Levend Geloof – 253

1984 september nr. 251

Er is maar een evangelie door Gert Jan Doornink

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

De grote opdracht voor de gemeente

Matteüs 24 is een veel geciteerd hoofdstuk uit de bijbel. Vooral schrijvers over de eindtijd nemen dit hoofdstuk vaak zeer uitvoerig onder de loep. Opvallend daarbij is dat de uitspraak van Jezus over de prediking van het evangelie van het Koninkrijk vaak weinig of geen aandacht krijgt. Terwijl dit juist de grote en aller belangrijkste opdracht is van de eindtijdgemeente. Want temidden van alle duisternis, destructie en verwarring blijft God zijn grote liefde jegens de mens de kroon   der schepping – betonen. God wil niet “dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09).

Onze God is een goede God en zoals Hij eens zijn Volmaakte goedheid tot openbaring bracht in zijn Zoon, die is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38), zo doet Hij thans via de gemeente. Maar deze gemeente is  dan ook geroepen hetzelfde evangelie openbaar te maken wat Jezus deed: het evangelie van het Koninkrijk; het volle evangelie.

Een andere evangelieverkondiging is nooit Gods bedoeling geweest. Er is maar één werkelijk, Gode welgevallig evangelie: het evangelie, dat de mens die er op ingaat, werkelijk verlost uit satans macht en hem overplaatst in Gods Koninkrijk.

Het brengen van dit evangelie brengt als consequentie mee dat verdrukking en vervolging ons niet bespaard zullen blijven, want de duivel haat de verkondiging en beleving van dit evangelie. Daarbij zullen we er rekening mee moeten houden dat deze verdrukking niet alleen komt vanuit de wereld en het naam-christendom, maar ook via christenen die het volle evangelie afwijzen. Immers zolang we het echte evangelie afwijzen zitten we nog in verkeerd vaarwater en heeft satan een vinger in de pap.

Het evangelie zonder compromis

Jezus was altijd bezig op radicale en compromisloze wijze het evangelie te verkondigen. Voor Hem bestond er geen halfslachtigheid of vaagheid. Hij wist hoe geraffineerd en listig satan de mensen gebonden probeerde te houden. Maar in gehoorzaamheid aan de opdracht van de Vader was Hij ten alle tijde bezig satan te ontmaskeren en te overwinnen.

Het evangelie van het Koninkrijk is een geestelijk evangelie, daarom kan het nooit op één lijn gesteld worden met veel hedendaags evangelie, wat horizontalistisch is of allerlei theorieën naar voren brengt van wat er op deze aarde kan gaan gebeuren. Jezus sprak: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36). Het volle evangelie maakt ons juist los van deze wereld. Het bindt ons aan de Vader, dat wil zeggen maakt ons één met Hem. Johannes schrijft: “Onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b).

Het bewerkt dat we de dingen gaan zoeken, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods en dat we de dingen bedenken die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 (Kol. 03:01). Het maakt ons bewust dat we hemelburgers zijn die, vanuit onze plaats in de hemelse gewesten, leren strijden en overwinnen.

Het is een heerlijke zaak betrokken te zijn bij de verkondiging van dit evangelie. Daarbij wordt niet van ons gevraagd of wij een speciale bediening of ambt hebben, maar ieder kind van God, dat door Gods Woord en Geest de ogen voor dit evangelie geopend zijn, is geroepen dit evangelie door woord en daad openbaar te maken. Wie trouwens eenmaal dit evangelie heeft leren kennen zal ook niet anders meer kunnen en willen. God heeft zo’n grote liefde jegens ons gehad dat Hij zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, en heeft ons met en in Hem alle dingen geschonken Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32).

Deze liefde zal bij een waarachtig kind van God nooit onbeantwoord blijven. Hij heeft zijn liefde in onze harten uitgestort door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Daarom zullen wij als eindtijdchristen niet zwijgen, maar het volle heil proclameren, dwars tegen alle tegenstand in. God zal ons er voor bewaren dat de vijand ons er toe zal brengen een ander evangelie te verkondigen, want er maar één evangelie! Aan dat evangelie willen wij trouw blijven! En al worden wij dan door allen gehaat om zijns naams wil, het is als een rotsvaste zekerheid gegrift in onze harten dat wie volhardt tot het einde behouden zal worden!

 

De mens Gods wordt voltooid door Jan W. Companjen

 

Lezen: Jesaja 11 vers 1 tot en met 10 (Jes. 11:01-10). Vanaf Jesaja 11 vers 9 (Jes. 11:09) staat daar: “Men zal geen kwaad doen noch ver­derf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedek­ken. En het zal te dien da­ge geschieden, dat de vol­ken de wortel van Isaï’ zul­len zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.

De groei naar de volwassenheid

Opwassen tot het zoonschap houdt in dat wij de manne­lijke volwassenheid zullen bereiken. Dat wij geestelijk volwassen zullen worden is een geweldig perspectief. In 1 Korinthiërs 13 (het hooglied van de liefde) staat: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind en re­deneerde ik als een kind; eenmaal man geworden legde ik mijn kinderlijke manier van doen af.

Wat we nu nog zien zijn de vage beelden in een spiegel, maar dan (als we volwassen zijn) staan we oog in oog. Nu is mijn kennis beperkt, maar dan zal ik kennen zo­als God mij kent”.

Paulus doelt hier op de gro­te gave van het nieuwe ver­bond in Jezus Christus, dat wij God leren kennen zoals Hij in werkelijkheid is en dat wij de Zoon Gods gelijk­vormig zullen worden.

Het Woord Gods zal ook in het lichaam van Christus, de gemeente, vlees worden. Dat wil zeggen dat wij als gemeente van Christus tot één Geest zullen gaan samengroeien met de Vader en de Zoon opdat wij één zijn zoals de Vader en de Zoon reeds een samen ge­smolten eenheid is. Deze eenheid van God en Jezus is het voorbeeld voor de eenheid van de gemeente en die eenheid komt voort en wordt mogelijk gemaakt door de doop in de Heilige Geest. Christus in ons, de hoop der heerlijkheid is daarbij ons devies. Gods Geest moet en zal aldus gestalte krijgen in ons vlees en le­ven. Alles wat daarvoor no­dig is, is volbracht op het kruis van Golgotha. De ak­ker is de wereld, daarop speelt zich alles af. Die ak­ker, de wereld dus, is ge­kocht en betaald met het leven van Jezus Christus. Hij heeft ons gekocht voor God met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09).

Vermeerdering van de geestelijke kennis

Het opwassen tot het zoon­schap houdt in dat onze Geestelijke kennis vermeerderd wordt. Er zijn zo in de loop der jaren nogal wat leerstukken ontstaan die zeer belemmerend werken op het goed verstaan van Gods Woord en daardoor de groei van de kennis Gods in de weg staan. Het is de duivel gelukt om dusdanige barricades op te bouwen dat het zuivere uitzicht vol­komen verloren is gegaan.

Eén daarvan is het leerstuk van de drie-eenheid. Het geloven in een eenheid die bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Wie Jezus wil gaan volgen en zich wil gaan uitstrekken naar zijn beeld, zal bij het leerstuk van de drie-eenheid al spoedig merken dat dit leerstuk een geweldig ob­stakel is naar de ‘volheid Gods’. Uit dit dogma komt toch immers naar voren dat Jezus toch eigenlijk God zelf is/was, en geen mens van vlees en bloed zoals u en ik. Hij wordt boven het algemeen menselijke gesteld en zijn inspirerend voorbeeld, wat Gods Geest in een mens van vlees en bloed vermag, gaat volkomen verloren. Hij was God, handelde Goddelijk, maar wij, wij zijn maar mensen. Mensen van vlees en bloed, weliswaar ge­doopt met de Heilige Geest, maar toch… ergens zon­daars en mensen met een mankement die niet geheel de weg Gods kunnen gaan.

Nu, geliefde broeders en zusters, ik kan u verzeke­ren dat, als u zo denkt, uw denken nog kinderlijk is en/of door de duivel gebeten bent. (Drie-eenheid)De slang, die hielenbijter, is er de oorzaak van dat uw gang op het geestelijke pad nog niet vast en zeker is.

God is Geest en Hij open­baarde zich in Christus. Hij schiep na de eerste Adam een nieuwe Adam en zijn Woord, dat gesproken was voor het gehele menselijke geslacht, werd vlees, werd zichtbaar in deze wereld. Hij werd aldus de eerstgeborene van een nieuw menselijk ge­slacht waarmee God de Va­der van al het Geestelijke leven, contact kon onder­houden. Dé Heilige Geest is de Geest van God en die Geest van kracht, liefde, volheid en oneindige goed­heid, die alles wat door de duivel overweldigd is, weer wil herstellen, wil wonen in mensen, waarvan Jezus Christus de eerste was. Zo­als reeds eerder gezegd kunnen wij dit het beste vergelijken met het menselij­ke lichaam, dat ook een drie-eenheid is, namelijk geest, ziel en lichaam. Die drie zijn ook één en niet te scheiden.

Jezus koos bewust voor de weg Gods

Jezus, in wie het Woord Gods als eerste gestalte kreeg, was een mens zoals u en ik. Hij had een eigen vrije wil. Hij kon wel en ook niet naar Golgotha gaan. Hij wist dat God zijn Vader was en koos bewust voor de weg Gods. Hij kocht ons aldus vrij uit de macht van satan. Hij be­dacht de dingen die boven zijn. Hij was de eerste met een volkomen geestelijk le­ven die kon zeggen: Ik doe geen ding of de Vader heeft het mij gezegd, ge­leerd. Zijn kennis was vol­komen. Hij wist dat Gods Geest alles in Hem was en daarom kon Hij zeggen: Voor de wereld er was, was Ik. Zoals Ik, Jezus, ben zo heeft God, de Vader van de ganse schepping, zich de mens vanaf de schep­ping gedacht.

Wij zijn, door geloof in Hem, mede opgenomen in dat grote plan Gods en met Christus mede gezet in de hemelse gewesten om daar het plan Gods te gaan uit­voeren. Daarvoor is ken­nis, Goddelijke kennis no­dig. Door de eeuwen heen is er steeds een strijd ge­weest tussen de mens die de zintuigen (hetgeen je zag, voelde, hoorde, enz.) lieten meewerken bij hun inzicht betreffende de ‘wa­re kennis’ en hen die het werk van de zintuigen op een laag pitje hielden. Menigmaal is in de geschie­denis gebleken dat bepaal­de kennis radicaal omver werd gegooid. Onder andere vond dit plaats door de steeds verdere ontwikkeling van de techniek. Na alle onderzoek kwam men uitein­delijk tot de Bijbelse conclusie dat ons kennen als mens, ten dele is. Ware kennis, zowel in het Geeste­lijke als in het natuurlijke, is slechts mogelijk door communicatie met God de Vader en Schepper van al­les waarover wij als mens, als kroon der schepping, gesteld zijn. Zijn Geest zal ons leiden naar het juiste inzicht en daardoor tot de ware kennis, namelijk Gods plan met deze wereld.

In 2 Korinthe 2 vers 6 tot en met 16 (2 Kor. 02:06-16) lezen wij een duide­lijke uiteenzetting betreffen­de deze Goddelijke wijsheid. Het geweldige plan Gods, waarbij het gehele volk Gods dat door Christus gered is, betrokken is. Paulus zegt daarvan in het genoemde Schriftgedeelte dat het een wijsheid is bedoeld voor in­gewijden. Het is niet een wijsheid van deze wereld of van de machtigen van deze wereld, want aan hun macht komt een einde. Nee, wat wij verkondigen is Goddelij­ke wijsheid die zal dienen tot glorie van de ganse schepping. Zouden de anti- goddelijke machten die de kruisiging van Jezus uitein­delijk hebben bewerkstel­ligd, van dit plan op de hoogte zijn geweest, dan hadden zij Christus niet la­ten kruisigen. Zij hebben zich namelijk aldus zelf van hun macht beroofd.

God zelf wijst ons de weg

Het is daarom dan ook zo’n harde noodzaak dat wij in deze eindtijd door God zelf geleerd worden. Wij zullen er voor moeten komen open te staan dat Hij ons ook heden, vandaag, iets te zeggen heeft op de weg naar het herstel van alle dingen. Daarvoor is het openbaar worden van de zonen Gods noodzakelijk en dat de gaven van de Geest weer goed gaan functioneren. Ook is het belangrijk dat wij door profeten en leraars weer op het juiste pad, de hoge weg, worden gezet.

Voor een ieder die geloof heeft en met ons belijdt dat de toekomst, ook van deze wereld, des Heren is, gaan de deuren open, gaat de hemel open en wordt de boekrol geopend. Een rol tot de eindtijd bewaard voor hen die daartoe zijn opgeklommen.

In dat Messiaanse vrederijk zal men geen kwaad doen, noch verderf stichten, want de aarde zal vol wor­den van de kennis des He­ren. En het zal te dien dage geschieden dat de volken de wortel van Isaï (Jezus Christus) zullen zoeken. Dan zal Jezus in het middel­punt staan, als een banier van de natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Jezus komt alle eer toe, Hem het hoogste eerbetoon. Hij vervult Gods raads­besluit.

De mens Gods wordt in ons voltooid!

 

 

 

Het nieuwe Jeruzalem (gedicht) Piet Snaphaan

Een Stad onwankelbaar gebouwd.

Met kostbare talenten,

Als Gods stad werd zij eens ontvouwd,

Johannes had haar reeds aanschouwd,

Als Stad met fundamenten.

 

Een Stad van ruimte, levend Licht,

Versierd met edele soorten,

Jeruzalem door God gesticht,

Zij krijgt gestalte, komt in ’t zicht,

Als stad met open poorten.

 

Jeruzalem gij Stad in wien,

Geen zon zich hoeft te tonen,

Waar ook geen tempel is te zien,

God is haar Licht, en bovendien,

Is zij als Stad volkomen.

 

O, heil’ge Stad, die vol zal zijn,

Van heerlijkheid en luister,

Met hemelburgers, groot en klein,

Die door het bloed gereinigd zijn,

Ontkomen aan het duister.

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 6 –

Het gesprek wordt hersteld

Het thema van Zacharia 3 zouden we als volgt kunnen formuleren: het herstel van het gesprek. “Vervolgens deed Hij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). De gestalte die hier in het middelpunt staat, is de hogepriester; hij vertegenwoordigt het priesterschap. Zijn naam is veelbetekenend: Jozua wil zeggen: de Here bevrijdt. Dit is God op het hart geschreven; zo is zijn wezen: Hij doet niets liever dan bevrijden, in de ruimte zetten, zoals de oorspronkelijke zin van het woord is. Maar in welke ruimte zet God de mens? In de ruimte van het gesprek. Mens zijn is aangesproken zijn. Mens zijn is antwoord geven, nog dieper, nog intenser: antwoord worden aan God. God wil dat we onszelf leren zien: jij bent antwoord, waar Hij op wacht.

Er is nog een gedachte die door de naam Jozua wordt opgeroepen: de herinnering aan de oeroude daden van bevrijding ten tijde van de intocht in Kanaän wordt erdoor wakker gemaakt. Eenmaal was daar een Jozua die het volk voorging en die ruimte maakte in het land. Derhalve, wanneer hier opnieuw de naam Jozua klinkt, dan gaat er een heimwee leven, een diep verlangen, een hunkering naar die daden Gods van het begin, Jozua, die zoete naam met zijn verborgen schatten: zou die naam nog eens opnieuw door de hemelen gaan ruisen, zou die naam nog weer de geestelijke wereld in beweging kunnen zetten, zou de Here nog weer eens als in de dagen van de oertijd, als in de dagen van het begin, als in de morgenstond van de geschiedenis, een God van bevrijding kunnen worden?

De heenwijzing naar de volkomen mens

Jozua, naam die oertijd en eindtijd verbindt, want tegelijk is deze naam een heenwijzing naar de naam Jezus, de volkomen mens, de laatste Adam, dat wil zeggen de laatste Mens, of wel de mens van het eindstadium, de mens in wie alle bevrijdende daden van God hun concentratiepunt, hun realisering, hun eindvervulling vinden.

Zo staat daar deze Jozua, gestalte van priesterschap en bevrijding. Een priester is een oprichter, want het Hebreeuwse woord ‘cohen’ hangt samen met een werkwoord dat op richten betekent. Een heel diep verband, want daarin ontdekken we dat een priester in wezen betrokken is bij de wederoprichting van alle dingen. Zoals God oprichter is, wederoprichter, zo zal de ware mens daarin deelgenoot zijn; een priester is iemand die het gevallene opricht, het neergebogene opheft, het verdrukte doet opstaan, opdat het weer mens zal zijn.

De aangetaste identiteit

Zo zien we deze Jozua daar staan, maar er is iets met hem aan de hand, het beeld wordt verduisterd, zijn gestalte is niet helder, zijn identiteit is aangetast, zijn oog omfloerst. Er staat een aanklager aan zijn rechterhand; niet Jozua is degene die spreekt, maar die aanklager heeft het woord. Zo is er geen gesprek, datgene waar de hele geschiedenis op gebouwd is, het gesprek tussen God en mens, dat is geblokkeerd. We komen hier tot het hart van de zaak, het hart van de wereldhistorie: als er geen priesterschap is, staat de geschiedenis stil. Dan is er geen heling van de tijd. Zo priester, zo volk: dat wil ook zeggen: als de priester verstomt, als de priester faalt, geremd is, met beschaamd gelaat staat, dan is er geen hoop voor het volk, geen hoop voor de schepping, geen uitkomst voor de geschiedenis, dan is de historie niets anders dan een langzaam doodbloeden van de tijd, een sterven van volkeren.

Herkennen we hierin niet het beeld van de gemeente door vele eeuwen heen, in het verleden en nu nog? De aanklager staat aan haar rechterhand. In naam van God zijn heel vaak geen daden van bevrijding verricht, maar integendeel, juist daden van knechting. Zo lezen we bijvoorbeeld: ‘Geregeld doken er karavanen met witte vlaggen uit de woestijn op. De kamelen zwaar bepakt met ivoor en gom, en gevolgd door troepen aan elkaar gebonden negers. Een neger kostte een halve schepel tarwe en bracht in Portugal in onze waarde twee a drie duizend gulden op. De Portugezen vonden dat het fortuin hun zo langzamerhand wel toekwam. In een reisverslag staat ronduit: Eindelijk behaagde het God, de Beloner van alle goede daden, voor de menigvuldige in zijn dienst geleden tegenspoeden, hun roem voor hun moeiten en vergoeding voor de onkosten te geven, want aan mannen, vrouwen en kinderen werden tezamen 165 stuks gevangen’.

Zo werd het priesterschap verdonkerd; de bevrijding bleef uit. Aanklacht na aanklacht stapelde zich op. Wat gemeente moest heten, werkte niet mee met de Bevrijder, doch maakte gemene zaak met de slavendrijver. Zo staat de gemeente daar, met vuile klederen, een gestalte, belast en besmet, niet meer in staat tot gesprek, want de aanklager heeft gelijk.

Wie kan het gesprek herstellen

Is er dan nog een wending mogelijk? Kan priesterschap hersteld worden? Alleen als God een brandhout uit het vuur rukt. Het vuur woedt, het vuur spaart niets en niemand, het vuur kent geen mededogen; zo is de grimmigheid van de boze. De priesters hadden hun positie verspeeld en ballingschap was het resultaat, als een vuur had Babel het heiligdom en de dienst des Heren verteerd, de dienaren ontluisterd. De wegen naar Sion treuren, haar priesters zuchten, zo horen we in Klaagliederen.

Alleen God kan de aanklacht tot zwijgen brengen en het gesprek herstellen. “De Here echter zeide tot de satan: De Here bestrafte u, satan, ja, de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). Heel sterk komt in de wijze van formuleren naar voren: de vrijspraak gaat van God zelf uit. De Here, dat is zijn exodus- naam, Hij is de God van de vrijspraak, de God die er immer weer op uit is, het gesprek weer op gang te brengen. Door vrijspraak wordt het gesprek weer geopend. Het woord ‘bestraffen’ betekent eigenlijk: schelden. God scheldt de satan, dat is de hinderaar, de dwarsligger.

Dan gaat er iets veranderen. Dan is het niet meer: de satan aan mijn rechterhand, maar: de Here is aan mijn rechterhand, en daarom wankel ik niet Psalm 16 vers 8 (Ps. 016:008). Eerst zou de mens wankelen en vallen, hij kon niet staande blijven in het gericht, maar nu wankelt hij niet langer, hij kan staan te midden van de gerichten. Zo werd Jezus de eerste mens die stand hield in het gericht, zodat van Hem gezegd kon worden: “Want Hij (de Vader) is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou” Handelingen 2 vers 25 (Hand. 02:25), waar Petrus de genoemde psalm citeert en toepast op Jezus) .

De verwrongenheid gaat verdwijnen

Jozua was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit” Zacharia 3 vers 3 en 4a (Zach. 03:03-04a). Er staan dienstengelen gereed en zij worden ingeschakeld om Jozua te ontdoen van de oude klederen. Dan komt het woord tot hem: “Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestkleren aan” Zacharia 3 vers 4b (Zach. 03:04b). Het begrip ‘ongerechtigheid’ heeft als grondbetekenis: verwrongenheid. Zonde maakt het wezen van de mens verwrongen. Hij kan zichzelf niet meer zijn. Letterlijk staat er: Ik doe uw verwrongenheid van boven u overtrekken. Zoals een nevel boven het hoofd van een mens wegtrekt. De verwrongenheid moet plaats maken voor feestdracht. Het hier gebezigde woord voor feestkleren komt slechts tweemaal in Tenakh voor en duidt, vanuit het Arabisch afgeleid, op geschonken erekledij.

Nu is het frappant dat we in vers 5 lezen: “Ik nu zeide” . We bemerken dat de profeet hier zelf een aandeel krijgt in het restaureren van het priesterschap. Hij raakt betrokken in het gesprek. Hij geeft aan wat er nodig is om Jozua in zijn ambt te herstellen. God wil niet dat de mens maar gelaten alles over zich heen laat komen, maar dat hij bewust en met inschakeling van zijn denkvermogen meedoet. Van Zacharia als profetisch mens wordt verwacht dat hij gedachten aandraagt die in het herstelplan van God passen. God zoekt de mens die met Hem meedenkt, met Hem meeleeft, met Hem meevoelt. Die mens zal meer en meer gaan aanvoelen wat er nodig is voor de realisering van Gods bedoelingen.

“Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten” Zacharia 3 vers 5a (Zach. 03:05a). Met de tulband wordt aangeduid een doek die meermalen om het hoofd gewikkeld wordt, het teken van de hogepriesterlijke waardigheid. Toen Jozua daar stond voor God, was hij derhalve ook zijn waardigheid kwijt. Wat Zacharia hier naar voren brengt, is dus van de hoogste importantie; hij beseft dat er één ding urgent is: het herstel van de waardigheid. “Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond” Zacharia 3 vers 5b (Zach. 03:05b). Letterlijk staat er: ze bekleedden hem met gewaden. Speciaal wordt erbij vermeld dat de engel of bode des Heren tijdens deze plechtigheid stond, dat houdt dus in dat hij van zijn zetel opgestaan was. Staan duidt op een strijdbare houding. Het is een strategisch moment. Wanneer het priesterschap hersteld wordt, staan de engelen op. We bespeuren hier een geestelijke wet: wanneer de priesters weer tot waardigheid komen, heeft dat zijn uitwerking in de geestelijke wereld; de engelen verheffen zich dan om tot actie over te gaan.

De bewaring des Heren

“Hierop vermaande de Engel des Heren Jozua: Zo zegt de Here der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan” Zacharia 3 vers 6 en 7 (Zach. 03:06-07) . Nauwkeurig vertaald staat er niet: hij vermaande Jozua, maar hij betuigde Jozua.

Vervolgens is er sprake van twee voorwaarden en drie beloften. De voorwaarden zijn: in mijn wegen gaan, en de opgedragen taak waarnemen, letterlijk staat er een uitdrukking die met name in Numeri nogal een rol speelt: mijn bewaring bewaren. Dit mogen we niet zomaar slordig vertalen; dan gaat de kracht eruit. Van Abraham zegt God in Genesis 26: “hij heeft bewaard mijn bewaringen” . In Leviticus 8 klinkt de oproep tot Aaron en zijn zonen: “bewaart de bewaring des Heren” Leviticus 8 vers 35 (Lev. 08:35) . Dat gaat dieper dan wat het NBG noteert: “gij zult het u door de Here gegeven voorschrift in acht nemen” . Het gaat hier om de bewaring des Heren. Dat wil zeggen: het gaat erom, wat God bewaart. Hij is principieel degene die bewaart. Wat bewaart Hij? Hij is de bewaarder Israëls, Hij bewaart de mens, de schepping die Hij gemaakt heeft. Nu ontvangt de mens de opdracht, te bewaren de bewaring Gods, anders gezegd: hij moet bewaren wat God bewaart. Hij is dus geroepen om navolger van God te zijn. Juist tegen de achtergrond van de ballingschap, waar immers zovele kostbare waarden verloren gingen, krijgt deze opdracht die Jozua ontvangt, zijn bijzondere reliëf.

Zo ook nu, in onze dagen: God plaatst ook ons als priesters voor de taak, te bewaren wat Hij bewaart. De gemeente heeft de roeping, te bewaren; wat zal zij bewaren? Het waarachtige mens zijn, de waarde van het bestaan, zo aangevochten in deze tijd waarin de mens gelijk gesteld wordt met een machine, een onpersoonlijk voorwerp. De gemeente zal bewaren de waarde van God, in een tijd waarin zovelen het kwade aan Hem toeschrijven. De gemeente zal bewaren de waarde van de schepping, in een tijd waarin zovelen zeggen: alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan; in een tijd waarin velen de aarde afschrijven als ‘wijlen de planeet aarde’ (the late planet earth) . De gemeente zal bewaren alles wat haar Meester bewaart.

De mannen van het wonderteken

Dan zijn er drie beloften: ten eerste, gij zult mijn huis richten, ten tweede, ge zult mijn voorhoven bewaren (weer dat woord ‘bewaren’), en ten derde, Ik zal u doen verkeren, letterlijk: Ik zal u toegangen geven tussen hen die hier staan. Dus hem wordt toegezegd de entree in de geestelijke wereld, de toegangen tussen de hemelse heerscharen zullen voor hem openliggen.

“Hoor toch, Jozua, hogepriester, gij en uw gezellen die voor u zitten – zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen – ”            Zacharia 3 vers 8a (Zach. 03:08a). Nu wordt hij aangesproken met zijn gezellen, er staat eigenlijk: uw genoten, dat wil zeggen uw deelgenoten, uw lotgenoten, uw reisgenoten of volksgenoten. Een mens is nooit alleen; hij is er altijd samen met zijn genoten, hij staat altijd in een gesprek. De mannen die hier met Jozua verbonden optreden, zijn de priesters. Zij zijn mannen van het wonderteken, dat houdt in dat zij zelf door hun aanwezigheid een teken vormen, een teken dat naar Gods toekomst wijst, teken van een nieuwe tijd, keerpunt in de geschiedenis.

De genezer van de eenzaamheid

“Voorwaar, zie. Ik zal mijn knecht, de Spruit doen komen” Zacharia 3 vers 8b (Zach. 03:08b).

We hebben hier te maken met een naam van de Messias; ook Jeremia sprak reeds over de Spruit: “Zie, dagen komen, is de uitspraak des Heren, dat Ik zal doen opstaan voor David een rechtvaardige (eigenlijk waarachtige) Spruit” Jeremia 23 vers 5 (Jer. 23:05). Trouwens we kunnen nog verder teruggaan: Jesaja heeft al een dergelijke gedachte doorgegeven: “Te dien dage zal wat de Here doet uitspruiten (letterlijk: de Spruit des Heren) tot sieraad en tot heerlijkheid zijn” Jesaja 4 vers 2 (Jes. 04:02). Een uitermate verkwikkend woord, juist tegen de achtergrond van de doorstane ballingschap. Na de dorheid en doodsheid, de jaren van onvruchtbare aarde, van vruchteloze moeite, van zinloosheid, eindelijk weer een sprietje boven de grond. Wat een vreugde na een lange barre winter, als er op de wijde kale vlakte weer iets groens opschiet.

Wanneer Jesaja het herstel van de ballingschap wil typeren, gebruikt hij maar liefst negen keer de woorden spruit of uitspruiten. Zo bijvoorbeeld in dat prachtige slotvers van Jesaja 61, dat letterlijk vertaald aldus luidt: Want zoals de aarde haar spruit doet uitgaan, en zoals een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here waarachtigheid en lof doen uitspruiten ten overstaan van alle volken.

Wat is die Spruit? Een mens, een knecht van God; een mens in gesprek met de hemel en in gesprek met de aarde. Zacharia ziet hem komen. Zo zal Jezus straks zijn; hij wordt de mens die volledig staat in het gesprek met zijn Vader, en die daarom het gesprek met de aarde aankan. Zo is Hij knecht, Hij dient de hemel en de aarde. Zo geneest Hij de eenzaamheid van de geschiedenis.     (wordt vervolgd) .

 

In de voetstappen van Jezus door G. J. R. Doornink

 

“Want hiertoe zijt gij geroe­pen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”

1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21).

Als gemeente van de eindtijd zijn wij geroepen de volheid van Jezus te openbaren. Soms lijkt het wel dat we hiervan nog ver verwijderd zijn, als we zien op de ver­deeldheid , krachteloosheid en liefdeloosheid, die zich in de gemeente vaak nog openbaart, in plaats van de overwinning van Jezus.

Toch mogen we er zeker van zijn dat God die in ons een goed werk is begonnen dit ook zal voortzetten! Alle op­rechte kinderen Gods die het verlangen hebben meer en meer de heerlijkheid van God door hun leven heen tot openbaring te brengen, zullen ervaren dat God dit door zijn Geest ook be­werkt. Wie de weg met Je­zus in geloof en gehoor­zaamheid bewandelt, gaat ook steeds meer het beeld van Jezus openbaren. Hij laat zich niet afremmen door welke tegenwerkende macht uit het rijk der duis­ternis ook, maar heeft slechts één doel voor ogen: Gods wil te doen. En Gods wil is “het goede, welge­vallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Gods Geest is de grote inspiratiebron in zijn leven. En daardoor is het mogelijk ten volle Jezus als voorbeeld te volgen, daardoor is het iedere dag opnieuw mogelijk in zijn voetstappen te treden.

Vijf redenen om Jezus te volgen

Wij willen nu vijf redenen bespreken waarom wij in de voetstappen van Jezus behoren te treden.

– Omdat God liefde is.

God zond het allerliefste wat Hij bezat, zijn eniggeboren Zoon, naar deze wereld. Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16) zegt: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Toen Jezus op aarde was openbaarde Hij in ieder opzicht wat Goddelijke liefde was. Hij vergaf de zondaren hun zonde, Hij genas de zieken en bevrijdde de gebondenen. Hij toonde wat er leefde in het vaderhart van God. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dan ook van Hem dat Hij de afstraling van Gods heerlijk­heid was en de afdruk van zijn wezen. Niet alleen in het doen van wonderen en tekenen bewees Hij Gods liefde jegens de mensen, maar het kwam door heel zijn leven tot openbaring. Petrus schrijft dat als Hij gescholden werd, niet te­rugschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaar­dig oordeelt 1 Petrus 2 vers 23 (1 Petr. 02:23).

Nu Jezus niet meer lichame­lijk op aarde is, heeft de gemeente tot taak deze God­delijke liefde te openbaren. Wij zijn nu het lichaam van Christus. Wij mogen dezelf­de dingen doen die Hij deed, maar ook zullen we er rekening mee moeten houden, dat ook wij veel onrecht zullen moeten ver­duren. Maar een waarachtig kind van God weet dat niets en niemand hem kan scheiden van de liefde Gods geopenbaard in Jezus Christus. Hij brengt niet alleen de gaven maar ook de vrucht van de Geest tot openbaring, want zóu dat niet het geval zijn, dan zou de wereld niets kunnen bemerken van het feit dat God een God van liefde is. Daarom willen wij treden in de voetstappen van Jezus!

– Omdat Christus een volkomen Verlosser is.

Jezus is de Verlosser naar lichaam, ziel en geest. Pe­trus schrijft van Hem dat Hij onze zonden in zijn li­chaam op het hout ge­bracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zou­den leven; en door zijn striemen zijt gij genezen” 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24). Dit werd reeds door de profeet Jesaja geprofeteerd en later ook door Matthéüs aan ge­haald als Jezus zieken ge­neest en boze geesten uit­drijft Matteüs 8 vers 16 en 17

(Matt. 08:16-17).

De gemeente van Jezus Christus zal daarom ook op dit punt nooit water in de wijn mogen doen, zoals he­laas hier en daar is gebeurd. We kunnen ons daarbij niet verschuilen achter fouten en fanatieke handelingen die door sommigen gemaakt zijn in het verleden. De gene­zing en bevrijding behoort altijd een wezenlijk onder­deel van de prediking van het evangelie te blijven.

Ook in dit opzicht mogen wij het nooit anders doen dan Jezus deed.

– Omdat Hij ons voorbeeld is .

Petrus zegt dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten. Dat spreekt helemaal voor zichzelf. Hij deed voor, zo­als wij het ook behoren te doen. Zoals een onderwij­zer op school de kinderen voorbeelden geeft, die zij moeten navolgen, zo is Je­zus ons grote geestelijke voorbeeld. Van Hem zegt Hand. 10:38 dat Hij is rondgegaan, weldoen­de (goeddoende) en gene­zende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”.

Zo zal God ook met ons zijn als we dit levende voor­beeld volgen. Zoals satan aan Jezus niets had, zal hij ook aan ons niets hebben, als we door het voorbeeld van Jezus te volgen, wan­delen in zijn voetstappen.

– Omdat wij door geloof moeten leven.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17) dat wie in Christus is een nieuwe schepping is, en dat het oude voorbij is. Het nieuwe leven van Jezus is in ons. We leven nu door het ge­loof, zoals we ook door het geloof een kind van God zijn geworden. In Galaten 2 beschrijft Paulus dat op zo’n duidelijke wijze: “Ik leef, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God”.

Wij behoren ons veel meer te realiseren dat wij door het geloof moeten leven. Niet op de omstandigheden zien, niet vertrouwen op de zintuigen, geestelijk gesproken uiteraard, maar alleen zien en vertrouwen op Gods beloften geopen­baard in Jezus Christus. 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) zegt: “Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”. In de voetstappen van Jezus gaan is alleen maar moge­lijk als we de geloofsweg willen bewandelen.

– Omdat wij er toe geroepen zijn

Met dit facet begint onze aanvangstekst. Feitelijk is deze reden de meest belang­rijke. In het natuurlijke le­ven is het een vanzelfspre­kende zaak dat wanneer ie­mand door een autoriteit geroepen wordt om bijvoor­beeld bij hem te komen voor een bespreking of opdracht, hij ook daaraan gevolg geeft. Hoeveel te meer zullen wij gevolg moeten geven als God ons roept om in de voetstappen van Jezus te treden!

Daarom mag geen enkel kind van God deze oproep van Petrus naast zich neerleg­gen en voor kennisgeving aannemen. Wij zijn geroepen om in de voetstappen van Jezus te treden. Hij heeft voor ons geleden, Hij heeft de volle prijs voor on­ze verlossing betaald. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat…

Het gaat in deze eindtijd om de waarachtige navolging van Jezus. Ieder compromis, iedere halfslachtigheid is uit de boze. Wie deelgenoot wil zijn van Gods grote her­stelplan met zijn schepping behoort zich volledig te la­ten inschakelen. God zoekt in deze tijd naar oprechte arbeiders. Het enige wat waardevol is in deze materialistische en occulte wereld is ingeschakeld zijn in dit grote plan van God.

