1982.01 nr. 222

Levend geloof 1982.01 nr. 222

Wat zal 1982 ons brengen? Door Gert Jan Doornink

De grote vraag die ieder mens zichzelf stelt, bij het begin van 1982, is ongetwijfeld: wat zal dit nieuwe jaar ons brengen? Wordt het een ‘goed jaar’ of een ‘slecht jaar’? Het antwoord dat wij geven hangt dan af van onze levensovertuiging, want als wij christen zijn is dit antwoord heel anders dan wanneer wij geen christen zijn. Maar niet alle christenen zijn échte christenen. Dat zijn alleen zij die door bekering en wedergeboor­te weten een kind van God te zijn.

Geroepen tot gemeenschap

Als kinderen Gods zijn wij echter geroepen in gemeenschap met Christus te leven en de geeste­lijke weg van geloof en gehoorzaamheid te bewan­delen. Anders komt er van een echt christenleven niet veel terecht en leven wij op hetzelfde niveau als de naamchristenen en de niet-christenen. Want kinderen Gods die ongehoorzaam zijn, die weigeren hun gebondenheden af te leggen, die niet geestelijk groeien, openbaren zich niet als echte christenen en komen niet los uit de in­vloedsfeer van de vorst der duisternis, ook al belijden ze misschien in naam dat ze vrijgemaakt zijn door Christus.

In de eerste christengemeenten ging het in feite ook om deze dingen. Het verschil is dat we thans bijna 2000 jaar verder zijn en dat bijvoorbeeld de woorden die de apostel Paulus tot de gemeente te Rome richtte nog veel actueler zijn dan toen. Wij denken in dit verband aan Romeinen 13 vers 11 (Rom. 13:11-12) waar Paulus schreef: “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aan­doen de wapenen des lichts!”

Paulus waarschuwde om niet te slapen, maar te ontwaken uit de slaap’. Paulus riep zijn mede­gelovigen op de ‘werken der duisternis’ af te leggen en de ‘wapenen des lichts’ aan te doen! Dit alles in het kader van de opmerking: ‘Gij verstaat immers de tijd wel…! ‘

Verstaan wij onze tijd?

Hoe actueel zijn deze woorden van Paulus voor de Gemeente van Christus in 1982. Als we echte christenen zijn, verstaan wij de tijd. Dat wil zeggen wij laten ons niet in beslagnemen door het negatieve wat de duivel in deze tijd op ieder terrein naar voren brengt en waar we dagelijks mee geconfronteerd worden. Wij laten ons niet meesleuren door een geest van doemdenken en on­dergang, want God heeft ons geen geest gegeven van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en bezonnenheid  2 Timoteüs 1 vers 7 (2 Tim. 01:07).

Wij weten dat we geestelijk geplaatst zijn in de hemelse gewesten. Van daaruit delen we in de overwinning van Christus. En door vol te zijn van de Heilige Geest worden we meer en meet één met Hem. Ook omdat we onze gebondenheden hebben afge­legd of ons hebben laten bevrijden daarvan en om­dat we de geloofsweg bewandelen in volharding, kunnen we de aanvallen van de vijand weerstaan in de naam van Jezus.

Daarom zullen ons vervolging, verdrukking, mis­kenning en bespotting niet deren ook als deze toenemen. Daar worden we immuun voor. Dit is geen grootspraak, maar realiteit in het leven van echte christenen. Gods welbehagen rust op hun le­ven. Voor de echte gelovigen is het geen vraag of 1982 een goed of slecht jaar wordt, want zij weten: Het wordt een goed jaar!

Overwinning temidden van de omstandigheden.

Ook al zijn alle omstandigheden tegen, zij kun­nen ons leven niet bepalen, want temidden van deze omstandigheden, gaan wij ons meer en meer als zonen Gods openbaren en is ons getuigenis met Paulus: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch heden, noch toekomst, noch krachten, noch hoogte, noch diep­te, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Chris­tus Jezus, onze Here” Romeinen 8 vers 37 tot en met 39 (Rom. 08:37-39).

Als zonen Gods gaan wij niet ten onder, maar wordt Gods heerlijkheid in ons meer en meer zichtbaar. Omdat ons leven met Christus verborgen is in God, zoeken en bedenken wij de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn   Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 4 (Kol. 03:01-04). 1982 zal een jaar worden waarin Gods Koninkrijk meer en meer tot gestalte gaat komen in de ware Gemeente van Christus. Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal dit tot het einde toe voortzetten, tot de dag van Christus Jezus. Filippenzen 1 vers 6  (Filip. 01:06) .

Bent u bij dit alles reeds ten volle betrokken? Het zou jammer zijn als door ongehoorzaamheid God Zijn doel met uw leven niet zou kunnen berei­ken. Laat 1982 geen verloren jaar worden, want nu is het nog de tijd des welbehagens, nu is het de dag des heils! 2 Korinthe 6 vers 2 (2 Kor. 06:02).      

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Dit eerste nummer van 1982 betekent de start van de 21ste jaargang van “Levend Geloof”. Gedurende de 20 jaar dat ons blad nu is verschenen hebben wij steeds vastgehouden aan de doel­stelling: de verkondiging van het volle evangelie in al zijn facetten. De gees­telijke ontwikkeling en groei die wij in deze 20 jaar meemaakten vindt uiter­aard ook zijn weerslag in het blad. En dit zal onge­twijfeld in de nieuwe peri­ode die nu is begonnen, verder doorgaan. De waar­achtige eindtijdgemeente is op weg naar de volkomen­heid in Christus. Wij be­schouwen het als een voor­recht hieraan door middel van “Levend Geloof” te mogen meewerken.

Grote dankbaarheid is er ook dat steeds meer lezers en lezeressen onze arbeid weten te waarderen, terwijl de talrijke positieve reacties een bewijs zijn dat velen met ons het verlangen hebben de volkomen weg met Jezus te gaan. Bij alles willen wij echter de eer geven aan Hem die ons de talenten gaf dit werk te doen. Gods Woord zegt: “Noch wie plant, noch wie begiet, betekent iets, maar God, die de wasdom geeft” 1 Korinthe 3 vers 7 (1 Kor. 03:07).

Ook willen wij er de nadruk opleggen dat het werk van “Levend Geloof” geen éénmansbediening is. Samen met onze mederedactieleden, en anderen die wij daartoe af en toe uitnodigen, proberen wij de boodschap zo veelzij­dig mogelijk te belichten, waarbij wij geloven dat de Heer steeds meer kennis en inzicht gaat geven, ook over onderwerpen waarover thans soms nog verschillend wordt gedacht.

Wij zijn ook dankbaar voor de financiële steun die we uit de lezerskring ontvan­gen. We schreven het reeds vaker: “Levend Geloof” is geen commerciële zaak, maar een geloofswerk dat afhan­kelijk is van vrijwillige bijdragen, want de op­brengst van de verkoop van brochures en de abonnements­gelden, dekken slechts een klein deel van de werkelij­ke kosten. Bijzonder blij waren wij in dit verband ook met de opbrengst van een collecte welke een gemeente hield ’tot ondersteuning en uitbreiding’ van onze ar­beid. “Levend Geloof” ver­schijnt weliswaar onafhanke­lijk van welke kerk, groep of gemeente ook, maar dat neemt niet weg dat wij een sterk voorstander zijn van de vorming van gezonde ge­meenten, dat wil zeggen gemeenten waarin de bood­schap van het volle evange­lie centraal staat. Dat heb­ben wij trouwens in de loop der jaren altijd sterk bena­drukt .

“Levend Geloof” en de bro­chures die wij uitgeven zijn ook in steeds meer boekwin­kels en via boekentafels verkrijgbaar, waar we uiter­aard erg blij mee zijn, maar de uitbreiding van het lezersbestand vindt toch vooral ook plaats via ’mond op mond reclame’.

Voor wat de brochures be­treft, hebben wij belangrijk nieuws te melden. Enkele maanden geleden schreven we reeds dat verschillende bro­chures in voorbereiding wa­ren. Enkele daarvan zijn nu bijna gereed en verschijnen binnenkort. Als eerste gaat een nieuw boekje van broeder Scholten verschijnen onder de titel: “Wat is uw naam?”. We raden iedereen aan dit boekje te bestellen, want de inhoud is erg belangrijk. Verder verschijnt van broe­der Doornink het boekje: “God is een goede God”. Een belangrijk facet van de vol­le evangelie boodschap dat in dit boekje zo veelzijdig mogelijk zal worden belicht. Wij geloven dat ook deze brochures weer een belang­rijke bijdrage zullen leveren tot verbreiding van de volle evangelie boodschap.

Tenslotte willen wij iedereen hartelijk bedanken die in de afgelopen maanden hebben meegewerkt aan onze ‘zeven punten actie’. Een groot aantal adressen heeft mede daardoor vorige maand “Levend Geloof” voor het eerst ontvangen. Hartelijk welkom in onze lezerskring’. En voor alle lezers en le­zeressen spreken wij de wens uit dat 1982 een productief en vruchtbaar jaar zal worden in dienst van de Meester I Verwacht het in alle dingen van Hem alleen, laat u niet door de satan op zijwegen dringen en be­denk dat Gods wil voor al Zijn kinderen is: “Het goede, welgevallige en volkomene”!

 

De nieuwe schepping (gedicht) door Piet Snaphaan

O kind van God, wat is u veel gegeven,

Uw Vader heeft u lief, zijn oogappel zijt gij.

’t Verlangen van Hem is, dat gij voor Hem zult leven,

Gij zijt een nieuwe schepping, gij zijt verlost en vrij.

 

God heeft een plan met u, Hij heeft u hoog verheven,

Uw Vader heeft vertrouwen in Zijn kind.

Als hemelburger mag u daarnaar streven,

Hij is het immers die u zo teer bemind.

 

Vertrouw Hem op Zijn woord, dat Hij u gaf,

Volhard daarin, dan zult gij waarlijk leven.

 

Hij wil dat gij zult heersen met gezag,

Die macht heeft Hij aan u Zijn kind gegeven.

Zie wat een rijkdom is u toevertrouwd,

O kind van God, gij mag daar ook in delen.

 

Zijn wil is immers, dat er wordt gebouwd.

Aan ’t geestelijk huis, de woning voor zovelen.

Zo komt Gods plan toch op zijn tijd terecht,

Als kroon der schepping zult gij weer bevelen.

 

Wat puin geweest is, wordt door u geslecht,

Gij zult weer heersen en wat stuk is helen.

 

Ik kan niet komen door H. J. Scholten

 

“Ik ben bezig een groot werk te doen en kan daarom niet komen” Nehemia 6 vers 3 (Neh. 06:03).

Onze opdracht: Bouwen en herstellen.

Er is werk aan de winkel en dan is er geen tijd voor zaken die dit werk tegen­houden. Werkers gevraagd en geen zeurpieten.

Nehemia is bezig om de muur van het verwoestte Jeruza­lem te herbouwen. Een rest was teruggekeerd uit de Ba­bylonische ballingschap en zat in grote zorgen over de toestand die ze thuis had­den aangetroffen. Nehemia, de schenker van de Perzische koning Arthahsasta, krijgt van hem verlof om naar Juda te gaan en te helpen bij de opbouw van de stad en haar muren.

Maar wat een puinhoop. Wat een rampspoed. De moed zou je ontzinken om nog ergens aan te beginnen. Afgebroken muren en verbrandde stads­poorten. Wie gauw de moed laat zakken en negatief is ingesteld is nooit geschikt om iets op te bouwen. Zo iemand ziet altijd beren en leeuwen op de weg en sleurt in zijn negativisme vaak anderen mee. Neen, hier zijn mensen nodig van een ander kaliber, mensen met een sterke geest die niet van wijken weet.

En altijd zijn er vijanden die de opbouw willen belet­ten. Maar de goede hand van God was over Nehemia, Nehemia 2 vers 8 (Neh. 02:08). Hij had een doel voor ogen en dat was nu ook net Gods doel, en dan is er geen mens die je tegen kan hou­den.

“En met krachtige hand vatten zij het goede werk aan”

lezen wij in Nehemia 2 vers 18 (Neh. 02:18.) Mannen van geloof gaan bouwen en herstellen. Echte zonen van God. Hun enigste leuze is: “De God des hemels, Hij zal het ons doen geluk­ken, en wij, zijn knechten, zullen ons gereedmaken en bouwen” Nehemia 2 vers 20 (Neh. 02:20) .

Gods medearbeiders moeten waakzaam zijn

Een nieuw jaar is begonnen, 1982. Een jaar waarin God doorgaat met de opbouw en uitbreiding van Zijn Konink­rijk. Je moet er wel oog voor krijgen. Wij mogen mede­arbeiders zijn, maar zijn wij het dan ook daadwerke­lijk? Of laten we ons tegen­houden en verblinden door ‘binnenlandse moeilijkhe­den’? Er liggen vele vijan­den als kapers op de kust. Het vreemde is dat ze aan­bieden om mee te helpen bou­wen en dat lijkt toch een geweldig sympathiek aanbod. Maar ze zijn niet te ver­trouwen en het komt wel ter­dege op onderscheid aan. Nehemia en zijn mannen had­den de vijand goed in het vizier. De ene helft deed het werk en de andere helft droeg de speren, de schilden, de bogen en de pantsers Nehemia 4 vers 16 (Neh. 04:16). Verder staat er in Nehemia 4 vers 17 en 18 (Neh. 04:17-18): “De lastdra­gers verrichten hun arbeid zo, dat zij met de ene hand het werk deden en met de andere hand de werpspies vasthielden; de bouwers hadden ieder zijn zwaard aan de heup gegord, terwijl zij aan het bouwen waren”.

Bidders en werkers! Ora et labora! En dan kan het niet anders of het werk komt klaar, ondanks felle tegen­stand. Want zij die niet positief mee helpen om het werk Gods te doen, hebben deel noch recht noch gedach­tenis in Jeruzalem Nehemia 2 vers 20 (Neh. 02:20).

Zo mogen wij als kinderen Gods ons in het nieuwe jaar weer inzetten voor allerlei werk in het Koninkrijk Gods. Een ieder op zijn eigen wijze en met zijn eigen gaven en talenten. Ziende op de grote Bouwheer en Kunstenaar. De krachten moeten samengebundeld wor­den, er mag onder geen be­ding verdeeldheid zijn. Anders worden wij ‘voorwer­pen van smaad’ voor de vij­anden (vers 17). Elk eigen­belang dient opzij gezet te worden. Menselijke sympa­thieën en antipathieën moeten overwonnen worden. Kan dat? Ja, wie het wil kan het. Door de Geest van onze God. Het gaat om onze toekomst en die van onze kinderen.

Als kinderen Gods weten wij dat de vijand ons altijd belaagd en voor geen enkel middel terugdeinst om zijn doel te bereiken. Een per­fect middel van de boze is om verwarring te brengen, wantrouwen en achterdocht te zaaien en negatieve kritiek te spuien. Dat middel doet het vaak nog opperbest en velen trappen regelmatig in deze val van de boze.

Dat gebeurde ook in de dagen van Ezra en Nehemia. En daar komt de kritiek: “Wat doen die machteloze Joden? Zal men hen laten begaan? Zullen zij offeren? Zullen zij van­daag gereed komen? Zullen zij de stenen uit de puinhopen, verbrand als ze zijn, weer tot leven wekken?” Nehemia 4 vers 2 (Neh. 04:02).

De belangrijkste vijanden zijn vaak enkelingen, maar zij trachten anderen op te hitsen en mee te krijgen in hun duistere doeleinden. En altijd onder het mom van rechtschapenheid. Zulke vij­anden waren in de dagen van Nehemia de Horoniet Sanballat en de Ammonitische slaaf Tobia en de Arabier Gesem. Stokers en roddelaars van het eerste uur. Houd ze in de gaten. Later zenden ze Nehemia een brief, maar het is wel een lasterbrief. Er volgen er nog vijf.

Het geheim van Nehemia ’s overwinning

Maar Nehemia is niet van zijn stuk te brengen en hij laat zich door de brieven van Tobia niet bevreesd maken (Neh. 06:19). Hij is een man uit één stuk. Uit het goede, geestelijke hout ge­sneden. Niet één moment gaat hij in op de uitdaging van de vijanden; hij schenkt er totaal geen aan­dacht aan en laat zich niet van zijn werk afhouden. Onverwrikbaar is die Nehe­mia. Wat een werker Gods. Hij heeft maar één ant­woord: “Ik ben bezig een groot werk te doen en kan niet komen

Met de regel­maat van de klok herhaalt hij deze woorden. “Waarom zou het werk stil liggen, doordat ik het verliet en tot u kwam?”

Maar de boze is ook een taaie doorzetter. Echter, Nehemia geeft steeds op dezelfde wijze antwoord: Ik kan niet komen! Daarin ligt het geheim van zijn overwinning. Hij wist waar hij mee bezig was.

Zulke mannen Gods zoekt nu de Heer. Helaas, er zijn er niet veel. Wel praters en stokers. Mensen met pressiegeesten. Ze willen al­tijd de ander dwingen: het moet zus of het moet zo. Ze geven het nooit op en gaan altijd maar door. Dat komt omdat het ‘gedrevenen’ zijn, behept met verkeerde geesten. En altijd onder het mom van mee willen hel­pen aan de opbouw. Maar in wezen zijn het slopers en geen bouwers. Het stikt van zulke mensen. In deze eind­tijd komen ze met kracht op­zetten. De duivel heeft nog weinig tijd en hij gebruikt zulke mensen om het werk Gods tegen te houden. Soms hebben ze het zelf niet eens door.

Laat u gebruiken als levende stenen

God wil Zijn gemeente gereed maken door Zijn Geest. Het moet een schit­terend bouwwerk worden, deze woonstede in de Geest. Allereerst moeten de muren opgetrokken worden nadat het fundament, Jezus Chris­tus, gelegd is. Geleidelijk aan zal de ganse stad gereedkomen, het Nieuwe Jeruzalem.

Wat is het heerlijk te weten dat dit Godsgebouw toch een­maal voltooid zal zijn. Dit doel moeten wij alleen maar voor ogen houden. Het werk moet klaar. Het Nieuwe Jeru­zalem moet goed gebouwd en wel samengevoegd worden. Wat een genade van God dat wij ons als levende stenen mogen laten gebruiken. Je moet wel vervuld zijn met de Heilige Geest, anders ben je geen levende steen. Je moet kunnen bidden en werken. Je moet verstand hebben van de troffel en het zwaard.

Gelukkig zijn er nog zulke mensen. Ze verstaan elkaar en weten van dit geheim: Onze God zal voor ons strijden. Ze zijn altijd positief, altijd blij in de Heer. Maar ze hebben ook verborgen vijanden. Die willen in hun midden komen, hen doden en het werk stop­zetten Nehemia 4 vers 11 (Neh. 04:11). Jammer dat er altijd weer slachtoffers gemaakt kunnen worden. Ze laten zich door zulke lie­den overwinnen en nemen de klacht over: “De kracht der dragers schiet te kort en puin is er teveel; wij zijn niet in staat de muur te bouwen” Nehemia 4 vers 10 (Neh. 04:10). Besmet door vrome leugengeesten. En die herhalen tot in de treure steeds hetzelfde refrein: het wordt tóch niks! Laten wij het bouw­werk maar verlaten.

God echter is onverstoor­baar in de weer met Zijn bouwplannen. Hij zoekt mannen en vrouwen in Zijn dienst. Mensen, die weten dat ze gered en verlost zijn door het bloed van Je­zus. Mensen, die geleerd hebben Hem te loven en te prijzen. Mensen met zeker­heid des geloofs. Geen twijfelaars en sukkelaars. Hij zoekt mensen die inge­gaan zijn op Zijn woorden: “Zo zal Ik wakker zijn om hen te bouwen en te planten, luidt het woord des Heren” Jeremia 31 vers 28 (Jer. 31:28).

God zoekt mensen waarmee Hij de heilige oorlog kan win­nen. Hij zoekt overwinnaars, mensen die staan in de ge­meenten. Zij laten zich door niets verblinden, want de geest der verblinding heeft geen vat op hen. Zij horen met hun besneden, doorboorde oren doorlopend deze woorden: “Vreest toch niet voor hen; denkt aan de grote en geduchte Here en strijdt voor uw broeders, uw zonen en uw dochters, uw vrouwen en uw huizen” Nehemia 4 vers 14 (Neh. 04:14). Het zijn mensen, die zich niet meer heen en weer laten slingeren door aller­lei wind van leer. Het zijn ook geen mensen die altijd zo snel onder de indruk ko­men van anderen, impulsieve mensen die zelf niet kunnen doordenken. Dan staan ze voor dit in vuur en vlam en dan weer voor iets anders. Er moet altijd ‘iets anders’ zijn, anders wordt het te saai. Zulken zijn geeste­lijk niet stabiel, je kunt er de oorlog niet mee win­nen. Verblinde geesten.

Jezus zegt: “In het huis mijns Vaders zijn vele wo­ningen” . Die woningen moe­ten bewoond worden, dat is de wil van de Vader. In Nehemia 7 vers 4 (Neh. 07:04) lezen wij: “De stad nu was ruim en groot, maar het inwonertal was gering, en er waren geen huizen gebouwd”.

Wie gaan de stad bevolken?

Ja, de stad is ruim en groot. Gods hart eveneens, daar ligt het niet aan. Maar er moet gebouwd worden, de stad moet vol worden en dan komt het grote feest. We leven nu in een tijd dat mensen uit ‘heggen en steggen’ door God verzameld wor­den en zij zullen de stad- gaan bevolken. De ‘gods­dienstige ‘ mens komt te laat. Hij had wel reeds een uitnodiging maar was te druk bezig met allerhande gekrakeel. Theologisch ge­krakeel. Of te druk met de dingen van deze aarde. Door de boze te pakken genomen. Vaak lag hun strijd op aards en natuurlijk niveau.

“Ik ben bezig een groot werk te doen en kan niet komen”, zei eenmaal Nehemia. Hij had groot gelijk. Hij voltooide het werk Gods. Een man naar Gods welbehagen. Met een positie­ve geest, geen doemdenker. En hij deed maar door en voltooide de muur op de vijfentwintigste Elul, in tweeënvijftig dagen Nehemia 6 vers 15 (Neh. 06:15). Wat geweldig als we vervolgens lezen: “Toen al onze vijanden dat gehoord hadden, werden al de volken rondom ons bevreesd en zeer terneergeslagen, en erkenden, dat dit werk met de hulp van on­ze God gedaan was”.

Met de hulp van onze God. Als wij ons inzetten komt God te hulp en zal het al­tijd lukken, want Hij is de God des hemels, halleluja.

En als we nu eens rondkijken op het christelijke bouwter­rein? De één heeft geen ze­kerheid des geloofs en hóópt zijn ganse leven. De ander heeft nooit overwinning, het is meer vallen dan opstaan. Weer een ander gelooft niet in de doop met de Heilige Geest en heeft geen inzicht in de wegen Gods. Allemaal godsdienstig maar het is geen Goddelijke legermacht. Er is geen inzicht in de he­melse gewesten met al zijn boze geesten. Daarom strij­den velen tegen vlees en bloed. Godsdienstige mensen zonder inzicht in de strate­gie van de vijand. Sommigen geloven helemaal niet in vijanden of willen zich er niet mee bemoeien. Velen ge­loven ook alleen maar in de zondigheid van het ‘eigen vlees’. Daar strijden ze hun ganse leven tegen en kennen nauwelijks overwinning. Maar onderwijl zucht de ganse schepping Gods. Zij zuchten op de verkeerde wijze mee: de kracht schiet tekort en puin is er teveel.

De schepping wacht op de zonen Gods

“Want met reikhalzend ver­langen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods” Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19). Waarom wacht de schepping op deze zonen? Zij wacht op de bevrijding en die kan eerst komen als de zonen Gods gereed zijn. De duivel stelt alles in het werk om dit plan van God te verij­delen. Geen middel is hem te gering. Ook geen gods­dienstig middel. Allerlei dogma’s en leringen wendt hij aan om dit openbaar worden van de zonen Gods tegen te houden. Deze visie mag niet gaan leven onder de christenen. Weg met al­lerlei ‘visies’ zegt men dan. Anderen zijn weer vol­op bezig met de dingen van deze aarde, met aardsgerichte leringen. En dat al­les met ‘de Bijbel onder de arm’. Maar intussen zucht de schepping Gods in al haar delen en is in barens­nood. Zij hebben er geen oog voor, en geen oor. Ze willen tasten en zien, want het zichtbare trekt meer dan het onzichtbare.

Tenslotte zal er een heili­ge rest zijn. Met het geloof! Het volhardende geloof zoals Nehemia had, en een Jozua en een Kaleb. Want de ‘bepaalde tijd’ zal tóch ko­men. Dan zullen de volkeren de Naam des Heren vrezen, alle koningen der aarde Zijn heerlijkheid. Wanneer de Here Sion heeft gebouwd en verschenen is in Zijn heer­lijkheid Psalm 102 vers 14 tot en met 17 (Ps. 102:014-017).

Bent u een geloofsman? Een geloofsvrouw? Hoe is uw geestelijke status? Of is ‘op de weg uw kracht gebro­ken’? Hebt u al kennis ge­kregen van het plan Gods met de gehele schepping? Bent u een bouwer of een afwachter? Velen wachten af onder het motto: ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde’. Nu, dat is ook zo, alles wordt nieuw. Maar dat wachten en dat stil zijn betekent geen passiviteit. Het ware geloof heeft en kent een sterke verwachting. Velen zitten met de armen over elkaar op de wederkomst van Jezus te wachten en geloven dat dan in één slag alles nieuw is. Anderen komen niet verder dan de hoop: als ik tenslot­te maar in de hemel kom. Verder komen hun verlangens niet. Het is de verborgen geestestoestand van vele christenen. Het zijn geen strijders en geen bouwers. Ze weten niet veel af van de geestelijke wapenrusting en de brandende pijlen van de boze. En als ze er iets van af weten blijven het vaak kleine kinderen en denken: vader beschermt me wel. Die knapt het wel voor ons op.

De mannen van Nehemia waren zwoegers en strijders in de opbouw van de stad. Daarom konden ze zeggen: Dit werk hebben wij met Gods hulp gedaan.

De overwinnaars op de berg Sion

Kinderen Gods hebben toe­komst. Door de doop en de vervulling met de Heilige Geest smaken ze reeds de krachten van de toekomende eeuw. Ze leggen zich heel bewust toe op het volkomene, omdat het fundament reeds heel stevig ligt in hun leven. Ze hebben weet van de rechte prediking, de vaste spijs. Ze hebben door het gebruik ervan hun zin­nen geoefend in het onder­scheiden van goed en kwaad Hebreeën 5 vers 14 (Heb. 05:14).

Er zijn nog zoveel christe­nen die diep in hun harten niet weten wie nu eigenlijk de hemelse Vader is. Ook niet wat Hij van plan is te doen. De meesten kennen werkelijk maar één verlan­gen: als het na mijn ster­ven nu maar goed met me is. Natuurlijk is dit uitermate belangrijk, maar dan is de ’geloofskous’ nog lang niet af. Dan begint het pas.

Op de berg Sion staan alleen maar overwinnaars. Mensen die geen tijd hadden om te komen waar niet gewerkt werd aan het Koninkrijk Gods. Mensen die een groot werk hebben gedaan met hulp van de God des hemels. Zij zin­gen het lied der overwin­naars. Hun volharding is ge­bleken, het geloof der hei­ligen Openbaring 13 vers 10b (Openb. 13:10b).

Het zijn de zonen Gods waar de schepping reeds lang op wachtte. Pracht mensen. Tot alle goed werk volkomen toe­gerust 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17). Zij zijn de bevrijders. Vervuld met de Geest van Christus en aan de Zoon gelijkvormig geworden.

“Want het huis Gods is een geestelijk huis, vól leven iedere steen; en deze tempel is gegrond op Jezus, Hem alleen.

En op de grote dag van Je­zus,

zal Hij worden gezien, met verbazing in de Zijnen:

de volgroeide, de volwassen zonen Gods.

Bent u al toe aan de vaste spijs? Hoe lang richt u zich al op het volkomene?

Wij hebben toch een groot werk te doen?

En het nieuwe Jeruzalem had een grote en hoge muur Openbaring 21 vers 12 (Openb. 21:12).

En zij hadden de heerlijkheid Gods!

 

 

Reacties van lezers van de redactie

 

Dok deze maand weer een bloemlezing uit de talrijke reacties welke wij ontvingen. De inhoud blijft uiteraard voor verantwoor­ding van de inzenders, ter­wijl reacties van vertrou­welijke aard niet worden gepubliceerd. Zoals wij reeds eerder schreven publi­ceren wij geen anonieme brieven. Wij ontvingen een uitvoerig schrijven van een zuster uit Den Haag, naar aanleiding van wat Harry Govers schreef over ‘krant en bijbel’ in zijn artikel “De componist” (“Le­vend Geloof”, oktober 1981). Wij kunnen deze brief echter niet beantwoorden, omdat het adres zowel in de brief als op de enveloppe ontbreken.

Verder danken wij alle le­zers en lezeressen die ons hun beste wensen voor 1982 deden toekomen. Deze ‘Nieuwjaars reacties’ willen wij samenvatten in wat een zus­ter uit Amsterdam ons schreef: “Ik bid elke dag voor alle medewerkers van “Levend Geloof” met hun ge­zinnen en wil u danken voor uw voorlichting over Gods wil, onder leiding van de Heilige Geest uiteraard. Gelukkig kunnen we er van verzekerd zijn, dat Zijn liefde, genade, wijsheid en trouw ons ook in 1982 zullen vergezellen op ons pad naar de eeuwigheid”.

Anderen laten meegenieten

Zuster K. E. v. L.-S. te Ede gaf enkele geschenkabonnementen op en schreef erbij: “Persoonlijk ben ik erg blij met uw blad en daar wil ik graag andere mensen van laten meegenieten. Er is een diep verlangen in mijn hart, dat deze mensen ook het ‘volle evangelie’ in uw blad gaan ontdekken, dat het hun tot een eeuwige zegen zal wor­den”. De Heer zeeg’ne u al­len met kracht en wijsheid en onderscheidingsvermogen om deze waardevolle arbeid tot Zijn eer te blijven voortzetten”.

Voor het eerst…

Zuster A. C. G. te Gorinchem schrijft: “Hierbij wil ik mij abonneren op uw blad “Levend Geloof”. Deze week zag ik het voor het eerst en mocht er een paar lezen. Wat jammer dat ik dat nooit eerder gezien heb, hoewel het al 20 jaar ver­schijnt. (Hoe bestaat het?) Het is een fijn maandblad”.

Positief en eenvoudig

Broeder J. W, v. D. te Rot­terdam abonneerde zich, na­dat hij “Levend Geloof” van een broeder onder ogen had gekregen: “Na het gele­zen te hebben moet ik zeg­gen dat het een bijzonder positief, opbouwend blad is met een frisse, heldere en eenvoudige inhoud”.

Proefadressen

Zuster J. G. te Breskens zond ons, evenals vele an­deren, proefadressen en schreef: “Wij danken de Heer voor uw zegenrijke ar­beid door middel van het maandblad “Levend Geloof”, ook namens ons volle evan­gelie groepje in Knocke (België). Het is een grote genade van Hem om zo te worden gebruikt in Zijn dienst. Wij bidden en dan­ken, dat Hij u allen mag leiden door de Geest der waarheid, tot eer en glorie van Zijn Naam, zodat Gods Koninkrijk steeds meer ge­stalte gaat krijgen in ons”.

 

Zestien schapen Door Gert Jan Doornink

Bij het doornemen van de vele kerstlectuur, die ook dit jaar weer in overvloed beschikbaar was, werden wij getroffen door het verhaal over Jan Boom uit Emmahaven, een gehucht aan een dichtge­slibde getij haven in de Westerschelde.

Xandra van Baarle, van het “Algemeen Dagblad”, had een interview met deze schaap­herder want dat is het hui­dige beroep van Jan Boom, Van oorsprong was hij weten­schappelijk onderzoeker in het laboratorium van het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis in Amsterdam, maar om niet zijn hele leven binnen gevangen te zitten’ kwam hij via milieuzaken en medewerker op een agra­risch bedrijf, tot het be­roep van schaapherder, In samenwerking met de stich­ting “Het Zeeuwse Landschap” houdt hij een kudde schapen op het driehonderd hectare grote, brakke schorrengebied.

Wie denkt dat dit beroep nog zo romantisch is, als men zich meestal van een schaap­herder voorstelt, vergist zich, want zeker voor deze herder is het twaalf uur werken per dag en voort­durend oplettend zijn op het getij. Want door het opko­mend water kan het erg ge­vaarlijk zijn op het schor. In november jl., bijvoor­beeld miste Jan Boom ’s avonds bij het binnenha­len in de kooi zestien scha­pen. Hij vertelt: “Ik ben weer teruggegaan naar het schor en daar zag ik ze staan. Zestien koppen net boven het wateroppervlak. Ik heb m’n jas uitgegooid en ben ze gaan halen. Stuk voor stuk. Ik kon niet meer, ik was uitgeput. Maar je doet dat. Je laat toch geen dier verdrinken?”

“En dat je na zo’n zwempar­tij in november misschien een beetje verkouden wordt telt niet. Die dieren moeten vreten. Je gaat er dus de volgende dag weer op uit…” Dit verhaal doet ons denken aan wat Jezus vertelt in de gelijkenis van het verloren schaap in Lucas 15. Als er van de honderd schapen één ontbreekt, gaat de herder terug om dat éne te zoeken en hij rust niet voor hij het heeft gevonden en het bij de kudde terug is. Een duidelijk beeld van de goedheid van God, die bestemd is voor alle mensen. Petrus zegt dat God niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09). De goede her­der zet zijn leven in voor de schapen… en de schapen horen naar zijn stem, omdat ze hem kennen.

Zo is het met allen die Je­zus hebben aanvaard en zich openstellen voor de goedheid van God. Zij mogen dagelijks ervaren dat God Zijn Zoon gezonden heeft om ons leven en overvloed te schenken!

De voorwaarde is echter ge­loof, want zonder geloof is het onmogelijk God welge­vallig te zijn. Wie niet gelooft in de goedheid van God zal deze goedheid ook nooit ten volle ervaren. Maar wie gelooft beleeft het iedere dag opnieuw dat God ons in Zijn Zoon alle dingen ge­schonken heeft!

 

Ook op maandag (gedicht) door Judith Jacobs

Oók op maandag als voor mij

De proza van het werk begint,

Bid ik dat ’k door Uw Geest in mij

Het stempel drage van “Gods kind”.

 

Misschien zie ik in tram of bus

Een medemens die moeilijk staat,

Blijf ’k dan verdiept in mijn lectuur,

Of stel ‘keen evangelie-daad?!

 

Misschien krijg ik op het werk een taak

Die me helemaal niet “ligt”,

Raak ‘k dan meteen buiten mezelf,

Of zie ik alles in Uw licht?!

 

Ach Heer, geef toch dat ’t niet alleen

om “de prediking op zondag” gaat,

Maar dat ‘k op maandag – en daarna’. –

De Boodschap omzet in een daad.

Judith Jacobs

 

De volledige mens door Nico Goverts

Het conflict tussen ziel en geest

De ziel van de mens is vaak het probleemgebied. Het kan voorkomen dat de geest van een mens tot leven gebracht is, maar de ziel niet mee kan komen. De geest wil zich richten op God, maar de ziel wordt afgeremd. De geest ziet de hemel geopend, maar de ziel zit gekluisterd aan de aarde. De geest wil stijgen, maar de ziel voelt zich zwaar als lood en komt niet van de grond. De geest ziet vergezichten, maar de ziel ziet zich opgesloten in een enge kerker. De geest trekt naar God, maar de ziel wordt omlaag gezogen. De geest wil zich verheugen in zijn Maker, maar de ziel zit in onbegrepen droefheid terneer.

Zo kan de mens gespleten zijn. Als twee mensen die naast elkaar zitten in een treincoupé, elk verzonken in zijn eigen gedachten. De een geniet van de reis, geniet van het landschap, verheugt zich op de aankomst, op het weerzien van bekenden; de ander is somber, mistroostig: was ik maar thuisgebleven, wat rammelt die trein toch, wat duurt de reis lang.

De sombere man begint te praten; hij probeert zijn mis­troostigheid over te dragen op de ander, een domper te zetten op de vreugde naast hem. Wat zit daar achter? De boze wil de ziel opzetten tegen de geest. Dan ontstaat er een kloof in de mens. Dan gaapt er in het wezen van de mens een afgrond. En hij zegt: ik ken mijzelf niet meer. Ik weet niet meer hoe ik het heb met mezelf. Zijn geest leeft in de schaduw van de dood. Als ik het goede wil, is het kwade mij nabij, luidt zijn getuigenis.

Als hij anderen hoort spreken over leven, licht en vrijheid, dan denkt hij: voor mij is de vreugde ver. . Wanneer hij zingt, wanneer hij beloften leest, luisterrij e beloften, dan is er in zijn hart een diepe pijn. Waarom Wat is die smart die hij niet verklaren kan? Die dofheid die over zijn ogen ligt? Die grauwheid die als een slepende kwaal hem altijd kwelt? Het is maar zelden uit zijn . gedachten; je zou haast denken: zou zoiets chronisch zijn. Wat is het? Het is die kloof in hem. Geesten zijn altijd werkzaam overeenkomstig hun aard. Zo ook de geest uit de afgrond: hij is er steevast op uit, ook in de mens een afgrond te maken. De geesten der duisternis bedoelen de mens te vormen tot een afdruk van hun wezen.

Zo ontstaat in de mens de afgrond. De mens wordt als een tandem: de voorste man rijdt, de achterste remt. Waar moet dat heen?

Zo kan de ziel een tiran zijn. Dan heerst de ziel over de menselijke geest. Maar hoe komt dat? De ziel wordt zelf op haar beurt getiranniseerd door onzichtbare verstekelingen.

Gods heil omvat ook de ziel

Maar dit is niet het laatste woord. God is de God die voor­ziet. God heeft voorzieningen getroffen, ook voor de zie . Want het einddoel van het geloof is, naar de woorden van Petrus, de zaligheid der zielen 1 Petrus 1 vers 9 (1 Petr. 01:09). Gods heil, Gods helende macht omvat ook de ziel. Dat is geloof: dat we dit vasthouden. De duisternis zegt: je bent nu wel gered maar je ziel blijft een puinhoop. Maar zo spreekt niet de Vader die ons gemaakt heeft. De boze spreekt altijd over: verwording; de Vader is steevast bezig met het thema: wording. Wat mijn kind nog niet heeft, wat mijn kind nog niet ziet, het zal hem geworden. _

Dat is de taal van de Vader. Dat is de taal van de liefde. Wat zul je zijn? Niet langer wat geweest is, wat je altijd was. Niet langer een gespleten wezen. De Vader maakt je heel.

Hoe zou anders ooit een man naar Gods hart op de gedachte gekomen zijn om aan Hem te vlagen: “Verenig mijn hart”? Psalm 86 vers 11 (Ps. 086:011). Hoe zou hij ook op zo’n gebed gekomen zijn, als niet God zelf hem deze woorden ingegeven had? Zo’n gedachte kan nergens anders ontsprongen zijn dan in een vaderhart.

Dit is onze vaste grond: God herstelt. Zoals de profeten het zo oneindig diep hebben uitgesproken: God zal een wederkeer doen keren. Dat omvat veel meer en dat gaat veel dieper dan wat de gangbare vertaling zegt: Ik zal een keer brengen in hun lot. Neen, Gods gedachte reikt verder: Hij geeft een wederkeer. Hij zal ook uw ziel doen wederkeren uit het land van de vijand.

Zo is Gods wezen. Hij is de God van de wederkeer. Zo tekende Jezus de herder. Al heeft hij honderd schapen, vergeten wordt er niet één. Hij die de sterren bij name roept, en niet één blijft er achter. Zo roept Hij ook de zonen Gods en niet één laat Hij achter. Zo laat Hij ook uw ziel niet eenzaam achter in de wildernis, maar Hij zoekt wat verloren raakte, totdat Hij het vindt.

Daarom is dit ons houvast: niets is buiten Gods bereik. De kapot gebeukte mens, de zwaar gehavende ziel: niet buiten Gods bereik. Hoe ook afgezworven, bij God is er een weder­keer.

“Steeg ik ten hemel – Gij zijt daar, of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde – Gij zijt er; nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen” Psalm 139 vers 8 tot en met 10 (Ps. 139:008-010). Geen afstand is te ver voor God; geen afgrond is te diep voor God.

Er is een wederkeer voor de mens. Er is een wederkeer voor de ziel. ‘Arts aller zielen, ’t is genoeg, als Gij ons neemt in uw hoede. Genees de wond die ’t leven sloeg, laat ons niet hooploos verbloeden’.

“Hij troost al haar puinhopen”, zegt de profeet in verband met Sion Jesaja 51 vers 3 (Jes. 51:03). Dat is echt iets voor het Vaderhart: dat kleine woord ‘al’ ertussen te zetten: al haar puin­hopen. De Vader kent degenen die eraan gewend geraakt zijn overgeslagen te worden. Zij denken gauw: ik tel niet mee. Juist puinhopen hebben dat vaak. Hij moet aan hen gedacht hebben toen Hij dit neer liet schrijven. Vrede voor hem die verre, en voor hem die nabij is, zegt de Here, en Ik zal hem genezen. Hij troost de puinhopen. Ja maar er zijn er: ze zijn ver van huis en donker is de nacht. Schrijf: Hij troost al haar puinhopen. Vergeten wordt er geen.

De ziel is onze persoonlijkheid

Wat verstaan we onder de ziel? De ziel omvat voornamelijk drie functies: wil, gevoel en verstand. We zouden kunnen zeggen: de ziel is onze persoonlijkheid.

Nu heeft de boze niet rechtstreeks toegang tot de geest van een kind van God. Wanneer een mens wedergeboren wordt, dan wordt immers zijn geest geheiligd, afgezonderd, over­gezet in het rijksgebied van God. Maar via de ziel tracht de satan de geest van de mens klem te zetten. De duisternis infiltreert in de regel door middel van gevoelens en gedachten, dus op het terrein van de ziel; als gevolg daarvan komt de geest onder druk te staan.

In Psalm 72 lezen we over Gods gedachten in verband met de ziel: “Hij zal zich ontfermen over de geringe en de arme, hij zal de zielen der armen verlossen. Van druk en geweld zal hij hun leven bevrijden” Psalm 72 vers 13 tot en met 14 (Ps. 072:013-014). In de Statenver­taling luidt deze laatste zin: “Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden”. We zien dat het hier gaat over de ziel. En dan ontdekken we hier meteen wat Gods bedoeling is met betrekking tot de ziel: verlossen en bevrijden. De ziel moet onder het juk vandaan komen.

God schrijft de ziel niet af. God wil ook niet de ver­nietiging van de ziel. Het komt er juist op aan dat de ziel hersteld wordt, opdat ze op waardige wijze de geest kan dienen. De ziel is als het ware het paard waar de geest op rijdt. Als we dit beeld eens even voor ogen houden, worden veel zaken op hun juiste plaats gezet. Want wat verlangt de ruiter? Hij kan het best uit de voeten als het paard aan twee voorwaarden voldoet: het moet gezond zijn en het moet gewillig zijn.

De ruiter heeft er belang bij dat het zijn rijdier goed gaat. Geen enkele ruiter is erbij gebaat als zijn paard in elkaar geslagen wordt. Dan wordt het alleen maar een blok aan zijn been. In plaats dat het paard zijn berijder draagt, moet de man het dier met veel pijn en moeite meeslepen, met als gevolg dat geen van beiden veel vooruit­komen .

Hoe vaak zien we dat niet? De geest heeft de stem van zijn Meester gehoord, en verlangt te vertrekken, op reis naar nieuwe horizonten, maar de ziel gedraagt zich als een dreinend kind dat aan de armen van zijn moeder blijft hangen.

Hoevelen zijn nooit gekomen op de plaats waarheen God hen riep, enkel en alleen omdat hun ziel bleef zeuren? De geest brandde van verlangen, de geest had het gehoord: achter de einder, daar ligt het land der belofte, maar de ziel kon zo moeilijk afscheid nemen, de ziel was als de vrouw van Lot, de ziel sprak: Laten wij hier ons huis bouwen en laten wij het ons gezellig maken en geriefelijk en zo zullen wij het goed hebben.

De geest is vaak de reiziger, de ziel blijft liever thuis. En zo was dan dikwijls de levensloop van een mens: de geest hoorde de stem die riep: Neem uw tent op, ga op reis, en de geest werd wakker, gewekt door de Geest, en de geest zei: Hier ben ik, ik kom, en de geest nam de roeping aan, en toen kwam de ziel en gaf de roeping terug.

Ze zijn er: mensen die eens een roeping hadden over hun leven, maar hun ziel trok aan de noodrem en nu staan ze stil, al jaren soms, als een gekaapte trein in het eenzame veld, tussen twee stations. Waar je vroeger was, daar ben je niet meer, maar waar je moest wezen, daar ben je nooit gekomen.

De ziel kan de geest opsluiten

Het is niet voor niets dat de genoemde psalm uitgerekend spreekt van druk en geweld, of list en geweld. Dan is de ziel inderdaad als een gekaapte trein. En de geest zit opgesloten achter geblindeerde ramen, wachtend tevergeefs op zijn bestemming.

Daar schuilt het gevaar van de ziel. De ziel kan ons binden aan de aarde. Daarom is dit woord van zo diepgaande betekenis: van druk en geweld zal Hij hun zielen bevrijden. Dan laat de ziel zich niet langer bespelen door de machten, dan laat de ziel zich regeren door de geest. Dan zal de ziel een dienares zijn, gewillig en gereed. Om het beeld nog eens op te vatten: wat is het ideaal? Dat paard en ruiter volledig op elkaar ingespeeld zijn. Elke beweging, iedere koers- correctie van de ruiter, wordt door het paard terstond opgemerkt, aangevoeld, overgenomen. Rijdier en berijder zitten als aaneengesloten. In een schitterend samenspel gaan ze voorwaarts. Samen nemen ze de hindernis. Samen trotseren ze elke barricade. Het ideaal is niet: het paard aan de ketting en de ruiter ernaast. Zo wordt geen enkele wedstrijd gewonnen, geen enkel doel bereikt. Het ideaal is: waar de geest stuurt, gaat de ziel.

De geschiedenis van de rijke jongeling

Telkens zien we voorbeelden hoe de boze de ziel gaat bespelen, juist op het moment dat God gaat spreken tot de geest. Juist als daar een roeping op het spel staat. Denk aan de man die de geschiedenis in ingegaan als de rijke jongeling. Jezus zei tot hem: “Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij” Matteüs 19 vers 21 (Matt. 19:21). Dit was anders dan alle woorden die mensen tot hem gezegd hadden. Dit was een woord recht­streeks tot zijn geest. Dit was een roeping. Dit woord plaatste hem in een grenssituatie: Indien gij volmaakt wilt zijn.

Volmaakt zijn is alleen mogelijk vanuit de geest. De geest die zich verbindt met de volmaakte Geest. Een ongekende weg lag voor hem open. Deze man had de kans om een van de eersten te worden van een nieuw volk, een van de voortrek­kers van een nieuwe generatie, een pionier van het konink­rijk der hemelen, een jongeling kon hij worden in de gees­telijke wereld, iemand van wie gezegd kon worden: gij zijt sterk, gij hebt de boze overwonnen, het woord Gods blijft in u.

Maar wat lezen we? “Toen de jongeling dit hoorde, ging hij bedroefd heen, want hij bezat vele goederen”

Nooit zou hij meer vreugde vinden in het onderhouden van de geboden. Zijn leven lang zou hij doorgaan met niet te stelen, niet dood te slaan, niet echtbreuk te plegen, geen vals getuigenis te geven, zijn vader en zijn moeder te eren en zijn naaste lief te hebben. Maar altijd met een verborgen pijn, een stille smart: ik heb een woord gehoord, het kwam in mijn geest en het is weer gegaan. Mijn roeping ging aan mij voorbij.

Waarom? Hij ging bedroefd heen. De ziel klampte zich vast aan de aarde, en daarom kreeg de geest geen schat in de hemel. Velen die de moed begaf, blijven staan of dwalen af, hunkerend naar het oude land. Niet meer aanspreekbaar in de geest. Want de ziel overstemt de roep van het nieuwe rijk.

De geest moet regeren over de ziel

Waar de ziel regeert, komt droefheid. Daar is de geest niet meer aanspreekbaar. Er is alleen nog het heimwee: het had zo anders kunnen zijn. Daarom: zalig de mens die niet luis­tert naar zijn ziel, maar die vanuit de geest gaat regeren over de ziel. Een heilzaam bewind.

Dan zien we een ander volk: ’Door de wereld gaat een stoet die de ban brak van het bloed, die bij wat op aarde leeft, nu geen burgerrecht meer heeft’. Zij breken de ban van het bloed. Van het natuurlijke leven.

We zien dit bij Jezus. Hij is in alle dingen aan ons gelijk geworden, behalve dat Hij nimmer faalde. Ons gelijk: ook hierin dat hij de ban moest breken van het bloed. “En zijn moeder en zijn broeders kwamen, en buiten staande zonden zij iemand tot Hem om Hem te roepen” Markus 3 vers 31 (Mark. 03:31). Ook tot Hem kwam een roep, de roep van de ziel, van het natuurlijke leven.

Hoe reageert Hij? “En Hij antwoordde en zeide tot hen: Wie zijn mijn moeder en broeders? En rondziende over degenen, die in een kring rondom Hem zaten, zeide Hij: Zie, mijn moeder en mijn broeders. Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder” Markus 3 vers 34 en 35 (Mark. 03:34-35).

Dit is een uitspraak met een onzegbare diepte. Dit is totaal leven in een ander gebied, in het koninkrijk van de geest. Met dit gebaar, de discipelkring omvattend, en met dit woord brak Jezus de ban van het bloed. Wie zal de draagwijdte van dit woord gevat hebben? Wie toen en wie nu? Hier regeert een nieuwe orde. Hier regeert niet langer de ziel, hier is het domein van de geest. De roep die hier tot Jezus kwam, de roep van de ziel, die wijst de Meester resoluut terug. Want voor Hem geldt en blijft gelden een andere roep, die Hij eenmaal hoorde en die Hij niet meer vergeten kan: de roep aan de Jordaan: “Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb”. De roep van de Geest.

Bij Jezus was de ziel geheel en al onderworpen aan de geest. Daarom was Hij waarachtig mens Gods, mens volledig aan de kant van God, mens totaal in het domein van de Geest.

Hier stond Jezus in een ondeelbaar geladen moment in een grenssituatie: wat zou er gebeurd zijn als de Heiland in dit ogenblik anders gekozen had? Als Hij gezegd had: Ja nu moet Ik toch wel rekening houden met de wensen van mijn familie. Dan was Jezus terecht gekomen op de plaats waar op dat moment zijn familie zich bevond, namelijk buiten. Buiten de wereld van de geest, buiten het gebied van God. Buiten het koninkrijk.

Hier stond de voortgang van het heilsplan Gods op het spel. Jezus is als wij verzocht geweest. Misschien beseffen wij te weinig dat dit een van die verzoekingen is geweest. Wie naar de roep van de ziel luistert, komt buiten te staan. Wie de natuurlijke banden laat domineren, wordt metterdaad een gebondene.

Als Jezus op dit moment gekozen had voor de aardse relaties, dan was er nooit een gemeente ontstaan. Dan was er een volk gevormd dat gebouwd was op de ziel. Dat volk zou misschien groot in getal hebben kunnen worden, maar het zou nooit ofte nimmer het rijk der duisternis hebben kunnen verslaan. Laat dit een waarschuwing zijn voor ons: bouw nooit een gemeente op basis van de ziel.

Jezus maakte bewust, doelbewust, zijn keuze. Hij koos een volk dat gebouwd is op de geest. Hij wist: dat volk, maar dan ook dat volk alleen, zou een gemeente worden. Dat volk zou het rijk der hel beschamen.

De gemeente wordt geboren in het verborgene

De ziel kan nooit gemeente bouwen. Gemeente komt alleen tot stand in het rijk van de geest. De ziel zoekt vaak emoties. Dit kan leiden tot gevoelsmatige bindingen: bindingen aan bepaalde tradities, bindingen aan mensen. Men wil mensen binden aan zichzelf en men ziet emotionele binding aan voor eenheid in de geest.

De ziel zoekt vaak houvast in het zichtbare; vandaar dat men dan alles in de gemeente en in het leven wil regelen via wetten en voorschriften. Men vergeet: gemeente wordt geboren in het verborgene, in het domein van de geest. En vandaar uit gaat de vrede stromen als een rivier en de gerechtigheid als de golven der zee.

Jezus prentte dit zijn leerlingen in: als een refrein keert het telkens terug in de Bergrede: uw Vader is een God die in het verborgene is en die in het verborgene ziet. Zesmaal horen we in Matthéüs 6 over het verborgene: daar geschiedt het werk Gods.

Ditzelfde motief komt ook zo treffend naar voren in Psalm 83, waar over de tegenstanders gezegd wordt: “Zij maken listig een heimelijke aanslag tegen uw volk, en beraad­slagen tegen uw verborgenen” Psalm 83 vers 4 (Ps. 083:004).

Dat is het ware volk des Heren: uw verborgenen. Zij zijn thuis in het rijk van de geest. Daarom hebben zij ook geen behoefte om hun ziel op te jutten. Bij hen heeft de ziel het goed. Bij hen kan de ziel zich ontplooien in een zuiver klimaat, want vanuit hun geest regeert waarheid en gerechtigheid.

De Farizeeën hadden een religie van de ziel. Daarom hadden ze alles geregeld en vastgelegd, daarom spraken ze lange gebeden uit, daarom reisden ze stad en land af om iemand voor hun groep te winnen en aan zich te binden, daarom hielden ze van begroetingen op de markten, daarom sloten ze zich af voor tollenaars en zondaars, want je gaat toch alleen maar om met medefarizeeën. Zo werd de ziel gekoes­terd en de geest kwam niet aan bod. De sleutel van het koninkrijk was weggenomen en niemand ging erin.

Met Jezus begon het koningschap van de Geest

Jezus kwam en maakte een einde aan de heerschappij van de ziel. Hij luidde een nieuw tijdperk in: nu is gekomen het koningschap van de geest. En wat vaak vergeten wordt: de heerschappij van de geest is heilzaam voor de ziel. Geen pressie meer, geen druk en geweld, maar ruimte en vrede.

Daarom waren en zijn zulke woorden van Jezus zo vérstrek­kend: bid tot uw Vader in het verborgene; en: al wie de wil van de Vader doet, die is mijn broeder en zuster en moeder. Dit is het instellen van een nieuwe orde: de orde van de geest.

Zo maakte Jezus zijn roeping waar. Zelfs toen Petrus in verband met de weg van kruis en dood tot Hem zei: “Dat ver­hoede God”. Wat regeerde op dat moment in het leven van de goed bedoelende discipel? Medelijden. Hier sprak de ziel. “Gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen”. Medelijden met zichzelf: wat moet er van ons worden als U heengaat, en we hebben het juist zo goed met elkaar, laten we het toch zou houden. En medelijden met de Meester, dat toch ook wel: Hij is zo’n goed mens, dat moet Hij zich­zelf niet aandoen, Hij heeft zoveel goeds gedaan, Hij heeft een beter lot verdiend. Als Jezus een emotionele binding had gehad met zijn leerlingen, zou Hij naar Petrus geluis­terd hebben. Dan had de ziel het gewonnen, dan was de geest op datzelfde moment uitgedoofd. Dan was de weg van de geest afgesneden.

Ook hier zien we weer dat de verzoeker inhaakt op de ziel. Via de ziel poogt hij de geest lam te leggen, te doven.

Telkens werd er een appèl gedaan op de ziel, juist ook in het leven van Jezus. Op een zeker moment, toen de Meester op weg was naar Jeruzalem om daar de grote strijd tegen de duisternis te leveren, kwamen Farizeeën tot Hem en zeiden: “Ga heen en vertrek vanhier, want Herodes wil U doden” Lucas 13 vers 31 (Luc. 13:31). Op het eerste gezicht zou je denken: Toch aardig van die mensen, dat ze Jezus even waarschuwen. Maar wat zit erachter? Ze proberen Jezus ertoe te brengen dat Hij zal gaan leven en handelen uit het principe van de ziel. En dat is: letten op het zichtbare, en de strijd ont­lopen. Met als gevolg: dan zou Jezus niet toekomen aan de beslissende confrontatie en de glorieuze overwinning van Golgotha.

