van den beginne af is dit al zo geweest!

 

Het kleine Kerstkind, uitgegroeid tot man,

onthulde ’t mensdom weer het Goddelijk plan:

Van eeuwigheid had God het goede voor

met alle mensen: breng hen op dit spoor!

 

Immanuel: God met ons door G. J. R. Doornink

 

“Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuel geven, hetgeen betekent: God met ons” Matteüs 1 vers 23 (Matt. 01:23).

“Hij is rondgegaan, weldoen­de en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38).

Waarom God met ons is

Het is nog niet zo lang ge­lden dat er in politieke kringen een felle discussie werd gevoerd of het op­schrift op de gulden en rijksdaalder: ‘God zij met ons’ nog wel langer gehand­haafd moest blijven. In deze tijd van geestelijk en moraal verval was dit eigenlijk wel te verwachten. Nu denk ik zo dat het eigenlijk ook niet zo belangrijk is om je daar zo druk om te maken. Zo’n opschrift is natuurlijk een mooi getuigenis, maar zo­lang je er niet persoonlijk deel aan hebt, is het alleen maar iets uiterlijks, letter­lijk en figuurlijk een rand- gebeuren. Je kunt een handvol guldens in je zak hebben, met het opschrift: ‘God zij met ons’, en toch niet weten en ervaren wat het betekent…

Pas als we Jezus hebben aangenomen als onze per­soonlijke Verlosser, krijgt het ‘God met ons’ inhoud en betekenis. Wie van een zondaar een kind van God is geworden, wie vanuit het rijk der duisternis is overgeplaatst in het Ko­ninkrijk van Jezus Chris­tus, wie een nieuwe schep­ping is geworden, weet met rotsvaste zekerheid dat God met hem is.

Het is heerlijk te weten dat we als kinderen Gods in ge­meenschap met Jezus leven en dat Hij voor ons zorgt, dat Hij goed voor ons is en in elk opzicht en onder alle omstandigheden met ons is.

De vraag doet zich wel eens voor: Waarom God met ons is? Niet iedereen vindt dat even vanzelfsprekend. De mens is immers ‘slecht en verdorven’ wordt er dan ge­zegd. En Paulus zegt toch in Romeinen 3 vers 23 (Rom. 03:23) dat alle mensen gezondigd hebben en buiten de heerlijk­heid van God staan? Inder­daad heeft de mens, onder inspiratie van de duivel, God de rug toegekeerd, maar nooit keerde God de mens de rug toe’ Dat zou ook volkomen in strijd zijn met Zijn wezen, we werden immers geschapen naar Zijn beeld, volkomen en goed! Altijd weer was het voor iedereen mogelijk, door per­soonlijk geloof in God, weer te gaan leven in Zijn ge­meenschap. Dat zien we door alle eeuwen heen, ook voor de komst van Jezus, want in Hem toonde God wel op overduidelijke wijze hoe lief Hij de mens – Zijn schepping – bleef hebben.

In het oude testament zien wij hoe God reeds deze komst van Jezus aankondig- de door middel van de pro­feten. Handelingen 10 vers 43 (Hand. 10:43) zegt: “Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ont­vangt door zijn naam”. In Jesaja bijvoorbeeld zien wij de komst van Jezus aan- gekondigd met de woorden: “Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger wor­den en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven”. Het is duide­lijk dat met deze jonkvrouw Maria bedoeld werd, want wanneer later Mattéüs de geboorte van Jezus be­schrijft , lezen wij: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden het­geen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuel geven, hetgeen betekent: God met ons” Jesaja 7 vers 14 en Matteüs 1 vers 23 (Jes. 07:14; Matt. 01:23).

Op welke wijze is God met ons

Door Jezus te aanvaarden ontvangen wij vergeving van zonden, maar daar blijft het niet bij. Toen Je­zus op aarde was toonde God in Zijn Zoon op welke wijze God met de mens wil zijn: Jezus vergaf niet al­leen de zondaren hun zon­den, maar hij genas ook de zieken, Hij bevrijdde de gebondenen, Hij maakte de mens vrij van iedere over­heersing uit het rijk der duisternis, zoals Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) zegt: “Hij is rond gegaan, weldoende en gene­zende allen, die door de duivel overweldigd waren”.

Jezus bracht het beeld en de wil van God tot openba­ring. Hij was de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03). Alleen door Je­zus te aanvaarden en door Hem te volgen kunnen we dus het wezen van God le­ren kennen. Dan leren we ook verstaan dat Jezus ons niet alleen ‘eeuwig leven’ wil geven, maar ons leven volkomen vrij wil maken van iedere beïnvloeding uit het rijk der duisternis. Ons ge­loof in Christus is niet compleet als we ons dat niet realiseren!

Hoe kunnen wij ervaren dat God met ons is?

God wil dus op een volkomen wijze met ons zijn, maar hoe kunnen we dat altijd erva­ren? Ik denk dat we met de­ze vraag terechtkomen bij een zeer kardinaal punt, waar we dagelijks mee te maken hebben. Want niemand van ons kan reeds zeggen: satan heeft aan mij niets… Hij kan het natuurlijk wel zeggen, en het is ook goed een positieve belijdenis te hebben, maar de dagelijkse realiteit is nog wel eens anders. Wat zouden we niet altijd graag elk moment wil­len ervaren dat God met ons is, zoals Hij ook met Jezus was.

Waarom was God altijd met Zijn Zoon? In Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) staat dat Jezus met de Heilige Geest en met kracht gezalfd was. Hier ontvangen wij een belangrijke aanwijzing: Jezus was vol van de Heili­ge Geest! De doop en de dagelijkse vervulling met de Heilige Geest is dus zeer belangrijk en noodza­kelijk. Jezus zelf zei van de Heilige Geest: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38).

Door de doop en vervulling met de Heilige Geest, leren we ook de weg van geloof en gehoorzaamheid bewan­delen. En het is de Heilige Geest die ons er bij be­paald dat geloven een ‘geestelijke zaak’ is, dat wil zeggen: wie met zijn zintuigen te rade gaat, wie ziet op de (moeilijke en te­genwerkende) omstandighe­den, kan als kind van God niet functioneren in overeenstemming met de wil van God. Wij zijn immers geroe­pen om door het geloof te leven?

De weg van geloof bewande­len betekent ook dat we met Jezus onze plaats hebben ingenomen in de hemelse ge­westen. Alleen van daaruit kunnen we strijden en over­winnen. Dan functioneren we geestelijk en het heeft een zichtbare uitwerking op aarde, want dat is Gods be­doeling.

Aan het geloof is de gehoor­zaamheid gekoppeld. Gehoor­zaamheid in de grote en kleine dingen. Zo groeien we tot we geestelijke vol­wassen christenen zijn ge­worden, die niet meer heen en weer geslingerd worden door allerlei wind van leer.

De gemeente in de eindtijd

Het uitgangspunt (de basis) van de eindtijdgemeente is ‘overwinning’. En dit is al­leen te realiseren als we stabiel, volwassen en vol­hardend zijn. We zullen als eindtijdgemeente op bijzonde­re wijze de kracht van God in ons leven ervaren. Zoals de mensheid zonder Chris­tus hoe langer hoe meer verstrikt raakt in de klau­wen van satan, zo zal de mens die Christus heeft leren

kennen en volgen, hoe langer hoe meer Zijn beeld gaan openbaren. Totdat Hij uiteindelijk op de grote dag van Zijn wederkomst met verbazing aanschouwd zal worden in allen die tot ge­loof gekomen zijn 1 Thessalonicenzen 1 vers 10

(1 Thess. 01:10).

Wij mogen de komst van Je­zus dan ook nooit los zien van de openbaring van de volheid van Hem in de ge­meente. We leven nu in de tijd dat Jezus alles tot volheid brengt. Er wordt wel eens gedacht dat nu Je­zus is opgevaren naar de Vader, Hij daar in afwach­ting zit met de handen over elkaar…

Maar Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) heeft een ver­volg! Efeze 4 vers 10 (Ef. 04:10) zegt echter: “Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is op gevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen”. Jezus ‘afwach­ting’ is niet passief, maar actief. Hij zit aan de rech­terhand van God, zegt Hebreeën 10 vers 12 (Heb. 10:12), voorts afwachtende, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank voor zijn voeten.

Jezus brengt alles tot vol­heid! Dat is het geweldige dat Hij bewerkt door Zijn Woord en Geest. Kunt u soms uw blijdschap ook niet op als u daaraan denkt?

Maar het maakt ons ook be­wust van onze opdracht! Want zoals Jezus openbaar maakte dat God met de mens was, zo mogen ook wij dat doen! Dat is onze taak. Hij sprak: “De werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze” Johannes 14 vers 12 (Joh. 14:12).

Daarbij zullen we het, zolang we nog in een lichaam van vlees en bloed zijn, niet ge­makkelijk hebben. Zoals Je­zus gehaat werd door de duivel, zo zal het ook met ons gaan, als we het ? ‘God met ons’ door woord en daad gaan openbaren. Maar – – prijst God – het zal ons niet deren, want Hij die in ons is, is meerder dan die in de wereld is! De overwin­ning is aan ons!

Zo willen wij lichtende sterren zijn temidden van een ontaard en verkeerd geslacht en willen het proclameren aan een wereld in nood: Immanuel: God met ons!

Niet satan heeft het laatste woord, maar Jezus Chris­tus! Hij de Koning der koningen en de Heer der Heren. Hem willen wij vol­gen en daardoor zijn wij deelgenoten van Zijn over­winning en heerlijkheid!

 

Succes en lijden door Gert Jan Doornink

De wereldberoemde schrijver Leon Uris, schrijver van onder andere de boeken “Exodus” en “De Hadji”, zei onlangs in een vraaggesprek dat naar zijn mening “roem iemand niet vrijwaart voor tegenslagen en tragiek. Lang niet iedereen beseft dat. Persoonlijk ben ik zelfs geneigd te denken dat succes en lijden hand in hand gaan”. De laatste opmerking van Uris kan bevestigd worden door ieder kind van God, waarbij we het woord ‘succes’ beter kunnen vervangen door ‘overwinning’. We krijgen de overwinning niet cadeau, maar wie geestelijk strijdt weet wel dat de overwinning zeker is. We zijn immers met Jezus overwinnaars? We weten echter ook dat wanneer we de geestelijke strijd niet uit de weg gaan, ‘lijden’ een bijkomend gevolg is. Dit lijden bestaat uit bespotting, verdrukking en vervolging, maar de echte christen is er niet bang voor. Voor hem is de ‘vuurgloed der beproeving’ geen vreemde zaak, waarvan hij niets begrijpt, maar een vast gegeven, omdat satan nog de overste van deze wereld is en een hartgrondige hekel heeft aan iedere echte Godsopenbaring in de waarachtige gelovigen. Maar satan heeft niet het laatste woord, zijn totale afgang is even zeker als onze totale opgang. Daarom willen wij volharden tot het einde en weten dat het lijden van de tegenwoordige tijd op geen enkele wijze opweegt tegenover de heerlijkheid die over ons geopenbaard zal worden.

