1984.04 nr. 247

Levend geloof 1984.04

Het bewijs van de opstanding door Gert Jan Doornink

De opstanding van Jezus Christus is door alle eeuwen heen, een onderwerp geweest dat door niet-christenen fel werd aangevallen en bekritiseerd. Dat gaat door tot op de dag van vandaag, denk maar eens aan de vele artikelen die er ieder jaar weer rondom Goede Vrijdag en Pasen in de diverse wereldse bladen over deze gebeurtenis te lezen zijn. Nu is dit niet verwonderlijk, want de overwinning van Jezus Christus over de satan aan het kruis van Golgotha en Zijn opstanding uit de doden, vormen de kern van ons geloof in de levende God. En alleen satan heeft er belang bij dat dit geloof bij zo min mogelijk mensen wortel zal schieten.

Het geloof in de opstanding

In de eerste tijd van het bestaan van de Gemeente van Christus waren er verschillende gelovigen die de opgestane Jezus zelf hadden ontmoet. De Bijbel spreekt er op diverse plaatsen over. Wij denken aan 1 Korinthe 15 vers 5 (1 Kor. 15:05), waar Paulus schrijft: “Hij is verschenen aan Céfas, daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jacobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene” 1 Korinthe 15 vers 5 tot en met 8 (1 Kor. 15:05-08). Voor hen was het als het ware ‘gemakkelijk’ te geloven, zij hadden immers Jezus zelf in lichamelijke gedaante gezien. Maar toch mogen we het zo niet stellen, want de gelovigen die Jezus niet ‘gezien’ hadden, geloofden even rotsvast in de opstanding! Wat was hun geheim? De vervulling met de Heilige Geest!

Ondanks het feit dat Jezus, toen Hij nog op aarde was, meerdere malen sprak over Zijn dood en opstanding, wilden Zijn discipelen dat maar nauwelijks of in het geheel niet accepteren. Hoe geheel anders na Pinksteren! De boodschap die door dezelfde discipelen gebracht werd, in de kracht van de Heilige Geest, had als één van de hoofdthema’s: de opstanding van Jezus! Satan was overwonnen! Jezus had als eerste, satans voornaamste wapen ‘de dood’ verzwolgen in de overwinning. Hij had definitief afgerekend met de satan en dus ook met de dood.

Wij die vele eeuwen later leven en als kinderen Gods de Gemeente van Christus vormen, weten dat de opstanding van Jezus een realiteit is. Deze zekerheid hebben wij niet alleen omdat we in de Bijbel lezen over de opstanding van Jezus en dat geloven, maar omdat de levende Jezus in ons woont met Zijn Geest. We zijn een nieuwe schepping in Hem. Door de Heilige Geest is het geloof in de opstanding van Jezus een levend geloof geworden, dat wil zeggen het functioneert in en door ons. Jezus leeft en wij met Hem!

Het nieuwe leven in ons!

Ten opzichte van ons getuigenis in deze wereld is het van het allergrootste belang dat wij weten dat het nieuwe leven van Jezus in ons is. Ons getuige van Jezus- zijn in deze wereld is onvolledig, als we alleen maar de mensen weten te vertellen dat we geloven dat Jezus uit de doden is opgestaan omdat het in de Bijbel staat. Want juist uit ons dagelijks leven zal moeten blijken dat het nieuwe, Goddelijke leven in ons is. Dit is alleen mogelijk als wij gedoopt zijn en vervuld blijven met de Heilige Geest. Jezus zelf sprak: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38). Gaan we daarmee niet onze eigen ervaring, onze geloofsbeleving, boven het Woord van God stellen? Integendeel! Wij bevestigen daarmee het Woord van God en maken het tot een levende werkelijkheid in ons leven. Daardoor worden we effectieve getuigen van Christus in deze wereld.

In deze eindtijd zal het grootste bewijs van de opstanding van Jezus de gemeente zijn. Want deze Gemeente zal, naarmate zij geestelijk groeit en de ‘mannelijke rijpheid’ bereikt, geheel gaan beantwoorden aan de blauwdruk die God er voor gemaakt heeft Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27). Het zal een Gemeente zijn die weet dat de boodschap die Jezus bracht, geen theorie is, maar praktisch beleefd moet worden. De leden van deze Gemeente hebben zich losgemaakt van de wereldgeesten in welke vorm ook, omdat zij weten dat het gaat om het ten volle functioneren in het Koninkrijk dat niet van deze wereld is: het Koninkrijk der hemelen. Van dat Koninkrijk is Jezus de Koning en het heerlijke is dat wij, als Zijn volgelingen, reeds nu als taak hebben door woord en daad te bewijzen dat Jezus leeft en regeert tot in alle eeuwigheid!   

 

De zaligsprekingen door Tea Keuper Dijk

Een tijdje geleden werd ik bepaald bij de zaligsprekingen van de Heer Jezus. Graag zou ik ze eens samen met u doorlezen om te zien, wat ze óns te zeggen hebben. Jezus zélf heeft ze ons gegeven. Het heeft mijns inziens te ma­ken met een weg, die steeds verder omhoog voert. Het be­gint en eindigt met de belofte, dat deze ‘gezaligden’ het Koninkrijk der hemelen beërven! Een heerlijke belofte van onze Heer en Heiland!

-Zalig de armen van geest, want hunner is het Konink­rijk der hemelen.

Niet, dat het goed is ‘dom’ te zijn, dus min of meer onder of onontwikkeld in de dingen van Gods Koninkrijk, maar arm dat wil zeggen niets bezittend van jezelf, zodat Gods Geest jou Zijn wijsheid kan toebedelen! Je kunt zó zijnde, God niet in de weg lopen met ‘eigen’ wijsheid! Dit is het begin: Je om willen keren tot God alleen! Bekering!

-Zalig de treurenden, want zij zullen vertroost worden.

Als je verdriet hebt kunnen mensen je troosten. Maar nooit zoals God kan troosten. Als je voor Hem alles bloot­legt , Hem je verdriet vertelt, ervaar je pas de echte troost! Ook troost de Heer door mensen, die vol van Hem zijn? Je wordt dan op een goddelijke wijze vertroost!

-Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.

Véél verdragend, elkaars moeilijkheden, staat elders ge­schreven. Ook lankmoedig (is lang-moedig) zijn! Het is iets wat op aarde plaatsvindt. Want, tegenover de ver­keerde machten in de hémel (de overheden en boze gees­ten), ben je niét zachtmoedig. Maar wél tegenover de mensen, die om je heen zijn en die door deze boze gees­ten, inspiraties, worden gebruikt. Daar luistert de zacht­moedige naar, liefdevol, begrijpend en vermanend, vanuit een liefdevol hart’ Als we dit verwerven, deze zachtmoedigheid, beërven wede aarde: we winnen de na­tuurlijke mens en dan samen met de ander die we helpen het geestelijke, zodat hij of zij ook leert strijden in de geestelijke wereld!

-Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Deze mensen willen alle ongerechtigheid dus kwijt, alle zonde. Zij willen de gerechtigheid doen, hun intentie is: ik wil het goede doen. Ik wil de rechte weg samen met de Heer bewandelen! Ik wil het slechte kwijt! Zij worden verzadigd van het goede!

-Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden.

Dit zijn zij, die zich kunnen ontfermen over anderen, die kunnen meelijden en strijden, luisteren, vertroosten, ver­zorgen. God zegent zulke mensen. Dit zie je ook in de wereld gebeuren. Staat er niet geschreven: Barmhartig­heid roemt tegen het oordeel?! Jakobus 2 vers 13 (Jak. 02:13).

-Zalig de reinen van hart, want zij zullen God zien.

Rein is vrij, schoon, zonder kwaad; het zijn zij, die in Christus leven, bezig zijn. Dan ben je gescheiden van de zonde, die een muur opwerpt. Christus heeft die muur doorbroken. Als je bewust, met héél je hart Hem dient, in Christus bent, geen verstopte kanalen meer hebt, zul je God zien! Een heerlijke uitspraak van onze Heer en Heelmeester. Laten we ons dit bewust zijn – of worden!

-Zalig de vredestichters, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

Vrede is iets, wat iedereen begeert. Wanneer je ergens in gezin, de buurt, op school, op je werk vrede kunt be­werkstelligen door al het bovenstaande in praktijk te brengen, zal men erkennen: Dat is een christen! Iemand, die naar Christus’ voorbeeld lééft! En wij weten dat dit mogelijk is door de kracht van de Heilige Geest, die Jezus geeft aan ieder, die Hem daarom bidt!

-Zalig zijn de vervolgden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

Als je recht doet, rechtvaardig leeft, en je wordt tóch vervolgd door de boze, bezette mensen, ga je dan verhef­fen en beweeg je met je gedachten in de hémel. Daar wordt je door de Heer recht verschaft!

Jezus zegt verder, dat we ons dienen te verblijden, als we om Zijns Naams wil zullen lijden in deze wereld. Ons loon zal groot zijn in de hemel, dat loon is groot staat er: we ervaren dan namelijk, ondanks aanvallen uit het rijk der duisternis, tóch de vrede, blijdschap en rust – kenmerken van het Koninkrijk der hemelen – waar we bezig zijn! Jezus zei eens: De vijand komt en vindt in Mij niets! Dat is het toch wat wij begeren: Dat we blijvende blijdschap en vrede hebben in een bezette wereld, op­dat we – op deze wereld zijnde – leven in de hemel! Halleluja!

Tea Keuper Dijk

 

Opstandingsfeest (gedicht)

Als je gelooft, dat Jezus Christus

Is opgestaan uit dood en graf.

Dat Hij aan ’t kruishout heeft gedragen

Ons aller schuld, de zondestraf..

 

Dan is er enkel één verlangen:

Om neer te knielen aan Zijn voet

En Hem te danken en – ’t aanbidden

Voor ’t offer van ’t vergoten bloed.

 

Want Hij verrees ten derde dage

Door Godd’lijke opstandingskracht;

Daarmee heeft Hij voorgoed verbroken

De slavernij van satans macht.

 

Als Hij, de opgestane Heiland,

Zó in je hart en leven leeft,

Ervaar je ’t wonder van het Paasfeest,

Dat daag’lijks kracht en blijdschap geeft.

Judith Jacobs

 

Reacties van lezers

Olie voor een verziekte ziel

Broeder R. ten C, te Sloten, schrijft: “Graag wil ik nog­maals een paar brochures bij u bestellen. De vorige ben ik al weer kwijt, dus u kunt wel zien dat er behoefte is naar een duidelijk antwoord op heel veel vragen van christenen, die dus in bro­chures zoals “God is een goede God” en “Hoe beleven wij ons geloof?” beantwoord worden of in ieder geval een duidelijke Bijbelse richting aangeven.

Ik heb van een kennis van mij een paar oude nummers van “Levend Geloof” gekre­gen en ik was gelijk erg on­der de indruk van de rijke en sprankelende boodschap die daarin staat. Het is als olie voor een verkwikte ziel. Die God waarover u schrijft, dat is een God die je echt lief kan hebben en is mijn God. Halleluja! En ik wilde mij ook graag opgeven als abonnee”.

De Heer is goed en zeer te prijzen!

Broeder N. B. te Rotterdam, schrijft: “Prijs de Heer!

Dat kan ik wel zeggen en uitroepen. Hij heeft ons door alles heen weer ge­steund, gesterkt en bewaard. Ik heb nog werk en dat is al een grote zegen apart in de­ze sombere tijd van werke­loosheid. Net nog in de E.0. gids over de gemeente in Rusland gelezen. Wat hebben wij toch een bij tijd en wijle slappe gemeenten. Ko­men wij ter kerke, alom hoort men sombere gesprek­ken. Familie X kon niet ko­men, verslapen. Zuster A was ook verhinderd, want zij kon niet weg omdat de koel­kast kapot was. Zelfs ge­sprekken (en niet weinig) over anderen die zo slecht hebben gehandeld. Let wel: ik wil niet negatief zijn, maar ik vraag mij toch wel eens af: hoevelen zullen er wel afvallen als verdrukking komt. Wat ik ook vaak opmerk is dat iemand vol van vreug­de naar de samenkomst komt, raakt dan in gesprek met een negatief persoon, en alle vreugde is ontroofd. Maar de Heer is goed en zeer te prijzen en Hij zal voor Zijn kinderen een Gids zijn door alles heen. Broederlijke groeten voor u allen die zo’n rijk werk doen”.

Een andere kijk op de Bijbel

Broeder J, van N. te Scheemda, schrijft: “Ik wil u on­derstaand adres opgeven als abonnee op “Levend Geloof”. Zelf heb ik er heel veel aan en door het te lezen krijg je een andere kijk op de Bijbel en ineens wist ik het, dit is het! We kunnen met dat wat ons vroeger ge­leerd werd niet verder komen op de weg van de heiligma­king, maar dit was een open­baring voor mij. Het is een wonder dat de Heer ons iedere keer in de geschiedenis mensen geeft die door het licht van de Heilige Geest mogen zien dat er veel meer is en zo, mede door uw blad, anderen daar­van in kennis stellen. Ik bid voor alle medewerkers dat uw arbeid veel vrucht mag dragen”.

Diverse reacties in het kort

“Ik ben erg blij met “Levend Geloof”. Het is nog steeds het geschenkabonnement, het jaar is nog niet om. Maar ik zou me graag willen abonne­ren. Het geeft me heel veel kracht en vrijheid. Ik leef altijd weer naar de tijd toe dat het blad moet komen” (M. M. I. L. te Rotterdam). “Stop! Geen Levend Geloof” meer, a.u.b. Het artikel van Wim te Dorsthorst was erg genoeg, uw antwoord nog het ergst” (G. v. d. W. te Den Haag).

“Wij geniéten als gezin erg van uw uitgaven en geven deze ook door aan plaatsge­noten” (A. en J. A, te Parrega, Fr.) .

“Heel hartelijk dank voor het eerste blad wat ik van u ontving. Ik vind het een mooi blad en vooral de ge­dichten zijn uniek voor mijn verzameling” (M. v. d. L. te Vlaardingen).

“Eén dezer dagen kregen wij enige exemplaren in handen van “Levend Geloof”. We von­den het excellent en willen ons graag opgeven als abon­nee” (W. en H. B. te Ulverstone, Australië).

“In verband met een gewij­zigde visie onzerzijds be­treffende het christelijk leven zien wij per heden van een verder abonnement op “Levend Geloof” af” (C. T. te Zwaag).

“Met dit schrijven zou ik me graag abonneren. Ik er­vaar de verschillende arti­kelen als opbouwend en ge­loofsversterkend. Prijst God voor “Levend Geloof”. (H. D. te Harelbeke, Bel­gië).

 

Volmaakt in de liefde door Rob Polderman

Onze hemelse Vader is volmaakt

Wij kunnen ons uitermate verheugen over de helder­heid waarmee ons op velerlei wijze de Vader wordt ge­openbaard. De bedoeling daarvan is dan natuurlijk, dat wij ons intens gaan ver­heugen in die Vader. De kennis óver Hem moet altijd weer leiden tot gemeenschap mét Hem. Daarom zal het ook zijn: ‘hoe dieper en zuiver­der de kennis óver Hem, hoe dieper en sterker de ge­meenschap mét Hem’ Met als gevolg steeds meer vrucht.

De Heer Jezus zegt in Matteüs 5 vers 48 (Matt. 05:48) dat uw he­melse Vader volmaakt is. Wat een voorrecht om een volmaakte Vader te hebben. En dat is Hij! Volmaakt in al het goede, enkel licht, vol­maakt positief.

Onze Vader is absoluut, we zouden terecht mogen zeg­gen, ‘Hij is onverbeterlijk’.

Ook in liefde is Hij vol­maakt. Juist dit is de grootste waarborg voor ons leven. In Hem hebben wij een Vader die niet verwijt, niet beschuldigt, niet aan­klaagt. Onze Vader verne­dert zijn kinderen niet, in tegendeel Hij verhoogt hen die Hem liefhebben.

Hij scheldt niet en vergeldt niet. Indien God scheldt, dan scheldt Hij kwijt. Alles wat wij mensen misdeden doet Hij van ons weg, zo­ver het oosten van het wes­ten verwijderd is.

David getuigt in Psalm 103, Hij zich over Zijn kinderen. Hij gedenkt de mens om de­ze tot heerlijkheid te bren­gen. Hij zoekt hem, om krachtig bij te staan. Zijn liefde is niet tevreden met minder dan het beste. Te­midden van verzoekingen zorgt Hij voor uitkomsten, zodat wij er tegen bestand zijn.

Jezus de volmaakte mens

Dankzij de volmaakte mens Jezus krijgen wij een vol­maakt beeld van de volmaak­te Vader. Van Jezus worden onder andere drie prachtige getuigenissen gegeven, na­melijk ‘Hij is het beeld van de onzichtbare God Kolossenzen 1 vers 15 (Kol. 01:15), de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen’ Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 1:3). Hij is die eerste nieuwe mens waarin het beeld en de gelijkenis Gods ten volle openbaar geworden is. Hij laat Gods eigenschappen zien aan een ieder die het wil zien.

In 1 Korinthe 13 vinden wij een prachtige opsomming van Gods eigenschappen. Het gaat in dit hoofdstuk om de liefde en zoals ook Johannes getuigt, weten wij immers ‘God is liefde’. Hij is lankmoedig en goedertie­ren. Hij is niet afgunstig en praalt niet, Hij is niet opgeblazen en kwetst niemands gevoel, zoekt Zichzelf niet, wordt niet verbitterd en rekent het kwade niet toe. Hij is niet blij met de ongerechtigheid, maar wél met de waarheid. De wereld is vol verwarring, verblin­ding en teleurstelling over God. Er wordt zoveel over Hem beweerd, maar het wordt niet gezien. Er wordt zoveel gezegd, maar niets bewezen. Hoe zal Hij tonen wie Hij is? Hoe zal Hij Zijn karakter laten zien en zal Zijn ware aard tevoorschijn komen? Door middel van de mens, die Hij speciaal daar­voor geschapen heeft! De mens zal laten zien dat hij God kent, door lief te heb­ben, gelijk Hij liefheeft. Jo­hannes zegt: ‘Wie niet lief­heeft, kent God niet’ 1 Johannes 4 vers 8 (1 Joh. 04:08).

In Gods woord staat: ‘Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit! Wie vreest is (nog) niet vol­maakt in de liefde’ 1 Johannes 4 vers 18 (1 Joh. 04:18). Er zijn nog enorm veel angsten in de mensen werkzaam. En laten wij ons­zelf en elkander niet te ge­makkelijk wijsmaken dat dit- niet van toepassing is op de kinderen Gods.

Maar, prijst de Heer, want de Vader leert ons én de Heilige Geest bevestigt in ons, dat daadwerkelijk de volmaakte liefde elke vrees overwint. Dat bewerkt de onovertreffelijke kracht die er is in de volmaakte liefde Gods.

Het komt er op aan dat wij meer en meer gaan beseffen en beleven, dat die vol­maakte, alle vrees o ver win­nende, liefde Gods, door mensen heen, naar mensen toe kan stromen. Zoals eens Gods liefde door Jezus bij de mensen kwam en hen be­vrijdde, genas en tot zegen was, zo is het ook thans door middel van de mens, tot de mens.

Weest ook gij volmaakt!

Wat is het Bijbelse gevolg voor ons leven, indien wij geloven dat onze hemelse Vader volmaakt is? Dat zal betekenen, dat wij dat met ons leven gaan laten zien! Want wij zullen zijn, gelijk Hij is! “Gij dan zult vol­maakt zijn, gelijk uw hemel­se Vader volmaakt is”. Matteüs 5 vers 48 (Matt. 05:48)

Het is heerlijk voor onszelf om ons te verheugen in een Vader die volmaakt is. Maar indien wij ons bewust wor­den wat dat betekent, dan rust op ons de taak en heb­ben wij het voorrecht om, evenals Jezus, het beeld van Hem uit te stralen en te zijn de afdruk van Zijn wezen. Wij zijn immers Zijn kinderen en van Zijn ge­slacht. Wat een uitdaging ligt hier voor ons in. Zijn zoals Hij! Liefhebben zoals Hij liefheeft en liefde is. Zeg niet ‘liefde verblindt’, want het tegendeel is waar. Waar de liefde uit God toeneemt in ons hart en leven, juist daar groeit een helder inzicht, een goddelijke fijngevoelig­heid en een steeds dieper onderscheiden waarop het aankomt Filippenzen 1 vers 9 (Filip. 01:09). Daar wor­den werken der duisternis ontmaskerd en overheden en machten openlijk ten toon gesteld en wordt er zó over hen gezegevierd.

Waar Gods liefde door de Heilige Geest in harten van mensen wordt uitgestort en gaat werken, daar wordt lé­ven Gods openbaar. Die liefde gaat op zoek naar de echte mens en doorziet ca­mouflage en gebeurtenissen. Dan zullen gaven van de Heilige Geest openbaar wor­den, omwille van het welzijn van mensen.

Die liefde geeft niet op en gaat voor geen macht opzij. Zij houdt stand en het einde zal zijn, ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw!’ Die liefde is onvermoeibaar, creatief én vindingrijk. Zij waagt zich zelfs op het terrein van de vijand om gevangenen te be­vrijden. Die liefde gaat uit­dagingen niet uit de weg.

Zij neemt verantwoordelijk­heid op. De liefde is niet wettisch. Zij activeert wél de wet van de Geest des le­vens, welke mensen in Christus Jezus vrijmaakt van de wet van zonde en van dood Romeinen 8 vers 2 (Rom. 08:02).

Dat is de wet die lévend maakt en alles vermag. Want in Christus zijnde vermag het geloof door liefde wer­kende , zelfs ongelooflijke dingen Galaten 5 vers 6 (Gal. 05:06). Dat geloof proclameert het ‘Geef terug’ waar de profeet Jesaja over schreef in Jesaja 42 vers 22 en 23 (Jes. 42:22-23).

Die liefde verbreekt gren­dels en tilt dicht gespijker­de deuren uit de scharnieren. Het is Gods kracht tot bevrijding en herstel.

Deze liefde sluit vermanin­gen niet uit, maar maakt de­ze zowel noodzakelijk als ook mogelijk. In een geestelijk klimaat van liefde kunnen dergelijke dingen gebeuren. Zoals in Hebreeën 12 vers 6 en 7 (Heb. 12:06-07) onder andere

ver­meld staat met de woorden: ‘Wien Hij liefheeft, tuchtigt de Here en als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen’. Wat een liefdevolle tucht is dat! Hij behandelt ons als zonen.

In Zijn Zoon Jezus Christus heeft God zichzelf aan een deel der mensheid reeds kunnen openbaren. Wanneer wij nu deze kostelijke en kostbare openbaring ten diepste op ons laten inwer­ken, het zodoende overne­men en in ons leven opnemen dat God absoluut goed is, volkomen licht en de vol­maakte liefde, dan zullen wij met ons eigen leven aan de mens van deze tijd en in de­ze wereld mogen tonen en bewijzen wie Hij is.

“Want Hij heeft ook óns in Zijn liefde er toe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen naar het welbe­hagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid Zijner genade, waarmee Hij ons be­genadigd heeft in de Gelief­de” Efeze 1 vers 5 en 6 (Ef. 01:05-06).

“En hierom danken ook wij God onophoudelijk, dat gij, toen gij het woord Gods van ons hebt ontvangen, het hebt aangenomen, niet als een woord van mensen, maar, wat het inderdaad is, als een woord van God, wat ook werkzaam is in u, die ge­looft” 1 Thessalonicenzen 2 vers 13 (1 Thess. 02:13).

Gods woord is werkzaam in ons

Paulus noemt hier zijn predi­king niet een woord van mensen, maar een woord van God, en dat woord is werk­zaam “in u die gelooft”. De Heilige Geest opent de schriften en het verstand. Daar is op van toepassing hetgeen Jezus tot zijn disci­pelen zei: “Nog veel heb Ik u te zeggen… doch wanneer Hij komt, de Geest der waar­heid, zal Hij u de weg wij­zen naar de volle waarheid”.

Johannes 16 vers 12 en 13 (Joh. 16:12-13) . De openba­ring van Christus gaat door. Ten tijde van Jezus’ rondgang door Israël, sprak het vleesgeworden Woord vaak over’ bepaalde dingen die zijn discipelen niet ver­stonden. Na de opstanding en de uitstorting van de Heilige Geest verstonden zij deze dingen.

Daarom is het gedoopt zijn met de Heilige Geest zo noodzakelijk. Dan gaat het Woord Gods ook in ons vlees werkelijkheid worden en zullen wij gaan uitgroeien naar zijn beeld en gelijke­nis. Jezus Christus was een man van vlees en bloed ge­lijk wij, de Geest Gods in Hem maakte Hem tot datgene waarvan God zei: “Dit is mijn geliefde Zoon, hoort Hem, luistert naar Hem”. De gehele Bijbel – daarop wil ik u nog eens nadruk­kelijk wijzen – is de Schrift- geworden Christus. (1). Het woord is vlees geworden, (2) schrift geworden en (3) als doel: Christus in ons. De Bijbel spreekt over Abraham en zijn zaad (Galaten 3), niet zaden. Met dit zaad van Abraham worden bedoeld diegenen die in Christus zijn. Daarom is het Woord en de Geest Gods werkzaam in ons en zal onze kennis vermeer­deren. Met mensen die het Woord, Christus, niet aange­nomen hebben is het moeilijk praten, ook al geloven zij wel op de één of andere ma­nier. Als je zulke mensen met Bijbelteksten wilt over­tuigen dat dit de ‘waarheid’ is en dé oplossing voor de toekomst van het menselijke geslacht, zullen zij zeggen dat je wel gelijk zult hebben, maar zelf geloven ze het niet.

Kent u die mensen? Gaat het u niet aan het hart dat zij zoveel missen? Ik hunker er naar dat de Geest Gods ook hun zal overtuigen en dat het woord uit  Jesaja 10 vers 9 en 10 (Jes. 10:09-10) zal vervuld worden. Dat de aarde vol zal zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï’ (Jezus Christus) zullen zoe­ken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. Wij kunnen niet buiten Jezus om. Hij is de verhoogde Heer en niemand komt tot de Vader dan door Hem. Hij en zij die uit Hem geboren zijn, zijn het zaad van Abraham, het volk der gelovigen.

De strijd in de hemelse gewesten

De strijd tussen het oude verbondsvolk en het nieuwe verbondsvolk is nog steeds actueel. Lees daartoe de gelijkenis van de lederen zakken er nog maar eens op na. De nieuwe wijn is brui­send en zoekt de ruimte, de oude wijn is oud en bele­gen. De gebruikers daarvan zoeken dat nieuwe bruisen­de, overvloeiende leven niet, zij zeggen: ‘het oude is goed genoeg’. Zij weten niet door welke geest zij geleid worden. Er is in de hemelse gewesten een strijd gaande tussen licht en duis­ternis. Tussen

(a) mensen die geloven in prestatievermo­gen , door een wet te vol­brengen, je van alles te ontzeggen en je van allerlei lasten op te leggen en den­ken dat je daardoor de za­ligheid kunt verdienen, en.

(b) mensen die geloven in Jezus Christus. Waar de Geest des Heren werkt daar is vrijheid, Daar kunnen en zullen mensen uitgroeien tot het zoonschap, door de Geest en niet het vlees.

In de loop der eeuwen is de kerk terug gekrabbeld naar een oudtestamentisch geloof met wetten, voorvaderlijke overleveringen en besnijde­nis/kinderdoop. Dit geloof stak reeds ongeveer 50 jaar na Christus de kop op. De brief aan de Galaten is daar één van de bewijzen van. Nadat Paulus zijn boodschap gebracht had en de mensen tot bekering waren gekomen, kwamen er apostelen/zende­lingen achter hem aan die, misschien zelfs met een be­roep op de apostelen in Je­ruzalem, verkondigden, ja zelfs eisten, dat ook niet joodse christenen besneden moesten worden om tot het volk van God te behoren. Die eis tot besnijdenis is het die Paulus in het strijdperk doet treden. Waarom is Pau­lus toch zo fel? Nu dat ziet Paulus duidelijk en klaar als een vervalsing van het evan­gelie van Jezus Christus. Als men zich laat besnijden, de kinderdoop als een ver­lengstuk daarvan ziet of op één of andere wijze de doop als redmiddel ziet, dan is de komst van Christus voor die­genen nutteloos. Je onder­werpt je bij de besnijdenis aan een joodse wet en heb je geloof in Christus aangevuld met een toevoeging die een vervalsing van het christelij­ke geloof en afval van het geloof in de hand werkt. Paulus zegt dan ook zeer nadrukkelijk dat hij of zij die niet met heel zijn hart gelooft, dat hij om Christus wil door God aanvaard wordt, geen christen is.

Het gaat om de boodschap van geloof

Steeds zijn er aan het ge­loof in Jezus dingen toege­voegd. “Door het geloof alleen” , werd door de eeuwen heen aangevochten en steeds weer zag de duivel kans om dat geweldige evan­gelie af te breken en te be­knotten. Het is dan ook noodzakelijk dat wij nu als eindgemeente terugkeren naar dat enig echte evange­lie van Jezus Christus. Dat we weer gaan zien dat Gods boodschap aan ons, dicht bij is, dat wil zeggen in on­ze mond en in ons hart Romeinen 10 vers 8 (Rom. 10:08). Het is de bood­schap van het geloof en die brengen wij u. Als u met uw mond belijdt: Jezus is Heer, Hij is onze Meester en Koning en dat met uw hart gelooft dat God Hem heeft opgewekt en Hij ons ook nu leidt met zijn Geest, dan bent u gered en bent u zaad van Abraham. Geloven doen we met ons hart en dat rechtvaardigt ons en belijden doen we met onze mond en dat brengt red­ding, redding voor de ge­hele wereld met al haar nood. Er staat in de schrift: dat niemand, ja werkelijk niemand, die in Hem gelooft, wordt teleurgesteld.

Wat is nu de les uit het vo­renstaande? Het antwoord vindt u in Romeinen 9 vers 30 tot en met 33 (Rom. 09:30-33), waar staat: “De heidenen die er niet op uit waren gerechtvaardigd te worden, zijn nu juist ge­rechtvaardigd en wel door te geloven. Maar Israël, (dat wil zeggen de vrome joden en zij die bij hun zijn ingelijfd) dat altijd uit was op een wet waardoor zij zich konden rechtvaardigen, heeft zo’n wet niet gevonden (en zal deze ook nooit vin­den). En waarom niet? Om­dat zij denken dat het niet van het geloof maar van de prestatie afhangt. Zij zijn namelijk gestruikeld en struikelen nog steeds over het struikelblok, waarvan de schrift zegt: (let op!) “Ik leg in Sion een struikel­blok neer, een steen waar­over men valt, namelijk Je­zus Christus. Wie in Hem gelooft wordt niet teleurge­steld. Vrome geesten willen steeds wat presteren, willen steeds uiterlijk laten zien dat ze vroom zijn. Jezus zei daarvan dat ze zijn als wit gekalkte graven. Van buiten mooi, maar van binnen zo dood als een pier, vol doods­beenderen.

De eindgemeente is een levende gemeente

De eindgemeente is een le­vende, opgestane gemeente, die wordt klaargemaakt voor éénwording met Hem die het Hoofd is. Zij moet terug naar de bron van het dage­lijkse manna, dat Hij ons ook nu elke dag weer vers wil geven. In het hogepries­terlijke gebed zien wij dat de Vader en Jezus reeds één zijn. Zij zijn één in doel en streven en hebben een gezamenlijke toekomst. Jezus wijdde zijn leven toe aan God de Vader en zocht diens wil. Zo wijden wij ons leven toe aan Jezus en gaan in zijn spoor verder als een bron des levens die overal komen zal. Jezus bidt in Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23): “Ik bid niet alleen voor de­zen (zijn discipelen) maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, ge­lijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één (in doel en streven), opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, ge­lijk Gij Mij liefgehad hebt”.

Jezus wil, de Vader wil, dat ook wij diezelfde één­heid, datzelfde streven om onder andere de werken van satan te vernietigen, zullen ontvangen. Daarvoor is alles in gereedheid ge­bracht door Jezus Christus en door Hem alleen. Daarom is elke overlevering, elke wet die om een menselijke prestatie vraagt, een sta in de weg. De berijming van Psalm 25 vers 2 (Ps. 025:002) is dan ook een zeer duidelijke aanwij­zing vanuit de psalmen, toen David zijn ziel ophief tot de Here. In die berijming staat, met een kleine aan­vulling mijnerzijds:

Heer, o, maak mij uw wegen

Door Uw Woord en Geest bekend,

Leer mij, hoe die (wegen) zijn gelegen

en waarheen Gij (heden, van­daag) Uw treden wendt.

Leidt mij in Uw waarheid, leer

IJverig mij Uw wet betrach­ten.

Want Gij zijt mijn heil, o Heer,

‘k Blijf U al de dag (elke dag) verwachten.

 

En dan vers 4:

’s Heren goedheid kent geen palen (is onbegrensd).

God is recht (uit één stuk), dus zal Hij door Onderwijzing hen, die dwa­len

Brengen in het rechte spoor. Hij zal leiden ’t zacht ge­moed

In het effen recht (op het rechte pad) des Heren. Wie Hem (ja Hem alleen) nederig valt te voet, Zal van Hem Zijn wegen leren.

Dan zullen wij op één spoor komen met de Vader en de Zoon en zullen wij als ge­meente van Christus het uit­voeringsorgaan van zijn Geest zijn, opdat de wereld erkenne dat Jezus Christus de Redder der wereld is. Halleluja!

 

Witte bladzijden – Een enkele maal gebeurt het dat, ondanks een zo goed mogelijke controle tijdens het drukken en vergaren, enkele bladzijden van “Levend Geloof” niet bedrukt zijn. Het is natuurlijk erg vervelend zo’n incompleet blad te ontvangen. Mocht u in dit opzicht het ‘slachtoffer’ zijn, aarzel dan niet dit ons even mee te delen, en we sturen dan per omgaande een gaaf exemplaar.

 

De dood is overwonnen! door Evert van de Kamp

“En de dood zal niet meer zijn!” Openbaring 21 vers 4 (Openb. 21:04).

De dood komt niet van God

De dichter P. C. Boutens, één van de ‘Beweging van Tachtig’, maakte eens een gedicht dat hij de “Goede Dood” noemde. Hij schreef:

“Goede Dood wiens zuiver pijpen

door ’t verstilde le­ven boort,

die tot glimlach van begrijpen

alle jong en schoon bekoort”.

Is dat waar? Kunnen wij de dood goed noemen? Geen sprake van. Al zoeken in onze dagen velen de dood. De predikant-dichter Okke Jager schreef vorig jaar in het dagblad “Trouw”: “De dood deugt niet”. Met grote letters stond het in de krant. Terecht. De dood deugt niet. De dood komt niet van God. En al wat niet van God komt deugt niet. Eenmaal waarschuwde God de mens voor de dood. “Ten dage dat gij van de boom der kennis van goed en kwaad eet, zult gij voorzeker sterven” Genesis 2 vers 17 (Gen. 02:17).

Openbaring 9 vers 11 (Openb. 09:11 noemt Abáddon (Hebreeuws) of Apollyon (Grieks) als knecht van satan, de over­ste van de dood. Onze Heer heeft hem echter de sleu­tels van de dood en het do­denrijk afgenomen. Ik ben dood geweest, sprak Hij, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden Openbaring 1 vers 18 (Openb. 01:18). Jezus heeft de dood nooit geaccepteerd. Zijn eigen getuigenis was: “Ik ben de opstanding en het leven” Johannes 11 vers 25 (Joh. 11:25).

En als eersteling van hen die ontslapen zijn, is Chris­tus opgewekt uit de doden 1 Korinthe 15 vers 20 (1 Kor. 15:20). Satan meen­de Christus als de parel van grote waarde in de greep van de dood gevan­gen te kunnen houden. Het was niet mogelijk, dat Hij door de dood werd vastge­houden. Hij verbrak de weeën van de dood Handelingen 2 vers 24 (Hand. 02:24).

En nu? Nu heeft de dood geen heerschappij meer over Christus! Romeinen 6 vers 9 (Rom. 06:09). En dus ook niet meer over allen, die in zijn dood ge­doopt zijn en met Hem zijn opgestaan in een nieuw le­ven. Helaas, veel christe­nen zien de dood naar de letter nog geheel of ten de­le in Gods hand. Zong Hanna het niet? “De Here doodt en doet herleven, Hij doet naar het dodenrijk neerda­len en daaruit opkomen” 1 Samuel 2 vers 6 (1 Sam. 02:06). Een uitspraak van Michel Angelo doet nog veel opgeld: “Wanneer het leven ons behaagt, dan mag ook de dood ons niet misha­gen, daar deze uit de hand van dezelfde Meester komt”. Zo’n uitspraak doet veel kwaad.

Satan is de moordenaar

Veel rouwadvertenties zijn in dubbele zin verdrietig. In de trant van: “God nam op zijn tijd, maar voor ons onverwacht, van ons weg” etc. God neemt niet weg. Hij neemt wel tot Zich. Jezus noemt de satan de moorde­naar van den beginne Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44). En hij is het ook.

Verleden jaar overleed plot­seling een jong predikant. Zijn gemeente reageerde daarop als volgt: “Wij zijn erg verdrietig en opstandig om zijn heengaan”. Door een verkeersongeluk kwam hij om. De gemeente begreep: dit kan Gods wil niet zijn. Dit geweld komt van de dui­vel. Deze woorden werden hen door velen niet in dank afgenomen. Een storm van protest haalde de kranten en de radio. Toch beginnen gelukkig steeds meer men­sen, ook predikanten, te twijfelen. Je kunt immers moeilijk volhouden dat abor­tus, euthanasie en zelf­moord – vormen van ster­ven – niet van God komen en dood door ongelukken wel.