Jezus doorziet echter deze schijnbaar sympathieke raad­geving. Dit advies, gericht op de ziel, beantwoordt Hij met een uitspraak vanuit het niveau van de geest: “Gaat heen en zegt die vos: Zie, Ik drijf boze geesten uit en volbreng genezingen, heden en morgen, en op de derde dag ben Ik gereed. Doch Ik moet heden en morgen en de volgende dag reizen, want het gaat niet aan, dat een profeet buiten Jeruzalem omkomt” Lucas 13 vers 32 en 33 (Luc. 13:32-33). Jezus spreekt geheel van­uit zijn visie die Hij bezit in zijn geest. In de geest ziet Hij de planning van de Vader. En daar wijkt Hij niet van af. Via de ziel probeerde de boze Hem uit de koers te krijgen. Maar de aanval stuitte af op de vaste geest die Jezus bezat.

Het is van groot belang dit te onderkennen: de opzet van de vijand is altijd, de zonen Gods uit hun koers te brengen. Via de ziel tracht hij ons uit ons evenwicht te slaan. Daarom is het zo nodig dat onze geest de teugels in handen heeft. Daarom bad David: “vernieuw in mijn binnenste een vaste geest” Psalm 51 vers 12 (Ps. 051:012).

Jezus dient de Farizeeën van repliek met hun eigen woorden. “Ga heen”, zeggen zij; “gaat heen”, luidt het antwoord. Niet Hij moet heengaan, maar zij. Gesprekken voeren met Herodes, dat laat Hij aan hen over. Hij heeft andere dingen die Hem bezighouden.

Jezus zal zijn doel bereiken want in Hem regeert niet de ziel; in Hem regeert de geest. De geest die verbonden is met de Vader.

Dan geldt het woord uit Psalm 54: “Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Ziet, God is mij een helper; de Here is onder degenen die mijn ziel ondersteunen” Psalm 54 vers 5 en 6 Statenvertaling. (Ps. 054:005-006).

1981.12 nr. 221

Levend geloof 1981.12 nr. 221

Deze wereld snakt naar vrede door H. J. Scholten

Het geheim van de ware vrede

Kerstfeest 1981. Het zoveelste kerstfeest. Maar is het een echt feest? De engelen zingen: vrede op aarde bij mensen des welbehagens. De ware vrede wordt beleefd waar een mens zich ‘welbe­haaglijk’ voelt. En wanneer voelt de mens zich welbehaaglijk? Als hij verstaat aan wie hij de eer moet geven. Vooraf staat: Ere zij God!

Daarin schuilt het geheim van de ware vrede. Het begint in het hart van de mens, daarin wil God zijn feestlicht ontsteken. Want onze God houdt van feest. De Verlosser is gekomen en waar de verlossing aanvaard wordt, begint de feestvreug­de door te breken. Waar de Vredevorst binnen ge­laten wordt, daar worden monden vervuld met lachen en tongen met gejuich (Psalm 126 vers 2).

De mens van deze wereld wil vrede. Daar zet hij zich voor in. Dikwijls gedreven door een gewel­dige angst. Vredesmarsen worden georganiseerd en het zijn eigenlijk manifestaties van de angst. Angst voor de toekomst. De mens wil vrede maken in eigen kracht. Er zijn allerlei vredesbewegingen, maar ze gaan buiten God, buiten Christus om. Daarom komt er geen vrede.’ Wanneer zal de mens eens leren van de geschiedenis? Nog nooit hebben mensen vrede kunnen maken omdat hun har­ten boos zijn.

Ware vrede wordt gegeven en kan nooit afgedwon­gen worden, zelfs niet door de grootste vredes- betogingen. Er is er maar Eén die voor de ware vrede kan zorgen. Dat is de Vredevorst Jezus Christus. Hij zegt: “En Ik zal vrede in het land geven”(Lev.26:6). De voorwaarde is echter: Gij zult Mij dienen. Niet het I.K.V. of Pax Christi kunnen voor vrede zorgen. Al deze mensen zijn verduisterd in hun verstand en verleugent door de vader der leugen, de satan.

Jezus Christus is de enige vredevorst

Midden in deze angstige wereld staat nog steeds de Vredevorst. Wordt Zijn stem gehoord? Hij spreekt: “Tenzij men Mijn bescherming aangrijpt, met Mij vrede maakt, vrede met Mij maakt” Jesaja 27 vers 5 (Jes. 27:05).

Al die mensen van al. die vredesbewegingen kennen de ware weg van de vrede niet. Het mag er op lijken, maar het is één grote leugen. Deze vredesbewegingen worden door de God van de vrede toegesproken: “De weg des vredes kennen jullie niet, er is geen recht spoor bij jullie; jullie gaan langs kronkelpaden; niemand die ze be­treedt, kent vrede” Jesaja 59 vers 8 (Jes. 59:08).

Er is er maar Eén, die een schat van bestendige vrede kan ontsluiten. Het is Jezus Christus, de Zoon van de Eeuwige God. Maar nog steeds ver­werpt men deze Vredesvorst. Hij wordt nog dage­lijks door duizenden gekruisigd. Maar wie Hem aanneemt en gelooft dat Hij de enige is die de ware vrede kan schenken, zal echt kerstfeest kunnen vieren. Desnoods zonder kerstdiner, kaarsjes of kerstboom. De ware vrede begint in het hart van de mens. Daar waar de Vredevorst wordt binnengelaten, komt de echte feestvreugde.

Daarom zegt de Bijbel: “Want Hij is onze vrede”. Kinderen Gods leven in de rust en in de vrede van Christus en behoeven niet te demonstreren. Zij hebben de vrede reeds ontvangen en met die vrede in hun harten gaan zij onbezorgd de toe­komst tegemoet. Halleluja!

“En de vrede van Christus, tot welke gij immers in een lichaam geroepen zijt, regere in uw harten; en weest dankbaar”, Kolossenzen 3 vers 15 (Kol. 03:15).

Hoe donker het dan ook in de wereld wordt, wij wandelen in het licht. In het licht van de ware vrede. Een gezegend vredefeest moge kerstfeest 1981 voor u zijn. “Vrede zij u allen, die in Christus zijt” 1 Petrus 5 vers 14 (1 Petr. 05:14)

  1. J. Scholten.

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Het jaar 1981 is weer bijna voorbij en wanneer wij als “Levend Geloof”- redactie even terugzien, kunnen wij -met dankbaarheid in onze harten – alleen maar zeggen dat het een ‘po­sitief jaar’ was. De boodschap van het Koninkrijk Gods, waar wij in ons blad over schrijven, biedt zoveel heerlijkheden en veroorzaakt zoveel geestelijke visie en groei, dat een intense blijdschap en dankbaarheid ieder kind van God vervult, die dit ook heeft ontdekt en gaat beleven. Vanuit deze beleving wensen wij u Gods rijke zegen tijdens het komende kerstfeest en bij de overgang naar het nieuwe jaar’. En wat dit laatste betreft, ook voor 1982 geldt dat Gods ogen over de gehele aarde gaan, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat’.

Namens het gehele red. team:

 

Jan Noë 80 jaar door Gert Jan Doornink

Toen in het juli/augustusnummer van ons blad het getuigenis werd gepubliceerd van broeder Jan Noë, zullen maar weinig lezers en lezeressen zich hebben gerealiseerd dat onze broeder al in zijn tachtigste levensjaar was. Toch was dit het geval, want op 18 december werd broeder Noë 80 jaar! De talrijke geloofsopbouwende artikelen, die Jan Noë in de meer dan 15 jaar die hij in “Levend Geloof” heeft geschreven, zijn voor ve­len tot grote zegen geweest. Zonder aan zijn an­dere artikelen tekort te doen denken wij bij­voorbeeld aan zijn artikelen over het uitdrijven van demonen, welke grote aandacht trokken.

Dat broeder Noë nog steeds actief is in dienst van Gods Koninkrijk blijkt wel uit het verslag van zijn recente reis naar Zwitserland in dit nummer. Huisbezoeken, spreekbeurten, bevrijdingsbedieningen, etc., behoren nog tot de dage­lijkse bezigheden van onze broeder, die daarmee een levend bewijs is dat leeftijd een onderge­schikte rol speelt, als men gebruikt wil worden door de Heer. En al zal broeder Noë in de toe­komst wat minder frequent in “Levend Geloof” schrijven, wij wensen hem nog veel sterkte, in­spiratie en wijsheid toe, vanuit Gods Woord en door de Heilige Geest bij alles wat hij mag doen in dienst van de Meester.

Ongetwijfeld zal het de instemming hebben van onze lezers en lezeressen als wij onze broeder de oudtestamentische zegenbede toewensen: “De Here zegene u en behoede u; de Here doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig; de Here verheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede”! Numeri 6 vers 24 tot en met 26 (Num. 06:24-26).

 

Kerstfeest viering (gedicht) door Judith Jacobs

…en zij vielen neder en bewezen Hem hulde” Matteüs 2 vers 11 b (Matt.2:11b).

Het gaat niet om sfeervolle dagen,

Of om een opgetuigde boom;

Ook niet om een “verheven” stemming,

Of om een gemoed, “gewijd” en vroom.

 

’t Is goed een ander te verblijden

Met een geschenk of “goede wens”;

Een feestdis hoeft niet te ontbreken

Of kaarslicht; want je “blijft een mens

 

Maar wil je met het hart beleven

Wat Kerstfeest-vieren zeggen wil,

Dan moet je komen naar de kribbe,

de plaats waar het heilig is en stil.

 

Dan wordt een feest van licht en kleuren,

het feest van het licht, geen holle klank,

Gods zoon aan zondaren geboren,

dat noopt tot bede en tot dank.

 

Het licht schijnt in de duisternis door Jan W. Companjen

“Er zal geen donkerheid wezen voor het land dat in benauwdheid was. Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der heidenen. Het volk dat in donkerheid wan­delt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht” Jesaja 8 vers 23 en Jesaja 9 vers 1 (Jes. 08:23 en Jes. 09:01).

Een nieuw begin vanuit een oude bron

In het evangelie van Matteüs (onder andere in Matteüs 4 vers 14 tot en met 16 (Matt. 04:14-16) kunnen wij lezen dat bij de komst van Jezus, dit woord van Je­saja in vervulling ging. Juist in het evangelie van Mattheüs wordt men er steeds weer aan herinnerd dat het oude testament met de komst van Jezus werd vervuld en voltooid.

Het kerstfeest, dat wij ook nu weer mogen herdenken als een feest van licht en blijdschap, is een nieuw be­gin vanuit een oude bron. Het kind, geboren in Bethlehems stal, is de lang ver­wachte koning waarvan in Micha 5 vers 1 (Micha 05:01) gezegd wordt: “En gij , Bethlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heer­ser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwig­heid” .

Maar zie deze geweldige ko­ning, waarvan de joden zo­veel verwachting hadden, is nederig en arm, Hij werd ge­boren in een stal. Hij gaf de keizer wat van de keizer was, in plaats van de keizer weg te jagen. Het jodendom verwachtte een Messias die hen zou bevrijden van ‘bui­tenlandse’ overheersing. Dat Hij kwam om hun innerlijk vrij te maken van vijandige machten ging aan hun voorbij, dat ‘licht’ werd door hun niet waargenomen.

Het joodse volk was voor een geweldige opdracht uitverko­ren. Zij mochten de wereld ‘het licht der wereld’ bren­gen, doch helaas hebben zij het niet waargenomen en aan­genomen. Toch werden zij als volk niet afgewezen, neen tezamen met alle mensen uit alle ras en natie, mochten zij meebouwen aan de nieuwe gemeente van Christus, een nieuw volk van God, waardoor en waarin God zijn heil wil verkondigen.

Jezus is de eerste van een nieuw geslacht

Uiteraard legt dit op de ge­meente van Christus een gro­te verantwoordelijkheid. Het kwam tot de heidenen in eerste instantie om Israël tot jaloersheid te verwekken en dat hele gebeuren heeft in de loop der geschiedenis nog al eens gefaald. Jood en heiden zijn momenteel als het ware op een zelfde spoor gekomen. Grote groepen christenen erkennen het joodse volk als volk van God ondanks het kardinale feit. dat zij Christus niet als Verlosser en Koning hebben aanvaard. Men beoordeelt el­kaar vleselijk en verwachten samen de komst van Christus. De joden nog steeds wachten­de op de eerste komst en de christenen op een tweede komst, maar beiden wachtende op de komst van (een) Chris­tus, die dan alles verande­ren en volmaken zal. Het zal volgens hen een plotseling gebeuren zijn, die dan de wereld zal overtuigen dat Jezus de Christus is.

Maar, mijn geliefden, Jezus is gekomen, geboren uit de maagd (een mens) en verwekt door de Heilige Geest, die Maria overschaduwde. Hij was de eerste uit een nieuw geslacht. Een volk van God dat kan functioneren in deze donkere wereld tot aan de voleinding, omdat Gods eigen Geest daarin woont en werkt. God zoekt geen jaknikkers die door de feiten overdonderd zullen worden door een nieuwe komst van Christus, Hij zoekt een volk, dat door Zijn Geest geleid en opge­voed, komt tot de éénheid van het geloof, zoals Jezus dat zelf ook bezat. Hij was ook waarlijk mens, een mens van vlees en bloed. Gods Geest in Hem maakte Hem tot datgene waartoe Hij verwekt was, namelijk: Zoon van God.

Zo, mijn geliefden, is het ook bij ons die waarlijk in Christus en zijn eerste komst geloven. Ook wij moge herboren worden tot een nieuwe Geestelijke schep­ping. Wedergeboorte en op- wassing tot zoon van God is dé roeping van de gemeente als lichaam van Christus. Hij zei niet voor niets tot de zijnen: “Het is goed dat Ik van u heen ga”. Door dat heengaan kon de Geest van Christus terugkomen en bezit nemen van dat volk dat Hem hier op aarde vertegenwoor­digt. Die Geest zal met ons zijn en alles volbrengen. Die Geest zal het uit Hem, Jezus Christus, nemen en het ons verkondigen. Ja die Geest zal met ons zijn tot aan de voleinding.

Als wij zo kerstfeest vieren zijn wij blij en overgeluk­kig dat Hij reeds gekomen is. Het is goed dat Hij al­les voor ons volbracht op Golgotha. Het is goed dat Hij opstond, ten hemel voer en ons bij de Vader verte­genwoordigt. Het is alles goed en zeer te prijzen. Je­zus heeft het alles vol­bracht en door dat volbrach­te werk kan en mag de schep­ping uitzien naar de openba­ring van de zonen Gods. Dat gebeuren zal de kroon op het volbrachte werk van Christus zijn. En het zal waar worden waarvoor Hij stierf en over­won. Hij zal het zien, tot verzadiging toe. Jesaja 53 vers 10 en 11 (Jes. 53:10-11 zegt: “Om zijn moeitevol lijden zal Hij het zien tot verzadiging toe; door zijn kennis zal mijn knecht de rechtvaardige, velen recht­vaardig maken en hun onge­rechtigheden zal Hij dra­gen”. En dan vers 12 (Jes. 53:12): “Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en met machtigen zal hij de buit verdelen, omdat hij zijn leven heeft uitgegoten in de dood”.

Openbaren wij ons als het licht der wereld?

Kerstfeest 1981 kan voor ons een groot feest zijn omdat Christus niet alleen in Bethlehem maar ook IN ons hart (in ons leven) geboren is. Wij mogen een licht voor deze wereld zijn. Jezus zei niet alleen: “Ik ben het licht der wereld”, maar Hij zei ook: “GIJ zijt het licht der wereld” Matteüs 5 vers 14 (Matt. 05:14). Dat overdrachtelijke van alles wat Hij bezat naar Zijn li­chaam, de gemeente, is reeds een overduidelijk bewijs dat Hij wacht met zijn komst totdat alles onder zijn voe­ten is gelegd. Nog is de ge­meente niet volmaakt. Er zit nog steeds onkruid tussen het koren, er zijn nog slechte, oneetbare vissen in het net Matteüs 13 vers 36 v.v. (Matt. 13:36). On­der de gasten bevinden zich nog steeds lieden die geen feestkleding dragen. Rond het gehele gebeuren van de uitnodiging in de bruiloftszaal blijkt wel hoe moeilijk alles nog ligt als het brui­loftsmaal gereed is. De ge­nodigden wilden niet komen Matteus 22 vers 1 tot en met 14 (Matt. 22:01-14), ieder ging zijn eigen weg. De één naar zijn akker, de ander naar zijn zaak. Weer anderen gre­pen de dienaars vast, mis­handelden en doodden hen.. Toch moest de bruiloftszaal vol worden. De gasten wer­den uit heg en steg gehaald. Uit deze geschiedenis kan men duidelijk lezen en begrijpen dat ook de christe­nen als genodigden hun recht kunnen verspelen tot het volk van God te behoren. Er komt een tijd, en volgens mij is die er nu reeds, dat zal blijken uit woord en daad of men werkelijk een volgeling van Christus is.

De toekomst van Jezus is onze toekomst

Kerstfeest 1981 ligt in een tijdsbestek dat men kiezen moet. Meer en meer wordt de kerk wereldgelijkvormig. In­ plaats van uit te trekken, gaat men samenvoegen. Vaak op gronden en omstandigheden waarin men het toevallig nog met elkaar eens is. Eén grond waarin men het toeval­lig met elkaar eens is, is het feit dat men zich als kerk en groep tegen de doop in de Heilige Geest verzet. Men praat erover alsof men er verstand en innerlijke ervaring van heeft. Ik ver­zeker u echter dat juist de­genen die de Geestesdoop missen tot negatief gepraat en beoordeling van deze gave Gods komen. Juist dat feit, Christus in u, is de gewel­dige krachtbron om waarlijk kerstfeest te kunnen vieren.

Christus is gekomen. Hij heeft voor mij alles vol­bracht en leeft als opgesta­ne Heer onder andere ook in mijn hart. Door die Geest zijn wij tot één lichaam gedoopt. Door die Geest zullen wij één worden, gelijk Hij één is. Dat is de ware drie-eenheid zoals die bedoeld is. Zo de Vader is, is Jezus (Hij heeft ons de Vader le­ren kennen). Zo Jezus is, zo is de gemeente als lichaam van Christus of, om het be­ter te zeggen, zo zal de ge­meente van Christus worden, omdat dat de wil van de Va­der en de Zoon is.

De toekomst van Jezus is on­ze toekomst. Daarom kunnen wij gerust zijn en alle din­gen met opgeheven hoofd te­gemoet treden. De wereld zal zich steeds angstiger gaan voelen, maar ten aanzien van het ware volk van God staat er geschreven: “…richt je dan op met opgeheven hoofd, want je bevrijding is dicht­bij” Lucas 21 vers 28 vertaling Goed Nieuws (Luc. 21:28). De eindtijd is er. Zie om je heen en constateer dat Gods Woord de waarheid is. Dat er buiten Hem geen leven is. Ja dat Jezus Christus – Hij alleen – dé weg, dé waarheid en hét le­ven is. Vier samen met ons kerstfeest, een feest waar­bij Jezus ook nu, in uw stal of in uw opgeruimde ka­mer, aanwezig is. Hij is het brood des levens, eet en aanvaardt Hem en neem Hem in uw binnenste op. Dan zal het waarlijk kerstfeest zijn.

Dan gaan wij samen met blijdschap het nieuwe jaar 1982 bunnen, gelovende en belijdende dat ook dat jaar ons weer verder zal brengen naar datgene wat uiteinde­lijk hét doel des Heren is: een wereld vol van de kennis des Heren!

Geprezen zij Zijn Naam nu (in 1981) en tot in alle eeuwigheid (in 1982 en vol­gende jaren)!

Reacties van lezers

“Op weg naar het einddoel”

Zuster A. Th. K. -H. te Amsterdam schreef naar aan­leiding van het artikel “Op weg naar het einddoel” van Jan W. Companjen in “Levend Geloof” van oktober: Het is zo verhelderend geschreven, dat ik eigenlijk heel ver­wonderd ben, nog zoveel niet te weten. Ook de arti­kelen van de andere broe­ders maken me gelukkig, ’t Is net alsof de schellen van mijn ogen vallen. Hal­leluja” .

Ook broeder K. v. T, te Rotterdam, reageerde op het artikel van Jan W. Companjen en schreef er ten volle achter te staan: “want in elke preek haal ik het aan. Er is vandaar zondermeer een beweging gaande. De geest van opwekking er over, dan een groot leger. Van knekelveld tot legermacht”.

”De tegenstelling”

De brochure “De tegenstel­ling van het aardse- en het hemelse Jeruzalem” van H. J. Scholten, waarvan onlangs een tweede druk verscheen, trekt nog steeds grote aan­dacht .

Zuster H. G. te Hilversum reageerde: “Ik kocht op onze boekentafel het boekje: “De tegenstelling”. Enige tijd terug vroeg ik de Here, mij toch te openbaren wat er voor geheim lag in het getal: 144.000. En zie daar! IK ben er erg dankbaar en blij mee, en zal zeker in de kleine kring van mensen, met wie ik samenkom, getui­gen van “mijn” vondst. Wat mij bijzonder ook trof, is het gegeven, wat iedere poort van het hemelse Jeru­zalem is. Iedere parel wordt nu eenmaal letterlijk uit het slijk gehaald. Het fundament is daarentegen van zuivere edelsteen en wel 12 verschillende soor­ten. Zonder tekort te wil­len doen aan het Jodendom, of deze mensen maar ergens te verwerpen, ben ik zo dankbaar, dat wij door het geloof van Abraham tot zijn nageslacht mogen behoren, door Jezus Christus”.

Gods Geest werkt door

Ook uit België kwam weer een positief geluid. Broe­der G. V. te Estaimpius schreef: “Onze gebedscel is steeds uitgebreider ge­worden, en wij konden het niet meer aan om thuis sa­menkomsten te houden. Na lang gebeden te hebben, heeft de Heer ons een huis gegeven, een oud café, waar wij nu twee maal per week samenkomsten houden. In ok­tober was de officiële opening, en voor deze gelegen­heid waren wij met 70 per­sonen tezamen. Vele uit

Wallonië waren gekomen om ons aan te moedigen. Wij zijn nu met een groepje van 20 en willen de goede strijd des geloofs strijden en onze positie in de hemelse gewes­ten innemen. Het terrein is niet gemakkelijk, de Roomse kerk domineert echt het po­litieke en geestelijke le­ven. Een meisje van 18 jaar, die de Heer aangenomen heeft, mag niet naar onze samenkomsten komen. Als ze van huis weggaat moet ze zeggen, waar ze naar toe gaat. En dat in onze tijd! Ze is bevrijd van occulte banden, want haar ouders zijn in contact met een pen­delaar en om de zes maanden komt hij op bezoek, de ganse familie komt dan onder zijn handen. Dit meisje wil na­tuurlijk niet dat de pende­laar haar aanraakt.

Graag zou ik de brochures nr.4 en 5 van Nico Goverts hebben. Het is een goede studie, die de kennis over Openbaring verrijkt en ver­licht. Wij bidden dat de Heer uw blad gebruikt voor de boodschap van de eind­tijd. Mogen wij ook rekenen op uw voorbede, want de taak is moeilijk, maar de Heer heeft tot hiertoe machtig geholpen”.

 

Doet u ook ‘mee? Door Gert Jan Doornink

De actieperiode, die wij in ons vorig nummer aankondigden, mede in verband met het twintig­jarig bestaan van ons blad, is momenteel in volle gang. Verschillende lezers en lezeressen reageerden reeds positief, wat onder andere tot uitdrukking kwam in de opgave van een groot aan­tal nieuwe adressen (geschenkabonnementen, proefadressen en nieuwe abonnees).

Wij herhalen nog even de zeven onderdelen van deze actie en, als u nog niet gereageerd hebt, mogen wij dan ook op u rekenen? Het gaat er om de kostbare boodschap van het volle evangelie van Jezus Christus zoveel mogelijk te verbrei­den. U kunt ons helpen:

Door voor onze arbeid te bidden en te danken!

Door het opgeven van proefadressen waar wij “Levend Geloof” gedurende 3 a 4 maanden gra­tis naar toe kunnen zenden.

Door het opgeven van geschenkabonnementen.

Door abonnees te winnen.

Door de afname van losse nummers voor ver­spreiding . (10 exemplaren en meer a 75 ct. per exemplaar.

Door afname van brochures voor verspreiding. (Ook hier geldt vanaf 10 exemplaren de kor­tingsprijs) .

Door het overmaken van (een) gift(en). “Levend Geloof” is een geloofswerk en we zijn blij en dankbaar dat verschillende abonnees onze arbeid ook financieel onder­steunen.

 

De holligheid van de bornput door H. J. Scholten

“Aanschouwt de rots waaruit gij gehouwen zijt, en de holte van de put waaruit gij gegraven zijt; aanschouwt Abraham, uw vader, en Sara, die u baarde” Jesaja 51 vers 1 en 2 (Jes. 51:01-02).

De oproep van Jesaja

In dit Bijbelgedeelte doet de profeet Jesaja een oproep aan allen, die de gerechtig­heid najagen en zij, die de Here van harte zoeken worden uitgenodigd om goed te luis­teren.

Jesaja bepaalt ons hier bij Abraham en zijn vrouw Sara. Hij spreekt hier tot mensen die door Sara gebaard zijn. Dat is een wonderlijke zaak, want Sara heeft toch maar één kind gebaard en wel haar zoon Isaak?

Abraham wordt door Jesaja een ’rots’ genoemd en Sara vergelijkt hij met een uit­gesleten waterbron of water­put. Tóch zijn er uit de ‘rots’ Abraham vele kinderen Gods gehouwen en uit de ‘holligheid van de bornput’ (Statenvertaling) vele kin­deren Gods geboren. Deze kinderen jagen de gerechtig­heid na en zoeken met alles wat in hen is de Here, dat wil zeggen hun hemelse Vader steeds beter te leren ken­nen.

Bepalen wij ons eerst nog even bij Abraham. Hij had nog meer kinderen. En hoe zit het dan met die kinde­ren? Hoe zit het met het kind van Abraham en Hagar, Ismaël? Zijn de nakomelingen van Ismaël (de Arabieren) ook uit de ‘rots’ gehouwen waar Jesaja over spreekt? Na het sterven van Sara huwt Abraham met Ketura en was hij al oud en hoogbejaard Genesis 24 vers 1 (Gen. 24:01). Toch verwekte hij nog kinderen, ook nog bij de bijvrouwen die hij had Genesis 25 vers 6 (Gen. 25:06).   

Waarom gaat het om Izaak?

Er zijn dus zeer vele nako­melingen van Abraham en toch gaat het om die éne, Isaak. Nóch Ismaël, het kind van Abraham en Hagar, noch de kinderen van Abraham en Ketura worden voor zaad gere­kend. Neen, het geheim schuilt in de ‘holligheid van de bornput’. Het is slechts geestelijk te ver­staan. Een uitgesleten wa­terbron kan geen water meer bevatten. Zo’n holle water­put komt droog te staan. Het moederlichaam van Sara wordt hiermee vergeleken; zij was onvruchtbaar, zij stond ‘droog’.

Volgens Romeinen 4 vers 19 (Rom. 04:19) was Sara’s moederschoot reeds gestorven en was de geboorte van Isaak geen na­tuurlijk feit. Deze geboor­te berustte op een belofte en deze belofte hield een groot wonder in. Op bovennatuurlijke wijze wordt er gebaard. Isaak wordt opge­graven uit een dorre moeder­schoot, uit een uitgeholde waterbron, die geheel en al droog stond. Isaak wordt naar de geest geboren, ter­wijl Ismaël en de kinderen van Ketura naar het vlees geboren werden. Daarom zond Abraham al zijn zonen die naar het vlees geboren waren, weg. Hierin ligt een diepe geestelijke betekenis. Wie nog graag wil zien wat voor ogen is, moet hier afhaken. Wie nog acht wil geven op een volk met een natuurlijke afstamming, kan hier niet te­recht. Dit gaat dieper. Hier wordt van het hemelse gespro­ken en niet van het aardse.

“Abraham nu gaf alles wat hij had aan Isaak, maar aan de zonen van de bijvrouwen, die Abraham had, gaf Abraham geschenken, en hij zond hen, nog bij zijn leven, weg van zijn zoon Isaak” Genesis 25 vers 6 (Gen. 25:06).

Wij hebben een God van grote wonderen. Hij kan water doen vloeien uit een waterbron die helemaal uitgesleten is. Het is een wonderlijk water. Wie ervan drinkt heeft eeu­wig leven en zal in der eeu­wigheid geen dorst meer krijgen. Alle kinderen Gods worden nu opgeroepen om te horen en te schouwen.

“Hoort naar Mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die de Here zoekt” Jesaja 51 vers 1 (Jes. 51:01).

Het ganse nageslacht van Abraham en Sara, inmiddels geworden tot een machtige natie, krijgt een heerlijke belofte en deze luidt: “Ik heb Mijn woorden in uw mond gelegd en met de schaduw Mijner hand heb Ik u bedekt, Ik, die de hemel uitspan en de aarde grondvest en tot Sion zeg: Gij zijt Mijn volk” Jesaja 51 vers 16 (Jes. 51:16).

Het is een volk dat op won­derlijke wijze geboren is. Het heeft niets te maken met natuurlijke geboorte of met vleselijke afstamming. Zij hebben moeite om het hemelse te verstaan en te zien op het onzichtbare wat eeuwig is.

Wie zijn de kinderen van Izaak?

Het woord van de apostel Paulus uit Galaten 4 vers 28 en 29 (Gal. 04:28-29) kan slechts geestelijk verstaan worden. “En gij, broeders, zijt, evenals Izak, kinderen der belofte. Maar zoals destijds hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest ver­wekt was, vervolgde, zo ook nu”.

Zo ook nu! Wat een diepe waarheid schuilt er in deze woorden van de apostel. Wat is dit woord nog actueel, vooral in onze dagen. De vleselijke nakomelingen van Abraham beschouwen zich nog altijd als het volk van God. Zij steunen op hun natuur­lijke geboorte. Maar wie zijn eigenlijk de ware nako­melingen van Isaak? Be­schouwt de Bijbel de natuur­lijke Joden als het nage­slacht van Abraham? Zijn zij de kinderen van Isaak?

Allereerst willen we ons toch volkomen richten naar het woord van de apostel Paulus, die naar het vlees toch ook een Jood was. Hij zegt in Galaten 3 vers 29: (Gal. 03:29) “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenamen”. Deze woorden spreekt Paulus niet tot de natuurlijke Joden uit zijn dagen, maar tot bekeerde heidenen, de Galaten. “Jul­lie zijn zaad van Abraham”, zegt hij. Hoe is dit moge­lijk? We hebben hier toch niet te maken met een biolo­gisch wonder? Hoe kan Paulus dit nu zo stellen?

Omdat Paulus in de Geest Abraham aanschouwt. En in de Geest ziet hij de poreuze, uitgesleten waterbron, die Sara was. En tóch gebaard! Tóch zaad! In Galaten 3 vers 16 (Gal. 03:16) lezen wij: “Nu werden aan Abraham de beloften gedaan en aan zijn zaad. Hij zegt niet: aan zijn zaden, in het meervoud, maar in het enkel­voud: en aan uw zaad, dat wil zeggen: aan Christus”.

Als het in het meervoud had gestaan (het woord ‘zaad’), dan zouden wij mogen geloven dat het in alles nog steeds gaat om de hedendaagse, aardse Joden. Maar dit is geweest. Het gaat volgens Gods woord om een ander volk. Om een volk dat van ‘bovenaf’ geboren is. Een volk dat uit een ‘rots’ ge­houwen is en opgetrokken is uit een ‘holle waterbron’.

Sara was onvruchtbaar en kon op natuurlijke wijze geen kinderen meer baren. Zij wordt hier in Jesaja 51 ver­geleken met het hemelse Je­ruzalem, ons aller moeder. Deze moeder was lange tijd onvruchtbaar en kon nog geen kinderen voortbrengen. Deze moeder had grote droefheid. Zij wachtte maar af in de hoop nog eens kinderen te zullen baren. Dan komt het grote Godswonder.

“Verheug u, gij onvruchtba­re, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar die een man heeft”.

De profeet Jesaja nodigt ons uit om op deze moeder te letten. “Aanschouwt Sara, die u baarde”. We kunnen de­ze uitroep ook vertolken met de woorden uit Jesaja 33 vers 20 (Jes. 33:20): “Aanschouw Sion, de stad onzer feestelijke bijeenkomsten. Uw ogen zullen Jeruzalem zien als een vei­lige woonstede, als een tent die niet verplaatst wordt, waarvan de pinnen nimmermeer uitgerukt worden en geen van de koorden ooit losgerukt wordt”. We prijzen onze God voor de rijkdom van Zijn woord, voor Zijn heerlijke beloften. Ze zijn allemaal ‘Ja en Amen’ in Christus Je­zus. De onvruchtbare Sara gaat tóch baren. Isaak kwam tevoorschijn uit de ‘hollig­heid van de bornput’. Het beloofde zaad! God had gesproken: “uw vrouw Sara zal een zoon hebben”. Deze zoon wijst heen naar de Zoon, Je­zus Christus. Het Woord Gods is niet vervallen.

“Want niet allen, die van Israël afstammen, zijn Isra­ël, en zij zijn ook niet al­len kinderen, omdat zij na­geslacht van Abraham zijn, maar: door Izaäk zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kin­deren van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kin­deren der belofte gelden voor nageslacht” Romeinen 9 vers 7 en 8 (Rom. 09:07-08).

De natuurlijke Joden en het heil van God

Zijn de natuurlijke Joden nu uitgesloten van het heil Gods? In geen geval, al dachten vele bekeerde heide­nen dit wel. Daarom werd Paulus gedrongen om de hoofdstukken 9, 10 en 11 van de Romeinenbrief te schrij­ven. Zijn hele betoog komt hierop neer dat men niet moet denken dat God een afgesne­den zaak had gemaakt met het oude Israël. God blijft om­zien naar elk mens. “Alzo lief had God de wereld…. “. Paulus maakt duidelijk dat zijn broeders naar het vlees het heil Gods ook deelachtig kunnen worden. Ze kunnen op­nieuw geënt worden in de stam ‘Israël’. Maar niemand van hen mag zich laten voor­staan op natuurlijke afstam­ming. Laat niemand roemen in een aardse Abraham of een aardse Sara. De blik moet omhoog en dan zien we iets anders. Dan zien wij de ware ‘rots’ waaruit wij gehouwen zijn, namelijk Jezus Chris­tus. Dan zien wij de ware moeder die ons gebaard heeft, het hemelse Jeruza­lem. Het is ons aller moe­der, zegt Paulus. Het is een vrije moeder. De aardse moe­der, het aardse Jeruzalem, is niet vrij maar in slavernij met al haar kinderen Galaten 4 vers 25 (Gal. 04:25).

De hemelse Sara, het nieuwe Jeruzalem, mag in gejuich uitbreken, want de ‘hollig­heid van de bornput’ blijkt toch nog water te kunnen be­vatten. De onvruchtbare mag zich beroemen op haar ontel­bare kinderschaar. Allemaal door een belofte geboren en wel deze: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn naam gelo­ven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn” Johannes 1 vers 12 en 13 (Joh. 01:12-13).

Abrahams zaad bestaat alleen maar uit mensen die uit God geboren zijn. God heeft Abraham niet verkoren om zijn vlees maar om zijn ge­loof! De wil van het vlees en de wil van een man zijn niet meer relevant. Wij den­ken aan het woord van Jezus uit Matteüs 12 vers 50 (Matt. 12:50): “Want al wie doet de wil Mijns Vaders, die in de he­melen is, die is Mijn broe­der en zuster én moeder”.

Het ganse nageslacht van Abraham heeft als oudste broeder Jezus Christus. Hun Vader is Hij, die hemel en aarde geschapen heeft en hun moeder is het hemelse Jeru­zalem. Een wonderbaar gezin. Samen houden ze een feeste­lijke bijeenkomst.

De uitnodiging voor allen

Er is nog altijd een heer­lijke uitnodiging om te ko­men drinken uit de bron. Uit die éne Bron. Want er wordt nog steeds gebaard. “O, alle dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet; ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk” Jesaja 55 vers 1 (Jes. 55:01).

Het natuurlijke heeft afge­daan. Met geld kun je niet terecht. Het is genadetijd. Als natuurlijke afstamming tóch nog betekenis zou heb­ben, dan is de genade ook geen genade meer.

Talrijk zal de kinderschaar zijn. Een schare die niet te tellen is, halleluja. We kunnen stellen: nog steeds worden aan Abraham en Sara kinderen geboren door de Geest. Zij vormen het gees­telijke Israël, dat is in­middels toch wel duidelijk geworden. Straks zal in het getal 144.000 dit Israël haar volheid bereiken. Zij zijn gekocht uit de mensen. Niet uit mensen van één aardse natie, maar ze komen uit allerlei volkeren, stam­men en talen. Deze 144.000 behoren het Lam toe. Er staat in Openbaring 14 vers 4 (Openb. 14:04): “Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam”.

Abraham wordt genoemd: vader van alle gelovigen. Het zijn die mensen, die geloven in het Beloofde Zaad, Jezus Christus. Zij allen hebben een schone naam gekregen en wel die van ‘Israëliet’. Dit is een karakternaam. Een naam duidt het wezen aan, de identiteit. Als men zich ‘Israëliet’ noemt, zal men ook de karaktereigenschappen moeten vertonen. Het zijn strijders Gods. Zij strijden mét God tegen de gehele le­germacht van de vijand en zij zijn meer dan overwin­naars. Zij dragen de geestelijke wapenrusting en strij­den onder geen beding meer tegen dansen van vlees en bloed. Wie dat nog wel doen mogen zich geen ‘Israëlie­ten’ noemen. Het geestelijk Israël toont haar karakter en zij wordt steeds meer de Goddelijke natuur deelach­tig.

Vrijgekocht uit de macht der duisternis

Het geestelijk Israël is verlost van elke aardse bin­ding, zij zijn de los gekochten van de aarde. Zij heeft haar oog ten alle tijde ge­richt op ‘Sara, die haar baarde’. Het is het hemelse Jeruzalem en het is een won­derschone stad, de woonstede Gods in de Geest. Het is de stad die fundamenten heeft en welks Bouwheer God zelf is. Hij hieuw uit de ‘rots’ Abraham een volk en deed het opkomen uit de ‘holligheid van de bornput’. Het zijn de vrijgekochten uit allerlei volkeren. Vrijgekocht uit de macht der duisternis, want daar hoorden zij van oor­sprong niet thuis.

Daarom keren zij weer, naar hun oorspronkelijke plaats. Dat terugkeren gaat met gro­te vreugde gepaard. Met ge­jubel komen zij in Sion, eeuwige vreugde is op hun hoofd Jesaja 51 vers 11 (Jes. 51:11).

Waarom? Omdat God het verkoren heeft en zo volk laat hij nimmer meer verloren gaan.

Want Sion is van God begeerd.

Het wordt met zijn woning hoog vereerd.

Hier sprak Hij die het al beheert.

Hier zal ik wonen naar mijn lust.

Hier is in eeuwigheid mijn rust.

 

Gedachten (gedicht) door Piet Snaphaan

Zij komen vaak zo onverwachts,

Zo plotseling op je aan.

Zij zijn als wolken aan de lucht,

Die komen en die gaan.

 

De vraag is nu, wat doen we ermee,

Stellen zij ons gerust,

Of is er twijfel in ons hart,

Zijn wij ons dat bewust?

 

Zij kunnen soms verwarrend zijn,

Of negatief geladen.

Zij brengen dan veel narigheid

En doen dan ook veel schade.

 

Wij moeten leren wederstaan,

Zulke gedachten laat je gaan.

Wij stellen ons dan op alom,

Zij zijn uit de verkeerde bron.

 

Waar het om gaat, beseft dat wel,

Dat zijn gedachten van herstel.

Gedachten ook van eeuwig leven,

Die wil de Heer ons altijd geven.

 

Gedachten die ons doen herleven,

Daar moeten wij dus steeds naar streven.

Wij willen denken zoals t moet,

Want Gods gedachten, die zijn goed.

 

Reis naar Zwitserland door J. Noë

Open deuren

Zoals ieder jaar ben ik ook dit jaar weer in september naar Zwitserland gegaan, niet alleen om van Gods prachtige schepping te ge­nieten en mijn dochter met haar gezin op te zoeken, maar vooral ook om van de Heer te kunnen getuigen in de verschillende gemeenten aldaar. De Heer heeft steeds deuren voor mij ge­opend en zo ook dit jaar.

Nen had mij verteld dat in Bellizona een pinksterge­meente was en zo’n beetje aangeduid waar dat was. Ik dus afgereisd naar Bellizo­na, hetwelk in de buurt van Lugano en Locarno ligt, in welke plaatsen ik enige ja­ren geleden ook reeds ge­tuigd had.

In Bellizona aangekomen ben ik onmiddellijk op stap ge­gaan om een onderdak te krijgen, maar het lukte mij niet. Ik ben toen naar een hotel-informatiebureau ge­stapt en die probeerde ook van alles. Ik bad tot de Heer of Hij uitkomst wilde geven. Een van de dames van het bureau belde toen nog een adres op, maar ze kreeg geen antwoord. Toen adviseerde ze mij naar dat adres toe te gaan om eens poolshoogte te nemen, het was niet ver. Ik ben toen naar dat adres toegegaan, maar niemand bleek thuis te te zijn. Op de deur was een briefje geplakt waarop stond vermeld dat men om 17 uur thuis was. Bemoedigend was echter dat op een bord stond vermeld: “Chambres – Zimmer – Rooms”. Ik ben toen teruggegaan naar het bureau en heb daar gewacht tot het 17 uur was. Men belde toen op en jawel hoor, daar was een kamer voor mij vrij. Ik heb de Heer toen geloofd en geprezen. Ik heb het daar heel goed gehad en men heeft mij zelfs, toen ik vertrok, in verband met mijn zware koffer, met de auto naar het station ge­bracht .

Zodra ik een beetje op orde was, ben ik op zoek gegaan naar de pinkstergemeente, hetwelk in een kleine steeg moest zijn vlak bij een grote kerk. Ik kon het ech­ter niet vinden. Wederom tot de Heer gebeden of Hij mijn schreden wilde leiden en de volgende morgen ben ik er toen weer op uitge­trokken. Toen richtte de Heer mijn blikken op een bord aan de ingang van een steeg, waarop in het Italiaans stond, dat daar de be­wuste gemeente was. Halleluja! Ik maakte daar kennis met een jonge dame en ver­telde haar wie ik was en dat ik vroeger ook in Lugano en Locarno had getuigd.

Ik stelde haar toen voor, als de voorganger er mee instemde, om ook bij hun een getuigenis te geven. Ze was erg enthousiast en zou er met de voorganger over spreken.

Toen ik daar zondagmorgen arriveerde werd ik harte­lijk door de voorganger verwelkomd en hij gaf mij ruim de gelegenheid om te kunnen getuigen. Het is een fijne en gezegende zondag­morgen geworden. De reeds eerder genoemde zuster heeft mij vanuit het Duits in het Italiaans vertaald.

Vanuit Bellizona ben ik daarna doorgereisd naar In­terlaken. Daar logeer ik altijd bij een oudere dame, die het fijn vindt als ik kom. Ik bid dan met haar en vertel haar een en ander uit de Bijbel.

In Montreux / Chailly

Vanuit Interlaken heb ik een mij bekende familie in Montreux/Chailly opgebeld. Hij is een Hollander, was oudste in een gemeente in Eindhoven en kreeg het in zijn hart om met zijn zus­ter, die reeds lang in Zwitserland woont (en die ik ook zelf goed ken) sa­men te werken en een ge­meente te beginnen. Zij kon hem toen ook vertalen. Er is toen een gemeente ontstaan in Clarens (daar vlak bij] en in Chateau d’Dex bo­ven in de bergen (huissamenkomst). Toen ik in 1980 daar even op bezoek was geweest, vroeg hij mij of ik, als het volgende jaar weer kwam, wat langer wilde blijven. Vanuit Interlaken belde ik hem op en hij was zeer verheugd toen ik hem vertelde dat ik een paar dagen zou blijven en een getuigenis in de ge­meenten wilde geven.

Ik ben dus direct daarop van Interlaken naar Montreux/Chailly vertrokken. Het was een fijn wederzien en hij had mij heel wat te vertellen. God had namelijk enige tijd geleden een won­der aan hem verricht. Vanaf zijn derde jaar (hij is nu 57 jaar) had hij nog maar één heup en het bot van zijn linkerbovenbeen was als het ware vastgegroeid aan het bekken, daardoor kreeg hij een enigszins gebogen hou­ding en was zijn ruggengraat vergroeid (holle rug). Hij had hierdoor een te kort been gekregen van ongeveer 10 cm. waardoor hij een orthopedische schoen (van 10 cm.) moest dragen. Tijdens een evangelisatiecampagne in Lausanne, die geleid werd door een Frans echt­paar is hij en zijn vrouw (die ook ernstig ziek is ge­weest] naar voren gegaan en hij voelde de kracht van de Heilige Geest door zich heen stromen en het gevolg was dat na enige dagen zijn been is gaan groeien en nu loopt hij op gewone schoe­nen. Ook zijn vrouw heeft een wonderbare genezing on­dervonden .

Tijdens mijn verblijf al­daar moest het echtpaar echter, door omstandigheden gedwongen, naar Holland gaan, maar wie moest hem vervangen? De Heer gaf het duidelijk in mijn hart dat ik dat moest doen en dat vertelde ik hem. Hij was erg blij en is toen kort daarop voor ongeveer drie weken naar Holland gegaan. Ik ben zelf ook nog even voor een paar dagen naar ons land teruggegaan om een en ander te regelen.

Bevrijding van demonie

Nu, het is een zeer fijne tijd geweest en ik had een zeer goed contact met de gemeenten in Clarens en Chateau d’Oex. In het begin vertaalde de zuster van de voorganger, met wie ik een grote geestelijke verbon­denheid had, mij van het Hollands in het Frans. Ze drong er bij mij op aan vooral de gemeente in te lichten over demonie en bevrijding, want Zwitser­land is erg occult. De gemeenten hebben de boodschap gretig ontvangen en bevrijding heeft ook plaats gevon­den. Toen de zuster met vakantie naar Spanje ging, heeft s’ zondags een Belgi­sche broeder die met een Zwitserse vrouw getrouwd is, die ik van vroeger kende en oudste is in de gemeente te Lausanne, mij vertaald. In de doordeweekse samen­komsten werd ik vertaald vanuit het Duits in het Frans door een zuster in de gemeente. Het is een zeer gezegende tijd geweest, ik ben ongeveer een kleine twee maanden in Zwitserland ge­weest en u kunt zich wel voorstellen hoe mijn hart met zeer grote dankbaarheid voor de Heer vervuld is. Toen de broeder en zijn vrouw vanuit Holland naar Zwitserland terugkeerden, ben ik nog een paar dagen met hen samen geweest en heb toen, via mijn dochter, de terugreis aanvaard.

 

“Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden“! Lucas 19 vers 10 (Luc. 19:10).

 

Wees kleurecht!

Kameleons. Je hebt ze misschien wel eens gezien, in Artis of zo. Er ook wel eens over gehoord. Een diertje dat het vermogen heeft de kleur aan te nemen van zijn omgeving. Ter bescherming, zie je.

Zo zijn er ook van die kameleon-christenen. Je kent ze wel: ’s zondags zijn ze heel anders van kleur dan op maan­dag. Op school anders dan thuis. Op de jeugdclub anders dan op kantoor.

Wordt er gebeden, dan bidden ze mee. Wordt er een schuine mop getapt, dan lachen ze mee, of weten er ook een te ver­tellen. Dat doen ze, denken ze, ter bescherming. Zo merkt hun omgeving niet welk vlees ze in de kuip hebben.

Hoort u daar ook bij? Of komt u er voor uit dat u bij Je­zus hoort? Dat u weliswaar ook eenmaal van kleur bent veranderd, maar nu voorgoed!

Voor altijd veranderd. Dat u voor altijd Zijn kleur wilt dragen. Waar u zich ook bevindt. Wees kleurecht!

 

De volledige mens door Nico Goverts

Inleiding

Graag zouden we eens in enkele artikelen willen nadenken over geest, ziel en lichaam. Daarom hebben we als titel gekozen: de volledige mens, omdat het God daar inderdaad om te doen is: dat de mens volledig mens zal zijn, dat hij zal komen tot het volledige leven, zodat de Vader met vreugde kan zeggen: Dit is een zoon, in wie Ik welbehagen heb. Dit is een mens Gods.

Het koninkrijk Gods begint in onze geest

Allereerst willen we nu aandacht schenken aan onze geest. Daar begint namelijk het koninkrijk Gods. Wanneer wij wedergeboren worden, houdt dat in, dat onze geest tot leven wordt gebracht. Het is de opstanding van onze geest. De geest van de mens legt het doodskleed af en wordt bekleed met gerechtigheid Gods.

Maar wat gaat er nu gebeuren met die pasgeboren geest? Hier komen we op een punt van vérstrekkende betekenis, want dit is bepalend voor de totale levensloop en toekomst van de mens. Alles staat of valt met de vraag: hoe functioneert mijn geest?

Het grootste gevaar voor een kind van God is dat zijn geest niet werkzaam is. En hier stuiten we op een terrein dat vaak nog braak ligt. Dikwijls hebben we niet geleerd hoe we onze geest moeten activeren. Het is als een stuk grond: het is bouwrijp gemaakt, maar nu gebeurt er verder niets.

Hier kan gebrek aan kennis een alles beheersende rol spelen. Weten we wel wat onze geest eigenlijk is en wat hij geacht wordt te doen? Heel vaak zit hier het probleem: dat we geen heldere voorstelling hebben omtrent de vraag: wat doe ik met mijn geest? En daardoor onderkennen we niet de oneindige waarde, de betekenis, de mogelijkheden van onze geest. Of we gooien geest en ziel en alles wat daarmee te maken heeft, gemakshalve maar op één hoop.

Is onze geest waardevol?

Daarom is het wellicht goed te beginnen met de vraag: is onze geest waardevol? En dan is het toch uiterst frappant hoeveel waarde God aan de geest van de mens toekent. Neem alleen al het woord van Jakobus: “De geest, die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid” Jakobus 4 vers 5 (Jak. 04:05).

Hier vinden we al een fundamenteel uitgangspunt: God begeert de geest van de mens. Wat een mens waarde geeft, dat is zijn geest. Zoals Petrus het onder woorden brengt: “de verborgen mens uws harten, met de onvergankelijke (tooi) van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is in het oog van God” 1 Petrus 3 vers 4 (1 Petr. 03:04).

We zien dat een mens in zijn geest een schat kan verzamelen: een schat van zachtmoedigheid, een schat van rust of stilheid. En dan worden daar twee waardebepalingen aan verbonden: in de eerste plaats is deze geest onvergan­kelijk. Daarom is het zo van uitzonderlijk belang, aandacht, te besteden aan de toestand van onze geest; dan zijn we bezig met datgene wat blijvend is. De geest van de mens die gegrond is in God, is onverwoestbaar, hierop heeft de verderver geen vat.

Het tweede is: deze geest is kostbaar voor God. Een sieraad, een kleinood voor Hem. Zo is hij een edelsteen, passend in Gods diadeem, zoals een lied het formuleert. Het is goed daar eens bij stil te staan: onze geest een edel­steen voor God. Uit deze edelstenen wordt een stad gebouwd, tempelstad van hoge waarde.

De functies van onze geest

Wat zijn nu de functies van onze geest? De geest is datgene wat ons bewust maakt van God en waardoor we relatie met God kunnen hebben. Als een mens niet wedergeboren is, is zijn geest dood, dat wil zeggen gescheiden van God en van het leven Gods. Bij de wedergeboorte wordt de geest over­gezet in het koninkrijk van God, in het rijk van leven en licht. Van dat moment heeft de geest geweldige mogelijk­heden om te gaan functioneren.

Met onze geest kunnen we God zoeken. Asaf zegt het zo: “ik denk in de nacht aan mijn snarenspel, ik peins in mijn hart en mijn geest vorst na” Psalm 77 vers 7 (Ps. 077:007). Dit laatste woord betekent: naspeuren, onderzoeken, graven of uit­graven, doorzoeken of verkennen.

De geest die zich daarop richt, is een navolger geworden van de Heilige Geest, want Deze is daar ook mee bezig. Paulus verklaart immers: “De Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods” 1 Korinthe 2 vers 10 (1 Kor. 02:10).

Dat is de taak van onze geest: graven naar verborgen bron­nen, zoeken naar verscholen schatten. Dat was het geheim van een man als Asaf: als hij gaat navorsen met zijn geest, dan komt hij tot ontdekkingen over de wegen Gods: “O God, in heiligheid is uw weg”, vers 14 (1 Kor. 2:14). En hier gaat het dan inderdaad om verborgenheden, want tegen het eind van de psalm komt de zanger tot de uitspraak: “Uw weg was in de zee, uw pad in grote wateren, zodat uw voetsporen niet werden gekend”, vers 20 (1 Kor. 02:20). Hier zien we iets bijzonders gebeuren: Asaf mag iets gaan verstaan van de weg van God; in zijn geest ziet hij iets van de voetsporen des Heren.

Jesaja was daar ook mee bezig. Helaas is de vertaling van het NBG hier niet helemaal nauwkeurig, want daar wordt in Jesaja 26 vers 9 (Jes. 26:09) gezegd: “uit het diepst van mijn gemoed zoek ik U”. Maar letterlijk staat er niet: gemoed, maar geest. Dus lezen we dit vers in de Statenvertaling: “Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht; ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken”. Merkwaar­dig is dat het ook in dit tekstverband weer gaat over de weg van God, het pad van de rechtvaardige, en over een spoor, namelijk het spoor dat God voor de rechtvaardige baant.

Hoe komt de mens op het spoor van God? Hoe gaat hij de wegen van de Here ontdekken? Als zijn geest gaat zoeken.

Met mijn geest in mij zoek ik U. Dat is de gezindheid van deze profeet. Let op die typerende uitdrukking: mijn geest die in het binnenste van mij is. Daar leren we: onze geest in het middelpunt van ons wezen, het is het meest centrale, het meest innerlijke dat we bezitten, het is de kern van ons zijn.

Zowel bij Asaf als bij Jesaja komen we tot de conclusie dat juist in tijden van intense strijd en verduistering het van groot gewicht is dat de geest van de mens zich niet laat lamleggen. Juist dan komt het er vóór alles op aan dat de geest actief is.

Alle herstel begint vanuit de geest. De geest is leven van­wege de gerechtigheid, zegt Paulus in Romeinen 8 vers 10 (Rom. 08:10. Namelijk indien Christus in u is. Daarom is het zo belangrijk dat onze geest zich ontwikkelt. Dan zal van daaruit het herstel van de mens ten volle kunnen doorwerken.

God moet onze geest kunnen voeden

Hiermee hebben we de eerste functie van de geest ontdekt, namelijk het ontvangen van openbaring. God spreekt tot onze geest. Ook de dwalenden van geest zullen inzicht kennen en de morrenden zullen lering aannemen, heeft Jesaja gesproken in vers 24 (Jes. 29:24) .

Daarom zal de mens zich geheel en al moeten richten op de lering, de onderwijzing van God. Niemand kan een geestelijk mens worden, als zijn geest niet onderwezen wordt.

Er wordt een strijd geleverd om onze geest. De tactiek van de boze is: afremmen, verduisteren. Hij tracht de mens bezig te houden met zaken die geen nut hebben. Zijn ene doel is: ons af te houden van de onderwijzing des Heren. Want hij weet: dan verkommert de geest; dan kwijnt hij weg. En het gevolg is: geen herstel, geen mens Gods.

Dan zoekt de mens vele dingen. Maar zijn geest wordt niet gevoed. Dan trekt men rond, gedrukt en hongerig, zoals Jesaja zo typerend opmerkt. Hier zien we twee strategische methoden van de duisternis om onze geest uit te rangeren: de geest van de mens wordt onder druk gezet, en de boze laat onze geest verhongeren.

Dit kan op velerlei manieren gebeuren. Door spanningen kan de geest onder druk komen te staan. En een gespannen, verkrampte geest is niet in staat om onderwijzing te ontvan­gen. Of er kunnen zoveel zaken zijn die ons afleiden dat we aan onze geest niet meer- toekomen.

Dan gaat de geest van de mens in ballingschap. Net als de zoon die ging naar een ver land en zijn geest was ver van de geest van de vader en er was bezigheid genoeg en af­leiding ook en tenslotte was er niets meer dan de schillen die de varkens aten.