 

Voor elke dag door Tea Keuper Dijk

“Voor elke dag”, zegt God, “geef Ik je brood en water in de kruik, voor elke dag genoeg; en ’t wordt zó, dat wat Ik je hierin bood, veel meer is dan datgene, wat je vroeg”

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 8 –

De verstandigen gaan het verstaan

“Een engel neemt vuur van het altaar en werpt dit op aarde” Openbaring 8 vers 5 (Openb. 08:05). Het gevolg is: “en er kwamen donderslagen en stemmen en bliksemstralen en aardbevingen”. Velen die het boek Openbaring gaan lezen of bestuderen, zien het op dit punt gekomen niet meer zo zitten. Hoe kan dit? Johannes is hier immers in het hemelse heiligdom! Hoe moeten wij dit verstaan? Wat is dit voor vuur? enz.

Het openen van de eerste vijf zegels zouden we geschiedenis kunnen noemen. Wat niet wil zeggen, dat ons dat nu niets meer heeft te zeggen. Als gemeente van Jezus Christus bevinden we ons nu in de fase van het zesde zegel overgaand in het zevende zegel. Dat wil zeggen, dat we ons nu meer en meer bezig gaan houden met wat voor ons ligt, de zogenaamde eschatologische dingen. De profeet Daniël zegt hiervan: “Deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan”.

Verstandig of verlicht door de Heilige Geest zullen wij toch veel kunnen verstaan door de profetieën en door schrift met schrift of het geestelijke met het geestelijke te vergelijken 1 Petrus 1 vers 12; 1 Korinthe 2 vers 14 en 15 (1 Petr. 01:12; 1 Kor. 02:14-15). Er blijven echter verborgenheden, die pas volledig geopenbaard zullen zijn als het geheimenis Gods, dat is de gemeente van Jezus Christus, voleindigd zal zijn. Dat is als de zevende bazuin gesproken heeft Openbaring 10 vers 7 (Openb. 10:07). De Heilige Geest zal ons meer dan ooit leiden in deze tijd, die de Bijbel de grote verdrukking noemt. Jezus zegt in Johannes 16 vers 13 (Joh. 16:13): “Hij zal u de weg wijzen tot de volle waarheid en de toekomst zal Hij u verkondigen”. De Heilige Geest zal ons helpen de beeldspraak geestelijk te verstaan, om niet in de fout te vallen de geestelijke beelden natuurlijk in te vullen met hagelstenen, atoombommen, helikopters, roofvogels, vreselijke ziekten, enz.

Het is goed de bakens die we in hoofdstuk 5 genoemd hebben als hulp, om ons denken in het rechte spoor te houden, nog eens puntsgewijs te noemen.

Het is niet een aflopende zaak met Gods schepping, maar een wederoprichting aller dingen, “Zie, Ik maak alle dingen nieuw”, zegt God Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05).

De gemeente heeft deel aan de “dag des Heren” en is hiervoor door de Heer gemaakt “tot een koninkrijk van koningen en priesters voor God” Openbaring 1 vers 6 (Openb. 01:06).

De eindtijd is niet een afwerking van een schema, maar de gemeente wordt door de Heer geleid en ingelicht in de verdere afwikkeling. “Voorzeker, de Here Here doet geen ding of Hij openbaart Zijn raad aan de knechten, de profeten” Amos 3 vers 7 (Amos 03:07).

Onze God is een heilig God, eeuwig, onveranderlijk, dezelfde. Hij verandert ook in de eindtijd niet. “Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt” Openbaring 4 vers 8b (Openb. 04:08b).

God en Jezus Christus zenden geen plagen, maar deze zijn inherent aan het tot volle rijpheid komen van Babel, de grote hoer Openbaring 17 vers 3 (Openb. 17:03). Daarom staar er: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04). Door Jezus Christus zal in de eindtijd de aarde rechtvaardig geoordeeld worden Handelingen 17 vers 31 (Hand. 17:31). Niet veroordeeld!

God waakt over Zijn schepping en over Zijn woord. “Het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend” Jesaja 55 vers 11 (Jes. 55:11). Zo zal de duisternis uit de schepping verdreven worden op de door God bepaalde tijd en volgens Zijn eeuwige raadsbesluiten. Eerst moeten echter Zijn dienstknechten, de gemeente van Jezus Christus, aan hun voorhoofden verzegeld zijn Openbaring 7 vers 3b (Openb. 07:03b).

Van deze dienstknechten zegt Psalm 148 vers 8 (Ps. 149:008): “Om hun koningen met ketenen te binden en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken”.

Als laatste baken zou ik nog willen noemen het feit dat de eindtijd niet betekent: strijd tegen vlees en bloed. Dus niet een oorlog op aarde van landen of volken of wereldmachten, maar het is een geestelijke strijd, waarvan Paulus zegt dat het is tegen: “de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”. Deze strijd zal gevoerd worden door een geestelijk volk, dat aangedaan zal zijn met de kracht van de Heilige Geest. Daarom staat er: “Dit is het woord des Heren tot Zerubabel: niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de Here der Heerscharen” Zacharia 4 vers 6 (Zach. 04:06).

Verstaan door openbaring van de Geest

De opening van het zevende zegel is daarom zo belangrijk, dat er nu niets meer verzegeld is. Alles is open, met uitzondering van de stemmen van de zeven donderslagen Openbaring 10 vers 4 (Openb. 10:04). Dat wil zeggen, dat het volk Gods, door de Heilige Geest, ook de laatste dingen gaat verstaan. Opening van zegel wil dus zeggen: openbaring door de Heilige Geest aan gelovigen die daar aan toe zijn. De Heilige Geest neemt dat uit Jezus en Hij gaat het ons verkondigen. Jezus zegt: “Hij zal u de weg wijzen tot de volle waarheid en de toekomst zal Hij u verkondigen” Johannes 16 vers 12 tot en met 15 (Joh. 16:12-15). En dat stemt overeen met de woorden, waar dit boek Openbaring mee begint: “Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn Dienstknechten te tonen, hetgeen weldra moet geschieden”. Eensluidend spreken alle vertalingen hierover ‘geschiedenis’. Dat is een belangrijke uitdrukking want het betekent, dat er iets in beweging gaat komen. Een nieuwe tijd in Gods geschiedenis breekt door en het is zijn dienstknechten gegeven het te verstaan Matteüs 13 vers 11 (Matt. 13:11).

Het woord van God gaat geschieden

Het woord van God blijft geschieden totdat gezegd kan worden in Openbaring 21 vers 6 (Openb. 21:06): “Zij zijn geschied. Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde”. We staan hier bij vers 5 van Openb. 8:5 bij zo’n geweldige belangrijke gebeurtenis. In de NBG-vertaling lezen wij: “En er kwamen donderslagen en stemmen, enz.”, maar de Statenvertaling heeft hier: “En er geschieden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving”. In het evangelie van Lucas, waar de geboorte van Jezus beschreven wordt, is er ook verschillende malen sprake van: “En het geschiedde”. In Lucas 6 vers 2 (Luc. 06:02) lezen we bijvoorbeeld: “En het geschiedde, toen wij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou, en zij baarde haar eerstgeboren zoon”. De geschiedenis is, dat het Woord gestalte krijgt in de Zoon Jezus. “En zij baarde haar eerstgeboren zoon”.

Zo is het woord van God ook geschied aan de gemeente, waarvan de engel tot Maria zei: “Geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen” Lucas 1 vers 37 (Luc. 01:37). Ook haar dagen – van de gemeente – zijn vervuld en we lezen dan: “En zij was zwanger (van het Woord) en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren” Openbaring 12 vers 2 (Openb. 12:02). “En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf” Openbaring 12 vers 5 (Openb. 12:05). Dit geschiedt in Openbaring 8 tot en met 11 en heeft zijn aanvang in Openbaring 8 vers 5 (Openb. 08:05) waar dan staat: “En de engel nam het wierookvat en vulde dat met het vuur van het altaar en wierp (het vuur) op de aarde; en er geschiedden donderslagen en stemmen en bliksemstralen en aardbeving”.

Het verstaan van de beeldspraak

De titel van deze artikelenserie (“Geestelijk licht op de eindtijd”) verplicht ons hier wat licht te laten schijnen op deze beelden: altaar, vuur, donderslagen, enz. Belangrijk is om het beeld te zien als een hulpmiddel om de geestelijke werkelijkheid te verstaan. Het beeld is niet de werkelijkheid en moet men niet tot werkelijkheid laten worden in het denken. Wij mogen hier niet volstaan met: “En toen kwam er een verschrikkelijke demonie op aarde”. God werpt geen demonische duisternis op aarde. De demonie is trouwens niet in het hemelse heiligdom Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24; Leviticus 16 vers 33 (Heb. 12:22-24; Lev. 16:33) en kan dientengevolge niet van daaruit op aarde worden geworpen. De betekenis van de beelden zullen we vooral moeten leren verstaan vanuit het Oude Testament, omdat de ‘openbaring’ helemaal in overeenstemming is met de wet van Mozes, de profeten en de Psalmen Lucas 24 vers 22 (Luc. 24:22). Ook kunnen wij het woord ‘vuur’, als wij dat tegenkomen in de Bijbel, niet zonder meer vertalen met demonie of werking van boze geesten. Het beeld van ‘vuur’ wordt door de oudtestamentische mens gebruikt voor ‘bovenaardse geest of geestkracht’ en vanuit dit denken had dit beeld een ruime en gevarieerde inhoud. Wij zullen ons nu echter alleen bepalen bij het vuur van het altaar en het altaar zelf.

Het beeld van het altaar

Mozes bouwt de tabernakel zoals God hem dat op de berg heeft getoond. “Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei” Exodus 25 vers 9 (Ex. 25:09). Ook het altaar, wat men als eerste tegenkomt als men de poort in de omheining binnen gaat, is volgens Gods aanwijzing gemaakt Exodus 27 vers 1 (Ex. 27:01). Op dat altaar (een afbeelding van de hemelse werkelijkheid, Hebreeën 8 vers 5 (Heb. 08:05) worden de offers gebracht, volgens het woord van God (zie Leviticus) en ook het vuur op het altaar is volgens het woord van God.

Alles is dus volgens het woord van God, dus heilig. Ook de offers! Leviticus 6 vers 18 (Lev. 6:18). “Gij zult het heiligen en het jaar zal allerheiligst zijn; ieder die het altaar aanraakt, zal heilig zijn” Exodus 29 vers 37b; Leviticus 6 vers 18 (Ex. 29:37b; Lev. 06:18). En in Exodus 29 vers 44 (Ex. 29:44) zegt God: “Ik zal de tent der samenkomst en het altaar heiligen, en Aaron en zijn zonen zal Ik heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden”. Hier zien wij dus het schitterende beeld van Jezus Christus.