Je kunt de dood nooit los­maken van de doodsoorza­ken.

En die oorzaken komen nooit van God. Van God die licht is en in Wie in het ge­heel geen duisternis is 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05).

Elke oosterse lijdzaamheid tegenover de dood was Jezus vreemd. Hij verzette zich dagelijks tegen de dood.

Het is een goede zaak om de dood terug te dringen. In 1900 stierven er in ons land van elke duizend zuigelin­gen 155. Nu nog ongeveer 11. In deze eeuw verdub­belde in Nederland het ge­middeld aantal levensjaren der mensen.

De dood is een vijand. De laatste vijand. Maar hij wordt onttroond 1 Korinthe 15 vers 26 (1 Kor. 15:26). Pasen vertelt ons dat de dood is verzwolgen in de overwinning 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:54).

Jezus bevrijdt van angst

Toch is er veel angst voor de dood. Spelen doodsmachten niet een luguber spel? Kunnen mensen soms maar moeilijk sterven, omdat die machten hen niet willen loslaten? De Bijbel spreekt van mensen die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd zijn Hebreeën 2 vers 14 en 15 (Heb. 02:14-15).

Maar Jezus bevrijdt’ Hij heeft ons bevrijd van die angst. In Zijn Naam treden wij bevrijdend op.

Nog is de dood, die laatste vijand, niet verdwenen. Al wat leeft moet nog sterven. Wel heeft Christus voor zijn volk de angel eruit gehaald. Elke waarachtige gelovige stemt in met wat de apostel neerschreef in 2 Korinthe 5 vers 1 en 2 Korinthe 5 vers 8 en 9 (2 Kor. 05:01 en 2 Kor. 05:08-09): “Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wo­nen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God heb­ben , in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Wij zijn vol goede moed en begeren bij de Heer onze intrek te nemen” .

De dood verdwijnt definitief

Pasen maakt ons ook duide­lijk dat de dood definitief gaat verdwijnen. Dat zegt onze begintekst immers ook: “En de dood zal niet meer zijn”. De dood en het do­denrijk worden in de poel des vuurs geworpen Openbaring 20 vers 14 (Openb. 20:14). Zij deugen niet.

Daarom niét: “Wir setzen uns mit Tranen nieder” (Mattheüs-passion). Integendeel! Wij verheffen ons met gejuich. Wij weten dat de opgestane en verrezen Heer alle tranen afwist.

Wij zullen de dood niet eens zien zegt Johannes 8 vers 51 en 52 (Joh. 08:51-52). Dat betekent niet dat wij de biologische dood niet zullen sterven. Het wil zeggen dat wij niet in het dodenrijk zullen komen. De geest van de wederom geborene gaat bij de scheiding van het lichaam (meteen) naar de Heer.

Wij zien Hem met eer en heerlijkheid gekroond en prijzen Hem, de nooit ge­noeg volprezen Heer!

Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, de wijsheid en de sterkte, de eer en de heerlijkheid en de lof!

Wat heerlijk dat we ons en­kel vast mogen houden aan de woorden van God!

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst

De eindtijd is de tijd van de onthulling

We zouden de vraag kunnen stellen: Aan wie worden de geheimenissen aangaande de eindtijd onthuld? Als we deze vraag kunnen beantwoorden, dan gaan we de profeten en het boek Openbaring verstaan en ontdekken we, wie hierin de hoofdrol speelt. Behalve de profetieën van Daniël zijn er meer profetische Schriftgedeelten die verborgenheden aangaande de eindtijd in zich bergen. Petrus zegt – en hij zondert daarbij geen profeet uit – “dat aan de profeten werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u (de Gemeente van Jezus Christus) dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn, bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan” 1 Petrus 1 vers 10 tot en met 12 (1 Petr. 01:10-12).

Een wonderlijke uitspraak van Petrus. De profeten zagen al, dat het niet voor het toenmalige volk Israël was. Zij dienden niet zichzelf. Het zijn ook niet de engelen, die het in de eindtijd bepalen, want die begeren ook een blik te slaan in deze dingen.

De profeet Daniël geeft een heel duidelijk antwoord op de vraag aan wie de verzegelde verborgenheden onthuld zullen worden.

God zegt tot Daniël in Daniel 12 vers 9 en 10 (Dan. 12:9-10): “Ga heen Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd. Velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren, maar de goddelozen zullen goddeloos handelen; en geen der goddelozen zal het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan”. Daniël noemt twee categorieën. De verstandigen en de goddelozen of onverstandigen. Over de grote massa spreekt Daniël niet. Het gaat hier duidelijk om twee typen christenen, die onderzoek doen. “Velen zullen onderzoek doen en de kennis zal vermeerderen” (4b). Er is echter maar één categorie die het zal verstaan, namelijk: de verstandigen, die zich laten reinigen en zuiveren en louteren.

Wie zijn de verstandigen?

De verstandigen zijn degenen die zich laten reinigen door het waterbad van het woord. Paulus schrijft: “Christus heeft zich overgegeven voor zijn gemeente om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad van het woord en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zo, dat zij heilig is en onbesmet” Efeze 5 vers 26 en 27 (Ef. 05:26-27) . Het zijn degenen die door de vuurgloed der beproeving heen gegaan zijn en als gelouterd goud te voorschijn komen 1 Petrus 4 vers 12 en 1 Petrus 1 vers 7

(1 Petr. 04:12; 1 Petr. 01:7). Het zijn degenen die bij hun Heer goud kopen, dat in het vuur gelouterd is en oogzalf opdat zij kunnen zien Openbaring 3 vers 18 (Openb. 03:18) . Dit zijn de verstandigen, dit zijn de zieners, die oog hebben voor de geopende deur in de hemel en die met Johannes de stem, als van een bazuin verstaan, die zegt: “Klimt hierheen op en Ik zal u tonen, wat na dezen geschieden moet” Openbaring 4 vers 1b (Openb. 04:01b).

De onverstandigen zijn blind voor de geestelijke realiteiten, die letten niet op de geopende deur in de hemel, maar onderzoeken de profetieën met de krant naast de bijbel, om het toe te passen op een natuurlijk volk. Dat is ongeestelijk en aards. Dat zijn eigenmachtige uitleggingen, zegt Petrus. De Heilige Geest staat hier volkomen buiten spel. Het geheim is juist, dat het alleen maar door de Heilige Geest te verstaan is 1 Petrus 1 vers 12 (1 Petr. 01:12). En daarom zegt God: “zij zullen het niet verstaan” Daniel 12 vers 10 (Dan. 12:10). Dit is niet een uitspraak van een mens, maar van God. Het is goed erop te letten dat in vers 7 gezworen wordt, bij Hem die eeuwig leeft, dat het zo zal gaan en niet anders!

Openbaring 1 vers 1 (Openb. 01:01) begint met: “Openbaring van Jezus Christus, welke God Hem gegeven heeft om zijn dienstknechten te tonen, hetgeen weldra moet geschieden”. De Heer gaat het openbaren of onthullen aan zijn dienstknechten. Dat zijn dus die verstandigen uit Daniël 12 en die wij ook zien in Openbaring 7 vers 13 tot en met 17 (Openb. 07:13-17). Aan het slot van Openbaring blijkt, dat er van hoofdstuk 1 vers 1 tot en met hoofdstuk 22 vers 21 gesproken is tot de Gemeente van Jezus Christus. Vers 16 van hoofdstuk 22 (Openb. 22:16) zegt: “Ik, Jezus heb mijn engel gezonden om ulieden dit te betuigen Voor de gemeenten”. “De genade van de Here Jezus zij met u allen” Openbaring 22 vers 21 (Openb. 22:21) .

Waar begint de eindtijd?

Zoals de zondeval begon in de hemel en catastrofale gevolgen heeft gehad op aarde, zo begint ook het herstel en dus ook de eindtijd in de hemel. Dit zal evenals de zondeval gevolgen hebben op aarde. Alles zal tot volheid komen. Johannes ziel dit in visioenen en deze beelden zijn angstwekkend als je dit alleen maar natuurlijk invult. Het grote Babylon komt ten val. De Gemeente van Jezus Christus komt tot volheid en de zonen Gods komen tot openbaring. Aan de andere kant komt ook de antichristelijke gemeente tot volheid en komen de zonen des verderfs tot openbaring. Het is altijd moeilijk om in beelden en woorden uit te’ drukken hoe zwart, zwart is ten opzichte van het licht. Het is ook moeilijk om in beelden en woorden uit te drukken als iets van verblindende schoonheid – de schepping en vooral ook de mens, zijn immers door God volmaakt goed geschapen – volkomen aangetast en verdorven wordt door iets wat zo intens duister en destructief is. Als dit alles dan ook nog geestelijke realiteiten zijn, dan begrijpen we, dat Johannes beelden ziet die angstwekkend zijn en bijna niet uit te spreken. Ook moet men het niet losmaken van de profetieën en het denken van die tijd. Johannes heeft er ook moeite mee en hij verbaast zich met grote verbazing, als hij het beeld ziet van het grote Babylon Openbaring 17 vers 6 (Openb. 17:06).

Maar Johannes ziet ook zaken van onbeschrijfelijke schoonheid, die ook niet in woorden te vatten zijn en ook nauwelijks in beelden uit te drukken. Laten we daar toch ook oog voor “hebben! Paulus ervaarde hetzelfde, toen hij opgetrokken werd in de geest tot in de derde hemel, het paradijs Gods

2 Korinthe 11 vers 2 tot en met 4 (2 Kor. 11:02-04). Het zijn juist deze felle contrasten, de volle vrucht van twee uitersten, de aanbidding van het Lam en de aanbidding van het beest, waarom we verlichte ogen des harten nodig hebben om het boek Openbaring en de eindtijd te verstaan. De laatste hoofdstukken zijn vol onbeschrijfelijke schoonheid en beeldspraak en Johannes moet van de engel opschrijven, wanneer hij alles gezien heeft: “Zalig hij, die de woorden der profetie van dit boek bewaart!” Openbaring 22 vers 7 (Openb. 22:07) .

Het moet ons dus niet beangstigen en neerdrukken, maar zalig ben je, gelukkig ben je, als je er mee bezig bent. Het zijn woorden en gedachten Gods, die altijd spreken van vertroosting, verlossing, herstel en oprichting. Jezus zelf zegt ook in Lucas 11 vers 28 (Luc. 11:28): “Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren”, d.w.z. overdenken en het toepassen. De werkelijke strijd is in de hemel tussen de Gemeente van Jezus Christus en de gemeente van de antichrist. Het is een strijd tussen duisternis en licht, waarbij de duisternis volkomen teniet gedaan zal worden door het licht. Het omgekeerde is ondenkbaar. Iedere natuurlijke invulling is uit de boze en zal er altijd op gericht zijn de mensen angst en schrik aan te jagen. Het gaat niet om een wrekende God of om atoombommen, raketten, helikopters, tanks, paarden en ruiters met pijl en boog, vogels die de lijken opeten, enz. Neen, wij moeten met Johannes opklimmen en ‘zien’!

De tekenen in de hemel!

En hij ziet een groot teken in de hemel (Openbaring 12). Niet op aarde maar in de hemel! Hij ziet een vrouw, de vrouw des Lams, bekleed met de zon, dat is met de heerlijkheid van God. Die heerlijkheid wordt zichtbaar omdat dit de vrouw is die zich heeft laten reinigen en zuiveren en louteren (Daniel 12). Zij staat op de maan, het fundament van Jezus Christus, en op haar hoofd is een krans van twaalf sterren, dat is de leer van de apostelen en de profeten Hebreeën 2 vers 3 (Heb. 02:03). Daar is haar denken mee vervuld en gevormd. Zij schreeuwt in haar weeën en in haar pijnen om te baren en zij baart de zonen Gods.

Maar Johannes ziet nog een teken. Let er op: ook in de hemel! Hij ziet een grote rossige draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven kronen. Zoals de vrouw bekleed is met goddelijke macht en heerlijkheid en staat voor de gehele gemeente, zo is de draak ook bekleed met ‘zijn (satanische) macht en heerlijkheid’ en staat voor het rijk der duisternis. Vers 7 zegt dan: “Er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden” .

Hier hebben we dan een heel belangrijk gegeven:

De strijd is niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. De beelden (de draak en zijn engelen) en visioenen zullen wij dus in de geest moeten verstaan.

Het is een geestelijke strijd. Het oorlogsterrein is de hemel. Gevolgen zullen er zijn op de aarde. Maar dat zijn inderdaad ‘gevolgen’.

De strijdende partijen zijn: de zonen Gods, bijgestaan door Michaël en zijn engelen, en de duivel met zijn engelen. En naarmate de eindtijd vordert: de antichrist en de zonen des verderfs, die steeds meer één worden met de geest van de verderfengel Apollyon en zijn demonisch leger en zo ook een heerschappij op aarde wil vestigen. Het is een strijd in de hemel die geleid wordt door Jezus Christus en zijn gemeente. De gemeente kan niets doen uit zichzelf, maar zij zullen zich oefenen de stem van de meester steeds beter en zuiverder te verstaan.

 

Hij (de Heilige Geest) zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen, zegt Jezus Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14). Daarom zegt de Heer ook tegen alle gemeenten van alle tijden (zeven maal in de zeven brieven) : “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt” . De Heer zal niets doen zonder de gemeente of zonder de gemeente daarover te onderwijzen. Amos 3 vers 7 (Amos 03:07) zegt: “Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten”. Zo zullen de verborgenheden in het midden van de gemeente tot openbaring komen, wanneer de gemeente verstaat wat de Geest zegt. In de raad van God is besloten dat door de mens het rijk der duisternis overwonnen zal worden en uiteindelijk geworpen zal worden in de poel des vuurs. Alleen God zelf, Jezus Christus en de Heilige Geest weten de werkingen en de krachten en de principes van het rijk der duisternis.

Jezus Christus, de Zoon des mensen, heeft overwonnen over alle geledingen van het rijk der duisternis. Hij heeft de sleutels. Hij zegt: “Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk” Openbaring 1 vers 18 (Openb. 01:18) . Sleutels, kennis heeft Hij en Hij heeft in alles overwonnen. En Hij zal nu vele zonen tot diezelfde heerlijkheid leiden. Er zal een schare komen die niemand tellen kan, die overwonnen heeft, gelijk Hij overwonnen heeft en zitten zal met Hem op de troon, gelijk Hij gezeten is met Zijn Vader op de troon ” Openbaring 23 vers 21 (Openb. 23:21) . Deze zullen zoals de psalmist het zo treffend zegt in Psalm 149 vers 8 en 9 (Ps. 149:008-009): “hun koningen met ketenen boeien en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken. Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Halleluja”. Zie ook Obadja 1 vers 21 (Ob. 01:21). Zo zal het rijk der duisternis aan zijn einde komen.

Het Lam is waardig te ontvangen

“De leeuw uit de stam van Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te

 

openen” Openbaring 5 vers 5 (Openb. 05:05). Jezus Christus neemt de boekrol aan uit de hand van de Vader. Hij heeft overwonnen en is waardig te ontvangen. Hiermede wordt alles in de hand van de mens gelegd. Het is niet zomaar een boek die je dan eens hier en dan weer daar kunt openen, neen, het is: “een boekrol beschreven van binnen en van buiten, wel verzegeld met zeven zegels” Openbaring 5 vers 1 (Openb. 05:01). Alles staat erin. Niets zal er meer aan toegevoegd worden. Wat mensen ook allemaal bedacht hebben, alles zal geschieden, zoals het in de boekrol beschreven staat. Er is niet één zegel over te slaan om vlugger klaar te zijn, neen, alles wordt in volgorde afgewikkeld. “de tijden en gelegenheden heeft de Vader in eigen hand gehouden”, zegt Jezus Handelingen 1 vers 7 (Hand. 01:07) .

De boekrol is beschreven aan de binnenkant en aan de buitenkant. Ik geloof dat dit niet zomaar is. De buitenkant is zichtbaar, naar beneden gericht, hierop zal staan wat op aarde zichtbaar wordt. Er zullen mensen zijn, die altijd met de buitenkant bezig zijn en zich toch beroepen op de boekrol, (het boek Openbaring en de profeten), maar het letterlijk en aards uit gaan leggen. De binnenkant is naar het aangezicht van het Lam gekeerd en geeft de werkelijkheid van de geestelijke, onzienlijke wereld weer. Dat is het verborgene wat verstaan wordt door het Lam en de ‘verstandigen’ aan wie het geopenbaard wordt. (Daniel 12). (wordt vervolgd).

1984.01 nr. 244

1984.01 Levend geloof nr. 244

U geschiede naar uw geloof!Door Gert Jan Doornink

Eén van de meest bekende uitspraken van Jezus is ongetwijfeld:”U geschiede naar uw geloof” Matteus 9 vers 29 (Matt. 09:29). Jezus sprak deze woorden tot twee blinden die bij Hem waren gekomen voor genezing. Toen Jezus hen vroeg of zij geloofden dat Hij dit doen kon en hun antwoord ‘ja’ was, sprak hij deze woorden uit. En het wonder gebeurde: de blinden werden ziende.

In de geschiedenis van de verdorde vijgeboom lezen we nog eens dat Jezus deze woorden gebruikte. Markus 11 vers 24 (Mark. 11:24) zegt:”Alwat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen en het zal geschieden”. Voor Jezus is geloof uitermate belangrijk! Hij was zelf een ‘Man van geloof’. Zijn vertrouwen wat Hij in de Vader had was optimaal. Vanuit die geloofsgemeenschap kon Hij te allen tijde de wil van de Vader volbrengen. De woorden die Hij sprak, de wonderen die Hij deed, ja alles wat Hij openbaarde, getuigden van geloof. Hij had geloof in de mens, omdat God geloof in de mens had. Hij wilde immers dat het ‘goede, welgevallige en volkomene zou terugkeren in de mens. Geloof is echter – en laten we dit nooit over het hoofd zien – geen eenzijdige aangelegenheid. God heeft geloof in ons, maar als wij dit onbeantwoord laten, blijven resultaten achterwege. Waarom kon Jezus in Kapernaüm niet veel wonderen doen? Vanwege hun ongeloof zegt Matteüs 13 vers 58 (Matt. 13:58). Daarom vraagt God van ons geloof! Zonder geloof is het zelfs onmogelijk God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). En als God iets van ons vraagt, geeft Hij ook de mo gelijkheden om het uit te kunnen voeren. Hij heeft geloof in ons gelegd Romeinen 12 vers 3 (Rom. 12:03). Niemand kan zich verontschuldigen door te zeggen:”Ik kan niet geloven”.

Maar dit geloof behoort te groeien en tot ontwikkeling te komen, zodat het een overwinnend en vruchtdragend geloof wordt. Een geloof dat voortdurend gericht is op Jezus, de voleinder des geloofs, zal tot gevolg hebben dat de volheid van Hem in ons tot ontplooiing komt. En deze volheidsopenbaring in ons en door ons is Gods wil voor de eindtijdgemeente. Hij wil ons als zonen Gods inschakelen in het grote herstel- en vernieuwingsplan met Zijn schepping. Dit plan kan God echter alleen ten uitvoer brengen in die gelovigen die de naam ‘gelovige’ waar maken, want ons zal geschieden naar ons geloof!

 

“Gedachten over het boek Job”redactie

In tegenstelling met wat wij in “Levend Geloof” van december schreven, wordt de serie artikelen die Nico Goverts schreef over het boek Job in de periode juni 1982 tot en met november 1983, niet uitgegeven in drie maar in vier deeltjes. Dit om technische redenen. De brochures worden momenteel gedrukt en verschijnen binnen enkele weken.

 

Houd mij aan Uw hart (gedicht) door Judith Jacobs

Waar het pad m’ ook heen zal voeren

In het jaar dat vóór me ligt,

Ik heb enkel één verlangen:

Trek me aan Uw hart, heel dicht.

 

Daar ben ‘k veilig en geborgen

Tegen elke zorg en nood,

Want uw Vaderarmen schenken

Rust en vrede, wondergroot.

 

Als ik naar Uw stem, HeerJ luister,

Vliedt voor mij de donkerst’ nacht;

‘k Weet mij in Uw trouw geborgen,

Uw gena schenkt nieuwe kracht.

 

Waar de weg ook heen mag leiden,

Houd mij aan Uw hart, heel dicht;

Slechts Uw hand, dierbfre Geleider

Brengt mij in het land van licht.

 

Wordt Jezus door ons geopenbaard? door G.J.R. Doornink

 

“De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven” Johannes 3 vers 35 (Joh. 03:35).

Realiseren en proklameren

Onze God is een goede God! Het grote bewijs daarvan is Zijn Zoon Jezus Christus. Hij bracht de goedheid van God door wat Hij sprak en deed tot openbaring. Dat mogen we ons telkens weer realise­ren. En we mogen het ook proklameren. Het is zelfs niet alleen een ‘mogen, maar ook een ‘moeten’, want het is de grote opdracht van de Gemeente van Jezus Chris­tus. Jezus sprak:”Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping”.

Niet zo maar een evangelie, maar hét evangelie, dat wil zeggen hetzelfde evangelie wat Hij ook bracht en dat Hij, bijvoorbeeld in Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14), het evangelie van het Koninkrijk noemde. Alleen dit evangelie kan de goedkeuring van God weg ­dragen. Ieder ander evan­gelie is surrogaat en zal de mens die er op ingaat ook nooit brengen tot het doel wat God heeft met ieder mens: hem terugbrengen in Zijn gemeenschap.

Wist u trouwens dat het woord ‘evangelie’ afgeleid is van het Griekse woord ‘euagelion’ wat letterlijk be­tekent: ’goede boodschap’ oftewel Vreugdevol bericht’. Het evangelie is het goede nieuws dat Jezus in deze wereld is gekomen om de goedheid van God te open­baren.

Van Hem staat geschreven dat Hij de goede herder is die zijn leven inzet voor zijn schapen Johannes 10 vers 11 (Joh. 10:11). In Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09). Hij is de afstra­ling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn we­zen Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03). Alles werd Hem in handen gegeven, zegt Johannes de Doper, omdat God Hem – en dus ook ons – lief had.

Het doel van Jezus komst

Daarom werd Jezus de uit­voerder van het plan Gods en schrijft Johannes van Hem dat Hij werd geopen­baard om de werken des duivels te verbreken 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08).

God wilde dat de goedheid, de liefde, het wezen van Hem zou terugkeren in de mens, zodat de mens weer kon beantwoorden aan het doel van God met Zijn schepping. Heel het leven van Jezus op aarde was erop gericht de mens terug te brengen in de gemeen­schap met God.

Dat was echter niet alleen geprojekteerd door God voor de drie-en-een-half jaar dat Jezus Zijn bedie­ning op aarde had, maar was ook bedoeld voor alle mensen die nadien zouden leven. We zien dan ook dat Jezus de opdracht, die Hij van de Vader ontvangen had, weer doorgaf aan Zijn discipelen en dus ook aan ons. We zouden kunnen zeg­gen dat zoals Jezus de Hoofduitvoerder was van het plan Gods, ook wij uitvoer­ders zijn geworden. En zo­als Johannes de Doper de taak had Jezus aan te kon­digen, had Jezus als taak de gemeente aan te kondi­gen.

Jezus besteedde dan ook zeer veel tijd om onderricht te geven aan Zijn discipe­len. Hij sprak over de komst van de Geest die de discipelen bekwaam zouden maken getuigen van Jezus te zijn in deze wereld. Zo­als Hij de Vader verheerlijk­te door Zijn wil te doen, zouden ook Zijn discipelen dat moeten doen. Johannes 15 vers 8 (Joh. 15:08) zegt:”Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt en gij zult mijn discipelen zijn”. Of om het met andere woor­den te zeggen: we zij pas discipelen van Jezus als wij veel vrucht dragen.

Daarom is de Heilige Geest zo belangrijk, want die stelt ons in staat om een volwaardig getuige van Je­zus te kunnen zijn. De Hei­lige Geest bewerkt in ons dat we de goedheid en de liefde, dus het wezen van God, tot openbaring kunnen brengen. Want de liefde van God is in onze harten uitge­stort door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Door de Heilige Geest kunnen de gaven funktioneren en openbaren wij de vrucht van de Geest Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22). En – wat we ons ook vooral moeten realiseren – de Heilige Geest bewerkt in ons dat we de dingen geestelijk gaan zien en bele­ven.

De hoofdvoorwaarde voor het openbaar worden van Je­zus in ons leven is de doop en dagelijkse vervulling met de Heilige Geest, waardoor we in staat zijn alles waar­mee wij te maken krijgen, geestelijk te beoordelen.

Met nadruk willen we er nog eens op wijzen hoe belang­rijk het is om dagelijks vervuld te zijn met de Heili­ge Geest. Wanneer we alleen steunen op de doop met de Heilige Geest als een erva­ring uit het verleden, komen we geestelijk niet verder en blijft de volle openbaring van Jezus in ons leven ach­terwege. Dan blijft men ge­makkelijk gebonden aan al­lerlei aardsgerichte leringen en werken der duisternis. Johannes de Doper zei:”Die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen; wat Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij en zijn ge­tuigenis neemt niemand aan. Wie zijn getuigenis aan­vaardt, heeft bezegeld, dat God waarachtig is. Want, Hij, die God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods, want Hij geeft de Geest niet met mate” Johannes 3 vers 31 tot en met 34 (Joh. 03:31-34).

Hoe is het met ons gesteld? Zijn wij nog aardsgericht en denken en spreken wij ‘uit de aarde’? Of hebben wij met Christus onze plaats in­genomen in de hemelse ge­westen, om vandaaruit te denken en te handelen, te strijden en te overwinnen?

Het herstel en scheidinsproces

Zodra wij geestelijk groeien treedt als het ware automa­tisch een Goddelijk proces in werking: we herstellen en worden meer en meer om­gevormd naar het beeld van Jezus. Er vindt een door­gaande vernieuwing plaats. Dit herstelproces is ook een scheidingsproces, waarbij het gaat om twee soorten scheidingen. De eerste is ten opzichte van de wereld. Wie Jezus heeft aanvaard, is vanuit het rijk der duis­ternis overgeplaatst in Zijn Koninkrijk. We behoren nu tot de geestelijke familie, het huisgezin Gods, de ge­meente van Jezus Christus. Maar er vindt ook een scheiding plaats in ons eigen leven. God bewerkt door Zijn Geest in ons dat we de dingen geestelijk gaan onderscheiden. Dat doet primair het Woord van God. Hebreeën 4 vers 12 (Heb. 04:12) zegt dat het woord Gods levend en krachtig is en scherper dan enig tweesnij­dend zwaard, en het dringt door, zó diep, dat het van- eenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen des harten.

Wie zich door Gods Woord en Geest laat leiden, leert bij alles wat hij in gedachten krijgt of op hem afkomt, meer en meer onderschei­den of hij te maken heeft met iets uit her rijk der duisternis of uit het ko­ninkrijk van God. Eén van de gaven van de Heilige Geest die bij elk kind van God behoort te funktioneren is de gave van onder­scheiding. Wie deze gave niet gebruikt kan gemakke­lijk in een wirwar van dwa­lingen terechtkomen. Het is daarom van essentieel belang dat we geestelijk groeien, opdat we als vol­wassen christenen goed en kwaad kunnen onderschei­den Hebreeën 5 vers 14 (Heb. 05:14).

Een oud lied zegt:”Scheiden doet lijden, afscheid brengt leed”. Dit geldt eigenlijk ook in geestelijk opzicht. Want de vijand haat geestelijke groei, hij heeft niets liever dan dat wij het volwassen stadium nooit zullen berei­ken. Daarom krijgen we als waarachtige kinderen Gods vaak te maken met vervol­ging en verdrukking. Maar dat hoeft ons niet af te schrikken. Paulus zegt dat het lijden van de tegenwoor­dige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden Romeinen 8 vers 18 (Rom. 08:18).

Onze strijd is een geestelijke strijd

Behalve dat het scheidings­proces lijden veroorzaakt, aktiveert het ons ook om te strijden, maar dan uiteraard in geestelijk opzicht. De geestelijke strijd is iets waar Jezus mee te maken had en ook wij. Als we die uit de weg gaan zullen we ook niet de volheid van Christus tot openbaring kunnen brengen. Hebreeën 12 vers 4 (Heb. 12:04) zegt:”Gij hebt nog niet ten bloe­de toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde”. Kom je daardoor niet in een soort kramptoe­stand? Wel, als je het op ‘natuurlijke wijze’ aan gaat pakken. Dan komt er niets van terecht en blijf je een ‘nederlaag-christen’. Wie overwinnen wil, weet dat dit alleen mogelijk is door geestelijk te strijden, maar dan behoren we de dingen ook geestelijk te zien. Want wat is zonde?

Al wat niet uit geloof is, zegt Romeinen 14 vers 23 (Ro­m. 14:23). Dan hebben we ons vertrouwen niet volkomen op de Heer gesteld. Zonde is veel meer dan overtreding van Gods geboden, zoals weieens zo gemakkelijk gezegd wordt. Zonde is gemeenschap heb­ben met de werken der duisternis, het is de ver­keerde verbinding tot stand brengen, het is, zoals Jakobus 1 vers 13 tot en met 15 (Jak. 01:13-15) for­muleert, bevruchting van onze begeerte.

We zouden het ook zo kun­nen zeggen: zonde is als onze geest gemeenschap heeft met boze geesten. Dan overtreden we Gods geboden, omdat we satan de kans geven te infiltre­ren.

We zien dus hoe belangrijk het is dat we alles geeste­lijk gaan zien, opdat we geestelijk kunnen strijden en opdat we daardoor kun­nen overwinnen en ons als zonen Gods gaan openba­ren. Daartoe zijn we geroe­pen. We zijn immers deelge­noten van de hemelse roe­ping. Hij heeft ons van te voren gekend en bepaalde talenten in ons gelegd, die we behoren te gebruiken in Zijn dienst.

Eén van de grootste misvat­tingen in dit verband is wel de gedachte dat God onze wil behoort te verbreken. Dat zou dan betekenen dat God onze persoonlijkheid zou aantasten. Wat wordt er vaak gemakkelijk gesproken over ‘verbreking en veroot­moediging’ zonder te besef­fen waarom het gaat. Wat wil God dan in ons verbre­ken? De werken der duister­nis. Daarvan behoren we ons te laten bevrijden of die behoren we af te leggen, als dat nog niet gebeurd is Romeinen 13 vers 12 (Rom. 13:12). Als we dat doen, als we daartoe bereid zijn, dan is dat de echte verootmoediging die God be­doelt. God wil onze wil vol­komen losmaken van het rijk der duisternis en vastkop­pelen aan Zijn wil, dat is aan Zijn Koninkrijk, aan Zijn Geest.

Zo gaan we meer en meer beantwoorden aan het plan van God met ons leven en komt de volheid van Chris­tus in ons leven ten volle tot openbaring. Want zoals de Vader de Zoon liefheeft en Hem alles overgegeven heeft, zo heeft Hij ook ons lief en ons in Christus alles geschonken!

 

Mijn mond zal van de lof des Heren spreken (getuigenis)

Wij zijn dankbaar dat wij in dit nummer het getuigenis kunnen publiceren van Heidi M. te R. (Naam en adres zijn bij de redaktie bekend). Zij komt in de volle evangelie gemeente !‘Maeslantsluys” te Maas­sluis. Heidi, die binnenkort 23 wordt, nam reeds op 12-jarige leeftijd Jezus aan als haar Verlosser, maar de volle doorbraak van de overwinning van Jezus in haar leven, was een proces van vele jaren. In dit ge­tuigenis vertelt zij hoe aan de infiltraties uit het rijk der duisternis geleidelijk aan een halt werd toegeroe­pen en hoe Jezus haar be­vrijdde en innerlijk herstel bewerkte.         -red.

Anders dan anderen

Terwijl andere kinderen vrolijk en zorgeloos speel­den, was ik als jong kind somber en bang, een echte schulpekruipster, die erg in zichzelf gekeerd was. Ik kwam vrij schuw en vreemd over, waardoor ik zeer weinig genegenheid van an­deren ontving. Ik was een medelijdenwekkend indivi­du. Op school werd ik erg geplaagd. Ik was te bang om me hiertegen te verzet­ten, en thuis wist men met mij geen raad. Toen ik twaalf jaar was, nam ik Je­zus in mijn leven aan, toen er geen greintje levens­vreugde meer in mij te be­speuren was.

Voorheen wilde ik dood gaan, omdat ik te bang was om te leven. Maar ik durfde geen zelfmoord te plegen, omdat ik bang was voor de dood, en voor een mislukte poging, waardoor ik gehandicapt zou worden.

Dit alles maakte me rade­loos! Ik zocht naar een uit­weg. Steeds vaker overwoog ik toen: stel je voor dat God bestaat! Ik begon te schreeuwen naar God, en iedere keer als ik dat deed, hoorde ik een stem in me­zelf dat er iemand is die al­tijd bij me wilde zijn en voor me wilde zorgen en me wilde beschermen. Na nóg enkele aangrijpende gebeur­tenissen gaf ik me aan Je­zus.

Moeilijke jaren

Vooral de eerste jaren dat ik christen was, waren erg moeilijk. Een oud vrouwtje, die toen ik vier jaar was te­gen mijn vader zei dat de Heer bezig was, me naar Zich toe te trekken, was de enige mede-christen met wie ik tijdens de eerste vier jaar na mijn bekering kontakt had. Ik werd op de MAVO zódanig getreiterd, dat ik me bijna geheel van de buitenwereld afsloot. Ik nam veel tijd voor bijbelle­zen en gebed. Het geplaag op school, het onbegrip van mijn ouders en enkele won­deren die plaatsgevonden hadden, hielden me in de tegenwoordigheid van de Heer.

In de bijbel las ik veel din­gen die ik niet begreep. Dat Jezus ook nog voor mijn zonden gestorven was, be­greep ik niet. Telkens als ik gezondigd had, durfde ik niet meer bij God te ver­schijnen. Telkens weer trok Hij me weer naar Zich terug. De laatste keer dat ik van de Heer weg dreigde te gaan, zag ik Jezus in een droom aan het kruis han­gen. Hij zei dat Hij Zijn le­ven voor mij aan het kruis had gegeven en zei nog meer. In die droom wenkte Hij me naar Zich toe. Ik zag mezelf aarzelend nade­ren. Toen omhelsde Hij me. We huilden allebei van blijdschap. Wat een vrede was er over me toen ik de ochtend daarop wakker werd!

Ik las in de bijbel dat je elkaar lief moet hebben en goed voor anderen moet zijn. De Heer deed me be­seffen dat het niet goed is om alle mensen te haten. Ik was verbitterd en vereen­zaamd, maar ik wilde God niet ongehoorzaam zijn. Ik

huilde van eenzaamheid en kreeg behoefte aan kontakt met anderen. De buur­vrouw vertelde dat haar zoon naar de koffiebar in Rozenburg ging en dat hij christen geworden was en zo veranderd. Zo kwam ik in de koffiebar en het feit dat ik daar geaksepteerd werd bracht me zover er wekelijks te komen.

Mijn iets jongere zus had inmiddels ook de Heer aan­genomen. Zij ging ook mee naar de koffiebar. In het begin hadden we wel wat steun aan elkaar. Zij deed totaal geen moeite om kontakt met de lui daar te leg­gen. Ze zat altijd naast me. Wanneer ik probeerde kontakt met anderen te leggen werd ze jaloers en eiste ie­dere keer mijn aandacht aan haar op. Ze was jaren­lang een blok aan mijn been waar ik niet los van raakte. Wanneer ik dan on­aardig tegen haar was, ging ze zielig doen, waar­door ik de lui daar en ook mfn ouders tegen mij kreeg.

Door onenigheid onder de leiding van de koffiebar, daalde de sfeer daar spoe­dig. Na een jaar viel het geheel uit elkaar, zodat ik daar niet meer kwam. Met een groepje van die koffie­bar bleven we wekelijks bij­belstudie houden, maar ik voelde me in dat groepje nooit zo thuis. De angst om weer in mezelf terug te ke­ren en mijn eenzaamheid dreef me om er nog jaren wekelijks te komen. Via de­ze groep kwam ik in een evangelische gemeente. Ik bleef daar ruim drie jaar naar toe gaan, maar niet enthousiast. In het begin groeide ik er wel, maar al die wetten en geboden, die daar rs zondags voorge­kauwd werden, beklemden me gewoon! De depressie teisterde me steeds ernsti­ger. Ik kwam er regelmatig na de samenkomsten voor naar voren. Er werd dan wel gebeden, maar er werd nooit eens naar me geluis­terd. Na nog enkele onple­zierige konfrontaties met die gemeente kwam ik daar niet meer.

Ik moest kiezen…

Toen klapte is geestelijk in elkaar. Ik had zóveel gebe­den, vooral in tongen, en de Heer gezocht zonder resultaat! Ik leed aan zware depressie. Ik was door alles heen erg in christenen af­geknapt en van God be­greep ik niets. Toen bleef ik maar doelloos op mijn bed liggen. Ik heb de Heer toen aangeroepen. Ik at geen hap meer tenzij Hij een ommekeer in mijn leven zou brengen. Ik moest kie­zen:öf zelfmoord plegen en voor eeuwig verloren zijn, waar ik eeuwig spijt van zou krijgen, óf dat ik met Hem verder zou gaan, ter­wijl Hij een belangrijke om­mekeer in mijn leven zou brengen en me van dag tot dag zou leiden, zodat Hij het plan met mij zou uitvoe­ren waar Hij me toe be­stemd had.

Ik koos voor het tweede. De Heer leidde me naar ie­mand die ik kende en sinds kort naar de volle evangelie gemeente in Maassluis ging. Ze zei dat ze het hier zo fijn vond en dat ze tijdens de samenkomsten erg opge­bouwd werd. Zo kwam ik in deze gemeente terecht.