Zo is de weg van de geest die in ballingschap gaat. Bezorgd en druk met vele dingen; allerlei eist de aandacht op. En tenslotte is er niets meer dan de schillen die de varkens aten.

Wie alleen de schillen nog heeft, bezit niets anders meer dan de buitenkant, het omhulsel. De inhoud is eruit. Wat een vrucht was, is nu alleen nog schil. Daar kan geen geest van leven. Dan trekt men rond, gedrukt en hongerig.

Wat hebben ze de jongen verteld in het verre land, in de ballingschap? Niet veel bijzonders, er staat tenminste niets van in het verhaal. Het was kennelijk niet de moeite van het vermelden waard. Geen enkel gesprek in het verre land is opgetekend. Waarmee hebben ze dan zijn geest gevoed? Er is maar één antwoord: ze hebben zijn geest niet gevoed.

Er wordt pas weer een gesprek beschreven als de jongen thuis komt. En wat zo merkwaardig is: pas dan horen we voor het eerst de vader spreken. Aan het begin van de geschiedenis sprak alleen de jongen. “Vader, geef mij het deel van ons vermogen, dat mij toekomt”. Van vader geen spreken vermeld. Wat viel er ook te spreken voor vader? Er klonk immers alleen maar: geef mij het deel. Niet: geef mij een woord. Vader werd niets gevraagd, dus wat zou hij spreken?

Dat is ballingschap: ver is de stem van de vader. Eenzaam zwerft de geest van de zoon. Zoals een vogel die rond­zwerft ver buiten zijn nest, zo is een man die rondzwerft ver buiten zijn woonplaats.

De geest van de zoon verlangt naar inhoud. Hij vraagt naar huis; hij vraagt naar vader. Het is niet goed. Het is niet goed dat de geest van de mens alleen zij.

Hij is nog maar nauwelijks thuis, of de vader begint te spreken. En waarom is dat zo van betekenis? Daarmee wordt de geest van de jongen gevoed. Voor het eerst sinds tijden hoort hij weer eens iets wat waarde heeft. Dit bouwt zijn geest; dit geeft inhoud aan zijn geest. Wat moet het voor deze jongen betekent hebben, zijn vader te horen zeggen: mijn zoon hier was dood en is weer levend geworden? Dit was openbaring voor zijn geest. Opeens brak het licht door: licht in zijn geest. Als een rivier van gerechtigheid stroomde het binnen in zijn geest: aldoor rondgelopen te hebben met de sombere gedachte: maak me maar een dagloner; niet meer waard een zoon te heten. En dan in één moment te horen: mijn zoon hier. Dit is licht, zuiver licht, enkel licht. Dit is een dag om nooit meer te vergeten. Dit is niet meer het verre land; dit is niet meer het land van druk en honger;

dit is het land van louter licht,

waar heilgen heersers zijn;

nooit gaat de gouden dag hier dicht

in duisternis of pijn.

Daarom kon de psalmist het uitspreken: één dag in uw voor­hoven is mij beter dan duizend elders. Want in het heilig­dom wordt de geest onderwezen door God. In één dag thuis leerde de jongen meer dan jaren in het vreemde land. Niets meer waard, niets meer waard, zo gonsde het in zijn geest; dat was de enige gedachte die hij meenam van zijn verre reis. Dat is niet veel als je daarmee thuiskomt.

Maar nu: nu speelt daar een andere gedachte door zijn geest: hij noemt mij zoon, ik ben zoon, ik ben thuis. Wat bracht die omkeer in zijn geest? Een even simpel als diep geheim: vader sprak.

Nu weet hij: in het verre land was ik verworpen, maar vader nam mij aan. De onderwijzing van vader deed zijn geest goed. En is het in dit verband niet veelzeggend dat God genoemd wordt de Vader der geesten? Hebreeën 12 vers 9 (Heb. 12:09). God wil Vader zijn over uw geest. Hij wil als een vader voor uw geest zorgen.

Er wordt strijd gevoerd om onze geest

Hier zien we de strijd die er gevoerd wordt om onze geest. Waarom ging die jongen naar het verre land? Wat dreef hem? We kunnen letten op wat voor ogen is en vaststellen: hij wilde graag wat van de wereld zien. Hij zocht het avontuur. Maar er was meer: er was een strijd gaande om zijn geest. En zo dreef de duisternis hem voort, totdat hij zou zijn een verworpene en zich een verworpene zou voelen.

Veelal werken de machten der duisternis niet rechtstreeks op onze geest, maar ze proberen invloed te krijgen via ons verstand of ons gevoel. Hun doel is echter, op deze wijze onze geest in te sluiten, te isoleren, te overweldigen.

Overweldigen, dat is het wachtwoord van de tegenstander. Want het briesen der geweldenaars is als een stortbui tegen een muur, zegt Jesaja in hoofdstuk 25 vers 4 (Jes. 25:04); eigenlijk staat er: de geest der geweldenaars. Maar God is een sterkte voor de geringe, een schuilplaats tegen de stortbui, een schaduw tegen de hitte, zo vertelt ons hetzelfde vers.

Wat bedoelt God? Dat onze geest zal zijn een afgezonderd gebied. Een afgebakend terrein. Het is van beslissende betekenis dat we ons dit heel diep bewust worden en dat we dit ook uitspreken voor God, voor onszelf, en ook tegen­over de tegenpartij: mijn geest is gebied voor God. Mijn geest is geen wildernis, mijn geest is niet woest en ledig, zodat alles en iedereen daar vrij toegang heeft; mijn geest is terrein des Heren.

Het is goed dat we onze geest zo leren zien: als een privéterrein van de Koning. Zoals Paulus het zegt tot de Korinthiërs: “Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn”

1 Korinthe 6 vers 20 Statenvertaling (1 Kor. 06:20).

Dit is een kardinaal punt: hoe denk ik over mijn geest? Spreek het uit ten overstaan van uw verdrukkers: mijn geest is geen puinhoop, mijn geest is een heiligdom, mijn geest behoort aan God.

Wees u bewust: uw geest is bestemd voor Hem. God is bezig een gebied te reserveren dat alleen van Hem is. Van onze geest moet gezegd kunnen worden wat we lezen in Hoog­lied 4 vers 12: “Een afgesloten hof zijt gij, mijn zuster, bruid, een afgesloten wel, een verzegelde bron”(Hoogl. 04:12). Een hof des Heren. En zoals Adam de opdracht kreeg, de hof te bewaken, zo is het onze roeping, te waken over onze geest. Opdat onze geest zal zijn als een hof waar God kan wonen en wan­delen. Zoals de bruidegom zegt: “Ik ben gekomen tot mijn hof” Hooglied 5 vers 1 (Hoogl. 05:01).

De geest bepaalt ons leven

Een tweede functie van de geest is: geloof. Geloof is: onze geest verbindt zich met de gedachten van God. En een derde functie is: het geweten. Als we deze drie aspecten beschouwen, dan merken we op dat onze geest een dirigerende taak heeft. De geest ontvangt openbaring, onderwijzing, zodat we weten welke koers wij moeten varen; de geest oefent geloof, en geeft daardoor richting aan ons leven; de geest leert ons onderscheiden wat goed is en wat kwaad is. Zo is het de geest die de dienst uitmaakt. De geest behoort te regeren.

De toestand van onze geest is bepalend voor ons leven, voor onze toekomst, voor de gesteldheid van ons lichaam en van onze ziel. Daarom zullen we steeds meer aandacht moeten schenken aan onze geest.

We lezen van Elia hoe hij op een gegeven moment de woestijn in vlucht en zich neerlegt onder een bremstruik. Wat is er aan de hand? Zijn geest is overweldigd door de geest van Izebel. Dat was de grootvorst van de occulte wereld. En we zien: als zijn geest overweldigd wordt, wordt zijn ziel depressief, en zijn lichaam gaat liggen.

Wat doet hij vervolgens? Hij gaat bidden. Maar let eens op wat voor soort gebed er voortkomt uit zo’n neer geknuppelde geest. “Hij begeerde te mogen sterven en zeide: Het is genoeg. Neem nu, Here, mijn leven want ik ben niet beter dan mijn vaderen” 1 Koningen 19 vers 4 (1 Kon. 19:04). Dan kun je tegen zo iemand wel zeggen: Ben je depressief? Dan moet je veel bidden. Maar dat deed Elia al. Alleen, hij bad zichzelf steeds verder de put in.

Het probleem zat in zijn geest. Als een overweldigde geest gaat bidden, komt dat gebed vanuit een negatief klimaat. Iemands gebed draagt het stempel van zijn geest. Elia wordt ingekapseld in het klimaat van slaap en dood. Door zijn gebed haalt hij als het ware de doodsmachten naar zich toe. Zo zijn er vele zaken die alleen opgelost kunnen worden vanuit de geest. Het woord tot Elia luidt: “Sta op en eet”(vs.5).

En dan gaat hij door de kracht van die spijze veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb. Is dit een natuurlijke zaak? Of is hier meer aan de hand? Zien we hier niet hoe het lichaam zich moet onderwerpen aan de geest?

En wat gebeurt er op de berg Horeb? Daar ontvangt Elia openbaring. God komt tot hem en hij ervaart het wezen Gods in het suizen van een zachte koelte; een zachte stilte, staat er eigenlijk. Zo is de Here, zo is zijn wezen. En deze wezensopenbaring van God is voedsel voor zijn verkom­merde geest. We zien hier de wapens van de duisternis: overweldiging en isolement: ik ben alleen overgebleven. We zien hier ook het wapen van God: God openbaart zijn wezen aan je geest.

 

Wegen naar de voleinding

Onder de titel “Wegen naar de voleinding” zijn ook de laatste vijf artikelen van broeder Nico Goverts over het laatste Bijbelboek thans als brochure verschenen.

De serie “Verkenningen rond het boek Openbaring” is nu in drie brochures compleet verkrijgbaar. Zie bladzijde 36. (brochure is digitaal te verkrijgen via webmaster)

1981.11 nr. 220

1981.11 nr. 220

Twintig jaar “Levend Geloof” Van de redactie

Zondag 1 november was het precies twintig jaar geleden dat “Levend Geloof” werd opgericht. Twee maanden later, in januari 1962, verscheen het eerste nummer. Van meet af aan was de opzet een maandblad uit te geven dat op duidelijke wijze de boodschap van het volle evangelie door zou geven. Voor deze boodschap had de Heer mij in de vijftiger jaren de ogen geopend en het is deze boodschap die ook vandaag het gezicht van “Le­vend Geloof” bepaald. Door geestelijke groei van redacteur en redactieleden heeft uiteraard de inhoud van “Levend Geloof” een verdieping onder­gaan, zodat we nu, behalve over de fundamentele dingen van het geloofsleven, ook meer en meer schrijven over het einddoel van het geloof: de volkomenheid in Christus, maar de basis: “het volle evangelie” (de boodschap van het Konink­rijk Gods) blijft onveranderd gehandhaafd. Als we hiervan af zouden wijken, zou iedere bestaans­grond ons ontvallen en zouden we ongehoorzaam worden aan onze opdracht.

We willen daarom ook in de nieuwe periode die nu aanbreekt, gehoorzaam blijven aan deze geweldige opdracht: de verkondiging van het volle evangelie in al zijn facetten, in een voor iedereen begrij­pelijke taal. Juist in deze tijd betekent deze opdracht een enorme uitdaging voor ons om hiermee door te gaan, want helaas zien we ook binnen de Pinksterbeweging de laatste jaren een ‘verslap­ping’ optreden, waardoor sommige geestelijke leiders onder hen, gaan samenwerken met hen die tegen de volle boodschap zijn en er zoveel water in de wijn wordt gedaan dat de boodschap wordt uitgehold. Ook het vast blijven houden aan na­tuurlijke, aardsgerichte leringen en het weigeren gebondenheden af te leggen, zijn hindernissen die die satan welgevallig zijn om de verdere geeste­lijke groei af te remmen. Gelukkig zijn er ook velen die door Gods Geest de ogen geopend worden voor de geweldige realiteit van de boodschap van het Koninkrijk Gods en de ongekende groeimoge­lijkheden die het ingaan op deze boodschap mee­brengt.

We zijn dankbaar dat “Levend Geloof” mag meewer­ken de ogen van steeds meer lezers en lezeressen hiervoor te openen. Meermalen schreven wij dat “Levend Geloof” geen ‘doel’ maar ‘middel’ is – één van de vele – die de Heer gebruiken wil om Zijn doel te bereiken. Toch is het uiteraard be­langrijk dat ook ‘het middel’, in dit geval “Le­vend Geloof”, zo goed mogelijk kan functioneren. Daarom doen wij in deze ‘jubileummaand’ een be­roep op alle lezers en lezeressen van “Levend Geloof” ons te helpen dit te realiseren. Dit kunt u onder andere op de volgende wijze doen:

Door voor onze arbeid te bidden en te danken!

Door het opgeven van proefadressen waar wij “Levend Geloof” gedurende 3 a 4 maanden gra­tis naar toe kunnen zenden.

Door het opgeven van geschenkabonnementen.

Door abonnees te winnen.

Door de afname van losse nummers voor ver­spreiding. (10 exemplaren en meer a 75 ct per exemplaar).

Door de afname van brochures voor versprei­ding . (Ook hier geldt vanaf 10 exemplaren de kortingsprijs).

Door het overmaken van (een) gift(en). Het abonnementsgeld voor 1982 is weliswaar door de sterk gestegen kosten iets verhoogd en be­draagt nu ƒ 15,-, maar dekt maar een klein deel van de werkelijke kosten. Bovendien ontvangen velen het blad gratis, zoals hen die het moeilijk betalen kunnen, zendelingen, predikanten (om hen bekend te maken met het volle evangelie), enz.

Onze mede-redactieleden doen hun werk geheel be­langeloos. Zonder hun medewerking zou “Levend Geloof” niet die veelzijdige belichting van de volle evangelie boodschap kunnen geven als thans het geval is. Zelf zijn wij fulltime bij het werk betrokken doordat wij niet alleen het blad redigeren, maar ook opmaken, drukken, administra­tief verzorgen, enz. Een omvangrijke taak uiteraard, naar die wij met liefde en overgave doen. Het gaat immers om de kostbare boodschap van het volle evangelie van Jezus Christus, de enige boodschap die, in deze tijd van degeneratie en doemdenken, werkelijk waardevol is, omdat het de mensen volkomen vrijmaakt uit satans macht en hen het nieuwe leven van Christus leert kennen.

De periode tot 1 januari, als de 21ste jaargang van ons blad begint, willen wij als ‘actie- periode’ bestempelen. Neemt u de ‘zeven punten’ nog eens door… en mogen wij ook u van u in de komende weken een positieve reactie ontvangen? Bij voorbaat heel veel dank! Uw, in onze Heer en Heiland verbonden,

Getuige van Jezus zijn betekent niet dat we iemand anders onze mening opdring en, maar komt voort uit een hart vol liefde, omdat we zelf Gods liefde hebben ervaren. Paulus zegt dat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Alleen door vol te zijn van de Heilige Geest kunnen we werkelijk productieve getuigen van Jezus zijn, want dan openbaren we niet alleen Zijn kracht, maar ook Zijn liefde.

 

Op weg naar het einddoel door Jan W. Companjen

 

“En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt” Johannes 17 vers 20 en 21 (Joh. 17:20-21).

Johannes toont ons Gods heerlijkheid in Jezus

In het evangelie van Johan­nes vinden wij in volle heerlijkheid uitgedrukt wie Jezus was en is. De eerst­geborene van een nieuw ge­slacht Gods, het vleesgewor­den woord. Hij sprak en han­delde in overeenstemming met hetgeen de Vader van het begin bedoelde. De Vader was in Hem en Hij was in de Va­der, dat wil zeggen die Twee waren uit één Geest. Het Woord Gods is in Christus, een mens van vlees en bloed geworden en is onder ons ko­men wonen. Evenals de andere drie evangeliën beschrijft ook Johannes het leven, de dood en de opstanding van Jezus, maar Johannes ziet meer, hij ziet de Goddelijke heerlijkheid werkzaam in Je­zus, zoals die in het begin bij God was en zoals God de Vader die voor de mens (Je­zus is ook waarlijk mens geworden) bestemd heeft.

Veel meer dan in de andere evangeliën wijst Johannes op de achtergrond van de komst van Jezus. Hij vertelt niet alleen over de wonderwerken van Jezus, maar knoopt er ook een gesprek aan vast waaruit blijkt dat Jezus de grote hersteller is. Hij is het brood des levens. Hij is het licht van deze wereld en uit de opstanding van Laza­rus blijkt dat Hij de op­standing en het leven is.

Hij is Heer over alles, over de wind en over het water, maar ook over de sabbat; al­les is Hem onderworpen.

Deze Jezus is onze Heer, is onze Meester en ons leven. In ons tekstgedeelte wordt verteld dat Hij als eerste het Woord Gods bracht vanuit de innerlijke verbondenheid die er was tussen de Vader en Hem. Zij waren uit één geest. Jezus wist wat de Va­der van Hem wilde. Hij deed geen ding of Hij had het de Vader zien doen. Uit alles blijkt dat Hij handelde in overeenstemming met de wil van God. Het is dan ook geen wonder dat bij de verheer­lijking op de berg, onder andere in Lucas 9 vers 28 tot en met 32 (Luc. 09:28-32) een stem uit de hemel klonk die zei: “Deze is Mijn Zoon, de uitverkorene, hoort naar Hem”. Het is ook een gewel­dig feit, dat helaas pas nu in deze tijd verstaan wordt, dat dit evangelie ook ons evangelie is. Wij mogen thans, in deze tijd, ons aan de grote waarheid vasthouden en opgroeien in wijsheid en grootte en genade bij God en de mensen, zie ook Lucas 2 vers 52 (Luc. 02: 52) .

God wil ons leiden naar de waarheid en volkomenheid

Dan kan ook waar worden wat in ons tekstgedeelte staat dat Jezus niet alleen bad voor zijn discipelen van toen, maar ook voor hen die door zijn woord tot geloof in Hem gekomen zijn. Dan zal en kan de grote opdracht waar worden dat wij volkomen in Hem en de Vader zullen zijn. Dan worden wij niet langer heen en weer geslin­gerd door allerlei geesten van leer, maar dan worden wij door één Geest geleid tot de volle waarheid en tot de volkomenheid die er is in onze Leidsman Jezus Chris­tus. Dan zal het alles uit Hem genomen worden zoals Hij het uit de Vader nam.

Ik wil in dit verband en met hetgeen komen gaat u nog eens wijzen op de geschiede­nis van de dorre doodsbeen­deren (Ezechiël 37). Er zijn er misschien nog velen onder u die zeggen: “Het dal is nog vol dorre doodsbeende­ren. Ik zie nog zo weinig van de Geest”. Nu bij Eze­chiël was dat ook zo. Hij zag eerst de dorre doods­beenderen. Dan komt de op­dracht van de Heer: “verza­melen en herbouwen”. De dor­re doodsbeenderen worden weer lichamen, gemeenten, groepen van gelovigen en dergelijke. Daar gaat Gods Geest in werken en daaruit worden de zonen Gods gebo­ren omdat zij, door Gods Geest geleid, komen tot het volmaakte doel der mensen.

De tempelbeekgeschiedenis uit Ezechiël 47 spreekt dezelfde taal. De tempel Gods, en dat zijn wij, is de woonstede Gods. Ezechiël ziet dit visioen toen hij in Babel in ballingschap was. Hij was één van de velen van een volk zonder verwachting, zo­als ook nu velen zijn. Maar als alles donker is, ziet men de meeste sterren, ja dan komen als het ware de sterren te voorschijn.

Bent u ook zo’n ster, bent u ook al lichtgever in deze tijd? Of verwacht u het nog van een ander? De terugkeer van Jezus of het herstel van de joodse staat, bijvoor­beeld? Het wachten is op het openbaar worden van de zonen Gods en dat bent u, dat ben ik. Wij mogen samen een tempelbeek gaan vormen en die tempelbeek zal geven: leven, genezing, herstel, enz. Wij hebben dan de wet Gods in ons om zijn opdrachten uit te voeren. Israëls tempel­dienst in het oude testament was een heenwijzing daartoe. De schaduw wordt dan werke­lijkheid.

Dan worden wij niet meer meegenomen aan de hand van een ander, maar dan worden wij geleid door de wetten Gods in ons hart en in ons verstand. Dan komt het ware volk Gods te voorschijn dat eeuwenlang verborgen is ge­bleven. Israëls tempel werd gebouwd van natuurlijk ma­teriaal. Wij bouwen de tem- 8 pel Gods op in onze geest. Tezamen met Gods Geest komen wij tot*de bouw van Gods tempel. Dan gaat die tempel leven en dan gaat er iets gebeuren. Dorre doodsbeende­ren komen tot leven en uit de tempel gaat levend water vloeien. Een heilige tempel geeft een heilige stroom. In de tempel van Salomo werd drie keer per dag geofferd, maar in de tempel van de Geest zal een voortdurend dankoffer worden gebracht. Het lof zingende volk van God, dat woont en geboren is in de stad Gods, het hemelse Jeruzalem, dat onze moeder is.

De mens is geroepen om geestelijk te leven

Dat volk des Heren zal vol zijn van de kennis des Heren met het gevolg, dat de aarde ook vol zal worden van de kennis des Heren. Wij willen Hem gelijkvormig worden, nu dan moeten wij ook in alles Zijn weg gaan en dat is de weg des Geestes. Dat is luisteren naar zijn stem, oren om te horen en ogen om te zien.

Als je zo het evangelie van Johannes leest, dan zie je dat het gaat om het Geeste­lijke leven waartoe de mens geroepen is. Het gaat om het brood dat uit de hemel is neergedaald, Jezus Christus. Zijn woord is ware spijs en zijn bloed is ware drank.

Keren wij nu terug naar de tekst boven dit artikel. Dat gaat over het bidden van Je­zus en het één worden met Hem. Hij bidt voor ons tot de Vader dat wij de volkomen weg vinden zullen. En, broe­ders en zusters, geloof mij, dit gebed wordt verhoord. Het is de wil van de Vader dat het alles in de Zoon en in zijn Lichaam, de Gemeente volbracht wordt. Zijn Ge­meente is dat volk die de weg vindt om geestelijk in Hem op te gaan. Daar heeft één of andere aardse organisatie niets mee van doen. Hij zoekt een volk dat Hem aanbidt in Geest en waarheid. Met dat volk heeft Hij een verbond gesloten, dat is in zijn bloed. Niets dat wij er als mens van gemaakt hebben zal van waarde zijn. Het gaat om het al of niet aanne­men van de weg: Jezus Christus. Is Hij reeds uw Leids­man, bent u reeds met Hem op weg? Zo ja, dan zal Zijn toekomst uw toekomst zijn. Dan kan het niet meer mis gaan in uw leven. Eén van de eerste grote waarheden is namelijk dat wij, hetzij wij leven of hetzij wij sterven, van de Heer zijn. Vanuit die zekerheid gaan wij verder. Wij zullen moeten weten wie Hij is. Dat is een levens­proces en een voortgang naar een steeds meer kennen van

Hem, omdat wij steeds meer het Woord Gods verstaan en in ons opnemen. Het licht zal steeds helderder stralen en het groeiproces is reeds in volle gang.

De eindtijdgemeente zal het grote einddoel bereiken

En nu de praktijk. Velen vinden hetgeen zij in dit artikel lezen veel te opti­mistisch. Het is voor hen allemaal rozengeur en mane­schijn. Het evangelie is voor velen een aards gebeu­ren geworden waar niets meer van te verwachten is. Alleen de komst van Jezus, Zijn te­rugkomst, kan nog redding brengen. Er staat echter ge­schreven dat Hij ons met zijn Geest zal leiden naar de volle waarheid. Die Geest zal met ons zijn tot aan de voleinding. En wat onze toe­komst betreft staat er ge­schreven dat wij onze hoofden moeten oprichten en niet moeten laten hangen. Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, dat heeft Hij in het vooruit­zicht gesteld voor hen die Hem liefhebben. Mijn opti­misme is daar nog maar klein bij. Wij zullen weer hemels moeten leren denken, dan kunnen wij ook hemels hande­len en wandelen. Juist dat kleine denken, dat afwach­tende en dat onzekere, heeft er toe bijgedragen dat de kerk en de wereld denken dat wij een dode God hebben. De Jezus die voor ons stier/ is opgestaan en Hij is nu onze Heer en Leidsman opdat het werk wat Hij begonnen is te doen, zie Handelingen 1 vers 1 (Hand. 01:01) door ons volbracht zal worden. Daarom zegt het Schriftwoord: “Ontwaakt gij die slaapt en sta op uit de dood en Christus zal over u lichten”.

Hij zal ons voorgaan. Zijn toekomst is onze toekomst en wij mogen, ja moeten zelfs, in zijn spoor gaan. Dan pas, ja dan voldoen wij aan de roeping waarvoor Hij ons ge­schapen heeft. Ga er ook niet negatief tegen aan staan met de gedachte dat er nu, vandaag wat gebeuren moet. Als u wat vandaag wilt doen komt u bijna voor 100% uit op hulp op het horizon­tale vlak, zoals dat door evangelische kerken wordt gebracht. Ik wil u echter verzekeren dat wij als eind- gemeente tot meer geroepen zijn. Het gaat Hem om ons leven en om ons gehele zijn. Zoals de Vader Jezus leidde, zo wil Hij ons met zijn Geest leiden tot de volle waarheid en tot het grote einddoel. Levende christenen die weten en ervaren dat de Vader en Jezus in hen is. Vanuit hun innerlijk geleid, horende naar de stem van de Meester, zullen zij als zonen Gods functioneren.

Daar, voor dat doel, moeten wij komen open te staan, zo­als een bloem openstaat om het zonlicht op te vangen. Dan zullen wij, net als Ma­ria, de Zoon Gods, Jezus Christus, in ons ontvangen en openbaren. Die groei in ons vraagt tijd. Laat dat leven in u dan ook rijp wor­den, des te heerlijker zal het straks in het openbaar worden ter verheerlijking van Zijn Naam.

 

 

Opnieuw beginnen’ door Jan W. Companjen

Als iemand na een hartinfarct uit het ziekenhuis wordt ontslagen, krijgt hij of zij een boekje mee met allerlei raadgevingen. Dat boekje heet: “Opnieuw beginnen”. Het is een zeer toepasselijke titel want het is inderdaad zo dat je bij een hartinfarct er een zeer bijzondere ervaring hebt bijgekregen. Een hartinfarct is namelijk een beleving op de grens van leven en dood. Over die beleving wil ik nu graag mijn getuigenis geven, omdat mij dit namelijk persoonlijk overkomen is.

Ik ben werkzaam bij de Haagse politie en wel op een recher­che afdeling, waar de laatste tijd talrijke problemen op ons afkwamen, waar we dag en nacht mee bezig waren. Kortom een jachtig en druk leven met weinig tijd om tot rust te komen. Als je zo intens bezig bent, dat je de dingen niet meer los kunt laten, ga je zondigen tegen je lichaam, je vergt er veel te veel van, met het gevolg dat je vroeg of laat ‘afknapt’. Een stuk menselijke verantwoordelijkheid die we niet mogen vergeten als er eens wat lichamelijk met ons aan de hand is. Ik zelf wil hierbij graag erkennen dat ik in deze ook behoorlijk over de schreef ben gegaan. Maar prijs de Heer, Hij liet ook in deze dingen alles medewerken ten goede en redde uit alle nood. Alles kon als het ware weer eens opnieuw op een rijtje worden gezet en ook ik kon weer ‘opnieuw’ beginnen.

Begin juli j.l. werd ik voor een hartonderzoek opgenomen in het ziekenhuis. Na een onderzoek van drie dagen, waarin al­le functies van het hart en de kransslagaders onderzocht waren, kreeg ik in het ziekenhuis, op een moment dat nie­mand dat verwachtte, een infarct. Het was tegen de tijd van het avondbezoek en juist toen de aanval op z’n hevigst was kwamen mijn vrouw en mijn kinderen op bezoek. Doktoren en zusters waren druk met mij bezig, met het gevolg dat zij niet zagen dat mijn bezoek binnen kwam. Zij werden niet weggestuurd, maar mochten even bij mij komen. Het was voor mij een geweldige ervaring dat het zo geleid was door de Heer, dat zij toen juist op dat moment de handen op konden leggen en met mij konden bidden. Het gaf mij op dat moment de zekerheid dat alles goed zou komen en dat de strijd op leven en dood, die toen nog in volle hevigheid woedde, met s ‘ Heren kracht zou worden gewonnen. Wij hebben een mach­tige Heiland die ons overal doorheen helpt. Dat mocht ik ook ervaren in de daarop volgende nacht, toen de gehele nacht de strijd nog voortduurde tegen de doodsmachten, die zich niet zomaar gewonnen gaven. De volgende morgen om on­geveer zes uur was de strijd gestreden en vanaf dat moment is de genezing probleemloos geweest. Het is werkelijk een feest te merken hoeveel broeders en zusters in zulke mo­menten voor je op de bres staan en je met hun gebeden bij­staan. Ik heb dit ervaren als een zeer grote realiteit die machtig werkt en je de zekerheid, het geloof en het ver­trouwen geeft dat een volledige genezing je zal geworden. Een tekst als ‘houdt het voor louter vreugde indien je verzocht wordt ‘ krijgt inhoud omdat de verzoeking goud te­voorschijn heeft gebracht. Het geloofsleven met Jezus Christus, onze Heer, heeft mij geleerd dat Hij niet straft maar rijkdom geeft met een nieuw begin, waarbij weer alles opnieuw op een goede volgorde is gezet.

Maar niet alleen ik werd als het ware op engelenhanden ge­dragen. Ook mijn vrouw kreeg veel geestelijke steun tot opbouw van haar geloof. Zij kreeg heerlijke bemoedigingen in Woord en daad, waarin het spreken en handelen van de Heer duidelijk werd onderkend. Inderdaad moet een christen nooit ophouden te geloven in het wonder. Gelooft men niet meer in het wonder van verlossing en genezing, dan gelooft men ook niet meer dat God, God is. Deze woorden en vele andere belevenissen hebben ons samen, mijn vrouw, ikzelf en onze kinderen, laten ervaren dat wij een machtige en trouwe Heiland dienen. Hij is met Zijn Volk op weg naar een groot doel, waaraan wij ook mogen meewerken. Geprezen zij Zijn Naam.

 

De geest van verblinding door Nico Goverts

 

Bij de profeet Jesaja vinden we een merkwaardige uit­spraak in verband met mensen die zich met afgoden verbin­den: “Zij hebben geen kennis en geen inzicht, want hun ogen zijn dichtgestreken, zodat zij niet zien; hun harten, zodat zij niet be­grijpen” Jesaja 44 vers 18 (Jes. 44:18).

Hun ogen zijn dichtgestreken. Ze onderkennen niet, ze onderscheiden niet, want dicht gekleefd zijn hun ogen, zegt een andere vertaling. Niet is kennis daar, niet onderscheiding.

De strijd tegen de machten der verblinding

De grootste strijd die de gemeente te voeren heeft, is de kamp tegen de machten der verblinding. Het is een le­vensnoodzaak dat we deze tactiek van de tegenstander leren onderkennen.

Wanneer Jezus met zijn dis­cipelen het meer opgaat, dan spreekt Hij tot hen: “Laten we oversteken naar de over­kant” . Dat was een woord van geloof. Jezus wist als mens Gods wat Hij deed. Hij zei dit niet op goed geluk, op hoop van zegen. Het was voor Hem geen experiment. Zo in de trant van: laten we het eens proberen, misschien ko­men we aan de overzijde aan, en anders pech gehad. Neen, het was voor Hem een zeker­heid, een profetisch woord. Zo sprak Jezus in diepste zin al over de gemeente van de toekomst. Er zal een volk zijn dat de overkant be­reikt. Jezus heeft in het voorafgaande gedeelte van Markus 4 immers juist ge­sproken over de groei van het koninkrijk Gods. Het zal een boom worden. Dat was de boodschap.

En dan steekt de storm op.

Typisch beeld van de eind­tijd. De gemeente in de storm. Dit is niet zomaar een losstaand verhaal; dit heeft direct te maken met het thema dat Jezus zojuist behandeld heeft: de voort­gang van het rijk Gods. De weg naar het Godsrijk is al­tijd een weg door de storm. Wie graag wil dat het konink­rijk groeit, krijgt te maken met tegenkrachten. Hoe meer koninkrijk, des te meer storm.

De opzet is duidelijk: Jezus bevindt zich hier met alle apostelen in één boot; dit is een unieke kans voor de boze om heel het wordende Godsvolk in één klap de grond in te boren. Deze storm 14 is zonder meer een frontale aanval op het plan Gods. De poorten van het dodenrijk zouden hier in één nacht de totale gemeente kunnen over­weldigen.

Maar wat in dit verband het meest opvalt, is de reactie van de discipelen. Paniek. En niet slechts bij enkelen, maar bij alle twaalf. Voor hen staat de afloop al vast: wij vergaan. Dit is het ein­de.

Wat is hier aan de hand? Toeval? Hier zit duidelijk meer achter. Dit is pure verblinding. Twaalf flinke mannen zien het niet meer. Ervaren vissers staan als lamgeslagen. Wat gebeurt hier? Zij worden overweldigd in de geest. Zij zien niet meer God, zij zien niet meer Jezus, zij zien niet meer het woord waar de reis mee begon: over naar de overkant! Zij zien slechts de storm.

De tactiek van de vorst der duisternis

Let erop wat zich hier vol­trekt. Dit is het beeld van de eindtijd. De boze gaat rond om te verblinden.

Vaak wordt de tekst geci­teerd: “De duivel gaat rond als een brullende leeuw”. Maar wat betekent dat? Wan­neer brult de leeuw? Als hij op het punt staat zijn prooi te bespringen. En waarom brult hij dan? Om door dat angstwekkend stemgeluid zijn slachtoffer te doen verstij­ven. Als verlamd, stokstijf blijft het arme dier staan, het krimpt ineen, aan de grond genageld, niet in staat nog een vin te verroe­ren.

Dat is de tactiek van de vorst der duisternis. De enige die niet verblind werd, was de ware mens Gods. Jezus gaat daar staan op dat schip en onderkent de situatie. Hij ziet het voor zich: twaalf benauwde mannen, het noodweer, de golven. Maar Hij ziet niet alleen. Hij doorziet. Hij proeft de ver­blinding die over deze leer­lingen is heengeslagen. Hij onderkent hoe hun geest be­zweken is voor het geweld van de boze. Hoe hun ogen dichtgestreken zijn.

Spreuken 3 vers 25 (Spr. 03:25) zegt: “Vrees niet voor plotselinge schrik”. Jezus staat daar en wat doet Hij? Hij ziet ook wat en wie er achter die storm zit. Dit is niet maar een samenloop van omstandig­heden. Dit is storm met voorbedachte rade. Dit is noodweer in de dubbele bete­kenis van het woord. Niet alleen maar noodweer in de zin van regen en wind, maar ook noodweer in de zin van de boze die zich in het nauw gebracht voelt en nu zich gaat verweren. De duisternis stelt zich te weer tegen het oprukkende Godsrijk. De machten slaan van zich af. Zij proberen het Godsvolk met blindheid te slaan. Geen visie meer. En geen visie betekent: geen toekomst meer. De toekomst slaat dicht. Het is duidelijk een worsteling in de geest. De gemeente moet het dodenrijk in.

We zien het verband: ver­blinding leidt tot het do­denrijk. Daarom moeten we in de gaten hebben waar het be­gint. Waar zit de wortel? Als de boze ons niet tot zonde kan brengen, neemt hij een meer trefzekere tactiek ter hand: Hij tracht ons te slaan met blindheid.

Als de mens Gods zijn machtswoord spreekt …

Jezus staat daar en spreekt. Hij spreekt een machtwoord. Dit woord heft Hij op tegen de storm in. Zoals van God geschreven staat: “Hij ge­bood en het stond er” Psalm 33 vers 9 (Ps. 033:009) . En dezelfde psalm ver­meldt: “Hij verzamelt het water der zee als een dam”, Psalm 33 vers 7 (Ps. 033:007). Een andere verta­ling zegt: “De wateren der zee stapelt Hij stuwdamach­tig op”. Zoals God, zo ook de Zoon des mensen. Jezus heeft het van de Vader ge­leerd. Hij is de volleerde Leerling Gods. Zijn woord is als een dam, een stuwdam die het water stuit. Dit macht­woord heerst. Het machtwoord van de mens Gods stelt paal en perk. Zoals de Geest in aloude tijden streed tegen de krachten van de chaos, zo neemt de mens nu deze strijd over. Jezus is immers door de Geest geleerd.

Psalm 33 vervolgt: “De Here verbreekt de raad der vol­ken”. Ook hier, op het meer, gebeurt het: de Zoon des men­sen verbreekt de raad der te­genkrachten. Maar dan ook: de raad des Heren houdt eeuwig stand. Ook dat beeldt Jezus hier uit. Immers, zijn raad was: oversteken naar de over­kant. Deze raad houdt stand tegenover alle onraad. De bo­ze moet erkennen: de ware mens Gods laat zich niet verblinden.

Want zegt Psalm 33: “des He­ren woord is waarachtig”. Letterlijk staat er: “des Heren woord is rechtuit”. Recht door zee, zouden we haast in dit verband kunnen zeggen. Geen zee, geen water­geweld, geen storm kan het woord van de Koning stuiten. Jezus gaat met zijn macht­woord dwars door de storm heen; Hij breekt erdoor.

Een les voor de discipelen; een les voor ons. Later zijn de apostelen opnieuw op het meer. Over het water komt de Meester de zijnen achterop. En de reactie? Toen de dis­cipelen Hem over de zee za­gen gaan, waren zij verbijs­terd. Wat is dat? Toch niets anders dan pure verblinding. Hun geest slaat dicht. Al­leen maar spoken zien, wie kan daar belang bij hebben? Wie anders dan de leugenaar van den beginne. Ze zien al­leen golven, tegenwind, te­genkrachten, en een spookach­tige verschijning. Schrik­beeld in de nacht. Ze schreeuwen het uit. Dit is het einde van de wereld. De verschrikking van de nacht.

Merkwaardig dat Psalm 91 juist hierover een belofte geeft: “Gij hebt niet te vre­zen voor de verschrikking van de nacht” Psalm 91 vers 5 (Ps. 091:005). “Voor de pest die in het duister rondwaart” Psalm 91 vers 6 (Ps. 091:006).

Het Hooglied spreekt over de helden uit Israël, allen het zwaard houdend, geoefend ten strijde, elk met het zwaard aan zijn heup vanwege de ver­schrikking van de nacht. Hooglied 3 vers 7 en 8 (Hoogl. 03:07-08). Jezus was zo’n held uit Israël, uit het Israël Gods. Hij had het zwaard des Geestes aan zijn heup, vanwege de schrik in de nachten. Daarom werd zijn heup niet ontwricht. Daarom stond Hij, en bleef Hij staande, tot het einde toe.

De verschrikking van de nacht: dat is de verduiste­ring van je geest. Je weet het niet meer, je kunt het niet meer pakken. Je gedach­ten een draaikolk: waar is God? Waar ben ik? Waar ga ik heen? Wat moet ik doen? Hoe kom ik hier uit?

Bezorgdheid is verblinding

Het is niet toevallig dat Jezus in zijn onderricht zo gewaarschuwd heeft tegen be­zorgdheid. “En Hij zeide tot zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd” Lucas 12 vers 22 (Luc. 12:22). ‘Daarom’: dat haakt in op het verhaal van de rijke dwaas. Waarom is bezorgdheid zo’n ernstige zaak? Omdat daardoor de mens ten onder wordt gebracht. De geest van de mens wordt krom gesloten. Bezorgdheid legt zich als een macht over de mens. Het is als een ver­stikkende deken die drukt op je geest.

Het wezen van bezorgdheid is ten diepste: verblinding. Men ziet niet meer wie God is. Andere góden vullen het beeld. Na de storm sprak de Meester tot zijn leerlingen: “Waarom zijt gij zo be­vreesd? Hoe hebt gij geen geloof?” Problemen werken als oogkleppen; ze zetten je blik vast. Ze fixeren het oog. “Dan trekt men rond, ge­drukt en hongerig, en wan­neer men hongert, zal men in woede uitbarsten, en zijn koning en zijn God vervloe­ken; en men zal de blik om­hoog richten en men zal naar de aarde schouwen, en zie, benauwdheid en duisternis, beangstigende donkerheid, en in duisternis is men versto­ten” Jesaja 8 vers 21 en 22 (Jes. 08:21-22).

En wat is het antwoord? “Tot de wet en tot de getuige­nis!” roept Jesaja (vers 20). Tot de onderwijzing, bete­kent het eigenlijk. De on­derwijzing Gods doorbreekt de spiraal. God geeft getui­genis, en wel van de waar­heid. Gods getuigenis breekt het web van de boze.

Het volk Israël staat vlak voor Kanaän. Op de drempel van een nieuwe tijd. Het heil is nabij. En wat lezen we dan? “Toen verhief de ge­hele vergadering haar stem en het volk weende in die nacht” Numeri 14 vers 1 (Num. 14:01). Wat gebeurt daar? Een hele natie in tranen. In het zicht van de haven gestrand. Waarom? Wat anders dan de geest van verblinding. Wat zien ze? Reuzen, niets dan reuzen. God is volledig buiten het beeld. Ze weenden in die nacht: een donkere nacht, donkerder dan het ooit was in Egypte, was die nacht op de grens van het land der belofte. En waarom? Men zag geen belofte meer, heel het volk was overweldigd door de verschrikking van de nacht. De bezorgdheid om de toe­komst. Er was geen toekomst meer. Morgen komt niet, al­leen nacht.

Merk op hoe een heel volk verblind kan worden. Hier is het zonneklaar welk wapen de boze hanteert in de strijd om de erfenis: het is het wapen van verblinding.

Opeens zag je het niet meer. Opeens was daar die sluipen­de gedachte: het wordt toch niets. Het heeft allemaal toch geen zin. Waar doe ik nog mijn best voor? Ik word toch niet meer beter.

Verblinding veroorzaakt beschuldiging

Wie verblind wordt gaat an­deren beschuldigen. De dis­cipelen zeiden: “Meester, trekt Gij er u niets van aan?” De Israëlieten morden tegen Mozes en Aaron. De an­der krijgt de schuld. Het ligt aan de omstandigheden, het ligt aan de broeders en zusters, dat ik niet vooruit kom. Ik wil wel maar alles en iedereen zit mij dwars. Men gaat leven in een sfeer van verdachtmaking. Argwaan, achterdocht vieren hoogtij. Zelfs Jezus wordt aange­klaagd: U trekt zich er ook niet veel van aan. De Mees­ter heeft blijkbaar ook al geen medelijden. En zo woe­kert de verblinding voort.

Kaleb werd niet verblind. Waarom niet? Hij had een an­dere geest. Dat was zijn ge­heim. De laatste gemeente zal een volk zijn met een andere geest. We zien: de strijd om Kanaan was en is een strijd om de geest. De Enakieten hoefden helemaal niet te gaan vechten tegen de Israëlieten. Zwaard en speer kwamen er niet aan te pas. De strijd werd geleverd in de geest van het volk. In de geest werden ze gevloerd.

Kaleb had een geest met in­houd. Zo wordt de strijd om Kanaän gevoerd. Zalig is hij die het woord hanteert. Hij klieft vuurvlammen. Zo gaat het Godsvolk door de ver­schrikking van de nacht. Zij doen wat Jezus deed, zij zijn als Hij. Zij staan in de storm en spreken het woord. En als zij volhard’ hebben het woord te spreken, dan is de nacht voorbij. Dan is de storm ten einde. Dan rest er niets meer dan te zingen,- Heer, dan is uw pleit beslecht.

 

Zijn christenen superieur? Door Gert Jan Doornink

Voor vrijwel alle mensen is het een vanzelfsprekende zaak dat iets superieur moet zijn. Wij denken aan de producten en artikelen die wij kopen. Niemand wil iets van inferieure kwali­teit. Als wij iets kopen, waarvan de kwaliteit infe­rieur is, voelen wij ons bedrogen en vragen vervan­ging of schadevergoeding.

Op elk terrein van de sa­menleving speelt superio­riteit een belangrijke rol. Om in deze wereld vooruit te komen, moet men superi­eur zijn. Wil men iets be­reiken, wil men een goed betaalde baan hebben, wil men zo mogelijk de top van de ladder bereiken, dan zal men moeten streven superi­eur te zijn. Opleiding, hard werken en doorzet­tingsvermogen zij daarbij elementen die noodzakelijk zijn. De meeste mensen zul­len daaraan het woordje ‘geluk’ nog toevoegen. Naar dat is iets wat men niet in de hand heeft, wordt dan vaak opgemerkt, waarbij dan onbewust het negatieve ge­loof in het (nood)lot een rol speelt.

“Carpe Diem”

Daarbij komt nog – als men tenminste de dingen eerlijk onder ogen wil zien – dat de meeste mensen zich heel goed bewust zijn dat alles, wat men in deze wereld be­reiken kan, maar tijdelijk is. De gedachte dat bij de dood alles uit, doet velen leven onder het motto: “Carpe Diem” (“Pluk de dag”), met andere woorden: haal uit het leven wat er uit te halen is.

Iedereen die zo leeft en het leven zo beschouwt, heeft nog niet het échte leven leren kennen. De Bij­bel zegt immers: “De wereld gaat voorbij en haar bege­ren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” 1 Johannes 2 vers 17

(1 Joh. 02:17).

De wil van God doen, daar, gaat het om, wil men werkelijk superieur zijn, wil men “Goddelijke superiori­teit” bezitten. En die is van totaal andere ‘kwali­teit’ dan wat de wereld onder superioriteit ver­staat .

Als Paulus voor de Areopagus in Athene staat spreekt hij over het feit dat ieder mens van Goddelijk geslacht is: “Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij” Handelingen 17 vers 18 (Hand. 17:28). En Gene­sis 1 vertelt ons dat wij geschapen zijn naar Gods beeld, dat wil zeggen goed en volmaakt.

Satan heeft helaas dit ge­schapen zijn naar het beeld van God en dus behorend tot Zijn familie, aangetast en beschadigd, met het gevolg dat de mens niet meer de wil van God doet, maar on­der de invloed van de vorst der duisternis is terecht­gekomen met alle negatieve gevolgen van dien. Hij be­werkt een verkeerd gerichte superioriteit bij de mensen wat zich uit in hardheid en liefdeloosheid.

Toch behoeft dit niet zo te blijven. Want de mens­wording van de Zoon van God, geeft ieder mens de mogelijkheid weer werkelijk ‘mens’, te worden, waardoor men gaat inzien dat men, naar zijn oorsprong, niet bij satan maar bij God thuis hoort. God heeft de mens geformeerd God heeft hem superieur gesteld in Zijn schepping!

Gemeenschap met God

Doordat satan ‘in de mens’ woning zocht om zijn vernie­tigend werk te doen, kwam hij in feite in Gods Konink­rijk infiltreren. God ontnam hem dat recht en daarom zond Hij Zijn Zoon in deze we­reld. 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08) zegt: “Hier­toe is de Zoon van God ge­openbaard, opdat Hij de wer­ken des duivels verbreken zou”.

Wie eenmaal dit in zijn le­ven heeft ontdekt en aan­vaard, dat wil zeggen: wie Jezus Christus heeft aan­vaard als Verlosser en Be­vrijder, leert verstaan wat werkelijke gemeenschap met God betekent en kan met Johannes zeggen: “Onze gemeen­schap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus”

1 Johannes 1 vers 3 (1 Joh. 01:03).

Dat is de boodschap van de Gemeente van Jezus Christus ook in deze tijd! Een bood­schap die ver uitgaat boven alles wat maar denkbaar is of wat een verwaterd naam- christendom ons wil doen ge­loven. De boodschap ook die het werkelijke Christendom het superieure geloof doet zijn en een geloofsbeleving naar de wil van God moge­lijk maakt! De boodschap die de opvatting van de mo­derne theologen als zouden alle godsdiensten van ge­lijke waarde zijn, ontmas­kerd als een leugen uit het rijk der duisternis. Satan zal er alles aan doen het christelijk geloof van zijn superieure basis af te halen. Het is daarom van het allergrootste belang dat de werkelijke christe­nen er alles aan doen om de gemeenschap met God zo in­nig en hecht mogelijk te maken, door vol te zijn van Gods woord en de Heilige Geest.

Helaas zijn er vele chris­tenen die zich niet uitstrekken naar deze volkomen gemeenschap. Het gevolg is dat zij worden gemanipuleerd door satan en zich daardoor verzetten tegen de werkelij­ke openbaring van Gods Ko­ninkrijk.

Een christen die echter leeft in voortdurende ge­meenschap met God is zich meer en meer bewust van zijn superieure positie: In Christus is hem de volheid Gods geschonken. In Christus is hij superieur ten opzich­te van de machten duister­nis. In Christus gaat hij ten volle ontdekken en beleven te – behoren tot het ge­slacht van de levende God! Want de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid!

 

De wereld is bezig aan zijn laatste 20 jaar door Sicco Manshott

Als we de oud-minister van Landbouw en oud E.E.G. commis­saris dr. Sicco Manshott moeten geloven is de wereld bezig aan zijn laatste twintig jaar. In een interview, met een verslaggever van de “Zwolse krant”, toonde hij zich uiterst pessimistisch over de toekomst. Crises, rampen en wellicht één grote catastrofe zullen ons teisteren… “Ik ben geen doemdenker, maar realist”, zei Manshott. Maar dan is dit geen realisme uit God, zouden wig daaraan toe wil­len voegen. Want de Bijbel zegt dat de werkelijkheid (re­aliteit) van Christus is.’ Kolossenzen 2 vers 17 (Kol. 02:17). Wie Christus kent en volgt heeft geen angst voor de toekomst. Hij gaat niet on­der in at het negatieve wat er in de wereld gebeurt en nog gebeuren gaat, omdat hij zijn plaats met Christus heeft ingenomen in de hemelse gewesten, waardoor hij geestelijk onaantastbaar is.

 

Een aangezicht zonder bedekking door H. J. Scholten

 

“En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen be­dekking meer is, de heer­lijkheid des Heren weer­spiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heer­lijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is” 2 Korinthe 3 vers 18 (2 Kor. 03:18).

Van het natuurlijke naar het geestelijke

In bovenstaand Bijbelgedeelte spreekt de apostel Paulus over een aangezicht zonder bedekking. Wat is er dan verdwenen en waaruit bestond deze bedekking? Het is een bedekking die de heerlijk­heid des Heren tegenhoudt. In dit hoofdstuk van de tweede Corinthiërsbrief toont de apostel de tegen­stelling aan van het oude en het nieuwe verbond. Het eerste heeft met het natuur­lijke en het tweede met het 22 geestelijke te maken. Met het nieuwe verbond is er zo iets heerlijks gekomen en wie werkelijk leeft in dit nieuwe verbond en de ontzag­lijke rijkdom ervan ervaart, diens aangezicht gaat stra­len. Het Goddelijk zonlicht breekt door en vindt zijn weerkaatsing op het gelaat van de nieuwtestamentische gelovige. Het heeft alles te maken met het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. 2 Korinthe 4 vers 4 (2 Kor. 04:04).

De heerlijkheid van God straalt in volle kracht op het aangezicht van Christus en het grote wonder van de liefde van God doet deze heerlijkheidsglans weer stralen op het aangezicht van de kinderen Gods. Elke bedekking is bij hen ver­dwenen omdat ze leven met de Geest des Heren en ze ervaren de vrijheid van de heer­lijkheid van de kinderen Gods.

In 2 Korinthiërs 3 gaat het over de bediening van de Geest. Het oude verbond noemt Paulus de bediening des doods. Hiervan moet een volkomen bevrijding zijn al­vorens men de heerlijkheid des Heren kan weerspiegelen. Dit gebeurt door een radicale bekering tot Jezus Chris­tus die uitloopt op een geestelijke wedergeboorte. Waar ‘Mozes’ nog wordt voor­gelezen ligt een bedekking (deksel) op de harten en dit houdt de heerlijkheid des Heren tegen. Men verkeert nog in de bediening die ver­oordeling brengt, waardoor men met een verkeerd Gods­beeld blijft zitten en men tegen God opziet als een God van toorn en wraak. Angst voor deze God sluimert op de bodem van het hart. Wie ‘naar de letter’ nog bezig is met het oude testament is niet vrij van bedekking en kan zich niet geestelijk ontplooien in het Koninkrijk van God. Zulke mensen leven met een geestelijke kort­zichtigheid en ontwaren te weinig het schijnsel van het evangelie der heerlijkheid.

Door waarachtige bekering en wedergeboorte komt men het Koninkrijk Gods binnen en men ervaart de vrede van God die alle verstand te boven gaat. Het is een Koninkrijk met een hemelse lichtglans en dan eerst verstaat men de geestelijke diepte van Psalm 43 vers 4 berijmd:

“Dan ga ik op tot Gods altaren,

tot God, mijn God, de bron van vreugd”.

Gods altaren vormen een stichting die ligt op heilige bergen. Psalm 36 vers 10 (Ps. 036:010) luidt: “Want bij U is de bron des levens; in Uw licht zien wij het licht”.

De heerlijkheid des Heren weerspiegelt zich in ons

Als we goed nadenken over een aangezicht zonder bedek­king komen we onder de in­druk van Gods liefde macht. Een aangezicht zonder bedek­king is een volkomen open aangezicht met heldere, stralende ogen. Christus heeft een gestalte in ons gekregen en Zijn ogen worden onze ogen. De Spreukendich­ter zegt: “Vriendelijk stra­lende ogen verheugen het hart”.

In Matteüs 6 vers 22 en 23 (Matt. 06:22-23) zegt Je­zus: “De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn”. Paulus spreekt over de heer­lijkheid van Christus en dit evangelie predikt hij. Het is zijn lust en zijn leven. Het evangelie van het Koninkrijk bestaat uit meer­dere facetten en het heer­lijkste facet is wel: de heerlijkheid van Christus die het beeld Gods is.

De betekenis van het woord ‘heerlijkheid’

Wat betekent eigenlijk het woord ‘heerlijkheid’? In het Hebreeuws luidt dit woord ‘kabod’. Men vertaalt dit woord wel eens met de volgende betekenis: Heer­lijkheid is datgene wat iemand zwaar of gewichtig maakt; het is het imponeren­de aan iemand.

In Genesis 31 vers 1 (Gen. 31:01) wordt gesproken over de rijkdom van de aartsvader Jacob. Hij had vele bezittingen en de Bijbel noemt dit zijn ‘ka­bod’ . Het bezit aan goederen maakte iemand in het oude Oosten tot een man van aan­zien.

Heerlijkheid: zwaar, gewich­tig en imponerend. Dergelijke woorden kunnen bij ons een negatief gevoel doen ontstaan. Zwakheid, nederig­heid en ootmoedigheid spre­ken ons, bijbels gezien, meer aan. Maar we dienen de eerst genoemde woorden posi­tief te benaderen. Als kin­deren Gods met een aange­zicht zonder bedekking zijn wij “zwaar” van de liefde van God, want die is rijke­lijk in onze harten uitge­stort. Deze liefde is van een gróót Goddelijk ‘gewicht’ en maakt: ons in de geestelij­ke wereld ‘imponerend’. In het gewone, dagelijkse leven zijn we doodgewone mensen, maar naar onze ‘innerlijke mens’ zijn we met Christus levend gemaakt en met Hem ge­plaatst in de hemel (hemelse gewesten) Efeze 2 vers 5 en 6 (Ef. 02:05-06).

Zoiets kunnen de ogen van niet-wedergeboren mensen niet opmerken. Men moet ‘verlichte ogen des harten’ hebben. We­dergeboren mensen herkennen elkaar. Waaraan? Aan de Geest Gods die zij ontvangen heb­ben. Urenlang kunnen zij met elkaar spreken over de dingen van het Koninkrijk Gods. Ze zijn ‘imponerend’ in de gees­telijke wereld, ‘zwaar en ge­wichtig’. Omdat het rijke mensen zijn met ‘kabod’. Dat is begrijpelijk, want in Openbaring 5 vers 10 (Openb. 05:10) staat: “Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde”.

In principe is dit heersen al begonnen, alhoewel wij een goed begrip dienen te hebben van dit ‘heersen’. Enerzijds is het een heersen in dienende liefde, ander­zijds een heersen over de machten der duisternis.