Daarbij mogen we bedenken dat God niet iets van ons vraagt wat wij niet zouden kunnen verwezenlijken. Als Hij iets van ons vraagt geeft Hij ons ook de moge­lijkheden en de middelen om het te kunnen doen. Dat geldt ook ten opzichte van het gaan in de voet­stappen van Jezus. Hij heeft ons zijn Woord gege­ven en niet te vergeten de Heilige Geest. Zij bepalen de weg die wij hebben te gaan.

En deze weg, dit treden in de voetstappen van Jezus, is een geestelijke aangele­genheid, maar waarvan de resultaten op aarde zicht­baar worden. Onze plaats is met Jezus in de hemelse gewesten. Van daaruit opereren wij als vertegenwoordigers van Gods Ko­ninkrijk .

Wie in eigen kracht of door eigen inspanning in de voetstappen van Jezus wil treden zal al spoedig falen. Maar wie zich door Gods Woord en Geest laat leiden, zal ontdekken dat er niets heerlijkers denk­baar is dan Jezus als voorbeeld te volgen en in zijn voetstappen te gaan. Want hij is daardoor voor anderen een levende wegwijzer naar het Konink­rijk van God.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 6 –

De vervulling van Daniël 2

Bij de opening van het zevende zegel gebeurt er niet plotseling iets, maar alles wat in de vorige zegels op gang is gekomen, zal ten tijde van het zevende zegel voltooid worden. Het zal tot volheid komen. Het zevende zegel wordt onderverdeeld in de zeven bazuinen, de drie weeën en de zeven schalen. Deze periode wordt beschreven in Openbaring 8 tot en met 19. Al de profeten spreken er van. Ook Jezus heeft vaak over deze dingen gesproken. In het bijzonder in Matthéüs 24 en 25, wat daar genoemd wordt: ‘Rede over de laatste dingen’ (zie ook Markus 13 en Lucas 21).

Twee zaken komen nu tot volheid. In de eerste plaats de gemeente van Jezus Christus, het geheimenis Gods Openbaring 10 vers 5 tot en met 7 (Openb. 10:05-07) , wat dan uitloopt op het koningschap. In Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15) wordt de zevende bazuin geblazen en met gejubel in de hemel wordt met luide stem geproclameerd: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heer en aan zijn Gezalfde en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” . Hier zien we de vervulling van de profetie in Daniël 2 waar gesproken wordt over de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, het beeld (Babel) verbrijzeld, en wordt tot een grote berg, die de gehele aarde vulde Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . De God des hemels richt een eeuwig Koninkrijk op, dat in eeuwigheid niet onder zal gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan Daniel 2 vers 44 en 45 (Dan. 02:44-45) . Het is een Koninkrijk gegrondvest op waarheid en recht Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06).

Het tweede dat tot volheid komt is ‘Babel’. Ook Babel komt tot volheid, tot vrucht dragen. Die vrucht is ook een koningschap, namelijk de antichrist met zijn gemeente: de zonen des verderfs. Ook dit vindt in het verborgene plaats, tenminste voor de ongeestelijke mensheid. Paulus spreekt ook over “het geheimenis der wetteloosheid, wat reeds in werking is” 2 Thess. 2 vers 7

(2 Thess. 02:07). Hij zegt over de antichrist in 2 Thessalonicenzen 2 vers 4

(2 Thess. 02:04): “De zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een God is”.

Dit is het koningschap wat Babel voortbrengt, gegrondvest op de vader der leugen, de duivel. Het is het beeld uit Daniël 2, groot en indrukwekkend, vol van geweldenarij. Maar het fundament is een vermenging van waarheid en leugen – wat in wezen niet te vermengen is – wat we in het paradijs al zien in de boom van kennis van goed en kwaad Genesis 2 vers 9b (Gen. 02:09b). Het heeft wel altijd een schijn van godsvrucht gehad, maar in de dag des Heren zal blijken, dat het waardeloos is en in diepste wezen altijd antichristelijk is geweest, met als volle vrucht de antichrist.

Het zal ondergaan als het beeld in Daniël 2, wat getroffen wordt door de steen – beeld van Jezus Christus en de gemeente en later de herstelde volkeren – en het zal zijn als kaf op de dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . Ook in Openb. 18:20-24 lezen we van de totale ondergang van deze grote stad. En weer is er dan gejuich in de hemel en wordt er iets geproclameerd met een luide stem: “halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist” Openbaring 19 vers 1 en 2 (Openb. 19:01-02).

Dit is het kerngebeuren in de hele eindtijd: het openbaar komen van de waarheid, de waardigheid en rechtvaardigheid van God in een volk wat Hem toebehoort. Dat is dus de gemeente van Jezus Christus: “Een volk Gode ten eigendom. U eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”. “Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie” 1 Petrus 2 vers 9 en 10 (1 Petr. 02:09-10) . Daarnaast het openbaar worden van de zoon en de zonen des verderfs in de gemeente van de antichrist, met als fundament: leugen en verwarring, dus Babylon. Hierin is geen enkele waardigheid, maar volkomen wetteloosheid en duisternis. Het is een volk wat het merkteken van het beest draagt Openbaring 13 vers 17 (Openb. 13:17) .

Het half uur stilte in de hemel

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang” Openbaring 8 vers 1 (Openb. 08:01). Ten tijde van de stilte gaat de gemeente tot volle wasdom komen. Het is niet een tijd waarin niets gebeurt, maar tarwe en onkruid groeien naast elkaar op. Niemand ziet het, want het vindt plaats in de hemel, in het verborgene. De vrucht begint zich te zetten en dan zal ook het onkruid duidelijk afsteken tegen de steeds helder wordende hemel van de zonen Gods. Jezus tekent dit geheel in Matteus 13 vers 24 tot en met 30 (Matt. 13:24-30).

In Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) lezen wij: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. De heiliging van het volk van God gaat door. De Heilige Geest werkt met steeds meer kracht via de geestesgaven. Werkingen van boze geesten worden door de Heilige Geest meer en meer geopenbaard en bij degenen die zich laten bevrijden “komt er een einde aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk” Daniel 12 vers 7b (Dan. 12:07b). De blik in de hemelse gewesten wordt helderder en de enkel goedheid en waardigheid van God wordt steeds dieper verstaan. Van de andere kant trekt de duivel al zijn troepen samen om het volk van God te benauwen en de ontwikkeling van het zoonschap te blokkeren.

De vroege en de late regen

De gemeente die op dit niveau bezig is – dus in de hemelse gewesten – gaat bidden om de late of spade regen. Veel wordt in deze tijd gebeden om opwekkingen: Heer geef ons een Elia! Geef ons een Johannes de Doper! Heel goed bedoeld en voortkomend uit een bewogenheid voor de nood in de wereld, maar met Jezus Christus en de gemeente hebben we zoveel meer dan een Elia of Johannes de Doper. God laat de profeet Zacharia opschrijven: “Vraagt van de Here regen ten tijde van de late – regen. De Here maakt de bliksemschichten, een stortregen zal Hij hun geven, voor ieder gewas op het veld” Zacharia 10 vers 1 (Zach. 10:01) . Opvallend is dat Zacharia hier ook gelijk een groepering noemt, die we in het christendom kunnen typeren met de verontrusten. Ze zoeken het overal, ze letten op alles wat er gebeurt in de wereld, maar ze vinden geen troost. Er is geen herder die hen leidt en vertroost met de woorden Gods. In Zacharia 10 vers 2 (Zach. 10:02) volgt dan ook onmiddellijk: “Want de serafim (huisgoden) spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft”.

Deze mensen worden niet afgeschreven, maar ze zullen straks van de zonen Gods het evangelie van verlossing en herstel horen. Jezus was ook vol van ontferming over de schare die zo voortgejaagd werd. Markus 6 vers 34 (Mark. 06:34) zegt: “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hen vele dingen te leren” . En zo kwam Hij in het leven van deze mensen als de leraar ter gerechtigheid, waarvan de profeet Joël reeds profeteerde.

Het begrip van de vroege en de late regen is in Israël wel bekend. Wij komen het nog al eens tegen vooral in het oude testament. Het heeft dan een diep geestelijke betekenis.

Regen is onontbeerlijk voor leven, ontwikkeling en vrucht dragen. Jezus spreekt dan ook over ‘het levende water’ dat zal gaan stromen uit het binnenste van een gelovige, die vervuld is met de Heilige Geest Johannes 7 vers 38 en 39 (Joh. 07:38-39) .

De profeet Joël geeft zo prachtig de geestelijke betekenis weer. Hij zegt: “En gij kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege en late regen, zoals voorheen” Joël 2 vers 23 (Joël 02:23). Die regenstromen hebben dus te maken met onderwijzing. “Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen…” Voor wie? Voor de kinderen Sion, die zich verheugen en juichen! Joël profeteert ook hier weer “over de voor ons bestemde genade” en niet zoals vele ongeestelijke christenen zeggen dat de woestijnen, de zandvlakten weer gedrenkt zullen worden met water en zullen veranderen in oases. (Dit komt nog wel eens bij het herstel van de aarde, maar dat is hier niet aan de orde) . God gebruikt dit beeld altijd in dezelfde betekenis. Dat is interessant om daar op te letten. God legt niet alleen de woorden in de mond van de profeet, maar zorgt ook dat een bepaald beeld altijd dezelfde betekenis houdt.

Regen houdt altijd verband met de onderwijzing of de openbaring van Gods woord en heerlijkheid. Deuteronomium 32 vers 1 en 2 (Deut. 32:01-02) zegt dan ook: “Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken en de aarde hore naar de woorden van mijn mond. Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppelt als dauw, als regenbuien op het jonge groen en als regenstromen op het kruit”. Zie ook Deuteronomium 11 vers 10 tot en met 12; Spreuken 16 vers 15; 1 Koningen 8 vers 36 (Deut. 11:10-12; Spr.16:15; 1 Kon. 08:36).

In Joël 1 vers 10 tot en met 12 (Joël 01:10-12) ontbreekt duidelijk de regen en is er dientengevolge kaalheid en dorheid in het leven van de mensen. “Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht” (12b).

In de landen van het Midden-Oosten valt in oktober en begin november de vroege regen. De grond die hard geworden is, wordt dan week gemaakt, zodat het bewerkt kan worden en het koren gezaaid. Psalm 65 vers 11 (Ps. 065:011) zegt: “Gij drenkt zijn voren. Gij verzadigt zijn kluiten, door regenstromen maakt Gij het week”. Dan volgen de winterregens, waardoor de grond tot diep toe met water verzadigt wordt Hooglied 2 vers 11 (Hoogl. 02:11). In de lente wordt het snel weer warmer en droger en er zou geen oogst komen als de late regen niet zou vallen. Als dit uitblijft, dan verschrompelt het gewas en kan de vrucht zich niet ontwikkelen. Daarom behoort omstreeks april, als de vrucht zich gezet heeft, de late of spade regen te vallen, waardoor het koren dat zich in de aar gezet heeft, tot volle rijpheid komt, waarna de oogst volgt.

Het is nodig dit beeld geestelijk te verstaan. Door de doop in de Heilige Geest krijgt een gelovige deel aan de vroege regen. Zo vaak iemand tot geloof komt en gedoopt wordt in de Heilige Geest valt dus de vroege regen in dat leven. Het is niet zo dat er een bepaalde tijd is, dat de vroege regen valt en dan niet meer. Nee, dat gaat altijd door, zolang mensen tot geloof komen. Door de doop in de Heilige Geest wordt de harde grond weer week gemaakt, zodat het goede zaad, dat is de leer van Jezus Christus over het Koninkrijk der hemelen, kan ontkiemen, opwassen en tot vrucht dragen kan komen. De Heilige Geest leert en onderwijst, zoals Jezus Christus zijn discipelen onderwees. Hij was de leraar ter gerechtigheid. De Vader getuigde van de Zoon en zei: “Hoor naar Hem”.

En Jezus zegt van de leraar ter gerechtigheid die wij ontvangen: “De Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen” Johannes 16 vers 13 en 14 (Joh. 16:13-14) . En zoals de eerste regen valt in ieders leven, zo behoort ook die late regen te vallen in ieders leven. Dat is dus ook individueel. De volle vrucht, die nu tot stand moet komen is het volle zoonschap. Bij het vallen van de vroege regen geldt Joël 2 vers 19 (Joël 02:19): “Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmee verzadigd wordt”. En bij het vallen van de late regen geldt vers 24: “De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen” .

Voor het volk van God is de tijd van geestelijke hongersnood voorgoed voorbij. Wat gezaaid is, heeft vrucht voortgebracht en er is een overvloedige oogst zodat we uitdelers kunnen zijn van de menigerlei genade Gods! 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Deuteronomium 28 vers 12 (Deut. 28:12) zegt dan ook: “De Here zal zijn rijke schatkamer, de hemel voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen” . Wij zullen uitdelen aan de volken als wij het zelf hebben! De profeet Zacharia zei: “Vraag de Here regen ten tijde van de late regen” . Door de Heilige Geest zal verstaan worden: dit is de tijd, en de bede is:’ ‘Heer, geef ons de late regen!’

De mens Gods komt tot openbaring

De late regen zal als een extra krachtige uitstorting – doorwerking – van de Heilige Geest ervaren worden, waardoor in de gemeente de volle vrucht te voorschijn zal komen. Het proces van heiliging en reiniging zal met grote kracht van de Heilige Geest (niet met geweld) voortgang vinden. Alle banden zullen verbroken moeten worden. De heerlijkheid van God kan niet doorbreken als er gebondenheden zijn. Er zal een duidelijk evenwicht moeten zijn tussen vrijheid en openbaring van heerlijkheid en kracht.

In de gemeente zullen mannen en vrouwen Gods openbaar worden. Paulus spreekt in 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17) over “volmaakte mensen Gods, tot alle goed werk volkomen toegerust”. Het is het begin van de nieuwe dag, een nieuwe fase in het heilsplan van God. De nacht loopt ten einde. Nu is het niet zo dat de nacht zomaar ineens overgaat in de dag. Daar is dan eerst de dageraad.

De dageraad luidt het definitieve einde van de nacht in en het begin van de nieuwe dag Jesaja 52 vers 8 (Jes. 52:08).

Hosea brengt het vallen van de late regen en het aanbreken van de nieuwe dag ook met elkaar in verband. Hij zegt in Hosea 6 vers 3 (Hos. 06:03): “Ja wij willen de Here kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de late regen, als de late regen die het land besproeit”. Het is de tijd van het ochtendgloren, waarin de morgenster schittert. Jezus Christus is de blinkende morgenster Openbaring 22 vers 16 (Openb. 22:16) en Petrus zegt: “totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten” . Het oude is voorbij. Het nieuwe breekt baan. Er moet inderdaad iets doorbroken worden. Het is een fase van geboren worden. David bezingt in Psalm 110 de dageraad en hij zegt in Psalm 110 vers 3 (Ps. 110:003): “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op” .

In deze fase bevinden wij ons bij de opening van het zevende zegel. Het is inderdaad een fase waar we door moeten trekken de dag tegemoet.   (wordt vervolgd).

 

Bidden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Bidden is – als je de Heer nog amper kent –

zoals een kind, hulpeloos en klein,

enkel een vragen… met een refrein…

omdat je wéét, dat je bij God veilig bent.

 

Bidden is – als je zijn Rijk bent ingegaan –

ontdekken dat je met de Vader spreekt,

Die naar je luistert, geeft waar ontbreekt,

Die je leert mét Hem vast in ’t leven te staan!

 

Bidden is – als je zélf zijn heling ervaart –

strijden voor and’ren, volhardend gebed,

waar je je leven voor vrienden inzet

door de kracht Gods, die zijn volk redt en bewaart.

 

 

1984.10 nr. 252

1984 oktober nr. 252

Willen wij onrecht lijden hoe reageren wij op onrecht? Door Gert Jan Doornink

Tot de kenmerken van het kind-van-God-zijn behoort ook ‘onrecht lijden’. Dat is een facet waar we dikwijls niet aan denken, maar waar een waarachtig kind van God wel geregeld mee te maken heeft. We denken liever in termen van ‘overwinning, kracht, heerlijkheid en blijdschap’ en dat is natuurlijk een goede zaak, want daar gaat het uiteindelijk om. Het nieuwe leven van Christus in ons moet merkbaar zijn bij hen die Christus nog niet kennen. Daarom zullen wij ook onrecht moeten verdragen, want de satan heeft er een ontzettende hekel aan als dit nieuwe leven zich gaat openbaren. Hij haat iedere waarachtige Godsopenbaring. Van Jezus staat reeds geschreven dat Hij zonder reden gehaat werd Johannes 15 vers 25 (Joh. 15:25). Hetzelfde geldt voor zijn eerste volgelingen en ook voor ons die in deze tijd Hem volgen.

Maar wat doen wij als ons onrecht wordt aangedaan? Hoe reageren wij? Komen we in verzet en zoeken ons recht? Let eens op wat de apostel Petrus schrijft in zijn eerste brief: “Want dit is genade, in dien iemand, omdat hij met God rekening houdt, (omdat hij Jezus volgt) leed verdraagt, dat hij ten onrechte lijdt. Want mag dat roem heten, als gij slagen moet verduren, omdat gij kwaad doet? Maar als gij goed doet en dan lijdenmoet verduren, dat is genade bij God” 1 Petrus 2 vers 19 en 20 (1 Petr. 02:19-20).

Even verderop, in hetzelfde hoofdstuk, schrijft Petrus over Jezus dat Hij “als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt” 1 Petrus 2 vers 23 (1 Petr. 02:23). Jezus is voor ons het grote voorbeeld van wat Goddelijke liefde is. Wie in zijn voetstappen wandelt, zal deze liefde ook meer en meer gaan openbaren. Wie vol is van de Heilige Geest kan trouwens niet anders, want liefde is een vrucht van de Heilige Geest.

Wat is nu onze reactie als ons onrecht wordt aangedaan? We maken het de Vader bekend en evenals Jezus gaan wij het overgeven aan Hem. We nemen het recht niet in eigen hand, want dat is een kenmerk van ‘geestelijke onvolwassenheid’. Helaas komt dit bij sommigen nog maar al te vaak voor. Maar zij die Jezus werkelijk volgen willen ook in dit opzicht gehoorzaam zijn aan het woord van God. Lees in dit verband ook wat Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 6 over het ‘recht zoeken bij ongelovigen’.

Onrecht lijden is geen drukkende last

Paulus, die tijdens zijn leven veel onrecht moest verduren, reikt ons deze woorden aan: “Het lijden van de tegenwoordige tijd weegt niet op tegenover de heerlijkheid Gods die over ons geopenbaard zal worden”  Romeinen 8 vers 18 (Rom. 08:18). Als nieuwe scheppingen in Christus weten wij dat deze heerlijkheid Gods nu reeds in ons is en daardoor is het onrecht wat wij vaak mee moeten maken geen drukkende last. Het maakt ons tot sterke en stabiele christenen, die weten dat niets en niemand ons uit de gemeenschap die we met Christus hebben weg kan halen. Met Hem zijn we ook in dit opzicht overwinnaar. Als ons onrecht wordt aangedaan raken we niet uit ons evenwicht. Want we weten dat voor hen die geloven, alle dingen meewerken ten goede!

Bij het ‘onrecht lijden’ speelt ons geloof trouwens een belangrijke rol. Dat blijkt wel uit de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter uit Lucas 18. Jezus vertelt daar over een rechter die zich om God niet bekommerde en zich aan geen mens stoorde. In dezelfde plaats woonde ook een weduwe, die telkens tot hem kwam en zei: Verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij. We volgen nu even dit Bijbelgedeelte op de voet: “En een tijd lang wilde hij niet, maar daarna sprak hij bij zichzelf: Al bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij ten slotte nog in het gezicht slaan. En de Here zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht verschaffen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten? Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen. Doch, als de Zoon des Mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”

Zonder geloof is het onmogelijk Gode welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). Waarachtige gelovigen weten dat zij lijden moeten als ‘goede soldaten van Jezus Christus’. Maar juist hun geloof, hun vertrouwen dat zij gesteld hebben in Jezus Christus, is de hechte basis waardoor onrecht hen niet deert. Zelfs niet als dit komt via medebroeders en zusters die zich laten manipuleren door de boze.

Want achter al het onrecht wat ons wordt aangedaan gaat satan schuil, die echter nooit het laatste woord heeft. Uiteindelijk zal de ‘rechtvaardige Rechter’ ons spoedig recht verschaffen! Want – zoals Petrus schrijft in zijn eerste brief,

1 Petrus 5 vers 10 en 11 (1 Petr. 05:10-11) – “de God van alle genade, die ons in Christus geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, zal ons, na een korte tijd van lijden, volmaken, bevestigen, sterken en grondvesten. Hem zij de kracht in alle eeuwigheid! Amen”.

 

Een weg in de woestijn door Robert Jimmink  

God deed de profeet Jesaja zeggen: “Ja, Ik zal een weg in de woestijn maken…

Want Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wil­dernis om mijn uitverkoren volk te drenken. Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen” Jesaja 43 vers 18 tot en met 22 (Jes. 43:18-22).

De weg van zekerheid

In de vervulling van Gods beloften, die in Jezus Christus ‘Ja en amen zijn

2 Korinthe 1 vers 20 (2 Kor. 01:20), horen wij onze Heer Jezus verkon­digen: Ik ben de weg, de weg door de woestijn van dit boze tijdperk.

Een weg die heel duidelijk is gemarkeerd geeft zeker­heid om erop te gaan. Niemand behoeft doelloos door een onvruchtbaar gebied te dwalen.

In de droogte van de woestijn is niets zo belang­rijk dan het verfrissende en leven gevende water. Toen de ‘gehele vergade­ring der Israëlieten’ zich uiteindelijk te Refidim had gelegerd, was daar geen water voor het volk om te drinken, Exodus 17. Pas nadat God op de rots had geslagen en ook Mozes dit had gedaan, kwam er zo­veel water tevoorschijn dat mens en dier in overvloed konden drinken. In 1 Korinthe 10 vers 4 (1 Kor. 10:04) heet het hierom ook: “Want zij dronken uit een geestelij­ke rots, welke met hen meeging, en die rots was de Christus”.

Begin oktober konden wij wederom op een half jaar werk ter verkondiging van het ‘evangelie Gods’ in Spanje terug zien. Wij kunnen zeggen: Prijst zijn machtige Naam! De Heer is goed. Hij is waar­achtig, want Hij bevestigt zijn woord. Jezus geneest, redt en bevrijdt allen die willen drinken uit de gees­telijke rots. Het volk dat Hij zich heeft geformeerd, verkondigt zijn lof. Gloria al señor

Toen ik in april weer voor het eerst tot de volkomen ongecompliceerde kinderen Gods, de Spaanse gitaños (zigeuners) mocht spreken, viel er een (zeker voor hun karakter) ongewone stilte. Zij keken mij vol verwachting aan en ik zag een tinteling van vreugde in hun donkere ogen. En toen ik het Woord door een ‘Gloria al Señor!’ (de Heer zij de glorie) liet vooraf­gaan, stonden zij allemaal op, klapten in hun handen en riepen luid: Aleluya! Gloria a Jesus!

Het Godsvolk verkondigt zijn lof. Buiten de garage, die als samenkomstruimte dient, gaat het drukke le­ven door. Het Spaanse volk zoekt thans ook naar schatten op aarde. De re­ligie die hen eeuwenlang bezig heeft gehouden is slechts als een traditie, een gewoonte, zonder in­houd. Het verval komt met rasse schreden. Wat voor de vaderen van belang was, heeft in de nieuwe genera­tie zijn betekenis verloren. Slechts 20% van de Spaanse jeugd heeft nog enige bin­ding met de kerk. De Spaanse akker vraagt na­drukkelijk om stromen van levend water uit de waar­achtige rots. Enkele drup­pels lessen de dorst van de enkeling, maar miljoenen hebben nooit de kans gehad om naar de volle boodschap van Jezus Christus te kun­nen luisteren. Voor Spanje zijn arbeiders nodig, die het land in gerechtigheid weten te ontginnen en het goede zaad met ruime arm­zwaai uitzaaien. De Heer zal zijn beloften vervullen en gerechtigheid laten re­genen Hosea 10 vers 12 (Hos. 10:12).

Bij onze thuiskomst moch­ten wij in vreugde vast­stellen dat vele giften op ons speciale gironummer voor de Spaanse gitaños waren gestort. Er waren ook vele giften door broeders en zusters van “Levend Geloof”. Wij willen u allen in de Naam van Jezus hiervoor bedanken. De armste onder de gitaños zullen naast ons gebed hierin ook een handreiking van Christus kunnen ontmoeten .

Bedito sea el nombre del Senor!

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 7 –

De heenwijzing naar de grote verzoendag

In Zacharia 3 vers 9 (Zach. 03:09) vervolgt de profeet: “Voorwaar zie, van de steen die Ik voor Jozua neerleg – op die ene steen zijn zeven ogen – zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de Here der heerscharen, en Ik zal op één dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen”. Op één dag: ongetwijfeld vinden we hier een heenwijzing naar de Grote Verzoendag; dat is immers de ene dag waarop de schuld werd weggenomen. Dan werd er bedekking gedaan. Maar de tempel werd verwoest en het volk ging in verre landen en daar was geen plaats om bedekking te doen; onbeschermd en onbedekt moest de mens door het leven, zoals Klaagliederen zingt: “Zwaar heeft Jeruzalem gezondigd; daarom worden zij gemeden als een onreine; allen die haar eerden, verachtten haar, omdat zij haar naaktheid zien” Klaagliederen 1 vers 8 (Klaagl. 01:08).

Nog altijd rust de smaad op hen, de last van het verleden. Daarom is het zo vreugdevol, te horen: er komt bedekking, die ene dag die ze zo gemist hebben, zal er weer zijn. Het woord dat hier voor ongerechtigheid gebruikt wordt, betekent eigenlijk: verwrongenheid: Ik zal de verwrongenheid uit dit land (of uit deze aarde, want land en aarde is in het hebreeuws hetzelfde woord, het land staat altijd model voor de aarde; wat er in het (beloofde)land gebeurt, is programmatisch voor wat er straks op de gehele aarde zal geschieden) doen wijken. De verwrongenheid wijkt; zoals het gelaat van een mens verwrongen kan zijn van pijn en verdriet, van verbetenheid of verbittering, en dan te zien hoe dat gelaat zich ontspant, en weer menselijk wordt, menselijk als in den beginne.

Van twee stenen naar een steen

Nu spreekt God in dit verband over een steen: de steen die Ik voor het aangezicht van Jozua gegeven heb, zo luidt het begin van vers 9 letterlijk. Jozua als vertegenwoordiger van de priesterschap mag hier aanschouwen de steen die beeld is van de Messias, in wie het nieuwe rijk begint. Zoals Daniël een steen zag die losraakte van de berg.

In het oude verbond waren er twee stenen tafelen; zij waren beschreven met de onderwijzingen des Heren, met de Thora van de Bevrijder-God. Nu, na de ballingschap, is daar één steen, met zeven ogen. We zouden kunnen zeggen: de ballingschap betekent, bewerkt een concentratie op het ene, het eenvoudige.

Die ene steen vormt de bundeling van de twee stenen tafelen die Mozes ontving. In de Messias wordt de Thora vervuld. De Thora wordt door Hem niet opzij gezet, integendeel, de Thora vindt in Hem juist de gestalte waarop zij zo lang heeft gewacht. In de Messias krijgt de Thora gestalte, menselijke gedaante; dan kunnen we zeggen: de Thora is mens geworden.

God gaat weer graveren

God zelf zal het graveersel graveren. Het woord ‘graveren’ komt met name voor in verband met de hogepriester in Exodus 28: de twee stenen waarop de namen der zonen van Israël werden gegraveerd, de twaalf stenen, ieder met een naam van de twaalf stammen, en de plaats van louter goud met als gegraveerd opschrift: den Here heilig. Ook de tempel was bewerkt met graveersel; zo lezen we in Psalm 74 vers 6 (Ps. 074:006) “Alzo hebben zij nu zijn graveerselen tezamen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen” (vers 6 Statenvertaling) .

De ballingschap betekende de aantasting van dit graveerwerk Gods; daarom is het zo meesterlijk dat het herstel na de verstrooiing juist ook daarin tot uiting komt dat God weer gaat graveren. Hij grift zijn taal en teken in de steen. Wat zou Hij anders schrijven dan zijn naam? Dit graveersel is als het ware de handtekening, door de Afzender zelf gezet. Zoals Johannes het later zal formuleren: “Op Hem heeft God de Vader zijn zegel gedrukt, namelijk op de Zoon des mensen” Johannes 6 vers 27 (Joh. 06:27). God zet zijn handtekening op het bestaan van deze Mens, aan dit bestaan verbindt de Vader zijn naam. Zo verlangt God ernaar, zijn naam te graveren in ons wezen. Hier is de eerste steen, de hoeksteen, de messiaanse grondsteen van het nieuwe huis, maar niet minder de sluitsteen, in wie het huis zijn voltooiing ontvangt.

Gods blauwdruk voor de aarde

Op die steen zijn zeven ogen, en een hoofdstuk verder horen we: “Deze zeven zijn de ogen des Heren, die de ganse aarde doorlopen” Zacharia 4 vers 10 (Zach. 04:10); en Johannes ziet het Lam met zeven ogen: “dit zijn de zeven Geesten Gods, uitgezonden over de gehele aarde” Openbaring 5 vers 6  (Openb. 05:06). Het gaat steeds om de hele aarde, het hele land. Abram moest het hele land doorwandelen in zijn lengte en in zijn breedte opdat hij zou weten hoe ver zijn erfdeel reikte. Gods ogen overzien de totale erfenis die Hem zal ten deel vallen.

Het begrip aarde of land speelt een belangrijke rol in het boek Zacharia: 42 maal wordt het er genoemd. Wat een perspectief voor deze eindtijd: Gods ogen doorlopen de gehele aarde; Hij heeft niet een deel van de aarde af geschreven, om maar te zwijgen over de gruwelijke gedachte dat Hij de hele aarde zou hebben bestemd voor de ondergang. Het boek Zacharia is Gods blauwdruk voor de aarde, Gods handvest van bevrijding voor de hele aarde, voor het hele land. Zoals Leviticus het reeds toonzette: “Gij zult vrijlating uitroepen in het land (of op de aarde) voor al zijn (haar) bewoners” Leviticus 25 vers 10 (Lev. 25:10). “Ten dien dage”, zegt het laatste vers van Zacharia 3, “luidt het woord van de Here der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgenboom” .

De naam: Here der heerscharen

We willen in dit verband allereerst nog iets opmerken over de godsnaam ‘Here der heerscharen’, die maar liefst 54 maal in het onderhavige Bijbelboek voorkomt. Deze naam is een verkondiging op zich; de inhoud van deze titel reikt, naar ik geloof, dieper dan dat hij ons meedeelt dat de Here een God is die er legers op na houdt. Een sleutel vinden we in het boek Exodus; vijf maal wordt daar het woord ‘heerscharen’ gebruikt om aan te duiden: de zonen Israëls, die nog in het diensthuis waren maar die door de Here zouden worden uitgeleid. Heel treffend is bijvoorbeeld Exodus 7 vers 4 (Ex. 07:04): “Daarom zal Ik mijn hand op Egypte leggen en Ik zal mijn legerscharen, mijn volk: de zonen Israëls, doen uitgaan uit het land Egypte onder grote gerichten” . De verdrukten, de weerlozen, de hulpelozen, die in het diensthuis worden vastgehouden, dat zijn Gods heerscharen. Van deze mensen is Hij de Heer, dat wil zeggen: de God die verklaart: Ik ben, dat houdt in: Ik ben er voor jou, nog beter: Ik zal er zijn, namelijk om je te bevrijden. Dus samengevat: de naam Here der heerscharen duidt aan: Hij is de Bevrijder van de machtelozen, want dat zijn Zijn legerscharen.

Daarom staat er dan ook in Exodus 12: “En na vierhonderdendertig jaar, juist op de dag af, gingen al de legerscharen des Heren uit het land Egypte” Exodus 12 vers 41 (Ex. 12:41). Zo is Hij de Here Zeba’oth. Juist daarin is de God van Israël uniek dat Hij zich verbindt met mensen in de benauwdheid, ten einde hun bondgenoot te worden en hun een weg ter bevrijding te banen.

De bevrijder der ballingen

Met dit uitgangspunt voor ogen is het zo veelbetekenend dat nu in de profetieën van Zacharia, de profeet van het herstel, de man van de wederoprichting, die tot taak heeft, de ballingen (ex-ballingen) weer hart en moed te geven, die naam van God weer zo bijzonder, en zo uiterst frequent, naar voren treedt. Dat is niet toevallig; Zacharia mag het uitspreken: God is nog steeds, of opnieuw, net als in de dagen van de eerste exodus, de Here der heerscharen, toen voor het volk in het slavenhuis, nu voor het volk in (en na) de ballingschap; die naam, Here der heerscharen, dat wil nu zeggen, in de tijd van ontwrichting en verwrongenheid waarin Zacharia verkeert, dat Hij is de Bevrijder der ballingen. Hij is de Here der ballingen, de Bevrijder van hen die wel weer in Sion wonen maar die de ballingschap nog in het hart dragen als een bange last.

En nu zegt de God die op zich genomen heeft de bevrijding van zijn mensenvolk: gij zult roepen, ieder zijn naaste (of zijn genoot) tot onder de wijnstok en tot onder de vijgenboom (letterlijk vertaald) . Hier bouwt Zacharia voort op een uitspraak van de profeet Micha: “Zij zullen zitten ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom en daar zal niemand zijn die ze verschrikt” Micha 4 vers 4 (Micha 04:04). Het is een beeld van vrede, zoals we dat tegenkomen in verband met de toestand ten tijde van Salomo: “En Juda en Israël woonden zeker, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Bersheba, al de dagen van Salomo” 1 Koningen 4 vers 25 (1 Kon. 04:25).

Gastvrijheid: teken van het nieuwe rijk

Het zitten onder de vijgenboom is vanouds een beeld geworden van een mens die onderricht ontvangt in de Thora, in de wegen Gods. Als Jezus tot Nathanaël zegt: Ik zag u onder de vijgenboom, dan geeft Hij daarmee te kennen: Ik weet dat jij een mens bent die de Thora onderzoekt, een mens die de gedachten en bedoelingen Gods wil kennen.

Nu gaat Zacharia nog een stap verder dan Micha: ze zullen niet alleen maar zitten onder wijnstok en vijgenboom, ze zullen ook roepen, ieder zijn genoot; Micha toont ons het beeld van het ontspannen, bevrijde leven, de mens die zich niet meer hoeft te verschansen in een stad; Zacharia laat zien de mens die zo losgekomen is van de beklemming dat hij de ander roepen kan.

Wie de bevrijding heeft ervaren, is in staat om de ander te roepen; bij hem komt dat teken van het nieuwe rijk, de gastvrijheid, te voorschijn. Bij hem kan de mens terecht, bij hem wordt de ander weer genoot, lotgenoot, deelgenoot. Gastvrijheid is een typisch goddelijke eigenschap, en juist daarom een bij uitstek menselijke deugd. Zo wordt de mens navolger van de God die open huis houdt voor velen.

Zo is Zacharia 3 een eenheid: het wegnemen van de aanklacht, het herstel van het priesterschap leidt tot een ‘dag’ waarin mensen elkaar weer roepen om samen te, zijn, om samen mens te zijn, een dag waarin mensen het gesprek met de ander weer aandurven, omdat ze zelf open geworden zijn, omdat de aanklacht is uitgewist.

