1982.12 nr. 232

Levend geloof 1982.12 nr. 232

Het feest van barmhartigheid door Rob Polderman

Kerstfeest – de komst van Jezus Christus in het vlees – en barmhartigheid hebben alles met el­kaar te maken. In Lucas 1, dat voorafgaat aan het hoofdstuk over de geboorte van Jezus, komt maar liefst vijfmaal dat woord ‘barmhartigheid’ voor, Lucas 1 vers 50, 54, 58, 72 en 78.(Luc. 01:50; Luc. 01:54; Luc. 01:58; Luc. 01:72 en Luc. 01:78) We mogen dus wel spreken van een sleutelwoord. Het hele ‘heilsplan’ van God is voortgekomen uit Zijn barmhartigheid. Een tweede sleutelwoord in Lu­cas 1 is het werkwoord ‘omzien’ , Lucas 1 vers 48, 68 en 78 (Luc. 01:48; Luc. 01:68; Luc. 01:78) .

God is barmhartig

Gods barmhartigheid doet Hem omzien. Het gaat hier niet om een omzien dat voorbij is, naar het verleden. Het omzien van God heeft alles te maken met, Zich ontfermen, barmhartigheid be­wijzen. Hij buigt Zich over het verlorene, het zieke en gewonde om het te verzorgen en te her­stellen. In Psalm 18 vers 36 zegt David het zo prachtig: ” uw neerbuigende goedheid maakte mij groot”. God heeft duidelijk en krachtig omge­zien naar de gevallen mens, naar de lage staat zijner dienstmaagd en dienstknecht, omdat Hij barmhartig is. En dat doet Hij heden nog.

Maria getuigt: “Zijn barmhartigheid is van ge­slacht tot geslacht voor wie Hem vrezen. Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm!” In die geweldige lofzang van David in Psalm 103 wordt de Heer bezongen: “Barmhartig en genadig is de Here, lankmoedig en rijk aan goedertieren­heid. Hij doet ons niet naar onze zonden en ver­geldt ons niet naar onze ongerechtigheden”. En daarom kunnen en willen wij van harte met David instemmen: “Loof de Here, mijn ziel en al wat in mij is, zijn heilige naam. Loof de Here mijn ziel en vergeet niet een van zijn weldaden, die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krank­heden geneest, die uw leven verlost van de groeve, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheid, die uw ziel verzadigt met het goede, zodat uw jeugd zich vernieuwt als die van een arend”.

Zelfs het boek Klaagliederen wordt een loflied en een jubelzang wanneer de profeet temidden van de grootste ellende, in de geest de Heer ge­denkt. Hij komt geestelijk weer helemaal over­eind en ademt nieuwe levenskrachten in, terwijl zijn geest zich verheft en getuigt: “Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat wij niet omgeko­men zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, élke morgen zijn zij nieuw, groot is uw trouw! Mijn ziel zegt: Mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen. Goed is de Heer voor wie Hem verwachten, voor de ziel die Hem zoekt. Goed is het, in stilheid te verwachten het heil des Heren” Klaagliederen 3 vers 22 tot en met 26 (Klaagl. 03:22-26).

Zijn barmhartigheden houden niet op. Hij doet niet mee aan bezuinigingsmaatregelen. Wij hoe­ven bij onze hemelse Vader niet in te leveren. Elke morgen zijn ze daar en gedurende de hele dag duren ze voort en in de nacht houdt Hij niet op om barmhartig te zijn en Zijn barmhar­tigheden te bewijzen. Het komt er op aan dat wij het ons niet laten ontroven of weerhouden door de eeuwige dief, satan.

Eén van die mooie, misschien wel de kostelijk­ste eigenschappen van onze hemelse Vader is, Zijn barmhartigheid. Het is die zuivere drijf­veer, Zijn volmaakte liefde, waardoor Hij zijn hand uitstrekt naar de mens en de gehele schep­ping. Satan heeft de mens ten dode toe verne­derd. De mens is zwaar gehavend door de machten der duisternis. Dikwijls verleugend en daardoor totaal verblind voor Gods heerlijkheid, geheel verdoofd voor Zijn stem en gevoelloos geworden voor Zijn liefde.

Wij willen en zullen ons echter daar niet bij neerleggen, noch voor ons zelf, noch voor ande­ren, want…. “God heeft omgezien naar zijn volk om bramhartigheid te betonen”! Zacharias werd vervuld met de Heilige Geest en profeteer­de zeer duidelijk over deze dingen. Het is ze­ker de moeite waard om dat eens aandachtig door te nemen, u vindt het in Lucas 1 vers 67 tot en met 79 (Luc 01:67-79).

Gods barmhartigheid is niet alleen maar een po­sitieve eigenschap van Hem, het brengt zijn kracht in beweging tot ons heil. “Dat Hij ons zou geven, zonder vrees, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen!”

Jezus is barmhartig’

Het woordenboek geeft bij ‘barmhartigheid’ de verklaring: een intens meevoelen met een ander­mans leed. De uitleg die gegeven wordt gaat niet verder dan ‘meevoelen’. Er is echter meer nodig, er moet iets gedaan worden. Met meevoe­len haal je iemand niet uit zijn ellende.

De goddelijke inhoud van ‘barmhartigheid’ is ge­lukkig veel meer dan de menselijke betekenis” die er aan gegeven is. In de Hebreeuwse taal be­tekent dit woord ’trouwe bijstand met de daad’! In dit licht is barmhartigheid een ‘weldadig’ iets. In Het Nieuwe Testament vinden we voor barmhartigheid de uitdrukking ‘innerlijke ont­ferming’. God heeft ‘innerlijke ontferming’ en dat heeft Hij in zijn Zoon Jezus Christus, met vele en zeer grote daden bewezen.

Jezus openbaart het karakter van God. De inner­lijke ontferming blijkt de enorme stuwkracht in het leven van Jezus, die herstel in de mens be­werkt. In Markus 1 vers 41 (Mark 01:41) lezen wij: “Met barm­hartigheid bewogen strekte Jezus zijn hand uit, raakte de melaatse aan en hij was rein”. En tel­kens weer zien wij dat die innerlijke bewogen­heid uitloopt op herstel: “En toen Jezus uit het schip ging, zag Hij een grote schare en Hij werd met ontferming bewogen over hen en genas hun zieken”, “Jezus werd met ontferming bewogen en raakte de ogen van twee blinden aan en ter­stond werden zij ziende en zij volgden Hem” Matteüs 14 vers 14; Matteüs 20 vers 34 (Matt. 14:14; Matt. 20:34).

Zelfs een dode werd opgewekt toen Jezus met ont­ferming bewogen werd door het leed dat over een weduwe gekomen was, vanwege het overlijden van haar enige zoon (Lucas 7). Dat is bijstand met de daad. Daar is een mens mee geholpen! Zó is God en zó is zijn Zoon Jezus Christus. En het is duidelijk de wil van de Vader dat ook wij barmhartig zijn en barmhartigheid zullen beto­nen. De Heer Jezus zegt in Matteüs 9 vers 12 en 13 (Matt. 09:12-13): “Zij die gezond zijn, hebben geen genees­heer nodig, maar zij die ziek zijn. Gaat heen en leert, wat het betekent: Barmhartigheid wil Ik en geen offerande”.

Bewijst ook gij barmhartigheid

God is barmhartig voor ons, opdat ook wij barm­hartig zullen zijn. Wij zijn geroepen om elkaar ’trouwe bijstand met de daad’ te verlenen. Er is een geestelijke wet die luidt: “Zalig de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid ge­schieden! De helende kracht in het nieuwe ver­bond komt voort uit barmhartigheid. Kracht Gods komt in beweging door innerlijke ontferming, daar waar bewogenheid is.

Ons waarachtig kennen van God, zal er in ons le­ven toe leiden dat ook wij het karakter van Hem zullen openbaren, evenals Jezus dat deed. Ken­nis óver God zal niet voldoende zijn. Als nieu­we schepping zullen ook wij het wezen van de Va­der openbaren, zowel in wat wij zijn, als in wat we doen. Jezus sprak zijn ‘wee u’ uit over Schriftgeleerden en Farizeeën met de woorden: “Gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw” Matteüs 23 vers 23 (Matt. 23:23). Het gewichtigste, dus wat het zwaarst weegt en dat is onder ande­re, de barmhartigheid.

Het is soms nodig en nuttig onszelf te onderzoe­ken en er op toe te zien, dat wij niet dezelfde fout maken en een van de gewichtigste dingen de barmhartigheid – verwaarlozen. Het ont­breekt ons misschien niet zozeer aan gezonde kennis van God, maar hoe is het met die ‘warm­hartigheid, de innerlijke ontferming en bewogen­heid’? u kent het ongetwijfeld uit 1 Korinthe 13: “Al ware het, al ware het, al ware het…, maar had de liefde niet, het baatte mij niets, ik ware niets!” Hete hoofden en koude harten, dat is duivelswerk. Wij leven in een tijd dat er zoveel nood en leed is, dat het gevaar niet denkbeeldig is dat het ons niet veel meer doet. Een mens kan ­er immuun voor worden en onbewogen onder blijven. De Heer Jezus geeft ons prachtige gedachten, welke ons zeker kunnen helpen. Van Hem staat geschreven: Toen hij de scharen zag? Werd hij met ontferming bewogen over hen, daar zijn voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben. Toen zei hij tot zijn discipelen: de oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig.

Bidt daarom de Heer van de oogst, dat hij arbeiders uitzenden in zijn oogst. Matteüs 9 vers 36 tot en met 38 (Matt. 09:36-38).

Het is zo belangrijk waar ons oog en onze aandacht door getrokken wordt. We kunnen zo blij zijn met deze woorden van Jezus. Hij zegt niet, de nood is groot, kom maar. Maar hij zegt, de oogst is groot. Dat is een groot verschil. Hij zit groot oogst veld met veel oogst. Daar lagen zijn mogelijkheden. Voor die oogst kwam hij geestelijk in beweging. Het begon in zijn hart innerlijke ontferming en het kwam naar buiten, met als resultaat: Bevrijdingen, genezingen. Van herstel. Jezus is ook hierin ons voorbeeld. Laat dan ook wij door de geest in beweging komen, zodat vanuit dit bewogen zijn velen herstel zullen ervaren. Gods barmhartigheid zal een kracht openbaar worden tot herstel van velen. En wel door ons heen. Bidt daarom de heer van de oogst dat hij arbeiders uitzendende om voor hem te oogsten. Toegeruste arbeiders Gods. Indien wij ontdekken dat we die diepe bewogenheid missen en tekortschieten in innerlijke ontferming, dan nodigt hij ons bij de droom van zijn genade om over goedig in ontvangst te nemen barmhartigheid en genade. Laten wij met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden, om te helpen in tijden van nood Hebreeën 4 vers 16 (Heb. 04:16) Doen! Hij geeft van harte en met vreugde, overvloedig en zonder enig verwijt.

Zo vieren wij ook dit jaar volop kerstfeest, niet als een historische gebeurtenis, maar het grote feest van Jezus Christus komende in (het) vlees. Hij maakt woning in onze harten en zodoende wordt openbaar: “de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting, die ons troost in al onze druk, zodat wij hen die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost waarmee wijzelf door God vertroost worden”2 Korinthe 1 vers 3 en 4  (2 Kor. 01:02-03) Weest ook gij barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is” Lucas 6 vers 36 (Luc. 06:36) Gezegend kerstfeest!

 

Reacties van lezers door redactie

De leer en het leven

Zuster M. de V. H. te Dinteloord, schrijft: “Hoewel ik “Levend Geloof” een mooi blad vind, moet ik toch el­ke keer als ik het krijg gaan corrigeren, want het is toch alles nog hoger, dieper, breder en heerlijker als dat ik het soms in “Levend Geloof” bespeur. Ergens ben ik het niet eens met wat u schrijft op pagi­na 4 (van “Levend Geloof” nr. 229, in het artikel “De leer en het leven”) van: wij zijn nog mensen van vlees en bloed’. Als u dat altijd blijft getuigen be­reikt u nooit het volle zoonschap. 1 Korinthiërs 15 vers 50 (1 Kor. 15:50) zegt dat juist, vlees en bloed het Konink rijk niet kunnen binnen­gaan. Dus alles wat nog met ons eigen ik en het ziele leven te maken heeft, moet totaal in de dood en over­wonnen worden door de Heilige Geest. De Bijbel zeg dat wij veranderd zullen worden, want het verderfe­lijke in ons moet onverderfelijkheid aangedaan hebben en het sterfelijke in ons moet onsterfelijkheid aan­doen, dat is wel een proces  maar wij moeten wel zo wor­den dat het alles werkelijk­heid wordt in ons. Daarom zegt de Bijbel ook herhaal­delijk: ‘leg dan af…” en ‘doe dan aan…’ en als dat alles opgelost is in de Heilige Geest (of overwon­nen) dan wordt vervuld: de dood is verslonden in de overwinning. Dan kunnen ook wij zeggen: de overste der wereld komt en heeft aan mij niets”.

Naschrift redactie

Ik ben het volledig met u eens dat alles nog veel mooier en heerlijker is dan wij schrijven in “Levend Ge­loof”. Toch denk ik dat er van een misverstand sprake is als u mijn opmerking aanhaalt, dat wij nog men­sen zijn van vlees en bloed. Dit is namelijk niet be­doeld als een soort negatie­ve belijdenis, want dan zou het inderdaad fout zijn, maar juist om aan te geven dat wij daarom geroepen zijn om ‘door het geloof’ te leven. Wat dat betreft bevinden we ons in het gezelschap van Paulus, die meerdere malen daarop atten­deert. Bijvoorbeeld in Gala­ten 2 vers 20 (Gal. 02:20): “Met Chris­tus ben ik gekruisigd, en toch leef ik (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef… leef ik door het geloof in de Zoon van God”. Op een andere plaats zegt hij: “Want al leven wij in het vlees…, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken” 2 Korinthe 10 vers 3 en 4 (2 Kor. 10:03-04). Paulus wil dus zeggen, dat hij nog in een vergan­kelijk lichaam op aarde is. Uiteraard bedoelt hij niet een ‘vleselijk leven’, dat wil zeggen een door satan geïnfiltreerd leven, waarin niet de Heilige Geest het voor het zeggen heeft, want dat zou fout zijn. Onze nieuwe leven is geestelijk, en terecht maakt u daarom ook de opmerking dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet kunnen beërven. Onze vergankelijke lichamen zullen veranderd worden in onvergankelijke, verheer­lijkte lichamen. We hebben als gelovigen een geweldig perspectief en als het goed is groeien we dagelijks geestelijk verder tot we het volle zoonschap hebben bereikt.

Aangesproken door Bijbelstudie over Job

Broeder R. M. te Den Helder ontving het blad tot dusver als geschenkabonnement maar wil zich thans zelf abonneren. Hij schrijft o.a.: “Om­dat ik niet vaak thuis ben kwam het helaas nog wel eens voor dat uw blad op de zoge­naamde stapel verdween, keu­rig op een rijtje alle num­mers. Je moet je er wel toe zetten om de boekjes te gaan lezen. Wel, op een zeker mo­ment gebeurt dat, en plotse­ling wordt je aangesproken door een Bijbelstudie, die nou net op jouw leven van toepassing is. Dat is op dit moment de Bijbelstudie over het boek Job. Ik liep al langer met de gedachte om boekjes te bestellen, maar het kwam er maar niet van. Nu heb ik echter besloten de schade in te halen. Ik ben erg dankbaar voor uw blad”.

Geen schijn maar werkelijkheid

Broeder H. R. te Brussel, (België), schrijft: “Ik vind uw boekjes zeer goed en opbouwend. Het is tijd en noodzakelijk meer klaarheid te brengen in gemeenten en bijzonderlijk in de harten van christenen. Voor mijn persoon ondervind ik alle dagen dat ik nader tot God moet komen en meer kontakt moet hebben met de Vader.

Het christendom is veel die­per, denk ik, anders hebben wij niets meer als de onge­lovigen. Wij moeten het Woord Gods beleven en dan komen wij tot de werkelijke Gemeente van Jezus, geen schijn maar werkelijkheid. Naar ik moet mij verheugen, want veel kinderen Gods verlangen daarnaar. Het is noodzakelijk en ik geloof dat het weldra zal gebeuren, ja alles komt op de tijd ge­steld door onze Heester. Ik wens u veel moed maar bij­zonderlijk het Heilige Gees­telijke Licht om verder uw boekjes “Levend Geloof” te schrijven”.

Te zoetige illustraties?

Zuster T. de W. te Terneuzen schrijft: “Ook ik lees al een tijdje uw blad. Heer­lijk om de echte diepe waar­heden Gods te onderzoeken. Want Hij is de Waarheid en de Weg ten leven voor ons, ook in dit leven. Haar de reden dat ik u schrijf, is dat mij opviel, dat de plaatjes erbij afgedrukt (bijvoorbeeld in het okto­bernummer) wat zoetig, on­werkelijk aandoen soms. Vooral de jeugd is zeer nuchter tegenwoordig. Beter een schets of iets van een sportieve prediker. Alleen opbouwend bedoeld en dank­baar dat het blad velen tot zegen is”.

Gods Geest is aan het werk

Zuster G. S. te Velp, schrijft: “Hartelijk dank voor de toezending van de brochures “De volledige mens”, ’k Heb de boekjes fijn mogen weggeven aan kinderen Gods, die hongerig waren naar meer herstel en bevrijding. Fijn is het om tijdens je vakantie zo in­geschakeld te worden in het Koninkrijk van God. Gods Geest is echt aan het werk over de gehele wereld. Daar het goed is om gezonde lek- tuur te lezen en verder op­gebouwd te worden en in­zicht te krijgen in de din­gen aangaande Gods Konink­rijk, stuur ik u een lijst­je met adressen voor een ge- schenkabonnement. Allen zijn geëmigreerd naar Australië en verlangen naar goed voedsel. Wel “Levend Geloof” is meer dan dat, evenals Gods Woord. Wat een rijke Vader hebben we toch. Broeder Doornink, héél veel zegen en liefde toegewenst in uw werk!”

Zegen naar geest, ziel en lichaam

Ook zuster K. E. van L. S. te Ede, gaf enkele buiten­landse adressen op voor een geschenkabonnement. Zij schrijft: “Wonderbaar is de leiding van de Heer dat ik deze mensen kan laten delen in het voorrecht van goede lectuur. Waar en zoveel ‘verwarring’ ook op lite­rair gebied bestaat, is het geweldig deze gelovigen ver weg te kunnen verkwikken met dit kostelijk blad, waarvan ikzelf zoveel zegen ontvang voor geest, ziel en lichaam. U Gods rijke zegen toewensend voor dit gewel­dige werk”.

Verlangen om geestelijk te groeien

Broeder S. L. te Den Oever, schrijft: “Ik wil me graag abonneren op uw blad. Ik ben er mee in contact geko­men door een volle evangeliezuster uit Mortsel en heb een stapel van uw bla­den meegekregen. Ik heb er twee van gelezen en ben tot de ontdekking gekomen dat het makkelijk te lezen is en dat het direct tot mijn ziel doordringt, iets waar ik in andere geschriften wel eens moeite mee heb, en ik wil toch graag verder groeien in het Koninkrijk Gods. Ik ben anderhalf jaar geleden tot de Heer gekomen en ben van de duisternis in het licht overgegaan en wil daar dolgraag mee doorgaan. Prijs de Heer voor al Zijn goedheid”.

 

Kerstfeest… dichter bij huis (gedicht) door Judith Jacobs

“…En zij vielen neder en bewezen Hem hulde. En zij ontsloten hun kostbaarheden en boden Hem ge­schenken aan: goud en wierook en mirre”

Matteüs 2 vers 11 en 12 (Matt. 02:11-12).

De wijzen uit ’t oosten, gekomen van ver,

Volgden het schijnsel van Bethlehems ster;

Zij vonden het Kind in een schamele stal

Waar Hij was geboren, de Koning van ’t heelal.

 

Zij knielden en legden geschenken neer,

Aanbaden Hem als hun Heiland en Heer;

Toen zijn zij vol blijdschap weer verder gegaan:

In hun hart was het grote licht opgegaan.

 

Wij hoeven niet als die wijzen van verr

Te speuren naar ’t licht van een stralende ster;

Het kerstfeest, dat ligt nu veel dichter bij huis,

De weg (in de geest) voert naar Christus bij ’t kruis.

Daar heeft Gods Zoon aan de wereld gebracht:

Vrede en heil in de donkerste nacht –

Van elk mensenhart, dat op zoek is naar vree.

O, kom om ’t aanbidden, vier ’t Lichtfeest toch mee!

 

De olie van Aser door H. J. Scholten

“Gezegend zij Aser onder de zonen; hij zij bemind bij zijn broeders, en hij dope zijn voet in olie” Deuteronomium 33 vers 24 (Deut. 33:24).

De betekenis van olie in de Bijbel

Olie wordt in de Bijbel dik­wijls in verband gebracht met zalving. Koningen en priesters werden met olie gezalfd. Ook weten wij dat olie heen wijst naar de hei­lige Geest en we spreken over de zalving van de hei­lige Geest. Dit duidt dan op de doop en vervulling met deze Geest en Johannes schrijft hierover in zijn eerste brief 1 Johannes 2 vers 20 (1 Joh. 02:20): “Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen”.

Hoeveel christenen zullen er zijn die dit werkelijk weten? Die het weten, kunnen zich intens verblijden met de volgende woorden van Jo­hannes: “En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van no­de, dat iemand u lere; maar gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waar­achtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft” 1 Johannes 2 vers 27 (1 Joh. 02:27).

Deze zalving brengt grote vreugde in het leven van elk kind van God want het heeft hem zekerheid gegeven. Hij mag ‘weten’. Hij bezit een onderpand.

De stervende aartsvader Jacob laat één voor één zijn zonen aantreden bij zijn sterfbed met deze woorden: “Verzamelt u en luistert, gij zonen van Jacob, luis­tert naar Israël, uw vader” Genesis 49 vers 2 (Gen. 49:02). Ook Aser, als achtste zoon, treedt naderbij en dan spreekt Jacob de vol­gende zegen over hem uit: “Aser, zijn spijze zal vet zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren” Genesis 49 vers 20 (Gen. 49:20). Door de Geest geleid spreekt de oude Jacob al deze zege­ningen uit en ze hebben dan ook een diepe, geestelijke betekenis.

Kunnen wij de Bijbel geestelijk verstaan?

Het is uitermate belangrijk voor ons geestelijk leven om de gehele Bijbel geestelijk te leren verstaan en vele christenen hebben daar vaak grote moeite mee. Zoals bij­voorbeeld die Amerikaan in Israël waarover ik onlangs las. Hij maakt de indruk erg bijbelgetrouw te zijn, want hij heeft in het gebied van Aser een boortoren opgericht omdat hij zonder meer ver­wacht olie uit de bodem te kunnen oppompen naar aanlei­ding van de zegen van Aser: hij dope zijn voet in olie.

Deze Amerikaan heeft zich verloren in uiterlijkheden en wil zintuigelijk waarne­men wat in de Bijbel ge­schreven staat en er schijn­baar ook in materiële zin wijzer van worden. Typisch Amerikaans! Dat deze uit­spraak over Aser geestelijk verstaan moet worden ontgaat hem ten enenmale en zo geeft hij onbewust blijkt niéts te bezitten van de ‘olie van Aser’ en heeft hij geen begrip van de ‘ko­ninklijke lekkernijen’.

Zo lazen we een tijdje ge­leden in een tijdschrift dat zich nogal doorlopend bezig houdt met het aardse Israël, over geleerden in Israël, die een spectacu­laire uitvinding gedaan zouden hebben. Volgens een geheim procedé was men nu in staat om uit de geweldi­ge rotsblokken die ver­spreid liggen in de woes­tijn, olie te halen. De schrijver van dit artikel verblijdde zich schijnbaar mateloos in de vervulling van Bijbelse profetieën, want hij zag in deze olie- productie een vervulling van het woord uit Deuteronomium 32 vers 13 (Deut. 32:13): “Hij deed hem honing zuigen uit de rots, en olie uit het keihard gesteente”.

Op deze wijze zijn vele christenen met de Bijbel bezig en men maakt de vorm los van het wezen der din­gen .

De bijzondere betekenis van het getal ‘acht’

De naam Aser betekent: Ik gelukkige. Of: wel mij.

Aser is de achtste zoon van Jacob en het getal ‘acht’ is in de Bijbel altijd van een bijzondere betekenis.

Met de achtste dag begint al­tijd het feest. Denk maar aan de woorden uit Leviticus 23 vers 36 (Lev. 23:36): “Op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben en de Here een vuuroffer brengen; Het is feest, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten”. Het getal 8 wijst heen naar de opstanding ten leven en dat is toch altijd: Feest!

We denken ook even aan de acht zielen die behouden wer­den in de ark, en ook aan de acht planken voor de bouw van de tabernakel Exodus 26 vers 23 tot en met 25 (Ex. 26:23-25). Het zijn geen wille­keurige getallen die Mozes hier van God op krijgt, maar alles heeft zijn geestelijke betekenis.

De zegen van Aser laat ons iets bijzonders zien en dit komt ook sterk naar voren in de woorden: zijn spijze zal vet zijn, en hij zal konink­lijke lekkernijen leveren. Dit ‘vette’ springt er ook helemaal uit in de zegen uit Deuteronomium 33 vers 24 (Deut. 33:24): en hij dope zijn voet in olie.

Aser met zijn zegen is de bron van Goddelijke zalving. Aser, als achtste zoon, beeldt het ‘grote feest’ uit. Met hem komt de ‘vette tijd’, de tijd van overvloed en dat stemt tot grote vreugde.

David als ‘achtste zoon’ van Isaï, wordt met olie gezalfd tot koning van Is­raël. Ook denken we aan de besnijdenis op de ‘achtste dag’. Als wat in Israël ‘mannelijk’ was, moest be­sneden worden op de achtste dag.

Rijp gemaakt door de ‘olie van Aser’

Wie de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus bezit, kan voluit ‘feest vieren’. Zij zijn in liefde, in elk opzicht, naar de gezalfde Koning, Jezus Christus, toegegroeid en begrijpen de geheimen van Zijn Koninkrijk. De zalving met de ‘olie van Aser’ heeft hen zo rijp gemaakt en ze weten naar waarde te genieten van de ‘koninklijke lekkernij­en ‘ .

Met het ‘gelijk worden’ aan het beeld van de Zoon be­ginnen de ‘vette tijden’. De woestijntijd is voorbij, het beloofde land is be­reikt, de vijanden zijn uitgeroeid en het feest kan beginnen onder leiding van de Koning der koningen. Je­zus Christus is de Koning van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en de ‘olie van Aser’ heeft bewerkt dat de ganse schepping kan overgaan van de zevende naar de achtste dag. De hoofdstad van de vernieuwde schepping is het ‘Nieuwe Jeruzalem’. Geheel en al tempel! Van daaruit worden de ‘konink­lijke lekkernijen’ uitge­deeld en het is alles tot verder herstel en genezing van de volkeren der aarde.

De zonen Gods kunnen uit delen als ze verzadigd zijn

Voordat het zover is moet er eerst een volk gereed zijn waarmee God de rest van Zijn schepping kan verlossen en bevrijden. God heeft vele zonen nodig. Zij moeten af­weten van de ‘olie van Aser’ en van de ‘koninklijke lek­kernijen’ . Zij dienen er eerst zélf verzadigd van te zijn aleer ze kunnen gaan uitdelen. Maar dan zijn het ook voor de volle honderd procent ‘uitdelers van de menigerlei genade Gods’.

Als kinderen Gods moeten we ons uitstrekken naar de ‘olie van Aser’ en dan moe­ten we wel verstaan dat deze olie niets heeft uit te staan met materiële welvaart of met iets nuttigs ten be­hoeve van onze lichamelijke voeding, maar veeleer met onze geestelijke wasdom. We moeten van ‘bovenaf’ gezalfd worden. Daarom bestaat er in wezen een bijzonder verband tussen ‘olie’ als verschijningsvorm en het begrip ‘hemel’. Koningen worden door de ‘hemel’ gezalfd en deze zalving verlost juist van een kijk op de dingen, die uiterlijk en aards is, zoals voor de genoemde Amerikaan olie alleen maar iets aards is.

De Bijbel spreekt over het joodse Chanoekafeest of het Vernieuwingsfeest. In Johannes 10 vers 22 (Joh. 10:22) is hier ook sprake van: “Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter”. Dit feest werd gevierd met olie welke gedurende acht dagen werd gebrand. Dus een echt ‘Olie-feest’. Het is waarlijk een feest van het Licht! Het is dus geen toe­valligheid dat met Aser, als achtste zoon van Jacob, ook de olie genoemd wordt die de spijzen ‘vet’ maakt zodat het koninklijke lek­kernijen worden.

De olie van het joodse Chanoekafeest diende om de huizen van de bewoners op bijzondere wijze te ver­lichten. Nu moet de ‘olie van Aser’, de zalving van de heilige Geest, ook onze levenshuizen op bijzondere wijze verlichten. In de ’tempel’ moet licht bran­den, voortkomend uit de olie. Jezus, als Zoon van God, was metterdaad zo’n tempel. Hij sprak van de tempel van Zijn lichaam Johannes 2 vers 21 (Joh. 02:21). In deze ’tempel’ brandde voortdurend de ‘olie van Aser’ en daarom kon Hij zeggen: Ik ben het Licht der wereld.

Doch Jezus wilde niet dat het alleen bij Hem zou blij­ven en Hij wordt de Doper met de heilige Geest opdat er vele zonen Gods zullen komen die, evenals Jezus, licht der wereld zullen zijn. Jezus zegt dan ook te­gen Zijn discipelen: “Gij zijt het licht der wereld” Matteüs 5 vers 14 (Matt. 05:14) .

Zijn wij gidsen in het koninklijke land?

Het is bijzonder verblijdend als deze dingen werkelijk­heid worden in ons leven en wij bezitters worden van ko­ninklijke lekkernijen. En we behouden al dit heerlijke niet voor onszelf, maar mo­gen er van uitdelen. Maar het begint met de zalving uit de hemel, die maakt rijk en blij.

Deze zalving maakt ons be­kwaam om ‘gidsen’ te zijn in het Koninklijke land en an­deren te wijzen op de over­weldigende rijkdommen van dat land. Het is zo jammer dat er zo weinig van zulke ‘gidsen’ zijn die ook ande­ren kunnen wijzen op de ver­borgen schatten van het Ko­ninkrijk. De meesten zijn vaak alleen maar geïnteres­seerd, in zichzelf of in al­lerlei andere zaken. Er zijn velen die zeggen in God te geloven en beschouwen de Bijbel dan ook wel als het Boek van God wat waar­heid is. Maar toch hebben dikwijls andere dingen meer hun belangstelling dan de ‘koninklijke lekkernijen’. Iemand heeft eens gezegd: Zij studeren bijvoorbeeld tot in alle details theolo­gie, economie, psychologie of sociologie, allerlei technische wetenschappen, enz. enz. Ze hebben soms grote belangstelling in het politieke of in het gezel­schapsleven en vinden daar geen opoffering teveel.

Echter men mist niet de ‘olie van Aser’. Daar wordt niet naar gezocht en als men hen er mee bekend maakt wordt ze niet begeerd. Men is altijd wat afwerend ten opzichte van de volheid des Geestes. Dan kan men wel dierbare woorden spreken over de ‘olie van Aser’ en de ‘koninklijke lekkernij­en’ , maar het is aange­leerd. Wat ‘echt’ is wordt door het 1 echte’ herkend en gewaardeerd. Men kan zich er dan intens over verheu­gen, en mensen die gezalfd zijn met de ‘olie van Aser’ voeren meestal ook ‘oliegesprekken’. In deze gesprek­ken wordt de heerlijkheid van God openbaar en men kan zich er kinderlijk over ver­blijden. Daartegenover staat de godsdienstige mens die het altijd maar heeft over leerstellige zaken, maar geestelijk gezien is de dood in de pot. Men gelóóft het wel!

Prijst God voor een ieder die zich heeft mee laten ne­men door de grote Gids en Leidsman van het geloof, Je­zus Christus. Hij is de Christus, de Gezalfde, en Hij weet waar de koninklijke lekkernijen zich bevinden. Jezus is de betrouwbare Gids, die ons werkelijk mee­voert naar een land van koren en most, een land van brood en wijngaarden, een land van olijfbomen, olie en honing, zodat we leven en niet zullen sterven.

Jezus is als de oudtestamentische koning Hizkia, waarvan geschreven staat: “…en hij liet hun zijn he­le schathuis zien: het zil­ver en het goud, de spece­rijen en de kostbare olie, zijn hele tuighuis en alles wat zich onder zijn schatten bevond” 2 Koningen 20 vers 13 (2 Kon.20:13).

En als wij dan ook nog ge­zalfd zijn met de ‘olie van Aser’ zullen wij naar waarde weten te genieten, hallelu­ja! Deze olie is de zalf waarmee wij aan God gewijd zijn. Zalf die door haar reuk het hart verblijdt.

“Die liefde geur moet elk tot liefde nopen, – als d’ olie, die van Arons hoofd gedro­pen, – zijn baard en kleder- zoom doortrekt”.

Wat een geur in de woonstede van onze God. Amen!

 

De taak van Levend Geloof- onze doelstellingen

Mede ter informatie aan de vele nieuwe lezers van ons blad, willen wij in dit artikel iets schrijven over onze doelstellingen. Wat de ‘vele nieuwe lezers’ betreft: in het afgelopen jaar konden wij tot dusver meer dan 500 nieuwe abon­nees inschrijven! Wij zijn daar bijzonder dank­baar voor en constateren daaruit dat velen wor­den aangesproken door de compromisloze, maar duidelijke wijze waarop de volle evangelie bood­schap in “Levend Geloof” wordt gebracht.

We zijn hiermee tevens bij de eerste en belang­rijkste doelstelling van ons blad beland, name­lijk de verkondiging van de boodschap van het koninkrijk Gods (het volle evangelie), in een voor iedereen begrijpelijke taal. Dat laatste schrijven we er nadrukkelijk bij, omdat de le­zerskring zeer gevarieerd is. Het blad wordt niet alleen door volle evangelie-, pinkster- en kerkmensen gelezen, maar ook door hen die ‘zoe­kende’ zijn. Daarbij proberen wij ook variatie aan te brengen in onze artikelen, dat wil zeg­gen» sommige artikelen zijn meer gericht op on- bekeerden en pas-bekeerden, terwijl uiteraard vele artikelen gericht zijn op de verdere opbouw van het geloof.

“Levend Geloof” is onafhankelijk

Ons blad is onafhankelijk, dat wil zeggen, gaat niet uit van een bepaalde gemeente, groep van gemeenten of organisatie, maar staat wel ten dienste van de gemeenten. Wij zijn namelijk een sterk voorstander dat de individuele gelovigen hun plaats hebben in gezonde gemeenten, waarin de volle evangelie boodschap centraal staat in theorie èn praktijk. Dit wordt ook zoveel moge­lijk in “Levend Geloof” gestimuleerd. Daarnaast helpen de meeste redactieleden ook mee aan de geestelijke opbouw van de gemeenten door middel van spreekbeurten, Bijbelstudies, etc. “Levend Geloof” houdt geen eigen samenkomsten of conferenties. Dat ligt niet binnen het raam van onze opdracht; wij willen niet polariserend werken binnen de Gemeente van Christus. Wij geloven dat Gods Geest zich niet laat binden en overal werkt waar kinderen Gods in oprechtheid de volle weg met Jezus willen bewandelen.

Wij geloven dat we in een tijd zijn gekomen dat alle ware kinderen Gods, meer en meer gezamen­lijk zullen optrekken. De werkelijke eenheid die Christus bedoelt, hoeft echter niet gemaakt te worden. Zij is er, want naarmate de ‘verticale eenheid’ groeit, komt deze ook op het ‘horizon­tale vlak’ tot openbaring. De werkelijke eenheid is daar waar Jezus aanvaard is en gevolgd wordt zoals deze zich in Gods woord heeft geopenbaard als de volkomen Verlosser, maar ook als de voleindiger van ons geloof. Daarom geven wij in “Levend Geloof” niet alleen ‘melkvoeding’ die no­dig is voor het fundament, maar ook ‘vaste spijs’ om het volwassen geloofsstadium te berei­ken .

“Levend geloof” is een geloofswerk

“Levend Geloof” is een geloofsarbeid omdat de opbrengst van de abonnementsgelden en brochures slechts een klein deel van de werkelijke kosten dekken. De uitgave van een blad is financieel geen sinecure, en om de kosten te dekken doen wij alles zelf: redigeren, opmaken, drukken, verzendklaar maken, etc. Een full time baan, waarbij wij met Paulus zeggen; “Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk in rekening te brengen, Maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond” 2 Korinthe 3 vers 5 en 6 (2 Kor. 03:05-06). Bijzonder dankbaar zijn we daarom voor de giften die binnenkomen voor onze arbeid en die dus het werk in stand houden en uitbreiden.

Voor 1983 hebben wij besloten de lage abonne­mentsprijs van ƒ 15,- te handhaven, zodat de financiën voor niemand een bezwaar behoeven te zijn om “Levend Geloof” niet te lezen. Deze abonnementsprijs geldt voor Nederland en België, want voor de overige landen, moesten we in ver­band met de hoge portokosten de prijs verhogen tot ƒ 25, per jaar (zeepost).

Bidt voor onze arbeid!

Tenslotte: Wat zou een arbeid in Gods Koninkrijk zijn als het niet gedragen wordt door gebed? Wij vragen u: BID EN DANK VOOR ONZE ARBEID! God be­werkt in onze dagen door Zijn Woord en Geest dat het beeld van Jezus in ons weer ten volle zicht­baar wordt, maar van ons wordt geloof en gehoorzaamheid gevraagd. Als maandblad “Levend Geloof” willen wij graag meehelpen daarvoor een vaste koers aan te geven om dit doel van God te berei­ken. Want dat is onze taak en opdracht!

 

Het boek Ruth als profetie door Jan W. Companjen – 4 –

Ruth 3 vers 10 tot en met Ruth 4

Het actief betrokken zijn van het lichaam van Chris­tus, de gemeente, bij het gebeuren in de eindtijd, wordt ons in het boek Ruth, klaar en duidelijk geopenbaard. De gemeente van Christus heeft zich toebe­reid en zich bekleed met de mantel der gerechtigheid. Zowel Naomi als Ruth nemen zelf initiatieven. Men heeft de geesten die onvruchtbaar­heid en dood predikten, van zich afgeschud en daarmee het doemdenken van ‘het is niets en het wordt niets’ achter zich gelaten. Het evangelie van Jezus Christus heeft handen en voeten ge­kregen doordat Zijn lichaam op haar voeten is gaan staan.

Misschien zijn er onder u die zeggen: dat kan ik maar moeilijk verwerken. Dat is begrijpelijk omdat wij het altijd zo geheel anders voorgeschoteld hebben ge­kregen. Wij zaten net als Adam en Eva altijd en eeu­wig weggestopt en als God een mens nodig had moest Hij die er met de haren bij slepen. De spontaniteit die de eerste gemeente kenmerk­te is in de loop der jaren weggeëbd en men is in een afwachtende houding gaan leven.

In de eindgemeente zal al­les weer open bloeien en de wereld zal zien wie er in ons is, ja, wie er in ons leeft: de Geest van Chris­tus. De wereld wacht op het openbaar worden van dit volk. Dat volk zal door de Heilige Geest, die haar overschaduwt (spreid uw vleugel over mij uit, zei Ruth tegen Boaz) bevrucht worden en vrucht vóórtbren­gen. Maria, de moeder van Jezus, is daarin een gewel­dig voorbeeld voor de ge­meente. In Lucas 1 vers 35 lezen wij: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal dan ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden”. En Maria zei: “Mij geschiede naar uw woord”.

De gemeente wordt weer een met Christus

Boaz was, toen hij ontdekte dat Ruth naast hem lag, blij verrast. Hij jubelt het als het ware uit: “Ge­zegend moogt gij zijn door de Here, mijn dochter, gij hebt met uw laatste liefde­daad de eerste nog over­troffen, doordat gij geen jonge mannen nagelopen zijt, hetzij arm of rijk” Ruth 3 vers 10 (Ruth 03:10). Weer zo’n doordenkertje. Ruth houdt vast aan de leer van Jezus en de apostelen, zij loopt geen nieuwe stromingen na, die nadien geboren zijn, het is voor haar nog steeds: Uw God is mijn God.

Dat zij zo standvastig is, is zeker bij iedereen be­kend geweest. Zij was geen onbekende gebleven, zij was kennelijk een zoutend zout en een licht op de kande­laar. Boaz zegt dan ook: “Mijn dochter, wees niet bevreesd; alles wat gij zegt, zal ik voor u doen; want ieder in de poort van mijn volk weet, dat gij een deugdzame vrouw zijt” Ruth 3 vers 11 (Ruth 03:11). Het is allemaal een geweldig gebeuren en men zou zeggen er kan tussen die twee niets meer fout gaan.

En toch, toch komt er een kink in de kabel. Er is na­melijk nog een losser, ja zelfs een nader dan ik, zegt Boaz in Ruth 3 vers 12 (Ruth 03:12). Tussen die twee, tussen Boaz en die ’tegenstander’ zal nog een strijd uitgevochten moeten worden. Wie van die twee zal Ruth gaan bezit­ten?

Om te beginnen blijft Ruth die nacht bij Boaz op de dorsvloer. Zij bleef aan zijn voeteneinde liggen tot de morgen. Voor het licht werd, voordat de een de ander herkennen kon, stond zij op om heen te gaan want Boaz zei: “Het worde niet bekend, dat een vrouw op de dorsvloer gekomen is” Ruth 3 vers 14 (Ruth 03:14). Wat een symboliek, ook hier weer vol toekomstverkondiging. Zonder dat de buiten­wereld er iets van weet komt er een eind aan deze geheime bijeenkomst. Dat Ruth daarbij ook nog op de dorsvloer aanwezig is ge­weest, is iets dat extra geheimhouding verdient.