Verlost van banden

De Heer maakte me duide­lijk dat ik me in de gemeen­te te Maassluis in moest voegen. Door aanbidding en profetieën in de samenkoms­ten van deze gemeente geeft Hij mij kracht en lei­ding. De preken bouwen me erg op. Ik kwam een paar keer na de dienst naar vo­ren, en de Heer verloste me van de banden die de oorzaak waren van mijn tel­kens terugkerende, over­heersende depressie. Een grote oorzaak hiervan was de situatie en de verhouding met mijn oudere, broer en zus. Die moest ik vergeven. Iets wat ik me telkens weer voor moet nemen en wat me slechts lukt met de bovennatuurlijke liefdegave van de Heilige Geest. Toen maakte Hij mij duidelijk dat ik mijn ouders moest verla­ten door niet meer bij hen te wonen. Ik was nog on­mogelijk in staat om op me­zelf te wonen. Door won­derlijke omstandigheden, wat ongetwijfeld het werk van de Heer was, kwam ik voor tijdelijk bij kennissen in huis. Deze mensen kwa­men vroeger jarenlang re­gelmatig bij mijn ouders thuis. Ze hebben mij als klein kind op zien groeien.

Zij begrepen me heel goed. Door mijn gesprekken met hen kreeg ik steeds meer inzicht hoe de situatie thuis in elkaar zat, zodat ik de gelegenheid kreeg dit alles te verwerken. Zij bereidden me ook voor op het zelfstan­dig wonen.

Innerlijk herstel

Na negen maanden was ik aan op mezelf wonen toe. Ik kwam in aanraking met ie­mand die ging verhuizen en een geschikte woning ach­terliet waar weinig aan op­geknapt behoefde te wor­den. Daar kwam ik te wo­nen. Het alleen wonen bevalt me tot nog toe uitste­kend. Ik bezoek nu zo vaak mogelijk de samenkomsten van de gemeente. Ik word nog wekelijks hierdoor opge­bouwd. Mijn innerlijk her­stel verloopt nu snel. Hij geeft me steeds meer visie over de dingen die me be­zighouden en vaste grond om een stabiel mens te wor­den. Soms voel ik me nog wel down. Maar als ik hier­mee naar de Heer ga, geeft Hij me een bovennatuurlijke kracht, vrede en blijdschap. Dan laat Hij Zijn liefde voor mij voelen. Ik ervaar dit als een diepe warmte die al­le wrok en hardheid weg doet smelten.

Er was een tijd dat ik hele­maal kapot ging en door al­les en iedereen in de steek gelaten werd. Nu maakt Hij alles weer goed. Het is als­of Hij door dit herstellings­werk heen Zijn grootheid en macht door mijn leven wil tonen. Ik kan me niet her­inneren dat ik voordat Hij dit keerpunt in mijn leven bracht, zonder depressie was. Nu ben ik daar van af. Wanneer het weer lijkt te verschijnen en ik daar­mee naar de Heer ga, neemt Hij het weg.

Dit getuigenis is geheel naar waarheid en bedoelt als bemoediging voor degenen die dit lezen. Door mijn leven heen heeft Hij Zijn macht op een wonder­lijke manier getoond. Dit is lang niet alles wat ik heb meegemaakt, maar het gaat hierom dat u ziet hoe de Heer mij hersteld heeft.

 

Het lied in het land van Juda door Nico Goverts

De bestemming van Juda

“Ten dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda”. Zo begint Jesaja 26 vers 1 tot en met 6 (Jes. 26:01-06).

God zelf geeft de inhoud van dit lied aan; Hij inspi­reert wat er gezongen zal worden. Het is een zang te­gen de tijd in, want in de voorgaande gedeelten heeft de profeet gesproken over het lied der geweldenaars, het gezang der tirannen. We vernemen hoe een stad tot een steenhoop wordt ge­maakt, een vaste stad tot een vervallen hoop, het pa­leis der vreemdelingen, dat het geen stad meer zij. Maar dan is er één gebied dat eruit springt: het land van Juda. Juda was vanouds bestemd tot de heerschappij; voor hem was de scepter, zijn hand zou zijn op de nek van zijn vijanden.

In het land van Juda wordt een ander geluid gehoord. Wij hebben een sterke stad. Nu staat het woord ‘hebben! hier niet in de grondtekst; voor ons is er een sterke stad, zo lezen we letterlijk. Het is niet zo alsof wij over die stad kunnen beschikken, veeleer is God bezig die stad voor en in ons te bou­wen.

Maar de vraag waar we wat dieper op in willen gaan, is: wat is het wezen van deze stad? Waaraan is zij te her­kennen?

“Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk bin­nenga, dat zijn trouw be­waart”, zo reikt het tweede vers ons een sleutel aan. Welk volk mag ingaan in de poorten van deze stad? Het volk dat zijn trouw bewaart. Nu staat hier voor het woord ’trouwT een meer­voudsvorm; de Statenverta­ling zegt dan ook: hetwelk de getrouwigheden bewaart.

Wat geloven werkelijk is

We komen hier op een van de meest fundamentele be­grippen van het bijbels denken. Het gaat hier om de betrouwbaarheden of vertrouwensrelaties die bewaard, gekoesterd, vastge­houden moeten worden.

Het hebreeuws heeft in we­zen geen term voor: geloof of geloven. Wat dikwijls met geloof wordt weergegeven, betekent eigenlijk: vertrou­wen, betrouwbaarheid, ver­trouwensrelatie.

Oorspronkelijk duidt de stam van dit woord op: vastheid, wat vast en be­stendig is. Daarom moeten we oppassen voor opper­vlakkige definities van ge­loof. Soms hoort men: ge­loven is: alles voor waar houden wat de bijbel zegt. Maar dat doet de duivel ook.

Geloven is vanuit de grond- struktuur van het he­breeuwse begrip: een vertrouwensrelatie hebben met de Here.

Vanuit deze gedachte ont­vangen verscheidene teksten hun diepere zin; zoals het woord van Habakuk, dat driemaal in het Nieuwe Tes­tament geciteerd wordt en dat daarmee zo richting ge­vend blijkt te zijn voor het denken van Paulus en ande­ren: de rechtvaardige zal door zijn geloof leven, dat is: hij zal door zijn vertrou­wensrelatie leven.

Zo verstaan we wat het ge­heim was van deze profeet in turbulente tijden; wat de rechtvaardige uniek maakt, wat hem verheft boven druk en geweld, dat is zijn ‘emoenah, zijn vertrouwens­band met zijn God. Dit reikt veel dieper dan dat iemand een bepaald geloof aanhangt, een opvatting of zelfs een overtuiging. Dit raakt de persoonskern,

Dit maakt de mens tot mens. Hier wordt de mens navolger Gods, wat de centrale bood­schap is van al de boeken die wij gewoonlijk Oude Tes­tament noemen.

Want juist dit is het punt waar God zich onderscheidt van de goden: Hij gaat een vertrouwensrelatie aan met de mens. Daarom wordt er in het land van Juda gezon­gen over het volk dat de getrouwigheden bewaart. Dat is een lied dat nergens anders aangeheven kan wor­den. Dat is het unieke lied van dat unieke land.

Dit was de pit van Habakuks bestaan, dit is de ruggegraat van het mens­zijn door de tijden heen.

David getuigt ervan als hij bidt in Psalm 143 vers 1 (Ps. 143:001) antwoord mij naar uw trouw, we zou­den dus ook kunnen formu­leren: antwoord mij in uw vertrouwensrelatie. Waar en hoe komt het antwoord tot de mens? Als hij zich be­vindt in die vertrouwelijke verbondenheid met zijn Meester. Zoals een vader zijn kind antwoord kan ge­ven, niet wanneer dat kind steeds maar de kamer in- en uitloopt, maar wanneer het bij de vader op de knie zit; in het kader van die intieme band kan het antwoord ko­men.

Nietszeggende communicatie

Het hele systeem van deze wereld is gebaseerd op wan­trouwen; men gebruikt enor­me hoeveelheden woorden om nu juist niets te zeggen, om zijn eigenlijke bedoelingen te verhullen. De moderne mens houdt zich bij voor­keur op de vlakte. Hij wil zich niet binden. Daarom is er zo ontstellend veel niets­zeggende communicatie. Zet de radio maar eens aan en je wordt ermee overspoeld: de mens die alleen maar praat om niet te zwijgen. Zoals iemand het eens formuleerde: laten we maar klank houden.

Daarom worden er zoveel woorden gesproken die niet bindend zijn; de mens wil zich nergens op vastleggen; men denke aan programma’s van politieke partijen, men denke aan het samenwonen. De mens bedekt zich als Adam in de hof met een waas van welgekozen woor­den.

Vaak groeit een kind al op in een sfeer van wantrou­wen; wat te denken van de moeder die dreigend zegt: wat jij gedaan hebt, vertel ik aan vader als hij vanavond thuiskomt. Dan wordt vader de stok achter de deur, het machtsmiddel om eigen onmacht te compense­ren.

Hoe geneest God wantrouwen?

God heeft een magistraal doel voor ogen: Hij gaat wantrouwen genezen. Hoe doet Hij dat? Hij neemt de rol van de mens op zich. Als er dan geen ware mensen meer te vinden zijn, zal Hij plaatsvervangend mens zijn. Hij is wat er ont­breekt. Waar Hij een vakature ziet, is Hij beschikbaar en verlangend om die te vervullen.

Zo horen we van Hem als vader, en als er geen goede vaders meer zijn, is Hij er, oerbeeld van alle vader­schap.

Zo zien we Hem bezig als moeder: zoals een moeder troost, zal Ik u troosten, spreekt de Here en ook die taak vervult Hij met heel zijn hart en met al de inzet van zijn wezen. Als er een vondeling ligt, weggeworpen op het veld, omdat niemand waarde hechtte aan haar le­ven, dan is daar de Mees­ter, die voorbij komt en aan dat kind alles verricht wat anders de moeder be­hoorde te doen.

God is zo menselijk; in de ware zin des woords kan van Hem gezegd worden: niets menselijks is Hem vreemd. God behoeft zich­zelf geen geweld aan te doen om zich menselijk te gedragen; het zit er bij Hem gewoon in. Zou Hij die zelf het mens-zijn heeft be­dacht en die de mens schiep naar zijn eigen beeld, moeite hebben om zich menselijk te openbaren? In een hedendaags lied hoorde ik onlangs een regel die mij trof: als God mens wordt, daar wordt Hij niet anders van.

Jezus: Hij is de mens die volledig beschikbaar was, die zich niet op de vlakte hield, die wel bereid was zich te binden. Hij vervulde de vakature van de waarachtige mens.

Met welk doel? Opdat wij weer mens zouden worden. Hij geneest ons wantrouwen; Hij leidt ons in tot een vertrouwensrealtie met zijn Va­der. Aan Hem lezen we af wat mens-zijn in wezen is.

God brengt het mens zijn terug

Een mens leeft zo dikwijls in twee lagen. De bovenste laag van zijn bestaan zegt: Here, ik geloof. Maar de onderste laag van zijn wezen fluistert: Als God het nu maar eens aan mijn hart ver ­klaarde. Jesaja heeft eens gesproken over Jeruzalem als een vrouw, bedroefd van geest. Niet bedroefd van ziel, maar het zat die­per. Het verstand kan kon­stateren: wat God spreekt, is waar. De wil zegt; ik wil het geloven. Maar de geest lijdt pijn.

De mens wil God dienen, hij werpt zich met alle ijver die in hem is, op de zaak des Heren. Maar de geest treurt, en weigert elke troost; de geest zit verdrie­tig terneer als een weduwe in haar rouwgewaad.

Alleen de God van de femoe- nah weet daar raad op. Hij geneest de gebrokenen van hart, Hij verbindt hun won­den (of hun smarten). Hij heelt, door mens te zijn voor de mens. Als de mens dit ware mens-zijn proeft, dan wordt dit door de geest herkend. Dan is daar het besef: zo had het altijd moe­ten zijn. Het oerbeeld wordt gewekt.

Toen wist de geest: nu ben ik thuis. Wat immer weer een leegte bleef, was nu aanwezigheid. De pijn van het gemis genas. Het heim­wee vond het heem waarnaar het altijd had gezocht.

Zoals een vader of moeder de smart voelde van een kind dat werd vermist en nooit is teruggevonden, zo moest de geest ervaren de pijn van het mens-zijn dat vermist was en nooit weer thuis gekomen.

Maar God sprak tot de be­droefde geest: Ik zal een wederkeer doen keren, dat is in elk geval ook een we­derkeer van het verloren mens-zijn. God brengt het mens-zijn terug. God ge­neest door zijn menselijk­heid de bedroefde geest die niet meer vertrouwen kon.

Wij leven van de trouw des Heren

Er is nog een tweede aspekt in het begrip ‘emoenah. Dat is de trouw. Waar leven wij van? Van de trouw des He­ren.

Een God van trouw is Hij, zonder onrecht, zo zingt Mozes in zijn laatste lied Deuteronomium 32 vers 4 (Deut. 32:04). Als een mens dat overhoudt aan het eind van een leven vol omzwer­vingen, is dat dan niet ge­noeg?

En hoor hoe de zanger van de Klaagliederen het uit­roept, in een van de donkerste perioden van Israëls geschiedenis, als alles om hem heen is nacht: Groot is uw trouw Klaagliederen 3 vers 23 (Klaagl. 03:23).

Wie zal ooit de trouw van de Eeuwige peilen? Hij is trouw aan de mens. Hij is trouw aan zijn schepping. Deze God is ons begin, onze voortzetting en ons einde.

Hij is trouw tot over het graf. Er was een kind dat zwaar en diep, voor ieder­een verloren sliep. Waart Gij, o Heer’, haar dan ver­geten? Maar toen Hij kwam, heeft Hij geweten, waar Hij haar leven zoeken zou. Al blijft Hij ver, Hij is ons trouw.

Er was een man in ft graf gelegd, drie dagen lang heeft men gezegd, drie da­gen ver van zijn beminden. Hoe zoudt Ge, Heer’, zijn spoor nog vinden? Maar ’t was alsof Hij hem ontbood; Die ’t leven is, kent onze dood.

Daarom willen we elkaar toe­roepen aan het begin van dit nieuwe jaar: verkondig de trouw van onze God. Het is de opdracht van de gemeen­te, een beroep te doen op de trouw van God, ten behoeve van hen die daar niet van weten. Here God, Uw trouw is over heel uw schepping. Uw trouw en waarheid houdt haar kracht tot in het laat­ste nageslacht. Gij zult uw trouw en waarheid nimmer krenken.

Richt op uw heil voor wie in onheil leven, zend uw ge­rechtigheid als morgendauw, dan zal het land de rijkste vruchten peven: de vijge­boom en wijnstok van de trouw.

Richt over de aarde en haar diepe stromen, de volkeren, de sterren, zon en maan, zij zullen allen voor uw aan­schijn komen en zingen dat uw woorden niet vergaan.

Verkondig het in de gemeen­te, verkondig het in de he­melse gewesten:de trouw van onze God gaat over alle grenzen heen. De trouw des Heren omvat uw totale be­staan. De trouw van onze Meester staat als een eeuwig teken aan de einder, voor hen die zuchten in hun zwervend bestaan.

De dubbele vertrouwensband

Van deze ‘emoenah heeft Je­zus steeds getuigd. De af­scheidsgesprekken met zijn leerlingen begon Hij met de volgende diepe uitspraak:”Uw hart worde niet ont­roerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij” Johannes 14 vers 1 (Joh. 14:01). Nu is het jammer dat dit laatste deel van de zin vertaald is als een gebie­dende wijs. Moest Jezus nu aan het eind van drie jaren samen optrekken zeggen: geloof nu eens in Mij? Ze geloofden toch in Hem, ze hadden toch alles prijsgege­ven om Hem te volgen, ze hadden toch verklaard: U hebt woorden van eeuwig leven?

Als in het hebreeuws twee­maal dezelfde werkwoords­vorm gebruikt wordt, in pa­rallel lopende zinnen of zinsdelen. dan heeft die vorm beide keren dezelfde betekenis. Dan wordt de vertaling van deze tekst als volgt: Gij hebt een vertrou­wensrelatie met God, gij hebt ook een vertrouwensre­latie met Mij. En juist daarom, op grond daarvan: uw hart worde niet ontroerd, laat je niet in de war brengen, laat je niet uit het veld slaan; je hebt immers die dubbele vertrouwensband, met de Vader en met Mij.

Dan hoor je bij dat volk dat de getrouwigheden be­waart.

 

De tunnel door Tea Keuper Dijk

Tussen Kerst en Nieuwjaar reden mijn man en ik naar het oosten van het land, om daar met oud en nieuw bij onze vaders te zijn. Zoals altijd op die reis moeten we dan door de Velsener tunnel rijden. We hadden een mooi muziekje opgezocht en de nieuwsdienst konden we zo nu en dan beluisteren. Maar als je dan de tunnel inrijdtJ zwijgt ineens de radio, omdat je antenne niet meer de geluiden opvangt van buiten. Gelukkig blijf je, als het goed is, niet in die tunnel steken, maar kom je er na een paar minuten weer uit en dan zie je het wijde polderlandschap om je heen. Mijn man zei ook nog: “Kijk eens wat een mooi gezicht”, dat duidde op een wolkenspel samen met het landschap….

Toen dacht ik:”Hier zitten kostelijke beelden in”. Die heb ik dan ook eens uitgewerkt en wil ze hier doorgeven.

Als je ‘antenne’ geluiden kan opvangen zo dagelijks, is het goed de zuivere en mooie geluiden eruit te sorteren en daarmee in je gedachten bezig te zijn. Daarbij moeten we afgestemd zijn op de goede zender: op God. Ik vraag me wel eens af hoe mensen tot rust kunnen komen en tot goede gedachten, als de hele dag een radio slaat te jengelen, liefst op Hilversum 3 of een piraat, die vaak ook niet zulke positieve geluiden doorgeeft.

Als een zender en je antenne negatieve geluiden doorgeeft, wat doe je er dan mee? Sluit je je ervoor af en zoek je de ware Zender? Bied je weerstand tegen de verkeerde, draai je de knop om? Of laat je het over je heen daveren zodat je geest verkeerd beïnvloed wordt? Ik heb het nu niet alleen over een waardeloos programma op de radio, maar ook over ons eigen ‘zendapparaat en ontvangtoestel’. Bij het op het negatieve en verkeerde afgestemd zijn, komen we dan met een vaart van 100 in de tunnel terecht: daar wilde die zender je nu nou net hebben:de stemmen verstommen, schemertoestand, druk, bedomptheid. Geen prettige situatie.

Hoe kom je weer uit een tunnel? Eenvoudig door verder te gaan, nooit blijven staan, dat lokt zelfs grote ongelukken uit, waar vaak anderen ook nog door beschadigd worden! Verder gaan betekent: wakker zijn, denken: waar moet ik heen? Een doeI hebben! En als nu dat doel de bergtop is, door een reine lucht omboogd, waarvan we zingen in één van onze liederen, dan zien we uit naar het eind van de tunnel, dan geven we gas, dan leggen we af, dan laten we achter ons en jagen naar het licht voor ons!

Als we onverhoopt in de tunnel een tijdje stil zijn blijven staan, komt er hulp, die zorgt dat we weer verder kunnen, uit het donker weg, naar het licht! Maar we moeten zelf de auto weer op gang brengen met de sleutel! En als je dan de tunnel weer uit bent, hoor je het nieuws, de muziek. Zoek een hele fijne zender op, de Enige Zender, Jezus, en richt je oog op Hem. Hij geeft je enorme vergezichten, terwijl je rijdt, terwijl je verder gaat. Maar onthoud je van elk wangedrag op de weg, laat een goede gids meerijden, wees ‘heer in ’t verkeer’ en jaag naar het doel. In ons geval was dat Twenthe en – geestelijk gesproken – is dat het Koninkrijk Gods, het Rijk van het Licht, waar we afleggen alles wat duisternis is. In de wereld wordt vaak vergoelijkend gezegd, en vaak terwijl men het niet meent:”Och, laat maar zitten”. Onze houding moet zijn:”Ik laat niets zitten, ik ga afleggen!” En… stel niet uit tot morgen wat je vandaag kunt doen! Hebreeën 12 vers 1 tot en met 14 (Heb. 12:01-14).

Tea Keuper-Dijk

 

Elimelech en Ruth Door redactie

 

In de tweede helft van 1982 schreef onze mederedacteur Jan W. Companjen een serie artikelen onder de ti­tel “Het boek Ruth als pro­fetie”. Later werden deze artikel door ons in de vorm van een brochure uitgege­ven. Een lezeres, die ook deze brochure bestelde, stelde ons een vraag naar aanleiding van een bood­schap die zij hoorde over Ruth 1 vers 1 tot en met 6 (Ruth 01:01-06).

Zij schreef: “In deze bood­schap werd gezegd, dat Elimélech en zijn gezin buiten Gods wil stonden, door weg te trekken naar Moab, toen er een beproe­ving (hongersnood) kwam. En dat de duivel daardoor een aanslag pleegde op het geslachtsregister van Jezus, door het huwelijk van Ruth en Boaz.

Hiermede kan ik het maar moeilijk eens worden en heb moeite om dit te accepteren. Voor mij is Ruth een voorbeeld van geloof, trouw en gehoorzaamheid. Al is zij dan een heidense vrouw. Mijn gedachten gaan uit naar Rachab, de hoer, die haar geloof toonde. Maar ook Rachab komt in het geslachtsregister voor als de moeder van Boaz.

Voor mij stond Elimélech niet buiten Gods wil, want als hij was gebleven was er ook geen Ruth gekomen en hadden wij dit boek nu ook niet in de bijbel staan. Of hebben we hier te maken met Gods toelatende wil?”

Tot zover deze lezeres. Om­dat ongetwijfeld meerdere lezers en lezeressen belang zullen stellen in het ant­woord wat Jan Companjen haar schreef, laten wij het hier volgen:

Een heerlijke taak

“Het is voor ons schrijvers in “Levend Geloof” altijd een bemoediging dat ons blad voor velen zo’n geloofsopbouwend blad is. In­dien wij naar Hem luisteren en doen wat Hij ons zegt, niet meer maar ook niet minder, dan zullen wij in Zijn Koninkrijk allemaal een heerlijke taak hebben. Dan leven wij in een nieuw Vaderland waar vrede en ge­rechtigheid woont. Waarin wij elkaar liefhebben en zo­wel natuurlijk als Geestelijk onderhouden. Dan zal de tijd van hongersnood, waar velen momenteel onder ge­bukt gaan, spoedig voorbij zijn, omdat wij hun te eten mogen en kunnen geven. Zie maar eens bij de disci­pelen toen zij de menigte moesten gaan voeden. Het was een geloofsdaad, zowel voor de Here Jezus als voor de discipelen. Jezus brak het brood en de visjes, gaf het aan de discipelen en zij gingen het eten ronddelen. Het kleine beetje, wat ze aanvankelijk op hun schaal hadden, werd al uitdelende steeds meer. De gehele schare werd verzadigd en men hield over, korven vol.

Zie hier een prachtig beeld wat ook voor ons bedoeld is. Meteen zit ik ook mid­denin de beantwoording van uw vraag. Misschien hebt u er al antwoord op gekregen na het lezen van de brochu­re ’Het boek Ruth als pro­fetie”. Het land Kanaän, was een land overvloeiende van melk en honing. Indien Israël God trouw bleef, zou­den zij leven en overvloed hebben in dat land. Dat had God hen beloofd. Het volk dwaalde echter af, liep andere goden na en kwam door hun gedrag in hon­gersnood, zowel natuurlijk als geestelijk. Kortom het volk Israël en ook het gezin van Elimelech kwam in een beproeving. Dan kun je twee dingen doen: terugke­ren tot God en er op ver­trouwen dat Hij weer leven en overvloed geeft of je af­keren van God en van het land waarop Zijn zegen rust als je in Zijn wegen blijft.

De fout van Elimelech

Elimelech ging als het ware weer terug naar Egypte. Hij zocht zijn heil buiten het beloofde land, het land waarop Gods belofte rustte op een soortgelijke wijze als nu op het Koninkrijk der hemelen wat ons vader­land is. Buiten het Konink­rijk van God is er geen be­scherming van God; wij zijn als het ware uit Zijn hand gelopen. Jezus zei daarvan: Niemand zal ze uit Mijn hand rukken, maar… we kunnen er wel uit­lopen. Dit deed Elimelech. Buiten Gods bescherming vond hij ziekte en dood. Naomi bleef alleen over. Een moeder, met geen leven meer in zich.

Toch heeft de ongehoor­zaamheid van Elimelech en de zijnen een opmerkelijk gevolg. De jood die niet in de God van Israël geloofde – hij verliet toch het land der belofte en ging zijn eigen weg – bracht toch een heidenmeisje tot het geloof. Zij erkende de macht van de God van Israël en gaf de belijdenis dat die God van Israël haar God was.

Zelfs toen dat heidenmeisje dit beleed, zag Naomi dat niet in. Zij trachtte zowel Ruth als Orpa te bekeren tot terugkeer. Orpa gaat terug en verdwijnt in het niet. Met Ruth gaat het heel anders. Zij heeft ge­loof en God neemt haar op in Zijn plan. Ruth, wordt net als de vrouw die de verspieders verhore opge­nomen in het geslachtsre­gister van de Here Jezus. Zo is Ruth dan ook inder­daad een voorbeeld van ge­loof, trouw en gehoorzaam­heid. Zij plukte als heiden­se vrouw de vruchten van het beloofde land en werd volkomen opgenomen in het huisgezin Gods.

Waar zit het probleem?

Zoals u ziet is er niet veel verschil van inzicht wat het gedrag van Ruth betreft, maar zit het probleem in het gedrag van Elimelech. Neem van mij aan dat Elime­lech juist een type is van die gelovige (jood en hei­den) die God niet nemen op Zijn Woord. Zij zijn als het ware niet geestelijk verbon­den met het Koninkrijk van God. Het zijn eigen weg zoekers die ook nu nog zeer veel op het kerkelijk erf aanwezig zijn.

Wij behoren ons leven in Gods hand te leggen, dat wil zeggen ons toevertrou­wen aan Jezus Christus. Geloven dat Hij alles voor ons volbracht heeft en dat Hij ons zal leiden door Zijn Geest tot de volle waarheid, is datgene wat ons leven en vertrouwen moet zijn.

Gelukkig zien wij overal dat de kennis vermeerderd wordt en dat de heidenwe­reld tot volheid komt. Dat dit zal gebeuren zien wij duidelijk in het boek Ruth als profetie uitgedrukt.

Hoe geweldig groot is Zijn en, daarmee verbonden, onze toekomst. Ik blijf wonen in Zijn Land. U ook? Ik weet zeker dat dat zo is. Samen zullen wij gaan ontdekken dat de Here goed is en dat Hij ons in Zijn land leven en overvloed zal geven. Wij zullen dat gaan beleven op de wijze zoals Ruth ons dat als voorbeeld nagelaten heeft”

Jan W. Companjen.

De brochure “Het boek Ruth als profetie.” is te bestellen bij de admini­stratie van “Levend Geloof”. Zie blz. 32.

 

 

Notities door Gert Jan Doornink

Hoe belangrijk ons denken is

Dr. Willem Drees sr, is ongetwijfeld de belangrijkste Nederlandse staatsman van na de oorlog. Hij is inmiddels 97 jaar, slechthorend en geheel blind. Maar zijn geest is nog springlevend, ja zelfs even helder als in zijn beste dagen, vertelt Frits Huis, die onlangs een interview met hem had in “De Telegraaf”. Hij brengt zijn tijd tegenwoordig vooral door met denken, want ondanks dat hem door verschillende mensen veel wordt voorgelezen, is dat zijn voornaamste bezigheid. Dr. Drees heeft nog een uitgesproken mening over talrijke zaken, vooral aangaande politieke onderwerpen.

Het toont nog weer eens aan hoe belangrijk ons denken is! Ons denken bepaalt wat wij zullen doen of niet zullen doen, kortom het denken geeft gestalte aan ons leven. Wat is het dan belangrijk dat ons denken, door persoonlijk geloof in Christus, vernieuwd is! Want vanuit een vernieuwde denkwereld gaat ook het nieuwe leven van Christus in ons groeien en komt het tot wasdom. Belangrijk daarbij is dat de groei van het nieuwe leven in ons niet belemmerd wordt. Daarom behoren gebondenheden te verdwijnen en is de doop met de Heilige Geest een absolute ‘must’ om gezond geestelijk te kunnen denken, opdat we optimaal kunnen functioneren als vertegenwoordigers van Gods Koninkrijk. Naarmate onze geest en Gods Geest een eenheid vormen, is ook onze denkwereld gezond. Dan ervaren we bij het ouder worden ook hoe waar de woorden van Paulus zijn, als hij schrijft: “Al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd” 2 Korinthe 4 vers 16 (2 Kor. 04:16). Dat betekent niet dat we in de laatste fase van ons leven in een vergankelijk lichaam ziek en hulpbehoevend zullen zijn, maar wel dat het primair gaat om de innerlijke mens. Het lichaam ondergaat nog een grote verandering, als het van vergankelijkheid, onvergankelijkheid aandoet, maar de geest, die vanaf onze wedergeboorte vernieuwd is, wordt van dag tot dag verder vernieuwd, totdat het beeld van Jezus in ons ten volle gestalte heeft aangenomen. Positief denken, dat wil zeggen denken vanuit Gods Woord en door de Heilige Geest – die twee behoren samen te gaan – speelt daarbij een voorname rol.

De taal van Jezus

“Sinds lang vergeten door de christelijke kerken wordt de gesproken taal van Jezus levend gehouden door de inwoners van drie moeilijk bereikbare dorpen in Syrië. De burgers van Maaloula en twee naburige dorpen zijn de enige mensen die nog spreken wat door geleerden wordt genoemd het westelijke Aramese dialect, dat de taal van alledag was in het Palestina onder Romeinse heerschappij in de tijd van Jezus”.

Zo begint een bericht van het persbureau Reuter in de “Arnhemse courant”. De taal van de dorpelingen wekt de belangstelling op van taalgeleerden en historici uit het westen, die medewerking krijgen van het katholieke klooster in Maaloula. Want hoewel de Islam de meest beleden godsdienst is in Syrië, worden ook andere godsdiensten getolereerd. Pater Michael Zaqoura van het klooster is uiteraard blij met deze belangstelling en zegt: “Uiteraard kan iedereen hier Arabisch spreken, maar onder mekaar spreken ze de taal van onze Verlosser”. Een interessant bericht, vooral voor taalonderzoekers, maar – zoals dikwijls met dit soort berichten – met weinig geestelijke waarde. Want voor ons is het niet belangrijk of wij dezelfde ‘natuurlijke’ taal spreken die Jezus ook sprak toen Hij op aarde was, maar of wij dezelfde ‘geestelijke’ taal spreken! Bekering en wedergeboorte bracht ons in het Koninkrijk van God. Wij zijn vernieuwd, ook wat onze taal betreft. Dat wil zeggen: wij hebben het verlangen door woord en daad openbaar te maken dat het nieuwe leven van Jezus in ons is. En welke taal wij daarbij gebruiken is minder belangrijk, maar wel hoe wij deze taal gebruiken. De mensen behoren aan datgene wat wij spreken en doen, te bemerken dat wij echte christenen zijn. Dan spreken we werkelijk de taal van Jezus!

Het jaar van George Orwell?

Geen enkele auteur heeft de laatste tijd zoveel publiciteit gekregen dan de Britse schrijver George Orwell (pseudoniem voor Eric Arthur Blair). Orwell die in 1949 op slechts 47-jarige leeftijd overleed, heeft als romanschrijver en essayist verschillende publicaties op zijn naam staan. Hij nam het op voor de sociaal zwakkeren, waarbij hij ‘links’ noch ‘rechts’ spaarde. Zijn grootste bekendheid kreeg hij door het boek wat hij een jaar voor zijn dood schreef onder de titel ‘1984’. Het werd een bestseller en is verschenen in 62 talen, in Nederland verscheen onlangs de 33ste druk. In dit boek geeft Orwell een afschrikwekkend beeld van de wijze waarop mensen worden gemanipuleerd in een totalitaire staat, waarbij iedere vorm van vrij denken en leven wordt onderdrukt en ondergeschikt wordt gemaakt aan de wil van de dictator. Orwell zelf had niet de bedoeling de inhoud van ‘1984’ als een vaststaande toekomstvisie te verkondigen, maar geloofde wel dat er iets zou kunnen gebeuren zoals hij dat beschreef.

Zijn boek is een dankbaar object geworden voor allerlei futurologen en toekomstvoorspellers. Zij zien in de ontwikkeling van de huidige maatschappij talrijke aanwijzingen dat wat Orwell beschreef, werkelijkheid gaat worden. Ook op het christelijk erf zien wij hoe velen inhaken op de gedachten van Orwell. Het gevaar daarbij is dat men door gebrek aan geestelijk inzicht, veelal tot dezelfde negatieve conclusies komt. Men kweekt dan een soort angstpsychose, waarvoor de Bijbel juist uitdrukkelijk waarschuwt. Want bij angst speelt altijd satan zijn negatieve rol. Natuurlijk waarschuwt de Bijbel ons dat er ‘in de laatste dagen zware tijden zullen komen’. Denk aan de beschrijving die Paulus geeft in 2 Timotheüs 3 over de mensen die leven onder het beslag van de duivel. Maar dezelfde Paulus laat niet na er telkens weer op te wijzen dat de waarachtige gelovigen daar onbevreesd en vol van de kracht en de liefde van Jezus midden in staan. Wij mogen onberispelijk en onbesmet zijn, onbesproken kinderen Gods temidden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder wij schijnen als lichtende sterren… Filippenzen 2 vers 15 en 16 (Filip. 02:15-16).

Wij hebben daarom geen angst voor de toekomst, al zullen vervolging en verdrukking ons niet bespaard blijven, Hij, die in ons is, is meerder dan die in de wereld is 1 Johannes 4 vers 6 (1 Joh. 04:06). Voor ons wordt 1984 niet bepaald door George Orwell of één of andere onheilsprofeet, maar door Jezus Christus die gezegd heeft: “Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld!” Matteüs 28 vers 20 (Matt. 28:20).

 

De krachtbron door Tea Keuper-Dijk

U zocht Uw Vader in de stilte

en ontving Zijn kracht,

om daarvan uit te delen

en te breken satans macht.

 

God, Vader, leer ons luist’ren

naar U en naar elkaar,

God, leer ons deel te hebben

en zeg ons hoe en waar.

 

Leer ons steeds te vergeven,

leer ons Uw liefde Heer!

Die overwint de wereld,

vul met Uw Geest ons. Heer!

 

 

1983.12 nr. 243

Levend geloof 1983.12 nr. 243

Kerstfeest 1983

Van de redactie

Nog enkele dagen en wij vieren als Gemeente van Christus weer kerstfeest. Als waarachtige gelovigen doen wij dit met heel ons hart. Er is immers grote dankbaarheid en blijdschap als wij ons realiseren wat God in Zijn grote liefde voor de mensheid – en dus ook voor ons – heeft gedaan. Hij zond het allerliefste wat Hij bezat. Zijn eniggeboren Zoon, naar deze wereld.

De geboorte van Christus was niet een op zichzelf staande gebeurtenis zonder verdere betekenis, zoals de grote massa meent, die daarom het kerstfeest ook alleen maar op uiterlijke wijze kan vieren, omdat men er niet innerlijk bij betrokken is. Er is in dit verband, behalve dankbaarheid en blijdschap, nog een aspect dat onze aandacht vraagt bij de viering van het kerstfeest. Dat is bewogenheid! Wie kerstfeest alleen voor ‘zichzelf’ viert, heeft van de betekenis ervan nog maar weinig begrepen. Kerstfeest is ook het feest voor ‘de ander’! God had de wereld zo lief dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft. . . !

Daarom maken waarachtige christenen door woord en daad openbaar dat wat Christus voor hen gedaan heeft, Hij ook voor anderen wil doen! ‘Gered om te redden’, is ons devies. We zijn bevrijd uit satans macht om ook anderen te bevrijden! Als wij het nieuwe leven van Christus meer en meer leren kennen is het ook ons verlangen anderen deelgenoot daarvan te maken. Dat is de echte bewogenheid die ieder kind van God behoort te openbaren. Geen bewogenheid die alleen maar voortkomt uit ons gevoel, maar vanuit het geloof, dat God waakt over Zijn Woord (dat wij in de Naam van Jezus en in de kracht van de Heilige Geest uitdragen)om dat te doen!

Dat is ook de doelstelling van “levend Geloof”. Als wij in ons blad veel schrijven over de opbouw van ons geloof en de noodzaak om geestelijk te groeien, doen wij dat niet alleen voor onszelf, maar opdat we daardoor beter zullen beantwoorden aan het doel wat God met ons voor heeft: de openbaring van Jezus door ons leven, opdat ook anderen het werkelijke nieuwe leven van Christus leren kennen! Want het gaat niet alleen om de komst en de openbaring van de Zoon. Dat is tweeduizend jaar geleden reeds gebeurd. Maar nu gaat het om de openbaring van de zonen!

Als we ons dit bij de viering van kerstfeest 1983 ten volle gaan realiseren, zullen we ook met heel ons wezen het feest van Christus’ geboorte kunnen vieren en gaan wij met verlangen en vertrouwen het nieuwe jaar 1984 binnen. Er is veel ‘werk aan de winkel’ en – onder de leiding van Gods Woord en de Heilige Geest – zal het ons duidelijk worden wat we doen moeten en niet moeten doen.

Als redactie van “Levend Geloof” willen we zo – samen met u – waardige vertegenwoordigers zijn van het Koninkrijk Gods en wensen wij u gezegende kerstdagen en een voorspoedig 1984 toe! God is goed en wij danken Hem voor Zijn onuitsprekelijke gave!