Hij is de ingang en sprak: “Ik ben de deur” Johannes 10 vers 9 (Joh. 10:09). Hij is door God geheiligd en in de wereld gezonden Johannes 10 vers 36 (Joh. 10:36) en een ieder die Hem aanraakt (aanneemt) is heilig. Als iemand zich vastgreep aan de hoornen van het altaar 1 Koningen 1 vers 505 tot en met 53 (1 Kon. 01:50-53) was hij veilig.

Maar Hij is niet alleen de deur, maar Hij is ook de weg, de waarheid en het leven Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06). “Hij is het altaar, maar eveneens het offerlam” Johannes 1 vers 29  (Joh. 01:29). Hij is ook de eeuwige hogepriester naar de ordening van Melchisedek Hebreeën 6 vers 20 (Heb. 06:20) die nu; “na eenmaal zichzelf geofferd te hebben, nu gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens” Hebreeën 8 vers 9 en 10 (Heb. 08:09-10). Hij is het altaar, Hij is de Verzoener, Hij is de doper met de Heilige Geest in het hemelse heiligdom.

Het beeld van het vuur

Ook voor het vuur op het altaar geeft God zelf aanwijzingen. In Leviticus lezen wij herhaaldelijk over dit vuur wat altijd moest blijven branden Leviticus 6 vers 8 tot en met 13 (Lev. 06:08-13). De priester moest er iedere morgen hout opbrengen en dan zegt de Canisius-vertaling: “Altijd moet het vuur op het altaar blijven branden; het mag nooit worden gedoofd” Leviticus 6 vers 13 (Lev. 06:13). Het vuur op het altaar was allerheiligst en was het beeld van de heerlijkheid van God. Dit lezen wij in Leviticus 9 waar God zich één maakt met het vuur van het altaar en het offer verteerd. “En de heerlijkheid des Heren verscheen aan het gehele volk.

En er ging vuur uit van de Here en dit verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken; toen het volk dit zag, juichten allen en wierpen zich op hun aangezicht” Leviticus 9 vers 23b en 24 (Lev. 09:23b-24).

Als het vuur op het altaar de demonie voorstelt, waar iets aan prijs gegeven wordt, dan zou God zich hiermee nooit kunnen verenigen. Demonisch vuur is vreemd vuur en tast de ordening van God aan en mag in de tabernakel niet gevonden worden. In Leviticus 10 vers 1 tot en met 7 (Lev. 10:01-07) wordt de trieste geschiedenis van de twee zonen van Aaron, Nadab en Abihu, vermeldt. Zij namen hun vuurpannen, doen daar vreemd vuur in, leggen er reukwerk op en brengen dit voor het aangezicht van de Heer Leviticus 10 vers 1 (Lev. 10:01). Als God dit had goedgekeurd zou geen enkel woord nog betrouwbaar zijn geweest. Een ieder had dan kunnen handelen naar eigen goeddunken. Het beeld van het heilige vuur zou daar dan aangetast en teniet gedaan zijn. Het is de duivel zelf, die zo probeert het heiligdom binnen te komen om alles te ontheiligen. Maar God heeft gesproken: “Ik zal de tent der samenkomst en het altaar heiligen en Aaron en zijn zonen zal Ik heiligen om voor Mij het priesterambt te bekleden”. God waakt over Zijn woord. Ook deze ogenschijnlijk kleine overtreding zou het gehele heiligdom ontheiligd hebben, zoals een klein beetje zuurdeeg, het gehele deeg doorzuurd. En omdat de machten nog niet van de mens gescheiden konden worden door het woord van God en de kracht van de Heilige Geest (Jezus Christus), vonden deze twee mannen de dood omdat de heilige engelen, die Gods Woord volvoeren Psalm 103 vers 20 (Ps. 103:020), de machten grepen en afvoerden uit het heiligdom Leviticus 10 vers 2; 1 Petrus 4 vers 17 (Lev. 10:02; 1 Petr. 04:17).

In Jesaja 6 zien wij de heiligheid van het altaar vuur. Als Jesaja de heerlijkheid van God ziet, dan wordt hij zich bewust van zijn onreinheid en zonde en die van het volk. In Jesaja 6 en 7 lezen wij: “Maar één der serafs vloog naar mij toe met een gloeiende kool, die hij met een tang van het altaar genomen had; hij raakte-mijn mond daarmede aan en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt, nu is uw ongerechtigheid geweken en uw zonde verzoend”. Dit is natuurlijk veel meer dan vergeving. Jesaja werd verzoend met God (1) en zijn ongerechtigheden worden door het vuur van het altaar weggedaan (2).

Wat werd door het vuur verteerd?

Voor het brengen van het zondoffer gaf God uitvoerige lichtlijnen. God bepaalde door Zijn woord wat op het altaar in rook zou opgaan. De stier van het zondoffer was volkomen gaaf, maar uiteraard ook zondeloos. Een dier kan immers niet zondigen! Alleen dat wat zondeloos is, kan de zonden van anderen op zich nemen. Deze dieren waren dus beeld van het (offer)Lam Gods, Jezus Christus. De zonde werd op het dier gelegd door de handen op zijn kop te leggen. Dan werd er heel zorgvuldig, volgens het woord van God, scheiding gemaakt tussen het inwendige van de stier en het uitwendige Hebreeën 4 vers 12 (Heb. 04:12). Dit wordt beschreven in Leviticus 4 vers 1 tot en met 5; Leviticus 4 vers 13 (Lev. 04:01-05 en Lev. 04:13). Het inwendige komt op het altaar, maar het uitwendige wordt buiten de legerplaats met ‘ander vuur’ verbrand. Dat wordt prijsgegeven. Het inwendige gaat op het altaar in de heerlijkheid Gods op, want de zondeschuld was op het dier. Het offerdier droeg de zondeschuld.

Zo was dit een zuiver beeld van wat er met Jezus Christus – het Lam Gods – zou geschieden, die de zondeschuld van alle mensen op zich nam. Zijn bloed is uitgegoten op aarde. Hij gaf Zijn leven in de dood en heeft buiten de legerplaats geleden Hebreeën 13 vers 11 en 12 (Heb. 13:11-12). Hij is prijsgegeven aan de duisternis, het demonische vuur.

 

Maar met Zijn innerlijke mens deed Hij verzoening op het hemelse brandofferaltaar en dat was tot een lieflijke reuk voor de Heer, want het was de volmaakte verzoening voor alle tijden, voor alle mensen.

Op het moment dat Jezus stierf, aan het kruis – scheiding van innerlijk en uiterlijk – werd Zijn geest weer met de Heilige Geest verbonden Lucas 23 vers 46 (Luc. 23:46). Met Zijn innerlijke mens ging Hij op het altaar helemaal op in de heerlijkheid Gods. Hij werd opnieuw verheerlijkt Johannes 12 vers 28 (Joh. 12:28), dus aangedaan met de kracht, heerlijkheid, heiligheid en zuiverheid van God zelf. Hij had de volmaakte verzoening tot stand gebracht. Daarom zegt de Hebreeënschrijver ook dat Jezus zichzelf door de eeuwige Geest als een smetteloos offer aan God gebracht heeft. Dat is dus door de Heilige Geest. “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door de eeuwige Geest zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft (op het altaar!) ons bewustzijn reinigen, enz.” Hebreeën 9 vers 14 (Heb. 09:14).

Op het altaar wordt dus de innerlijke mens gereinigd en gerechtigheid gedaan door de heerlijkheid Gods, de Heilige Geest. Paulus zegt daarom in Romeinen 8 vers 10 (Rom. 08:10): “Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood, vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid”. Door de Heilige Geest wordt de innerlijke mens geheiligd en gemaakt tot gerechtigheid Gods  2 Thessalonicenzen 2 vers 13; 1 Petrus 1 vers 2 (2 Thess. 02:13; 1 Petr. 01:02). Zo zien we dat het vuur van het altaar niet een beeld is van demonie, maar van goddelijke heerlijkheid en heiligheid, dus beeld van de Heilige Geest, die de ongerechtigheden uitdelgt. Het gaat in rook op en kan dus nooit geen vaste vorm meer aannemen en God zal het niet meer gedenken Leviticus 10 vers 17; Jesaja 4 vers 4; Jesaja 43 vers 25 (Lev. 10:17; Jes. 04:04; Jes. 43:25).

(wordt vervolgd).

 

 

1984.11 nr. 253

1984 november nr. 253

Is onze koers bepaald? Door Gert Jan Doornink

Het parool voor de eindtijd

Het is in deze eindtijd van het allergrootste belang dat wij onze koers bepaald hebben. Nog te veel kinderen Gods worden heen en weer geslingerd door allerlei ‘wind van leer’ en ongetwijfeld is de voornaamste reden daarvan; gebrek aan geestelijke groei. Wie niet geestelijk groeit blijft op een bepaald punt in zijn geestelijke ontwikkeling steken en is daardoor ook geen volwaardig vertegenwoordiger van Gods Koninkrijk. En dat terwijl Petrus zegt dat wij een uitverkoren geslacht zijn, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht! 1 Petrus 2 vers 9

(1 Petr. 02:09).

De opdracht van Jezus, om door woord en daad een getuige van Hem te zijn, kunnen we alleen ten uitvoer brengen als we op de juiste wijze op Hem zijn af gestemd. Daarom is het parool voor de waarachtige gemeente van Jezus Christus in deze eindtijd: koers bepalen! Maar dan wel op de wijze zoals God die heeft aangegeven in zijn Woord!

Na de rij geloofsgetuigen die in Hebreeën 11 genoemd worden, vervolgt Hebreeën 12 vers 1 (Heb. 12:01) met de woorden: “Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen die vóór ons ligt”. En dan geeft Hebreeën 12 vers 2 (Heb. 12:02) aan hoe dit gerealiseerd kan worden:

“Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de Leidsman en voleinder des geloofs”. Dit is het kompas waarop wij moeten varen! Dan blijft (of komt) ons ‘levensschip’ in de juiste koers. Satan wil ons altijd op ‘natuurlijke’ wijze bezighouden, dat wil zeggen: hij laat ons zien op de omstandigheden, op negatieve dingen, op alles waarin hij de hand heeft. Maar een kind van God is op ‘bovennatuurlijke’ wijze opnieuw geboren door de Heilige Geest. En door geestelijk te groeien met het uiteindelijke doel het volwassen stadium in Christus te bereiken, leert hij hoe langer hoe meer de dingen te zoeken en te bedenken die ‘oven’ zijn Kolossenzen 3 vers 1 en 2 (Kol. 03:01-02). Hij komt ‘los’ van deze wereld en al is hij nog in een lichaam van vlees en bloed in deze wereld, de overste daarvan (satan) krijgt steeds minder vat op hem.