Uiteraard moet deze intieme hereniging tussen Boaz (de Heer) en Ruth (de gemeente) ook geestelijk worden ge­zien. Hoofd en lichaam wor­den tot één (één van Geest). Het is als het ware een te­rugkeer naar de tijd zoals die er was tussen Pasen (de opstanding) en hemelvaart toen Jezus ook de Zijnen onderwees betreffende de din­gen van het koninkrijk der hemelen. De hemel was toen geopend en zal ook nu weer geopend zijn. Dan zal Hij voor ons uittrekken en de aanklager zal neergeworpen en overwonnen worden. Het overkomt ons niet als een dief in de nacht, omdat wij kinderen des lichts zijn

zie 1 Thessalonicenzen 5 vers 1 tot en met 11 (1 Thess. 05:01-11).

Het kan niet anders of deze bijeenkomst moet ook een direct resultaat opleveren. Nu dat is niet mis, Ruth gaat vol geladen naar huis. De gehele menselijke volheid – zes maten gerst – torst zij mee in haar omslagdoek. Zo gaat zij terug naar haar schoonmoeder Naomi. Zij brengt verslag uit en zegt: “Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven (en ik heb de omslagdoek opgehouden); want, zeide hij, gij moet niet met lege handen bij uw schoonmoeder komen” Ruth 3 vers 17 (Ruth 03:17). Het is ‘een geweldig groot gebeuren en al kan nog niet alles onder worden gebracht, er wordt ons steeds meer van de rijkdom Gods aange­zegd. Naomi is vol goede moed. Zij ziet die tegen­stander van Boaz al als overwonnen. Zij zegt dan ook dat Boaz niet zal rus­ten, voordat hij vandaag, dus die dag, alles tot een einde heeft gebracht Ruth 3 vers 18 (Ruth 03:18).

Nu dat is ook inderdaad zo, want intussen Ruth 4 vers 1 (Ruth 04:01) was Boaz naar de poort van de stad gegaan en had zich daar neergezet. Boaz komt in het openbaar er voor uit dat hij Ruth wil huwen. In het bijzijn van tien oud­sten treedt hij in hét strijdperk met zijn tegen­stander als die ter plaatse komt. Allereerst komt het natuurlijke bezit van Naomi (en Ruth) ter sprake. Naomi biedt het stuk land te koop aan dat door haar man Elimelech (‘God is Koning’) bewerkt is. De tegenstander van Boaz is de eerste los­ser en hij heeft het eerste recht tot koop. Hij maakt geen problemen en zegt: “ik zal het lossen”, dat wil zeggen: ik zal het mij toe eigenen, ik wordt er de eigenaar van. Maar, en nu komt het: “Op de dag dat gij het land koopt uit de hand van Naomi, verwerft gij ook Ruth, de Moabietische, de vrouw van de ge­storvene , om de naam van de gestorvene op zijn erfdeel in stand te houden. Toen zeide de losser: Dan kan ik het voor mij niet lossen, want (en nu komt de aap uit de mouw) ik zou mijn eigen erfdeel te gronde richten. Los gij voor u wat ik zou moeten lossen; want ik kan het niet lossen” Ruth 4 vers 5 en 6 (Ruth 04:05-06).

Het grote verschil tussen de lossers

Klaar en duidelijk komt tot uiting dat er een groot en duidelijk verschil tussen beide lossers bestaat. Boaz is een ‘gever’ . Hij leeft van zich af en is uitbundig blij met Ruth en haar in­breng. Zijn tegenstander, de andere losser – wie dat is zal in de toekomst steeds duidelijker voor ons worden – is op zichzelf be­dacht. Hij ziet zijn eigen koninkrijk instorten als hij Ruth binnenhaalt. Sym­bolisch trekt hij zijn schoen (het attribuut waar­op hij loopt, zich voortbe­weegt) uit en geeft deze aan Boaz. “Hierop zeide Bo­az tot de oudsten en tot al het volk: Gij zijt heden getuigen, dat ik al wat Elimelech heeft toebehoord en al wat Chiljon en Machlon heeft toebehoord, koop uit de hand van Naomi” Ruth 4 vers 9 (Ruth 04:09). Nadrukkelijk volgt daar dan nog op dat Ruth, de Moabietische, daarbij door Boaz tot vrouw verwor­ven was, opdat de naam van de gestorvene niet uitge­roeid zou worden. “En al het volk dat in de poort was en de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen. De Heer make de vrouw die in uw huis komt, als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël gebouwd hebben” Ruth 4 vers 11 (Ruth 04:11) .

Rachel en Lea zijn dus de twee vrouwen van Jacob waaruit het volk Israël geboren is. Het volk en de oudsten brengen deze twee vrouwen als één in Ruth over en bidden haar dezelf­de zegen toe. Voorts zei het volk tot Boaz: “Handel dan kloek in Efratha en maak u een naam in Bethlehem; uw huis worde als het huis van Perez, die Tamar aan Juda baarde”, (ook zo’n vrouw uit het voorgeslacht van David en de Here Jezus waar een hele geschiedenis aan vast zit). Tamar was de vrouw van een zoon van Juda. Na de dood van haar man werd zij tot vrouw aan Onan gegeven. Onan weiger­de echter kinderen bij haar te verwekken. Zij werd door middel van een list, door zich als hoer te vermommen, moeder van een kind dat verwekt werd door haar schoonvader Juda. (Zie Genesis 38).

Aan het einde van Ruth 4 lé­zen wij dat uit het samen­gaan van Boaz en Ruth een zoon wordt geboren! In Efeziërs 5 vers 23 tot 33 (Ef. 05:23-33) wordt ons zo’n prachtig beeld gegeven van de over­eenstemming tussen het huwe­lijk en Christus en de gemeente. Boaz kocht Ruth en als bloedbruidegom stelde hij zichzelf en Ruth in dienst van God. Om zo, Ruth stralend naast zich te plaatsen, zonder vlek of rimpel, heilig en onberispe­lijk.

Uit die gemeenschap werd Obed (de dienaar), de vader van Isai, de vader van David geboren. Met het noemen van deze namen eindigt het boek Ruth. De kring is rond en de mens is gekomen tot het doel van Gods plan. Wie van zijn vrouw, van zijn naaste houdt, houdt van zichzelf. Niemand heeft ooit zijn eigen lichaam ge­haat. Integendeel, hij voedt en verzorgt het.

Zo doet ook Christus met de gemeente, omdat het Zijn lichaam is en waarvan wij de leden zijn. “En Naomi nam het kind en legde het op haar schoot en zij werd zijn verzorgster. En de bu­rinnen (ja de buren) gaven het een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden hem Obed” Ruth 4 vers 16 en 17 (Ruth 04:16-17).

Hoe onpeilbaar is toch Gods rijkdom, wijsheid en kennis. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen.

Ik ben mij als schrijver van deze artikelenreeks be­wust dat lang nog niet al­les van de rijkdom uit het boek Ruth aan het licht is gekomen. Ik hoop echter dat u met mij, met dit profe­tisch woord rijk gezegend bent en dat u nog vele rijk­dommen uit het boek Ruth. zult delven tot verheerlij­king van onze ‘Heer’ Jezus Christus. Hij is onze Bloed­bruidegom, Hij heeft ons ge­kocht en betaald met Zijn bloed en daarom willen wij ook zonder vlek en rimpel voor Hem staan.

Halleluja!

 

Zie, Ik maak alle dingen nieuw! Getuigenis Heleen Romein

Een getuigenis begint al­tijd met: ‘Ik was…’ en eindigt met: ‘Nu ben ik…’ Het is nooit prettig over jezelf te schrijven, be­halve als het tot eer en glorie van God is. Als je mag doorgeven, dat Gods sterke hand altijd over je leven geweest is.

Maar daarvoor moet ik 305 jaar terug. Geboren in 1943, lichamelijk een mislukkeling: blind aan mijn linkeroog en doof aan mijn linkeroor (ik miste trom­melvlies en gehoorbeentje). Daar ik als pasgeboren baby al fikse maagbloedingen had, reisden mijn ouders stad en land met mij af, op zoek naar een knappe dok­ter.

Mijn moeder, die in ernsti­ge mate aan epilepsie leed, moest niets van mij hebben, zodat ik al heel jong ‘gehard’ werd door ‘het le­ven ’ .

Door mijn handicaps werden ook mijn rechteroog en rechteroor ernstig aangetast. Tengevolge van een ernstige val op mijn rug als klein meisje, moest ik ook nog van top tot teen in de beugels. Het werd een strijd op ‘leven en dood’ om me te kunnen handhaven!

Opgegroeid met het beeld van God, die nog erger was dan het ergste spook, zag het er voor mij maar somber uit. Je verleert het lachen wel, als ik dat ooit al ge­leerd had.

Ik was gelukkig erg leer­gierig, ook op godsdienstig terrein. Ik stelde de ene vraag na de andere, want ik zag zoveel tegenstrijdighe­den bij de ‘kerkmensen’. Maar een antwoord…. ho maar. Ik weet nog goed hoe boos mijn vader kon worden over al die gewetensvragen. Het gevolg was, dat ik al heel jong weigerde te bid­den, laat staan te danken. Er viel trouwens niets te danken.

Godsbesef

Ondanks het weinige gehoor – dat op tienerleeftijd vrijwel helemaal wegviel – hield ik veel van muziek, vooral van religieuze mu­ziek. Ik had blijkbaar on­bewust een diep besef, dat God (wie Hij dan ook wezen mocht en hoe ‘duister’ Hij mij ook werd voorgesteld) het lied in mijn hart wel hoorde: “Leer mij bij Uw kribbe buigen, leer mij knielen bij Uw kruis, doe mij in Uw Naam geloven…”

Als je zo gehandicapt bent, heb je een eenzame jeugd en een eenzaam leven. Eén ding wist ik echter héél zeker, namelijk dat géén haar van mijn hoofd viel zonder de wil van mijn hemelse Vader!

Ik leerde de vader van mijn kind kennen in Moskou. Hij was een Wit-Rus uit Armenië, een provincie in Rusland, geboren in Amsterdam uit Russische ouders en zeer paranormaal begaafd. Dit heeft mijn leven vreselijk beïnvloed. We trouwden of­ficieel, maar wettig juist was dit huwelijk toch niet.

We gingen naar Groningen, waar we vijf jaar hebben gewoond. Deze jaren waren voor mij een hel. Ontelbare malen opgenomen in het zie­kenhuis? ooroperaties en als klap op de vuurpijl baarmoederkanker, met als gevolg dat ik geen kinderen meer kon krijgen.

Suriname

Toen ‘verhuisd’ naar Suri­name. Opnieuw vijf jaren hel. Als je deze jaren achteraf beschouwt, dan blijkt Gods grootheid en almacht – en bovenal Zijn genade – dat Hij mij hieruit getrok­ken heeft. Je dankbaarheid wordt hierdoor alleen nog maar groter.

Toen Dynha 2  ½ jaar geleden in Paramaribo geboren werd, noemde ik haar heel bewust en uit het diepst van mijn hart – voor zover dat toen kon – ‘mijn kleine Godsge­schenk’. Mijn hart stroomde over van dankbaarheid, ter­wijl de omstandigheden nog slechter dan slecht waren. Ik had niet één pakje baby­voeding voor haar. Ik ben met mijn hoofd keihard te­gen de muur in mijn huis gelopen en schreeuwde: “God help..:” In de benauwdheid zullen zij mij aanroepen, zegt God. En ik riep, ik schreeuwde om hulp tegen de muur, want ik wist niet waar God was. En de baby­voeding kwam…

De vader van mijn kind werd opgepakt, bijna doodgeran­seld en in de gevangenis gesmeten, tijdens de eerste revolutie in Suriname, 2 ½  jaar geleden. Ook ik werd opgepakt. Gedwongen – met de loop van een geweer tegen mijn hoofd – moest ik mijn enkele maanden oude baby in haar wiegje met een leeg maagje achter laten, op zo’n moment denk je nog maar één ding: ‘dit is het einde’. Na een week werd ik weer keurig voor de deur afgezet. Mijn overburen hadden Dynha snel uit haar wiegje gehaald en mee naar huis genomen.

Nederland

In 1981 werden Dynha en ik op het vliegtuig gezet naar Nederland. Lichamelijk een wrak – ik woog nog maar 38 kilo – geestelijk volko­men leeg en uitgeput, met een baby, die volgens de doctoren in Breda, ernstig overspannen was.

Ik had familie die absoluut niets van mij en mijn kind wilde weten. Ik had geen onderdak, geen rooie cent, geen eten, geen kleding (behalve wat tropenkleding), geen stukje zeep, niet eens een tandenborstel of baby- poeder, geen luiers (door mijn vlucht met een ziek kindje op mijn arm had ik de verkeerde koffer meege­nomen). Leeg was ik en to­taal berooid.

Bethesda

Maar toen::! Zoals de ver­lamde in Bethesda 38 jaar lang lag te wachten op zijn matras (38 jaar is een half mensenleven, menselijker­wijze gesproken), bijna zolang moest ik wachten.

“Niet gij hebt Mij gezocht, maar Ik heb u gezocht”, zegt God. God stuurde iemand naar mij toe met de blijde boodschap: Jezus zoekt het verlorene! Maar ik wilde niet, alles in mij verzette zich hier­tegen. Ik was zo hard als een bikkel, zo koud als ijs, slecht en verdorven ’tot mijn tenen toe’, hier kon Jezus niets meer aan verbeteren. Kortom, ik voelde me een hopeloos ge­val .

Maar Jezus laat niet los, want voor Hem is niets ho­peloos. Het werd een korte, maar hevige strijd. En toen de capitulatie Wat een bevrijding! Ineens was ik niet zo koud als ijs meer, die muur om mij heen van 38 jaar ellende was weg. Jezus overwint elke satansmacht!

Wonderen

Mijn gehoorapparaatje ver­dween, mijn bril ging na 36 jaar af, want “Jezus Christus is gisteren en he­den Dezelfde” en Hij genas altijd een ieder, die tot Hem kwam. En ik werd al een beetje vrijpostig en zei: “Och Heer, begin als het U belieft met mijn schild­klieren, want daar heb ik toch zo’n last van! 38 jaar ziek is toch wel lang…”

God is goed!

Op 29 oktober 1981 gebeurde het tweede wonder. De geboorte van Dynha was het eerste machti­ge wonder. Het tweede de ge­nezing van mijn schildklie­ren. Het derde, vierde, vijfde, zesde en zevende wonder volgden elkaar zo snel op, dat het begrijpen mij te wonderbaar was. Mijn hart lijkt wel te klein om Hem te kunnen danken en te aanbidden, te loven en te prijzen!

Begin november 1981 had ik mij opgegeven voor de doop door onderdompeling. Ik zei heel bewust: “Here God, ik weet dat ik niet kopje onder mag, maar in gehoorzaamheid aan U, wil ik mij op deze manier laten dopen, dus U zult ook wel voor de oplos­sing zorgen” (Ter verduide­lijking: zonder trommel­vlies mag er absoluut geen water in een oor komen. In mijn geval was er een open verbinding met de hersenen. Water in m’n oor, zou ver­lamming tot gevolg kunnen hebben).

Op 22 november 1981 – een week voor de doopdienst – reed zuster De Bakker in de avonduren naar Overflakkee om een broeder naar huis te brengen. Ik ging nooit mee, want ik was nachtblind en ik paste altijd zelf op Dynha. Maar die avond pas­ten twee buurmeisjes op en was ik meegegaan.

Tijdens de rit zal ik ach­terin, in het midden. De broeder links van mij, dus aan de kant van mijn dove oor. Die broeder vertelde, dat hij toch zo graag ‘hal­leluja’ riep en uit volle borst meezong, waarop ik antwoordde: “Moet je luis­teren, ik hoor er niets van en ik zie er niets van, dus je gaat je gang maar, van mij mag je”.

Ik had daar een grote mond, maar als je vanaf je jeugd getreiterd bent met je ge­breken, dan kun je wel te­gen een stootje.

Ik was echter nog niet eens goed uitgesproken of een heldere lichtflits straalde door de auto, recht in mijn linkeroog en het was alsof mijn linkeroog op datzelfde moment heel wijd werd open­getrokken . ..

Ik begreep onmiddellijk wat er gebeurde, maar besefte op dat moment nog niet, dat ook het gehoor in mijn lin­keroor door de Here Jezus zelf erin gelegd was en dat ik van mijn nachtblindheid genezen was. Op de terugweg echter heb ik heerlijk ge­oefend en raapte voor de flat in het pikkedonker nog even triomfantelijk een stuiver op. Mijn linkeroor ’trilde’. Ik kon gedoopt worden’

“Het wonder Heer, is geschied, toen ik ‘ja’ zei tot U

Ik had radicaal gekozen.

Hij liet mij Zijn Woord le­zen en verstaan. Maar radicaal kiezen betekent ook: radicaal volgen. Jezus vol­gen houdt in, dat je Hem altijd voor laat gaan, om­dat Gods weg volmaakt is èn omdat er geen andere Weg is! De Heer had een blind oog, een nachtblindheid, een doof oor, schildklieren, voorhoofdsholteontsteking, dysenterie en vergroeiingen in mijn rug radicaal gene­zen .

Wat ben ik dankbaar voor mijn gezonde lichaam, iets wat ik in 38 jaar nog nooit beleefd had!

En ook mijn geest werd ge­zond. Ik werd werkelijk een geheel nieuwe schepping. Toen, enkele dagen na mijn doop, mocht ik als nieuwe schepping leren strijden. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen de machten, door welke ik die laatste tien jaren zulke verschrikkelij­ke ervaringen had opgedaan. Wel te verstaan: uitslui­tend negatieve ervaringen. Wat ben ik dankbaar, dat ik mocht – en mag – leren, dat Hij, die zegt: “Mij is ge­geven alle macht in hemel en op aarde, enkel positief is! En dat ik met Hem al­tijd in staat van paraat­heid ben, om elke macht van de tegenstander te overwin­nen. Al ‘denkt’ hij over mij te kunnen heersen.

Onderscheiding

En die tegenstander kwam! Hoe? Als een engel des lichts! Wat een gave van God om met Zijn Goddelijke wijsheid de tegenstander te kunnen onderscheiden en met Zijn liefde te mogen lief­hebben juist de mensen die mij haten. Te mogen leren bidden voor diegene, die mij zoveel geweld heeft aangedaan!

Zijn Woord is genoeg om de mond van satan en zijn aan­hangers te snoeren! Zijn Woord is mijn zwaard en mijn wapenrusting.    (

Het is de genade van God – en daar ben ik mij heel goed van bewust – om in zo’n korte tijd te mogen leren, dat ik als rechtvaar­dige uitsluitend en alleen uit het geloof heb te leven. En dat Zijn vertrouwen in mij groot genoeg was – en is – om mij uit die poel van ellende, dood en verderf voor eeuwig te redden. En zo stroomt mijn hart over van ontfermende bewogenheid voor de vader van mijn kind. Ik prijs God dat ik geen bitterheid jegens Hem ken.

Mijn innig gebed is: Heer, maak van mij een evenwich­tige, sterke vrouw. De mu­ren – uit zelfbescherming opgetrokken – zijn afgebro­ken. Ik kan eindelijk hui­len. Mijn ziel geneest, de wonden sluiten zich. En dan zing ik, met het kinderlijke geloof van mijn dochtertje: “Jezus hè, hal­leluja’.”

Want Hij heeft alle dingen nieuw gemaakt’.

Heleen Romein, Breda.

 

Levend water (gedicht) door Piet Snaphaan

O Heer, wat bent U goed, een ware Bron van leven,

Ja, U o God, die eeuwig leeft,

U die voor ons Uw Zoon gegeven heeft,

Ja, Hij de Bron die levend water geeft,

Wie dorst heeft Heer, aan die zult U dat geven.

 

Uw Woord is vol van leven en van kracht,

Steeds bruisend als een waterval,

’t Is levend, helder als kristal,

Dat naar kanalen stromen zal,

Ja naar een ieder, die ’t van U verwacht.

 

Een nieuwe schepping dorst naar levend water,

Dat steeds opnieuw weer springt als een fontein,

Het houdt hem fris, het maakt hem rein,

Ja, hij verlangt als Jezus eens te zijn,

Als Zoon van God, die ’t beeld is van de Vader.

 

Gewogen en te licht bevonden? door Jan Noë

Als wij zo de evangeliën doorlezen zien wij dat Jezus (en later ook Zijn discipelen) ernstig waarschuwt dat als men Zijn geboden niet bewaart, Hem niet in alles volgt en dus niet de volle raad Gods dient, de ernsti­ge gevolgen daarvan zal on­dervinden. Men geeft dan immers satan de gelegenheid te infiltreren en stelt zich buiten de bescherming van het Koninkrijk Gods.

Dit blijkt duidelijk als Jezus het heeft over de din­gen die gebeuren in de eind­tijd (Matteüs 24 en 25). Hij geeft echter ook duidelijk aan hoe wij ons als kinderen Gods (de Gemeente) dienen te gedragen. Denk ook aan de waarschuwing in 1 Petrus 4 vers 17 en 18 (1 Petr. 04:17-18): “Want het is nu de tijd, dat het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?”

De wijze en de dwaze maagden

Naar ik gelezen heb, schijnt het de gewoonte in Israël te zijn geweest, dat vanwege de hitte, het bruiloftsfeest eerst na zonsondergang begon en aan te nemen is, dat Je­zus de gelijkenis van de tien wijze en dwaze maagden Matteüs 25 vers 1 tot en met 13 (Matt. 25:1-13), hetgeen wij willen behandelen, daaraan heeft ontleend.

Jezus begint deze gelijkenis met de woorden: “Dan zal het Koninkrijk der hemelen ver­geleken worden…” Hier be­doelt Jezus met het Konink­rijk der hemelen de onzien­lijke geestelijke wereld, waar niet alleen God, Jezus en de heilige engelen zijn, maar eveneens de duivel met zijn trawanten, alsmede de , mens naar geest en ziel. Het rijk van het licht den de duisternis. Als wij Efeziërs 6 (de geestelijke wapenrus­ting) lezen, blijkt dat dui­delijk; “Voorts wees krach­tig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de wereld- beheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten”(vs!10-12).

Jezus zegt dat vijf van de maagden dwaas waren en vijf wijs. De tien maagden zijn uitgetrokken de bruidegom tegemoet (wederkomst van Christus) en hebben de lam­pen meegenomen. De lamp is een beeld van het Woord Gods Psalm 119 vers 105 (Ps. 119:105): “Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”) en de olie is het beeld van de Heilige Geest.

Jezus maakt onderscheid

In deze gelijkenis maakt Je­zus duidelijk onderscheid tussen twee categorieën van gelovigen namelijk de wijze en de dwaze en we zul­len beginnen met de wijze. De wijze maagden, wetende dat hun in de eindtijd een zware strijd tegen de mach­ten der duisternis (de gro­te verdrukking) te wachten staat, hebben echter krui­ken met olie meegenomen. En, zoals het er staat, het duurde lang voor de bruide­gom kwam en zij werden sla­perig en sliepen. Maar mid­den in de nacht toen de bruidegom kwam opdagen, stonden ze op en brachten de lampen met de reserve- olie in orde en gingen de bruidegom tegemoet. Deze maagden zijn het beeld van de zonen Gods, die de volle raad Gods dienen. Hun ken­merken zijn:

a – Ze zijn gedoopt met de Heilige Geest en de gaven (onder andere genezing en uitdrijving van boze gees­ten) en de vrucht (onder andere de Goddelijke liefde, blijdschap, vrede) ko­men in hun leven tot open­baring.

b – Ze hebben een vast ge­loof en Godsvertrouwen en ze hebben alles prijsgege­ven wat de wereld biedt, wat de omgang met God zou kunnen belemmeren en waar­uit gebrek aan vertrouwen in het Woord Gods zou kun­nen blijken.

c – Ze gaan door allerlei zware beproevingen (van welke aard ook ) heen, wor­den gelouterd en getuchtigd en weerstaan alle aan­vallen van de duivel en zijn trawanten of het nu in het lichaam of door aller­lei omstandigheden is. Ze zijn standvastig en houden in volharding vast aan het Woord des levens.

Ze behoren, zoals in de ge­lijkenis van de zaaier in Matteüs 13 en Lucas 8 staat, tot het zaad, dat in goede aarde gezaaid is en veelvul­dig vrucht draagt en, wat Jezus zegt in Matteüs 7 en Lucas 6 (tweeërlei fun­dament) tot diegenen, die Zijn woorden horen en ze doen en die dan gelijken op de verstandige man, die zijn huis bouwt op de rots en dat in de zwaarste weers­omstandigheden blijft staan.

In 1 Petrus 5 vers 8 tot en met 9 (1 Petr. 05:08-09) staat: “Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weersta hem, vast in geloof, wetende, dat aan uw broederschap in de wereld hetzelfde lijden wordt toe­gemeten” .

Wat ontbreekt de dwaze maagden?

Dat is nu waartoe de dwaze maagden niet in staat zijn. Ze zijn niet ongelovig, ge­loven vermoedelijk ook in wedergeboorte en verwachten ook de wederkomst van Chris­tus, getuige de lamp, maar verder zijn ze niet gekomen. Doordat ze weinig begrip hebben over de strijd in de hemelse gewesten tegen de machten der duisternis, die in de eindtijd tot volle ontplooiing komen (en daar­bij gelovende zoals velen, dat ze voor de grote ver­drukking worden opgenomen) hebben ze geen reservekruiken met olie meegenomen met alle gevolgen van dien.

De kenmerken van deze categorie gelovigen zijn:

a – Ze zijn niet gedoopt met de Heilige Geest. (Als dat wel zou zijn geweest, zijn ze weer afgevallen en hebben de Heilige Geest be­droefd) .

b – Ze hebben daardoor geen juist inzicht over Gods Woord.

c – Gezien hun geestelijk niveau, kunnen velen van hen niet alles prijsgeven om Gods wil te doen, kunnen de wereld niet loslaten, zijn gebonden in het vlees (de oude mens) en dus onge­hoorzaam.

d – Ze hebben dus niet de volle raad Gods gediend. Ze behoren zeer zeker niet tot het zaad dat in goede aarde gezaaid is en veelvoudig vrucht draagt (zoals hierbo­ven vermeld), maar ze behoren tot de categorie die vermeld staat in het tweede gedeelte van tweeër­lei fundament’, namelijk die hun huis op het zand bouwen zonder fundament en toen de stroom er tegen aan­sloeg, stortte het terstond in en het huis werd een gro­te bouwval.

Gewogen en te licht bevonden

En wat is het resultaat? De wijze maagden kregen toe­gang tot de bruiloftszaal en de dwaze maagden, werd de toegang geweigerd met de woorden: “Voorwaar, Ik zeg u: Ik ken u niet!”. Ze waren gewogen en te licht bevonden”. Daniel 5 vers 27 (Dan. 05:27) .

Dit is een zeer bedroevende zaak. Dit wil echter niet zeggen dat ze verloren zijn, zeker niet, maar zoals reeds gezegd, door gebrek aan kennis en door ongehoor­zaamheid zijn ze niet in staat het niveau te berei­ken van de wijze maagden.

Uit de brieven aan de zeven gemeenten van Johannes in de Openbaring valt veel te leren. Vooral de brief aan de gemeente te Laodicéa.

Broeders en zusters, laten we ons allen als leden van de Gemeente van Christus, van welke benaming ook en wat voor positie we ook bij de plaatselijke gemeente in­nemen, aan een zelfonder­zoek onderwerpen, geest en ziel, of er iets tussen God en ons is, waardoor Hij Zijn heerlijkheid niet ten volle in ons kan openbaren en wat opgeruimd dient te worden.

Laten de volgende teksten een realiteit voor ons wor­den.- Jezus zegt in Johannes 14 vers 12 tot en met 14 (Joh. 14:12-14): “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt, worde. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen”. Halleluja!

Dit eist dus de volkomen gemeenschap met God de Vader, door Zijn Zoon Jezus Chris­tus en de kracht van de Hei­lige Geest.

Broeders en zusters, dit is het niveau hetgeen vermeld staat bij de wijze maagden, de zonen Gods, die de volle raad Gods dienen. Laten we alles in het werk stellen om ons dit eigen te maken.

God zegene u allen!

 

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts -5-

Is de mens bestemd om te verdwijnen?

“Die men als motten dood drukt”(Job 4:19). Zo denkt God over de mens. Dat is hetgeen Elifaz heeft mogen zien toen een geest hem bezocht. De roemruchte versregel van Willen Kloos: ik ben een god in ‘ t diepst van mijn gedachten, zou men derhalve enigszins moeten wijzigen, om dan bij het resultaat uit te komen: ik ben een mot in ’t diepst van mijn gedachten.

Tussen morgen en avond worden zij verpletterd, onopgemerkt gaan zij voor altijd te gronde. Wat is de bestemming van de mens? Verdwijnen; en dan ook nog zonder dat iemand het merkt, niemand slaat er acht op. Niemand roept ze terug, zegt een andere vertaling. Dat is het toppunt van eenzaam­heid, je pakt je koffers, je vertrekt, je trekt de deur achter je dicht, je kunt gaan, niemand schenkt er aandacht aan, niemand zwaait je uit, niemand roept je terug.

Binnen het bestek van één dag verpulverd en niet eens ver­mist. Zo wordt in deze beschrijving de mens ontluisterd op een wijze die een hedendaagse schrijver als lonesco niet zou kunnen verbeteren.

Het is trouwens wel frappant dat we meteen al uit deze eerste rede van Elifaz een glashelder beeld krijgen van wat er in wezen aan de hand is: Job wordt bestookt vanuit de geestelijke wereld. De man die hier spreekt, is niet zomaar een goed bedoelende, doch ietwat kortzichtige vriend; het betreft iemand die rechtstreeks geïnspireerd wordt vanuit de hemelse gewesten. Deze Temaniet fundeert zijn autoriteit op (al dan niet toevallig) passerende geesten. Kennelijk heeft hij er behoefte aan, de wijsheid waar de landstreek die hij bewoont, zo om bekend staat, wat aan te vullen en te onder­bouwen met ingevingen van bovennatuurlijke orde.

We zeiden: al dan niet toevallig. Wel beschouwd is de open­baring die Elifaz ten deel valt, niet zo erg toevallig: de man maakt niet voor niets melding van overpeinzingen en nachtgezichten. De eerste van deze beide aanduidingen omvat een scala van activiteiten, van onrustig zijn tot piekeren, peinzen en tobben: voorwaar een voortreffelijke voedings­bodem voor geesten van diverse pluimage.

Satan wil Godsbeeld en mensbeeld aantasten

Het oogmerk van deze inspirator is duidelijk: Job alle besef van waardigheid te ontnemen, en hem bovendien een huiveringwekkend godsbeeld te bezorgen: een God die als het ware met een vliegenmepper door zijn schepping rondloopt. Voor Hem is de mens niet meer dan een mot.

De geest die Elifaz op een Hitchcock-achtige manier bezoekt, heeft twee pijlen op zijn boog: het godsbeeld en het mens­beeld aantasten.

In hoofdstuk 5 trekt deze vriend zijn conclusies: alle el­lende komt voort uit de mens: “Want uit het stof komt het onheil niet voort, en uit de aarde spruit de moeite niet op. Maar de mens wordt tot moeite geboren”(vs.5-6). Of in een andere vertaling: “maar de mens is het die de moeite (of het kwaad) verwekt”. Het standpunt is simpel: de mens is de verwekker van alle kwaad.

De mens trouwens niet alleen; God krijgt er ook nog een aandeel in: “Hij verwondt en Hij verbindt, Hij slaat en zijn handen helen”(vs.18).

Elifaz is de man die het kwaad ziet als straf. Het is de vergelding Gods. En zelf is hij ook van ganser harte bereid daaraan alle medewerking te verlenen, want hij ver­telt: “Ikzelf heb gezien, hoe een dwaas wortel schoot, maar aanstonds vervloekte ik zijn woning”(5:3). Als het aan hem ligt, laat hij er geen gras over groeien. Korte metten maken, is zijn motto. God laat zijn zon opgaan over bozen en goeden, maar Elifaz denkt daar anders over: hij maakt er op staande voet een eind aan; over een mogelijk­heid dat de dwaas zich nog zou kunnen of mogen bekeren, wordt door hem niet gerept.

Deze Temaniet weet wel wat hij zou doen als hij in de schoenen van Job stond: “Integendeel, ik zou naar God vragen, en aan God zou ik mijn zaak voorleggen”(vs.8). Goede raad is in dit geval niet duur: als ik jou was, zou ik gaan bidden, man!

Aan dit alles herkent men de oppervlakkige mens: de gods­dienst gaat hem vlot af; met bidden heeft hij geen moeite en met vervloeken ook niet.

Job beseft dat hij verwikkelt is in een oorlog

Nu gaat Job antwoorden. En in hoofdstuk 7 vers 1 vinden we in feite het kernwoord van deze reactie: “Heeft niet de mens een zware dienst op aarde, en zijn de dagen van hem niet als die van een dagloner?” Dit woord, dat hier weergegeven wordt met ‘zware dienst’ (de Statenvertaling zegt: strijd), betekent eigenlijk: militaire dienst of diensttijd; het kan ook slagorde of heirschaar aanduiden, ‘bijvoorbeeld in de titel ‘Here der heirscharen’.

Job zegt hier meer dan hij wellicht zelf heeft kunnen be­vroeden; hij beseft in elk geval dat hij verwikkeld is in een oorlog; alleen, dat die krijg zich niet op aarde, doch in de hemelse gewesten afspeelt, is voor hem nog verborgen. Driemaal komt dit woord in het boek Job voor, en het is typerend: alle drie keren betreft het een uitspraak van Job zelf. De vrienden hebben kennelijk geen kaas gegeten van de strijd.

De tweede keer dat we dit begrip tegenkomen in het onder­havige bijbelboek, is in hoofdstuk 10 vers 17 (Job 10:17) waar letter­lijk staat: ‘aflossingen en diensttijd’, dat geldt voor mij. Steeds nieuwe legermachten lossen elkaar af om Job te belagen, zodat er voor hem een diensttijd is zonder einde. Er is geen verlof tijdens de strijd, zou Prediker zeggen.

En de derde tekst vinden we in hoofdstuk 14 vers 14 (Job 14:14): “Als een mens sterft, zou hij herleven? Dan zou ik hoop hebben al de dagen van mijn zware dienst, totdat mijn aflossing zou komen”. Opnieuw neemt Job daar deze uitdrukking in de mond om zijn levensgang te schilderen en even breekt daar de gedachte aan hoop bij hem door: zou er ook voor mij nog een aflossing zijn?

Wat verwachtte Job van zijn vrienden?

Wat verwacht een mens van zijn vrienden in een dergelijke diensttijd? Die vraag kan Job in één woord beantwoorden: hij verwachtte van zijn vrienden goedertierenheid. Dat lezen we immers in hoofdstuk 6 vers 14 (Job 06:14). Het NBG geeft deze tekst als volgt weer: “Wie zijn vriend medelijden onthoudt, verzaakt de vreze des Almachtigen”. Nu staat er eigenlijk: wie zijn vriend goedertierenheid onthoudt. De vertaling ‘medelijden’ is derhalve in wezen ontoelaatbaar, of het moest zijn dat men het begrip zou opvatten in zijn oor­spronkelijke kracht, namelijk: medelijden, met een vriend mee lijden en strijden.

Goedertierenheid, dat is verbondstrouw, dat is solidari­teit, samen door dik en dun gaan in de strijd, samen de diensttijd doormaken tot het eind. Job is teleurgesteld dat hij dit in zijn vrienden niet vindt: “Mijn broeders zijn onbetrouwbaar als een beek (vs.15), de paden van hun loop kronkelen zich, zij gaan heen in de wildernis en raken verloren”(vs.18). Job vraagt niet om medelijden, hij vraagt om iemand die naast hem staat in de kamp, om een mens die solidair met hem is in de strijd. De vrienden echter zijn als paden die hem alleen nog maar verder in de wildernis brengen; voor wildernis gebruikt Job hier het woord dat in het tweede vers van Genesis met ‘woest’ ver­taald is: “de aarde was woest (en ledig)”. De vrienden maken de chaos, de woestheid in zijn denken alleen maar groter.

Eén ding wil Job in elk geval met nadruk verklaren: “mijn recht staat vast”(vs.29). Menigeen heeft wat moeite met deze manier van spreken; vaak vindt men Job toch wel arro­gant, hij blaast zo hoog van de toren, het doet niet pret­tig aan dat de man zo op zijn recht staat.

Als we zo denken, doen we de persoonlijkheid van Job ech­ter wel tekort. We dienen ons namelijk wel af te vragen: waarom doet Job deze en soortgelijke uitspraken? En dan merken we allereerst op: door middel van deze verklaringen die hij aflegt, voert Job een strijd tegen de aanklager.

Wat Job naar voren brengt, zijn in wezen proclamaties. Wanneer de vrienden spreken, is in feite de aanklager aan het woord. In Openbaring lezen we dat de zonen Gods de aanklager overwinnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11). Dit laatste nu is precies het wapen dat ook Job bezig is te hanteren: door het woord van zijn getuigenis wil hij de lasteraar de mond snoeren, zonder dat hij zich reeds bewust is dat de strijd die hij voert, in wezen niet tegen de vrienden ge­richt is, maar tegen de vijanden in de onzienlijke wereld.

De rechtvaardige tegenover de goddeloze

Bovendien is er nog iets: als we de genoemde uitspraak nauwkeurig willen weergeven, moeten we niet zeggen: mijn recht staat vast, maar: mijn gerechtigheid, of mijn waar­achtigheid. Het kan ook betekenen: de zekerheid dat ik be­waarheid zal worden. Deze woordstam is een kernbegrip in het onderhavige Bijbelboek: hij komt er maar liefst vijf­endertig maal voor. Daartegenover staat het motiefwoord: goddeloos; veertig keer treffen we die woordstam aan.

In het boek Job zien we de goddeloze en de rechtvaardige, de waarachtige, tegenover elkaar staan. Alleen, we moeten er wel op letten dat de aanduiding ‘goddeloze’ goed be­schouwd te passief is. Het is degene die actief kwaad legt op een ander; een heel goede omschrijving zou zijn: de doemende, degene die een doem legt op de ander. Het is de figuur die boze plannen smeedt tegen de rechtvaardige. Als we dit in aanmerking nemen, dan hebben we hier een zeer juiste typering van de satan: hij is degene die er altijd op uit is, de rechtvaardige te verdoemen, kwaad op hem te leggen, hem te veroordelen, een smet op hem te werpen, hem onder druk te zetten. Wat is het kenmerk bij uitstek van een goddeloze? Hij legt een doem op de mens, hij probeert zelfs een doem te leggen op God.

Welnu, daar zijn de vrienden druk mee bezig: ze beschuldi­gen Job en ze wijzen hem erop: dit alles wordt je niet door een mens aangedaan. Zo leggen ze een doem op Job en zo leggen ze in diepste zin ook een doem op de God die zich met Job verbonden heeft. Job zondigt en God straft; dat zijn hun uitgangspunten.

Daartegen worstelt Job in de geest. Hij proclameert zijn getuigenis, tegen de verleugening in. Hij laat zich zijn waardigheid niet ontnemen. De vrienden dwingen hem bijna, zichzelf aan te klagen, maar hij kan het niet, want als hij zichzelf aanklaagt, klaagt hij daarmee God aan die hem ge­schapen heeft. Hij kan niet anders dan weigeren. Ter wille van zijn God moet hij wel tegen de druk van zijn vrienden ingaan. Hij kan zijn vrienden geen gelijk geven, want dan zou hij daarmee God ongelijk geven. Hij kan het niet over zijn hart verkrijgen, God, zijn God, neer te halen tot het godsbeeld van zijn vrienden. Job heeft zijn hart verpand aan de God die waarachtig is en met minder kan en wil hij niet toe en daarom spreekt hij, daarom roept hij tegen de geest van de vertroebeling in.

Heel treffend typeert hij zijn vrienden als beken die troebel zijn van het ijs Job 6 vers 16 (Job 06:16). Troebel: ze geven geen helder beeld, geen helder godsbeeld, en daarom al evenmin een zuiver mensbeeld. Job levert zijn gevecht tegen de troebelheid. Vrome geesten zijn altijd troebel; nooit hel­der. Ze geloven ook niet in helderheid. Dat is voor de sterveling niet weggelegd. Maar Job denkt anders. Veel is voor hem nog duister, maar hij worstelt om helderheid, om een waarachtig beeld.

“Ik wil spreken in de benauwdheid van mijn geest, klagen in de bitterheid van mijn ziel”, zo roept hij uit Job 7 vers 11 (Job 07:11). De zwaarste aanvallen kreeg Job te verduren in zijn inner­lijke mens. Hier komt de opzet van de boze openbaar: name­lijk om de geest van Job te kraken, om zijn ziel, dat wil zeggen zijn persoonlijkheid, zijn waardigheid, in de dood te brengen. Want bitterheid leidt tot de dood.

Gaat Job God aanklagen?

Als we nu echter het vervolg van hoofdstuk 7 lezen, lijkt het erop alsof Job toch God gaat aanklagen: “Ben ik de zee of een zeemonster, dat Gij een wacht tegen mij zet” (vs.12)? Het is opmerkelijk dat Job er weet van blijkt te hebben dat er een strijd is tussen God en de zee, tussen de Here en de draak, want zo wordt het woord ‘zeemonster’ ook wel vertaald. Alleen, op welke wijze, en waar, en met welke troepenformaties die oorlog gevoerd wordt, dat is voor hem nog verborgen. Hij heeft het gevoel alsof hijzelf de draak is, het mikpunt waarop God het gemunt heeft (vs.20). “Gij verschrikt mij door dromen en beangstigt mij door gezichten”(vs.14).