 

Mededelingen door Gert Jan Doornink

Zendingsfonds opgericht

De laatste jaren is “Levend Geloofd ook in het Buitenland steeds meer bekend gewor­den. Een ontwikkeling die nog steeds doorgaat, want het aantal abonnees in het buitenland groeit nog steeds. Enige tijd geleden namen we in ons blad een brief op van een broeder uit Bergen op Zoom, die in Canada veel promotie voor “Levend Geloof” heeft gedaan. We weten dat verschil­lende anderen zich ook in zetten om bekendheid te geven aan ons blad in andere landen. Daarbij gaat het natuurlijk niet om het blad als zodanig, maar wel om de boodschap die wij brengen. We zijn uiteraard dankbaar voor deze po­sitieve ontwikkeling.

Naast de bekendheid die “Levend Geloof” krijgt in de eigen taal, ontstaat er ook een toenemende vraag naar vertalin­gen. Zo zijn in de afgelopen jaren artikelen en gedeelten uit onze brochures vertaald in het Engels, Frans, Duits en Italiaans. Ook hier zijn we natuurlijk blij en dankbaar voor, al willen wij er wel op attenderen dat in verband met het copyright, hiervoor schriftelijke toestemming van de redactie nodig is. Niet dat wij bevoogdend willen optreden in deze, maar wij willen wel graag de zekerheid hebben dat er op correcte wijze vertaald wordt. Liever geen vertaling dan een slechte vertaling.

In dit kader willen wij thans ook bekendheid geven aan een eigen plan. Het betreft een voorlopig eenmalige uitgave van Levend Geloof’ in het Duits, Frans en Engels, waarin een selectie van eerder verschenen artikelen wordt opgenomen. Als eerste zal “Levend Geloof” in het Duits uitkomen. Maar dit zal nog wel enige tijd duren. Toch leek het ons goed het vast bekend te maken aan onze lezers. Mede in ver­band met de hoge aanloop kosten werd hiervoor een fonds in het leven geroepen. Een zuster uit Amersfoort met wie wij over één en ander een telefoongesprek hadden, stuur­de ons spontaan een gift van ƒ 500,- voor dit doel.

Uit dit ‘zendingsfonds’ kunnen tevens de kosten betaald worden van verschillende zendelingen of werkers in Gods Koninkrijk die het blad gratis ontvangen. Ook blijft het mogelijk zelf zendelingen te adopteren, die dan “Levend Geloof” krijgen toegezonden, zoals ook thans reeds ge­beurd.

Wat dit “Levend Geloof” zendingsfonds betreft: voor de overmaking van uw eventuele giften kunt u gebruik maken van onze giro- of bankrekening (zie blz. 2) met extra vermelding: ‘zendingsfonds’.

Gedachten over het boek Job

De vorige maand beëindigde serie artikelen “Gedachten over het boek Job” van Nico Goverts worden in brochurevorm door ons uitge­geven en zijn momenteel in bewerking. Vanwege de omvang verschijnen er drie deeltjes. Elk deeltje kost, evenals onze andere brochures ƒ 3,-. Bij afname van 10 exemplaren en meer ƒ 2,25. U kunt zich, zoals verschillende lezers en le­zeressen reeds gedaan hebben, opgeven hoeveel exemplaren u went te ontvangen. Na verschijning worden ze dan toe­gezonden.   

 

Het woord maakt geschiedenis door Nico Goverts

Er is voor Jezus geen plaats op deze wereld. Dat behoeft ons niet te verba­zen, want zo was het im­mers tweeduizend jaar gele­den ook al: het staat er toch dat er voor hen geen plaats was in de herberg. Dit is een dankbaar onder­werp voor een kerstpreek. Men kan hier heerlijk op voort borduren en drama­tisch vertellen hoe ver­schrikkelijk het toch wel was dat er voor de Zoon van God niet eens een plek­je was om geboren te wor­den. Met graagte voert men een smekende Jozef en Ma­ria ten tonele, die van deur tot deur gaan om alstublieft een bescheiden slaapplaats toebedeeld te krijgen, als­mede barse herbergiers, die grimmig snauwend meedelen dat alles vol is. De moraal van het verhaal is duidelijk: wat was het daar toen een goddeloze bedoening, in dat Bethlehem.

En wat is het dan verrukke­lijk eenvoudig, de lijn even door te trekken naar het heden, want nietwaar, broe­ders en zusters, zo is het nog altijd, is dit niet uiterst actueel? Ook in onze dagen is er geen plaats voor de Zoon van God.

Nu moeten we altijd enige argwaan koesteren ten op­zichte van preken en preek- thema’s die zo vlot uit de pen rollen. We doen er dan ook beter aan, naar ik meen, de tekst uit Lucas 2 eens nauwkeurig te lezen, en niet eerder tot conclusies te komen dan nadat we ontdekt hebben wat er nu wezenlijk staat. Dan worden we bewaard voor al te rappe toepassingen en overhaaste actualisaties.

Vaak is men geneigd de eerste zeven verzen van Lucas 2 als een afgesloten geheel te beschouwen; het feit van de geboorte is dan verteld, vervolgens begint er, bijvoorbeeld in de ver­taling van het NBG, een nieuwe perikoop, met een ander thema: de herders. Derhalve kan men met voor­lezen ophouden na het ze­vende vers, om bij een vol­gende gelegenheid het ver­haal van de herders ter hand te nemen.

De vraag is echter of deze benadering wel juist is. Hebben wij er ooit wel eens op gelet of er soms ook een bepaalde structuur te ont­dekken valt in het onderha­vige bijbelhoofdstuk?

Het zal namelijk blijken, dat we, wanneer we de op­bouw van dit Schriftgedeelte gaan onderzoeken, iets op het spoor komen van het geheimenis dat Lucas heeft willen overdragen.

Als we op de structuur acht geven, dan bemerken we dat niet de eerste ze­ven, maar de eerste twintig verzen van Lucas 2 een af­gerond geheel vormen. Want in deze verzen komt maar liefst zesmaal de term ‘ge­schieden’ voor. Dit begrip loopt als een rode draad door dit gedeelte heen en het verbindt onmiskenbaar de beschrijving van de ge­boorte en het gebeuren met betrekking tot de herders.

Van deze zes keren dat we het woord ‘geschieden’ te­genkomen, zijn er in elk geval drie die heel markant een mijlpaal in de voortgang van het verhaal aan ge ven. Dat is het eerste vers: “En het geschiedde in die da­gen”; vervolgens het zesde: “En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de da­gen vervuld werden”; en tenslotte het vijftiende vers: “En het geschiedde. . . dat de herders tot elkander spraken”.

Op basis van deze drie mar­keringen is het parcours van het verhaal uitgezet. Langs deze route zullen we dus dienen te lopen om het spoor te vinden.

Wat wil Lucas derhalve aan de lezer of hoorder meede­len? Uitgangspunt is: er gaat iets geschieden. En dan moeten we bedenken dat dit een typisch Hebreeuwse zegswijze is, die we vanaf Genesis vele malen aantreffen; dergelijke uit­drukkingen mag men niet weg vertalen, zoals bijvoor­beeld in ‘Groot nieuws voor u’ gebeurd is, want dan is er geen nieuws meer voor u.

Telkens lezen we in de pro­fetische boeken: het woord des Heren geschiedde tot Elia, tot Zacharia en ande­ren. Alleen tegen deze ach­tergrond kunnen we het verhaal van Lucas verstaan: het woord des Heren gaat geschieden

God zet zijn geschiedenis door. Dat is de magistrale proclamatie van Lucas 2. Daarom moeten we zorgvul­dig de drie mijlpalen volgen die de evangelist ons aan­geeft en die ons tonen: langs deze weg gaat de ge­schiedenis van God zich re­aliseren. Dit is de weg, wandelt daarop.

Zonder God is er in diepste zin geen geschiedenis; dan is er alleen maar de kring­loop, de eindeloze, vermoei­ende herhaling. Slechts van­uit God, vanuit het spreken Gods, komt er geschiedenis op gang. Zoals het was bij Abram: Een stem doorbrak de stomme ring van het be­staan waarin hij was beslo­ten, hij wordt waterpas ge­schoven op de lange baan, waarlangs hij voortaan voort zal gaan.

Wanneer er staat: en het ge­schiedde, dan betekent dat: er komt een handeling, een beweging in de tijd.

Laten we nu eens letten op de drie momenten in de ‘ge­schiedenis’ van Lucas 2. Het eerste is: er ging een bevel uit van keizer Augus­tus, er staat: er ging een dogma uit; het woord speelt met name een rol in het boek Daniël, waar het twaalf maal gebruikt wordt om de wetten aan te duiden, de decreten die de koningen zoals Nebukadnezar en Darius uitvaardigen. Daar zien we hoe de wereldbeheersers trachten geschiedenis te ma­ken.

Het gehele rijk moest worden ingeschreven; interessant is dat het woord hetwelk hier met ‘rijk’ is weergegeven, eigenlijk ‘oikoumenè’ is, de bewoonde wereld; hetzelfde begrip keert een paar hoofd­stukken later terug, wan­neer er gezegd wordt: de satan toonde Jezus als de koninkrijken der bewoonde wereld Lucas 4 vers 5 (Luc. 04:05).

Dat is de inzet, het uit­gangspunt van Lucas 2: de hele bewoonde wereld. Maar als we dan het verhaal ver

der volgen, dan zien we hoe het blikveld zich steeds meer gaat samentrekken: in het tweede vers gaat het over Syrië, in het derde vers over ieders eigen stad; de volgende stap is, dat al­leen Bethlehem in het vizier komt, en tenslotte wordt in die ene kleine stad Bethle­hem de aandacht gericht op één punt: een kribbe. Zo bereikt de steeds verder gaande concentratie haar eindpunt in het zevende vers. En daar komen we op het spoor van de geschiedenis die God gaat maken. Dat is iets unieks: God schrijft zijn historie, onverstoor­baar, over de planning van de wereldbeheersers heen; God zet gebeurtenissen in een nieuw verband. Zelfs een Augustus werkt. zonder het te weten, mee aan de voorbereiding van de ge­schiedenis Gods.

Want daarmee zijn we inmid­dels gekomen bij het tweede hoofdmoment in het verhaal, dat is het zesde vers: “En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij ba­ren zou, en zij baarde haar eerstgeboren zoon”. Dagen worden vervuld; dat is een goede Hebreeuwse zegswijze, want de Hebreeuwse mens denkt in da­gen. Van het boek Genesis af draait alles om de dagen: we horen over de dagen van de schepping, de dagen van de mens, de dagen van de aarde, de dagen van Abraham, om er maar enkele kernpunten uit te lichten. En die gedachtegang zet zich door tot het eind der tijden toe, want dan is er sprake van de dag des He­ren, en van de dagen van de Zoon des mensen.

God denkt in dagen; zo schrijft Hij zij historie in en met mensen. Want dat is zo typerend: zodra er van God uit iets gebeuren gaat, komt er een mens tevoorschijn. God werkt niet door onpersoonlijke krachten, God werkt in deze tijd niet door atoombommen, God werkt door mensen.

Dit is de geschiedenis van God: de Zoon krijgt gestal­te. Zo zal het ook zijn in deze eindfase waarin we nu leven: zonen krijgen gestal­te en daarmee worden dagen vervuld.

Wanneer worden onze dagen vervuld? Als wij zonen wor­den. Jezus is gekomen om onze dagen te vervullen, de dagen van de mens, de mens die maar nooit tot zijn be­stemming kon komen, de mens die maar bleef rondtas­ten in de eeuwenlange nacht, de mens die maar nooit de dag kon bereiken, wiens da­gen nimmer vol werden, maar nu is daar de Zoon des mensen, de dag waarvoor wij overnachten.

Van Zacharia en Elisabeth vertelt Lucas in zijn eerste hoofdstuk: ze waren op hoge leeftijd gekomen, maar dat is een onnauwkeurige weer­gave; letterlijk lezen we: ze waren ver op (of in) hun dagen gekomen. Het oude verbond was oud geworden, erg oud, en nog geen zoon. Ver op hun dagen. Maar aan het eind der dagen zal het licht zijn.

Een mens kan soms ook ver op zijn dagen zijn: dat heeft niet altijd met natuurlijke ouderdom te maken. Dan is de geest van die mens oud geworden, er is geen span­kracht meer, geen licht­glans meer, het oog is dof, de ziel in ’t stof terneer gebogen.

Maar dan, dan komt dat mo­ment , dan gaat God de da­gen van die mens invullen. Leeg is de historie van de wereld, van de mens, hol als een kerker, een lege trein gelijk die doelloos voortraast van station tot station, maar niemand stapt erin. Leeg, totdat de Mees­ter binnentreedt en met meesterhand de dagen van de mens gaat maken.

Wanneer gebeurt dat? Het motiefwoord in het zesde vers is: baren; tot twee, maal toe wordt dit begrip gebezigd. In het eerste deel van Openbaring horen we viermaal ditzelfde woord; dan gaat het over de vrouw in de slotfase van de geschiedenis, de gemeente, die zal baren : zij zal het zoonschap vóórt­brengen.

Wat was het geheim van Maria? Zij sprak: “Mij geschiede naar uw woord”. Dat was haar reactie op de uit­spraak van de engel: “Geen woord dat van God komt zal krachteloos wezen” Lucas 1 vers 37 e.v. (Luc. 01:37 e.v). In die verzen treft ons opnieuw het kernmotief: geschieden.

Maria wilde zich laten opne­men in de geschiedenis van God. Het mag aan mij ge­schieden, zo verklaart zij. Dat is de fundamentele vraag: wil ik deel worden van de historie Gods? Alleen dan zal er in ons bestaan wezenlijk iets geschieden.

Er kan in het leven van een mens enorm veel gebeuren, maar er geschiedt pas iets als die mens zich laat plaat­sen in de geschiedenis van zijn Maker.

Maria heeft het uitgesproken; dat was het grond leggende ogenblik van haar bestaan, door dit uit spreken gaf zij richting aan haar gehele ver­dere toekomst: mij geschiede naar uw woord. En dan, in Lucas 2, dan gaat dat woord geschieden. Daarom zouden we als opschrift boven dat hoofdstuk kunnen zetten: het geschieden van het woord.

Maar nu komt het er voor alles op aan dat we onder­kennen: het zevende vers van ons hoofdstuk is geen eindpunt. De geboorte heeft plaats gevonden, nu is het verhaal uit? En dan begint er straks weer een ander verhaal? Neen, we hebben hier te maken met een door­gaande lijn.

Want er moet nog een derde keer komen: ‘en het geschiede’. En dat derde ‘geschieden’ gaat uit van de herders. In de eerste zeven verzen is het gezichtsveld steeds kleiner geworden, totdat er tenslotte alleen nog maar in het beeld was: de kribbe; maar nu gaat het perspectief zich weer verwijden: er komt een landstreek, met een groep herders in het vizier.

Het woord is begonnen te geschieden in Maria, maar dit woord gaat nu de herders in beweging zetten. Ook zij worden deel van de geschiedenis Gods. Daarom is het van fundamenteel be­lang dat we tekstgetrouw vertalen wat de herders tot elkander spraken: Laten we dan naar Bethlehem gaan om te zien hetgeen geschied is, zo lezen we in het NBG. Op die manier is er echter een beslissend sleutelbegrip onder de tafel verdwenen, want wat staat er eigenlijk?

Om te zien het woord (dit woord, rhèma) dat geschied is. Niet zomaar: hetgeen geschied is, maar het woord dat geschied is. Dat haakt in op: geen woord dat van God komt, en op: mij ge­schiede naar uw woord.

En deze rode draad loopt nog door: de herders gaan het woord zien dat de Here hen bekend gemaakt heeft, en dan zegt Lucas 2 vers 17 (Luc. 02:17): “Toen ze het gezien hadden, maakten zij bekend aangaan­de het woord dat tot hen gesproken was over dit kind”. Opnieuw: het woord. Het woord maakt voortgang, door middel van de herders. En van Maria wordt vermeld in het negentiende vers: “zij bewaarde al deze woor­den in haar hart”.

I!

 

De vraag is nu: over wat voor woord gaat het hier? Wat is dat woord dat gaat geschieden? In het Hebreeuws hebben we hier te maken met het geladen begrip ‘dabhar’; dat is eigen­lijk woord en daad tegelijk. Bij God vallen die twee sa­men: woord en daad zijn bij Hem één; zijn woord is creatief, werkzaam. Geen woord van Hem zal krachteloos we­zen, zegt Lucas, met een verwijzing naar de geschie­denis van Abraham, waar de Here spreekt: “Zou voor Hem iets te wonderlijk zijn?” en waar eigenlijk staat: Zou aan de Here een woord (dabhar) ontrukt zijn?

(Gen. 18:14). Geen woord of daad is buiten zijn bereik.

Nu is het frappant: in dit tekstverband van Genesis gaat het eveneens over de geboorte van de zoon.

Maar er is nog iets. De en­gel zegt: “Ik verkondig u grote blijdschap”. Nu kun­nen we op zijn minst vijf begrippen noemen die in Lucas 2 een rol spelen en die we ook al terugvinden bij Jesaja: verkondigen (letterlijk: blijde boodschap of evangelie brengen), blijdschap, volk, teken en woord. Jesaja begint zijn troostboek (troost mijn volk!) met vast te stellen: “het woord van onze God houdt eeuwig stand” Jesaja 40 vers 8 (Jes. 40:08).

En hij besluit het eerste deel van dit troostboek met de uitspraak des Heren: “mijn woord zal uitgaan en het zal doen wat Mij be­haagt en als gevolg daarvan zult gij in vreugde (het­zelfde woord als blijdschap in Lucas) uittrekken en het zal de Heere zijn tot een eeuwig teken” Jesaja 55 vers 11 e.v. (Jes. 55:11 e.v.). En het wordt wel heel spre­kend wanneer de profeet in dat kader de gedachte Gods doorgeeft: “Ik leid de blin­den op een weg die ze niet kennen, het duister maak Ik voor hen tot licht en het oneffene tot een vlakte; dit zijn de woorden die Ik zal doen en die Ik niet zal na­laten” Jesaja 42 vers 16 (Jes. 42:16). Hier is het glashelder: wat is het voor een woord dat van God uit­gaat? Het is het woord van bevrijding; deze woorden Gods zetten blinde ballingen in beweging. In de nacht van hun bestaan is er voor hen licht.

Lucas neemt de gedachte van Jesaja over: het woord geschiedt, het is het bevrijdingswoord, het zet her­ders in beweging en de heerlijkheid des Heren (ook een term van Jesaja) ver­licht de nacht van hun be­staan en zo worden zij vreugdeboden om de woor­den te verkondigen die God gedaan en niet nagelaten heeft.

Blijdschap heeft bij Lucas een speciale geladenheid: het is bij hem de vreugde over het vinden van het verlorene. De drie gelijke­nissen in het centrale hoofdstuk 15 stellen dit thematisch aan de orde. Daar­in ligt de vreugde Gods: Hij vindt terug wat bij Hem hoort.

Een mens gaat weer ontdek­ken waar hij bij hoort. Her­ders ontdekken dat God dichterbij is dan ze dach­ten.

Zo vindt God plaats bij mensen. Zo komt God bij mensen thuis.

Zou die uitspraak dan toch niet kloppen: er is voor Je­zus geen plaats op deze wereld? Het slot van het zevende vers betekent eigenlijk: hun plaats was niet in de herberg. In feite duidt dit woord meer een hotel aan; voor herberg heeft het Grieks een andere term. Hun plaats was niet in het hotel.

Maar let wel: er staat hele­maal niet dat ze daar zo graag hadden willen zitten; dat fantaseert men erbij. We horen heel simpel: daar was hun plaats niet. Waar was hun plaats dan wel? In een herderlijke omgeving, waar herders zich thuis voelen.

Daar voelt God zich thuis. Herders talen niet naar een hotel. Een hotel is een tijdelijke verblijfplaats, een doorgangshuis, geen thuis. De Zoon des mensen komt thuis, niet in een hotel, maar in een landelijke omge­ving, in een authentiek stuk schepping. Niet in een zogenaamde geboortegrot, maar ergens bij boeren thuis.

Zo maakt de Mens, de nieu­we Adam, zijn entree in de schepping.

Is er geen plaats voor Hem? Jawel, want het bevrijdings­woord maakt ruimte en het is niet krachteloos.

Dat woord maakt ons tot een herdersvolk. Want daar voelt het woord zich thuis en dan voelt de schepping zich weer thuis bij ons.

Dan verstaan we de bood­schap van kerst: God is een herderlijke God.

 

Reacties van lezers door redactie

God is een goede God

Zuster W. W. te Ede (Gld. ) werkt veel met het boekje “God is een goede God”. “Het is heerlijk hiervan te ge­tuigen”, schrijft ze want de goedheid van God heeft ze in haar eigen leven op wonder­bare wijze ervaren. Tot eer van God kan zij thans getui­gen dat zij weer optimaal functioneert. Na een zware geestelijke strijd, waarin zij leerde te volharden, ge­nas de Heer haar namelijk van verlammingsverschijnse­len en een ernstige spier­ziekte.

Wees vol van de Geest

Zuster M, B. te Mortsel, (België), schreef ons om haar dank te betuigen naar aanleiding van het artikel “Wees vol van de Heilige Geest” in “Levend Geloof”, nr. 237. Deze zuster, die in de volle evangelie ge­meente van br. Rob Polder­man, komt, wil graag iets doorgeven van wat het evan­gelie in haar persoonlijk en gemeentelijk leven nog steeds aan het bewerken en herstellen is, tot lof en eer van Zijn Naam: “Vanuit de intieme relatie met Gods Geest is het moge­lijk (en niet moeilijk) om ‘de weg’ te blijven gaan, dwars door alles heen, en zo in deze gehoorzaamheid aan God, de blijvende aan­wijzingen van de Heilige Geest te leren onderschei­den van vele andere geesten om te komen tot de volle waarheid.

In een profetie, die door de Heilige Geest in de ge­meente is uitgesproken, wordt ons gevraagd of wij ons realiseren wat wij van Hem verwachten en of het ons helder voor ogen staat wat Hij ons geven wil en in en dóór ons bewerken kan. Het besef van ‘geven’ is toen dieper tot mij doorge­drongen. Vanuit Gods rijke woord ben ik intenser gaan leven en heb een heel grote verwachting, blijvende hoop en een intense liefde, dat Hij doet wat Hij aan ons heeft beloofd.

Wij ontvangen naar mate de sterkte is van ons geloof. Daarom blijf ik waakzaam en vast in het geloof, opdat ik steeds meer immuun ga worden voor de aanvallen uit het rijk der duister­nis en mijn leven met Hem dieper en hechter zal worden, dank zij de ‘stuw­kracht’ van de Heilige Geest.

Dit ‘vol zijn van de Heili­ge Geest’ brengt u en mij, samen als gemeente:

– liefde, waarheid, kracht en eenvoud.

– opent nieuwe perspectieven, nieuwe horizonten.

– zet ons aan onszelf te on­derzoeken en ons te ver­diepen in nieuwe waarden aangaande Gods Koninkrijk.

– wekt in ons het verlangen het stoffelijke te over­stijgen, het anders te be­leven.

doet ons streven in Gods liefde te gaan leven, tot­dat wij zelf een stukje liefde worden in Christus Jezus.

– legt in ons een Goddelijke wijsheid, die onszelf overtreft, boven bidden en denken.

– leert ons van al het stof­felijke de betrekkelijk­heid te gaan zien, zodat wij gaan hunkeren naar het pure, het zuivere, het waarachtige en het volkomene.

-leert ons daden te stellen waarin God altijd nabij is en ons geloof ten volle te beleven.

– geeft aan elke liefdesver­houding een nieuwe dimen­sie, een Goddelijke dimensie.

-maakt ons ‘sterk’ in zwakte.

– is de bron en stuwkracht, de grondslag van ons be­staan”.

Gods koninkrijk is in ons

Broeder M. D, te Borgloon, (België), zond ons per brief zijn abonnementsgeld over het afgelopen jaar en schrijft: “Er kunnen wel een distels op het veld groeien. Toch hebben zij niet de kracht om het goede graan te verstikken. Omdat Jezus Christus de Levende is en mét ons is. Hij is de Heer, de Overwinnaar van de wereld. En Hij werkt en overwint in ons door de Heilige Geest.

Ik dank de Heer dat “Levend Geloof” ‘werkt en leeft’. Gods zegen is in alle goede dingen. Wij ontvangen met blijdschap al Gods gaven en loven Hem daarom met blijd­schap in ons hart al de da­gen van ons leven.

In Jezus Christus zijn wij allen ‘ledematen’, broeders en zusters. Gods Koninkrijk is reeds in ons. Prijs de Heer!”

Leven zonder zorg

Zuster L. B. te Koksyde, (België), schrijft: “Uw blad van oktober was voor mij heel opbouwend. “Hoe wij zorgeloos kunnen leven” sprak mij aan. Het was voor wat ik nodig had op dat ogenblik”.

Geestelijk Israël

Zoals bekend spreekt “Le­vend Geloof” zich duidelijk uit voor het herstel van het geestelijke Israël: de Gemeente van Jezus Christus. Dat dit gewaardeerd wordt bleek ons uit een brief van broeder R. P. te Waasmun­ster, (België), die zich abonneerde op ons blad, nadat hij op de boekenbeurs te Antwerpen een “Levend Geloof” brochure had gekocht. Hij was blij eens een keer ‘een ander geluid uit een andere hoek’ te horen. (Op de onlangs gehouden boekenbeurs te Antwerpen was de volle evangelie ge­meente uit Antwerpen-Mort- sel, voorganger br. Rob Pol­derman, met een stand met volle evangelie lectuur aan­wezig).

Gedichten

Broeder J. 0) te Westervoort las in “Levend Geloof” een artikeltje over “Verwachting”, wat hem inspireerde tot het maken van een ge­dichtje. Ook zijn vrouw maakte een gedicht.

Tot onze spijt kunnen wij geen gedichten meer opnemen buiten de één of twee van onze vaste medewerkers, die wij maandelijks reeds publi­ceren. De laatste tijd wor­den wij namelijk over­stroomd met gedichten, waar­van de inhoud weliswaar vaak erg positief is, maar het is natuurlijk niet de bedoe­ling van “Levend Geloof” een ‘gedichtenblad te ma­ken. Daar komt bij dat lang niet alle lezers gedichten weten te waarderen.

Als 2000 jaar geleden…  

Broeder S. L. te Den Oever, schrijft o. a. : “Ik ben 26 jaar oud en kom uit een niet-christelijk gezin van 6 personen. . Ik ben 2 ½ jaar geleden via een toenmalige collega tot de Heer gekomen en ben toen na enkele maan­den in de Volle evangelie gemeente van broeder Jong­man in Den Helder terecht gekomen en er gedoopt door onderdompeling en vervuld met de Heilige Geest. Geko­men vanuit diepe duisternis heeft de Heer me van dag tot dag vernieuwd, wat uiteraard niet altijd pijn­loos verliep”. Deze broeder leest sinds vorig jaar “Le­vend Geloof” en “geniet er steeds meer van. Ik heb ge­merkt dat de boodschap die u verkondigt op dezelfde manier gebeurd als 2000 jaar geleden, namelijk door eenvoudige mensen, zoals Petrus en Johannes, en niet door allerlei hoog geschoolde theologen”.        

 

Hebben wij een levend geloof? door G. J. R. Doornink

“Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is?

Want anders zijt gij verwer­pelijk. Ik hoop echter, dat gij zult inzien, dat wij niet verwerpelijk zijn” 2 Korinthe 12 vers 5 en 6 (2 Kor. 12:5-6).

Waar zijn we mee bezig?

Wanneer Paulus aan het ein­de van zijn tweede brief aan de Korinthiërs de gelovigen opwekt zichzelf op de proef te stellen en zichzelf te onderzoeken of zij wel ‘in het geloof’ zijn, geeft hij daarmee een niet voor misverstanden vatbaar advies, ook aan ons gelovi­gen van deze tijd.

We zijn vaak meer bezig met het geloof van de ander dan van onszelf. Als het in po­sitieve zin is, is dat natuur­lijk een goede zaak. Paulus zegt zelfs dat de ‘sterken’ in het geloof, de ‘zwakken’ behoren te ondersteunen.

Maar vaak is het bezig zijn met het geloof van de ander negatief. Als wij het vermeende ongeloof van de an­der bekritiseren is dat bo­vendien een bewijs dat ook ons eigen geloof nog niet optimaal functioneert. Im­mers iemand die een echt geloofsleven tot openbaring brengt, leeft in voortduren­de gemeenschap met Jezus Christus en zet zich vol liefde in voor de ander.

Vanuit de gemeenschap met Christus worden bovendien de geloofsoverwinningen be­haald. Paulus spreekt over het strijden van de goede strijd des geloofs. En dit strijden is een geestelijke zaak, Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12), zoals ook het geloof een geestelijke zaak is. Hebreeën 11 vers 1 (Heb. 11:01) zegt dat het geloof de zekerheid is van de dingen die we hopen, en het bewijs van de dingen die we niet zien.

De Heilige Geest is nodig

Satan haat een waarachtig geloofsleven en hij zal alles in het werk stellen dit ge­loof aan te tasten. Wij be­horen daarom vervuld te zijn met de Heilige Geest, want een wezenlijk ‘bestand­deel’ van de Heilige Geest is geloof. Geloof is zowel gave als vrucht van de Hei­lige Geest.

Een levend en vruchtdra­gend geloof is onmogelijk zonder de inwoning van de Heilige Geest. Deze Geest behoort echter voortdurend te functioneren. Wie Gods Geest ‘bedroeft’ of ‘uitblust’ of wie niet groeit in de Geest, kan ook niet ver­wachten dat het geloof in hem op positieve wijze tot openbaring komt. Dan is het een dood geloof geworden.

Jacobus zegt: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood” Jakobus 2 vers 26 (Jak. 02:26). Een kind van God dat niet vol is van de Heilige Geest heeft ook geen God welge­vallig geloofsleven. Zijn ge­loof is dood. Dan is het predicaat ‘gelovige’ een ka­rikatuur geworden en zijn we als een treinstel dat op een zijspoor is uit geran­geerd.

Meer dan ooit is het nodig in deze tijd een levend ge­loof te openbaren. Want om nog even op het woord van Paulus aan de gemeente te Korinthe terug te komen, is het goed er op te letten dat Paulus ook vermaant onszelf te onderzoeken of Jezus Christus in ons is, want anders zijn we verwerpelijk.

Wil Jezus in en door ons – leven zichtbaar worden – en dat is Gods wil – dan is dat alleen te realiseren als ons geloof een levend geloof is. Dat behoedt ons er ook voor dat we in verkeerd vaarwater terechtkomen en ons ‘verworpen’ voelen. In het geloof zijn, betekent in Christus zijn. En in Christus zijn is het hoge doel wat God op het oog heeft voor Zijn kinderen. Het gaat immers om het open­baar worden van de zonen Gods. Dat is het waar de zuchtende schepping op wacht om tot verlossing en bevrijding te komen.

 

Kerstgedachte (gedicht) door Judith Jacobs

O Zoon van God, aan ons geboren

In ’t diepe duister van een nacht,

Het was Uw komst op deze aarde

Die ’t mensdom heil en vrede bracht.

 

Zowel de herders als de wijzen

Gingen met grote blijdschap heen;

Zij konden over ’t licht niet zwijgen,

Hun boodschap klonk dóór alles heen.

 

De heilsbelofte aan een wereld

Verzonken in der zondeschuld,

werd door Uw liefde en genade

Volkomen aan de mens vervuld.

 

Dat is het Licht dat is gekomen

In een nacht zo heilig en zo stil:

Het Christuskind dat werd geboren,

En ons ook nu nog zeeg’nen wil.

 

Nieuw licht op de drie-eenheid door Wim te Dorsthorst

De Bijbel en de drie-eenheid

Tevergeefs zult u in de Bij­bel zoeken naar het woord ‘drie-eenheid’ want het staat er niet in. Toch is er veel en dierbaar geschreven en getheologiseerd over dit woord. Natuurlijk is het nooit de bedoeling van God geweest om alle mogelijke constructies te bedenken om aan te tonen dat God (“De Here is onze God; de Here is één” – Deuteronomium 6 vers 4 (Deut. 06:04) toch bestaat uit drie personen, ook al spreekt de Bijbel van ‘de Zoon en de Heilige Geest’.

Als Jezus komt om te open­baren wat van de grondleg­ging der wereld verborgen is gebleven, dan spreekt Hij wel over éénheid, maar nooit over de drie-eenheid, zoals wij dat in de kerken altijd hebben horen verkondigen, namelijk God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest.

Het is meer een dierbare term dan dat het functio­neel zou zijn voor ons geloofsleven. Mogen wij er dan niet over nadenken? O ja, juist wel! Heel vaak moet ons denken ook ten aanzien van zulke woorden, waaraan een gedachte ten grondslag ligt, vernieuwd worden.

Als God zegt: “Want mijn gedachten zijd niet uw ge­dachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren” Jesaja 55 vers 8 (Jes. 55:08) dan bedoelt God niet: jij kleine nietige mens, jij stof­je aan de weegschaal, jij zondaar tot de dood, wat jij denkt is ten alle tijde ver­keerd of slecht! Het is juist Gods vurige verlangen dat wij wél gaan denken zo­als Hij denkt en dat ónze wegen gelijk worden aan zijn wegen. Wij kunnen dit met zekerheid stellen omdat Jezus Christus ons de Vader heeft doen kennen, Johannes 1 vers 18

(Joh. 01:18)

Jezus was niet God zelf, maar Hij was de afstraling Zijner heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen, Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a). Hij was de Zoon des men­sen! God wil niet de grote onbekende, mysterieuze, en voor velen angstwekkende God blijven, maar Hij wil gekend worden door de mensen. Jezus heeft Hem ons bekend gemaakt. En dan zien wij: ‘Een enkel goede God!’ Niet voor niets zegt Jezus, als Hij spreekt over het bidden: “Uw Naam worde geheiligd” , dat wil zeggen dat de Naam van God met geen enkele duisternis verbonden kan worden. Ook al lezen we het soms letterlijk in het oude testament, dan nog zullen wij door de Heilige Geest leren verstaan hoe wij ‘de Naam’ zullen heili­gen.

Johannes schrijft in zijn eerste brief 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05): “En dit is de verkondiging, (dat is een proclamatie) die wij van Hem gehoord heb­ben en u verkondigen: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”.

God schiep een beeld van zichzelf

God denkt groot en goed over de mens die Hij maakte naar zijn beeld en zou wor­den naar zijn gelijkenis, zo­als Jezus Christus de eerste was  Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a). Als er staat: “En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem” Genesis 1 vers 27 (Gen. 01:27) kunnen wij dus ook zeggen: “In het begin schiep God een beeld van zichzelf”. Zie ook Kolossen­zen 1 vers 15 (Kol. 01:15).

De mens is dus niet de wer­kelijkheid, maar God is de werkelijkheid. De mens is beelddrager! God bedoelde: in de mens zul je Mij zien. Dat beeld is aangetast, ver­minkt en verziekt door de duivel, maar het was in het begin zeer goed, Genesis 1 vers 31 (Gen. 01:31).

God schiep niet een verkeerd beeld van zichzelf!

Laten we dit goed beseffen. Wij moeten niet langer denken en uit­spreken : ‘wij zijn maar men­sen’. Nu is het de leugen van de duivel, dat hij de mens laat zeggen: ‘in die verziekte en beschadigde mens zie je God?’ Dit is een ontheiliging van Gods naam. Ook zien wij God niet in de bomen of de dieren of de bloemen. Jezus Christus heeft ons de Vader doen kennen. Hij alleen kan zeggen: Als je God wilt zien, kijk dan naar Mij! Alleen Hij kan zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader ge­zien” Johannes 14 vers 9 (Joh. 14:09). En in Johannes 10 vers 30 (Joh. 10:30) zegt Je­zus: “Ik en de Vader zijn één”. Dus niet: “Ik ben de Vader”, maar de mens Jezus zegt: Ik en de Vader zijn één.

Nog te vaak wordt Jezus vereenzelvigd met God. Je­zus was God zegt men dan, terwijl de Bijbel leert dat Jezus mens was zoals ieder van ons mens is. Jezus is in alles aan ons gelijk ge­worden Hebreeën 2 vers 14 (Heb. 02:14), maar zonder te zondigen! De apostelen benadrukken dit ook altijd. Handelingen 10 vers 38 spreekt van ‘Jezus van Nazareth’. En Handelin­gen 5 vers 42 (Hand. 05:42) zegt: “. . . en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tem­pel en aan huis, en verkon­digden het evangelie dat de Christus ‘Jezus’ is”. Ook Paulus legt hier de nadruk op als hij aan Timotheüs schrijft dat God wil dat al­le mensen behouden worden en tot erkentenis der waar­heid komen. Hij zegt: “Want er is één God en ook één middelaar tussen God en mensen’? ‘de mens Christus Jezus’, ’We zich gegeven heeft tot een losprijs voor allen” 1 Timoteüs 2 vers 6 (1 Tim. 02:06).

Hoe werd Jezus de eerste volmaakte mens?

Deze Jezus van Nazareth was de eerste volmaakte mens zoals God bedoelde in Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26). Hoe be­reikte Jezus dat? In de eerste plaats werd Jezus niet door een natuurlijke vader verwekt – niet gebo­ren uit vlees en bloed, Johannes 1 vers 13 (Joh. 01:13) – maar God zelf ver­wekte Hem bij Maria door Zijn woord tot leven te wek­ken door de kracht van de Heilige Geest.