Toen Jezus op aarde was weerstond Hij ten alle tijde de aanvallen uit het rijk der duisternis. Satan had niets aan Hem! Zo zullen ook de volgelingen van Jezus eindtijd dit gaan beleven. De ontwikkeling daarvan is reeds in volle gang. En dat geeft geweldige blijdschap! De zonen Gods gaan gestalte aannemen. U en ik zullen als triomfators met Jezus, de satan onder onze voeten vertreden. Dit is geen grootspraak, geen utopie, ook geen doelstelling die niet te verwezenlijken valt, maar ligt volkomen verankerd in het plan van God tot herstel van zijn schepping. De gemeente zal volwaardig worden. Elke onmondigheid gaat verdwijnen en Gods heerlijkheid zal zich weer manifesteren. Daaraan behoeft, niemand te twijfelen, want Gods plannen falen niet. Het ‘goede werk’ dat Hij in ons begon, breekt Hij niet plotseling af. Dat zou geheel in strijd zijn met zijn wil, die Paulus in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) omschrijft met de woorden: ‘het goede, welgevallige en volkomene’.

Waar wij echter wel rekening mee moeten houden is het feit dat de wil van God niet buiten onze wil omgaat. Onze vrije wil behoort op positieve wijze ingeschakeld te zijn en dit gebeurt alleen als wij de geloofsweg volhardend bewandelen.

Zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). De Hebreeënbrief noemt Jezus de leidsman en voleinder des geloofs. Hoe leidt Hij ons? Door de Heilige Geest, die dagelijks behoort te functioneren in ons leven. Zonder de Heilige Geest raken we op dwaalwegen en zullen nooit het einddoel bereiken. Want Jezus is ook de voleinder van ons geloof. Hij wil ons ‘vol doen eindigen’, met andere woorden: Hij wil zijn werk in ons geheel voltooien. Wij zullen worden zonder vlek en zonder rimpel, heilig en onbesmet! Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27). Wat een perspectief, maar ook wat een doel om naar toe te werken!

Hoe wij het einddoel bereiken

Want welk oprecht kind van God wil dat einddoel niet bereiken? Daarom laten wij ons niet afremmen door de vijand! Daarom zeggen wij ‘neen’ tegen alle aardsgerichte leringen! Daarom leggen wij elke gebondenheid af of laten ons ervan bevrijden. Daarom hebben wij onze koers bepaald! Wij willen Jezus volgen op de wijze zoals Hij die in zijn Woord heeft geopenbaard. Wij weten dat “niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, geschikt is voor het Koninkrijk Gods” Lucas 9 vers 62 (Luc. 09:62). Wij willen vooruit zien, omhoog zien, zien op Jezus, niet incidenteel maar voortdurend! De wijzer van ons kompas is hemelwaarts gericht.

Zo worden wij meer en meer gelijkvormig aan het beeld van Jezus. En daarvoor heeft Hij ons bestemd en geroepen Romeinen 8 vers 29 en 30 (Rom. 08:29-30). Hij is de eerstgeborene onder

Vele broederen en wil dat ook vele anderen zullen delen in zijn heerlijkheid. “God onze Heiland, wil, dat alle mensen behouden zullen worden en tot erkentenis der waarheid komen” 1 Timoteüs 2 vers 3 en 4 (1 Tim. 02:03-04). Naarmate wij Hem gelijkvormig worden zal dezelfde gezindheid van de Geest die in Jezus, in Paulus en vele anderen was, ook in ons ten volle tot openbaring gaan komen. Want evenals zij, willen ook wij ons volledig inzetten voor de zaak van Gods Koninkrijk. Een inzet die begint en gecontinueerd wordt door het bepalen van de juiste koers!

 

Reacties van leners door redactie

-Zuster J. H. te Rijnsburg, schrijft: “Hierbij zou ik mij willen abonneren op het maandblad “Levend Geloof” . Na de proefnum­mers die ik van u mocht ontvangen, kan ik het blad niet meer missen en zie naar het volgend nummer met verlangen uit” .

-H. M. H. B. te Veenendaal schrijft: “De bro­chure “De volledige mens” van Klaas Goverts heeft mij zeer geboeid en opgebouwd. Ik wil graag op uw aanbod ingaan en verzoek u hierbij enkele proefnummers van het maandblad “Levend Ge­loof” toe te zenden” .

-Zuster M. M.- S. te Aalst (België)) gaf 10 geschenkabonnementen op en schreef: “Ik bid dat onze grote God deze gezinnen zal zegenen door het lezen van uw geestverrijkend blad” .

-Broeder K. L. te Capalaba (Australië”)”) schrijft: “Tijdens ons be­zoek aan Holland hebben wij kennis gemaakt met uw blad “Levend Geloof” . Het heeft een buitengewone im­pressie gemaakt en is ge­makkelijk te lezen. Ook de brochures van Klaas Go­verts heb ik gelezen en in het bijzonder de brochure “De volledige mens” is zeer verhelderend. Speciaal nu de tijd van af val in volle gang is, is uw blad water op dorre bodem”.

 

Navolgers van Christus door Jan W. Companjen 

“Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken Matteüs 4 vers 19 (Matt. 04:19) of “Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken” (oude vertaling).

Hoe evangeliseren wij

Zeer veel mensen voelen zich gelukkig nog geroepen om te gaan evangeliseren. U zult wel begrijpen dat ik daar die groep mensen mee bedoel die zich gered weten. Hun thema is dan ook vaak: ‘gered om te redden’. De gehele zogenaamde evangeli­sche richting is in deze groepering gelovigen te vin­den. Hoewel wij het werk van deze broeders en zus­ters geenszins willen kleine­ren zult u het toch met mij eens zijn dat de resultaten (zelfs van grote kampanjes) zeer gering zijn. Wat is daar de reden van?

Het geheim van het slagen of niet slagen ligt mijns inziens in het feit hóe wij evangeliseren. Naar aan­leiding van de geschiedenis over de wonderbare vis­vangst gaan wij hierover eens nadenken.

In Lucas 5 vers 1 tot en met 11 (Luc. 05:01-11) lezen wij dat Jezus de schare leerde vanuit een schip. Zijn toehoorders wa­ren zo talrijk dat Hij, toen zij op Hem aandrongen, in het schip stapte van Simon Petrus. Hij ging met Simon in zee. Bij deze gelegen­heid sprak Hij alleen en deed geen tekenen of won­deren. Hij leerde de schare opdat zij zijn bood­schap zouden leren ken­nen. Toen Hij opgehouden was met spreken zei Hij tegen Simon: Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen

Ik ben er van overtuigd dat die opdracht aan Petrus aan­sloot op de boodschap die Hij zo juist gebracht had. Petrus sputterde nog wel even tegen en antwoordde: Meester (!) de gehele nacht door hebben wij hard ge­werkt en niets gevangen, maar op uw woord – omdat U het zegt – zal ik de net­ten uitzetten. Hier springen drie punten naar voren, na­melijk : ten eerste ‘de gehele nacht’, ten tweede ‘hard gewerkt’ en ten derde ‘niets gevangen’. Beroerder en negatiever kon het niet.

Ik denk wel dat zeer veel evangelisten weten waarover het hier gaat. Ook zij heb­ben vaak hetzelfde ervaren. Veel duisternis, hard zwoe­gen en toch niets vangen. Als wij het wat ruimer gaan zien denken wij onder ande­re aan de donkere middel­eeuwen, geestelijk was er toen ook veel duisternis. Met de doorbraak van Luther kwam de Bijbel weer onder het stof vandaan en kon de boodschap weer op­klinken .

Als Babel gelijk

‘Door het geloof alleen’ was toen de kern van de bood­schap die veel duisternis verdreef. Toch bleef er nog veel duisternis over. Het licht brak niet volkomen door, men bleef op zeer veel dingen steken. Het oude zuurdesem werd niet volkomen opgeruimd en het grootste deel van bijvoor­beeld Europa, bleef Rooms Katholiek met al zijn dwa­lingen en leringen van men­sen. Momenteel neemt de duisternis weer zeer sterk toe op het kerkelijke erf en wordt in allerlei kerke­lijke kringen de paus zelfs als hoofd van de kerk aan­vaard. Dat is duisternis, broeders en zusters, want in het wezen van de Rooms Katholieke kerk is er niets veranderd. De Maria- en heiligenverering is een vast gebeuren in hun godsdienstoefeningen, ter­wijl de avondmaalviering en de eucharistieviering mij­lenver uit elkaar liggen. Het is alles aan Babel ge­lijk : één grote spraakver­warring. Trouwens het ge­hele kerkelijke instituut is als Babel gelijk geworden, omdat zij het volk Gods uit Kanaän heeft weggevoerd. Het volk Gods zit in ge­vangenschap en is onder­geschikt aan de wetten van het instituut, die niet doorbroken mogen worden.

In dezelfde nacht toen Je­zus in gebed was, is Pe­trus gaan vissen. Hij ving niets. Het was hard werken met als resultaat: ‘de dood in de pot’. Petrus is ech­ter een vrij man geworden.

Hij deed wat Jezus hem op­droeg. Hij ging tegen de traditie in en zette het net aan de andere zijde over boord. Dat moet een sensatie zijn geweest. Petrus, een ervaren visser, die precies wist hoe het moest, krijgt daar van een leek zo maar de opdracht om overdag te gaan vissen. Maar, Meester, weet U dan niet dat dat nachtwerk is. Dit is toch tegen elke regel in       

Een verkeerde denkwijze

Het is bij het vangen van vis net als bij het vangen van mensen, beide vang je niet bij daglicht. Het moet donker zijn, de mens moet angstig en onzeker zijn en’ niet weten wat hem over­komt, dan is hij te vangen. Deze denkwijze is tot op de dag van vandaag in ere ge­bleven. Daarom moet de mens in zware kringen het bij wijze van spreken hele­maal niet meer weten. Hij moet uit angst voor zijn zondeschuld en uit angst voor een rechtvaardig God tot geloof gedreven worden. Door uiterlijke dingen, be­staande uitzondagsheiliging, het dragen van bepaalde kleding of haardracht, het op een bepaalde manier samenkomen en zingen, enz., tracht men tot een bepaalde dienst aan God te komen. Paulus zegt echter: Kom tot geloof in Jezus Christus en geloof in Jezus Christus en leer te onderscheiden waar het op aan komt.

Ook in evangelische kringen wordt de angst vaak ge­bruikt om tot bekeringen te komen. Bijvoorbeeld met uitspraken als: Men kan elk ogenblik door de dood ge­troffen worden en wat dan? Elk ogenblik kan Jezus Christus terugkomen om de zijnen te halen, bent u daarbij, zo niet, wat dan? Zie bijvoorbeeld eens naar de film ‘De komende Koning’. Het is alles een grote angst- overbrenging om zo de mens te bewegen tot overgave te komen. Ik doe maar een en­kele greep, er zijn natuur­lijk veel meer voorbeelden aan te halen.

Jezus zegt echter: Wil je werkelijk vis vangen, ja ge­zonde vissen vangen, kom dan overdag als overwinnaar en verkondig een leer van gezag. Ga naar diep water, daar zit­ten de knapen en daar zitten er veel. Doe wat Ik je zeg en je zult ze vangen. ‘Voorwaarts Christenstrij­ders, druk uws Konings spoor’. Ik zal je vissers van mensen maken. Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u!