De Geest die bevrijdt van waan

Nu kan Zacharia 4 daarop voortbouwen. Hier krijgt de profeet te zien wat de basis is van waaruit het werk Gods gaat geschieden. Niet door macht en niet door kracht, maar door mijn Geest, heeft de Here der heerscharen gesproken. Het eerste begrip duidt op macht, ook wel legermacht, macht van soldaten en wapens, paarden en wagens. Het tweede woord wijst op lichamelijke kracht, energie, inspanning, geweld. Daartegenover staat: mijn Geest. Uitgerekend weer verbonden met die naam: Here der heerscharen, de Bevrijder van de machtelozen.

Niet door een troepenmacht zal er iets geschieden, niet door de macht van het getal; niet door pressie of tirannie. Enkel door de Geest van de Bevrijder-God, wiens naam is: Ik zal er zijn. Deze Geest is niet een soort supermacht, niet een aanvulling van het tekort aan macht dat wij ervaren, het is niet zo dat waar anderen pochen op hun kracht en hun kunnen, dat wij daartegenover pochen op de macht van God. Zo in de trant van: alles wat de wereld presteert, dat presteert God in overtreffende trap. Neen, zijn Geest is van een totaal andere orde. Hij is niet het verlengstuk van onze arm. Hij komt niet opdat degenen die niet meetelden, nu voortaan ook iets hebben om zich op te laten voorstaan.

Wat is Hij dan wel? Hij is de Geest die bevrijdt; deze Geest bevrijdt ons van onze waan. Het is niet een Geest die het opneemt voor onze groep of voor onze partij; het is de Geest die ons ontwapent. Daarom is er niet zoveel vraag naar deze Geest. Waar wel veel vraag naar is, dat is naar een geest die ons een ervaring geeft, die ons tot supermens maakt; maar een Geest die ons tot mens maakt, is minder in trek. Elke waan wordt afgebroken door deze Geest. Macht en kracht kunnen we in één kernwoord samenvatten: waan. Zoals de psalmist sprak: “mensenhulp is ijdel” Psalm 108 vers 13 (Ps. 108:013), maar in wezen staat er iets wat veel sterker is en veel dieper raakt: bevrijding van mensen (van een ‘adam) is waan.

God is totaal anders

Herstel is: bevrijding van waan. Dat een mens gaat ontdekken: datgene waar ik op steunde, was waan. Wellicht moeten we het nog dieper formuleren: dat een mens ontdekt wordt aan zijn waan. Alle religie is waan. Het is het streven van de mens om op te klimmen; religie is de mens die tracht de góden te beïnvloeden. De ballingen hadden veel godsdienst gezien, maar God drukt hun op het hart: Niet door macht, dus zouden we ook kunnen zeggen: niet door religie, niet door godsdienstige macht.

Altijd wordt religie gekenmerkt door een ritueel en laten we niet menen dat wij daar in onze kringen vrij van zijn. God is niet één van de vele góden en de Geest is niet de beste van vele geesten. Hij is totaal anders. Hij is de gans Andere. Met wie dan wilt gij Mij vergelijken? zegt de Here. De openbaring betekent de crisis van alle religie. Zacharia 4 legt de basis, waar alle grond wordt weggeslagen. (wordt vervolgd).

 

De geest van nuchterheid door G. J. R. Doornink

 

“Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid” 2 Timoteüs 1 vers 7 (2 Tim. 01:07).

Is de Heilige Geest een realiteit in ons leven?

In de Bijbel worden ons tal­rijke aspecten en eigen­schappen van de Heilige Geest genoemd. Denk alleen reeds aan wat er geschreven staat over de gaven en wer­kingen van de Geest en niet te vergeten de vrucht. We kunnen daarom rustig stellen dat de Heilige Geest alles in zich heeft wat we nodig hebben om te kunnen functioneren als een volwaardig getuige van Jezus Christus.

Maar hebben wij de Heilige Geest ontvangen? Nog steeds zijn er vele kinderen Gods die wel weten wederom- geboren te zijn door de Heilige Geest, maar ze missen de doop en vervul­ling met de Geest.

Timótheüs had onder hand­oplegging de Heilige Geest ontvangen 2 Timoteus 1 vers 6 (2 Tim. 01:06), zo­als ook velen in onze da­gen. Anderen hebben zon­der handoplegging de Hei­lige Geest ontvangen. Het is echter niet belangrijk hoe wij de Geest hebben ontvangen, ook niet of wij nog exact de datum weten maar of wij vandaag weten vol te zijn van Gods Geest. Want de doop met de Heilige Geest moet gevolgd worden door een da­gelijkse vervulling.

De doop met de Geest mag geen ervaring uit het ver­leden zijn, het is geen abstracte zaak, geen pink­ster- of volle evangelie dogma, maar een levende werkelijkheid. Jezus zei over de Heilige Geest: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnen­ste vloeien” Johannes 7 vers 37 (Joh. 07:37). Het nieuwe, Goddelijke overwin­ningsleven openbaart zich door de samenwerking Van de Heilige Geest en onze geest.

Paulus wist hoe belangrijk de Heilige Geest was als een dagelijkse realiteit. Daarom schreef hij er ook over aan Timótheüs. We lezen aan het begin van de tweede brief dat Paulus niet twijfelde aan het ‘ongeveinsde geloof’ van Timótheüs. Ook wees hij hem er op dat zij een ‘heilige roeping’ bezaten en over de consequenties die dat mee­bracht, namelijk: a. bereid te zijn om voor het evange­lie te lijden en b. het goede, dat hen was toevertrouwd, te bewaren.

Wat is bewaren?

Bij het woord ‘bewaren’ den­ken we meestal aan iets weg­leggen of opbergen. Het is duidelijk dat het bewaren waar Paulus het hier over heeft te maken heeft met: er iets mee doen, functioneel zijn, in werking stellen.

Let er ook op dat Paulus niet schrijft: “Bewaar het goede, dat u is toevertrouwd”, maar: “Bewaar door de Heilige Geest, die in ons woont, het goede dat u is toever­trouwd” 2 Timoteüs 1 vers 14  (2 Tim. 01:14).

Hier krijgen we de sleutel aangereikt hoe wij onze taak in Gods Koninkrijk kunnen vervullen. Er is slechts één weg, dat is door de Heilige Geest. Al­leen door de Heilige Geest kan God ons gebruiken als instrumenten in zijn hand. Maar dan moeten we ook weten wat de verschillende eigenschappen zijn van de Heilige Geest en ons dat realiseren. In 2 Timoteüs 1 vers 7 (2 Tim. 01:07) noemt Paulus er drie. Wij willen ons nu ver­der speciaal bezig houden met de derde, namelijk dat we een geest hebben ont­vangen van bezonnenheid.

Wat is bezonnenheid?

Het woord ‘bezonnenheid’ doet eigenlijk, zoals wel met meer Bijbelwoorden het geval is, wat ouderwets aan. Het wordt niet zoveel meer gebruikt, het woor­denboek geeft als beteke­nis: bedachtzaam, wel overdacht. De Statenvertaling gebruikt het woord: gema­tigdheid, de Luthervertaling spreekt van tucht. Bij Petrus Canisius en Brou­wer komen we het woord zelfbeheersing tegen. Ook kunnen we nog denken aan voorzichtigheid, wat weer een andere betekenis is van bedachtzaamheid. Misschien duizelt het u een beetje van al die woorden, en ik denk dat het goed is al deze woorden maar samen te vatten tot één woord, te weten nuchterheid. Wij behoren nuchter te zijn, oftewel verstandig, kalm. Ook dat is een eigenschap van de Heilige Geest!

Gods Geest is een geest van nuchterheid

Wij moeten ons realiseren dat de Heilige Geest een geest van nuchterheid is. Maar, zullen sommigen opmerken, wat denkt u dan van het gebeuren op de Pinksterdag te Jeruzalem? Daar ging het toch alles behalve rustig toe? Er staat zelfs dat som­migen spottend zeiden: “Zij hebben teveel zoete wijn ge­had, ze zijn dronken” Handelingen 2 vers 13 (Hand. 02:13).

Nu was de uitstorting van de Heilige Geest een gewel­dige gebeurtenis en we kun­nen ons voorstellen dat som­migen deze opmerking maak­ten. Maar het was niet één of andere mysterieuze aange­legenheid, alles liep niet in het honderd. Want als Pe­trus niet de geest van nuch­terheid had gehad, zou hij ook nooit die grote rede hebben kunnen houden.

Toen wij gedoopt werden met de Heilige Geest was dat ook een geweldige ge­beurtenis. Een intense blijdschap doortintelde je ziel. Maar de doop met de Heilige Geest is één, wat er na komt, de dagelijkse vervulling, daar gaat het om. Altijd weer moeten wij ons bewust zijn dat pinksteren geen eindstation is, maar het begin van de weg die leidt naar de vol­komenheid in Christus. En die volmaaktheid kan alleen bereikt worden als we be­seffen dat Gods Geest een geest van nuchterheid is.

De wederkomst van Christus

Wij willen nu enkele concrete punten noemen waar­om wij ons moeten realise­ren dat de Heilige Geest een geest van nuchterheid is. Dat geldt bijvoorbeeld ten aan zien van de weder­komst van Christus. Het was eigenlijk een vanzelf­sprekende gedachte dat de eerste christenen Jezus spoedig terugverwachtten. Alle gebeurtenissen hadden in kort tijdsbestek plaats­gevonden. Toen Jezus was op genomen van de Olijf­berg en de discipelen nog naar de hemelen staarden, kwamen twee mannen in witte klederen bij hen staan en spraken: “Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op de­zelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen” Handelingen 1 vers 11b (Hand. 01:11b).

Wat is deze tekst al veel misbruikt om te ‘bewijzen’ dat Jezus op de Olijfberg weer zou komen, wat hier niet staat. Wel ‘op dezelfde wijze’, dat wil zeggen van­uit de onzichtbare in de zichtbare wereld. Ook wordt hier niet gesproken van een ‘spoedige’ terugkomst, al leefde die verwachting wel sterk. Maar dit geloof in een spoedige terugkomst van Jezus werd eigenlijk al een beetje aan het wankelen ge­bracht toen er toch chris­tenen stierven, zonder dat Hij was weergekomen.

Pau­lus ging hier iets van zeg­gen en schrijft daarover in 1 Thessalonicenzen 4 vers 13 tot en met 18 (1 Thess. 04:13-18). Ook Paulus geloofde aanvan­kelijk in een spoedige we­derkomst van Christus, want dit gedeelte is in de ‘wij’- vorm geschreven. Maar in de tweede brief aan de Thessa­lonicenzen schrijft hij nog meer over de wederkomst en het is merkwaardig dat men dit zo vaak over het hoofd ziet. Paulus schrijft daar: “Maar wij verzoeken u, broe­ders, met betrekking tot de komst van onze Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons af­komstig zou zijn, alsof de dag des Heren reeds aan­brak. Laat niemand u mis­leiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wet­teloosheid zich openbaren”. Lees ook wat er verder staat in dat gedeelte, waar ook zo duidelijk staat dat de komst van Jezus parallel loopt met de volle openba­ring van Hem in ons!

2 Timoteüs 1 vers 10 (2 Tim. 1:10). Wij moeten dus nuchter zijn ten op­zichte van alles wat op gesproken en geschreven wijze tot ons komt ten aan­zien van de wederkomst van Christus, want lang niet alles is door de Heilige Geest geïnspireerd.

Spectaculaire gebeurtenissen

Een tweede punt wat wij willen noemen en waarom wij de geest van nuchter­heid nodig hebben geldt allerlei spectaculaire voor­vallen die in sommige samenkomsten gebeuren. Ik denk hierbij aan het zoge­naamde ‘vallen door de Geest’. Mensen worden uit­genodigd, meestal in spe­ciale bijeenkomsten, voor een genezings/bevrijdingsbediening om een zogenaam­de nieuwe aanraking van de Heer of om een nieuwe zal­ving van de Geest te ont­vangen. Daarbij, komen ze, veelal onder handoplegging, ten val en blijven dan enige tijd liggen, om, zoals dan gezegd wordt te ‘rusten in de Geest’. Ik heb met verschillende mensen die de­ze ervaring hebben meege­maakt gesproken, maar als men dan de vraag stelt: wat heeft het je geestelijk verder gebracht, blijft men meestal het antwoord schul­dig.

Als in uw gemeente deze dingen niet voorkomen, wees daar blij om, maar er zijn ook gemeenten die in dit op­zicht de deur op een kier hebben gezet. Tot de leiding van deze gemeenten zouden we willen zeggen: stop er mee en zoek het niet in dit soort ervaringen. Laten we veel meer elkaar op positieve wijze bemoedigen om vol te zijn van de Heilige Geest. Zoals Paulus aan Timótheüs het advies gaf om deze gave die in hem was aan te wak­keren!

Waakzaamheid is noodzakelijk

Wij moeten in deze eindtijd waakzaam zijn en op onze hoede, ten aan zien van al­lerlei infiltratiepogingen uit het rijk der duisternis. Daarbij is het functioneren van de Heilige Geest door middel van de gave van on­derscheiding der geesten pure noodzaak. “Bewaar het pand u toevertrouwd”, schreef Paulus aan Timótheüs. Wat mogen we blij zijn met dit woord en voor­al met zijn uitspraak dat God ons niet een geest van lafhartigheid heeft gegeven, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.

De Heilige Geest is de Geest der waarheid. Hij leidt ons in de volle waar­heid en bewaart ons daar­door voor dwaling, vooral ook als we er van door­drongen zijn dat deze Geest ook een geest van bezonnenheid, van nuch­terheid is.

Toen Paulus zich moest verantwoorden voor koning Agrippa en, vol van de Heilige Geest, met grote vrijmoedigheid sprak over de verlossing door Jezus, werd hij op een gegeven moment door koning Agrip­pa onderbroken met de woorden: “Gij spreekt war­taal Paulus, uw vele studie brengt u in de war.

Maar Paulus zei: Ik spreek geen wartaal maar nuchtere waarheid…” Handelingen 26 vers 24 tot en met 26 (Hand. 26:24-26).

Satan haat ons als we Gods Woord gaan onderzoeken en meer nog in de kracht van de Heilige Geest gaan hante­ren. Maar – prijst God’ – dan staan we wel in de wil van God en gebruikt de Heer ons als instrumenten in zijn hand. En weet u wat ook zo geweldig is? Iedere vreesachtigheid verdwijnt. Wie beheerst wordt door een ‘geest van lafhartigheid’ is nog aangesloten op de ver­keerde bron. Maar wie zijn leven heeft toevertrouwd aan de levende God, ge­openbaard in Jezus Chris­tus en daarbij vol is van de Heilige Geest, mag het iedere dag opnieuw meemaken dat kracht, liefde en nuchterheid zijn leven beheersen. De woorden van Paulus, oorspronkelijk gericht aan ‘zijn geliefd kind’ Timótheüs, zijn daarom ook voor ons van grote en actuele beteke­nis!

 

 

 

 

De vrede Gods (gedicht) door Piet Snaphaan

De vrede Gods, zij gaat het al te boven,

zij reikt veel hoger dan het aards verstand,

wie haar bezit, die zal God waarlijk loven,

doch wie haar mist, die bouwt zijn huis op zand.

 

De vrede Gods, zij is een schat voor ’t leven,

voor ieder die Hem in zijn hart bewaart,

want ware vrede wordt alleen gegeven,

aan allen die Gods Zoon hebben aanvaard.

 

De vrede Gods, zij is er voor zo velen,

zijn liefde en zijn heerlijkheid,

ja Hij wil immers alles met ons delen,

Hij schenkt ons zelfs zijn Koninkrijk.

 

De vrede Gods, wie kan haar evenaren,

zo als zijn vrede is er immers geen,

wie Hem leert kennen, die zal het ervaren,

want Hij is onze vrede, Hij alleen.

 

Mijn weg naar het licht door Raymond Kirkby  

 

Het is fijn om te mogen ge­tuigen van wat de Heer in mijn leven gedaan heeft. Er is een koortje dat zegt: “Voor al het goede verkre­gen, door geestelijke zegen, in Jezus gebracht, loof ik Hem die heerst in macht. Wat ik altijd voor onmooglijk hield, ontving ik van de Heer. Aan Hem alle lof en eer!”

Dat is realiteit geworden in mijn leven. Ik ben Raymond Kirkby en ben 29 november 1956 geboren in Midlesbrough (Engeland) . Ik heb een vrouw en vier kinde­ren. Mijn vrouw is 1 febru­ari 1958 geboren in Londen en ze heet Christine. Onze dochtertjes heten Esther, Sarah en Ellen en ons zoon­tje heet Timothy, kortweg Tim. Mijn vader is een En­gelsman en mijn moeder een Belgische. Mijn moeder heeft ongeveer 21 jaar van haar leven in een nonnen­huis gezeten, totdat tij­dens of na de oorlog mijn vader haar mee heeft ge­nomen naar Engeland. Mijn ouders waren ongeveer 8 jaar getrouwd toen ze na veel problemen van elkaar scheidden. We waren met ons zessen, drie meisjes en drie jongens. Mijn moe­der is nadat ze gescheiden was, teruggegaan naar België. Ze nam ons alle­maal mee, behalve mijn oudste broer die bij mijn vader is gebleven. Ik was toen ongeveer 2 jaar oud.

Vijf kinderen zonder moeder

Ik onderbreek nu mijn ge­tuigenis om een stukje uit het destijds bekende weekblad “De Spiegel” te cite­ren. In het nummer van 2 april 1960 stond onder andere: “We hoorden over die moeder uit België, die met een Engelsman getrouwd was en naar Engeland ver­trok, maar na een aantal jaren weer terugkwam met haar vijf kinderen, omdat ze niet overweg kon met haar man. Ze stond op het station in Brussel zonder te weten waar ze heen moest gaan. Ze kon misschien wel werk zoeken, maar haar kinderen dan? Toen heeft iemand opgebeld naar Genk en gevraagd of de kinde­ren, die er vervuild en ongezond uitzagen, in het kinderhuis opgenomen kon­den worden, omdat niemand voor hen wilde zorgen. “We wagen het met de Heer” , heeft tante Rie toen gezegd en de kinderen kwamen. Maar de moeder moest belo­ven direct werk te zoeken zodat ze kindergeld zou krijgen, waardoor er ten­minste een kleine vergoe­ding voor de verzorging te­rugkwam. De moeder be­loofde het grif, maar nim­mer heeft ze meer iets van zich laten horen. Al maan­den lang wonen de kinde­ren nu in het kinderhuis van tante Rie. Naspeurin­gen bleven zonder succes… De havenbuurten van Ant­werpen, de donkere buur­ten van Brussel laten hun geheimen niet los… Vijf kinderen zonder moeder…” Tot zover dit citaat.

Ik ben de Heer geweldig dankbaar dat Hij onze weg geleid heeft naar dit chris­telijk kinderhuis in Genk (België), bij sommigen van u waarschijnlijk wel be­kend. Het kinderhuis be­staat in 1985 vijfendertig jaar en is opgericht vanuit een grote nood die er was in België onder kinderen. Opgericht vanuit Nederland waardoor ik een Nederland­se opvoeding heb gehad.

In 1959 kwam ik in dit kin­derhuis en in november 1973 ging ik er weg.

Naar een gezin in Nederland

Mijn ouders werden uit de ouderlijke macht ontzet en zo kwamen wij onder voog­dij van de Belgische staat. Deze stelde weer een kin­derrechter over ons aan die direct verantwoordelijk voor ons was. Op ongeveer 16-jarige leeftijd ben ik na veel problemen samen met mijn broer naar de kinder­rechter in Brussel geweest om te vragen of er geen mogelijkheid was om uit het kinderhuis te gaan en ergens in een gezin opge­nomen te worden. Daar had hij in principe niets op tegen, maar waar moes­ten wij naar toe? Ik dacht dat ik twee adressen wist, één in Hasselt (België) bij de familie Bossers en één in Maasdijk (Nederland) bij de familie Noor dam. Tante Martie (mevr. Noordam) is na­melijk acht jaar mijn leidster geweest in het kinderhuis en is nadat zij daar wegging getrouwd. De kinderrechter vertelde me dat het onmoge­lijk was om in Nederland in een gezin opgenomen te worden daar hun verant­woordelijkheid voor mij in Nederland niet meer gold. Dat vond ik jammer, temeer daar de familie Noordam het zelf wel wilde.

Ze zijn toen naar hun voor­ganger, broeder Visser van de Pinksterkapel in Den Haag, gegaan en vroegen hem om raad. Broeder Vis­ser zei dat als dit werkelijk van de Heer zou zijn, alles wel goed zou komen, maar omdat ik nog naar school moest, zou de Belgische staat ook voor hem moeten betalen. Ik was nog te jong om te werken en zelf de kost te kunnen verdienen. Ze hebben er samen voor gebeden en de machten die het tegen wilden houden weerstaan en – prijs de Heer – de Belgische staat gaf toestemming, ik mocht naar Nederland, ze bleven zich verantwoordelijk voor mij stellen en zouden blij­ven betalen!

Het licht won van de duisternis

De Heer hield zijn hand over mijn leven. Want ik ben niet zomaar van de ene op de andere dag een christen geworden, daar is veel strijd aan vooraf ge­gaan . Ik rookte en dronk en ging met slechte vrien­den om, maar mijn pleegge­zin bleef voor mij op de bres staan. Nadat ik mijn hart aan de Heer had ge­geven ben ik in juli 1974 , tijdens een kampweek van de gemeente, in de Heilige Geest gedoopt en maakte ik in nieuwe tongen de Heer groot. Het was een fijne week en ik kon mijn blijdschap niet op. Maar o wee. . . toen ik weer op school kwam brak de storm los. Ik was nog maar een teer boompje, maar de Heer liet mij niet meer los.

Daarna ben ik nog vaak door diepe dalen gegaan. Weggelopen bij mijn pleeg­gezin werd ik een keer door de Hilversumse politie opgepakt, een andere keer door de politie van ’s Gra­vendeel, vier nachten heb ik op het centraal station van Amsterdam geslapen en door homofielen werd ik lastig gevallen. Zo jut­ten de machten der duis­ternis mij op. Mijn pleeg­gezin was erg goed voor mij maar als ik mijn zin niet kreeg ging ik er maar weer van door. Een geest van weerspannigheid bespeelde mij. Toch liet de Heer mij niet in de steek.

Uiteindelijk ben ik in Win­terswijk komen te wonen. Dat kwam zo: Ieder kind in het kinderhuis had een vakantieadres voor de zomervakantie. Mijn adres was bij een boer in Miste, een buurtschap bij Winterswijk. Sinds 1961 ging ik daar elk jaar voor twee maanden op vakantie. Dat vond ik dus een fijne plaats om te wo­nen en zo gezegd, zo ge­daan. Maar ook daar kwam ik niet tot rust.

De machten der duisternis lieten mij niet zomaar los en ik werd als het ware ge­dreven om naar Londen te gaan naar mijn vader. Ik kwam te werken in dezelfde fabriek waar Christine ook werkte en zij is door mijn getuigenis tot bekering ge­komen, nadat we een hele avond en nacht alles met elkaar hadden doorgepraat. Het grappige van dit alles is dit: De duivel verleidde me om naar Londen te gaan om me totaal de vernieling in te krijgen. In plaats daarvan ontkwamen twee mensen aan zijn macht en werden geplaatst in het Ko­ninkrijk van God.

Zo heeft de Heer op won­derlijke wijze ons leven ge­leid, ook hoe we weer in Nederland en Winterswijk kwamen te wonen. We heb­ben nu de zekerheid in ons hart dat we teruggaan naar Londen, nu niet meer opgejut door de machten der duisternis maar geleid door Gods Geest om de heerlijke boodschap van het volle evangelie in Londen en de Engelstalige wereld bekend te maken. We heb­ben zelf veel geleerd en veel ontvangen van de Heer en dat willen we door­geven. God heeft alle men­sen lief en wij hebben een diep verlangen in ons om ons op de Engelstalige we­reld te richten, via ge­schriften, bandjes, etc. Wij zijn bezig verschillende artikelen met de volle boodschap te vertalen, wat mijn vrouw doet, want zij spreekt veel beter Engels dan ik. Hoe alles precies verder geleid zal worden weten wij nog niet, maar wilt u met ons hierover van gedachten wisselen, neem dan gerust contact met ons op.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 7a –

De tekenen in de hemel

Openbaring 12 bepaalt ons ook bij deze geboortefase. Het gaat hier ook om het voortbrengen van de volle vrucht. Openbaring 12 is niet een voortzetting van Openbaring 11, maar het toont in detail de situatie bij de opening van het zevende zegel. Hier wordt één van de schitterendste beelden gegeven van de gemeente van Jezus Christus, die tot volheid komt.

Vers 1 begint met: “En er werd een groot teken in de hemel gezien” . Voor de eindtijd zich verder afwikkelt met demonische verdrukkingen, stelt God een teken. Ik wil hier nogmaals het woord noemen uit (Jes. 59:19b)  Jesaja 59 vers 19b Statenvertaling, waar zo treffend staat: “Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heren de banier tegen hem oprichten”. Dit is het teken wat God opricht. Er staat: “een groot teken”. God geeft niet zomaar alles prijs en God gaat zich ook niet wreken in de eindtijd, maar Hij richt een groot teken op tot heil. “En het zal te dien dage (in de dag des Heren) geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn” Jesaja 11 vers 10 (Jes. 11:10).

De wortel van Isaï is Jezus Christus en dat is nu Jezus Christus met zijn gemeente. Het is niet een teken op aarde en het is dus ook geen volk op aarde. Ik hoorde eens iemand zeggen: “Het is duidelijk dat dit teken in Openbaring 12 het volk Israël is”, maar het is een teken in de hemel, wat ‘daar’ gezien wordt. Niemand kan er om heen, iedere hemelbewoner kan het zien en zal het zien. De duivel ziet het ook en in zijn blinde haat gaat hij nu juist tegen dit teken oorlog voeren. Jezus heeft echter uitdrukkelijk gezegd – wat ons sterkt in de strijd – “Ik zal mijn gemeente bouwen en De poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen” Matteüs 16 vers 18 (Matt. 16:18) . En als we letten op de statuur van het teken, dan ontdekken wij dat de heerlijkheid van God haar deel is en er is geen macht of kracht, zelfs het beest uit de afgrond en uit de aarde (de antichrist) niet, die dit kan overweldigen en overwinnen.

De waardigheid van het grote ‘teken’.

Johannes ziet het teken en dan zegt hij: “Een vrouw met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd” . De vrouw is bekleed met de heerlijkheid Gods. De zonne der gerechtigheid is over haar opgegaan Maleachi 4 vers 2a (Mal. 04:02a). De zon is immers het beeld van God Psalm 84 vers 12 (Ps. 084:012). Zij is gebouwd op het fundament Jezus Christus 1 Korinthe 3 vers 11 (1 Kor. 03:11) en haar denken is gevormd door de leer van het Koninkrijk der hemelen. Dat is de leer van Jezus Christus, de apostelen en de profeten Hebreeën 2 vers 3; Efeze 2 vers 20 (Heb. 02:03; Ef. 02:20). Daardoor is de heerlijkheid van God haar deel geworden en daardoor is dit teken onoverwinnelijk!

Alle hemellichamen worden genoemd waarmee de vrouw versierd is. Zo waardig is de vrouw. Er is geen versiersel van de aarde, wat haar nog past. Het zou afbreuk doen aan haar waardigheid. Hooglied 6 vers 10 (Hoogl. 06:10) zegt: “Wie is zij, die daar opgaat als de dageraad, schoon als de blanke maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als krijgsscharen?” En dan is het antwoord: Dit is het grote teken in de hemel, de banier die voortgekomen is uit de tronk van Isaï, de gemeente van Jezus Christus. Het is de vrouw des Lams. “En zij was zwanger en schreeuwde in haar pijnen om te baren” .

De vrouw is zwanger door gemeenschap met haar man Jezus Christus. Paulus zegt in 2 Korinthe 11 vers 2 (2 Kor. 11:02): “Want Ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen”.

En in 1 Korinthe 1 vers 9 (1 Kor. 01:09) staat dat wij zijn geroepen tot gemeenschap met Gods Zoon Jezus Christus, onze Here.

De gemeente is bevrucht door de geestelijke gemeenschap met haar man Jezus Christus. Zij is doordrenkt met woorden en gedachten Gods, die op het punt staan tot volheid te komen in de vrouw. Het geboorteproces begint met de ontsluitingsweeën en dan volgen de barens- en persweeën. De gemeente van Jezus Christus maakt een tijd door van verlossing en herstel, van strijd en moeite om het woord Gods gestalte te laten aannemen in het leven. Het is een proces van heiliging en reiniging en de vuurgloed der beproeving is haar niet vreemd en zij ontvlucht het ook niet. Hier heeft ieder gemeentelid individueel deel aan, maar samen voeren ze de strijd.

Zij schreeuwt in haar pijnen om te baren, want ieder stukje herstel, bevrijding en genezing moet bevochten worden en is als het ware een barenswee. Dat kost moeite en strijd, maar geeft ook telkens vreugde om het behaalde succes, de behaalde overwinning. Met iedere wee komt de geboorte dichterbij. Om dit vol te houden is er de heilrijke rechterhand van God – de Heilige Geest – en het zien op Jezus Christus, de voleinder van ons geloof. Verder is er nergens een steunpunt. Ieder steunpunt op aarde zal een hindernis blijken te zijn. Ook zal er geen ander steunpunt in de geestelijke wereld zijn.

De onwaardigheid van het ‘andere’ teken

De duivel maakt zich op om het geboorteproces te blokkeren en als het mogelijk was te verhinderen. Dit is evenals in de dagen van Nehemia en Ezra bij de herbouw van de tempel. Intimidatie van het volk van God! Daarom zegt Johannes: “En er werd een ander teken in de hemel gezien en zie een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen, zeven kronen” Openbaring 12 vers 3 (Openb. 12:03) . Het is ook een teken in de hemel. Velen spreken over een strijd op aarde met de meest afschuwwekkende atoomwapens of primitieve pijlen en bogen. Maar ook dit tweede teken is in de hemel. Het gaat niet om een strijd tegen vlees en bloed, maar tegen de verleidingen des duivels, tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten Efeze 6 vers 11 en 12 (Ef. 06:11-12) . De plaats van de handeling is in de hemel! Er wordt hier niet gesproken van een ‘groot’ teken zoals bij de gemeente. Maar het is wel afschuwwekkend en angstaanjagend. Het is de duivel zelf in volle wapenrusting.

In Openbaring 12 vers 9; Openbaring 20 vers 2 (Openb. 12:09 en Openb. 20:02) staat ook: “De draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt”. Sommigen zeggen: de duivel is overwonnen! Maar hier zien we dat hij nog staat met zeven koppen, tien horens en zeven kronen, symbolen van macht, kracht en heerschappij. En Jezus zegt steeds opnieuw: “Wie overwint gelijk ik overwonnen heb, zal met Mij zitten op de troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon” Openbaring 3 vers 21 (Openb. 03:21) .

De eerste zonen worden geboren

Het is voor de vrouw die baren moet beangstigend en benauwend en ze schreeuwt in haar weeën en in haar pijn om te baren. Die schreeuw kunnen wij vergelijken met de bede om de late regen. “Vraagt van de Here regen ten tijde van de late regen” Zacharia 10 vers 1; zie ook Psalm 56 vers 6 tot en met 12 (Zach. 10:01; Ps. 056:006-012). Ze blijft daarbij zien op haar Heer Jezus Christus, die nu met eer en heerlijkheid is gekroond. Hij heeft ook oog in oog gestaan met dezelfde draak en heeft overwonnen. En de gemeente overwint ook want in vers 5 zegt Johannes: “En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf en haar kind werd plotseling weggevoerd naar God en zijn troon” .

De vrouw – de gemeente – baart de eerste zonen. Geen baby’s, maar volwassen zonen Gods, die de plaats op de troon innemen en kracht en heerlijkheid kunnen uitoefenen, evenals hun Heer Jezus Christus. De eerste zonen zijn geboren, waar de zuchtende schepping met reikhalzend verlangen op wacht Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19). De maatstaf mag over hen gelegd worden en het zal blijken, dat ze goddelijk zijn. Het zijn de eerstelingen uit de gemeente, maar de gemeente blijft baren tot de Heer terugkomt bij het aanbreken van het duizendjarig rijk.

Deze zonen worden niet weggevoerd naar de hemel met een verheerlijkt lichaam, maar ze hebben de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus bereikt Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Ze zijn en blijven gewoon hier op aarde in een lichaam van vlees en bloed, evenals Jezus Christus voor zijn dood en opstanding. En deze volwassen zonen kunnen, evengoed als Jezus Christus in de woestijn, door de duivel verzocht worden. Er staat ook in vers 4: “En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, om, zodra zij haar kind gebaard had, dit te verslinden”. De duivel haat de gemeente, maar zonen die de plaats innemen op de troon, dat tast nu juist zijn diepste intentie aan. Jesaja 14 omschrijft zijn bedoeling in Jesaja 14 vers 13 en 14 (Jes. 14:13-14): “En gij overlegdet nog wel: Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden: Ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken (de gemeente), mij aan de Allerhoogste gelijkstellen” .

De plaats die hij altijd op onwettige wijze begeerde, wordt nu toch ingenomen door de mens die God daartoe van eeuwigheid af bestemd heeft. Hij zal trachten deze zonen te verslinden, dat wil zeggen door verzoekingen, pressie en verleugening van de hoogte te stoten en geestelijk te doden. Maar zoals Jezus Christus in de woestijn zich vasthield aan de Vader en aan zijn woord, zo zullen wij het nu ook doen aan Hem, die overwonnen heeft en door zijn Geest ook het woord in ons levend maakt, zodat het een kracht Gods is, een zwaard des Geestes. Het zitten op de troon wil zeggen: volwassen zijn, overwonnen hebben, deel hebben aan de heerlijkheid Gods en heerschappij uitoefenend over het rijk der duisternis. “Alle heidenen hoeden met een ijzeren staf” Openbaring 12 vers 5 (Openb. 12:05) .            (wordt vervolgd).

 

 

1984.08 nr. 250

1984 augustus nr. 250

De kracht die nodig is Gods plannen falen niet door Gert Jan Doornink

Er staan in de schepping twee krachten tegenover elkaar: de negatieve, destructieve krachten die opereren vanuit het rijk der duisternis en de positieve, van God afkomstige, scheppende en herstellende krachten. Wie vanuit de Bijbel Gods plan met zijn schepping heeft leren kennen, weet dat uiteindelijk de positieve krachten het volkomen zullen winnen. Gods plannen falen niet. Hij is enkel positief en wanneer tenslotte alles zal zijn voltooid zal er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zijn, waar gerechtigheid woont 2 Petrus 3 vers 13 (2 Petr. 03:13).

Voor het zover is, zal fase voor fase God zijn plan ten uit voer brengen. Daarom is het ook zo belangrijk dat wij realiteitschristenen zijn, dat wil zeggen dat wij een geestelijk oog hebben voor het feit dat er een voortgaande en opgaande lijn in Gods heilsplan is. Wie dit over het hoofd ziet blijft ergens steken in zijn geestelijke ontwikkeling. We leven niet meer ten tijde van het oude verbond, toen nog veel verborgen was wat thans is geopenbaard. Ook hoeven we niet terug naar de tijd van Handelingen, want wat geweest is keert niet terug. Wel is de periode die op de pinksterdag is begonnen nog niet voorbij. De gemeente die toen geboren werd, is nog in ontwikkeling. Zowel kwalitatief als kwantitatief gaat de groei door, totdat de gemeente zal zijn voltooid en God zich een gemeente heeft verworven “stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó, dat zij heilig is en onbesmet” Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27).

Gods geopenbaarde wil: het goede, welgevallige en volko­mene – De opwekking van de jongeman te Nain (Lucas 7).