Als het ware met een zinspeling op Psalm 8 stelt Job zijn vragen aan God: “Wat is de mens dat Gij hem zo groot acht en uw aandacht op hem vestigt, (letterlijk: en uw hart op hem richt; vrijwel dezelfde formulering als in de proloog waar God sprak: Hebt ge ook uw hart gezet op Job?), dat Gij elke morgen hem bezoekt (hier staat hetzelfde woord dat in Psalm 8 vertaald is met: naar hem omziet), elk ogenblik hem beproeft?” (vs. 17-18).

Wie dit leest, kan zich op het eerste gezicht niet aan de indruk onttrekken: alle ellende wordt aan God toegeschre­ven. En toch, er is meer aan de hand. Wanneer we de gedach­tegang van Job, zoals die in de volgende hoofdstukken ver­der ontvouwd wordt, mede in ogenschouw nemen, dan moeten we tot de conclusie komen: Job worstelt met een dubbel godsbeeld.

Aan de ene kant ziet en ervaart hij rampen en slagen en ge­weld, en hij weet niet aan wie hij dit alles anders zou moeten toeschrijven dan aan God: “Het is alles enerlei, daarom zeg ik: De onschuldige en de schuldige verdelgt Hij. Wanneer zijn gesel plotseling doodt, dan spot Hij met de vertwijfeling van onschuldigen. De aarde is in de macht van de goddeloze (de doemende) gegeven, en het aangezicht van haar rechters omhult Hij; doet Hij het niet, wie dan?” Job 9 vers 22 tot en met 24 (Job 09:22-24). Hier stelt Job een uiterst fundamentele vraag. Maar vanuit het inzicht dat hij bezit, heeft hij geen keus: doet Hij het niet, wie dan? Is er dan een alternatief?

Aan de andere kant leeft er diep in zijn hart het onuitblusbare besef: zo kan God niet zijn. God is anders. Hij ziet echter nog geen kans om tot dit anders-zijn van God door te dringen. Voorwaar, Gij zijt een God die zich ver­borgen houdt. Rondom Hem zijn wolken en donkerheid. En wie komt door die donkerheid heen? Is daar een weg? Moet Job instemmen met de woorden van Isaac Watts: Maar ach de ster­velingen staan hier huiverend terzijde, en durven niet op weg te gaan, het duister niet voorbij. Geldt ook voor hem: Hing niet het wolkendek zo zwart van twijfel om ons heen, wij zouden ’t land zien van ons hart, dat ’t hemels licht bescheen.

De gewone godsdienstigheid gaat of redeneren of, als dat mislukt, berusten. En zoals Miskotte opmerkt, dit berusten is in wezen gedempte ergernis, smeulende vijandschap tegen God. De vrienden hebben niet in de gaten dat hun vroomheid in feite de meest geslepen vorm van goddeloosheid is. Immers, ze prediken Job dat hij zich moet schikken in zijn lot, dat hij moet buigen voor de Beschikker van dat lot, en daarmee gedragen zij zich letterlijk als ‘goddelozen’, dat wil zeg­gen als doemenden: ze verdoemen hun vriend.

Jobs worsteling om de waarheid

Berusten komt in feite neer op een sit-down staking ten op­zichte van de geestelijke strijd. Job kan niet berusten. En hij wil het niet, want het is Gode onwaardig. En het is de mens onwaardig.

Job worstelt om de waarheid. De God van zijn vrienden kan hij niet aanvaarden, maar de verborgen God heeft hij diep in zijn hart lief.

Voor de vrienden is berusten niet moeilijk. Zij zijn ten­slotte gezond van lijf en leden. En als we erover nadenken, waar die berusting haar oorsprong vindt, dan kunnen we niet anders dan terecht komen bij de geest die Elifaz inspireerde. Het is toch een logisch gevolg: een mensbeeld waarbij men zichzelf leert zien als een mot die vandaag of morgen zonder vorm van proces doodgedrukt wordt, kweekt toch ge­garandeerd berusting.

Zo wordt de geest van Job steeds meer in de benauwdheid ge­bracht, doordat de vrienden het klimaat van berusting als een verstikkende deken om hem heen leggen.

Want nu neemt Bildad het woord. Niet dat hij in staat is om nieuwe gedachten naar voren te brengen, maar hij voelt zich geroepen om voort te hameren op het oude aambeeld: de leer der vergelding moet gepredikt worden, zal hij gedacht heb­ben, gelegen of ongelegen.

Wat doet Bildad? Hij helpt Job ook nog aan een paar snij­dende twijfels met betrekking tot zijn verongelukte kinde­ren: “Indien uw kinderen tegen Hem gezondigd hebben, dan heeft Hij hen aan hun overtreding prijsgegeven”(8:4). Waar kan men immers een vader of moeder gevoeliger treffen dan in de kinderen?

Maar Bildad weet voor zijn vriend nog een uitweg: “Gij ech­ter, indien gij God zoekt, en de Almachtige om genade smeekt, indien gij rein en oprecht zijt, dan zal Hij gewis over u opwaken en uw rechtmatige woning herstellen”(vs.5-6). Aan het begin van de zin staat ‘gij’ met nadruk, in contrast met het voorafgaande: je kinderen, daar is niets meer aan te doen, maar jij, voor jou is er nog een kans, jij kunt je nog bekeren. Dan zal Hij nu (er staat met klem: nu) over u opwaken; of: Hij zal nu om uwentwil doen lichten; hier gebruikt Bildad hetzelfde woord als in de priester­lijke zegen uit Numeri; Hij doe zijn aangezicht over u lich­ten. En Hij zal de woning uwer gerechtigheid, of uwer waar­achtigheid volmaken. Daar hebben we dat sleutelwoord weer: de waarachtigheid waar Job zo intens aan vasthield. Maar hier, in de mond van Bildad, wordt het als een dolksteek: we zullen zien wat God nu, op dit moment, voor jou doet, als jij inderdaad zo waarachtig bent als je voorgeeft.

Bildad kan niet, zoals Elifaz, bogen op ervaringen met geesten, maar hij beschikt wel, en dat is toch ook niet niets, over informatie vanuit het voorgeslacht: “Want doe slechts navraag bij het voorgeslacht, en geef acht op het­geen hun vaderen doorvorsten”(vs.8). En wat leren we dan van het voorgeslacht? Dan horen we een verhaal in geuren en kleuren van een man die God vergat: zijn leven groeide en bloeide, maar zomaar op een dag, plotseling, was het afge­lopen: verdord, uitgerukt, einde. Men heeft er niet veel fantasie voor nodig om vast te stellen wie in dit beeld vol­gens de interpretatie van Bildad geacht wordt zijn naam in te vullen. Wie anders dan toehoorder Job? “Zijn betrouwen is een herfstdraad, zijn toeverlaat een spinnenweb (letterlijk: een spinnenhuis, en daarop haakt in het volgende vers). Hij steunt op zijn huis, maar dit blijft niet staan; hij grijpt zich eraan vast, maar het houdt geen stand”(vs.14-15).

Satan wil de menselijke geest ontmantelen

De prediking van de vrienden voldoet aan alle eisen van de homiletiek: helder, eenvoudig, duidelijk, met vele spreken­de beelden en voorbeelden; Job hoeft het alleen maar op zichzelf toe te passen. Eerst was hij een mot, nu is hij een spin. Het lijkt wel of de vrienden een soort sensitivity training op hem toepassen; ze proberen alle zelfrespect in hem te doden. Op deze wijze wordt ons wel een helder beeld vergund van de methode die vanuit de geestelijke wereld gehanteerd wordt om de mens van zijn menszijn te beroven. Een systematische ontmanteling van de geest. Wel, zo concludeert Bildad, nooit verwerpt God de oprechte (zinspelend op de proloog: Job werd immers genoemd vroom en oprecht; het woord betekent eigenlijk eenvoudig), maar de hand der boos gezinden houdt Hij niet vast (vs. 20, letterlijke vertaling) Nu, daar kan Job het mee doen. Mocht hij nog vragen hebben, dan zijn ze hiermee beantwoord. Weliswaar zijn de vrienden van gisteren en weten zij niets (vs.9), maar gelukkig, het voorgeslacht is er ook nog en weet meer.

Heel de legermacht van het voorgeslacht rukt hier aan om de geest van de knecht Gods te kraken. Let erop dat dit soort machten altijd één ding willen ondermijnen: het geloof. Op een subtiele wijze wordt geponeerd dat het vertrouwen van Job niet meer is dan een herfstdraad, een spinnenweb. Tegelijk wordt hem dan, als om hem te tergen, voorgespie­geld: “Eens zal Hij uw mond vervullen met gelach en uw lip­pen met gejuich”(vs.21). Natuurlijk moet hij dan wel eerst voldoen aan de voorwaarden die de vrienden stellen.

Het verschil in denken

Jobs antwoord getuigt van ootmoed. Hoe zou een mens God kun­nen antwoorden, zo vraagt hij zich af. Zesmaal wordt in hoofdstuk 9 de term ‘antwoorden’ gebezigd. Hoe zou een mens bewaarheid worden voor God? zo vangt Job zijn reactie aan. Toch is er een verschil tussen de gedachtegang van Job en die van Bildad. Voor de laatste is God de God van de vergel­ding en hij is voortdurend bezig om die vergelding te bere­kenen; voor Job is God de verborgene, die men niet narekenen kan. “Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen, ja, wonderen zonder tal” Job 9 vers 10 (Job 09:10): een God die grote dingen doet, tot waar geen navorsen bestaat. In het vorige hoofdstuk had Bildad hetzelfde woord gebruikt, toen hij sprak over wat de vaderen doorvorsten; daartegenover wil Job zich richten op de God die gaat tot waar geen doorvorsen doordringt.

Weliswaar heeft ook Elifaz verklaard dat God ondoorgron­delijk handelt (5:9), maar bij hem klinkt het anders. Bij Elifaz is het een stichtelijke gemeenplaats, waarmee hij goed en kwaad, heil en onheil onder één noemer kan samenvat­ten: de onpeilbaarheid van God. Het stadium van de God der vergelding ligt achter hem, maar wat hij nu heeft, weet hij nog niet: hij bevindt zich nu in het tweede stadium, waar hij alleen maar kan erkennen: “Wanneer Hij langs mij heen­gaat, zie Ik Hem niet, en glijdt Hij voorbij, dan bespeur ik Hem niet” Job 9 vers 11 (Job 09:11). Job zinspeelt als het ware op de ervaring die Elifaz beschreef: wanneer er een geest aan Elifaz voor­bij glijdt, dan merkt deze het direct, maar als God aan Job voorbij glijdt, dan bespeurt hij niets. Het is trouwens op­merkelijk dat Job hier hetzelfde woord gebruikt dat hij later, in zijn slotrede, opnieuw zal uitspreken: “ik ver­kondigde zonder inzicht” Job 43 vers 3 (Job 42:03); dezelfde uitdrukking die daar vertaald is met: zonder inzicht, is hier weergegeven met: ik bespeur (Hem) niet. We zouden hier dus ook kunnen overzetten: ik heb geen inzicht in Hem.

We zien: Job is op weg, hij is op reis in de geest, hij bevindt zich op een tussenstation en hij is zich dat be­wust. Hij is op reis naar de verborgen God. En daar bemer­ken we weer het onderscheid: Elifaz is helemaal niet op reis; hij berust in de ondoorgrondelijkheid van God.

Maar het verlangen van Job is: “O, dat ik Hem wist te vin­den, dat ik tot zijn woning mocht komen. Dan zou ik Hem mijn rechtszaak uiteenzetten en mijn mond met bewijzen vul­len. Ik zou de woorden vernemen (kennen), die Hij mij zou antwoorden, en ik zou verstaan (hier keert hetzelfde woord terug uit hoofdstuk 9 en uit de slotrede: ik zou inzicht hebben in) wat Hij mij zou zeggen” Job 23 vers 3 tot en met 5 (Job 23:03-05).

Zo is Job een pionier, die niet tevreden is met de platge­treden paden, die zich niet het zwijgen laat opleggen, maar die gaat zoeken, gaat speuren, gaat worstelen, totdat hij inzicht vindt. Job is de mens die een vijand heeft, maar verhuld, en die een God heeft, maar verborgen; hij zal echter zoeken totdat hij vindt.   (wordt vervolgd).

 

1982.11 nr. 231

Levend geloof 1982.11 nr. 231

Een rein hart en een vaste geest door Gert Jan Doornink

“Schep mij een rein hart, O God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest” Psalm 51 vers 12 (Ps. 051:012).

Wat God met ons voor heeft

God heeft het allerbeste met ons voor! Daaraan hoeft niemand te twijfelen. We zijn immers Zijn schepping en vormen de kroon op Zijn volmaakte scheppingswerk. Efeziërs 2 vers 10 (Ef. 02:10) zegt: “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus gescha­pen om goede werken te doen, die God tevoren be­reid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”.

Hiér staat dus dat God tevoren goede werken voor ons bereid heeft, dat wil zeggen: God heeft een plan met de mens. De eerste mens had de opdracht de Hof van Eden te beheren. Doordat de mens luis­terde naar de stem van satan kwam daarvan niets terecht. Maar desondanks bleef God Zijn schep­pingswerk – en dus ook de mens – liefhebben. Daarom werd, toen de volheid van de tijd daar­voor was aangebroken, Jezus Christus, de Zoon van God, naar deze wereld gezonden. Jezus was als het ware de eerste mens die Gods scheppings­werk weer gestalte gaf. En ieder mens die in Hem gelooft, leert daarom Gods wil en bedoeling voor de mens weer kennen. Hij is immers overgeplaatst vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus.

Wie gelooft in Christus, zoals de Schrift tot openbaring brengt, – want iedere andere vorm van geloof is karikatuur – wordt zich ook bewust wie hij is in Christus. Petrus zegt bijvoorbeeld dat wij “een uitverkoren geslacht, een konink­lijk priesterschap, een heilige natie en een volk Gode ten eigendom zijn, om de grote daden te verkondigen van Hem, die ons uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”  1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09). In Christus is ons alles geschon­ken. Paulus zegt: “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32). En in Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09) staat dat in Christus al de volheid der godheid lichamelijk woont, en dat wij die vol­heid hebben verkregen in Hem.

Hoe openbaren wij de volheid van Christus?

Wij zijn geroepen om de volheid van Christus tot openbaring te brengen. Maar hoe gaat dat in zijn werk en waarom falen vele kinderen Gods in dit opzicht? Het antwoord vinden wij in Psalm 50 vers 12 (Ps. 059:012). Velen hebben geen rein hart en geen vaste geest!

David komt in deze Psalm tot verootmoediging, maar waarom faalde hij? Waarom verleidde David Bathseba en had met haar gemeenschap? Waarom liet David de man van Bathseba doodden? De geschiede­nis wordt beschreven in 2 Samuël 11. David zag de mooie Bathseba vanaf het dak van zijn paleis, terwijl deze aan het baden was. Hij begeerde haar en wist haar te verleiden, terwijl haar man onder Joab tegen de Ammonieten streed.

Hoe is het mogelijk van deze man Gods, want zo mogen we het toch wel stellen. Wie in 1 Samuël leest hoe God hem via de profeet Samuël roept

2 Samuël 12 vers 7

 

tot koning, leest daar over een man die oprecht van hart was en die nadat hij door Samuël tot koning gezalfd was aangegrepen werd door de Geest des Heren 1 Samuel 16 vers 1 tot en met 13 (1 Sam. 16:01-13).

Na zijn verschrikkelijke zonden is echter het vuur van Gods Geest niet helemaal gedoofd. Dit blijkt wel uit Psalm 51, waar hij in vers 13 en 14 bidt: “Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw heilige Geest niet van mij; hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een gewillige geest mij schragen”. God ziet altijd om naar iemand die oprecht berouw heeft en Hij gebruikt daarvoor de profeet Nathan. Lees de geschiedenis in 2 Samuël 12.

Wat heeft deze geschiedenis ons te zeggen?

We kunnen op deze geschiedenis verschillend rea­geren, door bijvoorbeeld te zeggen: “Zoiets zal mij niet overkomen…” Of we kunnen zeggen: “Wat ik ook verkeerde doe en hoe ik ook leef, er is altijd vergeving bij Jezus… Zijn bloed reinigt mij immers van alle zonden…”

Ik geloof dat we met beide uitspraken voorzich­tig moeten zijn. Als we zeggen: “Zoiets kan mij niet overkómen”, getuigt dat van hoogmoed. 1 Korinthe 10 vers 11 (1 Kor. 10:11) zegt: “Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle” . Maar ook het tweede ant­woord is te gemakkelijk. Het bloed van Jezus is immers geen goedkope zaak! Hij gaf zich volkomen, Hij offerde zich en kocht ons vrij uit de macht van satan. Natuurlijk is er ten allen tijd reini­ging van zonden door het bloed van Jezus, maar dit feit mag geen reden zijn om te blijven zondigen! Paulus zegt: “Mogen wij bij de zonde blij­ven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?” Romeinen 6 vers 1 en 2 (Rom. 06:01-02).

Wij leven na Pinksteren!

Iedere eindtijdchristen zal zich veel meer bewust moeten zijn dat we na Pinksteren leven! Want dat betekent dat we door Gods genade méér licht op vele dingen hebben dan ten tijde van het oude verbond. Dit feit mogen we nooit veronachtzamen. Het is van grote betekenis dat God onze ogen wil openen voor vele dingen die tot dusver verborgen waren. En zeker in deze eindtijd zal nog veel, waarover nu soms nog enigszins een sluier hangt, geopenbaard worden.

Maar ook zullen we rekening moeten houden met het feit dat satan nog altijd de grote leugenaar en verleider is. Hij is dag en nacht bezig met zijn vernietigend en afbrekend werk, waarbij hij als eerste zijn vurige pijlen afschiet op de ware kinderen Gods!

Samengevat kunnen we zeggen: de scheiding tussen licht en duisternis, tussen het goede en het kwade gaat zich hoe langer hoe meer voltrekken. En door Gods Geest leren we zelf onderscheiden wat van God komt en wat van satan afkomstig is. Niet alleen leren we onderscheiden, maar ook – omdat we in de voetstappen van Jezus wandelen – overwinnen!

De ware gemeente leert door Gods Woord en door Gods Geest hoe langer hoe meer verstaan waarom het werkelijk gaat. Wij, die achter de feiten staan, mogen weten dat “elk van God ingegeven Schriftwoord nuttig is om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust”  2 Timoteüs 3 vers 16 en 17 (2 Tim. 03:16-17). En dat geldt ook voor Psalm 51 vers 12 (Ps. 051:012): “Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest”.

Het gaat dus om a. een rein hart. En b. een vaste geest. Beiden zijn onlosmakelijk met elkaar ver­bonden. Een ‘vaste geest’ is ondenkbaar zonder een ‘rein hart’. Maar wat we ons vooral goed moe­ten realiseren is het feit dat een rein hart alleen niet voldoende is!

Je kunt getuigen: “Ik ben gereinigd door het bloed van Jezus!” en toch een nederlaag-christen blijven! Dat is de tragedie van velen ook in pinksteren en het volle evangelie.

In Matteüs 12 vers 43 tot en met 45 (Matt. 12:43-45) zegt Jezus: “Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij door dorre plaatsen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan en geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar. En het wordt met die mens in het einde erger dan in het begin”. Bent u ge­reinigd door het bloed van Jezus? Prijst God daarvoor! Maar bent u ook gedoopt en vervuld met de Heilige Geest…? Dat is het punt waar alles om draait!

Met het licht dat we thans hebben kunnen we zeg­gen: David had zijn geest laten ‘bevruchten’ door een boze (onreine) geest, in plaats van door de Heilige Geest. Toch had David na zijn daad al enigszins door waarom het ging: hij bad om een ‘vaste geest’.

Dat hebben ook wij in deze eindtijd nodig. Wordt onze geest nog heen en weer geslingerd door al­lerlei wind van leer? Efeze 4 vers 14 (Ef. 04:14). Of gaat meer en meer in vervulling wat Paulus zegt dat wie zich aan de Here hecht één geest met Hem is? 1 Korinthe 6 vers 17 (1 Kor. 06:17). Om het laatste gaat het! We zullen moeten groeien in de geest!

David bad ook om vernieuwing. Groeien in de Geest betekent vernieuwing van denken. Paulus zegt: “Wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). “Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid (en de Heilige Geest is gekomen) zal hij u de weg wijzen naar de volle waarheid” Johannes 16 vers 13 (Joh. 16:13).

God heeft het allerbeste met ons voor. Hij wil dat we Zijn volheid zullen beleven en uitleven. Maar opdat dit gerealiseerd zal worden in ons leven hebben wij een rein hart èn een vaste geest nodig!

 

Open deuren door Gert Jan Doornink

Met een variant op een bekend gezegde kunnen wij van wer­kelijk geloof zeggen dat het een geloof is dat deuren opent die voor anderen gesloten blijven.

De ‘deuren’ van Gods beloften gaan alleen open door geloof want zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Velen vinden wat het geloof betreft ‘gesloten deuren’, dat wil zeggen zij ontvangen niet wat God hen in Zijn grote liefde wil geven en Hij in Zijn Woord heeft beloofd.

Zoals Jezus in Nazareth geen kracht kon doen vanwege ongeloof Markus 6 vers 5 en 6 (Mark. 06:05-06), zo ontvangen ook zij niet, omdat zij door hun ongeloof de deuren gesloten houden.

Maar de ware gelovige, die meer en meer één wordt met Christus, weet dat al Gods beloften in Jezus Christus ‘ja en amen’ zijn 2 Korinthe 1 vers 20 (2 Kor. 01:20) en dat God een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). Werkelijk geloof zet de deuren naar Gods heerlijkheid en overwinning wagenwijd opent.

Van de redactie

Vorig jaar november kondigden wij een zogenaamde ‘zeven punten actie’ aan, onder andere om onze lezers te activeren aan “Levend Geloof” zoveel mogelijk bekendheid te geven. Zeer velen hebben sindsdien “Levend Geloof” leren kennen en zijn blij en dankbaar voor de duidelijke wijze waarop wij de volle evangelie boodschap belichten.

Uiteraard gaan wij hiermee door omdat dit het doel en de opdracht van ons blad is. In het ko­mende decembernummer willen wij daar uitvoerig aandacht aan besteden, mede ook ter informatie aan de vele nieuwe abonnees die dit jaar zijn toegetreden.

Maar in dit nummer willen wij nog even weer uw aandacht vragen voor de financiële kant van ons werk. “Levend Geloof” is een geloofswerk, en daarom zijn giften beslist noodzakelijk. Geluk­kig gaan steeds meer lezers en lezeressen dit inzien en er is dan ook een voortdurende stij­ging van het aantal giften. Echter nog onvol­doende, zodat wij het jaar zullen moeten afslui­ten met een groot nadelig saldo, tenzij… er de komende weken voldoende extra bijdragen binnen­komen .

We weten dat het, vooral aan het einde van het jaar, een dure tijd is, maar als wij gemotiveer­de kinderen Gods zijn (en uit de talrijke reacties uit de lezerskring blijkt dat telkens weer) zullen wij ons ook bewust zijn dat de verkondi­ging van de boodschap van het Koninkrijk Gods, zoals dat onder andere via “Levend Geloof” ge­beurt, ten allen tijde voorrang behoort te heb­ben. U kunt uw gift overmaken op gironummer: ten name van Adm. “Levend Geloof”, Wapenveld (met vermelding: ‘extra bijdrage’) Bij voorbaat heel veel dank!

 

Het boek Ruth als profetie door Jan W. Companjen – 3 –

Ruth 3 vers 1 tot en met 9 (Ruth 03:1-9)

Als je het derde hoofdstuk van Ruth gaat lezen en tot je door laat dringen, komt de volheid van de eindtijd als een lawine op je af. Er is tussen hoofdstuk 1 en 3 dan ook heel wat gebeurd. Naomi (noem mij maar Mara) is van klaagmuurgelovige uitgegroeid tot een actieve levenslustige vrouw. Een activiste die anderen tot handelen weet te brengen. Zij en Ruth zijn samen als het ware tot één geworden, zij hebben elkaar nodig en dank zij het komende bloed- verbond met Boaz (Christus) zijn die twee (Jood en hei­den) één geworden. De door Ruth meegebrachte vruchten en gaven hebben doel ge­troffen en hebben bij bei­den een Goddelijke groei teweeg gebracht. Van het af- wachten naar Gods handelen en het roepen om een opwek­king of een profeet is de ene gemeente een handelend lichaam geworden.

De profetie van het boek Ruth is zo fascinerend dat je het met Paulus Romeinen 11 vers 36 (Rom. 11:36) uitroept dat uit Hem en door Hem alle dingen zijn. Het is dan ook een duide­lijk werk van de Heilige Geest dat het boek Ruth in het Woord van God ‘de Bij­bel’ is opgenomen. Het is een rijk stuk evangelie be­treffende Christus en Zijn gemeente, die vervolgens ook samen tot één lichaam zullen uitgroeien.

We kunnen er zeker van zijn dat er ten opzichte van het boek Ruth aan ons nog veel dingen geopenbaard zullen worden. De actief gelovigen in de eindtijdgemeente zul­len zelf ook zeker nog veel ontdekken. De gave van de Geest, gesymboliseerd in het rijpe graan, zal steeds rij­ker uitgedeeld gaan worden. Naomi is daar al een zeer mooi voorbeeld van. Kwam zij aanvankelijk terug naar het beloofde land om er te ster­ven en begraven te worden, nu heeft zij een heel andere roeping gekregen. Zij is we­dergeboren en ziet het Ko­ninkrijk Gods met kracht doorbreken en daarbij wil zij dienstbaar zijn. Met an­dere woorden: van een dode is zij een levende geworden die weet wat er gebeuren gaat. Zij (niet Ruth) weet precies wat Boaz gaat doen, ja zelfs bij dag en nacht.

De tijd van de volheid gaat komen!

Tot op heden is de gemeente van Jezus Christus natuur­lijk ook niet onkundig ge­weest. Wij hebben door de loop der jaren heen ook van de akker van Boaz met al zijn gaven gegeten. Hij die is, die was en die komen zal, is altijd Dezelfde ge­weest, maar er komt een tijd die alles tot volheid zal brengen omdat dan de volheid der tijden er is. Het lichaam van Christus zal door de gaven en de vruchten van de Heilige Geest uitgegroeid zijn tot een volmaakte bruid. Er zijn door de jaren heen steeds christenen geweest die de Bijbel geloofden van kaft tot kaft. Maar toch waren zij als het ware blind voor de rijke gave van de Heilige Geest. Een persoonlijke inwoning van Christus met als teken het spreken in tongen en de daaruit voortvloeiende geestesvruchten en gaven werden en worden afgewezen en zelfs verwezen naar het rijk van de slang.

Het nieuwtestamentische gegeven dat de Heilige Geest ons zal leiden naar de volle waarheid en met ons zal zijn tot de voleinding, is daardoor in veel kerken en kringen geheel zoek geraakt. Zij, hoewel vaak van zeer goede wil, missen Jezus Christus als Leidsman die dagelijks bij hen is. Daarom verlangen zij zo naar de wederkomst van Christus in persoon. Zijn lichamelijke aanwe­zigheid, menen zij, kan al­leen maar de oplossing brengen.

Het boek Ruth kan voor hen een openbaring van de eers­te orde zijn, omdat daarin zo duidelijk blijkt wat het doel van Christus met zijn gemeente is. De gemeente (Naomi en Ruth – Jood en heiden) zal door de werking van de Heilige Geest tot volheid komen zie o.a. Efeze 4 vers 1 tot en met 16 (Ef. 04:01-16) en dan haar Heer en Heiland tegemoet gaan. Die ontmoeting zal be­kroond worden tot een niveau dat God de Vader alles in allen zal zijn. Het zien van deze dingen geeft ons een geopende hemel zoals die in Openbaring 4 vers 1 (Openb. 04:01) omschre­ven wordt. Het boek Ruth kan voor velen een doorbraak worden naar het Koninkrijk Gods met de toekomst die voor Zijn schepping onberouwelijk is weggelegd.

Van vleselijk leven naar geestelijk leven

De volheid der heidenen is nabij, veel gelovigen zitten op de tweesprong van een vleselijk en een echt gees­telijk leven. Jezus leeft en wij kunnen Zijn wil leren kennen en Zijn plannen wil Hij ons verkondigen.

Naomi, die aanvankelijk ook alleen maar vleselijk dacht, weet daarvan mee te praten. Zij is als het ware helemaal thuis in het doen en laten van Boaz. Zij heeft zich daarin verdiept, omdat zij rust zoekt voor Ruth en haar nageslacht. Zij weet dat daarvoor een bloedverbond nodig is tussen Boaz en Ruth. (Het verbond van Christus en Zijn gemeente is ook gebaseerd op Zijn bloed). Omdat te bereiken heeft jij (Naomi) zich inge­leefd in het leven van Boaz. Ruth zal zich in dat leven moeten invoegen. De invoeg- strook is niet zo erg lang, maar goed gemarkeerd. In vers 3 en 4 lezen wij dat de ontmoeting in de nacht en op de dorsvloer moet plaats vinden. Ruth moet zich baden en er goed verzorgd uitzien en zij mag Boaz niet eerder benaderen dan dat hij gege­ten en gedronken heeft. Ver­der moet zij goed opletten waar Boaz een slaapplaats zou kiezen.

Als dat alles had plaats ge­vonden moest Ruth het voe­tendek van Boaz opslaan en zich naast hem neerleggen. Tot zover de inbreng van Na­omi. Zij zegt dan ook (in een zelfde term als Maria, de moeder van Jezus, op de bruiloft te Kana): “Al wat gij zegt zal ik doen”.

Zoals u wel begrijpen zult zit er in deze drie verzen Ruth 3 vers 3 tot en met 5 (Ruth 03:03-05) een geweldige boodschap voor ons eindtijdgemeente. Het hele boek Ruth draait uiteindelijk om deze gebeurtenis. Het is de kern van het eindtijdgebeuren van het volk Gods. Naomi heeft haar geestelijke gaven goed gebruikt, het draagt vrucht en het zal een band die dreigde af te breken, sterk maken omdat zij, ondanks haar aanvankelijk ongeloof, actief is gaan meedoen in het plan Gods.

Als na de nacht de nieuwe dag aanbreekt…

Tussen de ene dag en de an­dere ligt de nacht. Na de nacht breekt een nieuwe dag aan, in ons geval zelfs de komende zondag in de schep­ping: de dag des Heren. Nor­maal gesproken is het toch een vreemd gebeuren dat iemand midden in de nacht op de dorsvloer gerst gaat wan­nen, nietwaar? Maar hier heeft dat gebeuren een diepe geestelijke betekenis. Jezus werd ook in de nacht gebo­ren. Toen de dag aanbrak was alles anders, ook al zag men dat nog niet direct. Zijn komst bracht een keer in de wereldgeschiedenis, er ging een nacht voorbij en een nieuwe dag brak aan.

Vanaf dat moment leven wij als mensen die geloven in de zogenaamde ‘genadetijd’. God geeft ons vrede, rust en blijdschap doordat wij in Jezus Christus, Gods Zoon, geloven omdat Hij ons Red­der, Verlosser en Leidsman is. Aan die tijd komt een einde en wij sluiten die pe­riode af met de nacht zoals die hier omschreven is.

Boaz bevindt zich in dié nacht op de dorsvloer. Hij is bezig het graan te zuive­ren en de wan is in zijn hand. In Matteüs 3 vers 11 en 12 (Matt. 03:11-12) lezen wij dat Johannes de Doper reeds van Je­zus zei dat Hij doopte met Geest en vuur en dat Hij de wan in Zijn hand heeft en de dorsvloer zal zuiveren. Het koren zal Hij bijeen­brengen en het kaf zal Hij verbranden met onuitblus­baar vuur.

Het oordeel begint bij het huis Gods, de gemeente. De dorsvloer is daar ook een voorbeeld van. De mens heeft een vrije beslissing kunnen nemen. Zij konden zich tegen God verzetten of het aanbod van Jezus Chris­tus aanvaarden en zich on­derwerpen aan Gods heer­schappij . Op de oordeelsdag (ook wel ‘de dag des Heren’ genoemd) wordt Gods volk beoordeeld. Het kaf wordt van het koren gescheiden. Daar is Boaz in die nacht mee bezig. Als hij daar klaar mee is, gaat hij eten en drinken (een laatste avondmaal) en legt zich neer om te slapen. Hij wil het verdere van de nacht bij het (gedorste en. gezui­verde) graan doorbrengen.

Ondertussen heeft ook Ruth niet stil gezeten. Zij heeft zich gebaad, gezalfd en een feestkleed aange­trokken. Zij heeft het doen en laten van Boaz gadegeslagen en gezien dat alles geschiedde zoals Naomi hadt’ voorzegt. Ruth 3 vers 7 tot en met 11 (Ruth 03:07-11) zegt: “Toen nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn hart vrolijk was, kwam hij om zich neer te leggen aan het uiteinde van de korenhoop. Daarop kwam zij stil nader, sloeg zijn voetendek op en legde zich neer. Het gebeur­de nu te middernacht dat de man wakker schrok en om zich heen greep en zie…, daar lag een vrouw aan zijn voe­teneind. En hij vroeg: Wie zijt gij? Zij antwoordde: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd. Spreid uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de losser. Toen zeide hij: Gezegend moogt gij zijn door de Here, mijn dochter, gij hebt met uw laatste liefdedaad de eerste nog overtroffen, doordat gij geen jonge mannen nagelopen zijt, hetzij arm of rijk”.

Een geweldig stuk evangelie (blijde boodschap) en een machtig stuk profetie. De ontmoetingsplaats van Boaz en Ruth (van Christus met Zijn gemeente) is op de dorsvloer. Niet in het huis van Boaz, niet in de woning van Naomi en Ruth, maar op de plaats waar het oordeel plaats vindt en er schei­ding wordt gemaakt tussen goed en kwaad, vindt hun grote samenkomen plaats.

Denk er eens aan wat hier gebeurt) Na een feestavond waarin de Heer feest viert met brood en wijn, omdat het oogsttijd is, vindt Hij daar een vrouw aan het voe­teneind van zijn rust­plaats. Nadat zij zich heeft bekend gemaakt zegt zij maar meteen wat het doel is van haar komst. Zij zegt: “Sla uw arm om mij heen en bescherm mij want gij zijt mijn losser”. Zij herinnert Boaz aan zijn verplichtingen en eist van hem vrijmoedig op grond van hun bloedverbond dat hij zijn verplichtingen nakomt. Dat is emancipatie in top­vorm. De gemeente is tot volwassenheid gekomen en is uitgegroeid tot een volwas­sen bruid die in wezen al weet dat Boaz haar man is. Onder zijn vleugelen weet zij zich geborgen en dat zij daar met heel haar hart naar verlangt steekt zij niet onder stoelen of ban­ken.

(slot volgt).

 

De godsvrucht is nuttig tot alles door H. J. Scholten

 

Vrucht en voedingsbodem

De apostel Paulus spreekt in 1 Timotheüs 4 vers 8 (1 Tim. 04:08) over de godsvrucht die nuttig is tot alles. De vrucht die van God komt is de ware vrucht en deze is ontstaan uit gemeen­schap. Zonder gemeenschap kan er nooit en te nimmer een vrucht openbaar worden, ongeacht of het een goede dan wel een kwade vrucht is.

De vrucht uit God is gekomen door zaad en dat zaad is het woord van God. Maar zaad op zichzelf baart geen enkele vrucht, het heeft een goede voedingsbodem nodig. De apostel Jakobus schrijft: “Neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden” Jakobus 1 vers 21 (Jak. 01:21). Als de menselijke geest gemeenschap heeft met de Heilige Geest gaat dit zaad ontkiemen en er begint iets tevoorschijn te komen namelijk een hemelse plant. Jezus zegt: “Elke plant, die mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitge­roeid worden” Matteüs 15 vers 13 (Matt. 15:13).

De ware christen is dus een hemelse plant en deze plant brengt vroeg of laat de godsvrucht voort. Deze vrucht houdt een belofte in van leven, in heden en in de toekomst 1 Timoteüs 4 vers 8 (1 Tim. 04:08).

Als de vrucht te lang op zich laat wachten is er iets mis met de plant. Er is iets mis met de voe­dingsbodem. Wil deze voe­dingsbodem zich wel vrucht­baar laten maken? Of stoot deze bodem de vruchtbaarmakende stoffen zoals mest en regen van zich af? Is de grond te hard? Elke boom (plant) die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen (uitgerukt) en in het vuur geworpen Matteus 3 vers 10 (Matt. 03:10).

De werkelijke liefde

Een waarachtig christen is nuttig tot alles want hij is de godsvrucht zelf. Een waar­achtig christen is christe­lijk en dat wil zeggen: hij lijkt op Christus. Wat is zijn bezigheid? Er is maar één antwoord op: liefhebben! Hóe liefhebben? Johannes geeft het enige goede ant­woord: “Kinderkens, laten wij liefhebben niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid”

1 Johannes 3 vers 18 (1 Joh. 03:18).

Iemand zei eens toen we het over het Bijbelse liefhebben hadden: “Altijd dat gezemel over liefhebben, ik word er kotsmisselijk van”. Deze persoon bezat de ware gods­vrucht niet, maar leefde nog in de wereld der ergernis­sen.

In Romeinen 9 vers 33 (Rom. 09:33) staat: “Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen”. Die rots der ergernis is ook de rots der liefde. Vele mensen kunnen niet tegen de liefde. Ze weten geen raad met de liefde. Het brengt hen in verlegenheid. Dat is de grote armoede van deze wereld en ook de armoede van 16 vele christenen. De liefde Gods wekt ergernis en Jezus zegt: ‘En zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd zal worden” (Matth.ll:6, Sta­tenvertaling) .

De ware christen bezit liefde en heeft daardoor lief met een reine liefde. Waar de ene broeder slecht spreekt over de andere broeder, doorbreekt de ware christen dit gesprek en toont zijn godsvrucht. Daarom spreekt de ware christen betrouwbare woor­den en ze zijn alle aanne­ming waard. Helaas zijn de woorden van velen die zich christenen noemen niet de moeite waard om naar te luisteren, laat staan ze aan te nemen.

De ware christen leeft tot nut van zijn naaste, omdat hij zijn hoop gevestigd heeft op de levende God, die een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen 1 Timoteüs 4 vers 10 (1 Tim. 04:10).

Valse of echte vrucht?

De grote zwakheid van het hedendaagse christendom is de onderlinge na-ijver, wantrouwen, jaloersheid, roddelzucht en de eeuwige kritiek. Ze maken scheuring op scheuring en men is met blindheid geslagen. Wat is nu de ware oorzaak?

Geen liefde of een groot ge­brek aan liefde! Hoe kan dat dan? Men is nog niet geheel en al overgegaan uit de dood in het leven. Er zijn nog dode werken en er is nog steeds een doodslucht. Ver­schrikkelijk die christenen met een doodslucht. Zij zijn het die meestal de huizen rondgaan bij gebrek aan be­zigheid, en niet alleen zon­der bezigheid, maar ook be­zig zijn met praatjes en al te bezig met het spreken over onbehoorlijke dingen 1 Timoteüs 5 vers 13 (1 Tim. 05:13).

Een ware christen bouwt zijn naaste op. Een schijnchristen breekt af onder het mom van godsvrucht. De vrucht is echter vals en houdt geen leven in, noch n het heden, noch in de toekomst. Iemand die godsvrucht bezit is zo’n voorbeeld voor alle andere gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid 1 Timoteüs 4 vers 12 (1 Tim. 04:12) De ware godsvrucht brengt de ware zonen Gods voort. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren, Matteüs 22 vers 14 (Matt. 22:04).

 

Laat los… en gij zult losgelaten worden! (gedicht) door Piet Snaphaan

Lucas 6 vers 37 (Luc. 06:37)

Men houdt vaak vast aan hetgeen men los moet laten,

Je staat er immers altijd niet bij stil.

Toch is ’t belangrijk, houd dat in de gaten,

Want dan alleen, dan sta je in Gods wil.

 

Zijn wil is immers dat we steeds ontdekken,

Wat Hem behaaglijk, welgevallig zij.

Dan zal Hij door Zijn Geest ons wekken:

“Laat los”, zegt God, “vertrouw alleen op Mij”.

 

Laat los hetgeen gij zelf niet kunt bewerken,

Geef ’t over aan de Heer, Hij geeft u kracht.

Hij zal u door Zijn Geest versterken,

Laat los, want weet: Hij heeft ’t voor ons volbracht.

 

Volle evangelie centrum “Heil en lof”. Door Evert van de Kamp

In dit artikel vragen wij uw speciale aandacht voor het volle evangelie centrum “Heil en Lof” te Aalten.

Dit opvangcentrum voor men­sen in geestelijke nood functioneert in volledige samenwerking met een volle evangelie gemeente, in dit geval de volle evangelie gemeente “De Kandelaar” (voorganger br. E. J. v. d. Kamp). Wij geloven dat deze vorm van hulpverlening de best denkbare is, omdat Gods Woord duidelijk aan­toont dat de gemeente uit­eindelijk de plaats is waar bevrijding en herstel tot stand moet komen, opdat de mens weer kan leven naar Gods wil, als beelddrager van Jezus.

Ruim twee jaar geleden kwam de volle evangelie gemeente “De Kandelaar” in de gele­genheid een prachtig uit 1860 daterend pand aan de Bredevoortseweg te Aalten te kopen. Het was een voor­malig notarishuis, dat na een grondige opknapbeurt door gemeenteleden, kon worden betrokken door de familie Van de Kamp, ter­wijl een aantal kamers werd gereserveerd en inge­richt voor gasten. Tevens wordt de wekelijkse Bijbelstudie van de gemeente “De Kandelaar” er gehouden. Met het oog op het financieel beleid werd een aparte stichting opgericht die het pand huurt van “De Kande­laar” ten behoeve van het opvangwerk en een gedeelte ervan verhuurt aan de fami­lie Van de Kamp

Reeds spoedig na de opening konden de eerste mensen in nood worden ontvangen en sindsdien zijn er vrijwel permanent gasten geweest.

