Levend Geloof – 227

Levend geloof 1982.06 nr. 227

Kennen wij de stem van God? Door Gert Jan Doornink

Een belangrijk instrument

Onze stem is één van de belangrijkste instrumenten die wij als mens bezitten om met elkaar te kunnen omgaan. Door het gebruik van onze stem brengen we onze gedachten tot uiting, zodat de medemens ons begrijpen kan. We zouden kunnen zeggen: het maakt de wereld leefbaar, want het leven in deze wereld zou ondenkbaar zijn als we niet met elkaar konden spreken.

Dit spreken hangt ten nauwste samen met het ho­ren. Iemand die doofstom is, is zwaar gehandi­capt. Doordat hij niet kan horen, kan hij zijn eigen stem niet controleren. Gelukkig doet de moderne medische wetenschap er alles aan om de doofstommen te helpen, zodat ook zij op normale wijze in de maatschappij kunnen functioneren.

Het gebruik van onze stem is dus ondenkbaar zonder het gebruik van ons gehoor. En als we dit nu ‘geestelijk gaan vertalen’ zouden we kunnen zeggen: Wie geestelijk doof is, kan de woorden Gods niet spreken. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen des Geestes. Paulus zegt in 1 Korinthiërs 2 vers 14 (1 Kor. 02:14): “Een ongeeste­lijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is”.

Alle mensen die niet wedergeboren zijn, leven in satans macht en dat is uiteraard ook merkbaar wat hun spreken en horen betreft. In deze eind­tijd, nu de scheiding der geesten in volle gang is, bemerken we dit ook aan het taalgebruik van de mens. Bij hen die Christus niet kennen neemt de taalverruwing hand over hand toe en het “wie vuil is, hij worde nog vuiler” uit Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11), wordt ook in dit opzicht hoe langer hoe meer werkelijkheid.

Alleen wanneer we andere mensen zijn geworden, doordat we Christus hebben aanvaard, kunnen we Gods stem verstaan en spreken we Zijn woorden. Dan zingen we: “Hij gaf een nieuw lied mij in de mond”. Ons leven is totaal vernieuwd en dit komt ook tot uitdrukking in de woorden die wij spreken. Dan zijn we ook bruikbare instrumenten in Gods hand geworden.

Satan haat iedere communicatie met God

Maar is het werkelijk reeds zo in uw en mijn leven dat ons spreken, geestelijk gesproken, feilloos is? Struikelen we nooit eens meer met onze tong….? Mijn antwoord is: het behoort wel zo te zijn, maar in de praktijk blijkt dat er nog wel het één en ander – en soms zelfs heel veel – aan ontbreekt. Hoe komt dat? Wij willen een aantal oorzaken onder ogen zien, zo­dat de begaafdheid om Gods stem te kunnen ver­staan ontwikkeld wordt en niet langer belemmerd wordt. Ook in dit opzicht zullen we ons moeten richten op het volkomene.

We zullen er in de eerste plaats rekening mee moeten houden dat satan iedere communicatie die wij met God hebben, haat. Hij probeert ons af te remmen en te verhinderen dat we tijd nemen voor gebed en Bijbellezen. Of Hij zegt: Het wer­kelijk verstaan van Gods stem is een onmogelijke zaak, de Bijbel is een moeilijk boek en God is een mysterie en kun je toch niet zien. Wat dit laatste betreft: Gods Woord zelf ontmaskert deze leugen. Er staat in Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18) weliswaar dat niemand ooit God heeft gezien, maar dan staat er geen punt maar een komma! Wat staat er namelijk nog meer? “De enig geboren zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen”. God heeft zich geopenbaard in Zijn Zoon. Jezus openbaarde de wil en de bedoeling van God. 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08) zegt: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”.

De mens is geschapen naar het beeld van God en hoort dus van oorsprong bij God. Paulus zegt: “Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij”. Handelingen 1 vers 28 (Hand. 01:28). Wij zijn van Gods geslacht.

Nu weten wij dat satan er in geslaagd is schei­ding teweeg te brengen tussen de mens en God, maar deze scheiding werd teniet gedaan doordat God Zijn Zoon naar deze wereld zond. Door te ge­loven in het volbrachte werk van Jezus kan de mens weer gemeenschap hebben met God. Gemeen­schap die er oorspronkelijk ook was.

Deze gemeenschap met God is geen goedkope zaak. Jezus betaalde er een dure prijs voor. En als wij, omdat wij kinderen Gods zijn, weten dat wij geroepen zijn om in Zijn gemeenschap te leven, zullen wij er ook alles aan doen om die gemeen­schap zo volkomen mogelijk te maken. Een ander woord voor gemeenschap is verbinding. Door ge­loof in Christus weten wij dat de verbinding is hersteld, maar zorgen wij er voor door een dagelijks geloofsleven te openbaren dat deze verbin­ding goed is en steeds hechter wordt? Zoals in een goed gezin een hechte gemeenschap is, be­hoort dit ook in het gezin van God te zijn. Al­leen door te leven in volkomen gemeenschap met Jezus Christus leren we Zijn stem verstaan en doen we die dingen die Hij van ons vraagt.

De grote God en de kleine mens.

Een ander wapen dat satan hanteert om het de mens te bemoeilijken dat hij Gods stem kan ver­staan is de gedachte dat God op grote afstand zou zijn, ver boven ons verheven. Eén van zijn meest geliefde théma’s is: ‘de grote God en de kleine mens’. Maar deze leugen wordt reeds door David in het oude verbond, toen nog veel van Gods heerlijkheid verborgen was, ontmaskerd. David beantwoordt de vraag die hijzelf stelt: “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat gij naar hem omziet” met: “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond” Psalm 8 vers 5 en 6 (Ps. 008:005-006) .

God wil zich één maken met ons. Zijn Zoon heeft zich ‘geïdentificeerd’ met ons. Hij is niet op afstand gebleven, maar naast ons komen staan, ja in ons komen wonen. In Christus woont al de vol­heid der godheid lichamelijk, en wij hebben de volheid verkregen in Hem Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09).

Als deze zekerheid ons leven gaat beheersen, worden we ook wat voorzichtiger met het gebruik van allerlei Bijbelteksten die de afstand tus­sen ons en God suggereren. Bijvoorbeeld Jesaja 55 vers 8 en 9 (Jes. 55:08-09) waar staat: “Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zo­als de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten”. Zie je wel, zeggen velen dat Gods gedachten en wegen altijd anders zijn dan de onze. Men vergeet dan echter dat het hier gaat om een oproep aan mensen die niet in Zijn gemeenschap leven. Jesaja 55 vers 7 (Jes. 55:07) zegt: “De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here”. Iemand die leeft buiten de gemeenschap met God, kan nooit Gods gedachten leren kennen. Maar kinderen Gods, die de weg van geloof en ge­hoorzaamheid bewandelen, zullen meer en meer ‘ingroeien’ in Gods gedachten en wegen. En dat is Gods wil, zeker voor de eindtijdgemeente.

Geestelijke groei is belangrijk

Wat satan ook altijd zal proberen is te beletten dat we geestelijk groeien. En wie niet geeste­lijk groeit blijft een onvolwassene in het ge­loof en is machteloos in het Koninkrijk Gods. Hij blijft aan de kant staan en kan Gods stem niet verstaan. Daardoor is hij onvruchtbaar in dienst van God.

De afremming van de geestelijke groei wordt vaak veroorzaakt doordat men weigert gebondenheden af te leggen of zich te laten bevrijden. Dat kunnen zowel ‘natuurlijke’ als ‘geestelijke’ gebonden­heden zijn. Iemand die gebonden is door allerlei werken der duisternis zal deze af moeten leggen, maar ook iemand die vasthoudt aan allerlei aardsgerichte leringen. Het één is vaak verweven met het ander.

Groei staat ook ten nauwste verbonden met voe­ding. Dat geldt in natuurlijk maar ook in gees­telijk opzicht. In dit verband is het erg be­langrijk er goed van doordrongen te zijn dat de boodschap van het Koninkrijk Gods de enige boodschap is die in overeenstemming is met Gods wil. Ook Jezus en de apostelen brachten deze boodschap. Waarom zouden wij een andere weg inslaan? Waarom een ‘halfvol’ in plaats van een ‘vol’ evangelie? Waarom water in de wijn ge­daan, met het gevolg dat wij een krachteloos evangelie overhouden?

We moeten er alles aan doen om geestelijk te groeien. En dat is alleen mogelijk door de geestelijke weg te gaan, in gehoorzaamheid en volharding. Niet zien op de omstandigheden. Geen verwachting hebben van vlees en bloed. Die kunnen het Koninkrijk Gods trouwens niet beër­ven. Maar: zien op Jezus, Hem vertrouwen. Luis­teren naar Zijn stem, die naarmate onze gemeen­schap met Hem volkomen wordt, wij ook duidelij­ker verstaan. Wij mogen groeien in kennis en inzicht en zullen ook daardoor meer en meer Gods stem leren verstaan.

Hoe wil God tot ons spreken?

God wil tot ons spreken door Zijn Woord en Geest. Dat gebeurt op verschillende wijze. Het kan zijn in de ‘stille tijd’ die wij houden, maar ook gewoon op ons werk. Ook in de samenkomst, als wij als gemeente bij elkaar zijn, wil God zich aan ons openbaren door middel van profetie, tongen­taai met uitleg, gezichten, openbaringen, etc. Natuurlijk moeten we alles toetsen en wat niet goed is terzijde leggen. Maar iemand die het op­rechte verlangen heeft om in gemeenschap met God te leven, leert ook meer en meer verstaan wat van God afkomstig is en wat uit de verkeerde bron wegkomt.

Als eindtijdchristen kunnen we alleen in het plan van God functioneren als wij in een ‘open communicatie’ met Hem leven. Dat wil zeggen: wij mogen met alles tot Hem gaan, wij mogen Hem al­les vertellen. En Hij wil zich ten volle aan ons openbaren en spreekt op duidelijke wijze tot ons door Zijn Woord en Geest. Wat een blijdschap en zekerheid te weten dat God ons in Zijn gemeen­schap heeft opgenomen en wij hand in hand met Hem mogen wandelen.

In de begintijd van de mensheid was dat ook zo. Het was een vanzelfsprekende zaak dat de mens sprak met God en God met de mens. Maar toen sa­tan roet in het eten gooide, was de eerste reactie dat de mens zich verborg voor God Genesis 3 vers 8 (Gen. 03:08). De eerste mens faalde, maar de laatste mens zal niet falen! Christus, de eersteling onder vele broederen, is ons voorgegaan en wij mogen in Zijn voetstappen wandelen.

Uit de groeiende gemeenschap met Hem zal ook ons getuigenis in deze wereld effect hebben, dat be­tekent dat het beeld van Jezus in ons ten volle tot openbaring zal komen. Omdat we Zijn stem verstaan en gehoorzaam zijn aan Zijn stem, wordt ons leven meer en meer een leven tot eer en ver­heerlijking van God!

 

Deelgenoten van de hemelse roeping door Jan W. Companjen

 

“Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt.

Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel en einden der aarde tot uw bezit” Psalm 2 vers 7 en 8 (Ps. 002:007-008).

“Want Ik leef en gij zult leven. Ten dien dage zult gij weten dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u” Johannes 14 vers 20 (Joh.14:20).

God openbaarde Zich in Christus

De Bijbel, zoals die in zijn geheel tot ons komt, wordt ons steeds duidelijker geopenbaard. Nu en in de toekomst zullen wij steeds meer gaan ervaren dat het de gehele geschiedenis van God met deze wereld omvat. Wat aan Israël werd beloofd heeft in Christus zijn be­slag gekregen. In Hem heeft God zich naar deze wereld toegekeerd en zich geopen­baard zoals Hij werkelijk is: het Licht der wereld.

De christelijke feestdagen, zoals wij die jaarlijks herdenken, liggen weer ach­ter ons. De volgorde: kerstfeest, goede vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag en pinksteren is een stijgende lijn met een steeds diepere betekenis, die ons inner­lijk steeds meer en dieper raakt.

Bij de schepping van alles wat is en leeft, sprak God en het was er. Zijn Woord heeft scheppende, helende en herstellende kracht. Zo sprak de engel Gabriël tot Maria en God toonde Zijn macht als Schepper op bij­zondere wijze door het kind Jezus tot leven te roepen als het vlees geworden Woord. God zelf verwekte Hem om met de wereld tot een nieuw begin te komen. Een nieuw volk van God dat niet meer door afstamming, maar langs een geheel nieuwe weg tot een nieuw verbondsvolk wordt geformeerd.

Het eerste geweldige feit is dat er maar één weg is tot inlijving. Dat is binnengaan door de enge poort Matteüs 7 vers 13 en Lucas 13 vers 24  (Matt. 07:13 en Luc. 13:24). Jezus is de Poort, de Weg, de Waar­heid en het Leven. Hij is alles wat wij nodig hebben, maar de weg naar Hem, de toegang, de poort, is eng, dat wil zeggen smal. Een ieder zal daar persoonlijk door moeten gaan. Bewust en op een leeftijd dat men tot ‘erkentenis der waarheid’ is gekomen dat de mens het of­fer Gods nodig heeft tot vergeving der zonden en tot opstanding tot een nieuw leven.

De roeping van jezus is ook onze roeping

Dat nieuwe verbond in het volbrachte werk van Christus wordt niet meer gekenmerkt door de wet, maar door de gave van de Heilige Geest. In dat nieuwe huis van God zijn vele woningen, een ieder vindt er plaats, jood en heiden, man en vrouw, rijk en arm en ieder ras.

Mozes bouwde op Gods gezag een huis dat steunde op wet en gezag dat de mens van buitenaf werd opgelegd.

Door overtreding van deze uiterlijke wetten werd Jezus door het godsdiensti­ge jodendom veroordeeld. Hij overtrad de wetten van Mozes, Hij genas zieken op zondag (op de sabbat.) en hield zich niet aan uiter­lijke reinigingswetten.

Jezus, als Bouwmeester van het nieuwe huis Gods, de gemeente als lichaam van Christus, heeft een veel hogere opdracht. Hij heeft ons door de Heilige Geest die in ons werkt, mede een plaats bereid in de hemelse gewesten. Hij heeft ons deelgenoten gemaakt van een hemelse roeping. Een roe­ping waarvan ons boven­staande tekstgedeelten spreken. De roeping van Christus voor deze wereld, is onze roeping. Zijn toe­komst is onze toekomst, Zijn leven is ons leven.

Het nieuwe verbond maakt door Zijn Geest, die in ons werkt als wij pinksteren hebben beleefd en ervaren, ons tot nieuwe scheppingen die weten dat Jezus in de Vader is en dat wij in Hem zijn. Dat is de werkelijke éénheid die ons Gods wetten in het hart en in het ver­stand legt Hebreeën 8 vers 8 tot en met 13 (Heb. 08:08-13).

Daarom, heilige broeders en zusters van deze hemelse roeping, richt uw oog alleen op de Apostel en Hogepries­ter van onze belijdenis, Jezus, die getrouw is jegens Hem en die Hem heeft aange­steld. Ik leg zo nadrukke­lijk de vinger op deze be­lijdenis betreffende onze Leidsman omdat wij getrouw Zijn weg moeten gaan. Zijn Huis zijn wij indien wij ons onwrikbaar aan Jezus (dé be­lijdenis Gods) vasthouden. Er zijn helaas nog zeer veel mensen die door gebrek aan kennis niet de weg gaan zo­als die door Jezus geopen­baard is. Zij gebruiken bouwstenen, beter kan gezegd worden elementen van het ge­bouw van Mozes, bij de bouw van het hemelse huis Gods waarvan Jezus de hoeksteen en bouwmeester is.

Het huis van God moet afgestemd zijn op Jezus

Blijkens ons Schriftwoord uit Psalm 2 werd Jezus als Zoon van God aangesteld, dat wil zeggen Hij moest in plaats van God over het volk Gods regeren. God de Vader heeft Hem alles in handen gelegd tot aan de volein­ding. Het huis Gods zal daarom geheel in die weg des Heren moeten gaan en geeste­lijk op Hem afgesteld moeten worden zonder daarbij door iets afgeleid te worden dat niet van de Geest maar van het vlees is. Dé toekomst is van de Heer en wij mogen dan ook verzekerd zijn dat alles wat nu nog tot ver­deeldheid en verkettering leidt, zal ophouden te be­staan zodra wij gaan ont­dekken dat Jezus en Hij al­leen Heer van Zijn Huis, de gemeente is. Vooral in de kerk, in de gemeente, of hoe men het ook noemt, zit­ten nog veel oude bouwstof­fen uit het huis van Mozes. Wij zijn als gelovigen, die door één Geest tot één lichaam zijn gedoopt, aan elkaar gegeven om elkaar tot steun te zijn. Om blij te zijn met elkaar om alles wat de Heer ons in en mét elkaar geschonken heeft.

Als wij zo elkaar zien als een geschenk van de Heer dan zal ook de liefde Gods op bovennatuurlijke wijze gaan functioneren. Dan zal elk geweld, zowel lichame­lijk als geestelijke ge­weld, niet meer getolereerd worden. Dan doen wij elkaar deze dingen niet meer aan. Dan zullen wij voor elkaar gaan zorgen, bidden en wer­ken. Dan, ja dan zal de he­mel op aarde neerdalen. Voordat wij echter aan deze dingen toe zijn, zullen wij hemelvaart moeten vieren. Wij zullen de Heer tegemoet moeten gaan in de lucht. Daar zal Hij Zijn gemeente tot volheid brengen. Hij zal het uit zijn eigen wezen ne­men en het ons verkondigen. Dan zal Zijn erfdeel (alle volken) tot Hem gebracht worden tot Zijn bezit. Hij wil u en mij daartoe als levende stenen gebruiken.

Leg dan af alles wat u daar­toe in de weg kan staan en Hij zal u leiden tot de vol­le waarheid. Dit verbond tussen God de Vader en Zijn volk zal tot voltooiing komen opdat dit verbond op Gods initiatief tot stand is gekomen tot heil van alle volken.

De Here heeft gesproken in Zijn Zoon en het zal Hem niet berouwen. Jezus is Hogepriester tot in eeuwig­heid en daarom is Hij ook borg geworden van dit nieu­we, betere en hemelse ver­bond. Geprezen zij Zijn Naam.

 

Lof en dank door Piet Snaphaan (gedicht)

O, dank u Heer, voor ’t heil dat U mij bood,

U deed het mij verstaan, U was ’t die ’t mij verklaarde,

U gaf U zelf voor mij tot in de dood,

Ik dank U Heer, dat ik dit mocht aanvaarden.

 

O, dank u Heer, reeds hier voor ’t nieuwe leven,

Gestorven ben ik en met U opgestaan,

‘k Wil U de eer en hulde dan ook geven,

U hebt ook mij met krachten aangedaan.

 

O, dank u Heer, ik ben in U geboren,

Ik weet het door Uw Geest en ben verblijd,

U hebt gezegd dat u voor mij zult zorgen,

En u hebt ook een plaats voor mij bereid.

 

O, dank u Heer, voor al die heerlijkheden,

Die U mij gaf uit liefde en gena.

Ja dank U voor de rust en vrede,

En voor ’t volbrachte werk op Golgotha.

 

De dwaasheid van menselijke inzettingen door H. J. Scholten

“Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is” Kolossenzen 2 vers 16 (Kol. 02:16).

Jezus alleen is onze ware rust

De apostel Paulus was een man die werkelijk in alle opzichten was vrijgemaakt door Jezus Christus. En toch was hij een gebonden man, echter, gebonden door de liefde van God, die hem maakte tot een slaaf van Christus en juist daardoor beleefde Paulus de hoogste vrijheid. Voor Paulus waren alle dagen gelijk. Het woord ‘sabbat’ betekent: rust. Rust is iets waar duizenden mensen naar snak­ken in deze rusteloze we­reld. Is er dan wel echte rust te vinden? Echte rust is te vinden in de vrijheid van Christus.

De apostel laat ons weten dat ook de oudtestamentische sabbat een schaduw was van de werkelijkheid. Hij zegt: de werkelijkheid is van Christus. Daarmee bedoelt hij: Jezus alleen is onze ware rust. Nu heeft de sabbat niet direct iets te maken met de wet van Mozes, want reeds bij de schepping van de wereld wordt melding gemaakt van de sabbat. In Genesis 2 vers 2 en 3 (Gen. 02:02-03) lezen wij: “Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt

had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had”. De zevende dag gold dus voor de rustdag, de sabbatdag.

Schaduw en werkelijkheid

Zoals in de hof van Eden de boom des levens een scha­duwbeeld was van de hemelse boom des levens, Jezus Christus, het Woord Gods, zo was ook de oudtestamentische sabbat een schaduw­beeld van de werkelijkheid. Daarom kunnen we de apostel Paulus zo goed begrijpen als hij niet meer vasthoudt aan deze dag in de zichtba­re wereld, daar dit altijd nog te maken heeft met de ‘letter’, waardoor men niet volkomen vrij is. Alhoewel men overigens zeer bijbel- getrouw is. Sommige chris­tenen menen nog altijd op zaterdag de sabbat te moe­ten houden en dat wordt soms verdedigd door op de apostel Paulus te wijzen, daar deze meestal op sabbat­dag naar de synagoge ging. Waarom deed Paulus dat? Niet om nog aan een dag vast te houden als volgde hij een door God gegeven gebod op, maar omdat hij op deze dag vele doden kon ontmoeten om hen het evangelie van het Koninkrijk Gods en van Je­zus te prediken.

Paulus bleef van het prin­cipe uitgaan: eerst de Jood, dan de Griek. In Kolossenzen 2 vers 16 (Kol. 02:16) maakt Paulus duidelijk dat elke oudtestamentische feest­dag, nieuwemaanfeest of sabbat slechts schaduwbeelden zijn van de werkelijk­heid. En is het niet altijd beter de schaduw los te la­ten en je vast te gaan hou­den aan de werkelijkheid?

Ook zijn er nog vele chris­tenen die de zondag de Dag des Heren noemen. Men kent toch wel slecht zijn bijbel en verstaat ten diepste de geestelijke werkelijkheid niet van de ‘sabbat’.

In Romeinen 14 vers 5 en 6 (Rom. 14:05-06) schrijft Paulus: “Deze im­mers stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd (we maken dus niets meer tot een wet). Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God”.

Wat een ruimte in het koninkrijk Gods, wat een vrijheid

! Zelfs eten en drinken zijn in zeker op­zicht nog schaduwbeelden van de werkelijkheid. Wie nu een ander wil leren zich te hou­den aan een bepaalde dag, is nog wettisch ingesteld en weet nog niet wat de ware vrijheid is. Voor Paulus zijn in ieder geval alle da­gen gelijk, maar hij kent dan ook de ware vrijheid en de ware rust. De rust zoals Jezus die alleen maar kan schenken en dat moet onze werkelijkheid zijn. Anders zouden we zelfs de prijs nog kunnen missen door gewilde nederigheid.

Paulus besefte – omdat hij een diep geestelijk mens was – dat de oudtestamentische sabbat plaats gemaakt had voor de rust in Chris­tus. Paulus diende dan ook in de nieuwe staat des Geestes.

Het woord uit Ezechiël 20 vers 20 (Ez. 20:20): “Heiligt Mijn sab­batten, dan zullen deze een teken zijn tussen Mij en u, opdat gij weet, dat Ik, de Here, Uw God ben”, was bij Paulus vervangen door deze woorden: “Wordt geheiligd door het Woord Gods en door gebed” 1 Timoteüs 4 vers 5 (1 Tim. 04:05).

Ook de apostel Paulus ver­stond de diepe, geestelijke betekenis van de sabbat, want hij schrijft: “Maar heiligt de Christus in uw harten als Here, altijd be­reid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop, die in u is” 1 Petrus 3 vers 15 (1 Petr. 03:15).

De sabbat onder het nieuwe verbond

Onder het nieuwe verbond geldt niet meer: heiligt Mijn sabbatten, maar hei­ligt de Christus in uw harten! Als wij dit doen verstaan wij wat ware rust en ware vrijheid is. Van meet af aan was dit Gods be­doeling en dat wilde Hij ons leren door de zichtbare sabbat onder het oude ver­bond. Daarin sprak God van het aardse opdat wij het hemelse zouden verstaan Johannes 3 vers 12 (Joh. 03:12).

De oudtestamentische sab­bat had waarde tot aan Christus. In Genesis lezen wij van zes werkdagen van God en hoe Hij rustte op de zevende dag. Zou God dan weer op de achtste dag zijn gaan werken? Neen, God zag dat al wat Hij in zes dagen geschapen had zeer goed was. Zijn werk was voltooid.

Zó heeft Jezus – de werke­lijkheid – op het kruishout uitgeroepen: “Het is volbracht!” Dat houdt in: Geestelijk blinde ogen kunnen nu geopend worden.’ Elke gevangenis van wetticisme en eigendunkelijke gods­dienst wordt geopend. Wie oren heeft om te horen, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. De vrijheid lokt. De ware vrijheid in Christus. Wie kent de lok­stem van het Bloed? Jezus’ bloed maakt waarlijk vrij, halleluja!

De eerste nieuwtestamentische gemeente was zelfs da­gelijks in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden 16 met blijdschap en eenvoud des harden, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het hele volk Handelin­gen 2 vers 4 (Hand. 02:04).

Jezus heeft ons rust bereid en nu verstaan wij het wezen van de oudtestamentische sabbat: “Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.’ ” Matteüs 11 vers 28 (Matt. 11:28).

Wat sabbat houden werkelijk betekent

Sabbat houden is verstaan wat geestelijke rust is. Paulus zegt: “Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijge­maakt. Houdt dus stand en laat u niet weder’ een sla­venjuk opleggen” Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01).

Iemand zou nu kunnen vragen: “Is het dan een slavenjuk om op een bepaalde dag als kinderen Gods samen te ko­men?” Neen, dat ervaren wij niet als een juk, integen­deel, het is een ware vréug­de voor de wedergeboren kin­deren Gods, We zouden die dag niet graag overslaan. Moet het dan beslist op een zaterdag of een zondag? Ook niet, alhoewel wij van deze aardse rustdag gebruik maken om als verloste kinderen Gods samen te komen. We zijn verlost van het principe dat dit samenkomen op een zaterdag of een zondag zou moé­ten. Dit valt, volgens Gods Woord, onder de dwaasheid van menselijke inzettingen. Het zijn voorschriften en leringen van mensen, zegt Paulus.

Is het dan niet heerlijk dat Jezus ons de sabbat, de ware rust gebracht heeft? Rust voor onze zielen. Elke dag van de week! Het woord van Jezus wordt nu duidelijk: “Want de Zoon des mensen is heer over de sabbat!”

Jezus Christus is de Heer van de rust, halleluja!

Gods kinderen houden iedere dag ‘sabbat’ door de Chris­tus te heiligen in hun har­ten en zo zijn we verlost van elke eigendunkelijke godsdienst en mogen we roe­men in de genade van onze Here Jezus Christus.

Het is de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods en die vrijheid maakt nooit losbandig. Glorie voor de Zoon, die zó kan vrijma­ken. Hij heeft onze schou­der van de last ontheven en onze handen werden vrij van de draagkorf Psalm 81 vers 7 (Ps. 081:007). Amen!

 

 

Calvarie ’s hout door Judith Jacobs (gedicht)

(Johannes 19 vers JOb)

Zolang je niet bij ’t kruis geknield hebt

Om te belijden aan Zijn voet

Dat je als ‘zondaar’ bent gekomen

Die nodig heeft ’t verzoenend bloed –

 

Zolang je ’t eigen leven ‘goed’ acht

Daar je ‘geen vlieg hebt kwaad gedaan’,

Zul je, met al je argumenten,

Nochtans voorgoed verloren gaan.

 

Misschien was j’ echt niet ‘ongelovig’,

Deed je op tijd ook aan ‘gebed’,

Maar…. heb je Christus aangenomen

Als de Verlosser die jou redt?!

 

Pas als je komt om te ‘erkennen’,

Beleef je ‘blijdschap’ en ‘behoud’;

‘De hemel’ kun je niet ‘verdienen’:

’t Was al ‘gena’… op Kalv’ries hout.

 

Reacties van lezers door redactie

Heeft de gelovige twee naturen?

Broeder K. B. te Rotterdam schrijft: “In het maart­nummer schreef u iets over de vraag ‘heeft de gelovige twee naturen?’

Omdat ik zelf nogal bezig ben met dit onderwerp, heeft dit mijn volle belangstelling. Maar eigen­lijk roert u het onderwerp maar nauwelijks aan, en u probeert eigenlijk alleen maar enkele gedachten of leerstellingen te weerleg­gen, die ikzelf overigens nog nooit heb gehoord.

Zoudt u niet eens wat die­per kunnen ingaan op de leringen van bijvoorbeeld Watchman Nee, Miles Stanford of Joel Andrus over de twee naturen van de gelovige?

Ook uw eigen standpunt is me niet geheel duidelijk. U zegt: ‘De apostel (Pau- lus) geloofde niet in een gespletenheid’. Haar be­doelt u daarmee, dat een gelovige alleen maar een goddelijke natuur heeft, en geen menselijke? Bete­kent dit dan, dat we pre­cies zo reageren en wande­len in deze wereld, zoals ook Christus zou reageren en wandelen? U spreekt wel van de geest, die het her­stel bewerkt, als de geest weer heerschappij voert., maar hoe zit het dan als die situatie nog niet ten volle is bereikt? Hebben we dan ook slecht één na­tuur, of verplaatst u dan het probleem naar ‘ziel en geest’?

Misschien lees ik niet aan­dachtig genoeg, maar ik kom er niet uit”.

Commentaar van de redactie:

We kunnen ons voorstellen dat u niet bevredigd bent over wat we schreven over het onderwerp: ‘Heeft de gelovige twee naturen?’ Ten eerste omdat we er zeer summier op zijn ingegaan en ten tweede omdat de gedach­ten of leerstellingen die werden weerlegd, waar­schijnlijk nieuw voor u wa­ren. Wat punt één betreft: in het kader van het onder­werp ‘ziel, geest en li­chaam’, zoals dat in de ar­tikelenserie ‘De volledige mens’ van Nico Goverts aan de orde kwam, was het niet de bedoeling dit onderwerp uitgebreid te behandelen, al viel het door het tussenkopje ‘Heeft de gelovi­ge twee naturen?’ uiter­aard wel op. En wat punt twee betreft: omdat één en ander waarschijnlijk nieuw voor uw was, hoeft dat nog niet te betekenen dat het niet juist is, wat u overigens ook niet be­weert .

Het is ons bekend dat er zeer veel leringen bestaan die – nuanceverschillen buiten beschouwing gela­ten – alle hierop neerko­men dat de gelovige wel twee naturen zou hebben. Veelal worden (of werden) ze geschreven met het licht wat men over dit on­derwerp heeft (of had). Maar ook hier geldt: pas de boodschap van het Ko­ninkrijk Gods geeft ons het volle licht en maakt duidelijk dat de opvatting dat de gelovige twee natu­ren zou hebben niet juist is.

Als de mens het nieuwe le­ven van Christus leert ken­nen wordt hij overgeplaatst vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus. Hij wordt een nieuwe schepping: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie het nieuwe is gekomen” 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17). De natuur (de aard, het wezen) van de mens dat eerst beheerst werd door satan, wordt nu ‘verbonden’ met Jezus Christus. Een to­tale verandering, waarvan Paulus zegt: “Gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen” Efeze 4 vers 20 (Ef. 04:20). Uiteraard is dit een groei- proces met als doel dat we – om uw woorden te cite­ren – ‘precies zo reageren en wandelen in deze wereld, zoals ook Christus zou rea­geren en wandelen’. De Geest bewerkt dit, maar van ons wordt daarbij geloof en gehoorzaamheid verwacht, opdat dit doel bereikt zal worden. Paulus schrijft in Efeziërs 5 vers 27 (Ef. 05:27) over het feit dat Christus een ge­meente voor Zich wil plaat­sen, die stralend is, zon­der vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij hei­lig is en onbesmet.

Deze situatie is thans nog niet bereikt, maar de ware gelovigen doen er alles aan om zich daarnaar uit te strekken: zij leggen gebon­denheden af, of laten zich daarvan bevrijden, zij voe­den zich met het Woord van God onder de leiding van de Heilige Geest; zij heb­ben gemeenschap met andere gelovigen, waardoor zij de positieve uitwerking van het evangelie meer en meer leren kennen.

Omdat wij deel hebben gekregen aan de Goddelijke natuur 2 Petrus 1 vers 4

(2 Petr. 01:04), weten, wij dat alleen Christus recht heeft op ons leven en niet de satan. En omdat ziel, geest en lichaam samen onze ‘persoonlijk­heid’ vormen, begrijpen we dat Paulus in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 (1 Thess. 05:23) schrijft: “En Hij, de God des vredes, heilige u ge­heel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam mo­ge bij de komst van onze Here Jezus Christus blij­ken in allen dele onberis­pelijk bewaard te zijn”.

We hebben dus slechts één natuur, en deze wil God volkomen herstellen, ge­heel in overeenstemming met het oorspronkelijke scheppingsdoel: naar Gods beeld en gelijkenis. Omdat de ziel ondergeschikt be­hoort te zijn aan de geest, en het lichaam nog een ver­gankelijk lichaam is, is het primair dus belang­rijk dat onze Geest verbon­den is met de Geest van God. Paulus zegt dat Zijn Geest getuigt met onze geest dat wij kinderen Gods zijn en ook dat wie zich aan de Here hecht één geest met Hem is. Hoe zou dat mogelijk kunnen zijn als de mens ’twee naturen’ zou hebben, dat wil zeggen een ‘gespleten individu’ was? De werke­lijke gelovigen weten dat het daarom gaat om het open­baar maken van Gods natuur. Zij doen er alles aan om deze opdracht te verwezen­lijken. Wij in Hem en Hij in ons.

Met veel plezier….

Broeder B. v. H. te Amster­dam schrijft: “Gaarne zou ik een proefnummer ontvan­gen van uw blad “Levend Ge­loof”. Met veel plezier heb ik reeds uw boekje “Wat onthult het laatste Bijbelboek gelezen. Het is heer­lijk om te weten dat onze God een goede God is, één en al liefde”.

Geen oude nummers meer

Broeder M. de V. te Laren (N,H.) schrijft: “Graag zou ik me willen abonneren op ’t bijbelstudietijd- schrift “Levend Geloof”. Enige maanden geleden las iemand mij daaruit voor en vond ’t zo goed dat ik dat blad ook wel graag geregeld wil ontvangen. Is ’t moge­lijk de jaargang 1981 ook nog in mijn bezit te krij­gen? Zo ja, wilt u mij die dan tevens met de voorgaan­de nummers van 1982 toezenden?”

Tot onze spijt zijn alle nummers van voor april 1982 geheel uitverkocht! Dit antwoord is ook bestemd voor anderen die ons vroe­gen om oude nummers!

 

Gedachten over het boek Job door Nico Goverts -1-

Het probleem van het lijden

De vraag naar het lijden is één van de diepste vragen die de mens door de eeuwen heen gesteld heeft. En de kwestie wordt eerst recht klemmend, wanneer het gaat om het probleem van het schuldeloos lijden.

En om dan meteen maar het kernpunt te noemen: welke rol speelt God in dit verband? Men zou het dilemma als volgt kunnen formuleren: Stel dat God goed is; dan is het zijn wens dat zijn schepselen volmaakt gelukkig zullen zijn. Neem nu als tweede uitgangspunt daarbij: God is almachtig. Daaruit volgt: Hij is in staat, genoemde wens te realiseren. Echter, de praktijk laat zien dat de schepselen lang niet altijd gelukkig zijn. Velen van hen lijden; het ganse schepsel zucht. Conclusie: of God is niet goed, of God is niet almachtig, of beide eigenschappen ontbreken bij Hem.

Hiermee hebben we een eerste globale omschrijving gegeven van het probleem. Heel vaak vat men alles maar samen onder de formule: God laat het toe. Ook deze uitspraak zullen we echter aan een nadere beschouwing moeten onderwerpen.