Paulus zegt dat hij een die­naar is van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, door barmhartig­heid van God hem toever­trouwd. Hij ervaart het als een geweldige schat. Paulus is ootmoedig. Hij zegt: “Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons” 2 Korinthe 4 vers 7 (2 Kor. 04:07) .

Ons aarden vat is ons ver­gankelijk lichaam, onze uiterlijke mens. Maar tegelijkertijd is er iets heerlijks aan de gang, daar onze in­nerlijke mens van dag tot dag vernieuwd wordt. Daarom veranderen wij dan ook naar het beeld van Christus van heerlijkheid tot heerlijk­heid, dat wil zeggen: we worden steeds ‘zwaarder, ge­wichtiger en imponerender’. Halleluja! Het is een gees­telijk vernieuwingsproces dat op gang gekomen is na onze wedergeboorte en door de vernieuwing van ons den­ken Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Het is een diepe, geestelijke zaak: de heerlijkheid des Heren weer­spiegelen. Zoiets moet toch wel openbaar worden, dat kan niet anders. Het kan geen verborgen zaak blijven. Prijst God dat het al zicht­baar mag worden in dit aard­se leven. Trieste, sombere gezichten horen niet thuis in het Koninkrijk van God. We zingen toch niet tever­geefs: “Jezus, de naam die alle angst verdrijft, – geen zorg in ’t hart meer blijft. Op die muziek zingt alles mee, – ’t is leven, licht en vree”?

De kinderen der heerlijkheid volgen de Ruiter op het wit­te paard. Zijn naam is ge­noemd: het Woord Gods. En wat zegt dit Woord? “Gaat met lofgezang Mijn voorhoven bin­nen. Zingt Mij een nieuw lied”. En dat doen deze kin­deren der heerlijkheid heel graag vanwege hun ‘kabod’. ‘Zwaar’ van Gods liefde ju­belen zij: “Amen, de lof en de heerlijkheid, en de wijs­heid en de dankzegging, en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden! Amen”. Openbaring 7 vers 12 (Openb. 07:12).

De weg naar de volle waarheid

Paulus zegt dat het zo nodig is dat Christus een gestalte in ons krijgt, Galaten  4 vers 19 (Gal. 04:19). Hij predikt geen christelijk systeem met als advies: pas het zo maar toe en dan werkt het. Dat is te goedkoop. Er zijn christenen, die zich voeden met een ‘leer’ waar­van je het idee krijgt dat het voor hun een soort systeem is.

Zoiets noemt Paulus nu een ander evangelie. Zoiets trekt je van een Persoon af, namelijk de Christus. Paulus predikt naar een Persoon tóe! Hij verkondigt de heer­lijkheid van dit geheimenis Christus onder u, de hoop der heerlijkheid Kolossenzen 1 vers 27 (Kol. 01:27).

Het gaat om diepe, geeste­lijke dingen en die worden vaak door menig christen nog afgewezen onder het motto: je moet ook nuchter wezen. Achter deze uitspraak zit dikwijls de angst om zich geheel en al over te geven aan de liefde Gods. Soms is men ook overdreven bezorgd voor ongezonde emoties en verkeerde exaltaties waar­door men zich toch in gees­telijk opzicht tekort doet. Ook de apostel Paulus spreekt over nuchterheid. Maar bij hem moet deze nuch­terheid juist leiden tot ge­bed. Hij zegt in 1 Petrus 4 vers 7 en 8 (1Petr. 04:07-08: “Het einde aller din­gen is nabij gekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bid­den” . Om echt te kunnen bidden moet men toch “in geest en waarheid’ zijn. Zo’n bid­den zal overgaan in aanbid­ding en lofprijzing. Maar dan eerst wel nuchter wor­den, dat wil zeggen: kom uit deze wereldse roes.

Men denkt wel eens dat de prediking van Jezus over het Koninkrijk der hemelen het éne, ware evangelie is. Maar toch was het slechts een facet van het ‘volle evange­lie’. Dit klinkt misschien 26 wat tegenstrijdig maar Jezus zelf bevestigt dit. Hij geeft te kennen dat er nog veel meer is. In Johannes 16 zegt Hij onder andere: “Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid”..

Tijdens Zijn verblijf in het vlees sprak Jezus veelal van het aardse opdat men het he­melse zou verstaan. Tot Nicodémus zegt Hij: “Indien Ik ulieden van het aardse ge­sproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij gelo­ven, wanneer Ik u van het hemelse spreek”? Johannes 3 vers 12 (Joh. 03:12). Van het hemelse spreken wil zeggen: ronduit spreken over het puur geestelijke. Nu, dat gebeurt na Pinksteren. De apostelen mogen nu ver­kondigen waar. Jezus nog niet over kón spreken. Hij was nog niet verheerlijkt en de Geest was er nog niet Johannes 7 vers 39 (Joh. 07:39) .

Wij bezitten de geschriften van de vier evangelisten over het leven van Jezus op aarde en over veel wat Hij gezegd en gedaan heeft. Je­zus predikte het Koninkrijk der hemelen. Maar er is nog veel meer en dat zien nog velen over het hoofd. De prediking van het Koninkrijk der hemelen heeft een nog veel diepere inhoud en dat mogen nu de apostelen ver­kondigen. We krijgen wel eens de indruk dat het gehe­le evangelie alleen maar zou bestaan uit de ‘strijd in de hemelse gewesten’. Dan is het alleen maar: hoe houd ik de duivel van mijn lijf en hoe kan ik doorlopend over­winnaar zijn over de machten der duisternis?

Juist op dit terrein van het geloofsleven zijn vele kin­deren Gods vaak meer verlie­zers in plaats van overwin­naars. Men is te eenzijdig onderwezen. Men heeft te weinig inzicht in het evan­gelie van de heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. We kunnen niet met een ‘leer’ overwinnen.

Velen hanteren een systeem en de christelijke levens­praktijk wijst uit dat er heel wat kinderen Gods zijn met een verwrongen en over­spannen geestelijk leven. Ook zij ontwaren niet vol­doende het schijnsel van het evangelie der heerlijkheid.

Waarom het eerst ‘Pinksteren’ moest worden

Het klinkt vreemd maar in feite predikte Jezus de eerste beginselen van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hij schoot niet tekort in kennis, maar de tijd was nog niet rijp voor het diepere geestelijke, dus om rechtstreeks te spreken van het hemelse. Het moest eerst ‘Pinksteren’ worden en de Trooster moest komen. De­ze Trooster, de Heilige Geest, neemt de taak van Je­zus op aarde over en gaat als de Leraar ter gerechtigheid ons leiden in de volle waar­heid.

Nu krijgen we te maken met wat Johannes zegt: “…het­geen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens – het leven toch is geopenbaard en wij hebben gezien en getuigen en verkondigen u het eeuwige leven, dat bij de Vader was en aan ons geopenbaard is – hetgeen wij gezien en gehoord hebben verkondigen wij ook u, opdat ook gij met ons ge­meenschap zoudt hebben. En ón­ze gemeenschap is met de Va­der en met Zijn Zoon Jezus Christus. En deze dingen schrijven wij, opdat onze blijdschap volkomen zij” 1 Johannes 1 vers 1 tot en met 4 (1 Joh. 01:01-04).

Hieruit proeven wij het meerdere, het diepere. Want dit is alleen maar te beleven tijdens gemeenschap. Jezus kon nog niet alles openbaren. Er was nog een beperktheid. Maar wij hebben Pinksteren achter de rug en kunnen nu gedoopt worden met de Heilige Geest. Elke beperktheid is opgeheven en de geest vervulde kinderen Gods kunnen zich nu blij en vrij ontwikkelen in het Koninkrijk Gods.

De doop in de Heilige Geest doet ons jagen naar het ver­staan van: de volheid Gods. Paulus zegt in Kolossenzen 2 vers 10 (Kol. 02:10): “…en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle over­heid en macht”. Dan gaan we beleven wat het zeggen wil: Christus onder ons, de hoop der heerlijkheid.

We strekken ons uit naar het verborgen manna en naar de witte keursteen. De voor­waarde is: wie overwint! Vooraf luidt het: “wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”. Letten we er op: er staat niet: ‘wat het Woord tot de gemeenten zegt’, maar: “wat de Geest tot de gemeenten zegt”.

Beperktheid en eenzijdigheid dienen afgelegd te worden

Er zijn nog teveel christe­nen die te weinig af weten van dit heerlijkheidsevangelie. Vaak leven ook nog vele ‘volle-evangelie-christenen met een geestelijke beperkt­heid. Nogmaals: men wordt te eenzijdig onderwezen.

Wat triest is het dan dat sommigen denken al een heel eind gevorderd te zijn op de ‘hoge weg’. Het gevaar is niet denkbeeldig dat men werkelijk meer met een leer bezig is dan met de Heer. We kunnen niet zonder meer stel­len dat het alleen maar gaat over de leer van het Konink­rijk der hemelen. Laten wij eens acht geven op het woord van de apostel Paulus in 2 Korinthiërs 10 vers 3 en 4 (2 Kor. 10:03-04). Daar le­zen wij: “Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudi­ge (en loutere) toewijding aan Christus afgetrokken zul­len worden. Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel”.

Geen overbodige waarschuwing. Ook niet voor ons als volle- evangelie-christenen.

Er is een uitnodiging om met volle vrijmoedigheid in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus langs de nieuwe en levende weg Hebreeën 10 vers 19 (Heb. 10:19). Wat zullen we in dit heiligdom beleven en aan­schouwen? De heerlijkheid Gods! Deze heerlijkheid geeft mij de overwinning over het rijk der duisternis. Deze heerlijkheid maakt mij in de geestelijke wereld ‘zwaar, gewichtig en imponerend’. In deze geestelijke wereld toon ik de witte keursteen, dat wil zeggen: ik heb toe­gang tot de heiligdommen van mijn God; ik ben vrijgespro­ken van de doodstraf; ik heb recht de feestzaal binnen te gaan; de witte keursteen is het bewijs van mijn lidmaat­schap van de gemeente van Jezus Christus; deze keur­steen maakt mij onaantast­baar.

De duivel heeft ontzag voor deze witte keursteen. Hij drukt ons liever de zwarte keursteen in de hand met als uitkomst: des doods schul­dig. Maar prijst de Heer: de witte keursteen betekent vrijspraak en geen vergel­ding. Halleluja!

Zo moeten wij meer kennis nemen van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is. Dan gaan wij werkelijk verande­ren naar zijn beeld, van heerlijkheid tot heerlijk­heid. Met een aangezicht zonder bedekking.

Er komt een machtige lof­prijzing in de gemeente van Jezus Christus vanwege deze heerlijkheid. Er zijn er ook die denken dat geestelijke groei hun uittilt boven han­dengeklap en halleluja-ge- roep. Het is slechts geeste­lijke hoogmoed. Het openbaar worden van de zonen Gods gaat volgens de Schrift ge­paard met handengeklap en gejuich. Rijk gezegend is elke broeder en elke zuster die afweet van deze heer­lijkheid.

“Gij deed hem wel een weinig tijds beneden

het eng’lenheir een rang en plaats bekleden,

maar hebt hem ook Uw rijkste gunst betoond

en hem met eer en heerlijkheid gekroond”. (Amen)

 

 

Spreken door H. J. Scholten

“Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God” 1 Petrus 4 vers 11 (1 Petr. 04:11). Hoe spreekt God dan? Kunnen we dan precies zo spreken? De bedoeling is dit: Elk woord dat God spreekt kan Hij verantwoorden. Het is overwogen. Het is niet ijdel of zinloos. God hoeft Zijn woord nooit terug te nemen. Zó, zegt Petrus, behoren wij ook te spreken en dat is geen gemakkelijke opgave. Maar ook hiervoor is het Pinksteren geweest. Door de vervulling met de Heilige Geest zullen we steeds meer de woorden Gods gaan spreken. Geen ijdele taal.

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -15 slot-

De meetroede is symbool van de hoop

Behalve Ezechiël (zie “Levend Geloof” van vorige maand) heeft ook de profeet Zacharia zich met de meetroede Gods beziggehouden. Hij vertelt in zijn tweede hoofdstuk: “En ik sloeg mijn ogen op en ik zag toe, en zie, een man met een meetsnoer in de hand. Toen vroeg ik: Waar gaat gij heen? En hij antwoordde mij: Ik ga Jeruzalem opmeten en zien hoe groot zijn breedte en lengte zal zijn”(vers 1-2). Het is merkwaardig dat ook dit gedeelte betrekking heeft op de periode die volgt op de ballingschap. De meetroede is wederom het symbool van hoop. Er zal een stad verrijzen die niet onder de maat blijft.

Als we nu het vervolg van Openbaring 11 bestuderen, dan blijkt daar nogmaals een verbindingsschakel te liggen met de boodschap van Zacharia. Openbaring 11 vers 3 en 4 (Openb. 11:03-04) vertelt ons: “En ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aange­zicht van de Here der ganse aarde staan”. Dit stemt geheel overeen met Zacharia 4 waar we lezen van de twee olijfbo­men, met als conclusie: “Zij zijn de twee gezalfden die vóór de Here der ganse aarde staan”(vers 14).

Het gezag van de twee getuigen

Op het woord van twee of drie getuigen zal iedere zaak vaststaan. De weg die deze twee getuigen gaan, kan in wezen getypeerd worden door drie kernbegrippen: macht, dood en opstanding. Zo tonen zij de weg van de laatste gemeente. Zij hebben macht om de hemel te sluiten, macht over de wa­teren, macht over de aarde. En hoe komt het dat ze macht hebben? Eigenlijk staat er: gezag, autoriteit. Het is bij hen niet een zaak van kracht en geweld, maar van bevoegd­heid. En waaraan ontlenen ze dit gezag? Ze staan daar als olijfbomen, als gezalfden.

Zoals David eenmaal getuigde: “Naar ik ben als een groenen­de olijfboom in het huis van God” Psalm 52 vers 10 (Ps. 052:010). Dat was het geheim van Davids koningschap: de voortdurende zalving, de voortgaande inspiratie van de Geest. Daarom kwam David door de woestijnperiode heen: hij was niet afhankelijk van de dorre, doodse wildernis om hen heen, hij had een bron van binnen. Zijn bron droogde niet op, zijn olie raakte niet uitgeput, hij behoefde geen olie te gaan zoeken of te gaan kopen, zoals de dwaze maagden, hij had een geheim: hij was zelf een olijfboom. In de zichtbare wereld trok hij door de woestijn, maar in de geest stond hij in het huis van zijn God, daar ontving hij levenssappen voor zijn inwen­dige mens, en zo werd zijn geest als een boom, fris en groen, een boom die groeide tegen de verdrukking in.

Datzelfde geheim vinden we ook bij Zacharia: “Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de Here der heerscharen. Wie zijt gij, grote berg? Voor het aange­zicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte,- hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!” Zacharia 4 vers 6 en 7 (Zach. 04:06-07). Hoe zal het tot stand komen? Door de Geest, net als bij David. Het is dezelfde weg, hetzelfde grondprincipe. David, de olijfboom in het huis van God. Hier de twee olijfbomen die staan voor God. Want hun bron is Hij die eeuwig leeft. En zo worden zij bronnen van heil. Het geschiedt door de Geest, door mijn Geest, spreekt God met nadruk: niet door een andere geest. Wat is het geheim? Zij doen net als David: zij laten zich maar door één Geest inspireren. Zij zijn mensen van één Geest. Daarom worden ze ook gezalfden genoemd; letterlijk staat er in het veer­tiende vers: zonen van de olie. Merkwaardige uitdrukking, maar wel veelzeggend. Zo beheerst de Geest hun leven dat ze naar hun wezen zonen van de olie zijn, zonen van de Geest. Hun geest is doordrenkt met Gods Geest. Zo is God voor hen de Vader der geesten. Zij staan voor God. Openbaring 11 neemt die gedachte over: zij staan voor het aangezicht van de Here der ganse aarde. Het is opvallend dat we diezelfde uitdrukking ook bij Elia tegenkomen. Het is het eerste wat van Elia in het Oude Testament vermeldt wordt. Hij komt bij Achab en zegt: “Zo waarachtig als de Here, de God Israëls, leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord” 1 Koningen 17 vers 1 Statenvertaling (1 Kon. 17:01). Ook Elia stond voor Gods aangezicht. En daarom had hij gezag.

In de geest en de kracht van Elia

De twee getuigen in Openbaring 11 lijken in hun optreden veel op Elia. Ook zij hebben bevoegdheid om de hemel te sluiten. Zo zal de laatste gemeente staan in de geest en de kracht van Elia. Zij wacht niet op een persoon die zichzelf komt aanmelden met de aankondiging: ik ben Elia. Zij wacht op de Geest. Zij zoekt de Geest.

Zij zoekt te staan voor God. Dat is haar vreugde, dat is haar leven. En staande voor God wordt zij door God onder­houden. Staande voor God ontvangt zij autoriteit in de geest. Zij kan de hemel sluiten; dat betekent dat zij sleu­tels bezit, sleutels van het rijk der hemelen.

Waarom sluit zij de hemel? Dat lijkt op het eerste gezicht een vrij negatieve bezigheid. Naar waarom sloot Elia de he­mel? Hij voerde een strijd tegen de Baaldienst. En Baal was de god van regen en vruchtbaarheid. Men bad tot de afgod om regen en men ontving de regen uit zijn hand. In feite was het dus regen uit een occulte bron. En wat doet Elia nu? Hij sluit de hemel door zijn woord. De occulte bron wordt door hem afgesneden. Hij sluit de occulte hemel toe. De vereerders van de regengod komen droog te staan.

De twee getuigen sluiten de hemel

Precies hetzelfde speelt zich af in Openbaring 11. De twee getuigen sluiten de hemel. Dat wil zeggen: zij draaien de occulte kraan dicht. Zo snijden zij de occultisten af van hun bron. Zij maken dat tovenaars en waarzeggers geen inspiratie meer hebben. Net als de torenbouwers van Babel worden zij afgesneden van hun hemel. Zo staan de getuigen voor God en de valse profeten staan droog. Zoals de Baals- priesters in de tegenwoordigheid van Elia niets konden uit­richten, niets vermochten op te roepen, zo leggen deze getuigen de occulte hemel lam. Vanuit hun verbondenheid met de Geest stijgen zij tot ongekende hoogten, zij heersen in de hemel. Hun woord regeert.

Het is dan ook geen wonder dat het beest zelf zich tegen hen keert en hun de oorlog aandoet. Zo worden zij gedood. De weg van de laatste gemeente is een weg zoals de Meester ging, door druk en dood heen.

Maar na drie en een halve dag voer een geest van leven uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan. De Geest laat hen niet alleen. Door mijn Geest immers zal het geschieden. Zij zijn altijd met de Geest verbonden geweest. Zij waren immers zonen van de Geest? Ze staan op hun voeten en ze ho­ren een stem. De stem die altijd hun leven beheerste. Het is voor hen geen vreemde stem. Voor hen een vertrouwd ge­luid. Klimt hierheen op, roept de stem. Dezelfde woorden die Johannes hoorde aan het begin van hoofdstuk 4. Zij mogen opklimmen, opgaan naar Gods huis. Hun einde is een op­gang.

Zij eindigen net als Elia. En net als hun Meester. En dan is het toch wel bijzonder de moeite waard, in dit verband te letten op het slot van Openbaring 11. We hebben al ge­zien hoe in het vijftiende vers het koningschap van God en zijn gezalfde, zijn olijfboom, geproclameerd wordt. En daarop volgt dan het glorieuze slotakkoord van vers 19: “En de tempel Gods die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel”.

De laatste berg die verdwijnen zal

Waar loopt de hele strijd van de twee getuigen op uit? Op de tempel. Zij waren als olijfbomen, staande in het huis des Heren. En Zacharia sprak reeds: Door de Geest zou het geschieden. Maar nu de vraag: wat zou er door de Geest ge­schieden? Ook dat heeft Zacharia erbij vermeld: de berg zou tot een vlakte worden en de gevelsteen zou naar voren wor­den gebracht.

Welnu, ook dit gaat in vervulling in Openbaring 11. De laatste berg die tot een vlakte wordt, is de berg van de dood. De twee getuigen overwinnen tenslotte de dood. De laatste berg die in het boek Zacharia tot een dal wordt, is de Olijfberg.

De olijfberg wordt gespleten en daar is een weg ter ontkoming, en de zonen Gods zullen staan als olijfbomen tot aan het eind der tijden. En dan is daar sprake van de gevel­steen. Waarom is dat zo’n reden tot vreugde? Dat is de top van de tempel. Het hoogtepunt. Dan is het einddoel bereikt.

Christus wordt openbaar in zijn volk

Daar is heel wat aan vooraf gegaan, voordat het zover was. Daniël sprak erover dat de stad herbouwd zou worden in de druk der tijden. Bergen moesten uit de weg geruimd worden. Haar tenslotte is daar het moment dat de sluitsteen wordt aangebracht. Paulus zegt in de Efeze brief dat Christus Je­zus zelf de hoeksteen is, of naar een andere vertaling: de sluitsteen. Hij is het begin en het einde. Hij is het fun­dament, maar Hij is ook de voltooiing van het bouwwerk.

Zo eindigt Openbaring 11. De tempel gaat open. De verbor­genheden die zich in het huis Gods bevinden, worden nu ont­huld. In de eindtijd gaan alle dingen open. Het is de tijd der onthulling. Wat verscholen was, komt in het zicht.

En wat wordt er dan zichtbaar in de tempel? De ark des verbonds. Zo wordt Christus openbaar in zijn volk. Waarom nu juist de ark? “Zodra gij de ark des verbonds van de Here, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult ook gij van uw plaats opbreken en achter haar aan­trekken” Jozua 3 vers 3 (Joz. 03:03).

De ark des verbonds: God trekt voor ons uit. God gaat over­winnen. Als hij de ark zag, dan begon het hart van de ware strijder sneller te kloppen. De ark: begin der legerscharen Gods. Dan hief men aan met de woorden van die oude overwinningspsalm:

O stoet van wie het heil bevocht

en grote overwinningstocht,

o Heer die zijt geprezen!

De ark werd gezien. Dan wist de man die zijn God kende: God is zelf vooraan geschreden. Hij verlicht, verlost zijn volk, baant het pad dat wij betreden, en verjaagt de donkre wolk.

De ark werd gezien. Dan wordt de laatste strijd gestreden. Ook de laatste vijanden zullen vallen, waar de ark optrekt samen met de bondgenoten Gods.

God alles in allen

Dan is de laatste fase ingegaan. Dan herleven nog eenmaal de woorden van Mozes uit. Numeri 10: “Wanneer nu de ark op­brak, zeide Mozes: Sta op, Here, opdat uw vijanden ver­strooid worden en uw haters van uw aangezicht wegvluchten” Numeri 10 vers 35 (Num. 10:35).

Sta op, Here. En God zal opstaan tot de strijd. Nu is er nog een wapenstilstand. De ark breekt op.

Totdat gezegd kan worden: “En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam” Openbaring 21 vers 22 (Openb. 21:22). Dan is God alles in allen. Dan is de vreemdelingschap vergeten, want God en mens zijn thuis ge­komen .

 

Wegen naar de voleinding brochure

Nu het laatste artikel verschenen is in de serie “Verkenningen rond het boek Openbaring” door Nico Goverts, worden ook de vanaf mei in “Levend Geloof” verschenen artikelen tot een boekje ge­bundeld. Het verschijnt eind-november onder de titel: “Wegen naar de voleinding”. U kunt het boekje bestellen bij de administratie en het wordt u dan na verschijning toegezonden. De prijs is ƒ 3,-; bij afname van 10 exemplaren en meer ƒ 2,25. Ook de twee eerder verschenen boek­jes over Openbaring zijn nog verkrijgbaar, zodat u de serie eventueel ook compleet kunt bestel­len. (brochure digitaal beschikbaar Ruurd)

Levend Geloof – 220

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Dit nummer kan beschouwd worden als een ‘bewaarnummer’. Niet omdat het met een aantal pagina’s is uitgebreid, maar uiteraard wel omdat het ’t laatste nummer is dat er van Levend Geloof uitkomt. Na 439 nummers in 44 jaar hebben wij er een punt achter gezet, zoals we in de brief die bij ons vorige nummer was gevoegd al hebben uiteengezet. Velen vonden het jammer (een bewijs hoe ons blad gewaardeerd werd), maar vrijwel iedereen had er respect en begrip voor.

En nu dus het laatste nummer. Behalve de ‘gewone’ artikelen ontkomen we er daarbij niet aan een kleine terugblik te werpen op de jaren dat ons blad is verschenen. Nu zijn we niet iemand die veel met het verleden bezig is. En ook hebben we niet alle details in gedachten, maar toch hebben we geprobeerd om even terug te kijken in de achter ons liggende jaren. Daarbij overheerst het woord ‘dankbaarheid’. In de eerste plaats jegens Hem die ons de kracht en de mogelijkheden gaf het blad uit te geven. Dankbaarheid ook aan hen die in het blad schreven. Zonder hen -we schreven het elders ook al- zou het niet gewor­den zijn wat het was: een blad met een veelzijdige belichting van het oorspronkelijke evangelie: het evangelie van het Koninkrijk, waarvoor de Heer ons de ogen heeft geopend en die alle facetten van een ‘volledig evangelie’ omvat. Nu zijn we ons bewust dat de ontdekking van de volle betekenis daarvan nog steeds doorgaat. Daarom legden wij in de verschillende artikelen vaak de nadruk op de grote betekenis om geestelijk te groeien zodat het volwassen sta­dium in Christus bereikt wordt. Dit is geen theoretische aangelegenheid, want het gaat uiteindelijk om het praktisch beleven!

Het is van groot belang dat wij als christenen deze doelstelling voor ogen hou­den: een ‘volledige christen’ te worden, zodat ook ons getuigenis in deze wereld zo effectief mogelijk zal zijn. Daarbij mogen we er van overtuigd zijn dat Hij -om Paulus te citeren- het goede werk in ons begonnen, ook zal voltooien op de grote dag van Christus jezus!

De bouw van de tempel, zoals we in het Oude Testament kunnen lezen, werd voorafgegaan door de bouw van de tabernakel (zie tekening). In het Nieuwe Testament gaat het ech­ter niet meer om een tabernakel of tempel van hout of steen, want “God woont niet in tempels met handen gemaakt” Handelingen 17 vers 20 (Hand. 17:20). De Gemeente van Christus vormt nu de tempel van God 1 Korinthe 3 vers 16 en 17 (1 Kor. 03:16-17) en de leden van deze gemeente zijn de ‘levende stenen’ waarmee deze tem­pel gebouwd is.

Gert-Jan Doornink

 

Vreugdevol afscheid van ons magazine Door Gert Jan Doornink

 

Dit hoofdartikel is anders dan anders. Meestal gaat het over een speciaal onderwerp bestemd voor de verdere opbouw en ontwikkeling van ons geloofsleven. Maar de inhoud van dit laatste artikel is een terugblik op de 44 jaar dat Levend Geloof is verschenen. Ik heb geen dagboek bijgehouden en ben ook niet zo’n onthouder van allerlei details uit het verleden of zit veel in het verleden te graven, maar het zijn dus wat herinneringen die mij bij het over­denken van deze periode te binnen schieten. Als christenen leven we in het heden en denken aan de toekomst, maar mogen ons wel realiseren dat het heden ondenkbaar is zonder het verle­den. Verleden, heden en toekomst vormen een onlosmakelijke eenheid.

De titel van dit hoofdartikel doet wat paradoxaal aan, want hoe kun je nu blij zijn met een blad dat voor ’t laatst verschijnt en dat bij velen zo geliefd is? Toch heb ik met blijd­schap en dankbaarheid dit laatste nummer samengesteld, daarbij in de eerste plaats bedenkend dat Levend Geloof geen doel was, maar een middel, een van de vele middelen die de Heer wil

gebruiken om het evangelie door te geven en uit te leggen. En een mid­del is tijdelijk, geldt voor een bepaal­de periode, waarvan ik wat ons blad betreft de zekerheid had dat die nu voorbij is.

Levend Geloof is al die jaren onder mijn eindverantwoording versche­nen, het maakte een ontwikkeling door van eenvoudig evangelisatie­blaadje tot een professioneel uitge­voerd blad zoals het nu is.

Hoe het begon

Waarom begint iemand met de uit­gave van een blad? Dat heeft alles te maken met mijn passie voor het geschreven en gedrukte woord. Van jongs af aan was ik gefascineerd door kranten. Ik herinner mij dat ik als jongetje van een jaar of 8, 9 al krantjes ging maken met het nieuws van de boerderij waar ik als enigst kind ben opgegroeid. Dat gebeurde niet dagelijks maar zo nu en dan. Ik nam daarvoor blaadjes uit een schoolschrift en gebruikte een pot­lood of pen. Dat heeft heel wat jaren geduurd, voordat ik wat serieuzer te werk ging, door bijvoorbeeld de nieuwsberichten van het dorpje waar ik woonde op te sturen naar een regiokrant die dat ook publiceerde.  Toen ik wat ouder werd kwam er nog een andere ‘hobby’ tot ontwik­keling dat was ‘het weer’ en alles wat daarmee te maken had. Op een boerderij wordt je natuurlijk veel met de weersontwikkelingen gecon­fronteerd. Ik abonneerde mij op een gestencild blad dat het KNMI des­tijds dagelijks uitgaf en daarnaast las ik verschillende boeken over het weer, Mede door eigen waarnemin­gen kon ik uiteindelijk vrij goed het weer voorspellen. Ik schreef zelfs enige tijd stukjes in een toenmalig landelijk dagblad. Ook nu wordt me nog wel eens gevraagd wat voor

weer we krijgen waarbij ik eerlijk­heidshalve moet toegeven dat ik het nogal eens mis heb…

De oorlogsjaren

Maar nu terug naar de boerderij waar ik opgroeide. Toen de oorlog in 1940 uitbrak was ik 10 jaar. Op de leeftijd van 10 tot 15 jaar maakte ik dus de oorlog mee. De ellende van zo’n oorlog dringt dan nog niet ten volle tot je door. Ik vond het allemaal wel interessant, bijvoorbeeld als er grote formaties vliegtuigen overvlo­gen op weg om in Duitsland te gaan bombarderen. Natuurlijk waren er ook wel angstige momenten, bij­voorbeeld bij beschietingen of als er een vliegtuig werd neergeschoten, nadat onze boerderij aan de dijk van de IJssel gebouwd was, moesten we in de meidagen van 1940 eva­cueren, want langs de IJssel was de zogenaamde IJssellinie gebouwd, met de bedoeling de Duitsers tegen te houden. Van 1939 tot 1940 waren er vaak Nederlandse militairen inge­kwartierd, maar in 1940 werd er vrijwel niet gevochten langs de IJssel. In tegenstelling met april 1945 toen de Duitsers probeerden de Canadezen die van de oostkant de rivier over wilden steken tegen te houden. Maar ook toen kwam het niet tot noemenswaardige gevechten al zaten er door beschietingen wel verschillende kogelgaten in de boer­derij. Ook toen waren we enige tijd geëvacueerd, terwijl vooral het laat­ste halfjaar voor de bevrijding op 17 april 1945, veel mensen uit het Westen op de boerderij sliepen, bij hun tochten om voedsel op te halen van het platteland. Zij gingen dan met de pont over de IJssel naar Wijhe. De pont was dichtbij de boer­derij, maar voer de laatste periode voor de bevrijding niet meer. Dit was ook de reden dat ik niet meer naar school ging. In 1942 of ’43 ging ik namelijk vanaf de lagere school naar de MULO in Wijhe, maar maakte deze school niet af. Als enigst kind werd van je verwacht dat ik toch de boerderij later zou overne­men van mijn ouders. En volgde daarom de eerste jaren na de oorlog de opleiding aan de Middelbare Landbouwschool in Zutphen en de Fruitteeltvakschool in Twello. Achteraf kun je zeggen: had je niet een ander beroep kunnen kiezen? Met de gedachten van nu, maar dat is natuurlijk onrealistisch, zou dat journalist of schrijver geweest zijn.

Het nieuwe leven breekt baan!

Er ging echter iets geheel anders gebeuren in mijn leven! Samen met mijn ouders ging ik als kind regel­matig mee naar de Hervormde kerk van Vorchten, het dorpje waar ik woonde. In dit oude kerkje -één van de oudste van ons land- was ’s zon­dags één keer dienst. Er spraken, omdat men gedurende een lange periode geen eigen dominee had, predikanten van verschillende ‘rich­ting’, dat wil zeggen vrijzinnigen, rechtzinnigen en van de ‘zware’ Gereformeerde bondsrichting. Mijn ouders waren, net als de meeste andere mensen van het dorp, recht­zinnig (oftewel confessioneel, mid­den-orthodox). Toen er na verschil­lende jaren zonder vaste predikant weer een eigen dominee kwam, werd deze na een paar jaar opgevolgd door een andere. Dat was een domi­nee met vrij evangelische achter­grond. In mijn leven had dit een positieve uitwerking. Ik werd actief en uiteindelijk secretaris van zowel de jongemannenvereniging als de plaatselijke afdeling van de Jonge Kerk.

In 1952 (ik was toen 22 jaar) werd op de maandelijkse contactavond van de Jonge Kerk ds. W. A. Plug uitgenodigd van het conferentieoord De Hezenberg uit Hattem. Hij sprak over het onderwerp ‘Geloof, gebed en genezing’, mede naar aanleiding van de Duitse evangelist Hermann Zaiss die in die tijd een toernee door Nederland had gehouden. Hoewel ik voor die datum ook vele preken en toespraken had gehoord werd ik, door wat er die avond gesproken werd ‘in mijn hart geraakt’, zodanig dat ik enige tijd later thuis op mijn slaapkamer op de knieën ging en mijn leven aan de Heer gaf. Wat ik precies bad weet ik niet meer maar wel dat daarin de woorden voorkwa­men ‘O, Heer, wees mij zondaar genadig…’ Er kwam een grote veran­dering in mijn leven, waaraan ik vandaag nog met grote dankbaar­heid en blijdschap kan terugdenken. Niet alleen ik maar ook enkele ande­ren uit het dorp en omgeving kwa­men in die tijd tot bekering. We organiseerden met instemming van de dominee, allerlei activiteiten, zoals bijzondere avonden in de kerk, waarvoor allerlei positieve sprekers werden uitgenodigd. Ik herinner mij Leo Pasman, de tolk van Hermann Zaiss, F. A. Stroethoff, Nol Esmeyer en Johan Maasbach. Samen met enkele anderen gingen we naar de grote meetings van Billy Graham in Amsterdam en Rotterdam en in 1958 organiseerden wij een bustocht naar de grote samenkomst van Tommy Osborn op het Malieveld in Den Haag. Ook bezochten we samenkomsten in de omgeving van evangelische gemeen­schappen die er toen waren.

De werkelijke gemeente

Op een gegeven moment zagen we ook in dat we ons moesten laten dopen door onderdompeling als symbool van het afleggen van ons oude leven en het beginnen van een nieuw leven. Tot dusver had dit alles de instemming van de dominee, die ook mee geweest was naar de samen­komst van Osborn, maar deze stap ging hem toch te ver, ja wekte dus­danige weerstand op dat we (ik spreek dus in het meervoud omdat dit ook gold voor anderen) niet meer aan het Avondmaal mochten. De dominee kwam met een paar ouder­lingen op bezoek en lazen een brief voor van het zogenaamde classicale bestuur van de Hervormde kerk waarin dit verbod vermeld stond. Dit was voor mij de stap om te bedanken als lid van de kerk, waar ik enkele jaren daarvoor lid van was geworden. Ik kwam daardoor ‘bui­ten de kerk’ terecht. Maar gelukkig kon ik binnen de ‘werkelijke gemeente van Christus’ verder tot ontplooiing komen. Ook werd ik in die tijd gedoopt en vervuld met Gods Geest en geleide­lijk aan ontstond ook het verlangen om het evangelie op schriftelijke wijze door te geven. Ik begon met een klein vlugschrift met als titel: ‘Jezus is het Antwoord’ en op 1 november 1961 richtte ik het blad ‘Levend Geloof’ op. Er werden in die opwekkingstijd meerdere bladen opgericht zoals Stromen van Kracht, Nieuw Leven en Opwekking, terwijl bladen zoals De Oogst, Het Zoeklicht. Gouden Schoven en Kracht van Omhoog al bestonden en ook meer en meer opwekkingsarti­kelen gingen publiceren met veel getuigenissen van bekering en gene­zing.

Geboorte van Levend Geloof

In januari 1962 verscheen het eerste nummer van Levend Geloof in een bescheiden oplage van 150 exempla­ren wat ik bij een stencilinrichting liet verzorgen. Maar al spoedig nam ik dit werk zelf over door de aan­schaf van een stencilmachine met toebehoren. Levend Geloof bleef altijd een ‘blad op de achtergrond’, dat wil zeggen timmerde niet groot aan de weg, nam geen advertenties op, maar raakte toch bij velen bekend.

Ook gingen verschillende mensen er in schrijven. Enkele mensen die gedurende vele jaren in het blad hebben geschreven waren Jan Companjen, Jan Noë en Klaas (toen nog Nico) Goverts. Maar we zouden wel 40 andere namen kunnen ver­melden die in de loop van de jaren veel hebben betekend voor het blad bij het doorgeven van het volle evan­gelie.

Daarbij kwam ik ook al spoedig tot de conclusie zo min mogelijk ver­taalde artikelen van buitenlandse evangelisten op te nemen, omdat er in Nederland en België voldoende eigen schrijvers waren. De laatste jaren waren vooral Wim te Dorsthorst, Jildert de Boer, Hessel Hoefnagel, Cees Maliepaard en Duurt Sikkens de belangrijkste medewerkers terwijl periodiek onder andere ook Peter Koumans, Tea Keuper, Peter Annotee en Jack Schoenaars in het blad schreven. Door de kontakten die wij via de spreekbeurten in de verschillende gemeenten hadden, kwam het blad ook op verschillende boekentafels van de gemeenten te liggen. Vanaf 1996 ging het om de 2 maanden op A4-formaat verschijnen. Daarbij werd de opmaak op professionele wijze verzorgd door mijn zoon Daniël, Voor 1996 was het steeds op A5 formaat als maandblad uitgeko­men en gedurende een korte tijd zelfs als weekblad! In de loop der jaren werden ook ver­schillende boekjes en brochures uit­gegeven, zoals ‘Hoe beleven wij ons geloof? en ‘Het wonder van het leven’ van mijzelf. Van Klaas Goverts verscheen een driedelige serie over Job, die eerst als artikelenserie in Levend Geloof was gepubliceerd. Wim te Dorsthorst schreef ‘Geestelijk licht op Israël’ en van Tea Keuper verscheen het gedichten­boekje ‘Wandelen met God’.

Fulltime in Zijn dienst

Tijdens de 44 jaar dat Levend Geloof is uitgekomen was er nóg iets gebeurd, waardoor ik voortaan alle aandacht aan de uitgave van ons blad kon besteden. De boerderij die we (ik was ondertussen in 1965 getrouwd) van mijn vader hadden overgenomen, (hij overleed in 1973, mijn moeder al eerder) gingen we in 1975 verkopen. We kregen twee kin­deren (en hebben nu ook een lieve schoondochter en drie schatten van kleinkinderen). Nadat we verhuisd waren ging ik voortaan alle aandacht besteden aan de uitgave van het blad. De stencilmachine werd ver­vangen door een echte offsetpers, met plaatmaker, snijmachine, etc. Daarbij was het aanvankelijk de bedoeling ook voor anderen te druk­ken, maar na een korte periode, kon ik in ’t vervolg alle aandacht besteden aan het werk in Gods Koninkrijk door tevens spreekbeurten en Bijbelstudies in verschillende gemeenten te houden en hier en daar mee te werken in het pastoraat. De verzorging van het blad was echter het belangrijkste onderdeel van mijn werk, vooral ook omdat ik alles zelf deed, want behalve de vormge­ving en het drukken werd ook het vouwen, nieten, binden en post klaar maken zoveel mogelijk zelf gedaan, met het vele werk wat daarbij kwam, zoals de administratie, correspon­dentie, het onderhouden van (telefo­nische) kontakten, enz..

Verdere geestelijke doorbraak

In de tijd dat Levend Geloof ver­scheen, was er nóg een bijzondere gebeurtenis die zeker niet onver­meld mag blijven. In de jaren tussen ’75 en ’80 ontstond er namelijk een verdere geestelijke doorbraak in mijn leven. Ik leerde geleidelijk aan onderkennen dat iedere christen zich bewust behoort te zijn dat hij of zij met Christus een plaats heeft gekregen in de hemelse gewesten omdat we alleen van daaruit kunnen strijden en overwinnen. Ik ontdekte hoe belangrijk het is dat we onze geestelijke plaats met Christus hebben ingenomen. Dat is namelijk de basis om geestelijk ver­der te groeien, zodat we uiteindelijk het volwassen stadium in Christus kunnen bereiken. Daar hebben wij als schrijvers in Levend Geloof ook steeds weer de nadruk op gelegd. Er is immers zoveel meer rijkdom en heerlijkheid te beleven als we de geestelijke weg leren bewande­len!

Het blad Kracht van Omhoog onder leiding van Jo van den Brink was vanaf de 70-er jaren de spreekbuis van dit geestelijk denken en beleven geworden. Toen ook Levend Geloof deze weg ging ontdekken en erover ging publiceren mocht ik in verschil­lende gemeenten waar ik sprak niet meer voorgaan. Ook mocht het blad niet meer op de boekentafels. Nieuwe deuren gingen echter open en in enkele evangelische gemeen­ten waar ik al vele jaren sprak en waar men op bepaalde punten anders dacht, bleef ik toch gehandhaafd.

En nu is dit dus het laatste nummer van Levend Geloof wat u in handen heeft! Toen ik begin augustus ieder­een die in de afgelopen jaren heeft geschreven voor het blad op de hoogte ging stellen was er bij velen uiteraard een teleurstelling, maar iedereen kon er volledig begrip voor opbrengen. (Enkele citaten uit reacties die binnenkwamen treft u elders aan dit nummer).

Wij zijn allemaal belangrijk!

Zoals ik in het begin van dit artikel al heb opgemerkt was het blad zelf geen doel maar een middel. Een middel, één van de vele, om de heer­lijke boodschap van het Koninkrijk Gods (het onvervalste, echte evange­lie) door te geven. Daarbij was mijn principe enerzijds dat de inhoud niet fanatiek of extreem behoorde te zijn, maar anderzijds ook geen water in de wijn mocht worden gedaan. Velen wisten dit te waarderen en herkenden erin de echte liefde van Christus. Daarom zie ik niet met weemoed terug op de jaren die ach­ter mij liggen, maar met blijdschap en dankbaarheid dat ik dit werk, samen met alle anderen, heb mogen doen. Daarbij wil ik ook degenen die ons werk financieel ondersteunden, waaronder ook ver­schillende gemeenten, niet vergeten! In Gods ogen zijn wij allemaal even belangrijk, welke taak we ook heb­ben in dienst van Gods Koninkrijk. Ik denk daarbij aan wat de apostel Paulus daarover schrijft, in zijn eer­ste brief aan de gemeente te Korinthe hoofdstuk 3. In vers 7 schrijft hij bijvoorbeeld: “Het is niet belangrijk wie plant of wie begiet; alleen God is belangrijk, want hij doet groeien”. En weet u wat zo geweldig is? Hij vindt ook óns belangrijk! We zijn immers geschapen naar Zijn beeld: volmaakt en uniek. Hij heeft een plan, een doel met ons leven. We mogen, onder inspiratie van Gods Geest die wil samenwerken met onze geest, goede werken doen tot verheerlijking van Zijn Naam en het zichtbaar worden van Zijn Koninkrijk! Dit maakt ons blij en gelukkig.

Echte blijdschap gaat altijd gepaard met dankbaarheid. Dankbaarheid jegens Hem die het mij, samen met alle anderen, mogelijk maakte door te geven en uit te leggen wat een heerlijk evangelie ons is toever­trouwd. Het evangelie dat het echte geluk in zich heeft en bestemd is voor iedereen! Want Zijn liefde, barmhartigheid en goedheid omvat alle mensen! Hem zij alle lof, dank en aanbidding!

 

Over de bruiloft van het Lam door Cees Maliepaard

“De Geest en de bruid zeggen: ‘Kom!’ Laat wie luistert zeggen: ‘Kom!’ Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft” Openbaring 22 vers 17 NBV (Openb. 22:17).

Een hemelse uitnodiging

‘Kom’, kun je horen zeggen, ‘kom maar gerust!’ En dat woord komt uit een betrouwbare bron, want het komt bij God zelf vandaan. De Geest en de bruid nodigen iedereen uit te komen, iedereen die dat wil. De Geest is Gods Geest, daar zal geen misverstand over bestaan, maar over welke bruid gaat het hier… over de gemeente?

Daar bestaat onder kinderen Gods wel wat verschil van mening over (onnodig denk ik). De opvatting doet wel opgeld, dat de gemeente de bruid gewoon niet kan zijn, want zij is de vróuw van Jezus immers. Er is sprake van een complete huwelijks­relatie. De redenering is dan: gemeenschap hebben met Jezus is niet iets voor in de toekomst; het maakt voor ons deel uit van de dage­lijkse dingen van het leven. En dat klopt!

Jaren geleden werd ons in het volle evangelie geleerd dat de bruid de getrouwen uit het Oude Verbond voorstelt: Abraham, Izaäk, Jacob, David, Henoch en dergelijke figu­ren. Maar daar kun je je wel wat bij afvragen. Want als de gemeente van alle tijden en plaatsen de vrouw van Jezus is (en dat geloof ik wel), wat doet Hij dan nog met een bruid daarnaast? Gaat Hij daar ooit óók mee trouwen? Heeft de Heer in de toekomst dan twéé vrouwen: de gemeente en de oudtestamentische getrouwen? Natuurlijk begrijp ik dat dit overdrachtelijk bedoeld is, maar dan nog kan ik me hierbij geen enkele vorm van geestelijke bigamie voorstellen.

De bruid of de vrouw?

Het boek Openbaring is opgebouwd uit beelden die niet in chronologi­sche volgorde staan. Chronologisch is het een warwinkel van gedachten – let wel: chronologisch! Qua vorm is het net een moderne roman, waarin stukjes verleden, heden en toekomst steeds door elkaar worden belicht. Tegenwoordig stapt men dan ook vaak van een doorlopende tekstver­klaring van dit Bijbelboek af. Als er onderscheid gemaakt wordt tussen de bruid en de vrouw van Jezus, wordt er aan zo’n beeld een veel te groot gewicht gehangen… of men geeft er tóch weer een chrono­logische rangschikking aan. Verwar een beeld nooit met de werkelijkheid – het geeft er slechts een afbeelding van. Niet het beeld is het te realise­ren doel, maar dat wat door het beeld wordt voorgesteld. De woorden bruid en vrouw worden in Openbaring dóór elkaar gebruikt. Er staat dan ook niet: de bruid van de bruidegom, of: de bruid van haar toekomstige man, maar je leest in Openbaring 21 over de bruid die zich mooi gemaakt heeft voor… haar man. Ook de Statenvertaling en de NBG-vertaling hebben dat. Zij het dat ze ‘mooi maken’ met ‘versieren’ weergeven. Tegenwoordig wordt met een meisje ‘versieren’ echter iets anders bedoeld, dus lijkt me het

Nederlands van de NBV-versie voor wie met de bijbel niet bekend is dui­delijker.

Heer doet daar niet moeilijk over, dus ik wil er dan óók geen punt van maken. Een bruid die het over haar man heeft, zal immers met hem getrouwd zijn. Of noem je een bruidspaar na hun jawoord geen bruid en bruidegom meer? Als ze na de plechtigheid het gemeentehuis of de kerk weer uitkomen, kun je omstanders vaak horen zeggen: wat een mooie bruid hè! En geen mens zal daarop reageren met: ze is geen bruid meer hoor… ze is nu een getrouwde vrouw! Bij de invulling van het Bijbelse beeld van de bruid en haar man, mag je er net zo over denken. Want hebben een relatie met Jezus, en of we dan collectief bruid of vrouw genoemd worden – het is me om het even! Het ligt eigenlijk in dezelfde orde van grootte als een kind van God genoemd worden, of een zoon van Hem. Je kunt wel dénken dat een kind per definitie onvolwassen is en een zoon volwassen, maar dat slaat nergens op. Volwassen kinde­ren nemen uiteraard zélf hun beslis­singen, maar het blijven wel kinde­ren van hun ouders. En een pasge­boren baby is in alle opzichten het kind van de kersverse ouders, maar zij zeggen wel vol trots aan wie het ook maar horen wil: dit is onze zoon of dochter! Het is dus buiten kijf dat de termen kind en zoon dezelfde lading dekken. En met de benamin­gen bruid en vrouw alsmede bruidegom en man, is het niet anders gesteld. Daarom noem je mensen die 25 jaar getrouwd zijn: een zilve­ren bruidspaar. Zelfs dat stel in Engeland dat kortgeleden 80 jaar in het huwelijksbootje zat, werd gekwa­lificeerd als het eiken bruidspaar… en niet als de echtelieden die al tach­tig jaar geen bruid en bruidegom meer zijn.

Zoek het niet in woorden

Zo gauw je de volle, rijke boodschap van de Heer aan wóórden op gaat hangen, zoek je het in bijkomstighe­den en gaat er veel van de oorspron­kelijke rijkdom verloren. Wie een beroep op Jezus doet en Hem met open vizier tegemoet treedt, wordt door Hem met open armen ontvan­gen. Of liever: met een wijd geopend hart. Jezus neemt alle zondesmet en ook de schuldgevoelens van zo iemand weg. Dat hebben we alle­maal kunnen ervaren. Vanaf dat moment mag ieder zich ook onmid­dellijk openen voor de geestesdoop, aangenomen dat deze niet eerder heeft plaatsgevonden. Er kan dan een ontwikkeling volgen die leidt tot het volgroeid kind van God zijn. ‘Het volle zoonschap’ kun je dat ook noemen.

Natuurlijk loopt dat uit op een vol­wassen relatie tussen Jezus en de gemeente. Of hebben we die al? Zijn Jezus en de wereldwijde gemeente reeds volwaardige partners? Nee hè! Maar zou dit wellicht wél zo zijn met Jezus en de volle-evangelietak van die gemeente? Denken we echt de eerste plaats in te nemen op het erepodium in de hemelsferen? Dat meent niemand doordacht natuur­lijk, maar ergens in de diepten van het hart?

Een gastspreker bij ons in de gemeente zinspeelde hier kortgele­den op met een verwijzing naar een gelijkenis: die van de Farizeeër en de tollenaar. Hij merkte in dit verband op: ‘Laten we er voor oppassen dat er in ons denken geen gedachten ontstaan als: Dank U Heer, dat ik niet ben als die Farizeeër daar. We mogen beseffen dat onze rijk­dom niet gebaseerd is op eigen ver­diensten, maar uitsluitend op de grenzeloze genade van de Heer. Dan kun je uit volle borst zingen dat we rijk in onze God mogen zijn, zodat het streven naar het volle zoonschap ons niet tot een valstrik zal worden en we in de niet ondenkbare val van de hoogmoed terecht zouden komen.

Het zit ‘m niet zozeer in hoe we ons uitdrukken, welke woorden we gebruiken. Van belang is vanuit welke gezindheid we iets te kennen geven. Hoogdravende woorden voe­gen niets toe aan de verheerlijking van de Vader of van Jezus. Een toe­gewijd hart doet dat wel. Als we iets van Gods glorie in ons leven open­baren, zal dat vrij zijn van uiterlijke show en afgodische adoratie.

De eenvoud van het Woord

God spreekt door de werking van zijn Geest. Hoe doet Hij dat dan: hoor je hoog geestelijke woorden; valt er een ingewikkelde, dogmati­sche uiteenzetting te beluisteren? Nee, God zegt door zijn Geest heel eenvoudig: ‘Kom!’ Meer niet. De bruid maakt het ook al niet ingewik­kelder. Die zegt nét zo, alleen maar: ‘Kom!’ En wie daar naar luistert, zal er in hemelse wijsheid niets aan toe­voegen.

Bij ons geen diepzinnige uiteenzet­tingen of doorwrochte dogmatische beschouwingen, maar een simpele uitnodiging om tot het volle heil te komen. En dat alles in het Bijbelboek Openbaring, het boek over de eindtijd. God maakt het niet inge­wikkeld, ook niet in de eeuwigheid, want Hij zit niet ingewikkeld in elkaar. ‘De Heer onze God is één’, zegt de Schrift. Heel simpel, heel eenvoudig, want Hij is altijd zich­zelf.

Dat maakt het leven een stuk min­der gecompliceerd, zeker voor wat onze toekomstverwachting betreft en ons streven naar het volle zoon­schap. We hoeven ons geen houding aan te meten, maar we zullen dat juist heel nadrukkelijk nalaten. De Heer zegt: kom maar gewoon zoals je bent. Je hoeft je niet mooier voor te doen, want je bent mijn bruid, de mooiste die Ik mij maar wensen kan. Van jou heb ik eeuwen lang gedroomd… en nu bén je er dan! De droom (het plan van Vader) is bezig werkelijkheid te worden, zal Jezus zeggen. En daarin zijn jullie gezamenlijk mijn volwaardige part­ner. We vormen geen zilveren, geen gouden, zelfs geen eiken bruidspaar, maar een bruidspaar voor in alle eeuwigheden. Dat is de realiteit van het Koninkrijk van God. Er komt geen einde aan de relatie die Jezus en wij met elkaar hebben, en via Hem óók met Vader God zelf. Want de Schrift zegt dat in de voleinding van alle dingen, God alles zal zijn in allen.

Fonkelend nieuw

Eerst echter is dan Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05) waar geworden. God belooft daar: ‘Alles maak Ik nieuw’, We zul­len het oude vertrouwde echt los moeten laten, want anders missen we de gewenning aan het nieuwe. Zullen we er goed aan doen daarop te gaan zitten wachten totdat de Heer klaar is met vernieuwen? Dat past niet in het volkomen doordach­te plan van Vader, want Hij dóet het niet alleen! God heeft de schepping zonder de mens voltooid, dat geeft Genesis duidelijk aan. Want Adam en Eva kwamen pas als het sluitstuk van Gods creaties.

Maar in de ontplooiing van alles wat er is, heeft Hij de mens wél een aan­deel gegeven.

Adam benoemde alle levende wezens en Eva en hij verzorgden samen de Hof. Het waren dus eigen­lijk de eerste tweeverdieners! Bij de voltooiing (aan de voleindiging van alle dingen) zal de mens óók betrok­ken zijn. Het nieuwe Jeruzalem zal voor God als een aantrekkelijke bruid wezen: jong, fris en mooi… precies zoals Hij dat zich van meet af aan gedacht heeft. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, daar wachten we op. En aan de totstandkoming daarvan zullen we mee mogen werken, nu al eigen­lijk! Ieder die daarnaar verlangt, mag drinken van het water dat leven geeft. En wel met volle teugen, tot­dat de dorst naar iets anders verdwe­nen zal zijn. En komt dit alles in de loop van de eeuwigheid dan wéér onder het stof te zitten? Nee, er zal geen gewenning in de vorm van sleur in optreden, want voor God, voor Jezus en voor ons zal het tot een eeuwige vreugde wezen. Het wordt nooit onze zoveel jarige bruiloft, maar een voortdurend feest: dat bruiloftsfeest zal oneindig zijn, want het vernieuwingsproces eindigt nimmer meer. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde blijven rimpelloos mooi. Alle tranen zijn er gewist en de bevrijdende lach zal er nooit meer ophouden. Zo ver is het nu nog niet, maar wat er nog niet is zal stellig komen. God belooft het, en in Christus Jezus ingevoegd maken we het allemaal mee.

ledereen mag komen

Kom maar gerust, zegt de Heer tegen ons, want er is geen beper­king. Zorg dat je erbij komt, geven wij aan, want de Heer begint met jou zoals je bent. We passen immers in de nieuwe hemel en op de nieuwe j aarde, want God heeft de messiaanse mens van meet aan voor ogen gehad. En daarbij kunnen we heel goed aan een meet denken. Dat is immers in de atletiek zowel de startlijn als de eindstreep. Wel, precies zoals Vader God het zich van eeu­wigheid gedacht heeft, exact zó zal het bij de voleinding van alle dingen j uit de bus komen. ‘We zijn van Gods geslacht’, schrijft de psalm­dichter. En dat klopt, want we heb­ben dezelfde geestelijke achtergrond als Hij.