De taak van de gemeente

Het is duidelijk dat de gemeente, waartoe allen behoren die door persoonlijk geloof in Jezus Christus een nieuwe schepping zijn geworden, actief betrokken is en blijft bij Gods plan. God wil ten volle de mens, de kroon van zijn scheppingswerk, inschakelen om het totale universum weer in volkomen harmonie te brengen met zijn wil. En zijn wil is: “het goede, welgevallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

De nieuwe mens in Christus heeft een geweldige en heerlijke taak. Maar mag deze taak nooit als iets vrijblijvends zien. Wij zijn geroepen deze taak ten uitvoer te brengen. Wie ongehoorzaam is, wie deze taak naast zich neer legt, schakelt zichzelf uit om door God gebruikt te worden. Hij benadeelt zichzelf èn zijn medemens, want we zijn immers geroepen om het beeld van Jezus te openbaren?

Niemand kan zich trouwens verontschuldigen door te zeggen: deze taak is  voor mij te   zwaar of te moeilijk, daar ben ik niet geschikt voor, want: a) God vraagt nooit iets van ons wat wij niet zouden kunnen volbrengen, b) Hij heeft bepaalde talenten           in ons gelegd,

  1. c) Hij geeft ons zijn Geest, die ons bekwaam maakt om op volwaardige wijze een getuige van Jezus te kunnen zijn.

De kracht van de Geest

Wat die Geest betreft: Jezus sprak bij zijn afscheid: “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt…” Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08). In het woordje ‘kracht’ ligt alles verborgen wat in God zelf aanwezig is: de kracht die herstel, vernieuwing en volmaaktheid bewerkt.

Het is dus van essentieel belang dat ieder kind van God gedoopt en vervuld is met de heilige Geest. Door de heilige Geest – Gods kracht in ons – verdwijnt iedere gebondenheid, iedere verkeerde lering, iedere infiltratie uit het rijk der duisternis. Door de heilige Geest zijn wij optimaal bruikbaar in Gods Koninkrijk en groeien wij geestelijk zodanig dat wij de volkomenheid in Christus kunnen bereiken.

De aanwezigheid en werking van de heilige Geest behoort een bewuste aangelegenheid te zijn voor elk kind van God. Dit betekent dat als we wedergeboren zijn door de heilige Geest, we niet automatisch ook gedoopt zijn met de Geest, zoals sommigen leren. Ieder kind, van God is geroepen door het geloof te leven en zal dus ook op bewuste wijze in het geloof de heilige Geest moeten aanvaarden.

Na dit begin (de doop) is een dagelijkse vervulling noodzakelijk. Iedere dag behoren we de Heer te danken voor de ‘nieuwe vervulling’ die Hij wil geven! Wat is het heerlijk die zekerheid te bezitten dat Gods kracht continu in ons is, want waardoor kunnen we ten volle meewerken aan de verdere groei en openbaring van Gods Koninkrijk!         

 

Zoeken en vinden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Wat lees je in verslagen, kerkenbladen,

toch veel over het zoeken, óveral,

naar nieuwe vormen, eigentijdse normen,

er zijn discussies en commissies zonder tal.

 

Wat hoor je predikanten, oudsten, zuchten:

“Hóe moet het dan?” Ze worden ’t denken moe..

En hier is afval, daar ‘aparte’ groepen.

Waar moet het met Gods kinderen naar toe?

 

Hoe staat het met het eigenlijk beléven

persoonlijk, van een ieder, die verzucht.

Van ieder, die vergadert, leidt discussies,

die hamert op verzoening, liefde, tucht…?

 

Wie van die allen, die maar steeds vergaad’ren,

gaat in zijn binnenkamer, zoals ’t Boek ons leert.

Waar hij of zij als Jezus, telkenmale

geknield met God de Vader steeds verkeert.

 

Wie vraagt daar om vergiffenis van zonden

en wie bekeert zich helemaal tot God?

Wie laat de Heiland helen al zijn wonden,

wie vraagt: “Vervul mij, Heil’ge Geest van God!”

 

Wie strekt zich uit naar geestelijke gaven,

wie wordt een vreemd’ling, bijwoner op deez’ aard?

Wie leeft er in het Koninkrijk van Jezus,

wie is dit alles méér dan alles waard?

 

Wie voedt zich daag’lijks met het brood des levens,

wie wil zich buigen, wie verliest zichzelf?

Of, laten we het lijden en belijden

maar liever over aan dat kuddeke van elf?

 

Jezus zegt: “Niemand, die niet wéér geboren,

niet nieuw is, kan mijn Koninkrijk ooit zien!”

Dan opent God zijn heerlijk evangelie,

geeft Hij ons overvloedig bovendien!

 

En dan nooit zien op mensen, cijfers, vormen.

De Heer zegt tot ons enkel: “Volgt gij Mij!”

Opdat zijn licht zal schijnen in de wereld.

De wasdom – hen die kómen – die geeft Hij!

 

Nummer 250 door redactie

Via br. Klaas Goverts ontvingen wij onderstaande bijdrage van een broeder, waarvan de naam ons bekend is.

Levend geloof

Tenzij u dit blad voor de eerste keer onder ogen krijgt, zult u hopelijk kunnen bevestigen dat levend geloof waar maakt, wat zijn naam tot uitdrukking brengt.

De (pennen)vruchten – u praktisch voor niets aangeboden – door onder andere vaste medewerkers als Jan Companjen en Klaas Goverts en vele anderen, zijn velen tot genezing geweest en tot opbouw in het geloof voor anderen. Daarom nu eens bij uitzondering ere aan iemand die ere toekomt, namelijk redacteur

  1. J. Doornink. Een man die letterlijk en figuurlijk zijn zegel heeft gedrukt op/in dit blad. Na 22 jaar en 250 nummers verder is mijns inziens het moment aangebroken om deze minimale eer te bewijzen.

Iemand als broeder Doornink doet mij denken aan een boom aan waterstromen geplant, die vrucht geeft op zijn tijd, welks loof niet verwelkt, tot ontplooiing komt al wat hij doet (Uit: De Psalmen uit het Hebreeuws vertaald).

Derhalve weet ik zeker, dat ik met instemming van vele lezers Psalm 52 vers 10 (Ps. 052:010) als volgt aan u opdraag: “Maar hij is als een olijfboom in mijn huis, hij vertrouwde op Mijn goedertierenheid altoos en immer. Voor altoos mag hij Mij loven door met zijn levend geloof door te gaan. En omdat gij dat gedaan hebt, zal ook Ik uw naam verwachten, want die is goed, alsmede de getrouwen die u omringen”.

Broeder Doornink, redactieleden en medewerkers in de ruimste zin, ik spreek de verwachting uit dat u door zult blijven gaan als “geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht/zaad gevende en de bladeren (dus nu al 250 nummers) van het geboomte moge zijn tot genezing der volkeren” Openbaring 22 vers 2 (Openb. 22:02). Veel zegen.

Commentaar van de redactie – Wij hebben lang geaarzeld om tot publicatie van dit schrijven over te gaan, maar uiteindelijk kregen we toch de vrijmoedigheid, omdat wij dit commentaar willen beginnen met de woorden van Paulus in

1 Korinthe 3 vers 6 tot en met 8 (1 Kor. 03:06-08) “Noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God die de wasdom geeft!” Daarom alle eer uitsluitend aan Hem die het mogelijk maakte dat wij de talenten, die Hij in ons gelegd heeft, tot ontplooiing konden brengen en via “Levend Geloof” konden inzetten voor het Koninkrijk Gods!

Omtrent de opdracht van “Levend Geloof” willen wij deze keer kort zijn, omdat wij er in ons vorig nummer uitvoerig over hebben geschreven (nr. 249, blz.27,28). In Lucas 9 vers 62 (Luc. 09:62) zegt Jezus: “Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods”. Zo willen ook wij in gehoorzaamheid voorwaarts gaan en samen met onze medewerkers – en naar wij geloven vele van onze lezers en lezeressen – dienstbaar zijn in Gods Koninkrijk en de Naam van Jezus belijden en verheerlijken! Aan Hem alleen komt alle lof, dank en aanbidding toe!

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 5 –

Wonen wij in Babel of in Sion

“Redt u naar Sion, gij die woont bij de dochter van Babel,’, zo horen we in Zacharia 2 vers 7 (Zach. 02:07). Een helder contrast wordt ons hier getekend: de mens die in Babel woont en de mens die in Sion gezeten is. Dit zijn twee werelden, twee geestelijke domeinen. Wie overgaat van Sion naar Babel, maakt iets mee wat dieper ingrijpt dan een willekeurige verhuizing; laten we zeggen: een verhuizing van Amsterdam naar Groningen. Het gaat zelfs dieper dan een emigratie. Men zal op zijn minst moeten spreken van een cultuurshock.

Wat houdt het in, gezeten te zijn in Babel? Nu is het grootste gevaar dat we meteen met de vinger gaan wijzen en bepaalde mensen of groepen het etiket opplakken: zij wonen in Babel. De woorden Gods zijn altijd bedoeld voor óns, om ons de weg te wijzen, de weg van de Thora, dat is de onderwijzing, een weg die steeds weer door profeten actueel gemaakt moet worden, dus altijd opnieuw een profetische weg, nooit een platgetreden pad, nooit een vastgelegde route, maar immer weer een ongebaande weg die ontdekt en opengelegd moet worden. Als we menen de weg te ‘bezitten’, erover te beschikken, dan zitten we al in Babel. De woorden Gods gaan altijd door onszelf heen; ze zijn bedoeld om scheiding te maken in ons, niet om scheiding te maken tussen ons en de ander, hun doel is niet: te verstrooien, maar samen te voegen.

Voor welke leefwijze kiezen wij?

Voor ons persoonlijk geldt de vraag: woon ik in het domein van Babel of ben ik al overgegaan naar het gebied van Sion? En dat is geen statische toestand; dat is niet een kwestie waar we eens voor altijd klaar mee zijn. Telkens weer zullen we moeten kiezen tussen de leefwijze van Babel en de leefwijze van Sion. Met opzet gebruik ik het woord ‘leefwijze’. Want Babel is meer dan een gedachtewereld; dat is het ook en dat is het allereerst want uit de gedachten komen alle dingen voort. Maar Babel is evenzeer een manier van leven. Het is een manier van zijn, het is een gedragscode. In Babel gaan mensen anders met elkaar om dan in Sion.

Laten we enkele kenmerken van het leven in Babel onder de loep nemen. Om te beginnen zien we dat Babel het gebied is waar de mens de ander niet meer verstaat. Jesaja noemt het: “het volk met een duistere, onverstaanbare spraak, met een barbaarse, onbegrijpelijke taal” Jesaja 33 vers 19 (Jes. 33:19). Diep en vreemd is hun taal, en dan geeft Jesaja twee kernmotieven: het horen is afwezig (onbegrijpelijk); dit nu is uiterst typerend voor het leven in Babel: de afwezigheid van het horen en de afwezigheid van het onderscheiden. Zo begon het immers al in Genesis 11 vers 7 tot en met 9 (Gen. 11:07-09) Laat ons hun taal verwarren of vermengen, zodat zij niet meer horen (verstaan, zegt het NBG, letterlijk: horen), een man de taal van zijn genoot. Hier brak het gesprek af. De mens die van huis uit aangelegd was op het gesprek, was niet langer in staat tot mededeelzaamheid.

Het basisprobleem van Babel

In Babel is geen wezenlijk gesprek. Geen horen en geen onderscheiden; de mens leeft er voor zichzelf, hij leeft er ten koste van de ander, hij bouwt er aan zijn eigen koninkrijk, als een kleine droeve vesting waar de eenzaamheid woont. In Babel is men bang voor elkaar, want je weet nooit wat de ander in zijn schild voert. Men moet zich altijd gereserveerd opstellen want openhartigheid en trouw kent men er niet. Het basisprobleem is: de waarde van een mens is daar onbekend.

De sterren zijn in Babel namelijk belangrijker dan de mensen, want de mensen buigen er voor de sterren en ze zeggen: ons lot staat in de sterren geschreven. “Gij hebt u afgetobd met talrijke toverijen, gij hebt u afgesloofd met uw vele plannen, laten nu opstaan en u redden (eigenlijk: u bevrijden) die de hemel indelen, die de sterren waarnemen, die maand voor maand doen weten wat u overkomen zal” Jesaja 47 vers 12a en 13 (Jes. 47:12a-13). Het is interessant dat er, nauwkeurig vertaald, staat: die u maand voor maand bekend maken, vanwaar het over u komen zal. Zij maken bekend waar het vandaan komt.

Zij menen de oorsprong te kennen; zo denken ze te kunnen beschikken over de toekomst. Ze voelen zich machtig want ze kunnen manipuleren met het lot, maar in wezen zijn ze in de greep van de vrees. Want zij zijn kleine mensen, en ver boven hen staan die grote lotsbepalende sterren, sterrenbeelden die de dienst uitmaken.

Wat gebeurt hier? Hier wordt de mens gedegradeerd, omlaag gehaald. Jesaja 47 eindigt dan ook met de veelzeggende woorden: ieder dwaalt zijn eigen kant uit, zonder dat iemand u redt, of beter: er is niemand die u bevrijdt. De mens wordt knecht van de sterren, knecht van het lot.

God stelt de mens in de vrijheid

Wat is het dan ‘bevrijdend’ als een mens mag vernemen: die sterren, daar hoef je helemaal niet bang voor te zijn, het zijn schepselen; het zijn geen machthebbers, ze zijn geschapen door diezelfde God die jou gemaakt heeft en… die jouw bondgenoot is. God is niet de God van het lot, van het noodlot, Hij is de God die de mens in de vrijheid zet, die het juist opneemt voor de mens en tegen het lot. Immers, hoe vaak staat er niet in de Schriften: Ik zal een keer brengen in hun lot. De Statenvertaling zegt dan zo treffend: Ik zal hun gevangenis wenden. Zo is God. Hij is de God van de wending.

God is niet statisch, niet een star en onverwrikbaar standbeeld, maar een God die totaal anders is dan alle beelden die men van Hem gemaakt heeft. Niet een God die de bestaande toestand in stand houdt, maar een God die er steeds op uit is, een wending te weeg te brengen in de geschiedenis.

Het kenmerk van Sion is God zelf

Daarom is het kenmerk van Sion: “Ik zelf, luidt het woord des Heren, zal haar een vurige muur zijn rondom” Zacharia 2 vers 5 (Zach. 02:05). De enige muur die Sion kent, is God zelf. Geen muur om mensen op te sluiten, geen muur die mensen van elkander scheidt, maar zoals Jesaja het zo schitterend formuleert: “Hij stelt heil tot muren en voorwal” Jesaja 26 vers 1 (Jes. 26:01), en dat woord ‘heil’ heeft als grondbetekenis: vrijheid, bevrijding. De duisternis wil de mens isoleren, achter gesloten deuren zetten; maar God is anders, God neemt het op voor de vrijheid van de mens. In de grondtekst staat er het woord: jesjoe’ah, een begrip dat heel nauw verwant is aan de naam Jezus.

Zo is het wezen van God; Hij is een muur die de vrijheid garandeert, een muur van vuur om de verdrukker, de tiran tegen te houden. Deze muur sluit alleen de boze buiten. Zoals daar bij de uittocht uit het slavenhuis Egypte een vuurkolom was, een zuil van vuur, die het volk Gods verlichtte, vóórlichtte en veilig deed gaan, zo zegt God, zo zal het opnieuw zijn, een muur van vuur, van lichtglans in de nacht.

Tweemaal klinkt daar de uitspraak: “Ik zal zijn”; helaas heeft de NBG dit slechts eenmaal weergegeven, er staat echter: “Ik zal zijn een muur van vuur, Ik zal zijn heerlijkheid” . Deze uitdrukking herinnert aan de geschiedenis van Mozes, waar God zijn naam onthult met dezelfde woordvorm: “Ik zal zijn die Ik zijn zal”.

Het werkwoord dat meestal vertaald wordt met ‘zijn’, kan betekenen: worden, geschieden, erbij zijn, erbij betrokken worden, present worden. Zo kunnen we deze godsspraak weergeven: Ik zal een muur van vuur worden rondom haar, en Ik zal worden heerlijkheid in haar midden. God is niet statisch; God komt juist tot zijn volle ontplooiing in zijn relatie tot de mens.

Herstel van het gesprek tussen God en mens

De twee gedeelten die op dit vijfde vers volgen, Zacharia 2 vers 6 tot en met 13 (Zach. 02:06-13) en Zacharia 3, werken nader uit, hoe God muur en heerlijkheid gaat worden ten behoeve van de mens. Ook hier zien we weer hoe het uitgangspunt van Babel en het grondbeginsel van God tegenover elkaar komen te staan. Sleutelwoorden in het tweede deel van Zacharia 2 zijn: komen en wonen. “Jubel en verheug u, gij dochter van Sion, want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des Heren” Zacharia 2 vers 10 (Zach. 02:10) letterlijk: Ik kom en zal wonen in uw midden; dit wonen in uw midden keert in Zacharia 2 vers 11 (Zach. 02:11) nog eens terug, er valt dus een extra accent op, zoals blijkt uit deze herhaling.

De uitdrukking ‘in uw midden’ herinnert trouwens aan Zacharia 2 vers 5 (Zach. 02:05), waar precies dezelfde term gebruikt wordt: tot heerlijkheid zal Ik worden in haar midden. Frappant is dat Zacharia 2 vers 4 (Zach. 02:04) eveneens eindigt met datzelfde woord: de menigte van mensen en vee in haar midden (het NBG vertaalt vrij zwak: daarin; in vers 5 zegt het NBG: binnen in haar). Viermaal treffen we dus een identieke aanduiding aan; die moet dan ook viermaal consequent met hetzelfde woord vertaald worden.

Hierin komt zo typerend tot uiting; de ballingschap is opgeheven, alles geschiedt nu weer in het midden van Sion. Er is weer sprake van een komen en een wonen Gods; het gesprek tussen God en mens wordt hersteld.

De uitwerking op de volkerenwereld

Wanneer nu God en zijn volk herenigd worden, dan heeft dit zijn uitwerking op de volkerenwereld. Wat betreft de volken die Sion uitgeplunderd hebben, spreekt de Here: “Ik beweeg mijn hand tegen hen (letterlijk: over hen) en zij zullen hun knechten ten buit worden; dus de volken worden buit van Sion, immers de inwoners van Sion waren hun tot knechten geworden” .

En dan vertelt Zacharia 2 vers 11 (Zach. 02:11) ons: “Vele volken zullen te dien dage gemeenschap zoeken met de Here en zij zullen Mij tot een volk zijn”. Hier wordt een bijzonder boeiend woord gebezigd voor ‘gemeenschap zoeken met’; dit werkwoord is namelijk afkomstig van dezelfde woordstam als de eigennaam Levi; de betekenis is eigenlijk: zich hechten aan de Here; vele heiden volken, staat er in feite, en zij zullen worden voor God tot een volk; nu wordt een ander woord gebezigd voor ‘volk’, niet heiden volk, maar de aanduiding die vaak voor Israël gebruikt wordt, wanneer God zegt: je bent mijn volk, Ammi, zoals het met name ook voorkomt in Hosea 1 vers 12 (Hos. 01:12).

Heidenen worden volk van God. En hoe komt dat? Hosea 1 vers 11 (Hos. 01:11) zegt: “Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal in uw midden wonen”; een andere vertaling geeft het zo weer: ze worden Mij tot een volk, omdat Ik in uw midden ga wonen. Omdat: dat geeft de reden aan; het een volgt op het ander: wanneer God zijn intrek neemt te midden van de zijnen, in Sion, dan zal de uitwerking daarvan zijn dat vele volken binnen de invloedssfeer van zijn rijk worden gebracht.

God schrijft de volkenwereld niet af. In Hosea 1 vers 12 (Hos. 01:12 horen we: “Hij zal Jeruzalem nog verkiezen”. Dezelfde uitspraak vormde ook reeds het slotakkoord van het eerste nachtgezicht in hoofdstuk 1 vers 17. En in het vierde gezicht (hoofdstuk 3 vers 2), klinkt het opnieuw door: “De Here die Jeruzalem verkiest, bestraffe u” . Tot driemaal toe wordt hier dus de aandacht op gevestigd; derhalve hebben we hier te maken met een grondthema van Zacharia, Gods keuze voor Jeruzalem.

Maar dit moeten we niet misverstaan; vaak heeft men verkeerde conclusies getrokken aangaande een zogenaamde uitverkiezing. God zou de

 

ene mens voorbestemd hebben tot eeuwige zaligheid en de andere mens tot eeuwige verdoemenis. Niets is echter minder waar; dit zou volkomen in strijd zijn met Gods karakter. God verwerpt niemand; niemand is voorbestemd om verdoemd te worden. Als iemand in de duisternis eindigt, is dat uitsluitend omdat hij het kwade hardnekkig liever heeft gehad dan het goede.

God kiest voor de mens

God verwerpt geen mens. Bij Hem bestaat er maar één keuze, dat is de keuze voor de mens. God kiest voor Jeruzalem, maar dit moeten we wel op de juiste manier begrijpen; dit betekent in wezen: God kiest voor de mens. God kiest niet voor een kleine groep om dan de rest buiten te sluiten; God kiest voor Jeruzalem, dat is de stad die model staat voor de hele mensheid.

Gods keuze is niet exclusief, maar inclusief; zijn keuze omvat allen. Jeruzalem is de modelstad voor de hele schepping, het is de stad van de vrede, de stad van de shalom, dat wil zeggen in de grondbetekenis: de stad van de heelheid.

Jeruzalem vormt de tegenhanger van Babel; Babel is de stad van angst en eenzaamheid, daar is geen gesprek. In Babel kunnen de volkeren nooit zichzelf zijn. Jesaja spreekt over Babel als de stok der goddelozen, de scepter der heersers, die in verbolgenheid zonder ophouden natiën sloeg, die in toorn volken vertrad in meedogenloze vervolging Jesaja 14 vers 5 en 6 (Jes. 14:05-06.) Babel tiranniseerde de volken; ze werden in één systeem geperst, want Babel is niet alleen een valse religie, het is ook een dwang cultuur.

De betekenis van het begrip ‘Heilig’.

Gods doel is dat de volken onder Babel vandaan komen. Opdat elk volk weer zichzelf kan worden, naar zijn unieke aard. Tweemaal klinkt in de slotverzen van Zacharia 2 het begrip ‘heilig’. De Here zal Juda doen wonen op de heilige bodem Zacharia 2 vers 12 (Zach. 02:12) en het als zijn erfdeel in bezit nemen; en in vers 13 (Zach. 02:13) wordt gemeld: Hij maakt zich op uit zijn heilige woning.

Wat is heilig? We kunnen het best uitgaan van het werkwoord, want dat is de meest oorspronkelijke vorm. Heiligen is iemand of iets als volstrekt uniek, als uitzonderlijk ervaren, en om die reden apart zetten. Maar iemand wordt apart gezet om zo een heilzame invloed te kunnen uitoefenen op zijn omgeving.

God is heilig: dat duidt niet op een isolement; God isoleert zich niet, Hij sluit zich niet af. Het betekent veeleer: God is anders, Hij reageert anders, Hij is niet wraakzuchtig, niet haatdragend. Zoals God het zo diep en treffend uitspreekt bij monde van Hosea: “Want Ik ben God en geen mens, heilig in uw midden, en Ik zal niet komen in toorngloed” Hosea 11 vers 9 (Hos. 11:09).

Gods heiligheid bestaat juist daarin dat Hij niet komt in toorn, dat Hij niet kwaad met kwaad vergeldt. Hij is anders dan het gangbare, Hij komt met vergeving tot de mens die niet meer op vergeving durfde hopen; Hij doet de deur open voor degene die dacht dat de deur voor altijd gesloten was; Hij opent een weg voor de mens die meende dat zijn laatste kans voorgoed voorbij was. God is anders.

Zo is er een heilige bodem en een heiige woning: anders, uniek. God geeft de mens weer grond onder de voeten, de grond van het gesprek. Daar mag hij zichzelf worden, in het gesprek met God.

In Zacharia 3 komt dit thema verder aan de orde: hoe God de mens weer in staat stelt om gesprekspartner van Hem te worden. De mens die met vuile klederen bekleed is, bedekt met het vuil van Babel, die mens die dacht: mijn tijd is voorbij, hoe zal ik ooit weer de zuiverheid kennen? die mens mag weer rein en puur, zuiver en onbesmet, staan voor God.

Mens uit Babel, machteloze mens, jij die je smaad en smet niet af kunt schudden, jij die niet weg kunt lopen uit je verleden, jij mag weer worden wat je van huis uit was: gesprekspartner van de Allerhoogste.

(wordt vervolgd).

 

De bloeiende gemeente door Evert van de Kamp

 

“De gemeente zal voor mijn aangezicht bloeien” (Jer. 30:20).

Zo staat het in de vertaling van Obbink. In de Staten­vertaling lezen wij: “De gemeente zal bevestigd wor­den”.

Bloeien en bevestigd worden. Heerlijke beloften van de Heer. Eén en al bemoediging voor de gemeente in deze tijd. Voor de tijd waarin wij nu leven en die voor ons ligt. In vers 24 (Jer. 30:24) schrijft de profeet Jeremia: “In het laatst der dagen zult gij dat inzien”. Gods volk beleeft dat. Er staat nog wat bij. Namelijk dat God de plannen van zijn hart volvoert en die verwerkelijkt.

De gemeente onder druk

De gemeente, uit de Jood en uit de Griek – die twee heeft God tot één gemaakt – Efeze 2 vers 14 (Ef. 02:14), is Gods plan voor de wereld. De blauw­druk daarvan is in het hart van God. Vanaf het begin is dat plan Gods belegd. De voorbeelden daarvan zijn legio.

Altijd al heeft de gemeente onder grote druk gestaan. Wij zien nu hoe die druk hand over hand toeneemt. De gemeente van Christus krijgt het zwaar te verduren. Gelijk het natuurlijk Israël vervolgd werd en wordt, zo ook het Israël Gods, het geestelijke Isra­ël, de gemeente. “Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen”, sprak de Heer Johannes 15 vers 20 (Joh. 15:20). En Paulus schreef aan Timotheüs: “Allen, die in Christus Jezus godvruchtig willen leven, zullen ver­volgd worden” 2 Timoteüs 3 vers 12 (2 Tim. 03:12).

Wij weten waar die druk van­daan komt: het is de draak die de vrouw, beeld van de gemeente, vervolgt Openbaring 12 vers 13 (Openb. 12:13).

Allerwegen probeert satan te beletten dat een mens zijn veiligheid en schuilplaats in de gemeente van Christus vindt. Of hij forceert alles om die mens er weer uit te halen. Ook dat lukt hem soms. Ook zij die reeds in de gemeente zijn zullen zich daar heel duidelijk moeten bewaren in de Heilige Geest. Satan is sluw. Ontelbaren weet hij te verleiden. Daar­voor gebruikt hij de ene mens tegenover de ander. Zelfs in de gemeente. De duivel werkt ondergronds. Hij ondermijnt gemeenten en mensen Handelingen 20 vers 29 en 30 (Hand. 20:29-30).

De overwinnende gemeente

Er is echter een volk dat zich niet (meer) laat omko­pen. Niet omdat zij zelf zul­ke krachtpatsers zijn, maar omdat zij de tegenstander door hebben. Zij weten dat de vuurgloed, die tot be­proeving dient, niet behoeft te bevreemden, of hen iets vreemds overkwame 1 Petrus 4 vers 12 (1 Petr. 04:12). Zij leren zich heel duidelijk en zuiver op te stellen. Zij overwinnen de aanklager door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11). Zij hanteren het zwaard van de Geest, het Woord van God. Het zijn de geestelijk radicalen.

Radicaal moet je zijn, wil je stand blijven houden. Door halfslachtigheid vallen velen (af). Wij kennen de smarte­lijke voorbeelden daarvan. Paulus had daar ook weet van 1 Timoteüs 1 vers 20 en 2 Timoteüs 1 vers 15 (1 Tim. 01:20 en 2 Tim. 01:15). God heeft ons wel met vele kostelijke beloften begiftigd, maar die worden alleen gerealiseerd door een leven in geloof. Echt geloof grijpt het Woord aan.

Maakt het Woord tot vlees en bloed. De gelovige mens kan zich verheugen.

Hij weet: “De poorten der hel zullen de gemeente niet overweldigen” Matteüs 16 vers 18 Statenvertaling (Matt. 16:18). Hij weet: de gemeente is van Chris­tus; het is zijn lichaam. Jezus is het Hoofd van de gemeente. En Hij koestert en voedt zijn gemeente. Zonder vlek of rimpel of iets dergelijks gaat de Heer zijn gemeente voor Zich stellen. Stralend.

Daarom: de gemeente zal bloeien, zal worden beves­tigd. Maar nooit buiten ons om. De Heer vraagt en verwacht onze volledige in­zet. Dat een ieder zich to­taal in voegt in de gemeen­te, het lichaam van de Heer. Van een ieder wordt verwacht dat hij, door zijn eigen persoonlijke inbreng, dat lichaam opbouwt en op geen enkele wijze daaraan afbreuk doet. Samen mogen wij – en alle gemeenten – de eenheid des geloofs en volle kennis van de Zoon van God bereiken, de mannelijke rijp­heid, de maat van de was­dom der volheid van Chris­tus Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Alleen sa­men zijn wij in staat te vat­ten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is en te kennen de liefde van Christus Efeze 3 vers 18 (Ef. 03:18).

De vakanties zijn weer voorbij. Allerlei gemeente­werken krijgen een nieuw heerlijk verfrissend begin. Werken wij met elkaar de werken van de Heer, dan bloeit de gemeente – en u ook -. De bevestiging van de Heer zal dan zeker niet uitblijven.

Wie gelooft wordt beves­tigd. De vreugde van de Heer is zijn gemeente, die voor zijn aangezicht bloeit. Uw leven dat voor Hem bloeit!

 

 

 

Mededelingen door redactie

Vorig nummer – Van het vorige nummer (juni-juli, nr. 249) zijn extra exemplaren gedrukt. Dat nummer met onder andere de artikelen: “Hoe komt Gods leven in ons?” en “Van ontmaskering naar overwinning”, leent zich uitstekend voor verspreiding. Normaal is de prijs voor losse nummers vanaf 10 exemplaren f. 1,25. Voor nr. 249 hebben we echter een uitzondering gemaakt en een speciale ‘actieprijs’ van slechts 50 ct. per exemplaar vastgesteld. Minimumafname 20 ex. + portokosten. Uiteraard zolang de voor raad strekt.

Naamsverandering – Onze mederedacteur Nico Goverts heet voortaan Klaas Goverts. Het spreekwoord zegt: “Iedere verandering is geen verbetering”, maar dat geldt niet voor deze naamsverandering. Want Klaas is meer in overeenstemming met zijn oorspronkelijke voornamen: Klaas Nico. Even wennen, maar het is dus nu: Klaas Goverts.

 

Jezus, mijn al in al (gedicht) door Judith Jacobs

Hooglied der liefde Hooglied 2 vers 1 (Hoogl. 02:01)

Jezus: bloeiende roos van Saron;

Lelie vol schoonheid, die straalt in het dal;

Welriekende geur in de tuin van mijn leven,

Jezus, Gij zijt mijn al in al.

 

Hooglied 1 vers 13 (Hoogl. 01:13)

Jezus: uw lieflijke naam mij gegeven

Is als de mirre, zo bitter en zoet:

Stroom van gena op Calvarie verkregen,

Jezus, balsem voor ’t smart’lijkst gemoed.

 

Hooglied 1 vers 14 (Hoogl. 01:14)

Jezus: uw sierlijke tooi kroont de hoven

Van Engedi’s wijngaard, in rijkdom en pracht;

Bloem van de henna die – in het verborgen –

Haar eigene taal spreekt van liefde en kracht.

 

Hooglied 8 vers 7 (Hoogl. 08:07)

Jezus, ik min U, mijn ziel wil U loven:

Lichtende Sterre, die straalt, overal:

Rivieren en waat’ren, zij kunnen niet roven

Mijn liefde ten leven, Mijn Brui’gom, mijn al.

 

Op welke wijze strijden wij? door Peter Hagendoorn

 

Onlangs las ik een fijn arti­kel. Een fijn artikel omdat het opbouwend en bemoedi­gend was en om de geest en de strekking die uit het verhaal naar voren kwam.

Toch stond er – wellicht me­de door een wat ongelukkige Bijbelvertaling – een voor mij moeilijk te verteren be­wering. De schrijver begint namelijk met het citeren van Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15) uit de NBG-vertaling waar staat: “Hij (Jezus) heeft de over­heden en machten ontwapend en openlijk ten toon gesteld en zo over hen ge­zegevierd”. Vervolgens wordt er dan gesteld dat de duivel door velen nog wordt erkend als onoverwinnelijk, maar dit is beslist niet waar. Integendeel: de waar­heid is (volgens de schrij­ver) dat we de duivel (moe­ten?) erkennen als een ont­wapende, een machteloze. En deze bewering is nu net de ‘waarheid’ niet. Als de duivel machteloos is en ontwapend zouden we ook niet behoeven te strijden en een geestelijke wa­penrusting nodig hebben (Efeze 6). Om u Bijbelstudie en Bijbelteksten te be­sparen, een aanhaling uit het zeer vrij vertaalde “Levend Woord”, die mijns inziens wel weergeeft waar het om gaat: “Zo heeft God de duivel en zijn tra­wanten de macht ontnomen ons te beschuldigen. Hij heeft ze openlijk aan de kaak gesteld en daarmee laten zien dat ze aan het kruis van Christus over­wonnen zijn”.

Petrus spoort ons aan om nuchter te zijn, ofwel pragmatisch, niet in het vage (heerschappijen en machten). Laten wij ons daarom eens bezinnen wat hier bedoeld kan worden.

De waarheid tegenover de leugen

Jezus zelf was de ‘Waarheid’ Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06). Satan is zijn te­genbeeld, de leugenaar Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44).

Jezus is geopenbaard opdat Hij de werken – dus verleugeningen – des duivels verbreken zou 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08). We hebben hier dus te maken met een geestelijke strijd, de Waarheid tegen de leugen. Of zoals het ook wel vaak naar voren komt: de strijd van het licht tegen de duis­ternis of – wat deze woorden in de geestelijke wereld uit­drukken – het kennen van het woord van God tegen de onwetendheid (vaak als ge­volg van verleugening) van de mensen.

Jezus sprak te allen tijde, in elke omstandigheid, gele­gen of niet gelegen, openlijk en vrijmoedig over het Ko­ninkrijk der hemelen. Hij sprak de waarheid, en wel met zulk een autoriteit dat elke leugen, onwaarheid, etc. ontmaskerd werd. En deze autoriteit (zeggen wij ook niet: ‘kennis is macht’) was hem niet zo maar aan komen waaien, nee! Jezus was al vanaf zij twaalfde jaar bezig met de dingen zijns vaders. Als u Lucas 2 vers 40 (Luc. 02:40 v.v.) nog eens leest – het verhaal van de twaalfjarige Jezus in de tempel – staat er zo fijn­tjes in Lucas 2 vers 40 (Luc. 02:40): “Het kind groeide op en werd krach­tig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem”. En in Lucas 2 vers 52 (Luc. 02:52): “En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen”.

In zijn algemeenheid richtte Jezus zich op de mens om die te onderwijzen aangaan­de het Koninkrijk van God. Jezus leerde (aan anderen) wat God bedoelde, wat be­langrijk was en wat niet. Jezus werd dan ook ‘rabbi’ genoemd, hetgeen vertaald kan worden als leraar of meester. Het was de aan­spreektitel voor de Schriftgeleerden.