Een mens komt pas werke­lijk tot bekering als hij de dingen van het Koninkrijk

Gods gaat verstaan. De uit­legging van de gelijkenis van de zaaier besluit dan ook met de conclusie dat de in goede aarde gezaaide hij is die het woord van het koninkrijk hort en verstaat. Die dragen dan ook vrucht: honderd-, zestig- of dertigvoudig . Trouwens dit is toch ook wel een duidelijke zaak. In­dien men de krachten van dit Koninkrijk ervaren heeft, zal men ook getuige kunnen zijn van de dingen die bij dit Koninkrijk horen, want Het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Wie door die Geest een dienstknecht is van Jezus Christus, is welgevallig bij God en in ach­ting bij de mensen Romeinen 14 vers 17 en 18 (Rom. 14:17-18). Het is als het doorgeven van leven dat men eerst zelf ontvangen heeft. Bijvoorbeeld de energie uit een accu komt pas in werking als hij eerst zelf geladen is. Of bij het doorgeven van leven bij man en vrouw moeten bei­den eerst volwassen zijn (competent zijn) om leven door te geven.

Zo is het ook bedoeld in ons tekstwoord. Zet de net­ten uit op gezag van de Naam van Jezus en doe het zoals Hij het zegt. Het roer moet om, de netten naar de andere zijde, dat wil zeg­gen tegen de traditie in. En toen Petrus en de zijnen dat deden, haalden zij een grote menigte vissen binnen en hun netten dreigden te scheuren. En zij wenkten hun makkers in het andere schip, dat zij hen zouden komen helpen. En deze kwa­men (!) en zij vulden beide schepen tot zinken toe.

Toen Petrus dit zag, viel hij neer aan de knieën van Je­zus. Vol verbazing over die geweldige vangst ging Pe­trus zich erg klein voelen en ook al de anderen waren zeer onder de indruk. Pe­trus zei onder andere: Ga uit van mij Heer, want ik ben een zondig mens. Maar Jezus zei: wees niet be­vreesd, van nu aan zult gij mensen vangen. En zij trok­ken de schepen op het land en lieten alles achter en volgden Hem. De les had hun volkomen overtuigd. Zij zagen het Koninkrijk Gods open gaan. De hemel ging voor hen open en zij volg­den Hem.

De nieuwe gezindheid

Het Koninkrijk Gods is geen woordenspel maar een reali­teit van beleving. Het is als het ware een deel van ons innerlijk. En met dat inner­lijk kunnen wij gemeenschap met God hebben. De roe­ping van iedere voorganger is dan ook dat hij helpt bij de opbouw van de innerlijke mens. Het gaat niet om bra­ve broeders en zusters en goede kerkgangers of be­zoekers van de samenkomst. Het gaat om de opwekking van onze innerlijke mens, om de kracht Gods die in ons is. Christus in ons de hoop der heerlijkheid. Dat licht in je opnemen totdat het uit gaat stralen zonder problemen of opjagerij. Dat is opwassen tot alle volheid Gods.

Wij mogen ons gelukkig prijzen dat wij dit weer zien. Dat het niet gaat om uiterlijkheden of om na­tuurlijke dingen. Ook niet of wij precies zo bijeenko­men als de apostelen in hun tijd bijeenkwamen. Het gaat om de gemeenschap met on­ze zender: Jezus Christus. Door wie wordt u gezon­den? Jezus zonderde zich af om gemeenschap met zijn Vader te hebben. Wie geeft het Geestelijk leven aan u door? Sta open voor alles wat Hij u schenken wil en Hij zal u alles geven wat u nodig hebt naar geest, ziel en lichaam.

Heiligt u aldus tegen de morgen. Wij zijn apart ge­zet, uit onze aardse baan geworpen, om onze levende en waarachtige God te die­nen. Dan hebben wij een nieuwe gezindheid 1 Korinthe 1 vers 30 en 31 (1 Kor. 01:30-31) en wordt Hij in ons verheerlijkt. Zo komen de zonen Gods tot openbaring.

 

Van de redactie door de redactie

We zijn bijzonder blij met de vele extra giften welke wij in de afgelopen maanden voor de “Levend Geloof”-arbeid ontvingen! God is goed en zeer te prijzen! Graag hadden we iedereen met een persoonlijk schrijven willen bedanken, maar daarvoor ontbreekt ons helaas de tijd. We willen daarom vanaf deze plaats iedere gever en geefster hartelijk bedanken ! Hoewel de giro- en bankafschriften geldig zijn voor uw boekhouding, kunt u ook een kwitantie ontvangen. Willen degenen die dit wensen ons dit even kenbaar maken? Naast enkele gemeenten die ons toezegden een collecte voor ons werk te houden, zijn we ook bijzonder dankbaar dat het aantal ‘sponsors’ groeiende is. Sponsors zijn zij die regelmatig (bijvoorbeeld één keer per maand) een bijdrage overmaken voor onze arbeid.

We merken nog al eens dat men zich niet bewust is hoeveel kosten het meebrengt een blad als “Levend Geloof” uit te geven. Velen zijn eerder geneigd te geven voor meer praktische arbeid zoals werk onder drugsverslaafden, arbeid achter het ijzeren gordijn, etc. Toch is het werk van “Levend Geloof” ook een belangrijk stuk zendingsarbeid. De Heer bevestigt dat trouwens telkens weer. Feitelijk behoort de boodschap, zoals wij die brengen via “Levend Geloof”, de basis te zijn van iedere arbeid in dienst van Gods Koninkrijk. Wie het volle evangelie niet als uitgangspunt neemt, kan misschien wel actief zijn, maar het gaat er tenslotte om dat we in alles nauwkeurig afgestemd zijn op de Heilige Geest die ons wil leiden in alle waarheid. Alleen de boodschap zoals Jezus die bracht en later de apostelen, behoort het fundament te zijn waarop verder gebouwd kan worden en waardoor uiteindelijk de gemeente Gods heerlijkheid ten volle zal gaan openbaren. Aan die opdracht wil “Levend Geloof” getrouw blijven en we zijn blij dat vele van onze lezers en lezeressen dit ook zo zien! 

 

Wat Mozes ons te zeggen heeft door Klaas Goverts

 

Mozes de man van de wet?

Velen zien Mozes alleen maar als de man van de wet., Dan moeten we echter meteen be­denken dat wet in het Hebreeuws onderwijzing bete­kent. De mens Mozes heeft ons ook vandaag nog veel te zeggen. Het Oude Testament is immers niet afgeschaft, al­leen het oude verbond heeft zijn tijd gehad. Maar die twee dienen we wel van el­kaar te onderscheiden. We zouden het Nieuwe Testament niet eens kunnen verstaan zonder het Oude, want alle evangelische grondbegrippen hebben hun wortels in het Hebreeuws, in de Hebreeuwse gedachtewereld.

Mozes, zijn naam betekent in het Egyptisch: zoon van… Voorlopig is hij een zoon van Farao’s dochter, maar wiens zoon hij werkelijk is, dat zal moeten blijken; dat moet nog openbaar worden. In het Hebreeuws wil zijn naam zeggen: hij die uit het wa­ter trekt, en dat is profe­tisch want straks zal hij inderdaad een heel volk uit het water trekken, uit het water van de benauwdheid, uit het water van Egypte, en door het water van de Rietzee heen. Eerst wordt hij echter zelf uit het water getrokken, om te zijner tijd anderen uit de diepte te kunnen rukken. Zo is Mo­zes de gestalte van de bevrijder, beeld van de Mes­sias, Jezus, in wie alle da­den van bevrijding samenkomen .

Wat ware grootheid is

In Exodus 2 vers 11 (Ex. 02:11) horen we: “In die tijd, toen Mo­zes groot geworden was, ging hij uit tot zijn broeders en lette op hun dwang­arbeid”. Letterlijk staat er: In die dagen geschiedde het, Mozes was groot geworden. Deze zin vormt het opschrift boven het gedeelte dat nu volgt: Exodus 2 vers 11 tot en met 22 (Ex. 02:11-22). Dat hele stuk handelt over de grootheid van de mens Mozes.

Die grootheid wordt aan de orde gesteld in twee perikopen: vers 11 tot 14 en vers 15 tot 22. Daarna haakt vers 23 weer in op vers 11, want daar heet het in de NBG- vertaling: “In die lange tijd stierf de koning van Egypte”, maar letterlijk staat er: In die vele dagen geschiedde het. De uitdrukking ‘de vele dagen’ grijpt duidelijk terug op ‘die dagen’, en in beide gevallen klinkt het: en het geschiedde. Zo wordt de in­deling van de gebeurtenissen gemarkeerd.

Nu komen we tot de kern­vraag: waaruit blijkt de grootheid van Mozes? De tekst antwoordt: hij ging uit tot zijn broeders. Wat is wa­re grootheid? Dat een mens uitgaat, uit zijn eigen we­reld, uit zijn eigen besloten situatie, en de wereld van zijn broeders binnentreedt. Want daartoe is de mens ge­steld. Niet om er te zijn voor zichzelf, maar om mens te zijn voor de ander.

De keuze van Mozes

Tweemaal horen we hoe Mo­zes uitgaat, in het elfde en in het dertiende vers. Dat is de basis voor iedere uit­tocht, van alle exodus, dat er een mens is die bereid is om uit te gaan, uit te gaan naar broeders. Mozes ont­dekt, wordt zich ervan be­wust, wie zijn broeders zijn; hij komt tot het besef dat zijn broeders zich niet bevinden aan het hof van Egypte, maar aan de kant van de verdrukten.

Het elfde vers gaat dan verder: “hij lette op hun dwangarbeid”, nauwkeurig vertaald: hij zag hun las­ten. Het sleutelwoord is hier: zien. Mozes begint te zien. Het woord ‘broeders’ wordt herhaald in de tekst en het woord ‘zien’ even­eens: hij zag hun lasten, hij zag een Egyptisch man slaan, hij zag geen man (hij zag dat er niemand was).

Niemand kan groot zijn zon­der zijn broeders. Niet zijn positie aan het hof of zijn carrière maakt hem groot, daar wordt met geen woord over gerept; enkel het zien van de broeders bepaalt de grootheid van de mens Mo­zes.

Nu gaat hij nog een stap verder: het zien leidt bij hem tot de daad. Het zien is al een keuze, hij vereen­zelvigt zich met hen, aan hun kant wil hij staan, aan de kant van de geslagen mens.

Elke dienst aan God begint met zien; het zien van de broeders, het zien van de vergeten mens en vertrapten, het zien met de ogen, met het mededogen van God.

Alleen, er is nog een pro­bleem, en dat komt tot uiting in de herhaling van het werkwoord ‘slaan’; de Egyptenaar slaat en Mozes slaat. Mozes, laat zich in zijn reactie bepalen door zijn te­genstander. Hij bestrijdt Egypte met een Egyptische methode. Op deze wijze zal een mens echter nooit iets bereiken. Zo plaatst men zich op hetzelfde niveau als zijn vijand. Zo wordt men besmet door dezelfde geest.