De naam van het huis “Heil en Lof” is gebaseerd op Jesaja 60 vers 18 (Jes. 60:18): “Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden, van verwoesting noch verderf in uw ge­bied; en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof”. Deze woorden spreken van herstel en genezing. Dat is ook de opzet van het werk: mensen te helpen die in hun leefsituatie vastge­lopen zijn. Door deze mensen enige tijd in het huis op te nemen, krijgen zij een kans zich weer zelfstandig te handhaven. Uiteraard hoort daar de nodige begeleiding bij .

Er wordt geen onderscheid gemaakt naar gezindte, want “Heil en Lof” staat open voor allen die voldoende ge­motiveerd zijn om onder be­geleiding te werken aan de eigen problematiek. Daarbij wordt niet gedacht aan drugs- of alcoholverslaaf­den. Deze worden door gewezen naar andere hulpverleners. Het gaat dus om mensen, die in allerlei geestelijke en/ of sociale nood verkeren en hulp nodig hebben. Van hen wordt wel verwacht dat zij de christelijke identiteit van “Heil en Lof” respecte­ren .

Elke gast, eventueel echt­paar heeft een eigen kamer en geniet zoveel mogelijk

persoonlijke vrijheid. Gas­ten worden in het gezin op­genomen. Er is een huis­kamer voor iedereen en de maaltijden worden gezamen­lijk gebruikt. Er wordt ge­streefd naar een persoon­lijke benadering en bege­leiding. In de regel is er ’s morgens gelegenheid tot gesprek. Deelname aan sport, spel en hobby’s wordt ge­stimuleerd. Het meedoen aan samenkomsten, Bijbelstudie- avonden en dergelijke wordt overgelaten aan het eigen initiatief van de gasten, terwijl na vertrek uit “Heil en Lof” zoveel moge­lijk wordt gezorgd dat er blijvende begeleiding is.

Uiteraard brengt het werk met zich mee, dat er aller­lei kontakten ontstaan, zo­als met kerken, geloofsgemeenschappen, burgerlijke ge­meenten en maatschappelijke instellingen.

Tenslotte willen wij u nog vertellen waarom de familie Van de Kamp met dit werk is begonnen. We ontlenen het aan de informatiefolder wel­ke gratis kan worden aange­vraagd: “Zelf zijn wij zo rijk gezegend door de bood­schap van het Koninkrijk der hemelen, dat wij niets liever willen dan ook ande­ren de weg van herstel te leren gaan. Als oudsten in onze eigen gemeente weten wij hoeveel nood er kan zijn. Wij werken duidelijk vanuit de leer van onze Heer; vanuit het enige onveranderlijke evangelie van Jezus Christus. Met Christus weten wij ons ook geplaatst in de hemelse ge­westen. Daar volbrengen wij onze taak. Mocht u enige tijd bij ons door willen brengen neemt u dan contact met ons op voor reserve­ring. De eenvoudigste wijze is telefonisch. Dan weet u meteen wanneer er een kamer vrij is. Lakens, baddoeken en dergelijke hoeven niet te worden meegebracht.

Rest ons u nog te vertellen dat wij niet op commerciële basis werken. Dit werk is namelijk een geloofswerk en wordt grotendeels gedragen door vrijwillige giften en bijdragen. Op dit moment zijn de verblijfskosten ƒ 30,– per dag, alles in­begrepen” .

Het adres van “Heil en Lof” is:

Fam. E. J. v. d. Kamp, Aalten (Gld.).

 

God is een goede God door redactie

Onze nieuwe brochure “God is een goede God” is door velen met enthousiasme ontvangen. Vrijwel dagelijks voeren wij bestellingen uit en als u het boekje nog niet gelezen heeft, raden wij u beslist aan het aan te schaffen.

Als het niet verkrijgbaar is op de boekentafel van uw gemeente of in de boekwinkel, kunt u ook rechtstreeks bij ons bestellen. 1 exemplaar kost f 2,50, maar bij af­name van 10 exemplaren en meer betaalt u slechts f 1,75 per boekje; alles exclusief portokosten.

De brochure leent zich ook uitstekend als cadeautje voor de aanstaande feestdagen en is niet alleen bedoeld voor kinderen Gods die reeds langer op de weg zijn, maar ook onbekeerden en pas-bekeerden zullen er veel aan hebben. Schrijf naar: “Levend Geloof”, Wapenveld.

 

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts -4-

De ontwikkeling van het Godsbeeld bij Job

In Job ontmoeten we de man die worstelt met zijn godsbeeld. K. H. Miskotte heeft erop gewezen dat men in het algemeen drie verklaringen naar voren brengt met betrekking tot het lijden: het wordt gezien als straf voor de zonde, het lijden heet noodzakelijk voor de voortgang van de wereld, of het is te verstaan als een opvoeding Gods. Hij voegt er dan aan toe: wij zullen deze verklaringen één voor één wegen… en te licht bevinden.

Wat gebeurt er met het godsbeeld van deze lijdende knecht? Wanneer we ons hierin wat willen verdiepen, dan stuiten we op een opvallend gebruik van de namen Gods. Er blijken namelijk twee namen te zijn die speciaal in dit Bijbelboek een sleutelfunctie bezitten. Dat zijn de naam die meestal weergegeven wordt met Here, en in de tweede plaats de naam die veelal vertaald wordt met: de Almachtige. We zouden kunnen zeggen: aan de hand van deze beide namen wordt het godsbeeld in het boek Job ontvouwd. We kunnen ook stellen: op basis van deze twee namen gaat zich het godsbeeld van Job ontwikkelen. Wat dat er zich bij deze man inderdaad een ontwikkeling voltrekt, zal duidelijk zijn voor ieder die het boek aandachtig leest.

Wat de eerste naam betreft, Here, deze houdt, zoals bekend, verband met de godsopenbaring aan Mozes: Ik ben die Ik ben. Hierin is vervat een heenwijzing naar Gods wezen. En nu is het opmerkelijke dat deze naam in het onderhavige Bijbelboek alleen voorkomt in de proloog en in de ontknoping; dat wil zeggen: achttien keer in de eerste twee hoofdstukken, en dertien maal in de hoofdstukken 38 tot en met 42. In het tussenliggende deel, dus in de gesprekken tussen Job en zijn vrienden, treffen we deze naam geen enkele maal aan. Blijkbaar blijft in deze uitvoerige dialogen het wezen Gods veelszins versluierd. Te midden van al deze discussie is de naam ‘Ik ben’ opvallend afwezig. Met al hun uiteenzettingen slagen deze mannen er niet in, tot het wezen van God door te dringen.

Job gaf aan God de lof van zijn hart

Wanneer Job in de ouverture deze godsnaam uitspreekt, dan is het in de algemeen vermaarde tekst: “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de naam des Heren zij geloofd” (letterlijk: gezegend) Job 1 vers 21 (Job 01:21).

We zien hier dat Job reeds wel deze naam aanhaalt, maar dat de specifieke inhoud van deze typering voor hem nog een verborgenheid is. Hij kent en erkent God als de Here die geeft, maar ook het nemen schrijft hij op rekening van deze zelfde God. Toch, en dat is het waardevolle van deze vrome in de ware zin des woords, eindigt hij met de naam van God te zegenen, en daarom kon van hem dan ook getuigd worden: “In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe” Job 1 vers 22 (Job 01:22). Dat wil zeggen: hij zondigde niet, met andere woorden: hij miste zijn doel niet, want wat is het doel van de mens? Dat hij God zegent, dat hij aan de kant van God staat, en dat deed Job, ook al was zijn kennis nog ten dele. Zijn denken was nog versluierd, maar zijn hart was toegewijd. Er was in hem geen bitterheid jegens God. Daarom kon van hem gezegd worden: hij gaf aan God niets onnozels, niets wat ongepast is. Immers wat gaf hij aan God? de lof van zijn hart. Hij bleef zijn verbondenheid met zijn God, zijn loyaliteit, uitspreken en dat had waarde in de geestelijke wereld.

Dan, na hoofdstuk 2, verdwijnt deze naam van het toneel, om pas weer op te duiken op het moment dat God Job gaat ant­woorden. Deze opbouw is veelbetekenend: dan wordt de zin en inhoud van deze naam aan Job onthuld. God openbaart zich als de ‘Ik ben’.

De relatie tussen de boeken Genesis en Job

De tweede naam, gemakshalve vertaald met ‘de Almachtige’, komt nu juist vrijwel uitsluitend voor in de gesprekken. Deze naam vinden we niet in de proloog en slechts eenmaal in de ontknoping, namelijk in Job 39 vers 35 (Job 39:35), waar beide namen samenkomen: “En de Here antwoordde Job: Wil de bedil­ler twisten met de Almachtige?”

Deze tweede naam komt maar liefst dertig keer voor in de dialogen, plus zoals gezegd, nog eenmaal in de slothoofd­stukken. De vraag ligt voor de hand: waarom gebruiken Job en zijn vrienden telkens deze aanduiding voor God? Dit is te meer opvallend, als we in aanmerking nemen dat deze titel buiten het boek Job slechts zeventien keer voorkomt in het hele Oude Testament.

Daar komt dan nog een tweede vraag bij: wat is de inhoud van deze naam? Dekt de vertaling ‘Almachtige’ de werkelijke betekenis? De Bible de Jérusalem laat de naam eenvoudig onvertaald en wijst erop dat hij afkomstig is uit de tijd van de aartsvaders; de naam zou dan in het boek Job weer onder het stof vandaan gehaald zijn en als een antieke curiositeit in deze gesprekken zijn gebruikt.

Nu is het inderdaad een feit dat we niet over het hoofd moeten zien, dat deze titel in het boek Genesis een funda­mentele rol speelt; zes maal treffen we hem daar aan. Oud­tijds meenden trouwens ook velen dat het boek Job geschreven zou zijn door Mozes, die eveneens de auteur was van Genesis.

Hier raken we aan de problematiek rondom de datering, waar­bij we dan twee kwesties van elkaar dienen te onder­scheiden: de datering van het leven van Job en de datering van het boek Job. Dat Mozes de auteur van dit boek zou zijn, is vrij onwaarschijnlijk; er is meer verwantschap in uitdrukking en gedachtewereld met Jeremia en Ezechiël, terwijl de tekst bovendien gekleurd is door vele Aramese woordvormen en begrippen, zodat men eerder geneigd is te denken aan een ontstaan ten tijde van of na de balling­schap, toen men, met het ineenstorten van natiën voor ogen, meer de drang voelde om zich te bezinnen op het lot van het individu.

In elk geval, al is de vraag naar de datering moeilijk te beantwoorden, een relatie tussen Genesis en Job is er wel, en die kan ons ook helpen om de zin van de godsnaam Sjaddai, Almachtige, op het spoor te komen. De oorspronke­lijke betekenis van El Sjaddai is: de ’God van de berg, waarmee bedoeld is de godenberg, waarover ook Ezechiël spreekt. De status, de positie van God wordt ermee aan­geduid: God is als het ware gezeten op het knooppunt van de geestelijke wereld, vanwaar uit Hij kosmos en toekomst volledig beheerst. De berg der góden immers is de plaats vanwaar uit geschiedenis gemaakt wordt, beslissingen worden genomen, plannen uitgestippeld.

De betekenis van de naam El Sjaddai

Nu krijgt deze naam Sjaddai in Genesis heel markante con­touren. Het is God zelf die deze naam als een geheimenis voor Abram ontvouwt, ontsluit, op een uiterst kritiek moment, namelijk als deze diep beseft dat zijn levenskracht ten einde is en dat de moederschoot van Sara verstorven is. In deze grenssituatie plaatst God de naam Sjaddai, in dit doodsgebied plant Hij taal en teken: Ik ben El Sjaddai. Hiermee worden minstens twee elementen tot uiting gebracht: allereerst verbindt God zich door middel van deze wezens- openbaring op een heel intense manier met de aartsvaders, om de God te zijn die voor hen de strijd zal voeren op het knooppunt in de hemelse gewesten; Hij maakt zich aldus aan hen bekend als hun goddelijke ‘naaste’. En in de tweede plaats houdt deze naam in: Hij is de Heer die macht oefent tegen de dood.

Telkens als de toekomst van het wordende godsvolk afgestor­ven schijnt, als Jakob moet vluchten, als Benjamin mee moet naar Egypte, dan klinkt daar die naam Sjaddai. Het is de God die de strijd aanbindt tegen het noodlot, die zich op­stelt tegen de doem, tegen de dood, die het onafwendbare afwendt.

Een unieke naam: God als naaste van de vaderen, en God die macht oefent tegen de dood. Maar ook deze naam blijkt voor Job en zeker voor zijn vrienden versluierd te zijn. Voor de vrienden betekent Sjaddai inderdaad niet meer dan ‘de Al­machtige’, iemand die veel of alles kan, en aan wiens tucht men zich dient te onderwerpen: “versmaad daarom de tucht des Almachtigen niet”, zo luidt de oproep aan Elifaz in Job 5 vers 17 (Job 05:17).

Ook Job zelf zit onder een verduisterde hemel: “Want de pijlen des Almachtigen steken in mij, welker gif mijn geest inzuigt”, zo verklaart hij in Job 6 vers 4 (Job 06:04). Maar toch heeft Job, al ontbreekt het hem nog aan een helder beeld, weet van iets beters; hij denkt terug aan vroeger “toen Gods vertrouwelijke omgang in mijn tent toefde; toen de Almach­tige nog met mij was” Job 29 vers 4 en 5 (Job 29:04-05). Hij heeft ergens nog het besef van de aartsvaders: Sjaddai is toch niet een God van geweld, van brute kracht, maar vroeger was Hij mijn ‘naaste’. Daarom, vanuit deze innerlijke overtuiging, die hem nooit verlaten heeft, alles wat de vrienden betoogden ten spijt, heeft Job de moed om in zijn slotwoord te vragen: “de Almachtige antwoorde mij” Job 31 vers 35 (Job 31:35).

Juist die naam Sjaddai zal dan ook in de ontknoping ont­vouwd, ontsloten worden. Door de Here zelf. En dat is het­geen waar Job om worstelt; hij vecht tegen de leugen, hij vecht opdat de naam van Sjaddai zal doorbreken. Hoe, weet hij niet; maar dat er iets moet gebeuren, weet hij wel.

Job wacht zware strijd in de Geest

We zien hoe de strijd voor Job steeds zwaarder wordt. De zwaarste kamp staat hem te wachten in de geest. In de eerste fase verdwenen zijn bezit en de kinderen die hij altijd geheiligd had; in de tweede fase werd zijn lichaam aangetast, maar toen begon het pas.

Dan komt daar zijn vrouw, de enige die hij nog over heeft, en wat kan het zo vreselijk verwonde hart dieper raken dan het woord van haar die hem het dierbaarst is? Men zegt wel: mensen die het meest van elkaar houden, schijnen elkaar het meest verdriet te doen. Samen hadden ze gestaan voor het aangezicht van God en besloten: nooit zullen we elkaar ver­laten, in goede noch kwade dagen, in rijkdom noch armoede, in ziekte noch gezondheid, tot de dood ons zal scheiden. Het was alles zo stralend geweest, en nu was het nacht.

Dan komt daar zijn vrouw en wat zegt zij? “Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg God vaarwel en sterf!” Job 2 vers 9 (Job 02:09). Nu is er iets merkwaardigs aan de hand met de woorden die zij spreekt. Het is namelijk dezelfde gedachte die de satan reeds tweemaal uitsprak in de hemel: of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen. Deze vrouw is niets anders dan een echo. Zij brengt alleen maar de gedachten van de boze aan haar man over. Het enige originele dat ze er nog aan toevoegt, is: en sterf! Maar ook dat zal haar ongetwijfeld vanuit de geestelijke wereld voorgezegd zijn.

Wat een eenzaamheid voor Job. Niet begrepen te worden door haar die hij het meest beminde. Alles is erop uit, zijn geest murw te slaan. Maar ook deze neer zuigende gedachte weerstaat hij. Zouden we het goede van God aannemen en het kwade niet? De oorsprong van het kwaad is voor hem nog ver­borgen, maar zijn hart blijft staan aan de kant van God.

De vrienden van Job zwijgen   

Dan komen de vrienden. Hij is voor hen onherkenbaar gewor­den, evenals de lijdende knecht over wie Jesaja spreekt. Zeven dagen en zeven nachten zitten ze daar en geen woord komt over hun lippen. Een omgekeerde scheppingsweek lang. Ze scheuren hun mantel en strooien stof op hun hoofd: dit waren rouwgebruiken in die dagen. Het kan de rouw zijn om de omgekomen kinderen, maar in feite beschouwen ze Job ook reeds als een dode, een ten dode op geschrevene. Zeven dagen stilte, zoals de mannen van Jabes zeven dagen vastten na de dood van Saul.

Het is een uiting van rouw, en ook van boete. Blijkbaar hebben ze verwacht dat Job zich bij deze boetedoening zal aansluiten: voordat het einde over hem komt, zal hij nog één ding doen: hij zal zijn schuld belijden, en dan zal hij sterven. Zeven dagen geven zij hem de kans. Zoals in zeven dagen de muren van Jericho vielen, zo zou ook in zeven dagen de geest van Job ineen moeten storten. Een week van afbraak, totdat de laatste weerstand zou zijn bezweken.

Ze komen om hem te beklagen, eigenlijk staat er: om hun hoofd te schudden, om hem toe te knikken, en om hem te troosten. Maar dan moet hij wel meewerken. Dan moet hij wel in hun schema passen. Ook die uitdrukking: iemand toeknik­ken, wordt wel gebruikt in verband met de rouw over een dode, met name bij Jeremia.

Jay E. Adams behandelt in één van zijn boeken het rouw­proces, waarbij hij drie stadia onderscheidt: shock, des­organisatie en reorganisatie. Interessant is dat hij daar­bij opmerkt: het eerste stadium kan één tot twee uur duren, het tweede stadium zeven tot tien dagen. Dat zou dan heel goed samen kunnen vallen met de zeven dagen die de vrien­den zwijgend en rouwend doorbrengen bij Job. Het is de periode van ontreddering, de ware persoonlijkheid komt openbaar, oude velden worden omgeploegd, oude gebouwen komen naar beneden, het is een tijd van ontworteld worden, de eerste etappe van een overgangsfase. Opvallend is dat Adams benadrukt: een pastor kan geweldig helpen in dit proces. Hij voegt eraan toe: Ik zou willen oproepen tot veel meer pastorale gesprekken dan de meeste herders met hun mensen voeren tijdens de periode van verdriet.

Tegen de achtergrond van deze opmerkingen bezien, is het dan toch wel ontstellend dat de drie vrienden zeven dagen zwijgen. Ze laten dus de fase van de desintegratie vruchteloos voorbijgaan. Ze laten Job stuurloos rond­dobberen op de golven van zijn eigen gedachten. Of beter gezegd: van de gedachten die op hem af komen. Waarom bidden ze niet voor of met hem? Waarom roepen ze de Naam niet over hem uit?

Geen wonder dat Job, wanneer hij tenslotte zijn mond open­doet, zijn geboortedag gaat vervloeken. De verwachte schuldbelijdenis blijft uit. Doordat de vrienden hem be­schouwen als een dode, hem behandelen als een ten dode op geschrevene, is de lucht zo bezwangerd van doodsmachten, de geest van deze man is zo eenzaam en verlaten, dat hij niet anders meer kan wensen dan: “Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven, en dat geen glans over hem schijne; dat de duisternis en des doods schaduwe hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem ver­schrikken de zwarte dampen des dags” Job 3 vers 4 en 5 Statenvertaling (Job 03:04-05).

De geboortedag is het moment waaruit iemands hele leven tevoorschijn treedt, het is de oorsprongs-ader, het genesis-gebeuren. Job heeft nu echter nog maar één verlan­gen: die ader af te snijden, die wortel van zijn bestaan uit te rukken. De schaduwen des doods hebben zijn denken overweldigd.

Het verlangen van Job naar antwoord van God

Maar wie goed luistert, hoort dwars door rauwe, bittere geluid heen een vraag, een hunkering naar licht. In zijn klacht spreekt Job over de man wiens weg verborgen is, aan wie God elke uitweg heeft afgesneden Job 3 vers 23  (Job 03:23); de Statenver­taling noemt hem de man die God overdekt heeft. Daar horen we tussen de regels het verlangen dat die verborgenheid zal oplichten, dat die met wolken overdekte hemel zal opengaan, dat God zal antwoorden. Job gaat immers uit van de veron­derstelling dat God degene is die alle uitwegen heeft af­gekapt. Een andere vertaling zegt: God heeft zich tegen hem afgeschermd. Zo heeft deze knecht het ervaren: er staat een scherm tussen hem en de onzienlijke wereld.

Straks mag Job achter de schermen zien. Maar nu zijn er vooralsnog alleen de vrienden. Zij horen de vervloeking en verder niet; zij kunnen niet tussen de regels luisteren, niet vernemen zij de schreeuw van een verduisterd hart.

Elifaz gaat in de aanval

Dan kan Elifaz zich niet meer inhouden en als eerste van de vrienden opent hij het vuur op Job. Deze Elifaz wordt een Temaniet genoemd en Teman is een deel van Edom en staat soms als aanduiding van het gehele land Edom; Teman stond bekend om zijn wijsheid, zoals blijkt uit Jeremia 49 vers 7 (Jer. 49:07): “Is er geen wijsheid meer in Teman, is aan de verstandigen raad ontglipt, is hun wijsheid verdwenen?”

Elifaz valt meteen met de deur in huis en vlot en zakelijk werkt hij de punten van zijn betoog af. In de eerste plaats spreekt hij zijn verbazing uit, dat Job zo gauw uit het lood geslagen is: anderen heb je getroost, maar zodra jouzelf iets overkomt, schreeuw je moord en brand. Nu ben je direct moedeloos en verbijsterd. Job, jongen, hoe heb ik het toch met je?

Typisch de reactie van een man die zelf nooit iets mee­maakt; een man die de theorie (en dan nog de valse theorie) met verve uiteen kan zetten omdat hij niet gehinderd wordt door enige praktische ervaring.

Vervolgens gaat hij over tot de vraag: “Is dan niet uw gods­vrucht uw toevlucht, uw onberispelijke wandel uw hoop?” Job 4 vers 6 (Job 04:06). Daarmee geeft hij er blijk van dat hij er niet veel van begrepen heeft, van de principes die gelden in de geestelijke wereld niet, en ook van zijn vriend Job niet. Want deze vraag is immers geheel en al onrechtvaardig: natuurlijk heeft Job niet op zijn godsvrucht vertrouwd, doch op God. Hier haakt Elifaz trouwens letterlijk in op de woorden uit de proloog: godsvrucht is identiek met god­vrezend, onberispelijke wandel is gelijk aan de vroomheid uit hoofdstuk 1. Precies de punten die de satan bij Job in twijfel trok, vroomheid (eigenlijk eenvoud) en godvrezendheid, die gaat Elifaz nu ook nog eens vakkundig op losse schroeven zetten. We zien: deze Temaniet pakt gewoon de draad op waar de satan hem heeft laten liggen.

Als Job nog nauwelijks tijd gehad heeft om van deze vraag te bekomen, is Elifaz al bij zijn volgende voltreffer, en dit wordt de kern van zijn verhandeling; dit is ook niet meer een omzichtige benadering, dit kunnen we niet anders omschrijven dan als een frontale aanval.

“Bedenk toch: wie kwam ooit onschuldig om, en waar werden oprechten verdelgd?” Job 4 vers 7 (Job 04:07). Daar laat Elifaz het derde woord uit de proloog klinken, het woord ‘oprecht’: Job heette immers vroom en oprecht?

Elifaz vertelt wat hij gezien heeft: “Naar ik gezien heb, wie onrecht ploegen en moeite zaaien, die maaien het” Job 4 vers 8 (Job 04:08). Jammer genoeg heeft hij kennelijk nooit gezien wat de psalmisten maar al te vaak zagen: “hij (de goddeloze) ligt in hinderlaag bij de gehuchten, in het verborgene doodt hij de onschuldige” Psalm 10 vers 8 (Ps. 010:008). Daar treedt datzelfde woord ‘onschuldige’ weer naar voren, dat later in het proces tegen Jezus opnieuw zo’n belangrijke rol zal gaan spelen: onschuldig bloed wordt dan vergoten.

Voor Elifaz echter is de zaak zonneklaar: zoiets komt niet voor. Nooit. Zit iemand in de ellende, dan is er maar één verklaring mogelijk: de man moet het ernaar gemaakt hebben.

Nu is Elifaz niet zomaar iemand, die volstaat met wat algemene waarheden te berde te brengen; neen, hij heeft openbaring gehad. “Een woord drong heimelijk tot mij door en mijn oor ving het gefluister daarvan op” Job 4 vers 12 (Job 04:12). We bemerken: het gaat er zeer geheimzinnig aan toe.

De openbaring van Elifaz onder de loep

Een aantal punten vallen ons op wanneer we deze openbaring onder de loep nemen: er is sprake van diepe slaap, ook wel vertaald met verdoving; deze onheilspellende toestand loopt dan verder uit op schrik en beving. Het zal zonder meer duidelijk zijn dat we hier niet met het klimaat van het koninkrijk Gods te maken hebben. Ja, zelfs al zijn beenderen werden verschrikt, zijn haren rezen ten berge en wat was de oorzaak? Een voorbijglijdende geest. Kennelijk is het bezig zijn in de geestelijke wereld voor Elifaz een zenuwslopende aangelegenheid.

Maar het eindresultaat is helemaal niet om over naar huis te schrijven: de man weet tenslotte niet wat hij ziet. Hij bleef staan, maar ik kon zijn gestalte niet onderscheiden. Dat is typerend voor vrome geesten: alles is vaag, mistig, nevelig. Het blijft een onbekende; je hebt er later nooit verhaal op, want een naam weet je niet. Een geest, een gedaante. Elifaz leeft op anonieme openbaringen.

En ik vernam een fluisterende stem. Letterlijk staat het er nog iets vreemder: Wat ik hoorde, was zwijgen en stem. Je vraagt je af: hoorde de man nu wat of niet? Nu is het wel merkwaardig dat die beide woorden: stem en zwijgen, in nog een tekstverband tezamen voorkomen, namelijk als het gaat over Elia op de Horeb. Dan is daar het suizen van een zachte koelte; een andere vertaling zegt: stem van een ver­sluierd zwijgen. Vandaar uit bezien is wat deze geest hier bij Elifaz ten gehore brengt, een stuk imitatie, zoals zo vaak boze (en vrome) machten de uitingen van de Geest Gods trachten na te bootsen.

In elk geval is hiermee het nodige voorbereidende werk ge­daan om de emoties van Elifaz in de stemming te brengen, zodat hij nu rijp is om alles, wat voor gedachte dan ook, wat de anonieme geest hem wil toestoppen, te slikken. Het kippenvel en aanverwante rillingen blijken trouwens een pas­send aperitief te vormen voor datgene wat er nu verder ge­serveerd gaat worden. De geest heeft eerst gezorgd voor enige ingrediënten van ‘nacht en stormgebruis’, goed voor uw broodnodige onrust; vervolgens verhoogt hij de spanning door een goed getimed stilzwijgen, en dan…, ja dan is het moment van spreken daar, het ogenblik der onthulling is aangebroken…

Elifaz is een bevoorrecht man; hem is gegeven wat slechts weinigen vergund is. En wat zegt de stem? Wat fluistert de geest? Precies wat Elifaz altijd al gedacht had. “Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God, of een man rein tegenover zijn Maker?” Job 4 vers 17 (Job 04:17). Op dat licht zat hij nu al die tijd te wachten. En het is zo fijn dat hij dit nu ook weer mag doorgeven aan een ander, die helaas nog van dat licht verstoken is. Dit is het thema van de boodschap die hij mocht ontvangen: de mens is van nul en gener waarde.

En dat is niet de opvatting van een of andere pessimist; neen, zo denkt God erover. Deze geest geeft het standpunt van de Schepper weer. Waarom God de mens dan eigenlijk ge­schapen heeft, die vraag wordt niet beantwoord; je kunt tenslotte ook niet alles van zo’n geest verlangen. Wel weet hij nog te melden dat de mens een bewoner is van lemen hutten, die gegrond zijn op stof. Het is duidelijk: leem en stof, dat kan nooit veel wezen. Huizen van leem kan een beeld zijn van het menselijk lichaam. Job zelf zegt later: “Bedenk toch, dat Gij mij als leem hebt ge­vormd, en wilt Gij mij tot stof doen wederkeren?” Job 10 vers 9 (Job 10:09). Zo wordt de mens getypeerd, leem gefundeerd op stof, maar dat die mens ook nog een geest bezit, die bijna goddelijk is, dat laat deze anonieme geest maar achterwege. Je kunt immers beter niet alles vertellen. De mens mocht eens gaan denken dat hij meer is dan de geest die tot hem spreekt!

(wordt vervolgd).

 

Mededelingen

Volgend nummer

De volgende uitgave van “Levend Geloof” (december) is alweer het laatste nummer wat dit jaar verschijnt. Naast verschillende ge­loofsopbouwende artikelen wordt onder andere een kerstgedicht van Judith Jacobs gepubliceerd. Verder veel reacties uit de lezerskring en een getuigenis. Het decembernummer leent zich bij uitstek voor verspreiding. Wilt u verzekerd zijn van toezending van extra exemplaren bestel dan vooraf. Bij afname van 10 exemplaren en meer a 75 ct. per exemplaar + portokosten.

Brochures

Onze brochures voorzien in een grote behoefte. Ze belichten op duidelijke wijze ver­schillende aspecten van de eindtijdboodschap. Zorg dat u voldoende exemplaren in huis heeft, zodat u wanneer u met mensen over het geloof spreekt, hen eventueel een boekje kunt geven. Wanneer u minimaal 10 boekjes – ook verschillen­de titels – bestelt, geldt de kortingsprijs.

Jan Noë

Broeder Jan Noë is onlangs weer vier weken in Zwitserland en Oostenrijk geweest. Naast familiebezoek was broeder Noë weer in de gelegenheid in verschillende gemeenten en huis- samenkomsten te spreken of zijn getuigenis te geven. Volgende maand volgt weer een artikel van deze nestor onder onze medewerkers.

1982.10 nr. 230

Levend geloof 1982.10 nr. 230

Christus vóór ons of in ons? Door Gert Jan Doornink

“….opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods” Efeze 3 vers 19b (Ef. 03:19b).

Wat betekent Christus in ons leven?

Een belangrijke vraag die wij ons bij het volgen van Christus telkens weer moeten stellen is niet alleen wat Hij voor ons betekent, maar ook wat Hij in ons betekent en door ons wil doen. Vele kinderen Gods komen tijdens hun leven niet verder dan het eerste. Nu is het natuurlijk zeer belangrijk dat wij weten wat Christus voor ons betekent en heeft gedaan. Daar raken we nooit over uitgedacht en uitgesproken. Het is onvoor­stelbaar heerlijk te weten een kind van God te zijn omdat wij geloven in het volbrachte werk van Jezus aan het kruis van Golgotha. Daar stierf Hij voor onze zonden. Daar kocht Hij ons vrij uit satans macht. Daarvan spreken en getui­gen wij. Daarom loven, prijzen en aanbidden wij Hem!

Maar ons leven wordt rijker en voller als we Christus ook leren kennen als Degene die te al­len tijd in ons woont en werkt. Paulus schrijft in Efeziërs 3 vers 14 tot 19 (Ef. 03:14-19): “Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Gewor­teld en gegrond in de liefde, zult gij dan, sa­men met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods”.

Tot driemaal toe komen we hier het woordje ’opdat’ tegen. Met andere woorden dat is Gods bedoeling, dat is Gods wil. (Het woordje opdat betekent ’tot het doel dat’). Gods doel met ons leven is dat wij vervuld worden tot alle volheid Gods. Dezelfde volheid die in Christus was be­hoort ook ons leven te beheersen. Omdat wij Christus kennen is deze volheid in principe reeds aanwezig. Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09) zegt: “In Christus woont al de volheid der godheid licha­melijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht”.

Vanaf de dag dat we Christus hebben leren kennen is de volheid Gods in ons, omdat Christus in ons woont…. maar nu komt het aan op de beleving daarvan. Hoe meer wij ons bewust worden dat Christus in ons woont en werkt, hoe meer wij Hem ook zullen openbaren.

Waarom komen vele kinderen Gods niet verder?

Het is een feit dat vele kinderen Gods nog maar weinig terecht brengen van de openbaring van de volheid Gods. We willen enkele oorzaken daarvan onder ogen zien en onszelf daarbij een spiegel’ voorhouden. Want satan probeert in het leven van ieder kind van God telkens weer hindernissen op te werpen om hem van de volheid Gods af te houden.

De eerste hindernis is ongetwijfeld onwetendheid.

Reeds in de tijd van de profeet Hosea klonk het woord des Heren: “Mijn volk gaat te gronde door gebrek aan kennis” Hosea 4 vers 6 (Hos. 04:06). Ook vandaag is er bij vele kinderen Gods gebrek aan kennis. Met als gevolg weinig of geen inzicht in Gods bedoe­lingen. Velen belijden dat ze geloven in de Bij­bel van Genesis 1 tot Openbaring 22, maar als kennis en inzicht door de Heilige Geest ontbre­ken, krijgt als spoedig satan de kans te infil­treren en ontstaat een verwrongen beeld over Gods plan met de mens. De Bijbel is een geeste­lijk boek en mag niet gebruikt worden als een soort puzzelboek. Alle dwaal leringen zijn ont­staan onder invloed van verkeerde geesten. Al­leen door de Heilige Geest kunnen we Gods Woord verstaan. Anders blijft veel verborgen en kunnen we niet ‘geestelijk zien’. Laten we bidden dat vele zogenaamde bijbelgetrouwe christenen de doop en vervulling met de Heilige Geest zullen ontvangen, opdat de onwetendheid gaat verdwijnen en men loskomt van dwalingen.

Ongehoorzaamheid

Ongehoorzaamheid betekent ook een belangrijke afremming bij de openbaring van de volheid Gods. Als we dingen op moeten ruimen, als we gebonden­heden af moeten leggen, moeten we dat ook doen, anders blijft iedere verdere geestelijke groei achterwege. Gehoorzaamheid begint met het leggen van het fundament (de doop door onderdompeling en de doop met de Heilige Geest). En dan komt het er op aan of we ook verder de Heer in de weg van gehoorzaamheid willen volgen.

Op hetzelfde vlak ligt het ongeloof. Door het geloof zijn wij een kind van God geworden, maar de Heer vraagt ook een dagelijks geloofsleven van ons. Paulus zegt: “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwer­pelijk” 2 Korinthe 13 vers 5 (2 Kor. 13:05). Iedere dag opnieuw zullen we ons vertrouwen op de Heer moeten stellen en geloven dat Hij een Waarmaker is van zijn Woord en beloften. Want zonder geloof is het niet mogelijk God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Het geen weerstand bieden aan satan is ook een belangrijke oorzaak waarom Christus in vele kin­deren Gods niet tot openbaring komt. Paulus zegt: “Geeft de duivel geen voet” Efeze 4 vers 27 (Ef. 04:27). Jacobus roept ons op om weerstand te bieden aan de duivel, opdat hij van ons zal vlieden. Jakobus 4 vers 7 (Jak. 04:07). Het geen weerstand bieden aan de dui­vel komt vaak doordat men niet geestelijk bewapend is, terwijl de Bijbel daar toch zo nadruk­kelijk over spreekt. Denk aan de woorden van Paulus in Efeziërs 6 vanaf vers 10 (Ef. 06:10): “Voorts wees krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan om te kun­nen standhouden tegen de verleidingen des dui­vels; want wij hebben niet te worstelen tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag…”

Werkt het nieuwe leven ten volle door in ons?

Al deze dingen – onwetendheid, ongeloof, onge­hoorzaamheid, het niet geestelijk bewapend zijn, etc. – kom men telkens weer tegen in het Woord van God. Daar schrijven de apostelen over in allerlei bewoordingen, vermaningen en raad­gevingen. Want het gaat om de volle doorwerking van het nieuwe leven van Christus in ons.

Daar ging het om in de nieuwtestamentische gemeente van de begintijd en daar gaat het ook vandaag om! Er was toen een voortdurende strijd in het leven van de christenen om de volle doorwerking van het nieuwe leven, maar vandaag is dat ook zo. Ook nu laat de duivel geen gelegenheid onbenut om proberen te verhinderen dat Christus in ons ten volle gestalte gaat aannemen. Maar zoals de apostelen voortdurend bezig waren de christe­nen op te wekken de duivel geen voet te geven en hem te weerstaan in de Naam van Jezus en zullen ook wij elkaar moeten opwekken dat te doen, want de openbaring van Christus in en door ons leven mag niet worden afgeremd.

Het positieve van deze tijd is gelukkig dat er ook vele kinderen Gods zijn die dit gaan ontdek­ken! Zij weten dat het als christen niet meer mogelijk is er een halfslachtig leven op na te houden. Alle maskers vallen af, alles wat niet echt is komt tot openbaring. Het onkruid groeit weliswaar tegelijk op met wat uit het echte zaad afkomstig is, maar het wordt wel meer en meer zichtbaar. We zien dit aan het naamchristendom. De leiders ervan gaan het geloof in God hoe langer hoe meer op één lijn stellen met het ge­loof van de andere wereldgodsdiensten.

Helaas zijn er ook velen van de echte gemeente van Jezus Christus die water in de wijn doen en zoals Paulus het formuleert – met een schijn van godsdienst de kracht verloochenen. Laten we ten alle tijde waakzaam zijn opdat we niet in verkeerd vaarwater terechtkomen. Petrus zegt dat het oordeel begint bij het huis Gods 1 Petrus 4 vers 17 (1 Petr. 04:17). Als wij falen is Christus niet zichtbaar. De wereld let op ons. We kunnen wel getuigen dat Christus voor ons gestorven is, maar als Hij niet tegelijkertijd in ons zichtbaar is, is het van veel minder waarde. Waarom zou de Bijbel an­ders spreken dat we ons licht moeten laten schijnen voor de mensen (Jezus) en dat we een leesbare brief van Christus behoren te zijn en zijn reuk moeten verspreiden (Paulus)?

Christus in ons, daar gaat het om!

We willen nu nog in enkele punten samenvatten waarom het zo belangrijk is dat Christus in ons ten volle gestalte gaat aannemen.

a – Het is de wil van God. Het is een bewijs van geloof en gehoorzaamheid.

b – God wordt er door verheerlijkt. In onze tijd staat de lofprijzing weer centraal. Het is één van de waarheden die weer onder het stof vandaan is gekomen. Gelukkig, want Psalm 50 vers 23 (Ps. 050:023) zegt dat wie lof offert God eert, en de weg baant waardoor God zijn heil kan openbaren. Maar de lofprijzing mag geen opgelegde zaak’ worden, opdat we niet het verwijt te horen krijgen: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij….”. Het gaat in de eerste plaats om de gesteldheid van ons hart. Wie de Heer toegewijd leeft, verheerlijkt reeds door zijn leven Hem en dan is de lofprijzing met de stem en in aanbidding ook eerlijk en oprecht.

c – We zijn bruikbare instrumenten in Gods hand. De Heer wil ons allemaal als zijn getuigen ge­bruiken, maar Hij kan ons pas ten volle gebrui­ken als Christus in ons zichtbaar is.

d- We zijn klaar als Christus komt. Wie de we­derkomst van Christus loskoppelt van de openba­ring van Christus in ons, verwacht de Heer ook niet werkelijk. Hebreeën 12 vers 14 (Heb. 12:14) zegt dat zonder heiliging niemand de Heer zal zien. Dan wordt Hij ook in ons niet gezien. En het gaat er juist om dat, wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, Hij met verbazing aanschouwd zal worden, in allen, die tot geloof gekomen zijn 1 Thessalonicenzen 1 vers 10 (1 Thess. 01:10).

Laten we onze harten openstellen voor de totale doorwerking van Zijn Geest, opdat Christus in ons gaat groeien, zodat wij vervuld zijn met Gods volheid. De Heer heeft reeds veel gedaan in onze levens, maar Hij wil nog veel meer  is Paulus zegt van Hem dat ‘blijkens de kracht, welke in ons werkt’, Hij bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen! Efeze 3 vers 20 (Ef. 03:20).

De Zoon van God heeft zich geopenbaard. Ook de zonen Gods gaan zich openbaren! Want Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal het voort­zetten tot het voltooid is, tot de dag van Christus Jezus! Filippenzen 1 vers 6 (Filip. 01:06). “Hem zijnde heer­lijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeu­wigheid! Amen” Efeze 3 vers 21 (Ef. 03:21).

 

Eén week vrede of eeuwige vrede door H. J. Scholten

“De Here verheffe Zijn aan­gezicht over u en geve u vrede” Numeri 6 vers 26 (Num. 06:26) .

Onderkennen wij de Geest van onze tijd?

Nederland heeft af en toe zijn vredesweek en vredes- krant. Men is er intensief mee bezig, zelfs vele chris­tenen. Het zijn heus goed­willende christenen, maar helaas verblinde christenen. Ze zijn niet voldoende be­kend met de woorden Gods of ze verstaan deze woorden verkeerd omdat men er op na­tuurlijke en rationele wijze mee bezig is. Alles wordt overgoten met een sausje van verkeerd begrepen evangeli­sche liefde. Het brengt de ware vrede niet tevoorschijn al drukt men duizenden en duizenden vredeskranten, om­dat men de geest van deze tijd niet onderkent.

Als morgen nu eens iedere Nederlander bekeerd en wedergeboren zou zijn? En iedereen gedoopt en vervuld met de Heilige Geest? Hoe zou het er dan morgen uit­zien in Nederland? Hoe zou het toegaan in de fabrie­ken, werkplaatsen, kantoren, winkels, supermarkten en in de huisgezinnen? Zou de po­litie nog veel werk te doen krijgen? Zouden er nog be­richten in de krant komen over moord en doodslag?

Over berovingen en verkrach­tingen? Zouden de gevange­nissen niet geleidelijk aan leegkomen om niet meer vol te raken?