Slechts een enkele maal ging Jezus tekeer tegen de mensen. En als dat dan gebeurde dan ging het niet eens zo zeer om de wereld­se leiders – geef de keizer wat des keizers is – maar bijna altijd tegen de gees­telijke leiders van het volk te weten de farizeeërs en Schriftgeleerden. Het wa­ren immers deze leiders, die het volk wetten en las­ten oplegden, die ze zelf niet hielden. Deze leiders/ heersers gebruikten hun natuurlijke autoriteit/macht om met hun vrome woorden het volk te misleiden, respectievelijk te verleugenen. Op die manier waren zij een instrument van satan. En wat was het gevolg? De men­sen kregen een totaal ver­keerd Godsbeeld, met als gevolg dat zij totaal niet tot de ontplooiing kwamen, die God de mensheid had willen geven.

Jezus ontmaskerde de heersers

Het zijn juist deze leiders geweest die door Jezus wer­den ontmaskerd (onttroond) als huichelaars en bedrie­gers, etc. Matteüs 23 vers 13 (Matt. 23:13).

En hoe werden deze heersers ontmaskerd (ten toon gesteld als leugenaar) of ontwapend (hun leugens werd de kracht ontnomen)? Door de houding van Jezus tijdens zijn leven en aan het kruis. Hij ver­vloekte niet, maar integen­deel: Hij bad voor hen! “Va­der, vergeef hen, want ze weten niet wat ze doen”.

Jezus ging niet door de knieën voor hun uitdagingen en verleidingen: “Kom toch van dat kruis af, je noemt je toch de Zoon van God?”. En toen enkele dagen later Jezus opgestaan was en aan de eerste discipelen en apos­telen was verschenen, ja toen bleek dat Jezus een waarmaker van zijn woord was. Toen Petrus daar later in grote vrijmoedigheid te­genover de Raad van ge­tuigde (Hand. 4), was het enige wat de heren kon­den doen hem dreigen.

Deze overwinningen waren mogelijk omdat Jezus in de Waarheid stond, te weten het (geschreven) woord van God Johannes 17 vers 17 (Joh. 17:17). Willen wij strijden om te overwinnen, dan zullen wij eveneens kennis van dat Woord moe­ten hebben. Want wij kun­nen wel onze mond vol heb­ben over de leiding van de Heilige Geest, maar behoren ons wel te realiseren dat deze Heilige Geest stoelt op de woorden van de Vader en de Zoon. Johannes 14 vers 15 (Joh. 14:15) zegt: “Dit hen Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf, maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik gezegd heb” Johannes 14 vers 25 en 26 (Joh. 14:25-26).

Dit betekent dat elke gelo­vige alles wat hij hoort of leest, moet toetsen aan de ‘Waarheid’. Hebben wij de­ze kennis van het Woord, dan kan de Heilige Geest zijn werk in ons binnenste doen en kunnen wij – net zoals Jezus op basis van de liefde – de werken van satan ontmaskeren.

Dus het is niet alleen – wat de schrijver aannam – een groot geloof/vertrouwen met betrekking tot wat Jezus voor ons heeft gedaan aan het kruis, maar tevens de kracht en de moed om in al­le openheid te getuigen van de ‘Waarheid’.

De waarheid overwint

Het is altijd de Waarheid die overwint, al is de strijd vaak lang en hevig. Alleen op deze manier wordt u een strijder in Gods Koninkrijk, iemand die strijdt tegen (leugen)machten, verzinsels en bedenksels 2 Korinthe 11 vers 13 (2 Kor. 11:13). Jezus heeft satan overwon­nen! Nu u nog, doet u mee? Wees niet bang, de Heer zelf is uw schild. Satan kan dan nog wel rond gaan als een briesende leeuw, maar als we met zijn allen doen wat Jezus deed, dan heeft satan inderdaad nog maar zeer weinig tijd.

“Nu is verschenen het heil en de kracht en het ko­ningschap, van onze God en de macht van zijn Ge­zalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God, is neergeworpen. En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis” Openbaring 12 vers 10 en 11 (Openb. 12:10-11).

 

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 5 –

De dag van de Heer komt naderbij

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang” Openbaring 8 vers 1 (Openb. 08:01). Met de opening van het zevende zegel vangt de eindtijd aan. Het is goed hier enkele punten vast te stellen, die ons bij de verdere bestudering tot tekens kunnen dienen. Alle profeten hebben geprofeteerd over deze tijd als ‘de dag des Heren’ of ‘die dag’ of ’te dien dage’. Het is een tijd van oordeel, van scheiding, van gericht, van duisternis voor de wereld en licht voor het volk van God. Jesaja 60 vers 2 (Jes. 60:02) zegt: “Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden” .

Maar deze duisternis zal niet blijven over de natiën. De dag des Heren zal eindigen als een geweldige triomf van het licht voor alle volken. Openbaring 21 vers 3 en 4 (Openb. 21:03-04) zegt dan ook: “En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen”. Ook de volken zullen uiteindelijk deel hebben aan de heerlijkheid Gods; ook over hen zal de Here opgaan. Daarom is de eindtijd ook een tijd van vreugde om het nieuwe dat komen gaat. ‘De dag des Heren’ is een tijd van oogst, van geboorte, van vernieuwing. Letterlijk vertaald moet het eigenlijk zijn ‘de Heerlijke-dag’ of ‘de dag van de Heer’.

De eindtijd is niet het einde, maar de voltooiing. Eindelijk zal de ganse schepping tot de sabbatsrust ingaan. Aan het einde van ‘de dag van de Heer’ zal de Zoon een volmaakt herstelde schepping aan de Vader overdragen. God zal dan zijn alles in allen 1 Korinthe 15 vers 28 (1 Kor. 15:28). Dat is dus een vast punt wat we in ons denken vasthouden: het is niet een aflopende zaak – weg met alles – maar Hij, die op de troon gezeten is, zegt: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw”. Dat wil zeggen: Ik heel alle dingen en breng alles tot volheid. Deze woorden worden gesproken door Hem die gezegd heeft: “Ik ben de Alpha en de omega, het begin en het einde. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig” Openbaring 21 vers 5 en 6 (Openb. 21:05-06).

De dag van de gemeente

De dag des Heren is ook de dag van de gemeente. Jezus zelf spreekt over “de dag van de Zoon des Mensen” Lucas 17 vers 24 (Luc. 17:24) en in Johannes 8 vers 56 (Joh. 08:56) zegt Jezus: “Mijn dag”. Judas 1 vers 8 (Judas 01:08), Openbaring 6 vers 17 (Openb. 06:17) en Openbaring 16 vers 14 (Openb. 16:14) spreken over “de grote dag’. Paulus schrijft op verschillende plaatsen over de dag des Heren’. In 1 Thessalonicenzen 5 schrijft hij: “Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt: Immers, gij weet zelf zeer goed, dat de dag des Heren zo komt, als een dief in de nacht” ,

Voor de gemeente van Jezus Christus komt dit echter niet als een dief in de nacht. Paulus schrijft dan ook verder in vers 4 en 5 (1 Thess. 05:04-05): “maar gij broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou; want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des daags” . Of wat Petrus Canisius vertaalt: “zonen ook van de dag”. Wij hebben deel aan de dag des Heren. Wij zijn ‘zonen’ van die dag. Het is de dag van Jezus Christus en allen die in Hem’ zijn door de verzegeling met de Heilige Geest Efeze 1 vers 13 (Ef. 01:13).

Dat is het tweede teken. De gemeente heeft deel aan de dag des Heren. Toen Jezus naar de hemel voer, was Hij daar de eerste en de enige, die de plaats op de troon in kon nemen. Hij was de Gezalfde, maar er was nog geen gemeente. Hij was de Koning, maar nog niet ‘der koningen’. Hij was de Heer, maar nog niet ‘der heren’. Maar nu is er een gemeente. Een schare die niemand tellen kan, symbolisch aangeduid met de 144.000 verzegelden. Niet meer alleen de Koning, maar nu ook onderdanen. “Een koninkrijk van koningen en priesters voor God” Openbaring 1 vers 8 (Openb. 01:08).

Geen afwerking van een schema

De eindtijd is niet het afwerken van een schema. Eeuwenlang is het boek Openbaring een gesloten boek geweest, evenals de profeten die geprofeteerd hebben over de eindtijd of ‘de dag des Heren’. Ook nu kunnen we nog niet alles exact verklaren en schematisch vastleggen. Dat is goed, want des te meer zullen we doen wat de Heer zegt namelijk: luisteren naar wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wij zullen de voortgang in ons innerlijk verstaan door de Heilige Geest.

Door de doop in de Heilige Geest heeft de gemeente altijd al veel verstaan van de profetieën uit het oude verbond. Al de profeten hebben gesproken over de voor de gemeente bestemde genade, zegt Petrus. Ze dienden de gemeenten en die verstaan het nu door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is

1 Petrus 1 vers 10 tot en met 12 (1 Petr. 01:10-12) . Door deze Geest verstaan wij nu ook de woorden van Jezus zelf, als Hij zegt: “moest de Christus (en in Christus is altijd de gemeente begrepen) dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en al de Profeten en Hij legde hen uit, wat in al de schriften op Hem betrekking had” Lucas 24 vers 26 (Luc. 24:26). Hij zegt in Lucas 24 vers 25 (Luc. 24:25): “Alles wat de profeten gesproken hebben” . Men kan er niet zomaar hele stukken uitknippen en bestemmen voor het natuurlijke volk Israël. Heel veel wordt dit gedaan met de profeten Ezechiël en Daniël, maar geestelijke zaken kunnen ten enenmale niet vervuld worden aan natuurlijke mensen.

Het gehele Oude Testament, Mozes, de profeten en Schriften (zegt Jezus) hebben zich bezig gehouden met ‘de Christus’ en het heil voor de volkeren ‘door de Christus’.

Zo heeft de gemeente van Jezus Christus ook altijd de beschikking gehad over wat wij dan noemen ‘het boek Openbaring’, maar wat zo typerend begint met: “Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen hetgeen weldra moet geschieden” . En dan zegt de engel tegen Johannes: “Verzegel de woorden van de profetie van dit boek niet, want de tijd is nabij” Openbaring 22 vers 10 (Openb. 22:10) . Dit troostboek mocht niet verzegeld worden. Dat wil zeggen: het moet open blijven, toegankelijk, want het sprak en spreekt van troost, genade, hoop en blijde tijding voor de gemeente.

Maar nu het Lam in opdracht van de Vader Handelingen 1 vers 7 (Hand. 01:07) het laatste zegel opent, gaan bij ons ook de geestelijke ogen verder open en kunnen wij met Johannes zeggen: “Daarna zag ik, en zie!”. De gemeente zal een volk van zieners moeten zijn. Maar dan ooit te voren zal het volk van God “de Geest van wijsheid en van openbaring moeten hebben en verlichte ogen des harten” (wat Paulus ook bidt voor de Efeziërs in Efeze 1 vers 17 en 18 (Ef. 01:17-18), want de geestelijke wereld is in heftige beroering over ons. De psalmist zegt: “Waarom woeden de volken en zinnen de natiën op ijdelheid? De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en zijn gezalfde” Psalm 2 vers 1 en 2 (Ps. 002:001-002); zie ook Handelingen 4 vers 24 tot en met 31 (Hand. 04:24-31) .

Het derde vaste punt of teken is dus dat de gemeente door de Heer wordt ingelicht over de verdere ontwikkeling. “Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan de knechten, de profeten” Amos 3 vers 7 (Amos 03:07). Niets komt voor de gemeente als een dief in de nacht. De gemeente zal weten wat er gaat gebeuren en hoe het zal gebeuren. God werkt niet buiten Jezus Christus om en Jezus Christus werkt niet buiten zijn lichaam – de gemeente – om.

Weest heilig, want Ik ben heilig

Als de dag des Heren aanbreekt, beginnen de gerichten. Als de Bijbel dan spreekt bijvoorbeeld in Joël 1 vers 15 (Joël 01:15): “Wee die dag, want nabij is de dag des Heren; als een verwoesting komt hij van de Almachtige” of 1 Korinthe 3 vers 13 (1 Kor. 03:13): “Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt” en nog vele van deze uitspraken, dan moeten wij dit gaan verstaan in de geestelijke werkelijkheid, zonder aan God iets ongerijmds toe te schrijven. Hiervoor hebben wij verlichte ogen des harten nodig. Meer dan ooit zullen wij de woorden van Jezus toepassen als Hij zegt: “Onze Vader die in de hemel zijt; Uw naam worde geheiligd” Matteüs 6 vers 9b (Matt. 06:09b) .

De Naam van God heiligen, dat wil zeggen geen ‘ duisternis aan Hem toeschrijven. God, de Vader van alle i leven is met Zijn hele wezen, met Zijn hele hart zo intens bij de schepping betrokken, dat Hij nooit iets ten kwade kan doen. Jezus Christus heeft ons de Vader doen kennen als een enkel goede God. Johannes zegt: “En dit is de verkondiging, die wij van Hem (Jezus Christus) gehoord hebben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geenduisternis” . Dat verandert niet zomaar in de eindtijd. De “Ik ben die Ik ben” uit Exodus 3 vers 14 (Ex. 03:14) is de eeuwige onveranderlijke goede God, die in de aanhef in Openbaring 1 vers 4 en Openbaring 1 vers 8 (Openb. 01:04 en Openb. 01:08 heel nadrukkelijk genoemd wordt als de God die , aan Jezus Christus deze openbaring voor zijn dienstknechten heeft gegeven. En deze openbaring is niet tot verderf, maar tot zaligheid Openbaring 1 vers 3 (Openb. 01:03). Daarmee is het karakter van het boek Openbaring en de bedoeling van God duidelijk omschreven.

“Zalig hij die voorleest en zij, die horen en bewaren”. In hoofdstuk 4, waar de vertegenwoordiging van de schepping hulde brengt aan God, wordt uitgeroepen – als een proclamatie in de hemel – : “Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt” zie ook Jesaja 6 vers 2 en 3 (Jes. 06:02-03). Dit moet als vierde teken ons in het goede spoor houden. “Onze God is een heilig God”. Dit is aan de heilige engelen en de boze geesten geproclameerd. Voor ons moet dit ook vaststaan, zoals het voor Jezus Christus vaststond. De ganse schepping zal het moeten weten en ze zullen het uit onze mond moeten vernemen: “Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, die was en die is en die komt!”

De rechtvaardige rechter

God wil behouden en niet verderven. Daarom heeft Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven Johannes 3 vers 16 en 17 (Joh. 03:16-17). Jezus zegt in Johannes 12 vers 50 (Joh. 12:50): “En Ik weet, dat het gebod van Mijn Vader eeuwig leven is” . Dat verandert in de eindtijd niet in ‘hel en verdoemenis’, maar dit heilswoord van Jezus zal juist nu met grote kracht verkondigd worden door de gemeente.

Ook van Jezus Christus staat geschreven dat Hij onveranderlijk is: “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” Hebreeën 13 vers 8 (Heb. 13:08). En Hij is door de Vader aangewezen als de Man, die ‘in die dag’ de aardbodem rechtvaardig zal oordelen Handelingen 17 vers 31a (Hand. 17:31a) . Hij zal een totale scheiding gaan maken tussen duisternis en licht en de maatstaf is ‘rechtvaardigheid’, wat ook de grondslag is van Zijn Koninkrijk Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06). In het Hebreeuwse taalgebruik zijn ‘richten’ en ‘helpen’ of ‘redden’ begrippen die parallel lopen. Het betekent de ‘redding’ of ‘verlossing’ van de vijanden. Daarom zegt Jesaja 35 vers 4 (Jes. 35:04): “Maar ’te dien dage’ – in de toekomst dus – “zal Hij komen en u verlossen”.

En Psalm 96 vers 10 (Ps. 096:010) zegt: “Hij zal de volken richten in rechtmatigheid”. Psalm 96 vers 11 tot en met 13 (Ps. 096:011-013): “Dan zal de hemel en de aarde zich verblijden en juichen en jubelen voor de Here, want Hij komt, want Hij komt om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid en de volken in Zijn trouw” . Eindelijk zal er iemand zijn die in gerechtigheid en trouw recht zal spreken. God heeft Hem aangewezen, “waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken” Handelingen 17 vers 31b (Hand. 17:31b) .

Het vijfde teken is dus: God en Jezus Christus zenden geen plagen, maar deze zijn inherent aan het tot volle rijpheid komen van Babel, de grote hoer, die als fundament heeft “het scharlaken rode beest, dat vol is met Godslasterlijke namen” , ‘ontheiliging’ dus Openbaring 17 vers 3 (Openb. 17:03) . Daarom zegt het Schriftwoord ook: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4; Jesaja 48 vers 20; Jesaja 52 vers 11; 2 Korinthe 6 vers 17 (Openb. 18:04; Jes. 48:20; Jes. 52:11; 2 Kor. 06:17).

God waakt over Zijn woord

Wij zullen niet alleen ‘kennis’ moeten hebben van de goedheid en de heiligheid van God, zoals door Jezus Christus en Zijn apostelen aan ons verkondigd, wij zullen dat niet alleen als maatstaf bij ons hebben, maar dat zal in ons moeten zijn, met ons zijn verweven. God heeft altijd het laatste woord en niet de duivel. Dat zal ons altijd weer moed en kracht g ven om door te gaan ook al spreekt alles tegen. Jezus zei ook verschillende malen tot Zijn discipelen: “Thans reeds zeg Ik het u, eer het geschiedt, opdat gij, wanneer het geschiedt, gelooft, dat Ik het ben” Johannes 13 vers 19; Johannes 14 vers 28; Johannes 16 vers 1 tot en met 4 (Joh. 13:19; Joh. 14:28; Joh. 16:01-04).

Zo spreekt het boek Openbaring en al de profetieën in het oude verbond – die in het boek Openbaring weer terugkomen – hoe alles zal geschieden. God kent de machten en krachten die in het rijk der duisternis werken. Niemand dan God zelf, de Heilige Geest en Jezus Christus, die overwonnen heeft, kennen dit. Het beeld dat Nebukadnezar ziet in een droom en de uitlegging daarvan door Daniël in Daniël 2, spreken hier duidelijk van (zie ook hoofdstuk 7 en 8) .

“En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt, opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt” Johannes 14 vers 29 (Joh. 14:29). God weet hoe het bolwerk Babel geslecht moet worden. Toen er nog geen volk Gods in de hemel was, was alles nog verzegeld Jesaja 29 vers 11; Daniel 8 vers 26; Daniel 12 vers 4 (Jes. 29:11; Dan. 08:26 en Dan. 12:04). Maar nu, in de eindtijd, als het zevende zegel geopend is door het Lam, dan zijn alle zegels geopend en “de verzegelden gaan het verstaan” Openbaring 9 vers 3; Daniel 12 vers 10 (Openb. 09:03; Dan. 12:10) en zij zullen het beschreven vonnis voltrekken (Ps. 149:9). God waakt over Zijn schepping en over Zijn Woord. Ten tijde van het zesde zegel zien wij in Openbaring 7 vers 1 (Openb. 07:01) de vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden (geesten) der aarde vasthielden zodat er geen schade toegebracht zou kunnen worden aan de schepping. Dit zijn de vier grootmachten der duisternis met hun heerlegers Daniel 7 vers 1 en 2 (Dan. 07:02-07).

Maar God zelf bepaalt: Eerst moeten mijn dienstknechten aan hun voorhoofd verzegeld zijn. Eerst moet er een leger Gods zijn, die deze machten en krachten kan overwinnen tot hun ondergang. Jesaja 53 vers 19 Statenvertaling (Jes. 53:19) zegt: “Als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des Heren de banier tegen hem oprichten” . Een teken, een herkenningsteken, een veldteken van de vorst is dat. De Geest des Heren richt de banier op. Dat wil zeggen: een volk tot de strijd toegerust, treedt de vijand tegemoet. En dit teken aan of in de hemel is de gemeente van Jezus Christus Matteüs 24 vers 30 (Matt. 24:30) .            (wordt vervolgd).

 

 

 

1984.06-07 nr. 249

Levend geloof 1984.06-07 nr. 249

De werkelijke vrijheid door Gert Jan Doornink

In de afgelopen junimaand was het veertig jaar geleden dat de Geallieerden landden in Normandië. Krant, radio en televisie hebben uitvoerig aandacht besteed aan deze gebeurtenis, die de laatste fase inluidde van de bevrijding van West-Europa. De 50-plussers onder onze lezers hebben elk hun eigen herinnering aan ‘D-day’, 6 juni 1944, toen de eerste legereenheden na zware strijd aan land kwamen. Ik was 14 jaar en herinner mij dat ik het ’s morgens mijn vader ging vertellen, die aan het gras maaien was met een door twee paarden getrokken maaimachine, op de uiterwaarden langs de IJssel, waar we onze boerderij hadden. Hoe ik het bericht gehoord heb weet ik niet meer, maar wel dat het bijzonder nieuws was. De bevrijding zou immers nu niet lang meer op zich laten wachten…

Voor de meeste Nederlanders duurde het echter toch nog bijna een jaar voor de bevrijding kwam en er feest gevierd kon worden. Wekenlang leefden velen in een feestroes. Het juk van de onderdrukker was verdwenen en men ging eendrachtig werken aan de opbouw van ons vaderland. Een nieuwe toekomst met geweldige perspectieven lag voor ons…

We behoeven niet verder de naoorlogse geschiedenis te memoreren om tot de conclusie te komen dat de idealen en verwachtingen van de eerste naoorlogse jaren alleen in vervulling gingen wat betreft materiële dingen. Er kwam immers een tijd van welvaart, die echter tegelijkertijd gepaard ging met morele verwording, geestelijke vervlakking, drugsverslaving, etc.

Er gebeurde echter nog iets anders! In de naoorlogse jaren waren er ook die het werkelijke geloof weer leerden kennen en daardoor ook de ware vrijheid! Toen ik in 1945 weer in een vrij Nederland kon leven, was er een intense blijdschap, die echter op geen enkele wijze in de schaduw kon staan bij het wonder van de wedergeboorte die ik in het najaar van 1952 meemaakte. Door de aanvaarding van Jezus als mijn Bevrijder en later als de Doper met de Heilige Geest, kwam de werkelijke vrijheid en de echte blijdschap in mijn leven.

Gods Woord zegt niet voor niets dat wie door Jezus vrijgemaakt is werkelijk vrij is Johannes 8 vers 36; Galaten 5 vers 1 (Joh. 08:36; Gal. 05:01). Vrij van satans macht, vrij van geestelijke onderdrukking, vrij van angst en zorg. Jezus heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13). In dit Koninkrijk te leven en vanuit dat Koninkrijk te functioneren, is de vrijheid beleven naar Gods wil. Dan zijn we ook voor anderen, die de vrijheid in Christus nog niet kennen, levende wegwijzers naar de werkelijke vrijheid.       

 

Gods grootheid (gedicht) door Judith Jacobs

Vakantie-impressie

“Sta stil en let op Gods wonderen” Job 37 vers 14b (Job 37:14b).

Gij spreekt reeds in de vroege morgen,

In ’t zilver van de ochtenddauw

Waarover Gij hebt uitgespannen

Uw hemelboog, van stralend-blauw.

 

Zo ik Uw godd’lijk spoor zou volgen,

‘k Betrad de woning van het licht

Waar Gij regeert en wind en wolken

Versluieren voor Uw aangezicht.

 

Uw vinger heeft de grens getrokken,

Bepaalt de lijn van kust en land;

Het spel der zee, de trotse golven

Worden bedwongen door Uw hand.

 

Woestijnen schept Gij door Uw adem,

Uw woord formeert der bergen-rij;

Wie stil staat en aanschouwt Uw wonderen,

Aanbidt de Schepper: die zijt Gij!

 

Hoe komt Gods leven in ons? door Jan W. Companjen

God wil ons gebruiken. Hij wil dat wij als gemeente van Jezus Christus, als Zijn li­chaam gaan functioneren. Dat wij het werk voort zetten wat Jezus is begonnen te doen zie Handelingen 1 vers 1 (Hand. 01:01). Maar, hoor ik nu een aantal van onze lezers zeggen, daar­voor moet je eerst bruikbaar worden gemaakt en daarom zullen we daar nu eens grondig aandacht besteden.

De scheiding tussen ziel en geest

In 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 (1 Thess. 05:23) lezen wij: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Hij die u roept is getrouw; Hij zal het ook doen”. Wij zeggen nog al eens lichaam en ziel, waarbij we dan met het li­chaam, het aardse en met de ziel, het verhevene be­doelen. Dit is afkomstig uit de Griekse gedachtewe­reld: het lichaam is de ker­ker waarin de ziel gevan­gen zit. Deze gedachte, dit denken, is diep in de christelijke kerk doorgedrongen.

In de Bijbel is er echter een scheiding tussen ziel en geest. Daar wordt uitdrukkelijk, onder andere in Hebreeën 4 vers 12 (Heb. 04:12), ge­steld dat het woord Gods levend en krachtig en scherper is dan enig twee­snijdend zwaard. Het dringt door, zo diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest. Dat wil dus zeggen, dat als het Woord van God er werkelijk in gaat, er scheiding komt tussen ziel en geest. Wat de Bijbel zegt is waar, wat God zegt wordt bevestigd. De psychologie kan zich bezighouden met de ziel-geest van de mens, maar hij kan deze niet zo aanraken dat zij tot nieuw leven komt. Dat alles nieuw wordt. Dat kan alleen het Woord van God.

Wij kunnen dan ook vast­stellen dat er mensen zijn met een ziele-lichaam en dat er mensen zijn met een geestelijk-lichaam.

Daarvan wordt gesproken in 1 Korinthe 15 vers 44 tot en met 49 (1 Kor. 15:44-49): “Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan be­staat er ook een geestelijk lichaam. Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn ook hen die stoffelijk zijn, en zoals de hemelse is, zijn ook hen die hemel­s zijn. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dra­gen”. Hier wordt gesproken van een natuurlijk – psy­chisch – lichaam. Een ‘zie­lig’ lichaam (tot de ziel be­horend) en een geestelijk lichaam. Het natuurlijke gaat in de dood en er wordt een geestelijk lichaam opge­wekt. De doop is daarvan een teken en een getuige­nis .

Het unieke van de mens is de Geest

De mens met de ziel (let op!) gaat in het graf en er wordt een geestelijke mens opgewekt. De geest is het unieke van de mens, dat heeft geen enkel ander schepsel. De geest is dat deel van de mens waarmee hij God kan kennen. Daarin bevindt zich de antenne waarmee de klanken uit de hemel, de on zienlijke we­reld, opgevangen kunnen worden. Als je dat woord Gods wilt horen en ver­staan, heb je de Geest van God nodig. Het orgaan, dat deel van de mens, dat daarvoor klaar gemaakt wordt is de geest. De men­selijke geest weet wat er in de mens omgaat. De Geest van God weet wat in God is, zij kent God. Zie 1 Korinthe  02 vers 11 en 12 en 1 Korinthe 02 vers 14 (1 Kor. 02:11-12 en 1 Kor. 02:14).

De ziel is de zetel van ons gevoel, ons verlangen, het emotionele, de wil, het ‘IK’. Het hoort allemaal bij de mens en het is ons als een goddelijke gave gegeven. De ziel van Jezus kon ook in beroering raken. Hij weende bij het graf van La­zarus en in Markus 14 vers 34 (Mark. 14:34) staat dat Hij bedroefd was, tot stervens toe. Maar de geest gaat erover heer­sen, de psychische stormen worden overwonnen. Door de geest vindt Jezus de rust weer. In Johannes 12 vers 27 (Joh. 12:27) zien wij dat Jezus bij de aankondiging van zijn dood ook ontroerd wordt. Hij zegt dan: “Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader verlos mij uit deze ure. Maar hiertoe ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam!” (De geest staat bo­ven, beheerst de ziel). “Toen kwam een stem uit de hemel: Ik heb hem verheer­lijkt en Ik zal hem nogmaals verheerlijken” Johannes 12 vers 28 (Joh. 12:28).

De mens die zich openstelt voor ontvangst van het Woord van God, ontvangt dat Woord als zaad in zich. Dat woord gaat wortel schie­ten en hij of zij leert God kennen, omdat Zijn Geest levendmakend in ons werkt.

De geest is als een lamp, die lamp wordt ontstoken en gaat licht en warmte geven door de Heilige Geest. Die Geest gaat werken in ons innerlijke wezen en langzaam maar zeker gaat onze geest steeds sterker verbonden worden met Gods Geest en gaan wij Hem leren kennen zoals Hij is.

Hij wil u geven het ware leven. Het leven waar ieder mens, innerlijk naar snakt, naar zoekt en bij het vin­den daarvan ontvangt hij de ware vrede. Ieder mens heeft de mogelijkheid met God in het reine te komen. Ieder mens, ook de natuur­lijke mens, heeft een lichaam-ziel en geest. Ook het lichamelijke is van God, is door God geschapen. Het lichaam is bestemd als tempel van de Geest Gods. De vraag is echter of wij als mens onze geest als een lamp des Heren willen laten ontsteken. Willen we Zijn lichtbrenger zijn? Kortom willen wij als schepsel Gods aan onze roeping gestalte geven? Willen wij een mens worden zoals de Schepper dat bij de schepping be­doeld heeft? Indien wij ja zeggen zal Hij. de God des vredes, ons geheel heiligen. En bij de komst van Chris­tus zullen wij zijn gelijk Hij is, een volmaakte schepping Gods.

Hoe worden wij beelddrager Gods

Zo is de mens ook een drie-eenheid. Geest, ziel en lichaam. Deze drie zijn wel te onderscheiden, maar niet te scheiden. Bij de schepping was dit reeds Gods bedoeling: “En God zeide: Laat Ons mensen ma­ken naar ons beeld, als on­ze gelijkenis” Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26), dat wil zeggen ook als een drie-enig wezen. Zo in dit beeld is God in Zijn wezen ook niet te scheiden. God de Vader, de Zoon Jezus Christus en het lichaam van Christus, de gemeente, is ook een drie-enig wezen. Het is alles geborgen in één Geest. De Vader en de Zoon zijn reeds één en het is Zijn wil dat wij als Zijn gemeente ook in die éénheid opgenomen worden.

In Johannes 17 vers 24 (Joh. 17:24) lezen wij daarvan: “…opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U; dat ook zij in ons zijn; opdat de wereld gelove (ja dan zal de wereld geloven!) dat Gij Mij gezonden hebt”.

Uit dit laatste blijkt duide­lijk dat de geest de mens tot mens maakt en dat de met God verbonden geest hem maakt tot beeld van God. Hoe die mens er uit ziet zien wij in Jezus Christus. Jezus Christus is de mens zoals God hem wil­de hebben, naar Gods beeld en gelijkenis. De geest is het beheersende element van de mens, deze regeert over ziel en lichaam. Jezus was zo met de Vader verbonden door de geest dat alles daardoor werd geleid. Hij is de eerstgeborene en er zullen er nog velen volgen, omdat de Geest Gods ons zal leiden naar de volle waarheid. Naar het juiste inzicht waardoor de schep­ping Gods tot het doel komt waartoe Hij het geschapen heeft. Gods plan staat vast en wij mogen en wij zullen in Zijn voetsporen gaan.

Het wonder van de wedergeboorte

Bij de ongelovige mens is de geest onderworpen aan de ziel. De Geest van God kan niet functioneren. De mens is vlees en onderwor­pen aan slechte begeerten. Het lichaam wordt veront­reinigd door de ziel. De mens is in zijn totaliteit ge­beten door de slang. De verbinding met God is ver­broken en de verbindingen onderling gaan ook stuk. De mens wordt beheerst door de duivel. De ongelo­vige wordt geregeerd door het rijk der duisternis. Het lagere heerst over het hogere!

Maar, halleluja, de gevallen mens, dat wil zeggen een ieder die uit de eerste Adam geboren is, mag een ander mens worden! Er mag uit hem of haar een nieuwe mens geboren wor­den. Wat de tweede Adam is (Jezus Christus) mogen wij worden. Maar dan moet er wedergeboorte zijn. De oude mens moet begraven worden, de nieuwe mens moet opstaan. Wat uit vlees geboren is, is vlees. Wat uit de Geest geboren is, is geest. Bij dat wonder komt de nieuwe mens tevoorschijn. Dan krijgt de geest weer de eerste plaats. Door de wer­king van Gods Geest in ons, wordt de menselijke geest zo vernieuwd en veranderd, dat hij verbonden wordt met de Heer en van daaruit gaat leven en denken. Door vast te houden aan het Woord van God dat Jezus Christus onze Verlosser en Redder is, dat er een nieuw ver­bondsvolk is in Zijn bloed, dat Hij voor onze zonden heeft betaald en ons daartoe heeft los gekocht uit de macht van satan, zullen wij leven en van dag tot dag vernieuwd worden naar geest, ziel en lichaam. Dan blijven wij geen vleselijke mensen meer, maar worden geestelijke mensen, beeld­dragers van Christus.

Een mens die geboren is in een christelijk gelovig gezin is nog niet wedergeboren. In Johannes 3 vers 6 (Joh. 03:06) zegt Nicodémus: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees en wat uit de Geest geboren is, is geest”. Het maakt niets uit of dat ‘christelijk vlees’ is of niet. Menselijk, natuurlijk leven is erfelijk, wordt door de mens doorge­geven. Geestelijk, goddelijk leven kan alleen God zelf geven door Zijn Heilige Geest. Een aardse vader kan aards leven aan zijn kinderen meegeven. Leven uit God, kan Hij alleen zelf geven en daartoe moet ieder mens persoonlijk, uit een heidens of uit een christelijk milieu, het door God aangeboden leven in en met Christus aannemen. Ie­der mens moet zich persoonlijk overgeven en open­stellen voor het werk van Gods Geest. Hij of zij moet zich het woord Gods toe-eigenen, het als het ware opeten. Dan zal men ont­dekken dat Jezus Christus het ware manna is en dat men steeds meer een deel van Hem wordt.

Een mens is van nature dood, hij is dood door de zonde. Die zonde, hoe groot die ook is, is door Christus afbetaald. Volkomen. Hij is het Lam Gods en Hij droeg de schuldenlast van een ieder die Hem als zoenof­fer Gods aanvaardt. De duivel heeft dan geen recht meer op je, je bent gekocht en betaald en hebt een nieuwe Meester, een nieuwe Leidsman ge­kregen. Een christelijke opvoeding, het lid zijn van een kerk of gemeente, het als kind opgedragen of ge­doopt zijn, is niet voldoen­de. Door al deze dingen kan iemand die geestelijk dood is niet levend gemaakt wor­den. Dat kan alleen door wedergeboorte, door te ge­loven in het volbrachte werk van Jezus Christus.

De persoon van Jezus Christus is het antwoord op al onze zonden, zorgen, nood en dood. Door Zijn volbrachte werk op het kruis droeg Hij onze zon­den, schulden en ziekten.

Totale verlossing door Christus

Zij die in Christus zijn, die zich aan Hem hebben toe­vertrouwd, zijn voor eeuwig geborgen en mogen het Ko­ninkrijk Gods binnengaan. In en door deze tweede Adam volvoert God Zijn plan.

Een andere weg is er niet. Jezus en Hij alleen heeft Gods wil, Gods wet vervuld. Jezus kocht ons met Zijn bloed voor God uit satans macht en heerschappij. Hij betaalde de losprijs voor ons.

Daarom kon de Here Jezus ook Paulus zenden met de opdracht, die nu ook voor ons geldt, dat de mens zich, op grond van de vol­brachte vrijkoop, zal beke­ren van de macht van satan tot God Handelingen 26 vers 18 (Hand. 26:18).

In Christus is satans macht gebroken. Hij vergeeft niet alleen onze zondeschuld, indien wij die aan Hem be­lijden, maar Hij geeft ons ook verlossing en overwin­ning. De zonde wordt bij de wortel aangepakt. Wij zijn met Hem (onze oude mens) gekruisigd, met Hem gestorven en begraven, maar ook met Hem opgewekt tot een nieuw levend geloof.