Een radicaal standpunt vinden we in de vermaarde, bijna klassiek geworden uiteenzetting van de Heidelbergse Catechismus: Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods? De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, als met zijn hand nog onderhoudt, en alzo regeert, dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand ons toekomen.

Een dichter uit de achttiende eeuw vertolkt zijn visie aldus:

God gaat zijn ongekende gang vol donkre majesteit,

die in de zee zijn voetstap plant en op de wolken rijdt.

Uit grondeloze diepten put Hij licht, en vreugde uit pijn.

Hij voert volmaakt zijn plannen uit, zijn wil is souverein.

Zoudt gij verstaan, waar Hij u leidt?

Vertrouw Hem waar Hij gaat.

Zijn duistere voorzienigheid verhult zijn mild gelaat.

Een eeuw later horen we van een andere zanger: Hoor de bittere gebeden om de vrede die niet daagt. Zie hoe diep er wordt geleden, hoe het kwaad de ziel belaagt. Zie uw mensheid hier beneden, wat zij lijdt en duldt en draagt.

Jobs naam en geestelijke status

Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job. De naam Job betekent: hij die vijandig bejegend wordt, of die een vijand heeft. Deze naam is al veelzeggend; de naam is kennelijk een sleutel tot het boek. Het gaat over een man die een vijand heeft.

In het Syrisch kan Job betekenen: de geliefde. Ook dat vinden we in de levensgeschiedenis van deze man terug: hij is de door God beminde.

Wat was het voor een man? Vier kernwoorden typeren zijn geestelijke status: vroom en oprecht, God vrezend en wijkend van het kwaad. Het woord ‘vroom’ betekent eigenlijk: eenvoudig. Het was een man uit één stuk, onverdeeld, enkelvoudig. Zoals het kleed van Jezus was, een mantel zonder naad, zo was deze man. Zoals deze man, zo zal ook de gemeente zijn.

Deze man nu trekt aandacht in de hemelse gewesten. Dat kan ook niet anders. De eerste twee hoofdstukken van Job geven ons wisselende beelden: nu eens een tafereel op aarde, dan weer een blik achter de schermen. Zo lezen we: “Op zekere dag geschiedde het dat de zonen Gods kwamen om zich voor de Here te stellen; ook de satan kwam midden onder hen”. Job 1 vers 6 (Job 01:06). Dit principe treffen we vaak aan: waar zonen Gods zich opstellen, daar tracht ook de satan zich te manifesteren.

Satan in het oude testament

De satan wordt slechts achttien keer in het Oude Testament genoemd; uit dit gegeven blijkt meteen al dat zijn activiteiten in het oude verbond grotendeels verhuld bleven. De geestelijke wereld was een verborgenheid. Opvallend is trouwens dat van die achttien plaatsen er zeventien zijn, waar het woord ‘satan’ met het bepaald lidwoord gebruikt wordt. Dat wil zeggen: er wordt vrijwel in alle gevallen gesproken van ‘de satan’, dus niet zozeer als een eigennaam, maar als een titel, een wezens- aanduiding. Zoals van Jezus gezegd wordt dat Hij ‘de Christus’ is, zo wordt van de tegenpartij uitgesproken dat hij ‘de satan’ is.

Dit woord betekent: hinderaar, dwarsligger; dat is zijn aard, zijn wezen; hij is de saboteur. Het is derhalve terecht, dat zowel Statenvertaling als NBG-vertaling ‘de satan’ met een kleine letter schrijven.

Nog een opmerkelijk punt is dat alle achttien plaatsen waar het woord satan voorkomt, zich bevinden in niet meer dan drie Bijbelgedeelten. Deze drie gedeelten zijn: Zacharia 3; 1 Kronieken 21 (de enige tekst in het Oude Testament waar satan genoemd wordt zonder lidwoord) en Job 1 en 2.

In alle drie tekstverbanden is de opzet van de hinderaar, een mens uit het plan Gods uit te rangeren. In Zacharia is hij de aanklager, die probeert, de smet die op de hogepriester Jozua ligt, uit te buiten. In Kronieken is hij de aanstichter, die zich erop toelegt, een smet te werpen op David, de koning naar Gods hart.

Ook in het boek Job gaat het om een mens Gods. We kunnen ook zeggen: in het boek Job gaat het om de mens Gods. De mens Gods als brandpunt, de mens Gods in de branding.

Naast de genoemde achttien plaatsen komt het Hebreeuwse woord ‘satan’ nog negen maal voor, in de algemene betekenis van: hinderaar, tegenstander. Het bijbehorende werkwoord; hinderen, tegenstaan, kunnen we zes maal in het Oude Testament aantreffen.

God roept satan ter verantwoording

Daar staan ze dan: de zonen Gods, en de hinderaar er midden tussen. De zaak is duidelijk: dat kan zo niet blijven. Er moet iets gebeuren. De dwarsligger moet ontmaskerd worden. Hij moet ertussen uit.

Hier stuiten we op een grondthema dat verborgen ligt achter het boek Job. Ten diepste gaat het om dit punt: de satan moet verdreven worden uit het midden van de zonen.

Hij moet verbannen worden; zijn plaats zal daar niet meer worden gevonden. Immers, hij is de indringer, de verstekeling tussen de zonen. Hij is de gestalte zonder bruiloftskleed.

Daarom gaat God spreken. Niet zo, dat God een dialoog heeft met de duivel. Evenmin gaat God onderhandelen met de boze. Dat zou in tegenspraak zijn met Gods karakter. Hij is de God die een ontoegankelijk licht bewoont, Hij is de God bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer, Hij is de God die door het kwade niet verzocht kan worden en die ook zelf niemand in verzoeking brengt. Van Hem kan gezegd worden wat Jesaja heeft uitgesproken over de mens Gods: “Hij weerhoudt zijn handen om een geschenk aan te nemen, Hij stopt zijn oor toe om niét naar een moordplan te horen, Hij sluit zijn ogen toe om het slechte niet te zien; zo is Hij de God die op hoogten woont” Jesaja 33 vers 15 (Jes. 33:15).

Wat gebeurt hier dan wel? God spreekt: Hij roept de hinderaar ter verantwoording. Daar staan de zonen maar God haalt de dwarsligger er meteen tussen uit. Die krijgt niet de kans zich te verschuilen te midden van de anderen, alsof er met hem niets aan de hand is. Hij wordt ontmaskerd. Er vindt geen onderhandeling plaats, wat hier geschiedt, is een verhoor: Waar kom je vandaan?

We kunnen dit vergelijken met het beeld dat Psalm 82 ons geeft: “God staat in de vergadering der góden, Hij houdt gericht te midden van de góden. Hoe lang zult gij onrechtvaardig richten, en de goddelozen gunst bewijzen?” Psalm 82 vers 1-2 (Ps. 082:001 en 002). En dan wordt er van deze góden gezegd: “Zij weten niets en begrijpen niets, in duisternis wandelen zij rond”(vers 5). In deze psalm wordt dan ook vermeld wat de taak is der góden: “Richt de geringe en de wees, doet recht de ellendige en behoeftige, bevrijdt de geringe en de arme, redt hem uit der goddelozen hand”(vers 3-4).

Op basis van deze principes wordt ook satan beoordeeld. Gedraagt hij zich overeenkomstig de roeping, beschuttende cherub te zijn? Hoort hij wel thuis in de vergadering der góden?         (wordt vervolgd).

 

Ontzondigen met hysop door H. J. Scholten “Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw” Psalm 51 vers 9 (Ps. 051:009).

Wat is de geestelijke betekenis?

Wat betekent dit nu pre­cies? Ontzondig mij met hysop? Misschien hebt u het al vele malen gelezen en u nooit afgevraagd wat eigen­lijk de geestelijke inhoud is.

We gaan in gedachten even terug naar de Israëlieten in Egypte, vlak voor de uittocht. In Exodus 12 vers 22 (Ex. 12:22) lezen wij: “Daarna zult gij een bundel hysop nemen en in het bloed in een schaal doen….”

God had gezegd: “En wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij”. De verderfengel gaat voorbij! Hij gaat spa­rend voorbij!

De hysop is een plant met een houtachtige stengel van soms meer dan een meter lang. Telkens worden er nieuwe stengels gevormd zo­dat het geheel soms lijkt op een kwast, ook al door de vele geurige blaadjes. Deze blaadjes bevatten

soort etherische, dat wil zeggen een vluchtige, ijle soort olie.

Als er in Israël iemand overleden was, moest er een reine man komen, hysop ne­men, deze in water dompelen en sprenkelen op degene die het lijk had aangeraakt.

God wil dat we in aanraking komen met het Leven en niet met de dood. Om met het Le­ven in aanraking te kunnen komen moeten we gereinigd worden van elke doodslucht en doodsmacht. Daarom was hysop onder het oude ver­bond voorgeschreven voor de bereiding van het reinigings- en verzoeningsoffer.

Hysop heeft een zeer sterke, reinigende kracht en daarom werd ze ook aangewend bij de gezond verklaring van een genezen melaatse. In het bloed van een geslachte vo­gel werd de hysop gedompeld en de genezen melaatse werd er zevenmaal mee bespren­keld Leviticus 14 vers 6 en 7 (Lev. 14:06-07).

Ontzondiging is noodzakelijk

We weten dat de melaatsheid ook een beeld van de zonde is. Daarom moet er ontzondiging zijn, dat kan niet anders. Wie ‘melaats’ is, is aangetast door de doodsmachten en deze komen uit het rijk der duisternis. In de duisternis is geen enkel leven mogelijk, dat kan al­leen in het licht. Toen Je­zus aan het kruis hing sta­ken de soldaten een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel die aan de mond van Jezus werd ge­bracht. Hierin zien wij een beeld van de reinigende kracht van het lijden en sterven van onze Heiland. Het bloed van Jezus moet ons ontzondigen. En dat ge­beurt met grote kracht, prijst de Heer!

In Numeri 19 vers 19 (Num. 19:19) staat: “De reine zal op de derde dag èn op de zevende dag de onreine besprenkelen, en hij zal hem op de zevende dag ontzondigen”. De zeven­de dag is de dag der vol­heid, de volmaakte rust. Op die dag zal Gods volk zijn zonder smet, vlek of rim­pel. De derde dag duidt op de opstanding. Doordat we vrijgekocht zijn met het bloed van Jezus, mochten we met Hem opstaan ten derde dage en met Hem leven en de kracht van het bloed zal er zijn tot en met de zevende dag, de dag der volheid.

Heerlijk dat ieder mens ontzondigd kan worden. Daarom blijft het bloed van kracht, want steeds moet de hysop erin gedompeld worden om iemand voor ‘genezen’ te verklaren.

Overwinning door het bloed van Jezus

Het bloed van Jezus Chris­tus is méér dan alleen maar de loskoopprijs. Het geeft ons de overwinning over de machten der duisternis. In Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11) lezen wij: “En zij hebben hem (de duivel) overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis”.

De verlossende en bevrijden­de bloedlijn loopt van Gene­sis tot en met Openbaring en we blijven het zingen: Er is kracht, kracht, wonderbare kracht in het dierbaar bloed van het Lam.

De satan kan in een mens te­genzin brengen tegen het bloed van Jezus Christus. Dat is niet verwonderlijk want toen het bloed vloeide werd het eeuwige doodvonnis van de satan en al zijn de­monen bezegeld.

De hysop wijst ons op het bloed van Jezus vanwege de reinigende kracht. Waar het bloed des kruises niet mede gepredikt wordt, daar zal de geloofskracht meer en meer verdwijnen om plaats te maken voor allerlei lerin­gen. Wordt het leven van de mens in het huidige levens- bestel niet aangetast door allerlei doodsmachten, gees­telijke doodsmachten? Wil de satan niet graag het bloed van de mensen, waarin het leven is, doen wegvloei­en in de aarde? Is hij niet de mensenmoorder van de be­ginne?

Koning David moest ontzondigd worden na zijn overspel met Bathséba. Toen dacht hij aan de reinigende kracht van hysop. Hij roept tot zijn God: “Ontzondig mij met hy­sop, dan ben ik rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw!”

En wat gebeurt er dan? Het gebeente van David gaat ju­belen. Het gebeente wijst op de totale mens naar geest, ziel en lichaam. Wie waarlijk ontzondigd is kan juichen. Die kent de ware blijdschap over het heil van God en dan komt er een ge­willige geest.

De vreugde van waarheid en wijsheid

De Heer kennen en met Hem leven is niet zomaar wat. Daar was hysop en bloed voor nodig.

Nooit eerder zullen we de wegen van God recht verstaan als we geen rein hart heb­ben ontvangen. Ouderwetse taal? Niet voor hen die waarlijk vrijgekocht zijn door het bloed van Jezus.

Zulke mensen verstaan wat waarheid is in het verbor­gene en begrijpen dat wijs­heid in het geheim bekend gemaakt wordt Psalm 51 vers 8 (Ps. 051:008).

Waarheid en wijsheid schen­ken grote vreugde en daarom jubelen we mee met David: Loof de Here, mijn ziel, en al wat in mij is, Zijn heilige naam! De weg van God ligt nu echt voor ons open omdat onze ongerechtigheden vergeven zijn, on­ze krankheden genezen en de groeve voor ons dicht zit. Jezus zegt: indien iemand Mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwig­heid niet smaken. Allen die ontzondigd zijn. Door het bloed van Jezus!

Hij breekt de zwaarste zondemacht met goddelijke kracht, maakt ieder hart van smetten vrij, Zijn bloed verloste mij!

 

Hoe voeden wij onze kinderen op? -3- slot door Folkert Pool

Het heiligen van onze kinderen

Graag zou ik nog enkele opmerkingen willen maken over het heiligen van kin­deren. Heiligen wil zeggen: apart zetten, scheiding brengen tussen goed en kwaad. Kinderen heiligen is niet iets dat automatisch plaatsvindt of dat in de opdrachtdienst eenmalig wordt uitgevoerd. Neen, heiligen zal een actieve, dagelijkse bezigheid moeten zijn. Want de boze zit niet stil, maar tracht allerlei mogelijkheden te benutten om niet alleen ons, maar ook de kinderen het op de weg naar de volwassenheid moeilijk te maken. Of hem dat lukt, hangt van ons leven met de Heer af.

Alleen heiligen – en dat zijn wij als kinderen Gods – zijn in staat om te heiligen. Door het geloof in uw volmacht, ook in ver­band met de opvoeding der kinderen, zullen uw kinde­ren dan in een echte vrij­heid op kunnen groeien.

Het is niet nodig ook maar iets te dulden wat uit de gedachtewereld van de boze komt. Doet men dit wel, dan zal het opvoeden van kinde­ren een moeizame taak wor­den. Voor de Heer (en met de Heer!) lukt het echter grandioos. Laten we ons in Hem verblijden en Hij geeft ons de wensen van ons hart. Hij heeft wijsheid beloofd en Hij geeft die elke dag opnieuw, want God laat geen bidder staan. Nog nooit heeft iemand te groot van God gedacht, ook niet van de hulp die Hij bij de op­voeding wil geven.

Voed uw kinderen op vanuit een vertrouwen, vanuit het geloof dat God zorgt omdat wij dat van Hem verwachten. Wij betrekken de Heer bij de opvoeding van onze kin­deren. Of dat mag? De Heer wil het juist graag!

Opvoeden vanuit een groot vertrouwen

Wanneer u uw kinderen op­voedt met een groot ver­trouwen in God, zal er in uw hart ook een groot ver­trouwen groeien dat het goed komt met uw kinderen. Hoe reageert u als Emiel vraagt of hij naar een discofeest van de school mag? Verbiedt u het of praat u er met hem over en laat u hem dan zelf de be­slissing nemen, omdat u ge­looft dat het hem geen kwaad zal doen? U bidt im­mers voor hem?

Verbieden komt voort uit wetticisme en schept af­stand en disharmonie. Op­voeden in vrijheid en vreugde, geeft zelfstandig­heid in een sterke relatie met de ouders. Door zó te handelen geeft u ze de ruimte en leert u ze zelf kiezen tussen goed en kwaad. Door uw persoon­lijke contact met de Heer kunt u de juiste bescherming en begeleiding geven… zon­der u door angst of zorgen te laten overmeesteren. God laat ons óók vrij, want Hij heeft een onwankelbaar ver­trouwen in zijn plan, waar­door er een geweldige een­heid ontstaat met zijn kin­deren die daar helemaal op ingaan.

Uw zoon of dochter verbieden te roken heeft geen waarde, maar brengt eerder schade. Als we iemand iets verbie­den, is het de duivel met zijn knechten. Dan zal het onze kinderen goed gaan, om­dat ze mede daardoor het klimaat van het Koninkrijk Gods ervaren. Leven uit ge­loof houdt in dat we belij­den: het komt goed! Ook al is de schijn soms tegen.

Bij de opdracht van uw kind in de gemeente, hebt u reeds de Heer gevraagd u te helpen. Probeer het dan ook niet alleen te doen, maar vertrouw ze dan ook in geloof toe aan de bescher­ming van uw Vader in de he­mel. In dit verband zou ik in een variant op een be­kende tekst willen opmer­ken: Wie zijn kinderen zal willen behouden, zal ze verliezen. Laat nooit angst of twijfel toe of het wel goed komt, maar heb geloof in het werk en de kracht Gods ook voor uw kinderen.

De Here Jezus zei tegen zijn discipelen: “Ik heb voor u gebeden”, en het resultaat was geweldig. Job bad en bracht offers voor zijn feestvierende kinderen, en hij werd oprecht en god­vrezend genoemd. De vader van de verloren zoon liet deze rustig vertrekken, maar rekende zeker op zijn thuiskomst. Allen waren mensen met geloof’

In een vorig artikel werd gesteld dat opvoeden be­staat uit: overdracht, oefening en onderricht (de drie O’s). Maar ongetwij­feld is dan het belangrijk­ste punt overgeslagen, na­melijk de vierde ‘o’; die van optreden. Vooral in de­ze tijd moeten we optreden in de onzichtbare wereld, zodat het resultaat zicht­baar wordt en zeker niet uitblijft. We hebben het recht, de volmacht en ook de kracht om het daadwerke­lijk te doen.

Wanneer we zo met de kinderen optrekken, heiligen we hen. Eén van onze kinderen was ziek en zei: “Nu moeten jullie echt bidden, goed bidden!” Hij had het goed begrepen en stelde er alle vertrouwen in. Het is een feest te weten en te erva­ren dat God ons vertrouwen nooit beschaamt, maar heer­lijk beloont.

Maak van uw kinderen geen kleine volle-evangelieman- netjes of -vrouwtjes, maar sta zélf uw mannetje in de hemelse gewesten en het komt best voor elkaar. En dat zonder kracht of geweld of wetticisme, doch enkel door geloof in de kracht Gods.

1982.05 nr. 226

Levend geloof 1982.05 nr. 226

Het recht van onderscheiding door Gert Jan Doornink
“Een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is. Maar de geestelijke mens beoordeelt alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld” 1 Korinthiërs 2 vers 14 en 15 (1 Kor. 02:14-15).
Rechten en plichten
Als kinderen Gods hebben we rechten en plichten. Deze twee mogen we nooit scheiden. Te gemakkelijk wordt er wel eens gesproken over onze rechten, zonder er rekening mee te houden dat deze rechten alleen functioneren, als we ook vóldoen aan onze plichten. Het is als met de beloften Gods, die in Christus Jezus ‘ja en amen’ zijn, maar we zullen moeten voldoen aan de voorwaarden die God gesteld heeft in Zijn Woord, willen ze in ons leven in vervulling gaan.
Een belangrijk recht dat wij als kinderen Gods bezitten is het ‘recht van beoordeling’ waarvan Paulus spreekt in 1 Korinthiërs 2: “De geestelijke mens beoordeelt alle dingen…” Er is dus een belangrijke voorwaarde aan verbonden willen we gebruik maken van dat recht, namelijk dat we ‘geestelijke mensen’ zijn.

Niet ieder kind van God is een geestelijk mens.

Tot de gemeente van Korinthe moest Paulus schrijven: “En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu nog niet, want gij zijt nog vlese­lijk” 1 Korinthe 3 vers 1 en 2  (1 Kor. 03:01-02).

Paulus maakt een duidelijk onderscheid tussen vleselijk levende christenen en geestelijk le­vende christenen.

Denk ook aan wat hij daarover schrijft in Galaten 5. De vleselijk levende christenen worden beheerst van ‘onder uit’, dat wil zeggen door satan. Hij heeft er belang bij dat de ‘werken van het vlees’ tot openbaring komen. We moeten dit niet camoufleren door te spreken over onze ‘oude mens’, etc, maar de oor­zaak is dat onze geest dan nog niet voldoende één is met de Heilige Geest, maar contact ge­zocht heeft met verkeerde geesten. De geestelijk levende christenen worden beheerst van ‘boven af’, dat wil zeggen door de Heilige Geest.

Paulus zegt in Galaten 5 vers 24 (Gal. 05:24): “Wie Christus Jezus toebehoren, hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd”. Let op het woordje ‘hebben’, met andere woorden dat moeten wij zelf doen. Wij mogen niet toelaten dat onze begeerten nog bevrucht worden door de satan, maar hem weerstaan in de Naam van Jezus. In het Koninkrijk Gods gaat niets automatisch. Iemand die nog gebonden is, zal deze gebondenhe­den zelf af moeten leggen, of zich moeten laten bevrijden. Paulus zegt in Romeinen 13 vers 12 (Rom. 13:12): “Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!” Pas als we bevrijd zijn van bezetters, en deze niet meer toelaten, als we geestelijk levende Christenen zijn, beantwoorden wij aan het normale patroon wat God met Zijn kinderen voor heeft.

Een onmondig christen heeft geen rechten. Hij kan niet geestelijk denken en handelen, maar een mondig christen is daartoe wel in staat. Zijn leven wordt meer en meer een leven van overwinning, waarin de heerlijkheid van Christus tot openbaring komt.

Leven wij op geestelijk niveau?

Geestelijk levende christenen hebben een leven op Gods niveau. Dat zal trouwens ook het ken­merk van de waarachtige eindtijdgemeente zijn. Velen zijn zo door de duivel verblind, dat zij menen dat dit een utopie, een onbereikbaar ideaal is. Maar er gaat langzaam maar zeker een volk opstaan dat de grote en geweldige waarheden uit het Woord van God weer gaat ontdekken en…. beleven’. Allerlei dingen die verborgen waren komen weer in de openbaarheid. Paulus spreekt in 1 Korinthiërs 2 vers 7 (1 Kor. 02:07) reeds over “de ver­borgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwig­heid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid”.

Al is de openbaring van Gods heerlijkheid in de ware gelovigen (de geestelijke levende chris­tenen) nog vaak in een beginstadium, het is een ontwikkeling die niet is tegen te houden. Het is Gods werk en Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal het voortzetten tot de dag van Christus Jezus!

Wij behoren dus geestelijk levende overwinnende christenen te zijn. En hoe meer dit ons verlan­gen is, hoe meer we ons daar naar richten, hoe meer we ook de dingen geestelijk gaan beoorde­len .

Wat is beoordelen?

Als wij de dingen mogen beoordelen, zullen wij uiteraard moeten weten wat dat beoordelen is. Let wel: er staat beoordelen, en niet oordelen. Oordelen heeft te maken met veroordelen, waartegen Gods Woord ons waarschuwt. Jezus zegt in Matteüs 7 vers 1 (Matt. 07:01): “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, want met het oordeel, waarmede gij oordeelt zult gij geoordeeld worden en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden”. Een waarachtig kind van God zal echter anderen niet veroordelen, maar is vol van de liefde Gods. Hij heeft slechts één verlangen: dat velen Jezus leren kennen en Hem gaan volgen.

Wat is beoordelen dan wel? Het is een wezenlijk onderdeel van ons volgen van Jezus. Bij het be­wandelen van de geestelijke weg krijgen we met felle tegenstand uit het rijk der duisternis te maken. Op de meest onverwachte momenten en in allerlei situaties zal de duivel ons proberen in verwarring of twijfel te brengen, met als doel ons de nederlaag toe te brengen. Waar zouden we zijn als we niet alle dingen die op ons afkomen geestelijk konden beoordelen? We mogen alle dingen (let wel: alle) plaatsen in het licht van Gods Woord en de Heilige Geest, dat wil zeg­gen we moeten ons afvragen of deze dingen van God of van satan afkomstig zijn.

Onderscheiding der geesten is belangrijk

Zeer belangrijk is dat wij vervuld zijn met de Heilige Geest. Paulus zegt: “De Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods” 1 Korinthe 2 vers 10

(1 Kor. 02:10). Eén van de gaven van de Geest is die van het ‘onderscheiden van geesten’. Het beoordelen van de dingen heeft hier rechtstreeks mee te maken. We leren onderscheiden wat van God en wat van de boze afkomstig is.

In Hebreeën 5 vers 13 en 14 (Heb. 05:13-14) lezen wij: “Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuige­ling. Maar de vaste spijs is voor de volwasse­nen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad”. Wij kunnen dus de dingen alleen geestelijk be­oordelen als we mondige, volwassen christenen zijn.

Wij worden door niemand beoordeeld

Wanneer Paulus schrijft over de geestelijke mens die alle dingen beoordeelt, voegt hij daar nog aan toe: “zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld”. Dit betekent niet dat de mensen niet meer over ons spreken of geen oordeel over ons uitspreken. Maar het deert ons niet, we zijn er immuun voor. We zijn in de wereld, maar niet meer van de wereld. Onze plaats is met Christus in de hemelse gewesten! Al krijgen we een be­paald etiket opgeplakt of in een bepaalde hoek geplaatst, het doet ons niets meer, we zijn im­mers geestelijke christenen en één met Hem.

Wij weten dat de onbekeerden en de vleselijk le­vende christenen niet het recht hebben ons te beoordelen. Zij kunnen dat trouwens ook niet, zoals Paulus zegt: “Een ongeestelijk mens aan­vaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet ver­staan, omdat het slechts geestelijk te beoorde­len is”. Bij hen ontbreekt de werkelijke eenheid met Christus en het recht van beoordelen is al­leen voorbehouden aan geestelijke levende chris­tenen .

Laten we elkander aansporen om zoveel mogelijk gebruik te maken van dit recht, opdat de over­winning van Jezus in elk onderdeel van ons leven tot openbaring kan komen. Dan kunnen we getuigen en beleven: Satan heeft aan ons niets, want we zijn met Jezus overwinnaars. Dan openbaren wij ons als zonen Gods en dat is waar de wereld op wacht!       

 

Pinksteren door H J Scholten

“Zo dan, mijn broeders, streeft ernaar te profete­ren, en belemmert het spreken in tongen niet” 1 Korinthe 14 vers 39 (1 Kor.14:39).

De apostel Paulus is erg dankbaar dat hij zoveel in tongen spreekt. Hij dankt God ervoor 1 Korinthe 14 vers 18 (1 Kor. 14:18). En dat alles dankzij de uitstorting van de Heilige Geest.

Hoe zou het komen dat zo­veel christenen niets van deze gave afweten of er niet meer in willen gelo­ven? Omdat hun geleerd is dat geleidelijk aan deze gaven uit ‘de kerk’ ver­dwenen zijn en dat zou dan Gods leiding geweest zijn omdat deze gaven alleen maar nodig waren in de be­gintijd van de gemeente.

Maar met welk recht zegt men dat? Waaraan ontleent men dit gezegde? Omdat men eigen leringen heeft ge­vormd, eigendunkelijke godsdienst. Velen hebben zelfs een afkeer van de ga­ven van de Geest. Met het­zelfde recht kunnen we dan zegen: De vergevende kracht van het bloed van Jezus gold alleen voor de begin­tijd van de gemeente.

Geen christen zal zich zo­iets in het hoofd durven halen. Geldt Gods Woord niet voor alle eeuwen? Wan­neer wij aan het Woord van God tekort doen, zal dit merkbaar worden in ons le­ven. Hoe durft men eigenlijk deze dingen doodgemoedereerd af te wijzen? Ten diepste is het trots en hoogmoed en ook wel valse schaamte. Maar wie zich wel uitstrekt naar deze dingen, zal ervaren dat Je­zus ook vandaag nog de Doper is met de Heilige Geest. Een ieder van ons kan zijn ‘Pinksteren’ beleven.’ Streeft ernaar, zegt Paulus.

Paulus kon lofzingen en bid­den met zijn verstand, maar eveneens met zijn geest. We begrijpen heel goed waarom zoveel mensen een heimelijke afkeer van ‘pinkstermensen’ hebben. Toch worden ze door de boze misleid, vaak met heel vrome drogredenen. “Jaagt de liefde na èn streeft naar de gaven des Geestes”. Het hoort bij el­kaar. Allen een gezegend Pinksterfeest toegewenst 1 Ons hart juicht en we loven de Heer met ons lied. Hal­leluja!

 

Profeteren door Rob Polderman

“Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren” 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01).

Wat doen we met zo’n duide­lijke oproep, of is het zelfs een opdracht? Gaat het hier om twee afzonder­lijke zaken, of zou dat na­jagen van de liefde juist in de praktijk tot uiting komen in het functioneren van de gaven des Geestes?! De liefde zoekt het welzijn van de mens en de gaven des Geestes bewerken dat wel­zijn. Liefde en gaven mogen en kunnen geen afzonderlijk bestaan leiden.

Eén van de gaven die de apostel Paulus al meteen met name noemt is het pro­feteren. De Heilige Geest heeft met deze gave heel duidelijk het welzijn van de mensen op het oog. Het gaat om de woorden Gods gericht op het herstel. Gedachten die ons de weg Gods wijzen. Het lijkt mij goed daar aandacht aan te schenken.

Bijbels motief

Het verlangen naar profete­ren moet altijd gebaseerd zijn op de Bijbelse gegevens daarover. Iemand die ver­langt naar het profeteren, toont daarmee dat hij wil mee bouwen aan het huis Gods, de gemeente. De apos­tel Paulus stelt voorop dat een ieder die naar geeste­lijke gaven streeft, moet trachten uit te munten tot stichting van de geméénte. Profetie hoort thuis in de gemeente en dient tot haar opbouw.

Eén van de belangrijke gees­telijke gaven voor de opbouw van de gemeente is het pro­feteren. “Wie profeteert spreekt voor de mensen, de gemeente, stichtend, verma­nend en bemoedigend”.

Als mensen verlangen om meer kennis en inzicht, meer er­varing te krijgen betreffende de gave van het profete­ren, dan zit daar dus het verlangen achter om actief betrokken te zijn bij de geestelijke groei en opbouw van de gemeente. Hij zet zich in en stelt zich open om Gods wil voor de gemeen­te te verstaan en deze dan in praktische taal over te brengen.

Men profeteert niet zomaar, om op te vallen, of om mee te tellen, om zichzelf waar te maken. Al dergelijke mo­tieven zijn fout. Bij het profeteren moet ons altijd de opbouw van de gemeente voor ogen staan. Er moet een gezonde belangstelling zijn voor de geestelijke ontwikkeling van broeders en zusters. Indien wij ons op de gemeente richten, dan richten wij ons immers be­wust en positief op elkaar.

In Filippenzen 2 schrijft Paulus: “….vers 1 tot en met 4 (Filip. 02:01-04), let dan niet slechts op uw eigen belang, maar ook op dat van anderen. Laat de gezindheid van Christus Jezus bij u aanwe­zig zijn”.

In 1 Korinthiërs 13 wijst Paulus er nadrukkelijk op dat alle geestesuitingen door liefde gedreven en ge­dragen moeten worden. Maken wij de gaven los van de liefde, dan maken wij deze als het ware los van God, die liefde is. Dan zal de positieve uitwerking ook achterwege blijven en de ze­gen des Heren ontbreken. Dan bewerkt men geen heil. Hoe zuiverder echter het motief: hoe ontspannener, spontaner en krachtiger de gave zal functioneren en effect sor­teren.

Voedsel voor de innerlijke mens

De mens neemt een unieke plaats in, in de gehele schepping. Wij hebben ons lichaam, onze zintuigen en ons verstand waarmee wij ons in de natuurlijke we­reld kunnen oriënteren en waarmee wij ons een plaats verwerven op aarde.

Wat nog grootser is, is on­ze innerlijke, geestelijke mens waarmee wij ons oriën­teren en een plaats verwer­ven in de onzienlijke, eeuwige wereld van God, waarin wij door wedergeboor­te bewust mogen binnengaan.

Het is zo belangrijk dat on­ze innerlijke en blijvende mens tot volle ontplooiing en volledige ontwikkeling komt. De Heer geeft ons door Zijn Woord enorme moge­lijkheden waarmee de mens innerlijk gevoed wordt en groeien kan. Het voedsel voor de geest is het Woord Gods. Jezus zegt: “Mijn woorden zijn geest en le­ven”. Zijn gedachten voeren de mens omhoog, het Konink­rijk Gods binnen. De mens komt tot geestelijke be­wustwording, tot waarachtig leven vanwege de kennis Gods. Wie God leert kennen, gaat ook begrijpen wie hij­zelf behoort te zijn, een beelddrager Gods.

De Heilige Geest belicht de mogelijkheden en bekwaamhe­den die de Schepper in de mens heeft gelegd, waardoor de mens tot een volwaardig geestelijk mens kan uit­groeien, de mens naar Gods welbehagen.

In de gemeente wordt onze geestelijke mens gevoed, opgevoed en geoefend. Wij horen daar de gedachten Gods en leren deze te grij­pen. Uit genade mogen wij ons de geestelijke rijkdom­men toe-eigenen en ervaren hoe heilzaam dit alles op onze innerlijke mens in­werkt.

Gods Geest werkt met de menselijke geest

Het is Gods wil en bedoe­ling dat wij met Hem in Zijn Koninkrijk leven. De duivel is de vader der leu­gen en hij wekt de gedachte dat God Zich voor de mensen verborgen heeft.

God echter verbergt Zich niet voor de mens. In het paradijs zien we dat de méns zich voor de Heer verstopt. Het is juist God die de mens opzoekt en vraagt: “mens, waar zijt gij?” De verloren zoon verliet zélf zijn va­der, maar de vader bleef da­gelijks uitzien naar de jon­gen, totdat hij tenslotte terugkeerde. De mens moet zelf tevoorschijn komen en terugkeren tot God.

De mens hoort bij God. Pau­lus zegt het zo geweldig in Athene bij de Areópagus Handelingen 17 vers 28 (Hand. 17:28): “In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, want wij zijn ook van Zijn geslacht”. Wij zijn van Gods geslacht. Geschapen naar Zijn gelijkenis, als Zijn beelddragers, naar Zijn aard. De begaafdheden die er in God zijn, die Geest is, schenkt Hij ook aan de mens. Het is Zijn verlangen dat de naar Hem geschapen en door Hem geschonken begaafdheden van de geest, ook in ons ontwikkeld worden.

Satan, de tegenstander heeft dit op alle mogelijke manie­ren afgeremd, want waar deze geestelijke ontwikkeling in de mens doorgaat, daar zal hij satan de baas zijn en geestelijk boven hem staan. Dan gebeurt wat de Heer in Genesis 4 vers 7 (Gen. 04:07) tot Kaïn zei: “de zonde ligt als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, maar over wie gij moet heersen”.

Satan is ook geest en hij heeft gedachten gecreëerd, leugens en dwalingen om daarmee de mens te mislei­den en op dwaalwegen te brengen. Maar dankzij de doop en vervulling met de Heilige Geest, voorziet de hemelse Vader er in, dat de aanwezige begaafdheden in de mens tot ontwaken komen. De latent aanwezige eigen­schappen of gaven van de geest worden wakker ge­maakt.

De uitingen van de Heilige Geest werken nooit buiten de menselijke geest om. Als de Heilige Geest Zich gaat uiten, ook in de gemeente, dan zal dat zijn door mid­del van de geest van de mens. De Heilige Geest speelt in, op mogelijkheden en bekwaamheden van de men­selijke geest. De Heilige Geest respecteert de mense­lijke geest, deze is Zijn partner.