Kom en neem van het water dat leven geeft, want het is het leven dat ] God van eeuwigheid bedacht heeft. Maar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn er toch nog niet… die zijn immers profetisch, en dus is het vooralsnog toekomstmuziek? Al zóu I dat zo zijn, dan nog staat kaarsrecht overeind dat we nieuw leven ontvan­gen hebben. En ook daarvoor laten de Geest en de bruid een vrijmoedig ‘Kom!’ horen.

Dat vindt in ons leven als vanzelf­sprekend weerklank en deze uitnodi­ging zal vanuit ons hart stellig een weg naar anderen vinden. Een van de oude berijmde psalmen luidt:

‘Kom, ga met ons en doe als wij;

Jeruzalem, dat ik bemin,

wij treden uwe poorten in.

Daar staan, O Godsstad, onze voeten.

Jeruzalem is welgebouwd,

wel saamgevoegd, wie haar beschouwt

zal haar voor ’s Bouwheers kunstwerk groeten.’

We hebben deel gekregen aan het heil en de heerlijkheid van de Heer, vandaag de dag. Zijn goedertieren­heid is over ons, en die zal niet ophouden… nooit één keer.

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

Geluk is ongelijk verdeeld in de wereld:

Sommigen hebben veel, anderen weinig of geen. En volgens sommigen hangt dat samen met het gesternte waaronder je bent geboren, dan heb je al geen ‘mazzel’ (gesternte, geluk) in het leven, je aardse bestaan. Job, in al zijn ellen­de, verzucht: “Mijn geluk is als een wolk vervlogen” en Jeremia klaagt: “Ik ben vergeten wat geluk is”. Deze twee integere mensen bedoelden vooral hun innerlijk geluk. Daaroverheen hing een deken van verdriet die hen verdoofde en neerdrukte.

Iedereen kent dat wel, soms tijdelijk, soms langdurig. In het laatste geval spreken we van een depressie.

En hoe dat ervaren wordt kun je lezen in Psalm 88, de donkerste van alle psalmen. Je voelt je totaal geïsoleerd, ver­vreemd van mensen, van jezelf. Dat is ten dode toe verlammend. Het enige wat de psalmist nog kan doen is zijn verdriet te uiten naar het luisterend oor van God, immers, je wilt zo graag gewoon leven, maar dat wordt je onmo­gelijk gemaakt.

Jezus weet watje doormaakt, hij kent dat lange, duistere dal en toen hij ooit zei: “Gelukkig de treurenden, want zij zullen bemoedigd worden”, had hij deze ongelukkige mensen op het oog, de ineen gedoken mens.

Maar, wat troost jou? En wat kan iemand zeggen of doen? Er is zoveel armelijke troost… vaak onnadenkend gesproken. En het resultaat daarvan is weer dat het isolement des te groter wordt gevoeld. Ik heb het dan niet over de weigering van hulp, want dat kan ook nog, omdat je liever alleen gelaten wordt, bang om een ander te belasten of verbitterd en niet meer ontvankelijk voor hulp. Liever alleen? Je zit dicht! Toch heb ik wel gemerkt dat, als iemand niks kan zeggen, het heel wezenlijk is dat er iemand bij je is, naast je zit, je niet alleen laatje laat merken dat jouw leven er wél toe doet. Immers, de naam JHWH betekent in de eerste plaats: De Aanwezige. Hij kan, in een mens, bij je zijn. Zelfs Jezus deed een beroep op zijn volgelin­gen om met en over hem te waken, al was het maar voor één uur… De Geest van God wordt Trooster genoemd, parakletos. Anderen vertalen met Helper, Raadsman en letterlijk betekent het zoveel als iemand die erbij wordt geroepen om bijstand te verlenen. Deze Geest draagt dezelfde eigenschap­pen als God zelf en die komen tot ont­wikkeling in degenen die in Zijn Geest handelen en spreken. Vraagje God om hulp dan wordt, als het even kan, een mens gezonden om je bij te staan in je troosteloze situatie. En dan kan er iets moois gebeuren, omdat die mens laat merken dat jij als mens er toe doet, dat er om je gegeven wordt, met andere woorden dat God echt van je houdt. Deze liefde van Hem is namelijk ‘vleesgeworden’ in een van Zijn kinderen en dan hoor je het onge­looflijke: Jij ontbreekt aan de vervolma­king van Zijn geluk. Als je je dood­ongelukkig voelt en je jezelf teveel bent, ondanks datje nog wel beseft een kind van God te zijn, dan neemt Zijn ont­ferming grotere vormen aan, want Hij is zó begaan met je toestand. “En toch, lieve mens, ben ik gelukkig met je”. In de wereld is geluk het verlangen naar wat je niet bezit. In Gods wereld is geluk het verlangen naar wie je hebt. En God kijkt Zijn hele leven al uit naar mensenkinderen. Hij verlangt niet van alles van je, maar Hij verlangt naar je, omdat Hij graag bij Zijn men­sen is. Job zegt zelf: “U verlangt terug naar het werk van Uw handen” Job 14 vers 15 (Job 14:15). Wat een Vader! Iemand die gelukkig is als jij, mens, erbij bent, omdat je niet mag ontbreken. Dat is het beginsel van troost: terug bij Hem. Daarom zocht Zijn zoon mensen die God verloren was, die Hem afgenomen waren.

Wanneer je, in je desolate toestand, in je woestijn, iemand deze dingen hoort zeggen, dan begint, misschien heel aar­zelend, de hoop weer te gloren. Dan . krijg je leven, hoe ellendig je je ook voelt, weer zin. Arme ziel, zo lang in ballingschap in den vreemde, je kunt weer terugkeren naar het thuisland van je Vader die jou met open armen ont­vangt en jou weer een rustplaats geeft, een plek onder de zon. En al ben je nog zo moe en uitgeput na alle geestelijke ontberingen, je bent weer thuis, bij Hem. En wanneer je Hem ziet en Zijn vriendelijke ogen en warme nabijheid ervaart, dan mag je van geluk spreken, want Hij is zo gelukkig met je. En als er iets is waaraan christenen, mensen, behoefte hebben dan is het wel mededogen. Jesaja wist dat, Jesaja 30 vers 18  (Jes. 30:18): “Daarom verlangt de Aanwezige ernaar genadig te zijn om zich over ons te ontfermen”. En verder zegt hij dat het evangelie voor ‘ootmoedigen’ is. En ootmoedigen zijn ontvankelijk voor Zijn zorg en bijstand, Zijn genade. Mag ik jou geluk toewensen? Zijn geluk? Want dat ben jij!

 

De weg naar ware eenheid door Jildert de Boer

Sleutels tot ware eenheid in de gemeente Deel 6 (slot)

Het voorbeeld Vader-Zoon

Het absolute voorbeeld van eenheid is wel de volmaakt harmonische een­heid tussen de Vader en de Zoon. Hoewel zij twee afzonderlijke perso­nen zijn, is er tussen hen een volko­men eenheid in denken, gezindheid, spreken en doen. Wij lezen hier op indrukwekkende wijze over in het zogenaamde Hogepriesterlijk gebed van Jezus.

“En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen een zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijk­heid, die Gij Mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij een zijn, gelijk wij een zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot een opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezon­den hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt” Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23).

Hier wordt voor een volledige, com­plete eenheid gebeden en zoals er niets tussen de Vader en de Zoon is, zo mag en zal er niets tussen chris­tenen onderling zijn. Zal dit gebed van Jezus verhoord worden? Ja! “Zelf wist Ik dat Gij Mij altijd ver­hoort…” zegt Jezus op een andere plaats Johannes 11 vers 42 (Joh. 11:42).

Het is duidelijk dat het hier niet gaat om een vage, oecumenische en organisatorische eenheid, waarbij er geen sprake is van: “Heilig hen in uw waarheid, uw woord is de waar­heid” Johannes 17 vers 17 (Joh. 17:17). De eenheid, waar Jezus op doelde, zal gestalte gaan krijgen en dit is tevens het beste evangelisatiemiddel voor de wereld om te gaan geloven en tot erkenning te komen! Zoals er tussen de Vader en de Zoon geen “tussenstof” aan­wezig is, die belemmerend zou kun­nen werken, zo wezenlijk is het dat elke vorm van bewuste zonde onder ons afgelegd wordt. Waar de zonde niet weg komt, blijft er een vorm van vleselijk christendom bestaan, dat innerlijk tegen zichzelf verdeeld is. Willen wij een worden onder­ling, dan begint dat met het een worden in onszelf, onverdeeld toege­wijd aan Jezus, ons hoofd, onze Meester en Heer. De heerlijkheid van Jezus is ons gegeven, maar zal in de praktijk tevoorschijn mogen komen in groei­ende mate bij ons. Alleen zij die zich uitstrekken naar het meer en meer gaan tonen van het zoonschap -de heerlijkheid van Christus in ons- zullen ook de een­heid kunnen openbaren onder elkaar door de Geest.

Tussenmuren afbreken

We verstaan ook dat Hij, die onze vrede is, de tussenmuur, die schei­ding maakte, de vijandschap heeft weggebroken Efeze 2 vers 14 (Ef. 02:14). In dit ver­band gaat het om de tussenmuur tussen Jood en heiden, maar elke andere tussenmuur, die denomina­ties van elkaar scheidt, dient afgebroken te worden. Tussenmuren zijn niet te rechtvaardigen in bijbels licht. Helaas blijft het vaak bij kijken over de muur, of het wegkruipen achter de eigen muur, dan wel het maken van een gat in de muur, of het half afbreken van muren. Ik denk onder andere aan “beschietin­gen” op het christelijk erf in wat men over elkaar schrijft in de pers, waarbij de liefde als discipelkenmerk Johannes 13 vers 35 (Joh. 13:35) ver te zoeken is. Willen wij een worden, zoals de Vader en de Zoon volmaakt een zijn, dan gaat het om een geestelij­ke, organische eenheid in het leven van God. Als er “isolatiemateriaal” is tussen christenen, dan is de primaire oorzaak zonde en zondige verdeeldheid. Partijschappen zijn een werk van het vlees Galaten 5 vers 20 (Gal. 5:20) en zijn nooit te verdedigen, ook niet met het geven van klinkende namen. Triest genoeg zijn er in de kerkgeschiedenis vele menselijke scheurin­gen geweest, die de duivel in de kaart speelden. Hij heeft er alle belang bij eensgezindheid tussen christenen te ondermijnen door een wig tussen broeders te plaatsen bijv. Galaten 4 vers 17 NBV (Gal. 04:17). “Waaruit komt al die strijd, waar komen al die conflic­ten bij u toch uit voort? Is het niet uit de hartstochten die strijd leveren in uw binnenste” Jakobus 4 vers 1 NBV (Jak. 04:01). Wat is de remedie voor die harts­tochten? “Want wie Christus Jezus toebehoren hebben het vlees met zijn hartstochten en begeerten gekruisigd” Galaten 5 vers 24 (Gal. 05:24). Het met Christus gekruisigde leven, dat ver­volgens het nieuwe opstandingsle­ven met de vrucht van de Geest openbaart, maakt ons een! God wil werken door christenen heen die alles “vlak” willen hebben in hun leven en die geen tussen­muur in stand houden ten opzichte van andere heelhartige christenen, die ook wandelen in het licht, gelijk Hij in het licht is, dan hebben wij gemeenschap met elkander 1 Johannes 1 vers 6 (1 Joh. 01:06).

Gevoeligheden verdragen

In Romeinen 14 vergelijk 1 Korinthe 8 vers 7 tot en met 13 en 1 Korinthe 10 vers 23 tot en met 33 (1 Kor. 8:7-13 en 1 Kor. 10:23-33) lezen we over “ster­ken” en “zwakken” en vinden we een heel gebied, waar vaak strijd over gevoerd is, bijvoorbeeld over wat men wel of niet eten mag en welke dagen men al dan niet zal vie­ren. Wij lezen: “Wij, die sterk zijn, moeten de gevoeligheden van de zwakken verdragen en niet onszelf behagen (=ons eigen belang dienen, NBV)” Romeinen 15 vers 1 (Rom. 15:01). Door zichzelf te behagen in het vasthouden en uit­dragen van eigen meningen, is er veel onenigheid ontstaan over onder­geschikte punten.

Op dit terrein -het gaat immers niet over zonden- is vrijheid en verdraag­zaamheid nodig en daarom elkaar te aanvaarden, zoals Christus ons aanvaard heeft tot heerlijkheid Gods Romeinen 14 vers 1 en 2 en Romeinen 15 vers 7 (Rom. 14:01-02 en Rom. 15:07). “De God der volharding en vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar het voorbeeld van Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit een mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt ver­heerlijken” Romeinen 15 vers 5 en 6 (Rom. 15:05-06). Het is jammer als men ter wille van eten (en dergelijke punten) het werk Gods afbreekt Romeinen 14 vers 20 (Rom. 14:20). Men heeft dan niet hetzelfde licht over detailonderwerpen. Elders schrijft Paulus: “Indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren” Filippenzen 3 vers 15 (Filip. 03:15). Het gaat op die plaats wel over chris­tenen met een 100% gezindheid, die naar het volkomene jagen Filippenzen 3 vers 12 (Filip. 03:12) en die in vertrouwen zeggen: “maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder Filippenzen 3 vers 16 (Filip. 03:16).

De apostel geeft aan te letten op het geweten van de ander en ter wille van degene die zich daaraan kan sto­ten bepaalde zaken te laten, zoals bijvoorbeeld het drinken van wijn (Rom. 14:15-21).

De hoofdrichtlijn luidt: “Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouw bevordert” (Rom. 14:19). Dan gaat men niet muggenziften over pietluttigheden, of zaken die elke oprechte christen in het geloof dat hij bij zichzelf heeft voor Gods aangezicht mag houden zonder zich verwijten te maken bij hetgeen hij goed acht (Rom. 14:22).

Het woordje “allen”

Allen is een fascinerend woord, dat voor mij op vele plaatsen ging oplichten in de Bijbel. Niet om daar­mee de onjuiste leer van de alverzoening te staven overigens. Op elke plaats waar “allen” gebezigd wordt, zal gekeken moeten worden naar de betekenis. Vaak spreekt de Bijbel niet over “allen” zonder uitzonde­ring, maar gaat het om “allen” zon­der onderscheid.

Het is goed en nuttig dat het zonne­klaar wordt dat de eenheid niet breed-oecumenisch vorm krijgt zon­der enige Bijbelse voorwaarden, maar evenmin het patent kan zijn van slechts de ene of de andere kerk, groep of gemeenschap, die meent de enige ware van God te zijn. Er is ruimte in het woord “allen”. De discipelen wilden iemand, die boze geesten in Jezus’ naam uitdreef, beletten, “omdat hij niet met ons U volgt”. De repliek van Jezus was resoluut: “Belet het hem niet, want wie niet tegen ons is, is voor ons” Lucas 9 vers 49 en 50 (Luc. 09:49-50). Laten wij niet aan­zien wat voor ogen is. Paulus schrijft: “Indien iemand de vaste overtuiging heeft van Christus te zijn, dan overwege hij toch ook bij zichzelf, dat, evengoed, als hij van Christus is, wij ook van Christus zijn” 2 Korinthe 10 vers 7 (2 Kor. 10:07). Johannes schrijft over het erkennen van: “Als gij weet dat Hij rechtvaardig is, erkent dan ook, dat ieder die de rechtvaardig­heid doet uit Hem geboren is” 1 Johannes 2 vers 29 (1 Joh. 02:29). Paulus schreef zelfs nog: “Wat doet het ertoe? In elk geval, hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid, wordt Christus verkon­digd; en daarin verblijd ik mij en zal ik mij ook verblijden” Filippenzen 1 vers 18 (Filip. 01:18). Hierbij een bloemlezing, waar het woordje “allen” onder meer treffend voorkomt:

Psalm 119 vers 63 (Ps. 119:063): “Ik ben een metgezel van allen die U vrezen, en van hen die uw bevelen onderhouden”.

Psalm 145 vers 18 (Ps. 145:018): “De Here is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in waarheid”.

Romeinen 10 vers 12 (Rom. 10:12): “Want er is geen onderscheid tussen Jood of Griek. Immers een en dezelfde is Heer over alle, rijk voor allen die Hem aanroepen”.

1 Korinthe 1 vers 2 (1 Kor. 01:02): “aan de gemeente Gods te Korinthe, aan de geheiligden in Christus Jezus, de geroepen heiligen met allen, die allerwege de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen, hun en onze Here”.

1 Korinthe 3 vers 21 tot en met 23 (1 Kor. 03:21-23): “Daarom, niemand beroeme zich op mensen; alles is immers het uwe: hetzij Paulus, Apollos of Kefas… het is alles het uwe; doch gij zijt van Christus en Christus is van God”.

2 Korinthe 1 vers 1 (2 Kor. 01:01): “aan de gemeente Gods, die te Korinthe is, met AL de heiligen in geheel Achaje”.

Galaten 3 vers 26 en 27 (Gal. 03:26-27): “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed”.

Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13): “totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle ken­nis van de Zoon Gods bereikt heb­ben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”.

Efeze 6 vers 24 (Ef. 06:24): “De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben”.

Filippenzen 4 vers 21 (Filip. 04:21): “Groet iedere heilige in Christus Jezus”.

1 Thessalonicenzen 3 vers 12 (1 Thess. 03:12): “en u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen – zoals ook wij gezind zijn jegens u-

2 Timoteüs 4 vers 8 (2 Tim. 04:08: “voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardig­heid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven doch niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning hebben liefgehad”.

1 Petrus 5 vers 14 (1 Petr. 05:14): “Groet elkander met de kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus zijt”.

Babel kan toets niet doorstaan

Naast de roeping die tot alle ware christenen uitgaat om uit te trekken uit Babylon, zien we de verbastering van en afval binnen het christendom uitgedrukt in deze geestelijke stad. Het is de verwarring van het schijn het namaak- en het naamchristen- dom, waar men naast de dienst aan God allerlei tradities, vormen en ver menging van waarheid en leugen, dus dwaalleringen of huichelachtig­heid, vasthoudt.

God wil geen gemeente die bestaat uit trouwe christenen en niet trouwe, maar wie trouw willen leven naar Woord en Geest worden opge­roepen: “Gaat uit van haar mijn  volk”, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04).

Het is “voorhof christendom”, waar men mogelijk zondenvergeving heeft of in elk geval daarvan heeft gehoord (het type daarvan is het brandofferaltaar, beeld van het Zoenoffer, waar velen rondjes omheen draaien: zondigen en verge­ving vragen), maar dat door en door aardsgezind is. In de eindtijd valt deze voorhof ten prooi aan de vijand Openbaring 11 vers 1 en 2 (Openb. 11:01-02). Men heeft God niet willen aanbidden bij het reukofferal­taar, in geest en waarheid als “tem­pelchristen”, heilig voor de Here! Babel heeft nooit goddelijke eenheid kunnen openbaren, want het was uit de mensen: groot en hoog, maar het voerde tot het elkaar niet verstaan, dus tot spraakverwarring en ver­deeldheid.

De voorhof bestaat uit aarde en er ontstaat geen weg van nieuwe levensontwikkeling en groei -hoog­stens is er de basis van vergeving van zonden- en er zijn vele partij­schappen, die het grote, algemene christendom tot een aanfluiting in deze wereld maken. Slechts wanneer men door de smalle poort het heiligdom binnengaat kan men komen tot overwinningsleven, de weg van heiligmaking door het leven heen Hebreeën 10 vers 20 (Heb. 10:20) tot achter net voorhangsel naar het doel: god­delijke natuur 2 Petrus 1 vers 4

(2 Petr. 01:04). Slechts “tempelchristendom”, waar men de weg van Jezus volgt, leidt tot de een­heid van het geloof en de mannelij­ke rijpheid Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Daartoe moet men uittrekken uit het rumoer, de religieuze chaos en de discussies van Babel, waar men Gods Woorden relativeert en afvlakt en zij is geworden tot een woon­plaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en ver­foeilijk gevogelte Openbaring 18 vers 2 (Openb. 18:02).

Het is de grote hoer, die zowel gemeenschap wil hebben met Gods Geest, als zich openstelt als schuil­plaats voor boze geesten. “Schuilplaats”, dat wil zeggen: het gebeurt gemaskeerd en gecamou­fleerd, zodat de ware aard niet aan­stonds duidelijk is, omdat de mach­ten der duisternis zich voordoende als engelen des lichts schuilevinkje spelen via mensen, die doen alsof ze dienaren van de gerechtigheid zijn 2 Korinthe 11 vers 14 en 15 (2 Kor. 11:14-15).

“Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten des Heren draagt” Jesaja 52 vers 11 (Jes. 52:11). “Wij hebben getracht Babel te gene­zen, maar het is niet te genezen, ver­laat het en laten wij gaan…” Jeremia 51 vers 9 (Jer. 51:09).

Vele menen uit Babel getrokken te zijn door een kerk of gemeenschap te verlaten die op bepaalde onderde­len afboog van de Schriften, of in een levenspraktijk die zich niet ver­draagt met de klare lijnen van de woorden van God. Vaak is dat gebo­den en velen zijn hier gehoorzaam geweest. Toch gebeurt het niet zel­den dat men later ontdekt opnieuw in een buitenwijk beland te zijn van dezelfde grote stad Babylon. Babylon is niet slechts de moederkerk Rome, maar heeft ook de in de Protestantse dochters haar werk gedaan en het evangelische en charismatische erf is er evenmin van gevrijwaard. Het algemene christendom is doorzuurd van het Babylonisch-religieuze. Het geheimenis ‘Babylon’ is een naam die op het voorhoofd van de hoer is geschreven Openbaring 17 vers 5 (Openb. 17:05). Daarom zullen wij allereerst los moeten komen van het verwarde denken bij onszelf, om vernieuwing van denken van God uit te ondergaan en vervol­gens vernieuwd te leven en te handelen vanuit de gezindheid van de Geest van God. Alleen vernieuwing van denken, gevoelen, leven en doen, brengt ons naar de eenheid van zin en gevoelen vgl. 1 Korinthe 1 vers 10 (1 Kor. 01:10). In 1 Korinthe 1 vers 19 (1 Kor. 01:19 lezen we: “want scheuringen moeten er wel onder u zijn, zal het blijken wie de toets kan doorstaan”. De Statenvertaling heeft: “opdat de oprechten openbaar mogen komen onder u”. De NBV heeft: “zodat dui­delijk wordt wie van u betrouwbaar is”. Deze toets leidt tot schifting van hen die de toets doorstaan en oprecht en betrouwbaar blijken en hen bij wie dit niet het geval is. Er kan geen eenheid tot stand komen in geest en waarheid met halfhartige, lauw-ingestelde mensen, die niet 100% de gezindheid hebben om Gods wil te doen als discipel tegen elke prijs, om te komen tot het volwassen zoonschap.

Hier zien we de twee soorten ont­wikkeling, die een bekende volle evangelie pionier aanduidde met de wet van de letter V (de benen lopen steeds verder uit elkaar): “Wie recht­vaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd” Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) en het negatieve ontwikke­lingsproces heeft eveneens zijn loop, totdat de climax is bereikt: enerzijds het oordeel over Babel Openbaring 14 vers 8 en Openbaring 18 vers 10 tot en met 23 (Openb. 14:8; Openb. 18:10-23) en anderzijds de getoonde heerlijkheid Gods van het nieuwe Jeruzalem Openbaring 21 vers 10 tot en met 23 (Openb. 21:10-23).

Verzamelen van de oprechten

In de eindtijd zien we eveneens een ander proces, dat ik zou willen aan­duiden als de wet van de letter A (de benen vinden elkaar en krijgen een dwarsverbinding), dat wordt gereali­seerd onder de oprechten van hart, die helemaal hun Heer dienen en uit diverse christelijke stromingen afkomstig zijn, maar elkaar gaande­weg zullen gaan vinden. “Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan, hen wier hart volkomen naar Hem uitgaat” 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09). Zulke mensen zoeken God ernstig en die bekrachtigt Hij! Gods “mag­neet” trekt zulke mensen aaneen tot eenheid in de eindtijd en zij stoten anderzijds de zonde af en de demo­nen verliezen elke grip op hen, omdat zij zich volkomen op God richten en Hij hen kan vervullen met kracht.

Het is duidelijk: wat we nu zien in de verstrooide christenheid, dat kan niet Gods bedoeling zijn. In de eind­tijd is er sprake van geestelijke bevingen en wordt alles wat chris­tendom heet, in kerk, groep, bewe­ging of kring, geschud. Het doel is: “opdat blijve wat niet wankel is” Hebreeën 12 vers 26 en 27 (Heb. 12:26-27). Hoe groots is het te midden van het eindtijdgeweld onbeweeglijk en standvastig te mogen staan, om een onwankelbaar Koninkrijk te ontvangen Hebreeën 12 vers 28 (Heb. 12:28).

Gods verlangen zal voltooid worden in het leiden van de schapen (van Joodse of heidense, of van welke denominatie-komaf ook) dat zij naar zijn stem zullen horen en dat het zal worden een kudde en een herder Johannes 10 vers 16  (Joh. 10:16). In zijn tijd had Jezus vaak geprobeerd de kinderen Israëls te vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verga­dert, maar zijn conclusie luidde: gij hebt niet gewild Matteüs 23 vers 37 (Matt. 23:37). Toch blijft staan dat Jezus niet alleen zou sterven voor het volk, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen Johannes 11 vers 25 (Joh. 11:52). Reeds op aarde sprak Hij: “Wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit” Matteüs 12 vers 30b (Matt. 12:30b).

In de oogsttijd zal pas het onkruid, die de vijand zaaide, van het koren gescheiden worden en vindt de vol­ledige zuivering plaats. Dan krijgt de eenheid concreet gestalte: “Brengt het koren bijeen in mijn schuur” (=gemeente, die geestelijk geworden is) Matteüs 13 vers 30c (Matt. 13:30c). Daaraan voorafgaand voltrekt zich het proces van ontwikkeling en rij­ping naar het volle koren in de aar Markus 4 vers 28 en 29 (Mark. 04:28-29) en tegelijkertijd is het onkruid eveneens volgroeid geworden (dat is de dolik of dolle tarwe, die alleen in kiem (zaad) en eindresultaat goed onderscheiden kan worden van de echte tarwe, maar tijdens de ontwikkeling van de halmen aanzienlijke gelijkenis met de tarwe vertoont!). “Zie, de Landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en de late regen

erop gevallen is” (waardoor de oogst de rijpe, volwassen vrucht voort­brengt, namelijk de heerlijkheid va de volgroeide zonen Gods) Jakobus 5 vers 7 vergelijk Hebreeën 2 vers 10 (Jak. 05:07; Heb. 02:10).

Steeds geldt het principe: “voor de oprechte gaat het Licht in de duisternis op” Psalm 112 vers 4 (Ps. 112:004). Het is de roep van God, om zijn volk te richten: “Vergadert Mij mijn gunstgenoten, die met Mij het ver­bond sluiten met offers” Psalm 50 vers 5 (Ps. 050:005). Offers spreken van Discipelschap door alles op te geven, om God te dienen en Jezus te volgen. Zulke oprechten en getrouwen kan Hij vergaderen tot eenheid. Gods gunst is op hen, Zijn welgevallen rust op het leven van de getrouwen, die naar Zijn Geest wandelen. Van onze kant geldt ook een immense opdracht, om te zoeken naar “dwarsverbindingen”: “Jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar lief­de en vrede met hen, die de Here aanroepen uit een rein hart” 2 Timoteüs 2 vers 22b (2 Tim. 02:22b). Laten wij van deze instelling gegrepen zijn, om ware eenheid te zoeken en te vinden, die als basis reine harten heeft, die God kan doen samensmelten!

 

Wat we van Job kunnen leren door Hessel Hoefnagel

Het boek Job in het licht van het evangelie Deel 4 (slot)

We hebben in de vorige artikelen gezien, dat satan de veroorzaker is van al het lijden, dat Job overkwam, maar ook ons overkomt.

Net als in de ‘hof van Eden’ was bij Job ook satan aanwezig tussen de ‘zonen Gods, die zich voor de Here stellen’ om op een subtiele manier Job te beschuldigen en hem daarna binnen de hem toegestane grenzen waar mogelijk aan te vallen en te bescha­digen Job 1 vers 6 e.v. (Job 01:06). Satan is onophoudelijk de ‘aanklager der broederen’. ‘Dag en nacht’ staat hij voor de troon van God om Hem te wijzen op alles wat zij (wij) ver­keerd doen. Dat ervaren wij in ons gedachteleven. Belangrijk is hoe je daar persoonlijk mee omgaat. Want zijn aanklacht is te weerstaan door daar het eigen getuigenis van het geloof tegenover te stellen, pleiten op het volbrachte werk van Jezus Christus (het ‘bloed van het Lam’), geloof in de totale vergeving van zonden en volharden tot ‘de dood’ Openbaring 12 vers 10b en 11 (Openb. 12:10b-11).

Als bewuste christenen, dus gedoopt in de heilige Geest, zijn wij in staat te zien, hoe vaak de duivel aanwezig is in het lijden, dat mensen (ook christenen) te verduren hebben. Zijn ‘listen en lagen’ zijn ons immers niet onbekend? De massamens ech­ter, die God niet kent, houdt geen rekening met de duivel en houdt zelfs onze goede God maar al te vaak verantwoordelijk voor wat er aan leed in de wereld plaatsvindt. Door onwetendheid wordt zelfs door ‘gelovigen’ het werk van de duivel maar al te vaak toegeschreven aan de (vermeende) ware God, die op één of andere willekeurige manier straf oefent, of het nu Zijn kinderen betreft of niet. Uit Zijn hand denkt men zowel het goede als het kwade te ontvangen, hetgeen men zelfs in de fundamentele uitgangspunten van menige geloofsgemeenschap heeft vastgelegd.

Mede uit het boek Job dienen we echter te leren, dat niet onze God, maar de satan (de ‘leugenaar van den beginne’) de veroorzaker is van alle ellende, welke zich in persoonlij­ke of gemeenschappelijke zin vol­trekt in deze wereld. Satan is de tegenstander van de mens! Hij haat de mens en doet er alles aan om te verhinderen, dat deze het doel van de Schepper bereikt: het openbaar worden als ware mens-in-Christus. Hij krijgt weliswaar tot een door onze God bepaalde tijd de mogelijkheid om deze mens aan te vallen, maar onze God zal nooit toestaan, dat Zijn kin­deren boven vermogen door hem verzocht worden, 1 Korinthe 10 vers 13 (1 Kor. 10:13). Dat gold ook Job, hoewel deze nog niet in staat was om ‘achter de schermen’ te kijken! De duivel pro­beerde de Here God zo ver te krijgen om Job aan te tasten en dat probeert hij nog ten opzichte van de mens door middel van zijn voortdurende aanklacht. Maar God laat zich door het kwade niet verzoeken en Hij brengt ook niemand in verzoeking lees Jakobus 1 vers 12 en 13 (Jak. 01:12-13). Wel kreeg satan toestemming om Job aan te tasten en zijn bezit af te nemen, maar met de duidelijke begrenzing, dat hij het leven van Job niet mocht nemen. Daaruit zou God namelijk een nieuwe Job tevoor­schijn doen komen. Het leven van Job was dus in de bescherming van God tot een bepaald doel Job 2 vers 6 (Job 02:06). Datzelfde geldt ook voor de gelovige nu! Dat moet steeds in ‘het woord van ons persoonlijk getuigenis’ doorklinken. De duivel kan het voornemen van onze God met betrekking tot de mens dwarsbomen, maar niet ver­hinderen. We zien dit onder andere bij Adam in de ‘hof van Eden’; bij Abraham, toen deze werd beproefd in zijn geloof, maar gelijk­tijdig door satan verzocht werd om Izak te slachten; bij de ‘verzoekingen van het volk Israël in de woestijn’ en in vele andere Bijbelse voorbeelden. De duivel moet zelfs vaak ongewild meewerken aan de voltooiing van het ‘eeuwig voornemen’ van de Schepper met betrekking tot de mens. Om daarna tot zijn eigen bestemming te komen in de ‘poel des vuurs’ Matteüs 25 vers 41b en Openbaring 20 vers 10 (Matt. 25:41b, Openb. 20:10).

Het vuur van beproeving

In het geval van Job kunnen wij als achtergrond de invloed van de dui­vel lezen, maar de (in God geloven­de!) mensen uit diens omgeving zagen in Job niet anders dan een mens, die wel tegen God gezondigd zou moeten hebben en daarom door Hem gestraft werd. Naast het lichamelijk lijden was het in twijfel trekken van zijn rechtvaar­digheid door zijn vrienden voor Job een veel zwaardere beproeving. Hij kwam immers helemaal alleen te staan in zijn strijd. Hij is daarmee een typering van onze Heiland. Hoe kwam immers ook onze Heer Jezus alleen te staan in Zijn bediening om de ‘zonden van de wereld’ te dragen en de mens weer met God te verzoe­nen. Hoe werd Hij al aan het begin van Zijn bediening door de heilige Geest bewust in de ‘hemelse gewes­ten’ geconfronteerd met de duivel, welke Hem gedurende vele dagen verzocht in deze ‘woestijn’ Matteüs 4 vers 1 tot en met 11 (Matt. 04:01-11).

Hij wist echter door de Geest van God weerstand te bieden in deze ‘boze dag’ door de duivel steeds weer het Woord van God voor te houden en zich alleen aan Hem dienstbaar te stellen. De persoonlijke vervulling met de heilige Geest, zoals Jezus die ervoer, moest Job nog missen. Dat feit doet hem in onze waardering alleen nog maar sterker staan in zijn vasthou­den aan zijn rechtvaardigheid voor God.

Ook wij als ‘kinderen Gods’, die ook de heilige Geest ontvangen hebben, kunnen concluderen, dat wij onder toelating van onze God beproevin­gen ondergaan en dat daarin onze vijand, de duivel, maar al te graag ons tracht te verzoeken om onze God en Vader als ’tegenstander’ te gaan zien. Om Hem de oorzaak van ons lijden aan te wrijven, in plaats van de boze geesten te ontmaskeren en hen te weerstaan, zodat ze van ons moeten aflaten, net als bij Jezus Matteüs 4 vers 11 en Jakobus 4 vers 7 (Matt. 04:11; Jak. 04:07). Het ‘vuur van beproeving’ maakt kinderen Gods sterk en bekwaam tot hun hoge roeping. Onze God heeft alles in de hand en Hij zorgt er voor, dat we niet boven vermogen ver­zocht worden.

Hij zorgt met de ver­zoekingen ook voor de uitkomst, zodat we er tegen bestand zijn 1 Korinthe 10 vers 12 en 13 (1 Kor. 10:12-13).

Dat leren wij ook uit de geschiede­nis van Job. Satan kan geen ‘haar van ons hoofd’ doen vallen zonder de wil van onze hemelse Vader. Wat er ook gebeurt, het ‘eeuwig leven’ van onze innerlijke mens is het eigendom van onze God en daar blijft de duivel met al zijn ‘geweld u van af.

De vrienden van Job

Er worden vier vrienden van Job genoemd, maar er is onderscheid tussen de eerste drie vrienden en del laatstgenoemde vriend. De eerste drie vrienden zijn nakomelingen van Ezau (Edom). Hun namen zijn: Elifaz, Bildad en Zofarl Zij typeren godsdienstige, vrome geesten, die elkaar aanvullen om de oorzaken van alle menselijke ellende’ in het leven van Gods kinderen ergens in verband brengen met de wil van God en/of de schuld van de mens ten opzichte van God lees Job vers 2 vers 11 tot en met 13 Job 02:11-13).

Deze ‘vrienden’ stellen in feite de mens tegenover God en ze trachten de mens zover te brengen, dat deze zichzelf schuldig gaat voelen om wat hij meemaakt of zich met verwijten tegenover God stelt. God en mens worden dan elkaars tegenspeler en de werkelijke vijand van de mens blijft mooi buiten schot. ‘Alle dingen ontvang je uit de vader­hand van God’, zeggen deze geesten door de mond van ‘vrome vrienden’. Dus ook de nare dingen. God zegen: wie Hij wil en Hij straft wie Hij wil en de mens moet dat maar accepte­ren.

Zeven dagen lang zwijgen deze ‘vrome vrienden’ als ze bij Job arri­veren. Ze strooien as op hun hoofd. Ze kunnen geen woord van begrip en troost over hun lippen krijgen. En als ze gaan spreken, stromen ze over van verwijten en het in twijfel trekken van de oprechtheid en god­vrezendheid van Job. Ze gaan van puur menselijke standpunten uit en redeneren vanuit menselijke ervarin­gen en tradities. Ze geloven in Gods bemoeienis met mensen, maar de wegen, die God gaat met Zijn kinde­ren is hun volkomen duister. Wat nog erger is voor Job: ook zijn vrouw is zwaar aangeslagen. Ook zij heeft geen inzicht in de geestelijke achtergronden. Ze heeft de rijkdom van Job ervaren als een zegen, maar ze ziet ook het verlies van haar kin­deren en de felle aantasting van de gezondheid van haar man als van God afkomstig en dit maakt haar opstandig.

Haar bittere klacht is: ‘Job, wat heeft jou vroomheid je opgebracht? Toch alleen maar ellende!? Houd je nog vast aan je vroomheid? Zegen toch God en sterf’! (Job 2:9). Uiteindelijk moeten deze eerste drie ‘vrienden’ van Job zwijgen. Hun redeneringen ketsen af op het vast­houden aan zijn gerechtigheid door Job, hoewel dat in hun ogen niet anders is dan halsstarrig vasthouden aan een verborgen zondig leven.

Zij hebben niet anders te bieden dan de ‘bediening naar het vlees’, de ‘bedie­ning naar de letter’, de ‘bediening des doods’, de ‘bediening der veroor­deling’, later geschreven op ‘stenen tafelen’ (2 Korinthe 3). Tegenover de ‘bediening naar het vlees’ staat echter de ‘bediening naar de Geest’. Deze is niet op stenen tafelen geschreven, ook niet met inkt, maar door de Geest van de levende God geschreven op de ’taf­elen van vlees in het hart’. De bediening van de Geest, die levend maakt. De ‘bediening van het nieu­we verbond’, de ‘bediening, die rechtvaardigheid bewerkt’. En de heerlijkheid van deze bediening is overvloedig in heerlijkheid (2 Korinthe 3).

De vierde vriend

De laatstgenoemde vriend van Job is een typering van deze bediening naar de Geest. Hij is geheel anders dan de andere drie. Hij is een nako­meling van Nahor, de broer van Abraham. Hij komt pas in Job hoofdstuk 32 naar voren. Zijn naam is Elihu (Hij is mijn God!). De andere drie ‘vrienden’ zijn oud en bezadigd, evenals hun bediening. Elihu echter is nog jong en hanteert de nieuwe, jonge uitgangspunten van de Geest van het leven. Elihu redeneert niet vanuit menselijke tra­ditie, ervaring of verdienste. Hij spreekt door de Geest van God. Hij staat niet op één lijn met de andere drie. Hij brengt het denken van Job in de richting van God. Johannes de Doper was ook zo’n Elihu. Hij ging uit in de geest en de kracht van Elia (Elihu) Matteus 11 vers 10 tot en met 14 en Lucas 1 vers 17 (Matt. 11:10-14; Luc. 01:17). Hij wees op degene, die na hem komen zou, Jezus. Zo spreekt ook in ons hart de ‘Elihu’ (Geest van God) en leidt ons in alle waarheid, daar waar menselijke redeneringen het moeten laten afwe­ten. De ‘stem van Elihu’ wijst altijd omhoog. Het is wel belangrijk om deze stem ruimte te geven en niet te laten onderdrukken door de vele stemmen van de ‘bediening naar het vlees’.

Het ‘einde’ van Job

In het Nieuwe Testament van de bij­bel is het de apostel Jakobus, die in zijn brief relateert aan Job. In het gedeelte, waar deze schrijft over geduld in het lijden haalt hij onder andere Job aan: “Gij hebt van de vol­harding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed vol­gen, gezien dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming” Jakobus 5 vers 11 (Jak. 05:11).

Hoewel Job in zijn bittere omstan­digheden en smaad, die hij had te verduren, de invloed van God niet ervoer, was Deze steeds heel dichtbij om hem te beschermen. Hij is altijd nabij hen, die Hem vrezen en Hij let op hun hulpgeroep: ‘De Here is nabij allen die Hem aan­roepen in waarheid.

Hij vervult de wens van wie Hem vrezen, Hij hoort hun hulpgeroep en verlost hen’ Psalm 145 vers 18 en 19 (Ps. 145:018-019).

God staat geheel aan de kant van Job, al ervaart deze dat niet in zijn lijden periode. Hij legt Job geen juk op, maar Hij helpt hem om het juk dat de duivel hem doet ondergaan, te dragen. Tegelijk wordt Job liefde­vol door God gecorrigeerd, als hij in zijn moeiten en beperkt inzicht in wat hem overkomt, zijn bittere smart naar buiten brengt.

De geestelijke realiteit

God bepaalt Job aan de hand van voorbeelden uit de schepping bij zijn gebrek aan inzicht. Hij noemt licht en duisternis, hemel, zee en aarde, winden, wolken en sterren, leven en dood, allerlei wilde dieren en het onvermogen van de mens om aan deze dingen maar het minste aan te kunnen sturen. De Here God opent aan de hand van deze voorbeelden de ogen van Job en ook van ons voor de realiteit in de geestelijke wereld. De specifiek genoemde monsterdieren: de behemoth, groot dier Job 40 vers 10 SV (Job 40:10) en de leviathan, watermonster Job 40 vers 20 Statenvertaling (Job 40:20) typeren geestelijke wer­kelijkheden uit het rijk der duister­nis, waar de mens mee geconfron­teerd wordt, vaak zonder het zich bewust te zijn.

De behemoth (NBG nijlpaard) duidt dan op het ‘beest uit de aarde’ en de leviathan het ‘beest uit de zee’, welke in de profetie van het boek Openbaring van Jezus Christus genoemd worden. Ze typeren respectievelijk de antichrist (het ‘beest uit de aarde’) en de ‘geest van de antichrist’ (het ‘beest uit de zee’), de geest, waaraan deze zijn macht ontleent. Deze antigoddelijke geest is de tegenhanger van de heilige Geest van God, welke de ware chris­tenen vervult, Openbaring 13. De geest van de antichrist is het monster dat zich roert in de diepte der zee, welke het rijk van de Doodsmacht aanduidt. Van daaruit worden de occulte krachten door de antichrist ontbonden, welke de wereld van de mens overspoelen. Door deze krachten, gepaard met tekenen en wonderen, vestigt de antichrist zijn heerschappij op aarde. En zoals het evangelie van Jezus (de) Christus de boodschap is, welke de mens naar de ware God toe voert, zo voert het ‘evangelie’ van de antichrist de mens (op vaak subtiele wijze) naar de antigod toe, wiens naam is Dood.

De Dood(smacht) is als gevolg van de zondeval van de éérste mens in de wereld gaan heersen en zijn claim ligt sindsdien op alle mensen, die nog niet innerlijk wederom geboren zijn door geloof in Jezus Christus, dus nog niet zijn ‘ontwaakt uit de slaap en opgestaan van tussen de doden uit’ Romeinen 5 vers 12 en Efeze 5 vers 14 (Rom. 05:12-14; Ef. 05:14 letterlijk).

De aardse mens is door de claim van de Dood gevangen in ‘stof’ (elemen­ten waaruit de zichtbare dingen zijn samengesteld) en wanneer diens lichaam na het sterven tot stof zal wederkeren, blijft zijn innerlijke mens gevangen in de claim van de Dood. De hemelse mens echter is door de wedergeboorte als gevolg van persoonlijke bekering en geloof vrijgekomen ‘uit de macht der duis­ternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde’ Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13).

Voor deze innerlijke mens geldt dat hij de dood in eeuwigheid niet zal zien of smaken Johannes 8 vers 51 en 52 (Joh. 08:51-52). Aan deze mens verbindt God zich door Zijn Geest, waardoor de ‘mens-in- Christus’ ontstaat. Hij vestigt door middel van deze ‘mens-in-Christus’ Zijn recht in de hemel (de wereld der geesten) en van daaruit op de aarde (de wereld van de éérste (natuurlijk georiënteerde) mens. Zoals de uiterlijke mens ‘stof’ is, dat tot ‘stof’ zal wederkeren, zo is de hemelse (innerlijke) mens ‘geest uit God’ (wederom geboren uit het woord van God), welke tot God terugkeert, nadat het Woord heeft bewerkt, waartoe Hij het heeft uitge­zonden Romeinen 11 vers 36 (Rom. 11:36).

Prototype van de hemelse mens

God toonde aan Job in beelden de achtergrond van de geestelijke wereld, van waaruit de dingen in de zichtbare wereld worden bestuurd. Job was een prototype van de hemel­se mens, zonder zelfkennis te heb­ben van de werkelijke achtergrond van de dingen. Hij troost zich met de correctie, die God hem geeft en Die hem een nieuw perspectief laat zien. Hij belijdt:

“Ik zag de dingen verkeerd. Ik sprak zonder inzicht over dingen, die ik niet begreep. Ik vraag U: Onderricht U mij. Ik sprak en dacht over U zon­der U echt te kennen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 3 tot en met 5 (Job 42:03-05)-

Wij mogen het gegeven van Job han­teren om zelf ook inzicht te verwer­ven in de dingen achter de dingen, als we ons maar open stellen voor de waarheid. De duivel bespeelt zo mogelijk de gezindheid van ons ‘vlees’ en verduistert en omsluiert wat onze God bedoelt, zodat we dat maar niet zullen verstaan en daar­door vrij worden in ons denken. De Geest van onze God echter ontslui­ert door het levende Woord het raadsbesluit (‘eeuwig voornemen’) van God en de hemelse realiteiten worden dan aan de hemelse mens duidelijk.

Zo worden aan de gemeente op aarde Elihu’s gegeven: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelis­ten, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, dit is tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ Efeze 4 vers 11 en 12 (Ef. 04:11-12). Het zijn de wegbereiders voor het Woord van God zelf, zodat dit zich kan openbaren. Dit woord, dat allereerst ‘vlees’ is geworden in onze Heer Jezus, wordt ook ‘vlees’ in hen, die de goede Herder roept als Zijn eigen schapen. Zij gaan naar buiten en volgen Hem, omdat zij ‘Zijn stem’ kennen, dus Zijn evangelie horen en aanvaarden in hun persoonlijk leven Johannes 10 vers 3 en 4 (Joh. 10:03-04).

De Geest der waarheid

Dit levende Woord van God kan alleen door de Geest der waarheid worden geopenbaard. Menselijke wijsheid kan nuttig en bruikbaar zijn, maar om de onnaspeurlijke rijkdom van het Woord der waarheid te openbaren, is de Geest der waar­heid nodig.

In alle druk en narigheid riep Job uit: “Ik weet, dat mijn Losser leeft en dat Hij ten laatste (= in het laatste der dagen) op het stof (= op aarde) zal optreden. En al is mijn huid geschonden, toch zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Mijn eigen ogen zullen zien en mijn nieren in mijn binnenste smachten van verlangen” Job 19 vers 25 tot en met 27 (Job 19:25-27). God leidde Zijn knecht naar deze ervaring toe, hoewel Job dit zelf nog niet besefte en dacht aan een verre toekomst. Later zou hij echter uit­roepen: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 5(Job 42:05). Geestelijke ervaringen moeten we niet naar later verschuiven. “Nu is het de tijd van het welbehagen, nu is het de dag van het heil”, want de “genade Gods is verschenen, heil­brengend voor alle mensen”, dus zeker voor ons Titus 2 vers 11 en 2 Timoteüs 1 vers 9b en 10 (Titus 2:11; 2 Tim. 1:9b-10).

Wij mogen van Job leren om God te zien, ook als we in uiterlijk moeilij­ke omstandigheden verkeren. Als we Hem nog niet zien, laten we dan ‘ogenzalf kopen om onze oogleden te bestrijken’ Openbaring 3 vers 18 (Openb. 03:18).

Barmhartigheid en ontferming

Job wordt door God geheel gerehabi­liteerd ten opzichte van zijn ‘vrien­den’. Jakobus zei: ‘let op het einde van Job’. De drie ‘vrienden’ van Job worden echter niet door Gods toorn verworpen, maar Hij stuurt ze naar Job toe, zodat deze voor ze kan bid­den, in plaats van op één of andere manier wraak op ze te nemen. Ook daarin zit een diepe les, ook voor ons.

En aan het gebed van Job als recht­vaardige wordt kracht verleend. Niet alleen aan Job wordt een ‘dubbel welke de mens naar de ware God toe voert, zo voert het ‘evangelie’ van de antichrist de mens (op vaak subtiele wijze) naar de antigod toe, wiens naam is Dood.

De Dood(smacht) is als gevolg van de zondeval van de éérste mens in de wereld gaan heersen en zijn claim ligt sindsdien op alle mensen, die nog niet innerlijk wederom geboren zijn door geloof in Jezus Christus, dus nog niet zijn ‘ontwaakt uit de slaap en opgestaan van tussen de doden uit’ Romeinen 5 vers 12 tot en met 14 letterlijk (Rom. 05:12-14; Ef. 05:14).

De aardse mens is door de claim van de Dood gevangen in ‘stof’ (elemen­ten waaruit de zichtbare dingen zijn samengesteld) en wanneer diens lichaam na het sterven tot stof zal wederkeren, blijft zijn innerlijke mens gevangen in de claim van de Dood. De hemelse mens echter is door de wedergeboorte als gevolg van persoonlijke bekering en geloof vrijgekomen ‘uit de macht der duis­ternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde’ Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13).

Voor deze innerlijke mens geldt dat hij de dood in eeuwigheid niet zal zien of smaken Johannes 8 vers 51 en 52 (Joh. 08:51-52). Aan deze mens verbindt God zich door Zijn Geest, waardoor de ‘mens-in- Christus’ ontstaat. Hij vestigt door middel van deze ‘mens-in-Christus’ Zijn recht in de hemel (de wereld der geesten) en van daaruit op de aarde (de wereld van de éérste (natuurlijk georiënteerde) mens. Zoals de uiterlijke mens ‘stof’ is, dat tot ‘stof’ zal wederkeren, zo is de hemelse (innerlijke) mens ‘geest uit God’ (wederom geboren uit het woord van God), welke tot God terugkeert, nadat het Woord heeft bewerkt, waartoe Hij het heeft uitge­zonden Romeinen 11 vers 36 (Rom. 11:36).

Prototype van de hemelse mens

God toonde aan Job in beelden de achtergrond van de geestelijke wereld, van waaruit de dingen in de zichtbare wereld worden bestuurd. Job was een prototype van de hemel­se mens, zonder zelfkennis te heb­ben van de werkelijke achtergrond van de dingen. Hij troost zich met de correctie, die God hem geeft en Die hem een nieuw perspectief laat zien. Hij belijdt: “Ik zag de dingen verkeerd. Ik sprak zonder inzicht over dingen, die ik niet begreep. Ik vraag U: Onderricht U mij. Ik sprak en dacht over U zon­der U echt te kennen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 3 tot en met 5 (Job 42:03-05)-

Wij mogen het gegeven van Job han­teren om zelf ook inzicht te verwer­ven in de dingen achter de dingen, als we ons maar open stellen voor de waarheid. De duivel bespeelt zo mogelijk de gezindheid van ons ‘vlees’ en verduistert en omsluiert wat onze God bedoelt, zodat we dat maar niet zullen verstaan en daar­door vrij worden in ons denken. De Geest van onze God echter ontslui­ert door het levende Woord het raadsbesluit (‘eeuwig voornemen’) van God en de hemelse realiteiten worden dan aan de hemelse mens duidelijk.

Zo worden aan de gemeente op aarde Elihu’s gegeven: apostelen, profeten, herders, leraars, evangelis­ten, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, dit is tot opbouw van het ‘lichaam van Christus’ Efeze 4 vers 11 en 12 (Ef. 04:11-12). Het zijn de wegbereiders voor het Woord van God zelf, zodat dit zich kan openbaren. Dit woord, dat allereerst ‘vlees’ is geworden in onze Heer Jezus, wordt ook ‘vlees’ in hen, die de goede Herder roept als Zijn eigen schapen. Zij gaan naar buiten en volgen Hem, omdat zij ‘Zijn stem’ kennen, dus Zijn evangelie horen en aanvaarden in hun persoonlijk leven Johannes 10 vers 3 en 4 (Joh. 10:03-04).

De Geest der waarheid

Dit levende Woord van God kan alleen door de Geest der waarheid worden geopenbaard. Menselijke wijsheid kan nuttig en bruikbaar zijn, maar om de onnaspeurlijke rijkdom van het Woord der waarheid” te openbaren, is de Geest der waar­heid nodig.

In alle druk en narigheid riep Job uit: “Ik weet, dat mijn Losser leeft en dat Hij ten laatste (= in het laatste der dagen) op het stof (= op aarde) zal optreden. En al is mijn huid geschonden, toch zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Mijn eigen ogen zullen zien en mijn nieren in mijn binnenste smachten van verlangen” Job 19 vers 25 tot en met 27 (Job 19:25-27). God leidde Zijn knecht naar deze ervaring toe, hoewel Job dit zelf nog niet besefte en dacht aan een verre toekomst. Later zou hij echter uit­roepen: “Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd” Job 42 vers 5 (Job 42:05). Geestelijke ervaringen moeten we niet naar later verschuiven. “Nu is het de tijd van het welbehagen, nu is het de dag van het heil”, want de “genade Gods is verschenen, heil­brengend voor alle mensen”, dus zeker voor ons Titus 2 vers 11 en 2 Timoteüs 1 vers 9b en 10 (Titus 2:11; 2 Tim. 1:9b-10).

Wij mogen van Job leren om God te zien, ook als we in uiterlijk moeilij­ke omstandigheden verkeren. Als we Hem nog niet zien, laten we dan ‘ogenzalf kopen om onze oogleden te bestrijken’ Openbaring 3 vers 18 (Openb. 03:18).

Barmhartigheid en ontferming

Job wordt door God geheel gerehabi­liteerd ten opzichte van zijn ‘vrien­den’. Jakobus zei: ‘let op het einde van Job’. De drie ‘vrienden’ van Job worden echter niet door Gods toorn verworpen, maar Hij stuurt ze naar Job toe, zodat deze voor ze kan bid­den, in plaats van op één of andere manier wraak op ze te nemen. Ook daarin zit een diepe les, ook voor ons.

En aan het gebed van Job als recht­vaardige wordt kracht verleend. Niet alleen aan Job wordt een ‘dubbel deel’ vergoed: een nieuw lichaam, een nieuw bezit, een nieuw gezin, een nieuwe bediening, een dubbele rijkdom, enz. vergelijk Job 1 vers 1 en 2 met Job 42 vers 12 en 13 (Job 01:02-03 met Job 42:12-13). Ook aan zijn menselijke ’tegen­standers’ wordt barmhartigheid bewezen. Zijn hele familie en alle vroegere vrienden en bekenden delen in zijn herstel en komen hem troosten. ‘De Here bracht een keer in het lot van Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had’ Job 42 vers 10 (Job 42:10). Zo typeert Job de grote barmhartig­heid van onze God, die geldt voor alle mensen. Hij immers is een God van verzoening voor allen die tot Hem komen.

Hij gaf Job de bedie­ning van de verzoening en Hij heeft nok ons deze bediening gegeven Job 5 vers 18 en 19 (Job 05:18-19). Ook als wij als christen te lijden hebben, mogen we dus troost putten uit het boek Job. We mogen hem als voorbeeld nemen, evenals de gela­tenheid en het geduld van alle profe­ten, die in de Naam des Heren gesproken hebben. Die volhard heb­ben, net als Job. We hebben uit het einde, dat de Here deed volgen, zien dat Deze rijk is aan barmhartigheid en ontferming.

Uit de geschiedenis van Job leren we geduld te hebben, juist in moeilijke perioden. De ‘kostelijke vrucht van het land’ groeit en rijpt, ook in de perioden van (geestelijke) droogte. Èn ‘vroeg en laat’ zal de regen er weer op vallen om de vrucht te doen rijpen. Laten we daarom niet zuch­ten tegen elkaar om alles wat nega­tief is, zodat we niet verkeerd beoor­deeld moeten worden. Laten we onze harten versterken. Onze Rechter staat voor de deur. De komst des Heren is nabij! Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard blijken te zijn bij de komst van onze Here Jezus Christus. Hij die u roept, is trouw en doet Zijn belofte gestand 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24).