Het volbrachte heilswerk ligt onomstotelijk vast, maar het gaat er nu om dat wij er persoonlijk bij betrokken worden en er persoonlijk deel aan krij­gen. Jezus wil in ons leven binnenkomen. Hij wil ons dopen, vol maken, vol gie­ten, met Zijn Geest en dan… wil Hij in en door ons Zijn kostbaar werk doen.

Daarom is het leven van een christen overgegaan van de dood in hét leven. Het leven Gods dat uitein­delijk de wereld zal be­dekken , omdat de aarde vol zal worden van de ken­nis des Heren!

 

Brief uit Zuid-Afrika door Tijmen Wakker

“Wanneer elke maand “Levend Geloof” in mijn brievenbus wordt geschoven, dan ver­blijd ik mij daarover, want dit blad is voor mij van veel betekenis. Omdat ik een eenzame werker ben onder zwarte en bruine mensen, is het toch zo noodzakelijk om meer te weten van het volle evangelie. Ik vermoed dat u mijn adres hebt gekregen van broeder K. Hoefnagel van de volle evangelie ge­meente te Urk. Ik ben op Urk geboren en getogen, en de laatste keer dat ik op Urk was, in september 1981, maakte ik kennis met die gemeente.

Zij hadden in de “Urker krant” van mij gelezen dat door handoplegging en gebed zieken gezond werden, en toen zeiden ze: deze zware oud gereformeerde do­minee heeft zich vast en ze­ker laten dopen, die zijn daar fel tegen. Zij zochten contact met mij en zij moes­ten toen horen op wat voor wonderlijke wijze de Here mij geleid had om mij te la­ten dopen door een kleuring pastoor in een zwarte kerk en hoe mij later de handen werden opgelegd. Ik heb eigenlijk maar één zondag doorgebracht in hun ge­meente, want ik moest die woensdag weer terug zijn.

Het artikel in het aprilnum­mer, “Volmaakt in de lief­de” van Rob Polderman, heb ik zeker wel tien keer overgelezen, dat was waar­lijk balsem voor mijn ziel. Als je altijd maar alleen zonder een gemeente, tegen de beesten moet vechten, zoals Paulus ons leert, dan heb je wel geestelijke on­dersteuning nodig.

Als ik schrijf over het te­gen de beesten vechten, dan is dit tegen de tover­dokters.’ Zodra daar iemand tot bekering komt, dan ko­men zij in actie, daardoor krijg je van de zwarten geen hulp tegen hen. Ik ben nu een maand thuis, welke ik steeds doorbreng in gebed, want mijn gees­telijke kracht was bezig om af te nemen. Ik ben ver­baasd hoe Gods Geest mij door Zijn Woord er op wijst op welke wijze de duivels strijden tegen mij.

Verleden jaar maart was er was in een kerkzaal een to­verdokter tijdens de dienst. In de Naam van Jezus Christus dreef ik hem uit, toen werd de zaal betoverd en daar kwamen geen men­sen meer. Nu ga ik de krottenwijken in en voor dat zij er achter komen is het evangelie verkondigd.

Doordat ik mij heb laten do­pen ben ik veel vrienden kwijt geraakt die mij onder­steunden in Nederland, maar wat ik er geestelijk voor terug heb ontvangen, is meer waard. Ik ben in mijn 72ste jaar, maar ik ben gezond en fiks, prijs de Here!

Op pagina 15 van het april­nummer las ik over het “Le­vend Geloof” zendingsfonds. Ik wil daar ook een kleine bijdrage aan sturen dat is R. 10 (Rand), dit zal iets meer dan 20 gulden opleve­ren. Maar Psalm 37 vers 16 (Ps. 037:016) leert ons: “Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is be­ter dan de overvloed veler goddelozen” . Groet ook alle broeders die meewerken aan “Levend Geloof” van mij en ook u zelf hartelijk gegroet in de heerlijke wonderlijke Naam van Koning Jezus, Die is en die was en die ko­men zal, halleluja!”.

 

Brief uit Spanje door Robert Jimmink

Van broeder Robert Jimmink wiens getuigenis over zijn werk onder de Spaanse zi­geuners wij plaatsten in “Levend Geloof” van vorige maand, ontvingen wij een brief uit Spanje, waar zij voor het zesde jaar gedu­rende een half jaar het volle evangelie gaan ver­kondigen. Zij hebben veel boekjes laten drukken met vijf Bijbelstudies over: Het fundament van het ge­loof, het Koninkrijk der hemelen, sleutels tot het Koninkrijk, geestelijke ga­ven en de vijf wijze en vijf dwaze maagden. Deze boek­jes worden verspreid en onderwezen in de verschil­lende gemeenten waar broe­der en zuster Jimmink ko­men. Broeder Jimmink schrijft o.a.: “Na de eerste prediking in Reus bleek ons wel dat, al hoewel de planten in de droge akkers heel aardig gaan groeien, toch nog heel wat levend water nodig is om echt vrucht voort te brengen. De ‘gitaños’ missen eenvou­dig groei en geestelijke verdieping” Bidt voor deze belangrijke arbeid onder een volk dat open staat voor het evangelie.

 

De profeet Zacharia door Nico Goverts  – 4 –

De man met het meetsnoer

“Ik hief mijn ogen op en zag: daar was een man, een meetsnoer in zijn hand”, zo begint hoofdstuk 2, het derde gezicht. Een man: we behoeven hier niet aan een engel te denken; deze man beeldt de mens uit die bezig is met het herstelplan van God. De profeet vraagt: “Waar gaat gij heen?” en het antwoord luidt: “Ik ga Jeruzalem meten, en zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn” Zacharia 2 vers 2 (Zach. 02:02). Op dat moment was de toestand van Jeruzalem verre van rooskleurig: er was wel een kleine groep ballingen teruggekeerd uit Babel en zij hadden een begin gemaakt met de herbouw van de tempel; ze waren echter niet verder gekomen dan het fundament. En nu, in de dagen van Zacharia, is er nog bitter weinig voortgang gemaakt. De mensen hebben geen moed om te bouwen. De dood ligt over de puinhopen van de stad, zoals eenmaal die andere profeet, Jeremia, aankondigde toen hij de donkere wolken van de verbanning zag naderen: “De dood is gekomen in onze vensters” Jeremia 9 vers 21 (Jer. 09:21). En nu zijn er al meer dan zeventig jaren voorbijgegaan maar de tijd is nog niet genezen. De dood zit nog in de vensters en de angst huist op de muren, althans op wat eens de muren waren.

Jeruzalem, die naam zegt veel: stad van de vrede, in wezen nog meer, nog dieper, stad van de gaafheid. Maar juist daar zijn zoveel wonden; het lijkt wel of alle wonden van de wereld, alle kwetsuren van de historie daar samenkomen, nergens is de pijn van de geschiedenis zo diep als daar. Zal er genezing zijn voor zoveel dagen die beschadigd zijn, voor muren die verbroken werden, voor wegen die nu onbegaanbaar zijn? Zal er nog gaafheid zijn voor de stad die zo werd verwond?

God heelt in de geschiedenis

Als God zal helen, dan zal dat binnen de geschiedenis moeten gebeuren. Niet daarna. Het kan nooit betekenen een opheffing van de tijd. God gaat de tijd niet opheffen, stopzetten, God gaat de tijd helen. Wanneer de aarde vernietigd zou worden, zou er geen genezing meer mogelijk zijn; wat je eenmaal hebt laten verdwijnen, daar valt niets meer aan te vertroosten. Dan kun je nog zo mooi een andere aarde maken, maar daarmee is de oude aarde niet getroost. Dan kun je het nooit meer goedmaken. Wanneer een persoon leed draagt, kan men dat leed niet verzachten door de persoon die lijdt, te vernietigen. Als de aarde vernietigd zou worden, dan komt de vertroosting te laat. Als de genezing van de tijd niet plaats vindt in de geschiedenis, dan komt die genezing te laat. Toen Noach in de ark ging, werd de tijd ook niet opgeheven, en de aarde werd trouwens ook niet vernietigd. En zo was het goed want reeds bij zijn geboorte was over deze mens Noach uitgeroepen: Deze zal ons troosten.

Toen het volk Israël uit het huis der benauwdheid trok, hield de tijd evenmin op; integendeel, het Pascha was juist het begin der maanden en zo was het goed want zo werd de tijd der benauwdheid geheeld. Toen Jezus geboren werd, hield de tijd ook niet op; er gebeurde iets totaal anders: de tijd werd vervuld, de dagen werden vervuld, de dagen ontvingen hun uiteindelijke inhoud, waarop ze zo lang hadden gewacht. Bij de komst des Heren die wij verwachten, zal de tijd ook niet ophouden. Dat zou een mislukking betekenen. Een nederlaag voor de Koning. Dat zou inhouden dat Hij de zaak alleen nog kon redden door de klok voor eeuwig stil te zetten, door de wedstrijd voortijdig te beëindigen. De uitdrukking alleen al spreekt voor zichzelf: Hij zou de zaak redden door er een eind aan te maken. Dat is natuurlijk een volslagen tegenstrijdigheid: geen enkele zaak wordt gered door er een eind aan te maken. Dan valt er niets meer te redden. De komst des Heren betekent niet het einde van de tijd; evenmin vindt de parousie plaats als de tijd afgelopen is. Neen, het zal een gebeuren zijn in de geschiedenis, in de tijd. Alleen dan is het zinvol; alleen dan kunnen we spreken over een volheid der tijden. De tijden die geleden hebben onder de leegte, onder de pijn van het gemis, onder de eenzaamheid, zij worden tot vervulling gebracht, hun wordt verkondigd: je bent niet tevergeefs geweest. De tijden worden gevuld, zoals een hoorn gevuld wordt met olie, zoals balsem ingaat in de wond.

De stad van de toekomst

Jeruzalem, de stad, moet gemeten worden. Maar met welke maat? De man die hier genoemd wordt, blijkt volgens het vierde vers een jonge man te zijn: hij is de mens van de toekomst. Deze mens is op zoek naar de stad van de toekomst. Wanneer er in de Schrift sprake is van meten, dan heeft dit in de regel betrekking op wat gaat komen. Als Ezechiël in hoofdstuk 40 het nieuwe godshuis te zien krijgt, dan begint het met een man die een meetsnoer in zijn hand heeft en dan valt het op dat deze man een maat hanteert van zes ellen. Het huis Israël krijgt de opdracht, het model na te meten. Het gaat derhalve om het model, het origineel van de Schepper.

Frappant is dat juist in het laatste Bijbelboek het begrip ‘meten’ weer een belangrijke rol gaat spelen. Johannes verneemt de op roep: “Sta op en meet de tempel Gods” Openbaring 11 vers 1  (Openb. 11:01) . En wanneer de ziener aan het eind van zijn visioenen de nieuwe stad aanschouwt, het nieuwe Jeruzalem, de vernieuwde stad der gaafheid, dan wordt er ook weer gemeten. En dan is er een heel opmerkelijk detail; dan lezen we in Openbaring 21 vers 17 (Openb. 21:17): “En hij mat haar muur op, honderd vierenveertig el, mensenmaat, die engelenmaat is. Nu treft ons die toevoeging: mensenmaat. Wat betekent dat? Want dit heeft alles te maken met de stad die Zacharia tekent. Immers, wat vermeldt deze profeet als voornaamste kenmerk van de stad der toekomst? Als een open plaats zal Jeruzalem daar liggen. Dan vragen wij ons af of er verband, verwantschap bestaat tussen dit beeld dat Zacharia schetst en die aanduiding bij Johannes. Twee markante momenten: open plaats, en mensenmaat.

De identiteit van een stad

Wat is een stad? Met die kernvraag zullen we dan moeten inzetten. Hoe dienen we het wezen van een stad te zien? Waarin bestaat de identiteit van een stad? Wanneer het rijk der duisternis een stad bouwt, dan treffen we daar enkele opvallende kenmerken aan. Allereerst anonimiteit. De mens wordt een naamloze. Kaïn spreekt het uit: Ik moet me voor uw aangezicht verbergen, en vervolgens wordt hij de stichter van de eerste stad op aarde. Zo gaat de mens de stad binnen en hij verliest zijn naam; als hij bij de ingang komt, staat daar de portier die zegt: Wilt u hier uw naam af geven alstublieft? Wees niet bang, klinkt het bij de douane, wij nemen alleen uw paspoort in. En zo ging een naam voorbij en als een naamloze liep hij door de straten, een mens naar wie niemand zocht.

Naast het wapen van de anonimiteit is er in de stad het wapen van de massa. De massamens is ontstaan; deze mens denkt niet, hij reflecteert slechts. Hij reageert op prikkels, op datgene wat hem gedicteerd, voorgeschoteld wordt; er wordt voor hem gedacht. In de massa wordt de taal ontzield, dat wil zeggen ontdaan van zijn goddelijke oorsprong. De massamens kan geen gesprek meer voeren, hij is niet in staat tot een persoonlijke relatie. Het persoonlijke valt buiten zijn horizon en als het bij geval in zijn wereld binnenkomt, ervaart hij het als benauwend, bedreigend; hij weet er geen weg mee, kan het niet plaatsen. De massamens is weerloos; hij heeft geen verweer tegen prikkels en invloeden die op hem afkomen.

Waarom is de oorspronkelijke mens gaan spreken? Hamann zegt: De mens is gaan spreken omdat het woord Gods, het spreken Gods hem van alle kanten omgaf. Waarom gaat een kind spreken? Omdat het spreken van vader en moeder dat kind omgeeft; het kind ademt in de atmosfeer van het gesprek; het ademt die sfeer in; reeds in zijn bestaan als baby is het opgenomen in het klimaat van de dialoog. Moeder houdt hele verhalen tegen haar hummeltje. Want het is een mens, een persoon, bestemd om aangesproken te worden. Adam, de oorspronkelijke mens, werd omringd door het spreken van de Schepper. Zoals Heidegger zei: De mens spreekt, omdat hij de buurman is van het Zijn.

Is God de God van de massa?

De massamens heeft zijn ziel verloren. Hij heeft slechts een collectief bewustzijn. Daar vlucht hij in. Zo is de stad voor hem geworden tot een vluchtplaats, een vrijstad, maar dan een karikatuur van wat in de Schriften een vrijstad wordt genoemd. Omdat de mens zijn ziel verloren heeft, vlucht hij om zich te verbergen; hij is niet meer aanspreekbaar, hij is dodelijk beangst dat hij aangesproken zou worden, hij verbergt zich in de groep. Men zie bijvoorbeeld maar hoe een groep tieners alles durft; als men er echter één alleen aanspreekt, is hij wellicht bang en verlegen. Neem het verschijnsel van de jeugdbende, het actiefront, de vakbond. Er wordt een bom geplaatst, een overval gepleegd, en een of ander actiefront stelt zich verantwoordelijk voor het gebeurde. Niet een persoon, maar een groep. Zo kan men de merkwaardige uitdrukking horen: Er is nog geen groepering geweest die de overval van gisteren voor zich heeft opgeëist.

De massamens heeft zijn God verloren. God is namelijk niet de God van de massa. Dat is Hij nooit geweest en dat zal Hij ook nimmer zijn. Hij is wel de God voor allen, maar dat is iets totaal anders. Mijn Knecht, de waarachtige, zal door zijn waarachtigheid en door zijn kennis Gods velen (de velen, staat er eigenlijk) waarachtig maken, aldus Jesaja; de velen, maar niet de massa.

Bij de massamens verdwijnt de taal. Taal is oorspronkelijk de verbinding tussen God en mens. De mens is in het beeld Gods geschapen; hij staat van huis uit in betrekking met God, hij staat in de taal, hij is bestemd om gedachten te ontvangen en mee te delen. De massamens kent slechts het gepraat en daarin zoekt hij vergetelheid. Hij tracht de tijd te doden (typerende aanduiding) door te praten; zo vult hij zijn koffiepauze. En wat blijft erover als de tijd gedood is? Als hij praat, is dit vrijwel altijd een reactie op het een of ander: reactie op het weer, of op iets wat hij gehoord of gezien heeft. Hij kan niet zelfstandig een gedachte ontwikkelen. De massamens kent geen verwondering of belangstelling, zo stelt F. de Graaff vast, aan wiens analyse wij enkele punten ontlenen. Hij kent slechts de nieuwgierigheid. Nietzsche heeft erop gewezen dat de krant de plaats heeft ingenomen van het gebed.

De massamens en de techniek

De massamens gaat hand in hand met de techniek. De machine is symptoom van de ontmenselijking van de mens. Men moet steeds dezelfde handeling verrichten; hart en verstand worden verdrongen. De machine stelt zich tussen de mens en de schepping. De arbeider ziet niets van het materiaal dat hij verwerkt. Maar ook het resultaat is aan zijn oog onttrokken; hij is alleen bezig met zijn onderdeel van het productieproces; het begin en het eind gaan buiten zijn oog en hand om. Vroeger was daar de handwerksman; hij was een kunstenaar, hij was creatief. De machine heeft de creativiteit gedood; hetzelfde wordt eindeloos herhaald. Zo wordt de mens gedood, de mens die schepper met God was, wordt af gesneden van de schepping. Immers, de stad heeft nog een bijwerking: de mens ziet zijn medeschepselen niet meer; hij leeft en werkt tussen asfalt en beton, als hij uit zijn raam kijkt, ziet hij flats, muren, straten, auto’s. Hij leert niet meer zijn ogen te oefenen om ver te zien, want verder dan het volgende flatblok kan zijn oog niet gaan; geen verre horizon is daar om af te turen; geen landschap is er voor hem weggelegd. Er is geen einder meer. Hij is niet meer vertrouwd met de stemmen der vogels, met de geur van de bloemen; hoe zou hij ooit als Adam de dieren namen kunnen geven?

Zo is de mens een ontheemde; hij woont nog op aarde maar eigenlijk niet meer: in wezen is hij van de aarde verbannen en zijn verbanningsoord heet: de stad. De torenbouw van Babel toont ons hoe de stad manipuleert met de mens. Bij de kruisiging van Jezus, met name bij zijn berechting, zien we hoe de machten manipuleren met de massa. De wereldbeheersers hebben de massamens gecreëerd, zo hebben zij de mens gedood, zo kunnen zij ongestoord hun macht uitoefenen. Er was niemand die zijn snavel opendeed of piepte. De techniek verandert de aarde; de mens wordt steeds verder in het isolement gedrongen, los van de overige schepping.

Gods principes voor de toekomstige stad

Nu komt God en Hij stelt zijn grondprincipes voor de stad van de toekomst. Want de mensen waren zwervers, ze dwaalden in de woestijn, op een eenzame weg, een stad ter woning vonden zij niet, zoals Psalm 107 zo typerend stelt. Wel vele steden misschien, maar een stad ter woning niet, geen stad waar een mens kan wonen en kan leven, kan adem halen en zichzelf kan zijn.

Stad van God: een open plaats, gemaakt op mensenmaat. Een open plaats: slechts zelden komt dit woord in de Schriften voor, toch is het een grondtoon van het denken Gods. De God wiens naam is: Ik zal zijn die Ik zijn zal, met andere woorden: Ik zal je toekomst zijn, bij Mij is jouw toekomst veilig, die God bouwt geen klem en geen tang, geen doem en geen ondergang; die God maakt een open hof.

Een stamverwant woord komt voor in het lied van Deborah, waar de Statenvertaling weergeeft: “De dorpen hielden op in Israël, zij hielden op” Richteren 5 vers 7 (Richt. 5:7) en het elfde vers spreekt van de gerechtigheden des Heren, de gerechtigheden bewezen aan zijn dorpen in Israël. Toen Sisera heerste met zijn tirannie, hielden de dorpen op; daar viel niet meer te leven. Maar als God komt met zijn waarachtigheden, met zijn bevrijdend heil en bindend recht, dan bloeien de dorpen weer op; de boerenstand, zoals een andere vertaling zegt. En onze tekst uit Zacharia wordt door de Statenvertaling als volgt overgezet: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden. Zo denkt God, want zo is zijn wezen: ruimte, leven, bewoonbaarheid. De mens dicht bij de schepping. De vervreemding, de ontheemding opgeheven. Dorpsgewijze: zodat de mens niet ondergaat in de massa; hij wordt gekend, hij heeft een naam. Is dit ook niet een wezenlijk principe voor gemeentebouw? Het heil is voor allen maar niet voor de massa. Mensenmaat, noemt Johannes dat; maat van een mens, staat er letterlijk of wellicht mag men ook vertalen: maat van ‘de Mens’, de mens bij uitstek, zoals er in Hebreeën 2 ook staat, zonder lidwoord: Wat is een Mens, dat U hem gedenkt, en waar men eveneens kan zeggen: Wat is ‘de Mens’ dat U hem gedenkt? Mens zonder lidwoord, zonder nadere bepaling, dat is de Mens van alle tijden, de Mens zoals hij is in het hart van de Schepper, dat is de mens van oertijd, mens van de eindtijd, de Adam, Jezus, de mens Gods, wij.

De nieuwe stad is voor de mens op maat gemaakt; hij zal er zich thuis voelen, denkt God, Ik weet het zeker. Als hij hier binnentreedt, als hij dit ziet, zal hij roepen: O, stad van mijn dromen! Gij schrijft uw naam in onze diepste dromen. Zo zal de gemeente alvast moeten zijn: een plaats, open als een dorp, waar mensen zich thuis voelen, mensen in al hun verscheidenheid, in al hun veelkleurigheid, of ze nu introvert zijn of extravert. Niet enghartig, bekrompen, maar open, met de ruimte en de breedte van het rijk van onze God. “En Ik zal zijn voor haar, uitspraak van de Here, een muur van vuur rondom, en tot heerlijkheid zal Ik zijn in haar midden” Zacharia 2 vers 5 (Zach. 02:05). Zo zal Ik zijn voor jou, zegt God.

(wordt vervolgd).

 

Van ontmaskering naar overwinning door G. J. R. Doornink

“De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden” Romeinen 16 vers 20 (Rom. 16:20).

Het verlangen naar overwinning

Als kinderen Gods hebben we allemaal het verlangen in ons overwinnaars te zijn. Niemand wil graag het stem­pel van ‘nederlaag-christen’ dragen. We weten dat een leven van ‘vallen en op­staan’ niet is tot eer van de Heer. En zeker in deze eindtijd weten we dat het gaat om het te allen tijde overwinnaar zijn met Chris­tus. Dat blijkt ook wel uit de zeven brieven gericht aan de gemeenten uit Open­baring 2 en 3. Ze eindigen allemaal met de woorden: “Wie overwint…” waarna verschillende beloften vol­gen.

De eerste christenen had­den het thema ‘overwin­ning’ hoog in hun vaandel geschreven. Voor Paulus bijvoorbeeld was het een rotsvaste zekerheid dat hij in alle omstandigheden door Christus overwinnaar was. Denk aan teksten als Romeinen 8 vers 37 en 2 Korinthe 2 vers 14 (Rom. 08:37 en 2 Kor. 02:14).

Dat zijn teksten die ook wij graag gebruiken. Maar, hoe is de praktijk? Is het werkelijk zo dat ook wij te allen tijde met Jezus meer dan overwinnaar zijn? Weerstaan wij iedere aanval van de boze en is de over­winning van Jezus een da­gelijkse realiteit in ons le­ven…? Of moeten we rui­terlijk bekennen dat dit nog niet (of nog niet al­tijd) het geval is…

Om te beginnen moeten we niet verontrust zijn als we nog niet altijd de overwin­ning van Jezus in ons leven beleven. Nu willen wij geen nederlagen goed praten of bagatelliseren, maar de een­voudige reden is dat wij al le­rende, al opgroeiende bezig zijn omgevormd te worden tot werkelijke overwinnaars. Wie een leerschool mist heeft ook geen diepgang. Een kind uit de eerste klas komt niet ineens in de zesde klas. Groeien is een proces, zo ook de geestelijke leerschool om te overwinnen.

Gods doel met ons leven is overwinning

Een school (ook een ‘geeste­lijke school’) is echter geen doel op zichzelf, maar een voorbereiding om het doel te bereiken. Want wat is het doel van God met ons leven? Dat we volkomen overwin­naars zullen zijn. Dat de volheid van Christus die in ons is, geen theorie blijft, maar praktisch beleefd wordt.

Hoe bereiken we nu dat doel? Door gebruik te maken van de hulpmiddelen die God ons heeft gegeven. In de eerste plaats denken wij daarbij aan het woord van God. Hebreeën 4 vers 12 (Heb. 04:12) zegt: “Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig twee­snijdend scherp zwaard…” Het gezamenlijk bijbelonder­zoek in de gemeente is zeer belangrijk, maar laten we vooral ook het individuele bijbelonderzoek niet verge­ten! Nemen we dagelijks voldoende tijd om kennis en inzicht op te doen uit het Woord van God? Wie één wordt met het Woord van God, gaat ook meer en meer één worden met Christus de Overwinnaar!

Gods Woord werkelijk ver­staan is echter alleen mo­gelijk door de Heilige Geest. Wie niet gedoopt en vervuld is met de Heili­ge Geest kan ook niet op de juiste wijze Gods Woord begrijpen. Dan ont­staat er ‘scheefgroei’ in plaats van gezonde geeste­lijke groei die ons maakt tot overwinnaars. De Heilige Geest is dus ook een belangrijk hulpmiddel vooral ook als wij beseffen dat het een Geest van overwinning is. Door de Heilige Geest overwinnen wij de vrees. Paulus zegt: “God heeft ons niet gege­ven een geest van lafhar­tigheid, maar van kracht, van liefde en van bezon­nenheid” 2 Timoteüs 1 vers 7 (2 Tim. 01:07).

Ook ons getuigenis is een belangrijk element in het overwinnaar zijn.

In Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11) staat: “En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis”. Christus was de grote overwinnaar, maar in Zijn voetsporen gaande, zullen ook wij moeten overwinnen. Wij behoren te getuigen van de overwinning die Hij heeft behaald. Maar die overwin­ning gaat niet buiten ons om maar is in ons! En daarvan behoren wij te spreken.

Als vierde middel om te overwinnen willen wij het geloof noemen. 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) spreekt in dit op­zicht voor zichzelf: “Al wat uit God geboren is, over­wint de wereld, en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons ge­loof”. Hebben wij een dage­lijks functionerend geloofs­leven, want zonder geloof is het onmogelijk God welge­vallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) en kunnen wij ook niet overwinnen .

Wat behoren wij te overwinnen?

De vraag doet zich natuur­lijk voor, wat wij behoren te overwinnen. Hierover be­staat nog al eens misver­stand en sommige kinderen Gods strijden namelijk voort­durend aan een verkeerd front. Wie altijd maar bezig is met te strijden tegen de ‘oude mens’, het ‘eigen ik’, het ‘vlees’, enz. komt gees­telijk geen stap verder, en wordt ook geen werkelijke overwinnaar. Paulus zegt: “Wij hebben niet te wor­stelen tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse ge­westen” Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12).

Onze strijd is dus tegen alles wat uit het rijk der duisternis op ons afkomt. En dat is heel wat, want zoals het doel van God met ons leven is, dat wij ons ten volle als overwinnaars zullen openbaren, zo is het negatieve doel van satan om ons altijd in ‘de neder­laag’ te houden. Vanuit zijn optiek wil hij ook over­winnen. Hij doet dit door rechtstreeks, op directe wijze ons aan te vallen, maar ook heel vaak – en dat is juist het gevaarlijk­ste – op geraffineerde, be­dekte en sluwe wijze via mensen.

Daarom zullen we hem moe­ten ontmaskeren, want hij probeert zo lang mogelijk zijn ware aard verborgen te houden. Je kunt daarom het thema ‘overwinning’ niet onder ogen zien, zon- dar ook het thema ‘ontmas­kering daarbij te betrek­ken .

Zonder ontmaskering geen overwinning

De ontmaskering van satan gaat aan de overwinning vooraf. Ik denk wel eens dat we dat in het verleden teveel over het hoofd hebben gezien en daardoor vaak niet konden overwinnen. Let in dit verband op de voorbeel­den uit de Bijbel. Van Jezus lezen we dikwijls dat hij de (verkeerde) gedachten van de Farizeeën, , Schriftgeleer­den en andere mensen kende Matteüs 12 vers 25; Lucas 9 vers 47; Lucas 16 vers 15 (Matt. 12:25; Luc. 09:47; Luc. 16:15, en andere teksten). Hij wist hoe de menselijke geest door satan werd gemanipuleerd. Ook Paulus wist dat de ontmaskering van satan aan de overwinning voor­af ging. In 2 Korinthe 2 vers 11 (2 Kor. 02:11) schrijft hij over de satan: “Zijn gedachten zijn ons niet onbekend”.

Ook wij kunnen en moeten satan ontmaskeren. Daarom is het ook zo belangrijk dat wij opgroeien tot volwassen christenen opdat we kunnen onderscheiden goed en kwaad Hebreeën 5 vers 13 (Heb. 05:13-14). Daar­om behoren we ook vol te zijn van de Heilige Geest, want één van de gaven van de Geest is het onderschei­den van geesten. Hoe zouden we anders de geesten die op ons afkomen kunnen beproeven of ze uit God zijn? 1 Johannes 4 vers 1 (1 Joh. 04:01).

Het is dus nodig de gedach­ten van satan te kennen. Krijgt hij daardoor niet teveel aandacht? Kom je dan niet terecht in een sfeer van overal de satan in te zien? Met deze vragen wor­den we nog wel eens gecon­fronteerd. Ik geloof echter dat een waarachtig christen daar niet bang voor behoeft te zijn. Hij weet waarom het werkelijk gaat: het gaat niet om de verheerlij­king van satan, maar om de verheerlijking van Christus in ons leven! ten die wordt pas ten volle verheerlijkt als we de geestelijke strijd niet uit de weg gaan, maar succesvol tot overwinning brengen.

Satan opereert op vele ter­reinen. We hebben niet al­leen te maken met zonde- en ziektemachten, met angst en vrees, met occulte machten, maar ook – en vooral ook in deze eind­tijd – met verkeerde lerin­gen die proberen onze gedachten te infiltreren. Na­tuurlijke, aardsgerichte leringen willen beletten dat de volle overwinning en heerlijkheid van Christus in ons leven tot openbaring komt en deze wegschuiven naar een verre toekomst. Terwijl wij juist geroepen zijn om ons nu als zonen God te openbaren! Wij moe­ten daarom alle leringen waar we mee te maken krij­gen, toetsen aan de bood­schap die we hebben leren kennen: de boodschap van het Koninkrijk Gods, het volle evangelie. Dat deed ook Paulus. In het gedeelte van Romeinen 16 waaruit wij onze begintekst hebben genomen, schrijft hij: “Maar ik vermaan u, broe­ders , dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorza­ken, en mijdt hen” Romeinen 16 vers 17 (Rom. 16:17). Paulus schrijft ver­der dat hij zich verblijdt over de gehoorzaamheid van de gemeente te Rome. Zij lieten zich niet in met vreemde leringen, hun ken­merk was gehoorzaamheid en trouw aan de volle bood­schap . En als zij niet alleen wijs bleven tot het goede, maar zich ook onbesmet van het kwade zouden gedragen zou de God des vredes wel­dra de satan onder hun voeten vertreden!

Wat een heerlijke belofte en zekerheid voor de gelovigen van toen… maar ook voor ons! Ja juist voor onze tijd. Want de werkelijke ge­meente van de eindtijd zal in ieder opzicht gaan triom­feren over het rijk der duisternis. Jezus is ons voorgegaan. Hij behaalde de volle overwinning. Maar wij zullen niet achterblijven. Gods Geest bewerkt in ons dat ook wij uitgroeien tot overwinnaars! Niet meer incidenteel, zoals thans nog vaak het geval is, maar al­tijd en overal! Ook al gaat dit met strijd, vervol­ging en verdrukking ge­paard. Wij citeerden reeds Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11): “En zij hebben hem over­wonnen, door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis”. Deze tekst wordt gevolgd door deze woorden: “En zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood. Daarom, verheugt u, gij hemelen en wie daarin wo­nen” .

Paulus zegt: “Want ik ben er zeker van, dat het lij­den van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden” Romeinen 8 vers 18 (Rom. 08:18). Reeds nu is daar die diepe innerlijke blijdschap en vrede bij allen die Jezus waarachtig volgen.

Behoort ook u daarbij? Heeft u uw plaats reeds in genomen in het leger van overwinnaars dat in oplei­ding is? Zorg dat u de boot niet mist, want God wil dat ook onder uw voe­ten de satan weldra ver­treden zal worden!

 

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Onze opdracht “Levend Geloof” heeft zich duidelijk geconformeerd met de boodschap van het Koninkrijk Gods (het volle evangelie). Dat is niet vandaag of gisteren gebeurd, maar van meet af aan zagen wij het als onze opdracht hetzelfde evangelie te verkondigen als Jezus deed en later de apostelen. Geen compromis- boodschap, maar een boodschap die de satan ontmaskert en de overwinning van Jezus tot een realiteit maakt in ons leven. (Lees ook het desbetreffende artikel in dit nummer). Uiteraard maakten ook wij een geestelijke groei en ontwikkeling mee, die nog steeds doorgaat, want stilstand is, ook in geestelijk opzicht, achteruitgang. De weg naar de openbaring van het volle zoonschap, waarover wij veel schrijven, bewerkt ook in ons eigen leven een groei van het geloof, een ontplooiing van de dingen waarom het werkelijk gaat. Dit gaat met strijd gepaard, maar met Petrus zeggen wij dat ‘de vuurgloed van de beproeving ons niet bevreemd’.

Wij schrijven dit omdat nog al eens gedacht wordt dat schrijven over de volle evangelie boodschap een gemakkelijke aangelegenheid is. Men stelt zich dan een redactielid voor als iemand die even een artikeltje uit zijn mouw schudt, om zijn lezers nu eens precies te zeggen hoe zij moeten geloven en leven. Zo’n schrijver is dan een soort ‘bureau-gelovige’, een theoreticus die ver van de realiteit van het dagelijks leven afstaat. Iedere schrijver van artikelen in “Levend Geloof” kan echter bevestigen dat het tegendeel waar is! Wij zouden nooit over de verschillende facetten van het volle evangelie kunnen schrijven als wij er niet midden in zouden staan. Misschien is dat ook de reden waarom velen zoveel zegen ontvangen door ons blad. Wij willen niet ‘boven’ maar ‘naast’ onze lezers staan, wat we ook tot uitdrukking proberen te brengen door onze artikelen zo eenvoudig mogelijk, in een voor iedereen begrijpelijke taal, te schrijven.

Wij zijn dankbaar voor de verschillende giften die wij in de afgelopen maanden weer ontvingen. Zonder deze extra financiële bijdragen uit onze lezerskring zou ons blad niet kunnen functioneren. In deze zomermaanden gaan onze uitgaven uiteraard gewoon door, maar we ervaren telkens weer, met grote dankbaarheid, dat God een God van wonderen is ook in financieel opzicht. Waar wij onze lezers echter ook om willen vragen is niet te verslappen in de voorbede voor onze arbeid! Het gebed is de belangrijkste schakel van iedere geloofsarbeid. En dat geldt zeker ook voor het werk van “Levend Geloof”, wat toch ook duidelijk gezien mag worden als een stuk zendings- en pioniersarbeid. Nergens heeft de duivel meer hekel aan dan aan een duidelijke uitleg van de volle evangelie boodschap. En dat geldt zeker als dat in gedrukte vorm gebeurt. Maar in deze eindtijd is het deze boodschap die, functioneel gemaakt door de Heilige Geest, bewerkt dat de waarachtige gemeente het volwassen stadium – de maat van de wasdom van de volheid in Christus – gaat bereiken. Daarom blijven wij ons met blijdschap en in volle toewijding inzetten om in “Levend Geloof” het volle heil gestalte te geven. Samen met onze lezers en lezeressen hebben wij het verlangen dat dit ook in ons leven wordt verwezenlijkt. En dit verlangen is geheel in overeenstemming met de wil van God, die het goede, welgevallige en volkomene , dat wil zeggen Zijn wezen, terug wil brengen in de mens.