Geestesuitingen komen niet zomaar automatisch en bui­ten de wil en de geest van de mens om tot stand. De uitingen van de Heilige Geest werken samen met de uitingen van de menselijke geest. De Geest van God zou in ons nooit uitingen tot stand kunnen brengen waar­toe onze geest niet in staat of niet bekwaam zou zijn. De Heilige Geest kan in de mens geen begaafdheden tot ontwikkeling brengen, indien deze er niet door de Schepper ingelegd zouden zijn. Wij kunnen een dier niet leren lezen, want die begaafdheid zit er nu eenmaal niet in. Onze geest draagt echter dezelfde rijke eigenschappen in zich als Degene uit wie wij geboren zijn. De hemelse Vader wil door Zijn Geest, alles in ons in beweging en tot léven brengen, want in Hem zijnde, leven en bewegen wij ons immers.

Profeteren

Een mens heeft de fantasti­sche mogelijkheid om te den­ken. Er worden gedachten ge­vormd, men is bezig in de onzienlijke wereld. Men kan soms aan iemand zien dat hij denkt, maar men kan niet zien wat hij denkt. Door middel van een taal kan men de gedachte verwoorden en uitspreken en trachten over te dragen.

Ook de Vader wil Zijn ge­dachten aan ons overdragen. Een zeer directe wijze waar­op de Vader dit doen kan, is de profetie. Via de Heilige Geest reikt Hij de mens ge­dachten aan en het is nu de kwestie dat de mens in zijn geest deze gedachten Gods onderscheidt. God laat het verwoorden en uitspreken van deze gedachten dan graag aan de mens over. Het is de mens die gedachten doorgeeft in de Naam des Heren. Ook in deze zin geldt dat men de Naam des Heren niet ijdel mag ge­bruiken. We kunnen denken aan Matteüs 7 vers 22 (Matt. 07:22) waar de Heer Jezus het heeft over mensen die geprofe­teerd hebben in de naam van de Here, Here, maar Hij kent ze niet.

Een profeet is iemand die spreekt op gezag van God. Het is God die spreekt door de mens, met de bewuste en vrijwillige medewerking van die mens. Hier zit geen dwang of geweld achter. Profetie kan ontstaan wan­neer iemand bewust zich daarvoor openstelt. Dat kan de Geest Gods inspireren; als het ware de menselijke geest bevruchten met godde­lijke gedachten. De profeet heeft dan de taak om deze goddelijke inspiraties om te zetten in bijvoorbeeld beelden en woorden en dit dan ook bekend te maken.

Profetie is niet het opsom­men van Bijbelteksten. Het bevat ‘openbaring’; via een gedachte kan iets onthuld worden. Misschien een stuk­je toekomst of een zekere geestelijke situatie die duidelijk wordt. In ieder geval zal het altijd de be­doeling van de Heer zijn, om door middel van profetie het volkomen herstel en de geestelijke groei te bewer­ken. Ook de mogelijke ver­maningen, de terechtwijzin­gen zullen gegeven worden tot opbouw en niet om af te breken. Daarom zullen te­vens de vertroosting, de bemoediging en aansporing tot geloof en volharding niet ontbreken, maar ken­merkend zijn voor het spre­ken Gods.

De Geest zal ons niet al­leen wijzen op God en ons herinneren aan Zijn belof­ten, maar Hij zal in ons het wezen Gods openbaren! Hij zal alles duidelijk ma­ken en elke profetie ver­vullen. Daarom, dooft de Geest niet uit, veracht het profeteren en de profetieën niet.

Streeft naar het profeteren

We zien in 1 Korinthiërs 14 vers 1 (1 Kor. 14:01) duidelijk de al­gemene oproep om te stre­ven naar het profeteren. Met een dergelijke uit­spraak legt de Heer een verantwoordelijkheid op de gemeente. Wat doen we daarmee? Wat doen wij daaraan in de praktijk? God verwacht daar iets van.

De oproep om te streven naar het profeteren is in eerste instantie voor iedereen bedoeld die ge­doopt en vervuld is met de Heilige Geest. Wij kunnen ons niet op Bijbelse grond zomaar van deze verantwoor­delijkheid ontdoen. Het is misschien gemakkelijk om het profeteren maar aan de ander over te laten, met welk argument dan ook. Nee, er ligt duidelijk die op­roep, die opdracht aan al­len. Daarnaast geeft de Bij­bel ons duidelijk te zien dat er de door God aange­stelde profeet kan zijn.

1 Korinthiërs 12 vers 28 en Efeziërs 4 vers 11 (1 Kor. 12:28 en Ef. 04:11). Die specifieke profeten-bediening.

De inbreng van de profeet moet niet onderschat worden. Hij heeft een aandeel in de bouw van de gemeente, dat kan zowel betrekking hebben op het leggen van het funda­ment, als ook op de verdere opbouw van de gemeente.

De profeet legt gedachten Gods in de gemeente. Deze gedachten kunnen richting bepalende gevolgen hebben. Mensen in de gemeente kun­nen zich aan deze gedachten vasthouden en wellicht om­hoog trekken. De profeet geeft immers rechtstreeks van God ontvangen gedachten door aan de gemeente.

Het kan ook gebeuren dat een iemand in de gemeente de gedachten die door de profeet werden uitgesproken, verder zal belichten en uit­werken voor de gemeente. De profeet heeft in geestelijk opzicht een leiding gevende taak in de gemeente.

In de praktijk kan ener­zijds de inbreng van de pro­feet wel eens overdreven aandacht krijgen (misschien zelfs meer dan de gezonde prediking), anderzijds wor­den profetieën wel eens te snel en oppervlakkig geklas­seerd. De Heer geeft in Zijn liefde en genade soms rake waarschuwingen en be­langrijke aanwijzingen, die dan niet eens worden opge­merkt, dus zeker niet wor­den verwerkt.

Streven naar het profeteren, is niet in de eerste plaats “streven om namens de Heer tegen de gemeente te spré­ken”. Profeteren begint met zwijgen, met luisteren. Wie niet kan luisteren, mag ook niet profeteren. Luisteren naar wat de Géést tot de ge­meente wil zeggen. Luiste­ren naar de inspiraties van de Geest en letten op Zijn aanwijzing om het aan de gemeente door te geven.

Toetst de profetieen

De gelovige die in de ge­meente profeteert, zal van af het moment dat hij of zij gedachten uitspreekt, zich ook onderwerpen aan de toetsing. Het toetsen zowel van het “woord” als van de “geest”, is bijbels en nood­zakelijk. Noodzakelijk, om­dat de Bijbel ons ook heel reëel wijst op de mogelijk­heid van valse profetie en valse profeten. Natuurlijk moeten we daar niet vanuit gaan, maar mogen het toch wel in het oog houden. Pau­lus wijst er op dat het “gesprokene” beoordeeld dient te worden 1 Korinthe 14 vers 29 (1 Kor. 14:29).

En Johannes wijst erop dat ook de “geest” beproefd moet worden of zij uit God is, want zegt hij dan, “ve­le valse profeten zijn in de wereld uitgegaan” 1 Johannes 4 vers 1 (1 Joh. 04:01). In 2 Thessalonicenzen 2 waarschuwt Paulus dat men zich niet te spoedig in on­rust moet laten brengen of de bezinning moet verliezen, zelfs niet door een geestes­uiting. Zien we wat een geestesuiting, dus ook profe­tie, kan bewerken in een ge­meente .

Een profeet moet kunnen on­derscheiden tussen goed en kwaad. Hij moet selecteren in de geestelijke wereld. Als het geloofsleven met dwalingen is verweven dan zal ook het profeteren met dwaling worden besmet. In Romeinen 12 vers 7 (Rom. 12:07) staat: profetie, naar gelang van ons geloof”, in een andere vertaling staat: “overeen­komstig uw geloof”.

Profetie heeft te maken met geloof. En geloof heeft te maken met kennis van God, van Zijn plan en van de on­zienlijke wereld. Geloof is immers niet gericht op het zichtbare, maar op het on­zichtbare. Is het inzicht onzuiver, dan kan ook het profeteren onzuiver zijn. Het is immers profetie naar gelang of overeenkomstig geloof. Hoe zuiverder het inzicht, hoe zuiverder de profetie. Zodra iemand een profetie uitspreekt in de gemeente, worden degenen die luisteren er bij betrok­ken. Vanaf dat moment wor­den zij medeverantwoorde­lijk voor de inhoud, ten eerste is er sprake van het beoordelen en ten tweede zal de gemeente ook op de goddelijke inhoud van dit Woord Gods moeten ingaan.

In de praktijk kan het ge­beuren dat er helaas niets meer met de inhoud van de profetie wordt gedaan nadat deze is getoetst. Zelfs het toetsen van de inhoud valt dan nog volledig onder de verantwoordelijkheid van de oudsten. De goedgekeurde profetie verdwijnt in de verzamelmap, men wacht ver­der rustig af en ziet uit naar de volgende profetie. Dit is niet juist en kan een oorzaak zijn dat de Geest wordt gedoofd en de profe­tieën verdwijnen, terwijl de Bijbel zegt dat de profe­tieën pas afgedaan zullen hebben wanneer het volmaakte komt.

Zo lijkt het profeteren een doel op zichzelf, in plaats van een door de Geest ge­bruikt middel om Gods volk naar herstel, groei en vol­komenheid te leiden. Als het volmaakte komt, dan zullen profetieën afgedaan hebben, dan zal alles vervuld zijn waar de profetieën over spreken.

Het doel der profetieën

“Het getuigenis van Jezus is de geest der profetie”, le­zen wij in Openbaring 19 vers 10 (Openb. 19:10). Eén van de laatste uitspraken van de Heer Jezus voor Zijn hemelvaart was: “Gij zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn”. Wij kunnen over Jezus getuigen. Over alles wat Hij vroeger deed en ook nu doet. We mogen elkaar en anderen volop over Hem vertellen.

Er is in het nieuwe testa­ment echter ook sprake van het getuigenis van Jezus. Dus het getuigenis dat Hij zelf gaf. Wat was dat getui­genis van Jezus? Hij getuig­de niet van Zichzelf, in Johannes 5 vers 31 (Joh. 05:31) zegt Hij zelfs: “Indien Ik van Mij­zelf getuig, is Mijn getui­genis niet waar”.

“Wat Hij van de Vader ge­zien en gehoord heeft, dat getuigt Hij. Wie zijn getui­genis aanvaardt, heeft beze­geld, dat God waarachtig is” Johannes  3 vers 32 en 33 (Joh. 03:32-33).

In zijn spreken en werken getuigde Jezus van de Vader. Hij openbaarde daarin scherp en duidelijk Wie God is, enkel goed en goeddoen­de. Jezus zei vrijmoedig: “Ik heb een getuigenis, ge­wichtiger dan dat van Johan- nes; want de werken die Ik doe getuigen van Mij dat de Vader Mij gezonden heeft”. Hij zei terecht: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Va­der gezien”.

Ditzelfde getuigenis van Je­zus, de zuivere openbaring van de Waarachtige God, zal door de geest der profetie bewerkt worden in allen die aandachtig horen wat de Geest tot de gemeente zegt en dit in Zijn kracht ook naleven. De Geest openbaart hen alle geheimenissen. Zo komt er meer tevoorschijn dan wat wij over Jezus te vertellen hebben. Dan komt het getuigenis van Jezus naar buiten, namelijk het wezen van de waarachtige God! Hij wordt verheerlijkt op die dag in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd in allen die tot geloof ge­komen zijn, want ons getui­genis heeft geloof gevonden bij u 2 Thessalonicenzen 1 vers 10 (2 Thess. 01:10).

In de eindtijd zullen zij die het getuigenis van Jezus hebben een sleutelpositie bekleden. In Openbaring 11 vers 3 (Openb. 11:03) zien we dat de getui­gen de opdracht krijgen om te profeteren. Zij blijken grote autoriteit in de gees­telijke wereld te bezitten. Gedurende de dagen van hun profeteren hebben zij macht de hemel te sluiten en macht over de wateren en de aarde Openbaring 11 vers 6 (Openb. 11:06) .

Zij openbaren in hun denken, spreken en handelen de macht van God. Omwille van al deze activiteiten zal het beest hun de oorlog aandoen (vers 7). Ook de draak wordt toornig en voert oorlog te­gen hen die de geboden van God bewaren en het getuige­nis van Jezus hebben, lezen we in Openbaring 12 vers 17 (Openb. 12:17)

Maar mede dankzij het woord van hun getuigenis dat zij in de kracht Gods weten te gebruiken als hun zwaard des Geestes, zullen zij sa­tan overwinnen.

En alles loopt uit op één groot feest, de bruiloft des Lams, zoals beschreven in Openbaring 19. Daar staat één zaak centraal. Alle aandacht en alle activiteiten zullen op dat éne thema gericht zijn:

“De aanbidding van God!”

 

Waar gaat het om? door Gert Jan Doornink

Nog niet zo lang geleden werd ik getroffen door de slogan: “Het gaat niet alleen om Jezus!” welke was aange­bracht op het podium in een samenkomst. Ieder kind van God kan daar uiteraard vol­mondig mee instemmen, want waar Jezus niet centraal staat, daar is iets mis.

Toch kan een leuze als deze vraagtekens oproepen en ik geloof dat het goed is daar even bij stil te staan.

Want als we zeggen: “Het gaat alleen om Jezus”, moe­ten we wel duidelijk weten wie Hij was, wat Hij deed en wat Zijn bedoeling is. We kunnen er geen Jezus naar eigen denkbeelden op na houden en dat komt helaas veel voor. En als deze denkbeelden in over­eenstemming zijn met de wil van God, zou het niet erg zijn, maar vaak worden ze beïnvloed uit de verkeerde bron.

Dat kwam trouwens ook in Bijbelse tijden al voor. Paulus spreekt in Galaten 1 over “een ander evangelie, dat geen evangelie is”. Het verbaasde hem dat sommigen zich afkeerden van het oor­spronkelijke en echte evangelie, zoals Jezus dat ge­bracht had en later door de apostelen werd overgenomen. De Hebreeënbrief verwoordt op duidelijke wijze wie Je­zus is, namelijk “de afdruk van Gods heerlijkheid en de afstraling van Zijn wezen”. Zo openbaarde Hij zich in deze wereld: Hij bracht de boodschap van Gods Konink­rijk, niet als een theorie, maar als een levende werke­lijkheid. Mensen die in ’t geloof tot Hem kwamen wer­den volkomen bevrijd uit satans macht. Zoals bij­voorbeeld op duidelijke wijze door Petrus werd uitgesproken: “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd wa­ren; want God was met Hem” Handelingen 10 vers 38 (Hand.10:38).

En Hij is Dezelfde vandaag! “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” Hebreeën 13 vers 08 (Heb. 13:08). Hij wil ook nu mensen vernieu­wen en herstellen, zodat Zijn volmaakte beeld in, hen die Hem volgen weer volko­men zichtbaar wordt. Dat is Gods wil. Om die Jezus gaat het!

 

Al zou de vijgenboom niet bloeien…. door H. J. Scholten

Het grote geloof van Habakuk

“Al zou de vijgenboom niet bloeien….” Als we deze woorden horen uitspreken, denken we onmiddellijk aan het laatste gedeelte van de profeet Habakuk. Het geloof van deze profeet is gaande­weg gegroeid en tot een zeer grote hoogte gekomen, want wie zegt het Habakuk vol geloof na?

In de grootste benauwdheid blijft Habakuk het van zijn God verwachten en gelooft zonder meer in een grote verlossing. Maar verlossing kan soms lang op zich laten wachten en dan kan men de moed laten zinken en de klacht wordt geboren: Zou God ook weten van mijn droe­vig lot?

In Habakuk 2 vers 3 (Hab. 02:03) staat:

“…. als het vertoeft, verbeid het want komen zal het gewis”. Temidden van het geweld is er een vei­lige schuilplaats. Er is een heiligdom waar de storm niet kan komen, waar alles rustig en stil is. Op die plaats wordt het geloof in de bevrijdende God ver­sterkt, want Hij trekt uit tot redding van Zijn volk, tot redding van Zijn gezalf­de Habakuk 3 vers 13 (Hab. 03:13).

Maar wat moeten we dan zo­lang doen? Als de stormen tekeer gaan en het onheil je omringt? Als je het ge­voel krijgt: ik red het niet, ik ga ten onder?

Habakuk leefde in een tijd van grote schaarste en dat was een weerspiegeling van de erbarmelijke geestesge­steldheid van het volk Is­raël. Wilde men vijgen plukken, er was er niet één te vinden. Wilde men druiven plukken, er was geen trosje te bekennen. Een en­kele olijf kon men bijeen- halen, maar het was niet ‘om over naar huis te schrijven’. Dor en uitge­droogd lagen de akkers er bij. De laatste schapen en runderen waren geslacht. Ar­moe troef! Ze konden niet eens meer een schaap of rund slachten om God een brandoffer te brengen. De verbinding met God was daar­door verbroken en het was allemaal troosteloze ellen­de. En ga dan juichen. Dat kan geen zinnig mens van je verlangen.

Lofzangen temidden van de nood

Het hele derde hoofdstuk van deze profeet is een ge­bed. Er staat zelfs boven: Op Sjigjonoth. Dit woord is een meervoud van het woord ‘Sjiggaion’ en betekent: verheven lofzangen. Deze lofzangen zijn aaneengere­gen tot een wonderbaar ge­bed. Habakuk weet wie zijn God is want hij begint in vers 1 te zeggen: Here, ik heb de tijding aangaande U vernomen.

Hij heeft kennis gekregen van de levende God en bidt dat deze kennis in de loop der jaren tot leven geroepen wordt en geopenbaard wordt de loop der jaren (vers 2). Hier zien wij ook een groeiproces bij Habakuk, een proces van vernieuwing van denken. Habakuk bezat kennis van Gods gedachten. Hij wist: God zal het er niet bij laten zitten. God is een verlossende en be­vrijdende God en Zijn wegen zijn wonderbaar. Het zijn wegen van heiligheid en liefde “reikende tot het kostelijkste der eeuwige heuvelen” Genesis 49 vers 26 (Gen. 49:26).

Maar voorlopig is er nog geen sprankje licht te ont­dekken. Het lijkt wel of God zich verborgen houdt. “De zon, de maan treden terug in hun woning” (vers 11).

Is er dan bij Habakuk geen enkele vrees te ontdekken? Hij is toch ook een mens van vlees en bloed? Kende Habakuk dan geen enkele angst? Was hij een supermens? Neen, ook het binnen­ste van Habakuk kon beven. De machten der duisternis stormden op hem af en dach­ten hem juichend te ver­pletteren. “Toen ik het hoorde, beefde mijn binnen­ste; op het gerucht daarvan sidderden mijn lippen; be­derf kwam in mijn gebeente en ik beefde op de plaats waar ik stond”(vers 16). Gelukkig, we hebben toch met een normaal mens te doen. Maar het beven van Habakuk ontstond omdat hij het toneel van het einde voor ogen geschilderd kreeg. Hij had niet voor niets een pro­fetische blik gekregen.

Toch begreep hij dat God het eeuwige heil voor Zijn volk op het oog had en hij mocht doordringen in de gedachten Gods. En Jeremia had toch ook iets geprofeteerd over de gedachten van God en wel dit: “Ik weet, welke gedach­ten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedach­ten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven” Jeremia 29 vers 11 (Jer. 29:11).

Dat gaf grote rust aan het hart van Habakuk en hij kon zeggen: “Toch zal ik rustig afwachten de dag der be­nauwdheid”. Jeruzalem, het volk van God zal bestormd worden door de vijanden, maar God trekt uit tot red­ding van Zijn volk. Habakuk was tot diep in zijn ziel doordrongen van Gods barm­hartigheid en liefde en dat gaf hem rust voor zijn ziel.

Het geheim van het ware geloof

Van uit die rust begint hij te jubelen en hier zien wij het geheim van het ware ge­loof in God. Hij aanvaardt met zijn hele hart de ver­lossing en gaat er geheel en al uit leven. “Nochtans zal ik juichen in de Here, jubelen in de God van mijn heil”(vers 18).

Dit kon Habakuk van harte uitroepen omdat God Zélf zijn erfdeel was. Al zou al­les hem ontbreken, hij bleef in het bezit van zijn God. Ook voor Habakuk was het diepe nacht maar hij had een God “die lofzangen geeft in de nacht”. En hij is niet beschaamd uitgeko­men want later mocht hij zijn gebed in liedvorm door­geven om het met begelei­ding van harp en citer te zingen. En wij zingen ook het lied van de vijgeboom:

“Al zou de vijgeboom niet bloeien, –

geen opbrengst aan de wijn­stok zijn;

toch zal mijn beker over­vloeien, –

want Jezus schenkt mij vreugdewijn”.

We zullen het blijven zin­gen omdat wij met de Geest van onze God zijn vervuld. Deze geest tilt ons boven alles uit en doet ons onze hoogten betreden. Omdat wij de dingen zien, die eeuwig zijn, halleluja!

En die dingen kunnen maken dat wij reeds gaan lofprij­zen aleer wij het beloofde ontvangen hebben. Voor de wereld is dit grote dwaasheid maar voor het gelovige hart een diepe rijkdom.

Habakuk had wel gebeden dat God de kennis omtrent Hem tot leven zou brengen en het openbaar zou maken in de loop der jaren. Daarin is Habakuk verhoord geworden en ook wij zullen verhoord wor­den als wij eerst maar kunnen zeggen: Ik heb de tij­ding aangaande u vernomen.

Van Habakuk kunnen we leren wat ook Paulus in de Romei­nenbrief later aanhaalt: “…. maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven” Romeinen 1 vers 17 (Rom. 01:17).

Het geloof in Gods liefde geeft toegang tot het hemel­se heiligdom om daar tot diep in je ziel te ervaren: De Here Here is mijn kracht. Halleluja!

 

Het onderpand door Piet Snaphaan (gedicht)

O, volheid van Gods Geest, u bent voor ons gekomen,

U vult ons met Uw kracht en heerlijkheid,

Wij zijn Uw tempel, waar U in wilt wonen,

U bent een Gids, waardoor wij zijn verblijd.

 

O, volheid van Gods Geest, waaruit wij mogen nemen,

Wij putten uit U telkens nieuwe moed,

U wijst de weg, en helpt ons in problemen,

U leerde ons verstaan, dat God is enkel goed.

 

O, volheid van Gods Geest, U bent voor ons een zegen,

U leerde ons te zien, dat Jezus is Gods Zoon,

U toonde ons de weg, de waarheid en het leven,

Nu is Hij bij de Vader op de troon.

 

O, volheid van Gods Geest, U bent een bron van leven,

Wij zien in U een kracht als een fontein,

Om levend water door te kunnen geven,

En zo vol van Gods heerlijkheid te zijn.

 

O, volheid van Gods Geest, U helpt ons in de strijd,

U richt ons op Gods plan, U brengt ons tot bezinning,

U bent voor ons een kracht en trooster t’ allen tijd,

U leidt ons op de weg, die voert naar overwinning.

 

O, volheid van Gods Geest, U vormt ons in ons streven,

U leert ons Gods gedachten te verstaan,

Wij hebben U als onderpand gekregen,

Om zo de Hoge Weg te kunnen gaan!

 

Hoe voeden wij onze kinderen op? -2- door Folkert Pool

Wees consequent

In de opvoeding is het be­langrijk consequent te zijn in het begeleiden van de kinderen, ze ook de wetma­tigheid van oorzaak en ge­volg te leren en ze te le­ren leven met de gevolgen van hun beslissingen. Als een kind zegt: “Ik lust dit niet, ik eet mijn bordje niet leeg”, dan kun je zeg­gen dat het dat niet hoeft, maar dat het dan niet eer­der iets krijgt dan om zes uur ’s avonds. Dan geef je niet tussendoor twee, drie koekjes. Dan leer je ze al heel jong te leven met de gevolgen van de eigen be­slissingen. Dat is dan na­tuurlijk verschillend voor allerlei leeftijden; je moet het zelf allemaal in­passen, maar je leert ze zo al jong dat een beslissing ook altijd een gevolg heeft.

Daarin moet je consequent zijn, ook als vader en moe­der samen consequent zijn door één lijn te trekken, zelfs al zou je het niet met elkaar eens zijn. Dan nóg dien je achter elkaar te blijven staan, anders kweek je chaos en onrust, en daardoor komt het in een vacuüm terecht. Dat kun je een kind niet aandoen, want dat is frustrerend en be­schadigend voor hem.

Consequent zijn in de op­voeding is belangrijk, maar in de eerste plaats zul je het moeten zijn voor jezelf. Je kunt niet zeggen dat je consequent bent voor je kind, wanneer je (als regel hebbend dat alles wat op tafel komt gegeten wordt) zelf eens iets hebt wat je niet aanstaat, en dat dan laat staan of gauw op het aanrecht gaat zetten. Derge­lijke dingen kun je natuur­lijk nooit maken. Wat je aan het kind wilt overbrengen, zul je in de eerste plaats zélf in de praktijk moeten brengen. Bij dat consequent zijn kun je bijvoorbeeld een opdracht geven: “Wim, ruim je speelgoed even op!” En dan doet Wim dat als het hem past.

Geen drie fasenopvoeding

Hoe begeleid je dat dan ver­der? Er zijn heel veel men­sen die hun kinderen in een soort drie-fasen opvoeding grootbrengen. Zij zeggen: “Wim, ruim je speelgoed even op!” en dan zeggen ze het nog een keer, en nog eens… tot ze het beu zijn en zeg­gen: “Wel verdraaid, ruim je je speelgoed nou eens op of niet?” Maar Wim weet precies (want hij is opgevoed in die drie fasen) dat hij het niet hoeft te doen, dat ze nog niet bij die derde fase zijn – en dus rommelt hij rustig nog wat door. En dan komt het: “Wim, als je het nóu niet doet, dan krijg je toch een pak voor je broek”, of: “…. dan krijg je geen eten”, of: “…. dan moet je gelijk naar bed”. Dan zit je in de derde fase en dan denkt Wim: Nou moet het maar wezen! Want hij weet dat je het altijd zo doet.

Je hebt mensen waar altijd een hoop lawaai en ge­schreeuw in huis is en dat is dan in wezen een gevolg van de drie-fasen opvoeding. De kinderen weten dat en het eerste gaat daarom over ze heen, de brij is nog niet zo heet, denken ze. Ze wachten gewoon op de derde fase.

Leer de kinderen jong dat wat je zegt, ook moet ge­beuren. Als ze heel jong zijn, kun je beginnen met: “Zullen we samen je speel­goed opruimen?” Maak er een spelletje van. Maar als ze wat ouder zijn, en Wim moet voor het eten z’n speelgoed opruimen en Piet moet z’n handen wassen, moet je erop toezien dat het ook gebeurt. Want opvoeden is niet al­leen een kwestie van even iets zeggen en nu moet het gebeuren…. want ik heb het gezegd! Nee, dan moet je erop toezien dat het vijf minuten later ook ge­beurd is, en (als ze het vergeten zijn) ze daar dui­delijk bij bepalen. Je moet dat niet te strak doen, maar toch wel erop toezien dat het gebeurt. Anders heeft het geen effect, geen resultaat. Je kunt allerlei regeltjes maken, zoals: op­ruimen, je handen wassen voor het eten of je kamer opruimen, maar ik denk dat het heel goed is zo weinig mogelijk regels te hebben, maar dat de regels dié je hebt wel toegepast worden. In het verkeer is er een re­gel: stoppen voor rood licht. Doet men dat niet, dan krijg je een chaos. Je moet er erg in hebben de kinderen niet doof te maken voor de regels die je ge­steld hebt. Niet door de drie-fasen opvoeding, maar ook niet door ze te betutte­len, of altijd maar op te jutten door kreten als: Pas op! Zit nou recht! Blijf er vanaf! Doe dat nou niet! Die uitroepen hoort een kind na verloop van tijd niet meer. Mensen die dergelijke dingen steeds zeggen, zijn de kinderen eigenlijk te­veel, ze zijn hun tot een last.

Waarom heb je kinderen en waarvoor wil je ze opvoeden? Het is belangrijk dat wij in rust en harmonie leven – met de Heer en met elkaar – en dan is ook opvoeden in de eerste plaats een kwestie van harmonie, van geest en van kracht.

Drie belangrijke dingen

Bij de opvoeding zijn er drie dingen die erg belang­rijk zijn om aandacht aan te besteden: de drie o’s. Opvoeden is namelijk een kwestie van onderricht, van oefening en van overdracht. Je kunt het de kinderen nog zo goed leren, ze nog zo goed onderrichten in aller­lei dingen en zeggen: zó moet je lezen of je moet zus of zo doen, maar als je die twee andere zaken vergeet (de oefening en de over­dracht) , komt er niets van terecht.

Neem bijvoorbeeld David: die verweet z’n kinderen niets. Er staat van Adonis geschre­ven dat het helemaal mis ging, ” . . . . en David verweet hem niets over zijn daden”. Hij had hem in ’t geheel niet opgevoed. Je kunt dan denken dat hij hem dus geen onderricht had gegeven, maar iemand als Eli had z’n zo­nen wel onderricht en hij sprak hen er wel over aan, maar het had niet het ge­wenste resultaat.

Eli zei: “Jongens, dat komt niet goed! Jullie zondigen niet alleen tegen het volk, maar ook tegen de Heer; dat moeten jullie niet doen”. Hij gaf ze wel onderricht, maar de jongens trokken zich er niets van aan. We kunnen daaruit leren dat je de kinderen met onderricht alleen niet wint, maar het is natuurlijk wel een onder­deel van de opvoeding.

Onderricht is heel belang­rijk, en even belangrijk is het dat je het er samen over eens bent. Het is heel goed . . . om als ouders samen te praten over de kinderen. Je kunt zeggen dat je het zo druk hebt met de gemeente: morgenavond is er weer een bidstond, je moet je voorbe­reiden voor zondag of voor de Bijbelstudie, maar ik geloof dat de Heer helemaal niet wil dat onze kinderen er bij inschieten of dat ze op het tweede plan komen. Het is van groot belang tijd te nemen voor die kinderen – ook tijd te gebruiken om sa­men te kunnen begeleiden, om daar samen aandacht aan te kunnen besteden. De discipe­len waren druk met de vraag: wie wel de grootste was in het Koninkrijk der hemelen en ze bestraften de moeders opdat zij de kinderen weg zouden brengen, maar Jezus zegt: Verhindert ze niet! Laten we in ons eigen leven eens nagaan of er niet veel gebeurt waardoor we de kin­deren verhinderen om op la­tere leeftijd Hem te volgen.

Gezonde zelfwaardering

Dan de oefening. Als je kin­deren alleen onderricht geeft en ze niet oefent, groeien ze nooit tot per­soonlijkheden en komen ze nooit tot een gezonde zelf­waardering. Je kunt ze bij­voorbeeld zeggen dat het be­ter is te geven dan te nemen en dat het goed is ook eens iets voor een ander te doen: dat is dan onderricht – goed onderricht zelfs! – maar als je ze nooit oefent zullen ze dat niet in praktijk weten te brengen.

Een inleider op een conferentie van de Navigators zei eens: “Hoe kun je kinde­ren tevredenheid bijbrengen als ze nooit iets behoeven te missen? Hoe zelfbeheer­sing als ze nooit eens te­leurgesteld worden? Hoe kun je ze volharding leren als ze nooit eens moe worden? Hoe mededeelzaamheid als ze nooit iets hoeven te delen? Hoe zelfrespect als ze nooit iets hoeven te presteren? En hoe kun je voldoe­ning inbouwen als ze nooit iets gepresteerd hebben door zich daarvoor in te span­nen? “

Dit zijn allemaal dingen die je je eigen maakt door oefe­ning. We leven nog altijd in een tijd van grote wel­vaart. Je koopt maar een af­wasmachine en een grote motormaaier voor de tuin, je gaat naar de wasserette om je auto te wassen… en in wezen ontneem je je kinderen de mogelijkheden zich te oefenen in het dienen. Na­tuurlijk is er niets op het bezitten van die apparaten tegen, maar het is goed voor een jongen van 12, 13 jaar om het gras te maaien en het is goed voor de kinderen om regelmatig af te wassen. In deze tijd van welvaart is het eigenlijk moeilijker dan voorheen om de kinderen goed op te voeden.

Vroeger was het dikwijls noodzakelijk dat de kinderen hielpen, tegenwoordig moet je het uit principe doen. Je wilt dat ze dat leren en zich daarin oefenen. En dan is het zelfs niet meer zo belangrijk wat ze allemaal leren op school en of ze wel op een school gaan die hoog genoeg voor hen is. Opvoeden is veel meer een kwestie van karaktervorming.

Laatst sprak ik met mensen die ook een paar kinderen hebben. Ze vertelden me dat die nooit in de huishouding mee behoefden te helpen. Na het eten gingen ze naar bo­ven om te leren, want ze za­ten voor hun examen. Alle­maal om de cijfers, en in­tussen doe je de kinderen tekort, beslist waar! Die cijfertjes komen toch wel, nadat ze geholpen hebben, want kinderen hebben genoeg tijd. Ik heb liever dat mijn kinderen met een zeven dan met een negen van school komen, als dat hoge cijfer ten koste van hun vorming gehaald zou moeten worden. Karaktervorming is veel en veel belangrijker dan hoge cijfers op school en een ho­ge plaats op de maatschappe­lijke ladder.

Je zult daarbij de kinderen veel ruimte moeten geven in dat oefenen. Als je ze laat afwassen en er breekt wat van je mooie servies, moet je je niet kwaad maken, want dan val je natuurlijk vanuit je eigen opvoeding al uit de boot. Als je de kinderen laat oefenen, kan er altijd wel eens iets verkeerd gaan (dat heb je altijd bij het oefenen), maar dan moet je daarvoor ook de ruimte in­bouwen in je hart.

Op elkaar toezien

Dan de overdracht: daarvoor is het noodzakelijk dat je hun het goede voorbeeld geeft. De Here Jezus zei na de voetwassing van de dis­cipelen: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij doet, gelijk Ik u gedaan heb… Indien gij dit weet, zalig zijt gij als gij het doet”. We was­sen elkaar misschien vaak de oren, maar de Heer zoekt voetenwassers, Hopelijk be­grijpt u wat ik bedoel.

Met het goede voorbeeld stellen alleen, ben je er ook nog niet. Oefenen is eigenlijk nog het sterkste element in de opvoeding, waarbij ik zou willen op­merken dat de drie o’s eigenlijk niet van elkaar losgemaakt kunnen worden. Op gehaktdag kun je zelf wel altijd de grootste bal weggeven dan eet Jantje altijd de grootste, maar daardoor geeft Jantje later nog niet altijd de grootste gehaktbal weg! Je hebt dan wel het goede voorbeeld gegeven, maar als daar geen oefening bij is, in de zin van dat je Jantje ook eens laat delen, dan leert hij het niet en dan zal hij het zelf niet in praktijk brengen. Het is daarbij belangrijk dat je als ouders ook op elkaar toeziet. Dat je ten opzichte van elkaar een positieve instelling hebt en ook van elkaar positieve kritiek kunt verdragen. En Als de ander eens iets zegt of doet waar jij het niet mee eens bent, dat je dan ’s avonds als de kinderen naar bed zijn, het samen doorpraat, dat je dan zegt, kunnen we dat niet beter zus of zo doen? Zodat je samen een opvoeding geeft waar eenheid, kracht en harmonie vanuit gaat. Dan zal het de kinderen goed gaan. Slot volgt.

 

Het verzet tegen het volle evangelie door Gert Jan Doornink

Een van de zwaarste beschuldigingen die tegen Jezus werden ingebracht, tijdens zijn bediening op aarde, was dat hij geesten uit dreef door de overste der boze geesten. Matteüs 9 vers 33, Matteüs 12 vers 22 tot en met 30, Markus 3 vers 22 en Lucas 11 vers 13. (Matt. 09:33; Matt. 12:22-30; Mark. 03:22; Luc. 11:13) Deze beschuldiging werd geuit door de farizeeën, maar uiteraard was de achtergrond een geraffineerde afleidingstactiek van de duivel, die de aandacht voor het herstellende werk van Jezus wilde aftrekken en op zichzelf wilde vestigen. Jezus zelf, hun gedachten kennende, zoals Mattheüs er zo duidelijk bij vermeld, rekende echter op ondubbelzinnige wijze af met deze zware aanklacht. Hij zei: Iedere Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. En indien de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; Hoe zal dat zijn koninkrijk kunnen standhouden? En indien ik door Beëlzebul de boze geesten uitdrijf, door wie doen uw zonen het dan? Daarom zullen zij rechters over u zijn. Maar indien ik door de geest Gods de boze geesten uitdrijft, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen. Matteüs 12, vers 25 tot en met 28 (Matt. 12:25-28).