Ten tweede: Jezus opende zichzelf voor de onderwij­zing van de Vader. “De Here Here heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hoor, zoals leerlingen doen. De Here Here heeft mij het oor geopend en ik ben niet weerspannig geweest, ik ben niet teruggedeinsd” Jesaja 50 vers 4 en 5 (Jes. 50:04-05).

Zo heeft Jezus het in ge­hoorzaamheid geleerd. En als Hij op dertigjarige leef­tijd naar Johannes de Doper gaat en alle gerechtigheid Gods vervult Matteüs 3 vers 15 (Matt. 03:15) door zich te laten dopen en Hij daarna in gebed aan­spraak maakt op de Heilige Geest, opent de hemel zich en ontvangt Hij de Heilige Geest. En de Vader getuigt: “Gij zijt Mijn Zoon, de ge­liefde, in U heb Ik mijn welbehagen” Lucas 3 vers 21 en 22 (Luc. 03:21-22).

Hier zien wij een mens Gods, die in volkomen harmonie is met zichzelf – één naar geest, ziel en lichaam – één met God en één met de me­demens, zover dat van Hem afhing. Het volmaakte beeld en gelijkenis is dus een gees­telijk mens met een geest, ziel en lichaam, wat samen zijn mens-zijn vormt en een volkomen harmonieuze een­heid is.

Jezus kende de Vader. Niet zomaar oppervlakkig, maar Hij kende de Vader in zijn diepste wezen. Hij was er zo volkomen één mee geworden, dat Hij zelf heel simpel zegt: “Ik en de Vader zijn één. Het getuigenis dat de Vader van mij geeft, is waar!” Johannes 5 vers 32 (Joh. 05:32).

Hij is het begin van de nieu­we schepping. Als Jezus he­lemaal aan het einde van zijn bediening gekomen is, geeft Hij zijn twaalf – en na het avondmaal – zijn elf getrou­we discipelen nog een stuk onderwijs, wat niet meer be­stemd is voor de schare, voor de massa, maar alleen voor hen, die Hem tot het einde toe zullen volgen. Dit lezen wij in het evangelie van Johannes, de hoofd­stukken 14, 15 en 16. Hoofstuk 17 wordt dan, zeer terecht, het hogepriesterlij­ke gebed genoemd. Ook hierin vervult Jezus weer de schriften door zijn discipe­len, de eerstelingen van de nieuwe schepping, aan de Vader in de hemel op te dragen Deuteronomium 26 vers 10 (Deut. 26:10). Een geweldig gebed, waarvan het leidmotief is: ‘de één­heid’. Niet zomaar een één zijn met elkaar, het samen wel eens zijn, maar die hele bijzondere diepe éénheid, zoals die er is tussen Vader en Zoon door de Heilige Geest.

Wij horen er volledig bij!

In de verzen 20 tot 26 ver­kondigt Jezus al biddende dat wij niet buiten die drie- eenheid staan, maar juist met Hem die drie-eenheid vormen. Jezus bidt niet alleen voor de elven, maar over hun hoofden heen ook voor ons. Wij zijn immers ook eerstelingen van de nieuwe schepping én nadat wij tot geloof gekomen zijn, evenals Jezus, verwekt en wedergeboren uit onvergan­kelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God 1 Petrus 1 vers 23 en Jakobus 1 vers 18 (1 Petr. 01:23 en Jak. 01:18).

Gereinigd door het bloed van het Lam zijn wij door God, onze Vader, vol­maakt rechtvaardig ver­klaard Romeinen 8 vers 31 tot en met 34 (Rom. 08:31-34). Net zo rechtvaardig als Jezus Christus. In de waterdoop hebben wij hiervan getuigd en is onze oude mens begra­ven om nu in nieuwheid des levens te leven. Met Chris­tus gekruisigd en opge­staan! Dood geweest maar nu levend, evenals Jezus Christus, Romeinen 6 vers 1 tot en met 14 (Rom. 06:01-14).

Hierna hebben wij gebeden of zijn ons de handen opge­legd voor de doop in de Heilige Geest en de hemel heeft zich ook voor ons ge­opend en wij ontvingen de Heilige Geest evenals Jezus Christus. En in ons hart klinkt het getuigenis van de Vader door de Heilige Geest: Gij zijt Mijn Zoon en wij roepen door de Geest van het Zoonschap: “Abba, Va­der” Romeinen 8 vers 15 (Rom. 08:15).

En het is deze Heilige Geest, de leraar der ge­rechtigheid, de Geest der waarheid, die ons in alles onderwijst Johannes 16 vers 12 tot en met 15 (Joh. 16:12-15) evenals Jezus door de Vader onderwezen werd Jesaja 50 vers 4 en 5 (Jes. 50:04-05). Dit is onze vaste grond om in die éénheid te kunnen geloven, zoals Jezus dat al biddende uitspreekt: ” …opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons (één) zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” Johannes 17 vers 21 (Joh. 17:21).

Jezus spreekt hier over die hele specifieke éénheid die er is tussen Hem en de Va­der en Hij stelt ons daar niet buiten, maar Hij neemt ons juist volledig daarin op. “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn” Johannes 17 vers 22 (Joh. 17:22). Hier spreekt Je­zus uit, dat die eenheid tot stand komt door de heer­lijkheid, die Hij ook ontvan­gen had en ons gegeven heeft, dat is de Heilige Geest en het kennen van de Vader (vers 3, 6, 8, 25 en 26).

Jezus bidt verder en Hij zegt in vers 23: “Ik in hen en Gij in Mij, dat zij vol­maakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”. Nog dieper probeert Jezus uit te drukken hoe overweldigend groot die eenheid is, door het woord ‘volmaakt’ in te voegen. Dat wil zeggen ge­heel volledig, er ontbreekt niets aan, zonder enige te­kortkoming. Als Jezus dit woord gebruikt, dan is voor Hem de volmaaktheid van God zijn maatstaf, Vandaar dat Jezus hier ook de een­heid in de liefde, de vol­maakte goddelijke liefde, ‘de agapè’ daar in betrekt: “dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”.

Opgenomen in de drie-eenheid

Als wij dan nog wel eens met het woord ‘drie-eenheid’ ge­confronteerd worden, dan mogen wij bedenken, dat wij daar helemaal in op genomen zijn. Niet een mysterieus theologisch gegeven, heel ver weg, ondoorgrondelijk, maar wonderbaar dichtbij en heel reëel. In de Zoon zijn wij. Het oude volk Israël noemde God al ‘Mijn Zoon’. God geeft aan Mozes de op­dracht, zeg tot Farao: “Zo zegt de Here: Israël is mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat Mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene”, zie ook Hosea 11 vers 1 en Romeinen 9 vers 4 (Hosea 11:01; Rom. 09:04). God noemt het volk als geheel ‘Mijn zoon’.

Zo zijn wij als nieuwtestamentisch volk Gods, het geestelijk Israël, ook Gods Zoon. ‘De Zoon’, zomaar automatisch? Nee! Dit is voor allen die besneden zijn door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de be­snijdenis van Christus Kolossenzen 2 vers 11 (Kol. 02:11). Dit is voor allen die gedoopt zijn in de Heilige Geest en daardoor ‘in Hem’ zijn. Paulus zegt: “Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die be­hoort Hem niet toe” Romeinen 8 vers 9 (Rom. 08:09). Jezus Christus is het hoofd en wij zijn het lichaam. Dat is onafscheidelijk met elkaar verbonden. Waar het hoofd is, daar is ook het lichaam. Wij zijn daarom ook burgers van een rijk dat in de hemelen is Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20).

Jezus geeft zelf nog een heel duidelijke definitie, om alle misverstand te voorko­men , wie Hij bedoelt met die éénheid. Hij zegt in vers 24: “Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om Mijn heerlijkheid te aanschouwen”.

Wij zullen dus moeten zijn, waar Hij is. Door Hem te zien met eer en heerlijkheid ge­kroond , en niet een heerlijk­heid op aarde te zoeken. Door ons aan de waarheid te houden, zullen wij steeds meer groeien in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus Efeze 4 vers 15 (Ef. 04:15). Die volmaakte eenheid van de Vader en de Zoon zal tot stand komen door de Heilige Geest. Wij hebben deel aan die éénheid: Vader – Zoon (Hij het hoofd – wij het lichaam) en de Heilige Geest. Wij staan er nipt buiten, maar ‘in Hem zijnde’ staan wij er middenin!

 

De inhoud van onze roeping door Jan W. Companjen

“Wetende (u weet het!) dat gij niet met vergankelijke dingen, zilver of goud, zijt vrijgekocht van uw ijdele wandel, die u van de vade­ren overgeleverd is, maar met het kostbare bloed van Christus, als van een onbe­rispelijk en vlekkeloos lam” 1 Petrus 1 vers 18 en 19 (1 Petr. 01:18-19).

Waartoe zijn wij uitverkoren?

Wij willen in dit artikel nog­maals aandacht besteden aan onze roeping als christenen die gekocht zijn met het kostbare bloed van Christus. 1 Petrus 2 vers 9 en 10 (1 Petr. 02:09-10) zegt dat wij met die roeping een uitverkoren volk zijn. Wij zijn uitverkoren om de heilsdaden Gods te verkon­digen. Daarvoor zijn wij ge­kocht en betaald en uit de duisternis getrokken tot zijn wonderbaar licht.

Uit getogen uit de slavernij van satan, wandelen wij nu, kunnen wij nu, wandelen in het licht van Jezus. In Efeziërs 1 vers 4 (Ef. 01:04) staat dat ook zo duidelijk: In Hem zijn wij uitverkoren tot deze roeping.

Het is daarom dan ook zo noodzakelijk dat wij in Hem zijn. In Hem zijn wij gezamenlijk (!) een uitverkoren geslacht en een nieuwe na­tie Gods. Het geestelijke Israël, dat uiteraard alleen dan maar kan functioneren indien dat volk geestelijk met Hem als Hoofd verbon­den is. Jezus zei daarvan in Johannes 14 vers 16 en 17 (Joh. 14:16-17): “Ik zal u een trooster geven die tot in eeuwigheid bij u zal zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen want zij ziet Hem niet en kent Hem niet”. Maar wij, die

Hem kennen en van Hem zijn, weten dat Hij in ons woont en bij ons blijft.

Een mens, man of vrouw, jood of heiden, jong of oud, blank of bruin, arm of rijk, die zo in het Rijk van Christus wordt ingelijfd, is een geheel veranderde nieu­we mens, met een nieuwe geest en een nieuwe roe­ping. Door bekering, weder­geboorte, doop in water en in de Heilige Geest, zijn we lid geworden van de Ge­meente, de geestelijke Tem­pel van God. Wij zijn van hoge komaf, van bovenaf geboren behoren wij tot het heilige Volk Gods.

Wij zijn de geestelijke tempel van God

In dit verband is het toch wel zeer opmerkelijk dat juist Petrus, die zich aan­vankelijk zeer tot de joden aangetrokken voelde, nu ten aanzien van het geeste­lijke Israël, dat wij zijn, wijst op de overeenstemming tussen Exodus 19 vers 6 en 1 Petrus 2 vers 9 (Ex. 19:06; 1 Petr. 02:09). Wij zijn het zaad van Abraham, de vader der gelovigen, en wij behoren tot die éne grote geestelijke familie van koningen en priesters. Pries­ters, niet geroepen om in een tempel offers te bren­gen , maar die vrij en onbe­smet voor Gods aangezicht mogen komen om Hem te dienen. Zo hebben wij dan, die in Christus zijn, de werkelijke hemelse roeping om een geestelijke Tempel Gods te zijn. Niet op papier, maar midden in het dage­lijkse leven, niet afgezon­derd, maar overal getui­gend dat Jezus de grote Bevrijder en Genezer is van alles wat ons momenteel aanhangt of omringt. Wij zijn bevrijd van de dwang tot zondigen maar ook (let op’) van de dwang tot vergelding.

Onderzoek uzelf of dit leven van onvervalste liefde ten opzichte van uw medemens in u functioneert. Krijgt Christus ook in dit opzicht reeds gestalte in u? Er zijn er nog zoveel die hunkeren naar macht, kracht en ge­weld, zoals wij dat zien in het oude testament. Deze gelovigen kunnen maar moeilijk van het oude, oog om oog, tand om tand, af­stappen. Zij zeggen en ge­loven dat zij die niet horen willen maar moeten voelen.

In 1 Petrus 3 vers 8 en 9 (1 Petr. 03:08-09) staat echter dat wij vrien­delijk en bescheiden moeten zijn. Geen kwaad met kwaad moeten vergelden en geen verwensing voor verwen­sing. Wens uw medemens het goede toe, dan zullen wij zelf het goede ontvangen. En dan vers 17 waar staat dat het beter is te lijden voor het goede dat men doet, dan bestraft te worden voor bedreven kwaad. Bij het goed doen zijn wij in de wil van Chris­tus, handelen en wandelen wij in de Geest van Chris­tus. Die handel en wandel wordt verwacht van ons als wij als zonen God ge­openbaard worden.

Dan is er een goede harmo­nie tussen Hem en ons, om­dat ook Christus in deze ons is voorgegaan. Hij, de onschuldige, leed en stierf voor de schuldige om ons bij God te brengen. Zo gaf Hij zich als mens van vlees en bloed in de dood. Maar, Hij werd tot leven gewekt in de kracht van de Geest Gods. Hij ging onder en stond op in nieuwheid. Wat geweldig dat een bewuste doop voer ons een zelfde teken is. Opgestaan tot dat nieuwe leven in de Geest met Christus, mag en zal er geen concurrentie meer zijn in het lichaam van Christus.

Het zuivere goud gaat tevoorschijn komen

Sta daarom, dierbare vrien­den en vriendinnen, niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat. Wat u overkomt is niets uitzonderlijks; het zuivere goud, de volmaakte gemeente moet openbaar worden. Wat niet thuis hoort in de ware Tem­pel Gods, zal worden gezui­verd en verbrand. Het kostbare leven Gods, zoals Christus dat geopenbaard heeft, zal tevoorschijn ko­men. De zonen Gods worden door barensweeën heen ge­boren.

Langs die weg worden wij rijp gemaakt, de oogsttijd nadert, om de wereld wer­kelijk te dienen. Dan zullen wij als de wolkkolom Gods voor het volk uittrekken en hun de weg Gods gaan openbaren. Zolang dit nog niet zo is, zijn wij in opleiding, en zullen wij in conflict leven met degenen die in de wereld leven. In­dien wij uit de wereld wa­ren, zouden denken als on­geestelijke mensen, dan zouden wij niet gehaat en afgewezen worden. Dan zou de wereld ons liefhebben, zoals de wereld het hare lief heeft. Waarom, zult u zich afvragen, werd Jezus en worden de zijnen afge­wezen? Was Jezus en zijn wij wereldvreemd of wereld- vijandig? Juist uit liefde voor de wereld gaf God zijn eerstgeboren Zoon en offer­de Jezus zich op aan hen die zich als zijn vijanden gedroegen. Jezus en de Va­der stemden aldus samen en maakten de weg open naar een nieuw leven, het Leven dat er is in Christus als Hij met Zijn Geest in ons woont.

Dat nieuwe leven, met een nieuwe, scheppende en her­stellende geest in je, kan de mens aannemen of af­wijzen. De wereld (gods­dienstig en niet- godsdiens­tig) wil dit grote geschenk, Jezus en God de Vader in ons, niet aannemen. Deze wereld reageert op dit aan­bod, afwijzend, zij heeft er geen behoefte aan, zakelijk of vijandig. Zij willen zich­zelf blijven en hun leven niet verliezen in een leven waar de Geest waait zoals Hij wil en je dus van je eigen zekerheid af bent. De toekomst zal ons echter le­ren dat zij Christus en zijn Lichaam, de Gemeente, zon­der reden gehaat hebben. Nog eenmaal zullen zij zien, duidelijk en klaar, wie zij doorstoken hebben. En dit zal geschieden opdat zij geen uitvlucht meer hebben voor hun zonden.

Het leven der mensen zal tot Zijn doel komen. Zij zijn de kroon der schepping en Zijn schepping blijft Zijn schepping en zie het was en het wordt goed, ja zeer goed. Daarom, om die reden verwachten wij het openbaar worden van de zonen Gods. Dan zal de wereld zien dat Hij een bramhartig God is. Een God die wil dat de mens behouden wordt en uitgroeit tot het niveau waartoe hij geschapen is.

Welk antwoord geeft u?

Het antwoord is aan u. Als u Hem leert kennen, Hij die de kern van ons leven is, zult u ervaren dat de Vader en Jezus en wij, één zijn. Eén van Geest voor de toe­komst van deze wereld. En dat zal uiteindelijk resulte­ren dat jood en heiden gaan geloven dat Christus en zijn Gemeente door de Vader gezonden is.

Om tot dit doel te komen hebben wij de vrucht en de gaven van de Heilige Geest nodig. Het spreekt vanzelf dat wij de geschenken niet tegen, maar ten bate van de ander moeten gebruiken. In­dien wij dit niet doen, ver­vullen wij onze priesterlijke taak niet goed en missen wij het doel van ons leven. De hele schepping moet onder één hoofd worden geplaatst Efeze 1 vers 10 (Ef. 01:10). Vanuit dit God­delijke plan, dat zich reeds aan het verwezenlijken is in de Gemeente, moeten wij le­ven en uit zien naar onze toekomst. Zijn toekomst is onze toekomst. Ga dit ont­dekken en wees blij, hoe groot en goed onze God is.

 

Gedachten over Melchizédek door P. J. Hagendoorn

Over de persoon van Melchizédek is al veel gedacht en geschreven. In de Algemene Bijbels Encyclopedie lezen we o. a. dat zijn naam bete­kent ‘koning der gerechtig­heid’. Genesis 14 vers 18 vermeldt dat hij priesterkoning van Salem was. Toen Abraham terugkeerde van zijn slag tegen Kedorlaomar bracht hij tienden van zijn buit aan Melchizédek, die hem zegende en hem brood en wijn deed nuttigen Genesis 14 vers 17 tot en met 20 (Gen. 14:17-20). Melchizédek werd het type van de ideale priester-koning; Christus werd later hogepriester ‘naar de ordening van Melchizédek’ genoemd Hebreeën 5, 6 en 10; zie ook Psalm 110 vers 4). In het nu volgende artikel krijgen we enkele gedachten aangereikt, die zeker het overdenken waard zijn.

– red.

Het verbad tussen Genesis 14 en 15

In Genesis komen maar drie verzen over Melchizédek voor. Het zijn teksten die in feite niet direct in het verhaal passen. Toch is het belangrijk wat de Bijbel ons hierover (en daardoor) wil zeggen.

Om Genesis 14 goed te be­grijpen is het van belang het verband te zien met Genesis 15, waar God een verbond aangaat met Abra­ham. In Genesis 14 kunnen we zien wat voor man Abra­ham in feite was. Hij wees daar al aardse schatten af en getuigde – sprak zijn vertrouwen uit – dat God hem in alles zou zegenen. Aangezien God Geest is, zal God ons ook geestelijke dingen willen schenken.

Maar voordat wij deel kun­nen hebben aan deze geeste­lijke gaven, gaat er nog heel wat aan vooraf. Door het bloed van Jezus Chris­tus – onze Hogepriester – zijn wij gerechtvaardigd, en als teken daarvan kennen wij het avondmaal. Het is juist de vermelding van het brood en de wijn, die ons het verband tussen Genesis 14 en Genesis 15 laat zien.

Het is dat verbond dat ons duidelijk maakt dat er verge­ving van zonden nodig is om tot God te naderen. Ook Abraham had een losser no­dig, in de vorm van iemand die hem zou rechtvaardigen. Jezus was er nog niet, dus moest iemand anders deze taak op zich nemen. En die iemand was de koning van Salem en een priester van God.

Een koning is iemand die aan het hoofd staat van een volk, als leider, als rechter en als dienaar. Een priester is iemand die zich ten dienste heeft gesteld van God. Met andere woorden Melchizédek was iemand die als koning zijn volk diende en als priester God.

Volgens 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09) is ons einddoel hetzelfde: “Gij echter zijt een uitverko­ren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom”. Hier zien we iets van Gods plan voor de dag komen. Via Melchizédek en Jezus (als enkeling) gaat het heil over naar een volk om tenslotte door dat volk – als de zonen Gods – dit heil door te geven aan de gehele wereld. En hoe zullen zij – deze zonen Gods – dit doen? Als koningen tot in alle eeuwig­heden Openbaring 22 vers 1 tot en met 6 (Openb. 22:01-06). Hier zien wij dat Genesis en Openbaring volkomen bij elkaar aansluiten.

Melchizédek – Wie was hij?

Nu Melchizédek zelf. In He­breeën 7 vers 2 (Heb. 07:02) lezen wij: “. . . aan wie ook Abraham een tiende van alles gege­ven heeft, is vooreerst, volgens de uitlegging van zijn naam – koning der ge­rechtigheid – vervolgens ook – koning van Salem -, dat is koning deze vredes. Zonder vader, zonder moe­der, zonder geslachtsre­gister, zonder begin van dagen of einde des levens, en aan de zoon van God gelijkgesteld, blijft hij priester voor altoos”.

Als men deze tekst goed tot zich laat doordringen, kan men eigenlijk deze Melchizédek nergens onder­brengen. Het was zeer zeker geen mens (geen vader, geen moeder, geen geslachtsregister). Een gees­telijk wezen? Ook moeilijk. Zelfs Jezus getuigde van zijn vader en wij kunnen zelfs twee geslachtsregisters van Jezus vinden. De Bijbel zegt dat God de Schepper van alles is, dus ook van Melchizédek. Maar Melchizédek was zonder begin van dagen of einde des levens. Met andere woorden Melchizédek is iemand die er al­tijd is geweest, en is en zijn zal. Het was niet iemand als God zelf, want Melchizédek was priester van God. Hij was ook niet Jezus, want hij is gelijkge­steld aan de Zoon. Melchizédek kan derhalve alleen maar iets uitbeelden wat on­losmakelijk met God en met de schepping verbonden is. En dat is de rechtvaardige mens die aan Gods verwach­tingen voldoet. Deze recht­vaardige behoeft daarom nog niet volmaakt te zijn.

Hij moet voldoen aan de ver­wachtingen van God, geba­seerd op de talenten die hij heeft. Hebreeën 5 vers 1 tot 5 (Heb. 05:01-05) geeft ook aan dat een mens hogepriester kan zijn ondanks zijn zwakheid, maar deze mens dient wel gehoorzaam te zijn aan Gods woord. God zoekt immers aanbidders in Geest en Waarheid.

Terug naar de naamuitlegging. Melchizédek was koning der gerechtigheid. Wat is gerechtigheid? De Bijbel staat vol van dit soort be­grippen , zoals rechtvaardig en gerechtvaardigd. Al deze woorden hebben in het Hebreeuws dezelfde woordstam namelijk TSDQ, hetgeen ook vertaald kan worden met ‘beantwoorden aan’, oftewel ‘voldoen aan de verwachtin­gen’.

Melchizédek was dus iemand die koning was over een volk van mensen die aan de verwachtingen van God vol­deden. Vandaar ook dat Je­zus een priester was naar de ordening (dus volgens de wijze van) Melchizédek Hebreeen 5 vers 6 (Heb. 05:06). David was ook zo iemand Psalm 110 vers 6 (Ps. 110:006), ondanks al zijn tekortkomin­gen. Ook Abraham was zo iemand die in het Salem van Melchizédek thuis hoorde. Als Melchizédek hem dan brood en wijn aanbiedt, en dus een verbond met hem aangaat, dan behoort Abra­ham tot het volk der recht­vaardigen en wordt waardig bevonden om voor God te verschijnen.

Als tweede vermelding staat er dat Melchizédek koning van Salem was. Als de Bij­bel een toelichting geeft, is het meestal veel meer dan alleen maar een kennis­geving. Zo ook hier.

Nu is Salem, volgens prak­tisch alle bijbeluitleggers, dezelfde stad die heden ten dage door ons Jeruzalem wordt genoemd. Toch is dit maar een halve waarheid. Het is wel Jeruzalem, maar niet het aardse maar het he­melse Jeruzalem, zoals we verder zullen trachten aan te tonen.

Salem is beeld van het hemelse Jeruzalem

De Bijbel geeft zelf al aan: koning van Salem, dat is ko­ning des vredes. Deze vrede vinden we nog steeds terug in het al oude joodse woord ‘Shalom’. Zowel Salem als Shalom hebben dezelfde woordstam. Wie het huidige Jeruzalem bezoekt zal een bruisende, levende stad vinden. De vele toeristen doen de rust en de vrede wel teniet, maar desalniette­min is het interessant om te zien wat zich afspeelt. Als men dat op zich laat inwer­ken zal men over een zeer groot voorstellingsvermogen moeten beschikken om in de­ze wereldstad, met al de problematiek van dien, een plaats van hemelse rust en vrede te moeten zien.

Neen, het Salem van Melchizédek is de voorloper van ‘jeroesj-sjalem’, het hemelse Jeruzalem. Psalm 122 vers 4 (Ps. 122:004) heeft het ook over Jeruzalem als plaats der vrede. En als de Bijbel over vrede spreekt, wordt er geen aardse vrede mee bedoeld, dus het niet hebben van oorlog, maar de innerlijke vrede.

De Bijbelse vrede is drie­voudig. Vrede tussen God en de mens; vrede van de mens met zichzelf en als derde vrede met de mede­mens. Bij God is vrede ge­lijk aan rust, aan harmonie, aan evenwicht. Bij God gaat het om een mens die zichzelf durft te zijn, niet ge­spleten en oprecht in woord en daad.

Ook het woord ‘shalom’ geeft veel meer aan, dan door een enkele vertaling uit te druk­ken is. Shalom duidt ook op volledigheid, op complete­ring en in zekere zin op­nieuw ‘een voldoen aan’. Dit soort mensen woonde in Sa­lem.

En wat blijkt nu? Salem wordt Jeroesjalem. En in het Hebreeuws betekent ‘jeroesj’ ondermeer ‘erfenis’. Wat is een erfenis? Een na­latenschap. Dus Jeroesjalem is onze belofte, onze nala­tenschap , de stad waar ook wij in mogen wonen. Abraham heeft dit ingezien en de Hebreërschrijver ook, als hij schrijft: “Want hij (Abraham) verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper , en bouwmeester is” Hebreeën 11 vers 10 (Heb. 11:10).

Wij mogen delen in de erfenis

Er wordt nog iets anders duidelijk. Als God in Gene­sis 15 het verbond met Abraham aangaat, krijgt Abraham de persoonlijke belofte: “. . . maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan” Genesis 15 vers 15 (Gen. 15:15). (Volgens de transcriptievertaling: voorgeslacht); “Gij zult in hoge ouderdom begraven worden”.

Als men het natuurlijk wenst te verstaan is het iets fijns om te weten dat men rustig sterven zal, maar er blijkt geen enkele vertroosting uit of verwijzing naar een ander leven in de hemel. Abraham krijgt ook geen aardse belof­te dat hij bijvoorbeeld rijk zal worden of iets dergelijks. Neen, niets van dat alles, alleen maar dat hij in vrede zal sterven. Het is natuur­lijk mooi meegenomen, maar – menselijkerwijs gesproken – toch niet iets wat je van God verwachten mag, als Deze een verbond met je gaat sluiten.

Als we bereid zijn boven­staande gedachten gang over te nemen, wordt het perspectief wat deze belofte bood, wel geheel anders. Dan kreeg Abraham de toe­zegging dat hij inwoner zou worden van het hemelse Je­ruzalem, om als burger van die stad eveneens het ko­ninklijk priesterschap te ontvangen.

En wat meer is, de Bijbel leert ons dat ook wij ons mogen rekenen tot het zaad van Abraham, en om een variant te gebruiken, als wij van het zaad/nageslacht van Abraham zijn, mogen wij ook delen in zijn erfenis en hebben wij eveneens de mogelijkheid om inwoner van Salem te worden.

 

Volle evangelie vakantie reizen

Zuster Lous Bruyntjes te Amersfoort schrijft ons:

Er worden al jarenlang groepsreizen georganiseerd voor echtparen, alleenstaanden, ouderen en jongeren. Dit, om­dat wij ervaren heb en dat deze vorm van vakantie houden aan de verlangens van velen voldoet.

Zo is er ook in 1984 weer een mogelijkheid om met zo’n reis mee te gaan, n. l. van 20 juni tot 4 juli. Wel wat vroeg zult u zeggen, maar dan is het nog heerlijk rustig én bovendien voordeliger ook!

Deze 2-weekse vakantie is ‘vol pension’ (inclusief de reis v. v. ) vanaf ƒ 655,- ƒ 690,- en ƒ 725,- per persoon, naar gelang welke kamer u kiest. De reis is per trein gepland.

Het reisdoel is het “Christliches Erholungsheim” Westerwald te REHE, Ober Westerwald. Dit ligt ongeveer 60 km ten oosten van Koblenz in Duitsland. Dit, omdat dit huis, de sfeer, het prachtige natuurgebied, het eten, een eigen zaal met piano, minigolf en niet te vergeten het heerlijk verwarmde zwembad zéér goed bekend staan.

In overleg met de redacteur van “Levend Geloof” willen wij graag bekendheid geven aan deze vorm van vakantie houden, zodat diegene die dit altijd al zo graag gewild heeft, nu daarvoor de gelegenheid krijgt.

Voor aanmelding gelden wel enkele voorwaarden:

U staat positief ten opzichte van de boodschap van het Koninkrijk der hemelen.

Roken in het huis, op de kamers en in de groep kan niet worden toegestaan. Daarbuiten bent u uiteraard vrij hierin te doen wat u wilt.

De opgaven moeten wel vóór 1 februari 1984 binnen zijn want het aantal deelnemers is beperkt, dus u moet er vlug bij zijn. De aanmeldingen worden op volgorde van binnen­komst ingeschreven.        

Deze vakantiereis is weer onder leiding van de zusters Lous Bruyntjes uit Amersfoort en Zsuzsika Roose uit Groningen.

Voor verdere informatie kunt u zich wenden tot:

Zr. Zs. Roose-Santa, Groningen.

Wij ontvingen ook een brief over ‘volle evangelie vakan­tie reizen’ van broeder Ton Backers uit Waddinxveen.

Ook aan deze reizen willen we gaarne bekendheid geven: Het betreft de volgende data:

+ Van 2 tot 11 maart 1984, naar Maria-Alm in Oostenrijk, voor wandelaars, langlaufers en skiërs. Reis met eigen bus, die ter plaatse blijft voor uitstapjes.

Hotel met half pension.

Inlichtingen: Mary Polderman.

+ Van 30 juni tot en met 13 juli 1984 naar Lech in Oosten­rijk (u weet wel, die plaats waar de koninklijke familie wintersport bedrijft).

+ Van 14 juli tot en met 27 juli naar hotel ‘Rehblick’ in Nordenau, Sauerland, Duitsland.

+ Van 28 juli tot en met 10 augustus weer naar Lech, Oostenrijk, hotel ‘Roggal’.

Drie veertiendaagse reizen met eigen autobus, die ook be­schikbaar blijft voor uitstapjes.

De reizen naar Oostenrijk zijn met een overnachting in Duitsland tijdens de heen- en terugreis. Hotels half pension.

Inlichtingen: C. Hogewind.

Attentie

Bij de PTT zijn twee antwoordkaarten met adressen van nieuwe abonnees zoekgeraakt. Ook ontvin­gen wij een bestelling van 10 exemplaren van de brochure over Ruth, zonder adres (poststempel Den Haag). Indien de betreffende personen dit lezen graag opnieuw opgave.

 

U kunt ons helpen

U kunt ons helpen bij de uitvoering van onze taak: de compromisloze verkondiging van het volle evangelie. . . .

-door voor onze arbeid te bidden! Jacobus zegt: “Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”.

-door het nemen van een extra abonnement, zodat u één nummer hebt om ‘mee te werken’ en even­tueel één nummer zelf kunt bewaren.

-door – zo mogelijk regelmatig – een extra bijdrage voor onze geloofsarbeid over te maken. Paulus zegt: “Cod heeft de blijmoedige gever lief”.

-door het winnen van nieuwe abonnees. In een per­soonlijk gesprek met anderen spreken over ons blad is de beste methode om nieuwe lezers te winnen.

-door de afname van brochures, om zelf te lezen en te bestuderen of om te geven of te verkopen aan anderen.

-door het opgeven van geschenkabonnementen. Velen hebben reeds ontdekt dat het geven van een geschenkabonnement op effectieve wijze anderen in contact brengt met het volle evangelie.

-door te bedenken dat het niet gaat om “Levend Geloof” als zodanig. Wij zijn geen doel, maar mid­del, één van de vele, die de Heer gebruiken wil om Zijn Koninkrijk te openbaren. Het gaat erom dat we ons gezamenlijk bewust zijn dat we staan in dienst van de Meester!

1983.11 nr. 242

Levend geloof 1983.11 nr. 242

Het geheim van blijvend geluk. Door Gert Jan Doornink

Ieder mens heeft het verlangen in zich om geluk­kig te leven. Geluk is een kostbaar goed en het streven van de mens is er bewust en onbewust op gericht zoveel mogelijk ‘geluk’ te verwerven. De harde realiteit van het leven veroorzaakt echter dat maar weinig mensen een bestendig geluk bele­ven. Bovendien is dit altijd van voorbijgaande aard, omdat, zoals de apostel Jacobus het reeds formuleerde, wij een damp zijn, die voor korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt Jakobus 4 vers 14 (Jak. 04:14). Het is duidelijk dat Jacobus hier het tijdelijke leven in een vergankelijk Lichaam op het oog heeft, want Jacobus had ook het ‘andere leven’ leren kennen: het nieuwe leven in Christus. En juist dit nieuwe leven maakt de mens echt geluk­kig. Geen surrogaat-geluk, zoals de mens zonder geloof in Christus dat kent, maar het blijvende geluk.

Een lied zegt:

“Zoek je naar waar geluk, stra­lend geluk?

Laat Jezus dan toe in je hart!”

Velen hebben zo het echte geluk leren kenen door geloof in Jezus Christus, de Zoon van de levende God.

Toch hebben velen moeite dit werkelijke geluk vast te houden, ondanks het feit dat zij weten een kind van God te zijn. Het geheim van de ‘blijvende geluk beleving’ schuilt echter niet alleen in het aanvaarden van Jezus, maar ook in het volgen van Hem!

En wat houdt dat volgen in? In de eerste plaats dat wij geestelijk behoren te groeien, zodat we van baby’s in het geloof, stabiele, volwassen christenen worden: zonen Gods, die ons bewust zijn dat de volheid van Christus in ons is en dat door ons leven tot openbaring brengen.

Wie geen geestelijke groei kent, wie niet bereid is verkeerde leringen en gebondenheden af te leg­gen of zich daarvan te laten bevrijden, wie niet met Christus zijn plaats inneemt in de hemelse gewesten, om van daaruit te strijden en te over­winnen, zal al spoedig geen werkelijk geluksleven meer ervaren. Dan kan men het gaan zoeken in al­lerlei emotionele gelukservaringen, al of niet godsdienstig getint, maar die zijn van voorbij­gaande aard en men moet telkens op zoek naar nieuwe impulsen.

Het echte geluk komt van binnenuit, uit een hart dat dagelijks gevoed wordt door Gods Woord onder de leiding van de Heilige Geest. Als ons geeste­lijk huis ‘gereinigd en op orde’ is en vervuld is met Gods Geest dan is het Koninkrijk Gods IN ons en kan het door ons heen functioneren. Dat moeten we ons veel meer bewust zijn. Jezus zegt: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, (dus niet op een andere wijze), stromen van levend water zul­len uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 37 (Joh. 07:37). Het is onze taak ‘geluksverspreiders’ te zijn van het Koninkrijk Gods in deze eindtijd. Hoe meer wij één zijn geworden met Jezus en met de boodschap die Hij en de apostelen brachten, hoe meer wij ook het werkelijke geluk gaan uit­stralen, zodat wij een aanstekelijk voorbeeld zijn voor anderen om ook dit werkelijke geluk te leren kennen èn te beleven”!

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Nieuwe abonnementsprijs –

In ons vorig nummer schreven we dat de abonnementsprijs van ons blad bij lange na niet toereikend is om alle kosten te dekken. Het heeft ons doen besluiten om het abonnementsgeld met ƒ 5,— te verhogen tot ƒ 20,– Wij geloven dat onze lezers en lezeres­sen begrip zullen hebben voor het feit dat wij graag ook wat de financiën betreft op gezonde wijze willen functioneren. Overigens is deze abonnementsprijsverhoging op vrijwillige basis, dat wil zeggen niemand behoeft zich bezwaard te voelen minder te betalen, als hij door financië­le omstandigheden niet in staat is de volle abonnementsprijs te betalen. Men blijft dan toch het blad gewoon ontvangen. Ook is er de mogelijkheid om in plaats van ƒ 20,— per jaar, ƒ 10,– per half jaar te betalen. Uiteraard wordt ook de prijs van losse nummers aangepast. Voor 1984 gelden nu de volgende prijzen: Abonnementen en geschenkabonnementen: Nederland: ƒ 20,— per jaar. België: ƒ 20,— per jaar (of 400 frs.). Overige landen: ƒ 30,– per jaar. Losse nummers: ƒ 2,—; Bij afname van 10 exem­plaren en meer ƒ 1,25 (excl. porto).

“De volledige mens” –

Wat is het verband en hoe is de verhouding tussen geest, ziel en lichaam in het plan van God met ons leven? Een duidelijk antwoord vindt u in het boekje “De volledige mens” van Nico Goverts. Dit boekje was enige tijd uitverkocht, maar is thans weer volop ver­krijgbaar. Dat geldt ook voor alle andere bro­chures, waarbij wij speciaal uw aandacht vragen voor het gedichtenbundeltje “Vreugdewijn” van Tea Keuper-Dijk. Over de verschijning van de brochures over Job, volgen nadere mededelingen in “Levend Geloof” van volgende maand.