Iedere waarachtige gelovige weet dat satan dit op allerlei wijze tracht tegen te houden. Hij tracht telkens weer het werkelijke evangelie te versluieren. Het kan ons daarom bedroeven als wij zien hoe sommigen, die eens in de volle boodschap stonden, een andere koers gaan varen. We willen daarom op onze hoede zijn en niet verslappen, maar elkaar bemoedigen en stimuleren het evangelie van het Koninkrijk door woord en daad openbaar te maken. “Levend Geloof” wil daarbij gaarne als hulpmiddel fungeren. Want aan deze opdracht willen wij trouw blijven! 

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 4 –

De eerste vijf zegels zijn geopend

“Zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen” Openbaring 5 vers 5b (Openb. 05:05b). Jezus Christus heeft de boekrol aangenomen. Aan Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde. In de onzienlijke wereld zijn geen dingen van stof, dus moeten wij bij de boekrol ook niet te star denken aan een opgerold beschreven stuk perkament.

Wat in de eindtijd gebeurt is het gevolg van geestelijke wetmatigheden. Het één heeft het ander tot gevolg. De grote tegenstander van God en mensen, de satan, zal steeds weer proberen te verhinderen dat het machtigste scheppingswoord van God uit Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26): “Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis”, gerealiseerd gaat worden. Zeker nu die realisering dichterbij komt. “Hij gaat rond als een brullende leeuw”, zegt 1 Petrus 5 vers 10 (1 Petr. 05:10), “zoekende wie hij zal verslinden”. En waar zoekt hij en waar brult hij? In de gemeente van Jezus Christus!

God heeft besloten: de mens zal zitten op de troon en de duivel heeft besloten: “Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het noorden; ik wil opstijgen boven de hoogte der wolken, mij aan de allerhoogste gelijkstellen” Jesaja 14 vers 13 en 14 (Jes. 14:13-14) . Maar deze machtshonger, deze wetteloze overleggingen en zijn handelen erna, wat we in het tweede, derde, vierde en vijfde zegel zo duidelijk zien (en ook verder nog), zal hem uiteindelijk brengen in de poel des vuurs. Jesaja 14 vers 15 (Jes. 14:15) zegt dan ook: “Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen, in het diepste der groeve”. En Jesaja eindigt deze Godsspraak met: “en Ik zal het wegbezemen met de bezem der verdelging, luidt het woord van de Here der Heerscharen” Jesaja 14 vers 23b (Jes. 14:23b) .

Dit staat vast, maar er is nog iets wat vaststaat en voor ons van heel groot belang is. Dat lezen we in Jesaja 14 vers 1 (Jes. 14:01) “Want de Here zal zich over Jakob ontfermen en nog zal Hij Israël verkiezen en ze op hun eigen bodem doen wonen; dan zal de vreemdeling zich bij hen aansluiten en men zal zich voegen bij het huis van Jakob” .

Onze eigen bodem zal zijn de hemelse gewesten – de grond des Heren – Jesaja 14 vers 2 (Jes. 14:02), de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, waar tienduizendtallen van engelen zijn, enz. Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 (Heb. 12:22-24) . En zoals eens het volk Israël tot zegen diende te zijn van de volkeren Genesis 12 vers 3b (Gen. 12:03b): “en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden”, zo zal nu het geestelijk Israël, de gemeente van Jezus Christus, het ook zijn voor de volkeren Openbaring 22 vers 2 (Openb. 22:02), maar dan vanuit het hemelse Jeruzalem. Het doel van God is dat alle mensen behouden zullen worden Johannes 3 vers 16 en 1 Timoteüs 2 vers 4 (Joh. 03:16 en 1 Tim. 02:04). De ganse zuchtende schepping zal door middel van de gemeente volkomen hersteld worden.

Ten tijde van het zesde zegel Openbaring 6 vers 12 tot en met 17 en Openbaring 7 vers 1 tot en met 7 (Openb. 06:12-17 en Openb. 07:01-07) zien we deze zaken heel duidelijk gestalte krijgen. De stad Gods, het hemelse Jeruzalem en het grote Babylon. De groei naar de volle wasdom wordt steeds duidelijker en gaat ten tijde van het zevende zegel voltooid worden. Het witte paard is uitgegaan overwinnende en om te overwinnen. Het woord, gedragen door de Heilige Geest, de wijn en de olie Openbaring 6 vers 1 en 2 (Openb. 06:01-02) . Jezus zegt: “Ik ben de ware wijnstok”- Johannes 15 vers 1 (Joh. 15:01). De ware wijn is Zijn woord en de olie is beeld van de zalving met de Heilige Geest. Het tweede, derde en vierde paard zijn uitgegaan en hebben hun werk gedaan. Velen zijn gedood, die deel hadden aan de olie en de wijn; ze zijn in het Koninkrijk Gods en ontvangen daar de koningskleren en zullen straks bij de eindafrekening erbij zijn Openbaring 19 vers 14 (Openb. 19:14) . Jezus had al gezegd in Matteüs 10 vers 28 (Matt. 10:28): “En weest niet bevreesd voor hen (de mensen), die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor hem (de duivel), die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel” . Bij deze martelaren is de olie en de wijn ook onaangetast gebleven. De duivel had gedacht deze mensen ook uit te kunnen schakelen, maar hij heeft zich vergist en ze zullen meewerken hem uit te schakelen. Hij zal zich blijven vergissen, tot het einde toe! Met de val is hij zijn wijsheid verloren Ezechiël 28 vers 17 (Ez. 28:17) , maar hij moet wel handelen en doet dat met grote grimmigheid Openbaring 12 vers 12b (Openb. 12:12b) .

De olie en de wijn zijn weer gaan stromen

De laatste 50-60 jaar is het evangelie weer met kracht gepredikt en zijn velen gedoopt met de Heilige Geest. In vele levens werd en wordt weer het bijbels fundament gelegd volgens Hebreeën 6 vers 1 tot en met 3 (Heb. 06:01-03) en de bouw van een geestelijk huis met deze levende stenen is in volle gang 1 Petrus 2 vers 4 tot en met 7 (1 Petr. 02:04-07). De tempel wordt herbouwd, maar is nu een geestelijk huis.

Openbaring 7 vers 3 (Openb. 07:03) zegt: “Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben”. De gekochte mensheid en betaalde mensheid door het bloed van Jezus Christus zijn voor God Openbaring 5 vers 9b (Openb. 05:09b) en Hij drukt zijn zegel (de Heilige Geest) op hen als eigendomsrecht, en het is voor hen als onderpand van de eeuwige erfenis Efeze 1 vers 14 (Ef. 01:14). Zo valt de vroege regen in een leven en begint de ontwikkeling van het zaad Gods. In het leven komt een scheiding op gang wat Hebreeën 6 vers 2 (Heb. 06:02) een ‘eeuwig oordeel’ noemt. Een definitieve, totale scheiding tussen duisternis en licht. Dit is weer die zuivering, die loutering, die heiliging. Ze hebben verdrukking en lijden en smaad doorstaan. Ze hebben de vuurgloed der beproeving doorstaan 1 Petrus 4 vers 12 (1 Petr. 04:12).

Openbaring 7 vers 13 en 14 (Openb. 07:13-14) zegt: “Wie zijn dezen, die bekleed zijn met de witte gewaden, en vanwaar zijn zij gekomen? En ik sprak tot hem: Mijn heer, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams” . Ze staan gewoon in de wereld, – want er staat niet bij dat het gaat om ontslapen heiligen – maar hebben zich daarvan losgemaakt in de geest en zijn heilig voor God Zacharia 14 vers 20 en 21 (Zach. 14:20-21) . Het is de schare van de verzegelden, die met het symbolische getal 144.000 aangeduid worden.

Door dit alles komt er een geweldige beroering in de geestelijke wereld. Openbaring 6 vers 12 (Openb. 06:12) spreekt van een grote aardbeving. Hierdoor komt er nog een verdergaande scheiding op gang tussen hen die hun wandel in de hemelen hebben Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20) en hen die met hun godsdienst aan de aarde gebonden zijn. De hemelbewoners hebben van deze aardbeving geen last. In de kerk ziet men een proces van verwording op gang komen als nooit tevoren. Alle soorten zonden worden getolereerd. Van leugenleringen en occultisme tot de meest erge vorm van onreinheid. Dit brengt scheiding tussen God en de mens Jesaja 59 vers 1 en 2 (Jes. 59:01-02). Zo wordt de zon, welke beeld is van God, verduisterd. De ongerechtigheid, bewerkt door de machten der duisternis, schuiven tussen God en de mens als een zwarte haren zak. De maan, beeld van Jezus Christus en de afstraling van de zon (van God) wordt geheel aards (als bloed) Openbaring 6 vers 12 (Openb. 06:12) . Hij is voor velen niet meer de Verlosser, lichtbrenger in de nacht, het licht der wereld. Nee, Hij wordt hooguit nog gebruikt als het beeld van de ideale revolutionair, de Heer van de sociale bewogenheid. Geheel verbonden met de aarde. Petrus citeert op de eerste Pinksterdag al de profeet Joël als hij zegt: “en het zal zijn in het laatst der dagen: De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt” Handelingen 2 vers 20; Joël 2 vers 10 en Joël 2 vers 31 (Hand. 02:20; Joël 02:10 en Joël 02:31). Deze dingen gaan vooraf aan de dag des Heren. Het luidt de eindtijd in. Het zijn de tekenen, waar Jezus over spreekt in Matthéüs 24. Het Koninkrijk der hemelen wordt voor de meesten een gesloten boek Openbaring 6 vers 14; Jesaja 34 vers 4 (Openb. 06:14; Jes. 34:04). Men houdt geen rekening met de geestelijke wereld, terwijl men juist via occulte praktijken en oosterse godsdiensten, steeds meer van elders hierin binnen klimt en de machten met horden naar zich toe haalt. Zelfs van vooraanstaanden lees je, dat ze zich laten waarzeggen en aangesloten zijn bij spiritistische verenigingen.

Gevolgen op aarde van de geestelijke scheidingen

De verzen uit Openbaring 6 vers 13 tot en met 17 en Openbaring 7 vers 1 (Openb. 06:13-17 en Openb. 07:01) geven de gevolgen weer op aarde van de grote scheiding die plaats vindt in de geestelijke wereld. Een volk Gods dat uittrekt en verzegeld wordt, welke uitgroeit tot een schare die niemand tellen kan Openbaring 7 vers 8 (Openb. 07:08), bekleed met heerlijkheid en luister. En de valse kerk, het grote Babylon (niet associëren met een organisatie alleen!) dat steeds verder degenereert. Het is geworden als in de dagen van Noach. Toen Noach met zijn gezin in de ark was en God de deur achter hen gesloten had Genesis 7 vers 16 (Gen. 07:16), moest God zijn hand wel terugtrekken en brak de vloed los. “De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij” Genesis 6 vers 11 (Gen. 06:11). De ark was temidden van de vloed, maar hij was gemaakt naar Gods bestek en bleef behouden en daardoor de hele schepping.

Hetzelfde beeld zien wij hier. De knechten van God worden verzegeld met de Heilige Geest Openbaring 7 vers 3 (Openb. 07:03) en daardoor ingevoegd in de gemeente van Jezus Christus Romeinen 8 vers 9 (Rom. 08:09). Dit is ook naar het bestek van God en wij zullen, temidden van de grote demonische vloed die op komt zetten, behouden worden Openbaring 12 vers 14 (Openb. 12:14) en door ons de hele zuchtende schepping Openbaring 22 vers 1 en 2 (Openb. 22:01-02) . De ordenende wereldgeesten wankelen. Regeerders en bestuurders, van hoog tot laag, van ouders in het gezin tot presidenten van grote mogendheden, alles wankelt voor de wetteloze geesten, die door de mensen zelf ontketend worden en op aarde komen in alles wat geen bescherming heeft. “En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgenboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door de harde wind geschud wordt” Openbaring 6 vers 13; zie ook Matt. 24 vers 29b en Jesaja 34 vers 4b (Openb. 06:13; Matt. 24:29b en Jes. 34:04b).

Paulus schreef reeds aan de Thessalonicenzen: “Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking: wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt (de samenbundeling van de ordenende wereldgeesten) , verwijderd is” 2 Thessalonicenzen 2 vers 7 en 8a (2 Thess. 02:07-08a). “Dan zal de wetteloze zich openbaren” . Dit brengt benauwdheid en radeloosheid over de wereld. Van hen, waar gezag vanuit diende te gaan, komt nu ook wetteloosheid. Er komt angst en men zoekt steun in vele vormen van afgoderij en occultisme. Zo krijgen grootmachten der duisternis (bergen in de geestelijke wereld) steeds meer invloed op het wereldgebeuren Openbaring 6 vers 15 en 16 (Openb. 06:15-16) .

Duidelijk werkt in dit alles de geest van de antichrist, welke ten tijde van het zevende zegel openbaar komt. Wij zien dat deze dingen thans geschieden. Jezus heeft het ons gezegd in Matteüs 24 vers 32 en 33 (Matt. 24:32-33): “Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur”.

Het zesde zegel is de tijd van de grote scheiding, waarin tarwe en onkruid zich duidelijk gaan onderscheiden, omdat de vrucht zich zet Matteüs 13 vers 26 (Matt. 13:26) . Maar juist in deze tijd zal steeds sterker de oproep klinken: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04). Nog steeds is het tijd om je af te keren, om uit te trekken en je te voegen bij het volk van God en bij de verzegelden te gaan behoren Openbaring 7 vers 16 en 17; Jesaja 48 vers 20 tot en met 22 (Openb. 07:16-17; Jes. 48:20-22).

“Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen” Openbaring 7 vers 16 en 17 (Openb. 07:16-17). Het Lam zal hen weiden en voeren naar waterbronnen. Er wordt nog niet gesproken over zonen, die met Hem zitten op de troon. In het persoonlijk leven en in het gemeenteleven wordt nog een zware strijd gevoerd tegen alle ongerechtigheid en alle verleugening, die het volle zoonschap in de weg staan. Maar deze zijn het, die zijn uitgetrokken, de verzegelden. De profeet Amos eindigt met: “Dan zal Ik hen planten in hun grond en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond, die Ik hun gegeven hebt, zegt de Here, uw God” Amos 9 vers 15 (Amos 09:15). Alles is nu gereed om het zevende zegel te openen.

(wordt vervolgd) .

 

Reacties van lezers

 

-Zuster M. d. V. -H. te M Dinteloord schrijft: ” Hartelijk dank voor het positieve nummer van “Le­vend Geloof” . Ik ben blij dat nu ook door dit blad de duisternis ontmaskerd wordt. Ga zo door!”

-W. en H. B. te Ulverstone (Austr.) schrijven: “Gaarne ontvangen wij al de brochures zoals ze ver­meld staan op de achter­kant van “Levend Geloof” . Sedert 1977 zijn we al be­zig om de mensen duidelijk te maken, dat er maar één waar evangelie is, en dat is het evangelie dat Jezus zelf bracht, het evangelie van het Koninkrijk, maar ze geloven liever de leugen­geesten. Maar we geven de moed niet op, hoor. Want de overwinning is immers voorzegt. We moeten door­gaan” .

-Broeder H. M. te Den Haag bestelde brochures en schreef: “Ik heb veel zegen ontvangen gedurende de nu ongeveer twee jaren, dat ik op dit blad geabon­neerd ben” .

-Zuster K. M. d. H. te Zandvoort schrijft: “Ik dank u allen voor het maandblad “Levend Geloof”, want levend dat is het, zo­als Gods Geest ook altijd levend is…”

 

 

1984.05 nr. 248

Levend geloof 1984.05 nr. 248

Tien facetten van Pinksteren door Gert Jan Doornink

-Pinksteren is de Goddelijke kracht ontvangen, waarvan Jezus sprak, vlak voordat Hij wegging van deze wereld, met deze woorden: “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt” Handelingen 1 vers 8(Hand. 01:08).

Pinksteren betekent bekwaam zijn om de opdracht te vervullen die elk kind van -God heeft, namelijk door woord en daad van Hem getuigen. Jezus zei: “Gij zult Mijn getuigen zijn…” (Hand. 01:08).

-Pinksteren betekent het beeld van Jezus openbaar maken. Jezus noemde als één van de kenmerken van de Heilige Geest ‘het verheerlijken van Hem’ Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14).

-Pinksteren betekent te kunnen spreken (bidden, zingen) in nieuwe tongen, waardoor we onszelf stichten, dat wil zeggen opbouwen in het geloof. Bovendien is het spreken in tongen een machtig wapen in de geestelijke strijd.

-Pinksteren betekent dat de vrucht Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22) en de gaven van de Geest 1 Korinthe 12 vers 4 tot en met 12 (1 Kor. 12:04-12) meer en meer gaan functioneren in en door ons leven. Evenals de eerste christenen behoren ook wij vol te zijn van de Heilige Geest.

-Pinksteren wil zeggen dat gebondenheden en verkeerde (aardsgerichte) leringen niet langer een rol spelen in ons leven. Die gaan we afleggen of we laten ons ervan bevrijden. De Geest der waarheid ontmaskert de leugen en wijst ons de weg naar de volle waarheid Johannes 16 vers 13 (Joh. 16:13).

-Pinksteren betekent Gods Woord geestelijk verstaan. Want alleen door de Heilige Geest ontvangen wij kennis en inzicht om kunnen wij de Bijbel op de juiste wijze lezen en beleven, ‘De letter doodt, maar de Geest maakt levend” 2 Korinthe 3 vers 6 (2 Kor. 03:06).

-Pinksteren geeft ons de mogelijkheid de aanvallen uit het rijk der duisternis te allen tijde te weerstaan. Zoals Jezus, omdat Hij vol van de Heilige Geest was, immuun was voor de satan, mogen ook wij, in Zijn voetstappen gaande, dat beleven, zodat we met Paulus kunnen zeggen: ‘met Christus ben ik overwinnaar!’

-Pinksteren wil zeggen dienstbaar en strijdbaar zijn als lid van een gezonde gemeente, waarin de boodschap van Gods Koninkrijk (het volle evangelie) centraal staat. (Dienstbaar ten opzichte van onze medebroeders en zusters en andere mensen en strijdbaar ten opzichte van satan).

-Pinksteren betekent leven zonder angst en vrees. “Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid” 2 Timoteüs 1 vers 7 (2 Tim. 01:07). En angst voor de toekomst verdwijnt, want we laten ons niet op occulte wijze de toekomst voorspellen. Dat doet de Heilige Geest, die ons van dag tot dag op Gods weg houdt en ons bewaart om ‘zijwegen’ in te slaan. Zo zullen we het einddoel des geloofs, de volkomenheid in Christus, bereiken.

Tenslotte: Er kunnen natuurlijk nog veel meer facetten van Pinksteren genoemd worden. Het belangrijkste is echter te weten dat Pinksteren een dagelijkse realiteit in ons leven is! Zoals wij door het geloof een kind van God zijn geworden, kunnen wij ook door het geloof de doop met de Heilige Geest aanvaarden. En daarna is het belangrijk dagelijks vervuld te zijn met die Geest. Opdat, iedere dag opnieuw, “stromen van Levend water uit ons binnenste zullen vloeien” Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38).

 

Proficiat Nico en Anita! Door Gert Jan Doornink

Meer dan 500 broeders en zusters waren dinsdagavond 17 april in “Het Kruispunt” te Apeldoorn bijeen gekomen om de huwelijksinzegening van Nico Goverts en Anita Koud ijzer mee te maken. Dat er onder hen verschillende prominente figuren uit de volle evangelie- en pinksterbeweging waren, was niet verwonderlijk, want Nico Goverts is één van de meest gevraagde bijbelleraars. Ook de artikelen die Nico sinds 1978 in “Levend Geloof” schrijft met grote zegen gelezen.

Broeder Karel Prijs, voorganger van de ‘Menorah’-gemeente te Apeldoorn, leidde de feestelijke inzegeningsdienst die gevolgd werd door een receptie. Omdat Nico reeds vele bijbels in allerlei vertalingen heeft, bood br. Prijs, namens de gemeente, hen het boek “De nachtgezichten van Zacharia” aan.

Ongetwijfeld maken wij ons tot tolk van al onze lezers en lezeressen wanneer wij, ook vanaf deze plaats, Nico en Anita van harte feliciteren met hun huwelijk en hen Gods rijke zegen toewensen voor hun verdere leven. Het is de bede van ons hart dat de bediening die de Heer hen heeft toevertrouwd in de levens van velen een positieve uitwerking zal hebben en dat zij, als instrumenten in Gods hand, verder gestalte gaan geven aan de openbaring van het Koninkrijk Gods!

 

De profeet Zacharia door Nico Goverts – 3 –

De genezing van de geschiedenis

De profeet is de heelmeester van de tijd. ” De Here antwoordde de bode die tot mij sprak, goede woorden, troostende woorden”, zo vervolgt Zacharia in Zacharia 1 vers 13 (Zach. 01:13). Nu heeft het Hebreeuws geen term voor belofte; goede woorden, dat zijn beloften, dat zijn scheppingswoorden, zoals in het eerste scheppingsverhaal zevenmaal het begrip ‘goed’ naar voren treedt; God maakt zijn land, zijn aarde weer goed, zoals de oorspronkelijke bedoeling was.

Troostende woorden: de pijn van de geschiedenis moet geheeld worden, de schade die is aangericht, de wonden die geslagen zijn, de Meester legt er genezende gedachten over heen. Hij is de God die verbindt, die de kwetsuren balsemt; Hij is de God die samenbindt, die zijn stad, zijn land, zijn aarde samenbindt.

Wat betekent de naam: “Here der heerscharen”?

Here der heerscharen, zo spreekt de bode zijn God aan; een naam die maar liefst 53 keer in het boek Zacharia voorkomt. Een naam die een bijzonder stempel zet op deze profetieën; dit is niet toevallig, we zullen de vraag moeten stellen: wat is de betekenis van deze naam en waarom wordt juist in dit Bijbelboek deze naam zo frequent gebruikt, is er een verband tussen de genezing van de tijd, de heling van de historie, en deze godsaanduiding?

Het is een samengestelde naam; het eerste deel is de wezenstypering uit Exodus: Ik ben die Ik ben, de zelfopenbaring van God, die de bevrijding garandeert. Het tweede deel getuigt van de legerscharen die Hem ter beschikking staan om zijn koningschap in de hemel en op aarde te vestigen. Miskotte merkt in verband met deze naam op: hierin worden op verbazende wijze het heer der engelen, het heer der sterren, en het heer van Israëls strijdbare scharen samen bedoeld. Met deze naam wordt de ene Naam toegelicht als de God van de geschiedenis, die niet rust voordat de eindoverwinning bevochten is.

Het is frappant dat dit woord reeds in het eerste scheppingsverhaal optreedt: “Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heir” Genesis 2 vers 1 (Gen. 02:01). Al hun heirschaar. God is de strijder, de veldheer, de beheerser der geschiedenis.

God gaat de geschiedenis recht zetten

Tweemaal klinkt tot Zacharia de oproep, dat hij iets moet roepen, moet uitroepen, namelijk in Zacharia 1 vers 14 en Zacharia 1 vers 17(Zach. 01:14; Zach. 01:17). Beide malen is de aanhef van hetgeen geroepen dient te worden: “Zo heeft de Here der heerscharen gesproken”. En deze geladen naam, Here der heerscharen, blijkt nu gestalte te krijgen in de ijver waarmee God ijvert voor Sion. God gaat als Here der heerscharen de geschiedenis recht zetten. Want Sion heeft veel pijn geleden van de kant van de volkeren, de zorgeloze en zelfverzekerde volken, zoals ze hier genoemd worden.

God verklaart: “Ik keer terug tot Jeruzalem in erbarmen” Zacharia 1 vers 16 (Zach. 01:16); hiermee geeft Hij het antwoord op de verzuchting in Zacharia 1 vers 12 (Zach. 01:12): “Hoe lang nog zult Ge u niet erbarmen?” Dat is het kernpunt: de terugkeer van God. Zijn ijver om te helen wat in de geschiedenis ontwricht en beschadigd is.

Twee punten markeren de terugkeer van God: de bouw van het godshuis en het spannen van het meetsnoer. Het godshuis is het hart van de stad; het hart dat weggeslagen was, met geweld uitgerukt. Er zal weer een hart zijn, een hart in de stad, waar het hart van de Meester in klopt. Mijn huis, zegt de Here, en dat klinkt voor de mens als muziek in de oren, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volkeren. Op Sions berg sticht God zijn heilige stede, zij heeft zijn hart, Hij houdt er open hof. Het geeft een gevoel van: vader is weer thuis, zoals wanneer een vader een tijd lang in het ziekenhuis is geweest en nu komt hij weer naar huis.

God is er weer met hart en ziel aanwezig. Hij was een weinig vertoornd, een weinig maar, zegt de tekst. Het woord betekent in het Syrisch treurig zijn; het was Gods afwezigheid, zijn droefheid over het falen van zijn mensenkinderen. Toen waren er die volken, die gebruik maakten van de afwezigheid Gods, en zij hielpen ten kwade. God had zich teruggetrokken; Hij kon gewoon niet anders, want hoe kon Hij een volk terzijde blijven staan dat zijn hart zette op onderdrukking en afgoderij? God is immers de God die staat aan de kant van de verdrukte, de ellendige en de mens die geen helper heeft. Derhalve is het voor Hem te enen male onmogelijk de onderdrukker te steunen en te beschermen. Onderdrukking roept onderdrukking op; de verdrukker haalt zich een verdrukker op de hals, die op zijn beurt met nog zwaardere pressie te werk gaat. Wat zou God daar tegen kunnen doen? Waar een mens anderen verdrukt, daar trekt God zich terug uit het bestaan van degene die deze pressie uitoefent. Het doet de Maker pijn, wanneer het ene schepsel het andere kwelt en belaagt.

Huis Gods en meetsnoer: Er is weer toekomst!

Als de mens ophoudt zijn medemens te beknellen, als hij begint hem ruimte te geven om te zijn, ruimte om te bestaan, dan is er weer aanwezigheid Gods, dan is de Meester daar met vreugde present, dan is daar huis des Heren, met graagte zal Hij daar zijn opwachting maken.

Daar zal huis Gods zijn, huis van verademing, huis van het open leven, huis van genade en vriendschap, huis waar mensen elkaar genadig zijn. Het Hebreeuws heeft in wezen geen woord voor tempel; er wordt gesproken over een huis of een groot huis: een woonhuis is het in feite. En zoals de bouw van een hoeve helemaal bepaald wordt door de omgang van de boer met zijn dieren, zo wordt de bouw van het woonhuis van de Here helemaal bepaald door de omgang van de Here met de mensen, aldus Th. Naastepad.

Niet alleen een huis, ook een meetsnoer, symbool van planning, er is weer toekomst, er is weer erfdeel, geen grootgrondbezit, maar ruimte voor ieder. Het huis is beeld van het open leven, het meetsnoer is beeld van het open land. Het land, de stad ligt weer open voor de mens. Niet langer dicteert daar de tiran, maar de mens mag meten de ruimte van het volledige leven.

Het gezicht van de vier horens en de vier smeden

Het tweede gezicht volgt, handelend over vier horens en vier smeden. De horens hebben het volk des Heren verstrooid. Van de mens die bekend is als de verloren zoon, horen we iets soortgelijks: hij verkwistte zijn vermogen, zegt de NBG- vertaling, maar letterlijk staat er: hij verstrooide zijn bestaan.

De horens zijn beeld van de wereldmachten, de wereldbeheersers. Vier is het getal van de windstreken; het gaat hier derhalve om de gehele aarde. Sterk en machtig hebben deze horens hun invloed laten gelden op de aarde. W. Rudolph wijst erop dat de horens niet de volken uitbeelden, zodat er sprake zou zijn van een vernietiging van volkeren; neen, de horens duiden de macht der natiën aan. Het waren de horens die Juda verstrooiden:            driemaal klinkt dit motiefwoord: verstrooien. Niemand kon zijn hoofd opheffen, zegt Zacharia 1 vers 21 (Zach. 01:21); dat is het doel van de wereldbeheersers: de mens te maken tot een ter neer gebogen, een vertrapte, een mens die met zijn schuld moet blijven zitten.

Het beginsel van het tweegesprek

Het opheffen van het hoofd is één van die unieke beelden uit de Hebreeuwse gedachtewereld. Het is datgene wat de mens tot mens maakt, het meest wezenlijke van het mes-zijn. Wie zijn hoofd opheft, is vrij van schuld en schuldgevoel; die heeft de mogelijkheid om de ander aan te kijken. Dat is wat Martin Buber noemt: het dialogische principe, of wel het beginsel van het tweegesprek.

Een mens is pas waarachtig mens als hij de ander kan aanzien: als die ander hem kan aanzien. Ik aanschouw de gestalte die mij tegemoet treedt, stralend in de glans van het ’tegenover’, klaarder dan alle klaarheid van de wereld die ik ervaar of waarneem. God sprak eenmaal tot Kam dat hij zijn aangezicht mocht opheffen indien hij goed handelde en de Meester vroeg hem: waarom is uw aangezicht gevallen (letterlijk vertaald; niet betrokken, zoals het NBG zegt, maar gevallen)?

Daar ligt de diepste grens in verband met het wezenlijke mens-zijn: zal deze mens zijn gelaat kunnen opheffen of moet hij zijn aangezicht laten vallen? Dan is de ontmoeting verbroken; dan is de dialoog gesloten, dan wordt de mens een in zichzelf gekeerde, een geïsoleerde, een opgeslotene, een gekerkerde. Dan is er geen ander meer die hem aanziet, die oog in oog met hem staat, dan is hij op zichzelf teruggeworpen, dat is het wezen van de eenzaamheid. Dan kan hij in diepste zin nooit een ‘ik’ worden, ómdat er geen ‘gij’ is die hem aanziet en aanspreekt. Want de mens wordt juist een ‘ik’ door de ontmoeting met een ‘gij’. Het is niet goed dat de mens alleen zij.

Daar zat de mens met zijn gebogen hoofd, het aangezicht ter aarde, geen lichtglans was er meer, niet meer de glans van de ontmoeting, tegenover hem alleen de antwoord loze leegte, de stilte van de dood, zoals de leraar eenzaam zit als laatste in de klas, nadat de laatste leerling is weggegaan, en weer ging een dag voorbij maar er was geen contact, ‘k ben moe gepraat maar ‘k heb ze niet bereikt, zo zit hij met gebogen hoofd, geen aandacht was er en geen overdracht, geen harts- contact.

Adam waar zijt gij, zijt ge nog een gij, zijt ge nog aanspreekbaar? Kaïn, waar ben je, ik hoor je zeggen: van uw aangezicht zal ik mij verbergen, zo sprak je tot je God, en je zou dwalend en dolend zijn op aarde want mens zijn voor het aangezicht van je broeder kon je niet. Kon je het niet of wilde je niet, hoe diep is het raadsel van het kwaad, wat ging er in je om, wil je nog terug ?

Daar zat de mensheid met gebogen hoofd, met een gebroken hart en brekende ogen, een geknakt gemoed. Een hele mensheid is terechtgekomen onder het juk van de wereldbeheersers. De mensen, de volkeren, hoe zullen ze elkaar ooit zien, elkaar ooit ontmoeten, als ze daar terneer zitten, met het gelaat ter aarde?

In opstand tegen de wereldbeheersers

Er is nog een aspect: het hoofd opheffen, dat houdt in: in opstand komen. De beheersers dezer eeuw hadden vrij spel, er was niemand die in verzet kwam, geen verzetsbeweging in de geestelijke wereld, de machten konden doen wat ze wilden, de mens liet het maar gelaten over zich heen komen, er was geen tegenactie, niemand die weerstand bood, er was eenvoudig geen weerstand ontwikkeld.

Zoals de profeet Jesaja het schildert in zijn tiende hoofdstuk, als het gaat over de veroveringen, door Assur gemaakt: “mijn hand heeft gevonden het vermogen der volkeren als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt, en daar is niemand geweest die een vleugel verroerde of de mond opendeed of piepte” Jesaja 10 vers 14 (Jes. 10:14).

Er was niemand die ten aanzien van de wereldmachten durfde zeggen: laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen. Berusting was er, wees tevreden met uw lot, en toen het volk Gods werd weggerukt, was er niemand van de volkenwereld die te hulp kwam, niemand die zich ontfermde. Zoals Jeremia sprak: “en dood lichaam van een mens zal liggen als mest op het veld en als een garve achter de maaier, die niemand verzamelt” Jeremia 9 vers 22 (Jer. 09:22).

David heeft het geheim ontdekt: “Gij, Here, zijt een schild voor mij, mijn eer, en die mijn hoofd opheft” Psalm 3 vers 4 (Ps. 003:004). Er is een ‘gij’ nodig om het aangezicht van de mens op te heffen en hem tot een identiteit, tot een ‘ik’ te maken. Mens, je mag er zijn, je mag je gelaat op heffen, zoals Jamie Buckingham vertelt over een vrouw die tot bekering kwam: Ze keek ons aan met een gezicht of ze ons voor het eerst zag. Je slaat je ogen op en het is alsof je de Meester voor het eerst ziet. De eenzaamheid is ten einde. Je bent gekend.

De naam van het huis Gods “Vervolgens deed de Here mij vier smeden zien” Zacharia 1 vers 20 (Zach. 01:20). Zij slaan de horens van de volken neer. Het woord kan duiden op arbeiders in hout, metaal of steen, dus bedoeld kan zijn smid, timmerman of meer algemeen handwerker. Het begrip dat als werkwoord hierbij hoort, kan betekenen: insnijden, graveren, bewerken en ook ploegen. Deze arbeiders moeten de horens verschrikken, doen beven, dat wil zeggen net zo lang eraan rukken en trekken, schudden en beroeren, tot ze omgegooid kunnen worden.

Het woord ‘smeden’ of ’timmerlieden’ wordt ook gebruikt in Ezra 3 vers 7 (Ezra 03:07) in verband met de fundering van het nieuwe godshuis. Zij vormen de bouwers, de herstellers, de grondleggers. En in de dagen van Zacharia was juist de bouw van het huis Gods gestagneerd; er heerste moedeloosheid: zal het ooit gereed komen? Zullen de wereldmachten ooit hun terrein prijsgeven? De horens die daar in de bodem staan, vast en onverwrikt, zoals de hoornen van een altaar, zullen ze ooit plaats maken voor het fundament van een woonhuis voor de Schepper van hemel en aarde?

Als die vragen de mens bestormen, dan ziet Zacharia een schitterend beeld: waardoor worden de wereldbeheersers uitgerukt, van hun plaats verwijderd, zodat er ruimte komt voor een vestiging van God? Door de handwerkslieden, door de timmerlieden. Wat een moedgevend woord voor degenen die daar zwoegen om te bouwen: ga door en bouw! Als jij een bouwer bent, een handwerksman, en je hebt het bestek van de Meester voor ogen, daar heb je je hart aan verpand, want je wilt het zo graag dat er een woonhuis zal zijn voor je God, je verlangt naar de thuiskomst van je Maker, kom dan en bouw, want niet tevergeefs zul je werken. Niet zinloos zal je arbeid zijn. Niet aan de horens is het laatste woord, maar aan de timmerlieden.