In verkeerd vaarwater.

Vandaag zien wij precies hetzelfde gebeuren. Nu de openbaring van het Koninkrijk Gods in de ware gelovigen begint te groeien. Langzaam maar zeker gaat deze tevoorschijn komen, komen er weer allerlei zware beschuldigingen voor de dag. Oma uiteraard, afkomstig uit de koker van de duivel. Kinderen Gods die de volle boodschap afwijzen, Laten zich misbruiken door de duivel, tot de schade en schande van hun eigen geloofsleven overigens, want wie zich verzet tegen de boodschap zoals Jezus en de apostelen die brachten, zit in verkeerd vaarwater.

Nu is het goed er aandacht voor te hebben dat ondanks het feit dat in dit verzet altijd satan de hand heeft, verschillende achtergronden daarbij een rol spelen. Dat was ook al zo in de dagen van Jezus en de eerste gemeenten. De tegenstand van de farizeeën en Schriftgeleerden kwam voort uit het feit dat men weigerde eigen posities prijs te geven. Men sprak over God en godsdienst, maar weigerde Jezus te aanvaarden. Door hun volharding In de ongehoorzaamheid, bleven ze bezet gebied van de boze, vandaar dat de vrome geesten in hen zich fel verzetten tegen de bediening van Jezus. De tegenstand die de discipelen echter van tijd tot tijd openbaarden, kwam weg uit ongeloof en gebrek aan kennis en inzicht. Zij kwamen echter langzaam maar zeker tot voller geloof en op de Pinksterdag, toen zij vervuld werden met de Heilige Geest. Drama kwam de volle Openbaring van Gods kracht in hun leven naar buiten, en veegde ieder restant van vrees en ongeloof opzij.

Nu zal elk kind van God, vandaag in de vrijheid en overwinning van Jezus mag staan, kunnen getuigen hoe ook hij langzaam maar zeker geestelijk gegroeid is. Hoe hij losgemaakt is uit verkeerde leringen, ge­bondenheden, etc. En hoe hij wat kennis en inzicht betreft, betrokken is bij een groeiproces wat nog da­gelijks doorgaat.

Een belangrijke taak

Ieder waarachtig kind van God heeft de belangrijke taak het evangelie van het Koninkrijk door woord en daad te verkondigen. Niet alleen aan ‘de wereld’, Maar ook aan de kinderen Gods, die nog niet in de vrijheid en overwinning van Jezus staan.

We moeten ons daarbij niet te gauw laten afschrikken als men soms met de meest felle beschuldigingen de boodschap afwijst en in een verkeerd daglicht probeert te plaatsen. We weten waar dit weg komt en…. in heel veel gevallen hebben we zelf ook zo gehandeld, het­zij uit onwetendheid of uit ongehoorzaamheid.

Er zijn er uiteraard ook die de duisternis liever blijven hebben dan het licht, die de volle bood­schap welke ook voor hen een volledig herstel en ver­nieuwing naar de wil van God zou kunnen bewerkstelligen, blijven afwijzen. Maar er zijn er ook die langzaam maar zeker tot ontwaken ko­men. De oprechten van hart zal het licht opgaan.

Laten we blij zijn dat de waarachtige eindtijdgemeente geleidelijk aan tot volle openbaring gaat komen. En dat het verzet uit het rijk van satan dat niet kan be­letten. Integendeel, we worden er sterk en krachtig van. Daar worden we trouwens ook toe opgewekt: ” Voorts weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht…” Efeze 6 vers 10 (Ef. 06:10).

Laten we bedenken dat de wapenen van onze veldtocht niet vleselijk zijn, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken 2 Korinthe 10 vers 4 (2 Kor.10:04). Wij mogen ge­tuigen van de volheid van Jezus die in ons is, dwars tegen de aantijgingen van de vijand in, want we heb­ben de wapenen der gerech­tigheid in onze rechter- en in onze linkerhand 2 Korinthe 6 vers 7 (2 Kor. 06:07).

Het verzet tegen de bood­schap en de bediening van Jezus deerde Hem niet. Hij was er immuun voor. Dat kun­nen ook wij zijn want in Hem zijn wij onaantastbaar!

 

1982.04 nr. 225

Levend geloof 1982.04 nr. 225

Van Pasen naar Pinksteren door Gert Jan Doornink

“Jezus heeft Zich na zijn lijden (en opstanding) met vele kentekenen levend vertoond aan de apos­telen, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft” Handelingen 1 vers 3 (Hand. 01:03).

Het tijdperk van de verschijningen

De periode tussen Pasen en Hemelvaartsdag wordt wel het tijdperk van de verschijningen genoemd. Er zijn nog al eens kinderen Gods die met deze veertig dagen niet goed raad weten en zich af­vragen waarom deze tijd noodzakelijk was. En dan ook nog gevolgd door de tien dagen na Hemel­vaartsdag als de discipelen te Jeruzalem moeten wachten op de uitstorting van de Heilige Geest. Wie echter de Bijbel met geestelijke ogen leest – wat trouwens altijd de voorwaarde is om Gods Woord te kunnen verstaan – bemerkt al spoedig dat deze periode zeer belangrijk was en ook voor ons als eindtijdgemeente van grote betekenis is. In de eerste plaats verscheen Jezus om daarmee te bewijzen dat Hij uit de dood was opgewekt!

Want hoewel Hij Zijn lijden, dood en opstanding menigmaal had aangekondigd, wasser geen enkele discipel die werkelijk had geloofd dat het zo zou gebeuren. Denk aan Maria van Magdala, de eerste aan wie Jezus na Zijn opstanding verscheen, die Jezus eerst aanzag voor een tuinman! Van de discipelen die het graf leeg aantroffen staat geschreven: “Zij kenden de Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan” Johannes 20 vers 9 (Joh. 20:09). Dit niet kennen van de Schrift duidt op ongeloof, op ‘ongeestelijkheid’. Jezus verscheen daarom nog heel vaak om zich als de Levende te vertonen. Paulus geeft er een opsomming van in 1 Korinthiërs 15 vers 3 tot 8 (1 Kor. 15:03-08).

Van lichamelijke naar geestelijke aanwezigheid

Het tweede aspect wat door de verschijningen in deze periode de aandacht behoort te krijgen is het feit dat Jezus Zijn discipelen voorbereidde op de nieuwe periode die zou gaan aanbreken: Een periode waarin Hij niet meer lichamelijk aanwe­zig zou zijn, maar alleen geestelijk. Ook Maria van Magdala moest dat leren. Zij wilde Jezus vasthouden, toen ze Hem herkende, maar Jezus sprak: “Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader”. Eerder had Hij tot Zijn discipelen gesproken: “Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster (de Heilige Geest) niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik hem tot u zenden” Johannes 16 vers 7 (Joh. 16:07).

In onze dagen hoor je nog al eens de opmerking: Was Jezus nog maar persoonlijk in een lichaam van vlees en bloed op aarde aanwezig, wat zou dan alles anders zijn… Maar dat is een uiting van ongeloof, men wil houvast zoeken bij mensen in de zichtbare wereld, zoals dat bij de vele dwaalleringen en sekten van deze tijd gebeurt. Een vleselijk, door satan beheerst naam-christendom, zoekt naar ‘leiders’, maar vergeet dat het nu het tijdperk is van de ‘leiding’, dat wil zeggen: Op de Pinksterdag Is de Heilige Geest uitgestort en die wil ons leiden in alle waarheid. De Bijbel spreekt weliswaar over instrumen­ten die God daarvoor gebruikt, zoals apostelen, herders, leraars, enzovoort, maar verafgoding daarvan is nooit naar Gods wil, want noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God die de wasdom geeft. 1 Korinthe 3 vers 7 (1 Kor. 03:07). Wij mogen allen Gods medearbeiders zijn, al hebben wij niet al­len dezelfde bediening.

Onze opdracht: Verkondiging van Gods koninkrijk

Medearbeiders van God zijn betekent gehoorzaam zijn aan de grote opdracht die Jezus gaf aan Zijn discipelen. Want dat is het derde aspect wat uit de periode dat Jezus verscheen naar voren komt. Jezus bepaalde Zijn discipelen bij de grote op­dracht, die zij in Zijn Naam zouden moeten ver­vullen: de verkondiging van het koninkrijk Gods.

 Hij sprak: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, …. zend Ik ook u!” Johannes 20 vers 21 (Joh. 20:21).

Dezelfde boodschap die Jezus bracht moesten ook Zijn discipelen brengen. Dezelfde dingen die Hij deed zouden ook zij moeten doen. En dat geldt ook voor ons, want de Gemeente die op de Pink­sterdag geboren werd, is nog steeds in deze we­reld. Daarom is het zo belangrijk dat wij in de voetstappen van Jezus gaan, door woord en daad.

Welke boodschap bracht Jezus? De boodschap van het Koninkrijk Gods, de boodschap van het volle evangelie! De boodschap die de mens werkelijk verlost uit satans macht en hem volkomen herstelt naar geest, ziel en lichaam. Deze boodschap geeft de mens ook zijn oorspronkelijke plaats terug in het plan van God met Zijn schepping.

Alleen door deze boodschap te verkondigen zijn wij de werkelijke ‘gezondenen des Vaders’ in de­ze wereld, zoals ook Jezus dat was en de aposte­len die in Zijn voetsporen gingen. Wie deze bood­schap negeert, is in feite ongehoorzaam aan de opdracht van Jezus. Het is een radicale boodschap die ons niet beminnelijk maakt bij de mensen, en ook niet bij die kinderen Gods, die omdat zij nog gebonden zijn, deze boodschap afwijzen, want satan haat deze boodschap.

Het is eigenlijk geen wonder dat Jezus de tijd tussen Pasen en Hemelvaartsdag ‘benut’ om deze boodschap nader uit te leggen zie Handelingen 1 vers 3 (Hand. 01:03). Jezus wist: nu gaat het spoedig ge­beuren, nu gaan Mijn discipelen de wereld in om hetzelfde te doen dan Ik gedaan heb, en zelfs had Hij gesproken dat deze periode nog veel be­langrijker zou worden: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze” Johannes 14 vers 12 (Joh. 14:12).

De voorwaarde om Gods opdracht te vervullen

Er is nog een vierde en belangrijk aspect dat onze aandacht vraagt, als we de vraag onder ogen zien waarom Jezus aan Zijn discipelen verscheen. Als Jezus Zijn discipelen de opdracht geeft om hetzelfde te doen wat Hij deed, deed Hij nog iets merkwaardigs: Johannes 20 vers 22 (Joh. 20:22) zegt: “Hij blies op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest”. Het was nog niet de eigenlijke uitstorting, maar een laatste aankondiging. Jezus wist dat de opdracht die Hij had’ gegeven alleen uitgevoerd kon worden als ze aangedaan waren met kracht uit de hoogte, met de Heilige Geest. Vaak had Hij daarover gesproken en ge­zegd dat deze Geest der waarheid, de weg zou wijzen tot de volle waarheid Johannes 16 vers 13 (Joh. 16:13).

Jezus zelf was vervuld met de Heilige Geest, ook Zijn discipelen hadden dit nodig…. en ook wij uiteraard. Want het gaat om dezelfde dingen in deze tijd! Het gevaar is niet denkbeeldig dat we alles wat we weten en bezitten als een soort van­zelfsprekendheid gaan beschouwen. We weten het allemaal theoretisch zo goed, maar wat doen we er mee in ons dagelijks leven?

We weten Jezus is uit de doden opgewekt, we weten dat Zijn opstandingskracht in ons is, door de vervulling met de Heilige Geest. Mam laten we vooral ook het doel in het houden. En dat doel is: De openbaring van het koninkrijk Gods in en door ons leven, de openbaring van Gods heerlijkheid, want wij zijn het licht der wereld en het zout der aarde. Wij zijn ambassadeurs van de levende God! Dit is geen grootspraak, maar werkelijkheid. Petrus sprak: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priester­schap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht”

1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09).

Zoals Jezus de ‘bedding’ was waardoor de ‘rivier van Gods Koninkrijk’ stroomde, zo zijn wij nu als gemeente die bedding. Een riviertje begint altijd klein en nietig, maar uiteindelijk wordt het een machtige stroom, die in de zee of oceaan uitmondt. Zo is ook met de ontwikkelijking van Gods Koninkrijk in ons persoonlijk leven en als ge­meente.

Alles gaat in deze tijd toe naar een climax. In de kinderen der ongehoorzaamheid bewerkt satan dat in negatieve zin, maar in de kinderen der gehoorzaamheid – de ware Gemeente van Christus – bewerkt Gods Geest dat in positieve zin! Zorg dat u door de geestelijke weg van geloof en ge­hoorzaamheid te bewandelen, daar ten volle bij betrokken bent. “Geworteld en gegrond in de lief­de, zullen wij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en de liefde van Christus kennen, die de kennis te boven gaat, zodat wij vervuld worden tot alle volheid Gods”. Efeze 3 vers 18 en 19 (Ef. 03:18-19).  

 

Wie Jezus werkelijk volgt… gaat beleven, wat Hij wil geven: (redactie)

Werkelijke vrijheid!

Echte blij(moedig)heid!

Overwinning in de strijd!

Groei naar de volwassenheid!

Eeuwige heerlijkheid!

 

Na Pasen door Judith Jacobs

Wat heb je eigenlijk aan een feest als je er persoonlijk niet bij betrokken bent?’. Je bent op het feest gekomen, je hebt de festiviteiten gevolgd, maar als je niet met hart en ziel eraan kon meedoen, is het geheel aan je voorbij­gegaan.

De betekenis, (de waarde) is teloor gegaan.

Het Paasfeest (het feest van de opstanding) kan op dezelf­de wijze aan je zijn voorbijgegaan. Je hebt iets van de festiviteiten geproefd, maar het wezenlijke deel (de vreugde),… is die ook nu – enkele weken na Pasen – blijven bestaan? Hoe beleef je dan het gegeven van de ‘opstanding’ in de cyclus van leven en dood?

Sterven (in het algemeen gesproken) is een verschrikkelijk gebeuren. Er zit altijd ‘pijn’ in, omdat je afscheid moet nemen van elkaar. Er zit verdriet in, gemis en eenzaam­heid. Daarom zei de grote apostel Paulus reeds dat de dood de laatste vijand was die moest worden onttroond. 1 Korinthe 15 vers 26 (1  Kor. 15:26).

Onttronen?.’ Hoe doe je dat in zo’n situatie? Door je positie op te stellen, bewust de belofte(n) van troost in Gods Woord tot je te nemen.

De dood voor een kind van God brengt géén eeuwige schei­ding. Die gedachte troost in pijn. Met je gevoelens van verdriet en gemis mag je komen tot Hem die balsem heeft voor de wonde(n).

De dood, die sinds het paradijs over het mensdom gekomen is, is een noodzakelijk kwaad, een wet van oorzaak en gevolg. De tijd tussen leven en dood ligt in Gods hand (Psalm SI :16a); alles wordt door Hem bepaald. Dank zij Christus’ overwinning op Calvarie heeft Hij de dood, de satan en de hel overwonnen en wij mogen mede in die triomf delen.

Dit is de onmetelijke omvang en betekenis en waarde die de opstanding van Christus in zich herbergt.’ De blijd­schap van de overwinning door het geloof in Jezus Chris­tus. Daarom kunnen we rustig ‘hand in hand met Jezus’ wandelen tot aan de grens van ons aards bestaan. Daarom kon Paulus uitroepen: “Dood, waar is uw overwinning, dood, waar is uw prikkel? 1 Korinthe 15 vers 55 (1 Kor. 15:55).

Als ge bovendien zó in ge leven met de Heer hebt gewandeld dat ge zeggen kunt dat het “sterven gewin is” Filippenzen 1 vers 21 (Filip. 01:21), dan is Pasen een feest dat niet inhoudsloos aan u en mij is voorbijgegaan.

 

De dagen van mijn leven door Judith Jacobs (gedicht)

Psalm 39 vers 6 (Ps.039:006)

De dagen van het aardse leven,

Zijn alle reeds door U geteld;

Uw handpalm heeft de tijd gemeten,

Tot een’ge handbreedten gesteld.

 

Ik hoef geen enkel lot te vrezen,

Want Gij hebt ieder ding bepaald;

En aan de grens wacht d’ overwinning

Door het geloof in U behaald.

 

De satan heeft voorgoed verloren,

Er is geen dood, geen prikkel meer;

Mijn ziele is voorgoed geborgen –

In U, de opgestane Heer.

 

Die heil’ge troost is mij gegeven:

Géén einde maar een nieuw begin;

Voor wie het leven was: mèt Christus,

Is ’t sterven in Hem slechts – gewin.

 

Reacties van lezers door redactie

 

Een kostbare parel

Zuster K, N. d. H. te Zandvoort gaf enkele geschenk- abonnementen op en schrijft: “Zelf lees ik ook “Levend Geloof” en ben blij en vaak zeer bemoedigd door al­les wat: er in staat. Nadat ik mij bekeerde tot Jezus Christus ben ik veranderd. Die kostbare schat van het zoonschap te bezitten door het verloste werk van Jezus Christus, dat is dan ook .al­leen maar het belangrijkste voor mij geworden; volkomen geheiligd en gereinigd te worden door het bloed van het Lam. Ja, het staat er zo gemakkelijk, maar er is heel wat aan vooraf gegaan. Satan heeft van alles gepro­beerd opdat ik niet die kostbare parel zou ontdek­ken, maar de Heilige Geest die in mij is, is meerder dan die buiten mij is. En door de verdrukkingen wordt je sterker en krijg je in­zicht in allerlei, dat je voorheen niet zag.

Het is een wonderlijk leven, een leven wat steeds mooier wordt door volledig inner­lijk herstel, naar ziel, geest en lichaam. Dit evan­gelie betekent herstel voor alle mensen. Jullie doen prachtig werk en ik weet ze­ker dat het veel mensen zal bereiken. Ik bid er voor en zegen het in de Naam van Jezus.

Ik zelf had wel eens dat ik iets niet begreep, of nog niet goed door had en als dan “Levend Geloof” kwam en ik het las, kreeg ik vaak duidelijkheid in sommige dingen die mij persoonlijk aangingen. En zo zal het met iedereen gaan die de volle waarheid zoekt in alle din­gen door de liefde werkende, want God is liefde”.

Na enkele artikelen.

Zuster G. S. te Velp schrijft: “Na enkele artike­len gelezen te hebben in Levend Geloof”, verzoek ik u mij te noteren voor een abonnement”.

Levende artikelen

Broeder B. C. K. te Gouderak schrijft: “Wij zouden graag een abonnement ontvangen op “Levend Geloof”. Wij vinden het een fijn blad met leven­de artikelen”.

 

Herders, die de schapen weiden door H. J. Scholten

 

“In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn” Ezechiël 34 vers 14 (Ez. 14:34).

Wie is werkelijk ‘groot’?

In het evangelie van Markus 10 vers 43 (Mark. 10:43) zegt Jezus: “Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn”. Een werkelijk ‘groot’ mens is dus een dienaar en aller slaaf. Het gaat hier over mensen, die groot willen zijn in het Koninkrijk Gods. Maar met zulke mensen moet wel eerst van alles gebeu­ren; het zijn mensen, wier leven (oude leven) als een tarwekorrel in de aarde ge­vallen is en daardoor bezig is totaal te verdwijnen.

Elk mens verkeert in het ‘lichaam des doods’, ook de apostel Paulus verkeerde daarin. In ons vlees – het lichaam des doods – opereren als het ware instincten, die op macht en grootheid uit zijn. Dit vlees moet over­wonnen worden en dat gebeurt door een stervensproces. Paulus zegt dat de gezind­heid van het vlees vijand­schap is tegen God., want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods Romeinen 8 vers 7 (Rom. 08:07).

Wat moet er nu gebeuren? Het antwoord vinden we in Romei­nen 8 vers 13: “…maar in­dien gij door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven” (Rom. 08:13). Dat is de verantwoordelijkheid van het kind van God en het gaat niet op om alles zomaar op rekening van allerlei machten te schuiven. Men vergeet het eigen vlees dat sinds lang verziekt is en zij, die in dit vlees zijn (het aan bod laten komen) kunnen God niet behagen. ,

De overwinning van de Geest over het vlees

Tóch gaat de apostel Paulus er van uit, dat zijn vlees mede met Christus gekrui­sigd is, en wat gekruisigd is, is onherroepelijk ge­doemd te sterven. Maar wat aan het kruis genageld is, is echter nog niet onmiddel­lijk gestorven, doch de laatste ‘snik’ van het vlees komt onafwendbaar na­derbij . De apostel noemt dit de verlossing van zijn lichaam en bedoelt dan niet in de eerste plaats het na­tuurlijke sterven, maar veeleer de totale overwin­ning over het vlees door de Geest. Vlees en bloed kun­nen het Koninkrijk Gods niet beërven en daarom moet het verdwijnen. Er moet een volkomen overwinning zijn over alle vlees en Paulus denkt daarbij ook aan de verandering van het lichaam des doods in een punt des tijds. In één ondeelbaar ogenblik een verandering naar een onsterfelijk li­chaam. Hij zegt in 1 Korinthiërs 15 vers 53 (1 Kor. 15:53): “Want dit vergankelijke moet on­vergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen”. Dan is het inderdaad werke­lijkheid geworden: de dood (ook het lichaam des doods) is verzwolgen in de overwin­ning. In de overwinning van de Geest!

In principe heeft de wet van de Geest’ des levens ons in ‘ Christus Jezus reeds vrijge­maakt van de wet der zonde en des doods Romeinen 8 vers 2 (Rom. 08:02). De volkomen openbaring hiervan moet nog plaats vinden, evenals de openbaring van de zonen Gods. Deze zonen zijn er al, maar verkeren nog in het verborgene van Zijn tent. Daarom zegt Paulus: ik zucht bij mijzelf in de ver­wachting van het zoonschap: de verlossing van mijn li­chaam Romeinen 8 vers 23 (Rom. 08:23). Hij is al een zoon van God, want hij heeft de Geest van het zoon­schap ontvangen, maar het lichaam des doods staat de volle openbaring van dit zoonschap nog in de weg.

Langs de weg van het ster­vensproces van het vlees ko­men wij tot het geopenbaarde zoonschap. Alleen langs die weg komen wij tot (geeste­lijke) macht en tot (geeste­lijke) grootheid. Vóóraf dienen daar de kenmerken te zijn van ‘de dienaar en al­ler slaaf’.

Dan is er geen andere weg om als een ’tarwekorrel’ in de aarde te vallen en geleide­lijk geheel en al te verdwijnen. De Geest des levens moet volkomen triomferen over alle vlees.

De weg van het vlees of de weg van de Geest?

Maar wat heeft dit nu te ma­ken met herders, die de schapen weiden? Het heeft te maken met de weg van het vlees en de weg van de Geest. Als wij met geeste­lijke ogen hebben geleerd onpartijdig rond te zien, dan doen wij deze ontdek­king: slechts een handjevol mensen is bereid deze weg werkelijk te gaan. De Bijbel noemt hen een heilige rest, een klein kuddeke. We ont­dekken ook dat bij sommigen meer het vlees moet triomfe­ren dan dat men toelaat dat de Geest des levens over dit vlees gaat triomferen. Gods Woord spreekt over een klein kuddeke waaraan de Vader be­haagd heeft het Koninkrijk te geven.

Hoe ziet dit kuddeke er uit en wie zijn de herders van deze kudde? Het zijn herders, die weten waar de gra­zige weiden en de stille wa­teren zich bevinden. Het zijn goede herders, want ze brengen de schapen (de be­keerde en wedergeboren kin­deren Gods) naar deze wei­den. Ze liggen op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land  Ezechiël 34 vers 13 (Ez. 34:13). Het zijn geen her­ders, die zichzelf weiden, maar herders die dienaren en slaven zijn. Hoe ze heten? Dat is niet zo belangrijk. Het zijn knechten die niet zo met hun naam te koop lo­pen. Ze staan in dienst van een andere knecht, de Knecht Davids, de enige ware Opper­herder. Alleen de Naam van deze Herder leggen ze op de schapen en niet hun eigen naam.

Het zijn ook herders, die voor hun taak uiterst be­kwaam zijn, want ze zijn er permanent op uit om het wild gedierte te doden, zodat de schapen veilig kunnen wonen in de steppe en rustig kun­nen slapen in de bossen Ezechiël 34 vers 25 (Ez.34:25).

De Opperherder zoekt bekwame hulpherders

Grote namen staan in deze eindtijd op het punt te ver­dwijnen. Er staat een ander soort herder op, die goed heeft gezien naar welk doel de schapen geleid moeten worden. Ze kennen het plan van de grote Opperherder en mét Hem zien ze terdege hoe de ganse schepping met reik­halzend verlangen uitziet naar het openbaar worden van deze schapen als zonen Gods. Het is niet alleen maar be­langrijk dat er een grote kudde komt, maar bovenal een gezonde, gave en sterke kudde. Daarom zal er altijd zuivering zijn. Vele her­dersnamen gaan verdwijnen, vooral de namen van die her­ders, die hun namen verbin­den aan het werk wat ze doen. Een ander soort herder komt tevoorschijn en wie geestelijke ogen heeft, ziet hóe nodig dit is. Nogmaals: het zijn die herders die de verloste schapen werkelijk voeren naar grazige weiden en stille wateren, zodat zij in alle rust uit kunnen groeien tot ‘zonen Gods’.

God is bezig zulke herders te zoeken en aan te stellen. Zij moeten bekwaam zijn om de kudde Gods naar de vol­maaktheid te leiden. Een zéér zware en ondankbare taak, omdat deze herders ge­regeld aanvallen te verduren hebben van de valse herders, van herders die op eigen be­lang uit zijn. Deze herders zijn bang hun kudden te ver­liezen, want ze zijn altijd uit op het grote, het massa­le. Grote aantallen schapen zijn imponerend en ze zijn altijd aan het tellen. Hun herderschap vinden ze ge­slaagd als ze grote kudden op de been kunnen brengen. Soms kunnen ze goed organi­seren en bepaalde systemen toepassen. Het zijn ook wel eens herders, die de schapen alleen maar wat willen laten

zingen.

Maar het is eindtijd en er zijn andere dingen aan de orde. De grote Opperherder ziet uit naar bekwame hulp- herders. Herders, die een leven leiden dóór de Geest en ‘dienaren en slaven’ zijn. Zij zijn het, die vele schapen naar de gerechtig­heid leiden en hun bekend maken met de plannen van de Opperherder. Dat kunnen de­ze herders doen omdat ze in het Heiligdom zijn onderwe­zen omtrent ‘grazige weiden en stille wateren’. Ze had­den in hun leven leren ver­staan dat ze geroepen waren tot gemeenschap met Gods Zoon, Jezus Christus, onze Here 1 Korinthe 1 vers 9 (1 Kor. 01:09).

In alles hebben ze zichzelf eerst laten leiden door de grote Herder der schapen en daarom hebben ze een ‘goede neus’ en ruiken ze waar deze goede weiden en wateren zich bevinden. Feilloos leiden ze de kudde naar deze weide­plaatsen, hoog op de bergen van Israël en langs vredige beekbeddingen. Dat is het enige, ware doel van deze herders. Bent u zo’n herder? Ben ik zo’n herder?

De schapen moeten geweid worden

Het zijn schapen met her­ders, die de stangen van hun juk verbroken hebben. Herders, die inzicht hebben in de hemelse gewesten en het wild gedierte doorlopend in het vizier hebben om vervol­gens ‘uit het land’ weg te doen Ezechiël 34 vers 25 (Ez.34:25). Ze bren­gen het Koninkrijk Gods over deze schapen, dat wil zeggen vrede, blijdschap en gerech­tigheid. Daarom zijn het ook herders die een verbond des vredes kunnen sluiten Ezechiël 34 vers 25 (Ez. 34:25). Ze doen precies wat de grote Herder der schapen deed en treden in Zijn voet­stappen. Ze wijken niet af, noch ter linker- noch ter rechterzijde. Ze laten zich niet intimideren door het woest gedierte, want ze zijn bekend met de gedachten van dit ‘gedierte’. Valse her­ders en onbekwame herders zijn niet bekend met dit ‘gedierte’ en daarom schro­men ze niet om de goede her­ders aan te vallen.

Valse herders pretenderen grazige weiden te hebben voor de schapen, maar hun hoeven hebben het goede gras reeds vertreden en hun eigen hoeven hebben het zuivere drinkwater vertroebeld Ezechiël 34 vers 19 (Ez. 34:19).

Zij zijn de herders met de vele magere schapen en zo worden deze een prooi en tot voedsel voor al het gedierte des velds; zo raken zij ver­strooid Ezechiel 34 vers 5 (Ez. 34:05). Het zijn herders, die ogenschijnlijk wel mooi op hun herdersfluit kunnen spelen, maar als je goed luistert klopt de melo­die niet helemaal. Vaak zijn ze nog nooit in de stille ruimte van het heiligdom ge­weest^. dikwijls wél in de roezemoezige ruimten van universiteit of hogeschool.

De goede herders zijn met recht ‘Christussen’ in te­genstelling tot de vele val­se Christussen. Ze zijn be­vestigd in de Gezalfde. Dat wil zeggen: ze zijn gedoopt en vervuld met de Heilige Geest. Ze hebben zich geen enkele waardigheid aangema­tigd, want ze zijn geroepen door God en hun wijsheid hebben ze dan ook alleen maar van deze God. Wat door God zelf geroepen is, wordt ook met Zijn wijsheid ver­vuld. In Hebreeën 5 vers 5 (Heb. 05:05) staat: “Zo heeft ook Chris­tus Zichzelf niet de eer toegekend hogepriester te worden, maar Hij, die tot Hem sprak: Mijn Zoon zijt Gij; Ik heb u heden ver­wekt” .

Hier geldt: het wordt aan kinderkens (dienaren en sla­ven) geopenbaard. Hun wijs­heid ontvangen ze recht­streeks van Boven. Dat zijn de ware herders. De herders van de eindtijd! Dienaren en slaven! Hun oude leven is werkelijk als een tarwekor­rel in de aarde gevallen en gestorven. Zoals ook de gro­te Opperherder. Hij gaf Zijn leven als een losprijs voor velen.

“Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar óm te dienen en Zijn leven te ge­ven als losprijs voor velen” (Mark.10:45). Hij zocht geen eer voor zichzelf maar al­leen de eer van Zijn hemelse Vader.

Werkelijke herders zijn goede wachters

Herders moeten ook goede wachters kunnen zijn. Wach­ters over de kudde. Als ze niet goed waken over de kud­de komt het gedierte in het woud om te eten. Zulke wach­ters worden door de profeet Jesaja als volgt geken­schetst: “De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stom­me honden, die niet kunnen blaffen (strijden in de he­melse gewesten); dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief. En deze honden zijn vraatzuchtig, zij kennen geen verzadiging; zij zijn herders, die niet weten acht te geven, zij wenden zich allen naar hun eigen weg, ieder naar zijn gewin, niemand uitgezon­derd” .

Herders die graag vele scha­pen willen weiden, maar om 16 vervolgens hun vlees te eten. Van vele schapen wordt ‘de huid’ afgetrokken en zij bekleden zich met de ‘wol der schapen’ Ezechiël 34 vers 3 (Ez. 34:03).

De Bijbel staat vol met radicale taal. In deze eindtijd zijn radicale christenen nodig, maar ook radicale her­ders. Herders, die bereid zijn eigen grootheid te ver­geten. Daar denken ze ook niet aan, want ze zijn te druk bezig met buigen om ‘voeten te wassen’. Het ge­heim van hun grootheid ont­dek je als deze herders zich oprichten: ze zijn zéér ‘groot’. Groot in het Ko­ninkrijk van God. Want de dienaar is de grootste van allen!

Hij had het zwakke ver­sterkt, het zieke genezen, het gewonde verbonden, het afgedwaalde teruggehaald Ezechiël 34 vers 4 (Ez. 34:04).

Hoe hebben deze herders dit alles kunnen klaar spelen? Omdat ze zelf eerst ontdekt hadden waar de grazige wei­den en de stille wateren waren. Geleid door de Geest. Gedoopt en vervuld met die Geest. Ze hadden zich uit­gestrekt naar alle gaven van de Geest. Ze konden zichzelf opbouwen in het geloof en zichzelf stichten door het spreken in tongen 1 Korinthe 14 vers 4 (1 Kor. 14:04). Herders, begerig naar de gaven van de Geest en met die gaven en krachten beklommen ze elke hoge berg en elke kale heuvel en ver­zamelden de schapen en brachten ze naar de bergen van Israël en naar de beekbeddingen Ezechiël 34 vers 13 (Ez. 34:13). Ze maak­ten er schapen van, die vol­komen toegerust waren tot alle goed werk 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17). Schapen, volkomen bevrijd van elk juk, zó sterk en krachtig geworden, dat ze niet langer een prooi waren van het wild gedierte. Het zijn schapen waarvan de Op­perherder zegt: “En zij zul­len weten, dat Ik, de Here, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn” Ezechiël 34 vers 30 (Ez. 34:30). Het zijn schapen, die tot in alle eeuwigheden leven in het lieflijk licht van Zijn vertroostend aangezicht.

Het zijn schapen Zijner wei­de! Veilig zullen zij in hun land leven Ezechiel 34 vers 27 (Ez. 34:27).

Zijn wij zulke herders en schapen?

Nogmaals: Ben ik zo’n her­der? Ben ik zo’n schaap? Bent u het? Anders geldt het woord van de Heer: “Ik eis mijn schapen van hen terug, en Ik zal een eind maken aan dat schapenweiden van hen” Ezechiël 34 vers 10 (Ez. 34:10).

Gods Woord liegt er niet om. Een ieder kan en mag weten waar hij aan toe is. In deze Babylonische eindtijd is uiterste waakzaamheid ver­eist. Vele schapen ontvangen stenen voor brood. Van her­ders die als ‘stomme honden’ niet meer kunnen ‘blaffen’.

In deze laatste dagen zal er heel duidelijk op de bazuin geblazen moeten worden. De bazuin mag geen onduidelijk geluid geven, want wie zal zich anders gereed maken tot de strijd? 1 Korinthe 14 vers 8 (1 Kor. 14:08).

Voor de goede herders is dit het parool: “Heft de banier omhoog op de aarde, blaast de bazuin onder de volken” Jeremia 51 vers 27 (Jer. 51:27).

Dan zal er een volk Gods ko­men dat er uit ziet als een heilige, witgewolkte kudde. Tot lof en eer van onze God! Een kudde die bestraald wordt met hemels licht.

Bestraal, o, zevenvoudig Licht,

De tempel Gods, door U gesticht.

En, Vinger van Gods rechter­hand ,

Bespreng de stam, door U geplant!

 

Het geloof werkt door de liefde door Jan W. Companjen

“Wij voor ons hopen onze rechtvaardiging te verkrij­gen door de Geest op grond van het geloof. Want als we één zijn met Christus Jezus, dan maakt besneden zijn of niet besneden zijn geen verschil. Van belang is alleen geloof dat, gedreven door liefde, tot daden overgaat” Galaten 5 vers 5 en 6 vertaling Groot nieuws. (Gal. 05:05-06).

Gerechtigheid door het geloof

Als eerste grote betekenis van dit Schriftgedeelte +komt uitdrukkelijk tot uiting dat onze rechtvaar­diging voortvloeit uit ons geloof in Christus Jezus. De verbondsgedachten die voortvloeien uit besnijde­nis of zogenaamde kinder­doop spelen, zoals Paulus hier nadrukkelijk stelt, geen rol. Het gaat om geloof door liefde werkende.