 

Het evangelie van Paulus door Wim te Dorsthorst

Welk evangelie bracht Paulus?

Als Paulus had kunnen ver­moeden dat de uitspraak ‘mijn evangelie’ mede aanleiding zou zijn om te ver­onderstellen dat zijn evan­gelie anders zou zijn dan het evangelie van Jezus Christus, dan had hij dit waarschijnlijk wel achterwe­ge gelaten. Op drie plaat­sen gebruikt Paulus deze uitdrukking, namelijk in Romeinen 2 vers 16 en Romeinen 16 vers 25 en 2 Timoteüs 2 vers 8 (Rom. 02:16; Rom. 16:25 en in 2 Tim. 02:08.

Maar omdat Paulus zegt ’mijn evangelie’, en omdat hij in Efeze 3 vers 5 (Ef. 03:05) zegt: “ik verkondig het ge­heimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere ge­slachten niet bekend is ge­worden aan de kinderen der mensen”, kunnen wij toch niet veronderstellen of aannemen dat zijn evangelie afwijkend is van het evan­gelie van Jezus Christus of het eeuwige evangelie van God. Petrus zegt dat Pau­lus schrijft, naar de hem gegeven wijsheid, in zijn brieven en daarin is een en ander moeilijk te verstaan 2 Petrus 3 vers 15 en 16 (2 Petr. 03:15-16).

De sleutel voor het verstaan van het evangelie van Pau­lus is het inzicht dat er maar één evangelie is, dat er maar één heilsplan van God is, wat steeds verder geopenbaard gaat worden, en wat we verstaan door de Heilige Geest. En de kern, het middelpunt van het evangelie van God is: Jezus Christus. Dat is waar de wet en de profeten van ge­schreven hebben. Het hele oude testament is een heenwijzing naar Jezus Christus.

Daarom heeft God steeds weer vele malen en op veler­lei wijze gesproken in de profeten Hebreeën 1 vers 1 (Heb. 01:01).

Als Jezus zijn eerste volge­lingen roept dan zegt Hij: “Volg Mij”, en dan zegt Filippus tot Nathanaël: “Wij hebben Hem gevonden, van wie Mozes in de wet ge­schreven heeft en de profe­ten, Jezus, de zoon van Jo­zef, uit Nazareth”. Er is maar één evangelie en dat is wat het boek Openbaring noemt in hoofdstuk 14 vers 6 (Openb. 14:06) ’een eeuwig evangelie’. Dat wil zeggen: onverander­lijk en één in zichzelf, zoals ook God dat is.

Als Jezus zijn bediening be­gint dan zegt Hij: “De tijd is vervuld (de oudtestamentische tijd met zijn wetten, inzettingen en bepalingen) en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” Markus 1 vers 15 (Mark. 01:15). Dat is het evangelie van de genade voor alle mensen door het geloof. Dat is het evangelie van God!

Paulus was een geroepen apostel

Paulus schrijft in de aanhef van de brief aan de Romei­nen: “Paulus, een dienst­knecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afge­zonderd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige schriften”. Paulus stelt hier dus overduidelijk dat ‘zijn evangelie’ het evan­gelie van God is, waar het oude testament van spreekt. Daartoe is hij door Jezus Christus geroepen en afge­zonderd.

“De Vader heeft de Zoon lief en heeft Hem alles in handen gegeven” Johannes 3 vers 35 (Joh. 03:35). Het is daarom niet God, maar Jezus Christus die Pau­lus geroepen heeft. In Han­delingen 9 vers 5 (Hand. 09:05) staat: “Saul, Saul, waarom ver­volgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt gij, Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt”.

In vers 15 lezen we dan de specifieke roeping van Pau­lus. Jezus zegt tot Ananias: “Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heide­nen en koningen en de kin­deren Israëls”.

Evenals de andere aposte­len weet Paulus zich geroe­pen door de Heer zelf. Dit is op zo’n grootse en over­tuigende wijze geschied – zelfs nog met getuigen erbij Handelingen 9 vers 3 tot en met 19 (Hand. 09:03-19) – dat hij on­wrikbaar staat in zijn roe­ping. In de aanhef van zijn brieven noemt Paulus zich dan ook ’een dienstknecht’ of ’een geroepen apostel van Jezus Christus’. Aan Timótheüs schrijft hij in zijn eerste brief: “Het evangelie» der heerlijkheid van de za­lige God, dat mij is toever­trouwd”. Dat is dus een evangelie voor alle mensen. Voor joden en heide­nen. “In Jezus Christus is de genade van God ver­schenen voor alle mensen” Titus 2 vers 11 (Titus 02:11). Dat is Paulus toevertrouwd en dat ver­kondigt hij.

Paulus werd geroepen door Jezus Christus voor heide­nen en joden. Bij die roeping zijn nog twee punten van belang, die ik toch even wil noemen. In Hande­lingen 26 lezen we hoe Pau­lus. staande voor koning Agrippa (om mijn naam te brengen voor koningen… Handelingen 9 vers 15 (Hand. 09:15), weer spreekt over zijn roeping. In vers 17 staat wat de Heer Jezus on­der andere zei bij zijn roe­ping, namelijk: “u verkie­zende uit dit volk en de heidenen”.

Paulus is Jood en Romein

Paulus vertegenwoordigt eigenlijk twee volken. Hij is een jood: “Besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benja­min” Filippenzen 3 vers 5 (Filip. 03:05). Maar hij is ook een Romein en hij zegt: “Ik bezit dit Romeinse burgerrecht door geboorte” Handelingen 22 vers 28 (Hand. 22:28).

Sprak Paulus tot de Joden dan kon hij zich beroepen op zijn afkomst, maar dit gold dus evenzeer als hij sprak tot de heidenen. In vers 22 en 23 van Handelingen 26 lezen wij hoe Paulus door de Joden gehaat werd juist om het specifieke van zijn roeping.

Hij zegt tot koning Agrippa: “Hierom hebben de joden mij in de tempel gegrepen en getracht mij om te brengen. Als een getuige, die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te zeg­gen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou, name­lijk, dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen en aan het volk en aan de heidenen”. Dus weer: het evangelie van Paulus is het evangelie van Jezus Christus, is het eeuwige evange­lie van God voor joden en heidenen.

Paulus roept op ‘in Hem’ te zijn

Het tweede wat opvalt bij de roeping van Paulus, en wat van belang is voor een goed verstaan van zijn boodschap, is wat Jezus zelf gebiedt aan Paulus in Handelingen 13 vers 47 (Hand. 13:47): “Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde”. Paulus zegt: zo heeft de Here ons geboden’ En wat de Here dan gebiedt is een uitspraak uit Jesaja 42 vers 6 (Jes. 42:06), waar staat: “Ik, de Here, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën”.

Deze profetie in Jesaja 42 vers 1 tot en met 7 (Jes. 42:01-07) spreekt heel duidelijk van Jezus Chris­tus, als de knecht des He­ren. In Matteüs 12 vers 15 tot en met 21 (Matt. 12:15-21) staat dan ook duide­lijk, dat deze profetie in Hem vervuld werd. Hieruit blijkt een geweldig ding, namelijk dat de profetieën niet alleen vervuld werden in Jezus Christus als één­ling. De knecht des Heren is dus niet alleen Jezus Christus, maar ook het volk dat ’in Hem’ is! Aan ‘die knecht’ zijn de profetieën gedeeltelijk al vervuld en worden nog verder vervuld. Dat is het volk waarvan Paulus zegt in Galaten 6 vers 15 en 16 (Gal. 06:15-16): “Want besne­den zijn of niet besneden zijn, betekent niets, maar of men een nieuwe schep­ping is…” Dat is het Israël Gods.

Dat wil zeggen dat Jezus Christus nu Hij verhoogd is, werkt door mensen die Hij roept en die Hij toerust door de Heilige Geest. Mensen die ‘in Hem’ willen zijn en blij­ven. Dit klinkt dan ook door de hele boodschap van Pau­lus heen: In Hem zijn. Paulus begint de brief aan de Efeziërs met dit gegeven. Gezegend zijn met allerlei geestelijke zegen in de he­melse gewesten ’in Christus’ of ’in de geliefde’. Zes maal gebruikt Paulus dan nog in Efeziërs 1 ’in Hem’. Dat staat Paulus zo duidelijk voor ogen, dat wij ’in Hem’ zijnde de gemeente zijn, de Christus zijn, de knecht des Heren zijn, het Israël Gods zijn, naar het eeuwige voornemen van God, dat Hij in Efeziërs 3 vers 14 (Ef. 03:14) zegt: “Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader”. Dat is het grootse wat Paulus ziét in het evangelie Gods. De lief­de die uitgaat naar alle mensen Efeze 2 vers 4 tot en met 10 (Ef. 02:04-10). In de hoofdstukken 2 en 3 lezen wij waarom Paulus tot deze aanbidding komt.

Paulus komt tot een defini­ëring van zijn bediening. Door Jezus Christus geroepen als een licht voor het (joodse) volk en voor de natiën (allen buiten het joodse volk: de heidenen). En dat licht is niet Paulus’ maar het evangelie wat hij verkondigt. Een ander licht zal er nooit meer gaan schij­nen Efeze 3 vers 6 en 7 (Ef. 03:06-07). Op ge­noemde plaatsen waar Paulus zegt ‘mijn evangelie’ staat het ook in deze context.

Wat is het geheimenis van Christus?

Paulus spreekt in Efeziërs 3 vers 5 (Ef. 03:05) over ’het geheime­nis van Christus’ waar hij inzicht in heeft gekregen. Hoe heeft hij dat inzicht ge­kregen? In vers 3 zegt hij: “mij is door openbaring het geheimenis bekend gemaakt”. Wat houdt dat geheimenis in? Hij zegt in Efeziërs 2 vers 11 tot 13 (Ef. 02:11-13): “Heidenen, bedenk dat je vroeger onbesnedenen genoemd werd door de ‘zogenaamde besnij­denis’ (de joden dus). In die tijd was je niets, je was zonder Christus, uitgesloten van het burgerrecht Israëls, je had geen deel aan de verbonden die God met Israël gesloten had en aan de belofte, die daarmee sa­menhing. Maar nu is alles veranderd door het bloed van Christus”. Nu is het nieuwe verbond gesloten waar Jeremia 31 vers 31 tot 34 (Jer. 31:31-34) van spreekt, waar Jezus in Lucas 17 vers 21 (Luc. 17:21) op doelt en waarvan Jezus zegt bij het laatste avondmaal: “Dit is het verbond in mijn bloed” / Het ’te dien tijde’ van vers 12 is dus voorbij!

Er was een verschrikkelijke scheiding gekomen tussen de joden en de heidenen. Dat was nooit Gods bedoeling ge­weest . God had bedoeld dat Israël tot zegen zou zijn voor de volken en tot een licht voor de natiën. “Gij zult tot een zegen zijn en met u zullen alles geslachten der aardbodem gezegend worden” (Gen. 12:03-04).

“Hij (Jezus Christus) is on­ze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussen­muur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebro­ken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der gebo­den, in inzettingen bestaan­de, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee, tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft”(Ef. 02:14-16). Die scheidsmuur is afgebro­ken; joden en heidenen zijn tot één lichaam verbonden en weer met God verzoend. Jezus Christus heeft de vij­andschap gedood door zijn leven te geven aan het kruis. Niemand mag dus die scheidsmuur weer oprichten of de vijandschap weer tot leven wekken, door wat God één heeft gemaakt, weer te scheiden of door te stellen: God heeft Israël en Hij heeft de gemeente. Wat God verbonden heeft, zal de mens niet (weer) scheiden! Paulus zegt dat hiermee de profetie van Jesaja is vervuld, die zegt: “En bij zijn komst heeft Hij (Jezus) vrede verkondigd aan u, die veraf waart, en vrede aan hen, die dichtbij waren; want door Hem heb­ben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader” Efeze 2 vers (Ef. 02:17-18).

Dit is dus het geheimenis van Christus waar Paulus van schrijft in Efeziërs 3 vers 4 tot 7 (Ef. 03:04-07): “Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn in­zicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet be­kend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest ge­openbaard is aan de heili­gen, zijn apostelen en pro­feten: (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en me­degenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods”.

Het is nu, zegt Paulus, door de Geest geopenbaard aan de heiligen, zijn aposte­len en profeten.

De taak van de gemeente

Paulus gaat dan nog verder over het geheimenis, hoe God die twee – jood en hei­den – tot één gemaakt heeft en hoe dat “van eeu­wen her verborgen is geble­ven in God, de Schepper van alle dingen” Efeze 3 vers 9 (Ef. 03:09).

Het was dus in God. Van eeuwen her. Het was daarvoor ’verborgen’, maar dit was altijd al de bedoe­ling van God: “Opdat thans door middel van de gemeente…!”

Dat zijn dus joden en heide­nen, die zich bekeren en door het bloed des kruises weer met God verzoend wor­den en door de doop in de Heilige Geest in één Geest verbonden zijn en toegang hebben tot de Vader Efeze 2 vers 19 (Ef. 02:19). Door middel van deze gemeente (bestaande dus uit joden en heidenen, mensen uit alle stam, taal en natie) zal aan de overhe­den en de machten in de hemelse gewesten de veel­kleurige wijsheid Gods be­kend worden, naar het eeu­wige voornemen dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd” Efeze 3 vers 10 tot en met 12 (Ef. 03:10-12).

Wij moeten acht geven op het feit dat Paulus het in­zicht in dit geheimenis door openbaring ontvangen heeft, door de Geest van Christus, die ook sprak in Mozes en de profeten, en in Jezus Christus was en sprak, en dat Paulus zegt: Naar het eeuwige voorne­men, dat Hij in Christus Je­zus, onze Heer heeft uitgevoerd.

‘Het eeuwige voornemen van God’ is uit gevoerd in Chris­tus Jezus! Dat is de kern van het evangelie dat Pau­lus verkondigd. Paulus, in hart en nieren een jood, een farizeeër, een Schriftgeleerde, ijveraar voor God en vervolger van de ge­meente, wordt gegrepen door de liefde van Christus en hij heeft maar één ver­langen, namelijk dit evange­lie in het licht te stellen. Paulus geeft veel aanwijzin­gen voor het goed functioneren van de gemeente in praktische zin. Ook vooral hoe de gaven van de Heili­ge Geest in de liefde moeten functioneren. Paulus weet dat deze praktische zaken ook van belang zijn, maar het eeuwige evangelie van God en Jezus Christus, waardoor onvergankelijk le­ven aan het licht gebracht wordt, heeft hij zó lief ge­kregen, dat hij zegt: ’mijn evangelie’. Van dit evange­lie zegt hij in Galaten 1 vers. 14 en 12 (Gal. 01:12-14) dat het niet is naar de mens, “want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus”. Daarom kan hij ook zeggen: “Indien iemand u een evangelie pre­dikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt” Galaten 1 vers 9 (Gal. 01:09). Want die verkondigt tegen de openbaring van God en Je­zus Christus in.

Paulus heeft zich volkomen één gemaakt met de gedach­te dat God in Zijn grote liefde alle mensen behouden wil door genade. Niet door eigen inspanning, maar door geloof in de genade die openbaar is geworden in Je­zus Christus. Wij hebben gezien dat ‘de Knecht’ Jezus Christus is, maar ook ‘de gemeente’. In de roeping tot het apostelschap van Paulus klinkt dan ook het woord van Jesaja 49 vers 6 (Jes. 49:06): “Het is te gering, dat gij Mij tot een knecht zoudt zijn om de stammen van Jakob weder op te richten en de bewaarder van Israël terug te brengen; Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde” Dat heeft Paulus begrepen en stemt hem dankbaar en blij. Daarvoor buigt hij zijn knie­ën in aanbidding voor de Vader in de hemel! U ook?

 

Reacties van lezers

 

Aanmoediging

Zuster B. L, te Koksyde, (België), bestelde alle brochures en schreef onder andere: “Ik dank jullie voor het blad “Levend Ge­loof” en zou met dit schrij­ven jullie willen aanmoedi­gen om met dit werk verder te gaan. Het is een zegen voor ieder die het leest. Je leert eruit wat God ons wil zeggen door Zijn Woord en je gaat het daardoor be­ter begrijpen. Je leert er­door welke bedoeling en welk plan God met ons had en nog heeft. Je leert om te dienen op aarde en om in de hemel op je rechten te gaan staan. Je leert om in je eigen leven een scheiding aan te brengen tussen het goede en het kwade. Kortweg, door “Levend Ge­loof” leer je hoe je God moet volgen als één van Zijn discipelen. ’De akkers zijn groot, maar weinig ar­beiders zijn er’. Ik wens u Gods zegen toe in jullie ar­beid” .

Open voor nieuwe dingen

Broeder J. B. te Hoensbroek, schrijft: “Hiermee wil ik u mededelen dat ik me gaarne wil abonneren op “Levend Geloof”. Ik heb inmiddels één van uw uitgaven gelezen en vond het erg interessant. Hoewel uw visie op de toekomende gang van zaken me eerst erg bevreemde, wil ik er toch graag meer van we­ten, omdat ik open wil staan voor nieuwe dingen die Gods Geest op zijn tijd open­baart. Ik zou ook graag alle brochures willen ontvangen die op dit moment verkrijg­baar zijn”.

Voorbede gevraagd

Uit een brief van zuster A. C. te Port Lincoln in Australië: “Ik vind uw blad erg fijn en wordt er door opgebouwd. Hoewel ik hier tot bekering ben gekomen en tot een Australische gemeen­te behoor (“Christian Revi­val Crusade”, sinds 1959), geloof ik toch dat mijn den­ken meer vernieuwd wordt door het lezen van Holland­se lectuur. Ik las laatst een stukje uit uw blad van een Australische zuster voor, ze merkte op hoe heel anders het is dan wat we hier gewend zijn. Zo voel ik het ook, hoewel, ik er de vinger niet op kan leggen waar het verschil in zit. Jullie zijn geweldig geze­gend daar in Holland’.

Ik zou de lezers willen vra­gen om te bidden voor mensen in mijn positie. Het is heus niet altijd makkelijk, het lijkt soms wel of ik een geestelijk taalprobleem heb. En ik denk wel dat ik niet de enige ben die in dat bootje zit. Ik wens u Gods zegen toe op uw werk en vooral dat u Gods stem dui­delijk mag verstaan”.

Blij met “Levend Geloof”

Zuster L. S. – d. L. te Arnhem , schrijft: “Ik ben al­tijd blij uw blad te ontvan­gen. Het is werkelijk goed de uitleg van het Woord van God te volgen in uw blad. Ik zou graag “Het boek Ruth als profetie” willen ontvan­gen en een geschenkabonnement op willen geven. Ik vind dat iedereen het blad “Levend Geloof” zou moeten lezen…”

 

Advent (gedicht) door Tea Keuper Dijk

In deze tijd van donkerheid in de natuur,

het stille uur, de korte dag,

gaat komen ’t licht van overwicht.

Nieuw leven kiemt als regen striemt

en ijzel’s rag de bomen siert;

als ’t klein gediert’ van honger kwijnt,

het loof verdwijnt….

 

Wat ’t Licht vermag, dat schijnen wil

in levens kil en dor en mat:

Mijn God vergeet Zijn wereld niet

en Hij gebiedt met Zijn gezag het Licht,

dat schijnt in duisternis.

En alles wat verslagen is

roept ’t Licht der wereld, Jezus, toe:

“Kom toch tot Mij, allen die moe

en van zichzelf beladen zijt:

Ik geef u licht in donkerheid!”

 

Vernieuwing van denken door Wim van Wingerden

“En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” Romeinen 2 vers 2 (Rom. 02:02).

Het denken bepaalt onze koers

Paulus begint dit hoofdstuk met een vermaning en enke­le praktische wenken en raadgevingen. Hij acht her­vorming (vernieuwing, ver­andering) van denken nood­zakelijk om nader te komen tot het goede, welgevallige en volkomene, wat overigens de wil van de levende God is. Belangrijk in dit gege­ven is de essentie waardoor dit alles tot stand kan ko­men, namelijk het denken!

De wereld gonst van plan­nenmakers, en niet alleen in de natuurlijke wereld, doch ook in de geestelijke wereld, waarvan waarschijn­lijk een groot gedeelte ge­acht mag worden als niet dienstbaar in Gods Konink­rijk.

Het denken bepaald overwe­gend de handeling van de mens. Actueel is dus in welke richting wij denken! Immers daardoor wordt doorgaans de koers aange­geven die wij gaan.

In de omgangstaal wordt dikwijls het woord ‘denken’ gebruikt bijvoorbeeld in: bedenken, herdenken, over­denken , nadenken, verden­ken, etc. Daarbij is de laatste tijd ook een plaats in geruimd voor het woord ‘doemdenken’. Verdoemen wil zeggen veroordelen tot een helse straf, het denken in doemsfeer is derhalve volkomen negatief, dus on-, bruikbaar in Gods Konink­rijk. Waaruit ons regelmatig positieve verwachtingen duidelijker voor ogen wor­den gesteld en bovendien tot realisatie komen.

Gericht denken is noodzakelijk

De vernieuwing van denken waar Paulus over spreekt, is duidelijk van node om tot vernieuwde inzichten te ko­men. De Bijbel zegt in 1 Timotheüs 6 vers 5, (1 Tim. 06:05) dat mensen die niet meer helder zijn van denken, het spoor bijster zijn geraakt.

Gericht denken betreffende het Koninkrijk van God be­tekent, dat onze koers be­paald moet worden op en door de levende God, met als vrucht handelingen voortbrengend die beant­woorden aan de wil van God dat is ‘het goede, welgeval­lige en volkomene’. Wij heb­ben talenten en mogelijkhe­den meegekregen en de Hei­lige Geest wil gaarne deze eigenschappen wasdom ge­ven en inspireren.

Laten wij niet geneigd zijn te klein of te gering over al deze dingen te denken, want de Heilige Geest (Gods Geest) wil ons ook hierin tegemoet komen. Uiteraard is natuurlijk nodig dat wij ons witten laten leiden, want indien de wil niet aan­wezig is, gebeurt er niets.

Gods Geest wil ons inspire­ren en eigenschappen in ons tot ontwikkeling bren­gen, zodat zij sterk en krachtig tevoorschijn komen. Zijn Geest is daarvoor tot ons gekomen (de Trooster). Wij hebben bij onze natuur­lijke geboorte een geest toebedeeld gekregen, en deze geest bezit ook de kracht om eigenschappen tot ontwikkeling te brengen maar dan in de natuurlijke wereld. De Geest van God is echter onvoorstelbaar en oneindig veel groter.

Gelukkig is er een mogelijk­heid om aansluiting te beko­men door de doop in de Heilige Geest. Indien dit gerealiseerd gaat worden in een mensenleven, dan is als het ware de krachtbron aangeboord, die wij nodig hebben om ons strijdbaar op te stellen in het Koninkrijk van God. Daardoor kunnen wij standhouden als de vij­and ons aanvalt en overwin­nen. Dan kunnen we ook dienstbaar zijn en het heil uitdragen betreffende een wereldomvattend evangelie, dat redding, bevrijding en verlossing in zich heeft.

De krachtbron (Gods Geest) moet in wezen onlosmakelijk verbonden zijn met ieder mens, die zich uitstrekt om meer van de levende God te ontvangen. Inwoning van de Heilige Geest bevordert in ruime mate de opbouw van het geloofsleven, waarbij tevens is begrepen het her­stel van de beschadigde mens op het geestelijke en natuurlijke vlak.

Hoewel eveneens genezing kan plaats vinden in een moment (instantelijk), want als het Woord van God in de mens tot leven gaat ko­men, dan kan men heerlijke dingen verwachten en tege­moet zien.

Het is geweldig te ervaren dat door vernieuwing van denken, een totaal andere meer gerichte denkwijze wordt geopenbaard ten aan­zien van het Koninkrijk van God. Het voert ons in een positieve denkwereld en maakt ons één met de krachtbron.

Het verstand wordt verlicht en het hart verzacht. Ge­dachten die niet in de denk­wijze van een kind van God thuishoren worden uitgeban­nen, en daar komen opbou­wende geloofsdaden voor in de plaats.

Wij moeten daarbij niet voorbij gaan aan het feit dat er vóór alles geloof, waarachtig geloof nodig is, om tot volkomenheid te ge­raken. Daarom moet het uit­gangspunt zijn dat men zich onder de leiding wil stellen van de levende God.

Indien we de bereidheid hebben om dienstbaar te zijn in Gods Koninkrijk, en het goed, welgevallige en volkomene willen bereiken, dan is het zaak dat de Hei­lige Geest voortdurend in­woning heeft bij ons, want de Geest doorzoekt alle din­gen, zelfs de diepten Gods, 1 Korinthe 2 vers 10 (1 Kor. 02:10).

Door op deze wijze Gods Ko­ninkrijk te benaderen, zul­len wij meer en meer tot de conclusie gaan komen, dat wij niet meer dezelfde zijn, doch volkomen tot vernieu­wing zijn gekomen. Een ver­nieuwing die dagelijks door­gaat, tot wij op een volko­men wijze het beeld van Je­zus openbaren!

 

Mijn keuze (gedicht) door Piet Snaphaan

Heb dank, o Heer, dat U mij hebt gezocht,

En dat U mij heeft losgekocht.

Want uit mijzelf had ik U nooit gevonden.

En wat de boze ook vermocht,

U redde mij, ‘k ben nu met U verbonden.

 

Ja dank U Heer, U gaf mij nieuwe moed,

Ik hecht m’ aan U, want wat U doet is goed,

‘k Hoef niet meer bang te zijn voor morgen.

Mijn denken wordt nu door Uw Geest gevoed,

Ik weet nu Heer, dat U voor mij zult zorgen.

 

Mijn wandel is voortaan met U in ’t licht,

En ‘k heb een toekomst ook in ’t zicht.

U heeft mij in Uw plan een plaats gegeven.

En verder alles door Uw Geest belicht,

Voor mij een doel, om verder na te streven.

 

Ja dank U Heer, ik heb Uw stem verstaan,

Al is er dan strijd aan voorafgegaan,

U heeft vanuit Uw Woord tot mij gesproken.

Daarom wil ‘k met U verder gaan,

U heeft mijn banden met de dood verbroken.

 

Mijn keus Heer, heb ik nu voorgoed gedaan,

Daarom ben ‘k met U in ’t graf gegaan.

De dood: hij is verzwolgen I

Met U ben ik weer opgestaan,

En wil U verder altijd volgen!

 

Welk voedsel ontvangen wij? door G. J. R. DOORNINK

Naar Gods beeld geschapen

De mens werd van oor­sprong geschapen naar het beeld van God met als taak Zijn schepping te beheren. We weten echter wat er ge­beurd is: satan verleidde de mens, zodat de gemeen­schap met God werd ver­broken. Maar niet defini­tief, want God bleef uitein­delijk superieur, ten op­zichte van de negatieve macht invasie van het rijk der duisternis.

Daarom sprak God reeds in het paradijs tot de slang, waarin satan zich had gemanifesteerd: “Ik zal vij­andschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de hiel vermorzelen” Genesis 3 vers 13 (Gen. 03:13). Dit was een duidelijke heenwijzing naar de komst van Gods Zoon, die satan zou overwin­nen en zijn werken zou ver­breken 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08).

Gods plan tot herstel is een volkomen plan en heeft als doel de ganse schepping te herstellen. Als uiteindelijk deze nieuwe schepping vol­komen zal functioneren, zal satan geen enkele rol meer kunnen spelen, omdat hij dan geworpen zal zijn in ’de poel van vuur en zwavel’.

Voor het zover is wordt de mens klaargemaakt om in ge­schakeld te worden om dit einddoel Gods te bereiken. De eerste mens die volledig functioneerde in dit her­stelplan Gods, was Jezus Christus. Paulus noemt Hem de ‘Eerstgeborene onder ve­le broederen’ Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29).

Daarom is Hij ook het grote Voorbeeld voor alle gelovigen. Want door in Zijn voetstappen te wandelen, kunnen we functioneren als Gods medearbeiders.

Willen wij dat? Is het ons verlangen instrumenten in Gods hand te zijn?

Wij hebben gezond voedsel nodig

Voor alles is het daarbij belangrijk dat wij gezond geestelijk voedsel ontvangen. Voeding die ook de discipelen ontvingen toen zij met Jezus omgingen, en die zij later op hun beurt weer konden doorgeven, nadat zij vervuld waren met de Heilige Geest.

Het zou eigenlijk een vanzelfsprekende zaak moeten zijn dat elk kind van God gezonde geestelijke voeding wil ontvangen. Zoals het ook in de natuurlijke wereld vanzelfsprekend is om gezond voedsel te gebruiken om te groeien en in conditie te blijven.

Helaas zijn vele kinderen Gods wel erg nonchalant met het tot zich nemen van geestelijk voedsel. Velen stellen zich tevreden met een evangelie dat geen evangelie is en vaak vermengd is met allerlei dwalingen. Veel evangelie prediking is vaak meer aardsgericht dan hemels gericht en brengt de mens geestelijk niet verder.

De gevolgen blijven niet uit, kom maar. Want wat is er in de geestelijke wereld veel scheef gegroeid en onder ontwikkeld. Velen zien niet in hoe belangrijk ze zijn in het plan van God met zijn schepping. Zij degraderen zichzelf, terwijl God hen promoveren wil. Alleen Satan lacht daarbij in zijn vuistje, want hij ziet niets liever dan dat de mens zich plaatst buiten de wil van God.

Maar gelukkig zijn er in onze dagen ook meer en meer kinderen Gods die zich niet langer door de satan een rad voor de ogen laten draaien. Hun ogen gaat steeds meer open voor de werkelijkheid: Jezus Christus, zoals deze zich geopenbaard heeft in het woord van God.

Zij komen geestelijk verder, want ze hebben geleerd om iedere dag opnieuw de sleutel te hanteren om geestelijk te groeien: zij voeden zich namelijk met het enige gezonde geestelijke voedsel wat er is. Dat is het volle evangelie van Jezus Christus.

De Heer en de leer.

In de tijd dat Jezus op aarde was, verkondigde hij de boodschap van het Koninkrijk Gods. Van deze boodschap, die bevestigd werd door tekenen en wonderen, staat geschreven dat de scharen versteld stonden over zijn leer, Want hij leerde hen als gezaghebbende (over de satan, en niet als hun Schriftgeleerden. Matteüs 7 vers 28 en 29 (Matt. 07:28-29.)

Jezus predikte met gezag en zijn boodschap stelde de negatieve werking van de Satan aan de kaak. Hij was één met de boodschap die hij bracht. Daarover behoeft niemand die serieus de Bijbel leest ook maar enige twijfel te hebben.

Toch is het opmerkelijk en ook teleurstellend dat velen blijkbaar niet kunnen of willen aanvaarden dat Jezus en zijn boodschap een eenheid vormen.in de afgelopen tijd lazen we in enkele bladen. Weer een paar artikelen waarin gesuggereerd werd dat het in de eerste plaats gaat om de Heer, en dan pas om de leerpunt. Daarbij wordt dan een tegenstelling opgeroepen die er niet is met een dergelijke opvatting komt men ook geestelijk. Niet verder en werd men bovendien de verwarring in de hand. De eenheid die men daarbij propageert:  als we maar één zijn in de Heer, over de leer mogen we gerust verschillend denken, is zeker niet naar Gods wil. Het gaat in deze eindtijd juist om de aanvaarding en beleving van de ene waarde leer, die van Jezus Christus. Alleen deze leer ontmaskerd en overwint iedere andere leer die niet van God afkomstig is. Alleen door deze leert te aanvaarden en te beleven, gaat het werkelijke beeld van God in de gelovigen weer gestalte krijgen. Want deze leer is verbonden met een persoon. Jezus Christus, de zoon van de levende God. Daarom gaat het om de Heer en om Zijn leer. (Over dit onderwerp schreven wij uitvoerig in levend geloven van september 1982 onder de titel: De leer en het leven.)

 

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts – 13 –

De geallieerden van de Vader.

Kernmotief in het lied over de Leviathan in Job 40 is de vraag: wie kan hem binden? “Zult gij hem binden voor uw jonge dochters?” Job 40 vers 24 (Job 40:24). Het is dezelfde gedachte die Jezus in zijn onderricht over de geestelijke wereld opneemt, als Hij opmerkt: Hoe kan iemand in het huis van een sterkere inkomen en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst de sterke gebonden heeft?

“Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? zullen zij hem delen onder de kooplieden?” (vers 25). De metgezel­len zijn de deelgenoten, zoals de Hebreeënbrief ons noemt: deelgenoten van de Christus, het zijn vanuit de grondbeteke­nis de verbondenen, verbonden met de Meester, intens in de geest verbonden met hun God, het zijn de geallieerden des Vaders. Hun wordt gegeven te heersen over hun hater.

Zij zullen een maaltijd bereiden over of van dit monster. Er is een jiddisch liedje waarin de rabbijn ondervraagd wordt door de kinderen: Zeg me, rebbe, wat zal er gebeuren als de Messias komt? Als de Messias komt, dan zullen we een grote maaltijd maken. Wat zullen we eten op dat feestmaal? We eten de leviathan en de oeros.

Dit doet ons denken aan het slot van Openbaring 19: “En ik zag een engel staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen die in het midden des hemels vlogen: “Kom herwaarts en vergadert u tot het avond­maal des groten Gods; opdat gij eet het vlees der koningen en het vlees der oversten over duizend en het vlees der sterken en het vlees der paarden en van hen die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten en kleinen en groten” Openbaring 19 vers 17 en 18 (Openb. 19:17-18).

Meermalen wordt de eindtijd of althans het slotakkoord daarvan in beeld gebracht als een maaltijd. Zullen zij hem delen onder de kooplieden? zo klinkt de vraag. Het woord voor kooplieden is eigenlijk: Kanaänieten. Zij vormen het kramersvolk bij uitstek.

Wie ontmaskert het monster?

God gaat doorvragen: “Wie zou het opperste zijns kleeds (letterlijk het aangezicht van zijn kleed) ontdekken (ont­hullen) ? Wie zou de deuren (of poorten) zijns aangezichts opendoen?” Job 41 vers 4 en 5 (Job 41:04-05).

Wie ontmaskert het monster? God verklaart: “Wat onder de ganse hemel is, is mijn” (vers 2). Alleen God kan dit oer­wezen aan. Maar de Heere gaat het doen door middel van de mens.

De engelen van het kwaad staan bij Gods teken stil

en op hun ruggen slaat de roede van zijn wil.

De leeuwen zijn ge­temd en Daniël ontzet,

de Rode Zee gedempt, Israël uitge­red.

Gij engelen van het kwaad, staat bij zijn woord verstomd

en gaat als Hij zegt: Gaat! en komt als Hij zegt: Komt!

Als Hij de machten scheldt, dan worden ze gedwee,

als Hij de vloed ontstelt, dan legt hij zich in twee.

Dit is Gods perspectief, zoals Willem Barnard het in een lied onder woorden heeft gebracht.

Vijf opvallende aspecten van de draak

We noemen een aantal punten die opvallen in de beschrijving van deze draak. Om te beginnen is het frappant hoe dit beest een eenheid vormt. “Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. Het ene is zo nauw aan het andere dat de wind daar niet, tussen kan komen. Zij kleven aan elkander; zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden” Job 41 vers 6 tot en met 8 (Job 41:06-08).

Een tweede gedachte die naar voren komt, betreft de bek van het monster: “Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. Uit zijn neusgaten komt rook voort. Zijn adem zou kolen doen vlammen en een vlam komt uit zijn mond voort” (vers 10-12).

Uit de bek van de draak komt de leugen, de verleugening, als een verterend vuur. In Openbaring vinden we deze motieven terug: van het beest uit de zee wordt gezegd: En het werd een mond gegeven, om grote dingen en godslasteringen te spreken. En dan is daar eveneens die eenheid: En allen die op de aarde wonen, zullen het aanbidden.

In de derde plaats wordt speciaal zijn sterkte benadrukt: “In zijn hals herbergt de sterkte; (een andere vertaling zegt: op zijn nek overnacht de macht). Zijn hart is vast ge­lijk een steen, (of vastgegoten is zijn hart), een klomp ge­lijk, als de onderste molensteen vast” (vers 13-15).

Driemaal wordt in deze verzen het woord ‘vast gegoten’ ge­bruikt; door deze herhaling ontvangt dit begrip een extra geladen accent. Opmerkelijk is trouwens dat Jezus in zijn onderwijs ook het beeld van een molensteen hanteert: wie een ander tot zonde verleidt, men kon beter een molensteen om zijn nek hangen en hem in de diepte der zee werpen.

De molensteen is aanduiding van een loodzware macht, die de mens naar de diepte, naar de afgrond voert. Zo is het hart van de draak als een loden macht, vast en zwaar.

Vervolgens horen we dat geen wapen iets tegen dit beest uit­richt: “Raakt iemand hem met het zwaard, dat zal niet be­staan. Hij acht het ijzer voor stro en het staal voor verrot hout. De pijl (letterlijk de zoon van de boog) zal hem niet doen vlieden; de slingerstenen worden hem in stoppelen ver­anderd. De werpstenen worden door hem geacht als stoppelen” (vers 17-19).

Een vijfde aspect: het spoor dat hij trekt, wordt vergeleken met dat van een dorsslede: “Onder zich heeft hij spitse of scherpe scherven, hij breidt een dorsslede uit over het slijk” (vers 21).

Tekenend is ook de uitwerking die hij heeft op de diepte, op de zee: “Hij doet de diepte zieden gelijk een pot (of ketel), hij stelt de zee als een apothekerskokerij” (vers 22). Het woord ‘diepte’ komt slechts twaalf keer voor in het oude testament, het heeft meestal, te maken met dood en

dodenrijk, het gebied van bodemloos verderf en ondergang.