Is de mens van deze tijd niet hopeloos verblind met al. zijn inspanningen voor vrede? Zelfs de godsdiensti­ge mens is stekeblind. Maar hij wil het niet weten. Er klinkt een stem! Die stem klinkt al een paar duizend jaar. Deze stem roept: “Och of gij ook op deze dag verstondt wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen” Lucas 19 vers 42 (Luc. 19:42).

Alleen Jezus Christus geeft de ware vrede

De mens anno 1982 wil vrede hebben en maken zonder God en zonder Jezus Christus, zonder waarachtige bekering en wedergeboorte. De grond­slag waaróm men vrede wil maken is: angst! Angst voor het heden en angst voor de toekomst. Mensen zonder de Heilige Geest kunnen geen vrede maken.

En mensen met de Heilige Geest? Die hebben reeds vre­de en behoeven niets te maken. Zij hebben begrepen dat er maar Eén is die vrede kan ma­ken en wil geven en ook de vrede wil laten. Dat is de Zoon van God, Jezus Christus. Zonder bekering en wederge­boorte komt er geen vrede, al spant de mens zich tot het uiterste in en citeert hij de ene Bijbeltekst na de andere. Al spreekt hij nog zo bewogen over die éne wang. Valse sentimenten bewe­gen hem en hij ziet dit niet. De Franse wis- en natuurkun­dige Pascal heeft eens ge­zegd: “De mens ziet een beeld van de waarheid, maar is verstrikt in de leugen”.

De mens, en eveneens de godsdienstige mens, is veelal zo verblind dat hij de meest voor de hand lig­gende oplossing niet ziet of afwijst. Het is hem te simpel en hij vindt het te belachelijk. Hij kan er niet in geloven. Hij ziet niet dat er ware vrede kan zijn zonder de minste in­spanning van de kant der mensen. Dat is voor hem een grote dwaasheid. Hij belegt liever indrukwekkende vredesconferenties, richt al­lerlei vredesbewegingen op en drukt duizenden vredeskranten. En dat alles is nu in de ogen van God een gro­te dwaasheid.

Wat spreekt God dan? Aller­eerst zegt Hij: “De goddelozen hebben geen vrede” Jesaja 48 vers 22 (Jes. 48:22). God zegt ook: “Tenzij men Mijn bescher­ming aangrijpt, met Mij vrede maakt, vrede met Mij maakt” Jesaja 27 vers 5 (Jes. 27:05).

Eén ding is zeker: de vredesweek heeft geen nut en ook de vredeskrant heeft geen werkelijke waarde. Er zal niets maar dan ook niets door veranderen in de we­reld.

Wanneer men dit zo stelt komt de ergernis en de irri­tatie: die vrome christenen met hun gezeur over God en over Jezus. Geestelijke doordrammers zijn het met hun eeuwige oproep tot beke­ring en gehoorzaamheid aan God. Ze verstaan de werke­lijkheid niet en staan niet met beide benen op de grond met hun overdreven geloof.

Maar leert de mens dan niet van de geschiedenis? De technische mens van deze eeuw met al zijn vernuft? De cultureel zo hoogstaande mens? De mens die in staat is zelfs naar de maan te vliegen? Wat bereikt deze mens eigenlijk? Hij kan deze wereld slechts volstoppen met atoombommen en kernwa­pens en is een expert in milieubevuiling. En in geeste­lijke bevuiling spant hij zelfs de kroon, maar maakt zich daar het minst druk om. De natuurlijke bevuiling beweegt hem meer dan de geestelijke bevuiling van zijn ziel.

Hoe heeft hij dat bereikt? De Bijbel leert het ons: met een verduisterd verstand en een ijdel denken. En met datzelfde verduisterde ver­stand en ijdele denken meent hij de vernietiginsattributen weer deze wereld uit te krijgen. Met spandoeken en vredeskranten. Met ge­schreeuw en geprotesteer dat veelal gevoed wordt door er­gernis, haat en nijd. Vrede door ónvrede! Wat een verblinding!

Het koninkrijk Gods bestaat uit vrede

Jezus zegt: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet bin­nengaan” Johannes 3 vers 5 (Joh. 03:05) .

Dit Koninkrijk Gods bestaat juist uit vrede. En uit blijdschap en gerechtig­heid. Het valt die mens ten deel die zijn geloof bouwt op de Zoon van God. Eén ding is slechts nodig: terugkeer met heel het hart tot de Schepper van hemel en aarde. Dat is het begin van de ware vrede.

Deze boodschap wijst men af en de werkelijkheid kan men al eeuwenlang zien: oorlog, geruchten van oorlog, hon­ger, ellende, vernietiging. Ondanks alles inspanningen van goedwillende mensen wordt de vrede niet bereikt en alles spoedt zich naar een apotheose van wetteloze ontsporing.

De mens wil niet naar de Schepper van alle dingen luisteren. Hij dringt het Godsbesef uit zijn ziel en wil zijn eigen boontjes doppen, zijn eigen wereld van vrede scheppen.

De apostel Paulus schrijft in Romeinen 1 vers 21 (Rom. 01:21): “Im­mers, hoewel zij God kenden, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt en gedankt, maar hun overleggingen zijn op niets uitgelopen en het is duister geworden in hun onverstandig hart. Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden”.

Eeuwenlang liggen de mensen al met elkaar overhoop door zelfzucht, trots en heb­zucht. De gevolgen zijn overduidelijk bekend en zichtbaar geworden. De mens is met al zijn ontwikkeling niet in staat de spiraal van verderf en vernietiging te doorbreken.

De mens is verleugent door satan

Wat wil de mens horen? Wil hij eigenlijk wel echt le­ren? De ellende van deze mensheid is- dat ze God is kwijtgeraakt en dat ze Hem niet mist. Althans niet be­wust mist. De satan, de men­senmoordenaar en leugenaar van het begin heeft de we­reld in zijn demonische greep. Zonder God is hij een vijand geworden die men te­vergeefs tracht te verslaan. Voor dit feit dienen de ogen van de mensen open te gaan. Hij is verlengend door de influisteringen van de dui­vel en de begeerte van zijn vlees, de begeerte van zijn ogen een trots en hoogmoe­dig leven.

De mens is een onttroonde koning, dat is zijn diepe ellende. Helaas accepteert hij deze waarheid niet en komt zodoende nooit weer op de troon. Tenzij …. I Tenzij men wil luisteren naar de Mond der Waarheid, Jezus Christus. Hij alleen is onze vrede. Hij is de Weg, de Waarheid en het Leven!

Hoe spreekt God over de mens, de onttroonde koning? Door de mond van de profeet Jeremia wordt gezegd: “Tot wie moet ik spreken en be­tuigen, dat zij horen? Zie, hun oor is onbesneden, zo­dat zij niet kunnen luiste­ren; zie, het woord des He­ren is hun tot een smaad, zij hebben daarin geen be­hagen” Jeremia 6 vers 10 (Jer. 06:10).

Even verder kunnen we le­zen: “Want van klein tot groot zijn zij er allen op uit zich te bevoordelen; allen, van profeet tot priester plegen zij bedrog. Zij trachten de breuk van Mijn volk op het lichtst te genezen door te zeggen: Vrede, vrede, terwijl er geen vrede is”.

Het is waar wat God spreekt: een volk dat zich niet in het minst schaamt en van blozen niet weet. De geest der wetteloosheid dringt steeds brutaler op en de mens der zonde baart de ene na de andere zonde. God wordt niet erkend in het le­ven en de vrede wil men zon­der Hem tot stand brengen. Waarom? Omdat men dan op rustige wijze door kan gaan met voor zichzelf te leven naar eigen lust en begeerte. Wordt dit de mens verteld dan ergert hij zich en wordt kwaad of blijft er geheel en al onverschillig onder. En juist daarin zien we de wor­tel bloot liggen van de ón­vrede . De mens zal wat dit betreft tot erkentenis der waarheid moeten komen maar helaas, nog liever houdt hij de waarheid in ongerechtig­heid ten onder.

Is dit alles nu te scherp getekend? Te somber afge­schilderd? Heeft het met een verkeerd doemdenken te maken? Ten alle tijde heeft de mensheid bewezen gaarne in slaap te worden gesust. Ontwaakt hij dan en ziet dat zijn ijdele dromen be­drog waren, dan begint hij te jammeren en te schreeu­wen en wijst iedereen aan als de schuldige, behalve zichzelf.

Alleen door het geloof in Jezus Christus, die ons met God kan verzoenen, komt er ware vrede. Er is beslist geen andere weg! Hoe graag men dit misschien wel zou willen. Blijft men het woord van God afwijzen dan geldt opnieuw het woord van Hem: “Een moordende pijl is hun tong, die bedrog spreekt; met zijn mond spreekt men van vrede met zijn naaste, doch in het binnenste legt men zijn hinderlaag” Jeremia 9 vers 8 (Jer. 09:08).

Kijk eens naar de hedendaag­se politici en de leugenwereld waarin zij vertoeven. Men noemt het allemaal di­plomatie, maar God zegt: Eén en al leugen. Mooipra­terij!

Kijk eens naar het heden­daagse zakenleven. Eén en al corruptie en oplichterij aan de lopende band. Van sommi­gen zegt men dan: hij is za­kelijk goed onderlegd.

Kijk eens naar het heden­daagse christendom. Zie, hoe de woorden van God wor­den verdraaid tot eigen ver­derf. Verkrachting van de waarheid en de zonde wordt goed gepraat, ja, zelfs le­gaal gemaakt en bij de wet geregeld. Maar vrede moet er komen, desnoods met geweld; ook een standpunt dat velen innemen.

Toch ligt de oplossing nog altijd voor de hand, maar men wijst die af. Men wei­gert zelfs om er maar even over na te denken. God ver­bergt op deze manier Zijn aangezicht voor de mensen en zo wordt het steeds don­kerder in deze wereld. Vele predikanten misleiden de schapen en zijn zelf ook misleid.

God geeft in Jezus bestendige vrede

Tóch gaat de liefde van God blijvend naar de mensen uit. In Christus Jezus wil God nog steeds Zijn liefde en vrede tonen en geven. Waarom weigert het grootste deel van het mensdom de uitgestoken hand van God? Heeft men dan zelf ooit verbetering kunnen aanbren­gen? Men roept wel steeds op tot vrede, maar zonder bekering tot God en Jezus Christus. Daar leest men niet over in de vredeskrantjes.

Gods stem klinkt: “Zie, Ik wil genezing schenken en herstel. Ik zal hen genezen en hun een schat van bestendige vrede ontslui­ten !”

God zond Zijn Zoon Jezus in de wereld. De wereld heeft Hem verworpen en verwerpt Hem nog steeds. Hoogstens wordt Hij beschouwd als een goedwillende profeet of een vredelievende revolutio­nair.

Het kruis des vredes staat nog hoog opgericht in deze wereld en de roep gaat uit: “Bekeert u en gelooft het evangelie. Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht”.

De ware vredesbeweging is in het bloed van het Lam! Elke andere vredesbeweging is zonder meer gedoemd te mislukken. De weerspannige en ongehoorzame mens zal het eens ervaren. Eenmaal zal de mens het hoofd moeten buigen en erkennen: “Here, Gij al­leen zult vrede over ons be­schikken, want ook al onze daden hebt Gij voor ons ver­richt. Here, onze God, an­dere heren dan Gij hebben over ons geheerst; Uw naam alleen huldigen wij” Jesaja 26 vers 12 en 13 (Jes. 26:12-13).

Deze wereld snakt naar vre­de en rust, maar men loopt Hem voorbij bij wie het ten volle te vinden is: Jezus Christus! De ware Vrede­vorst. Hij wil heersen met Zijn vrede. Eeuwige vrede. De enige, ware vrede!

Vrede zij allen, die in Christus Jezus zijt! Amen!

 

Die ene stap (gedicht)     door Judith Jacobs

Doe toch die éne stap tot Jezus,

Hij deed reeds zovele tot u;

Waarom zoudt ge nog langer aarz’len,

De Blijde Boodschap klinkt toch nu?!

 

Stel toch de Heiland dezer wereld

Door uwe weig’ring niet teleur;

Zie toch Zijn hand, die zacht en teder

Blijft kloppen aan uw hartedeur.

 

Hij heeft de lijdenskelk geledigd,

Voor ons gedragen smaad en straf;

Gods Zoon – op Calvarie gekruisigd –

Legde vrijwillig ’t leven af.

 

Heeft Jezus tot uw hart gesproken?

Hoort u Zijn stem weerklinken, nu?

Gods Geest, verlangend en vol liefde,

Wacht op die éne stap – van u!

 

Reacties van lezers door redactie

Kennen wij de stem van God?

Broeder G. v. d. H te Bilthoven schrijft: ”U schreef een prachtig artikel over ‘Kennen wij de stem van God?’ (“Levend Geloof”- juni 1982). Ik schrok een beetje van de opmerking: Alle mensen die niet wedergeboren zijn, leven in satans macht en dat is uiteraard ook merkbaar wat hun spreken en horen betreft. Dat is nog al wat. Is dat, geliefde broeder, wel juist geformuleerd? Jezus is het die alleen de mens kent ook de niet wederborene. Alleen van Zijn tegen­standers: de Farizeeën en Schriftgeleerden zei Hij, dat ze de duivel tot hun Vader hadden.

Was die hoofdman, die een uitspraak deed, die Jezus van geen één van zijn volksgenoten had gehoord, een onderhorige van satan? Deze heiden had een geloof dat ons christenen moet be­schamen .

Jezus zegt op een bepaald moment: De kinderen der we­reld zijn in hun geslacht verstandiger dan de kinde­ren des lichts.

De bekende Abraham Kuiper heeft eens een boek ge­schreven over de ‘algemene gratie’. Hierin zegt hij dat, ondanks de zondeval, er nog veel mensen zijn, die niet geloven en toch in hun uiterlijk voortreffe­lijke mensen zijn, met vele goede eigenschappen, waar­door het leven niet geheel verruwd. Zij zijn beschaafd ook in hun spreken.

Ik ben 75 jaar en heb in mijn werkkring met vele honderden mensen omgegaan en met hen gesproken. Vaak humane mensen, waarvan je zegt, ze doen wat Jezus zegt van de heidenen: Ze zijn zichzelf tot een wet omdat de wet Gods in hun hart is geschapen. God is goed maar ook rechtvaardig, want mensen, die de wet niet kennen, zullen ook zonder de wet geoordeeld worden. Zie ik het verkeerd broeder? Zeg het me,”

Commentaar van de redactie:

De Bijbel geeft op ver­schillende plaatsen zeer duidelijk aan dat we bij onze wedergeboorte overgezet worden vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus en een nieuwe schepping zijn ge­worden, Kolossenzen 1 vers 13 en 2 Korinthe 5 vers 17  (Kol. 01:13; 2 Kor. 05:17)  Jezus leren kennen betekent een totale levens­verandering, wat ook tot uitdrukking komt in ons ‘horen en spreken’. Iemand die een kind van God is ge­worden luistert naar Zijn stem die door Woord en Geest tot hem komt en spreekt van het nieuwe le­ven van Christus in hem door woord èn daad. Paulus zegt: “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen” Efeze 4 vers 20 (Ef. 04:20). Jezus sprak uiteraard niet bij elke gelegenheid over het feit dat de mensen die niet in Hem geloofden de duivel tot vader hadden. De Farizeeën en Schriftge­leerden waren inderdaad zijn grote tegenstanders, maar de opmerking was niet alleen voor hen bestemd: Lees Johannes 8 vers 30 en 31 (Joh. 08:30-31).

In het openbaar worden van de zonden zijn echter ver­schillende gradaties, zodat soms onbekeerde mensen, die een fatsoenlijk en humaan leven hebben, christenen die er een vleselijk, door satan geïnfiltreerd leven op na houden, beschaamd maken.

Naar men kan nog zo goed en oprecht leven, zolang men niet door persoonlijk geloof in Jezus Christus een nieuwe schepping is ge­worden, staat men buiten de heerlijkheid Gods Romeinen 3 vers 23 (Rom. 03:23).

Is men eenmaal een kind van God, dan behoort men op te groeien naar de geestelijke volwassenheid, opdat het overwinningsleven van Christus in ons zicht­baar wordt en wij ons als zonen Gods openbaren.

Uit dankbaarheid….

Zuster H. S. – K, te Ede- schrijft: “Om de reden, dat ik uw blad een warm hart toedraag, en er veel aan heb in de groei en de opbouw van mijn geloof en u graag wil steunen, stuur ik u maandelijks ƒ 25,-. Met u ben ook ik dankbaar voor de sterke groei van “Levend Geloof”, want het voortbestaan van het blad is dringend nodig in die warwinkel van dwalingen en verkeerde leringen”.

Als een sneeuwbal

Zuster A. G. – N. te Oude Tonge schrijft: “Hierbij wil ik een abonnee opgeven. Gelijk voor hetzelfde adres 15 brochures van “De volle­dige mens” van Nico Goverts. Tevens wil ik mijn dank uitspreken voor het, fijne blad dat ik weer kreeg voor een jaar van een vriendin/zuster. Zo gaat het als een sneeuwbal over Nederland. Mijn man en ik wensen u Gods rijke zegen toe met uw werk”.

 

Het boek Ruth als profetie door Jan W. Companjen -2-

“En zij – Naomi en Ruth – kwamen te Bethlehem aan in het begin van de gerst oogst”. Hoofdstuk 1 van het boek Ruth sluit af met deze regel. Dat wil zeggen dat het verdere van de geschie­denis van Ruth begint rond Pasen. Bij het paasfeest werd namelijk dank gebracht voor de gerst oogst en men bood op het paasfeest scho­ven aan van de nieuwe oogst (de zogenaamde eerstelin­gen) . Pasen, het feest van de uittocht in het oude tes­tament en het begin van het nieuwe testament, van het offer op Golgotha van Chris­tus, als eersteling van ve­len die na Hem kwamen, als oogst van een nieuwe schep­ping.

“Naomi nu had een bloedver­want van haar mans kant, een zeer vermogend man uit het geslacht van Elimelech, Boaz geheten” Ruth 2 vers 1 (Ruth 02:01). Na deze mededeling gaat het boek Ruth verder met Ruth als hoofdpersoon. Boaz speelt uiteindelijk in woord en daad een nog gro­tere rol, maar het gehele gebeuren wordt door het doen, het actief zijn van Ruth, in werking gesteld.

Boaz en Ruth zijn typen van Jezus en de gemeente

Boaz is in het verdere van het verhaal een type van de Here Jezus en Ruth van de bruidsgemeente. Zij gaan uiteindelijk geheel in el­kaar op. Zoals man en vrouw in het huwelijk tot één vlees worden, zo worden Christus en de gemeente tot één Geest; zij worden één gelijk de Vader en Chris­tus .

Voor het echter – zover is, gebeurt er nog wel het één en ander. Naomi doet de huishouding, zij hoort ‘s avonds wat er allemaal ge­beurd is. Eerst is zij vol bewondering, maar al spoedig geeft zij Ruth advies en moedigt zij Ruth aan om op die weg verder te gaan.

Ruth, aangekomen in Bethlehem, laat er geen gras over groeien. Zij gaat op stap, op zoek naar eten. Zij gaat aren lezen en zegt daarbij dat zij hem zal achterna gaan die haar genegen zal zijn. Wij zien ook hier dat het Woord waar is; dat zij die zoeken zullen vinden.

Ruth kwam bij een veld en ging op onderzoek uit of er voor haar wat op de akker lag. Het is voor haar alle­maal onbekend terrein. Bij ‘geval’ kwam zij op de ak­kers van Boaz terecht. Het was daar goed op die akker, want er staat: “Zij kwam en las op in het veld achter de maaiers”(Ruth 02:03).

De geestelijke betekenis van het boek Ruth

Wij komen hier op een punt dat wij het boek Ruth gees­telijk moeten verstaan. Het is meer dan een mooie ge­schiedenis met een fijne af­loop. Ook het boek Ruth is ons tot lering gegeven, evenals het boek Jona en de geschiedenis van Simson.

Ja, het gehele oude testa­ment spreekt van Christus en zijn lichaam, de gemeente .

Ruth gaat zoekende uit en komt op de akker terecht van hem die haar man zal zijn. Die man is haar van het begin af aan genegen en hij niet alleen, ook met de maaiers is het goed toeven. Boaz en de maaiers begroe­ten elkaar met een zegenbe­de. Boaz zei: “De Here zij met u” en zij zeiden tot hem: “De Here zegene u”. Nu in zo’n omgeving moet het goed zijn en Ruth plukt daar dan ook spoedig de vruchten van.

Op de vraag van Boaz wie die jonge vrouw is, ant­woordt de knecht die over de maaiers gesteld is, dat zij de Moabitische vrouw is die met Ruth is meegekomen uit het veld van Moab. Hij zegt er meteen maar bij dat zij het netjes gevraagd heeft en dat zij niet lui is. Zij is voortdurend zoe­kende geweest en is kenne­lijk iemand die niet graag thuis zit (vers 7).

Hierop haalt Boaz Ruth bin­nen op zijn akker en spreekt haar toe op een wijze dat het klaar en dui­delijk is dat er een weder­zijdse genegenheid is.

Boaz zegt dat Ruth niet moet gaan oplezen op een ander land. Hij en zijn knechten zullen voor haar zorgen. De knechten mogen haar niet lastig vallen en zij mag als zij dorst heeft scheppen uit de vaten van de knechten.

De aren op de akker zijn geestelijke gaven

De aren die Ruth op die ak­ker leest (vindt) zijn Gees­telijke gaven. Het is een akker vol met Geestelijke gaven. Aanvankelijk wordt er hier en daar een aar gevon­den, maar al verder gaande worden de gaven voor haar, de bruidsgemeente, steeds groter en de verhouding op de akker wordt steeds intiemer .

Boaz is, blijkens zijn woor­den, zeer onder de indruk van al hetgeen Ruth voor haar schoonmoeder (het type gelovige dat zoveel mist en zo weinig uitzicht heeft) gedaan heeft. Ook het feit dat zij haar vader en moeder en het land van haar geboor­te verlaten heeft en gegaan is naar een volk dat zij niet kende, heeft voor Boaz grote betekenis. Zij is overgestapt, resoluut, van het ene volk naar het ande­re. Zij is een vrouw die liefde heeft voor dat volk, ook al moet zij voorop gaan onder andere in steun en hulp aan Naomi. Boaz zegt: “De Here vergelde u uw daad, en uw loon valle onverkort ten deel van de Here, de God van Israël, onder wiens vleugelen gij zijt komen schuilen” (vers 12).

Zo spraken Boaz en Ruth met elkaar bij de eerste ont­moeting. Zij spreken elkaar naar het hart. Toen het etenstijd was zei Boaz tot Ruth: Kom en eet met mij. Zij kwam en ging naast de maaiers zitten en hij reik­te haar geroost koren toe. Zij at en werd verzadigd en hield over! Bij de wonder­bare spijziging door Jezus, ziet men ook in beide ge­vallen, zie onder andere Matteüs 14 vers 20 en Matteüs 15 vers 37 (Matt. 14:20 en Matt. 15:37) dat de schare at, verzadigd werd en overhield. De spijziging door Jezus, het eten uit Zijn hand, geeft leven en overvloed en ook dat zal de eindtijdgemeente ervaren.

De akker is het koninkrijk der hemelen

De akker waarop Ruth haar geestelijke gaven vindt, is het Koninkrijk der hemelen. Het is een akker, niet al­leen vol met vruchten en gaven, maar ook een akker vol met blijdschap en vre­de door de Geest die er op die akker heerst. Het is voor Ruth dé ontdekking van een grote schat die in de akker (hemel) is weggelegd. Die schat, die erfenis, wordt thans door Christus aan ons geopenbaard. Die schat is, zie bijvoorbeeld 1 Petrus 1 vers 4 en 5 (1 Petr. 01:04-05) een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen is wegge­legd voor ons en…. welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd.

Ruth, en lees in het vervolg er nu ook steeds bij: ‘en wij die tot de eindtijdgemeente behoren’, hebben de akker gevonden en kopen die akker tot elke prijs. En, broeders en zusters, in het­geen wij bereikt hebben, in dat spoor gaan wij ook ver­der. Geprezen zij Zijn Naam.

Ook Ruth gaat verder. Zij staat op en gaat verder met het lezen. Dan beveelt Boaz aan zijn knechten aldus: “Ook tussen de schoven mag zij oplezen en maakt haar niet beschaamd; veeleer moet gij opzettelijk iets voor haar uit de bundels trekken en het laten liggen, opdat zij het opleze”(vers 15-16). Ruth las tot de avond en toen zij het uitge­klopt had was het ongeveer een efa gerst (ongeveer 39 liter). Het is een grote oogst. Begonnen de gaven eerst mondjesmaat te vallen, al voortgaande vielen zij bij bossen neer. Toen Naomi zag wat zij opgelezen had en Ruth ook nog tevoorschijn haalde wat zij had overge­houden nadat zij verzadigd was, riep zij verbaasd uit: Waar ben je geweest van­daag, waar heb je gewerkt? Gezegend is hij, die zijn oog op u heeft geslagen. Dan gaat Ruth getuigen en vertelt alles wat die dag geschied is. Het is feest in de woning van Ruth en Naomi. Naomi roept uit: Gezegend zij hij door de Here, die zijn goedertie­renheid niet heeft onttrok­ken aan de levenden noch aan de doden. Hij zorgt voor ons. Hij is aan ons verwant en onze Losser, (vers 20). En Ruth – ‘de Moabitische’ – (dit laatste staat er uitdrukkelijk bij, jood en heiden zijn één) zei: Hij heeft tot mij ge­zegd: sluit u aan bij mijn knechten, totdat zij gereed zijn met mijn gehele oogst. Ruth sloot zich aan en niet alleen gedurende de gerst oogst, zij bleef bij hen totdat de tarweoogst afge­lopen was. En zij bleef wo­nen bij haar schoonmoeder.

Van Paasfeest naar Pinksterfeest

Wij hebben gezien dat de gerst oogst met Pasen te maken had. De eerstelingen van die oogst werden op het paasfeest geofferd. Ook de eerstelingen van de tarwe­oogst vielen samen met een  groot feest, namelijk het pinksterfeest Leviticus 23 vers 9 tot en met 14 (Lev. 23:09-14). De eersteling van veld en kudde was een persoonlijk offer aan de Heer als dank en be­lijdenis dat God, de Here de eigenlijke bezitter van het beloofde land was.

Bij het pinksterfeest ge­beurde er meer. De éénheid der gemeente als volk Gods kwam tot uiting in dat of­fer. Dan werden er twee broden van nieuwe tarwebloem aangeboden aan God uit naam van het gehele volk.

Als u in Christus geborgen bent en weet dat Hij uw Losser is, bent u inwoner geworden van de hemelse akker Gods. Het nieuwe volk Israël. Dan bent u uitge­leid uit het land der dienstbaarheid, dan bent u van een zwervende Arameeër geworden tot een groot volk. Als u in dat land (op dat land) aangekomen bent zult u ook belijden: “Ik verklaar heden voor de Here uw (onze) God, dat ik gekomen ben in het land, waarvan de Here aan onze vaderen gezworen heeft, dat Hij het ons zou geven” Deuteronomium 26 vers 3 (Deut. 26:03) .

Dan zullen wij steeds die­per het werk verstaan van de oogst der mensen die in Christus haar Eersteling kreeg. Lees eens Deuteronomium 26 vers 1 tot 11, (Deut. 26:01-11) be­treffende de aanbieding aan God van de eerstelingen.

Het eindigt met de woorden: “En gij zult u verheugen over al het goede dat de Here, uw God, u en uw huis gegeven heeft: gij, de Le­viet en de vreemdeling, die in uw midden is”.

Paulus sluit hierop aan en zegt in Romeinen 11 vers 16 (Rom. 11:26): “Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken”.

Het is feest vandaag, want Zijn toekomst is onze toe­komst en Zijn leven is ons leven. Wij zijn één in Hem. (wordt vervolgd).

 

Vlaamse boekenbeurs in Antwerpen door redactie

Het geschreven woord

Een mens kan iets zeggen, maar hij kan het ook op­schrijven. Het zijn twee mogelijkheden om gedachten te uiten, met de bedoeling om deze over te

dragen. Veel meer dan wij ons dik­wijls bewust zijn, zijn wij mensen bezig om gedachten aan elkaar mee te delen. Mensen worden door gedach­ten beïnvloed. De manier van denken bepaalt iemands hou­ding. Gedachten beheersen het leven.

Een gedachte die op papier staat doet het vaak beter dan iets dat gezegd wordt. Het bereik van het geschré­ven woord is dikwijls veel groter, zowel in tijd als in afstand, dan het gespro­kene .

Daarom zijn er boeken in de wereld, tijdschriften, dag­bladen, enz. Reeds eeuwen voordat de boekdrukkunst was uitgevonden schreven mensen hun gedachten neer. Soms in klei of steen, in hout of op dierenvellen. Mensen die elkaar nooit zagen en elkaar zelfs niet kenden, droegen gedachten over. Lezers worden inner­lijk gevormd of misvormd door hetgeen zij lezen. Vele aardse leiders hebben vertrouwen in het geschre­ven woord. Zo beïnvloeden zij met hun ideologieën het gedachteleven en het gedrag van duizenden mensen.

Het geschreven woord

Ook wij hebben vertrouwen in het geschreven Woord. Des temeer omdat wij uit er­varing weten dat Gods Geest, het Woord gebruikt om mensen te vernieuwen. In het Nieuwe Testament lezen we menigmaal het woord ‘be­kering’. De oorspronkelijke betekenis van het Grieks is: ’tot andere gedachten komen, verandering van den­ken, of het verkrijgen van beter inzicht’. Ook het woord ‘wedergeboorte’ vin­den we hier in het Grieks woordenboek.

Ja, dat is het nu allemaal wat wij bedoelen en verlan­gen. ‘Beter inzicht, verandering, vernieuwing, weder­geboorte!’

Boekenbeurs Antwerpen

Van zaterdag 30 oktober tot en met donderdag 11 novem­ber wordt in het Bouwcen­trum, Jan van Rijswijklaan 191 te Antwerpen, de jaar­lijkse Nederlandstalige boekenbeurs gehouden.

Evenals vorig jaar heeft de Volle Evangelie Gemeente Nortsel (Antwerpen), een bescheiden stand op deze beurs. Wij willen de mensen duidelijk wijzen op Gods Woord.

Door middel van verschil­lende boeken en brochures – ook die van “Levend Ge­loof” – willen wij het tal­rijke publiek – in 1981 waren er bijna 150.000 be­zoekers – in de gelegenheid stellen om de blijde bood­schap van Jezus Christus aangaande het Koninkrijk der hemelen, het plan Gods met de mens en de wereld, te leren kennen.

Uitnodiging

Wij nodigen u graag uit, als u toch in de buurt bent, om een bezoekje aan onze stand te brengen. De beurs is elke dag open van 10 uur tot 18.30 uur. Komend van de autoweg Breda – Antwerpen is het afrit Brussel-Boom-Wilrijk en dan afslaan bij ‘Antwerpen-Centrum, Wilrijk’ en zo komt men onmiddellijk aan de parkings van het Bouw­centrum.

Gebed gevraagd

Naar bovenal willen wij u, die de enorme rijkdom en kracht van het evangelie in eigen leven ervaart, vragen om te bidden in geloof dat velen daadwerkelijk het be­tere inzicht zullen ver­krijgen.

Verandering van denken, leidt onherroepelijk tot vernieuwing van leven.

Spreekbeurt

Op donderdag 11 november om 3.30 uur mogen wij tijdens deze boekenbeurs een spreekbeurt verzorgen van een uur. Een geweldige ge­legenheid. Bidt met ons mee dat in Vlaanderen de volle boodschap voor velen Licht, eeuwig leven zal bewerken.

Rob Polderman

 

Gedachten over het boek Job door Nico GOVERTS -3b-

De misleidende woorden van Elifaz

Job lijdt als knecht van God. In dit verband is het de moeite waard te letten op een uitspraak die Elifaz in zijn eerste rede doet, een tekst waar wederom het woord ‘knecht’ gebezigd wordt. Elifaz is daar aan het proberen, Job te overtuigen van schuld. Hij gaat daarbij uit van ‘de algemene verdorvenheid van het mensdom’: “Zou een ster­veling rechtvaardig zijn tegenover God?” Job 4 vers 17 (Job 04:17).

Dat is de algemene stelling; uitgangspunt van het betoog. Let er trouwens op wat hier heel geraffineerd gebeurt. Hier wordt de mens gesteld tegenover God. We hebben steeds gezien: de knecht is de mens die aan de zijde van God staat. Elifaz heeft een heel ander beeld: bij hem staat de mens tegenover God. Hier worden God en mens elkaars tegen­speler, en het resultaat is: de werkelijke tegenspeler blijft buiten schot. Elifaz creëert een klassenstrijd tussen God en mens. Zo komt de mens aan de werkelijke strijd nooit toe.

Maar dan komen we bij vers 18 (Job 04:18): “Zie, in zijn dienaren stelt Hij geen vertrouwen”. Dit woord ‘dienaren’ is hetzelfde woord dat we in de proloog aantroffen, waar het vertaald werd met ‘mijn knecht’. We zouden, om het verband te kunnen proeven tussen het openingsverhaal en hoofdstuk 4, dus consequent moeten vertalen: Zie, in zijn knechten stelt hij geen vertrouwen. Dan ontdekken we pas wat een gemene dolksteek dit woord van Elifaz is. God heeft tot tweemaal toe verklaard: Job is mijn knecht. Job was daar weliswaar niet bij tegenwoordig, maar hij zal ongetwijfeld uit dit besef geleefd hebben. En nu gaat deze vriend uitgerekend dit kernpunt op een intens geniepige manier ondergraven. Al ben je dan knecht van God, daarom vertrouwt God je nog voor geen cent. Elifaz stelt vast: een knecht van God te zijn, dat betekent niets. Wat God in de hemelse gewesten aangaande Job geproclameerd heeft: deze is mijn knecht, dat gaat Elifaz nu eens even vakkundig op losse schroeven zetten. Deze vriend praat niet zomaar wat in de ruimte; neen, hij doet een rechtstreekse aanval op de woorden die God over Job heeft uitgeroepen.

Precies als bij Jezus. De stem uit de hemel zei’: “Deze is mijn Zoon”. En wat zegt de verzoeker in de woestijn? “Indien Gij Gods Zoon zijt”. Ook hier: een doelgerichte aantasting van de zojuist gesproken woorden Gods.

Hier zien we hoe de gedachte van God en de gedachte van de satan lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. Gods gedachte was: de mens is mijn knecht, mens die aan mijn zijde staat. Daartegenover stelt de boze: er is geen vertrouwensrelatie tussen God en mens. Die kan er niet zijn en die komt er ook nooit. Het axioma van Elifaz luidt: God verwerpt de mens. En hij spitst het toe: zelfs al is die mens knecht van God. God verwerpt ook zijn knechten. Elifaz predikt de God van de verwerping.

Hiermee wordt Job getroffen in zijn diepste wezen, in zijn positie bij God, in zijn naast God staan, wat de kern van zijn bestaan is. Hier wordt onthuld wat ten diepste de haat van de duivel opwekt: hij kan het niet hebben dat er een mens komt te staan aan Gods zijde. Daarom stelt hij alles in het werk om die mens vandaar te verstoten.

De geest die Elifaz inspireert, is er in wezen op uit, God te beroven van zijn knechten, een motie van wantrouwen te stellen tussen God en mens.

God laat de leugen niet voortwoekeren

We moeten nog een tweede punt in rekening brengen wanneer het gaat om de vraag: Waarom lijdt Job? De satan heeft gevraagd: “Is het om niet dat Job God vreest?” Daarmee trekt hij het karakter van Job in twijfel. In feite sug­gereert hij: Job is niet zo vroom en oprecht als God zegt. Maar tegelijk zet de boze daarmee een vraagteken achter het karakter van God. God heeft in wezen Job alleen maar omgekocht.

De satan stelt dus twee dingen vast: God is niet goed, en Job is niet goed. Het karakter van God en het karakter van Job zijn in het geding. Het is duidelijk: hier moet een antwoord op komen. Niet omdat God zich beledigd voelt en daar nu zo nodig wat aan moet gaan doen, maar omdat God het heil van zijn schepping op het oog heeft. En omdat de goede naam van Job God ter harte gaat. God kan de leugen niet zomaar laten voortwoekeren.

Stel dat God op dit moment gezwegen had. Het spreekwoord zegt al: wie zwijgt stemt toe. Dan zou de satan overal rond hebben kunnen gaan om het gerucht te verspreiden: Job deugt niet en God evenmin; God en Job houden elkaar alleen maar de hand boven het hoofd. Die vroomheid van die man is door­gestoken kaart. God mag dan zeggen: er is op aarde niemand als Job, maar wij weten wel beter: er is op aarde helemaal niemand die vroom is, ook Job niet.

Dat zou een overwinning geweest zijn voor de duisternis: we hebben de laatste vrome ontmaskerd; nu heeft God niemand meer op aarde, nu is de hele aarde van ons. Alle mensen op aarde zijn zwart of grijs, en ook Job is niet wit.

Dan had de boze vrij spel gekregen om het karakter van God te belasteren. Niemand zou meer weten wie God werkelijk is. De schepping zou ondergedompeld zijn in een totale Gods- verduistering.

Dit kon God niet toelaten. Het boek Job is niet het getuigenis van wat God allemaal toelaat; het is juist het getuigenis van wat God beslist niet toelaat. God laat zijn naam en de naam van zijn knecht niet zomaar te grabbel gooien. God waakt over zijn naam en over de naam van Job. Wat gaat God derhalve doen? Het komt in feite op neer dat Hij zegt: Ik ga mijn wezen en het wezen van mijn knecht presenteren aan het rijk der duisternis. Dan zullen zij moeten erkennen wie Ik ben en wie mijn knecht is. Net zoals Jezus sprak, vlak voordat Hij op weg gaat naar Gethsemané: “De overste der wereld komt en heeft aan Mij niets” Johannes 14 vers 30 (Joh. 14:30). De Leidse vertaling zegt hier: “hij heeft in Mij niets dat hem toebehoort”. In Jezus was alleen maar wezen Gods; in zijn geest en ziel was niets te vinden van het wezen van de boze: de overste der wereld komt en vindt in Mij niets.

Zo presenteerde Jezus als mens het wezen Gods aan het rijk der duisternis. Jezus vervolgt dan ook: “De wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb en zó doe, als Mij de Vader geboden heeft” Johannes 14 vers 31 (Joh. 14:31).

Waar gaat het om? De wereld moet het weten. De wereld, waar­van satan de overste is. Wat moet ze weten? Dat daar een mens is die volledig één is met God, een mens die God dient om niet, een mens in wie niets te vinden is dan enkel en alleen, puur karakter van God.

Alleen zo kan de leugenaar tot zwijgen gebracht worden: door een mens die dwars door strijd en duisternis en aanklacht heen belijdt en vasthoudt: God is goed. God had Jezus nodig: er moest een mens opstaan die voor overheden en machten zou getuigen: God is waarachtig. Jezus heeft dit gedaan en zo was Hij de getrouwe getuige.

Evenzo kunnen we zeggen: God had Job nodig. Een mens door wie God zijn wezen kon presenteren aan de vorst der duisternis.

De presentatie van het wezen Gods

We kunnen de lijn doortrekken: zo heeft God in deze tijd de gemeente nodig om zijn wezen te presenteren aan de onzien­lijke wereld. Dit is het principe dat Paulus aangeeft in de Efeze brief: “opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veel­kleurige wijsheid Gods bekend zou worden” Efeze 3 vers 10 (Ef. 03:10). God zegt: door middel van de gemeente ga Ik mijn wezen presen­teren aan de schepping.

Hier hebben we een kerngedachte in verband met Job, een lijn die doorloopt via Jezus tot in de eindtijd: het gaat om de presentatie van het wezen Gods. Jesaja brengt het in beeld als een rechtszitting. God zegt tot de volken: “Laten zij hun getuigen voorbrengen” Jesaja 43 vers 9 (Jes. 43:09). En daartegenover komt dan in vers 10 (Jes. 43:10): “Gij zijt, luidt het woord des Heren, mijn getuigen, en mijn knecht (ebed), die Ik verkoren heb”. We zien het contrast: zij hebben hun getuigen, maar gij zijt mijn getuigen, met de nadruk op ‘mijn’. En parel- lel daarmee duikt dan ook weer het sleutelwoord ’knecht’ op. Jullie staan naast Mij in het rechtsgeding met de volken en de góden.

Job stond zo totaal aan Gods zijde dat hij deelgenoot werd van Hem. Gods vijand werd zijn vijand. Hij voerde de oorlog van God. Kunt gij de beker drinken die Ik drink? Job dronk: de strijd van God werd zijn strijd. Dit werd opgetekend in de hemel. Hier gebeurde iets van oneindige waarde: een mens werd bondgenoot van God.

God kiest de mens als partner

We moeten hier nog wel even waken tegen een misverstand. Soms wordt deze gedachte als volgt uitgewerkt: God gebruikt de mens om de satan te overwinnen. Zo zouden wij het liever niet willen formuleren. Het woord ‘gebruiken’ wekt in dit verband een wat negatieve indruk, alsof de mens moet dienen als een soort stootblok, een buffer, om voor God de klappen op te vangen; of als zou de mens de stok zijn die God gebruikt om er de hond mee te slaan. Dan hebben we een veel te banaal beeld van onze Koning, en evenzeer een te laag- bij-de-grond beeld van de mens.

God heeft de mens gekozen als partner. Maar partnerschap is niet volledig, niet volwaardig, als één van beiden een terrein voor zichzelf reserveert. Het is als met een bruidegom en een bruid. Stel dat de man een meesterlijk doel voor ogen heeft in zijn leven, maar hij praat er nooit over met haar. Of denk u in dat hij in een strijd verwikkeld is, een leed te dragen heeft, en zij zou daar niets van af weten, er part noch deel aan hebben. In een goed huwelijk is dat ondenkbaar; zij zal het aanvoelen, erin betrokken willen worden, niet omdat het moet, neen, zij wil dat gewoon, zij is niet tevreden met minder dan echt partnerschap: alles zullen we samen delen: lief en leed. Hier is geen sprake van ‘gebruiken’: natuurlijk, gebruikt de man zijn vrouw niet om zijn leed af te wentelen vof zijn strijd tot een oplossing te brengen.