In het oude testament werd de wet van Godswege op de berg Sinaï aan Mozes en het volk Israël gegeven. Het volk dat onderaan de berg stond was vol vrees. Het beefde van ontzag en angst toen het met God kennis maakte. Toch had dit gewel­dige gebeuren, de opdracht tot de bouw van een huis Gods om te getuigen van het­geen gesproken zou worden Hebreeën 3 vers 5 (Heb. 03:05), tot gevolg dat het volk in massa afviel en tot het bouwen van het gou­den kalf overging. Toen Mozes toefde terug te keren vanaf de berg, begon het volk te roepen om een nieuwe god die voor hun uittrok. Goud en zilver, hun hele buit uit het land Egypte, hadden zij daarvoor over. Een wet Gods met een bestraffing bij overtreding, zoals Mozes die op de Sinaï ontving, was dan ook volko­men op zijn plaats.

Tot op de dag van vandaag is deze wetgeving, ook in ons land (denk aan bijvoor­beeld het wetboek van straf­recht), nog van toepassing. De mens die niet in Chris­tus is, is nog steeds onder deze wet. Hij moet langs die weg in bewaring genomen worden. Het opmerkelijke is dat goedwillende mensen zich ook aan deze wetgeving hou­den en het als een ‘goede wet’ aanvaarden.

Op grond van dit gegeven is het ook begrijpelijk dat men in kerken waarin men niet weet of men het ‘eigendom’ van Christus is, zo’n aan­hanger van de wet van Mozes is. In deze kerken wordt zij, net als in de joodse synagoge, wekelijks voorge­lezen .

De wet van Mozes is in Christus vervuld

De wet van Mozes is echter in Christus vervuld, dat wil zeggen tot volkomenheid ge­worden. Niet de daad levert een overtreding op, neen reeds de gedachte of het verlangen is bij de wet van Jezus, die in ons werkt en functioneert, een overtre­ding.

Zoals u bekend zal zijn is de ‘Bergrede’ de kern van de boodschap die Jezus bracht. Het is opmerkelijk dat Hij, evenals Mozes, deze nieuwe wet Gods op een berg openbaar maakte.

In die nieuwe wet, die de mens nieuw kan maken, staat niet de vergelding van de straf op de zonde, maar de liefde centraal. God open­baarde door de komst van Christus van zichzelf dat Hij liefde is. Dat Hij er alles, zelfs zijn eniggebo­ren Zoon, voor over heeft, dat u en ik behouden worden. Jezus Christus is de geopen­baarde liefde Gods en Hij liet ons de Vader kennen zo­als Hij werkelijk in.

Die geopenbaard” liefde, waarin en waardoor alles nieuw en hersteld kan worden, is bestemd voor ieder mens en voor de gehele schepping. Het is een wonder Gods om stil van te worden en tot aanbidding en lofprijzing te komen.

De wet van Christus, die niet op tafelen van steen of op papier is gegrift, zal dusdanig in ons hart en ver­stand moeten worden verwerkt dat wij gelijkvormig worden aan het beeld van Christus, want wij behoren het zout der aarde en het licht der wereld te zijn.

Het geloof door liefde ge­dreven zal daarbij een doorslaggevende rol spelen. Onderscheiding der geesten en het onfeilbaar kunnen beoordelen van goed en kwaad, zal er voor zorgen dat het Geestelijk Huis Gods zal gebouwd worden op de wijze zoals Jezus die ons op zijn berg, met de Bergrede getoond heeft. Zijn Huis zijn wij Hebreeën 3 vers 6 (Heb. 03:06) en wij mogen, prijs zijn wonderbare Naam, de berg wel bestijgen en dat met een hart waarin geen vrees of angst meer is, om­dat wij weten dat wij in de weg des Heren zijn.

Kennen wij de weg des Heren?

Dat weten kan niet anders tot zekerheid komen dan langs de weg van volledig weten wat de weg des Heren is. Dat is weten wat goed en kwaad is en dat zal gaan langs de weg van openbaring van dingen die nu nog ver­borgen zijn.

De grote Hogepriester van ons geloof, Jezus Christus, openbaarde ons de waarheid Gods, nogmaals Hij liet ons God de Vader kennen zoals Hij waarlijk is. De Heilige Geest, die het uit Hem neemt zal ons doen opwassen tot de volle waarheid. Jezus zei: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt dit thans niet draden; doch wanneer Hij komt, de Geest der waar­heid, zal Hij u de weg wij­zen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit zich­zelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het mijne, daarom zeide Ik: Hij neemt het uit het mijne en zal het u verkondigen” Johannes 16 vers 12 tot en met 15 (Joh. 16:12-15) .

Het kennen van goed en kwaad zal allereerst in onze ge­meenten tot zijn recht moe­ten komen. Geloof door lief­de werkende zal in ons het verlangen gaan wakker schud­den dat wij IN zijn weg wil­len gaan. Jezus is de weg Gods en er is er maar één die wij samen moeten gaan. De ogen zullen er ons voor opengaan dat wij die ander, met al zijn fouten, nodig hebben.

Door middel van de gemeente zal Hij zijn Huis, de gees­telijke tempel Gods, bouwen. Wij zullen daarbij echter de apostelen en profeten, de herders en leraars, de be­stuurders en de mannen en vrouwen vol wijsheid, moeten aanvaarden. Ook als deze tot een andere gemeente of andere groepering behoren. Bouw elkander op in het ge­loof, is de opdracht. Houdt op met afbraak en kritiek, maar sla de handen inéén en ga de weg van Jezus. Schaf de wet van Mozes met zijn instelling van oog om oog en tand om tand af, treed uw medebroeder en zuster tegemoet met een open vi­zier. wij zijn van het ge­slacht van Jezus. Denk in dit verband eens aan het voorbeeld: wortel-plant. Israël is de wortel, maar het gaat om de plant. Jezus is een scheut uit die wor­tel en wij zijn de plant die daaruit voortkomt. De bloeitijd nadert met rasse, schreden en wijn boven het aardse (boven de aarde) uit gekomen.

Elkander aanvaarden is noodzakelijk

Het is niet voor niets dat tussen de hoofdstukken 12 en 14 van de eerste brief aan de Korinthiërs, het hoofdstuk der liefde staat. Het aanvaarden van elkaar die door één Geest tot één Lichaam gedoopt zijn, is harde noodzaak. Daarbij zal het inzicht van goed en kwaad, van overtreding en straf, waarover bij velen nog een sluier ligt, ook tot volheid moeten komen.

2 Korinthiërs 3 (het oude en het nieuwe verbond) kan ons in dit verband ook zoveel leren. Wij zijn een brief van Christus, dat wil zeggen een levend, nu in onze tijd, Bijbelboek, kenbaar en lees­baar voor alle mensen. Niet met inkt geschreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in onze harten.

In vers 14 lezen wij dat de Israëlieten in hun ge­dachten werden verhard. Zij bleven bij het oude en gin­gen in het oude onder, zon­der in het beloofde land te komen. Ook dit is tot ons voorbeeld geschied.

Elke bedekking, die een doorbraak naar de volle waarheid tegenhoudt, wordt echter ook thans in Christus overwonnen. “De Her» nu Iu de Geest; en waar do Geest des Heren is, is vrijheid” (vers 17). En nu komt het loflied: “Wij allen, die met een aangezicht , waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weer­spiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heer­lijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, die met zijn Geest in ons is”.

Geliefden, ook zij die menen een leidende positie te heb­ben, kom tot het inzicht en tot de waarheid. Het gaat in het nieuwe verbond niet om de kracht of macht van de ‘sterke’, maar om de zwakke en beginneling in uw midden. Wil de aarde vol worden van de kennis des Heren, en wil­len wij dit in onze genera­tie verwerkelijken, _dan zul­len wij de zwakken in ons midden moeten nemen en ze gezamenlijk moeten opvoeden tot alle volheid Gods. Wij zullen ons geen koningen kiezen die voorop gaan zo­als in de wereld om ons heen, maar ons scharen ach­ter de wolkkolom Gods, die Hij ons geeft in apostelen, herders en leraars tot op­bouw van zijn volk, zijn ge­meente, zijn geliefden. Dat volk zal één zijn, zoals de Vader en de Zoon één zijn.

Geliefden, de mens zal rust vinden. Die rust vrede en blijdschap gaat reeds in u als u met Hem op reis bent naar het beloofde land, waarin geen dwang maar vrij­heid heerst. De mens vindt rust en vrede in een die­nend van zich af levend le­ven (het is zaliger te geven dan te ontvangen). Het element van de vis in het water en van de vogel in de lucht, de mens is thuis en voelt zich gebor­gen in de ruimte van de Geest Gods. Geprezen is zijn Naam. Uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijk­heid tot in eeuwigheid.

Zie wij zijn een nieuwe schepping, ook ons denken is vernieuwd. ’t Goddelijk heil is de bestemming, dat ons leven nu bezield. Hij heeft ons zijn Geest gegeven, die ons in de waarheid leidt, van een overwinnend leven tot de top der heerlijkheid!

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Welkom

Het begint langzamerhand eentonig te worden, maar opnieuw kunnen wij schrij­ven dat het aantal nieuwe lezers en lezeressen sterk is toegenomen. In het fe­bruarinummer schreven wij over de recordmaand januari, maar dit record werd in februari alweer gebroken en we kunnen nu weer meer dan 100 nieuwe abonnees welkom heten.

Deze groei is een bewijs dat velen gaan ontdekken hoe de boodschap van het Koninkrijk Gods (het volle evangelie), zoals wij die door Gods genade sinds jaar en dag in “Levend Geloof” publiceren, de enige boodschap is die in deze eindtijd waardevol is. Het bestaansrecht van “Le­vend Geloof” is – als we het zo eens uit mogen drukken – geheel verbonden met deze opdracht. De vele facetten van het volle evangelie ver­nieuwen de mens die er op ingaat, naar geest, ziel en lichaam. Het maakt hem tot een volwassene in het ge­loof, waarin het beeld van Jezus meer en meer zichtbaar wordt. We gaan dan ook met blijdschap en toewijding door met de uitleg van deze boodschap in “Levend Geloof”. Toen Jezus nog op aarde was, sprak Hij reeds dat “iedere Schriftgeleerde die een discipel geworden is van het Koninkrijk der hemelen, gelijk is aan een heer des huizes, die uit zijn voorraad nieuwe en ou­de dingen te voorschijn brengt” Matteüs 13 vers 52 (Matt. 13:52). Dat willen wij ook in ons blad nastreven.

Brochures

Door de sterk toegenomen werkzaamheden is er de laatste tijd enige achter­stand bij de administratie ontstaan. Bovendien waren verschillende brochures uitverkocht, maar deze zijn thans herdrukt, zodat alle brochures, zoals deze op de voorlaatste pagina staan vermeld, weer uit voorraad leverbaar zijn.

Vele lezers en lezeressen hebben reeds lang ontdekt hoe de verspreiding van de­ze brochures op effectieve wijze meewerkt de volle evangelie boodschap bekend te maken. Dat geldt ook voor het opgeven van ge- schenkabonnementen.

Giften

Ook giften voor onze arbeid zijn onontbeerlijk, om het “Levend Geloof” werk te doen functioneren. Harte­lijk dank aan allen die ons ook in dit opzicht onder­steunen. En wat deze ‘on­dersteuning’ betreft, ver­geet u ook niet voor onze arbeid te bidden? “Het ge­bed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt”, zegt Jakobus 5 vers 16 (Jak. 05:16)

Laten we ons gezamenlijk blijven inzetten voor de verkondiging van dat evan­gelie, wat de mens verlost uit satans macht en hom luidt naar de volkomenheid in Christus!

 

Hoe voeden wij onze kinderen op? -1- door Folkert Pool

“En Hij (Jezus) zei: Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tot zijn vader: Vader, geef mij het deel van ons vermogen dat mij toekomt. En hij verdeelde het bezit onder hen. En weinige dagen later maakte de jongste zoon alles te gelde en ging op reis naar een ver land, waar hij zijn vermogen verkwistte in een leven van overdaad” Lukas 15 vers 11 tot en met 13 (Luc. 15:11-13).

Hoe leren de kinderen ons en de Heer in ons kennen?

Dit is de gelijkenis van de verloren zoon; het gaat hierin over een vader, die twee zonen had. De ene zoon brengt het er in onze ogen beter af dan de andere. Je kunt je afvragen hoe die vader zijn kinderen opge­voed heeft, want de jongste laat de vader in de steek, lapt zijn opvoeding aan zijn laars, doet allerlei dingen waartoe hij niet is opgevoed en verkwist in korte tijd wat zijn vader heeft opge­bouwd .

Was dat nu een slechte va­der? Was dat een slechte op­voeder? Als je het verhaal verder leest, blijkt er één ding overgebleven te zijn van die opvoeding: de her­innering aan thuis. En die herinnering is positief. De verloren zoon had zijn va­der goed leren kennen.

Ik geloof dat dit heel be­langrijk is, ook in ónze benadering van de kinderen. Hoe leren de kinderen óns kennen, en hoe leren ze de Heer – niet dóór ons, maar in ons – kennen. Dan is het voor ons niet een kwestie dat ze veel uit de Bijbel weten, doordat we ze veel bijbelverhaaltjes vertellen, teksten uit het hoofd laten leren en kindergebedjes op laten zeggen (en dat geldt, dacht ik, in diezelfde mate voor het kinderwerk, maar dan gaat het erom, dat de Heer in ons leeft, door ons heen leeft, en zo bij de kinderen komt.

Ten opzichte van evangeli­satie, wordt wel eens de opmerking gemaakt, dat we de Heer bij de mensen moe­ten brengen; dat geldt, dacht ik, zeker ten opzich­te van onze kinderen. Want niet daar waar de meeste kennis, maar daar waar de meeste liefde is, is het Koninkrijk Gods, en dat ver­geten ze nooit meer. Welke kant ze ook uitgaan, die liefde zullen ze zich al­tijd blijven herinneren. En als die liefde vanuit de Heer functioneert, zullen we aandacht, begrip en tijd voor ze hebben. In het boek­je “Ouders voor het Gerecht” van David Wilkerson, lees je het verhaal van een jon­gen, die helemaal de ver­keerde kant is opgegaan en later, in een gesprek met een jeugdpsychiater, zegt: “Mijn vader had nooit tijd. Als ik bij hem kwam moest hij zo nodig zijn krant le­zen, en hij leest nog z’n krant – maar ik ben kapot, ik ben nergens”.

Functioneert Gods liefde door ons naar onze kinderen?

Hebben wij tijd, aandacht en begrip voor onze kinderen? Kort gezegd: hebben wij liefde voor onze kinderen? Wanneer wij met de Heer le­ven, wanneer wij de liefde Gods door ons heen ook laten functioneren naar onze kin­deren, dan ben ik er van overtuigd, dat het hun goed zal gaan. Vanuit die houding kun je ook je kinderen hei­ligen, omdat je leeft met de Heer en daardoor werkelijk overwinningsleven hebt. Dat is het grote geheim van de opvoeding van kinderen.

Het grootste goed voor een kind is, dat er een liefdes­verhouding bestaat tussen de vader en de moeder en dat die liefdesverhouding opti­maal functioneert, dat er een geweldige harmonie, een geweldige rust en vrede is: vrede onderling en vrede met de Heer, en dat het een hu­welijk is, dat in de Heer is gesloten. Dan komt het er helemaal niet op aan wat je allemaal geleerd hebt, of je weet wat Spock er allemaal van zegt of dat je Spock er op naslaat, maar dan komt het er gewoon op aan, of je de Heer laat werken in je leven. Dan is in verband met de opvoeding ook het bezit­ten van een laag of hoog I.Q. helemaal niet belang­rijk. Je hebt soms mensen met een laag I.Q. , die hun kinderen op een geweldige manier weten op te voeden. Je kunt fouten maken, maar dat is niet zo erg als je die fouten maar maakt ter­wijl je het goed bedoelt, vanuit een goede liefdes­verhouding, want dan komt dat altijd wel weer goed, omdat het in die goede lief­desverhouding beleefd wordt. Waar echte liefde is, daar is fouten maken niet zo erg. Dat is trouwens in het huwe­lijk ook zo, evenals in de gemeente. In 1 Petrus 4 vers 8 (1 Petr. 04:08) lezen we immers dat de liefde tal van zonden bedekt, en dat is een grond­principe dat in al die sa­menlevingsvormen doorwerkt. Soms bemerk je bij mensen dat er een hoop problemen zijn, dat er een hoop narig­heid is, en dan komt dat doordat ze de liefde alleen naar zichzelf laten functio­neren. Deze liefde is niet uit God en daardoor is het geen echte liefde, maar be­werkt het juist het tegen­overgestelde van wat godde­lijke liefde (agapè) in­houdt. Goddelijke liefde deelt altijd uit. Iemand zei eens: “De maat van onze groei in het Koninkrijk Gods is de maat waarmee wij leren uit te delen”.

Je hoort in deze tijd van gehuwde mensen of van hen die samenleven (want dat kan tegenwoordig ook), dat ze geen of hoogstens twee kin­deren willen. Als zich dan later toch een derde aankondigt, sturen ze een geboor­tekaartje waarop staat: “De Heer die leven geeft”. Dat kan ik nooit rijmen, ik be­grijp niet hoe men dat maakt. Maar ook in ons eigen leven kan zoiets soms nog voorkomen, zij het in ver­kapte vorm. Je hebt bijvoor­beeld mensen die zeggen dat ze de kinderen niet mee wil­len hebben op vakantie. In wezen kan dat voorkomen uit hetzelfde gedachtenpatroon: ik wil geen kinderen of ik wil maar twee kinderen. Daar kun je voorbeelden aan toe­voegen, maar het komt veelal uit dezelfde bron.

Zijn onze kinderen tot lust of tot last?

De vraag is: zijn de kinde­ren voor u tot een lust of tot een last? Ben je blij met hen, dan is het een vreugde in het huisgezin. Of zeg je ’s avonds om half acht: hè, hè, ik ben blij dat de kinderen naar bed zijn? Als je dat zegt, is het ergens niet goed. Daar kun je allerlei redenen voor hebben. Je kunt zeggen: dan kan ik eens rustig een boek lezen of dit of dat doen, maar er kunnen ook negatie­ve achtergronden zijn, zo­als: dat je blij bent, dat ze van de vloer zijn, dat je blij bent dat het vakan­tie is en je eens heerlijk samen kunt zijn. Maar dan zijn de kinderen je eigen­lijk teveel! Er is een ge­zegde dat luidt: “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet”. In de Bijbel staat het even anders: “Wat gij wilt dat de mensen u doen, doet gij hun dat evenzo”. Ik geloof dat dit ook geldt voor en ten volle van toepassing is op onze kinderen.

Waarom hebben we kinderen en waarom voeden we ze op? Waarom brengen we ze groot en wat voor doel hebben we ons daarbij voor ogen ge­steld? Dit zijn belangrijke vragen!

Mijn eerste punt is, dat het belangrijk is dat je die liefde ten volle laat functioneren, dat je daar­door aandacht, begrip en tijd hebt voor de kinderen. Dan zul je vandaaruit ook je kinderen positief kunnen benaderen. Er is een versje dat luidt: “Klap eens in je handjes en handjes in je zij, op je boze bolletje alle­bei”. Ik denk dat we eigen­lijk zo allemaal groot ge­worden zijn, zo vanuit het negatieve: op je boze bol­letje. En als dan die heel kleine baby van twee, drie maanden in z’n luier gedrukt heeft, dan zeg je: Bah, wat heb je nou gedaan!

Hoe benader je het kind? Let u maar eens op hoe vaak je dat hoort: “Bah, wat vies!”. Terwijl een kind dat hele­maal niet als vies ervaart. Je kunt natuurlijk zeggen dat die baby het toch niet verstaat, maar toch proeft de baby de sfeer. Eigenlijk vindt je het zélf vies en is het je eigenlijk wat teveel. Maar je moet het tóch schoonmaken en tóch oprui­men, dus benader het dan maar liever positief. Laten we in alles de kinderen po­sitief benaderen.

(wordt vervolgd)

 

Bovenstaand artikel is het eerste van een serie ‘op de praktijk gerichte’ artikelen over de opvoeding van kinderen. De schrijver  Folkert Pool is voorganger van de volle evangelie ge­meente “Perspectief” te Leeuwarden.

 

De volledige mens -5- door Nico Goverts

God wil ook de gerichten wegnemen

Over het herstel van het lichaam is al veel gezegd en geschreven. Er is echter een punt dat we in dit verband speciaal eens wat nader willen belichten, omdat het ons iets laat zien van wat er zich rondom genezing en herstel met name in de geestelijke wereld afspeelt.

Een fundamentele uitspraak daaromtrent vinden we bij de profeet Sefanja; hij zegt in het derde hoofdstuk: “Jubel, dochter van Sion; juich Israël; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem” Sefanja 3 vers 14 (Sef. 03:14). En wat is de reden van deze uitbundige vreugde? Dat horen we in het vers dat er onmiddellijk op volgt: “De Here heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd”.

En daar moeten we nu eens heel bijzonder acht op geven: op de motivering die de profeet hier geeft met betrekking tot de jubel en de vreugde. Immers, dat werkt door, want een vrolijk hart bevordert de genezing. Dat zal weer zijn uitwerking hebben op het lichaam.

Wat is de basisgedachte die Sefanja hier geeft? De Here nam uw gerichten weg. Een woord waar we gemakkelijk over heen lezen; een woord echter met vérstrekkende consequenties in de onzienlijke wereld. De vraag is: wat neemt God weg? Velen weten: Hij nam mijn zonden weg, en dat is al een baanbrekend gebeuren in ons geestelijk leven. Maar weten we ook: Hij nam mijn gerichten weg? Als we dat gaan verstaan, dan is dat weer een volgende stap in het koninkrijk der hemelen.

Wat is het verschil? De gerichten zijn de gevolgen van de zonde. De gevolgen van een leven dat overheerst is geweest door de machten der duisternis. De gevolgen van het feit dat de wereld in het boze ligt.

Het wordt hier door de profeet vermeld in verband met de ballingschap. Het leven als balling was inderdaad een leven onder het gericht, prijsgegeven aan de overheersing door vreemde machten. En het grootste probleem was de berusting: we zitten hier nu eenmaal, we zitten hier tot onze dood. Zal dit nog ooit anders worden? Neen, nooit. We zitten onder het gericht en ontkoming zal er nimmer zijn. Als een last drukt de smaad op hen, zegt Sefanja in Sefanja 3 vers 18 (Sef. 03:18).

Zo zijn er ook velen vandaag. Er ligt een druk op hun leven want hun zonden zijn verzoend maar de gerichten zijn er nog. Vaak wordt het zo geleerd: dan volgen we dezelfde gedachtegang als de discipelen, toen ze aan Jezus vroegen ten aanzien van een blinde: “Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?” Johannes 9 vers 2 (Joh. 09:02). Maar het antwoord van Jezus luidde, zonder ook maar enigszins een slag om de arm te houden: “Noch deze heeft gezondigd noch zijn ouders, maar de werken Gods moesten in hem openbaar worden”(vers 3). En die werken Gods, dat was niet zijn blindheid, maar dat was zijn herstel. Dat is het kenmerk, het waarmerk van de werken Gods.

Jezus bevrijdt de blindgeborenen van het gericht

We zien dat Jezus hier iets heel belangrijks doet. Dat is de openingszet van het hele verhaal. Jezus wilde deze man genezen, maar waar begint Hij mee? Het eerste dat de Meester doet, is: Hij haalt deze blinde onder het gericht vandaan. Hij ontheft hem van de last en de smaad. Hij door­breekt dat gedachtepatroon van: het zal hem wel door God opgelegd zijn en daarom moet hij het maar geduldig dragen. Hij zal het er wel naar gemaakt hebben. Hoe iemand trouwens als gevolg van eigen zonde blind geboren kan worden, moet voor ieder weldenkend mens wel een raadsel zijn. Dat zou dan zonde zijn met terugwerkende kracht. Maar ook de veronderstelling dat deze mens de last van zijn ouders moet blijven torsen, wordt door Jezus radicaal afgewezen. Dit is een kernpunt in het optreden van Jezus: Hij doet wat de profeet Sefanja heeft aangekondigd. Hij komt en neemt de gerichten weg.

Aan het eind van het verhaal blijkt opnieuw dat men probeert de man weer onder het gericht te brengen. “Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren en wilt gij ons leren?” Sefanja 3 vers 34 (Sef. 03:34). De Farizeeën blijken niet in staat om een mens te beoordelen naar wat hij nu is; zij moeten altijd weer terug naar het verleden; zij gaan altijd weer de mens vastpinnen op vroeger. En uitgerekend van zo iets moois als de geboorte maken zij een puur negatieve aangelegenheid. Geheel in zonden geboren. Toen de man zijn bestaan begon, was er dus volgens hen al geen enkel straaltje licht. Van het begin af aan was het bij deze man geestelijk een en al volslagen duisternis. Geheel in zonden; niets anders. Dus wat wil je verwachten? Enkel gericht; anders niets.

Zo wordt het denken over de geboorte, over het ontluiken van nieuw leven, een reden tot hoop en vreugde, bedorven en versomberd. Meteen is daar het gericht. Meteen komt er een domper overheen. Maar wat doet Jezus als Hij even later deze man weer aantreft? Hij stelt hem één vraag: “Gelooft gij in de Zoon des mensen?” Sefanja 3 vers 35 (Sef. 03:35). Het sleutelwoord waar Jezus deze mens op aanspreekt, is: geloof. Geloof heft de mens omhoog. Geloof staat tegenover gericht. Ja, geloof is sterker, machtiger dan het gericht.

Zo gebeurt het hier opnieuw. Voor de tweede maal haalt Jezus deze man onder het gericht vandaan. Jezus geeft deze mens gedachten van God mee. God denkt anders over u. Jezus wil dat deze man zal gaan functioneren vanuit geloof. Hij wil beslist niet dat de genezene weer onder het gericht terecht komt. Hij snijdt heel bewust die negatieve gedachten af, Jezus breekt de man radicaal los uit dit klimaat van vloek en doem. En Hij zet hem volledig op een nieuw spoor, op het spoor van het geloof, en dat is het spoor van God.

Dit is een fundamenteel punt: Jezus wil niet dat een mens onder een vloek, onder een gericht blijft zitten. Jezus bond de strijd aan met de gerichten, om de mens eraan te onttrekken.

Jezus en de bloedvloeiende vrouw

Een frappant voorbeeld daarvan vinden we ook in de geschiedenis van de bloedvloeiende vrouw. Zij raakt het kleed van Jezus aan en ontvangt genezing en dan vraagt Jezus: “Wie heeft Mij aangeraakt?” Opvallend is dat er dan staat: “De vrouw nu, bevreesd en bevende, wetende wat met haar geschied was, kwam en wierp zich voor Hem neder en zeide Hem de volle waarheid” Markus 5 vers 33 (Mark. 05:33). Deze vrouw is nu wel genezen, maar ze is vervuld met vrees. Waarom? Volgens de wet van Mozes was zij tengevolge van haar bloedvloeiing onrein en het was haar derhalve niet geoorloofd iemand aan te raken; nu had ze dat toch gedaan, vandaar haar vrees. Ze weet niet wat haar nu boven het hoofd hangt: een veroor­deling? Zal ze gestraft worden voor wat ze gedaan heeft, zal ze haar kwaal weer terug krijgen? Bevend staat ze daar voor Jezus en wat zegt Hij? “Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal” Markus 5 vers 34 (Mark. 05:34).

Waarom zijn deze woorden van Jezus voor deze vrouw zo van diepe betekenis? Zij voelde zich een mens onder het gericht. Bevreesd, en vrees houdt verband met straf, met dreiging. Maar Jezus spreekt haar aan, niet zomaar: vrouw, maar: dochter) Weet je wel wie je bent? Dochter van je Vader. Zoals Sefanja het zei: Jubel, dochter van Sion. En dan geeft Jezus haar nieuwe gedachten. Hij brengt haar in de gedachtewereld van God en die wordt getypeerd door de begrippen: geloof, behoud, vrede en genezing. Dat zijn de vier motiefwoorden die Jezus haar meegeeft. Dat is het klimaat van de Vader in de hemel.

We zien: Jezus haalt deze vrouw onder het gericht vandaan. Hij straft haar niet, Hij berispt haar niet, Hij zegt niet: laat het niet weer gebeuren. Hij moedigt haar aan, Hij bevestigt haar: je bent op de goede weg, ga zo door, en laat je niet weer een juk van angst en wet opleggen.

Jezus zei nooit tegen iemand: u moet voorlopig nog onder het gericht blijven. U wilde graag genezen worden? Eerst nog een paar jaar boeten, broeder! Wat sprak de vader tot de verloren zoon, toen het thuis kwam? Ja, je hebt gelijk werk eerst maar eens een jaar of wat als dagloner? En dan zullen we wel eens opnieuw bekijken. Zorg eerst dat je je erfenis, maar eens terugverdiend. Toen de jongen thuis kwam,  kreeg hij een mantel en een ring, en de vader had het over: mijn zoon. Toen was hij niet meer onder het gericht. De mantel, teken van herstelde waardigheid, van herkregen identiteit; de ring, zegelring, symbool van vol­macht, om namens en samen met vader gezag te dragen. Je bent weer zoon, aan het gericht ontheven.

Jezus droeg aan het kruis ook onze gerichten

Wanneer Jezus hangt aan het kruis, draagt Hij op dat moment niet alleen onze zonden; Hij draagt ook onze gerichten. De machten der hel vielen op Hem aan, stortten zich op Hem en zo werd Jezus de mens onder het gericht. Van God en mensen verlaten, verstoten in het dodenrijk, nam Hij onze gerichten op zich. Zo droeg Hij niet alleen de zonde, maar ook de gevolgen van het kwaad. Want Hij wist: geen mens kan het dragen; geen mens kan ertegen. Kaïn zei het al: mijn misdaad is te groot om de straf te dragen. Jezus wist wat in de mens was. En Hij zei: Ik zal het doen. Zij kunnen het niet. Indien ge Mij zoekt, laat dezen heengaan. Een woord met een oneindig diepe zin. Laat dezen los om weg te gaan, staat er eigenlijk. Dat woord betekent: vrijlaten, wegzenden, vrijuit laten gaan, ook vergeven. Zo was Jezus. Hij stond in de hof en Hij zei: laat ze vrij.

Adam stond in de hof en hij beschuldigde Eva. Jezus stond in de hof en Hij beschuldigde niet. Hij schoof het gericht niet af. In de hof gebruikte Hij hetzelfde woord waar Hij eenmaal mee begonnen was, in de synagoge van Nazareth, toen Hij de woorden van Jesaja las: om verbrokenen heen te zenden in vrijheid. Vrijheid, vrijlating, daar begon Jezus mee,- laat ze gaan, daar eindigde Hij mee.

In Nazareth was het gericht voor Hem, en Hij ging door het gericht heen en Hij brak de macht van het kwaad. In de hof was het gericht voor Hem, en tot het einde toe maakte Hij waar wat Hij aan het begin gezegd had en Hij werd mens onder het gericht en de anderen mochten heengaan. En zo is het altijd gebleven: de Ene heeft het gericht gedragen en de anderen mogen heengaan. En van Hem werd gezegd, in het boek van de profeet Jesaja, dat Hijzelf zo graag las: Hij is uit verdrukking en gericht weggenomen. Toen Jezus op de derde dag opstond uit de dood, toen stond de nieuwe mens op. Daarom was dat zo’n ongekend glorieus moment.

De nieuwemens is niet meer onder het gericht

In Jezus stond de nieuwe mensheid op. En dat heeft gewel­dige consequenties. Want die nieuwe mens is niet meer onder het gericht. Die nieuwe mens komt uit het dodenrijk vandaan. Over hem heeft het gericht geen macht meer. Die nieuwe mens kan zingen: Wij komen in witte kleren uit de Rode zee aan wal. Het smetteloze linnen van de rechtvaardigheid; het ongerepte leven, zo blinkende gekleed. De bruiloft is gekomen, de tafel aangericht, vergeten zijn de dromen, gedaan is het gericht. Voor die nieuwe mens, die onttrokken is aan de macht van de boze, is het gericht ten einde. Hij heeft uw vijanden verjaagd, zegt Zefanja. Want het is de vijand die gericht wil oefenen.

Ook ons lichaam behoort tot het domein van God. Jezus heeft de volledige mens terug gekocht uit de hand van de verdruk­ker. Hij heeft onze geest gekocht, Hij heeft onze ziel gekocht, Hij heeft ook ons lichaam gekocht met de prijs van zijn bloed. Ons lichaam is geen niemandsland. Het is gekocht door God. De boze heeft er derhalve geen recht meer op.

Ons lichaam is er ten dienste van God, ten dienste van de geest. Daarom is het van belang dat het goed kan functioneren, met het oog op het koninkrijk van God. Het is dan ook van belang dat we positief denken over onze uit­wendige mens, en dat we niet de gedachte toelaten: ons lichaam is nu eenmaal toch prijsgegeven aan verderf en ondergang. We zullen moeten loskomen van elk fatalisme, van alle doemdenken. God wil dat we denken vanuit de nieuwe mens. Dat is geloof. Geloof zegt: Maar wij zien Jezus, de nieuwe mens Gods, met heerlijkheid en eer gekroond.

God zegt: Laat dezen heengaan. Kom onder het gericht vandaan. Zoals het gebeurde toen Rachel een zoon baarde en zij hem noemde: Ben-oni, zoon van mijn ellende. Maar meteen greep Jakob in; hij wilde niet dat dit kind zou opgroeien onder het gericht, en onmiddellijk veranderde hij de naam en het werd: zoon van de rechterhand. Benjamin! Onder het gericht vandaan! Zo is God. Zo denkt God. Dat zien we in het gehele optreden van Jezus: Hij haalde steeds de mens onder het gericht vandaan.

En het is waar: we leven nog in vijandelijk gebied. De vijand valt nog aan; en hij probeert juist ook zonen Gods “ in hun lichaam te treffen. De strijd is nog in volle gang. “Maar wanneer de gemeente zich meer en meer de gezindheid en de gedachten van Jezus gaat eigen maken, en gezamenlijk één front gaat vormen tegen de aanvallen van de ziektemachten, dan zal ook op dit punt het koninkrijk van licht en leven meer gaan baanbreken. Soms houdt passiviteit of de gedachte aan gericht ons tegen. Of we zijn lamgelegd door teleur­stellingen van het verleden.

Wij moeten denken vanuit het plan Gods

Laten we ons de levenshouding van Paulus eigen maken, die zei: Als ik maar mijn loopbaan ten einde mag brengen. De apostel verlangde één ding: dat God hem de tijd en de kracht zou geven om zijn taak af te maken.

Wie zo gaat denken vanuit het plan Gods met zijn leven, diens geest gaat heersen, diens geest wordt bekrachtigd. Hij weet: het gaat enkel en alleen hierom dat Gods gedachten in mijn leven gerealiseerd worden. Daaraan moet alles zich onderwerpen.

Die mens, die gemeente trekt uit, onder het gericht vandaan, onder de banier van de goedheid Gods. De dood, de laatste vijand, moet nog teniet gedaan worden. Maar de eerste nieuwe Mens is opgestaan. Het herstel is begonnen.

 

Mededelingen redactie

De volledige mens

De artikelen van de serie ”De volledi­ge mens, waarvan in dit nummer het laatste deel verscheen, worden gebundeld en als brochure uitgegeven, welke over enkele weken verschijnt. Wij noteerden reeds verschillende bestellingen voor dit boekje, dat op zo duidelijke wijze het onderwerp: geest, ziel en lichaam behandeld en ook uitstekend geschikt is voor verspreiding.

Profeteren

In het meinummer van “Levend Geloof”, dat voor Pinksteren verschijnt, komt onder andere een uitge­breid artikel voor over één van de belangrijkste aspecten van de boodschap van Pinksteren, te weten het profeteren. Het werd exclusief voor ons blad geschreven door broeder Rob Polderman, voorganger van een volle evangelie gemeente te Antwerpen.