Een doodlopende weg

De tweede episode, in de verzen 13 tot en met 15, uitlopende op de vlucht van Mozes, laat duidelijk zien dat deze weg doodloopt. “Toen hij op een andere (letterlijk: een tweede) dag uit ging, zie, daar waren twee He­breeuwse mannen aan het vechten”. Nu is er geen sprake meer van broeders. Hier ontdekken we dat het probleem dieper ligt: ook on­der de verdrukten zelf blijkt de Egyptische mentaliteit te heersen. De vraag van Mo­zes is dan ook maar al te zeer op zijn plaats: “Waarom slaat gij uw naaste?” Op­nieuw klinkt daar het woord ‘slaan’, dat bepalend was voor de voorgaande episode; maar nu wordt het genoemd in verband met een naaste, dat wil eigenlijk zeggen: een volksgenoot of lotgenoot; beiden behoren im­mers tot hetzelfde volk, beiden ondergaan hetzelfde lot.

De vraag van Mozes was terecht; alleen was hij op dat moment niet de man die deze vraag kon stellen. De ander accepteert het dan ook niet dat hij ter verantwoording wordt geroepen. Hij reageert met twee te­genvragen: Wie heeft u aangesteld, en denkt gij soms mij te doden? Hij vraagt naar de volmacht, en naar de aard van Mozes’ optreden; wie heeft jou ge­machtigd, en hoe ga jij te werk?

Op die twee vragen moet Mozes op dat moment het antwoord schuldig blijven; omdat hij op die beide pun­ten zwak staat, kan hij voorlopig niets betekenen voor zijn volksgenoten: zo kan hij de bevrijder niet zijn. Hij is immers zelf niet vrij van het Egyptische denken en van de Egyptische manier van doen.

Mozes wordt bevreesd; dat is een begrijpelijke reactie voor iemand die op eigen gezag handelt en die zelf nog onder een claim van Egypte ver­keert. Zijn pogingen om Is­raël te bevrijden zijn goed bedoeld maar zijn fundering deugt niet. Hij kan misschien gelden als een expert op het gebied van diplomatie, als een kenner van Egyptische zaken, maar het wezen van het Egyptische systeem heeft hij nog niet doorgrond, en 16 daarom is hij ook niet in staat om het probleem bij de wortel aan te pakken.

Hij kent het wezen van Egypte nog niet en dat hangt ten diepste samen met het feit dat hij het wezen van God nog niet kent. Daarom moet Mozes wachten tot hij het antwoord heeft op die twee vragen. In Exodus 3 zal God zelf die twee punten gaan beant­woorden; dan zal God zelf hem bekend maken wat zijn machtiging is en hoe zijn werkwijze zal zijn.

Hier stuiten we op een heel wezenlijk geestelijk principe: het principe van de onbeant­woorde vragen. Elk mens komt op bepaalde momenten in zijn bestaan voor vragen te staan die hij met al zijn kennis en inzicht en erva­ring niet kan beantwoorden; vragen die alleen God zelf beantwoorden kan. Dan kan men tot alle góden roepen die men maar bedenken kan, maar dan is het als met de Baal profeten ten tijde van Elia: zij profeteerden tot het uur van het avondoffer, maar geen stem, geen ant­woorder , geen opmerken 1 Koningen 18 vers 29 letterlijke vertaling (1 Kon. 18:29).

Het fundament van de uittocht

In Exodus 3 wordt de basis gelegd in het leven van de mens Mozes, opdat hij de bevrijder zal kunnen wor­den. Dit hoofdstuk is funda­menteel voor het hele uit- tocht-gebeuren. Zonder Exodus 3 geen uittocht. Wat gaat hier plaats vinden?

Hier onthult God aan zijn toekomstige knecht het we­zen van Egypte, en dat kunnen we in één woord sa­menvatten: heerschappij. De uitwerking van deze machtsuitoefening wordt door God getypeerd met de woorden: ellende, gejammer, smarten (vers 7).

Zo wordt het systeem van de Farao’s ontmaskerd, aan het licht gebracht, in zijn ware aard ten toon gesteld. Gods aandacht is niet gericht op de productie, op de steden die tot stand komen, op de piramides die gebouwd zijn, maar op de gevolgen voor de mens. God zoekt: wat is er van het mens-zijn over­gebleven? Wat hebben ze met mijn mensenkinderen ge­daan?

Maar hoe gaat God nu het wezen van Egypte onthul­len? Dat doet Hij op een zeer speciale manier, op een unieke wijze, volgens een benadering die Hem alleen eigen is, dat is zijn bijzon­dere onnavolgbare aanpak, dat wil zeggen niet na te volgen door welke god dan ook. Want de mens is wel bestemd om navolger Gods te worden. God onthult de ware aard van Egypte, door zijn eigen Naam te openba­ren. Dat is Gods werkwijze. Want wanneer God zijn Naam bekend maakt, dan valt daarmee op hetzelfde moment elk Egyptisch uitgangspunt door de mand. Want God is totaal anders. God en de Farao staan diametraal te­genover elkaar.

Hier komen we op een uiterst gewichtig punt van geestelijke strategie: hoe o ver wint God Egypte? Het antwoord luidt: door de te­genovergestelde geest. Egypte handelt vanuit het principe van heerschappij, en wat stelt God daartegen­over? Aanwezigheid.

Ontferming tegenover heerschappij

Dit moest Mozes leren: hij had geprobeerd Egypte te verslaan, maar vanuit de­zelfde geest die Egypte be­heerste. Nu maakt God hem duidelijk: Egypte kan alleen verslagen worden vanuit een tegenovergestelde geest. Een aantal punten in het gesprek tussen God en Mo­zes geven dit glashelder aan. Zo spreekt de Here in het zevende vers: “Ge­zien, ja gezien heb Ik de ellende van mijn volk, hun geschrei over hun drijvers heb Ik gehoord, ja hun smarten heb Ik gekend (of bekend)”.

Hier hoort Mozes een stem die in de Egyptische we­reld totaal onbekend is: de stem van de ontferming.

Wat gaat God doen? Hij gaat allereerst zijn ontferming op Mozes overdragen. Mozes moet gaan zien zoals God ziet, gaan horen zoals God hoort, gaan kennen zoals God kent. Alleen vandaar uit wordt bevrijding gebo­ren. Dan spreekt die stem verder in het achtste vers: “Daarom ben Ik nederge­daald”. God doet deze zaak niet af vanuit de hoogte, Hij daalt neer, dat wil zeg­gen Hij gaat naast de mens staan, Hij wordt naaste voor de zijnen, Hij wordt lotge­noot voor zijn mensenvolk. Alleen zo kan een mens zijn broeder helpen: door naast hem te gaan staan. Tegenover heerschappij stelt God: ontferming. Als Mozes dan vraagt: Wie ben ik? (vers 11: “Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en dat ik de zonen Israëls zou doen uit gaan naar Egypte?”), dan is het ant­woord van de stem die tot hem spreekt: “Ik ben im­mers met u”.

God openbaart Zijn naam

Het middelpunt van het ge­sprek tussen God en zijn knecht wordt gevormd door de Naamsopenbaring in vers 14: “Ik ben die Ik ben”. Maar vanuit dit brandpunt gaan stralen naar achteren, naar Exodus 3 vers 12 (Ex. 03:12), en naar voren, naar Exodus 4 vers 12 (Ex. 04:12). Binnen die omlijsting wordt de Naam geplaatst. In dat kader zullen we dan ook de bete­kenis van deze Naam moe­ten peilen.

Nu is de uitspraak ‘Ik ben die Ik ben’, vanuit het Hebreeuws in wezen een futurum, dus op de toekomst georiënteerd. De beste weergave is derhalve: Ik zal zijn die Ik zijn zal. Maar dan niet als een abstracte waarheid; niet als een algemene gedachte; God spreekt nooit algemene waarheden uit, God is kon- kreet, Hij speelt in op concrete situaties, Hij open­baart zich niet in theorieën, maar in verhalen, in de ver­halen van mensen.

We dienen daarom deze Naam te verstaan vanuit de omlijsting, het verhaal waar­in hij verankerd is. In hoofdstuk 3 vers 12 zegt God: Ik zal er zijn, met jou, namelijk wanneer? Als jij gaat naar de Farao om mijn bevrijdingswerk daar te doen. Dat is heel concreet. En in hoofdstuk 4 vers 12 wordt het nog verder toegespitst: Ik zal er zijn met jouw mond, want daar immers had Mozes de grootste moeite mee; en dan tenslotte in Exodus 4 vers 15 (Ex. 04:15), als Aaron erbij be­trokken wordt: Ik zal er zijn, met jouw mond en met zijn mond.

Zo krijgen we zicht op de Naam, waarvan de inhoud, de diepte is: Ik zal er zijn, namelijk voor jou, als dege­ne die Ik zijn zal. Hier wordt geen theoretische verklaring afgelegd over ‘het zijn van God’, maar hier spreekt God uit dat Hij er zal zijn voor de mens. Het gaat hier niet over ‘het bestaan van God’, maar over zijn Aanwezig­heid.

Wanneer Mozes namelijk in (Exodus 3 vers 13 (Ex. 03:13) aan God vraagt: “Maar wanneer ik tot de zonen Israëls kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u ge­zonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam – wat moet ik hun dan antwoorden?”, dan vraagt hij niet hoe God heet, maar hoe God is. Het is immers ondenkbaar dat het volk vergeten zou zijn hoe de God der vaderen ook al weer heette. Als men in het Hebreeuws wil informeren hoe iemand heet, gebruikt men trou­wens een andere formule; men zegt dan: wie of welke is zijn naam, of wie is hij, of zeg mij uw naam. Mozes echter formuleert hier: hoe of letterlijk: wat is uw naam? En als men het op die manier onder woorden brengt, bedoelt men te vra­gen naar wat zich in de naam uitspreekt of verbergt; dan vraagt men niet naar een aantal letters, maar naar een geheimenis. Derhalve: in wezen vraagt Mozes naar het geheim van de godsnaam.

God laat zich niet manipuleren

Nu was de algemene gedach­te in het oude oosten, ook in Egypte: als we de naam van een godheid kennen, dan kunnen we die god be­zweren, oproepen. Lijnrecht daartegenover verklaart God: mijn naam is: Ik zal er zijn, met andere woorden: je hoeft Mij in geen enkel geval te bezweren, je hoeft Mij niet langs magische weg op te roepen, want Ikzelf neem het initiatief: Ik spreek van mijn kant al uit dat Ik er zal zijn.

Wat een bevrijding, wat een totaal andere wereld dan Egypte: deze God zegt: op Mij kun je aan; wanneer het gaat om de bevrijding van mijn mensenvolk, dan hoef je Mij er niet met veel moeite bij te slepen, dan zal Ik er met heel mijn hart en heel spontaan bij zijn. De ande­re kant is (en dat is het tweede deel van die kern- uitspraak: Ik zal zijn die Ik zijn zal): je kunt Mij ook niet bezweren. Je hoeft het niet te doen, maar het kan ook niet. Ik onttrek Mij aan elke vorm van magie, Ik laat Me op geen enkele wij­ze manipuleren.