De verderfelijke aard van het monster

Wat doet dit monster? Het brengt het rijk van dood en ver­derf in beweging, het treedt op als gangmaker, het zweept de golven van de occulte wereld steeds hoger op, het voert de diepte tot het kookpunt.

Waarom woelen de volkeren, zo vraagt de psalmist. Hier zien we de achtergrond: er wordt gestookt in die volkeren zee, er is een macht aan het werk die zijn spoor trekt: achter zich verlicht hij het pad; men zou de afgrond (de oervloed of draaikolk) voor grijzigheid (of grijs haar) houden.

De conclusie luidt: “Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen” (vers 24). op de aarde; letterlijk staat er: op het stof, dus in de stoffelijke wereld.

In de hemel ligt het anders; daar heeft hij niet alleen zijns gelijken, daar bevinden zich zelfs zijn meerderen. Immers, van de aardse mens is gesproken: Stof zijt gij en tot stof zult ge wederkeren, maar tot de nieuwe mens kan gezegd worden: geest zijt ge en tot de Geest (van uw Maker) zult ge wederkeren, en die tweede mens zal heersen over al wat stof is. Zoals tot Sion de oproep klinkt: Schud het stof van u af.

“Hij is koning over alle trotse dieren”, zo besluit vers 25; eigenlijk staat er: over alle zonen der brutaliteit, alle zonen van de trots. Dit woord voor trots komt slechts twee­maal in het oude testament voor, en wel uitsluitend in het boek Job. In Job 28 vers 8 (Job 28:08) wordt vermeld dat de zonen van de trots het pad der wijsheid niet betreden hebben.

Nu is trots, hoogmoed vanouds bekend als de oerzonde van Lu­cifer. In dat verband is het des te meer typerend dat dit beest het koningschap blijkt te bezitten over alles wat zich verheft, alles wat brutaal en onbeschaamd is.

Hiermee heeft God voor Job de sluier opgelicht en hem de achtergrond getoond, waarom de diepte zich zo roert, waarom de oervloed zich verheft tegen hem, de mens naar Gods ge­dachte.

Daarop komt Job met zijn reactie: “Ik erken (of ik heb erkend) dat Gij alles vermag en dat nooit een ontwerp voor U te steil is” Job 42 vers 2 (Job 42:02). Het NBG vertaalt hier: en dat geen uwer plannen wordt verijdeld. Het grondwoord betekent echter: steil of ontoegankelijk zijt.

Verwantschap met de torenbouw van Babel

Het is bijzonder interessant dat het werkwoord in exact deze vorm slechts tweemaal, in heel het oude testament voorkomt, namelijk hier in Job 42, en daarnaast alleen nog in de ge­schiedenis van de torenbouw in Genesis 11, waar gezegd wordt dat niets van wat zij denken (ontwerpen) te doen, voor hen onuitvoerbaar zal zijn: niets is voor hen te steil, niets is voor hen ontoegankelijk. Dan wordt het beeld veel spreken­der: het gaat niet zo zeer om de onuitvoerbaarheid als wel om de ontoegankelijkheid: ze wilden immers doordringen in de onzienlijke wereld.

Frappant is ook dat beide teksten, in Genesis en in Job, de­zelfde woordstam gebruiken voor ontwerpen, respectievelijk ontwerp. Blijkbaar spelen de beide verzen op elkaar in. De torenbouwers vormden een eenheid en op basis van die eenheid verklaart God over hen dat niets voor hen ontoegankelijk zal zijn. Ze zullen zich, als ze zo doorgaan, zonder enige be­perking in de hemelse gewesten kunnen bewegen; niets is voor hen te steil, elke hoogte kunnen zij beklimmen.

Als we nu vanuit deze achtergrond de tekst, uit Job 42 be­zien, die blijkens het identieke woordgebruik een diepe ver­wantschap bezit met het torenbouwverhaal, dan komen we tot de vraag: wat heeft Job nu ontdekt? En dan kan het antwoord zijn: dat voor God geen gebied in de hemelse gewesten ontoe­gankelijk is. Met andere woorden: de weg die voor de toren­bouwers openlag maar die werd afgesneden, die weg ligt open voor God en die weg gaat hij nu openen voor Job.

Er loopt nog een lijn naar een andere tekst, die in dit ka­der bijzonder gaat spreken, namelijk Jeremia 33 vers 3 (Jer. 33:03), waar God toezegt: “Ik zal u grote en ondoorgrondelijke dingen melden, die gij niet kent”. Letterlijk staat er: grote en ontoegankelijke (of steile) dingen. En juist in verband daarmee treffen we weer het woord ‘kennen’ aan; dingen die gij nog niet kent, terwijl Job verklaart: ik ken of ik erken dat niets te steil is voor U.

Zo vullen deze teksten elkaar aan; Gods bedoeling is, het ontoegankelijke te melden.

De vernieuwing van Jobs gedachten

Dan klinkt daar de vraag: “Wie is het toch, die het raads­besluit omsluiert zonder verstand?” (vers 3). Zonder ken­nis, staat er eigenlijk. Job had geen kennis van de raad Gods. Daarmee zijn we terug bij het begin van de rede Gods in hoofdstuk 38: “Wie is hij, die de raad verduistert met woorden zonder kennis?”

Job stemt hiermee in en komt tot de belijdenis: “Daarom, ik verkondigde (eigenlijk: ik vermeldde, hetzelfde geladen woord als in Jeremia 33: Ik zal vermelden), zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep” (letter­lijk: die ik niet kende; opnieuw keert het motiefwoord ‘kennen’ terug).

Dingen, mij te wonderbaar. Een wonder is in het Hebreeuws eigenlijk het ontrukte. Het veronderstelt dat God iets aan de hand van de vijand ontrukt. En Job had immers nog geen oog voor de werkingen van de machten in de geestelijke we­reld: hoe God bezig is een mens en een schepping aan de greep van de duisternis te ontrukken, dat was voor hem een verborgen zaak. Dat lag buiten zijn gezichtsveld.

Thans echter kan hij vaststellen: “Met het horen van het oor heb ik U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien”. Een nieuwe fase is ingegaan, de geestelijke wereld is voor hem ontsloten.

“Daarom herroep ik”, zegt Job; in wezen staat er: daarom verwerp ik. Dat wil zeggen: hij verwerpt zijn beperkte ge­dachten, waarin hij God aanklaagde en ter verantwoording wilde roepen.

Jobs overgang naar het rijk van de Geest

Het slot van vers 6 zegt: “Ik doe boete in stof en as”. Nu kan men deze uitspraak opvatten in die zin dat Job ver­klaart: ik geef mijn protest tegen God op. Het gevaar is echter niet denkbeeldig dat op deze manier de drie vrienden toch nog gelijk schijnen te krijgen. Eindelijk komt Job nu tot de stap waar zij steeds op aangedrongen hebben: hij gaat over tot schuldbekentenis.

Het werkwoord echter dat hier gebruikt is, kan twee beteke­nissen hebben: ik heb berouw, maar ook: ik troost mij of ik ben getroost. Houdt men de eerste betekenis aan, dan komt men tot de gedachte: ik heb berouw van mijn kortzichtigheid, geen berouw over de misdaden die de drie vrienden hem wilden aanwrijven, geen berouw over zijn vragen, maar berouw over de woorden die hij gesproken heeft vanuit onkunde, vanuit gebrek aan inzicht, vanuit een niet verstaan van de dingen achter de dingen.

Stof en as is in dit geval louter de plaatsbepaling: Job be­vindt zich immers op dit moment in (letterlijk: op) stof en as, aanduiding van de mesthoop waar hij gezeten is.

  1. A. H. de Boer volgt de tweede betekenis van het woord: ik troost mij over een periode van rouw. Stof en as is in dit verband omschrijving van de tijd waarin Job in droefheid en treurnis terneer heeft gezeten. De Aramese parafrase, de Targum, heeft een weergave met een soortgelijke strekking: ik troost mij over mijn zonen, die stof en as zijn. Job heeft zijn rouw verwerkt en hij ziet een nieuw perspectief. Vanuit dit uitgangspunt wordt het mogelijk de zin als één geheel te lezen: ik verwerp en troost mij over stof en as, of ik doe afstand van en ben getroost over stof en as.

Met andere woorden: Job verklaart: de stof en as-periode laat ik achter mij. Elifaz had in hoofdstuk 4 vastgesteld dat de grondslag van de mens gelegen is in het stof. En in Job 30 vers 19 (Job 30:19) had Job moeten uitroepen: “Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as”.

Nu echter weet hij: dit is voorbij. Geen stof en as meer, maar mijn oog heeft de Koning aanschouwd, mijn oog heeft in de geestelijke wereld mogen blikken, nu ben ik opgetrokken boven stof en as.

Een ander rijk is ingegaan, een ander licht is opgegaan, een nieuw domein ging voor mij open, een nieuw terrein is nu ontsloten.

Het tijdperk van stof en as wordt afgesloten. Van de geval­len Lucifer heet het in Ezechiël 28 vers 18 (Ez. 28:18): “het vuur heeft u ver­teerd, het maakte u tot as op de aarde”. En Maleachi vermeldt: “Gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten op de dag die Ik maken zal, zegt de Heere der heirscharen” Maleachi 4 vers 3 (Mal. 04:03). Zo wordt Job boven het stof verheven, om niet langer terneer te zit­ten in aarde en as, doch om over te gaan in het rijk van de geest.

Job wordt voorbidder voor zijn vrienden

Dan komt de epiloog; daarin krijgen de vrienden tot tweemaal toe van Godswege te horen dat zij niet recht van Hem gespro­ken hebben: het hier gebezigde woord betekent: het vast­staande, het rechte, de waarheid.

Job daarentegen wordt tot viermaal toe genoemd: mijn knecht. Hij mag voorbidder worden voor de vrienden, tussentreder: de mens die recht, waarheid aangaande God gesproken heeft en die vanouds de taak van voorbidder al kende (zie hoofdstuk 1 vers 5), die nu bovendien ingeleid is in de geestelijke wereld, is degene die geschikt is om deze opdracht te vervul­len .

We kunnen derhalve instemmen met de woorden van K. H. Miskotte: Zo zien wij dat de ware deemoed niet ontstaat bij de- genen die kruipen onder de rechtvaardige god hunner verbeel­ding, maar bij de man die weigert te buigen, weigert zijn geweten te verkrachten.

De vrienden kennen alleen wat Miskotte noemt: de Afgod der vergelding. Daartegenover heeft Job gesteld: ik zie niets van het recht Gods, ik zie alleen maar de macht van God, een macht die niet anders schijnt te zijn dan het recht van de sterkste.

Met dit dualisme van macht en recht kan men op de duur niet leven. God heeft zijn knecht uitgetild boven deze nevelen, en wel volgens het principe dat Job zelf, wellicht onbewust profetisch, heeft uitgesproken in hoofdstuk 14: “Gij doet uw ogen open over zulk een wezen en Gij brengt mij in een rechtsgeding met U” (vers 3).

God en mens gaan zich samen opstellen

Dat is heerlijkheid: God doet zijn ogen open over de mens; dat is veel grootser dan Job op dat moment kon beseffen. Gods ogen gaan over het mensenkind, ja met aandacht, met zorg. Gods ogen zijn geen dwalende ogen, geen flakkerlichten. Gestage aandacht, louter begrip, zuiver oordeel, bran­dende liefde zijn bij Hem van eeuwigheid.

En God brengt Job inderdaad in een rechtsgeding. Maar anders dan hij kon vermoeden: niet dat God zich gaat keren tegen de mens, maar dat God en mens samen zich opstellen tegen de vorst der duisternis, tegen de aanklager der broederen. God betrekt de mens in het geding dat-Hij voert tegen de Hinderaar. Zo worden God en» mens twee getuigen. Daarin ligt de waarde van de mens. God nodigt hem uit: getuig met Mij mee.

Dan zullen wij samen het rijk der duisternis doen weten dat mijn wezen waarachtigheid is, rotsvast, en dat in Mij geen onrecht is te vinden.

Job wordt deelgenoot van Gods heerlijkheid

God brengt een keer in het lot van Job; of beter: God doet een wederkeer keren voor Job. Hij ontvangt een dubbel deel: de Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.

“En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste” Job 42 vers 12 (Job 42:12): zo zal het ook gaan met de gemeente.

Opmerkelijk is dat over de drie dochters van Job gemeld wordt: haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen. Hier zien we reeds een heenwijzing naar het nieuwe verbond, waarvan geldt: in Christus is noch man noch vrouw, maar gij zijt allen zonen en erfgenamen.

“En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren”: zo ein­digt het boek geheel in de stijl van Genesis. Zo wordt Job geplaatst in de gang van de oergeschiedenis, als een aarts­vader, als een mens die geschiedenis maakt.

Vier geslachten mag hij aanschouwen; niet de vloek tot in het derde en vierde geslacht, maar het heil en de heerlijk­heid van God.

In het gesprek met God ontvangt de mens zijn inzicht en God leidt hem in het rechtsgeding met de machten in. En in dat rechtsgeding vindt de mens zijn waarde.

Als een seinpaal op een bergtop

Zo is voor de woorden en de strijd van Job een gedachtenis gesticht in de hemelen. Hij was een rechtvaardige, dat wil zeggen: een mens die zijn bestemming openbaar maakt te mid­den van de overheden en machten in de hemelse gewesten.

De bestemming van Job als mens Gods werd inderdaad openbaar. Job besefte dat hij zelf een teken en sein geworden is van de Verborgenheid, teken van de onzienlijke wereld, èn teken in de onzienlijke wereld, overgebleven, om het met de woorden van Jesaja te zeggen, als een seinpaal op een bergtop.

Zo leert het boek Job ons: gij behoeft niet als een kameel ’o zijn, een suffe woestijnganger beladen met de zware pak­ken ener levenloze overlevering, ener loden leer. Ge zoudt God lasteren, indien gij alle dode wijsheid niet van u wierpt. Wees geen kameel, worstel veeleer als een leeuw, strijd om uw eigen innerlijke, persoonlijke zekerheid. (Om nog eenmaal Miskotte te citeren). Waag de strijd des ge­loof s, waag en worstel en wordt een teken in de hemelen. Want God doet zijn ogen over u open.

 

1983.10 nr. 241

Levend geloof 1983.10 nr. 241

Hoe wij zorgeloos kunnen leven door Gert Jan Doornink

“Daarom zeg Ik u: Wees niet bezorgd over uw leven… Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid… (Matt. 06:25-34).

Wat doen wij met onze zorgen?

Is het mogelijk als kinderen Gods zorgeloos te leven? Kunnen wij als eindtijdgemeente zonder zorgen functioneren? Dit zijn ongetwijfeld vra­gen die rechtstreeks te maken hebben met de praktijk van ons leven, want met zorgen heeft iedereen te maken of hij het erkennen wil of niet. Jezus zelf zegt dat iedere dag zijn eigen zorgen heeft Matteüs 6 vers 34 (Matt. 06:34).

De vraag is echter: Wat doen we ermee? Hoe kij­ken we er tegen aan? Overheersen zorgen ons le­ven? Of heersen wij over de zorgen? Het is zeer belangrijk, zeker voor deze eindtijd, dat wij hierover de juiste visie bezitten.

Het is goed om eerst onder ogen te zien wat zorg is en wat zorgen zijn. We moeten namelijk onder­scheid maken -tussen zorg en zorgen in positieve en negatieve zin want in het taalgebruik hebben zorg en zorgen verschillende betekenissen. Er is een zorg die niet verkeerd is, in de betekenis van aandacht schenken, zorgvuldig zijn, toewij­ding hebben. Zorgdragen voor iets betekent goed voor alles zorgen. In Titus 3 vers 8 (Titus 03:08) lezen wij: “Dit is een getrouw woord en ik wil, dat gij op dit punt een krachtig getuigenis geeft, opdat zij, die hun vertrouwen op God gebouwd hebben, ervoor zorgen vooraan te staan in goede werken”. Duidelijke taal van de apostel Paulus over zor­gen in positieve zin.

Maar als er dingen zijn die op ons afkomen (om­standigheden, problemen, etc.) die ons gaan overheersen, onze gedachten lamleggen als het ware, dan gaat het om iets waar wij als kinderen Gods weerstand aan moeten bieden

Dan heeft on­betwist satan een vinger in de pap, die er al­tijd op uit is ons normale leven te laten ont­sporen of te belemmeren.

Kenmerken van zorgen

Voordat wij een antwoord willen geven over hoe wij moeten handelen ten opzichte van de zorg, willen wij eerst enkele kenmerken en facetten van het ’zorgenprobleem’ belichten.

Zorgen waarin satan de hand heeft staan nooit op zichzelf. Ze zijn vaak verbonden met allerlei negatieve gedachten, twijfel en angst. Denk bijvoorbeeld aan de geschiedenis van de storm op het meer, zoals die onder andere beschreven wordt in Markus 4. Er was voor de discipelen die met Jezus in een schip het meer overstaken geen enkele reden om bevreesd te worden. Jezus was immers aan boord. Maar de discipelen werden be­vreesd omdat zij in beslaggenomen werden door de omstandigheden: hoge golven, het schip vol water en het gevolg was: paniek: wij vergaan… Jezus bestrafte de wind en het werd stil en tot Zijn discipelen zei Hij: “Waarom zijt gij zó be­vreesd? Hoe hebt gij geen geloof?”…

Zorgen proberen zich vast te zetten in onze gedachten. We gaan piekeren (peinzen, tobben). Piekeren is het op negatieve wijze bezig zijn met de problemen of omstandigheden waarin we ons bevinden. Vele mensen hebben ermee te maken en ook als kinderen Gods moeten we daarvoor waakzaam zijn. De duivel heeft niets liever dan dat we over problemen gaan tobben. Dan ontstaat er een gevaarlijke kettingreactie: we ‘scheppen’ als het ware door onze zorgen, nieuwe zorgen. We raken hoe langer hoe meer verward in de strikken van satan en zien er uiteindelijk geen gat meer in. Dr. Norman Vincent Peal schrijft in zijn boekje: “De kracht van voluit leven” dat toegeven aan zorgen veroorzaakt dat je langzaam maar zeker gewurgd wordt… Dan is de zorg uit­gegroeid tot een macht die niet meer verdwijnen wil maar zich vastzet in ons wezen. In zo’n ge­val is eerst een bevrijdingsbediening noodzake­lijk.

Heel veel zorgen zijn vaak alleen maar denk­beeldige zorgen. Probeer maar eens op te schrij­ven welke zorgen u gisteren had. Dat zult u zich misschien nog weten te herinneren, maar van eer­gisteren en de dagen daarvoor weet u zich al veel minder te herinneren. We zijn vaak geneigd om van een mug een olifant te maken, terwijl we ook voor de ‘echte zorgen’ geen angst behoeven te hebben.

Onze houding ten opzichte van de zorg

Voor alles moeten wij weten dat wij niet in be­slagen genomen behoeven te worden door zorgen. Jezus zegt: Wees niet bezorgd! Zoals Hij ook vaak zegt: Wees niet bevreesd! En als Jezus iets zegt of vraagt geeft Hij ook de mogelijkheden dat het verwezenlijkt kan worden. Zorg en vrees behoren niet bij de nieuwe mens. Zorg kan daarom ook een ernstige belemmering betekenen voor het tot ontwikkeling komen van de nieuwe mens – Christus – in ons leven.

Bezorgd zijn is ook een uiting van klein geloof zoals Jezus zelf meermalen naar voren brengt.

In de eerste Bergrede haalt hij twee voorbeelden aan uit de natuurlijke wereld

-de vogelen des hemels en de leliën des velds – om aan te geven hoe God voor hen zorgt, terwijl wij ze verre te boven gaan’ Wij zijn in de ogen van God het allerbelangrijkste, de kroon van zijn scheppings­werk. Dit moet veel meer een vast gefundeerde waarheid in onze denkwereld zijn. Vele kinderen Gods zijn in het verleden zo verlengend dat ze het maar moeilijk kunnen aanvaarden dat God hen weer tot een persoonlijkheid wil maken. Een per­soon met een eigen identiteit: Gods karakter zo­als deze ook aanwezig was in Jezus. Wij moeten ons daarom niet laten degraderen door de duivel die ons wil influisteren: je bent niets en je wordt niets. Maar wij moeten ons laten promove­ren door God die ons met Christus een plaats heeft gegeven in de hemelse gewesten. God wil dat we vanuit de woestijn het beloofde land bin­nentrekken en in bezit nemen. Dan verdwijnen al­le zorgen als sneeuw voor de zon.

Het advies dat Jezus geeft

Wat moeten wij doen om zorgeloos te kunnen le­ven? Het antwoord wat Jezus geeft is heel simpel en overduidelijk: Gods koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken! Daar moeten we echter niet te oppervlakkig over denken, want dat houdt dan ook letterlijk alles in. Het Koninkrijk Gods zoeken betekent meer dan naar de samenkomst gaan, de bidstond bezoeken, actief zijn, enz. Het betekent met heel je wezen de wil van God zoeken, zoals ook Jezus dat deed. Nu kunnen we ook begrijpen dat Petrus schrijft: “Werpt al uw zorgen op Hem, want Hij zorgt voor u” 1 Petrus 5 vers 7 (1 Petr. 05:07). Jezus bracht zijn zorgen bij de Vader en wie leeft in gemeenschap met Hem beleeft dat ook onze zorgen door Hem worden ‘geabsorbeerd’.

Wat ook belangrijk is dat wij er op letten dat Jezus niet alleen zegt dat wij het Koninkrijk Gods moeten zoeken, maar dit advies vooraf laat gaan door het woordje ‘eerst’. Zoek eerst het Koninkrijk van God… In alle vertalingen komt dat woordje ‘eerst’ voor. Het is eigenlijk de spil waar alles om draait. Waarom zijn er ook on­der degenen die achter de boodschap van het Ko­ninkrijk Gods staan, zoals wij dat dan formule­ren, vaak toch nog veel zorgen en problemen? Het antwoord is duidelijk: Omdat men niet eerst het Koninkrijk Gods zoekt.

We moeten op positieve wijze zorgen dat de din­gen van het Koninkrijk Gods altijd voorrang heb­ben, dan ervaren we dat we hoe langer hoe minder gekweld kunnen worden door negatieve ‘kwelgees­ten’. Het is Gods bedoeling dat de eindtijdgemeente een zorgeloze gemeente zal zijn. Hoe meer wij onze eenheid met Christus beleven, hoe meer wij ook immuun worden voor de aanvallen uit het rijk der duisternis, ook als deze zich via zor­gen wil manifesteren.

Daarom: (1). Wees niet bezorgd’ (Denk ook aan de raadgeving van Paulus in Filippenzen 4 vers 6 (Filip. 04:06) : “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij al­les uw wensen door gebed en smeking met dankzeg­ging bekend worden bij God”).(2). Zoek eerst Gods Koninkrijk…’ En (3) alles zal ons ge­schonken worden! Jezus kwam om ons leven en overvloed te schenken. Al wordt het in de wereld steeds donkerder, voor een waarachtig kind van God wordt het steeds lichter’ Jezus staat aan onze kant, zodat we op geen enkele wijze in be­slag genomen behoeven te worden door negatieve zorgen. Hij maakt het mogelijk dat wij als ge­meente van de eindtijd zonder zorgen kunnen le­ven. Als wij maar op positieve wijze zorgen (!) als vertegenwoordigers van het Koninkrijk Gods onze taak te vervullen. We hebben daarvoor de Heilige Geest ontvangen en, met een variant op een woord van Paulus, mogen wij weten dat God ons geen geest van zorg en vrees heeft gegeven, maar van overwinning, kracht en heerlijkheid! Dank u Heer, dat U mij zo hoog hebt verheven, zodat ik met U zorgeloos kan leven!

 

Lichtende sterren (gedicht) door Judith Jacobs

“… .opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods temidden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld” Filippenzen 2 vers 15 (Filip. 02:15).

Een ster te zijn, die helder straalt

Temidden van een ‘boos’ geslacht,

Dat is wat Gij van mij, o Heer

Van ieder kind van U verwacht.

 

Maar hóe te zijn: een schijnend licht

Dat baan breekt in een donkere nacht

Als in de wereld men uw Woord Verwerpt,

ontluistert en verkracht?!

 

Zou het niet nuttig zijn als ik

Wat water voegde bij de wijn?

Zou zo de ‘lieve vrede’ zelfs

Niet beter te bewaren zijn?

 

Maar als Gij in Uw liefd’ tot mij

Het offer van Uw leven bracht,

Kan ik het dan met minder doen?

Heer, Gij helpt mij door Uw geesteskracht!

 

De wijnstok en de ranken door Jan W. Companje

 

“Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden bewa­ren. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een an­dere Trooster geven om in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvan­gen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet: Maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn” Johannes 14 vers 15 tot en met 17 (Joh. 14:15-17).

Gezanten met de boodschap van verzoening

Uit de gesprekken van Je­zus met zijn discipelen, om­schreven in Johannes 14 tot en met 17, (Joh. 14:17) blijkt zonne­klaar dat met de dood van Jezus Zijn werk niet op­houdt. In eerste instantie wordt er iets voltooid, iets afgemaakt en rechtgezet wat door de zondeval in Gods schepping is gekomen.

Zoals door één mens, de eerste Adam, de zonde in de wereld is gekomen, zo is door die tweede Adam, als eerstgeborene van een nieuwe schepping, de zondemacht er uit gehaald. Dat heeft als consequentie, het onvermijdelijke gevolg, dat wij weer in overeenstemming met het doel waartoe wij ge­schapen zijn, kunnen leven, denken en de toekomst te­gemoet zien.

Paulus was zich dat bewust en hij zag dat het werk van Christus moest worden voortgezet. Hij zegt ten op­zichte daarvan dan ook in 2 Korinthiërs 5 vanaf vers 14 (2 Kor. 05:14): “Want wij (gelovigen) zijn gegrepen door de liefde van Christus, en ons be­wust dat één man gestor­ven is voor allen (dat wil zeggen voor alle mensen). Daaruit volgt dat het hele mensdom is gestorven. En Hij stierf voor alle mensen met de bedoeling dat zij die leven, (opgestaan zijn tot een nieuw leven) niet langer zullen leven voor zichzelf, maar voor Hem die voor hen is gestorven en verrezen uit de dood. Op die grond beoordelen wij niemand meer naar mense­lijke maatstaven, ook al heb­ben wij vroeger Christus gezien vanuit een menselijk standpunt, nu is dat niet meer het geval. Want wie één is geworden met Chris­tus, is een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is geko­men. Dat alles (!) is het werk van God. Hij heeft ons door Christus met zich­zelf verzoend en ons bij dat verzoeningswerk inge­zet. God heeft dus in Christus de wereld met zichzelf verzoend zonder de zonden van de mensen in rekening te brengen, en ons heeft hij belast met de­ze boodschap van verzoe­ning. Wij treden dus op als gezanten van Christus; het is alsof God u oproept door ons: ’In Christus Naam, wij smeken u, laat u met God verzoenen'”. Tot zo­ver wat Paulus schrijft in 2 Korinthiërs 5.

Op die grond is Jezus als eerstgeborene van een nieuwe schepping, geboren uit de „Geest Gods, de enige weg tot de Vader. Hij is de Doper in de Heilige Geest, indien wij tot Hem komen, zijn geboden bewaren en ons toevertrouwen aan Hem, dat wil zeggen Hem aanvaarden als de door God de Vader zelf aangestelde Verlosser en Heer.

De noodzaak van een persoonlijk Pinksteren

Hij doopt met de Heilige Geest. Hij kan door die Geest en zal door die Geest, het nieuwe volk Gods, de gemeente van Jezus Chris­tus, leiden naar de volle waarheid. Die Geest zal het uit Hem nemen en het ons verkondigen, nu en in de toekomst. Ja het zal over ons uitgestort worden als een milde regen, een late regen, die de oogst rijp maakt. De vruchten en de gaven van die Geest zullen dusdanig functioneren dat we zullen eten en drinken tot verzadiging toe en dat we zullen overhouden.

Zo is het plan Gods, aan jood en heiden, ja aan de ganse schepping zal verkon­digd worden, dat Jezus de boom des Levens en de weg tot God is. Voor een ieder geldt, zonder uitzondering’ van wie ook, ook niet voor het volk der joden, dat er slechts één weg tot terugkeer naar onze roeping als kroon der schepping is.

Het volk van God voor nu en voor de toekomst, zal geënt moeten zijn op die boom. Dan zullen wij één zijn en één blijven met Hem. Daar­om is een persoonlijk pinksteren voor iedere christen onontbeerlijk. Het nieuwe volk van God, wat in het nieuwe testament bedoeld is, zal op zijn voeten komen te staan en na tweeduizend jaar christendom gaan zien en bewust worden dat het gaat om het één worden met Christus. Het volk, dat door die Geest bezield is, zal voleindigen wat Zijn hand begon te doen bij de geboorte van Christus als eerstgeborene van vele broeders.

Het oude verbond met zijn heen wijzigingen naar Chris­tus en zijn gemeente zal in ons vervuld en bevestigd worden. Psalm 102 zegt daar onder andere van: “Gij zult opstaan en u over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen; want uw knechten hebben behagen in haar stenen (wij zijn de bouwstenen van het geestelijke huis Gods). Zij hebben deernis met haar puin. Dan zullen de volke­ren de naam des Heren vre­zen, alle koningen der aar­de uw heerlijkheid, wanneer de Here Sion heeft gebouwd en verschenen is in zijn heerlijkheid. Zich heeft ge­wend tot het gebed van de berooide en hun gebed niet heeft veracht. Dit worde op­geschreven voor dit ge­slacht : Dat volk dat door de Geest Gods geschapen zal worden, zal de Here loven”. En dan vers 23 dat zegt dat de volken altegader en de koninkrijken zich zullen ver­zamelen om de Here te die­nen .

De blijvende functie van het onzichtbare

Jezus en Hij alleen kan met Zijn Geest tot dit doel ko­men. Door Hem kan de Geest Gods over ons vaardig worden en ons een nieuw le­ven schenken met een nieu­we hemel en een nieuwe aar­de. Kom ga met ons en doe als wij, trek met ons op naar het hemelse Jeruzalem. Laat u niet langer vastbin­den aan het aardse wat al­leen maar een schaduw van het hemelse kan zijn. Het zichtbare heeft slechts een tijdelijke functie, het onzichtbare daartegenover een blijvende, eeuwige functie. Door de doop in de Heilige Geest hebben wij een eeuwigheidsfunctie gekregen en door die Geest leven wij in gemeenschap met Hem als de ranken aan de wijnstok. Dat leven is eindeloos en, houdt niet op bij het sterven van ons aardse lichaam. Innerlijk, waar ons leven – uw en mijn ‘ik’ zetelt – zijn en blijven wij met Hem verbonden omdat wij weder­om geboren zijn tot een nieuwe schepping. Dat is het ware leven dat niet door de dood wordt teniet gedaan.

In het gesprek tussen Je­zus en Nicodemus Johannes 3 vers 1 tot en met 21 (Joh. 03:01-21) komt dit wel zeer dui­delijk tot uiting. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeu­wig leven. Wie niet in de Zoon gelooft, wie Hem niet als Verlosser en Leidsman aanvaardt, heeft het leven niet en God de Vader blijft die mens afwijzen, omdat hij of zij niet door de poort, door de deur, het Konink­rijk Gods wil binnen gaan. Hij blijft buiten staan en God kan door Jezus Chris­tus, geen gemeenschap met hem of haar hebben. Zij hebben zichzelf immers bui­ten het heil Gods gesteld. Zij hebben de inspiratie, de leiding van Gods Geest, niet aanvaard en zijn door het niet aanvaarden van Christus, als de bron des levens, niet in staat om één met Hem te worden. Wie de Here aanhangt wordt één Geest met Hem, dan gaat het oude voorbij en wordt alles nieuw. Wie Jezus en met Hem Gods aanbod aanvaardt, heeft eeuwig leven; wie Hem niet aanvaardt, heeft zichzelf het eeuwige leven ontnomen.

Liefde is gehoorzamen aan Gods opdracht

Niemand kan uit zichzelf een nieuw Goddelijk leven opbouwen, al zoek je er ook nog zo hartstochtelijk naar. Het nieuwe leven is – ont­houdt dat goed – alleen mo­gelijk door het aanvaarden van het gebod om alles te doen wat Hij je opdraagt. De ‘Groot Nieuws voor u’ vertaling vertaalt boven­staand Bijbelgedeelte op de­ze wijze: “Als je Mij liefhebt, doe je wat Ik je op­draag. Op Mijn verzoek zal de Vader jullie een ander zenden, iemand die jullie bijstaat en altijd bij je blijft: De Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, omdat ze hem niet ziet of kent. Maar jullie kennen hem, want hij woont bij jullie en zal in jullie leven. Dat is: Ik laat je niet als wezen achter; Ik kom bij je terug met Mijn Geest”.

Hij is en blijft de ware wijnstok. Wij, die in Hem zijn, zijn de ranken. Wij ontvangen ons leven uit Hem. God zelf is de landman. Dode takken worden weggesneden en levende takken (ranken) worden ge­snoeid en gezuiverd opdat zij vrucht zullen dragen. Wij zullen ons steeds meer bewust moeten worden dat wij één zijn met Christus. Zijn leven is ons leven en wij staan allen – Jezus en zijn lichaam – onder de zorg van de landman. Een rank kan dan slechts vrucht dragen als hij met de wijnstok verbonden is. Wie niet met Hem verbonden is, wie zijn leven niet door­geeft, is als een dorre tak. Hij draagt geen vrucht en zij wordt afgebroken, bij elkaar geharkt en in het vuur gegooid Johannes 15 vers 6 (Joh. 15:06).

Lezer en lezeres, vraag u zelf af, of u verbonden bent met Hem die het leven ja ook uw leven is. Uw geest, die u als mens, als kroon der schepping gege­ven is, wordt door God de Vader begeerd. Dat wil zeggen Hij wil graag in ge­meenschap met ons samen leven. Zijn Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn. Die Geest kan in ons meer doen dan wij bidden of beseffen.

Er zijn momenteel omstan­digheden genoeg die zeggen dat dit alles niet mogelijk is. Dat alles nog steeds snel achteruit gaat. Ik kan u echter verzekeren dat bij God alles mogelijk is. Als wij zeggen: nu kan het niet meer gebeuren, gebeurt het juist. Ik denk mede om het feit dat wij zullen erkennen dat het Zijn werk is.

Er is tot op heden eigenlijk steeds een natuurlijk lichaam van Christus geweest. Wij stonden als het ware nog steeds veel te veel in de schoenen van de eerste Adam. Maar als er een na­tuurlijk lichaam is 1 Korinthe 15 vers 44 (1 Kor. 15:44 vv) dan is er ook een Gees­telijk lichaam. Daarom staat er ook geschreven: “De eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam (Jezus) een levendma­kende Geest. Maar het gees­telijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke.

De mens groeit eerst uit tot volle verantwoording, tot het niveau van mogelijkheid tot eigen beslissing en daar­na tot het aanvaarden van een Geestelijk leven. Ook in deze laat de Heer alle dingen meewerken ten goe­de. Eens buigt zich alles voor Jezus neer, erkennen­de dat Hij het licht der we­reld, ja voor ons allen is. Dan zijn wij Zijn dienaars, niet der letter, maar des Geestes. Geprezen is Hij die dit alles in allen volmaakt’

 

Van de redactie

Een heldere structuur

Tijdens de onlangs gehou­den Kinderboekenweek lazen wij een interview met Heleen Kernkamp. Haar werk bestaat in het bewerken van kinderboeken, zodat ook kinderen met leesproblemen ze begrijpen en meer en beter gaan lezen. “Het verhaal moet een heldere structuur hebben, waarin het volkomen duidelijk is wie wat zegt. Verder moet bij moeilijke woorden de bete­kenis direct uit de context blijken, zodat de le­zer er niet de verkeerde kant mee uit kan”, is haar mening.

Toen we dit zo lazen dachten we aan “Levend Ge­loof” . Niet dat we het steeds groeiend aantal le­zers en lezeressen van ons blad vergelijken wil­len met kinderen die leesproblemen hebben. Inte­gendeel, “Levend Geloof” wordt gelezen door ‘alle lagen van de bevolking’, intellectuelen zowel als mensen met alleen een basisopleiding. Maar wel zijn we van mening dat alle artikelen ‘een helde­re structuur’ behoren te hebben. We blijven het als een opdracht zien de uitleg van de volle boodschap door te geven in een voor iedereen be­grijpelijke taal! Zoals ook Jezus en de apostelen niet ‘boven’ maar ‘naast’ de mensen gingen staan, opdat het woord van de levende God wat zij ver­kondigden, een positieve uitwerking kon hebben in allen die zich daarvoor openstelden.

Makkelijk schrijven is een hels karwei; het is het meest inspannende werk dat er bestaat, vol­gens Heleen Kernkamp. Gelukkig is dit niet de me­ning van de redactie van “Levend Geloof”. We hoe­ven ons niet krampachtig in te spannen bij het schrijven van artikelen. Wel ontmoeten we soms felle tegenstand uit het rijk der duisternis, maar laten ons hierdoor niet imponeren. Gods Geest woont immers in ons en die geeft ons ken­nis, inzicht en wijsheid om ‘inspirerend’ te schrijven. We schrijven dit in alle bescheiden­heid, maar ook in alle vrijmoedigheid. Want wat is er heerlijker dan de volle boodschap te ‘ver­woorden’ zoals wij dat in “Levend Geloof” doen? En wat geeft er meer voldoening en dankbaarheid dan te bemerken dat de inhoud van ons blad goed overkomt bij onze lezers en lezeressen. En met ‘goed overkomen’ bedoelen wij dat wat wij schrij­ven geen theorie blijft, maar praktische uitwer­king heeft. Want daar gaat het uiteindelijk om!