 

1982.03 nr. 224

Levend geloof 1982.03 nr. 224

In welk spoor gaan wij verder? Door Gert Jan Doornink

“Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!” Filippenzen 3 vers 15 en 16 (Filip. 03:15-16).

Hoe komen wij geestelijk verder?

We leven in een tijd waarin de scheiding der geesten zich aan het voltrekken is. Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) is één van de bekendste teksten die ons beschrijft wat er aan de gang is: “Wie on­recht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. Maar het gevaar bestaat dat we ons meer bezig houden met het eerste deel van deze tekst, dan met het tweede. Het lijkt soms wel of we meer geïnteres­seerd zijn in de toename van de zonde en de on­gerechtigheid van deze wereld, in plaats van ons bezig te houden met de vraag: hoe openbaren we meer en meer het beeld van Jezus? En daar gaat het toch om!

Dat was ook het verlangen van de apostel Paulus. Daarover schrijft hij in zijn brieven. Dat was het doel (en de worsteling) in zijn Leven. Daar­toe wekte hij de andere gelovigen op. In Filippenzen 3 vers 7 tot en met 11 (Filip. 03:07-11) schrijft hij bijvoorbeeld: “Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil scha­de geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. Dit alles om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.

Paulus wekt ook ons op deze weg te gaan: “Wees mijn navolgers” zegt hij in Filippenzen 3 vers 17 (Filip. 03:17). En daarover lezen wij ook in zijn andere brieven. “Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg”, zegt hij in 1 Korinthiërs 11 vers 1 (1 Kor. 11:01). Sommigen vinden deze woorden nog al aanmatigend en zouden ze zelf nooit zo formu­leren, maar iemand die werkelijk vol is van de kracht en de liefde van Christus, heeft maar één verlangen namelijk: ook anderen brengen op de weg des heils om dan de weg met Jezus ten volle te bewandelen. “Wees dan navolgers Gods”, zegt Efeziërs 5 vers 1 (Ef. 05:01) en in Hebreeën 6 vers 12 (Heb. 06:12) wor­den wij opgeroepen te volharden door navolgers te zijn van hen die door geloof en geduld de be­loften beërven. (Eén van de voorwaarden om de beloften van Christus in ons leven in vervulling te zien gaan is dus een navolger van Hem te zijn). Wij denken ook nog aan de oproep van de apostel Petrus in zijn eerste brief: “Want hier­toe zijt gij groepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten opdat gij in Zijn voetstappen zoudt treden”.

Hoe functioneert de navolging van Christus?

Hoe gaat deze navolging van Christus nu in zijn werk? Welke richtlijnen geeft de Bijbel? Welke adviezen en raadgevingen geeft Paulus? We wil­len ons beperken tot Filippenzen 3, omdat juist in dit hoofdstuk enkele belangrijke ‘kernelementen’ naar voren komen.

Paulus heeft het hier ogenschijnlijk over een tegenstelling. Terwijl hij in Filippenzen 3 vers 15 (Filip. 03:15) zegt dat wij volmaakt zijn, zegt hij in Filippenzen 3 vers 12 (Filip. 03:12): “Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn…” Hoe kan dit? Zijn, wij nu volmaakt of niet volmaakt? In Christus zijn wij volmaakt, want we zijn een nieuwe schepping in Hem! Maar de openbaring van deze volmaaktheid is een (groei)proces. Daar moet heel ons leven op gericht zijn, dat moet ons leven beheersen. Dat was ook bij Paulus het geval, daarom schrijft hij verder: “…ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Chris­tus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding doe ik: vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Je­zus” Filippenzen 3 vers 12 tot en met 14 (Filip. 03:12-14).

Wat was het grote, alles beheersende, centrale uitgangspunt in het leven van Paulus? Hij was door Christus Jezus gegrepen Filippenzen 3 vers 12 (Filip. 03:12). Dat was de intense blijdschap en hoop die zijn leven beheerste… en die ook ons leven mag beheersen! Want ook wij zijn door Jezus Christus gegrepen! En ook wij kunnen met Paulus zeggen: “Hij hééft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zij­ner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden” Kolossenzen 1 vers 13 en 14 (Kol. 01:13-14) .

Iemand die werkelijk door Jezus Christus gegre­pen is doet er ook alles aan om anderen voor Christus te winnen. Daarom doen wij aan evangelisatie, zijn wij ‘actief in dienst van de Heer’ en verkondigen wij de boodschap van het Koninkrijk Gods.

Maar dat mag niet het enige zijn! Wij behoren er op te letten dat het evangelie ook doorwerkt in eigen leven! Als de mensen niet het beeld van Jezus in ons zien, is al onze inspanning feitelijk tevergeefs. Onze handel en wandel be­hoort in overeenstemming te zijn met datgene wat we belijden en geloven. Dat speelde ook een grote rol in het leven van Paulus en steeds weer wees hij zijn medegelovigen daarop.

Het verdriet in het leven van Paulus

Paulus was bedroefd over allen die niet leefden vanuit de gemeenschap met Hem die hen verlost had uit satans macht. Hij schrijft: “Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind”( Filippenzen 3 vers 18 en 19 (Filip. 03:18-19). Het is duidelijk dat het hier niet alleen gaat om mensen uit de wereld die niet wedergeboren zijn, maar Paulus wijst hier op kinderen Gods die niet geestelijk, maar vlese­lijk leven. Denk in dit verband ook over wat hij daarover schrijft in de brieven aan de Korinthiërs en aan de Galaten.

Wie vleselijk leeft, leeft op hetzelfde niveau als iemand die Jezus nog nooit heeft aanvaard en heeft een leven waarin satan het voor het zeggen heeft, in plaats van Jezus Christus. Een leven wat niet vol is van de Heilige Geest, maar waarin allerlei verkeerde geesten geïnfil­treerd zijn, om hun vernietigend werk te doen. Een leven dat niet meer de kracht en de liefde van Jezus uitstraalt, maar waarin nederlaag en duisternis tot openbaring komt. Samengevat: zo’n leven is en ontspoord leven!

En dat is niet Gods wil! Paulus zegt in vers 16: “…maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!” We moeten verder! We moeten groeien! Maar op welke wijze?

Twee voorwaarden om geestelijk te groeien

Om geestelijk te groeien moet er in de eerste plaats een verlangen zijn om geestelijk verder te komen. Er zijn legio christenen die geen enkel verlangen hebben om te groeien. In de natuurlijke wereld is groei een vanzelfspreken­de zaak, hoeveel te meer in de geestelijke wereld. Satan heeft het verlangen om geestelijk verder te komen bij velen onderdrukt. Gebonden­heid is één van de wapenen die hij hanteert, waardoor velen het stadium van de geestelijke volwassenheid nimmer bereiken.

In de tweede plaats is het belangrijk, als wij wel het verlangen hebben om geestelijk te groeien, dat het op de juiste wijze gebeurt! Vanuit datgene wat we bereikt hebben, moeten we verder groeien, zegt Paulus.

Nu is de vraag: Wat hebben wij bereikt? Er zijn kinderen Gods die nog nooit het fundament in hun leven goed hebben gelegd. Velen hebben Jezus in hun leven aangenomen als hun Redder. Maar dan blijft een verdere fundamentlegging achterwege. Als men de doop door onderdompeling en de doop met de Heilige Geest, gepaard gaande met het spreken in tongen, facultatief gaat stellen, zoals in de evangelische wereld ge­beurt, hoe kan er dan ooit op de juiste wijze verder gebouwd worden?

Er zijn er ook die wel het fundament hebben ge­legd, maar daarna nooit verder komen. Terwijl we juist moeten groeien vanuit het fundament naar de eindvoltooiing.

Het advies wat Paulus in Filippenzen 3 geeft voor een gezonde geestelijke groei, komt er op neer dat we af moeten rekenen met alles wat aardsgezind is, want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen. Hier ligt de sleutel, dit is het geheim! Paulus zegt: “Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser ver­wachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen” Filippenzen 3 vers 20 en 21 (Filip. 03:20-21). Velen denken dat bij de komst van Jezus ook hun geest zal veranderen, maar dat is een leugen uit het rijk van satan. Dat gebeurt alleen met ons lichaam. De uiterlijke mens is aan verval onder­hevig, maar niet onze innerlijke mens. Die wordt vernieuwd van dag tot dag 2 Korinthe 4 vers 16 (2 Kor. 04:16). En deze nieuwe mens wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper Kolossenzen 3 vers 10 (Kol. 03:10).

Dat is de gezonde geestelijke groei die de Bij­bel ons aantoont.

Daarom is het kenmerk van een kind van God dat verder gaat in het spoor van Jezus, dat hij geestelijk groeit. Lees in dit verband ook Efeziërs 4 vers 10 tot en met 16 (Ef. 04:10-16).

Willen wij volkomen één worden met Jezus dan behoren wij op te groeien naar de volwassenheid. Dan mogen en kunnen wij ten volle productief zijn in dienst van de Heer, maar vanuit de juiste geestelijke instelling. Vanuit de gezindheid van Christus.

“Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren” Filippenzen 03 vers 15 (Filip. 03:15). En wat dit laatste betreft: Hij wil ons leiden en corrigeren door Zijn Woord en Geest. “Maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder! Filippenzen 3 vers 16 (Filip. 03:16). En we gaan steeds verder met Jezus door in Zijn voetstappen te blijven wandelen. Wie de geestelijke weg van geloof en gehoorzaamheid ten volle bewandelt, gaat ook meer en meer Zijn beeld openbaren en leeft daar­door tot eer en glorie van Hem die ons vrijkocht met Zijn bloed! Is het ook uw verlangen in dat spoor verder te gaan?           .

 

Geworteld en gegrond in de liefde door H. J. Scholten

Gegrond en geworteld in de liefde Efeze 3 vers 17 (Ef. 03:17) is pas mogelijk als Christus in on­ze harten woning heeft kun­nen maken. Dat wil zeggen dat Jezus met Zijn liefde en genade heerst in onze har­ten. Dan gaan er wonderbare dingen gebeuren in ons le­ven. Dan worden we ergens toe in de gelegenheid gesteld. Namelijk dit: om sa­men met alle heiligen in staat te zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.

De apostel Paulus zegt: “Al ware het, dat ik profetische gaven had, en alle geheimenissen en alles wat te weten is, wist, en al het geloof had, zodat ik bergen verzet­te, maar ik had de liefde niet, ik ware niets!”

Bergen verzetten! Dat duidt op de strijd in de hemelse gewesten en de geestelijke wapenrusting en kennis en inzicht in het Woord van God. Allemaal uiterst be­langrijk! Maar het is alles volkomen waardeloos zonder de liefde.’

Je kunt zó overtuigd zijn van de juistheid van een leer dat diezelfde leer je zo hard kan maken als een spijker! Je bent zó over­tuigd dat je de goede bood­schap te pakken hebt, je zou je leven er wel voor over hebben, ja, je lichaam desnoods geven om verbrand te worden. “Wacht even”, zegt Paulus, “als je de liefde niet hebt, het baat je niet!”

De ware liefde kent bewogenheid! Jezus was met inner­lijke ontferming bewogen over de schare. Het waren allemaal mensen zonder ken­nis en inzicht en daarom dwaalden ze allen als scha­pen. Als wij van onze goede boodschap overtuigd zijn, zal deze alleen effect sor­teren wanneer, door de lief­de Gods gedreven, deze bood­schap gepredikt wordt. Som­migen laten zich drijven om­dat ze doodgewoon gelijk willen hebben en je proeft geen grammetje liefde!

Als wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zal Zijn liefde in ons volmaakt worden! 1 Johannes 4 vers 12 (1 Joh. 04:12).

 

Het schouwspel en de toeschouwers

Welk een spectaculair gebeuren vond er eeuwen geleden plaats op Golgotha. De naam ‘Golgotha’ (‘Schedelplaats) gaf de plek aan waar misdadigers, die door de wet tot de dood waren veroordeeld, moesten sterven.

Bij het sterven van Jezus hadden zich in hoofdzaak twee groepen gevormd.

1 – Men was de mening toegedaan dat Hij zijn welverdiend vonnis tegemoet ging omdat Hij godslasterlijke taal gesproken had, door niet te ontkennen dat Hij Gods Zoon was. Men dacht bovendien dat Hij klaar stond het konings­schap over Israël over te nemen.

Stel u voor dat heden ten dage zich hetzelfde afspeelde? Zou men dan ook niet zeggen dat een oproerkraaier en een rebel gestraft diende te worden?

2 – De andere mening werd gevormd door Zijn volgelingen, die -hoewel geestelijke geschoeid – te kampen hadden met teleurstelling over de gang van zaken en verdriet om Zijn sterven en vooral: de wijze waarop (de misdadigersdood). Zouden u en ik zich niet ellendig en vertwijfeld hebben gevoeld? Je mag dan geloven en een geestelijke training hebben gehad, maar je hart raakt vertwijfeld en de emoties breken los.

Intussen hing daar Jezus tussen hemel en aarde als een schouwspel voor de gehele wereld. Hoe eenzaam en alleen moet Hij zich toen hebben gevoeld. Desondanks wilde Hij niemands mening beïnvloeden; geen verdediging kwam uit. Zijn mond.

Had het sterven van Jezus dan wel enige zin? (‘zinvol’ zou men nu zeggen). Een Romeins hoofdman (naar onze begrippen een heiden) die gekomen was om zijn plicht uit te voeren, gaf het antwoord. Hij werd zó in zijn gemoed overtuigd, dat hij het uitriep. Hij was als zondaar gekomen, maar hij kwam tot geloof.

Hoe staan u en ik rondom het kruis? Welke mening zijn wij toegedaan? We kunnen veel leren van die Romein uit dat verhaal: velen zijn naar Golgotha gekomen maar niet een ieder kwam tot geloof. Velen zijn ’toeschouwer’ gebleven en zijn aan het kruis voorbij gegaan.

 

Rondom Golgotha, toen … en nu door Judith Jacobs

Markus 15 vers 59 (Mark. 15:59)

Ze waren naar de plaats gekomen,

Vanouds bekend als ‘Golgotha’;

Daar hadden zij de Heer zien sterven:

Hij had gebeden om gena –

 

Niet voor Zichzelf, maar voor Zijn haters

Die Hem zo wreed hadden bespot;

Toen Hij de geest gaf riep de hoofdman:

“Waarlijk, Deez was de zoon van God”.

 

Misschien is Golgotha ‘historie’,

Behoort die plek tot het verleen.

Maar ’t kruis – al ben je nog zo’n heiden –

Daar komt geen sterveling omheen.

 

Want op dat hout stierf eenmaal Jezus,

Met eeuw’ge liefd’ voor u en mij;

Alleen: de één wil knielen en Hem danken,

De ander – loopt er aan voorbij….

 

De vrede Gods (innerlijke vrede) door J. Noë

“Zo zegt de Here, uw Verlos­ser, de Heilige Israëls: Ik ben de Here, uw God, die u leert, opdat het u wel ga; die u de weg doet betreden, dien gij moet gaan.

Och, dat gij naar mijn geboden zou luisteren; dan zou uw vrede zijn als een rivier en uw gerechtigheid als de golven der zee” Jesaja 48 vers 17 en 18 (Jes. 48:17-18).

Het onderwerp dat ik nu ga behandelen gaat niet over de aardse vrede, maar over de Goddelijke vrede, de inner­lijke vrede. In verband met de opbouw van dit artikel was ik genoodzaakt veel teksten aan te halen. Boven­staande woorden van God aan de Israëlieten, alsmede de onderstaande priesterlijke zegen uit Numeri 6 vers 22 tot en met 27 (Num. 06:22-27) : “De Here zegene u en behoede u; de Here doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede”, zijn toch zeker wel het overdenken waard en dienen ook door ons wel terdege ter harte worden genomen.

Doordat dus Israël niet geluisterd had naar het Woord van God en ongehoorzaam was geworden, kon het niet tot die Goddelijke vrede ingaan.

In het Woord van God kunnen wij constateren dat het Goddelijk licht (leven), de Goddelijke rust, vrede en blijdschap nauw met elkaar verbonden zijn en het één het gevolg is van het ander. We zullen deze nu afzonder­lijk behandelen.

Licht (leven)

Oude Testament:

Psalm 27 vers 1 (Ps. 027:001): “De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?”

Psalm 36 vers 10 (Ps. 036:010): “Want bij u is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht”.

Psalm 56 vers 14 (Ps. 056:014): “…zodat ik voor Gods aangezicht mag wandelen in het licht des levens”.

Nieuwe Testament:

Jezus zegt in Johannes 8 vers 13 (Joh. 08:13): “Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben”.

Dus als wij Jezus volgen, dus Zijn woorden bewaren, Hem in alles gehoorzamen en handelen zoals Hij gehan­deld heeft, dan zal het Goddelijk licht en leven in ons openbaar worden, zullen de machten der duis­ternis moeten wijken en zal de Goddelijke vrede ons hart doorstromen.

Paulus zegt in Romeinen 13 vers 12 (Rom. 13:12): “Laten wij dan de werken der duisternis af­leggen en aandoen de wape­nen des lichts”.

In Jacobus 1 vers 17 (Jak. 01:17) staat: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wien geen verandering is of zweem van ommekeer”.

Rust

Jezus zegt in Matteüs 28 vers 28 tot en met 30 (Matt. 28:28-30): “Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoe­dig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht”.

Rust en vrede horen bij elkaar. Om tot de Goddelij­ke rust in te gaan, moeten wij aan de daarvoor gestel­de voorwaarden voldoen, namelijk Zijn juk op ons nemen, waardoor wij leren, hoe wij tot de rust van onze ziel (welke wordt beheerst door ons verstand, wil en gevoel) kunnen in­gaan. Daarom is het zo be­langrijk dat onze geest volkomen gemeenschap heeft met de Heilige Geest, zodat onze ziel onder de goddelijke leiding komt te staan. (Hierover heb ik reeds uitvoerig geschreven in “Levend Geloof” van maart en april 1981).

Vrede

In Johannes 14 vers 16 tot en met 31 (Joh. 14:16-31) spreekt Jezus over de liefde van de Vader; hoe onze liefde voor Hem be­hoort te zijn en wat het gevolg daarvan is. Verder over de Heilige Geest, de Trooster, en de Goddelijke vrede. Ik zal enkele teksten aanhalen.

Johannes 14 vers 23 en 24a (Joh. 14:23-24a): “Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem liefheb­ben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wonen”.

Johannes 14 vers 25 en 26 (Joh. 14:25-26): “Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen bren­gen al wat Ik u gezegd heb”. (Zie ook vers 16 en 17).

Vers 27: “Vrede laat ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd”.

De vervulling met de Heilige Geest is nodig

Uit het bovenstaande zien wij, dat wij vervuld moeten zijn van de Heilige Geest om het niveau te bereiken waar God ons hebben wil en eerst daardoor de Goddelijke vrede in ons komt.

Paulus zegt in Romeinen 8 vers 6 (Rom. 08:06): “Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede”.

In Romeinen 15 vers 13 (Rom. 15:13): “De

God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede in uw geloof, om overvloe­dig te zijn in de hoop, door de kracht des heiligen Geestes”.

En in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 14 (1 Thess. 05:23) zegt Paulus: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Chris­tus blijken in alle dele onberispelijk bewaard te Zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen”:

Laten bovenstaande woorden ons bemoedigen en verster­ken. En laten ze tot ons hart en ziel doordringen, opdat wij geheel van die Goddelijke vrede en blijd­schap vervuld worden.

Vrede gaat gepaard met blijdschap

In aansluiting hierop zal ik nog enige teksten aan­halen, waar vrede met grote blijdschap gepaard gaat. In Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22) staat bijvoorbeeld dat beiden een vrucht van de Heilige Geest zijn.

In Romeinen 14 vers 27 (Rom. 14:27) zegt Paulus: “Want het Konink­rijk Gods bestaat uit rechtvaardigheid, vrede en blijdschap”.

En nu de slottekst, die zo­veel inhoudt en waar ik na­der op inga.

Filippenzen 4 vers 4 tot en met 7 (Filip. 04:04-07): “Verblijdt u in den Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: verblijdt u ! Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door ge­bed en smeking met dankzeg­ging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”.

In deze teksten wijst Paulus ons de weg, welke wij gaan moeten als wij, als kinderen Gods, in allerlei verdruk­kingen komen te verkeren en, broeders en zusters, daar ontkomen wij geen van allen aan. Denk maar eens aan Pau­lus wat die niet allemaal te verduren heeft gehad. De duivel gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden 1 Petrus 5 vers 8 (1 Petr. 05:08), of hij komt listig als een slang of als een engel des lichts. Wees dus voorzichtig. Petrus waarschuwt ons met de woor­den: “Wees nuchter en waak­zaam en weersta hem vast in het geloofd 1 Petrus 5 vers 9 (1 Petr. 05:09).

Hoe dichter bij de Heer, hoe feller de aanvallen van de duivel en zijn trawanten worden. Ze zullen proberen ons lichaam aan te tasten, tweedracht of twist te zaai­en in het gezin, in de fami­lie, in de gemeente, waar­door scheuringen kunnen ont­staan, wrijvingen veroorza­ken op je werk, tussen broe­ders en zusters, vrienden, enzovoort.

De gevolgen kunnen onder andere zijn: nervositeit, gespannenheid, depressies, prikkelbaarheid, boosheid, drift (met alle gevolgen van dien), moeheid, luste­loosheid, enzovoort, waardoor natuurlijk de Goddelijke vrede van je wijkt.

God doet alle dingen medewerken ten goede

Maar nu zegt God in Zijn Woord in Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28) Dat Hij alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Dus ook hier de voorwaarde: Als we God met geheel ons hart liefhebben, dan is alles wat ons overkomt tot ons nut. Wij worden door de Heer gelouterd en getuch­tigd tot reiniging van onze ziel, opdat wij ware mede­arbeiders en getuigen van Jezus Christus zullen zijn, staande als een rots in de branding tegen alle aanval­len van de machten der duisternis. De gaven en de vrucht van de Heilige Geest gaan zich openbaren. De Heer is nabij. De kracht Gods openbaart zich eerst ten volle in onze zwakheid. Daarom kunnen wij ons dan ook verblijden in alle om­standigheden, zijn in geen ding bezorgd en laten al on­ze wensen door gebed en sme­king met dankzegging bekend worden bij God. Waarom met dankzegging van te voren? Omdat de zekerheid des geloofs in ons hart moet zijn dat God Zijn toezeggingen waar zal maken.

En dan komt de Goddelijke vrede in ons, die heerlijke rust, die alle verstand te boven gaat en ons hart en gedachten behoedt in Chris­tus Jezus. Halleluja!

Zijn wij bevrijd van gebondenheden?

Er zijn echter nog kinderen Gods bij wie nog ongerechtigheden aanwezig zijn, omdat zij nog gebonden zijn door een of andere macht of machten, waardoor vanzelfsprekend de vrede Gods wordt geblok­keerd. Behalve de werken van het vlees, die reeds hierboven genoemd zijn, kun­nen dat zijn bijvoorbeeld: jaloersheid, bitterheid, wrok, onwaarheid, wereldgezindheid, onreinheid, angst, occulte bindingen, enzo­voort. Door zelfonderzoek kun je ontdekken waar je aan gebonden bent. Ook in het onderbewustzijn kunnen er verborgen zonden zijn, die echter door de Heilige Geest tot openbaring kunnen worden gebracht. Het is mogelijk dat, als men gedoopt is met de Heilige Geest, men zich­zelf kan bevrijden. Een en ander hangt af in hoeverre men gebonden is. Lukt dat niet dan moet men de hulp in roepen van broeders en/of zusters die deze bedienings- gave hebben.

En nu tot slot nog het vol­gende. Het kan gebeuren dat men op een gegeven moment ergens een beslissing voor moet nemen, bijvoorbeeld in verband met een baan, met een huwelijk, bij moeilijk­heden in het gezin of waar ook, voor het werken voor de Heer in eigen land of in het buitenland, enzovoort. Ga dan daarvoor in gebed en vast desnoods. Als de Heer daarop je Zijn vrede in je hart geeft, kun je gerust doen wat je van plan bent. Dan zal de Heer het ook be­vestigen. Ik besluit nu dit artikel met de volgende woorden van Paulus: “Genade zij u en vrede van God de Vader en van de Heer Jezus Christus. Amen!

 

Wat is uw naam? Door Gert Jan Doornink

 

Nieuwe brochure

“Elk mens draagt een naam, want we moeten nu eenmaal weten om wie het gaat. Wie zit er achter die naam? We willen de identiteit van de mens weten en dan is een naam erg belangrijk”.

Zo begint de nieuwe brochu­re van broeder H. J. Schol- ten, die zo juist is ver­schenen onder de titel: “Wat is uw naam?”. Over de­ze identiteit gaat het in deze brochure, maar dan speciaal over de geestelijke identiteit die wij als kinderen Gods bezitten.

Talrijke facetten van dit belangrijke onderwerp komen in dit boekje aan de orde, bijvoorbeeld over de oor­sprong van de mens. Satan probeert deze te verduiste­ren: “De mens mag nergens vandaan komen”. Vandaar dat in onze tijd de evolutie­leer zo’n opgang maakt. Sa­tans doel is dat de mens een onbekende blijft, zon­der naam, zonder een enkele identiteit. “Vooral mag de mens niet geschapen zijn naar Gods beeld en gelijke­nis, want dat zou grote consequenties hebben. Zo is de mens op het laatst gaan geloven dat hij alleen maar geneigd is tot alle kwaad en onbekwaam tot enig goed”. Broeder Schol ten noemt dit terecht “een denkpatroon uit de koker van de duivel”.

De Bijbel laat ons echter duidelijk zien dat de mens geschapen is naar Gods beeld, ‘volmaakt en goed’. We moeten dus God leren ken­nen, dat wil zeggen door Jezus te aanvaarden en te volgen onze ware identiteit ontdekken. De schrijver citeert 1 Johannes 5 vers 20 (1 Joh. 05:20) (een tekst om langzaam en hardop meerdere keren te lezen en heel je hart er voor open te stellen): “Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachti­ge, in Zijn Zoon Jezus Christus. Dit is de waarach­tige God en het eeuwige le­ven” .

Ook gaat broeder Scholten in op de aangetaste identi­teit van het massachristendom: “Het beeld is niet bijzonder fraai. Christenen met een aangetaste identi­teit door leringen van men­sen, door leugens van boze en ‘vrome’ geesten, door huichelarij van allerlei leugensprekers. En vanwege hun  demonenblindheid hopeloos aan het strijden tegen de ‘zondigheid van het eigen vlees’. Door de ‘leer der vaderen’ van hun namen be­roofd” .

Daartegenover komt de iden­titeit van het ware Godsvolk meer en meer tot openbaring: “Als hun gevraagd wordt: wat is uw naam?, dan is het antwoord: ik ben een kind van God. Met grote zekerheid komt het er uit. En op grond van Gods Woord weten wij dat God in zulke mensen een wel­behagen heeft. En nu groei­en ze toe naar het volmaakte beeld. Ze houden vast aan het woord van hun God, die gezegd heeft: Laat ons men­sen maken naar ons beeld en onze gelijkenis. Ze geloven heel bewust in de woorden van Jezus: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader” Matteüs 5 vers 48 (Matt. 05:48)”.

Met nadruk wijst broeder Scholten ook op de noodzaak om geestelijk te groeien, want alleen volwassen chris­tenen hebben door het ge­bruik hun zinnen geoefend in het onderscheiden van goed en kwaad. “De geeste­lijk volwassen mens weet waar hij vandaan komt en waar hij naar toe gaat. Hij heeft een doel en laat zich onder geen beding daar van afbrengen. Hij weet een ‘vakkundig’ gebruik te ma­ken van zijn geestelijke zintuigen en weet en be­proeft onmiddellijk wat uit het Koninkrijk Gods afkoms­tig is of uit het rijk der duisternis”.

“God wil geestelijke mensen van ons maken die eenmaal met Hem op de troon zullen heersen. Dat zullen mensen zijn met een naam, omdat God een naam heeft. Hij is degene die naam en identi­teit van Zijn volk her­stelt” .

Graag zouden we nog meer willen publiceren uit deze bijzonder leerzame en ge­loofsopbouwende brochure, maar we zijn er van over­tuigd dat uw belangstelling voldoende is gewekt om deze zelf te gaan lezen.

 

 

 

De volledige mens door redactie

In tegenstelling met wat wij in ons vorig nummer schreven, volgt er nog één aflevering in de serie “De volledige mens” van Nico Goverts. Daarna wor­den de vijf artikelen tot een brochure gebundeld en door ons uitgegeven.

 

De kennis van goed en kwaad door Jan W. Companjen

A – “De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. Toen zeide hij (Elisa): Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en zeide: Zo zegt de Here: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. En het wa­ter werd gezond, tot op de­ze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had”.

B – “Vandaar ging hij naar Bethel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop!

Kom op, kaalkop! Toen wend­de hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des Heren. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden twee en veertig van die kinderen. En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria” 2 Koningen 2 vers 19 tot en met 25 (2 Kon. 02:19-25).

Waarom een gezonde leer nodig is

In ons vorige artikel ston­den wij min of meer uitvoe­rig stil bij het scheppingsverhaal. Dat God de mens schiep naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. De mens diende zich te ont­plooien tot een Geestelijk wezen, kennende goed en kwaad. Bij de verzoeking speelde die kennis tussen goed en kwaad, ook een grote rol. De slang zei: als gij daarvan eet, zullen uw, ogen geopend worden en gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad.

In principe had satan ge­lijk. Er was echter een groot probleem, de mens was er nog niet rijp voor. Zij grepen vooruit, omdat het hun aan geestelijke wapen­rusting, dat wil zeggen aan Geestelijke ontwikkeling ontbrak. Zij kwamen na hun daad dan ook tot de ontdek­king dat zij naakt, zonder bescherming, waren. Zij ervaarden hun geestelijke naaktheid in de natuurlijke wereld en als eerste gevolg daarvan verborgen zij zich voor hun Schepper.

God is goed, Hij wil een volkomen schepping, waarvan Hij ook nu kan zeggen dat het alles goed, ja zeer goed is. Dat doel laat Hij niet varen. Een gezonde leer is daarom hard nodig, juist nu, nu de tijd dringt. Een ge­zonde leer, is die leer, die de mens herstelt en leert onderkennen wat goed en kwaad is. Alles wat de mens ontkleedt, naakt maakt, tot zondaar maakt, is onjuist. De boodschap van Jezus is en blijft: herstel, vrede, vreugde en blijdschap door de Heilige Geest. Ja, door de Heilige Geest, dat is de Geest die wij hebben en die in het .Oude Testament ont­brak. Gods Geest in ons, is de macht die ons zal leiden tot de volle waarheid en de volle volwassenheid. Daarom was het goed dat Jezus van ons weg ging en ons de weg opende tot het ontvan­gen van de Geest der waarheid.

Geestelijke en natuurlijke Christenen

Toch is het nog een vaak voorkomend feit dat je Geestelijke en natuurlijke christenen hebt. De laatst­genoemden zijn ‘ergens’ blijven steken of, (dat is ook mogelijk) nog op weg naar het doel dat met Christus’ komst bedoeld is: vervuld worden met alle volheid Gods. Test u zelf eens, hoe het met u gesteld is.

Geestelijke christenen zeg­gen: Wij kunnen veranderen, alles is mogelijk, want Jezus is Heer. Natuurlijke christenen zeggen: Zo is het, het is nu eenmaal zo en dat wil zeggen: “de natuur is heer”. Vanuit het natuur­lijke denken is het normaal dat men het onvolkomene accepteert. Dat laatste heeft echter zeer grote consequenties, speciaal wat be­treft de kennis van goed en kwaad. Zie om je heen hoe in kerk en wereld, zwart wit en wit-zwart wordt ver­klaard. Het is, zegt men, nu eenmaal zo, de één zus en de ander zo en je hebt elkaar maar in liefde te accepteren zoals je bent. Wij hebben echter veel meer, na­melijk liefde door de Heili­ge Geest, dat is een gezonde liefde. Een liefde die ge­zond maakt en herstelt.

Daarom zijn wij tot helpen in staat.

Inzicht krijgen in wat goed en kwaad is

Wil alles goed functioneren dan zal het voor de eind­overwinning echter noodzake­lijk zijn dat wij goed zicht krijgen op datgene wat goed en kwaad is.

Bij Elisa ging het ook wel eens fout. Hij was een groot profeet uit het oude verbond maar wij hebben in het nieu­we verbond meer. In Matteüs 11 vers 11 (Matt. 11:11) zegt Jezus daarvan, dat Johannes de Doper de groot­ste was van hen die uit vrouwen geboren zijn. Door hem sprak God tot Zijn volk. Maar de kleinste in het Ko­ninkrijk der hemelen (wat wij nu hebben) is groter dan hij.

Vanaf Jezus breekt het Ko­ninkrijk Gods zich baan. De profeten uit het oude ver­bond hebben daarvan gepro­feteerd. Wij mogen groeien, door steeds meer inzicht, naar de Geestelijke mens. Die groei is bestemd voor een ieder, voor klein en groot, voor arm en rijk, voor sterken en zwakken en …een ieder naar zijn ver­mogen. Zo leven wij in een goede landstreek en in een goed gelegen stad, het he­melse Jeruzalem. Zo kunnen wij een parallel trekken tussen het eerste deel van het aan het begin van dit artikel staande tekstge­deelte en ons. Ook bij ons is het water nog niet al­tijd gezond en komt er geestelijke misgeboorte voor.

Dat ongezonde stuk leven dat op die wijze bij ons nog voorkomt is in hoofd­zaak terug te brengen naar het gebrek aan kennis tus­sen goed en kwaad. Gods volk gaat verloren door ge­brek aan kennis. Niet door zonden of andere tekortko­mingen maar door gebrek aan kennis tussen goed en kwaad. Het is nodig om meer kennis van God te ont­vangen, dat kan echter niet anders dan door middel van de Heilige Geest. De Heili­ge Geest is onze leraar. Jezus werd door diezelfde Geest geleid. Het volk aan­vaardde Hem niet omdat Hij Zijn kennis niet op school geleerd had. Hij werd ech­ter door God zelf onderwe­zen en was aldus een zoutend zout. In die onder­wijzing door God zelf, zit het grote geheim van de gezond wording. Gods Geest werkt boven het menselijk denken.

Het gaat om het herstel van de gemeente

Daarom moeten wij terug naar onze éne en waarachtige Leidsman, de Geest Gods, die ons geschonken is tot red­ding der wereld. Dan zullen ook wij een waarlijk zoutend zout zijn. Wij roepen niet om een Elia of een Elisa of om één of andere grote fi­guur, maar om het herstel van de gemeente, het hemelse Jeruzalem, een veelheid van mensen uit allerlei rang en stand. Het gaat er daarbij alleen maar om of wij het evangelie van Jezus Christus willen aanvaarden in alle aspecten. Jezus leeft en wij met Hem.

Elisa vroeg en kreeg een nieuwe schotel met zout. Het is alles nieuw en rein. Het is zeker dat er niets anders toegevoegd hoeft te worden aan de bron van water dan dat zout om alles levend en gezond te maken. Indien wij vervuld zijn met Gods Geest kunnen stromen van levend water uit ons binnenste vloeien. Naast die stromen van levend water vraagt de Heer echter van ons dat wij 22 een zoetend zout zijn. Die twee aspecten samen (water en Geest) zullen er voor zorgen dat alles gezond wordt en dat er geen misge­boorte meer zal plaats vin­den. Misgeboorten zijn er onder andere nu nog veel te veel te vinden in het ont­breken van of zoeken naar Geestelijke volmaaktheid. Men kan en/of wil niet uit­groeien tot Geestelijke volwassenheid. Men ziet in Christus de volmaakte mens niet uitgebeeld (spiegel Gods), maar in de zalig le­vende of reeds gestorven zijnde vader, moeder, oom of tante of de één of ande­re dominee of prediker.