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven Door Gert Jan Doornink

Jezus noemt in Johannes 16 de duivel de ‘heerser van deze wereld’. Daar hoeven we geen voorbeelden van te geven. Dagelijks hebben we te maken met zijn vernietigend werk, waarbij hij vaak op geraffineerde, ook op vrome wijze kan optreden. Maar Jezus maakte, door de woorden die hij sprak en de daden die hij deed, ook duidelijk dat de duivel niet het laatste woord heeft. Hij overwon hem als eerste van hen die zullen volgen. Dat mogen wij zijn als waarachtige christenen. En ook al gaat dat vaak nog niet op een volkomen wijze, door Gods Geest die in ons is, leren we meer en meer de vijand te onderschei­den, te weerstaan en te overwinnen. Daarom kunnen we ook in de tijd waarin wij leven als christenen func­tioneren naar het plan en de doelstelling van God. En kunnen we met volle overtuiging zeggen en beleven: ‘Het is heerlijk en blij makend om in deze tijd een christen te zijn’.

Henk Lijzenga over leiderschap in de gemeente

Al vele jaren worden in Amersfoort halfjaarlijkse bijeenkomsten gehou­den die speciaal bedoeld zijn voor leiding gevenden in de volle evangelie gemeenten (voorgangers, oudsten, jeugdleiders, etc.). Eerst was Jo van den Brink uit Gorinchem de hoofd­spreker, die na diens overlijden werd opgevolgd door Henk Lijzenga, voor­ganger van de volle evangelie gemeente in Enschede. Hij kwam echter enkele jaren geleden plotse­ling te overlijden, maar ook nu gaan de samenkomsten door, waarbij de leiding in handen is van Jan Bramer van de gemeente uit Enschede in samenwerking met enkele andere gemeenten. (De website van de volle evangelie gemeente Enschede is: www.veg-enschede.nl). In de periode dat Henk Lijzenga de belangrijkste spreker was sprak hij vaak over het leiding geven in de gemeente en bracht naar voren hoe belangrijk het is dat het doelmatig functioneren van de gemeente voor een groot deel afhangt of de gemeente op de juiste wijze bestuurd wordt. Dit najaar is onder de titel “Leiderschap in de gemeente van Jezus Christus” een boek versche­nen dat is samengesteld uit de aan­tekeningen van Henk Lijzenga. Hij wilde dat zijn ervaringen anderen zouden inspireren bij het werken in de gemeente van Jezus Christus. Ine Lijzenga, zijn vrouw, heeft het voor­woord geschreven dat wij hierbij overnemen.

Zij schrijft: “Het mooiste werk dat er voor een mens te doen is, is God dienen in de gemeente van Jezus Christus. Henk en ik hebben meer dan 30 jaar de gemeente in Enschede mogen dienen en dat heb­ben we als een groot voorrecht erva­ren. Vanaf het begin was het onze visie dat veel gemeenteleden zouden uitgroeien tot leiders. Een goed lei­der maakt zichzelf overbodig, vond Henk. Hij gaf trainingen en studies aan medewerkers om hen bekwaam te maken en zo bedieningen tevoor­schijn te roepen. Later werd hij ook veel gevraagd om in andere gemeen­ten het oudstenteam te begeleiden. Toen Henk in 2001 voorgoed naar zijn Heer ging, lagen zijn aanteke­ningen klaar om gebundeld te wor­den. Aantekeningen die door de jaren heen vanuit het werken in de gemeente gemaakt zijn, uit liefde voor mensen en in overgave aan God. Hij wilde dat ook anderen er gebruik van zouden kunnen maken. Nu deze aantekeningen in dit boek verzameld zijn, verwacht ik dat ze tot zegen zijn voor velen die zich inzetten om een plaatselijke gemeente te dienen”. Het boek (in paperbackuitvoering van 100 bladzijden) kunt u bestellen bij: Ine Lijzenga,

Geen ‘normen en waarden bele­ving’ zonder God

Over de beleving van normen en waarden wordt in onze dagen heel veel gepubliceerd. Ook in ons blad hebben we er regelmatig over geschreven. Daarbij valt vaak op hoe het ook bij vele christenen een trend is geworden ‘normen en waarden’ belangrijk te vinden zonder dat men beseft dat alleen als zij hun basis vinden in de beleving van ons geloof in Christus, werkelijk waarde heb­ben. Daaraan moesten wij denken toen wij in De Telegraaf een artikel lazen onder de kop ‘God is op het vliegtuig gezet’, naar aanleiding van de opmerkingen die bisschop Hurkmans van Den Bosch maakte tijdens een oecumenische viering ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het CDA.

Hurkmans zei onder andere: “In Nederland lijkt op God een actief uitzettingsbeleid van toepassing te zijn. God is op het vliegtuig gezet naar het eiland van de privésfeer. Het is ieder voor zich en God voor ons allen. Maar bouw je daarmee een menselijke samenleving op?’ Waar God wordt doodgezwegen, komt volgens Hurkmans het leven van de mens in gevaar. “De door mensenhanden gemaakte hel van concentratiekamp en goelag hebben dat in de vorige eeuw op gruwelijke wijze bewezen”.

Het is de roeping van een christen­democraat om allereerst een ‘god ­zoeker’ te zijn, hield hij de CDA-ers voor. “Onze tijd heeft behoefte aan politici die weten waarvoor ze staan, aan mannen en vrouwen die geloven in een betere wereld, die geloven in de revolutionaire kracht van de lief­de”.

Hurkmans riep de politiek op om het financieel mogelijk te maken dat jongeren een maatschappelijke stage van een jaar lopen bij bijvoorbeeld een maatschappelijke organisatie of in een kerk of verzorgingshuis. De woorden van Hurkmans laten nog weer eens zien dat vele christe­nen geen inhoud geven aan hun christen-zijn en zich af dienen te vragen of ze alleen in naam christen zijn. Pas als men door ‘opnieuw geboren te worden’, zoals Jezus dui­delijk aangaf, een echte christen is geworden kan men met hulp van Gods Geest, de normen en waarden beleven die hun basis vinden in God, zoals deze tot openbaring kwam in Jezus Christus.

Een gezonde leef­wijze voor lichaam en geest

Van de noodzaak om op gezonde wijze door ’t leven te gaan is vrijwel iedereen overtuigd. Maar hoe is het in de praktijk? Hebben wij werkelijk bepaalde veranderingen aangebracht in onze manier van leven of denken we: het zal wat m’n gezondheid betreft zo’n vaart niet lopen en blij­ven gewoon op oude voet verder gaan, ook al weten we in ons hart dat veranderingen nodig zijn? Nu willen wij geen strakke regels opstellen, regels waaraan we onszelf misschien niet houden, maar wel noodzakelijk achten voor anderen. Iedereen zal zelf moeten beslissen hoe hij of zij wil leven. Ieder mens heeft nu eenmaal een vrije wil. Maar de algemene regel: ‘voldoende bewe­gen en gezond eten’ is voor iedereen het basisprincipe voor een gezonde leefwijze. De noodzaak voor het vol­gen van een streng dieet kan mis­schien in sommige gevallen het beginpunt zijn van een verandering ten goede wat betreft onze lichame­lijke gezondheid. Maar in de meeste gevallen vallen we na enige tijd weer terug in onze ‘oude’ wijze van leven. En dan komen we in een vicieuze cirkel terecht die zich telkens her­haalt.

Beter is een radicale fundamentele verandering zonder extreme toestan­den die men op de duur toch niet kan nakomen. En wat ‘bewegen’ betreft: ook daar vallen geen vaste regels voor op te stellen, omdat de ‘wijze van voldoende beweging’ bij iedereen verschillend is. Belangrijk is dat men ook hierin consequent en disciplinair te werk gaat. Er is echter nóg een punt wat van het allergrootste belang is. Dat betreft een gezond gééstelijk leven. Dat behoort zelfs nummer één te staan. Hoe krijgt deze optimaal vorm? Door de aanvaarding én bele­ving van een gezond evangelie. Het evangelie zoals Jezus en de eerste apostelen dat doorgaven en ook zelf in praktijk brachten. Het evangelie van het Koninkrijk Gods behoort de basis van heel ons denken, spreken en handelen te zijn. En dat heeft een gezonde uitwerking zowel voor geest, ziel als lichaam.

Positieve ontwik­kelingen van het Lectuurproject

Tien jaar geleden werd door de bekende prediker Hessel Hoefnagel een lectuurproject opgericht met de bedoeling goed bijbels studiemateri­aal gratis beschikbaar te stellen en te verspreiden in landen waar daar grote behoefte aan is. Dat laatste bleek al spoedig door de vele aanvra­gen uit allerlei landen. Het is ook een bewijs dat in deze tijd van inter­net en allerlei andere moderne com­municatievormen ook het gedrukte woord een belangrijke plaats blijft innemen. We laten nu Hessel Hoefnagel zelf aan het woord over de ontwikkelingen in de afgelopen jaren. Hij schrijft: “Onze Heer Jezus heeft zelf gezegd, dat het evangelie van het Koninkrijk van God gepredikt zal worden in de hele wereld tot een getuigenis voor alle volken om het ‘einddoel’ te doen komen Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14). Met dit uit­gangspunt is indertijd (1995) onder duidelijke leiding van de heilige Geest het Lectuurproject opgezet. Doelstelling daarvan is het kosteloos voorzien van gericht bijbelstudie­materiaal aan (aankomende) christe­nen in de zo genoemde ‘derde wereld’.

Het project werd aanvankelijk als Lectuurfonds gestart, maar nader­hand is het ondergebracht in de Stichting ‘Lecture Ministries’. In de statuten van deze Stichting is onder andere het uitgangspunt gesteld, dat de boeken in principe kosteloos ter beschikking worden gesteld aan christenen in zo genoemde ‘derde wereld’-landen. De financiële ruimte van de Stichting bestaat uit giften van christenen, als gemeenten en individueel.

Begonnen werd met het binnen de beschikbare financiële ruimte verta­len, drukken en verspreiden van de elkaar aanvullende series Bijbelstudies in lesvorm, respectievelijk geti­teld ‘Op weg naar volkomenheid’ en ‘De Geest van de Gemeente’ in het Engels en Frans. Ze werden in een beperkte oplage van 5000 stuks per titel in boekvorm verzonden naar contactadressen in diverse landen van Afrika.

Vervolgens opende zich de mogelijk­heid tot het vertalen van de lessen in het Spaans en Roemeens. Inmiddels is dit ook gebeurd, resp. in Peru en Roemenië. Ook de druk en versprei­ding hiervan gebeurt in en vanuit deze ’thuislanden’. De Spaanse boe­ken worden momenteel verspreid over diverse adressen (gemeentelei­ders, bijbelscholen en individuele personen) in landen van Zuid Amerika. De Roemeense versie wordt momenteel gedrukt in Roemenië en zal in de komende tijd door middel van een contactpersoon aldaar verspreid worden in Roemenië en Moldavië. Een Russische vertaling is al gedeel­telijk klaar en zal in de loop van 2006 voltooid worden. Voor de druk en verspreiding daarvan over landen van de voormalige Sovjet Unie zoe­ken we in overleg met (zendings)organisaties en afzonder­lijke christenen een contactadres in Oekraïne.

Voor het vertalen van de bijbellessen hebben zich christenen ingezet, welke in de onderhavige talen zijn grootgebracht en een persoonlijke roeping ervaren om dit werk ‘als voor de Heer’ te doen. Recent heb­ben we contact met Hollandse Portugezen voor de realisatie van een Portugese vertaling. Deze chris­tenen hebben het verlangen om zich bewust in te zetten voor het evange­lie en zien het lectuurproject als een reële mogelijkheid om in te partici­peren. We hopen in het komende voorjaar met dit deelproject te kun­nen starten.

Tot nog toe heeft: de Heer steeds voorzien in de financiering van dit project en heeft daar de harten van mensen toe bewogen om van hun middelen hierin mee te delen. We verwachten ook in de komende tijd weer de nodige ruimte te kunnen krijgen tot het realiseren van de zich aandienende deelprojecten. Samen met u als bewuste christenen willen we middels dit lectuurproject mede uitgaan in de hele wereld en het rijke evangelie van onze Heer ver­kondigen aan de ganse schepping naar Markus 16 vers 15 (Mark. 16:15). Daarbij hanteren we in geloof de belofte van onze Heer, die Hij bij de aanvang van dit project gaf: ‘Ik zal volken geven tot uw erfdeel en de einden der aarde tot uw bezit’ Psalm 2 vers 8 (Ps. 002:008). Voorlopig hebben we het ‘einde’ nog niet bereikt, dus houden we het lectuur­project graag nog levend en bevelen het van harte in uw gebed en zo mogelijk vrijwillige gaven aan.

Anne van der Bijl maakt weer zen­dingsreis

Onlangs vierde ‘Open Doors’ de organisatie voor hulp aan verdrukte christenen, haar vijftigste verjaardag. In Trouw blikt Anne van der Bijl, die inmiddels 78 is, daarop terug. Hij maakt enkele kernachtige opmerkin­gen zoals: “Er is op dit moment meer vervolging dan onder het com­munisme. Zelfs in Egypte worden de schroeven aangedraaid”. Anne van der Bijl raakte vooral bekend door zijn jarenlange zen­dingsreizen achter het toenmalige ijzeren gordijn. Steevast namen hij en zijn medewerkers bijbels mee. In 1967 schreef hij er een boek over wat hij als ‘brother Andrew’ allemaal beleefde. ‘God’s smuggler’ wat gek genoeg nooit in het Nederlands werd vertaald, schrijft Elma Drayer, de schrijfster van het artikel, die ver­der onder andere opmerkt Van der Bijl is ‘natuurlijk blij’ met de omme­keer in het Oostblok. “Maar het geestelijk klimaat was toen zonder meer beter. Leven in welvaart en vrijheid is vele malen moeilijker dan in armoede. Van die onbegrensde mogelijkheden maakt de duivel óók gebruik. Dat is de reden dat de kerken leeglopen. Ze hebben er geen antwoord op. De kerk spreekt het verlossende woord niet”. Open Doors trok zich begin jaren negentig terug uit Oost-Europa. “Wij proberen te werken waar niemand werkt. Nu zit iedereen daar. Natuurlijk hoor je de klacht dat we te vroeg zijn weggegaan. “Ik zeg: het is nu aan hen. De kerken daar moe­ten leren omgaan met de vrijheid”.

Nieuw arbeidsterrein

Het werk van Open Doors werd ver­legd naar de islamitische landen. Anne van der Bijl merkt op: “Onder het communisme was de christen­vervolging ‘nooit honderd procent’. Dat kun je niet zeggen van de mos­limlanden. Er is daar op dit moment meer vervolging dan onder het com­munisme”.

Naar de mening van Van der Bijl komt dit “omdat van nature het communisme negatief stond tegen­over religie. Daarom is het maar zeventig jaar oud geworden. De islam is veel krachtiger. Daarom moeten we ons nu veel meer inspan­nen om het evangelie te brengen. Bovendien is er nog een complicatie. De impopulariteit van het Westen groeit in de moslimlanden. Hij meent dat we die over onszelf heb­ben afgeroepen. Elk brandje in een westerse moskee wordt daar geno­teerd. Daar krijgen we nog de reke­ning van. Onze intolerantie voedt de islam”.

Voor de westerse reacties op de aan­slagen van ii september 2001 heeft hij dan ook geen goed woord over. “Terroristen hebben geen land, dus mag je geen land aanvallen. Je moet terroristen opsporen, geen oorlog beginnen. Wat hebben de boertjes van Kaboel ermee te maken? Ik denk cynisch: de wapenindustrie is de grootste ter wereld. Die moet geld verdienen”.

Vergelding, vindt Anne van der Bijl, is altijd verkeerd. “Als christenen moeten wij een ander speerpunt hebben: God is liefde. Dan hoeven wij ons niet te bezondigen aan al die nare dingen”.

De evangelist is nu 78, maar het werk in de wijngaard gaat onver­moeibaar door en wordt nu voor een groot deel gedaan door andere medewerkers van Open Doors. Maar wat hemzelf betreft… “Achter de geraniums is het ergste wat er is. Elke week krijg ik telefoontjes uit Afghanistan, Iran, Pakistan. De nood wordt almaar groter. In decem­ber ga ik er weer heen, acht landen bezoeken”. Mompelend: “En ik heb zo’n hekel aan reizen”. Hij schiet er zelf van in de lach…

 

Komt de Heer terug op de Olijfberg? Door Wim te Dorsthorst

Er zijn nog al wat christenen die geloven en belijden dat de Heer Jezus terug zal komen in Israël op de Olijfberg en dat die berg dan let­terlijk middendoor zal splijten. Dit geloof is dan gebaseerd op Zacharia 14 vers 4 (Zach. 14:04), waar staat: “Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noord­waarts wijken en de andere helft zuidwaarts”.

Voor wie een letterlijke vervulling verwacht in de natuurlijke, zichtbare wereld van dergelijke profetieën, is dat te begrijpen. Men gaat dan ech­ter voorbij aan het feit dat in het Nieuwe Testament, waar toch nogal veel gesproken wordt over de weder­komst, nooit over de Olijfberg gesproken wordt en zeker niet dat het met zoveel geweld gepaard zou gaan! Waarom trouwens zou die berg moeten splijten? Ook vergeet men dan wat voor vre­selijke gevolgen dat zou hebben voor mensen die daar leven en wonen.

Natuurlijk of geestelijk?

Ik geloof echter veel meer dat de woorden van Zacharia over de Olijfberg een geestelijke betekenis hebben en letterlijk vervuld zijn of nog vervuld worden in de geestelij­ke, onzienlijke wereld. De Heer Jezus heeft ons duidelijk geleerd met wat Hij sprak en deed, dat het niet meer gaat om een strijd tegen vlees en bloed, maar zoals Paulus ook schrijft: “Wij hebben niet te wor­stelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de mach­ten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12) Er zal dus in de eindtijd niet een strijd geleverd worden tegen alle vol­ken die tegen Jeruzalem op zouden trekken Zacharia 12 vers 3 (Zach. 12:03). Hoe zou dat trouwens gerealiseerd kunnen wor­den? Als de profeten in deze zin spreken over ‘volkeren’ dan worden daar niet de inwoners van een land mee bedoeld, maar de overheden, de wereldbeheersers van de duisternis met hun legers van boze geesten en machten, die de volken regeren. Zie bijv. Daniel 10 vers 13 en Daniel 13 vers 20 en 21 (Dan. 10:13 en Dan. 13:20-21). Door de antichrist zal in het laatst der dagen zich alles keren en verza­melen tegen het hemelse Jeruzalem de waarachtig wedergeborenen, de gemeente van Jezus Christus!

Niet zomaar een berg

De Olijfberg is niet zomaar één van de bergen die Jeruzalem omringen, maar de Olijfberg heeft een geschie­denis en een geestelijke betekenis, zoals bijna altijd als er over bergen gesproken wordt. Hij is ongeveer 800 meter hoog en is daarmee hoger dan de tempelberg in Jeruzalem die ongeveer 740 meter hoog is. Het is zoals Zacharia met nadruk zegt: “de Olijfberg die vóór Jeruzalem ligt” Zacharia 14 vers 4 (Zach. 14:04).

Dit doet even denken aan Openbaring 12 vers 3 en 4 (Openb. 12:03-04), waar de grote rossige draak vóór de vrouw staat die baren zou om haar kind te verslinden!

Eveneens in het boek Zacharia lezen we de bekende woorden: “Dit is het woord des Heren tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Here der heerscharen”. En dan wordt er gesproken tot een berg, een grote geestelijke macht, die de bouw van het huis des Heren wil tegen staan, met de woorden: “Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte”  Zacharia 4 vers 6 en 7a (Zach. 04:06-07a). In geestelijke beteke­nis wordt de Olijfberg een vlakte, een zeer groot dal, om doorheen te kunnen trekken (vers 4). “Niet door kracht noch geweld, maar door Mijn Geest! Zegt de Here der heerscharen”. Dat wil zeggen dat er geen menselijke legers tegenover elkaar komen te staan om iets te bevechten op aarde, maar dat er een geestelijke strijd gevoerd wordt door de kracht van de heilige Geest, zoals de Heer Jezus ons getoond heeft.

Geschiedenis van de Olijfberg

In 2 Samuel 15 vers 30 (2 Sam. 15:30) lezen we dat koning David op de vlucht is voor zijn zoon Absolom en al wenende de Olijfberg bestijgt dat is de eerste keer dat de Olijfberg genoemd wordt! Daarbij mogen we ook nog bedenken dat David een type is van Jezus Christus, de ware Koning David.

Salomo heeft zich op een gegeven moment vreselijk misdragen. Hij had zevenhonderd vorstinnen als vrouwen en nog eens driehonderd bijvrouwen, vrouwen uit andere cul­turen die andere goden dienden. Om de vrouwen tevreden te stellen heeft hij op de Olijfberg voor de meest gruwelijke goden altaren en offerhoogten gebouwd. In 1 Koningen 11 vers 1 tot en met 10 (1 Kon. 11:01-10) kunnen we daar over lezen. Daar wordt gespro­ken van: Astarte, de godin der Sidoniërs (ook wel Astoreth, de koningin des hemels genoemd), van Milkom, de gruwel der Ammonieten, van Kamos, de gruwel van Moab, van Moloch, de gruwel der Ammonieten. “Hetzelfde deed Salomo voor al zijn vreemde vrou­wen, die reukoffers en slachtoffers aan haar goden brachten” (vs. 5-8). De berg stond vol met altaren, offer­hoogten, gewijde stenen en gewijde palen. Dagelijks moet dat een drukte van belang zijn geweest als daar geofferd werd aan al die goden en godinnen die voor God een gruwel zijn. Het was een enorm bolwerk van duisternis, wat vóór Jeruzalem lag!

Koning Josia (2 Koningen 23), heeft bij zijn hervormingen en reiniging van tempel en land alles wat Salomo op die berg gebouwd had verwoest en verbrijzeld en hij heeft die plaats vol­gestort met mensenbeenderen waar­door het een berg van de dood werd. In vers 13 wordt het dan ook “de berg der verwoesting” genoemd. Zo stond de Olijfberg als een grote geestelijke macht vóór Jeruzalem.

De strijd van de Heer Jezus

Ook in het leven van de Heer Jezus heeft de Olijfberg een bijzondere rol gespeeld. De vrienden van de Heer: Lazarus, Maria en Martha, woonden te Bethanië, een dorpje tegen de hel­ling van de Olijfberg. De evangeliën vermelden dat de Heer overdag in de tempel en de stad onderwees en dan naar de Olijfberg vertrok om daar de nach­ten door te brengen Lucas 21 vers 37 en 38 (Luc. 21:37-38). Lucas 22 vers 39 (Luc. 22:39) vermeldt nog: “En Hij verliet de stad en ging, zoals Hij gewoon was, naar de Olijfberg”. Daar bracht Hij dus in het bijzonder de nachten door als Hij in de omgeving van Jeruzalem was en daar zal Hij een geestelijke strijd gestreden hebben. Hij zal wel zeker in die nachten op de Olijfberg gebeden hebben met smekingen en onder sterk geroep en tranen tot Zijn Vader, die Hem uit de dood kon redden en Hij is ver­hoord uit zijn angst Hebreeën 5 vers 7 (Heb. 05:07). Misschien was dat wel in de hof “Gethsemané”, de plaats die de dis­cipelen ook zo goed kenden en waar Judas hem dan ook verraden zou. Het was bij de intocht in Jeruzalem dat Hij ook weer van de Olijfberg kwam, via de dorpjes Bethanië en Bethfage, waar twee van Zijn disci­pelen een ezelsveulen voor Hem moesten halen Lucas 19 vers 29 en 30 en Matteüs 21 vers 1 en 2 en Markus 11 vers 1 en 2 (Luc. 19:29-30; Matt. 21:01-02; Mark. 11:01-02). Op die tocht naar Jeruzalem heeft Hij op de helling van die berg geweend over de stad omdat ze de tijd niet verstonden dat de Here naar hen omzag Lucas 19 vers 37 en Lucas 19 vers 41 en 42 (Luc. 19:37 en Luc. 19:41-42). Vanaf de Olijfberg heeft Hij tot zijn discipelen het gericht over Jeruzalem beschreven wat in het jaar 70 letterlijk is vervuld. Wij kennen deze woorden van de Heer als “de eindtijd-redenen”, die de overwin­ning proclameerden over het rijk van satan en de overwinning van het Koninkrijk Gods bij Zijn komst! Matteus 24 vers 1 tot en met 3 en Markus 13 vers 1 tot en met 3 (Matt. 24:01-03 en Mark. 13:01-03).

Oog in oog met duivel en dood

Aan het slot van het laatste avond­maal heeft de Heer samen met zijn discipelen “de lofzang” gezongen en daarna zijn zij samen naar de Olijfberg vertrokken (Matt. 26:30; Mark. 14:26: Luc. 22:39). Je zou zeggen waarom? Waarom bleef Hij niet gewoon in Jeruzalem waar Hij toch weer naar terug gebracht werd? Ik geloof omdat juist daar, op de Olijfberg, in de hof “Gethsemané”, die vreselijke doodstrijd gestreden moest worden, oog in oog met de duivel en z’n hele rijk Matteüs 26 vers 36 tot en met 49 en Markus 14 vers 32 tot en met 42 en Lucas 22 vers 39 (Matt. 26:36:49; Mark. 14:32-42; Luc. 22:39). Jesaja heeft hiervan geprofeteerd toen hij sprak: “Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was nie­mand bij Mij, Ik trad hen in mijn toorn en vertrad hen in mijn grim­migheid; toen spatte hun bloed op mijn klederen en Ik bezoedelde mijn ganse gewaad. Want een dag van wraak had Ik in de zin en het jaar van mijn verlossing was gekomen” Jesaja 63 vers 3 en 4 (Jes. 63:03-04).

Ik geloof dat deze profetie van Jesaja daar, in Gethsemané op de Olijfberg, door de Heer Jezus letterlijk vervuld is in de geestelijke wereld. In die hof, op de Olijfberg, is Hij door Judas verraden en als misdadi­ger gevangen genomen, echter niet voor dat Hij had laten zien wie Hij werkelijk was, toen Hij zei: “Wie zoekt gij? En op hun antwoord zei Hij: Ik ben! En die Hem gevangen moesten nemen deinsden achteruit en vielen ter aarde Johannes 18 vers 1 tot en met 11 (Joh. 18:01-11). Als overwinnaar verliet Hij zo de Olijfberg!

Alles onder zijn voeten gesteld

Zo zien we dat de Olijfberg een grote geestelijke plaats heeft vervuld in het leven van de Heer Jezus. Zelfs zijn hemelvaart heeft plaatsge­vonden vanaf de Olijfberg. Handelingen 1 vers 12 (Hand. 01:12) vermeldt het: “Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan”.

Toen al hebben zijn voeten op die berg gestaan als een triomf over de macht van de duivel en de dood, die Hij aan het kruis vernietigend ver­slagen heeft Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15). Hij heeft de duivel die de macht over de dood had onttroond Hebreeën 2 vers 14 (Heb. 02:14). Als de Heer iets onder zijn voeten heeft, wil dat zeggen dat Hij daar­over overwonnen heeft! Hij is opgevaren vanaf de Olijfberg en heeft zich gezet aan de rechter­hand Gods, vanwaar Hij de geestelij­ke werkelijkheid, waarvan al het zichtbare slechts een afschaduwing was, tot volheid zal brengen Efeze 4 vers 10 (Ef. 04:10).

Wel is het zo dat bij de eerste opstanding, dat is bij de wederkomst van de Heer, als de volmaakte gemeente die dan nog op aarde is, verheerlijkt zal worden Filippenzen 3 vers 20 en 21 (Filip. 3:20-21), de triomfkreet zal klinken: “De dood is verzwolgen in de overwinning” 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:54).

De werkelijkheid is van Christus

Al het zichtbare in het Midden- Oosten, het hele land met Jeruzalem en de Olijfberg, het heeft geen enke­le geestelijke waarde meer in het heilshandelen van God. De Heer Jezus heeft de hele Schrift vervuld en in Hem is de werkelijkheid geko­men waarvan de Schrift woordelijk en beeldend heeft gesproken. De apostel Petrus verwoordt het heel duidelijk als hij zegt: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd heb­ben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lij­den, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan 1 Petrus 1 vers 10 tot en met 12 (1 Petr. 01:10-12).

Met de uitspraak: “u dienden”, bedoelt de apostel de gemeente van Jezus Christus waar hij aan schrijft! De profeten dienden in werkelijk­heid niet het Joodse volk, maar de gemeente van Jezus Christus, die bestaat uit Joden en heidenen, uit elke stam en taal en volk en natie.

Bedoel ik met het voorgaande nu te zeggen dat er geen wederkomst van de Heer Jezus zal zijn? Nee, natuur­lijk niet! Ik heb getracht te laten zien dat die wederkomst niet op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt, zal plaats vinden. Naar mijn mening staat de Olijfberg symbool voor de grote geestelijke macht, die vooral in het boek Openbaring, ‘het grote Babylon’ genoemd wordt. (Zie wat ik hiervoor schreef over wat koning Salomo bouwde op de Olijfberg). Ik schaar me niet bij de theologen en leraren die beweren dat de weder­komst een enkel geestelijke zaak is, namelijk het openbaar worden van de Heer in de gelovigen. De Schrift is heel duidelijk over de werkelijke wederkomst van de Heer op aarde. Om maar enkel plaatsen te noemen: Hebreeën 10 vers 37 (Heb. 10:37) zegt: “Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten”. In Openbaring 3 vers 10 (Openb. 3:10 zegt de Heer zelf: “Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten…” Als Paulus spreekt over het avond­maal, zoals hij het van de Heer Jezus ontvangen heeft 1 Korinthe 11 vers 23 (1 Kor. 11:23), dan zegt hij in 1 Korinthe 11 vers 26 (1 Kor. 11:26): “Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt”. Tot slot nog een uitspraak van de Heer zelf in Lucas 18 vers 8 (Luc. 18:08): “Doch als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”.

 

De overgang van blad naar website door Gert-Jan Doornink

Eind juli sprak ik voor ’t eerst met de belangrijkste schrijvers in Levend Geloof over het beëindigen van de uitgave van Levend Geloof, hoewel enkelen al eerder op de hoogte waren. Daarna werd begin-augustus een brief verzonden aan allen die de laatste jaren in ’t blad hebben geschreven. Naar aanleiding daarvan ontving ik verschillende reacties. Een kleine selectie uit deze reacties en van enkele anderen treft u hier­onder aan. Daarbij wil ik met nadruk stellen dat ik dit niet doe om over mezelf de loftrompet af te steken, maar uit dankbaarheid jegens Hem die het mij mogelijk maakte dit redigerend en coördine­rend werk te mogen doen. Ik heb dit alles als een bijzondere genade en voorrecht mogen ervaren. Ook ben ik blij dat ik zolang ik geestelijk vitaal blijf, met een website en ande­re activiteiten te kunnen doorgaan.

Reacties

“Na 44 jaar trouwe dienst door mid­del van het blad Levend Geloof, mogen wij in de eerste plaats dank­baar zijn voor de zegen die dit werk heeft verspreid in de harten en in het denken van zeer veel mensen! Heel veel dank!”.

Herman Robbertz

“Je hebt met volle inzet en toewij­ding het blad geredigeerd. Levend Geloof heeft verschillende keren een facelift ondergaan. Het kreeg inder­daad een professionele uitstraling.

Qua inhoud heb je altijd de bood­schap van het Koninkrijk der heme­len vooropgesteld. Dat hebben Riek en ik altijd zeer gewaardeerd”.

Roel Schipper

“We hebben de ontwikkeling van het volle evangelie bewust meegemaakt. We zijn 45 jaar geleden tot bekering gekomen en hebben veel zegen via Beukenstein ontvangen. We hebben grote bewondering voor je wat je hebt gedaan al die jaren met Levend Geloof. Natuurlijk was het Gods werk en Hij gaf jullie (jij en je vrouw) de kracht en de talenten om het te doen. Jullie hebben je beschik­baar gesteld met alles wat nodig is om het te volbrengen en dat nu al 44 jaar! Het is fijn dat God jullie de zekerheid geeft om deze ingrijpende beslissing te nemen”.

Peter Koumans

“In onze gemeente zijn een aantal vaste lezers erg teleurgesteld dat het prachtige en opbouwende blad ophoudt te verschijnen. Namens ons allemaal danken wij u voor de gewel­dige inzet die u jarenlang gegeven hebt. Wij krijgen binnenkort een eigen website en op die manier hoop ik de gemeenteleden in contact te brengen met de Levend Geloof-web- site”.

Paul de Groes

“Ik denk dat het een wijs besluit is. Immers, het blad was jouw persoon­lijke roeping en opdracht en zoiets kun je niet zomaar aan een ander overdragen. Je hebt je van God gekregen taak in getrouwheid uitge­voerd, al deze jaren, 44 jaar zoals je vermeldt. Dat is toch genade van onze Heer, die jou altijd in staat gesteld heeft dit werk te volvoeren. Het blad is voor velen tot zegen geweest. Je hebt ‘voor jou tijd de raad Gods gediend’, zoals ook van David wordt getuigd. Het blad was een baken in veel stormachtige tij­den, temidden van allerlei verwar­ring. Een vaste koers, om steeds het evangelie van Jezus Christus te belichten”.

Klaas Goverts

“Dat Levend Geloof uw persoonlijke bediening was is ons altijd duidelijk geweest. En dat is toch ook goed? Als andere mensen een blad overne­men of voortzetten is het toch zo dat zo’n blad gaat veranderen en meest­al niet met de instemming van die­gene die het oorspronkelijk opgezet had. Ook mede namens onze gemeenteleden en ons beleidsteam willen wij u bedanken voor de trou­we toezending van Levend Geloof. Het lag bij ons op de boekentafel en iedereen die het lezen wilde kon het meenemen. Ook gastsprekers namen nog al eens zo’n blad mee omdat ze het blad niet kenden of er wel van gehoord hadden maar nu dan eens de gelegenheid kregen om het zelf te lezen. Als er eens een blad over was dan hebben wij dat altijd bij buren en kennissen afgege­ven met een begeleidend schrijven. Wij hebben verschillende bladen op de boekentafel maar wat ons dan altijd opvalt is, dat er veel in bladen wordt overgenomen vanuit goede boeken of preken van sprekers. Levend Geloof is volgens ons een blad waarin nagedacht werd/wordt en ook soms dieper gespit werd, als ik dat zo eens mag zeggen. Daar is tegenwoordig helaas bijna geen tijd meer voor (om je af te zonderen en eens diep met God samen te denken over wat je op schrift wil stellen) en dat is gezien de werkdruk soms ook wel te begrijpen”.

Tineke Annotee-Remijnse

“We ontvingen deze week je brief met het nieuws dat volgens mij al enige tijd in de lucht hing. Ondanks het feit dat je er al enige tijd tegen­aan hikte is het mijns inziens de juiste keuze. Zeker als er geen opvolger of organisatie is aan wie je kan overdragen is het belangrijk or het juiste moment te stoppen”. Marcel Camminga

“Je bent vele jaren trouw gebleven aan je bediening en de Heer zal dat belonen (al deed je het daar niet voor). Het blad is voor velen tot grote zegen en voor mijzelf is het toen het nog eenvoudig verscheen in de zeventiger en tachtiger jaren al een enorme hulp geweest om ‘hoger’, ‘dieper’ en ‘verder’ te komen in het leven met de Heer. Steeds heeft Hij je weer frisse inspiratie, maar ook doorzettingsvermogen gegeven om een heldere koers uit te zetten qua visie, echter gecombi­neerd met een grote dosis mildheid, die de Heer in jou heeft doen rij­pen”.

Jildert de Boer

“Graag wil ik u en uw medewerkers te kennen geven, dankbaar te zijn om het mogen deelhebben aan hun geestelijke pennevrucht!”.

Guido Cleeren

“Ik hoop dat u met volle tevreden­heid kunt terugdenken aan al die jaren dat u het blad verzorgd heeft. En dat u zult beseffen dat het voor velen een grote rijkdom is geweest! Ik leende het blad bijvoorbeeld ook weer uit aan anderen. Als je de weg met de Heer gaat, kom je net als Jezus tegenstand tegen. En dan heb je best wel eens een bemoediging nodig, of opheldering, inzicht in de geestelijke wereld. Door het lezen van de artikelen kon je dat dan ont­vangen. Dus het heeft velen gehol­pen om steeds met vertrouwen de weg met Jezus te vervolgen”.

Berry Janson

“Stoppen met Levend Geloof, dat is een hele stap. Moedig om dat te doen, ook al weet je dat het blad geen doel op zich is. Het is al die jaren toch een deel van jezelf geworden en het zal, zeker in het begin, Als het ware een leegte geven, lijkt mij, als je daar niet meer mee bezig hoeft te zijn. Wat goed dat je doorgaat op internet. Er zullen niet veel mensen van jouw leeftijd zijn die alsnog digi­taal gaan. Ik wens je alle goeds, ook daarbij”.

Henk Moorman

“Al jaren heb ik uw blad met grote zegen gelezen. Telkens was het weer diepgaand en begrijpelijk tegelijk. Daarvoor aan U in het bijzonder, maar tevens ook aan de anderen die bijdragen leverden, mijn hartelijke dank. Ik bid u Gods rijke zegen toe in uw verdere leven en andere inzet voor het Koninkrijk der hemelen”.

Riemer de Graaf

“Het spijt mij dat Levend Geloof als blad zal ophouden te bestaan. Naar mijn mening heeft het blad een dui­delijke functie gehad als forum voor de overdenking van het Volle Evangelie. Uiteraard respecteer ik uw beslissing en wens ik u veel zegen, ook bij het in gebruik nemen van de nieuwe website. Overigens heeft onze gemeente inmiddels een eigen website: www.vegintgoudse.nl. Vindt u het goed als wij te zijner tijd op onze site een link naar uw websi­te maken?”.

Peter Annotee

Om op deze laatste opmerking in te haken: Wij waarderen het natuurlijk bijzonder wanneer zoveel mogelijk bekendheid wordt gegeven aan onze website www.levendgeloof.nl. die volgende maand van start gaat. Ook vinden we het belangrijk dat zoveel mogelijk gemeenten een eigen web­site hebben.

Nu is het openen van een website in onze tijd geen bijzonderheid meer. Iedereen kan er mee beginnen. Dat we er in dit laatste nummer van ons blad toch nog al aandacht aan beste­den komt uiteraard door het stopzet­ten van de gedrukte versie van Levend Geloof en het openen van een website met dezelfde naam. We hebben al aangekondigd dat de Levend Geloof-website een geheel eigen invulling zal krijgen, anders zou het een soort surrogaat-versie van het blad zijn. Natuurlijk zullen bepaalde elementen van ons blad ook aangetroffen worden op de Levend Geloof-website, maar voor de

rest zal de website een eigen karak­ter hebben, waarvan wij op dit moment zelfs nog niet geheel weten hoe die zal zijn. Eén ding blijft ech­ter onveranderd: de centrale basis waarvan wij uitgaan en van wat wij doorgeven blijft het evangelie van het Koninkrijk Gods, zoals Jezus en de eerste apostelen dat ook doorga­ven en beleefden.

 

De gemeente als ’tegenhouder’ Door Paul de Groes

Tijdens mijn vervangende dienst­plicht werkte ik in een psychiatri­sche sluisinrichting. Ik ontmoette daar een hoge militair in behande­ling. Hij sprak veel met mij over geestelijke zaken. Aan het eind van mijn dienstplicht gaf hij mij een bij­zondere vertaling van het Nieuwe Testament vertaald door Prof. Ogilvie.

Een andere vertaling laat mij vaak een gezichtspunt zien dat mij niet eerder is opgevallen. Zo vielen mij in deze vertaling de termen ’tegenhouder’ en ‘mens der chaos’ op. In deze Bijbelstudie werk ik deze ter­men verder uit. Tevens geef ik hier­onder het des betreffende Bijbelgedeelte te weten 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 tot en met 9 (2 Thess. 02:03-09) uit de Ogilvie vertaling weer:

“Met het oog op de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereni­ging met Hem, hebben wij aan u broeders, een verzoek: Laat u niet zo gauw de bezonnenheid ontnemen en laat u niet opschrikken – noch door een geestelijk beleven noch door een woord of door een brief, die van ons afkomstig zouden zijn – alsof de Dag van de Heer reeds zou aanbreken. Laat u door niemand op de een of andere manier misleiden. Eerst moet de afval komen en de mens van de chaos (de Statenvertaling geeft wetteloosheid weer) zich onthullen, de zoon des verderfs, de tegenstander die zich verheft boven alles wat goddelijk of heilig wordt vereerd en die zich ten­slotte in Gods Tempel op de plaats van God neerzet en zelf optreedt als een God. Herinnert gij u niet, dat ik u dit, toen ik nog bij u was. gezegd heb? Zo weet gij ook wat hem thans nog tegenhoudt, totdat hij zich op de voor hem bepaalde tijd zal openbaren. Het Mysterie van de chaos is reeds werkzaam; alleen moet nog de macht, die het tegenhoudt, uit de weg geruimd worden. Dan echter zal de mens van de chaos onverhuld optreden. Doch de Heer zal hem wegvagen door de adem van Zijn mond en hem vernietigen door de stralende verschijning van Zijn tegenwoordigheid. De komst van de tegenstander geschiedt door de wer­king van de Satan met louter krachtsvertoon, tekenen en valse wonderen en met allerlei alle moge­lijke misdadige verleiding voor hen die verloren gaan” (Vert. van H. A. P. Olgilvie).

De weerhouder

In vers 2: tot 6 staat: “En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, tot hij zich openbaart op zijn tijd”. Paulus geeft hier geen toelichting over wie de mens der wetteloos­heid, der chaos weerhoudt. De men­sen van Thessalonica waren al eer­der door Paulus op de hoogte gebracht van deze tegenhouder. Uit andere Bijbelgedeelten moet duide­lijk worden wie of wat er bedoeld wordt.

De mens der chaos laat zich leiden door de satan en dus ga ik ervan uit de tegenhouder ondanks zijn negatieve klank iets positiefs is. Ik denk namelijk dat de tegenhouder de benaming is van de Gemeente Gods levende in het heden of te wel de tijd. Aan de hand van een aantal Bijbelteksten wil ik dat nader toelich­ten.

In de eerste zin van 2 Thessalonicenzen 2 vers 1 (2 Thess. 02:01) staat dat de apostel Paulus uitgaat van  met vereniging, een eenwording met Jezus. Deze éénwor­ding wordt in deze brief niet verder uitgewerkt. Hij gaat er n.l. van uit dat dit algemeen bekend is. Ik wil proberen daar aan de hand van andere Bijbelteksten wel iets meer te zeggen.

In Openbaring 12 vers 12 (Openb. 12:12) lezen we dat de boze is nedergedaald in grote grimmigheid, wetende dat hij weinig tijd heeft.

De Gemeente is niet gesteld tot toorn 1 Thessalonicenzen 5 vers 9 (1 Thess. 05:09) en zal daarom in veiligheid worden gebracht, voordat deze toom los zal breken 1 Thessalonicenzen 1 vers 10 (1 Thess. 01:10).

In veiligheid

Wat is dit in veiligheid brengen? Niets anders dan dat de gelovigen wederom geboren worden en daarop gedoopt worden in de Geest van God. Door de wedergeboorte maken zij deel uit van tijdloze eeuwige Koninkrijk van God dat steeds meer en meer uitbreidt. Zij leren daar te wandelen door- en in de heilige Geest. Daardoor wor­den de gelovigen onaantastbaar voor de boze die met zijn leugen­geest, verleidingen en geweld alles wil vernietigen wat God heeft bedacht op de aarde én in de hemel­se gewesten.

De boze kan door middel van de wetteloze mens(heid), de nog steeds in de levende Gemeente naar het vlees geweld aan doen (net als Jezus) maar geestelijk bezitten de gelovigen (door het geloof) de kracht van God. En bovendien helpt God deze Gemeente in de tijd Openbaring 12 vers 15 tot en met 18 (Openb. 12:15-18).

Voordat de boze zich ten volle kan openbaren in de ongeestelijke mens­heid, (net zoals Jezus zich zal open­baren in de zijnen) moeten de gelo­vigen dus verwijderd worden, (letter­lijk: “De Gemeente moet uit het midden”).

Dit uit het midden nemen, dit ver­wijderen slaat niet op een feitelijke opname in de lucht. Het betekent dat de gelovigen niet meer gelijkvormig willen zijn aan de wereld. Zij worden geheiligd doordat de gelovigen zich in Jezus en de Vader verlustigen. Dit heeft als gevolg dat zij Hem steeds meer gaan openbaren. De volle openba­ring van de gemeente van alle tijden is dit echter nog niet! (d.w.z. de eeuwige Gemeente Gods = het volgroeide lichaam van Jezus). In hoofdstuk 14 van Openbaringen wordt over deze eeuwige Gemeente geprofeteerd. Dit is dus na het beest uit de zee en uit de aarde (Openbaring 13).

De eeuwige gemeente

In Openbaring 12 lezen we over de profetie van de vrouw en de draak. Hiermee wordt hetgeen ik hiervoor schreef zinnebeeldig voorgesteld. Deze vrouw, dat is de gelovige mens­heid, (Jood en Niet-Jood) brengt een kind voort. Dit is de tijdloze eeuwige gemeente met aan het hoofd Jezus. Dit Kind wordt 1260 dagen Openbaring 12 vers 6 (Openb. 12:06) onderhouden op een plaats waar zij veilig is voor de grimmig­heid van de boze. Zij duikt als het ware onder op het onderduikadres dat de Heer ons bereid heeft. Dit is het koninkrijk van God! Heerlijk is het dat de in de tijd levende gelovigen reeds in de geest deel mogen uitmaken van deze eeu­wige Gemeente van Jezus! Naar het vlees zijn de gelovigen ech­ter nog wel op aarde en zij ondervin­den naar het vlees de woede van de

Boze. We lezen in Openbaring 12 vers 15 tot en met 18 (Openb. 12:15-18) dat God mee helpt de Gemeente in de zichtbare wereld te beschermen. Uit de brief van Paulus leren wij verder dat de Gemeente op aarde ineens omkleed gaat worden met een lichaam uit de eeuwigheid. Ze krijgen een tijdloos eeuwig lichaam om zo samengevoegd te worden met de reeds in Christus ontslapenen. Tot die tijd zal de in de tijd levende gemeente overle­ven en zelfs overwinnen door het bewaren van Gods geboden en omdat zij het getuigenis van Jezus hebben. Paulus beschrijft dit o.a. in 1 Thessalonicenzen 4 vers 13 tot en met 18 (1 Thess. 04:13-18).

Bij de mens de wetteloosheid vol­trekt zich eenzelfde proces als bij de Gemeente van Jezus, namelijk hij zal zich zelf openbaren in degenen die Jezus haten! Met deze mensheid zal hij volgens Openbaringen 1260 dagen zijn gang kunnen gaan. Na deze dagen komt echter een einde aan zijn dagen omdat de eeuwige Gemeente van Jezus geopenbaard wordt (Openbaring 14). De eeuwige Gemeente en de in de tijd levende Gemeente zijn geworden tot de tijd­loze eeuwige Gemeente van God: Het lichaam van Jezus. Zij zullen een einde maken aan de macht van de Boze. En vervolgens zal Jezus het hoofd, alles aan de voe­ten van de Vader leggen zodat De Vader alles in allen zal worden. God heeft Zijn ‘Tegenover’ weer bij zich en kan met de Gemeente wandelen

door de hemelse Hof.

 

Het troostboek van de kerk door Cees Maliepaard

Als het boek Openbaring destijds niet in de canon van de bijbel opge­nomen was, zou dat onder christe­nen een heleboel gekissebis voorko­men hebben. Soortgelijke gedachten zijn in de loop van de geschiedenis meermalen geuit. Zoals Luther des­tijds moeite had met de brief van Jacobus, zo kunnen wij problemen hebben om bepaalde gedachten in dit ‘kerkelijk troostboek’ te laten rij­men met hoe Jezus de Vader beschrijft in zijn in de evangeliën genoteerde uitspraken.

Is God werkelijk enkel goed?

In de psalmen staat vele malen dat God goed is. De psalmdichters ken­den de Here God als zodanig, en schreven Hem derhalve niets kwaads toe. Dat klopt uiteraard, want Hij zou het kwade niet eens hebben kunnen bedenken! Dat God het goede zowel als het kwade zou kennen, is de kardinale leugen die Satan in de hof van Eden op het eer­ste mensenpaar losliet. Hij maakte hun immers wijs dat zij net als God zouden kunnen worden… als zij net als Hij óók het kwade leerden ken­nen.

Doordat Adam en Eva het door de duivel vertekende godsbeeld als juist aanvaardden, kwamen ze verkeerd uit. Behalve Jezus heeft nog nie­mand aan alle misleidingen van Satan weerstand kunnen bieden. Maar wel reikt de apostel Johannes ons een kostbaar gegeven aan. In 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05) schrijft hij: “God is licht; er is in Hem geen spoor van duisternis”. Dat correspondeert op de gedachte, dat de Here God alles wat Hij is altijd voor de volle hon­derd procent zal wezen. Omdat God licht is, kan er dus gewoon geen duisternis in Hem zijn. Dit principe kun je op alle eigenschappen van de Vader van toe­passing brengen. God is rechtvaar­dig, derhalve zal er nooit enige onrechtvaardigheid bij Hem gevon­den worden. God is liefde, liefde­loosheid is bij Hem dus ondenkbaar. De Vader is de bouwer van de natuurlijke en van de geestelijke wereld, de sloophamer zul je daar­om bij een ander moeten zoeken. God is barmhartig, onbarmhartig bezig zijn past echt op geen enkele manier in zijn wezen. Zo is het ook met de kwalificatie van het goede in Hem: er zal nimmer iets kwaads in Hem gevonden kunnen worden. Onze Vader is puur licht, zonder meer rechtvaardig, één en al liefde en barmhartigheid, voortdurend bouwend aan de vervol­making van zijn puike plan en in alle opzichten onverdeeld goed. Geen van de negatieve tegenpolen krijgt bij Hem enige kans.

God is wars van verderf

In Gods plan is voor de mens zinvol leven gesitueerd. Hij doet zijn voor­nemen nimmer geweld aan, ook niet bij wie zich niets aan Hem gelegen laat liggen. Het is de toorn van God (Satan, op wie Gods toorn rust) die maar al te graag de kroon op Gods schepping aantast. De Here God brengt zijn schepselen zelf niet in de vernieling; wel waarschuwt Hij hen voor de intriges van de vorst van het duistere rijk in de hemelsferen. Maar met het stellen van zulke gedachten, doemt er gelijk een pro­blematisch punt op in de slotconclu­sie die Johannes aan dit gezicht ver­bindt. In Openbaring 22 vers 18 en 19 (Openb. 22:18-19) schrijft hij namelijk: “Ik verklaar tegenover een ieder die de profetie van dit boek hoort: als iemand er iets aan toevoegt, zal God hem de plagen toevoegen die in dit boek beschreven zijn, en als iemand iets afneemt van wat in het boek van deze profetie staat, zal God hem zijn deel afnemen van de levensboom en van de heilige stad, zoals die in dit boek beschreven zijn”. Hoe zijn dergelijke gedachten over God te rijmen met het beeld dat Jezus van de Vader schetste? Zij zul­len toch met elkaar in overeenstem­ming moeten zijn, aangezien de inhoud van het boek Openbaring óók door Jezus aan Johannes is getoond. Bekende Bijbelteksten zijn: ‘God is liefde’ en ‘God is goed’. Maar geldt dat dan niet voor degene die iets van de inhoud van dit Bijbelboek weglaat of er iets aan toevoegt? We dienen nooit uit het oog te ver­liezen dat de Heer de tekst van Openbaring niet letterlijk aan Johannes gedicteerd heeft. Hij toon­de hem de beelden en Hij gaf daar gedachten bij. Dat wil dus zeggen dat in dit gedeelte Jezus aan Johannes duidelijk gemaakt heeft, dat sleutelen aan de tekst van dit boek tot gevolg zal hebben dat de sleutelaar zich aan een scenario van rampzalige ontwikkelingen bloot­stelt. En tevens dat hij zich daarmee isoleert van de heilzame elementen die erin vermeld staan. Het Joodse volk was nu eenmaal eeuwenlang gewend geweest aan de oudtestamentische visie op dit soort zaken. Vandaar dat het Johannes niet vreemd zal zijn overgekomen, dat God hier als de straffende rech­ter wordt weergegeven. De werke­lijkheid is echter dat bagatelliseren van de inhoud van dit apocalyptische boek, zal leiden tot een vergemakke­lijking voor de betrokken machten van de duisternis om de geopenbaar­de zegeningen voor de mens te blok­keren en tegelijkertijd de bekendge­maakte rampzalige toestanden te helpen bewerkstelligen.

God is liefde

Deze waarheid blijft te allen tijde kaarsrecht overeind staan. God houdt niet slechts van de mens onder voorwaarde van diens blinde gehoorzaamheid, maar Hij heeft zijn schepselen onder alle omstan­digheden lief. Wie Hem ongehoor­zaam is, wekt (in de taal van de bij­bel) ongetwijfeld zijn toorn op. Maar dat is niet meer dan de gramschap van Satan, op wie de toorn van God (zoals reeds opgemerkt) nu eenmaal rust.

God is onmogelijk van zijn liefde te scheiden, want de Schrift geeft aan

dat Hij liefde is… puur liefde dus. De narigheid is echter dat een mens zichzelf buiten Gods liefde en trouw kan plaatsen door een knieval voor de duivel te doen. De Here God is immers te allen tijde zichzelf? Wel, dat betekent dan ook dat Hij nooit verbonden kan worden met het gedachtegoed van Satan, want dat zou tegen zijn wezen ingaan. Wie zich tot Jezus wendt, zal te allen tijde door Hem de weg naar de Vader gewezen worden. Want Jezus heeft de weg gebaand naar Gods liefdeshart. Dat komt doordat Hij zelf ook één en al liefde is. Hij is bovendien de verpersoonlijking van de waarheid van Vaders onberouwelijke keuze voor de mens. Elk men­selijk wezen maakt immers deel uit van zijn schepping, en Jezus is de volmaakte weergave van hoe God zich van eeuwigheid zijn beelddra­gers gedacht heeft. Vandaar dat Gods eerste Zoon in ieder die z’n verwachting op Hem stelt, Goddelijk leven geeft. Hoe heerlijk is die open­baring van Goddelijk heil in het leven van u en mij!

 

Dagelijks vol zijn van Gods Geest door Jildert de Boer

‘Dagelijks vol zijn van Gods Geest’… Een utopie of een voor iedere christen bereikbare werkelijkheid? In dit arti­kel belicht Jildert de Boer het onder­werp ‘Pinksteren’ op uitvoerige en duidelijke wijze (-red.).

“Wie gelooft, gelijk de Schrift zegt, stro­men van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38). “En zij werden allen vervuld met de heilige Geest…” Handelingen 2 vers 4 (Hand. 02:04).

Voor velen is Pinksteren niet meer dan een extra dag vrij. Christenen weten dat Pinksteren te maken heeft met de uitstorting van de Heilige Geest. Voor sommigen blijft het spreken over de Geest van God vaag en abstract. De werking van de Geest lijkt voor niet weinigen een onbekend of althans weinig bekend verschijnsel. Velen lijken de geeste­lijke antenne en een radar van God voor de geestelijke wereld te missen. Misschien is het een mooi historisch feit en een krachtig begin van de gemeente van Jezus Christus 2000 jaar geleden. Maar wat zijn de effec­ten van de werking van Gods Geest voor nu? Heb je persoonlijk ook een ervaring van en met Gods Geest gehad? Dan bedoel ik weer niet alleen een aantal jaren terug, toen je in je eerste vurige liefde voor Jezus Christus stond, maar vandaag als een werkelijkheid in je leven. Is het leven in de Geest realiteit voor je nu, of zij het maar een stel verhe­ven klanken? Mooie, maar loos lij­kende kreten die toch -op de keper beschouwd- geen relatie hebben met de nuchtere, soms harde wereld van elke dag.

Meer dan wedergeboorte!

Ik ga ervan uit dat je je hebt bekeerd van je vroegere wandel, toen je stuurloos met de wereld mee dobberde en dat je Jezus als stuurman en leidsman van je leven hebt gekozen. Ik neem aan dat je wedergeboren bent door het levende en blijvende Woord van God 1 Petrus 1 vers 23 (1 Petr. 01:23) en dat je geboren bent uit de Geest Johannes 3 vers 5 en 6 (Joh. 03:05-06).