Deze God neemt initiatieven; Hij rukt de mens uit die benauwde spiraal van steeds maar weer iets te moeten bedenken om invloed op de godheid te kunnen uitoefenen. Deze God staat voor zijn zaak.

God wil zich ontfermen

Er is nog iets wat uiterst merkwaardig is: als Mozes vraagt naar de naam van deze God, dan antwoordt Hij met een werkwoord. Dat is veelzeggend: Gods Naam is een werkwoord. Dat wil zeggen: zijn Naam wordt openbaar in zijn daden.

Anders gezegd: zijn Naam wordt openbaar in verha­len; verhalen van mensen. Verhalen van ontferming, verhalen van aanwezigheid. Juist daarom is het zoge­naamde Oude Testament zo essentieel voor het ver­staan van Gods werkwijze. Het brengt ons tot het hart van de openbaring, tot de grondstructuur van Gods handelen: God neemt mensen op in zijn verhaal; Hij zegt: Kom maar, dan zal Ik over jou ook een verhaal schrijven, een verhaal van ontferming.

Waar God zijn verhaal schrijft in het bestaan van mensen, daar wordt zijn Naam gekend. Daar eindigt de heerschappij van Egypte.

 

 

 

Fijngevoeligheid (gedicht) door Piet Snaphaan

Het zijn juist vaak die kleine dingen.

Die in houd geven, waar ’t juist moet,

Een vriendelijk woord, een schouderklopje,

Een woord van God doet altijd goed.

 

Zij zijn het steeds, die kleine dingen,

Die nooit te hoog gegrepen zijn,

Doch wel met liefde zijn doordrongen,

Tot zegen voor je naaste zijn.

 

Al zijn ze klein, toch zijn het dingen,

Waar ’t steeds op aankomt, ook in strijd,

Gods liefde doet ons overwinnen,

Ontdek ’t door fijngevoeligheid.

 

Christus of Belial? door Wilkin van de Kamp

 

Contrasten

Paulus stelt in 2 Koningen 6 vers 15 (2 Kor. 06:15) de retorische vraag: ‘‘Welke overeenstem­ming is er tussen Christus en Belial?” De Korinthiërs wisten wel dat deze twee verschilden als dag en nacht. Maar toch moest Pau­lus hen waarschuwen om geen gemeenschap te hebben met de duisternis opdat ze hun heiligheid zouden volmaken in de vreze Gods, 2 Korinthe 7 vers 1 (2 Kor. 07:01).

God wil immers een gemeente zonder vlek of rimpel voor zich stellen. En ofschoon het licht en de duisternis – Christus en Belial – de twee grootste contrasten zijn in het Koninkrijk der hemelen, kan Paulus er niet vaak genoeg voor waarschu­wen. De uitspraak van Pau­lus: “immers, de satan doet zich voor als een engel des lichts” 2 Korinthe 11 vers 14 (2 Kor. 11:14), ge­tuigt ook van het feit dat het in de geestelijke wereld niet altijd even zwart-wit is gesteld. Zo eenvoudig is dat niet. Er is geestelijke wijsheid en inzicht voor no­dig om scheiding te maken tussen licht en duisternis. En hoe meer we – door Christus – God leren ken­nen, des te beter kunnen we de duisternis ontmaske­ren en zal het licht zich ten volle openbaren.

Belial

Als er geen enkele over­eenkomst is tussen Christus en Belial, kunnen we concluderen dat deze laatste een radicale tegenstander is van Christus en de ge­meente. Er zijn in de loop der tijd heel wat verta­lingen van dit Hebreeuwse woord op papier gezet. Zo wordt deze Hebreeuwse sa­menstelling veelal vertaald als ‘niet nuttig’ (beli = niet, jaal = nut), oftewel ‘niets­waardig’. Ibn Ezra, een Joodse exegeet, ziet echter in het tweede deel van de samenstelling een vorm van het Hebreeuwse woord voor ‘opgaan’, en vertaalt Belial als ‘hij, die niet opkomt’ of ‘moge hij geen opkomst heb­ben’.

De Griekse vertalers van het Oude Testament verkla­ren Belial als degene die zonder wet is, die zich aan Gods wet onttrekt en die er tegen in opstand komt. In het Oude Testament wordt de uitdrukking ‘Belialskinderen’ regelmatig gebruikt. Zo lezen we bijvoorbeeld in 1 Samuel 1 vers 16 Statenvertaling

(1 Sam. 01:16) dat Eli de bid­dende Hanna per vergissing uitmaakt voor een beschonkene, en dat zij antwoordt: “Acht toch uwe dienstmaagd niet voor een dochter Belials”. Nee, niet Hanna “doch de zonen van Eli waren kin­deren Belials, zij kenden de Here niet” (1 Samuel 2 vers 12, Statenvertaling(1 Sam. 02:12). Het NBG noemt hen ‘nietswaardige lieden’.

Pas later is de samenstelling Belial een eigen leven gaan leiden en een persoonsnaam van de duivel geworden.

Net als ‘satan’ oorspronke­lijk ’tegenstander’ of ‘bela­ger’ betekende en later de eigennaam van de duivel is geworden, zo is ook Belial de verpersoonlijking van de verderver, de wetteloze duivel. Hij is een ‘deugniet’ en een ‘nietsnut’.

Nulliteiten

In 2 Korinthe 6 vers 16 (2 Kor. 06:16) – een vers verder – stelt Paulus eigenlijk dezelfde retorische vraag: “Welke gemeenschappelijke grond­slag heeft de tempel Gods (de gemeente) met afgoden (als Belial)?” Paulus wil duidelijkheid scheppen en wij willen hem hierin na­volgen. Ook wij willen niets gemeen hebben met “góden die het in wezen niet zijn” Galaten 4 vers 8 (Gal. 04:08).

Het Hebreeuwse woord voor afgoden (elilim) betekent letterlijk ‘nietsen’, of ‘nul­liteiten’, ‘góden van niets’, wat als spot tegenover het woord ‘elohim’ – dat is God – wordt geplaatst.

Voor God zijn de afgoden, de boze machten, niet meer dan een stofje in het gees­telijk heelal: “… de wind neemt hen allen op, een tocht vaagt hen weg” Jesaja 57 vers 13 (Jes. 57:13). Zó denkt God over de ‘góden van niets’! De duivel en zijn trawanten betekenen niets voor Hem. Voor God heeft Belial, de duivel, werkelijk geen op­komst . Ook al gaat hij nog zo te keer. In Psalm 115 spreekt de schrijver duidelijk uit dat de góden – net als de afgodsbeelden – niets kunnen: “Zij hebben een mond, maar spreken niet, zij hebben ogen, maar zien niet, zij hebben oren, maar horen niet, zij hebben een neus, maar ruiken niet, hun handen – maar zij tasten niet, hun voeten – maar zij gaan niet, zij geven geen geluid met hun keel”.

In het verhaal van Elia op de Karmel (1 Koningen 18) wordt ook het bewijs geleverd dat de afgod Baal niets betekent in de ogen van God en Elia. Elia spot er zelfs mee door te zeggen: “Roept luider, want hij is immers een god. Hij is zeker in ge­peins, of hij heeft zich af­gezonderd, of hij is op reis; misschien slaapt hij en moet wakker worden”.

Als God zo over de duivel denkt, mag de gemeente van Jezus zich eveneens zo op­stellen.

Zij is immers een koninklijk priesterschap en een heilige natie 1 Petrus 2 vers 4 (1 Petr. 02:04). En al gaat de duivel nog te keer als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden, aan de gemeente zal hij niets hebben. Zij staat op de belofte dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen Matteüs 16 vers 18 (Matt. 16:18). Ondanks de soms zware strijd belijdt de ge­meente : Belial zal geen op­komst hebben. Hierin ligt haar kracht, omdat God achter deze woorden staat.

Geen opkomst

Is dit vooruit lopen op de ontwikkeling van Gods plan? Nee, wij mogen ons nu al vasthouden aan de beloften die God ons in zijn Woord aanreikt. De gemeente van Christus mag belijden dat er een tijd komt van volko­men vrijheid, volkomen waarheid en volkomen ont­plooiing van de geestelijke mens en dat God alles zal zijn in allen. Daar werkt de gemeente nu al aan door haar hart volkomen toe te sluiten voor ongeestelijke en onzuivere leringen en gedachten. Want voor Belial is geen ruimte in het hart, van een koningskind. Om met Deuteronomium 15 vers 9 (Deut. 15:09) te spreken: “Wacht u, dat in uw hart geen Belialswoord zij”. Met alle ge­weld zal de duivel wél pro­beren opkomst te hebben in de gemeente en in har­ten van mensen. Laat hij er toch geen ruimte vinden, maar de Geest van God, die altijd sterker is.

Het is voor een mens ech­ter levensgevaarlijk als hij satan als ‘lucht’ verklaart, zonder in de kracht van God te staan en zonder dat hij zijn plaats in de hemelse ge­westen heeft ingenomen. Want dan kunnen ‘beken Belials’  Psalm 18 vers 5 Statenvertaling (Ps. 018:005) als een woeste stroomversnelling je ver­schrikken en – nog veel er­ger – je meesleuren tot er geestelijk niets van je over blijft.

Maar kies je voor het Ko­ninkrijk van God, en ga je je ontwikkelen in het klimaat van Gods Geest, dan wordt het: “De mannen die u be­strijden (duivelse machten), worden als niets en komen om; gij zult hen zoeken, maar niet vinden, de mannen die u bestookten; zij worden als niets, ja vernietigd, de mannen die tegen u oorlog voeren” Jesaja 41 vers 11 en 12 (Jes. 41:11-12).

Regentenspiegel

Het is heerlijk dat Gods Woord zegt, dat wij met Christus als koningen zullen heersen  2 Timoteüs 2 vers 12 (2 Tim. 02:12). God bereidt zich niet een volk van ‘nietsnutten’ en ‘deugnieten’, maar een volk dat Hem is toegewijd en tot alle goed werk volkomen toege­rust 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17).

Psalm 101 laat ons zien hoe we ons als koningen gedra­gen moeten. Luther noemde deze psalm een regenten­spiegel. Deze naam typeert de inhoud ervan, voortreffe­lijk. Daarin wordt immers een ideaal beeld beschreven van hoe een koning zich ge­dragen moet. We zouden deze psalm ook de ’troonre­de’ van de koning kunnen noemen, want oorspronkelijk werd deze ten gehore ge­bracht bij de beklimming en vernieuwing van het ko­ningschap .

Heeft het oudtestamentische volk dit persoonlijk getuigenis van koning David in de liederenbundel opgenomen en gezongen, des te meer reden heeft de nieuwtestamentische ge­meente om dit lied te proclameren in de geestelijke wereld. Want Jezus heeft het koningschap vernieuwd en nodigt ons uit de troon te beklimmen en samen met Hem te heersen over de boze geesten in de lucht. De belijdenis van de ge­meente luidt dan: “Ik wil acht geven op een onberis­pelijke wandel… Ik wandel in oprechtheid mijns harten in mijn huis… Een ver­keerd hart wijke verre van mij, de boze wil ik niet kennen”.

