1981.09 nr. 218

1981.09 nr. 218

De doorbraak die wij nodig hebben door Gert Jan Doornink

De mislukte doorbraak

Vlak na de tweede wereldoorlog was er bij velen een streven en verlangen naar eenheid en ver­nieuwing. De ouderen onder ons zullen zich dat ongetwijfeld nog herinneren. De vooroorlogse hokjesgeest en bekrompenheid moest gaan verdwij­nen. Iedereen wilde, nu de ellende van de oorlog voorbij was, met frisse moed beginnen te bouwen aan een ideale maatschappij. De plannen daarvoor waren in de oorlog reeds ontstaan bij politieke en geestelijke leiders die in gijzeling zaten. Men geloofde in een 1 doorbraak’ op ieder ter­rein. Toen de oorlog afgelopen was werd dan ook de ‘Nederlandse Volksbeweging’ opgericht, alle politieke partijen konden nu worden opgeheven. Er was immers een eensgezind volk, werkend aan het herstel en de opbouw van een vernieuwde samenleving….

Ook op kerkelijk terrein gebeurde er het een en ander. Velen waren blij toen in 1948 de ‘Wereld­raad van kerken’ werd opgericht en zagen dit als een belangrijke stap naar de eenheid van alle christenen. In de grootste protestantse kerk, de Nederlands Hervormde, was men druk bezig met de samenstelling van een nieuwe kerkorde’ . Ik was toen nog niet bekeerd, maar wel kerkelijk mee­levend en herinner mij hoe ik er een sterk voor­stander van was. Nu gingen immers de ‘richtin­gen’ verdwijnen. Vrijzinnigen, gereformeerde bonders, confessionelen en etischen, samenge­smeed tot één gemeenschap….

Iedereen weet dat er van al deze eenheids- en vernieuwingsbewegingen maar weinig is terechtge­komen. Spoedig ging ieder weer zijn eigen gang. Het menselijk egoïsme zegevierde over het alge­meen belang wat men voor ogen had. En dit egoïsme werd uiteraard gevoed vanuit de verkeerde voe­dingsbron, die van de vorst der duisternis. Want de mens zonder Christus leeft onder de invloed van satan, die wel een doorbraak wil, maar al­tijd in het negatieve.

De negatieve doorbraak

Dat hebben wij trouwens gezien in deze naoorlog­se tijd. Terwijl de welvaart hand over hand toe­nam, kwam er tegelijkertijd een negatieve door­braak, vooral op moreel gebied, tot ontwikkeling die nog steeds doorgaat. Homofilie, vrije seks, abortus, occultisme, kortom alles wat de Bijbel tegennatuurlijk en goddeloos noemt, werd als normaal aanvaard. Pedofilie (de seksuele omgang van volwassenen met kinderen) is het laatste taboe, schreef een paar weken geleden het week­blad “De Tijd”. Alle andere taboes zijn al door­broken .

De andere doorbraak

Gelukkig is er nog een andere doorbraak die zich bezig is te voltrekken. Het is de door Gods Geest bewerkte doorbraak, die de mens van een gebondene van satan maakt tot een kind van God. Ook deze doorbraak is een realiteit in deze tijd! En hoe! Ieder mens die zich openstelt voor deze doorbraak ervaart dat deze een totale levensvernieuwing met zich meebrengt, die de ge­volgen van de door satan bewerkte negatieve doorbraak volkomen teniet doet. Belangrijk daarbij is dat deze doorbraak geen eenmalige aangelegenheid blijft, maar verder doorwerkt. Gods doorbraak in het leven van een mens be­hoort een voortgaande en opgaande lijn te heb­ben. Heel anders dan bijvoorbeeld bij een dijk­doorbraak. Dan tracht men het gat zo snel moge­lijk te dichten om het water te keren en verder onheil te voorkomen. Maar de doorbraak die God wil bewerken verwekt geen onheil, maar heil: de volle verlossing en beleving daarvan in Chris­tus .

Positieve gevolgen

Daarom heeft iedere, door God bewerkte, geeste­lijke doorbraak, die verder doorwerkt, positieve gevolgen. Het herstelt de mens naar geest, ziel en lichaam. Het maakt het beeld van Jezus weer herkenbaar in deze herstelde mens. En zoals de Zoon van God de volmaakte beelddrager Gods was, zullen de zonen Gods de volmaakte beelddragers van Jezus Christus zijn!