Die Geest van God heeft jouw men­selijke geest levend gemaakt -die was immers dood door je zonden en overtredingen Efeze 2 vers 1 (Ef. 02:01)- en samen met Hem ben je aangesloten op de bron van ons leven: God Zelf! Je hebt Jezus Christus leren kennen als het Lam, dat de zonde der wereld wegneemt Johannes 1 vers 29 (Joh. 01:29). De vraag is evenwel daarbij of je Hem ook hebt leren kennen als Degene, die in de heilige Geest doopt Johannes 1 vers 33 (Joh. 01:33). Ben je onderge­dompeld in heilige Geest, helemaal omhuld met de Geest van God? Reken maar dat dit een heerlijke ervaring met God is! Dat is iets dat je door gebed en geloof kunt beleven. Daartoe heeft God ook handoplegging als een ondersteuning gegeven. Hier kun je profijt van trekken door middel van anderen, die je een stap verder kun­nen helpen op de weg van God. Zonder de kracht van de heilige Geest is het christenleven een moei­zame, traag voortslepende zaak.

In, met en door ons

Er is verschil of Gods Geest bij jou is en aan jou een werk doet, of dat

die heilige Geest in jou woning heeft gemaakt en je helemaal van binnen kan vervullen, zodat Hij ook met en door jou een heerlijk werk van God kan doen in je leefom­geving, concreet in je alledaagse leven. Kortom: dat stromen van levend water uit jouw binnenste gaan vloeien Johannes 7 vers 38 (Joh. 07:38). Die Geest van God zal je eigen dorheid door­breken en je persoonlijke leven gezond en fris maken. Vervolgens zal Gods Geest de saai­heid van de dagelijkse sleur verande­ren in een interessant ‘oefenterrein’, om te leren wandelen in de Geest en Zijn stem te verstaan, in plaats van het gegons en lawaai van andere “filmen van beneden. Dat kunnen Wieren in huis, op school, op straat en op ons werk, of waar dan ook. Een blij, fris en sprankelend leven kan ons deel zijn, als we bereid zijn in de werking van de heilige Geest te geloven en de heilige Geest te gehoorzamen.

Misschien hebben we ooit wel in onze vroomheid best oprecht gebe­den: “Heer, maak mij een kanaal van Uw zegen”. We voelden ons als die “holle pijp”, waar God Zijn levens­water in moest gieten via ons over het onvruchtbare woestijnland. Maar Hij respecteert ons mens-zijn, onze creativiteit en talenten en ziet ons niet als een willoos werktuig, niettemin zullen wij ons graag door Hem laten vormen. Toen -in onze oude voorstelling- beseften we nog niet dat zo’n kanaal een steriele, strakke en stijve zaak is. Het is rechtuit door mensen gegra­ven en daarmee een dood ding op zichzelf. Kanalen zijn nooit verras­send in hun loop, maar uiterst voor­spelbaar. Gods Geest werkt nooit op een en dezelfde manier en daarom is het niet leuk om een kanaal te zijn of ernaar te verlangen dit te worden.

Geef ons dan veel liever het levendi­ge bruisen van een rivier, die heel

verrassend zijn werk doet en vanuit de bron kris kras kronkelend uit­stroomt over het land, vol van ener­gie en krachtige stroming. Wat fijn om dan te bidden: “Heer laat mij een bron zijn van Uw levende water”. Daar sta je niet passief bui­ten, maar daar ben je helemaal in betrokken en word je actief ingeschakeld.

Bewustwording

Gedoopt zijn in en steeds vervuld worden met de heilige Geest geeft je het bewustzijn, dat de levende God in je werkt en dat Hij door jou ande­ren kan bereiken om je heen. Hoe mooi om te zijn als een besproeide hof en als een bron, waarvan het water nooit meer teleurstelt Jesaja 58 vers 11 (Jes. 58:11). Hoeveel mensen zijn er wel niet teleurgesteld in wat chris­tendom heet? De bruisende rivier van kracht is de eerste christenge­meente is vaak verworden tot een mager stroompje, dat zo heel zwak en zachtjes nog wat voortkabbelt…(althans in de ogen van velen). Is het niet fantastisch als de heilige Geest in ons opspringt als een fontein van water, die springt ten eeuwigen leven?! Johannes 4 vers 14 (Joh. 04:14). In dit voorbeeld uit het verhaal van de Samaritaanse vrouw zien wij ook dat het levende water vrijmoedig uit haar binnenste opsprong tot zegen van haar stad Johannes 4 vers 39 (Joh. 04:39). Het getui­genis van Jezus spoot eruit! Het is adembenemend om het avontuur op de rivier van God aan te gaan en de uitdaging op te pakken, om levens­water uit te delen aan een wereld die zijn dorst lest aan allerlei zaken waar je steeds weer dorst van krijgt en waar je nooit echte bevrediging in vindt.

Herstel

Het is geweldig dat de Heer in de geschiedenis van de gemeente steeds weer herstelbewegingen heeft gegeven, om de gemeente te bepalen bij haar oorsprong, haar geboorte op de Pinksterdag in Jeruzalem, of wel:

de kracht van de heilige Geest! Wat geweldig als kinderen van God gaan opstaan om vol van de heilige Geest te zijn en voortdurend te wor­den. En: vervolgens ook hun lauw­heid, gezapigheid, luiheid en slap­heid radicaal overboord te gooien! Opwekking is niet slechts een “conferentiefeest” (merk tussen haakjes op dat op zulke conferenties wel over de Geestesdoop wordt gespro­ken, maar dat de Bijbelse ‘link’ met de waterdoop helaas niet wordt gelegd!).

Opwekking is iets dat de Heer van binnenuit met jou wil doen en wat je samen met anderen mag beleven: de heilige Geest woont in je en maakt jouw zwakheid sterk! Je bent van tussen de doden uit opgestaan en wandelt nu in de Geest. De Trooster is erbij geroepen in jouw leven tot zalfolie voor je ver­wondingen, tot balsem en verkwik­king voor je ziel.

Zo kun je op jouw beurt voor ande­ren tot troost worden, zodat zij gaan zeggen “Jezus is Heer” door de heili­ge Geest 1 Korinthe 12 vers 3 (1 Kor. 12:03) en mag jij door de Heer gebruikt worden dat ande­ren gedoopt worden in de heilige Geest.

Als het Koninkrijk van God over je gekomen is en bij jou baan heeft gebroken doordat boze geesten uit je leven zijn gebannen zie Matteüs 12 vers 28 (Matt. 12:28), dan mag jij daarna het kli­maat en de geur van het Koninkrijk gaan verspreiden tot bevrijding van anderen, die nog gebonden zijn op bepaalde punten of gebieden in hun leven.

De Geest van God maakt je lichtbewegelijk en flexibel, zodat je Gods wijsheid vindt, om mensen te bemoedigen met woorden van God. Dat is de Geest van Pinksteren diep in je hart en reuze praktisch in je dagelijkse leven!

Een ongedeeld hart

De Heer wil in ons leven tot Zijn volle recht komen!

In het Oude Verbond lezen we al dat als ons hart volkomen naar Hem uitgaat, Hij ons krachtig bijstaat 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09). Gedeelde harten kunnen dus ingele­verd worden tot een ontvankelijk: “leer mij Here uw weg, opdat ik in uw waarheid wandele”. Dan kan ons hart verenigd worden tot de vrees van Zijn Naam Psalm 86 vers 11 (Ps. 086:011). Het gaat er dus allereerst om dat ons hart ongedeeld is voor Hem! Met een innerlijk verdeeld en twijfelend hart moet een mens niet menen dat hij iets van de Here zal ontvangen Jakobus 1 vers 8 (Jak. 01:08) en daarmee kan Zijn Geest niet uit de voeten. In Gods bedoe­ling wil Hij Zijn Geest juist meer dan overvloedig geven, want Hij is niet zuinig en wil op velerlei wijzen aan, in en door ons leven werken.

Doorwerkende aspecten van Gods Geest

Wat werkt de Geest van Pinksteren uit in je leven?

Wat zijn nu een aantal belangrijke dingen, die het doel zijn van de ver­dere doorwerking van de heilige Geest in je leven? Gaat het om uiterlijk vertoon, om een paar specifieke gaven, of is de Geest van God veel meer “allround”? Uiteraard is het werk van de Geest van God zo inspirerend en veelzijdig dat we maar een aantal punten kun­nen aanstippen. Deze kunnen ons aansporen en aanvuren om naar meer van God in ons leven te zoe­ken en te verlangen! Zonder op vol­ledigheid te bogen noemen we een aantal terreinen op, waarin Gods Geest ons wil stuwen.

  1. De Geest tot getuigenis

Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:08) geeft je kracht, de kracht van de Heilige Geest over je tot een getuigenis is steeds grote­re cirkels van bereik, te beginnen met je eigen huis en omgeving. Het is veranderd worden van een verle­gen naar een vrijmoedig persoon, die in woord en daad, door Zijn levenswijze, echt christen-zijn toont.

2.De Geest, die het Woord levend maakt

De Schriften worden levend voor je en je Bijbel is geen oud, antiek boek meer, dat traditioneel naar de letter gebruikt wordt, maar o zo nuttig bij je wandel in de praktijk. Bij Jezus gaf God Zijn Geest niet met mate Johannes 3 vers 34 (Joh. 03:34) en Zijn woor­den waren dan ook geest en leven Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63). Het is ook boeiend om te zien hoe Petrus op de Pinksterdag (Handelingen 2) de Schrift opende en putte uit het Oude Testament, om onder andere de woorden van de profeet Joël actueel en levend toe te passen. In je eigen leven ervaar je hoe God Zijn Woord voor je laat ‘oplichten’ en je wijsheid en openbaring krijgt door de Geest Efeze 1 vers 17 en 18 (Ef. 01:17-18). Het is de Trooster, de heilige Geest, die ons alles zal leren en te binnen brengen al wat Jezus gezegd heeft Johannes 14 vers 26 (Joh. 14:26). Hij zal Jezus verheerlijken, want Hij zal het uit het Zijne nemen en het ons verkondigen Johannes 16 vers 14 (Joh. 16:14).

3.De Geest van gebed en lofprijs

Zonder gebed geen heilige Geest Lucas 11 vers 13 (Luc. 11:13) en zonder heilige Geest geen krachtbron om tot bidden te komen. Kan de Geest jou op gezette tijden in de stilte brengen, los van de beslommeringen van het leven, om je relatie met God te verlevendi­gen? Of om gericht voorbede voor anderen te doen?

Het komen tot lofprijzing en aanbid­ding is heerlijk om gezamenlijk te doen, maar best een oefening om het alleen te (leren) doen, of het juist te doen middenin de beproevingen!

4.De Geest van profetie

De Geest wil spreken in de gemeen­te met profetische woorden. Hier mag vooral naar gestreefd worden 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01).

“Spreekt iemand (!), laten het woor­den zijn als van God” 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Het zijn woorden tot mensen, die stichtend, vermanend en bemoedi­gend zijn 1 Korinthe 14 vers 3 (1 Kor. 14:03). Ook de andere uitingen van de Geest mogen in een gezonde balans tot ontwikkeling komen in eigen leven en in de gemeente.

5.De Geest tot heiliging

De heilige(!) Geest der waarheid kan niet ontvangen worden door deze wereld Johannes 14 vers 17 (Joh. 14:17). Bij de stijl, de sfeer en de aanpak van de wereld voelt de Geest van God in ons zich thuis. “Want God heeft ons niet roepen tot onreinheid, maar in heiliging. Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u immers ook Zijn heilige Geest geeft” 1 Thessalonicenzen 4 vers 7 en 8 (1 Thess. 04:07-08). Door de Geest kunnen wij de “lichaamswerkingen” doden en als we ons door die Geest laten leiden zijn we zonen Gods Romeinen 8 vers 13 en 14 (Rom. 08:13-14). De brieven van de apostelen sporen ons aan tot “heiliging door de Geest” 2 Thessalonicenzen 2 vers 13 en 1 Petrus 1 vers 2 (2 Thess. 02:13; 1 Petr. 01:02). De Geest tot heiliging is dezelfde Geest als de Geest van (lust in) de vreze des Heren Jesaja 11 vers 3 (Jes. 11:03), namelijk om (ver!) te wijken van het kwade in je leven en ook in de gemeente.

6.De Geest tot de goede strijd

De Geest bakt geen “zoete broodjes”, kweekt geen “zweverige gevoelens”, is niet te porren voor “zwoele manifestaties”, maar zegt dat je krachtig in de Here en de sterkte van Zijn macht de volle wapenrus­ting van God aan moet doen Efeze 6 vers 10 (Ef. 06:10), om in de geestelijke wereld tegen je ware vijanden te strijden Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12). Het is oorlog in de hemelse gewesten en wij mogen met de autoriteit van de Geest daar onze plaats innemen! Ook op aarde leren we in praktische zin dat “wandel door de Geest” betekent het “niet voldoen (toegeven) aan het begeren van het vlees” Galaten 5 vers 16 (Gal. 05:16). Dat blijkt wel uit onze reacties in de levenssituaties. Zijn die nog als “zure azijn” uit de woestijn, of al als “heerlijke honig” uit het beloofde land?

Jezus kreeg de vuurdoop -de testcase van de duivel- in de woestijn na Zijn Geestesdoop, maar de goede enge­len dienden Hem en Hij keerde terug in de kracht des Geestes naar Galilea Lucas 4 vers 1 tot en met 14 (Luc. 04:01-14). Hoe keren wij terug naar huis van een dag met allerlei “tegenzitters” en aanvallen? Vol van de Geest (via de goede strijd tegen de machten der duisternis), of menselijk geprikkeld en chagrijnig? Deze vuurgloed van beproeving moet ook ons niet bevreemden, als die over ons komt 1 Petrus 4 vers 12 (1 Petr. 04:12). Dan kan bijv. bij smaad lijden toch gelukkig(!) blijken dat de Geest der heer­lijkheid en de Geest Gods op je rust 1 Petrus 4 vers 14 (1 Petr. 04:14).

7.De vrucht van de Geest

De negenvoudige vrucht van liefde tot en met zelfbeheersing gaat door de Geest rijpen in onze levens Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22). Tegen zulke mensen is de wet niet Galaten 5 vers 23 (Gal. 05:23). Zij bevestigen name­lijk de wet Romeinen 3 vers 31 (Rom. 03:31) in hun levens, hebben het vlees gekruisigd Galaten 5 vers 24 (Gal. 05:24) en houden door de Geest het (goede!) spoor Galaten 5 vers 25 (Gal. 05:25). Vergeten wordt vaak bij het spreken over de vrucht van de Geest dat als voorwaarde geldt het afleggen van de werken van het vlees Galaten 5 vers 19 tot en met 21 (Gal. 05:19-21). Er staan daar 15 duidelijke zon­den opgesomd, maar met “en derge­lijke” is de lijst verder uit te breiden. Door allerlei vleselijk blijvende christenen ontstaat er soms een ver­keerde leefsfeer in gemeenten, die het klimaat van het Koninkrijk Gods met zijn gerechtigheid, vrede en blijdschap Romeinen 14 vers 17 (Rom. 14:17) dreigt te verstoren.

Het is niet de bedoeling de zuurstof van het Koninkrijk -de liefde- te smoren door “geestelijke milieuver­ontreiniging” van werken der duis­ternis. Deze zullen radicaal wegge­daan moeten worden, wil de vrucht van de Geest tot volle ontplooiing komen! De vrucht van de Geest openbaart het karakter van Jezus! De zonen van God, die door de Geest geleid worden, zullen het wezen en de heerlijkheid van Christus gaan weerspiegelen en naar Zijn beeld veranderen zij van de ene heerlijkheid in de andere heerlijk­heid, immers door de Here, die Geest is! 2 Korinthe 3 vers 18 (2 Kor. 03:18).

8.De eenheid door de Geest

Tegen het woord “u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes” Efeze 4 vers 3 (Ef. 04:03) is veel gezondigd in de kerkgeschie­denis. Gods uitgangspunt blijft: “een lichaam en een Geest” Efeze 4 vers 4 (Ef. 04:04). De kracht van Gods Geest kan ons in de plaatselijke gemeente zichtbaar een maken! Dat lukt echt niet als menselijke heerszucht, jaloe­zie, roddel en negatieve kritiek (onveranderd) blijven leven in de gemeente.

De kracht van de Geest is de opwaartse kracht tot God, die sterker is dan de neerwaartse kracht van de zondemachten. De Geest tot eenheid is meer dan de geest van verwijde­ring of verdeeldheid. Geloof in Zijn goddelijke kracht, die eenheid mogelijk maakt! De Geest bindt samen en toont je liefde voor elkaar! Woorden als “samen” en “met elkaar” zijn kernwoorden voor gemeente bouw.

Verlangen naar meer van God

Tenslotte: heb je dorst naar (nog) meer van God? Als je deze gezind­heid en instelling hebt, dan ben je niet een beetje aan het geestelijk freewheelen of entertainen in de gemeente. Dan hunker en smacht je naar de weg die de Geest verder met je wil gaan. Dan wil je vrij van oppervlakkigheid dieper en hoger met God gaan, ook al kost het meer van jezelf.

Laten we de uitdaging aangaan en ik roep je op, als je dorst hebt naar meer van God, dat je in je verlan­gen komt en drinkt van Zijn Geest. Kom weg uit elke “droogte”, “verzan­ding” en “dichtslibbing” van bepaal­de gebieden in je leven en laten – voor het eerst of opnieuw- de stro­men van levend water vloeien uit je hart en leven!

Geef de geest van onverschilligheid geen kans, om schouderophalend aan het meerdere van Gods goede Geest voorbij te gaan! De Heer is RIJK voor allen die Hem aanroepen! Romeinen 10 vers 12 (Rom. 10:12).

 

‘Opdat zij allen een zijn Door Wim te Dorsthorst

Het is altijd weer indrukwekkend in het Johannes-evangelie de hoofd­stukken 13 tot en met 17 te lezen. Als Judas is verdwenen in de duis­ternis van de nacht om zijn Heer te verraden, geeft Jezus daarna nog het meest heerlijke onderwijs aan Zijn apostelen. Dit gedeelte is bekend onder de naam: “Gesprekken bij het Avondmaal”. Wat opvalt is dat de Heer niet praat over het verschrikkelijke lijden waar Hij nu doorheen zal moeten, maar dat Hij vol zorg is voor Zijn discipe­len, als Hij er niet meer zal zijn. Het Hogepriesterlijk gebed is dan de afsluiting. Direct hierna gaat hij met de elf apostelen naar Gethsemané, waar Hem de verschrikkelijke doodsangst overvalt en Hij even later gevangen genomen wordt. Juist in dat laatste gebed spreekt Hij Zijn zorgen uit voor de apostelen en bidt Hij in vers 11b: “Heilige Vader bewaar hen in Uw Naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij een zijn, zoals wij”. Dat is het thema van Zijn laatste gebed tot de Vader: ‘De eenheid van zijn apostelen en de toekomstige gemeente’. In de verzen uit Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23) is dan Zijn gebed: “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, die Gij Mij gege­ven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erken- ne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”.

De verdeeldheid-zaaier

Tot vijf maal bidt Hij tot de Vader om eenheid voor de gemeente die nu zal gaan ontstaan. Uit zo’n gebed spreekt een diep verlangen, maar ook een grote zorg van de Heer voor de gemeente als Hij er niet meer zal zijn; ‘opdat zij allen een zijn’!

Hij heeft in Zijn onderwijs drie en een half jaar lang de geestelijke wereld geopend en de Naam van de Vader aan Zijn apostelen geopen­baard. Maar Hij heeft daarin ook laten zien, wie de grote tegenstander is van God en de mensen. Hij heeft de duivel openlijk aangewezen als de dief, de slachter en de verdelger. De vader der leugen en de oorzaak van alle ellende, waar mensen in ver­strikt kunnen zitten. Hij is ook de grote verleider, bedrieger en aankla­ger. Maar één eigenschap, die ook uit z’n griekse naam (Diabolos) naar voren komt, is: ‘uiteenwerper’, ‘ver­deeldheid-zaaier’. Dat speciale werk van de duivel zien we op alle terrei­nen van het leven, maar vooral in kerken en gemeenten. De Heer Jezus bidt om eenheid en de duivel zaait verdeeldheid! Hij heeft dat altijd gedaan, ook onder het oude volk Israël, en hij zal dat blijven doen tot het einde toe. We hoeven ‘oor maar acht te geven op de indringende waarschuwingen van de Heer zelf en van de apostelen in hun onderwijs.

Volmaakt zijn tot één

In deze laatste verzen van Zijn gebed Johannes 17 vers 20 tot en met 23 (Joh. 17:20-23) bidt de Heer niet alleen voor de apostelen, maar ook voor allen die door het woord van de apostelen in Hem gaan geloven. En met welk doel? “opdat zij allen een zijn”. En dan gaat Hij die een­heid nog wat duidelijker stellen als Hij zegt: “opdat zij allen één zijn gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn” (vers 21). De NBG-vertaling vertaalt met: “… dat ook zij in Ons zijn’, maar de Staten vertaling en de meeste andere vertalingen, hebben:’… dat ook zij in Ons een zijn’. Het gaat dus om een hele bijzondere en diepe een­heid van de gemeente. Een eenheid zoals Jezus en de Vader één zijn! In Johannes 14 vers 7b tot en met 9b (Joh. 14:07b-09b) zegt de Heer tot Filippus: “Van nu aan kent gij de Vader en hebt gij Hem gezien. Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”. De Hebreeën-schrijver zegt later: “dat Jezus de afstraling is van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen” Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a). Om die eenheid bidt de Heer voor zijn volgelingen voor Hij gaat lijden en sterven. Hij bidt zelfs in Johannes 17 vers 23 (Joh. 17:23): Dat zij volmaakt zijn tot een”.

En waarom is deze diepgaande een­heid zo belangrijk – in de eerste plaats van zijn apostelen natuurlijk, maar ook van alle christenen – “Opdat de wereld gelove en erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt”, zegt Hij Johannes 17 vers 21 tot en met 23 (Joh. 17:21-23).

Zolang de gemeente nog verdeeld is en niet tot die volmaakte eenheid is gekomen is zij geen getuigenis en geen betrouwbaar bewijs dat de Heer Jezus door de Vader in de wereld gezonden is. Dan is de gemeente ongeloofwaardig en onwaarachtig! Ik geloof dat de een­heid waar de Heer om bidt, de diep­ste betekenis is van het gemeente- zijn en het grootste wonder wat de wereld zal kunnen overtuigen, als zij volmaakt is tot één. De Heer bidt dus niet om een oecu­menische eenheid zoals bij de PKN- kerk, wat op het ogenblik nogal actueel is, maar in wezen slechts een papieren overeenkomst is. Ook geen eenheid in ‘verscheidenheid’, zoals dat zo interessant genoemd wordt, maar natuurlijk geen eenheid is. Ook geen eenheid tussen Rooms Katholieken en evangelischen zoals in Amerika gezocht wordt! Nee, de Heer bidt om een eenheid “zoals de Vader en de Zoon een zijn”!

Vorming van de apostelen

Is dit niet veel te hoog gegrepen van de Heer? Hoe zou dat gerealiseerd kunnen worden als Hij er zelf niet meer is?

De Heer is ruim drie jaar rondge­trokken in Israël en Hij leerde en onderwees de schare aangaande het Koninkrijk Gods, maar aan Zijn apostelen heeft Hij heel bijzonder onderricht gegeven. Op veel plaatsen lezen we in de evangeliën dat Hij zich heel speciaal met de twaalven bezighield. Zo lezen we bijvoorbeeld in Markus 4 vers 34 (Mark. 04:34): “Tot de scharen sprak Hij enkel in gelijkenissen, maar afzonderlijk aan zijn discipe­len verklaarde Hij alles”. In de gesprekken bij het avondmaal zegt Hij tegen de elf overgeblevenen: “Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt. Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u aan­gewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht dragen Johannes 15 vers 15 en 16 (Joh. 15:15-16). Ook in Zijn laatste gebed tot de Vader zegt Hij dat Hij de Naam van God aan hen heeft bekend gemaakt en dat Hij de woorden die de Vader Hem gegeven had aan de apostelen bekend heeft gemaakt (vers 6-8). Zelfs na Zijn opstanding is Hij hen nog 40 dagen verschenen om hen te onderrichten over alles wat het Koninkrijk Gods betrof, en door de heilige Geest heeft Hij hen Zijn bevelen gegeven.

Zo zijn de apostelen door de Heer grondig toebereid om de bouwers van de gemeente van Jezus Christus te zijn.

De heerlijkheid

Hij bidt in vers 22 voor hen: “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn”. Wat bedoelt de Heer met die ‘heer­lijkheid’?

Je kunt denken aan de kennis van de Vader en alle woorden die de Vader Hem gegeven had en die Hij aan hen doorgegeven heeft, dat is ook heerlijkheid, maar ik geloof dat de Heer hier de heilige Geest bedoelt. Bij Zijn hemelvaart geeft Hij ook de opdracht dat ze moeten blijven wachten op het ontvangen van de heilige Geest. Dan zullen ze kracht ontvangen om uit te gaan zoals Hij uitgegaan is.

Voor de Heer Zijn bediening begon, liet Hij zich dopen en werd Hij ver­vuld met de heilige Geest. Van toen af was Hij aangedaan met hemelse kracht, autoriteit en goddelijke heer­lijkheid. Zijn hemelse Vader bekleedde Hem met heerlijkheid tot het vervullen van een geweldige taak.

Deze heerlijkheid trad naar buiten als Hij zijn mond opende om het evangelie te brengen aan de armen, om Zijn discipelen te onderwijzen in de geheimenissen van het Koninkrijk Gods, en wanneer Hij rondging weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38). Zo kunnen we op verschillende plaatsen lezen in de evangeliën dat de Heer Jezus Zijn ‘heerlijkheid’ openbaarde. Deze ‘heerlijkheid’ was zichtbaar en hoorbaar voor hen die in Hem geloofden. Voor de ongelovigen en dwarsliggers was Hij nog steeds de timmermanszoon uit Nazareth en werd Hij veracht, juist om die ‘heer­lijkheid’ en zochten ze Hem te, doden. 

“En deze heerlijkheid heb Ik ook aan hun gegeven”, bidt Hij. En dan niet op de eerste plaats om de werken te doen die Hij gedaan heeft, maar ‘opdat zij een zijn, gelijk wij een zijn’!

De tijd van Handelingen

Hij heeft de apostelen niet zomaar de wereld ingestuurd. Hij zegt: Vader, gelijk gij Mij gezonden hebt in de wereld; heb Ik ook hen gezon­den in de wereld” (vers 18). Dat wil zeggen: met dezelfde kennis en dezelfde toerusting! En de apostelen zijn na Pinksteren de wereld ingegaan, vervuld met dl^ heerlijkheid Gods, en met een eens­luidende boodschap die zij van de Heer geleerd hadden. Beginnende in Jeruzalem, vervolgens in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde Handelingen 1 vers 8b (Hand. 01:08b). De apostel Paulus schrijft later aan de Efeziërs dat de gemeente gebouwd wordt op het fundament van de apostelen en de profeten, ter­wijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is Efeze 2 vers 20 (Ef. 02:20).

In Openbaring 21 waar we lezen over het nieuwe Jeruzalem, beeld van de gemeente, zien we op de fun­damenten van de stad de twaalf namen van de apostelen van het Lam Openbaring 21 vers 14 (Openb. 21:14). Wat een machtige tijd moet dat geweest zijn in het begin. Allen die tot geloof kwamen waren één omdat ze het woord van de apostelen geloofden. En niemand hoefde te twijfelen aan de echtheid van de boodschap, want de Heer werkte mee en bevestigde de woorden van de apostelen door de tekenen die er op volgden. Allen lieten zich dopen volgens de opdracht van de Heer Jezus en ontvingen dan ook de heili­ge Geest volgens de belofte, want zonder deze stappen is er geen een­heid mogelijk waar de Heer om heeft gebeden.

De heilige Geest is de Geest der waarheid en wil de gelovigen de weg wijzen en hen leiden in de volle waarheid. Hij smeedt alle gelovigen, van alle volken, rassen en culturen over de hele wereld samen tot één lichaam. Allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, lezen we in 1 Korinthe 12 vers 12 en 13

(1 Kor. 12:12-13). Schitterend mooi is dat!

Het is geweldig begonnen

Er is de voorbije 20 eeuwen veel fout gegaan met de gemeente van Jezus Christus. Al vrij snel na de dood van de apostelen verdween het geloof en de glans die de eerste gemeenten zo sierde. En toen in de 3e eeuw de staatsgodsdienst werd ingevoerd, betekende dat het gaan in geestelijk ballingschap. Het volk van God werd verstrooid onder wereldlij­ke en kerkelijke machthebbers en wat het allerergste was. de bood­schap van de apostelen werd niet meer gehoord.

De profeet Joël beschrijft in Joël 1 vers 4 (Joël 01:04) wat er dan met het volk van God gebeurt: “Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afge­vreten; en wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afge­vreten”.

Zie je het voor je? Wij staan nu bij de resultaten van dat eeuwenlange proces.

Zo heeft de satan met zijn rijk Jeruzalem, het huis Gods, de gemeente verwoest, leeggeroofd en het tot een puinhoop gemaakt. De duivel heeft kans gezien alles wat de gemeente betreft, leiding en gezags­structuren, bedieningen, werking van de gaven van de heilige Geest, zicht op wat de gemeente is en het doel van de gemeente, met een dikke laag religieuze modder te bedekken. Kaal geknaagd, afgevreten, verslonden…

Er is in de loop van de eeuwen een verdeeldheid ontstaan die alle begrip te boven gaat. Duizenden richtin­gen, stromingen, groeperingen, ker­ken, gemeenten… Bij geen enkele andere godsdienst vind men dit zoals juist bij het christendom! Waarom? Omdat de duivel, de grote ‘uiteenwerper’, altijd bezig blijft ver­deeldheid te zaaien. Als we deze verdeeldheid zien dan zeggen we: Daar moet een wonder gebeuren, wil er nog ooit weer een eenheid komen onder het volk van God. Een eenheid als waar de Heer Jezus om gebeden heeft en zoals dat in de dagen van de apostelen geweest is.

De nieuwe tijd

Maar goddank, we leven nu in de tijd dat vele profetieën die spreken van het herstel van de gemeente in het laatst der dagen, in vervulling gaan. Om maar één plaats te noe­men, wat Jesaja zegt in Jesaja 51 vers 3 (Jes. 51:03): “Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen; Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang”.

Daar is de Heer mee bezig in deze tijd! Niet alleen de schepping zucht, maar ook velen van Gods volk zijn nog ziek, verdeeld en krachteloos en hebben diepe genezing en oprich­ting nodig.

Belangrijk is om geestelijk opmerk­zaam te zijn zodat we door de heili­ge Geest ervaren dat we midden in deze ontwikkeling leven, zoals Jesaja hier beschrijft.

Wij leven duidelijk in de eindtijd en bewegen ons naar een geweldige nieuwe volheid des tijds, naar de openbaring van de zonen Gods! De landman heeft eeuwen en eeu­wen geduld gehad en gewacht op de volle vrucht van het land, totdat de vroege en de late regen erop geval­len is, schrijft Jakobus 5 vers 7 (Jak. 05:07). Wij mogen het nu beleven dat de late regen valt/gaat vallen en de volle vrucht zich zal gaan openbaren. Daarom is er allerwegen een verlan­gen in de gemeenten om weer te komen tot een structuur als in de begintijd. Dat is niet ouderwets, maar dat is nu de ware vernieuwing om weer terug te keren naar de Bijbelse principes, wat de Heer zelf en Zijn apostelen geleerd hebben. En ik geloof dat de Heer zelf werkt in deze drang naar geestelijke vernieuwing en vrijheid.

Hij werkt immers het willen en het werken in ons, zegt Filippenzen 2 vers 3 (Filip. 02:03). De Willibrord-vertaling heeft: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om zijn heilsplan te verwe­zenlijken”.

Zo zal er uiteindelijk een gemeente tot stand gaan komen waar de Heer Jezus zo vurig om gebeden heeft: “Opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één.

 

Instrumenten in Gods hand door Gert Jan Doornink

In het leven van elk kind van God gebruikt God mensen die van invloed zijn op de ontwikkeling en groei van ons geloofsleven. Bij mij waren dat onder andere:

Gerrit Ernste, een evangelist uit de Betuwe, die destijds conferenties hield samen met

Woud de Grood en sprak in allerlei samenkomsten. Hij leerde mij vrijmoedigheid. Met hem ben ik in die tijd verschillende keren mee geweest met spreekbeurten en tournees die hij hield in Duitsland.

Johannes Maasbach, een evangelist met grote bewogenheid voor het ver­lorene en bekend werd als tolk van de Amerikaanse evangelist Osborn. Daarnaast bleef hij zakenman, waardoor hij er in slaagde allerlei kerken op te kopen voor een lage prijs die dan als evangelisatiecentra werden ingericht en waardoor velen tot geloof kwamen. Gedurende enige tijd mocht ik met hem samenwerken. Hij stond vaak aan veel kritiek bloot maar ik waardeer behalve zijn bewogenheid ook zijn oprechtheid.

Eli Stanley Jones, een Amerikaanse zendeling-evangelist, die in de eerste helft van de 20e eeuw gedurende vele jaren in India werkzaam was en later in vele landen van de wereld in samenkomsten sprak waardoor velen tot geloof kwamen. Zijn grote liefde voor Christus en de mensen leerde ik destijds kennen door één van zijn boeken. Uiteindelijk ben ik erin geslaagd al zijn in het Nederlands vertaalde boeken te bemachtigen, via een tweedehands boekwinkel in Rotterdam.

Robert Schuller, de Amerikaanse televisiepredikant die velen bereikt met zijn uitzendingen via ‘Hour of Power’. Wat ik van hem mocht leren en opnieuw bevestigd wordt in mijn leven, is dat we onze bekwaamheden, talenten, gaven in dienst van Gods Koninkrijk mogen stellen. Een accent wat naar mijn mening in de Nederlandse evangelieprediking veel te veel op de achtergrond blijft.

Duurt Sikkens, die vele jaren de creatieve en unieke illustraties verzorgde in Levend Geloof, evenals de rubriek ‘Onder de boom’. En voor mij hoe langer hoe meer een echte vriend werd. In onze gesprekken opende hij mij de ogen voor het deelhebben aan Gods volle heerlijkheid, door geheel los te komen uit een star, wettisch denken om te kunnen delen in de echte vrijheid in Christus.

Ik kan natuurlijk nog meer namen noemen, maar laat het hierbij. Ik heb willen aangeven dat we als nieuwe scheppingen in Christus geen individualisten zijn, maar niet kunnen functioneren en ontwikkelen zonder onze medebroeders en zusters.

 

Wees op uw hoede voor de afgoden Door Cees Maliepaard

Het is niet voor niets dat Johannes waarschuwt voor de afgoden, want Satans engelen zijn gericht op de ondergang van de mensheid en op de teloorgang van de relatie tussen God en zijn schepselen.

Waar gaat het om?

Johannes sluit zijn eerste algemene zendbrief af met de woorden: ‘Kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.’ Hij zal zich er wel van bewust zijn geweest, dat het slot van een epistel de lezer vaak het langst bijblijft. Was Johannes’ schrijven dan bedoeld om hen ervan te door­dringen, voortdurend bedacht te zijn op de aanwezigheid van Satans demonische handlangers? Dat is nu juist niet het thema van deze brief en ook niet het item waar Johannes zich bij voorkeur in verdiepte. Natuurlijk was de discipel waar Jezus het meest vertrouwd mee was, zich terdege bewust van de activitei­ten van de duivel, maar dat was niet het onderwerp waar hij zijn gedach­tewereld mee vulde. Johannes, de apostel van de liefde, was veel meer gericht op de aanwezigheid van de Heer en de goede hemelse machten, dan dat hij zijn aandacht verspilde aan de kwade geesten in de hemel­sferen. We mogen aanspraak maken op overwinningsleven. Het is nor­maal dat iemand die Jezus toebe­hoort, de aanvallen uit het rijk van de duisternis leert pareren. Maar het gaat tenslotte om de verheerlijking van de Heer. En Hij wordt grootge­maakt wanneer zijn schepselen gaandeweg gaan beantwoorden aan zijn verwachtingen; anders gezegd: wanneer onze innerlijke mens op de zijne gaat lijken.

Zondeloos leven

Johannes geeft te kennen dat de zonde voor ons iets uit het verleden is. Letterlijk schrijft hij: ‘We weten dat iemand die uit God geboren is, niet zondigt.’ Dat is nogal een uit­spraak! Is dit niet te hoog gegrepen, en betrappen we Johannes hier wel­licht op een behoorlijk ondoordachte conclusie? De gemeente van Christus Jezus bestaat uit allemaal wedergeboren mensen, maar zondi­gen die ook geen van allen? Of ster­ker nog: zit er zelfs maar eentje tus­sen die alle zonden uit het leven gebannen heeft?

Gelukkig hoeft niemand minder­waardigheidsgevoelens te krijgen,^^ want buiten Jezus is er geen mens die naar waarheid kan zeggen nooit iets verkeerds gedaan te hebben. God is enkel goed en Jezus, het getrouwe beeld van de Vader, is eveneens puur goed. Wij zullen in de gezindheid van de Christus ons naar het volkomen goed zijn mogen uitstrekken. In relatie met Jezus zondigen we niet, want Hij leidt ons van heerlijkheid tot heerlijkheid. Dat wil zeggen dat Hij ons leert wat Gods heerlijkheid inhoudt, namelijk het vol zijn van goedheid, goedertie­renheid, barmhartigheid en gerech­tigheid. We maken ons meer en

meer de gedachten van onze enkel goede God eigen, en naar rata daar- djn we vrij van de troep die de tegenstander bij ons naar binnen probeert te blazen. Dat kunnen god­deloze ideeën zijn, maar net zo goed vrome waanvoorstellingen. Wie in de Christus is ingevoegd, is in prin­cipe vrij van de zonde en van religi­euze beïnvloedingen gekomen. Van de nawerkingen die er nog zullen wezen, mag men leren gaandeweg afstand te nemen. En als er nog grote miskleunen zullen plaatsvin­den, is het volbrachte werk van onze Heer altijd ten volle toereikend om er vanaf te komen. Want zondeloos leven is iets wat door Hem binnen bereik is gekomen.

Leven naar Gods wil

Het behoeft geen betoog dat de mens die op Jezus’ aanbod tot red­ding en bevrijding is ingegaan, er alles aan zal doen om aan de ver­wachtingen van de hemelse Vader te gaan voldoen. En wat zal Hij denken dat door ons in de huidige stand van zaken haalbaar is? In elk geval een hart dat op Hem gericht is en dat derhalve bezig is zich aan de beïn­vloeding van de afgoden te ontworstelen. Het is daarbij van belang, te weten dat de hedendaagse afgoden over het algemeen niet in een beel­dendienst te vinden zijn, maar dat ze gestalte aannemen in de beelden waar onze harten mee bezig zijn. Geld is een noodzakelijk kwaad in ons leven, maar wanneer het in mijn hart een dominerende plaats heeft ingenomen, is het mijn afgod geworden. Seksualiteit past in een door God gegeven levensinvulling, maar wanneer ik oversekst ben, heb ik het in een door Hem niet zo bedoeld afgodisch kader geplaatst. Je kunt tegen bepaalde mensen wel­licht terecht opzien. Bij de één zal dat zijn vanwege de geestelijke instelling van de betrokken persoon, bij de ander vanwege bepaalde natuurlijke kwaliteiten. Daar hoeft op zichzelf niets mis mee te zijn, maar als ik zo iemand dusdanig op mijn gedachtetroon zet dat de Heer erdoor in de schaduw dreigt te gera­ken, dan heb ik hem of haar tot mijn idool gemaakt. Hetzelfde valt te zeggen van hoe je met sportfiguren bezig kunt zijn. Ik heb echt wel bewondering voor hoe sommigen zich inzetten voor hun team, zelfs als ze niet bijster in vorm zijn. En je kunt er van leren dat je in de gemeente ook niet altijd in topvorm hoef te wezen om iets in het midden te leggen of om voor een ander te bidden. Maar het zou abso­luut een foute zaak zijn als ik sport­mensen in m’n hart als sportidolen zou gaan koesteren. Wie wijs bezig is, zal zeker op z’n hoede zijn voor de afgoden, maar minstens in dezelfde mate met waar het eigen hart zich op richt. Geef ze geen voet: de afgoden van de wereld niet, maar net zo min de reli-idolen. God is een enig God; er zal nimmer een tweede bijkomen. Alleen zijn Zoon Jezus heeft Hij als koning/priester en als herder over ons aangesteld. Hem zullen we aanbidden, omdat Hij als de Christus de enige brug naar de Vader is. We doen er dus goed aan, de raad van Johannes op te volgen. We zul­len ons hoeden voor de afgoden. En we richten ons met een wijd geo­pend hart op de door onze hemelse Vader aangestelde koning/priester. En we betonen de eeuwige God in aanbidding onze wederliefde. Hoe? Vooral door te zijn zoals Hij ons zich gedacht heeft.

 

Gods ’toorndoor Tea Keuper

Als we er vanuit gaan dat God enkel goed is en goed doende, dan moe­ten wij erkennen, dat Hij het kwade, wat in velerlei vorm bestaat in deze wereld, niet bewerkt of uitvoert! In de Romeinenbrief beschrijft Paulus onder meer dat God kwaad en onrecht veroordeelt, verwerpt. Alle mensen hebben gezondigd en mis­ten hierdoor het doel, wat God met de schepping, die Hij volmaakt geschapen had, voor ogen had en nog heeft! Ook in de engelenwereld kwam de grootste zonde voor, hoog­moed, waardoor ongehoorzaamheid aan de Schepper. Satan werd uit de hemel verbannen naar de aarde, waar hij de tegenstander en verlei­der bij uitstek is geworden van God, de Vader van Jezus Christus. Goed en kwaad kunnen niet met elkaar verenigd worden. God gaf aan de mensheid de keuze: Kiezen voor Hem, die enkel het goede bewerkt of kiezen voor zijn tegenstander, satan, de bewerker van alle kwaad. Maar God kon zijn wezenskenmer­ken, zijn liefde, trouw, rechtvaardig­heid en barmhartigheid niet verloo­chenen. Hij is de verpersoonlijking hiervan! Ik las in de nieuwe Van Dale dat voor ’toorn’ aan het einde van een heleboel menselijke toorn, als twee­de betekenis staat vermeldt: verdriet, leed. Dit is naar mijn mening Goddelijk! Als iemand een verkeerde keuze maakt en van de weg, die God hem of haar wijst, afwijkt, dan kan God met zo’n mens geen gemeen­schap hebben, Hij kan er zijn goed­heid niet aan kwijt! Hij heeft zich overgegeven aan de verleider, satan, die hem in de duisternis leidt met alle gevolgen van dien.

De verloren zoon

Een prachtig voorbeeld staat er in de bijbel. Het verhaal wat Jezus zelf heeft verteld, wat me eens enorm heeft ontroerd, toen ik het voor kin­deren vertelde met vingerpopjes! Het verhaal van de verloren zoon uit Lucas 15 vers 11 tot en met 32 (Luc. 15:11-32). Jezus toonde hier duidelijk mee aan, dat de Vader leed en medelijden met de zoon had, die de verkeerde weg opging! Hij liet hem wel gaan… maar zag uit naar zijn terugkeer! En hij kwam terug en beleed zijn zonden! Wat was die Vader toen blij! Hij gaf een groot feest en omhelsde de verlopen bedelaar. Hij was genadig en is dit nog! De andere zoon, die volgens de wet zijn vader gehoorzaamde maar niet blij was maar jaloers, werd liefdevol voorgehouden toch ook blij te zijn over het behoud van zijn broer! Men zegt dan vaak: “Ja, dat was de verlo­ren zoon”. Maar de Vader heeft een andere houding: Hij probeert ook die zoon in de lichtkring te trekken van zijn Koninkrijk! Ik ben zo dank­baar voor dit verhaal van Jezus. Hij bracht een volmaakte boodschap, als Zoon, als afdruk van Gods Wezen! Wat wil Jezus zijn volgelingen hier­mee leren? Dat wij zo worden als Hij en zijn Vader en mensen hiervan vertellen en… voorleven. Dat kunnen wij alleen, als Jezus in ons woont door zijn Heilige Geest, die op de weg van het Leven leidt!

Voor wie kiezen wij?

Wij hebben maar één tegenstander,

verwekker van elk soort van kwaad.

Hij zet de één op tegen d’ ander,

hij steelt, verderft, hij moordt en haat!

 

Wij hebben ook één God en Vader,

Die ’t goede wil en het bewaart.

Die hoorder inspireert tot dader,

Die vrede wil in plaats van ’t zwaard.

 

Gods toorn is, dat Hij lijdend loslaat,

wie kiest voor eigen wil en weg,

de tegenstander tegemoet gaat,

die hem misleidt naar heg en steg!

 

God is rechtvaardig en vol liefde,

de weg naar Hem is vrijgemaakt!

Hoezeer zijn scheps’len Hem ook grief­den,

Hij is het, die zijn Woord bewaakt!

 

Gaande op de weg, die Jezus baande,

vernieuwd in denken door zijn Geest

blijven zijn kind’ren met Hem staande,

wordt ’t weer zoals ’t eens is geweest!

 

Psalmvers door Froukje Huis

‘Zo! Heb je een 10 op je rapport?’ Wat was je trots als er een tien op je rapport prijkte. Het was dan wel voor een vak dat eigenlijk niet op de cijferlijst stond maar er door de ‘juf’ was bijgeschreven, maar ’t was en bleef een tien! Psalmversje 10. Immers toen we goed konden lezen, moesten we elke week een psalm- of gezangvers leren, ’t Werd altijd over­hoord en als ’t goed ging kreeg je een 10. ’t Kostte wel eens hoofdbre­kens voor onze jonge hersentjes maar we stampten het erin net als al de moeilijke plaatsnamen die we op een rijtje uit ons hoofd leerden: Bern, Neuchatel, Le Locle. La Chaud de Fonds enz.

Zondags was het: ‘Ken je je versje al?’ O wee als je het vergeten had, dan bleef er maar een paar uur over om het in je hoofd te krijgen.

‘Ik lag gekneld in banden van de dood, daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen!’ of:

’s Heren goedheid kent geen palen, God is recht dus zal Hij door…’

Ik begreep niet, dat het na ‘door’ ver­der ging op de volgende regel. Je zag de samenhang niet en van verschillende woorden had je zelfs nooit gehoord! Ik kan me niet herin­neren dat er iets werd uitgelegd, je kreeg het op en dus leerde je het. ’t Was altijd een verassing als er op een zondag in de kerk een lied werd opgegeven dat jij kende! Dan kon je zonder boekje uit volle borst mee­zingen ook al begreep je niet alles wat je zong.

Zelfs als volwassene besefte je nau­welijks wat voor getuigenis je eigen­lijk gaf, zoals:

‘De Heer is mij tot hulp en sterkte,

Hij is mijn lied, mijn psalmgezang.

Hij was het die mijn heil bewerkte,

dies (?!) loof ik Hem mijn leven lang’.

Maar nu ben ik tot de conclusie gekomen dat het een voorrecht is, deze liederen te hebben geleerd. Hoezeer ze tot steun kunnen zijn voor je geloof en hoe de heilige Geest deze kennis ons op het juiste moment kan te binnen brengen om anderen te ondersteunen.

Jaren geleden waren Dick en ik op bezoek bij een tante van in de negentig. Ze leefde helemaal in het verleden, zocht om haar ouders en begreep niet waar wij het over had­den. Tot… Dick de bijbel pakte. ‘Tante zal ik u wat voorlezen?’ Ja dat was prima. Hij begon: ‘De Here is mijn…’

Hier viel ze hem in de rede: ‘…Herder, mij ontbreekt niets…’ En met een lief gezicht en een blij hart, kon ze de hele psalm opzeggen. Zullen we nu bidden, tante?’ Ze vouwde haar handen en in een vurig gebed loofde en prees ze de Heer voor zijn goedheid aan haar betoond, dankte Hem voor ons bezoek en voor de blijdschap, die ze had ontvangen.

Het was een heerlijk bezoek, zowel voor haar als voor ons. Als het Woord eenmaal vast in ons hart verankerd is, blijft het daar, ook als het verstand er geen weg meer mee weet. Maar de geest die op God gericht is zal, onder leiding van de heilige Geest, putten uit de voorraad die we hebben aangelegd. Wij hebben volop gelegenheid om er mee bezig te zijn. Laten we onze tijd goed benutten, want het Woord geneest, bouwt op, geeft kracht en weerwoord als we worden aangeval­len. Immers Jezus is het Woord ten voeten uit. Lees wat het Woord over Hem schrijft en datzelfde doet Het ook voor u!

 

Ootmoed door Duurt Sikkens

Het woord ‘ootmoed’ komt niet zo heel vaak voor in de bijbel, maar wel altijd cruciaal in verband met de verhou­ding tot God en Zijn woord. En met ‘woord’ bedoel ik in de eerste plaats Jezus zelf, want dat is zijn eigenlijke naam, hij is Gods woord. Wanneer hij voor het eerst voorleest in de synagoge citeert hij Jesaja met de woorden: “Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen”.

Ootmoedigen worden ook wel ‘nederigen’ genoemd, maar je moet oppassen dat het niet een stempel meekrijgt van onderdanige slaafsheid. Waar het wèl om gaat is eigenlijk: een gemakkelijke instelling, een geestesgesteld­heid waarin je ontvankelijk bent voor genade, de goede gezindheid van God. Zijn zachtmoedigheid en vriende­lijkheid kunnen zo ingang vinden in je geest en aansluiten bij jouw zachtmoedigheid, daarmee één worden. Zelf zegt Jezus: “Zachtmoedigheid en nederigheid kun je van mij leren”. En Salomo concludeert: “Wijsheid is bij de ootmoedigen”.

Het evangelie is voor de nederigen en de vernederden.

Veel christenen zijn verdrietig en teleurgesteld, soms verbitterd of verhard door allerlei nare ervaringen, vaak doordat het evangelie van het koninkrijk der hemelen nogal ‘geweldig’ en ‘heldhaftig’ en ‘machtig’ en ‘succes­vol’ moest zijn en vul de Nimrodiaanse superlatieven maar in… Alles kon, als je maar geloofde, enz. Zou het kunnen zijn dat het een verkeerde interpretatie is? Nou, ik weet het wel zeker, want daarin pasten immers geen begrippen als zachtmoedigheid, bescheidenheid, stilheid en onopvallendheid; laat staan de men­sen die zo waren. Maar nu langzamerhand Gods vriendelijk aangezicht wat duidelijker zichtbaar begint te wor­den, wordt ook Zijn beeld, Zijn mens, duidelijker. Zijn helderste beeld was Jezus en deze predikte de omgekeer­de wereld, een ‘Umwertung aller Werte’: hoog en laag, eerste en laatste werd bij hem omgedraaid. Hij was en is zo inhorent aan zijn Vader en was zelf zó ootmoedig dat God alles(!) aan hem kon overgeven èn aan degenen die dezelfde geestesgesteldheid bezitten: Ontvankelijk voor Gods liefde. Want God is Liefde, licht, alleen maar. Al Zijn eigenschappen komen daaruit voort. Daarin past geen heerschappij als in de wereld. In ootmoedigen vindt het zaad van Zijn evangelie goede aarde. Zij beantwoorden daarmee Zijn vraag: “Heb je me lief?” Het is daarom zo mooi om, zolang het kan, bezig te zijn en juist in binnen- en buitenland het Godsbeeld te ver­tellen dat zo anders is dan we zolang hebben gedacht. Religie maakt slaven, deze móéten altijd wat doen ‘voor hun heer’, maar ze kennen de Vader niet zoals Hij is.

Jezus bracht eerst het evangelie aan degenen die geloofden Gods volk te zijn. Dat bracht een scheiding der gees­ten teweeg. Het was ook een hele verschuiving in het denken. Het gevolg was dat er een scheiding kwam tussen ootmoedigen en hoogmoedigen.

Wij willen op dezelfde wijze bezig zijn: Gods naam, Zijn mildheid, rust en tederheid bekend maken aan onze broeders en zusters, zonder enige vorm van pressie. En wie er oren voor heeft, die hoort het wel. Dat zijn de ‘stillen’ in het land, de bescheidenen, en ze zitten overal. Ze kunnen gaan wandelen in onschuld en rust met hun Vader en de Zoon. En wat is mooier dan geliefden te zijn?

Dan worden vanzelf heel veel vragen beantwoord. Heel veel hoeven niet eens gesteld te worden. David (Psalm 27) had er maar eentje: “Gods lieflijkheid zien en bezig te zijn met de schatten van Zijn tempel”, de schatten van het koninkrijk van God in de ootmoedigen.

Laten we bidden dat zó Zijn koninkrijk tevoorschijn wordt bemind in elkaar en dat we deze kostbare geheimenis­sen zorgvuldig bewaren.

 

Einde van Levend Geloof

1981.10 nr. 219

1981.10 nr. 219

De massa of de enkeling? Door Gert Jan Doornink

De massa in het middelpunt

We leven in een tijd waarin ‘de massa’ in het middelpunt der belangstelling staat. Alles is gericht op de massa. Alles wat ‘groot’ is, heeft invloed. We spreken van massaproductie, massa­media, massacommunicatie, enzovoort. Met een variant op het gezegde: “Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst”, zou men thans kunnen zeggen: “Wie de massa heeft (of beïnvloeden kan) heeft het voor het zeggen”.

Nu hoeft alles wat groot en massaal is op zich natuurlijk niet verkeerd te zijn. De maatschap­pij in deze tijd zou zelfs niet meer kunnen functioneren als men plotseling terug zou scha­kelen naar een kleinschalig niveau. Maar het grote gevaar schuilt in de verafgoding van alles wat met het grote en massale te maken heeft, vooral als het de beïnvloeding betreft van de menselijke gedachtewereld via het gesproken en geschreven woord.

Helaas is deze verafgoding ook binnengedrongen in de Gemeente van Christus. Voor sommige chris­tenen zijn grote en massale samenkomsten het summum. Alsof Gods Geest alleen daar maar kan werken. Wij werden daar nog eens bij bepaald toen we de laatste tijd in verschillende pink- sterbladen lazen over de grote conferentie in het Olympisch stadion van West-Berlijn. Eén schrijver omschreef deze conferentie zelfs met de superlatieve bewoordingen: “een overdonderend gebeuren”. Wat was het geval? Uit de gehele we­reld waren de bekendste charismatische leiders uitgenodigd om te spreken tot de grote massa mensen die verwacht werd. De initiatiefnemer van deze conferentie, de Berlijnse pinksterprediker Volkhard Spitzer, had immers in een visioen een vol stadion met meer dan 100.000 mensen gezien? Op de grootste samenkomst waren echter geen 100.000 maar 30.000 mensen gekomen. Uiteraard nog een respectabel aantal, maar één blad vroeg zich toch af of het visioen wel echt was….

Nu willen wij ons niet negatief opstellen tegen­over welke grote samenkomst ook. Met Paulus ver­blijden wij ons over iedere verkondiging van Christus, “hetzij met een bijoogmerk, hetzij in oprechtheid” Filippenzen 1 vers 8 (Filip. 01:08). Ook zijn we de laatste om te ontkennen dat er van grote samenkomsten niet iets bekoorlijks kan uitgaan. Wij denken aan het gezamenlijk zingen en de lofprijzing. Ook fungeren grote samenkomsten vaak als trek­pleisters voor onbekeerden, die dan op deze wijze met het evangelie in aanraking komen.

In een gezonde gemeente is geestelijke groei

Maar de verdere geestelijke opbouw van de gelovigen, kan natuurlijk niet verkregen worden door af en toe één of andere massameeting of conferentie mee te maken, waar veelal alleen melkvoeding wordt verstrekt. Daarvoor is het functioneren in de gemeente nodig.

Maar bij de ‘gemeenten’ is helaas veel kaf onder het koren. Als de boodschap van het Koninkrijk Gods niet centraal staat en praktisch beleefd wordt, is er van een werkelijke Bijbelse gemeen­te geen sprake. Als leraars, die volgens de woorden van de apostel Paulus in Efeziërs 4, aan de gemeente zijn gegeven om de gelovigen verder op te bouwen, niet worden geaccepteerd of worden afgewezen, hoe kan er dan van een verdere geestelijke opbouw sprake zijn? Daarom zijn we ook een sterk voorstander van gezonde gemeente vor­ming. We hebben dit in de loop der jaren in ons blad nooit onder stoelen en banken gestoken en proberen dit ook zoveel mogelijk te stimuleren.