Neen, het is heel anders: zij rust niet voordat ze weet wat hem bezighoudt, en samen gaan ze door leed en strijd heen, samen verheugen ze zich als hun beider vijand valt, en ze weten: het kan niet anders, partnerschap is de enige weg.

Alleen dit partnerschap, niets anders, niets minder dan dat, kan het hart van God en het hart van de mens ten diepste voldoening schenken. Maar de mens ontdekt: de weg van dit bondgenootschap gaat wel dwars door de hemelse gewesten heen. Een andere weg kan niemand maken, ook God niet. Maar liefde gaat, als het moet, door het vuur, om naast de Geliefde te kunnen staan.

(wordt vervolgd).

1982.09 nr. 229

Levend geloof 1982.09 nr. 229

DE LEER EN HET LEVEN, WAAR GAAT HET OM?

De vraag op de voorpagina: “De leer of het leven; waar gaat het om?” wordt door de titel van dit artikel reeds beantwoord. Het gaat om beiden: de leer èn het leven! Het eerste is ondenkbaar zonder het tweede en ook omgekeerd. Nu zijn er velen die bij het horen of lezen van het woordje ‘leer’ wat huiverig worden. Veelal terecht, want als kind van God zijn wij vaak bevrijd uit allerlei leerstellingen en dogma’s, die ons niet het nieuwe leven in Christus hadden gebracht.

Paulus zegt in Galaten 5 vers 1: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen”. Het aanvaarden van Christus betekent bevrijding uit een dode vor­mendienst waarin satan de hand had, en het nieu­we leven van Christus leren kennen. Dit nieuwe leven heeft als kenmerkende eigenschappen: ver­nieuwing, herstel, blijdschap, kracht, overwin­ning, liefde, etc. Maar het gaat ook gepaard met
strijd, vervolging en verzoeking. Dat laatste wordt verzoorzaakt doordat wij i^pg in een lichaam van vlees en bioed zijn en satan nog de overste van deze wereld is. Paulus zegt daarom in Galaten 2 vers 20: “Met Christus ben ik ge­kruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zo­ver ik nu nog in het vlees leef, LEEF IK DOOR HET GELOOF IN DE ZOON VAN GOD, DIE MIJ HEEFT LIEFGEHAD EN ZICH VOOR MIJ HEEFT OVERGEGEVEN”. Paulus wist – en ook wij moeten ons dat bewust zijn – dat hij geroepen was om DOOR HET GELOOF te leven. Niet voor niets zegt Hebreeën 11 vers 6 dat het zonder geloof ONMOGELIJK is God wel­gevallig te zijn.

ONZE PLAATS IS IN DE HEMELSE GEWESTEN

Het geloof maakt ons bewust dat we geestelijk geplaatst zijn met Christus in de hemelse gewes­ten om van daaruit geestelijk te strijden en te overwinnen. Het lichaam is, omdat het nog geen onvergankelijkheid heeft aangedaan, onderge­schikt aan de geest. Daarom is het zo belangrijk dat onze geest verbonden is met de Heilige Geest en losgemaakt is van verkeerde geesten.

Jezus zei: “De Geest is het die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn GEEST EN LEVEN”(Joh.6:63). De woorden van Jezus werden ‘levend’ gemaakt door de Heilige Geest. Daarom bracht Hij geen dode leer, maar Zijn boodschap had directe, praktische uitwerking: mensen werden bevrijd uit satans macht en ontvingen het nieuwe, Goddelijke leven. Zijn bediening was steeds verbonden met de leer die Hij bracht. En als Gezondene des Va­ders bracht Hij de enige goede leer: die van het Koninkrijk Gods!

De leer van het Koninkrijk Gods is de enigste leer die zich onderscheidt van alle andere, om­dat het een ‘levende leer’ is, dat wil zeggen het heeft het echte Goddelijke leven in zich. Daarom werd Zijn woord bevestigd door tekenen en
wonderen. Er wordt wel eens gezegd dat Jezus het grootste deel van de tijd die Hij op aarde door­bracht, besteedde aan het doen van tekenen en wonderen. Nog afgezien van het feit dat dit niet juist is, wil men daarmee te kennen geven dat de woorden die Hij sprak minder belangrijk waren. Maar juist de tekenen en wonderen die Hij deed kwamen voort uit de boodschap die Hij bracht.

Dat was ook het grote verschil met de leer die de Farizeeën en Schriftgeleerden brachten. Zij hadden verwacht dat Jezus een soort aards koninkrijk zou komen stichten, waarin zij hun posities konden handhaven. Jezus sprak echter dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was. Hij bracht een boodschap met Goddelijk gezag, waarvoor satan moest wijken en zijn leringen ontmaskerd werden. Toen Jezus Zijn eerste grote rede op de berg beëindigd had, lezen we daarom ook dat de scharen versteld stonden over Zijn leer, WANT HIJ LEERDE HEN ALS GEZAGHEBBENDE EN NIET ALS HUN SCHRIFTGELEERDEN (Matth.7:28-29).

HET LEVEN VINDT ZIJN BASIS IN DE LEER

Wie beweert dat ‘de leer’ minder belangrijk is dan ‘het leven’ geeft daarmee te kennen geen geestelijk inzicht te bezitten. WANT HET LEVEN, ZOALS GOD DAT BEDOELT, MOET ALTIJD ZIJN BASIS VINDEN IN DE LEER. Anders kunnen we nooit een leven hebben in overeenstemming met de wil van God. We mogen niet geestelijk maar wat aan rom­melen .

Het gaat primair dus om de leer. En juist in deze eindtijd moeten wij ons dit terdege bewust zijn, want satan is er alles aan gelegen om de leer in een verkeerd daglicht te stellen.

Helaas is het hem gelukt in dit opzicht heel wat suksessen te behalen. Wij denken aan de vele kinderen Gods die de boodschap van het Konink­rijk Gods (blijven) afwijzen. Veelal wordt dit veroorzaakt doordat men weigert verkeerde lerin­gen los te laten of zich daarvan te laten be­vrijden .

Wij denken aan de ‘eenheidsleer’ die zegt dat het alleen maar belangrijk is ^ls we ‘de Heer’ kennen. Dan mogen we gerust verschillend denken, zelfs over fundamentele dingen, zoals de doop door onderdompeling, wat in charismatische kringen geleerd wordt. Men ziet dan volledig over het hoofd dat Jezus altijd VERBONDEN was met de boodschap die Hij bracht. Jezus en Zijn boodschap vormen een onlosmakelijke eenheid! Wie deze twee los gaat koppelen raakt op een dwaalspoor. Men kan dan wel in massale samen­komsten of verzoeningsbijeenkomsten zijn eenheid belijden maar het is een valse eenheid. Wat trouwens ook in de praktijk bewezen wordt door­dat toch ieder weer zijn eigen weg gaat als de konferentie of meeting afgelopen is.

Wij denken ook aan de leer dat de onbekeerde Joden behoren tot het volk van God. Men gaat dan geheel voorbij aan de woorden van Jezus: “Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan”(Joh.3:5). De Bijbel maakt juist duidelijk dat IN CHRISTUS ieder onderscheid tussen Jood en niet-Jood is weggevallen. Paulus zegt: “Want er is GEEN ON­DERSCHEID tussen Jood en Griek. Immers, één en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; want: al wie de naam des He­ren aanroept zal behouden worden”(Rom.10:12-13). Lees ook Col.3:ll en 1 Cor.l2:13.

De Joden waren ten tijde van het oude verbond het volk van God. Uit hen werd de Messias gebo­ren. Maar het nieuw–testamentische volk van God bestaat uit bekeerde Joden en bekeerde heidenen. Als wij nu als christenen de Joden in de waan laten dat voor hen de Messias nog moet komen, zoals onlangs nog een evangelisch tijdschrift suggereerde, dan maken we wel een grote fout. Juist deze ‘ Israël-leer’ discrimineert de Joden wel heel erg want de thans levende Joden behoe­ven niet te wachten op één of andere toekomsti­ge gebeurtenis, maar hebben evenals alle andere mensen de mogelijkheid de levende Jezus te leren
kennen, door eenvoudig te geloven in Zijn vol­brachte werk. De liefde van God omvat alle men­sen, ook de Joden!

Een andere leer die afwijkt van de gezonde leer is die welke beweert dat een kind van God niet meer gebonden kan zijn. Deze leer is een typisch voorbeeld van het gebruik van een aantal bijbel­teksten, waarbij men andere teksten buiten be­schouwing laat. Natuurlijk is het Gods wil dat iemand die tot geloof komt het nieuwe leven van Christus op volkomen wijze beleefd, maar de prak­tijk wijst reeds uit hoe de weg naar volkomen vernieuwing en herstel, vaak een lange weg is.

Nog kort geleden lazen we een artikel van een . zuster die destijds op wonderbare wijze bevrijd werd uit satans macht. Zij maakt echter de fout haar subjectieve ervaring te maken tot een ob­jectieve leerstelling die dan zou gelden voor allen die tot geloof komen. Als wij bezig zijn met het herstelwerk van mede—gelovigen zou God tekort geschoten zijn, is haar bewering. Natuur­lijk hoeven wij elkaar geen gebondenheden aan te praten, maar als ze er wel zijn, zouden we onge­hoorzaam zijn, als we ze niet afleggen of ons laten bevrijden. Paulus schrijft aan de Romei­nen (gelovigen!): “LATEN WIJ DAN DE WERKEN DER DUISTERNIS AFLEGGEN en aandoen de wapenen des lichts”(Rom.13:12).

DE GEZONDE LEER BEWAART ONS VOOR DWALINGEN

Wij zouden nog talrijke andere afwijkende lerin­gen kunnen noemen, maar willen het bij deze voorbeelden laten. Wie trouwens de leer van het Koninkrijk Gods aanvaard heeft, komt niet op dwaalwegen terecht of wordt er van bevrijd. Velen kunnen daarvan getuigen.

Het is niet voor niets dat Paulus spreekt van de GEZONDE leer, dat is die leer die in overeen­stemming is met die van Jezus. Iedere andere leer houdt de mens af van de geestelijke weg die God wil dat Zijn kinderen zullen bewandelen. Als de gezonde leer niet gebracht wordt verdwijnen
de gebondenheden niet en wordt de groei naar de volmaaktheid geblokkeerd. Dan Wordt Christus in ons niet zichtbaar en»*daar gaa? het uiteindelijk om. Want nogmaals: ‘leer’ en ‘Persoon’ zijn on­losmakelijk met elkaar verbonden.

Ook satan weet dat en als het hem niet lukt om dwaalleringen bij de gelovige of in de gemeente binnen te brengen, zal hij het nog proberen de leer los te koppelen van de Persoon (Jezus Christus). Dan krijgen we een soort verstarring en hardheid die ongezond en liefdeloos is, die we helaas bij sommige kinderen Gods aantreffen. Zij doet uiteindelijk veel schade aan de bood­schap van het Koninkrijk Gods, omdat tegenstan­ders van de volle boodschap graag hen als voor­beeld aanhalen om de boodschap in een verkeerd daglicht te stellen. Natuurlijk is dit dom en berokkenen ze zichzelf daarmee schade, door de boodschap te blijven afwijzen. Maar het betekent wel dat wij onszelf telkens weer moeten afvra­gen: Werkt de leer door in mijn leven? Zien de mensen de veranderingen ten goede bij mij? Blijft de boodschap van Gods Koninkrijk geen theorie, maar heeft het praktische uitwerking in mijn leven? Daar gaat het tenslotte om!

De gemeente is een ‘herstellingsoord’ wordt vaak terecht gezegd. Maar het uiteindelijke doel is dat we zelf als ‘herstellers’ zullen fungeren. Wie ingaat op de gezonde leer van Jezus Christus em deze op konsekwente wijze beleeft, zal zich meer en meer als een waardig vertegenwoordiger van het Koninkrijk Gods in deze eindtijd openba­ren !

En zoals Jezus eens de afstraling van Gods heer­lijkheid en afdruk van Gods wezen was,(Hebr.1:3) zo zal ook de ware eindtijdgelovige dezelfde kenmerken bezitten. Want hij heeft – prijst God daarvoor – de leer van het Koninkrijk Gods leren kennen en beleven!

G.J.R.D.

Het boek Ruth
als profetie
door Jan W. COMPANJEN

 

 

 

 

– i –

DE ONGEHOORZAAMHEID

VAN TSRAËL

De geschiedenis van Ruth speelt zich af ten tijde van de richters. Dat was in een tijd dat het niet zo best ging met het volk Isra­ël. Het was geroepen om als een afgezonderd volk Gods te leven in het land Kanaan, een land overvloeiende van melk en honing. Israël ver­mengde zich echter met de volken die in het land Kana­an achtergebleven waren en liepen de góden van die in­woners achterna. Zij verlie­ten de Here hun God, die hen uit Egypte had geleid, lie­pen andere góden achterna en bogen zich daarvoor neer.

Het gevolg van een en ander was dat zij in de macht van plunderaars kwamen en in de macht van vijanden die hen omringden. Maar, God, de Heer, zo goed en mild, bleef bewogen met het lot van zijn volk. Ondanks het feit dat zij niet handelden in overeenstemming met zijn opdracht dat zij hun vijan­den moesten uitroeien (zie Jozua 3 vers 1 tot 5), gaf Hij hun een richter, een leider die hen voorging en hen verloste uit de macht van hun vijanden. Het volk bleef echter overspelig en leefde niet naar behoren (Richteren 2:18-19).

Er is zeer veel overeen­stemming met onze tijd, vooral als men het Woord van God GEESTELIJK leert verstaan. Er werden gewel­dige richters geroepen, denk maar eens aan Gideon, Simson en Debora.Toch bleef het volk verre van Hem die hun zo wonderlijk had uit-

 

geleid naar het overvloeien­de rijke land.

In die tijd kwam er een hon­gersnood (!) in het land Kanaan en het gezin Elime- lech (God is Koning) trok uit Bethlehem (broodhuis) naar de velden van Moab om daar als vreemdeling te ver­toeven. De Moabieten stammen af van Lot. Zij hebben de Israëlieten veel kwaad be­rokkend. Zei weigerden onder andere de Israëlieten door­tocht te verlenen om hun vijanden te bestrijden. De Maobitische koning Balak liet Biliam komen om Israël te vervloeken (Num.22:24) en de dochters der Maobieten verleidden Israël tot afval (vers 25).

Juist in dat land zocht Eli- melech met zijn vrouw Naomi en hun twee zonen een beter leven. Het is hun er aanvan­kelijk kennelijk goed beval­len want zij bleven er tien jaar. Het ging met hen zoals boven omschreven, zij dwaal­den af van God en het be­loofde land. Het gevolg was, dat het gehele mannnelijke deel van de familie stierf. Het deel dat voor nageslacht moest zorgen was uitgestor­ven en er bleven drie vrou­wen achter.

Deze drie vrouwen komen toch zover dat zij samen de terugweg naar het beloofde land aanvaarden. Alle drie 10 vrouwen hadden een stuk le­ven ei^ beleving achter zich en waren tot het nemen van een juiste beslissing in staat. Zij waren door alles heen ‘mondig’ geworden en kozen voor terugkeer naar het land Kanaan.

DRIE VROUWEN – DRIE

GEESTELIJKE STROMINGEN

Zo gaan ze samen op stap. Zie u ze gaan en kunt u ze, ieder voor zich, geestelijk typeren? Het zijn namelijk de drie geestelijke stro­mingen zoals die zich ook al momenteel aftekenen op de grens van terugkeer naar het beloofde land, het Koninkrijk der hemelen. De geest, die elk van de drie vrouwen bezield, komt in de loop van de gehele ge­schiedenis rond Ruth steeds duidelijker tot uiting.

Aanvankelijk zijn ze het kennelijk roerend met elkaar eens. Zij trekken samen uit en gaan eensge­zind op weg naar het land Juda. Toen zij zo onderweg waren kwam de twijfel en uitgerekend Naomi zei tot haar beide schoondochters: “Gaat heen, keert terug, ieder naar het huis van haar moeder, de Here bewij­ze u liefde, zoals gij die bewezen hebt aan de ge­storvenen en aan mij; de Here geve u, dat gij rust

 

moogt vinden, ieder in het huis van haar man” (Ruth 1:8-9).

Naomi ziet het niet zitten dat haar schoondochters in het land der belofte tot hun , doel zullen komen. De jonge dochters geven het echter niet zo vlug op. Beiden be­loven haar trouw en zeggen tegen Naomi dat ze zeker met haar zullen terugkeren naar haar volk. Dan gaat Naomi klaar en duidelijk uitleggen dat er geen kans is op nakomelingen. Een ver­wekker van nakomelingschap kan of kon, naar haar ge­dachten, alleen maar uit haar voortkomen en daarvoor was in haar geen ‘leven’ meer aanwezig. (Het krijgen van nageslacht speelt in het gehele gesprek een zeer gro­te rol. Het is dan ook op grond van dat gebeuren dat het boek Ruth zo profetisch voor de eindtijd is).

ORPA IS TYPE VAN

DE AFVALLIGE KERK

  • Na dat gesprek keert Orpa terug naar haar land en naar haar góden. Zij is het type van de afvallige kerk, die vroeg of laat, op weg naar het einddoel, het land der belofte en het openbaar wor­den van de zonen Gods als nageslacht, zal afhaken en terugkeren naar het land van hun vaderen. Zij keert terug naar haar eigen wereld en wordt daarin opgenomen. Zij verdwijnt als het ware geestelijk in het niet en komt geheel los te staan van het volk Gods.

Na dat gebeuren probeert Naomi nogmaals ook Ruth tot andere gedachten te bren­gen, doch al haar praten is tevergeefs. Ruth heeft haar keuze gedaan. Zij is van de drie vrouwen de enige die geloof heeft in de toekomst en…. wat het belangrijk­ste is, zij heeft geloof en vetrouwen in de God van het volk Israël. In tegenstel­ling met haar schoonmoeder Naomi heeft Ruth wel hoop en visie. Zij is dan ook het type van de eindtijdge- meente waaruit de zonen Gods zullen voortkomen.

Naomi is het type van de goedwillende gelovige die een toekomst voor zichzelf maar ook voor Ruth niet ziet zitten. Deze typen, dit soort gelovigen, zijn er veel. Zij zien de toe­komst donker in en spreken zoals Naomi spreekt. ‘Het is niets en het wordt niets’ en zij behoren dan ook tot het type van de zuchtende schepping.

Het is het type van de God- vereerder. Men vindt ze on­der joden en zogenaamde heidenen, de christenen uit de heidenwereld. Mensen zo-

 

als bijvoorbeeld Cornelius, een godvruchtig man, die vele aalmoezen gaf en gere-» geld tot God bad (zie Hande­lingen 10). Deze gelovigen doen in alles trouw hun plicht, gaan naar de tempel/ kerk, geven hun offers en worden geëerd door de mede­mens. Toch ontbreekt er iets aan hen. Zij missen iets en zijn daardoor pessimistisch en min of meer doemdenkers. Men vindt onder hen veel zwaarmoedige mensen.

Dit laatste komt voor een zeer groot gedeelte voort uit het feit dat de eerste komst van Jezus Christus op aarde voor hen net niet ‘VOLBRACHT’ is. Er moet, zeggen zij, voor hen zelf en voor de wereld nog méér ge­beuren. Zij voelen zich leeg omdat de bezieling van de Geest Gods, de Geest van Je­zus in hen, ontbreekt. (Lees voor die oplossing, de ge­schiedenis van Corbelius nog maar eens door!) Zij zien niet dat de Geest Gods, die alles schiep en ook Christus tot Gods Zoon maakte, in staat is ALLES tot volheid te brengen. Dat die Geest door middel van de gemeente, als lichaam van Christus, tot eindoverwinning zal ko­men. Zij die dit niet zien, verwachten en zien uit naar een tweede komst van Jezus in het vlees. Zij zijn in dezen op hetzelfde spoor als 12

de joodse gelovige gekomen, die ecHter nog steeds uit­ziet naar een eerste komst.

Geliefde broeders en zus­ters, juist die eerste komst van Jezus heeft ALLES volbracht. Het eerste werk van Christus was af. Het was compleet en gaaf, want juist die komst heeft ons de Heilige Geest ge­bracht, waardoor wij nieuwe mensen, een nieuw volk van God, kunnen worden. Het nieuwe Israël Gods, met een nieuw verbond in het bloed van Christus en een leiding door de Heilige Geest.

OP DE GRENS VAN EEN

NIEUWE TOEKOMST

In de twee vrouwen die overblijven, Naomi en Ruth, zijn type’s overgebleven. Een vrouw mët en een vrouw zonder visie en toekomst­verwachting. Toen beide vrouwen Bethlehem binnen kwamen, raakte de stad in opschudding. Naomi (de lie­felijke) was teruggekeerd. Meteen komt de opstelling van Naomi om de hoek kij­ken. Zij zegt: Noem mij maar ‘Mara’, dat wil zeggen de ‘bittere’ of de ‘bitter bedroefde’. Zo kenschetste zij zichzelf en zij zegt er dan ook meteen maar achter­aan wie de schuldige daar­van is: “De Almachtige heeft mij veel bitterheid

 

aangedaan. Vol (een man met twee zonen) ben ik heenge­gaan, maar leeg heeft de Here mij doen terugkeren” (Ruth 1:20-21) .

Ook de nieuw-testamentische gemeente is ‘vol’ begonnen. Velen staan er momenteel op de grens van terugkeer, naast Naomi. Ook zij spreken dezelfde woorden, maar de mens heeft zelf Jezus en Zijn Land van belofte verla­ten en is gelijk de joden gaan wonen in de velden van Moab. Maar, prijs de Heer, op de grens van een nieuwe toekomst trekken twee vrou­wen op, een jodin en een heidense vrouw. Zij komen beide op één spoor, dank zij het geloof en het Godsver­trouwen van Ruth. Uit haar wordt, dank zij zelfs de me­dewerking van Naomi, een zoon gebboren. Obed heet dat kind, dat betekent: ‘dienaar’. Hij is de groot­vader van koning David en dus één van de voorouders van Jezus. De geschiedenis voorafgaande aan zijn ge­boorte maakt hem als een type van de ‘zonen Gods’. Zijn naam ‘dienaar’ zegt dat al.

De mens is bedoeld als die­naar, en niet bedoeld om op- of voor zichzelf te le­ven. Van hem wordt veron­dersteld dat hij zal leven als zijn Schepper, namelijk ten bate van de ander. Hij is als een kanaal waardoor de van God afkomstige lief­de kan stromen en uitstra­len (zout der aarde en licht op de kandelaar).

Denk hierbij maar eens aan het voorbeeld van de generator en de lamp. Niet de lamp maar de generator schept het licht en wij als lamp mogen het uitstralen.

Zoals gezegd zijn wij op weg naar een nieuwe toe­komst en de verdere ge­schiedenis van Ruth zal ons daarbij voorlichten.

 

 

 

VERGEVEN EN
VERGETEN

Meestal wordt er in de gelijkenis van de verloren zoon uitvoerig aandacht besteed aan de zoon die de wereld in­trekt. De rol van de vader (zijn houding en instelling) hebben mij geïnspireerd tot een nadere belichting van de vader-figuur.     

– VERVOLG VAN VORIGE BLADZIJDE –
                                               -t

Als ik het Schriftwoord aap een nauwkeurige analyse onder­werp, bemerk ik dat de vader het op vele fronten moeilijk heeft gehad.

Ik lees onder andere niet dat hij met vele argumenten getracht heeft zijn zoon te weerhouden of pressie ging gebruiken toen het erfdeel werd opgeëist. ZWIJGEN IN BEPAALDE SITUATIES, WAARIN DE WIJSHEID DAT GEBIEDT, IS MOEILIJKER DAN JE MAAR TE LATEN GAAN. Dat is ‘vechten tegen jezelf’; daar is moed voor nodig, takt en zelf­beheersing.

Wat zal er in zijn hart zijn omgegaan toen zijn jongste – dat staat er wel nadrukkelijk bij – (zijn Benjamin) hem wilde verlaten. Mijns inziens ging het niet zozeer om de geldkwestie, maar om het feit van de ontevredenheid, het verlaten van het ouderlijk huis. Dat doet zeer; dat is de pijn van het afscheid.

Wat kon de vader anders doen dan zijn zoon te laten gaan?’. Was daarmee alle kontakt verbroken? Ogenschijnlijk wel, maar een biddende vader (of moeder) staat voor zijn/haar kind(eren) bij de Heer op de bres door middel van gebed: dat is de rechtstreekse verbinding, het ’schellekoord met de hemel’. ER BESTAAT EEN WEZENLIJK VERSCHIL TUSSEN VERLATEN EN ALLEEN LATEN.

Wat het heeft uitgewerkt bij de zoon, weten we, maar let u eens op de gemoedsgesteldheid en de houding van de vader bij de terugkeer van zijn kind.

“En toen hij nog veraf was….”(Lucas 15:20). Zou.de vader wellicht dagelijks naar hem hebben uitgekeken met hoop in het hart?

“Hij werd met ontferming bewogen…. ” Er was niets aan zijn liefde veranderd. Hij toonde het ook door zijn jongen tegemoet te snellen, hem te omhelzen en te kussen.

Ook in vers 22 valt het woordje ‘maar’ mij op als de zoon zich heeft uitgesproken. Het is net of de vader daarmee wil aangeven: Het verleden telt niet meer; het heden is belangrijker.

Vindt u het ook niet een wonderbare geschiedenis met een diep-geestelijke strekking?

“De liefde vergaat nimmer meer” (1 Cor.13:8a).

JUDITH JACOBS

 

DE VADER VAN DE VERLOREN WON

Lucas 15 vers 11 tot en met 32.

De woorden van zijn zoon, de jongste, – hoewel met redenen omkleed – Drongen als koud staal in zijn harte, Maakten een wonde, diep en wreed.

Ofschoon hij innerlijk verbloedde Kwam uit zijn mond klacht noch verwijt;

Zijn liefde kon de pijn verdragen

Van scheiding en van bitterheid.

Hij heeft hem niet alleen gelaten, Maar mee-geworsteld in de strijd;

Met tranen en gebeden heeft hij Bij ’s Vaders troon voor hem gepleit.

Toen hij zijn zoon na jaren weerzag, Sprak hij niet van ‘verloren tijd’;

Zijn liefdevolle armen waren

Naar hem èn de hemel uitgespreid.

JUDITH JACOBS

 

 

“En de naam der stad zal voortaan zijn: DE HERE IS ALDAAR”(Ezechiël 48:35).

VAN HET MINDERE

NAAR HET MEERDERE

Vele jaren lang was er een oud verbond, een oud volk van God en een aardse stad met een tempel waarin het God beliefde te wonen. Vele jaren lang diende het aardse Jeruzalem als een schaduw­beeld van het hemelse Jeru­zalem. In de Geest ziet de apostel Johannes op het eiland Patmos een stad neer­dalen uit de hemel en hij begrijpt onmiddelijk: dit is een heilige stad. Hij schrijft: een nieuw Jeruza­lem.

Johannes heeft begrepen dat de zichtbare stad Jeruzalem als stad Gods haar tijd ge­had heeft en dat ook de heerlijkheid van de aardse tempel voorbijgegaan was. Had Jezus het niet alles voorzegd? Het mindere heeft nu plaats moeten maken voor 16 het meerdere. Men moet er voor ‘in de Geest’ zijn om dit volkomen te begrijpen. Velen willen het zichtbare vasthouden en als het ver­dwenen is wil men het terughalen. Daarom is het geen wonder dat sommige christenen opnieuw uitzien naar de herbouw van een aardse tempel van hout en steen in een aards Jeruza­lem. In de brief aan de Galaten laat de apostel Paulus ons dit duidelijk weten en spoort hij ons aan slechts de blik te richten op het hemelse Jeruzalem. Hij zegt dat het aardse Je­ruzalem met al haar kinde­ren in slavernij is en roept uit: “Maar het hemel­se Jeruzalem is vrij: en dat is onze moeder” (Gal.4: 26-27) .

Johannes op Patmos heeft dit ook goed begrepen omdat hij in de Geest was op de dag des Heren (Openb.1:10) .

In Psalm 18 vers 36 staat: “Uw nederbuigende goedheid maakt mij groot”. De liefde van God voor de gevallen mens was zo groot dat God naar de mens toekwam en door het offer van Jezus Christus kan de mens nu weer naar God toekomen. Voor het eerste was het nodig dat er een ontmoetingsplaats ge­bouwd werd en zo stond God het de mens toe om voor Hem een woonplaats van hout en steen te bouwen op een zon­dige aarde.

In Zijn nederbuigende goed­heid liet God zich als het ware door de mens beperken en ging wonen in een tempel door mensenhanden gemaakt. Dat is met recht gezegd: nederbuigende goedheid. De almachtige, majestueuse God die zich in Zijn grote liefde laat beperken woont in een aardse tempel.

Bij de inwijding van deze tempel voelde koning Salomo al aan dat het eigenlijk on­mogelijk was om de grote, almachtige God te beperken en Hem als het ware op te sluiten in een zichtbare tempel. God moet de mens wel onmetelijk lief hebben.

Salomo roept uit: “ZOU GOD DAN WAARLIJK OP AARDE WONEN? ZIE, DE HEMEL, ZELFS DE HE­MEL DER HEMELEN KAN U NIET BEVATTEN? HOEVEEL TE MIN DIT HUIS DAT IK GEBOUWD HEB” (1 Kon.8:27). Het was alsof Salomo al aanvoelde: het wezenlijke van de gemeen­schap met God ligt niet op aarde maar in de hemel.

IS ONZE BLIK NAAR

BOVEN GERICHT?

De apostel Jacobus schrijft: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van bo­ven neer, van de Vader der lichten, bij wie geen ver­andering is of zweem van ommekeer”(Jac.1:17). Alles wat werkelijk waarde heeft daalt van boven neer. Daar­om zegt Jezus: “Die van bo­ven komt, is boven allen” en “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven”(Joh.3:31 en 8:23).

Derhalve moeten we voortdu­rend, zoals een Abraham, de blik naar boven gericht hebben en niet naar de aar­de. We zien daarom niet uit naar een hernieuwde tempel van hout en steen op een oude aarde, maar sluiten ons vol vertrouwen aan bij de oud-testamentische rechtvaardigen, genoemd in Hebreeën 11, aan wie God zelf een getuigenis gegeven heeft, daar zij reeds ver­stonden dat het ging om de onzichtbare dingen, want die zijn eeuwig. In dat ge­loof zijn ze gestorven, vermeldt de schrijver van de brief aan de Hebreeën.

Wat zitten vele christenen

 

De ternpelgebouwen ten tijde van het oude verbond.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

toch hardnekkig vast aan de zichtbare dingen en waar deze verdwenen zijn begeert en verwacht men ze terug. Het maakt een groot verschil of men godsdienstig dan wel echt geestelijk is. Als de rechtvaardigen van het oude verbond door het getuigenis van God reeds iets verston­den van de geestelijke din­gen, hoeveel te meer wij, gelovigen onder het nieuwe verbond. Lees in dit ver­band eens de tekst uit He­breeën 11 vers 39 en 40.

De vader van alle gelovigen, Abraham, had ook geen ver­wachting meer van een aards land en zichtbare dingen, en daarom beleed hij op deze oude aarde een vreemdeling en bijwoner te zijn (Hebr.11 :13). Abraham had een groot geloof en dit geloof werkte als het ware als een verre­kijker, waardoor hij alle beloften uit de verte heeft gezien, ja, hij zag zelfs de dag van Christus. Jezus getuigt in Johannes 8 vers 56 van Abraham: “Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die ge­zien en zich verblijd”.

WIJ ZIJN GENADERD TOT

HET HEMELSE JERUZALEM

Wie in het geloof en in de Geest de dag van Christus gezien heeft, heeft geen verwachtingen meer van een aardse stad of aardse tem­pel. Zo iemand geeft ook te kennen, evenals de oud-tes- tamentische rechtvaardigen, dat hij een vaderland zoekt. Geen aards vaderland waarheen het mogelijk is terug te keren, maar een geheel nieuw vaderland. Een
beter, dat is een hemels, vaderland. Daarom schaamt God zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid (Hebr.11 :15-16) .

Van meetaf aan had God juist dit nieuwe Jeruzalem in Zijn gedachten, doch liet in Zijn grote wijsheid eerst het aardse en zichtbare Jeruza­lem met de stenen tempel dienen als een voorbeeld voor het hemelse Jeruzalem. Daarom eerst een oud verbond en nü een nieuw verbond. Eerst een aardse stad, het zichtbare, en nu een hemelse stad, het onzichtbare. Het laatste is eeuwig, leert de Bijbel.

Derhalve zien we niet op een aards’ land en een aardse stad en noemen dese stad ook niet de stad van de grote Koning, maar wij willen het geloof hebben van een Abra­ham en mogen zelfs uitstij­gen boven het geloofspeil van deze oud-testarnentische rechtvaardigen.

Alle ware gelovigen zijn nu genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem (Hebr.12:22).

Slecht één stad heeft nog onze dagelijkse belangstel­ling en wel de stad van de levende God, de stad des groten Konings. Met die stad is God bezig om haar straks neer te doen dalen op een vernieuwde aarde. Het is de stad met fundamenten, waar­van God de ontwerper en bouwheer is (Hebr.11:10).

Nu is het voor de zichtbaar ingestelde mens verkieslij­ken om zich dan ook met het zichtbare bezig te houden en zo is men bezig om dage­lijks het hedendaagse, aardse Jeruzalem ’te nade­ren’ . Het trieste is dan dat men niet ‘hogerop’ komt. Want de aardse stad Jeruzalem heeft geen eeuwi­ge fundamenten, is niet ‘wèlsaamgevoegd’ en is het product van mensenhanden. Als we blijvende de dingen bedenken, die boven zijn, waar Christus is, zullen we ook bezig zijn met het he­melse Jeruzalem, de stad van de levende God. Ook Stefanus roept vlak voor zijn steniging al uit: “De Allerhoogste echter woont niet in wat men met handen maakt, zoals de profeet zegt: De hemel is Mij ten troon, en de aarde een voetbank mijner voeten, Wat voor huis zult gij Mij bou­wen, zegt de Here, OF WAT IS DE PLAATS MIJNER RUST?” (Hand.7:48-49).

De profeet Ezechiël bevindt zich in ballingschap in Ba- bel, zoals eenmaal ook Jo- hannes in ballingschap was
op het eiland Patmos. Voor Johannes ging de hemel open en Jezus verscheen hem. legde Zijn hand op mij”, zegt Johannes. Dit gebeurde ook bij Ezechiël. Hij heeft een wonderlijk roepings- visioen. Daar in Babel, aan de rivier de Kebar, werd ook hij gegrepen door de Geest des Heren. De hand des Heren was daar op hem. De hemel werd hem geopend en hij zag gezichten van Gods­wege (Ezech.1:1-2).

EZECHIEL AANSCHOUWDE

HET NIEUWE JERUZALEM

Evenals bij Johannes op Pat­mos eindigt een en ander in het aanschouwen van een stad en wel een hemelse stad. Als de hemel voor iemand open gaat, komt hij los van de aardse dingen en aanschouwt slechts de hemelse. Hij ziet de eeuwige en onzichtbare heerlijkheden met verlichte ogen des harten. Wie zich niet op deze dingen richt blijft altijd bezig met het zichtbare, het aardse en geeft dan aan deze dingen een godsdienstig tintje.

Ezechiël heeft ook de oude, aardse stad Jeruzalem met haar tempel goed gekend, maar wat hij nu mag aan­schouwen gaat al het aardse ver te boven. Hij mag zich reeds bezighouden met het nieuwe volk van God, met een nieuwe tempel en een nieuwe stad. Al Gods werken zijn gericht op de heerlij­ke toekomst. En die is niet ver meer!

Als balling in een vreemd land mag Ezechiël bezig zijn met het volkomen nieuwe door God beloofd, maar wat helaas door weini­gen wordt begrepen. Ezechi- el is bezig met de stad Gods, het hemelse Jeruza­lem. DE NIEUWE STAD! Even­als de andere ziener, Jo­hannes, is de geest van Ezechiël bezig met het nieuwe Jeruzalem.

Ezechiël wordt in gezichten Gods naar het land van Is­raël hebracht en moet plaats nemen op een zeer hoge berg (Ezech.40:2). Een treffende overeenkomst vin­den we in Openbaring 21 vers 10, waarin ook de zie­ner Johannnes in de geest weggevoerd wordt op een grote en hoge berg. Beiden zien dan een stad, het is de stad Gods, het Nieuwe Jeruzalem. Het eerste wat beiden opvalt is de grote en hoge muur en daarin rondom twaalf poorten. Deze poorten symboliseren de volkomen en herstelde een­heid van het ganse volk Gods. Gods kinderen krijgen van alle kanten ruimte om deze Godsstad juichend bin­nen te trekken.

Bij de nadering van deze stad valt allereerst de gro­te en hoge muur op en ver­volgens de poorten. Deze stad heeft voor elk waarach­tig Godskind een geweldige aantrekkingskracht, want binnen de stad is het een en al heerlijkheid. Binnen de poorten wordt de volmaakte eenheid beleefd. Daar wordt de schoonheid van de stad geroemd en het kunstwerk van de hemelse Bouwheer op het hoogst geprezen.

Wie de beschrijving van Ezechiëls tempel wil plaat­sen in de natuurlijke wereld zal zich in de vreemdste bochten moeten wringen, maar wie door Gods genade deze hoofdstukken mag lezen in het licht van de Heilige Geest beleeft gezegende ogenblikken.

Het wonderlijke is dat Eze­chiël dese stad reeds ziet op aarde. Deze heilige stad bezit de heerlijkheid Gods en zal de heerlijkheid des Heren niet eenmaal de ganse aarde vervullen?(Psalm 57:6).

De serafs uit het roepings- visioen van de profeet Jesa- ja roepen het elkander ook al toe: “De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol” (Jes.6:3). Vooraf had ook Jesaja al een blik in de he­mel geworpen want hij zag de Here zitten op een hoge en verheven troon in de tempel. Wie met geestelijke ogen in de hemel blikt, ziet ook de aarde reeds vol van de heerlijkheid Gods. Onze ogen moeten hemelwaarts ge­richt zijn, dan zullen wij ook zien hoe alles neer­daalt naar een nieuwe aar­de . De stad van de levende God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is (Openb.21:3).

EN DIE STAD IS DE VROUW DES LAMS! En zij heeft de heer­lijkheid Gods, dat wil zeg­gen is bekleed met de heer­lijkheid van de Man. De glorie van de zichtbare, aardse tempel verbleekt er geheel en al bij.

Wie wil nog terug naar de zichtbare, aardse dingen? Wiens blikken zijn dan nog voortdurend gericht naar een aards Jeruzalem? Waar hebben wij belang bij: bij een slavenstad of een vrije stad? Met een variant op Galaten 4 vers 31 mogen we zeggen: “Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen van een slavenstad, maar van de vrije stad”.

Het is dikwijls moeilijk om je los te maken van de zichtbare, aardse dingen en je door vernieuwing van denken te richten op de dingen, die boven zijn, waar Christus is.

In dit nieuwe Jeruzalem wil de Here voor eeuwig wonen
en uit dit Jeruzalem zullen de woorden des Heren uit­gaan. Nogmaals: het gaat het aardse ver te boven.

In deze stad voelt God zich waarlijk thuis. Van deze stad zegt Hij: “Dit is de plaats Mijner rust”. Deze stad heeft dan ook een eeuwige naam: JEHOESJAMMA! Het betekent: DE HERE IS ALDAAR!

Deze stad zijn wij genaderd en wij bemoedigen elkander op de ’teis naar deze gouden Godsstad met de woorden: “Kom, ga met ons en doe als wij”.

Het ga allen wèl die deze stad beminnen. Zij zullen dit Jeruzalem vrede toebid­den, het liefhebben en de rust genieten. Halleluja!

 

 

 

Van de redakfie

EVANGELISCH OF VOL-EVANGELISCH?

Enige tijd gelden schreven wij een hoofdartikel onder de titel: “Evangelisch of vol-evangelisch?” waarin wij op duidelijke wijze een lans probeer­den te breken voor het volle evangelie. De reden waarom wij er in dit redaktionele stukje op terugkomen is niet om bewust in herhalingen te vervallen, maar om nog eens de doelstelling van ons blad te benadrukken! We zullen het trouwens telkens weer doen, zoals wij ook in het verleden deden, want we kunnen er niet genoeg de nadruk opleggen dat het gaat om het volle evangelie.

Er is geen andere boodschap dan de boodschap van het volle evangelie, oftewel de boodschap van het Koninkrijk Gods. De boodschap die Jezus bracht en later de apostelen. De boodschap die de mens bevrijdt uit satans macht en dus werke­lijk gelukkig maakt. De enige boodschap die in de ogen van God waardevol is, want het is Zijn wil, dat het evangelie wat in deze wereld ge­bracht wordt in overeenstemming is met Zijn be­doeling. En Zijn bedoeling werd duidelijk geopen­baard in Zijn Woord: De mens, van oorsprong
geschapen naar het beeld van God, is geroepen dit beeld weer te openbaren. Paulus zegt in Efeziërs 3 vers 14 en 15 dat alle geslacht in de hemelen en op de aarde naar Hem genoemd wordt. Kinderen Gods hebben daarom de opdracht Zijn Naam te belijden en Zijn beeld te openbaren.

Het geslacht van God zal weer zichtbaar worden!