Jezus zegt: Ik ben de weg. Door Hem te volgen en Hem als Leidsman te aanvaarden wordt je met Hem een le­vendmakende Geest. Dan zal het hemelse Jeruzalem spoe­dig uit de hemel nederdalen en zichtbaar worden, zodat er geen misgeboorte meer zal zijn. Zo, broeders en zusters, wil ik u ook in de Naam des Heren verkondigen dat de stroom van levend water gezond zal zijn en dat er geen dood of misge­boorte meer zal voorkomen in ons midden, want de stad en het land waarin wij wo­nen is goed, ja zeer goed.

Bij al dit goede is het echter ook noodzakelijk dat wij al gaande leren onderkennen wat goed en kwaad is. Daarvoor willen wij punt B. van ons tekstge­deelte tot voorbeeld nemen. Wij zijn, net als de Samaritaanse vrouw bij de put, uitgenodigd tot het schen­ken van levend water. Jezus zegt in Johannes 4 vers 7b (Joh. 04:07b): “Geef Mij te drinken”, dat wil zeggen dat wij geroepen zijn het leven te geven en niet de dood.

God is goed. Hij is de Ver­tegenwoordiger van al het leven en van alle herstel. Jezus Christus is ons dat komen openbaren. Hij liet ons de Vader kennen zoals Hij werkelijk is. Daarom zei Jezus ook op Golgotha, toen zij Hem aan het kruis nagelden: “Vader reken hun deze zonde niet toe”. Ook Stéfanus, de eerste marte­laar, riep bij zijn steni­ging: “Here, reken hun deze zonde niet toe”. Beiden, zowel Jezus Christus als Stéfanus, werden hierbij geheel en al door één Geest geïnspireerd. Zij wa­ren één zoals de Vader één is, kennende en onderkennen­de wat goed en kwaad is, dat wil ook zeggen uit welke bron het kwade voortkomt.

Bij Elisa was dat geheel anders. Hij onderkende niet dat de kinderen die schel­dend achter hem aankwamen door de duivel geïnspireerd werden. Hij hoorde de kin­deren al roepende achter hem aankomen (‘schelden doet geen zeer!’), keerde zich om, zag de kinderen en vervloekte ze. Zelfs de Naam van de Here werd er bij genoemd. Ik kan u ech­ter verzekeren, broeders en zusters, dat Elisa hier nog meer de fout inging dan de kinderen die hij vervloek­te. Hij zei niet: reken hun deze zonde niet toe, maar vervloekte ze, met het ge­volg dat ze door twee wilde dieren verscheurd werden.

 

Kort geleden hoorde ik in verband hiermee nog door een prediker de opmerking dat God niet met zich liet spotten. Hier liet Elia niet met zich spotten en hij reageerde door het oor te lenen aan een duivelse inspiratie die twee en veertig kinderen het leven kostte. De schrik voor Elisa, als man Gods, kwam er dus wel goed in, maar het was zeer zeker niet Gods wil.

In Christus heeft ons God de Vader de dienende liefde geleerd. De liefde drijft alle angst uit en wijst ons de weg naar het ware goede en volkomene. Leer de men­sen, uzelf en uw medemens, dat God goed is en de dui­vel slecht. Wordt bevrijd uit die doodsbanden en laat u niet langer inspireren door góden die de doods- macht vertegenwoordigen. Angst en haat, oorlog en vrede aan de ene kant; maar vrede, vrijheid en blijd­schap aan de andere kant hebben hiermee te maken. Onderken dat de Here goed is en ga Zijn weg, dan zal ook Zijn leven op dit ter­rein in u tot openbaring komen. Geprezen zij Zijn Naam!

 

Onderscheiding (gedicht) Piet Snaphaan

Gods Woord is zeker en gewis

In Hem is niets geen duisternis

Want God is enkel positief

En enkel licht, Hij heeft ons lief

Toch zijn er nog gedachten vaak

Uit ’t oud verbond, van toorn en wraak

Alsof God zich zou willen wreken

En toornend tot de mens zou spreken

Het zijn verouderde gedachten

Van verre, verre voorgeslachten

Zij hadden weinig of geen zicht

Alleen door Jezus kwam het licht

God kent geen toorn, en Hij is ook geen wreker

Want Hij is immers liefde, dat is zeker

Wat toorn is, dat is duisternis

Dat spreekt vanzelf, dat is gewis

Een geest die toornt of wreekt of liegt

Is nooit uit God, die geest bedriegt

Wat wel uit God is, dat is goed

Hij schenkt ons mild en overvloed

Hij gaf Zijn Zoon op Golgotha

Dat spreekt van liefde en gena

o, mens die zich in God verblijdt

Dank Heer voor zoveel onderscheid

God leert ons zo, door Zijn gedachten

Te onderscheiden van de machten.

 

De volledige mens -4- door Nico Goverts

De plaats van het lichaam

Wat gebeurt er met het lichaam? Allereerst kunnen we vast­stellen: het lichaam behoort tot de schepping Gods en is als zodanig inbegrepen in de herstelgedachten van de Schepper. Doel is dat het lichaam komt onder de wetten van de geest. Vaak heeft het lichaam te lijden onder de wanorde die heerst in de geest en in de ziel. Als daar de machten opereren, wordt het lichaam uitgebuit; het leeft onder een schrikbewind. Het wordt overheerst als een geteisterd gebied. Net als een kind dat in elkaar krimpt wanneer zijn ouders ruzie hebben, zo krimpt het lichaam ineen wanneer dreiging en geweld beuken op de ziel.

De oorsprong van de zonde is satan

Vroeger dacht men vaak dat het lichaam de bron was van het kwaad; men meende dat zonde een biologische aangelegenheid was. Daarmee stond ook in verband de gedachte van de erfzonde, die langs biologische weg zou worden over­gedragen, volgens sommigen zelfs via het bloed van de ouders, of liever van de vader. Zonde is echter een geestelijke zaak, zonde is een macht; dat kunnen we zonder meer al heel duidelijk opmaken uit het feit dat alle zonde haar oorsprong vindt in de satan en deze heeft niet eens een lichaam, hij is een geest. Alleen vanuit dit gezichts­punt al is het glashelder dat zonde tot de geestelijke wereld behoort en niet tot de lichamelijke.

Wanneer men de zonde tot een biologisch gegeven maakt, verduistert men de ware oorsprong van het kwaad en de eigenlijke veroorzaker blijft buiten schot. Het is wel duidelijk wie belang heeft bij een dergelijke misleiding.

Dan wordt een geestelijke strijd bij voorbaat onmogelijk. Immers, hoe kan men ooit iets geestelijk aanpakken wat er, naar men meent, op een lichamelijke wijze is ingekomen? Men is nu eenmaal, van de geboorte af aan, misvormd door duizend zonden? Wie gelooft dat zonde met het lichaam gegeven is, kan niets beginnen met vernieuwing van denken. Erfzonde en vernieuwing van denken sluiten elkaar in feite uit. Want wat baat vernieuwing van de geest als de zonde onlosmakelijk verbonden is met het lichaam? Dan baat niet alleen die vernieuwing niet; zij is zelfs onmogelijk, want in de geest blijft dan altijd de gedachte zitten dat men toch zondaar is tot de dood. Men is immers met zijn fysieke bestaan volledig met de zonde verweven.

Heeft de gelovige twee naturen?

Wanneer de zonde behoort tot het lichaam, dan volgt daaruit dat men pas verlost wordt als dit aardse lichaam sterft. De ene gedachte hangt met de andere samen: de zonde komt erin reeds voor de geboorte en de zonde verdwijnt pas met de dood. Wat blijven er bij deze voorstelling van zaken nog voor mogelijkheden over voor de geest van de mens? De mens zou de neiging krijgen zijn lichaam te gaan haten omdat dit de bron van alle ellende zou zijn, waar men zijn leven lang mee opgescheept zit. Wat voor gedachten krijgt men dan over zichzelf? Of men berust er maar in dat men nu eenmaal levenslang zondaar blijft, of men kweekt een soort gespleten denken aan, waarbij de geest met bitterheid en afschuw naar het lichaam ziet en erop neer kijkt; het is immers een blok aan het been?

De geest krijgt het idee: zolang ik in het lichaam ben, blijft het tobben. Het enige wat de geest misschien probeert, is: het lichaam onderdrukken, als een boosdoener die voortdurend in bedwang moet worden gehouden. Resultaat: geest en lichaam leven beide in een eindeloze kramp, en ze bevinden zich constant op voet van oorlog met elkaar. Men troost zich dan maar met de gedachte dat dit alles onvermijdelijk is: we hebben hier nu eenmaal te maken met de strijd tussen de oude en de nieuwe mens of, anders gezegd: de twee naturen van de gelovige.

Paulus dacht daar kennelijk anders over. Hij schreef: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven” 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 (1 Thess. 05:23). De apostel geloofde niet in een gespletenheid, hij geloofde in de eenheid van de mens.

De geest is niet geroepen om het lichaam te onderdrukken, maar om over het lichaam een heilzaam bewind uit te oefenen.

Zonde hoort niet bij het wezen van de mens

Een mens kan wel zondigen met zijn lichaam, maar dan is het de innerlijke mens die zondigt. Het lichaam is dan alleen het instrument waar de geest zich van bedient. Het lichaam leeft dan onder de tirannie. Dan moeten we niet zeggen: dat lichaam deugt niet, dat is verdorven. We moeten de oorzaak onderkennen. Wie inspireert je geest? Wie zit daarachter, die je voortdurend influistert: dat is nu eenmaal je aard?

Zonde doet het lichaam geweld aan. Trouwens, de hele mens wordt ontregeld door de zonde. Daaruit blijkt al duidelijk: zij hoort niet bij het wezen van de mens; zij is een vreemd element.

Wanneer de geest en de ziel tot herstel komen, is dit een verademing voor het lichaam. Eindelijk kan het lichaam zich gaan ontplooien in een sfeer van vrede en harmonie.

Soms heeft een lichaam tijd nodig om te wennen aan het nieuwe bewind. Er is een relatie tussen het herstel van de ziel en het vernieuwd worden van het lichaam. Op alle terreinen probeert de boze de mens af te houden van het mooie dat God voor hem bedoeld heeft. Wanneer de ziel gespannen en verkrampt blijft, ook na de bekering, komt ook het lichaam niet tot rust. Wanneer de ziel geteisterd wordt door aanhoudende felle stormen, draagt ook het lichaam mede dit leed. Vaak behoort het lichaam ook tot de zuchtende schepping.

De heerschappij van de Geest bewerkt bewerkt herstel

Maar Gods gedachte is: herstel. Zo stelt Paulus het ook voor in Romeinen 8 vers 11 (Rom. 08:11): “En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doen heeft opgewekt, „in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen legend maken door zijn Geest, die in u woont”. Hier zien we dus: door de Geest wordt ook het sterfelijk lichaam levend gemaakt. Er is een herstel van binnen uit. Een restauratie door de macht van de Geest. Dat herstel dat in de inwendige mens begint, in de geest en in de ziel, werkt door tot in het lichaam toe.

De sleutel is: het onderkennen dat de Geest machtig is. Het is immers de Geest des levens. Waar de Geest komt en heer­schappij krijgt, daar brengt Hij heil, Hij brengt genezende gedachten, Hij brengt genezend leven in de mens.

Vaak onderschatten wij de macht van de Geest. Of we hebben een verkeerd idee van de wijze waarop de Geest zijn macht uitoefent. De Geest heeft macht op basis van zijn karakter. Zijn karakter is: licht, leven, gerechtigheid. Daarom is het zo belangrijk te ontdekken wat voor Geest we ontvangen hebben. Anders leven we in onkunde en worden we beroofd van onze mogelijkheden.

De bekwaamheid van de Geest is regeren

De Geest heeft de bekwaamheid om te regeren. Hoe? Door zijn innerlijke waarde, door zijn innerlijke kracht. Zoals de psalmist het zegt: “Die door zijn sterkte voor eeuwig heerst” Psalm 66 vers 7 (Ps. 066:007). Hij heerst niet door geweld, niet door tirannie en pressie, maar door sterkte, dat is geestelijke kracht. Het is zijn wezen dat wint. De duivel verliest, omdat zijn wezen geen waarde heeft. De Geest van God wint, omdat zijn wezen waardevol is. Wat waarde heeft, houdt stand. De Geest bezit waarden die eenvoudig niet kunnen vergaan. In alles wat de duivel werkt, zit de afbraak, de ontbinding. Het rijk der duisternis zal ten onder gaan door gebrek aan wezen, gebrek aan identiteit. De duivel kan nooit zeggen: Ik ben.

De Geest kan het uitspreken: Ik ben. Dat is zijn sterkte in de geestelijke wereld. De Geest heerst krachtens karakter. In zijn karakter is geen ontbinding. In zijn karakter is geen verderf. In zijn karakter is puur, onvermengd leven. Dat leven valt niet uit elkaar. Dat leven is onvernietig­baar.

Wat voor de gemeente in de eindtijd van fundamenteel belang  is, dat is: het heersen van de Geest. We kunnen ook zeggen: het heersen van de geest. Want daar gaat het immers juist om: dat Gods Geest en onze geest samengaan. Samen zullen ze getuigen, samen zullen ze overwinnen.

In de eindtijd gaat de geestelijke mens heersen

Dat is de sleutel voor de laatste tijden: de geest zal heersen, de geestelijke mens zal heersen.

Daar verlangt God naar. Daarom formeerde Hij in de mens een geest, opdat hij zou heersen. God ziet in zijn gedachten voor zich die nieuwe mens, die mens wiens geest de teugels in handen neemt. Eeuwenlang is de schepping teugelloos geweest. Totdat hij komt die er recht op heeft. Bij God is er altijd een totdat.

Er zal gezag uitgaan van de geest. Van Sion zal de wet uitgaan. Sion is het volk dat gegrond is in de Geest van God. Daar gaat de wet van uit. Welke wet? De wet van geboden en inzettingen? Neen, want God doet in zijn plan nooit een stap terug. God gaat niet terug naar de wet van het oude verbond, de wet van de Sinaï. Hier kan derhalve alleen bedoeld zijn de wet van het nieuwe verbond. Hier is sprake van de wet des Geestes. Dit is de wet waar Jakobus over spreekt: de volmaakte wet, die der vrijheid. Dit is de wet van herstel. De wet van het koninkrijk Gods. Deze wet gaat van Sion uit. Sion wordt de wetgevende macht. Heilzame wetten gaan uit, ook over het lichaam.

God wil ons leren, hoe de Geest zal heersen. God strekt van Sion zijn machtige scepter uit. De tijd van de heer­schappij van de geest is aangebroken. De geest zal gedachten Gods nemen en zo zal de geest zijn scepter uit­strekken, ook over het lichaam.

De mens zal delen in de troon. Deelgenoot van de troon, dat is zijn roeping. En naarmate de geest van de mens deelt in de troon, deel krijgt aan de troon in de hemel, naar die mate zal ook het lichaam er wel bij varen. De kracht van de troon Gods gaat dan doorwerken in elke vezel van ons bestaan.

Zo lezen we het immers ook op de laatste bladzijde van de bijbel: “En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam” Openbaring 22 vers 1 (Openb. 22:01). Vanuit de troon gaat het stromen.

Vanuit de troon komt het leven. Vanuit de troon wordt alles helder. Helder als kristal. Alle heerlijkheid, alle glans, alle nieuwheid ontspringt uit de troon.

In de geest vestigt God zijn wetgevende macht. Wanneer de geest helder wordt, zal de hele mens tot helderheid komen.

De Geest moet regeren over het lichaam

Dat is Gods doel voor ons: de geest zal regeren over het lichaam. We zien dit zo schitterend tot uiting komen in Jezus. Als Hij verzocht wordt in de woestijn, dan klinkt de stem tot Hem: Zeg tot deze stenen dat ze broden worden. Daar speelt het probleem van de honger. En de verzoeker haakt daarop in.

Maar nu komt de reactie van Jezus. En let erop dat Jezus hier staat als een mens tegenover de vorst der duisternis. Wat zal Hij doen? Eeuwenlang hebben mensen gefaald, zijn mensen bezweken voor de stem die tot hen kwam. Wat zal deze mens doen?

Toen de satan sprak tot Adam en Eva: eet, toen aten ze. Maar toen de boze tot Jezus zei: eet, toen at Hij niet. Niet alleen van brood zal de mens leven. Waar dan wel van? Van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat. Dit is het program voor de mens, voor de ware mens, de mens Gods. Deze mens is niet meer een slaaf, niet meer een willoze pion op het schaakbord van de machten, niet meer een marionet in de vingers van het noodlot. Jezus was de eerste mens die heerste over de duivel.

Dit deed Jezus als een teken. Dit was een teken van een nieuwe tijd. Hier toonde Jezus: zo leeft de mens Gods. Dit beeldde Hij uit. En wat zien we? Bij Jezus heerste de geest over het lichaam. Hij had het niet nodig van stenen broden te maken. Hij liet zich niet overheersen door de pressie van de boze. Hij kon wachten. Bij Hem was de geest op de troon en zijn geest werd gevoed vanuit de gedachten van de Vader. En daarom kon zijn lichaam het volhouden. Zijn lichaam bezweek niet in de woestijn, zijn lichaam bezweek niet voor de verzoeking, omdat zijn geest vast stond. Zijn geest was onwankelbaar en daarom bleef zijn lichaam overeind. Zo werd Jezus de eerste van een nieuwe mensheid.

(Slot volgt – zie ook bladzijde 18, onderaan)

1982.02 nr. 223

Levend geloof 1982.02 nr. 223

Op welk niveau leven wij?

“Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen” (Jac. 04:08) Jacobus 4:8.

Hoeveel niveaus van leven zijn er? Door Gert Jan Doornink

De mens die Christus niet kent denkt dat er maar één niveau (wijze) van leven is: het menselijke, waarover dan weliswaar verschillend wordt gedacht, maar waarbij ieder het verlangen in zich heeft om zo goed en fatsoenlijk mogelijk te leven. Als ons leven niet al te zeer door satan geruïneerd is (wij denken aan de velen die hun leven vernietigen door verslaving aan alcohol, drugs, etc., en aan hen die zwaar demonisch bezeten zijn) dan proberen wij om ‘als mens’ zoveel mogelijk van het leven te maken. Het is een soort levensprincipe wat ieder er, bewust of onbewust, op na houdt. We proberen ons ‘men­selijk niveau van leven’ zo goed mogelijk waar te maken.

Gods Woord laat ons echter zien dat er feitelijk twee niveaus van leven zijn: Er is een leven op Goddelijk niveau (naar de wil en doelstellingen van God) en er is een leven op-het niveau van satan, (een leven onder invloed van de vorst der duisternis).

Ieder mens is bij een van beiden betrokken.

De grote verandering

Als de mens van een zondaar een kind van God wordt, vindt er een grote verandering plaats. We worden vanuit het rijk van satan overgezet in het koninkrijk van Jezus Christus. Paulus zegt in 2 Korinthiërs 5 vers 17 (2 Kor. 05:17): “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”.

Dit nieuwe leven moet echter verder tot ontwik­keling en groei komen. Als dit achterwege blijft komt er van de beleving van dit nieuwe leven niet veel terecht en openbaren wij een vleselijk in­ plaats van een geestelijk leven. Vandaar ook de talrijke richtlijnen, vermaningen en raadgevin­gen in Gods Woord om op Goddelijk niveau te leven.

Als voorbeeld noemen wij Jacobus 4 vers 8 (Jac. 04:08) waar de apostel schrijft: “Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen”. Het gaat hier om een opdracht en een belofte. De opdracht is tot God te naderen, dat wil zeggen: Zijn gemeenschap zoeken en beleven. En de belofte is dat Hij zich dan meer en meer aan ons gaat openbaren en de eenheid tussen Hem en ons zichtbaar gaat worden. “Wie zich aan de Here hecht, is één geest met Hem” 1 Korinthe 6 vers 17 (1 Kor. 06:17). Het kenmerk van een kind van God dat op Goddelijk niveau leeft is dus dat Chris­tus in hem meer en meer gestalte gaat aannemen.

Wat vraagt de Heer van ons?

Iemand die wil leven op Gods niveau (en dat vraagt de Heer van al Zijn kinderen) zal er rekening mee moeten houden dat het geen automatische zaak is. “Nadert tot God”, zegt Jacobus. Hoe functioneert dat in de praktijk? In de eerste plaats wordt van ons een leven van geloof verwacht. “Zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn” Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). “Wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen” 2 Korinthe 5 vers 7 (2 Kor. 05:07). En in Galaten 2 vers 20 (Gal. 02:20) zegt Paulus: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef (zolang ik nog in het vergankelijke lichaam van vlees en bloed in deze wereld ben) leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft lief gehad en Zich voor mij heeft overgegeven”. Wie geen geloofsleven kent, kan onmogelijk leven op Gods niveau.

In de tweede plaats wordt van ons verwacht dat wij een leven kennen van gebed. Geen oppervlak­kige sleur- of traditiegebeden, maar een ‘over­gegeven gebedsleven’. Wie niet telkens contact met God zoekt in gebed, bemerkt al spoedig dat zijn geloofsleven op een laag pitje staat.

In 1 Johannes 1 vers 3 en 4 (1 Joh. 01:03-04) zegt Johannes dat onze gemeenschap met de Vader is en met zijn Zoon Jezus Christus. Tot deze gemeenschap zijn wij geroepen, zegt ook Paulus in 1 Korinthiërs 1 vers 9 (1 Kor. 01:09). Hoe meer de verticale gemeenschap gaat functioneren, hoe meer deze ook op het horizon­tale vlak (in de gemeente) zichtbaar wordt.

Tenslotte willen wij nog noemen de vervulling met de Heilige Geest. Uitermate belangrijk is ook dat wij de dagelijkse vervulling met Gods Geest kennen. Bidt en dankt de Heer daarvoor. Als wij gedoopt zijn met Gods Geest en spreken in nieuwe tongen, behoort daar een verdere groei in de Geest op te volgen. Als deze achterwege blijft komt er van een leven op Gods niveau niets terecht. Laten de talrijke gelovigen die wel kunnen getuigen van de doop met Gods Geest als een ervaring uit het verleden, maar die ge­bonden blijven en geen overwinningsleven kennen, een waarschuwend voorbeeld voor ons zijn.

Voorbeelden uit de Bijbel

Wij willen nu een aantal voorbeelden uit de Bijbel aanhalen van mensen die op Goddelijk niveau leefden of daartoe werden opgeroepen. En om met dat laatste te beginnen ‘denken wij aan Jozua 1, waar God aan Jozua instructies gaf die hij aan het volk bekend moesten maken opdat zij Kanaän in bezit konden nemen. Wat was het voor­naamste kenmerk van deze richtlijnen: gehoorzaamheid. Lees wat er staat in Jozua 1 vers 7 en 8 (Joz. 01:07-08): “Wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de gehele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daar van niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt, overeen­komstig alles wat daarin geschreven staat, want dan zult gij op wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn”. Nu hebben wij niet meer te maken met de wet van Mozes, die is in Chris­tus vervuld, maar wel met de ‘wetten’ van het Koninkrijk Gods! Zijn wij voortdurend bezig met de dingen te zoeken en te bedenken die boven zijn Kolossenzen 3 vers 1 en 2 (Kol. 03:01-02)? Is het ‘eten en drinken’ voor ons?

Wij denken ook aan een man als Job. Velen vinden dit een moeilijke geschiedenis. Maar de enigste keer dat in het nieuwe testament Job wordt aangehaald is Jacobus 5 vers 11 (Jac. 05:11) waar staat: “Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming”. Job werd door de satan volkomen geruïneerd, maar hij had een onwankelbaar en volhardend geloof, waardoor hij aan het einde van zijn leven alles veelvuldig terug kreeg. In Job 1 vers 1 (Job 01:01) lezen wij dat hij vroom en oprecht was, godvrezend en wijkende van het kwaad. Kan dit ook van ons gezegd worden?

Ook de profeet Daniël was iemand die op het niveau van God leefde. Wat was zijn geheim? Een leven van gebed! In Daniël 6 vers 11 (Dan. 06:11) lezen wij dat hij in zijn boven vertrek open vensters had aan de kant van Jeruzalem; “en driemaal daags boog hij zich neder op zijn knieën en bad en loofde zijn God, juist zoals hij dat tevoren placht te doen”. Daniël kende de kracht van het gebed. Hij bad voortdurend tot God, niet alleen als hij in nood was (zoals vele christenen doen), maar ook in ‘normale’ omstandigheden. Koning Darius merkte aan het leven van Daniël dat hij een man was die zijn God volhardend diende Daniël 6 vers 17 (Dan. 06:17).

Wat het nieuwe testament betreft is één van de bekendste voorbeelden ongetwijfeld de apostel Paulus. In zijn brieven geeft hij enkele malen een beschrijving van de vele benarde omstandig­heden, waarin hij soms moest verkeren. Lees Romeinen 8 vers 35 tot 39 en 2 Korinthiërs 6 vers 4 tot 10 (Rom. 08:35-39 en 2 Kor. 06:04-10) maar eens. Maar altijd weer wist hij dat niets hem zou kunnen scheiden van God. Hij leefde in voortdurende gemeenschap met Jezus Christus. Hij deed er alles aan om de verbinding van zijn geest met Gods Geest volkomen te maken en wekte zijn mede-gelovigen – ook ons – daar­toe op om dat ook na te streven.

Dan denken wij uiteraard ook aan Jezus zelf. Maar zegt u, die was toch de Zoon van God. In­derdaad, maar toen Hij in een lichaam van vlees en bloed naar deze wereld kwam, werd hij Zoon des mensen, dat wil zeggen in alles aan ons gelijk, met uitzondering van de zonde. Want Hij weerstond satan. Hij bleef leven in voortdurende gemeenschap met Zijn Vader. Hij werd verzocht, moest Gethsémané door en werd gekruisigd op Golgotha. Jezus ging de volkomen weg, ondanks bespotting en miskenning. Ik vind het altijd weer aangrijpend als ik bijvoorbeeld lees in Johannes 15 vers 25 dat Hij zonder reden gehaat werd. Er was geen enkel motief om Jezus te haten want wat Hij deed was enkel goed. “‘Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38). Daarom werd Hij door de satan en door de mensen die onder zijn beslag waren gehaat. Daarom zal ook ieder waarachtig kind van God gehaat warden. Ongetwijfeld zal in de komende tijd de vervolging en verdrukking tegen de ware gelovigen toenemen. Maar dit zal ons niet verontrusten. Wij mogen leven op Gods niveau, in Zijn gemeenschap. “Wie in de schuil­plaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachtigen “Psalm 91 vers 1 (Ps. 091:001). Als wij tot God genaderd zijn, zal Hij tot ons naderen.

Positieve gevolgen

De uitwerking bij een kind van God dat op God­delijk niveau leeft is dan ook dat hij het leven aankan, dat hij temidden van de omstandigheden met Paulus kan zeggen: “In dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad” Romeinen 8 vers 37 (Rom. 08:37).

Een tweede gevolg is dat God ons ten volle kan gebruiken in Zijn dienst, omdat we gaan beant­woorden aan het doel wat Hij met ons leven voor heeft. We worden geheiligd, dat wil zeggen, we gaan meer en meer op Jezus lijken.

De waarachtige eindtijdgemeente zal een gemeente zijn die op Goddelijk niveau leeft. Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11) is een tekst die op deze gemeente van toepassing is: “En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis en zij hebben hun leven niet liefgehad, tot in de dood”. Het laatste doet ons ook denken aan de woorden van Jezus: “Want ieder die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden” Markus 8 vers 35 (Mark. 08:35). Wij mogen steunen op de overwinning van Jezus, maar ook zelf zul­len we met Jezus overwinnaars zijn!

De ware gelovige in deze eindtijd is ook iemand die zich bewust is van zijn geestelijke plaats met Christus in de hemelse gewesten. Wat een vreugde nu reeds op Zijn niveau te leven 1 Daarom willen wij ten alle tijde tot Hem naderen, opdat Hij tot ons kan naderen!

 

Gods liefde door Piet Snaphaan

Het is Gods liefde, die ons steeds aan Hem doet denken,

Doordat wij zijn verbonden met Zijn Geest,

Wil Hij ons steeds vanuit Zijn kracht ons schenken,

De liefde wel het allermeest.

 

Hoe wondervol is Zijn gena voor allen,

Die tot Hem gaan met een oprecht gemoed,

Het is de boze die de liefde aan wil vallen,

Doch, prijs de Heer, Want Hij maakt alles goed.

 

Hij is de weg voor ons gegaan van lijden,

Het was uit liefde, dat Hij voor ons stierf,

Zo mogen wij ons elke dag verblijden,

’t Is door het Heil, dat Hij voor ons verwierf.

 

De weg der liefde is de weg van lijden,

Dat heeft de Heer ons duidelijk getoond,

Alleen in Hem kunnen we ons steeds verblijden,

Omdat Zijn Geest en liefde in ons woont.

 

Het is Zijn liefde die ons steeds omringt,

En ook de Heer die ons die weg leert gaan,

Het is Zijn kracht die altijd overwint,

Door liefde alleen is satan te verslaan.

 

‘Blijf in Mijn liefde’, dat is ‘ t ware woord,

Die Jezus, Gods Zoon, spreekt tot ons allen,

Die door gena Hem toebehoort,

Want satans recht, dat is vervallen.

 

Het is de Heer die ons dit openbaarde,

Die ons gekocht heeft met Zijn eigen bloed,

Zijn woord is het, dat ons verklaarde:

De duivel heeft gefaald, voorgoed.’

 

De verheerlijking van het Lam door H. J. Scholten

“Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof” Openbaring 5 vers 12 (Openb. 05:12) .

De lofprijzing en aanbidding van het Lam

Jezus, als het Lam Gods, mag als enige de Goddelijke boekrol aannemen uit de hand van Hem, die op de troon ge­zeten was. Zodra Hij dit ge­daan had werd de ganse schepping vervuld met blijd­schap. Alles buigt zich neer voor dit Lam: de vier dieren en de vierentwintig oudsten, alle engelen en alle schep­selen. Niemand staat meer rechtop. Alleen het Lam! Er zijn schalen vol met het heerlijkste reukwerk. Gouden schalen, want in de hemel is het alles goud wat er blinkt.

In hoofdstuk 4 is het God de Vader die als Schepper ver­heerlijkt wordt, maar nu is het aan het Lam dat geprezen wordt als Verlosser.

Het reukwerk zijn de gebeden der heiligen, de Nieuwtestamentische priesters, en ze worden het Lam aangeboden op gouden schalen. Het is een groot feest. De tranen van Johannes mogen opdrogen, want hij dacht dat er nie­mand was die de boekrol kon aannemen en openen. “Ik weende zeer”, zegt Johannes. Maar zijn droefheid wordt veranderd in grote blijd­schap en hij mag mee jubelen in de Geest. Hij ziet het Lam als geslacht, dus met de wonden van de verlossing. Maar tóch met zeven horens en zeven ogen en dat bete­kent dat dit Lam de volheid van macht en wijsheid bezit. Hij alleen is waardig om alle macht te ontvangen, want Hij is de grote Over­winnaar. De Vader stemt er helemaal mee in dat Zijn Zoon op deze wijze door de ganse schepping gehuldigd wordt. Een machtige lof­prijzing in de hemel. Niet één voor één, maar alles tegelijk breekt los in een grote lofprijzing.

Het Lam kwam en heeft de boekrol aangenomen uit de rechterhand des Vaders. Alles hield de adem in. Een spannend ogenblik. Heilige ogenblikken.

Dan is er de ontspanning en er ontstaat een geweldig gedruis en het dreunt door de gewelven des hemels:

“U Christus onze Heer, bekleed met majesteit, U, ’s Vaders een’gen Zoon, zij lof in eeuwigheid”.

Het is een nieuw gezang: Gij zijt waardig! Het bloed, de loskoopprijs wordt ge­noemd. “Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie”. Het bloed was toereikend om zo’n gro­te schare los te kopen en deze schare volkomen te reinigen. De engelen juichen ook mee; hun getal was tien­duizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen. En al deze stemmen jubelen gelijktijdig. En niet zo zachtjes, maar er wordt met luider stem gezongen en ge­roepen. Wat een samenkomst! Niemand heeft hier moeite met de lofprijzing. In Open­baring 14 staat dit Lam op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertig duizend. Ook een nieuw gezang. “En nie­mand kon het gezang leren dan deze los gekochten van de aarde”.

Er zijn vele zangkoren op aarde, maar dit overtreft alles. In deze lofprijzing komen vier volkomenheden van macht naar voren: kracht, rijkdom, wijsheid en sterk­te. De menselijke taal schiet tekort om deze heer­lijkheden te beschrijven. Het is alles weggelegd voor de kinderen Gods. Het is on­ze hemelse erfenis en die gaat alles te boven. Wonder­lijke symfonieën klinken, het oor wordt bovenmate ge­streeld.

Als onze hoop en verwachting in vervulling gaat

De boekrol is geopend en al­le geheimen zijn openbaar geworden. We zijn aan het eind van de Goddelijke spil. Alles is afgerold. Gods eeu­wige raadsbesluiten worden door een ieder begrepen en alles komt onder de indruk van de grote wijsheid Gods. De Koning der koningen en de Here der heren wordt door ieder aanschouwd. Daar heb­ben we naar toe geleefd. Dat was onze hoop en onze verwachting. De laatste re­gels van de boekrol worden gezien en het is een mach­tig slottafereel. Geen won­der dat er een machtig ‘Amen’ opklinkt. Ons ‘amen’ mag daarbij zijn als we de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde onverwrikt vasthouden Hebreeën 3 vers 6 (Heb. 03:06). De hemelse lof­zangen worden besloten met een heilig ‘Amen’.

De kracht en de overwinning van het Lam stonden garant voor een geheel nieuwe schepping. “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw” Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05).

Wat moet het voor de ver­bannen dienstknecht van Jezus Christus een onvoorstelbare vreugde geweest zijn dit alles in de Geest te aanschouwen. Daar weegt het lijden van de balling­schap niet tegenop. Johan- nes had vele tranen ge­schreid, maar ze zijn afge­wist. “Ween niet”, wordt er tegen hem gezegd. Droog je tranen, Johannes. Anders zie je het Lam niet staan. De leeuw uit de stam van Juda, de wortel Davids.

“En ik zag…” zegt Johan­nes. In het midden van de troon staat het Lam. Een vaste plaats. Wij mogen ook onze ogen afdrogen en met verlichte ogen des harten Jezus zien, met eer en heer­lijkheid gekroond. Nu zien wordt eeuwig zien. Wij zul­len Zijn lieflijkheid en schone dienst aanschouwen met een verwonderd oog. Als wij maar met Abraham belij­den op deze aarde vreemde­lingen en bijwoners te zijn. God heeft ons een stad be­reid en die ligt niet op deze oude aarde; wij moeten hogerop zijn. In de aardse stad Jeruzalem zijn geen heilige gebouwen, maar wel in het hemelse Jeruzalem. De boekrol heeft alles ge­openbaard en het waren al­lemaal hemelse zaken. Daar­om hadden we ook de raad gekregen: “Bedenkt de din­gen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 2 (Kol. 03:02).

Richten wij onze blik naar de hemel?

Om het profetische woord te verstaan moeten we, net als Johannes, onze blikken naar de hemel richten. We moeten een deur geopend zien in de hemel en dan wordt ons ge­toond. Jezus zei eenmaal: “Wie Mij liefheeft, zal ge­liefd worden door mijn Va­der en Ik zal hem liefheb­ben en Mijzelf aan hem openbaren” Johannes 14 vers 21 (Joh. 14:21).

Dan zullen we ook eenmaal het Lam zien als Overwin­naar. Ook wij zullen mee mogen jubelen: “Hem die op de troon gezeten is, en het Lam zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwig­heden” .

Prijst God, als u afweet van het openbaren van Jezus. Als u Hem waarlijk liefheeft zult u het geheim verstaan. Het geheim van het volle evangelie.’ Halleluja!

 

Reacties van lezers door redactie

Leven en kracht

Met grote dankbaarheid zien wij terug op de afgelopen maand Januari. Het werd na­melijk een recordmaand wat het aantal nieuwe lezers be­treft. Dat geldt voor zowel het aantal nieuwe abonnees, geschenkabonnementen als ook wat de adressen betreft waar wij losse nummers naar toe­zenden voor verspreiding of boekentafel. Met een variant op Psalm 126 kunnen wij zeg­gen: De Heer heeft grote dingen gedaan, daarom zijn wij verblijd!