Dat we zo de nadruk leggen op ‘gezond’ hangt ten nauwste samen met de duidelijke richtlijnen daar­omtrent in Gods Woord. Als de basis niet goed is komt ook de gemeente niet werkelijk van de grond en kan niet functioneren naar de wil van God. En de basis van iedere gemeente behoort het volle evangelie te zijn! Na bekering, wedergeboorte, doop door onderdompeling en doop met de Heilige Geest volgt dan de verdere geestelijke groei. Helaas komen ook vele gemeenten in Pinksteren niet verder dan het fundament. Door het vasthou­den aan allerlei natuurlijke, aardsgerichte le­ringen; door geen of onvoldoende aandacht te schenken aan bevrijding van gebondenheden – om maar enkele voorbeelden te noemen – blijft bij velen een verdere geestelijke groei achterwege. De weg naar de volkomenheid in Christus blijft daardoor geblokkeerd.

Velen uit deze groepen en gemeenten, die wel geestelijk verder willen groeien, komen daardoor in gewetensnood. Men kan dan wel proberen door grote samenkomsten of conferenties te bezoeken geestelijk opgebouwd te worden, maar terug in eigen kring bestaan er geen verdere ‘groeimoge­lijkheden’. In een goed functionerend gemeente echter, waar de boodschap van het Koninkrijk Gods centraal staat, kan ieder individu tot geestelijke ontplooiing en ontwikkeling komen. Hij gaat ‘meedraaien’ zodat hij zijn talenten in dienst van de Meester en de medebroeders en zus­ters kan stellen.

De ware eindtijdgemeente is in ontwikkeling

In deze eindtijd zal Christus Zijn gemeente for­meren uit ‘enkelingen’ die de volle weg met Hem willen gaan. Zij gaan niet onder in de massa maar zijn degenen die Jezus typeerde met de woorden: “het licht der wereld” en “het zout der aarde”. Wij geloven dat Gods Geest in deze tijd de werkelijke gelovigen meer en meer hierbij gaat bepalen, zodat zij een echte eenheid met Christus zullen gaan vormen en daardoor ook met elkaar. Zij hoeven niet stad en land af te rei­zen om op massa-samenkomsten weer een of andere ‘geloofsinjectie’ op te doen, om dan weer over te gaan tot de orde van de dag…. “Gods verbor­gen omgang vinden zielen, waar zijn vrees in woont”, is op hen van toepassing. En dat komt tot openbaring doordat zij meer en meer het beeld van Jezus gaan openbaren!

Maar het is Gods wil dat deze openbaring van het zoonschap, want zo zouden we het ook kunnen for­muleren, niet tot enkelingen beperkt blijft. “De genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen”, schrijft Paulus aan Titus. Feitelijk richt God zich dus ook op de massa, maar op heel andere wijze. Want in de massa heeft Hij iedere enkeling, elk individu op het oog. “Onder mil­joen heeft Hij ook mij in ’t oog”!

Gods herstelplan ligt klaar voor iedereen

Voor ieder mens – niemand uitgezonderd – heeft Hij Zijn ‘herstelplan’ klaar liggen. En het is geen plan dat alleen theoretische waarde heeft. Toen Jezus Zijn bediening op aarde begon, haalde Hij de woorden van de profeet Jesaja aan: “De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevan­genen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren” Lucas 4 vers 18 en 19 (Luc. 04:18-19). Toen Hij de boekrol ge­sloten had, sprak Hij nog deze bijzondere woor­den: “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld”. Jezus ging in praktijk brengen wat Hij verkondigde: Hij vergaf de zondaren hun zonden, Hij genas de zieken, Hij bevrijdde de gebondenen, Hij verbrak de werken der duisternis, Hij openbaarde het koninkrijk Gods!

Deze Jezus is niet veranderd! Wat Hij toen deed, wil Hij ook vandaag doen! “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” Hebreeën 13 vers 8 (Heb. 13:08). Iedereen die op Zijn herstelplan ingaat zal daarom vandaag hetzelfde ervaren en het nieuwe leven van Christus leren kennen.

Naast dit, wat wij zouden willen noemen, een ‘begin-herstelplan’ is een verdere groei en doorwerking van het nieuwe leven noodzakelijk. Daar is tot dusver in de Gemeente van Christus nog weinig van terecht gekomen. Maar in deze eindtijd bewerkt God door Zijn Geest de ware ge­lovigen zodanig dat ook het verdere en volkomen herstel van de grond komt. Dat begint met indi­viduele gelovigen die de volle weg met Jezus gaan en die tot ontwikkeling komen in gezonde gemeenten. Uiteindelijk worden ook zij, evenals Jezus zelf, ten volle bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk.

Temidden van verdrukking en vervolging zal de openbaring van de ware eindtijdgemeente glori­eus zijn. Op hen zijn ten volle de woorden van Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11) van toepassing: “En zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en het woord van hun getuigenis, en zij hebben hun le­ven niet liefgehad, tot in de dood”.

Behoort u reeds tot deze categorie gelovigen of gaat u nog onder in de massa, ook al is deze godsdienstig getint? Durf kleur te bekennen. Wees een ‘volle evangelie christen’ door woord en daad. Ga uw plaats met Christus innemen in de hemelse gewesten om van daaruit te strijden en te overwinnen.

God staat klaar om u door Zijn Woord en Geest te helpen dit te realiseren in uw leven. Want de gemeente die Hij klaarmaakt zal worden: “stra­lend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27). Halleluja!  

 

Bijbelse richtlijnen over het geloof door J. Noë

Natuurlijk geloof of geestelijk geloof?

Over het geloof is al heel wat geschreven, maar toch wil ik het, aan de hand van Gods Woord, nog eens over dit zo belangrijke onder­werp hebben. Ieder mens heeft een zeker soort ge­loof, hetgeen echter op een natuurlijk vlak ligt, maar bijbels geloof ligt op het geestelijk vlak en heeft een andere basis. In ons hart moeten namelijk de vol­gende woorden van Jesaja 55 vers 11 (Jes. 55:11) gegrift staan: “…alzo zal Mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend”.

Het bijbels geloof is, zoals in Hebreeën 11 vers 1 (Heb. 11:01) staat, “de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet”, en zou als volgt te om­schrijven zijn:

– In het werkelijk zien van onzichtbare dingen, die niet aan de zintuigen ge­openbaard worden. Het han­delt er naar, het houdt stand, ondanks alles wat er mee in tegenstand schijnt te zijn. Geloof is zien door de innerlijke mens.

– Men kan, nieuwtestamentisch gesproken, zeggen: de Goddelijke zekerheid, die door de Heilige Geest aan de gelovigen geschonken wordt, nadat zij Christus hebben aangenomen, is een soort eigendomsakte, die God in de Geest schenkt en die voor hen een garantie is, dat zij ontvangen, waarvoor zij God vertrouwen.

Nu staan bijvoorbeeld in het Nieuwe Testament de volgende richtlijnen over het geloof:

a – Het geloof is uit het horen en het horen door het Woord van Christus. Romeinen 10 vers 16 tot en met 18 (Rom. 10:16-18). Dit slaat dus zowel op het rechtstreeks gespro­ken woord van God en Chris­tus tot de mens, als op het geschreven woord.

b – De mate van geloof, dat God elkeen in de gemeente toebedeeld heeft, wat be­treft de werkzaamheden. Romeinen 12 vers 3 tot en met 8 (Rom. 12:03-08).

c – Het geloof, de gave van de Geest. 1 Korinthe 12 vers 9 (1 Kor. 12:09).

d – Het geloof in het recht­streeks gesproken Woord van God/Jezus. Het Oude Testa­ment geeft daar vele voor­beelden van, ik verwijs u kortheidshalve naar de ge­loofshelden die in Hebreeën 11 staan, die in absoluut Gods­vertrouwen handelden. Datge­ne wat onder bijbels geloof onder 1 staat vermeld is zeer zeker op hen van toe­passing.

Uit het Nieuwe Testament wil ik twee bekende voor­beelden aanhalen, namelijk:

1 – Maria Lucas 1 vers 26 tot en met 38 (Luc. 01:26-38), de aankondiging van Jezus’ geboorte). De boodschap die Maria van de engel ontving, was menselijkerwijze ge­sproken niet mogelijk, dat bleek ook wel uit Maria’s gezegde. Maar de engel zei toen onder andere deze machtige woorden: “Want geen Woord dat van. God komt zal krachteloos wezen”, waarop Maria zei: “Mij ge­schiede naar Uw Woord”.

2 – Petrus Lucas 5 vers 1 tot en met 12 (Luc. 05:01-12, de wonderbare visvangst). Terwijl het menselijker­wijze gesproken onmogelijk was (gezien het tijdstip) om nog vis te vangen, zei Jezus: “Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen”. Begrijpelijk zei toen de geroutineerde vis­ser Petrus: “Meester, de gehele nacht hebben wij hard gewerkt en niets ge­vangen” . En toen gebeurde het wonderlijke: “Maar op Uw Woord zal ik de netten uitzetten”. Ze werden niet beschaamd en een menigte vissen werd gevangen. Pe­trus was diep getroffen.

Bij alles wat Jezus deed, handelde Hij in volkomen gemeenschap met en in op­dracht van de Vader. De ze­kerheid was in Zijn hart, dat Deze het Woord zou beves­tigen. Hij deed wonderen en tekenen, wierp boze geesten uit, genas alle ziekten en kwalen, bedwong de natuur en wekte doden op. Hij sprak veel over het geloof en wat waarachtig geloof vermag. Bij de genezingen zei Hij bijvoorbeeld: “Uw geloof heeft u behouden; U geschiede naar uw geloof; Alle dingen zijn mogelijk voor wie ge­looft” Markus 9 vers 23 (Mark. 09:23) . Bij de op­wekking van Lazarus, zei Hij tot Maria: “Heb Ik u niet ge­zegd, dat gij, indien gij ge­looft, de heerlijkheid Gods zult zien?” Johannes 11 vers 8 (Joh. 11:08).

Verschillende niveaus van geloof

Tijdens Jezus’ verblijf op aarde treffen wij bijvoor­beeld de volgende niveaus van geloof aan:

a – Ongeloof. (Jezus kon in Nazareth geen krachten doen vanwege hun ongeloof, bij de discipelen).

b – Klein geloof. (Bij de discipelen).

c – Geloof. (Zie hierboven).

d – Groot geloof. (Bij de hoofdman te Kapernaüm. Jezus zei: “Voorwaar, Ik zeg u, bij niemand in Israël heb Ik een zo groot geloof gevonden”.

e – Overwinnend geloof. (Zie ook ‘gave van de Geest’).

Matteüs 17 vers 14 tot en met 21 (Matt. 17:14-21): “En toen zij bij de schare gekomen waren, kwam iemand tot Hem, knielde voor Hem neder, en zeide: Here, heb medelijden met mijn zoon, want hij is maan­ziek en hij is er slecht aan toe; want dikwijls valt hij in het vuur en dikwijls in het water. En ik heb hem naar uw discipelen gebracht en zij hebben hem niet kun­nen genezen. Jezus antwoord­de en zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn? Hoe­lang zal Ik u nog verdragen? Breng hem Mij hier. En Jezus bestrafte hem en de boze geest ging van hem uit, en de knaap was genezen van dat ogenblik af. Toen kwamen de discipelen bij Jezus en zei­den, toen zij met Hem alleen waren: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven? Hij zeide tot hen: Vanwege uw klein geloof. Want voorwaar, Ik zeg u, indien gij een ge­loof hebt als een mosterd­zaad, zult gij tot deze berg zeggen: verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn. Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten”.

In 1 Johannes 5 (het overwinnend geloof in Jezus Christus) staat in vers 3 en 4 (1 Joh. 05:03-04) “Want dit is de liefde Gods, dat wij zijn geboden bewaren. En zijn geboden zijn niet zwaar, want al wat uit God geboren is, overwint de we­reld; en dit is de overwin­ning, die de wereld overwon­nen heeft: ons geloof”.

Verder beëindig ik dit ge­deelte met de volgende be­kende woorden van Jezus te­gen Zijn discipelen: “Voor­waar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de wer­ken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan de­ze, want Ik ga tot de Vader; en wat gij ook vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen”. Johannes 14 vers 12 tot en met 14 (Joh. 14:12-14).

“Gaat heen in de gehele we­reld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden. Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden” Markus 16 vers 15 tot en met 18 (Mark. 16:15-18).

Toen de discipelen gedoopt waren met de Heilige Geest werd dit alles een realiteit voor hen. Broeders en zus­ters, dit geldt voor alle gelovigen! Op welk geeste­lijk niveau, hierboven ge­noemd, staan wij?….

Lees in verband hiermee ook Lucas 6 vers 64 (Luc. 06:64) (tweeërlei fundament) en Lucas 8 (de gelij­kenis van de zaaier). Dit is zeer belangrijk.

In Hebreeën 10 vers 38 (Heb. 10:38) staat: “…en mij rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbe­hagen”. Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06): “…maar zonder geloof is het onmoge­lijk Hem welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij be­staat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken”. In Deuteronomium 11 vers 18 (Deut. 11:18) zegt God tegen de Israëlieten: “Maar gij zult deze mijn woorden in uw hart en ziel leggen”.

Dat is het waar het om draait! Zoals ik reeds in één van mijn vorige artike­len heb geschreven, de ziel is het gevoelscentrum en de zintuigen spelen daarbij een zeer belangrijke rol. (Onder andere zien, horen, voelen). De ziel( die in het bloed zit) en het hart zijn nauw met elkaar verbonden en sa­tan met zijn trawanten wer­ken door de zintuigen op on­ze ziel, door allerlei omstandigheden, om ons murw te krijgen. Het is Gods Woord tegenover de duivel en daarom is het zo belangrijk, dat wij vervuld zijn met de Heilige Geest, opdat ons hart en ziel onder de Godde­lijke leiding en controle staan.

Zijn Gods beloften in ons hart gegrift?

Ik zal een paar voorbeelden aanhalen waarbij de toezeg­gingen Gods in ons hart ge­grift moeten staan.

a – Bij zorgen, moeilijkhe­den, enz. 1 Petrus 5 vers 7 (1 Petr. 05:07): “Werpt al uw bekommernissen op Hem, want Hij zorgt voor u”. (Filippenzen 4 vers 19 (Filip. 04:19): “Mijn God zal in al uw behoeften (noden), naar Zijn rijkdom, heerlijk voorzien”.

b – Bij ziekten, kwalen, enz. Jesaja 53 zegt, dat Jezus al onze zonden en zieketen heeft gedragen, ze zijn aan het kruis genageld. Markus 16 vers 18 (Mark. 16:18) (is hierboven reeds aan­gehaald). (Jakobus 5 vers 13; Jakobus 5 vers 16 (Jak. 05:13; Jak. 05:16).

Nu is het opmerkelijk dat wij als wij zonden hebben gedaan, wij deze belijden aan de Heer, en dan weten wij, dat op grond van Zijn Woord, die zonden vergeven zijn, maar wanneer het ziek­ten betreft, wordt het moeilijker en ontbreekt dikwijls de zekerheid van het geloof in ons hart die wij juist daarvoor zo hard nodig heb­ben. U hebt mijn getuigenis in het vorige nummer wel gelezen en weet dus dat ik heel wat heb doorgemaakt. Daarom, broeders en zusters, sta op Gods Woord in geloof, dat u de weg tot genezing van geest, ziel en lichaam wijst en laat je door de duivel geen angst en twijfel aanjagen.

1 Petrus 1 vers 8 (1 Petr. 01:08) zegt: “Wordt nuchter en waakzaam. Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Weersta hem, vast in het geloof…”

Jakobus 4 vers 7 (Jak. 04:07): “Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden”.

Er zijn gelovigen geweest, en die zijn er nog, die met volle zekerheid des geloofs in hun hart, iedere aanval van de duivel op hun lichaam weerstaan, door de geeste­lijke wapenrusting Gods aan te doen Efeze 6, zonder tussenkomst van wie ook, en door te volharden in geloof en te vertrouwen op Gods Woord, genezen werden. Dit is de hoogste vorm van ge­loof, het overwinnend ge­loof (zie onder 1 en 2).

Oorzaken van niet genezen worden kan ook zijn dat er iets in uw leven is, dat God niet welgevallig is, en dat eerst opgeruimd dient te worden. Onderzoek u zelf!

Verder leg ik de nadruk op volharden in geloof, niet direct opgeven. Gods Woord faalt niet! Matteüs 10 vers 22 (Matt. 10:22): “Wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”. Lucas 21 vers 19 (Luc. 21:19): “Door volharding zult gij uw leven verkrijgen”. Hebreeën 10 vers 36 (Heb. 10:36): “Gij hebt volharding no­dig, om, de wil van God doen­de, te verkrijgen hetgeen be­loofd is”.

En dan de bemoedigende teks­ten, die ik ook in mijn ge­tuigenis heb aangehaald:

1 Korinthe 10 vers 13 (1 Kor. 10:13): “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uit­komst zorgen, zodat gij erte­gen bestand zijt”. Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28): “God doet alle dingen mede­werken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepe­nen zijn!”

Dus alles wat ons overkomt, als we God liefhebben, is tot ons nut, opdat wij het doel bereiken, waar God ons hebben wil. Ons geloof wordt wel beproefd, maar nooit be­schaamd en daarom kunnen wij, in wat voor moeilijke omstandigheden wij ook zijn, Hem loven en prijzen, door Zijn kracht, die zich in on­ze zwakheid openbaart. (Denk aan Paulus).

Psalm 50 vers 23 (Psalm 050:023): “Wie lof offert, eert Mij en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien”.

Wanneer wij leren te negeren wat onze zintuigen (zien, horen, voelen) ons zeggen en aannemen, wat ons door het geloof geopenbaard wordt en daarnaar handelen, dan gelo­ven wij op Bijbelse wijze!

De maat van het geloof

In Romeinen 12 spreekt Paulus over de mate van geloof: “Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koes­tert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld. Want, ge­lijk wij in één lichaam vele leden hebben en de leden niet alle dezelfde werkzaam­heden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, één lichaam in Christus, maar ieder afzon­derlijk leden ten opzichte van elkander. Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is: profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst in het onderwijzen; wie ver­maant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft, in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid” Romeinen 12 vers 3 tot en met 8 (Rom. 12:03-08).

Dit is ook zeer belangrijk. Ik heb dit reeds in het februarinummer aangehaald. God weet precies voor welk werk wij in de gemeente geschikt zijn en door de Heilige Geest wijst Hij ons de plaats aan die wij moeten innemen. Lees 1 Korinthe 12 vers 12 tot en met 28; Efeze 4 vers 1 tot en met 16; Handelingen 6 vers 1 tot en met 6; Handelingen 14 vers 23 en 24; Handelingen 20 vers 28

(1 Kor. 12:12-28; Ef. 04:01-16; Hand. 06:01-06; Hand. 14:23-24; Hand. 20:28).

Geloof is gave van de Geest

Tenslotte wordt in 1 Korinthe 12 vers 9 (1 Kor. 12:09) geloof genoemd als gave van de Geest. In het kort kunnen we deze gave als volgt omschrijven: Het is een manifestatie of openba­ring van de Heilige Geest, die de gelovige, door de Geest, de Goddelijke zeker­heid geeft, dat hetgeen ge­uit is of verlangd wordt door de gelovige of door God, ook gebeuren zal. Deze gave van geloof uit zich in kracht, het is een overwin­nend geloof. Gods Woord geeft daar genoeg voorbeel­den van en ook heden ten da­ge zien we het gebeuren.

(God zegene u allen)

 

Reacties van lezers door Gert Jan Doornink

“De tegenstelling”

Broeder G. S. te Den Helder, schrijft: “Zou u zo vriende­lijk willen zijn om aan de volgende adressen het boekje “De tegenstelling van het aardse- en het hemelse Jeru­zalem” van broeder Scholten op te zenden. Mijn vrouw en ik willen geloven dat ze bij het lezen van deze brochure, vernieuwd van denken mogen worden, om in de gezindheid van Jezus, de hoge weg te gaan in de hemelse gewes­ten” .

Deze broeder, die tien adressen opgaf, is één van velen die actief zijn om de volle evangelie boodschap via bladen en brochures te verspreiden. Ter navolging)

Veel profijt

Zendeling P. B. te Belo Horizonte (Brazilië), schrijft: “Levend Geloof” wordt door ons met veel pro­fijt bestudeerd; hartelijk dank voor de regelmatige toezending”.

Eenvoudig en praktisch

Zuster A, G. -P. te Gronin­gen, schrijft: “Uw blad is praktisch en niet moeilijk, verder is het fijn dat er verschillende mensen in schrijven. Door dit blad worden mensen op een eenvou­dige manier met het volle evangelie geconfronteerd, zodat het voor hen die wil­len, ook sneller te aanvaar­den is, naar mijn mening”.

 

Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn…. door H. J. Scholten

“Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleggen” Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01).

Echte vrijheid of schijnvrijheid?

Vrijheid! Een woord dat in onze tijd een grote opgang maakt. De mens wil vrij zijn. Taboes moeten door­broken worden, desnoods met geweld. De mens vindt dat hij té lang in een keurs­lijf van wetten en regels gezeten heeft. Dat is hij zat. Hij wil zich vrij voe­len en wie wil dat nu niet graag? Dat is toch een lof­felijk streven? Doen waar je zin in hebt en door niets tegengehouden worden, dat is pas vrij, denkt men. Allerlei vrijheidskreten appelleren aan het denken van de mens; het is de geest van de tijd. Men staat er voor open, want wetten en regels kunnen de mens mateloos irriteren.

Velen raken al opgewonden bij het zien van een gezag uniform. Van hogerhand wordt dit gezag gedekt, maar de mens wil zich het liefst van elke vorm van gezag onttrekken.

Dit zal dan ook het beeld van de eindtijd zijn: wetteloos­heid onder het mom van vrij­heid. Maar de vrijheid die de wereld wil is geen werkelijke vrijheid, doch een grote ge­bondenheid. Een gebonden zijn aan de vorst der duisternis, de satan. De satan heeft vele dienstknechten en deze trek­ken rond als engelen des lichts. Zij prediken de vrij­heid. De mensen hangen aan hun lippen, maar worden, rechtstreeks het verderf in gepredikt door zulke lieden met hun holle, hoogvliegende klanken. De apostel Petrus zegt: “Vrijheid spiegelen zij u voor, hoewel zij zelf slaven van het verderf zijn; immers, door wie men over­meesterd is, diens slaaf is men” 2 Petrus 2 vers 19 (2 Petr. 02:19).

Echte vrijheid betekent: licht! Schijnvrijheid is: duisternis! Jezus zegt in Johannes 3 vers 19 (Joh. 03:19): “Dit is het oordeel, dat het. licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis lie­ver gehad hebben dan het licht, want hun werken waren boos”.

Echte vrijheid heeft te ma­ken met waarheid. Ook zegt Jezus in Johannes 8 vers 32 (Joh. 08:32): “Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van mij, en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij­maken” .

De wereld is stekeblind voor deze waarheid, die gebracht is door Jezus Christus. Helaas is niet alleen de we­reld blind voor de waarheid maar zelfs nog velen, die zich christenen noemen.

In Johannes 1 vers 17 (Joh. 01:17) staat: “….want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen”.

De apostel Paulus spreekt over een slavenjuk. In de brief aan de Galaten spreekt hij tot heidenen die zich bekeerd hadden tot Jezus Christus. Ze waren onder het slavenjuk van de duivel weg­gekomen door de prediking van het geloof en niet, door de prediking van de wet. Je­zus was hun als gekruisigde voor ogen geschilderd en ze hadden de Geest ontvangen. Galaten 3 vers 1 en 2 (Gal. 03:01-02).

Welk slavenjuk bedoelt Paulus?

Maar over welk slavenjuk spreekt Paulus dan? Hij doelt hier op het juk van de tuchtmeester, de wet. De wet predikte de besnijdenis. De­ze Galaten werden door be­keerde Joden, die echter nog niet los waren van de wet van Mozes, min of meer ge­dwongen zich alsnog te laten besnijden. Ook predikten de­ze Joden de werken der wet. Ze waren nog niet los van de synagoge en van allerlei ceremoniën. Ze hielden deze Galaten de wet voor. Ze wil­den dat ‘Mozes’ weer voorge­lezen werd. Tóch nog chris­tenen met een bedekking. Ze hadden Christus nog niet echt leren kennen, want dan zou deze bedekking bij hun weggenomen zijn.

We mogen zeker aannemen dat Paulus in geen enkele ge­meente waar hij werkzaam ge­weest is, nog de wet zou hebben voorgelezen. Paulus ziet de ware gemeente van Jezus Christus als een vrij­gemaakte gemeente en dat is zeer terecht. Het is eigen­lijk een belediging voor het lichaam van Christus als men haar opnieuw de wet gaat voorlezen. Dan geeft men toch te kennen: jullie zijn allemaal nog ónrechtvaardigen. Want in 1 Timotheüs 1 vers 8 (1 Tim. 01:08) zegt Paulus dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardigen. De ware gemeente van Jezus Christus bestaat uit rechtvaardigen door het geloof. Wie de wet van Mozes voorleest weet nog niet ten volle wat de liefde van Christus is. Zo iemand staat nog op één lijn met deze judaïserende Joden.

Deze predikten Christus en tegelijkertijd de wet en de besnijdenis.

Paulus is verbolgen in de Geest. Hij heeft de kracht van het bloed van Jezus ervaren in zijn leven en ziet dat door de voorlezing der wet het kruis van Christus tot een holle klank wordt gemaakt. Dat schokt hem tot in het diepst van zijn we­zen. Hartstochtelijk roept hij uit: “O, onverstandige Galaten, wie heeft u beto­verd?” .

Christus heeft de wet vervuld

In Galaten 5 vers 4 (Gal. 05:04) zegt Paulus: “Gij zijt los van Christus, als gij door de wet gerechtigheid verwacht; buiten de genade staat gij”.

De volkomen verlossing is er alleen door het bloed des kruises. Dat bloed heeft vrijgekocht. Wij zijn van Christus en Hij heeft voor ons de wet vervuld. In Romeinen 8 schrijft Paulus dat de kinderen Gods, dus zij die in Christus Jezus zijn, vrijgemaakt zijn van de wet der zonde en des doods.

Wat is dat voor een wet? Het is de wet van de berg Sinaï. Maar die wet is toch door God gegeven? De wet is toch goed? Dat zegt Paulus toch ook in Romeinen 7 vers 12 (Rom. 07:12): “Zo is dan de wet heilig, en ook het gebod is heilig en rechtvaardig en goed?” In vers 14 (Rom. 07:14) zegt hij zelfs dat de wet geestelijk is. Hoe komen we er nu uit?

Is Paulus nu een man gewor­den zonder wetten en regels? Lapt hij de wet van de tien geboden nu aan zijn laars? Mag hij dan nu wél liegen, stelen, echtbreken en bege­ren? Het is toch goed dat deze geboden de mensen steeds worden voorgehouden? Paulus zegt toch zeker dat hij de wet in geen geval buiten werking stelt? “Veel­eer bevestigen wij de wet”, zegt hij Romeinen 3 vers 31 (Rom. 03:31).

Wat is nu het hele geheim? Het geheim van de wet is de liefde Gods! De wet werd ge­geven tot. bescherming. De wet zegt dat je je naaste moet liefhebben. Maar hoe zul je liefhebben als je geen liefde bezit?

Paulus zegt dat de wet voor hem een tuchtmeester is ge­weest. Totdat Jezus Christus in zijn leven kwam en hem op grandioze wijze vrij­maakte van de zonde, van de wet, van de voorvaderlijke overleveringen, van de sy­nagoge en van allerlei cere­moniën. Hij is in dienst ge­komen van de gerechtigheid. Door de liefde van Christus. Al deze dingen waren hem tot schade geworden.

De tuchtmeester legt een juk op en dan ben je niet echt vrij. De wet heeft nog nooit iemand vrij kunnen maken.

Wat wél vrij kan maken is de liefde Gods. Deze liefde was nog niet ten volle geopen­baard onder het oude ver­bond. Toen gold alleen de wet: doe dat en gij zult le­ven. Maar vanwege het vlees kon niemand de wet volbren­gen. De wet was zwak door het vlees van de mens.

De wet van de Geest des levens

Nu is er een andere wet ge­komen. De tuchtmeester is voor Paulus krachteloos ge­maakt. Hij zegt: “Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester”. Ik geloof niet dat Paulus, in welke gemeente dan ook, op plech­tige toon de tien geboden heeft voorgelezen, alvorens hij met de prediking begon. Dat maken zijn woorden over de wet wel overduidelijk.

Tóch is Paulus geen bandelo­ze geworden zonder wetten en regels. Maar hij heeft op geweldige wijze de liefde en de genade van Jezus leren kennen. Hij heeft de waarheid ontdekt. Een andere wet kwam er in zijn leven, namelijk de wet van de Geest des levens. Deze wet komt van een geheel andere berg. Het is de berg Sion. Deze wet brengt de bediening van het leven, maar de wet van de Sinaï is de bediening van de dood.

“Maar”, zal iemand zeggen, “de wet doet toch de zonde kennen en dat is toch een vereiste?”. Wie deze vraag zo stelt heeft nog niet zo­veel begrepen van de liefde Gods welke is in Christus Jezus, onze Here.

Er moet geen wet gepredikt worden maar de liefde en de genade van Christus. En wat gebeurt er dan? Een wonder­baar geheim. Ik leer de zon­de kennen! Maar ook de schuldvergeving, halleluja. Door de prediking van de liefde Gods wordt ik overtuigd van het kwade, van de zonde. En zonde is alles wat het doel mist wat God met het leven van elk mens voor heeft. En God wil niet dat wij het doel zullen missen. Het doel is: geroepen tot heerlijkheid Gods.

Het geheim van de liefde van Christus

Wat is het geheim van de liefde van Christus? Als ik deze liefde ontvangen heb weet ik, diep in mijn ziel, dat ik niet meer moet lie­gen, stelen, echtbreken en begeren wat van een ander is. Waarom weet ik dat en waarom doe ik deze dingen niet meer? Omdat de liefde de naaste geen kwaad doet.

De wet moest mij en mijn naaste beschermen. Maar de wet is er niet in geslaagd. Vele lange jaren heb ik de tien geboden horen voorlezen aan christenen die er met een verveeld gezicht bij za­ten. Het had geen enkele uitwerking. Ook bij Paulus niet. Paulus leerde pas echt de zonde kennen toen hij een ontmoeting kreeg met Jezus Christus, met Gods liefde. De wet had hem op een ver­keerde manier de zonde leren kennen. En op deze manier kon Paulus er niet uitkomen.

Echte bekering komt niet door het voorlezen van de wet, maar door het woord van Christus. Geloven is door het horen en het horen door het woord van Christus, Romeinen 10 vers 17 (Rom. 10:17) .

Het woord van Christus is een liefde woord. De liefde maakt vrij van de wet der zonde en des doods. De liefde van Je­zus Christus ontslaat je van de wet, van de tuchtmeester. Waarom? Ik heb de liefde le­ren kennen en de liefde doet de naaste geen kwaad. Daar­voor was juist de wet. God heeft alle mensen lief, (Alzo lief had God de wereld…) en Hij wil dat wij ook alle mensen zullen liefhebben. Dat leer je niet door de wet, maar door een radicale beke­ring tot Jezus Christus. Als Zijn liefde in onze harten is uitgestort en deze liefde de naaste geen kwaad berokkent, dan behoef ik toch niet meer de tien geboden voor te le­zen? Zonder deze tien geboden weet ik dan al dat ik niet meer moet liegen, stelen, echtbreken en begeren. Want met al deze dingen doe ik mijn naaste kwaad, berokken ik hem schade.

Het woord van Christus moet gepredikt worden omdat het één en al liefde is. Daarom is de liefde de vervulling van de wet. Men zegt dat dan ook wel, maar men begrijpt het niet. Christenen met harten waarin Gods liefde rijkelijk is uitgestort zijn vrij van ,de tuchtmeester. Als elk wedergeboren mens vol zou zijn van deze liefde, was geen enkele wet meer nodig. De liefde van God beschermt mijzelf en mijn naaste. En dat leert mij nu juist de wet van de Geest des levens. Dus prediken wij déze wet en niets anders.

Waar de liefde van Jezus Christus gepredikt wordt kunnen de mensen vrij wor­den. Waarlijk vrij! De lief­de van God overtuigt mij om te doen wat Hem behaagt. Het voorlezen van de tien gebo­den kan de mensen alleen maar neerdrukken. Ze worden er ‘ellendig’ van. Maar dat is toch juist de bedoeling, zullen velen zeggen? Je moet toch je ellende leren ken­nen? God wil ons uit alle ellende verlossen. Hij wil ons blij en gelukkig zien.

De liefde verlost. De liefde overtuigt. Is er iemand die geregeld liegt en jaloers is (begeert)? De liefde van Jezus zal hem overtuigen van dit kwaad. Deze liefde zal hem opwekken het kwade te haten en het goede te doen. De wet en de tien geboden overtuigen op een verkeerde manier, ze maken de mensen niet vrij. Ze komen er niet uit. Kijk maar eens naar die christenen in bepaalde ‘zware’ kerken. Ze zijn sinds jaar en dag overtuigd dat ze zondaren zijn, want dit belijden ze dagelijks.

De wet heeft dus zijn werk wel gedaan. Maar wat gebeurt er nu. Door het blijven voorlezen van de wet blijven ze in de onzekerheid over hun behoud. Ze zitten onder de tuchtmeester. Reeds lang van zonde overtuigde mensen. Dat ze nog onder die wet zijn is te bemerken aan al­lerlei uiterlijke dingen. Dominees en ouderlingen in zwarte pakken, vrouwen met de hoed en de knoet, jonge meisjes met hoedjes op. Ze gaan in het zwart vanwege de onderdrukking van de tucht­meester. “Ja”, zegt mis­schien iemand, “maar in onze kerk is dat heus niet meer zo”. Dat kan wel waar zijn, maar dat is dan niet tenge­volge van de prediking van het geloof, maar omdat men mee is gaan doen met de geest van de tijd. Dat is wel een verschil. Maar dik­wijls zijn zij evenmin echt blij en vrij en missen vaak de zekerheid des geloofs.

Alleen de liefde van Jezus maakt vrij en ook blij. Je­zus wil dat onze blijdschap vervuld wordt.

Het juk van Christus vervangt het slavenjuk

Vrij van elk slavenjuk. Slechts één juk willen we nog dragen. Het juk van Christus. Omdat Hij vrij is. De Zoon maakt waarlijk vrij, halleluja.

De liefde prediking bewerkt het kennen van de zonde op de juiste wijze. Deze liefde laat mij zien dat God een groots plan met mijn leven heeft. Jezus is niet in de eerste plaats gekomen om ons in de hemel te brengen, maar om de hemel in ons hart te brengen. God wil zo graag zijn doel met ons bereiken. De liefde Gods wijst ons de weg. We gaan onze naaste liefhebben. Zó wordt de wet bevestigd.

Daar waar ‘Mozes’ voorgele­zen wordt, wordt het doel van God nooit en te nimmer bereikt. Men wordt misleid. Je staat los van de genade, precies wat de duivel wil. Hij bindt je aan de wet en Christus maakt je los van de wet. Je hebt het grote ge­heim door gekregen. De tien geboden drukken slechts een deksel op je hart en de tuchtmeester drukt dit dek­sel steeds vaster aan. Hóe kom je er uit? Er is maar één antwoord: Geloof door liefde werkende.

Deze liefde wordt opgewekt door het woord van Christus en niet door voorlezing van de wet. Dan spant men geeste­lijk het paard achter de wa­gen. Tot vreugde van de bo­ze. Het is zonde, want het doel Gods wordt gemist. Het aanstotelijke van het kruis wordt van zijn kracht be­roofd door de voorlezing van ‘Mozes’. Het maakt het kruis van Christus tot een holle klank. Men verstaat het ware geheim niet. Velen worden nog in verzekerde be­waring gehouden. Het geloof door liefde werkende is nog niet in de harten van deze christenen geopenbaard. Men leeft deels oudtestamentisch, deels nieuwtestamentisch. En dat is tóch een leugen. Een halve waarheid is een hele leugen. Alleen de waarheid maakt vrij.

Niet de berg Sinaï, maarde berg Sion maakt vrij! Mét Jezus kwam de genade en de waarheid. Het tijdperk van de wet, de oude bedé­ling, is voorgoed voorbij. Het is verouderd en verjaard Hebreeën 8 vers 13 (Heb. 08:13).

We mogen nu leven met in on­ze harten én in ons verstand de wet van de Geest des le­vens . Dat maakt ons niet wetteloos, maar rechtvaardig en heilig. Opdat wij waar­lijk vrij zouden zijn….

Deze Geest ontvangen wij door de doop met de heilige Geest. Jezus is de énige Do­per. Zijn Geest leidt ons in de volle waarheid. Meestal is het angst van velen en dat doet hen vasthouden aan traditionele leringen.. Ze durven er niet los van te komen, omdat ze denken dat ze dan God loslaten. Zo heeft de vader der leugen er velen in zijn ‘vrome’ greep. De Geest getuigt omdat de Geest de waarheid is. Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Hij heeft ons voortgebracht door het woord der waarheid, zegt de Bij­bel. En zo moet ten alle tijde de Waarheid aan het licht gebracht worden. God is liefde. God is licht. In Hem is in het geheel geen duisternis.

Van welke berg zijn wij? Nog van de berg van tastbaar en brandend vuur? De berg van donkerheid, duisternis en stormwind? Hebreeën 12 vers 18 (Heb. 12:18). Al­leen op de berg Sion is ontkoming van de berg Sinaï. Alle wedergeboren christenen zijn nu genaderd tot de berg Sion. Het is de stad van de levende God, het hemelse Je­ruzalem. Wij zijn genaderd tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond. Prijst alleen Zijn Naam!

Het Lam Gods staat niet op de berg Sinaï, maar bovenop de berg Sion. Dat is een berg die vrijmaakt. Een berg waarop men hemels perspec­tief heeft. De enige berg die niet wankelt. Want de liefde van mijn God is vast en zeker. Deze wonderbare liefde maakt, dat ik élk ge­bod van mijn God in grote vreugde en blijdschap kan volbrengen. Deze berg Sion zal eenmaal een vreugde zijn voor de ganse aarde.

Wie wonen er op deze berg? Wie mag de berg des Heren beklimmen? De verlosten! Zij, die vrij zijn.’ Vrij van de tuchtmeester. Ze leven nu onder de genade van onze Here Jezus Christus. Zij over­winnen door de liefde van hun God. Want de liefde overwint al het kwade.

En wie overwint met Jezus wordt een zuil in ’t tempel- huis van het nieuwe Jeruza­lem. Een zuil van waarheid en gerechtigheid. Amen!

 

De componist door Harry Goverts

De Bijbel zegt dat het ónmo­gelijk is om zonder geloof God welgevallig te zijn. “Want wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een belonen is voor wie Hem ernstig zoeken” (Heb. 11:06). Zonder geloof zou er zelfs geen volk van God bestaan, want wij zijn gerechtvaar­digd uit het geloof. (Rom. 05:01).

Onze God is een God van ge­loof! Hij sprak en het was er! Het onzichtbare wordt zichtbaar. Gods gedachten worden tastbaar in deze we­reld en in Zijn Zoon heeft Hij Zijn wil bekend gemaakt: het goede, welgevallige en volkomene!

Herstel

Het geloof nu komt door het horen van het Woord van God, de woorden die Jezus gespro­ken heeft zijn woorden vol leven. Ze beschadigen niet en jutten niet op, maar brengen herstel voor de to­tale mens.

Maar deze woorden zijn tege­lijkertijd keihard tegenover de machten der duisternis en sluiten geen enkel compro­mis! Daarom is het Woord ook een zwaard. Het brengt scheiding tussen goed en kwaad, tussen licht en duis­ternis. Tussen waarheid en leugen.

Het Woord is ook zaad! God zaait het en gelooft dat er goede vrucht uit voort -zal komen. Hij twijfelt er geen moment aan of het wel een goede oogst zal worden. Na­tuurlijk is er ook onkruid. Natuurlijk zijn er stenen en rotsen en vogels die het zaad voor een gedeelte weg­pikken .

Maar dat doet niets af aan de kwaliteit van het zaad! In de kiem is de volle korenaar reeds aanwezig. Haar het moet rijpen en groeien. Dat is geloof! Het is de ze­kerheid van de dingen die je nog niet ziet! Dat betekent: vóóruit zien, naar de vol­einder des geloofs: Jezus Christus. “Niemand, die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, is geschikt voor het Koninkrijk Gods” Lucas 9 vers 62 (Luc. 09:62].

Geloof

Iemand die de krant naast de Bijbel legt leeft niet vanuit het geloof. Zo ie­mand is steeds weer bezig met de gevolgen en niet met de oorzaak. Op deze manier zal men ook nooit een oplossing vinden voor de pro­blemen, zelfs al is men re­ligieus of godsdienstig en probeert men zichzelf (en anderen) allerlei wetten en geboden op te leggen. Men heeft er geen geloof voor nodig om te zien hoe er aardbevingen en oorlogen zijn. Of hoe slecht de eco­nomie er voor staat.

Maar er is wél geloof nodig om nu al te zien hoe door Jezus Christus en Zijn ge­meente de ganse schepping totaal-hersteld zal worden) En hoe ook vandaag de mens van de beschadigingen kan genezen. En dit geldt voor geest, ziel en lichaam.

Want Jezus Christus is gis­teren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid)

Notenschrift

Wanneer een componist zijn muziekstuk op papier gaat zetten dan heeft hij het reeds in zijn gedachten, zonder dat er iemand één toon heeft gehoord. Met zijn pen tekent hij noot voor noot op de balken.

Elk instrument krijgt z’n eigen partij te spelen. Langzamerhand krijgt het vorm en kan het tenslotte uitgevoerd worden door de musici, die dit noten­schrift hebben leren ontcij­feren .

Zonder die kennis van het notenschrift is het niet mo­gelijk om de melodie te spe­len, zoals de componist het heeft bedoeld.

Wanneer het werk goed is in­gestudeerd kan het ook uit­gevoerd worden voor het pu­bliek. Het zal dan klinken zoals de componist het al bij voorbaat in zijn gedach­ten had. Het begon heel on­zichtbaar, in het verborge­ne, dan via het notenschrift naar de musicus, daarna werd het uitgevoerd zodat allen eraan deel konden hebben.

Sleutel

Voor aan de notenbalk stond echter nog een sleutel in muziektermen heet dat de G-sleutel. Zonder die sleu­tel is het niet mogelijk om de juiste toonhoogte te ken­nen. Met de sleutel kennen we één enkele toon en daar­door het hele verdere thema. Wanneer we de G kennen weten we ook waar de A zit, of de C, enz.    

In het totale scheppingsplan van God (de kompositie) zien we precies dezelfde lijn. Er is geen enkele componist die geen geloof heeft in eigen creaties, anders zou hij het niet noteren, zodat het uit­gevoerd kan worden.

De sleutel nu in het grote werk van God is Jezus Chris­tus en Zijn leer. Dus Zijn methode van onderwijs was en is de enige juiste!

Wanneer we de oplossing voor problemen willen vinden of wanneer we genezing willen ontvangen, dan zullen we de- j ze manier van handelen moe­ten overnemen. Gebruiken we een andere sleutel, een an­dere ’toonhoogte” dan is dit niet volgens het plan van de componist en zal eindigen in disharmonie. Maar Gods be­doeling is een volmaakt slotakkoord. Het volle ko­ren.

“Zie de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is” Jakobus 3 vers 7 (Jak. 03:07).

Groeikracht

Ook dit geduld wijst op het geloof in de juiste manier van prediking. Het gaat niet met geweld en druk gepaard, ook niet met allerlei gods­dienst naar het vlees. Het is de boodschap van het Ko­ninkrijk der hemelen wat, ondanks alle tegenstand en zelfs afkeer, blijft voort­bestaan tot in alle eeuwig­heid .

God wist het al vanaf het begin: het zal standhouden, het is goed en het heeft ge­noeg groeikracht in zich om het tot het einde toe vol te houden.

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -15-

De tempel Gods in de eindtijd

Openbaring 11 zet in met de woorden (Openb. 11:01): “En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen die daarin aanbidden”. Zestien maal wordt de tempel door Johannes genoemd. Daarom is de vraag gerechtvaardigd: wat is de plaats van de tempel in het geheel van het eindgebeuren? Waarom wordt er zo dik­wijls melding van gemaakt?

Om te beginnen is het goed dat we opmerken dat heel Openba­ring 11 over de tempel handelt. Niet alleen de beginverzen. Want het laatste vers van dit hoofdstuk zegt: “En de tempel Gods, die in de hemel is, ging open”. En uitgerekend in dit tempelhoofdstuk klinkt de proclamatie: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalf­de” Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15). Het koningschap staat in het kader van de tempel. Opvallend is trouwens dat er met nadruk gezegd wordt: ónze Here. Hier ligt een bewust onderscheid in opge­sloten: heren en góden zijn er genoeg, maar het koningschap zal zijn aan ónze Here, aan ónze God.

Heel uitdrukkelijk wordt er dan ook, zowel aan het begin als aan het eind van Openbaring 11, gesproken over de tem­pel Gods. Niet zomaar de tempel zonder meer, maar temidden van alle tempels en beelden is er maar één tempel waar God zijn naam aan verbindt. Want straks in Openbaring 13 horen we van het beest, en over het beeld van het beest, maar vóór dit alles zien we hier hoe er een huis oprijst voor God.

Dat is het profetische perspectief dat Johannes ons door­geeft: er zal een huis zijn voor God. Het kan nog zo donker en demonisch worden, nacht en ontij kunnen samenpakken, machten maken zich breed, maar het kan niet zo duister wor­den of er zal een huis zijn voor God.

God bouwt zijn tempel. Dat staat als een eeuwig schrift bo­ven de eindtijd gegrift. Ook het beest dat in hoofdstuk 13 opkomt, kan wat God in hoofdstuk 11 heeft vastgelegd, niet meer ongedaan maken. Men zou haast geneigd zijn te zeggen: dan had het beest vroeger moeten opstaan.

Het huis van onze God houdt niemand tegen. Daarom is die opdracht om te meten ook zo veelbetekenend. “Sta op en meet de tempel Gods”. Er is een opstaan vereist. Een geestelijk in actie komen. Want dat meten is niet zomaar een aardig tijdverdrijf. De opdracht die Johannes hier ontvangt, komt maar niet uit de lucht vallen; zij heeft een profetische achtergrond. Ook in het Oude Testament treffen we namelijk soortgelijke metingen aan en die kunnen ons op weg helpen om de diepe zin van deze handelingen beter te verstaan.

De profetische achtergrond van de tempelmeting

Ezechiël is één van de profeten bij wie we dit tegenkomen. Hij vertelt: “In gezichten Gods bracht Hij mij naar het land van Israël en zette mij neer op een zeer hoge berg; daarop was iets als een stad gebouwd aan de zuidzijde. Toen Hij mij daarheen gebracht had, zie, daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn hand; hij stond in de poort” Ezechiël 40 vers 2 en 3 (Ez. 40:02-03).

Nu is het woord ‘meten’ duidelijk een sleutelwoord in de hoofdstukken 40 tot 48 van Ezechiël. Als we het aantal keren optellen dat daar sprake is van meten en meetroede, komen we maar liefst tot eenenzestig. We zien de grondge­dachte van het meten loopt als een rode draad door dit laatste deel van het boek Ezechiël heen. Alles draait om de meetroede.

En nu is het merkwaardige dat die meetstok voor het eerst tevoorschijn komt in hoofdstuk 40: daar immers begint juist een heel nieuw onderdeel van het boek Ezechiël en tegelijk ook een heel nieuwe fase in de roeping van deze profeet. Vanaf dit moment moet hij zich namelijk heel grondig en uitvoerig gaan verdiepen in het herstelplan van God. Niet voor niets klinkt tot hem het woord: “Mensenkind, zie met uw ogen en hoor met uw oren en richt uw opmerkzaamheid op alles wat ik u zal laten zien” Ezechiël 40 vers 4 (Ez. 40:04) . Letterlijk staat er: zet uw hart op alles wat ik u doe zien. Het is een zaak van het hart. De profeet moet er met hart en ziel bij zijn. Dit eist hem helemaal op.

En wat gaat er dan gebeuren? Hij zette mij neer op een zeer hoge berg, en daar was een stad. Ook van Johannes le­zen we: “En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad” Openbaring 21 vers 10 (Openb. 21:10). Er is maar één berg waarvan uiteindelijk nog gezegd kan worden dat hij hoog is: dat is de berg des Heren. De vaste grond­slag waarop de tempelstad verrijst. Die berg wordt niet ge­meten; daarvan wordt alleen uitgesproken dat hij hoog is, zeer hoog. Dat laat zich ook wel verstaan: de macht van de Geest is immers niet te meten. De God die alle dingen meet, laat zich niet meten. Onmetelijk is de spankracht van de Geest. Zij gaat alle aardse maten ver te boven. Deze berg is de hoogste der bergen; daarmee is genoeg gezegd. Deze berg zal vaststaan. Vaststaan tot in de laatste tijden.

Gods herstelplan gaat in vervulling

Maar dan krijgt de profeet daar het bestek van God uitgeme­ten. En waar gaat het om? We halen enkele kernpunten naar voren uit Ezechiël 43. Daar wordt beschreven hoe de heer­lijkheid des Heren het huis binnengaat. Dat is geen vanzelfsprekende zaak; hetgeen hier geschiedt, is een unieke gebeurtenis: God keert terug! De ballingschap is ten einde. Dat is een reden tot diepe vreugde. Dat meten is maar niet een droge, wiskundige bezigheid, het is een intens geeste­lijke aangelegenheid. Want dat meten heeft te maken met herstel. Herstel van het bestek Gods. En dat houdt in: her­stel van heerlijkheid. Dat is het meesterlijke waar het me­ten op uitloopt: God herstelt de heerlijkheid.

De eindtijd is een tijd van restauratie; Gods oorspronke­lijke plan komt nu uit de verf. En, zegt Ezechiël, de aarde straalde vanwege zijn heerlijkheid.

Meten betekent: oog krijgen voor de maten Gods. Zoals Paulus het -formuleert: “de maat van de wasdom der volheid van Christus”. Of, met andere woorden: de volle maat, de vol­wassen maat van de Christus. Aan die maatstaf wordt het huis Gods gemeten. De gemeente moet de volle maat bereiken van de Christus, van de gezalfde. En stemt dat niet overeen met wat Openbaring 11 beschrijft: de tempel wordt gemeten en dan… Wat volgt er dan? Het koningschap zal zijn aan onze Here en aan zijn Christus, aan zijn gezalfde. Dat is de gemeente die de maat van de Christus heeft bereikt. Me­ten betekent: erop acht geven hoever we al zijn in het plan Gods. Meten is een bij uitstek profetische bezigheid; het betekent: we stellen ons in op de heerlijkheid die gaat ko­men, We stellen ons in op herstel. We stellen ons in op het bestek van God.

Wat is het doel van de tempel?

Meten is het begin van een nieuwe tijd. Meten geschiedt met het oog op morgen. Hij die meet, denkt aan de toekomst.

Want wat is het doel van de tempel? Ezechiël hoort een stem: “Mensenkind, dit is de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik wonen zal onder de Isra­ëlieten tot in eeuwigheid” Ezechiël 43 vers 7 (Ez. 43:07). Het doel van het huis is: de troon. Zien we niet dezelfde lijn in Openbaring 11? De lijn van tempel naar koningschap. Het gaat om de plaats waar God troont, en waar Hij woont. Daar zal Hij wo­nen tot in eeuwigheid, zegt de profeet. En het Griekse woord voor tempel, dat zestien maal in Openbaring voorkomt, heeft als grondbetekenis: woning.

Eindtijd betekent: God vindt een woning. Eeuwenlang was het: God kwam en ging. Jezus was de eerste mens bij wie de Allerhoogste kon wonen. Van Hem staat er geschreven: de Geest bleef op Hem. Niet komen en gaan, maar blijven. Op Hem kwam de Geest tot rust. Zo zoekt God in deze dagen naar het volk dat woonplaats biedt voor Hem.

Dat is de jubelroep van het laatst der dagen: God heeft een woning gevonden. God is thuis gekomen in zijn volk. Daar gaat de geschiedenis naar toe.

Daarom zijn de verzen 10 en 11 van Ezechiël 43 (Ez. 43:10-11) zo verhelde­rend in verband met het thema van het meten. We laten ze hier volgen in een letterlijke vertaling: “Gij nu, mensen­zoon, vermeld het huis Israëls het huis, dat ze zich scha­men voor hun afwijkingen; dan mogen zij het model nameten: wanneer zij zich schamen voor alles wat ze deden, maak hun bekend, schrijf hun voor ogen de vorm van het huis en zijn orde, zijn uitgangen en zijn ingangen, geheel zijn vorm, daarbij al zijn inzettingen, al zijn vormen, daarbij al zijn aanwijzingen, dat ze zijn vorm en al zijn inzettingen bewaren en die doen”.

We zien dat hier opnieuw gesproken wordt over meten. En waarom is dat van zo verstrekkende betekenis? Het volk moet terug naar het model. Het model is de oorspronkelijke ge­dachte van de Schepper, het originele, onvervalste plan van de Architect.

Ze zullen zich schamen voor hun afwijkingen, namelijk de punten waarop ze afgeweken zijn van het origineel. Hun ogen moeten weer opengaan voor de vorm die God bedoelt. Wat is de vorm? Dat is de gestalte Gods.

Dat is het glorieuze van God. Hij gaat niet het model ver­anderen. Hij gaat onze gedachten veranderen. God doet niet een stuk van de meetstok af. Integendeel, dit is nu juist de unieke boodschap van Openbaring 11: de meetroede Gods komt weer tevoorschijn. Er zal dus een tempel zijn die de moeite waard is om te meten. Er zal een huis tot stand ko­men dat beantwoordt aan de maten Gods.

Juist in dagen als van Ezechiël, dagen van ballingschap, is daar opeens de meetroede Gods. Als een moedgevend teken: Gods plan is niet verkort. Juist dan klinkt daar de roep: Terug naar het model:

Juist in dagen als van het boek Openbaring is daar opeens de opdracht: sta op en meet de tempel. (slot volgt) .

(Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk volgt in “Levend Geloof” van volgende maand. Dat is dan tevens de afslui­ting van de serie “Verkenningen rond het boek Openbaring”.

Het is de bedoeling ook de hoofdstukken 11 tot en met 15 in brochurevorm uit te geven. Bijzonderheden hierover volgen in het eerstvolgende nummer. Met bestellingen graag wachten tot bericht hierover volgt).

 

Bewogenheid

Bewogenheid is een woord dat in de oren van sommige christenen geen beste klank heeft. Bewogen christenen leven gevoelsmatig en de Bijbel zegt toch dat we door het geloof moeten le­ven?, is hun mening. Inder­daad zegt de Bijbel dat het zonder geloof onmogelijk is God te welgevallig te zijn. Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06). Klaar en dui­delijk! Daarom gaat echte bewogenheid niet buiten het geloof om! Christenen die hun gevoelsleven boven het geloof stellen kunnen daar­om ook geen echte bewogen­heid openbaren.

Jezus liet ons zien wat werkelijke bewogenheid be­tekent. Hij gaf zich volko­men. Zijn inzet was een to­tale inzet. Hij weende over de ongehoorzaamheid van Je­ruzalem, maar was ten alle tijde radicaal in het afwij­zen van satan. Heel Zijn we­zen was afgestemd om de wil te doen van Zijn hemelse Va­der door de mensen te be­vrijden uit satans macht.

Deze volkomen bewogenheid verlangt de Heer ook van u en mij en is alleen mogelijk als wij bereid zijn in de voetstappen van Jezus te gaan.

Als Zijn leven in ons meer en meer gestalte gaat krij­gen, openbaren wij dezelfde bewogenheid die Zijn leven kenmerkte en zal de uitwer­king even positief zijn!

 

Geen compromis

De eerste christenen waren geen gelovigen van het compro­mis, de middenweg of de tussenoplossing. De kracht van de Heilige Geest kwam in hen ten volle tot openbaring, door­dat zij Jezus volkomen toegewijd volgden.

De woorden van Jezus: “Wie niet vóór Mij is, is tégen Mij”, vormden een leidraad voor hun leven.

Vóór-Jezus-zijn betekent: Hem in alles volgen en geeste­lijk strijden vanuit de plaats die Hij ons heeft gege­ven in de hemelse gewesten. De werkelijke christenen van de eindtijd zullen deze compromisloze weg weer gaan ont­dekken en beleven en zo de overwinning behalen.