Dubbele uitwerking –

Vele van onze lezers en le­zeressen zijn gemotiveerd, dat wil zeggen zij hebben de boodschap van het Koninkrijk Gods aan­vaard of staan er open voor. Gemotiveerd zijn be­hoort echter ‘dubbele uitwerking’ te hebben, ‘naar binnen’ voor de eigen geestelijke ontwikke­ling zodat wij volwassen christenen worden en ‘naar buiten’ om ook anderen in aanraking te brengen met het volle evangelie. En wat dit laat­ste betreft: één van de hulpmiddelen hierbij is ongetwijfeld “Levend Geloof”. Wij willen graag ons lezersbestand verder uitbreiden en vragen daarbij uw hulp! Win eens een nieuwe abonnee of geef een geschenkabonnement cadeau! Als iedereen meedoet, kunnen wij binnen korte tijd onze opla­ge verdubbelen!

Giften –

We zijn dankbaar voor de giften die wij iedere maand weer ontvangen. Deze blijven ook be­slist noodzakelijk, want de abonnementsprijs van ƒ 15,– per jaar is bij lange na niet toereikend om alle kosten te dekken. En wij willen graag als blad dat de ‘gezonde leer’ brengt, ook in financieel opzicht op gezonde wijze functioneren. Wij vertrouwen daarom dat wij ook in dit opzicht op onze lezers kunnen rekenen.

Gedachten over het boek Job –

Nog één aflevering volgt er van deze veelgelezen serie. Daarna wor­den de verschillende hoofdstukken samengebracht en in de vorm van enkele brochures uitgegeven. We hopen ook hiermee velen van dienst te kunnen zijn.         

Geloven gelijk de Schrift zegt door Wim te Dorsthorst

 

(Dit is het tweede en laatste deel van een artikel waarvan het eerste deel verscheen in “Levend Geloof” van vorige maand).

Wie brengt alles tot volheid?

In Efeziërs 1 vers 10 (Ef. 01:10) zegt Paulus dat God in Jezus Christus zich had voorgeno­men om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, a al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten. Zie ook Efeziërs 4 vers 10, (Ef. 04:10)waaruit duidelijk blijkt dat dit ’tot volheid brengen’ niet geschiedt door het natuurlijke volk Israël, maar door het geestelijke Israël: de gemeente. Christus is als hoofd aan de gemeente gegeven en er dan ook wezenlijk mee verbon­den. Waar het hoofd is, is ook het lichaam. Binnen de gemeente is het mogelijk tot mannelijke rijpheid te ko­men. Dat is het eeuwige voornemen van God. Door middel van Jezus Christus en de gemeente, dus allen die in Hem zijn door weder­geboorte en doop in de Heilige Geest Johannes 3 vers 3 tot en met 6; Romeinen 8 vers 9; Romeinen 8 vers 14 (Joh. 03:03-06; Rom. 08:09 en Rom. 08:14). Het einde – de volle vrucht van het oude verbond en het nieuwe verbond, de volheid der tijden Efeze 1 vers 10 (Ef. 01:10), dat is wat Paulus beschrijft in 1 Korinthiërs 15 vers 28 (1 Kor. 15:28) met de woorden: “Wanneer alles Hem (de Zoon) onderworpen is, zal ook de Zoon zelf zich aan Hem (God) onder­werpen, die Hem alles on­derworpen heeft, opdat God zij alles in allen”.

En die ‘allen’ dat zijn alle mensen van Adam tot de laatste mens die geboren zal worden, behalve zij die de duisternis liever hebben ge­had dan het licht Johannes 3 vers 19 (Joh. 03:19). Dat is de derde dag – de derde hemel, de voltooiing van Gods heilsplan.

God heeft alles gelegd in handen van de Zoon en de Zoon volbrengt de wil van de Vader en waakt over al­les wat de Vader Hem toe­vertrouwd heeft Johannes 8 vers 38 tot en met 40 (Joh. 08:38-40). En de Zoon geeft het pas weer terug als Hij alles tot volheid heeft gebracht. De bedelingenleer is hiermee in tegenspraak, want die kent aan een natuurlijk volk een hele bijzondere taak toe in dit heilsplan en dat is in tegenspraak met wat God zegt.

Als Jezus in Matthéüs 24 spreekt over de laatste din­gen, dan zegt Hij: “Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de enge­len der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen”. Er zijn dingen die we niet in de Schrift kun­nen vinden, die de engelen niet weten, en die zelfs de Zoon niet weet, (die de Heilige Geest dus ook niet uit Hem kan nemen om aan ons te verkondigen, Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14), hoe kan dan een mens uit de Schrift de bedelingen­leer destilleren? Jezus zegt: “Het is niet uw zaak de tij­den of gelegenheden te we­ten, waarover de Vader de beschikking aan zich gehou­den heeft”.

Met deze uitspraak zijn we weer terug in Handelingen 1 waar de discipelen de vraag stellen: “Here , her­stelt Gij in deze tijd het ko­ningschap voor Israël?” Jezus geeft ook antwoord op het tweede deel van de vraag, namelijk wat het ko­ningschap betreft. Hij zegt: “Het is niet uw zaak de tij­den en gelegenheden te we­ten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehou­den heeft,… maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getui­gen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde”.

Het koninkrijk dat Jezus bedoelt

De apostelen zullen gedacht hebben aan het koningschap van David en vooral ook van Salomo toen het land vrede had en leefde in gro­te overvloed. Jezus was toch de Zoon van David? Ze herinneren zich nog hoe het volk riep: “Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de Naam des Heren” Matteüs 21 vers 9 (Matt. 21:09). Jezus, opgestaan uit de dood, Hij zou voor altijd het koningschap op zich nemen en ze zouden zelf verzekerd zijn van een goe­de plaats in dat Koninkrijk! Jezus geeft echter als ant­woord: “Gij zult kracht ont­vangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn”.

Er wordt een koninkrijk ge­vestigd en Jezus zegt ook hoe! Door de Heilige Geest kracht ontvangen en dan de boodschap prediken zoals Hij dat zelf gedaan heeft. Hij gaat tot Johannes de Doper, wordt ondergedompeld in het water en als Hij daaruit op­stijgt, bidt Hij om de Heilige Geest en ontvangt die. Niet automatisch, maar door er aanspraak op te maken. Vanaf dat moment is Hij gezalfd met de Heilige Geest en met kracht en begint Hij met het verkondigen en ves­tigen van het Koninkrijk Gods. Markus 1 vers 14 en 15 (Mark. 01:14-15)zegt: “En nadat Johannes de Doper was overgeleverd, ging Jezus naar Galilea om het evangelie Gods te predi­ken, en Hij zeide: De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Be­keert u en gelooft het evan­gelie”.

Jezus vestigt geen aards ko­ninkrijk, maar Hij vestigt het Koninkrijk van God en dat is niet buiten de mens, maar in de mens, in de geest van de mens. In de 18 inwendige mens die bij de onzienlijke wereld hoort. “Want zie het rijk Gods is inwendig in u” Lucas 17 vers 21 Lutherse vertaling (Luc. 17:21).

“Want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen u lieden” (Statenvertaling). De denkfout is dat het Koninkrijk Gods te lokaliseren is op aarde of ergens in de hemel, of een bepaald tijdperk is. Jezus leert nadrukkelijk dat het niet van deze aarde is, maar dat het te maken heeft met een denkwereld in je geest, dus die door het evangelie Gods gezuiverd en vernieuwd wordt. “Be­keert u en gelooft het evan­gelie”. En dit evangelie is alleen maar zuiver en krach­tig door de Heilige Geest.

In Matteüs 12 vers 28 (Matt. 12:28) zegt Jezus: “Maar indien Ik door de Geest Gods de boze gees­ten uit drijf, dan is het Ko­ninkrijk Gods over u geko­men”. Het heeft dus te ma­ken met een klimaat, een toestand, waarin een mens komt, wanneer Hij bevrijd wordt van boze geesten.

Van iedere inwerking van boze geesten. Ook van vro­me dwaal- en leugengeesten, die de waarheid Gods ver­duisterd en verminkt heb­ben. En het klimaat is dan: rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest. Alleen verlost te zijn door het bloed van Jezus Chris­tus is niet voldoende. Te­gen de grote theoloog Nicodemus zegt Jezus: Je zult wederom geboren moeten worden om het Koninkrijk Gods te kunnen zien en bin­nengaan Johannes 3 vers 3 tot en met 6 (Joh. 03:03-06). En dit binnengaan is niet een ingewikkelde procedure met veel intellect en getheore­tiseer, maar Jezus zegt: Doet het in de eenvoud en simpelheid van een kind. Gehoorzaam gewoon als een kind. “Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet bin­nengaan “.

“Nogmaals, het Koninkrijk Gods, komt niet zo, dat het te berekenen is: Zie, hier is het of daar!” Lucas 17 vers 21 (Luc. 17:21) Here, herstelt Gij in deze tijd het Koninkrijk? Ja, zegt Jezus. Gij zult kracht ont­vangen als de Heilige Geest over u komt en dan zal het gevestigd zijn binnen in u en weest dan getuigen van Mij, zoals de Schrift dat van Mij zegt. Dat is het koninkrijk Gods en het koninkrijk van Jezus Christus.

Wat zegt de Schrift van Je­zus en wat zegt Jezus van de Schrift? De apostelen hebben het begrepen na de uitstorting van de Heilige

Geest. Petrus gaat prediken en als de joden – dit geldt dus evenzeer voor de joden – dan zeggen: “Wat moeten wij doen mannen broeders?” Handelingen 2 vers 37 (Hand. 02:37) dan spreekt Petrus, overeenkomstig de leer en de opdracht van Je­zus Christus: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de Naam van Jezus Christus, tot verge­ving van uw zonden, en gij zult de gave des Heili­gen Geestes ontvangen”. Niet collectief, maar ‘een ieder’, dus heel persoonlijk. “En gij zult…”, niet: ‘je hebt dan automatisch…’ maar: gij zult…, evenals Jezus Christus en evenals de apostelen, de Heilige Geest ontvangen. Zie onder andere Handelingen 8 vers 14 tot 17. (Hand. 08:14-17) Petrus toont vanuit de Schriften aan dat Jezus de Christus is! Het is gewoon opvallend hoe die eerst zo bange Petrus vanaf vers 22 rechtstreeks tot de joden spreekt, zo­maar door de Heilige Geest geleid. Hij citeert Psalm 18 vers 8 tot 11 en Psalm 110 vers 1 (Ps. 018: 008-011; Ps. 110:001) en hij zal ongetwijfeld nog veel meer hebben ge­zegd dan hier opgetekend staat, maar zijn eindconclu­sie is zo rijk en helder dat de joden die naar hem luis­teren diep in hun hart ge­troffen worden en zeggen: wat moeten wij doen mannen broeders? Petrus zegt in Handelingen 2 vers 36 (Hand. 02:36): “Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem en tot Here en tot Christus ge­maakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt”.

Dat is nu geloven en getui­gen van Christus gelijk de Schrift zegt. Onversneden, recht en zuiver. En het ge­volg is dat ongeveer 3000 mensen tot bekering komen en zich laten dopen.

Verstaan wij wat wij lezen?

Wat zoeken wij in de Schrif­ten? Wat willen wij vinden? Lezen wij wat er staat of verstaan wij – door de Hei­lige Geest – wat wij lezen? Wat is er al allemaal ge­zocht en gedestilleerd uit de Schriften! Dat wat de bedelingenleer uit de Schriften probeert aan te tonen, namelijk de verschillende bedelingen, waarin het volk Israël die hele speciale plaats zou hebben, dat tonen Jezus en de apostelen – en vooral ook Paulus – duidelijk en helder aan dat dat niet zo is.

Als wij dit gaan zien, dan hebben wij een sleutel om dat in de Schrift te zoeken, wat we er in moeten vinden. Het is opvallend hoe duide­lijk Jezus zelf zegt, wat wij in de Schrift moeten zoeken. Enkele voorbeelden (van de vele die er zijn) om dat aan te tonen.

Johannes 5 vers 19 tot 47 (Joh. 05:19-47) is een gedeelte wat daar zo van spreekt. Heel treffend hebben de vertalers er bo­ven gezet: ’Jezus’ getuige­nis van zichzelf’. Als Jezus van zichzelf getuigt, dan is dat dus ook altijd het getuigenis van God. God ge­tuigt immers: “Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!” Matteüs 17 vers 5 (Matt. 17:5). En Jezus zegt: “Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij van Mij aflegt, waar is” Johannes 5 vers 32 (Joh. 05:32).

Maar vanaf vers 39 komt Je­zus tot de kern waar het om gaat. Hij zegt: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig le­ven te hebben”. De Schrif­ten onderzoeken en dan vooral de boeken van Mozes en dan tot in het extreme proberen te doen wat de wet zegt (Matteüs 23) en dan denken dat je daardoor eeu­wig leven hebt! Ineens geeft Jezus er de ware be­tekenis aan. Hij zegt: “en deze zijn het (de Schriften) welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij ko­men om leven te hebben”.

De Schriften getuigen dus van ‘de Christus’ en daarin is eeuwig leven. Niet in de Schriften, maar in de Christus’. Jezus gaat nog verder en Hij zegt in Johannes 5 vers 46 en 47 (Joh. 05:46-47): “Want indien gij Mozes geloofde, zoudt gij ook Mij geloven, want Hij heeft van Mij geschre­ven. Maar indien gij zijn geschriften niet gelooft, hoe zult gij in Mijn woorden geloven?”

Dus de eerste vijf boeken van uw en mijn Bijbel spre­ken van Jezus Christus.

Van ‘de Beloofde’, van de Messias, van Jezus Chris­tus. Als we dus iets gaan zoeken, dan zal de hoofdge­dachte, moeten zijn: Hoe vind ik hierin de Christus, want het geschrevene heeft betrekking op Jezus Chris­tus en op allen die in Hem zijn. Het heeft dus ook be­trekking op mijzelf als ik in Christus ben.

Matteüs 18 vers 21 (Matt. 18:21) heb ik al genoemd: “Van toen aan begon Jezus Christus zijn discipelen te tonen, dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden moest…” Er staat niet ’te leren’, maar er staat ’te tonen’. Hoe toonde Jezus dat? Vanuit de Schriften! Ik denk in ver­band met Zijn lijden en sterven aan Jesaja 53, maar ook aan de offerdienst in Leviticus beschreven en nog vele andere plaatsen.

Als Jezus in Matteüs 16 vers 14 (Matt. 16:14) vraagt: “Wie zeggen de mensen, dat de Zoon des mensen is?”, dan zit daar achter: zouden ze Mij vanuit de Schriften als de Christus herkennen? Jezus is blij dat het bij de discipelen begint te dagen en dat Petrus zegt in vers 16: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God!”

In Lucas 24 vers 13 tot 35 (Luc. 24:13-35) lezen wij hoe Jezus onder­weg is met de Emmaüsgan­gers. Na alles aangehoord te hebben zegt Hij in Lucas 24 vers 25 tot en met 27 (Luc. 24:25-27): “O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profe­ten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had”. Jezus betrekt hier de hele Schrift op Hem zelf. Mozes – de wet, zegt Jezus elders – de profeten, dus ook de psalmen en al de Schriften!

Ook in Lucas 24 vers 43 tot 49 (Luc. 24:43-49) staat het zo overduide­lijk. In vers 44: “… dat alles wat over Mij geschre­ven staat in de wet van Mo­zes en de profeten en de psalmen moet vervuld wor­den” Vers 45: “Toen opende Hij hun verstand, zodat zij de schriften begrepen”.

Jezus Christus is de vervulling van de wet en de profeten Matteus 5 vers 17 (Matt. 05:17). Wat nog niet vervuld is – de escha­tologische gedeelten – zal- ook in Hem’ vervuld wor­den en in allen die in Hem zijn. Daarom zegt Pe­trus ook wat de profeten betreft: “Zij hebben gepro­feteerd van de voor u be­stemde genade” 1 Petrus 1 vers 10 (1 Petr. 01:10). En wie die ‘u’ zijn staat in vers 1 en 2.

In vers 12 onderstreept Petrus dan nog eens dat wij nu deze dingen verstaan door de Heilige Geest, die ons van de hemel gezon­den is.

Door Gods Geest verstaan wij de Schrift

Alleen door openbaring van de Heilige Geest is de Schrift te verstaan en zullen wij met Petrus kunnen zeg­gen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God”.

Jezus zegt in Matteüs 13 vers 17 (Matt. 13:17): “Vele profeten en rechtvaardigen hebben be­geerd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te horen wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoord”.

En iedereen die een natuur­lijke invulling wil zoeken, zal, evenals de profeten en rechtvaardigen waarvan Je­zus hier spreekt, het niet zien, horen en verstaan. De Heilige Geest geeft ons een geopend verstand, ge­opende ogen en een geopend hart om de Schrift te ver­staan .

Dan gaan wij Jezus Christus zien zoals Hij ook werkelijk is: de Middelaar van het nieuwe en betere verbond, want het nieuwe verbond is voor jood en heiden, een verbond in Jezus Christus. Dan kunnen wij gaan gelo­ven in Hem gelijk de Schrift zegt, maar ook in alles wat Jezus zelf in en over de Schriften zegt. De Vader heeft immers in het laatst der dagen ‘in de Zoon’ ge­sproken: “Nadat God eer­tijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen ge­sproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft” Hebreeën 1 vers 1 en 2 (Heb. 01:01-02).

Dat zal ons vervullen tot al­le volheid Gods. Als wij dorst hebben en tot Hem komen en drinken, met geloof in Hem, gelijk de Schrift zegt: “stromen van levend water zullen uit zijn binnenste gaan vloeien”. Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38).

 

Verwachting door Gert Jan Doornink

De houding van de ware christen is dat hij een le­ven heeft van verwachting. Wie gelooft in de goede God zoals Deze zich in Jezus heeft geopenbaard en wie verwacht dat Zijn wezen meer en meer gestalte gaat aannemen in zijn leven, zal dit geloof en die verwach­ting gaan ‘uitstralen’.

Het één is een wetmatig ge­volg van het andere. Daarom is het ook zo belangrijk voor iedere gelovige om te leven ‘in verwachting’. Daarmee bedoelen we niet dat we ons bezig moeten houden met allerlei verwachtingen van negatieve dingen die in de nabije of verre toekomst in de zicht­bare wereld kunnen gebeu­ren. Christenen die zich hiermee bezig houden hebben in feite – geestelijk gesproken – iedere reali­teitszin verloren en zijn verblind door satan die hen voorspiegelt: ‘Aan deze wereld valt toch niets meer te veranderen, daar ben ik de baas’. En, wat nog veel erger is, zij geloven dat ook in hun eigen leven, ook al zijn ze dan kinderen Gods, niets meer te veran­deren valt. ‘Je bent en je blijft een zondaar’, is hun levensmotto. Straks in de eeuwigheid komt daar pas verandering in…

Maar, prijst God, er gaat in onze dagen een generatie opstaan die wel leeft in de verwachting zoals God die bedoeld heeft voor Zijn kinderen. Zij weten dat wie de Heer verwachten, nieuwe kracht putten. Terwijl sa­tan hen probeert krachte­loos te maken, bieden zij daarentegen met succes weer­stand. Hun inwonende Godde­lijke kracht – de Heilige Geest – stelt hen daartoe in staat en doet hen uit­groeien tot triomfators.

Zij behoren tot de ware Gemeente van Jezus Chris­tus en geloven dat het nieuwe leven van Christus in hen tot volle openbaring gaat komen. Omdat hun ver­wachting een geloofsverwachting is, staan ze in de wil van God, die ‘het goed, welgevallige en volkomene’ in hen bewerkt. Wat een vreugde en zekerheid te leven in deze verwachting!

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts – 12 –

De oorlog tussen de vorsten

Na de struisvogel komt nu het paard aan de orde; het beeld van een strijdros wordt ons getekend. Telkens wanneer de horen geblazen wordt, dan ruikt het reeds van verre de kamp. Dit gedeelte bevat een aantal begrippen met een be­paalde geladenheid: tweemaal is er sprake van de ramshoren, de sjofar, die steeds bij bijzondere gelegenheden werd ge­hanteerd, met name ook bij het begin van de krijg. Het is het instrument dat in de regel te maken heeft met een door­stoten naar het koninkrijk van God, zoals bijvoorbeeld in verband met de verovering van Jericho en ook wanneer het jubeljaar moet worden uitgeroepen; trouwens, het in bezit nemen van Jericho was in diepste wezen ook een jubeljaar. Het ging er immers om de thuiskomst van het godsvolk op eigen bodem. Met de ramshoren verbonden is daar een andere term: de strijdkreet of jubelroep, een woord dat uit het­zelfde milieu afkomstig is: ook dit begrip treffen we aan in verband met jubeljaar en Jericho.

Dan is er nog een opmerkelijke uitdrukking: het geroep der aanvoerders; er staat eigenlijk: de donder of de donderroep der vorsten, een andere vertaling zegt: de heirvorsten of legervorsten. In het boek Daniël wordt ditzelfde woord meermalen gebruikt om engelvorsten aan te duiden en tegen deze achtergrond kunnen we verstaan dat God hier tot Job spreekt over de oorlog tussen de vorsten in de geestelijke wereld. Als we een papallel trekken met het boek Openbaring, dan valt het op dat we ook met betrekking tot het eindgebeuren de paarden zien uitrukken.

Machten die de Godsopenbaring willen blokkeren

Dan gaat God zijn eerste rede afsluiten met de vermelding van de valk (of volgens sommigen de havik of de sperwer) en de arend (of de gier). “Is het door uw inzicht, dat de valk vliegt, zijn vleugels uitslaat naar het zuiden?” (Job 39:29). Nu is de havik geen trekvogel en hij nestelt in de bomen; de sperwer huist niet op de toppen van rotsen. Men kan derhalve het best denken aan een valk; het kan de slechtvalk zijn, een trotse vlieger en sterke, behendige jager, de schrik van alle vogels, of de eleonoravalk die nestelt op de rotsen van de eilanden in de Middellandse zee. De valk gaat hier naar het zuiden; hier staat het woord Teman, en de naam Teman vinden we, wanneer er sprake is van een theofanie, een godsverschijning, zoals Habakuk profeteert: God komt van Teman. Veelbetekenend is in relatie hiermee dat Elifaz omschreven wordt als een Temaniet, dus als afkomstig uit Teman. Daar zal God verschijnen, daar verzamelen zich ook de machten om deze godsopenbaring, als het zou kunnen, te blokkeren.

“Is het op uw bevel, dat de gier (of de arend) zich verheft, en zijn nest (of zijn horst) in de hoogte bouwt, op rotsen woont en vernacht, op rotskam en bergvesting?” Job 39 vers 30 en 31 (Job 39:30-31). We horen hier over een nest, een arendshorst, en datzelfde woord komen we ook tegen in één van de spreuken die Bileam doorgaf: “Toen hij de Kenieten zag, hief hij zijn spreuk aan en zeide: Vast in uw woning, gesteld op de rots is uw nest, nochtans zal Kaïn tot verwoesting zijn: hoe lang nog of Assur voert u gevankelijk weg” Numeri 24 vers 21 en 22 (Num. 24:21-22). Daar zit trouwens een woordspeling in, want het woord voor ’nest’ in het Hebreeuws is qen, en dat woord wordt klankmatig verbon­den met Kaïn en Keniet, namen die in de grondtaal eveneens met de letter Q beginnen.

En uitgerekend van Edom wordt gezegd: “Al maakt gij uw nest zo hoog als de gier (of arend), Ik zal u vandaar neerhalen” Jeremia 49 vers 16 (Jer. 49:16). Edom, waar de vrienden van Job hun oorsprong hadden. Nest, dat duidt op een bolwerk, een vesting, daar verschanst de vogel zich, en ook: daar bouwt hij aan zijn toekomst. Vandaar speurt hij naar voedsel, zijn ogen turen in de verte, zijn jongen slurpen bloed en waar verslagenen liggen, daar is hij” Job 39 vers 30 tot en met 33 (Job 39:30-33). Het woord ‘verslagenen’ betekent eigenlijk: doorboorden, het zijn degenen die ge­wond zijn en bloedend liggen op het slagveld. Er zijn van die nesten in de hemelse gewesten, broedplaatsen van mach­ten, basis van waaruit ze opereren. Met deze beschrijving van valk en gier (arend) eindigt de eerste rede van God.

God gaat Zijn recht vestigen

In zijn tweede rede doet de Here een oproep aan zijn knecht: “Toen antwoordde de Here Job uit een storm (een onweder) en zeide: Gord toch als een man uw lendenen” Job 40 vers 1 en 2 (Job 40:01-02). Deze op­dracht wordt voortgezet in het vijfde vers: “Tooi u toch (hier komt hetzelfde aansporende ’toch’, waarmee een gebie­dende wijs versterkt wordt, als in het tweede vers) met heerlijkheid en hoogheid, bekleed u met majesteit en luis­ter” .

Wat was het probleem van Job? Hij had geen inzicht in de geestelijke wereld en daardoor beschuldigde hij God van za­ken waar de Here part noch deel aan had. Daarop stelt God de vraag: “Wilt gij zelfs mijn recht verbrokkelen, mij beschuldigen opdat gij gerechtvaardigd wordt?” Job 40 vers 3 (Job 40:03). God wil nu de ogen van Job openen voor het recht des Heren, zo­als we weten uit de psalmen dat de gunstgenoten Gods het geschreven recht’ zullen voltrekken over de vorsten en de overheden.

Elihu heeft ook iets gezegd over het recht van God: “De Machtige, we vinden Hem niet, hoog verheven (eminent) in kracht en recht, groot (of royaal, menigvuldig) in waarach­tigheid, Hij buigt haar niet” Job 37 vers 23 (Job 37:23).

God gaat zijn recht vestigen in de hemel en dan ook op de aarde. Maar dan zullen er mensen moeten zijn die het recht des Heren gaan kennen. In dat kader krijgt Job dan ook zijn opdracht: “Stort uw ziedende toorn uit,(letterlijk: laat de uitvaringen van uw toorn, of adem, overstromen, en zie al wat trots is, verneder het, of bedwing het, en verpletter de goddelozen op staande voet, of beter: op hun plaats. Job 40 vers 6 en 7 (Job 40:06-07).

Nu is ‘goddelozen’ een motiefwoord in het boek Job, het komt er, met zijn diverse stamvormen, maar liefst veertig keer voor, Een goddeloze is eigenlijk: een doemende, iemand die een doem legt op een ander. Het begrip houdt meer in dan: iemand die er geen god op na houdt.

Nu zal dit de opdracht van de mens Gods zijn: hij zal de doemenden neerwerpen. Dat is dezelfde gedachte die Paulus eeuwen later zal uitspreken: “De God nu des vredes zal wel­dra de satan onder uw voeten vertreden” Romeinen 16 vers 20 (Rom. 16:20).

Tot tweemaal toe wordt hier tot Job gezegd: zie al wat trots is, en in het vervolg van de rede gaat God inderdaad twee trotse wezens noemen. Daarvan geldt: “Verberg hen te­zamen in het stof, sluit hen op (sluit hun aangezicht op) in het verborgen oord” Job 40 vers 8 (Job 40:08). Zij moeten opgesloten worden in het verborgen oord, in de afgrond. Heel de schepping ziet daarnaar uit, dat de uiteindelijke mens zal optreden die het recht des Heren zal voltrekken.

God toont Job de twee grootvorsten

Nu komt de laatste fase. God gaat aan zijn knecht tonen de twee grootvorsten. In de NBG vertaling nijlpaard en kroko­dil genoemd. Een andere vertaling zegt: het oerdier en de draak. Opmerkelijk is dat Openbaring 13 ook spreekt van twee dieren: het beest uit de zee en het beest uit de aar­de. Juist in verband met de eindstrijd zien we dat alles draait om die beide grootmachten.

“Zie toch het nijlpaard”, zo begint de beschrijving, “dat Ik gemaakt heb, evenals u” Job 40 vers 10 (Job 40:10). Nauwkeurig vertaald staat er: dat Ik gemaakt heb met u of bij u. Oorspronkelijk hoorden ze immers bij elkaar: in de natuurlijke wereld wer­den de dieren geschapen om de mens ten dienste te staan, hij zou over hen heersen; en in de geestelijke wereld komen we hetzelfde beeld tegen: de engelen zijn bedoeld om de mens dienend terzijde te staan.

“Het eet gras zoals het rund” Job 40 vers 10 (Job 40:10). Het geeft te denken dat van Nebukadnezar, de vorst van Babel, eveneens vermeld wordt dat hij gras at als een rund in de periode dat hij hoogmoedig werd en als gevolg daarvan werd overgeleverd aan duistere machten. We vinden daar hetzelfde principe van de trots; ook zijn trots werd neergeworpen.

Over dit beest horen we trouwens nog iets wat uiterst frappant is: “Hij is de eerste van Gods werken” Job 40 vers 14  (Job 40:14). Letterlijk: het begin of de eersteling van de wegen Gods (het is een raadsel waarom het NBG hier wegen met werken ver­taalt) .       

Het gaat hier kennelijk om een schepsel van een bijzondere orde. In de geestelijke wereld overgezet: een engelvorst met de rang van een eersteling. Met een hoge positie zoals Lucifer oorspronkelijk bekleedde.

“Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht”, zo vervolgt de tekst in de Statenvertaling. Nu weten we dat in de geestelijke wereld cherubs soms getypeerd worden als dragers van het zwaard. In de aanvang, toen God hem schiep, droeg hij het zwaard, dat wil zeggen: hij was een drager van het woord. Nu herkennen we in dit zwaard de dwaling, de kracht van de verleugening, waar een dodende werking vanuit gaat.

“Zijn staart maakt hij stijf als een ceder” Job 40 vers 12 (Job 40:12). We ho­ren wel vaker over de staart van bepaalde geestelijke mach­ten; zo wordt van de draak verteld dat zijn staart een der­de deel van de sterren met zich meesleept Openbaring 12 vers 4 (Openb. 12:04). En Jesaja geeft als uitleg: “de oude en aanzienlijke is de kop, de profeet die de leugen onderwijst, is de staart” Jesaja 9 vers 14 (Jes. 09:14). Een staart als een ceder, dat is een sterke leugenmacht; dit monster doet meer met zijn staart dan af en toe wat vriendelijk kwispelen. Ceders zijn over het al­gemeen beelden van vorsten in de onzienlijke wereld; Assur wordt een ceder op de Libanon genoemd, en de dag zal zijn tegen alle hoge en verheven ceders van de Libanon, zoals Jesaja in zijn tweede hoofdstuk beschrijft; en wat zal er dan tenslotte overblijven? De rechtvaardige, die op zal schieten als een ceder van de Libanon; de Christus, van wie het Hooglied zingt dat zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren of uitgelezen als de cederen.

De macht der valse profetie

Dit beest toont ons de macht der valse profetie, de macht der voorspelling. Hoeveel serieuze christenen zijn er van­daag de dag niet die lamgelegd worden door voorspellingen. Het einde van de wereld is nabij, oprechte kinderen Gods worden bang gemaakt met films over de opname der gemeente en met schrikbeelden over degenen die achterblijven, trac­toren en treinen die plotseling voortrazen zonder bestuur­der, mensen wier heerlijkheid daarin bestaat dat ze opeens onverklaarbaar vermist zijn.

Velen hebben geen geloof en geen visie meer doordat de geest van de valse profetie hen heeft gevangen in de angst. Ze zijn meegesleurd door de staart van het beest.

Maar dan geldt het woord van de psalmist (berijmde Psalm 68 vers 11:

Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal zijns vijands kop verslaan,

die haar’ge schedel vellen,

die trots wat heilig is, onteert

en daar hij schuld met schuld vermeert,

zich tegen Hem durft stellen.

 

De strijd tegen het oermonster

Dan komt er nog een tweede beest aan de orde: de krokodil; er staat echter in feite: de Leviathan. De Septuaginta geeft: draak. Meermalen spreken de Schriften over de strijd die God heeft te voeren tegen dit oermonster. Zo kondigt Jesaja aan: “Te dien dage zal de Heere met zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken de Leviathan, de lang wemelende slang, de Leviathan, de kromme stomme slang; en Hij zal de draak die in de zee is doden” Jesaja 27 vers 1 Statenvertaling (Jes. 27:01).

 

En Asaf heeft ervan gezongen:

Gij spleet weleer de Schelfzee door uw kracht.

Gij hebt de kop der woest en felle draken,

het vrees‘lijk heir dat Isrel dorst genaken,

in ’t hart der zee verbroken door uw macht.

Gij hebt de koppen van de Leviathan verpletterd (Psalm 74).

 

Er is nog een andere psalm, eveneens een scheppingslied, waarin dit beest wordt genoemd: “de Leviathan, die Gij geformeerd hebt om er mee te spelen” Psalm 104 vers 26 (Ps. 104:026).

God speelt niet met het kwaad (Ruurd)

Nu lijkt het vreemd dat God een kwade macht zou hebben gemaakt om daar een spel mee te bedrijven; het kwaad als speelgoed van God. Dat is ondenkbaar. Maar we moeten ons wel in herinnering brengen dat dit wezen, toen het geschapen werd, goed was. Toen was het door God bedoeld om zich daarover te verheugen, om zich ermee te vermaken. Hetzelfde woord dat in deze psalmtekst vertaald is met ‘spelen’, wordt ook gebezigd in verband met de hemelse Wijsheid in Spreuken 8, en daar is het weergegeven met zich verheugen: “te allen tij­de mij verheugend voor zijn aangezicht, mij verheugend in de wereld van zijn aardrijk” Spreuken 8 vers 30 en 31 (Spr. 08:30-31); hier zou men met de Statenvertaling beter eveneens met ‘spelen’ kunnen weergeven.

Spelen is creatief bezig zijn. God had beoogd creatief werkzaam te zijn met zijn schepselen, ook met dit wezen. Er is trouwens nog een andere vertaling mogelijk van het genoemde psalmvers: de Leviathan, die Gij geformeerd hebt om daarin (namelijk in de zee) te spelen. Doch in plaats van in de zee te spelen is dit schepsel de zee in beroering gaan brengen, zodat deze tot een woedende, woelende chaos werd.

De naam Leviathan hangt naar alle waarschijnlijkheid samen met een werkwoord dat betekent: zich winden, zich krommen of kronkelen; men zou hierin een aanduiding kunnen zien van het wezen, het karakter van deze macht: het is als met een slang die zich kronkelend voort beweegt en die zijn prooi omstrengelt. Brehm beschrijft dit in verband met de reuzen­slangen als volgt: De in het licht tot een smalle streep samengetrokken pupil verwijdt zich, de tong geraakt in be­weging, verschijnt en verdwijnt afwisselend, draait en wendt zich naar alle zijden en ook de staartpunt drukt nu rooflust uit. Het slachtoffer bemerkt niets van het hem be­dreigende gevaar, want het herkent de slang niet aan wie het enige ogenblikken later ten prooi zal vallen.

Niet zelden blijft het slachtoffer zelfs dan nog zitten als de spitsen van de gevorkte tong zijn lichaam aanraken. Dik­wijls heb ik gezien, zo vertelt Brehm, dat konijnen, als het ware om deze begroeting te beantwoorden, ook van hun zijde nieuwgierig de slang besnuffelden.

Eensklaps schiet de slangenkop vooruit, eerst dan wordt de bek geopend en voordat het slachtoffer weet in welk gevaar het verkeert, is het gegrepen en door een of twee ringen van de slang omstrengeld. De slang grijpt het dier en rolt in hetzelfde ogenblik het voorste deel van haar lichaam op, door de kop met de buit naar voren gericht, zoveel kringen te laten beschrijven, als zij kronkelingen om haar prooi wil leggen. Voor de seconde verlopen is, bij welker aanvang de beet plaats greep, is de dodelijke omstrengeling van de vast gegrepen buit reeds een voldongen feit. Hoe onweer­staanbaar deze druk is, blijkt uit de expressie van het om­strengelde dier: de ogen treden uit hun kassen, een pijn­lijke trek verwringt de lip en de achterpoten trekken krampachtig, als deze tenminste niet in de greep mee gevan­gen werden. Reeds na weinige ogenblikken verliest het slachtoffer zijn bewustzijn.

Nadat de slang zich overtuigd heeft van de dood van het dier, ontwart zij langzaam haar kronkelingen. Het zou vergeefse moeite zijn een slang los te wikkelen terwijl zij haar prooi vast heeft. Ik heb getracht, vertelt Hutton, een twee meter lange reuzenslang, die een patrijs omslingerd had, uit elkaar te rollen, maar ook niet de minste beweging was erin te krijgen, ofschoon ik al mijn krachten heb ingespannen.

Hutton vermeldt ook hoe hij er getuige van was dat een tijgerslang zich meester maakte van een sterke, grote varaan, een soort hagedis. Plotseling schoot de slang naar voren en ze slingerde zich met zulk een ongehoorde snelheid en onweerstaanbaarheid om de varaan dat de hals van het dier tweemaal gekraakt en de staartwortel tegen de neuspunt gedrukt werd. De slang bleef net zo lang ineenge­rold liggen tot de varaan dood was; in dit geval duurde dat vier en een half uur. Zij wist precies hoe lang zij wurgen moest.

In Openbaring 13 horen we over het beest dat opkomt uit de zee, met zijn zeven koppen. Job ontvangt hier doorzicht in do eindstrijd, want er zal een volk door de zee heen komen, zoals de psalmdichter gezongen heeft: Psalm

De Heer heeft zelf ons toegezegd:

‘k Zal u door macht en wijs beleid,

uit Bazan weer doen komen,

u zullen als op Mozes’ beê,

wanneer uw pad loopt door de zee,

geen golven overstromen.

(slot volgt) .