De aarde zal gezuiverd worden, de horens worden ontworteld, de bodem wordt bouwrijp gemaakt, het zal weer zijn bodem voor God, bouwterrein voor de Schepper. Om te bewonen heeft Hij de aarde geformeerd, en niet tot een chaos, zegt Jesaja. Om te bewonen door wie? Om te worden een woonhuis voor God en mens. De aarde zal weer bewoonbaar wezen. Heel de aarde wordt een thuis. Want niet de horens zullen het winnen, maar de handwerkslieden. Immers, onze Meester is een huiselijke God. Zoals er aan het slot van Openbaring staat: een tempel zag ik in haar niet. God houdt niet van tempels, maar van woonhuizen. Een tempel staat het grootste deel van de tijd leeg; men komt er alleen om zijn godsdienstige verplichtingen te vervullen en dan gaat men weer naar huis. God heeft zijn hart gezet niet op een tempel, waar men een stuk godsdienst bedrijft, maar op een huis, waar de mens weer mens is voor zijn aangezicht. In dat huis, daar geschiedt de menswording van de mens. Daarom, gezegend zijn de handwerkslieden, want zij geven vorm aan de gedachte van God. Zij zijn bouwers met God. Dan heeft de verstrooiing een einde.

(wordt vervolgd).

 

Psalm 27: de eindtijdpsalm door G. J. R. Doornink

“Eén ding heb ik van de He­re gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des Heren, al de dagen van mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen, en om te onderzoeken in zijn tempel” Psalm 27 vers 4 (Ps. 027:004).

Wat is er in de loop der eeuwen al veel kracht, troost en bemoediging uitgegaan van de psalmen, zoals bijvoorbeeld Psalm 27, waar­aan we bovenstaand vers hebben ontleend. Deze psalm kunnen we wel de eindtijd­psalm noemen, want wat er in staat is nog even actueel als toen David hem schreef. Dat begint reeds bij het eerste vers, waar wij lezen: “De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De Here is mijns le­vens veste, voor wie zou ik vervaard zijn?”

Vele mensen in onze dagen worden beheerst door de angst. Er is vrees voor de toekomst: wat zal er alle­maal gaan gebeuren? Komt er uiteindelijk een atoom­oorlog waardoor alle leven vernietigd zal worden? Naast deze ‘algemene angst’ is er bij velen een directer, persoonlijker angst, waarbij wij bijvoorbeeld denken aan de ontwrichting van de ge­zinnen. Velen vragen zich af: wat zal er van mijn kin­deren terechtkomen?

Waardoor wordt de angst weg genomen?

Pas wanneer iemand door bekering en wedergeboorte daadwerkelijk toetreedt tot de gemeente van Jezus Christus wordt de angst weggenomen. Een kind van God leeft immers in ge­meenschap met Jezus Chris­tus? Johannes zegt: “Onze gemeenschap is met de Va­der en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3 (1 Joh. 01:03).

Een kind van God zal niet toelaten dat de vijand infiltreert met angstgedachten en angstgevoelens. Hij weet dat de verwekker van de angst satan is, de moorde­naar vanaf het begin. Hij hanteert angst als wapen en het is een duidelijke zaak dat wij er rekening mee moeten houden dat hij dit wapen veelvuldig zal hante­ren .

Ook Paulus was doordron­gen van de noodzaak om voortdurend te leven in gemeenschap met Jezus Christus. Daarom schreef hij aan de Korinthiërs dat zij geroepen zijn om in gemeenschap met Jezus te leven. Leven in gemeen­schap met Hem betekent ook dat wij mogen delen in het karakter, het wezen van God. David noemt in Psalm 27 vers 1 (Ps. 027:001) drie aspecten van dat karakter, te weten: licht, heil en leven! Dit mogen we ons bewust zijn, dit is ook on­ze positieve belijdenis: God is ons licht, heil en leven! Hij is onze ‘levensveste’, de burcht van ons leven, de rots waarop ons geloof gebouwd is. En wat er dan ook verder mag ge­beuren, wij mogen blijven vertrouwen, want wie op Hem zijn geloof bouwt, zal nooit beschaamd uitkomen. Dat was ook het getuigenis van David. In vers 2 zegt hij: “Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees te eten – mijn tegenstan­ders en mijn vijanden – zijn zij zelf gestruikeld en ge­vallen . Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans blijf ik vertrouwen”. Voor David was dat een uitgemaakte zaak, een rotsvaste zekerheid en dat mag het ook voor ons zijn!

Hebben wij een echt geloofsleven?

In Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) staat dat het zonder geloof (vertrouwen) onmogelijk is God welgevallig te zijn. Jezus sprak: “Heb geloof in God!” Markus 11 vers 23 (Mark. 11:23). Daar moeten we niet te op­pervlakkig over denken, zo in de trant van: ik ben door geloof in het vol­brachte werk van Jezus Christus een kind van God geworden, dus mij kan niets gebeuren… Ons ge­loof moet dagelijks functioneren. Op het ‘basisgeloof’ wat ieder kind van God bezit, moet verder ge­bouwd worden, het moet groeien. In Psalm 27 geeft David ons daarvoor een be­langrijke aanwijzing. Hij maakt openbaar waaruit zijn geloofsleven bestaat, als hij in Psalm 27 vers 4 (Ps. 027:004) zegt: “Eén ding heb ik van de Here ge­vraagd , dat zoek ik: te verblijven in het huis des Heren, al de dagen van mijn leven…” Let er op dat Da­vid niet allerlei dingen vraagt, maar één ding! Hij dringt door tot de kern van de zaak, tot datgene waar het werkelijk om gaat en daar ligt al het andere in opgesloten. Hij zegt er nog bij: “dit zoek ik”. Daar ging heel zijn wezen naar uit. Hij wist: wie zoekt zal vinden! En waarom vroeg hij? Wat zocht hij? Te verblijven in het huis des Heren’. Dus te leven in ge­meenschap met God!

De opdracht voor de eindtijd

Wat David deed, mogen ook wij doen. Dat is de belang­rijke opdracht die wij ver­plicht zijn na te komen in deze eindtijd. We zijn een nieuwe schepping in Chris­tus en behoren dit open­baar te maken. Paulus zegt: “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Ko­ninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlos­sing hebben, de vergeving der zonden” Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13). En in Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20) zegt hij dat wij burgers zijn van een rijk in de he­melen. “Hij heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemel­se gewesten in Christus Je­zus” Efeze 2 vers 6 (Ef. 02:06).

Wij behoren tot het Konink­rijk der hemelen, een Ko­ninkrijk dat op aarde ge­stalte heeft gekregen in de gemeente van Jezus Chris­tus. Zoals er in het oude verbond een tempel was van hout en steen, zo wordt de tempel van het nieuwe ver­bond gevormd door levende stenen, waartoe u en ik be­horen, als wij weten een kind van God te zijn.

Aan deze tempel wordt nog dagelijks gebouwd. Het is een tempel waarvan de blauwdruk klaar is, maar die nog niet voltooid is. U en ik zijn verantwoordelijk dat deze bouw verder voltooid wordt. Dat is Gods opdracht die wij in gehoorzaamheid beho­ren uit te voeren. En David zegt (onbewust) hoe wij dat moeten doen! Hij had het verlangen al de dagen van zijn leven te ver­blijven in het huis des He­ren. Dat behoort ook ons verlangen te zijn. Ook wij behoren continu en met vol­ledige inzet te werken aan de bouw (het zichtbaar wor­den) van Gods tempel.

David wist dat als hij vol overgave zou ‘verblijven’ en ‘onderzoeken’ in het huis des Heren, hij ‘de lie­felijkheid des Heren zou aanschouwen’. Deze belofte zal ook in ons leven in ver­vulling gaan als wij in ge­hoorzaamheid doen wat God van ons vraagt en wat Paulus bijvoorbeeld op deze wijze onder woorden brengt: “Indien gij dan met Chris­tus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, ge­zeten aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij verschijnen met Hem in heerlijkheid” Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 4 (Kol. 03:01-04).

Wat maakt je meer intens blij dan bezig te zijn met het Woord van God en met de dingen van Gods Konink­rijk? Wat geeft er meer vol­doening dan schatten op te delven uit de rijke goudmijn die Gods Woord is? Waar groei je geestelijk meer van en wordt je geestelijk sterk van?

David geeft in Psalm 27 een zeer duidelijk antwoord hoe ook wij ten volle kunnen functioneren als ver­tegenwoordigers van Gods Koninkrijk. David bad: “Onderwijs mij, Here, uw weg en leid mij op een ef­fen pad om mijn belagers wil; geef mij niet prijs aan de lust van mijn te­genstanders, want valse getuigen staan tegen mij op, en hij die geweld blaast” Psalm 27 vers 11 en 12 (Ps. 027:011-012). Het ging David om Het kennen van Gods weg! Hij wist als ik op die weg blijf, kan mij niets gebeuren. Als ik de wil van God doe ben ik immuun voor de vijandelijke aanvallen. Daarom bad hij: geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstanders…

We kunnen ons afvragen: doet God dat dan? Hij is toch enkel goed en enkel licht? Het is duidelijk dat God dat niet wil, maar als we zelf willen… Als we worden ‘prijsgegeven aan de machten’ is dat niet om­dat God dat wil, maar om­dat we zelf niet op de weg van God willen blijven…

Het is goed om dit ernstige feit even onder ogen te zien. Want we moeten ons bewust zijn dat het eind­tijd is. De strijd tussen de machten van goed en kwaad gaat zich hoe langer hoe meer toespitsen. Denk aan Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11): “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij be­wijze nog meer rechtvaar­digheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. De scheiding der geesten is in volle gang.

Overwinnaars in de strijd

Wij behoeven echter op geen enkele wijze angst te hebben voor deze strijd en dit scheidingsproces. Als we maar zorgen er op de juiste, dat wil zeggen geestelijke wijze, bij betrokken te zijn. Want gaan we de zaak op natuurlijke, on­geestelijke wijze aanpakken, dan gaan wij er onderdoor.

David zegt in vers 3: “Al legert zich een leger tegen mij… nochtans blijf ik vertrouwen”. Hij was niet bang. Zijn geheim was: vertrouwen. “O, als ik niet had geloofd des Heren goedheid te zullen zien, in het land der levenden!

Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onver­saagd, ja wacht op de He­re” Psalm 27 vers 13 en 14 (Ps. 027:013-014). David had geloof en verwachtte zijn kracht van de Here. Zo behoren ook wij te leven.

Er zit nog een belangrijke les in deze psalm. Daarvoor is het goed Psalm 27 vers 3 (Ps. 027:003) nog een keer te lezen, waar staat: “al verheft zich een krijg tegen mij…” Dat is de tactiek van de vijand. Hij wil zich boven ons verheffen en doet ons zien op de om­standigheden. Maar – prijst God – het woordje ‘verhef­fen’ komt nog een keer voor in deze psalm: “Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads… Hij plaatst mij hoog op een rots. En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden rondom mij…” Psalm 27 vers 5 en 6 (Ps. 027:005-006).

Wij mogen ons boven de vij­and verheffen en ons be­wust zijn dat we met Jezus meer dan overwinnaars zijn, omdat we leven in Zijn ge­meenschap, omdat we met Hem strijden in de hemelse gewesten. Ja wij zullen, zoals David hier onder woorden brengt, Gods goedheid zien, dat wil zeggen beleven! Psalm 27 vers 13 (Ps. 027:013). Davids belijdenis was: “Ik wil in zijn tent offeren of­fers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen de Here” Psalm 27 vers 6b (Ps. 027:006b). Ook wij willen Hem loven en prijzen en bovenal Hem volgen in geloof en gehoorzaamheid. Want er is niets heerlijker dan, evenals David, “de liefelijkheid des Heren te aanschouwen”! Psalm 27 vers 4b (Ps. 027:004b).

 

God werkt…! en wie zal het keren? door Robert Jimmink

Jesaja 43 vers 13b (Jes. 43:13b)

Inderdaad de Heer werkt in onze dagen een werk, dat u slechts met grote verbazing kunt beluisteren als u ervan wordt verhaalt Handelingen 13 vers 41 (Hand. 13:41) .

In Spanje, het land dat de meesten onder ons slechts als een zonnig vakantieverblijf kennen, heeft de ‘over­ste van dit boze tijdperk’ sterke bolwerken opgewor­pen. Hij heeft kans gezien het Spaanse land aan de schaduwzijde van het Ko­ninkrijk der hemelen te plaatsen. Het volk heeft, vermoeid door de vele ker­kelijke ceremonies, tradities, processies en boetedoenin­gen, net als eens Simson het hoofd op de knieën van Delila neergelegd. De strijd­macht van de boze heeft op de ruïnes van de kerkelijke tradities nog heel nauwkeu­rige posities ingenomen, teneinde vooral het binnendringen van door de Geest vervulde dienstknech­ten van Christus Jezus te beletten.

Maar, zoals toen de Heer Lazarus tot leven heeft ge­wekt en zei: Neemt de steen weg!, zo wordt ook daar waar het evangelie van het koninkrijk Gods en de naam van Jezus Christus wordt verkondigt, de steen, die de dood van het leven scheidt, weggenomen.

Ongeacht de aanvankelijk felle tegenstand van kerk en staat, vielen ook in Spanje de eerste druppels van de ‘spade regen’ en wel in het bijzonder onder de gitaños (de Spaanse zigeuners) in de achterbuurten van de ste­den en dorpen.

Door kerk en samenleving wordt dit volk veracht, maar door de hemelse Vader zijn zij bestemd om door hun aardse lijden heen het licht te gaan dragen. Het evangelie Gods zou binnen dit volk gaan ontbranden als een niet te blussen vlam. Het werk onder de Spaanse zigeuners begon in feite pas rond 1965. Clement Le Cossec, eens pinkstervoorganger in Parijs, voelde de roepstem van de Heilige Geest en trok naar Spanje om daar speciaal onder de gitaños nieuwe hoop en nieuw leven in de Naam van Jezus Christus te ver­kondigen. Onder de half miljoen gitaños, die sinds vele jaren niet meer rond­trekken maar in alle moge­lijke ‘barrios’ aan de rand van de steden en de dorpen wonen, kwamen in de afge­lopen 20 jaar zo’n 18.000 gitaños tot de gemeente van Jezus Christus en lieten zich dopen. De ‘Mision Filadelfia’ telt thans, over geheel Spanje verspreid, zo’n 180 gemeenten en doorlopend functioneren zo’n 20 tot 30 huisgemeen­ten en bijbelstudiegroepen.

Gastarbeider op Gods Spaanse akker

Zoals bij zoveel mensenkin­deren heeft de Heer ook in mijn leven zijn weg uitgezet. Op een toch niet meer zó jonge leeftijd kon ik ge­lukkig met Paulus zeggen: Het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen. Zonder de weg van de ‘grote verwarring’ in een verdeeld christen­dom te behoeven te bewandelen, werden wij – prijst hiervoor de Naam van Je­zus – spoedig geconfronteerd met het ‘evangelie van Jezus Christus’, zoals Hij dit predikte, terwijl Hij rondging ‘weldoende en ge­nezende allen die door de duivel overweldigd waren’. Gedreven door een steeds sterker wordende drang begon ik tien jaar geleden Spaans te studeren en eer­lijk gezegd zag ik de nood­zaak hiervan niet zo zitten.

Het was wel, zoals mij later duidelijk werd, het eerste paaltje dat Hij op deze weg uitzette. Over zigeuners in Spanje wist ik, door de jaarlijkse vakantie daar, niet meer dan iedere vakantieganger. Flamenco, gitaren, hakkenroffels en een hoop olé behoorde naar mijn mening onmisbaar bij de gitaños.

Vijf jaar geleden echter zet­te de Heer zijn tweede paal­tje uit, in feite een duidelij­ke wegwijzer. Hij leidde mij en mijn echtgenote naar een gitaño – Filadelfiagemeente in een soort ‘garage’ onder een huurkazerne. Zij hadden als de Fildalfiagemeente uit Openbaring 3 vers 7 tot 13 (Openb. 03:07-13) inderdaad Zijn woord bewaard en Zijn naam niet verloochend.

Er was daar een gemeente bezig het fundament van hun geloof daadwerkelijk op de rots te leggen, om daarna te bouwen aan ‘de wasdom van een geestelijk bouwwerk, tot een tempel, heilig in de Here’.

Toen ik voor het eerst in deze gemeente het Woord mocht verkondigen, voor de zieken en de nieuwe bekeer­lingen mocht bidden en strijdend in de naam van Jezus kon optreden, was er in mijn hart een juich­kreet van overwinning. De Heer had ons nadrukkelijk hierheen geleid. Onder de gitaño-broeders en zusters was er ook grote blijdschap en vreugde om het toch op­zienbarende feit dat een ‘vreemdeling’ als broeder onder de broeders functioneerde. Het zijn onze waar­achtige broeders en zus­ters, ongecompliceerd, dat wil zeggen zij redetwisten niet om de letter en de leer. Zij geloven echter met geheel hun hart, met geheel hun ziel en met geheel hun verstand in de van de zoon van de levende God, Jezus Christus Halleluja!

Als u dit allemaal leest, dan zijn wij weer voor de tijd van zes maanden in Spanje om predikend, strij­dend, zegenend en studies verzorgend bezig te zijn en om Zijn roepstem te volgen. Dank zij vele gif­ten van broeders en zus­ters in Holland, zijn wij in staat om hulp te bieden waar de armoede heel erg toeslaat. Mocht uw willen helpen, wilt u dan eens voor ons bidden, dat de Heer voor deze zijn armste kinderen in het nodige wil voorzien. Materiële hulp is zeer welkom ten name van R. Jimmink te Dordrecht, met vermelding: ‘gitanos’. Jezus is Heer, tot eer van God de Vader!

Bendito sea su nombre!

 

Reacties van lezers door redactie

 

-Broeder A. v. D. te IJsselmuiden kreeg “Levend Geloof” van een zuster uit de gemeente en schreef o.a.: “De artikelen die ik gelezen heb, hebben mij erg opgebouwd en gezegend, vandaar dat ik mij vanaf he­den wil abonneren. Ik vind het een positief en opbou­wend blad”.

-Broeder L. v. V. te Groningen schrijft: “Hierbij wil ik u verzoeken om mij in te schrijven voor een abonnement op uw maandblad “Levend Geloof” . Ik geniet erg van uw arti­kelen en bid u Gods zegen toe bij het voortzetten van uw werk”.

-Zuster D . B . – S. te Hasselt (België) schrijft: “Mijn zoon bezorgde mij een geschenkabonnement op uw blad. Ik wil me nu zelf graag abonneren, omdat ik gezegend wordt door de ar­tikelen. Vrienden in Abidjan (Ivoorkust), die van familie een geschenkabonnement op “Levend Geloof” ontvingen, proeven van de rijkdom van het volle evangelie. Zo dan­ken we de Heer voor uw blad en bidden voor uw ar­beid in Zijn dienst” .

-Broeder M. S. te Aalst (België) schreef o.a. : “Omdat onze landgenoten het waarachtig Woord des Heren zó nodig hebben zou ik, naar de mate dat het me mogelijk is, en in de genade van de Heer, vijf geschenkabonnementen wil­len opgeven” .

-Zuster P. L. U. te Winterswijk schrijft: “Met veel geduld heb ik het blad “Levend Geloof” gele­zen. Dank zij mijn kennis. Nu wil graag van u een proefnummer hebben” .

-Broeder T. T. te Leeu­warden bestelde bro­chures en schreef: ’n Fijn blad: “Levend Geloof”!….

-Ook broeder J . v. B . te Soest bestelde bro­chures. Hij schreef nog steeds erg blij te zijn met “Levend Geloof”. “De in­houd is altijd erg positief. Dat is een verademing bij alle negatieve invloeden die wij dagelijks bespeuren om ons heen”.

 

Geestelijk licht op de eindtijd -3- door Wim te Dorsthorst

Wanneer is de eindtijd begonnen?

De lezing die zegt dat de gemeente wordt opgenomen in Openbaring 3 vers 10 (Openb. 03:10), stelt daarmee dat we nog niet verder zijn gekomen dan Openbaring 3 vers 9 (Openb. 03:09). De gemeente is immers nog steeds niet weg! Jezus heeft de boekrol nog niet ontvangen en zeer zeker nog geen zegels geopend, want bij de opening van het eerste zegel zou de antichrist opkomen en onder diens leiding de tempel in Jeruzalem herbouwd worden. De gemeente, waarvan Jezus Christus het hoofd is, zou tot nu toe – dus al tweeduizend jaar – een sta in de weg geweest zijn van de voortgang van het plan Gods.

Het tegendeel is waar. Jesaja profeteerde in Jesaja 53 vers 16b (Jes. 53:16b): “het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben” . Dat is wel wat anders dan stagneren! Je zou kunnen zeggen: de eindtijd is begonnen op de Pinksterdag, toen de eerste 120 mensen gedoopt werden met de Heilige Geest. Dat was het begin van de eindtijd, het begin van de dag des Heren. Toen Petrus zei: “Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joel: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik van mijn Geest zal uitstorten op alle vlees…”Handelingen 2 vers 16 tot en met 21 (Hand. 02:16-21) .

Het woord der waarheid gaat uit

Het Lam opent dan het eerste zegel Openbaring 6 vers 1 (Openb. 06:01). De gemeente is met kracht uit de hoge aangedaan en zal getuige zijn vanuit Jeruzalem tot het uiterste der aarde Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08). Het Woord zal gepredikt worden, ondersteund en gedragen door de Heilige Geest (het witte paard: beeld van zuiverheid, heiligheid en waarheid) en bevestigd worden door wonderen en tekenen, omdat de Here meewerkt Markus 16 vers 20 (Mark. 16:20) . Het Woord begint zijn zegevierende tocht. Het gaat uit overwinnende en om te overwinnen Openbaring 6 vers 1 en 2 (Openb. 06:01-02) . Zoals de Heer zelf begonnen is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te verkondigen Matteüs 9 vers 35 (Matt. 09:35) en zoals Hij geopenbaard is om de werken des duivels te verbreken 1 Johannes 3 vers 38 (1 Joh. 03:38).

Zo gaat nu de gemeente uit tot het uiterste der aarde. Hier zien we de ruiter op het witte paard nog helemaal alleen. In het einde van de eindtijd, in Openbaring 19 vers 14 (Openb. 19:14), zien we dat het Woord resultaat heeft gehad, er is dan een schare die Hem volgt: “En de heerscharen die in de hemel zijn volgen Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen”. Dat zijn weer de verstandigen waar Daniel 12 vers 10 (Dan. 12:10) van spreekt. Ze zijn gekleed in wit en smetteloos fijn linnen. Deze hebben zich dus laten reinigen, zuiveren en louteren Daniel 12 vers 10a (Dan. 12:10a) . De Statenvertaling zegt: “Gereinigd en wit gemaakt en gelouterd” . Deze gaan onder leiding van hun Heer en samen met hun Heer de overwinning behalen in de slag van Armageddon. Door het evangelie van het Koninkrijk der hemelen heeft Jezus een boodschap van vrede verkondigd. Het Koninkrijk Gods bestaande uit rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest Romeinen 14 vers 17 (Rom. 14:17).

Het woord van de leugen gaat uit

Als het tweede zegel geopend wordt, trekt een rossig paard uit. Van de ruiter wordt alleen maar gezegd, dat hij een groot zwaard heeft. De ruiter heeft geen waardigheid, zoals de ruiter op het eerste – witte – paard Openbaring 6 vers 2 (Openb. 06:02). Hij is anoniem. Hij blijft maar liever onbekend, maar hij gaat wel de vrede wegnemen. Hij heeft een groot zwaard, dat is beeld van ook een woord. Het zwaard is in de Bijbel beeld van het Woord Efeze 6 vers 17 en Hebreeën 4 vers 12 (Ef. 06:17; Heb. 04:12).

Hoe neemt hij de vrede weg? Door leugen te zaaien! Er ontstaat dan onvrede. Er ontstaat verwarring, waarin geen vrede is. In de waarheid en éénheid is vrede. Komt daar leugen bij, dan is de vrede weg en ontstaat er onvrede. Daar, waar het goede zaad gezaaid is, komt de vader der leugen zijn zaad zaaien. Zo wordt in de mens het goede en het slechte zaad gezaaid. Waarheid en leugen, tarwe en onkruid in dezelfde akker. In Matteüs 13 vers 24 tot en met 30 (Matt. 13:24-30) schildert Jezus in een gelijkenis hoe dat in zijn werk gaat. Het goede zaad is gezaaid en dan komt de leugenaar en zaait er onkruid overheen, zegt Jezus in Matteüs 13 vers 24 en 25 (Matt. 13:24-25). In vers 25 staat: “Doch terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide er onkruid overheen, midden tussen het koren en ging weg” .

De anonieme ruiter heeft zijn werk gedaan, terwijl de mens niet waakzaam was, terwijl ze sliepen, staat er. Het is nodig waakzaam te zijn. Bijvoorbeeld door niet alles wat je elders hoort voor waarheid aan te nemen. Durf selectief te zijn in het luisteren, maar vooral ook in het lezen. Er is nog nooit zoveel evangelische lectuur geweest als juist nu. Neem echter niet alles voor waarheid aan, omdat het in ‘een boek’ staat. 1 Petrus 5 vers 8 (1 Petr. 05:08) zegt: “Wordt nuchter en waakzaam”.

En wat gezaaid is, gaat groeien en komt tot vrucht dragen. Er komen leugen-gedachten en leugen-leringen op gang. De Heilige Geest overtuigde Paulus al toen hij schreef aan Timótheüs: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden, sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers…” 1 Timoteüs 4 vers 1 tot en met 3 (1 Tim. 04:01-03). Aan de Kolossenzen schrijft hij over schrijft hij over schriften en leringen van mensen, die uiteraard geïnspireerd zijn door leugengeesten. “Dit toch is, al staat het in een roep van wijsheid met zijn eigendunkelijke godsdienst, zijn nederigheid en zijn kastijding van het lichaam, zonder enige waarde en dient slechts tot bevrediging van het vlees” Kolossenzen 2 vers 23 (Kol. 02:23). Het wordt in Openbaring 6 vers 4 (Openb. 06:04) niet voor niets een “groot zwaard” genoemd!

Bij de opening van de eerste twee zegels ontstaan twee fundamenten: De ware kerk en de valse kerk. Het hemelse Jeruzalem (vrede) en Babylon (verwarring). De vrouw en de hoer. Beelden die we zien in de profetieën en in Openbaring en die we in de eindtijd tot volle rijpheid en tot vrucht dragen zien komen. Het zijn beelden van geestelijke toestanden, waarin een gelovige zich kan bevinden.

De paarden in de volgende twee zegels gaan verder met dat fundament en gaan er op bouwen. Het principe is dus: daar waar de waarheid gezaaid is, wordt deze aangetast door verleugening en verkeerde leringen, met het doel dat de mens Gods niet openbaar zal worden: “volkomen en tot alle goed werk volkomen toegerust” 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17) .

In de eindtijd zal geen enkel compromis, met welke dwaling dan ook, mogelijk zijn. “De gebaande weg, die de heilige genaamd wordt, daar zal geen onreine meer opkomen, maar de verlosten wandelen daarop; de vrijgekochten des Heren…” Jesaja 35 vers 8 tot en met 10 (Jes. 35:08-10) .

De geestelijke hongersnood

Het derde paard is zwart van kleur. Weer is er geen beschrijving van de ruiter. Het is weer zo’n anonieme figuur en zijn instrument is een weegschaal Openbaring 6 vers 5 en 6 (Openb. 06:05-06). Er moet veel betaald worden voor weinig. ‘Het brood des levens’ van de eerste ruiter wordt steeds schaarser Amos 8 vers 4 tot en met 6 (Amos 08:04-06). Het lijkt wel oorlogstijd. Al het goede en bruikbare wordt door de vijand geroofd en de mens moet vaak zien te leven van wat voor het vee bestemd is. Na de dood van de apostelen verdween het volle evangelie bijna geheel. De kerkgeschiedenis vermeldt: Tegen het einde van de eerste eeuw oefenden enkele clerici (geestelijken) de gemeentelijke functies uit. De charismata kwamen minder of niet meer voor. En zo ongeveer 400 jaar na Christus merkte de kerkvader Chrysostomus op, doelende op de Geestesgaven: ‘Dit hele gebied is zeer duister. Die duisternis heeft haar oorsprong in de onkunde en het gemis van zaken, welke toen veelvuldig plaats hadden, maar nu niet meer geschieden’.

Er is grote geestelijke armoede ontstaan Amos 8 vers 11 en 12 (Amos 08:11-12). Maar de olie en de wijn zijn onaangetast gebleven. In Openbaring 6 vers 6b (Openb. 06:06b) staat: “Breng geen schade toe aan de olie en de wijn”. Olie en wijn, beelden van de Heilige Geest, hebben gezorgd dat het woord van God, hoe minimaal ook, bleef functioneren. Reformatie, opwekkingen en dergelijke hebben steeds het licht weer op de standaard geplaatst, maar het kon niet meer ten volle schijnen. En het werd weer gedoofd door geloofsbelijdenissen, leringen en inzettingen van mensen.

We leven in de tijd, in het laatst der dagen, dat het volle evangelie weer baan breekt met grote kracht en volle vrucht voort zal brengen. De schaarste, de hongersnood is voorbij. De profeet Joël zegt in Joël 2 vers 24 (Joël 02:24): “De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen. Ik zal u vergoeden de jaren, toen de sprinkhaan alles opvrat” .

De geestelijke dood

Door de tweede en derde ruiter, de verleugening en de hongersnood, is de weg gebaand voor de geestelijke dood. “En ik zag en zie een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en het dodenrijk volgde achter hem. En hem werd macht gegeven over het vierde deel der aarde om te doden met het zwaard, met de honger, met de zwarte dood en door de wilde dieren der aarde” Openbaring 6 vers 8 (Openb. 06:08). Er komt een proces op gang, waarin de mens, zoekende naar geestelijke zekerheden, afglijdt naar het spiritisme en het occultisme. Het is juist die vorm van zonde waarvan God altijd gezegd heeft: “want een ieder die deze dingen doet, is de Here een gruwel” Deuteronomium 18 vers 12 (Deut. 18:12) , Babylon wordt een werkelijkheid.

Een zeer grote stad, zegt de Bijbel. Staatsgodsdienst doet zijn intrede. Een groot deel van de aarde (hier genoemd een vierde deel) is wel naamchristen, maar de dood heerst er. Ze zijn niet wedergeboren en er is geen vernieuwing van denken mogelijk. Het gaat dus niet om een bepaalde kerkelijke organisatie, maar Babel is de geest van de mens, de zich christen noemende mens.

Deze ruiter is niet anoniem, maar zijn naam is de ‘Dood’ en in zijn gevolg is het dodenrijk. Hij maakt ook gebruik van de wapens van de andere ruiters, namelijk het zwaard en de honger (vers 8) . Via de leugenleringen zoals de erfzondeleer, kinderdoop, het loochenen van de opstanding, geen verlossing door het bloed van het Lam maar door goede werken en dergelijke komt de mens tot occultisme en spiritisme en komt de dood in de gemeente. Mensen zijn contact gaan zoeken met overledenen en doen dat nog.

Door de leer van de R.K. kerk is de heiligenverering geïntroduceerd, evenals het bidden voor gestorvenen om ze vanuit het dodenrijk (vagevuur) de hemel in te bidden. Denk ook aan de Mariaverering, engelen-verering, mensen-verering (paus, etc.), misoffer, enz. Er wordt zwaar gezondigd in de geestelijke wereld. Aan gewijde voorwerpen en het branden van kaarsen wordt kracht toegekend. Miljoenen vallen door zwarte magie en occultisme, zoals spiritisme, waarzeggerij, astrologie, magnetisme, telepathie, hypnose, enz. Ongeacht waar men zich aan overgeeft en zijn heil van verwacht, de occulte machten van het dodenrijk nemen bezit van de innerlijke mens, met als gevolgd de geestelijke dood. Ook de onreine geesten worden zo opgeroepen (de wilde dieren der aarde) en bezetten de mens. Openbaring 18 vers 2 (Openb. 18:02) zegt: “Babylon is geworden een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte” Zie ook Jesaja 13 vers 21 en 22; Jeremia 14 vers 12; Jeremia 15 vers 13 (Jes. 13:21-22; Jer. 14:12; Jer. 15:13).

De martelaren onder het altaar

Johannes bevindt zich nog steeds in de hemel. Hij heeft gezien hoe werkingen van machten en krachten vanuit de geestelijke wereld gevolgen hebben op aarde. Bij de opening van het vijfde zegel ziet hij in de hemel de martelaren die op aarde geslacht zijn om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden Openbaring 6 vers 9 (Openb. 06:09). Miljoenen zijn er in de loop der eeuwen gedood terwille van hun getuigenis. Godsdienstoorlogen zijn gevoerd, mensen zijn gemarteld en gedood. Het zijn de vervolgden om der gerechtigheid wil, waarvan Jezus zegt: “Zalig zijn zij want hunner is het Koninkrijk der hemelen” Matteüs 5 vers 10 (Matt. 05:10) . Dat is dus een deel van de gemeente van Jezus Christus dat zich uitsluitend in de hemelse gewesten ophoudt. In het Koninkrijk Gods. Zij roepen: “Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen” (vers 10). Zij krijgen als antwoord dat ze nog moeten wachten totdat ook het getal vol zal zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij Openbaring 6 vers 11 (Openb. 06:11) .

Wij moeten dit niet zo verstaan dat er een bepaald aantal martelaren moet zijn, maar dit doden zal doorgaan tot het einde toe. Altijd en overal zullen mensen omwille van hun getuigenis vervolgd en gedood worden. Dat is vanaf de eerste gemeente in Judea tot nu toe. In Openbaring 11 vers 7 (Openb. 11:07) staat: “En wanneer zij hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden” . Dit getal zal dus vol zijn – er zullen er geen meer bijkomen – als de antichrist en het beest gegrepen zijn en in de poel des vuurs zijn geworpen.

Het witte gewaad

Er staat in vers 11 nog iets, waar we niet aan voorbij mogen gaan: “En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven” . In Openbaring 19 lezen we over de bruiloft des Lams “en dat de vrouw zich gereed gemaakt heeft”. En dan lezen we in Openbaring 19 vers 8 (Openb. 19:08): “En haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen” . De vrouw maakt zich gereed door rechtvaardige daden te doen. Dat is die reiniging, die zuivering en loutering, die we al eerder genoemd hebben uit Daniel 12 vers 10a (Dan. 12:10a). Paulus zegt in 2 Korinthe 5 vers 10 (2 Kor. 05:10) (wat vaak negatief wordt uitgelegd) : “opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft” .

Het leven van deze martelaren is vroegtijdig afgebroken op een gewelddadige wijze. Ze hebben zich niet kunnen toebereiden zoals ze wel wilden. Bewijs hiervan is dat ze hun leven hier niet liever hebben gehad dan de marteldood, terwille van het woord Gods. Ze zijn hierin hun Heer gevolgd. In zijn grenzeloze barmhartigheid en rechtvaardigheid schenkt de Heer hun het witte gewaad van smetteloos fijn linnen. Dat is het grote loon in de hemelen, waarvan Jezus zegt in Matteüs 5 vers 11 en 12 (Matt. 05:11-12): “Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen, want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd” .

Gods volk in geestelijke ballingschap

Zo is het volk Gods opnieuw in ballingschap gegaan. Nu echter niet naar het vlees, maar in de geest. De gemeente van Jezus Christus heeft zich niet gehouden aan de inzettingen en verordeningen van hun Heer, zoals Ezechiël 11 vers 12 (Ez. 11:12) zegt, maar ze zijn gaan wandelen naar de zeden der volken rondom. Maar het zal niet zo blijven. Opnieuw breekt een volheid des tijds aan en nadat Joël de situatie beschreven heeft van de sprinkhanenplagen, wat te vergelijken is met de situatie van de eerste vijf zegels, profeteert hij in Ezechiël 2 vers 18 en 19 (Ez. 02:18-19): “Toen nam de Here het op voor zijn land en Hij kreeg medelijden met zijn volk. De Here antwoordde zijn volk: Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmede verzadigd wordt, en Ik zal u niet meer prijsgeven tot een smaad onder de volken”. (wordt vervolgd).