Toch willen wij deze keer beginnen met de reactie van een lezer die zijn abonnement opzegde en, omdat hier van een mogelijk misverstand sprake is, deze reactie van commentaar voorzien. Deze broeder schreef: “Ik sta geheel achter uw in­tentie: verbreiding van het Koninkrijk Gods in ons. Wat ik lees in de artikelen in “Levend Geloof” is waar, en toch… ik mis dat wat ik sinds enige tijd in onze ge­meente gevonden heb. (Van­daar dat ik toch mijn abon­nement opzeg, namelijk le­ven en kracht. Ik geloof dat uw blad een duidelijke functie heeft voor mensen die uit de kerk loskomen”.

Naschrift redactie: Wij ver­heugen ons over iedere ge­meente waarin de boodschap van het Koninkrijk Gods niet alleen gepredikt wordt, maar ook praktische uitwerking heeft doordat, in de levens van de gelovigen, de kracht, het leven en de volheid van Jezus tot openbaring gaat komen. Een blad kan men ech­ter niet vergelijken met een gemeente. In een blad als “Levend Geloof” wordt alleen geschreven over de bood­schap, met de bedoeling dat de gelovigen, individueel en in gemeenschap met anderen (in de gemeente), het ook gaan beleven. Wij bereiken daarmee een veelzijdige le­zerskring, wat ook tot uit­drukking komt in de veelzij­digheid van de artikelen. Dat wil zeggen: sommige ar­tikelen zijn meer bedoeld voor onbekeerden en pas­bekeerden, andere artikelen zullen vooral mensen die ‘loskomen uit de kerken’ aanspreken, en vele artike­len zijn uiteraard bedoeld voor de verdere uitleg van de volle evangelie bood­schap, opdat er een verdere geestelijke groei zal plaats hebben en de eind- tijdgemeente de ‘mannelijke rijpheid’ zal bereiken. Bij alles proberen wij in een voor iedereen begrijpelij­ke taal te schrijven. Zoals een voorganger het onlangs formuleerde: “Levend Geloof brengt een diepe boodschap, maar is toch door iedereen te begrijpen”.

Een rijk gedekte tafel

Zuster T. A. te Amsterdam Ontvangt “Levend Geloof” via een geschenkabonnement en schrijft dat ze er erg door aangesproken is, evenals onder andere door het boekje “De tegenstel­ling van het aardse- en het hemelse Jeruzalem” van H. J. Scholten: “Ik van de ene verbazing in de andere. Hiervan ben ik nooit op de hoogte geweest. En ik ben er van overtuigd dat dit een diepe ingreep is in ons geloofsleven. Hoewel ik heel duidelijk de werking van Gods Geest in mijn leven ervaar, is het ook een des­illusie, dat ik zoveel jaren onwetend hierin was. Een deur is voor me openge­gaan, en nu kan ik me eens echt verheugen op de plaats in de hemelse gewesten in Christus, en de hemelse roeping I Het lijkt allemaal op een rijk gedekte tafel, alleen weet ik niet goed waar ik moet beginnen. Misschien moet ik me innerlijk losma­ken van godsdienstig hou­vast naar geestelijke hou­vast. De Heer zal me dat toch ook wel uitleggen? Het meerdere van de Heer willen we in ieder geval niet kwijt. Wat de Heer me uit­legt, geef ik ook weer door aan anderen, die er oren naar hebben”.

Achttien jaar abonnee

Zuster G. P. te Utrecht bestelde telefonisch bro­chures en vertelde hoe zij vanaf haar bekering in Su­riname, 18 jaar geleden, “Levend Geloof” gelezen heeft en er erg door is opgebouwd in haar geloofs­leven.

Vijftien jaar abonnee

Bovenstaand ‘getuigenis’ ontvingen wij van broeder J. O. te Westervoort, die onder andere schreef: “Nadat vorig jaar door be­diening ‘een geest van verwerping, weerspannigheid en hysterie’ is verbroken, er­vaar ik een geweldige bevrijding en is er een door­braak ten goede in mijn le­ven gekomen. Zoals u weet ben ik al 15 jaar abonnee van “Levend Geloof”. Het blad dat ook veel heeft bijgedragen tot mijn gees­telijke ontwikkeling”.  

 

Zoon van God door Jaap Overkleeft

Ik dank God de Vader, die mij geroepen heeft tot gemeenschap met de Zoon, want wie de Zoon heeft, heeft Het Leven’.

(Maar wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet).

Daarom heeft Hij mij macht gegeven een kind van God te worden.

Ik, die in Zijn Haam geloof.

En Zijn Naam is: Jezus Christus, die nu, door de inwoning van de Heilige Geest, in mij woont.

Zo ben ik dan nu, door de leiding van de Heilige Geest, een zoon van God, want, allen die door de Heilige Geest geleid worden, zijn zonen van God;

en groeien, door Woord en Geest, op tot het zoonschap. Dat is het doel van God met de mens en was reeds van voor de grondlegging der wereld Gods plan.

Want de mens is het voorwerp van Zijn liefde;

Zijn oogappel zijn wij en in Zijn voornemen geroepen te heersen over al de werken Zijner handen: zodat heel de schepping vervuld wordt van de goedheid van God.

Daarom zal, wanneer alles hersteld is, God zijn alles in allen, en zullen wij ‘in eeuwigheid’ Zijn lof bezingen!

 

Wat betekent het behouden te zijn? Door Gert Jan Doornink

Behouden zijn heeft voor vrijwel ieder kind van God een bekende klank. De zeker­heid van het geloof wordt er in tot uitdrukking ge­bracht, maar bij velen wordt daarbij vooral ge­dacht aan het leven wat gaat volgen na het lichame­lijk sterven. Want om nu reeds de positieve uitwer­king ervan te beleven, wordt door velen als een utopie, een onbereikbaar ideaal gezien.

“Als je maar weet behouden te zijn, dat is het aller­belangrijkste”. Wie heeft deze uitspraak nooit eens gehoord of misschien zelf wel gedaan? Men zegt het niet met zoveel woorden, maar eigenlijk wil men zeg­gen: Hoe je verder als kind van God leeft is minder be­langrijk, het échte leven komt later pas, in de eeu­wigheid. …

Behouden zijn betekent ech­ter méér dan ‘in de hemel komen’. Behouden zijn bete­kent méér dan ‘gered zijn voor de eeuwigheid’. Het betekent het nieuwe leven van Christus leren kennen in al zijn facetten. Het is een totaal andere levens­wijze. Het betekent verlost zijn uit satans macht.

In deze eindtijd gaan vele kinderen Gods de diepere betekenis van het ‘behouden zijn’ ontdekken. Dat is maar goed ook, want zo heeft God het bedoeld. Het is al­tijd Zijn wil geweest dat de kracht, liefde en heer­lijkheid, die in Zijn Zoon tot openbaring kwam, zich ook in hen die in Zijn Naam geloven, zouden openbaren. Wij zijn immers geroepen om in de voetstappen van Jezus te gaan, dat wil zeg­gen Zijn leven te leven.

Gods Woord zegt niet: Wie in de Zoon gelooft, ontvangt later het eeuwige leven. Maar: hééft het eeuwige le­ven! Johannes 3 vers 36 (Joh. 03:36). We zijn in Christus een nieuwe schep­ping en mogen als nieuwe scheppingen functioneren, geleid door Gods Woord en Geest. We zijn behouden uit een verkeerd geslacht. In de wereld, maar niet van de we­reld. Werkelijk behouden!

Is deze ‘behoudenis’ ook in uw leven zichtbaar?

 

Belofte, geloof en erfenis door Jan W. Companjen

“Want de Geest die God u gaf, maakt geen slaven van u, zodat u weer in angst moet zitten; nee, de Geest heeft u kinderen van God gemaakt en door die Geest roepen wij tot God: Vader, mijn Vader. De Geest van God valt onze geest bij en verklaart dat wij kinderen van God zijn. Zijn wij Zijn kinderen dan zijn wij ook Zijn erfgenamen; erfgenamen van God, namelijk samen met Christus. Want als wij delen in het lijden van Christus, zullen wij ook delen in Zijn heerlijkheid” Romeinen 8 vers 15 tot en met 17 (Rom. 08:15-17).

De komst van jezus bracht een totale verandering

Zoals wij reeds meermalen hebben opgemerkt is bij de komst van Christus de ge­schiedenis van de mensheid totaal veranderd. De daar­aan voorafgaande geschiede­nis van de Joden en de an­dere volken, werd op één spoor gezet, met samen één doel, namelijk bevrijding uit het verstrikt zijn in het eigen willen buiten de Schepper aller dingen om.

Door Jezus Christus is er een nieuwe schepping begon­nen die weer in harmonie met haar Schepper kan le­ven. Dit gegeven van een zo beslissende wending is van zo’n grote betekenis dat wij van een nieuw verbond, de gehele mensheid betref­fend, kunnen spreken. In dit nieuwe verbond is voor een ieder alles anders. Er is vrede voor nu en voor de toekomst. Door het aanvaar­den van het Offerlam Gods kunnen wij weer met God verzoend worden. Dit bete­kent niet dat God onze zon­den door de vingers ziet! Neen, onze zonden komen juist aan het licht, dat wil zeggen wij leren onze zonden kennen. Maar, en dat is het geweldige, God vergeeft al onze schuld op grond van de verzoeningsdood van Jezus.

Maar dat is niet alles, met de vergeving van de zonde en al onze schuld, geeft Hij ons ook nog een nieuwe toekomst. Een nieuw leven in Christus. Adam en Eva leefden in het begin in gemeenschap met hun Schepper. Over de schepping, het ontstaan van de wereld en of Adam en Eva de eerste mensen waren, wordt reeds lang een hevige strijd ge­voerd. Voor- en tegenstan­ders van de evolutieleer staan miljarden jaren van elkaar af. Het hele discussiegebeuren gaat echter over natuurlijke dingen, dat wil zeggen over een randgebeuren.

De mens is de kroon van de schepping

De uiteindelijke bedoeling en bekroning van de gehele schepping is de mens. Zonder de mens zou de schepping, ondanks zijn geweldige pracht, namelijk niet ‘af’ zijn. De ‘beheerders’ van dat paradijs, die in over­eenstemming met de wil van de Schepper zouden leven en handelen, hoorden erbij. God zag dat het alles goed 18 ja zeer goed was. De mens Adam werd door God de Schep­per geformeerd uit het stof der aarde, zegt Genesis 2 vers 7 (Gen. 02:07). Hij blies zelf de levens­adem in zodat hij een levend wezen werd.

Adam, de eerste mens, werd aldus door God geschapen als zoon Gods. Adam was een ver­standelijk wezen die verant­woording dragen kon. Adam was een denkend wezen, die zijn daden kon overzien en beoordelen. Adam kon door die ingeschapen mogelijkhe­den in gemeenschap met God de Schepper leven. En die Schepper wilde Adam en Eva opvoeden naar de heerlijk­heid die voor de zonen Gods is weggelegd.

Maar Adam en Eva kozen samen hun eigen weg. Het gevolg was de verdrijving uit het beschutte paradijs en zij moesten toen hun eigen weg gaan.

Toch geeft God Zijn plan niet op. Hij wist dat de tijd komen zou dat de naakte mens weer omkleed zou wor­den. Christus heeft als nieuwe Adam de slang de kop vermorzeld en een einde ge­maakt aan de verstrikking in lot en schuld. Hij heeft een nieuwe verhouding tussen God en mens, tussen Schepper en schepsel mogelijk gemaakt. Hij wil u en mij weer volkomen tot God leiden en ons nu en hier het ware Goddelijke leven schenken dat zelfs door de dood niet wordt te­niet gedaan. Wie zijn eigen leven heeft afgelegd – de doop is daarvan een getuige­nis – en is gedoopt, vervuld met Gods Geest, leeft niet langer eigenmachtig. Hij aanvaardt Jezus als Leidsman en Heer. Dat zal tot gevolg hebben dat God met de mens en de wereld tot Zijn doel komt.

De Schepper schiep de wereld niet voor de ondergang en Jezus leed en stierf niet voor een nederlaag, een vlucht voor de vijand uit deze wereld, door opname van de gemeente. God schiep en Jezus leed en overwon, opdat wij als gelovigen allen één zouden worden, zoals God de Vader en Jezus één zijn in de wil tot herstel van de mens en de schepping. Dan wordt het woord waar uit het Hogepriesterlijk gebed Johannes 17 vers 22 (Joh. 17:22): “En de heerlijkheid die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt”.

Is dat niet een geweldige belofte? En hoe ontvangen wij die? Niet anders dan door het geloof!

Gods doel met de schepping wordt weer gezien

Wij leven in een tijd dat wij weer gaan zien wat het doel van God is met deze we­reld en bovenal met de mens als kroon van de schepping. Het is een ervaringsfeit dat het leven Gods in het dage­lijks leven van een christen aan het licht komt of aan het licht dient te komen.

In het leven van de christen oefent niet langer de zonde zijn vernietigende macht uit, maar wordt God erkend als Schepper en Jezus als Heer die alles regeert met zijn Geest. “Want Hij, die heiligt, en zij, die gehei­ligd worden, zijn allen uit één” Hebreeën 2 vers 11 (Heb. 02:11). Dat wil zeggen uit één Geest gebo­ren.

Indien u, broeder of zuster, niet uit de ban of de ver­strikking van satan kunt komen om aan dit leven deel te nemen, roep dan de hulp van een medebroeder of zus­ter in, opdat u samen tot overwinning en bevrijding zult komen.

Het leven van de werkelijk bevrijde christen zal zich gaan openbaren in het feit dat hij of zij tot de belij­denis komt dat Jezus en de Zijnen overwinnaars zullen zijn, dat de beloften Gods worden onderkend en dat al deze beloften in Christus Jezus ‘ja en amen’ zijn. Dat wij door wedergeboorte inwo­ners zijn geworden van het hemelse Jeruzalem en dat wij daar onze schatten, die van blijvende waarde zijn, ver­zamelen. Wij mogen en zul­len opwassen van kind tot een volwassen geestelijk kind van God en zullen als zodanig dienstbaar zijn op de wijze en op het niveau zoals het (op dat moment) in ons vermogen ligt.

Langzaam maar zeker gaan wij steeds meer de beloften Gods onderkennen. Ze zijn er voor u en mij ten behoeve van on­ze medemens. Wat wordt be­doeld met ‘ons lijden met Christus’, er staat toch im­mers geschreven: “indien wij delen in Zijn lijden, zullen wij ook delen in Zijn ver­heerlijking”? wij hoeven niet net als Christus ge­kruisigd te worden, want wij zijn reeds mee gekruisigd met Hem Romeinen 6 vers 6 (Rom. 06:06). Neen, dat is niet nodig, maar wij moe­ten met Hem mede bewogen zijn met het lot van onze medemens. Zij dwalen nog als schapen omdat zij geen her­der hebben die hen werkelijk geestelijk voedt.

De opwassing tot het zoon­schap heeft tot doel verlos­sing van de gehele schepping, met als eerste doel: verlossing en bevrijding van de mens. Als wij daarop ge­richt zijn zullen wij erf­genamen zijn van al de be­loften Gods. Het mensdom en met hen de ganse schepping zal leven en openbloeien tot lof en eer van God de Vader.

Verwacht deze dingen, stel uw hoop er op en sta open als een bloem, gericht op de zonne der gerechtigheid. Zeg na een duidelijk ont­vangen boodschap uit Gods hand: Here, mij geschiede naar uw Woord. In u en in mij zullen dan Gods belof­ten werkelijkheid worden opdat wij kunnen opwassen tot zonen Gods. Dan zijn wij als ranken aan de wijn­stok. Wij moeten er voor zorgdragen dat Hij, Jezus, met Gods Geest en zijn woorden in ons blijven. Dan zal het geschieden, ook al leven wij midden in deze wereld, of juist omdat wij midden in deze wereld wo­nen. Men zal ons gaan her­kennen en erkennen als volk van God, omdat wij gaan handelen en wandelen zoals Hij gehandeld en gewandeld heeft. Het werk dat Hij be­gonnen is te doen Handelingen 1 vers 1 (Hand. 01:01) mogen wij voortzetten en voleindigen.

Houdt de beloften Gods vast en stel uw geloof er op en u zult niet beschaamd uit­komen. In Lucas 4 lezen we de geschiedenis van Jezus in Nazareth (de plaats waar Hij was opgevoed en door iedereen gekend werd). Men vond zijn boodschap mooi, geweldig zelfs, men vroeg naar tekenen en wonderen, maar Hijzelf werd niet aan­genomen. Men geloofde niet in Hem. Men geloofde niet in het wonder, in het boven­natuurlijke. Jezus haalt dan de geschiedenis aan van de weduwe die voor Elia een koek moest bakken. Zij had nog meel en olie voor één koek. Zij moest er eerst één voor Elia bakken en dan kon zij voor haarzelf bak­ken. Ra, ra, hoe kan dat?

Zij deed wat de man Gods gezegd had en de olie en het meel raakten niet op. Verder vertelde Hij hun de geschiedenis van Naaman de Syriër. Die man geloofde reeds voordat hij Elisa ge­zien had. Hij had namelijk een grote hoeveelheid ge­schenken, als dankoffer, bij zich. Hij had bezwaar tegen de rare opdracht: ze­ven keer onderdompelen in de Jordaan, maar hij geloof­de wat zijn dienstmeisje ge­zegd had betreffende de man Gods.

Voor ons is geloof in wat men nog niet ziet ook zeer belangrijk. Wij zullen de erfenis Gods volledig ont­vangen als wij er in durven te geloven. God liegt niet Hebreeën 6 vers 18 (Heb. 06:18). Zoals Abraham het kind der belofte kreeg door onder andere te vol­harden, zo zullen ook wij als kinderen der belofte erfgenamen zijn. Geprezen is de naam van Jezus.

U opent een vergezicht dat ons bekoort en zelf bent U daartoe de weg en de poort.

Dank, Heer, voor de waar­heid dat U als de Zoon, ons leven vernieuwt tot sieraad en kroon.

U straalt als de morgen­ster, helder en klaar. Wij worden de lichtende dag reeds gewaar.

Vol dank is ons hart, Heer, want zo bent U zelf: belofte en waarborg voor alle herstel.

Wat is uw naam?

 

Burgers van een rijk in de hemelen door H J Scholten

Dat waren wij van oorsprong niet. Paulus schrijft in Efeziërs 2 vers 3 (Ef. 02:03): “… en wij waren van nature, even­zeer als de overigen, kin­deren des toorns”.

Wat een diepe verandering heeft er dan plaats gehad. Een ingrijpende verhuizing. In Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13) staat: “overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde”.

Vanuit de duisternis in het licht. Een inwoner van het rijk der hemelen is een kind van hot licht. We ge­loven in het licht. Jezus zegt: “Gelooft in het licht, zolang gij liet licht hebt, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn” Johannes 12 vers 36 (Joh. 12:36) .

Jezus Christus bevindt zich in het rijk in de hemelen en vanuit dat rijk verwachten wij Hem.

Er moet nog meer gebeuren met de kinderen Gods. Nóg een verandering moet er gaan komen en wel de veran­dering van ons lichaam. Het zal aan het verheerlijkte lichaam van Jezus gelijk­vormig worden Kolossenzen 2 vers 21 (Kol. 02:21). Daarom moet en mag onze wan­del in de hemel zijn. Onze namen moeten staan in het boek des levens.

Wat doen nu de kinderen van het licht zolang ze nog in hun aardse tent verblijven? Wat zijn het eigenlijk voor mensen? Zijn het zwevers omdat hun wandel in de hemel is? Staan ze niet met beide benen op de grond?

De Bijbel leert dat ze ge­heel anders zijn omdat ze Christus hebben leren ken­nen. Ze brengen in toepas­sing hetgeen ze geleerd heb­ben en hun overgeleverd is. De God des vredes is met hen. Weet u wat ze bedenken? Alles wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminne­lijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient. Dat zijn de dingen waar een kind van het licht mee bezig is. Dat brengen ze dagelijks in toepassing en daarom is de God des vre­des met hen. Bent u ook een kind van het licht? Brengt u deze dingen ook elke dag in toepassing?

 

De volledige mens -3- door Nico Goverts

Van zieleleven naar Geestesleven

Vaak blijft de mens steken op het niveau van de ziel. Dan moet hij nog een stap verder. Dan moet hij doordringen tot de geest. Hier betreedt de mens een veelal ongebaande weg. De weg van de ziel is hem bekend, maar het pad van de geest lijkt onbegaanbaar. Toch is juist dit het pad des levens.

Laten wij enkele hindernissen gaan bezien die ons belem­meren om door te dringen in het gebied van de geest. Soms is het als een weg die men moet banen door een oerwoud en sommigen komen terug en vertellen ons dat ze het geprobeerd hebben maar dat er leeuwen waren, angstaanjagende geluiden; anderen raden het ons af, want volgens hen is er achter het oerwoud geen land meer; ook zijn er die nooit terugkwamen, want ze zijn vastgeraakt in de lianen die ze op hun weg ontmoetten en die sterker waren dan zij.

God is een God die inzicht geeft. Juist ook inzicht in hindernissen. Een eerste hinderpaal is dat we ons ermee tevreden stellen God te dienen met en vanuit de ziel. Men kan een fijne samenkomst hebben want het gemoed is geraakt. Bepaalde emoties zijn gewekt of versterkt. Dit kan op diverse manieren gebeuren. Men is verontrust over de ont­wikkelingen in het wereldgebeuren en in de samenkomst wordt deze verontrusting gevoed. Zo denkt men in bepaalde kringen somber over de mogelijkheid om heilszekerheid te verkrijgen en als men bijeenkomt, wordt deze somberheid bevestigd. Het kan ook anders maar het principe is het­zelfde. Men associeert het leven Gods met een zekere oppervlakkige vrolijkheid en wanneer men vergaderd is, wordt men in deze luchthartige levensstijl gestaafd. We zouden kunnen zeggen: een christen herkent men aan zijn gitaar. Anderen ergeren zich aan bepaalde politieke toestanden, bij voorkeur in Amerika en Zuid-Afrika, en in hun eredienst wordt deze ergernis gekoesterd en opgekweekt. Zo zijn er vele varianten maar het is goed onszelf onder de loep te nemen: is ons godsdienstig beleven meer dan het genoegen dat men vindt in het horen van bepaalde vertrouwde klanken? De religieuze mens luistert en zegt: Het doet een mens goed dit weer eens te horen. Het gevoel wordt bevredigd, of het verstand, dit schenkt voldoening en meer verlangt men niet.

Wat zit hierachter? De misleider houdt de mens bezig. De soldaat die bestemd was om te strijden aan het front, speelt met een waterpistool in de kazerne. Hoor dan hoe de Geest van God ons aanspoort: Blijf niet staan in het land van de ziel, maar stoot door naar het gebied van de geest.

De geestelijke mens luistert naar God

Een kernpunt in dit verband is dat de mens antwoorden gaat ontvangen van God. De mens die leeft op het niveau van de ziel, voelt daar geen behoefte aan. Hij geeft zijn eigen antwoorden. Want het zoeken van antwoorden Gods is hem te moeilijk. Als hij vragen heeft, raadpleegt hij liever mensen. Of hij vult al snel zijn eigen gedachten in.

Maar de geestelijke mens vraagt door: “Ik wil horen wat God, de Here, spreekt” Psalm 85 vers 9 (Ps. 085:009). “Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht” Habakuk 2 vers 1 (Hab. 02:01).

Hij is niet tevreden met het voeden van zijn ziel, hij schenkt aandacht aan de honger van zijn geest. Want wie zijn geest vergeet, blijft klein in de geestelijke wereld. Hij kan schatten verzamelen in zijn ziel, maar hij wordt geen soldaat.

Maar wie zich losmaakt van gevoelens en ervaringen, van wat hij in zijn verstand heeft opgetast, die kan de wereld van de geest binnengaan. Dan zal het woord van God komen in zijn geest. Hij ontvangt wat eeuwig is. Hij wordt een strijder in de geest en overwint de god van deze eeuw. Immers, het wapen van de god dezer eeuw is tijdelijkheid: hij vult de ziel van de mens met het tijdelijke, en ervaringen en gevoelens zijn tijdelijk: en het gevolg is blindheid. De geest is blind voor het eeuwige.

De Geest leidt de mens in de verborgenheden Gods

De Geest verlangt ernaar de mens in te leiden, in te wijden in de verborgenheden die eeuwig zijn. Het eeuwige en blijvende woord van God. De Geest heeft als zijn diepste, intense wens dat de mens een speurder zal worden naar de schatten van het rijk Gods. “Men maakt een einde aan de duisternis, en tot de uiterste diepte doorvorst men het gesteente” Job 28 vers 3 (Job. 28:03). Dan wordt de mens geïnspireerd door God; dan laat hij zich niet door het gesteente tegenhouden maar hij dringt er doorheen. “Hij brengt het verborgene aan het licht” Job 28 vers 11 (Job 28:11).

Dit is één van de grootste belemmeringen voor geestelijke groei: de oppervlakkigheid die niet verder gaat dan het zieleleven. Wanneer het volk Israël te kampen heeft met de Filistijnen in 1 Samuël 4, zien we daar een sprekend voor­beeld van. Wat is hun reactie? Ze halen de ark in de leger­plaats en ze heffen een luid gejuich aan, zo luid dat de aarde dreunt. De vraag is: op welk niveau bewegen ze zich? Dit is niets anders dan zieleleven. Ze hebben niet de moeite genomen om door te dringen tot het niveau van de geest. Het is veel betekenend dat er in 1 Samuël 3 vermeld werd: “Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk” 1 Samuël 3 vers 2 (1 Sam. 03:02). Letterlijk staat er: Geen gezicht brak door. Het kwam er niet doorheen. De weg naar de geest was geblokkeerd.

Wat hadden ze nu in 1 Samuël 4 moeten doen? De enige oplossing zou geweest zijn: terugkeren tot God, een innerlijke reiniging, en dan vandaar uit een ingaan in het gebied van de geest. Zodat er weer een woord Gods, een gezicht, zou kunnen doorbreken. Maar die weg is hun te lang. Zij geven de voorkeur aan een kortere weg. De weg van de ziel. Zo zijn ze al snel aan het juichen toe; alleen is dit juichen van erg korte duur. Wat was het resultaat? De aarde dreunde. Maar de hemel kwam niet in beweging.

Dat verandert pas in 1 Samuël 7. Dan gaat het volk onder leiding van Samuel de weg van de geest. En dan lezen we: “Maar de Here deed te dien dage machtig de donder rollen over de Filistijnen en bracht hen in verwarring, zodat zij tegen Israël de nederlaag leden” 1 Samuël 7 vers 10 (1 Sam. 07:10). Dan komt de hemel in beweging.

David kende het geheim van de Geest

David kende dit geheimenis: hij wist wat er nodig is om de strijd te kunnen aanbinden. In Psalm 60 geeft hij dit zo zuiver aan: hij spreekt daar over het doel: opdat uw geliefden ten strijde toegerust zijn. En dan vraagt hij: “Geef overwinning door uw rechterhand en antwoord ons” Psalm 60 vers 7 (Ps. 060:007). Alleen de geest kan antwoorden ontvangen. Daarom heeft de ziel de leiding van de geest nodig. Wat is het paard zonder ruiter? Hoe zal het alleen de weg vinden?

David gaat verder in het achtste vers van dezelfde psalm: “God heeft gesproken in zijn heiligdom”. Het binnenste heiligdom van de mens is zijn geest. Daar wil God spreken. Vandaar uit ontvangt de ziel leiding en kracht. Vandaar uit wordt richting en koers aangegeven.

In een andere psalm heeft David dit zo treffend onder woorden gebracht: “Ten dage dat ik riep, hebt Gij mij geantwoord, Gij hebt mij bemoedigd met kracht in mijn ziel” Psalm 138 vers 3 (Ps.138:003). Wanneer de geest van de mens antwoorden verkrijgt vanuit God, komt er kracht in de ziel.

Immers, vanuit het heiligdom gaat de rivier van water des levens stromen, en zo gaat er een stroom van heling en kracht vloeien over en door de dorstige ziel.

David kreeg antwoorden van God in zijn geest en daardoor bloeide zijn ziel op. En dan, als God gesproken heeft, kan hij ook vervolgen in Psalm 60: “Ik wil juichen”. Het juichen van David was anders dan het juichen in 1 Samuel 4, toen men de ark in het legerkamp haalde.

De noodzaak van het leren onderscheiden

Hiermee komen we op een tweede punt. Het is noodzakelijk dat we leren onderscheiden: wat komt voort uit de geest en wat komt voort uit de ziel? Hier hebben we een tweede hindernis die onze geestelijke groei wil belemmeren: dat we niet onderkennen uit welke bron een bepaalde uiting of reactie afkomstig is. Dan lopen we gebaar door te slaan naar het ene of het andere uiterste. Het ene is: alles wat de ziel zegt en doet, te accepteren en daarmee in zee te gaan. Zo zijn er mensen die aan elke ingeving of impuls meteen gehoor geven. Ze kunnen dan tot de meest onbereken­bare daden en handelwijze komen, maar als iemand de moed heeft om hen daarop te wijzen, luidt hun antwoord: Ik kreeg het in mijn hart. Dat is dan het einde van alle tegenspraak. Zo kreeg Petrus het in zijn hart, zijn Meester te bestraffen.

Zo staat er van David op een gegeven moment: “David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen” 1 Samuël 27 vers 1 Statenvertaling (1 Sam. 27:01). Hier zien we bij David, die toch een man naar Gods hart was, duidelijk een impuls die niet gegrond was in de geest. Hij begint immers met te zeggen: Nu zal ik door Sauls hand omkomen. Ik moet zien dat ik het land uit kom, want anders is het vandaag of morgen met me gebeurd. Deze impuls was niet gebaseerd op geloof; hier lag geen gedachte Gods aan ten grondslag. Zelfs profetieën dienen getoetst te worden; hoeveel te meer geldt dit dan voor ingevingen.

Het andere uiterste is dat men alles over één kam scheert. Men is bevreesd voor de impulsen van de ziel en uit reactie daartegen geeft men de geest ook geen ruimte meer. Alles wordt aan banden gelegd. Men kan zo voortdurend zeggen: Pas op voor de ziel, dat. men tenslotte niets anders meer doet dan oppassen. We moeten ervoor waken dat we niet, uit vrees voor de werkingen van de ziel, de geest aan banden leggen. Vrees is altijd een slechte raadgeefster. Dan wordt men als een automobilist die uit vrees voor ongelukken voortdurend op de rem trapt. Ouders die niets anders doen dan de hele dag door hun kind waarschuwen: pas toch op, kijk toch uit, voorkomen wellicht veel narigheid, maar ze remmen tegelijk elke ontplooiing af. Men kan zeggen: ik houd mijn kind binnen de deur, want buiten zijn er zoveel gevaren, ik neem het zekere voor het onzekere. Maar het resultaat is wel dat het kind verkommert, het zit opgesloten, het wordt verveeld en verbitterd, en bovendien moet men bedenken dat de meeste ongelukken plaats vinden binnenshuis.

Zo zijn er ook christenen die bang zijn voor de excessen van de ziel, en daarom houden ze hun geest ook maar binnen. Die krijgt geen ruimte maar gaat elke uiting en ontplooiing van de geest beschouwen als overdreven, fanatiek of gevaarlijk. Zoals het volk oordeelde in de dagen van Hosea: “Dwaas is de profeet, waanzinnig de man des geestes” Hosea 9 vers 7 (Hos. 09:07). Zo kan men iedere vorm van profetie de pas afsnijden uit vrees voor uitingen van de ziel. Het gevolg is.: de man des geestes komt niet tot zijn recht.

Toch is dit juist de bedoeling die God met ons heeft: dat wij mensen des geestes zullen zijn. De mens wiens geest uit de verf komt.

Maar op allerlei manieren probeert de tegenstander de mens beangst te maken, af te remmen. Hij waarschuwt de mens voor het zoeken van geestelijk inzicht, want daar wordt men toch maar hoogmoedig van.

Wat is de oplossing? Niet het indammen van de geest, maar het leren onderscheiden: wat is geest, en wat is ziel? Wie de geest aan banden legt, komt terecht in een dor land. Zijn leven wordt wettisch. Daarom zal de ontplooiing van de geest hoog in ons vaandel geschreven moeten staan. Anders stoppen we de bron dicht waaruit we moeten leven.

De sleutel tot ware aanbidding

Onderscheiden. Neem het voorbeeld van het aanbidden. Jezus sprak: God is geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid. Wat is nu de sleutel? We hebben reeds gezien dat een mens op twee manieren kan juichen: er is een juichen vanuit de ziel, zoals de Israëlieten deden in 1 Samuël 4, en er is een juichen vanuit de geest, zoals David het deed volgens Psalm 60.

Vaak is de mens zo afgeleid, zo verstrooid, dat hij aan het aanbidden vanuit de geest niet toekomt. De rusteloze mens kan niet aanbidden; zijn horloge blokkeert zijn geest. De farizeeën baden wel, maar ze konden niet aanbidden, want hun geest was niet vrij; ze werden veel te lang in beslag genomen door de vraag: wat zullen de mensen van ons denken? Koning Saul kwam niet tot aanbidding, want zijn geest was rusteloos; als men niet kan wachten tot Samuel komt, kan men ook niet aanbidden. Van David staat er op een gegeven moment: En hij zat voor het aangezicht des Heren. Iemand die kan zitten voor God, kan aanbidden in de geest. Soms is er tijd nodig om onze geest te stemmen, af te stemmen op God. Ook in verband met aanbidding geldt: we moeten leren door te dringen tot het niveau van de geest. Rusteloosheid is één van de wapens die de vijand hanteert om ons buiten het gebied van de geest te houden.

De ware jubelroep komt vanuit de geest die gedrenkt is met de gedachten Gods. Dan is er vastheid, dan is er iets wat dieper gaat dan emotie.

Gedachten Gods zijn genezend. Zij komen in de geest en werken door in de ziel. Daarom is het zo heilzaam voor de ziel, wanneer men leert door te dringen in de wereld van de geest. Dan komen er nieuwe gedachten en nieuwe gedachten zijn als koel water voor een dorstige ziel. Zo worden de woorden van Jeremia vervuld: “Want Ik zal u genezing schenken, u van uw wonden genezen, luidt het woord des Heren, omdat men u, Sion, de verstotene noemt, degene naar wie niemand vraagt” Jeremia 30 vers 17 (Jer. 30:17). En in Jeremia 31 vervolgt de profeet in vers 14 (Jer. 31:14): “Ik laaf de ziel der priesters met het vette en mijn volk wordt met het goede van Mij verzadigd, luidt het woord des Heren”. “Zo komen zij jubelend op de hoogte van Sion en stromen toe naar het goede des Heren…, hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten” Jeremia 31 vers 12 (Jer. 31:12).

Dat is Gods verlangen: onze ziel als een besproeide hof.

Die ziel die daar lag als een uitgedroogd land, opengebars­ten grond, die ziel wordt besproeid, gedrenkt. Hoe? Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Zijn binnenste, dat is zijn diepste wezen, dat is zijn geest. Vandaar uit gaat het levend water stromen. “Want Ik verkwik de vermoeide ziel, elke versmachtende ziel verzadig Ik”, zo lezen we verder in Jeremia 31 vers 25 (Jer. 31:25).

Als de ziel van een mens gewond is, geslagen, vermoeid, dan is daar heling nodig, heling door nieuwe gedachten. Het breken van oude banden is niet genoeg. Wat heeft de man die geketend in de woestijn ligt, eraan als men alleen maar zijn boeien losmaakt, doch hem niet te drinken geeft?

Oude banden moeten verbroken worden. Maar dan moeten ook nieuwe gedachten binnenkomen. Dan wordt de ziel gezond.

(Het laatste deel in de serie: “De volledige mens” ver­schijnt in “Levend Geloof” van volgende maand. Daarna wor­den de vier artikelen gebundeld tot een brochure).