Dat is nog eens een belij­denis: De boze wil ik niet kennen! Een rechtvaardige koning past er voor om ge­meenschap met de duister­nis te hebben. In vers 3 staat zelfs: “Ik zal geen Belialsstuk voor mijne ogen stellen” (Statenvertaling). We houden niet voor ogen wat ontsprongen is uit het rijk der duisternis. We hoeven ons daar niet mee be­zig te houden, of er kennis van te nemen. We worden er echt niet een ervaring rijker door. Integendeel.

Belial vernield

We willen vol zijn van de ge­dachten Gods. We willen door Jezus’ leven en werken God kennen zoals Hij werke­lijk is. Alleen dan blijft het een gezonde, frisse en boei­ende relatie. “Vrienden, om­dat God ons zulke geweldige beloften heeft gedaan, moe­ten we ons afkeren van alles wat ons lichamelijk en gees­telijk bevuilt. We moeten onszelf reinigen, door een gezond ontzag voor God te hebben en ons volledig aan Hem te geven” 2 Korinthe 7 vers 1 Het levende woord (2 Kor. 07:01).

Ga leven en werken voor de enige God, verheerlijk God door gemeenschap met Hem te zoeken. Wees een vreug­debode in een tijd van ver­warring en verdraaiing van het evangelie van Christus. En houd de belofte vast: “Zie op de bergen de voe­ten van de vreugdebode, die vrede verkondigt: vier uw feesten Juda; Belial zal niet meer tegen u woeden, hij ligt vernield”, Nahum 1 vers 15, Canisius vertaling (Nahum 05:15).

 

 

 

Marcus 16 (gedicht) door Piet Snaphaan

Vanwaar die haken in Gods Woord,

Nog steeds die twijfels aller tijden,

De ware opdracht steeds te mijden,

Terwijl men zegt: ‘van kaft tot kaft’,

En toch Gods Woord berooft van kracht.

 

De Heer sprak: Zal Ik ’t geloof nog vinden?,

Hij wacht reeds af, doch sluimert niet,

Op zonen Gods reeds in ’t verschiet,

Zijn plan gaat door, wat staat geschreven,

Dat houdt geen macht, geen haak zelfs tegen!

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 7b –

De hemelse werkelijkheid

Johannes is bij de opening van het zevende zegel in het centrum van de hemel, het hemelse heiligdom. Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 (Heb. 12:22-24) beschrijft deze plaats aldus: “De berg Sion, de stad van de levende God, het hemels Jeruzalem, waar de tienduizendtallen van engelen zijn, waar de geestelijke en plechtige vergadering van de eerstgeborenen is, die ingeschreven zijn in de hemelen, waar God is, de Rechter over allen en waar de geesten der rechtvaardigen zijn, die de voleinding bereikt hebben en waar Jezus is de Middelaar van een nieuw verbond en het bloed der besprenging” . Hij kijkt toe en ziet hoe Jezus Christus, het Lam Gods, Hij die waardig bevonden is Openbaring 5 vers 9 tot en met 14 (Openb. 05:09-14) , het zevende zegel opent.

Vanuit deze heilige legerplaats, waar Johannes deze dingen aanschouwt, worden in de eindtijd alle gebeurtenissen gecoördineerd. Het is niet het rijk der duisternis, welke de loop der gebeurtenissen bepaald. In Openbaring 14 vers 1 (Openb. 14:01) wordt ook over deze berg Sion gesproken.

Er zijn enkele punten die van belang zijn voor een helder inzicht in wat zich hier afspeelt en waar we de aandacht op willen vestigen. Johannes is in de geest, hij is opgeklommen en binnen gegaan door de geopende deur in de hemel en in visioenen ziet hij de werkelijke dingen voor de toekomst Openbaring 1 vers 1 en 2; Openbaring 4 vers 1 en 2 (Openb. 01:01-02; Openb. 04:01-02). Als hij deze dingen dan opschrijft, moet hij weer beelden gebruiken, die Mozes al maakte van de hemelse werkelijkheid. Wij weten dat de tabernakel of tempel niet de werkelijkheid was, maar de schaduw van de gemeente van Jezus Christus. Er is in de hemel, in de onzienlijke wereld, niet ergens een stad met een tempel met altaren en dergelijke. Wat Johannes hier dus ziet, heeft alles te maken met de Gemeente. Jezus spreekt over de gruwel der verwoesting, voorzegt door de profeet Daniël, dat de dagelijkse offerdienst gestaakt zou worden Matteüs 24 vers 15; Daniel 9 vers 27; Daniel 11 vers 31;

Daniel 12 vers 11 (Matt. 24:15; Dan. 09:27; Dan. 11:31; Dan. 12:11). Uit het verband in Daniël 11 blijkt dat deze dingen geschieden voor de eindtijd echt aanvangt Daniel 11 vers 35 (Dan. 11:35) . Alleen in het hemels heiligdom functioneert dan nog de offerdienst, daarom ziet Johannes ook altaren. In de gemeente functioneert het bloed van Jezus Christus tot vergeving en reiniging van zonden. “En het bloed van Jezus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde”

1 Johannes 1 vers 7b (1 Joh. 01:07b). “Indien wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (vers 9). Dit functioneert in de gemeente juist volop. In de gemeente van Jezus Christus wordt de belijdenis van erfzonde en zondaar blijven tot de dood, niet meer gehoord. In de gemeente wordt geproclameerd: “Wij dan gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus” Romeinen 5 vers 1 (Rom. 05:01).

De volmaakte aanbidding

Dit is de grondslag van de gebeden der heiligen, waar we hier ook bij bepaald worden. Openbaring 8 vers 3 en 4 (Openb. 08:03-04): “En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan, en hem werd veel reukwerk geschonken om het te geven met de gebeden van alle heiligen, op het gouden altaar voor de troon. En de rook van het reukwerk, met de gebeden der heiligen, stijgt uit de hand van de engel voor Gods aangezicht op”. Er is in het hemelse heiligdom geen voorhangsel meer. De toegang tot de troon der genade is door Jezus Christus voor altijd geopend. Ook wordt er gesproken over de gebeden van alle heiligen. Het gaat hier dus om hen, die in Christus ontslapen zijn en de voleinding bereikt hebben Hebreeën 12 vers 23b (Heb. 12:23b) , die dus ook gedoopt zijn met de Heilige Geest, en de gelovigen die nog leven op aarde, maar hun burgerschap hebben in de hemel, in Sion, door de Heilige Geest. Zij aanbidden het Lam, die als Middelaar op de troon is Openbaring 5 vers 12 en 13 (Openb. 05:12-13) en God de Vader, voor wie ze gekocht zijn (vers 9). Het is niet meer een bidden van: Here, och Here wilt u… Maar de gemeente leert bidden in Geest en in Waarheid. Jezus zegt dit tegen de Samaritaanse vrouw: “Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is Geest en wie Hem aanbidden moeten aanbidden in geest en in waarheid” Johannes 4 vers 23 en 24 (Joh. 04:23-24). Dus niet in het aardse Jeruzalem en ook niet op de berg Gerizim, maar staande voor de troon in het hemels heiligdom.

De kracht van het volmaakte gebed

Naarmate iemand groeit, wordt zijn gebed anders. In het gebed verkondigt iemand zijn geloof, zijn positie, zijn verwachting, zijn gezag, dat wordt gehoord in de hemelen. De heilige engelen nemen dit over en brengen dit voor de troon van God. Pas als het volk gaat bidden in Geest en in Waarheid, gaat er in de geestelijke wereld een enorme zeggingskracht vanuit. Dit wordt dan een proclamatie in de geestelijke wereld.

Vooral ook de aanbidding in tongentaal is voor God en Jezus Christus als een welriekend reukwerk. Hierdoor worden immers geheimenissen Gods, woorden Gods, uitgesproken door de mond van mensen 1 Korinthe 14 vers 2 (1 Kor. 14:02), en de heilige engelen sluiten hierbij aan en verkondigen dit in de hemelen. Zij verstaan deze ‘waarheidstaal’ en zijn ook verblijd want ook zij moeten de veelkleurigheid Gods uit de Gemeente horen opklinken. Petrus zegt dat ze ook begeren een blik te slaan in de geheimenissen Gods 1 Petrus 1 vers 12b (1 Petr. 01:12b).

God luistert naar onze gebeden en is een verhoorder der gebeden Zacharia 10 vers 6; Psalm 4 vers 4; Lucas 18 vers 7 en 8 (Zach. 10:06; Ps. 004:004; Luc. 18:07-08). Als zo’n volmaakt gebed uitgeroepen wordt, dan grijpt dit diep in en brengt weer iets in beweging. En dat is dan niet alleen tijdens het bidden, maar het hele spreken wordt geest en waarheid. De gemeente gaat de grootheid en heiligheid en waardigheid van God en het Lam bezingen.

Wat vooral ook door zal klinken in de gebeden, en wat ook bepalend is voor de late regen, is de gezindheid van Christus. De gezindheid die zich openbaart in de vrucht van de Heilige Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing, nederigheid, vergevingsgezindheid, enz. Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22). In zo’n gezindheid kan de kracht zich ook openbaren. Het heil komt zo naderbij en de machten der duisternis sidderen. Ook de smeekbede om de late regen klinkt zo voor de troon en een nieuwe fase in het heilsplan komt in beweging.

Voor het eerst zien we hier dat mensen de gebeurtenissen in de hemel mee gaan bepalen. Het is door deze volmaakte aanbidding dat er een einde komt aan de stilte in de hemel. Vers 5 zegt dan: “En de engel nam het wierookvat en vulde dat met het vuur van het altaar en wierp ‘het vuur’ op de aarde; en er kwamen donderslagen en stemmen en bliksemstralen en aardbeving”. (wordt vervolgd) .

 

U kunt ons helpen

bij de uitvoering van onze taak: de compromisloze ver­kondiging van het volle evangelie….

             door voor onze arbeid te bidden! Jacobus zegt: “Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”.

             door het nemen van een extra abonnement, zodat u één nummer hebt om ‘mee te werken’ en even­tueel één nummer zelf kunt bewaren.

             door – zo mogelijk regelmatig – een extra bijdrage voor onze geloofsarbeid over te maken. Paulus zegt: “God heeft de blijmoedige gever lief”.

             door het winnen van nieuwe abonnees. In een per­soonlijk gesprek met anderen spreken over ons blad is de beste methode om nieuwe lezers te winnen.

             door de afname van brochures, om zelf te lezen en te bestuderen of om te geven of te verkopen aan anderen.

             door het opgeven van geschenkabonnementen. Velen hebben reeds ontdekt dat het geven van een geschenkabonnement op effectieve wijze anderen in contact brengt met het volle evangelie.

             door te bedenken dat het niet gaat om “Levend Geloof” als zodanig. Wij zijn geen doel, maar mid­del, één van de vele, die de Heer gebruiken wil om Zijn Koninkrijk te openbaren. Het gaat erom dat we ons gezamenlijk bewust zijn dat we staan in dienst van de Meester!