Behoort u reeds tot degenen die de volle bood­schap aanvaard hebben en beleven? En werkt u mee om ook anderen deelgenoot te maken van het volle heil in Christus? “Levend Geloof” is één van de middelen die daarvoor dienstbaar wil zijn. U kunt bijvoorbeeld anderen winnen als abonnee of hen een geschenkabonnement geven. Nu het najaar weer voor de deur staat, is dit een erg geschikte tijd. Al hebben wij overigens van een stil zomerseizoen weinig gemerkt, want ook in de afgelopen zomermaanden konden wij weer tientallen nieuwe abonnees noteren.

Ook zijn wij dankbaar voor de vele extra giften welke binnenkwamen. Het bemoedigt ons om in ge­hoorzaamheid verder te gaan en, om de woorden van Paulus te citeren: met volharding de wedloop te lopen die vóór ons ligt. Hij die ons leiden wil door Zijn Woord en Geest, zij alle eer, lof, dank en aanbidding!     G.J.R.D.

Doemdenken

Hoevelen zijn verward, gevangen hun gedachten Gaan telkens uit naar ’t onheil dat men ziet Ja, steeds weer negatief, alleen maar klachten Zoals een spin in ’t web, zijn zij een prooi van machten

En dat er uitkomst is gelooft men niet.

Hoevelen zijn gedoemd om zo te denken Alleen wat satan inspireert….

Besef toch, luister naar Gods wenken Want Hij alleen vernieuwt uw denken Zodat gij waarlijk triumfeert!

PIET SNAPHAAN

 

Gedachten over
het boek Job

door Nico GOVERTS

– lil –

GOD NOEMT JOB: ‘MIJN KNECHT’.

In het vorige hoofdstuk zijn we geëindigd met de vraag: als er geen sprake kan zijn van een toelating Gods, hoe moeten we het lijden van Job dan wel bezien? Een eerste aanknopingspunt kunnen we vinden in de manier waarop God over Job spreekt. Hij noemt hem: mijn knecht.

Die aanduiding is niet toevallig; zij plaatst Job in een bepaald licht, in een bepaald verband. In de Schriften is de benaming Knecht des Heren, Ebed Adonai, immers een uiterst geladen term.

Het woord Ebed, knecht of dienaar, is afgeleid van het werkwoord ‘abad’, dat dienen betekent; en de eerste maal dat we dit werkwoord in de bijbel tegenkomen, is in Genesis 2 vers 5, waar letterlijk staat: er was (nog) geen mens om de akker te bedienen. In vers 15 van hetzelfde hoofdstuk lezen we vervolgens: “De Here God nam de mens en zette hem in de tuin van Eden, om die te bedienen en te bewaken”. We zien hier iets van de taak die de mens had voordat er zonde bestond. Door middel van dit werkwoord wordt al iets aangeduid van de bestemming van de mens: hij is een Ebed.

En Ebed heeft in dit verband beslist geen slaafse kleur. Ebed, knecht, typeert de mens als partner Gods. Namens God mag hij de schepping bedienen. Zoals een koning in wezen een dienaar is. Zo mag Adam de ootmoed Gods vertolken aan 24

 

de schepping. Dit is trouwens een uniek onderwerp om eens aandacht aan te geven: de ootmoed van God.

GOD HEEFT DE MENS BESTEMD TOT MEDEARBEIDER

Adam, de mens, staat aan de kant van God, staat God ter zijde, en in hem strekt God zijn zorgende, verzorgende handen naar zijn schepping uit. En zo ontwikkelt de mens zich naar de gedachten Gods steeds verder tot wat hij bedoeld is te zijn: medearbeider des Heren. Want het genoemde werkwoord kan ook betekenen: arbeiden. Zo mag Adam niet alleen de akker bedienen, maar zelfs de hof, de tuin Gods, die beeld is van de geestelijke wereld. Knecht Gods, knecht van de hof.

Eeuwen later wandelt er weer een Ebed door een hof, en, niet herkend door haar die Hem zoekt, ontvangt Hij van haar in haar gedachten een naam die dieper gaat dan zij wellicht zelf heeft bevroed: Hovenier. Zij dacht dat het de hovenier was. Eeuwenlang was de hof zonder hovenier, nadat de eerste hovenier verbannen was.

Nu komt de hovenier weer tot zijn hof. Jezus, de tweede mens, de Knecht des Heren, de dienaar van de hof. Uw koning komt tot u, zachtmoedig…. De hof kan zich weer verheugen.

Meermalen worden in de Schriften mensen knecht van God genoemd,, en daarmee wordt dan aangegeven dat zij op een heel speciale, intieme en intense wijze aan de zijde van God stonden. Mensen zoals Abraham, Mozes, Jozua en David, in verband met hen komen we deze term tegen. Profeten worden knechten des Heren genoemd. En een hoogtepunt van deze gedachte wordt gevormd door de liederen over de Knecht des Heren die we bij Jesaja aantreffen. Hij is de gestalte van de mens Gods bij uitnemendheid, de mens van de toekomst, naar wie men uitzag. De gestalte die in Jezus, als eerste onder de broeders, tevoorschijn trad.

Jezus, de mens die heel intiem en uiterst intens stond aan de zijde van de Vader, en juist daarom kon de Vader in Hem de handen zo zorgend, verzorgend uitbreiden naar zijn schepping. Jezus, de Knecht, die kwam om de akker te bedienen en Hij zaaide het zaad Gods; die kwam om de hof te bedienen en Hij werd de boom des levens.

Als nu Job in de aanhef van het boek door God zelf tot tweemaal toe genoemd wordt: mijn knecht, dan moeten we dat

 

tegen de zojuist geschetste achtergrond horen. Met deze titel wordt Job geplaatst in een bepaald kader, hij wordt een profetische gestalte, e^n onmisbare schakel in de weg van schepping naar voleinding.

JOB LIJDT OMDAT HIJ KNECHT DES HEREN IS

Hiermee wordt Job getypeerd als mens aan Gods zijde. En nu is het merkwaardige dat de gedachte aan de Knecht meermalen verbonden is met de idee van strijd en lijden. Hoeveel lijden en geestelijke worsteling heeft Mozes niet moeten doormaken ten behoeve van zijn volk, juist omdat hij aan de zijde van God stond? Van Jozua lezen we: lange tijd heeft hij gestreden. David, van hem wordt gezegd: hij voerde de oorlogen des Heren; juist omdat hij aan Gods zijde stond, had hij vele oorlogen te voeren. Wat hebben de profeten niet geleden, juist omdat ze stem van God waren geworden. En in de liederen die Jesaja over de Ebed zingt, wordt tenslotte de verbinding tussen knecht-zijn en lijdensweg wel heel diep uitgewerkt.

We zien dus: knecht van God te zijn impliceert steevast een vorm van lijden of van strijd. We vinden deze gedachte: waarom lijdt Job? Omdat hij knecht van God is.

We gaan nog iets dieper op deze problematiek in. Knecht zijn betekent: mens zijn aan Gods zijde, zo zagen we. Vandaar uit zullen we de vraag als volgt moeten toespitsen: waarom lijdt die mens die aan Gods zijde staat?

Het antwoord is: omdat de boze God probeert te treffen in die mens. Hetzelfde principe zien we dikwijls op een ander vlak: de boze tracht ouders te raken in hun kinderen. Om de plannen van de ouders te dwarsbomen valt hij de kinderen aan.

De mens die aan Gods zijde staat, gaat iets ervaren van wat God ervaart. De haat tegen God wordt de haat tegen de knecht. Het vergaat hem zoals Jezus sprak: “Een slaaf (dit griekse woord komen we in Jesaja 49 vers 3 tegen als weergave van de Septuagint voor Ebed) staat niet boven zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen”(Joh.15:20). Hier geeft Jezus heel duidelijk het principe van het knecht-zijn aan. Het houdt in dat men deelt in het lot van zijn meester.

David heeft dat ervaren als hij in Psalm 69 moet getuigen: 26

 

“En de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op mij neder” (vers 10b). Weliswaar heeft hij deze psalm gedicht als een profetisch lied met het oog op het lijden van de Messias, maar hij zou deze gedachten nooit hebben kunnen doorgeven als hij ze niet zelf aan den lijve als waarheid had ondervonden.

‘KNECHT’ IS SYNONIEM MET ‘ZOON’.

De smaad jegens God komt neer op de knecht. We dienen trouwens bij al deze uitspraken wel te bedenken dat de titel ‘knecht’ in deze hele gedachtegang geenszins minder waardig is dan de titel ‘zoon’. Beide termen zijn in dit verband verwisselbaar: waar Jesaja 42 vers 1 begint met de aanspraak: “Zie, mijn knecht”, daar wordt dit in Matthéüs 3 vers 17 door God de Vader aangehaald met de woorden: “Deze is mijn Zoon”, terwijl dan later in hetzelfde evangelie deze zelfde tekst van Jesaja geciteerd wordt als: “Zie, mijn knecht”(Matth.12:18). Knecht is hier dus niet geringschattend; het is veeleer een erenaam.

Bij David zien we dit basispatroon zich scherp aftekenen: de knecht voert de oorlogen van zijn Heer. Er is tussen knecht en meester een lotsverbondenheid: we zouden kunnen formuleren: ze zijn lotgenoten.

Om een beeld te gebruiken: een veldheer trekt ten strijde met zijn soldaten. Wat kunnen die soldaten verwachten?

Er zal op hen geschoten worden. Waarom? Ze staan voor de zaak van de meester. Zal het hen verbazen dat zij het doelwit van de vijand vormen? Ze wisten het van tevoren toen ze zich met hun koning verbonden.

Maar kunnen we nu zeggen: de veldheer laat toe dat er op zijn mannen geschoten wordt? Het geschiedt onder toelating van de generaal? Dat zou een absurde gedachte zijn. De veldheer wil zijn soldaten niet zelf doodschieten; daar gebruikt hij de vijand voor? Een kommandant die zo denkt, verdient opgesloten te worden. De veldheer staat daar niet aan het front te wenken naar de vijand: Komt u maar! Schieten maar! Het jachtseizoen is geopend, heren!

Het is beslist niet zo dat de veldheer het toelaat. Maar het gebeurt wel. Het is een feit. En de generaal is zelfs in staat om dit feit van tevoren vast te stellen. Hij kan voordat de strijd begint, tegen zijn soldaten zeggen:

 

Straks wordt er op jullie geschoten. Een kwaadwillige soldaat zou kunnen reagerep: Dat heefi onze veldheer dan zeker met de vijand afgesproken. De mannen zouden het zelfs kunnen opvatten zoals sommigen profetieën inter­preteren: de veldheer heeft gezegd: er zal geschoten worden; dus dat heeft hij over ons beschikt. Daar moeten we dan maar in berusten. Konsekwent zou dan zijn: dan moeten we maar niet terug schieten, want dan dwarsbomen we het woord van onze leider.

Maar gelukkig: een goede soldaat kent de gedachte van zijn aanvoerder. Als hij aan het front staat, hoort hij het hem nog zeggen: Wees dapper; jullie en ik, we strijden zij aan zij. Samen gaan we winnen.

De soldaten gaan met de koning mee, ze komen waar hij is. Als ze thuisbleven, zouden ze weinig meemaken, of in elk geval veel minder. Maar omdat ze hetzelfde verlangen hebben als hun heer, omdat ze een hechte eenheid vormen met hun meester, daarom staan ze met hem in de voorste linie. Ze hebben aan het koninkrijk hun hart verpand, daarom worden zij gekonfronteerd met hem die besloten heeft dat koninkrijk met wortel en tak uit te roeien.

Zij worden gekonfronteerd met de vijand. Dat is de ene kant van de zaak. Er is nog een andere kant en die is wellicht van nog diepere betekenis. Namelijk: de vijand wordt gekonfronteerd met hèn.

Het kardinale punt is niet zozeer: Job ontmoet de satan. Maar veeleer: de satan wordt gekonfronteerd met Job. Het voornaamste is niet: Job komt oog in oog te staan met de boze; maar: de boze komt oog in oog te staan met Job. En dat heeft hij nodig.

JOB VERWIERF MACHT IN DE HEMELSE GEWESTEN

Het is bijzonder veelzeggend dat de titel ‘knecht’, die in de openingshoofdstukken van Job tot klinken gebracht wordt, aan het eind van het hele boek opnieuw markant naar voren komt: in Job 42 vers 7 en 8 maar liefst vier keer. ‘Mijn knecht Job’ wordt dan de voorbidder voor de vrienden; opmerkelijk is dat het lijden daarop uitloopt. Het einde is dat de knecht een grotere positie verkrijgt, een sterkere standplaats, in de geestelijke wereld.

In het eerste hoofdstuk offert Job voor zijn kinderen, in

28

het laatste hoofdstuk offert en bidt hij voor zijn vrienden. We zien hier iets van de levensinstelling van deze godsman: hij was altijd bezig om anderen te heiligen. Het lijden, de strijd die op hem afkomt, houdt dan ook duidelijk verband met deze bediening die hij van meet af aan uitoefende. Hij was een strategische figuur.

En dan leert ons het slot van deze geschiedenis: door de strijd heen krijgt hij zijn bediening terug, maar dat niet alleen: door dit alles heen wordt zijn roeping vastgemaakt en uitgebreid. Als Job voorbede doet, dan weet het rijk der duisternis: dat is iemand met wie we rekening moeten houden. Die man kunnen we niet zomaar negeren. Job heeft een machtspositie verworven in de hemelse gewesten.

Is het niet opvallend dat we bij de Knecht des Heren in Jesaja dezelfde lijn ontdekken? Ook die lijdensweg loopt uit op een positie van voorbede: het vierde lied, Jesaja 53, eindigt met de woorden: “Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit ver­delen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft” (vers 12).

Ook bij Job was dat het hoogtepunt: hij bad voor de over­treders. Hij werd een machtige die de buit mocht verdelen, (wordt vervolgd).

DE VOLLEDIGE MENS

In het maandblad van de volte evangelie gemeente te Castricwn (voorganger br. A. Stemfoort) troffen we de volgende recensie over deze brochure aan:

“Vanuit Gods Woord wordt een zeer verhelderend beeld gegeven over de mens zoals God hem bedoeld heeft. Onderscheiden in: geest, ziel, lichaam.

Funkties van de geest, funkties van de ziel, het lichaam dat méé-deelt in het heil. Plan Gods voor de mens, dat voor een kind van God ‘openbaring’ genoemd mag worden vanuit deze brochure. Om te lezen, te herlezen, te doen, te ontdekken, je te verblijden, te overwinnen!

Ook om samen te lezen, s&men te ontdekken en je dan samen te verblijden in het plan Gods”.

Reaktie»vaii lezers

 

 

Verwachting

‘k Verwacht van U, o Heer, die dingen Die ‘k nodig heb voor mijn bestaan Dat ‘k daardoor U de lof kan zingen Wat negatief is kan bedwingen En steeds de boze zal verslaan.

‘k Verwacht van U die kracht ’t ontvangen Voor elke dag die U mij schenkt Ja, ‘k prijs U Heer met lofgezangen Naar U alleen is mijn verlangen Omdat IJ steeds Dezelfde bent.

‘k Verwacht 1t alleen van U, o Heer Want ‘k weet in U heb ‘k eeuwig leven U bent de Bron die- ik begeer Waaruit. ‘ k map putten keer op keer Ja al wat goed 1B, zult U mij steeds geven!

PIET SNAPHAAN

Levend Geloof – 228

Levend geloof 1982.07-08 nr. 228

Bij God is niets onmogelijk door Gert Jan Doornink

De kracht van het woord

Het Woord van God is vol leven en kracht! Hebreeën 4 vers 13 (Heb. 04:13) zegt dat het woord Gods levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard is en dat het door dringt, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en dat het overleggingen en gedachten des harten schift. In Jeremia 23 vers 29 (Jer. 23:29) staat dat Gods Woord is als een vuur, of als een hamer, die een steenrots vermorzelt. De engel Gabriël zei bij de geboorteaankondiging van Jezus tot Maria dat geen woord, dat van God komt krachteloos zal we­zen .

Dat geldt zeker ook ten aanzien van de woorden die Jezus, de Zoon van God, sprak, toen Hij op aarde was. Wel wees Jezus er met nadruk op dat Zijn woorden levend gemaakt worden door de Geest. In Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63) lezen wij bijvoorbeeld dat Jezus zei: “De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn geest en leven”. Daarom kunnen wij Gods Woord ook alleen maar verstaan in het licht van de Heilige Geest, dat wi1 zeg­gen: de Geest wil ons kennis en inzicht geven opdat we Gods Woord o^ de juiste wijze gaan in­terpreteren. Juist in deze eindtijd is dit van het allergrootste belang, omdat ook satan graag gebruik maakt van Gods Woord. Talrijke dwaal­leringen baseren zich op allerlei Bijbelteksten, maar missen het inzicht van de Heilige Geest. Paulus schreef reeds aan de gemeente te Korinthe: “De letter doodt, maar de Geest maakt levend” 2 Korinthe 3 vers 6 (2 Kor. 03:06).

Ook is het erg belangrijk Gods Woord steeds in zijn verband te lezen. Jezus zelf bijvoorbeeld deed niet zomaar allerlei uitspraken in het wil­de weg, maar ze waren in de eerste plaats be­stemd voor de persoon of de personen tegen wie ze gericht waren. Vaak herkennen wij ons dan weer in die personen en weten ons aangesproken. Of we denken dat ze niet voor ons bestemd zijn, maar dan kunnen we ons ook wel eens sterk vergissen!

Jezus en de rijke jongeman

Een bekend voorbeeld daarvan vinden we bij de geschiedenis van de hooggeplaatste en rijke jon­geman die bij Jezus kwam met de vraag: “Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?” Lucas 18 vers 18 (Luc. 18:18). Deze man had een voorbeeldig en godsdiens­tig leven, maar hem ontbrak één ding, waarop Jezus hem attendeerde: Hij moest alles wat hij bezat verkopen en het verdelen onder de armen. Dan zou hij een schat hebben in de hemelen en kon hij Jezus volgen. Maar hoe reageert hij? Hij werd bedroefd, want hij was zeer rijk, zegt Lucas 18 vers 23 (Luc. 18:23). Als Jezus dan zegt hoe moei­lijk het is voor hen die geld hebben, het Ko­ninkrijk Gods binnen te gaan, wordt aan Hem de vraag gesteld: “Maar wie kan dan behouden wor­den?” Dan is het antwoord van Jezus: “Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God” Lucas 18 vers 27 (Luc.18:27). Nu zouden wij geneigd zijn om te denken dat deze uitspraak van Jezus alleen maar bestemd is voor een klein aantal mensen: de zeer rijken, en daar zijn er niet zo veel van. Maar we kunnen ook rijk zijn, terwijl we maar een gewoon salaris verdienen. Dat is als we niet ons gehele leven geven aan Jezus. Als we bepaalde terreinen van ons leven voor onszelf houden. En dat ‘voor ons zelf houden’ houdt dan in, dat we ons niet in alles laten leiden door Gods Geest, maar verkeer­de geesten de kans geven te infiltreren. Of als we bijvoorbeeld weigeren gebondenheden af te leggen. Als Romeinen 13 vers 12 (Rom. 13:12) zegt dat we de werken der duisternis af moeten leggen en de wapenen des lichts aan moeten doen, kunnen wij niet zomaar zeggen: daar heb ik niets mee te ma­ken, maar zullen we ons af moeten vragen of wij ook in dit opzicht gehoorzaam zijn. De rijke jongeman kon het Koninkrijk Gods niet beërven omdat hij geen afstand kon doen van zijn rijk­dommen, maar Paulus schrijft aan de Galaten dat zij die de ‘werken van het vlees’ bedrijven het Koninkrijk Gods ook niet zullen beërven Galaten 5 vers 21 (Gal. 05:21).

De machteloze mens – De almachtige God?

Wie de uitspraak van Jezus: “Wat bij mensen on­mogelijk is, is mogelijk bij God”, oppervlakkig leest, komt er gemakkelijk toe een tegenstelling op te roepen: de machteloze mens tegenover de almachtige God. Bij de mensen is niets mogelijk, maar bij God is alles mogelijk, dus…. we moe­ten maar afwachten wat God doet. Dit fatalisti­sche geloof, deze verkeerd afwachtende houding, is een wapen waar satan graag gebruik van maakt om ons van God en Zijn gemeenschap af te houden. De werkelijkheid, die uit deze uitspraak Van Jezus naar voren komt, is juist gelegen in het feit dat Jezus ons op wil wekken te vertrouwen in God!

Wat is namelijk de sleutel tot het verstaan van dit woord? Geloof! Bij God is immers niets onmogelijk, want: “Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft!” Markus 9 vers 23 (Mark. 09:23). Bij God zijn alle dingen mogelijk…. maar hij vraagt van ons geloof! Geloof in God brengt ons binnen het be­reik van Gods mogelijkheden en deze zijn onbe­perkt. Zonder geloof is het trouwens onmogelijk God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft, maar met ‘alle dingen’ wordt niet bedoeld dat we maar af moeten wachten wat God gaat doen: ons het goede of het slechte geven, zoiets als van: ‘het kan vriezen en het kan dooien’. Helaas zijn er nog vele kinderen Gods die deze mening zijn toegedaan. God zend ons echter geen onheil toe. Hij is een goede God, één en al liefde! Dat heeft Hij bewezen door het zenden van het aller­liefste wat Hij bezat: Zijn eniggeboren Zoon. En Paulus zegt: “Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overge­geven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?” Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32).

Wel vraagt de Heer van ons dat wij in Zijn ge­meenschap leven. Zolang de mens zijn begeerten laat ‘bevruchten’ door de vorst der duisternis, in plaats van in de kracht van de Heilige Geest weerstand te bieden aan satans verzoekingen, zal hij de goedheid van God niet of niet ten volle ervaren. Maar wie de weg van geloof gaat, zal het met Paulus kunnen zeggen en beleven: “Ik vermag alle dingen in Hem, die mij kracht geeft” Filippenzen 4 vers 13 (Filip. 04:13).

Het perspectief voor de eindtijdgemeente

De woorden van Jezus: “wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God”, zijn niet alleen voor ons persoonlijk geloofsleven van grote beteke­nis, maar ook als perspectief voor de eindtijd- gemeente. Het vooruitzicht van de eindtijd- gemeente is de openbaring van de heerlijkheid Gods…. Maar soms lijkt het wel of de openba­ring daarvan verder verwijderd is dan ooit. ‘onmogelijk’ is het wapen dat satan ons telkens weer voorhoudt en hij probeert ons te laten zien op die dingen waarin hij succes heeft behaald. Zij successen en onze nederlagen mogen echter nooit maatstaf gevend zijn boven datgene wat God beloofd heeft en ten uitvoer gaat brengen! Gods werk gaat door! ‘God is getrouw, Zijn plannen falen niet’. Hij vraagt daarbij van ons vertrou­wen en toewijding en heeft er een welbehagen in als wij de weg van geloof en gehoorzaamheid be­wandelen .

De ‘volmaakte gemeente’ komt er! Daarvan kunnen we zeker zijn, want God wil Zich een gemeente voor zich plaatsen die zal zijn: Stralend, zonder vlek en rimpel, zodat zij heilige is en onbesmet. Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27).

Zo’n gemeente is er nog nooit geweest. Laten we dit vooral niet vergeten. En laten we niet door ongeloof denken dat deze gemeente niet tot stand zal komen. Als we in Handelingen lezen over de eerste gemeente zeggen we: wat een tijd! wat een volmacht! wat een heerlijkheid Gods kwam er toen tot openbaring! Maar de heerlijkheid van de laatste gemeente zal groter zijn dab die van de eerste!

Halleluja! Wat een uitzicht! Geen enkel ding is bij God onmogelijk en omdat Hij ons er volledig bij wil betrekken mogen wij het zeker weten dat alle dingen die bij Hem mogelijk zijn ook bij ons mogelijk zijn!

Heeft u er wel eens over nagedacht waarom Hij ons volledig wil betrekken bij de uitvoering van Zijn plan dat het herstel van de gehele schep­ping omvat? Omdat we geschapen zijn naar Zijn beeld! Wij zijn van Zijn geslacht! Niet de satan heeft daarom recht op ons leven, maar alleen Jezus Christus. En wie in Zijn gemeenschap leeft overwint iedere negatieve gedachte, iedere vrees en twijfel, kan op de juiste wijze weer­stand bieden als de vijand aanvalt en is met Christus overwinnaar. Bij de mensen (zonder Christus) is niets mogelijk, maar bij God (en de mensen die in Zijn gemeenschap leven) is alles mogelijk! Aan welke kant wilt u staan?

 

God wil alles in allen door H. J. Scholten

opdat God zij alles in allen” 1 Korinthe 15 vers 20 (1 Kor. 15:20).

Van bovenstaande Bijbelse uitspraak zouden we kunnen zeggen: de scherpste geesten gevoed door de Heilige Geest en de genade van Jezus Christus, zijn nagenoeg nog niet in staat om in deze waarheid door te dringen. Als we zo in deze wereld rondblikken en af en toe een willekeurige krant opslaan, zouden we geneigd zijn om te verzuchten: Zou het ooit waar zijn, dat God zal zijn alles in allen? Het lijkt wel omgekeerd, alsof de dui­vel alles in allen is.

Toch zal eenmaal het ‘God alles in allen’ een voldon­gen feit zijn, alhoewel wij vaak nog moeite hebben van dag tot dag met deze Bijbelse waarheid te leven. Het lijkt nog zo eindeloos ver weg. Het gaat dan ook uit boven het hele gebied dat wij bijbels kunnen overzien en zelfs op de laatste bladzijden van de Bijbel bemerken wij, dat ‘God alles in allen’ nog niet bereikt is, want dan is het genezingsproces der volkeren nog in volle gang. De volmaakte eindopenbaring is dan nog niet bereikt

Gemeenschap met Jezus leert ons Gods gedachten kennen

Johannes op het eiland Patmos mocht met zijn geest diep doordringen in vele geheimen van het Koninkrijk van God. Dat bracht mee dat hij ook vele verschrikke­lijke dingen aanschouwde, maar eveneens werd hij er­van doordrongen: eind goed, al goed! Daarom vinden wij bij hem een sterk verlangen naar de komst van Jezus en roept hij uit: “Amen, kom, Here Jezus!”

Vele gezichten, waarvan Johannes ons mededeling doet, behandelen de grote strijd, die moet leiden tot de on­derwerping van de ganse schepping aan de Zoon van God. De apostel Paulus schrijft iets heel moois in Romeinen 1 vers 4 (Rom. 01:04): “….naar de geest der heiligheid door zijn opstanding uit de doden verklaard Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here”.

Van deze kracht schrijft de apostel in zijn brief aan de Filippenzen: “….naar de kracht, waarmede Hij ook al­le dingen aan Zich kan on­derwerpen”. Het is een ge­volg van de opstandings- kracht die Jezus terugbracht uit de doden en het is van uiterst groot belang te geloven in de opstanding der doden. Het is geen wonder als de apostelen na de op­standing van Jezus uit de doden hier zeer krachtig van gaan getuigen. In Hande­lingen 4 vers 33 (Hand. 04:33) lezen wij: “En met grote kracht gaven de apostelen hun getuigenis van de opstanding des Heren Jezus, en er was grote gena­de over hen allen”. Neen, met de dood is het niet af­gelopen, dan begint ‘het nieuwe leven’ pas.

Jezus is de richtende en herstellende Zoon van God. Hij voert alle gedachten van Zijn hemelse Vader uit en daarom is het zo belangrijk te denken wat Jezus denkt.

Wat denkt Jezus nu? Zijn ge­dachten zijn van eeuwigheid en ze zijn allen vervat in de Heilige Schrift. Alleen door gemeenschap met de Zoon Jezus Christus raken we steeds meer bekend met de geheimenissen van het Ko­ninkrijk Gods. Zij, die me­nen dat dit langs de weg van het rationele denken te bereiken is, vergissen zich zeer en we krijgen er steeds meer mee te maken. Het mag alles prachtig lij­ken maar het is slechts surrogaat. Is het niet iets om diep over na te denken als er geschreven staat: “….en toch waren Zijn werken van de grondlegging der wereld af gereed”? Hebreeën 4 vers 3 en 4 (Heb. 04:03-04).

Gods gedachten worden geestelijke realiteiten

Dat wil zeggen dat God al­les onaantastbaar vast in Zijn gedachten heeft en dat Zijn Zoon Jezus al deze ge­dachten met de precisie van een kostbaar uurwerk ten uitvoer brengt. Het wil zeggen, dat God voortdurend alles al in een eindtoe­stand ziet en die is vol­maakt. Zo ziet Hij ook ons, Zijn kinderen. Hij ziet ons als een eindproduct van Zijn grote liefde en daarin is Zijn verlustiging. Gods werk komt klaar. Door de Geest die wij ontvangen hebben, mogen wij ons ook reeds ver­lustigen in de gedachten Gods, daar deze gedachten allen gebracht worden tot geestelijke realiteiten. Daarom moeten wij geld afwe­gen voor wat werkelijk brood is en de raad wordt ons ge­geven: “Hoort aandachtig naar Mij, opdat gij het goe­de eet en uw ziel zich in overvloed verlustige” Jesaja 55 vers 2 (Jes. 55:02). God wil ook dat wij ons zullen verlustigen in al wat Hij gedaan heeft, nog doet en zal doen.

Er is zo’n veelheid aan God­delijke gedachten van eeu­wigheid af, dat, als we graag zouden willen weten wat Jezus nu denkt, terwijl Hij op de troon des Vaders is, wij ons nog meer in de Bijbel moeten gaan verdie­pen. We zullen dan ervaren dat God alleen daarin alle hemelse wijsheid verborgen heeft. Als er staat geschre­ven dat het huis Gods is ge­bouwd op het fundament van apostelen en profeten, wil dit niet zeggen dat deze slechts de eerste beginselen van de uitspraken Gods lie­ten horen en dat de diepere dingen van het Koninkrijk Gods aan ons door de Geest geopenbaard zullen worden, buiten de Bijbel om. Zoiets zet de deur naar dwalingen wagenwijd open en het mag ons niet gaan als de Mormo­nen, die naast de Bijbel nog het ‘Boek van Mormon’ hebben en het boek ‘De Parel van grote waarde’.

De gedachten die Jezus, als de Uitvoerder van het grote plan van God nü heeft, zul­len we allen moeten opdiepen uit de Bijbel zoals wij deze nu bezitten. Alleen al als we de profeet Ezechiël lezen of de brief aan de Hebreeën worden we reeds geconfron­teerd met zaken die de eers­te fundamentele uitspraken Gods ver te boven gaan.

De weg naar het einddoel is een lange weg

We hebben dus gezien dat het eind van alle Godsopenbaring zal zijn: God alles in al­len! Dat is het grote eind­doel en het is een lange, lange weg. Dan zal de dood, als laatste vijand, volko­men teniet gedaan zijn door Jezus Christus, de Vorst des Levens. Elk spoor van de dood zal verslonden worden in Zijn overwinning. Halle­luja!

Uit 1 Korinthiërs 15 weten wij, dat tenslotte de Zoon zelf zich aan de Vader on­derwerpen zal, en daarmede is dan bereikt wat zich van eeuwigheid af bevond in de gedachten des Vaders en door Zijn Zoon op volmaakte wijze werd uitgevoerd. We hebben reeds gesteld dat het een zeer lange weg is om tot dit voorgestelde doel te ko­men en dat alles ook door veel lijden heen tot stand komt. Ook veel schuldeloos en onbegrepen lijden marke­ren deze heilsweg, maar al­les moet dienen tot verheer­lijking van God.

Daarom moeten we niet onver­standig en traag van hart zijn. Eenmaal zei Jezus tot de Emmaüsgangers: “O, onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten ge­sproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in Zijn heerlijkheid in te gaan?” Lucas 24 vers 25 (Luc. 24:25).

Gods geheimen leren kennen gaat niet buiten lijden om

We zien dat ook een Job door lijden heen moest komen tot een grotere kennis van de Godsopenbaring. Dan roept hij uit: “Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen Uwer plannen wordt verij­deld” Job 42 vers 2 (Job 42:02) .

Wie het geheim van het lij­den niet verstaat zal nooit door kunnen dringen in de diepste geheimenissen van het Koninkrijk Gods. Er is een lied waarvan enkele regels luiden: Wie zal ‘ t ge­heim verstaan, dat Gij, Mijn God, Uw leven gaaft voor mij?

In Jesaja 53 wordt van Jezus geschreven: “Om Zijn moeite­vol lijden zal Hij het zien tot verzadiging toe”.

De dienstknecht Paulus was diep doorgedrongen in Gods geheimenissen, maar er staat dan ook van hem geschreven: “Want Ik zal hem tonen, hoe­veel hij lijden moet ter wille van Mijn Naam”.

Aan de Filippenzen schrijft deze Paulus iets opmerke­lijks : “Want aan u is de genade verleend, voor Chris­tus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort” Filippenzen 1 vers 29 en 30 (Filip. 01:29-30).

Door lijden heen worden Gods eeuwige raadsbesluiten uit­gevoerd en het is de satan, Gods tegenstander, die al­tijd tracht deze raadsbe­sluiten te verduisteren of te omsluieren zodat ze niet begrepen worden en de mensen er een eigendunkelijke godsdienst of eigenmachtige uitleggingen voor in de plaats stellen, die veelal bevredigend zijn voor het vleselijke denken.

Ten alle tijde moeten we be­denken dat God liefde is en dat alles dienstbaar moet zijn aan deze liefde. In de­ze grote liefde komt God klaar met al Zijn vijanden en haters. Eens zal alle knie zich buigen en elke tong zal belijden: Jezus is Heer!

Gods daadwerkelijke liefde is onaantastbaar voor satan

De Bijbel leert ons uitdruk­kelijk dat God goed en vol liefde is, en daarom zal al het kwade eenmaal door het goede overwonnen zijn. Er staat ook geschreven: “De liefde rekent het kwade niet toe” 1 Korinthe 13 vers 5 (1 Kor. 13:05). Deze uit­spraak zien wij bevestigd als Jezus aan het kruis ge­nageld wordt en dan bidt: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen” Lucas 23 vers 24 (Luc. 23:24). Dit gebod houdt in dat Jezus zijn vij­anden vergaf en dat doet ook de hemelse Vader, want de Vader en de Zoon zijn één.

Deze liefde nu is het die garant staat voor de Bijbelse uitspraak: God alles in allen! We behoeven er nooit aan te twijfelen: hoe alles om ons heen ook het tegen­deel schijnt te bewijzen.

De daadwerkelijke liefde van God ondervindt een ver­schrikkelijke tegenstand van de duivel en zijn demonische engelen. En toch wordt God nooit of te nimmer verrast of in verlegenheid gebracht door de aanvallen van de vijand. God is de rust zelf en Hij is onaantastbaar in zijn heiligheid en recht­vaardigheid. In Hem is geen zweem van ommekeer of veran­dering en daarom worden zijn raadsbesluiten in de meest volmaakte rust en zekerheid uitgevoerd. In het Konink­rijk Gods is geen plaats voor paniektoestanden.

De profeet Jesaja mocht in de geest ook al veel zien. In hoofdstuk 25 vers 1 schrijft hij: “O Here, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven, want Gij hebt wonderen ge­daan, raadsbesluiten uit een ver verleden, in waarheid en trouw volvoerd”.

Jesaja mocht het heil voor de volken in de geest aan­schouwen. Hij ziet hoe de sluier vernietigd wordt, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken bedekt zijn Jesaja 25 vers 7 (Jes. 25:07).

Gods raadsbesluiten zullen eenmaal aan een ieder bekend zijn en alles zal eindigen in ‘God alles in allen’.

Van de kinderen Gods staat geschreven dat ze naar Zijn raadsbesluit voortgebracht zijn door het woord der waarheid om in zekere zin eerstelingen te zijn onder Zijn schepselen Jakobus 1 vers 18 (Jak. 01:18). Een andere vertaling spreekt over de ‘keur van zijn schepselen’. Dat wil zeggen: de toekomstige zo­nen Gods vormen een keuze uit het beste. Het is een keurkorps, een uitgelezen troep. Dit keurkorps zal eenmaal ingezet worden voor een zeer verheven taak, op­dat God in Zijn onmetelijke wijsheid tot het voorge­stelde doel kan komen: God alles in allen.

Golgotha is het begin van de weg naar het einddoel

Daarom wordt door God al­lereerst volle aandacht ge­schonken aan dit keurkorps, deze eerstelingen. Het is het lichaam van Christus.

Deze zonen ondergaan een strenge, maar zeer recht­vaardige training, en de heilige vuurgloed van een liefdevolle God zorgt er­voor dat al het ongoddelij­ke, wat zich nog temidden van dit keurkorps mocht be­vinden, verteerd wordt.

Vele lange jaren en eeuwen zijn nodig om te komen tot een ongerepte en onbezoe­delde gemeente van Chris­tus , maar de liefde van de Vader èn de Zoon staat er garant voor dat dit zal ge­beuren. Een gemeente die doorgloeid is van het hei­lige liefdesvuur van God. Een gemeente die alles overwint, omdat ze zelf overwonnen is door de eeuwi­ge liefde van een goede God.

Het begin van de weg die zal eindigen in het ‘God alles in allen’, begint op Golgotha. Daar kunnen we Hem ont­moeten, die om ons moest neerdalen naar de lagere, aardse gewesten, teneinde de weg naar omhoog te kunnen openen, en nadat Hij dit ge­daan had, weer is opgestegen ver boven alle hemelen om nu alles tot volheid te bren­gen Efeze 4 vers 10 (Ef. 04:10).

Alle gedachten Gods werden geboren uit liefde, ook het plan van God: het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld. Luther schrijft: het Lam, dat geslacht is, van het be­gin der wereld af.

Het kruis van Golgotha staat in het brandpunt van alle Goddelijke liefde. Het ge­slachte Lam bewerkt dat er een nieuwe mens komt, ver­zoend met God. Door het bloed des kruises. Jezus is de Allereerste. Paulus schrijft in 1 Korinthiërs 15 vers 23 en 24 (1 Kor. 15:23-24): “Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het Koningschap aan God de Va­der overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft”.

Voor de wereld en de onge­lovige mensen zijn dit ver­borgen zaken, maar ze zijn aan ons geopenbaard door de Heilige Geest.

We willen besluiten met de bijzonder rijke woorden van de apostel Paulus aan de gemeente der Kolossenzen: “Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is. Want het heeft de ganse volheid be­haagd in Hem woning te ma­ken, en door Hem, vrede ge­maakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is” Kolossenzen 1 vers 20 (Kol. 01:20).

God is liefde, o eng’lenstem, mensentong, verheerlijkt Hem!

 

 

Van de redactie door de redactie

Voorrechten en verplichtingen

We vinden het iedere keer weer een voorrecht een blad als “Levend Geloof” te mogen uitgeven. Want is het geen voorrecht de kostbare boodschap van het Koninkrijk Gods bekend te maken? Is het geen voorrecht anderen deelgenoot te maken van de geestelijke rijkdommen van Gods Woord? En is het geen groot voorrecht te bemerken hoe vele lezers en lezeressen geestelijk groeien door alles wat wij publiceren?

Maar…. we zijn er ons ook van bewust dat deze voorrechten, en vele andere, verplichtingen met zich meebrengen. De verplichting bijvoorbeeld om de boodschap op zo duidelijk mogelijke wijze on­der woorden te brengen. Eén van onze doelstel­lingen is daarom ook de volle boodschap door te geven in een voor iedereen begrijpelijke taal. Een andere verplichting, waarvan wij ons bewust zijn, is het feit dat we de boodschap compromis­loos behoren te brengen, We zouden ontrouw en ongehoorzaam zijn als wij water in de wijn zouden doen. Maar ook zijn we op onze hoede dat we niet extreem of fanatiek worden. Het één zowel als het ander berokkent schade aan de zaak van Gods Koninkrijk. We schrijven daarom over de vele aspecten van de ‘volle weg met Jezus’, maar weten dat dit alleen Gode welgevallig is en praktische uitwerking heeft, als we blijven in de gezind­heid van Christus.

We zien het ook als een verplichting er voor te zorgen dat het blad er zo goed mogelijk uitziet. Doordat wij het opmaken, drukken, verzenden, etc. zelf verzorgen, werkt dit uiteraard kostenbespa­rend, maar wil het werk ook financieel gezond kunnen functioneren, dan zijn giften beslist noodzakelijk. In dit verband doen wij een beroep op iedereen die ons blad met instemming leest, om – zo mogelijk regelmatig – een extra bijdrage voor het “Levend Geloof” werk over te maken. We zijn dankbaar voor de verschillende giften die in de afgelopen tijd binnenkwamen, waaronder ook van enkele gemeenten.

Wat dit laatste betreft: we zijn een sterk voor­stander van gezonde gemeentevorming. De bood­schap van het Koninkrijk Gods kan alleen ten vol­le zijn uitwerking hebben in Gods kinderen, als deze functioneren in gemeenten waarin deze bood schap een centrale plaats heeft ingenomen. Als onafhankelijk volle evangelie blad willen we daarom ook volledig dienstbaar zijn aan de ge- meenten. En willen wij niet alleen de individuele gelovigen maar ook de gemeenten stimuleren pal e staan voor de boodschap van het volle evangelie. Steeds opnieuw zullen we ‘kleur moeten bekennen . Dat wil zeggen dat we ons niet laten meesleuren door allerlei wind van leer, maar deze ontmas­keren en weerstaan en de gezonde leer meer en meer praktisch gaan beleven. Een geweldige op­dracht waarbij we als maandblad “Levend Geloof graag behulpzaam willen zijn.

 

Met de stroom mee, of tegen de stroom in door Jan Noë

 

“Levende vissen zwemmen tegen de stroom in, alleen de dode drijven mee”.

Mij werd tegen kersttijd, enige jaren geleden, door een zuster gevraagd of ik mee wilde gaan naar Parijs, om te bidden voor een ken­nis van haar, die ernstig ziek was en in een coma lag. De patiënt lag in een heel oud ziekenhuis en je voelde de duistere machten om je heen. We hebben voor hem gebeden en hem de han­den opgelegd. Helaas is hij kort na onze terugkeer in Holland overleden.

We logeerden in het huis van de zieke en een huis­houdster was onze gastvrouw. In een van de kamers van het huis hing bovenge­noemde tekst en de woorden daarvan troffen mij ten zeerste. De huishoudster, die mijn belangstelling voor de tekst wel zag (we hebben naar ik meen hier­over nog gesproken), heeft mij later deze tekst doen toekomen, waar ik natuur­lijk zeer dankbaar voor was.

Broeders en zusters, hoe waar zijn deze woorden. Bij hoeveel kinderen Gods ontbreekt de kracht en de moed om de strijd aan te binden tegen de duivel en zijn trawanten en daarin te volharden als deze tot de aanval zijn overgegaan door middel van ziekten of door allerlei omstandig­heden. Wat is daar nu de  oorzaak van?

– Gebrek aan geloof en daardoor:

– Het niet wagen om in volkomen overgave te handelen in vertrouwen dat God Zijn Woord en beloften gestand zal doen.

– Het zich niet eigen kun­nen maken dat Jezus over al de machten der duis­ternis heeft gezege­vierd voor ons Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15) en dat wij, als wij in Christus zijn, met en door Hem meer dan overwinnaar zijn en met Paulus kunnen zeggen: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij” Galaten 2 vers 20 (Gal. 02:20).

Ik zal nu eens enige belang­rijke teksten uit het oude- en het nieuwe testament aan­halen ter waarschuwing en bemoediging.

Waarschuwingen

Spreuken 24 vers 10 (Spr. 24:10): “Toont gij u slap ten dage van benauwdheid, dan komt uw kracht in het nauw”.

Job 3 vers 25 (Job. 03:25): “Want, waarvoor ik vrees, dat overvalt Mij en wat ik dacht, dat treft mij”.

Bemoedigingen

Daniël 11 vers 32 (Dan. 11:32): “Maar het volk, dat zijn God kent’ zal sterk zijn en daden doen”.

2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09): “Want des Heren ogen gaan over de ganse aarde, om krachtig bij te staan, hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat”.

Psalm 103 vers 20 (Ps. 103:020): “Looft de Here, gij, zijn engelen, gij krachtige helden, die Zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van Zijn woord”.

Lees vooral ook Jozua 1 vers 1 tot en met 9 (Joz. 01:01-09).

In Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63)zegt Jezus: “De Geest is het die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden die Ik tot u gesproken heb zijn Geest en leven”.

Johannes 16 vers 23 (Joh. 16:23): “In de wereld lijdt gij verdrukking, houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen”.

Broeders en zusters, als ware kinderen Gods zullen wij door zware beproevingen (verdrukkingen) heengaan en hoe dichter bij de Heer, hoe zwaarder deze worden. Het is Gods wil dat wij staan als een rots in de branding, als ware getuigen en medearbeiders van Chris­tus. Als een jongeman opge­roepen wordt voor militaire dienst moet hij een zware training ondergaan om een goed soldaat te worden. Zo is het ook met ons. Als wij goede getuigen van Christus willen zijn, dus bestand tegen alle aanvallen van de machten der duisternis, moeten wij geestelijk ge­traind worden, door beproe­vingen, loutering en tuch­tiging, tot wij het niveau bereiken waar God ons heb­ben wil: het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig.

Petrus zegt in zijn eerste brief, 1 Petrus 4 vers 12 (1 Petr. 04:12): “Geliefden, laat de vuur­gloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame”. En in 1 Petrus 1 vers 6 tot en met 8 (1 Petr. 01:06-08) zegt hij: “Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, in­dien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroefd, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan ver­gankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Chris­tus” .

Lees ook Jacobus 1 en voor­al ook Efeziërs 6 vers 10 tot en met 20 (Ef. 06:10-20): de geeste­lijke wapenrusting, die we hard nodig hebben in de strijd tegen satan en zijn trawanten. Ik wil uw aan­dacht vooral daarom vesti­gen op het volgende:

– Onze strijd is geestelijk, in de hemelse gewesten en wij over­winnen slechts door de kracht van de Heilige Geest.

– Paulus spreekt over worstelen (dat kost dus inspanning) en standhouden

– We hebben het schild des geloofs nodig om de brandende pijlen van satan te doven!

4 – En het zwaard des Geestes, dat is het Woord Gods! “Geen woord dat van God komt, zal krachteloos wezen” Lucas 1 vers 37 (Luc. 01:37).

In Lucas 10 vers 19 (Luc. 10:19) zegt Jezus: “Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand en niets zal u enig kwaad doen”.

Bemoedigend zegt Paulus in 1 Korinthiërs 10 vers 13 (1 Kor. 10:13): “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan, en God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt”.

Filippenzen 4 vers 13 (Filip. 04:13): “Ik vermag alle dingen in Hem (Christus) die mij kracht geeft”. Halleluja

Dat is het dan, broeders en zusters.

Behoren we nu tot de vissen die tegen de stroom inzwemmen, Dus die geloven in en dus ook handelen overeenkomstig Gods woord, of behoren we tot de dode vissen, die met de stroom meedrijven.. .. ?

God zegene u!

 

 

 

Reacties van lezers Door de redactie

 

Naar het volle licht

Zuster E. L. L.-Z, te Enkhuizen zond ons enkele proefadressen. Deze 75 ja­rige zuster is vanuit de Gereformeerde kerk via het Leger des Heils in het vol­le evangelie terechtgekomen (Pinkstergemeente Enkhuizen). In een begeleidend schrijven vertelt zij over haar leven dat vaak erg moeilijk is geweest, maar de Heer liet haar niet in de steek. Zij schrijft o.a.: “Hij is het die mij in nood en dood bijstond in het Jappenkamp met zes kin­deren en nooit heeft Hij mij begeven nog verlaten. (Zuster L. verbleef drie en half jaar in het concentra­tiekamp. Eén van haar kinde­ren is daar overleden -red.) Door de jaren heen heeft de Heer mij gelouterd en veel genade betoond. Wat een liefde en geduld heeft Jezus met Zijn kinderen en toch, in Hem ben ik overwinnaar. Vanmorgen in de vroegte heb ik reeds ervaren hoe groot de Heer is, en andermaal mocht ik weten: Jezus laat nooit alleen, die op Zijn hulpe bouwt. Hij zal het ma­ken, want nu ik weduwe ben, komt er tijd en stilte vrij om in de binnenkamer te vertoeven .

Ik heb vaak krampachtig vast moeten houden het wei­nige wat ik bezat, en ook geen licht had hoe ik moest gaan, maar een koor zegt: ‘Was dat naamloos bitter lijden voor mij, onwaardig en snood; ’k Wil mijn leven Heer U wijden, trouw tot in de dood’.

Met deze woorden verbond ik mij aan de Heer in dienst van het Leger des Heils, dat was in 1930.

Meer dan dertig jaar was ik daar tot de Heer mij uit­leidde. Op ’Beukenstein’ hoorde ik namelijk van de verlossing en bevrijding door de leiding van de Heilige Geest. Dat tracht ik vast te houden. Eén ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Filippenzen 3 vers 14 (Filip. 03:14)”.

Opbouwend

Broeder A. B, v. d. B, te Gorinchem schrijft: “Gaarne zouden wij ons willen abon­neren op “Levend Geloof”. We hebben een proefabonne­ment gehad en vinden uw blad-erg opbouwend”.

TE OVERDREVEN?

Zuster J. d. H. te Roden schrijft: “Hierbij deel ik u mee het blad “Levend Ge­loof” toch liever niet lan­ger te willen ontvangen. Het is mij te overdreven”.

Een heerlijk blad

Zuster E. K. te Hoogezand schrijft: “Ik wil graag een adres opgeven voor een paar als geschenkabonnee. Ik vind “Leven Geloof” een heerlijk blad. We zijn samen op weg en weten dat het een goede weg is”.

In lectuurmap

Zuster A. M. M. G. te Box­meer verspreidt in haar dorp de ’Deodata’-lectuurmap: met evangelische tijdschriften: “De bedoeling van deze verspreiding is, u er op te attenderen, dat, naast dat­gene wat gewoonlijk op de ‘leesmarkt’ verschijnt, er ook nog lectuur is met een diepere zin, met geestelijke waarde(n), met een bood­schap. Een boodschap van hoop voor een wereld in nood. En wel van zo’n groot belang voor de mens indivi­dueel, alsook voor het wel­zijn van de gehele samenle­ving, dat wij ons kosten noch moeiten sparen om er u, als u dat nog niet bent, mee bekend te maken”, zo ligt zij deze actie toe.

Dok “Levend Geloof” is opge­nomen in deze lectuurmap, waarbij zuster G. als toe­lichting vermeldt: “Voor hen, die zich in Gods Woord willen verdiepen, erg leer­zaam” .

Uitstrekken naar de gaven

Zuster A. V. te Leiden schrijft: “Graag wil ik mij abonneren op uw blad “Le­vend Geloof”. Wilt u mij □ok nog het nummer van de gaven van de Geest doen toekomen, want daar wil ik mij ook graag naar uitstrekken”,

Op de markt

Broeder H. S. te Vlissingen bestelde 30 extra exempla­ren van “Levend Geloof” en schreef o.a.: “Wat betreft onze evangelisatie activiteiten in Vlissingen staan we nog eenmaal in de maand met een boekenkraam op de markt, waarop ook uw blad eer; plaatsje vindt. We vin­den dit werk fijn om te doen en kunnen zo regelma­tig mensen bekendmaken met het volle evangelie. Zelf ben ik ook erg blij met de verhelderende artikelen in uw blad, die de geestelijke zaken in de schijnwerpers zetten. Het is namelijk hard nodig voor het volk van God om rechte kennis te verkrijgen van Hem. Ik wens u de rijke zegen van God toe bij uw werk voor Hem”.

De volledige mens

Zuster L. E. L. v. W. te Rotterdam bestelde extra exemplaren van de brochure “De volledige mens” en schreef: “We hebben er veel aan gehad en willen het heel graag voor onze kinde­ren nalaten. Dank aan God en aan u dat wij zo geholpen worden”.

“Levend geloof” in het buitenland

Ook in het buitenland wordt “Levend Geloof” steeds meer bekend en gewaardeerd. En­kele voorbeelden:

Broeder F. I, te Pretoria (Zuid Afrika) bestelde de brochures en gaf zich op als abonnee.

De volle evangelie gemeente te Urk gaf een geschenk- abonnement aan broeder T. W. te Silverton (Zuid Afrika), die daar erg blij mee was.

Broeder L. W te Longuich- Kirsch (West-Duitsland) bedankte voor de brochures en schreef: “We vinden het fijn iedere maand “Levend Geloof” te ontvangen” Hij gaf zes geschenkabonnementen op.

En uit België, waar het aantal abonnees op “Levend Geloof” ook sterk is gegroeid, gaf zuster L. S. – S. te Mortzel tien geschenkabonnementen op. Zij schreef: “Daar ik uw blad werkelijk zeer goed vind, wil ik ook anderen laten meegenieten van zo’n hemel­se spoorslag”.

Het abonnementsgeld be­draagt ook voor het buiten­land ƒ 15,- per jaar. Wie het blad per luchtpost wil ontvangen betaalt extra.

 

Alleen de sintels resten nog…. Door Gert Jan Doornink

 

In het dagblad “Trouw” werd onlangs aandacht geschonken aan de 75e verjaardag van de Friese hervormde dominee Jacob Jestes Kalma uit Leeuwarden. Deze van oor­sprong vrijzinnige predi­kant is in de loop der ja­ren ‘opgeschoven’ in de orthodoxe richting en noemt zich thans een ‘bijbels humanist ‘.

Het blad schrijft: “Zijn kritiek op de tegenwoordige kerk is niet mals. Hij mist de innerlijke bewogenheid van de kerk en staat op het standpunt dat versoberen hard nodig is. ‘De als ze­gen bedoelde welvaartsstaat met een enorme drang naar allerhande gemakken is im­mers in een vloek uitgelo­pen’ . En wat de kerk be­treft: ‘Het vuur is uit, alleen de sintels resteren nog”.

Wat dominee Kalma beweert is natuurlijk allemaal waar, alleen wat is het jammer dat ook deze domi­nee, zoals vele van zijn collega’s, niet het werke­lijke antwoord geeft, ter­wijl dat toch zo duidelijk aanwezig is… . als men tenminste de richtlijnen van de Bijbel in acht wil nemen. En deze richtlijnen voeren terug naar de eerste christengemeente. In Hande­lingen is geen sprake van een gemeente waarvan het vuur gedoofd is, maar van gelovigen die ‘in vuur en vlam’ staan voor de zaak van Koning Jezus. Vol van de Heilige Geest prediken zij de volle verlossing en bevrijding uit satans macht door onvoorwaardelijk geloof in Jezus, de Zoon van de levende God.’

Deze ware gemeente zal ook in deze eindtijd weer ‘num­mer één’ staan in het plan van God’. Het zal een ge­meente zijn die zich niet laat vangen door benamingen als ‘katholiek’, ‘hervormd’ of ‘gereformeerd’ en zelfs niet door namen als ‘pink- steren’ en ‘volle evange­lie’. Maar het zal de échte eindtijdgemeente zijn, waarin de boodschap van het volle evangelie geen theorie meer is, maar ook prak­tische uitwerking heeft.

Deze laatste gemeente zal zelfs meer heerlijkheid openbaren dan de eerste gemeente’. De leden van deze gemeente zijn geen ‘uitge­doofde sintels’ – om de op­merking van dominee Raima nog even aan te halen – maar ‘roodgloeiende kolen’!

Laten we het verlangen heb­ben om tot déze gemeente te behoren. En laten we als ‘levende stenen’ in deze gemeente onze plaats gaan innemen. Dat is alleen mo­gelijk door de ‘geestelijke weg’ van geloof en gehoor­zaamheid te gaan.

Dan gaan we ons ook meer en meer bewust worden wie wij zijn in Christus. Geen doemdenkers of pessimisten. waarvan deze wereld en het naam-christendom zo vol is. Hun denk- en leefpatroon wordt gevoed vanuit de verkeerde voedingsbron: de vorst der duisternis.

Maar als we onze geeste­lijke plaats met Christus in de hemelse gewesten heb­ben ingenomen, weten wij dat wij, als burgers van Gods Koninkrijk, Zijn ver­tegenwoordigers zijn, am­bassadeurs van de levende God, zonen Gods waarin Zijn heerlijkheid ten vol­le tot openbaring gaat komen.’

 

 

Wist u… maar weet u ook… Uit ‘Maeslantsluys’

 

dat ziekte meestal voortkomt uit een geestelijke onbalans?

…. dat verslaving meestal voortkomt uit een geestelijke leegte?

…. dat zelfmoord altijd voortkomt uit geestelijke wanhoop?

…. dat door een levend geloof in Jezus Chris­tus elke geestelijke onbalans in evenwicht komt?

…. dat door dat geloof elke geestelijke leegte volkomen opgevuld wordt?

…. dat door dat geloof elke geestelijke wanhoop volkomen uitgesloten is?

 

(Uit “Licht over Europoort”, uitgave van de
volle evangelie gemeente ‘Maeslantsluys’).

 

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts -2-

De inspectietocht van satan

God roept satan ter verantwoording. Waar heeft hij zich de laatste tijd zoal mee bezig gehouden? Het antwoord luidt: met rondtrekken, rondwandelen over de aarde. Dat rondtrek­ken kan de inhoud hebben van een zwerftocht; dit begrip ‘zwerven’ in samenhang met het woord ‘wandelen’ wekt de indruk dat de satan kennelijk een rustige tijd heeft; hij kan het werk gemakkelijk af; hij ontmoet weinig problemen op aarde. Men is geneigd te denken aan een beeld zoals we dat vinden in Zacharia 1 vers 11 (Zach. 01:11): de gehele aarde verkeert in rust en is volkomen stil. De tegenstander ontmoet weinig tegenstand op aarde.

Als we enkele andere teksten vergelijken waar het woord ‘rondtrekken’ ook voorkomt, dan komt er nog een aspect bij: het kan ook de zin hebben van een inspectietocht. De aarde is immers bezet gebied. En het is nuttig dat men van tijd tot tijd zijn grondgebied inspecteert. Men moet toch weten of er zich geen ongeregeldheden voordoen, of er geen verzetshaarden zijn, kortom, of alles naar wens verloopt. Anders is het immers van belang dat men tijdig kan ingrijpen.

God gaat door met de satan ter verantwoording te roepen. Want deze heeft zich nog maar al te zeer op de vlakte gehouden. Hij zal concreter moeten worden. “Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job?” Job 1 vers 8 (Job 01:08,). Letterlijk staat er: Hebt gij uw hart op hem gezet?

God vraagt aandacht voor Job in de hemelse gewesten. God accepteert het niet dat de boze zomaar stilzwijgend aan Job voorbij zou gaan. In feite ligt de zaak nog dieper: het is zonder meer onmogelijk dat de satan zo iemand zou kunnen negeren.

Job is de mens Gods

Bij Job treedt een geestelijke wet in werking: hier is een mens waar de boze niet omheen kan. De satan kan eenvoudig niet doen alsof Job er niet is. Het kan niet anders: het rijk der duisternis moet geconfronteerd worden met Job. Waarom? Job is de mens Gods.

De duisternis zal oog in oog staan met de mens Gods. Want nu gaat er iets belangrijks gebeuren. God geeft getuigenis aangaande Job. Want niemand is op de aarde gelijk hij. Job wordt hier beschreven als een unieke gestalte. Wat God hier doet, is een principe waar we een ogenblik bij stil moeten staan. We vinden dit beginsel in Hebreeën 11 vers 2 (Heb. 11:02). “Door het geloof is aan de ouden een getuigenis gegeven”, lezen we in het tweede vers. Van Abel wordt gezegd: “hierdoor (namelijk door zijn geloof) werd van hem getuigd, dat hij rechtvaar­dig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hier­door spreekt hij nog, nadat hij gestorven is” Hebreeën 11 vers 4 (Heb. 11:04).

Om welk principe gaat het hier? God getuigt over mensen. God proclameert in de hemelse gewesten: deze mens is rechtvaardig. Dat moet weten iedereen. Zo proclameert God over Job: deze mens is vroom en oprecht, deze man is eenvoudig en rechtuit.

God bevestigt Job

Wat God hier doet, is geen overbodige bezigheid. God gaat op dit moment Job bevestigen ten overstaan van het rijk der duisternis. Dat is een noodzakelijke aangelegenheid. Elk mens heeft het nodig, bevestigd te worden. Je hebt het nodig, te weten wie je bent voor God. Want wat is een mens zonder identiteit?

God wil dat Job er is; God wil dat Job zal zijn die hij is. Daarom wordt de mens Job op dit moment van hogerhand bevestigd. De overheden en machten moeten weten wie Job is.

De overheden zijn immers bedoeld als beschuttende cherubs. Het is hun taak, de rechtvaardige te beschermen. Dan zullen ze ook terdege op de hoogte moeten zijn, wie een rechtvaar­dige is. Daar zullen ze hun hart op moeten zetten. Hebt gij ook uw hart gezet op mijn knecht Job?

Zo zal God getuigen aangaande de gemeente. De mens Job geeft God stof tot spreken in ie hemel. God verklaart dat Hij met deze mens verbonden is. Deze mens, daar sta Ik helemaal achter.

Hetzelfde zien we zich vol­trekken bij de doop van Jezus. De hemelen gaan open en er klinkt een stem uit de hemel: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn wel­behagen heb” Matteüs 3 vers 17 (Matt. 03:17).

Wat gebeurt hier? Hier wordt Jezus bevestigd. De Vader verklaart: deze Mens, daar sta Ik helemaal achter. Jezus, als mens, had deze bevestiging nodig. Alleen van daaruit kon Hij zijn bediening beginnen en tot een goed einde brengen.

 

 

 

 

 

Tweemaal lezen we in dit verband over ‘de aarde’. De satan heeft zich bezig gehouden met rondtrekken op de aarde, en niemand is op aarde zoals Job. De boze beschouwt de aarde als zijn gebied. Het is zijn werkterrein. Dus Job is een indringer. De vorst der duisternis behoort op zijn inspectietocht geen vromen aan te treffen. Job is een verstekeling aan boord van het wereldschip. Job is een indringer in het domein van de slang, maar dan wel een indringer van Godswege.

Waarom? Des Heren is de aarde en haar volheid, zingt de psalmist. De aarde was geschapen gebied: scheppingswerk van God. De aarde was verkocht gebied: verkocht aan de overste der wereld. Maar de aarde is geclaimd-gebied: God eist opnieuw zijn rechten op. En deze aarde zal de heerlijkheid des Heren zien. Deze aarde.

Nu loopt daar één mens. Mens temidden van de mensen. En toch uniek. Hij loopt daar niet zomaar, op aarde. Hij is bruggenhoofd van de Here der heerscharen. Het leven van Job is een strategische zet. Het is een leven met een achter­grond. En die achtergrond is: God herovert de aarde. God neemt zijn schepping terug.

Job wandelt op aarde als stadhouder Gods, als vertegenwoor­diger van een ander rijk. En zo zien we dat de inspectie-tocht, de trektocht van de satan, en het bestaan van de mens Job elkaar kruisen op aarde.

Het bestaan van Job voltrekt zich in wezen in twee ver­diepingen. Zijn leven speelt zich af op aarde, maar ook in de hemel. Maar dat is hij zich niet bewust. Nog niet.

Waarom werd Job aangevallen?

Maar nu komt het probleem. God heeft getuigenis gegeven over Job. De vier kernwoorden uit het openingsvers van het boek hebben opnieuw geklonken: eenvoudig en rechtuit, godvrezend en wijkend van het kwaad.

De satan trekt echter dit getuigenis in twijfel. Is het om niet, dat Job God vreest? Wat is het motief?

Is het om niet? Deze uitdrukking ‘om niet’ speelt een fundamentele rol in de twee eerste hoofdstukken van het boek Job. In hoofdstuk 2 komt deze term namelijk nog een keer voor, om te vertellen dat de satan ‘om niet’ Job heeft verslonden, (vers 3). Deze beide vindplaatsen sluiten op elkaar aan: twee motieven worden hier met elkaar verweven, enerzijds: Job dient God ‘om niet’, het is hem niet te doen om beloning; en anderzijds: Job wordt ‘om niet’ verslonden, dat wil zeggen: zonder reden, zonder oorzaak, hij heeft het nergens aan verdiend dat dit alles hem overkomt.

Hier, in deze twee centrale uitspraken, komen we de diepste gedachte van dit Bijbelboek op het spoor: het gaat hier om de mens die God dient uit zuivere motieven, om niet, en die dan zonder oorzaak door de mangel gehaald

(Ook Jezus werd door satan verzocht.)

 

wordt. Job werd niet aangevallen omdat hij slecht was; hij werd juist het mikpunt van de tegenpartij, omdat hij goed was. Hij was een mens met strategische betekenis. De vijand is wetteloos; hij valt aan zonder reden. Hij begint een proces tegen een mens, ofschoon hij geen enkele rechtsgrond heeft om zich tegen die mens op te beroepen.

Wanneer God een getuigenis geeft aangaande iemand, zal de satan steevast trachten, dit krachteloos te maken. De boze haakt in op de woorden Gods. Dat zien we hier. Dat zien we bij Jezus. Nauwelijks heeft de stem uit de hemel geklonken, of de verzoeker staat voor de deur. En wat zegt hij? Indien Gij Gods Zoon zijt. Hij haakt in op wat de Vader in de hemel verklaard heeft: deze is mijn Zoon.

Satan wil alles aantasten

Nu komt de hinderaar tot de kern van zijn betoog: “Strek daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit…” Job 1 vers 11 (Job 01:11). Hier openbaart de boze zijn gedachten. Alles aantasten, dat is zijn program. En daar wil hij dan ook nog God bij inschakelen. Hij verlangt dat God gemene zaak zal gaan maken met hem. Samenspannen tegen Job.

Maar wat doet de Here? Strekt Hij zijn hand uit om Job aan te tasten? Uit het vervolg komt duidelijk tot uiting: geenszins. God verleent geen medewerking aan de plannen van de duisternis, ook geen lijdelijke meewerking.

Want nu moeten we eens nauwkeurig aandacht geven aan het antwoord van God. Het NBG vertaalt dit als volgt: “En de Here zeide tot satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken” (Job 01:12). Hieraan wordt dan veelal de conclusie verbon­den: God doet het kwaad niet, maar Hij laat het toe. Ogenschijnlijk heeft deze opvatting voordelen. Het kwaad wordt immers op die manier niet aan God toegeschreven.

Laat God het kwade toe?

Bij nader inzien kleven er echter wel enkele bezwaren aan. Want wat betekent dat: God laat het toe? Het kan toch niet inhouden dat God onverschillig is, zo in de trant van: laat ze hun gang maar gaan, laat ze maar wat aanrommelen daar beneden, het is ver hier vandaan. Dat zou absoluut in strijd zijn met Gods karakter. God is niet onverschillig; vele malen horen we over ‘de ijver van de Here der heer­scharen’, over de strijdlust die Hij doet ontbranden.

Soms komt men de gedachte tegen: God doet het kwaad niet zelf; Hij laat het doen. Hij besteedt het uit. Hij heeft daar zo zijn personeel voor. Anderen knappen het vuile werk voor Hem op. Ook deze denkwijze is natuurlijk volstrekt niet te rijmen met het wezen Gods. God is niet iemand die zijn verantwoordelijkheid afschuift. God staat voor zijn daden. Hij zal nooit een ander laten doen waar Hij zelf voor terugdeinst.

De reformatorische visie over Gods toelating

Wie over toelating spreekt, dient zich wel goed te realiseren waar hij het over heeft. De reformatorische traditie heeft getracht dit punt vanuit haar visie te doordenken en zij heeft het als volgt geformuleerd: Er is een toelatende wil van God. God laat het boze geschieden dat Hij tot openbaring van zijn heerlijkheid wil laten geschieden. De toelating is dus geen onverschilligheid, maar een positieve actie van Gods wil. Hierdoor wil God toelaten wat Hij noch bewerkt noch uitvoert of kan uit­voeren, bijvoorbeeld de zonde. God kan immers de zonde niet willen noch daartoe besluiten. De toelating is dus, nog steeds volgens de reformatorische denkers, niet zoals een mens die een zonsverduistering toelaat, die hij niet wil noch niet wil. De mens is in dat geval neutraal; het zal hem een zorg zijn of er al of niet een zonsverduistering komt; hij laat de zaak gewoon op zijn beloop; als het gebeurt, vindt hij het goed; gebeurt het niet, dan is het hem ook goed.

Neen, de toelating Gods, zo wordt gezegd, is krachtdadig, doeltreffend, en heeft uitwerking; zij is machtig, invloed­rijk, en geenszins van Gods wil gescheiden. Een passieve toelating, die van de wil van God gescheiden zou zijn, is in strijd met Gods almachtige voorzienigheid.

Ondenkbaar is dat: dat God als het ware een God in ruste zou zijn, een God die passief, berustend toeziet, hoe alles reilt en zeilt.

Onder toelating kan men dus niet verstaan een soort slor­dige douanecontrole, waarbij allerlei duistere figuren maar oogluikend worden binnen gelaten. Een douanebeambte met een royaal armgebaar: Gaat u gang, passeert u maar.

 

 

Een hedendaags schrijver komt tot de volgende positie: ‘We aanvaarden dat God is de almachtige God en dat er niets gebeurt buiten zijn kennis of buiten zijn wil. We moeten God prijzen voor het brengen van kwaad in ons leven. God is verantwoor­delijk voor elke storm, aardbeving, tornado of orkaan, elke oorlog, hongersnood, pestepidemie, elke geboorte of dood, elke bloem in het veld, elke mus, elke haaf op ons hoofd. God is verantwoordelijk voor alle$’ wat gebeurd. God liet de Chaldeeën niet alleen maar toe, God verwekte hen, Hij deed hen opstaan’. Hoe staat het dan met Napoleon, met Hitler? En met de communistische legers van Rusland en China? Willen we God ervoor danken dat Hij ze verwekt?

Aan de hand van de tekst: “Mijn gedachten zijn niet uw gedachten”, wordt dan gesteld: Dit plan van Mij is niet wat u ten uitvoer zou brengen. Als ik God was, zou ik geen aardbeving zenden naar Peru, of dat kleine meisje laten sterven aan leukemie, ik zou niet toelaten dat handelaars in heroïne kinderen zouden verleiden. Maar we moeten Gods hand zien in elke situatie.

De conclusie die we uit deze overwegingen kunnen trekken, is: wat God toelaat, dat wil Hij ook. Men kan dus in feite niet zeggen: er zijn dingen die God niet wil maar wel toe­laat. Aldus de klassieke reformatorische positie; de daarna genoemde moderne auteur zou men kunnen beschouwen als een extreme uitloper van dit standpunt.

Er kan dus geen sprake zijn van een passieve toelating, alleen van een actieve toelating. Dit dient men zich wel bewust te zijn, voordat men klakkeloos gaat spreken over: God laat het toe. Maar is deze gedachte in overeenstemming met Gods karakter?

God wil het goede voor de mens

Laten we eerst eens terugkeren naar de tekst van het boek Job, die we geciteerd hadden. Nu staat daar in het NBG één woord dat in de Hebreeuwse tekst ontbreekt. Het NBG ver­taalt: “al wat hij bezit, zij in uw macht”; de letterlijke tekst luidt: al wat hij bezit, in uw macht (eigenlijk: in uw hand). Het woord ‘zij’ ontbreekt. Met deze invoeging heeft het NBG een bepaalde keuze gemaakt, een richting aangegeven voor de interpretatie van het vers. Want ‘zij’ is aanvoegende wijs: dat wil zeggen: het kan een wens aanduiden, een aansporing en dergelijke.

Maar spreekt God hier een wens uit? Wenst God dat Job in handen van de duivel komt? Dat is ondenkbaar. God gunt de boze geen prooi. God wil het goede voor de mens.

Kan het dan een aansporing zijn? Een toestemming misschien?

God verklaart zich niet akkoord met de werken van de verderver. “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, dat Hij de werken van de duivel verbreken zou”(l Joh.3:8). Zo open­baarde de Zoon het wezen van de Vader. Hij distantieert zich van de plannen van de duisternis, Hij zal nooit de boze gaan aanmoedigen. De satan heeft al supporters genoeg. Bij God krijgt hij geen voet aan de grond. God bewoont immers een ontoegankelijk licht; daar komen de ideeën van de duivel niet binnen.

Satan is nog de overste van de wereld

Er is een joodse vertaling die de tekst als volgt weer­geeft: Al het zijne is in uw hand. Deze overzetting is beter; op deze manier wordt er niet een gedachte in de tekst ingedragen. Als het Hebreeuws in een bepaald vers geen werkwoordsvorm heeft, is dit het meest voor de hand liggend, de meest neutrale vorm, ‘is’, te hanteren in de weergave.

Al het zijne is in uw hand. Dat is geen wens, dat is geen toestemming, dit is niets anders dan het vaststellen van een feit.

Het is immers een feit, dat, zeker in de tijd van het oude verbond, de satan overste van de wereld was. De zichtbare wereld was aan hem verkocht. De mens was zijn heerschappij kwijt geraakt. Hetzelfde feit vinden we terug als Jezus verzocht wordt in de woestijn. Dan toont de boze Hem al de koninkrijken der wereld en hij zegt: “U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij over­gegeven, en ik geef haar wie ik wil” Lucas 4 vers 6 (Luc. 04:06).

Ook daar stelt de duivel een feit vast. En Jezus trekt in zijn antwoord dat feit niet in twijfel; Hij zegt niet: die koninkrijken zijn helemaal niet van jou. Hij weet dat Hij te maken heeft met een reële bezetter, en Hij is juist gekomen om de hele schepping terug te winnen.

De macht van satan is beperkt en tijdelijk

De boze kon de koninkrijken aan Jezus geven; hij kon ze van Job afnemen. Maar er was een grens. Het zichtbare is tijdelijk en daar kan de overste van deze wereld, de god van deze eeuw, zijn tijdelijke macht over laten gelden. Maar het onzichtbare is eeuwig, dat behoort aan de Eeuwige, daar heeft satan geen macht. De boze kon het bezit van Job aantasten, maar niet zijn geest. Zoals Victor Frankl gezegd heeft: De boze heeft alleen vat op wat de mens heeft, niet op wat hij is.

We komen dus tot de slotsom: God laat niet toe; God stelt alleen een feit vast. De vraag is echter: als er geen sprake kan zijn van een toelating Gods, hoe moeten we het lijden van Job dan wel bezien? Op deze vraag hopen we in het volgende artikel nader in te gaan.

 

De liefde Gods (gedicht) door Piet Snaphaan

De liefde is uit God, zij kent geen falen

De waarheid is het, die haar steeds verblijdt

Zij kent geen haat, en zal ook nimmer pralen

Zij is het die nooit iemand iets verwijt.

 

De liefde Gods kan alles steeds verdragen

Zij is lankmoedig en spontaan

Zij doet ons altijd in haar liefde schragen

Is nooit verbitterd, steeds met ons begaan.

 

De liefde Gods is nimmer opgeblazen

Die liefde is ons aller doel

Zij zoekt ook nooit zichzelve te behagen

En zij kwetst nimmer ons gevoel.

 

De liefde Gods is ook in ons verwekt

Zij leert ons zo te wandelen in zijn wegen

De liefde Gods die alles steeds bedekt

Zij hoopt, gelooft, en is voor ons tot zegen.

 

Geloof en hoop, maar ’t meeste is de liefde

Zij is het toch die ons dat leert verstaan

Die liefde is ’t die nimmer iemand griefde

Die liefde, zij zal nimmer meer vergaan.

 

Eerlijk zullen we alles delen door H. J. Scholten

“Dit land nu zult gij onder u verdelen naar de stammen Israëls” Ezechiël 47 vers 21 (Ez. 47:21) .

Waarmee was Ezechiël in zijn geest bezig?

Wie zich met het Bijbelboek Ezechiël bezighoudt, zal bemerken hoe moeilijk één en ander geestelijk te ver­staan is. Vooral de hoofd­stukken over de hernieuwde tempelbouw. Wil men deze in de zichtbare wereld tot stand zien komen, die moet wel rekenen op het meest bizarre bouwwerk, dat ooit tot stand is gekomen.

In ieder geval bedoelt Eze­chiël geen letterlijke bouw in de zichtbare wereld, maar hij heeft iets anders op het oog en wel het Isra­ël Gods, dus de nieuwtestamentische gemeente van Jezus Christus.

Het is alles tijdens de bal­lingschap in Babel profe­tisch weergegeven en ook deze profetie over de verde­ling van het land is nooit in vervulling gegaan zoals Ezechiël het doorgeeft.

Het land moest in twaalf rechthoeken verdeeld worden, het ene deel mocht niet gro­ter zijn dan het andere deel. Het lijkt als het ware op een vlag, waarop gelijke banen in kleuren zijn weer­gegeven. Het is onmogelijk op letterlijke wijze een land zodanig te verdelen.

Het was ook niet Gods bedoe­ling en de profeet Ezechiël mag zijn blikken richten op de toekomst, op het geeste­lijke Israël van de nieuwe bedeling. Het volk Gods van het nieuwe verbond. Opnieuw wordt duidelijk hoe de pro­feten van het oude verbond hebben geprofeteerd van de voor de gemeente bestemde genade en dat zij van Gods-» wege hebben gesproken 1 Petrus 1 vers 12 (1 Petr. 01:12).

Ezechiël was in zijn geest bezig met het Land van het Koninkrijk Gods. Een wonder­lijke verdeling. Er wordt in het geheel geen rekening ge­houden met de grootte van elke stam afzonderlijk. Al­len krijgen evenveel land of grond toegewezen. God maakt geen stiefkinderen. Het kleine stammetje Benjamin krijgt evenveel grond als de grotere stam Juda.

Wat kunnen wij hier uit le­ren? Allereerst dat God een God is zonder aanzien van de persoon (of stam). God is ten opzichte van Zijn kinde­ren niet partijdig. In deze verdeling zien wij de nieuw­testamentische woorden be­waarheid: “Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” Kolossenzen 2 vers 3 (Kol. 02:03).

Wij zijn mede-erfgenamen van Gods beloften

Een ieder, die Christus met een oprecht hart toebehoort, is mede-erfgenaam van alle beloften Gods en wordt niet met een kleiner deel wegge­zonden. Het gaat er dus om of wij bekeerd en wedergebo­ren zijn en daardoor deel hebben gekregen aan het Koninkrijk Gods en aan het land van dit Koninkrijk. Eenmaal zei Jezus tegen Pilatus: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld”. Het is een geestelijk Koninkrijk en de verdeling is ook geestelijk.

Belangrijk is dus om de Koning van dat rijk persoon­lijk te kennen, om vervolgens deel te krijgen aan Zijn rijkdommen en schatten. Jezus zal voorop moeten staan in ons gehele leven, dan weten wij dat alle schatten ons zullen volgen. Vele mensen begeren rijkdom­men en ze zouden deze het liefst op gemakkelijke wijze in bezit krijgen. Zo vergaat het vaak ook vele christe­nen. Ze willen wel graag be­houden worden en in de hemel komen, maar het liefst op gemakkelijke wijze. Een echt overgegeven leven aan Jezus Christus schrikt velen af; in alles de minste zijn, daar wil men niet aan. Kruis dragen schrikt velen af. Wel graag de schatten van het Koninkrijk, maar je niet zoveel gelegen laten liggen aan de Koning zelf. Het moet niet teveel overga­ve kosten….

Over vrucht dragen tot ver­heerlijking van God, daar kan wel dikwijls mooi over gesproken worden, maar in werkelijkheid zie je vaak

 

niet veel vrucht. Daarom is het zo nodig om met Gods Geest vervuld te worden en steeds weer opnieuw. Heel persoonlijk. Men komt er niet door te zeggen: de Geest is in de kerk uitge­stort. De ‘kerk’ wordt ge­vormd door mensen, die er ’tussenuit’ getrokken zijn. Overgebracht in het Konink­rijk van de Zoon der liefde.

Godsdienstig zijn en een overtuiging hebben krachtens natuurlijke geboorte en kinderbesprenkeling doen geen deel krijgen aan de schatten en rijkdommen van Christus. De één zegt: ik ben katho­liek, de ander zegt: ik ben gereformeerd, of hervormd, of weer iets anders. Alle­maal mensen met een overtui­ging krachtens geboorte en opvoeding.

Maar hebben wij een overtui­ging krachtens wedergeboorte door de Heilige Geest? Door overtuiging krachtens na­tuurlijke geboorte zijn heel wat kerken ontstaan, en men is er lid van krachtens besprenkeling. Velen leven op de betoverde grond van al­lerlei dogmatische verbonds- beschouwingen.

Zoals eenmaal Paulus aan de twaalf mannen in Efeze de vraag stelde: “Hebt gij de Heilige Geest ontvangen toen gij tot geloof kwam?”, zo moeten wij allen hier een duidelijk antwoord op kunnen geven.

Alleen Gods kinderen ontvangen een erfdeel

God wil Zijn kinderen een erfdeel geven. Allemaal evenveel. Maar alleen aan Zijn kinderen. Paulus schrijft in Romeinen 8 vers 9 (Rom. 08:09): “Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe”. Wie echt Jezus Chris­tus toebehoort met een toe­gewijd, gelovig hart, mag rekenen op zijn erfdeel. “Daar zult gij hem zijn erf­deel geven, luidt het woord des Heren” Ezechiël 47 vers 23 (Ez. 47:23).

Een eeuwig erfdeel, hallelu­ja! Het zijn allen die be­kend zijn met het woord uit Johannes 1 vers 12 en 13 (Joh. 01:12-13): “Doch allen, die Hem aange­nomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn”.

Zonder de inwoning van de Heilige Geest zullen we ons niet zo beijveren om ons erfdeel in bezit te krijgen. Vele christenen gedragen zich als Ezau. Hij stelde door vleselijke gezindheid niet zoveel prijs op het eerstgeboorterecht en zijn tranen kwamen te laat.

Laat daarom een voortdurend gebed ons geloofsleven be­heersen: “Uw goede Geest bestier’ mijn schreden en leid’ mij in een effen land”.

Om daar het volle erfdeel in bezit te nemen, hallelu­ja!

 

(Ingezonden mededeling)

18 jarige student uit volle evangelie gezin gaat in september a.s. studeren in Enschede. Hij stelt het zeer op prijs in een posi­tief christelijk gezin op­genomen te worden, waar gelegenheid tot studeren aanwezig is. Tijdens de weekenden naar huis.

Wie hierop wil reageren wordt verzocht contact op te nemen met:

de heer K. Hoefnagel, Urk tel. 05277-1345.

 

 

 

Volwassenheid door Kees Corver Portugalzending

“Eén van de dingen die we in de afgelopen garen hebben ge­leerd is dat één van de eigenschappen die God van ons vraagt te tonen, is, ‘flexibiliteit’.

Voor de komst van de Heer moet er nog heel wat gebeuren. Eigenlijk zijn er twee zaken waarvan de Bijbel expliciet zegt dat zij vooraf zullen gaan aan de komst van Christus. Eén is de prediking van het evangelie van het Koninkrijk Gods over de gehele aarde, Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14), dit is dat evangelie dat Gods kracht en heerlijkheid ten volle openbaart, een ‘volwassen’ evangelie) en het andere is de volwassen­heid van het volk Gods (Het zaad, dit is Christus zal vrucht dragen, opbrengen naar zijn aard, dat wil zeggen onze volwassenheid zal die graad bereiken waarin wij Hem gelijk zullen zijn, Jakobus 5 vers 7 en 8 en 1 Johannes 3 vers 2 en 3 (Jak. 05:07-08 en 1 Joh. 03:02-03).

Het is logisch dat beide zaken hand in hand zullen gaan. Hoe meer we Hem gelijk zullen zijn, des te meer zullen wij een evangelie kunnen prediken dat aan het zijne gelijk is, zowel in woord als in daad!”

(Zendeling Cees Korver in het contact- orgaan van de ‘Portugal Zending’).