Wie eenmaal visie heeft gekregen voor het feit dat dit Gods wil en bedoeling is, laat zich door niets en niemand meer afremmen. Vele kinderen Gods zitten nog opgesloten in allerlei kringen, groepen, kerken of gemeenten, waar de geestelijke leiders geen oog hebben voor deze doorbraak. Zelfs de naam ‘pinksteren’ of ‘volle evangelie’ geeft niet altijd de garantie dat men ook werkelijk geestelijk wil verder groeien. Velen blij­ven zich rondom het fundament bewegen, zonder zich ook te richten op het einddoel van het ge­loof: de volkomenheid in Christus. En daar spreekt het nieuwe testament tientallen malen over. Velen maken zich bijvoorbeeld liever druk om de ontwikkelingen rondom het natuurlijk Isra­ël, in plaats van te functioneren als lid van het geestelijk Israël: de gemeente. En dit functio­neren is alleen mogelijk als we daarbij onze plaats met Christus hebben ingenomen in de he­melse gewesten, om van daaruit, te strijden en te overwinnen.

Het is Gods wil dat wij als zonen van Hem open­baar zullen worden in deze eindtijd. Wie dit eenmaal inziet, doet er ook alles aan om dit waar te maken in zijn leven. Hij maakt zich vrij, of laat zich bevrijden, van bindingen, die nog met het oude, door satan beheerste, leven te maken hebben. Hij vergaart geestelijke kennis en inzicht uit het Woord van God door de Heilige Geest. Hij luistert naar leraars die de weg naar de beleving van de volheid van Christus uitleg­gen. Hij leest hun artikelen. Hij zorgt er voor dat de doorbraak in zijn leven niet tot stil­stand komt, maar dat de voortgaande vernieuwingen die er in zijn gedachten plaatsvinden, positieve en praktische uitwerking hebben. Hij weet zich één en heeft gemeenschap met andere gelovigen die ook deze volle weg met Jezus willen bewande­len. Zo bouwt hij mee aan de eindtijdgemeente, door zich als een levende steen te laten invoe­gen in het geestelijke huis wat God bezig is te formeren.

De enigste doorbraak waaraan wij in deze eind­tijd behoefte is een verdere geestelijke door­braak. Zorg dat u er op positieve wijze bij be­trokken bent, door de weg van geloof en gehoor­zaamheid te gaan. Laat u op geen enkele wijze tegenhouden, want wie niet meewerkt komt in het vaarwater van de grote tegenstander: satan.

Neutraal zijn in Gods Koninkrijk is ook een on­mogelijke zaak. Jezus sprak: Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij. En vóór-Christus-zijn betekent een doorbraak-christen’ zijn. Alleen in hen en door hen zal de volle heerlijkheid van God zich meer en meer gaan openbaren en zal uiteindelijk God Zijn doel met ons leven en met Zijn schep­ping bereiken.

 

Reacties van lezers door redactie

Gods plan leren kennen

Broeder H. A. S. te Vlissingen schrijft: “Uw blad en brochures helpen mij goed om God (en zijn plan) te leren kennen zoals Hij is”.

Wie kan dit zijn?

Uit Den Haag ontvingen wij de volgende briefkaart: “Via klanten in de winkel hoorden wij van uw blad “Levend Geloof”. Graag wil­den wij nu een exemplaar ontvangen en doorzién en misschien later meerdere exemplaren bestellen voor de winkel. Gods rijke zegen toegewenst op uw werk”. De afzender ontbreekt echter. Uit de ondertekening vallen de initialen C.B. op. Hoge­lijk kan één van onze le­zers in Den Haag ons helpen aan het juiste adres.

“Levend geloof” naar het buitenland

Broeder O. W. d. V. te Bussum schrijft: “Voor een fa­milielid in het buitenland zou ik graag wat informatie over uw blad ontvangen. Daarbij graag gegevens over uw mogelijkheden om het blad te verzenden (luchtpost/zee- post of via contactadres in Nederland), abonnements­prijs en dergelijke”.

De abonnementsprijs voor binnen- en buitenland is gelijk, maar de bladen worden per zeepost verzonden. Wil men het blad per lucht­post ontvangen, dan wordt het luchtposttarief extra in rekening gebracht.

God staat aan onze kant

Zuster J. d. W. te Kampen bestelde brochures en schreef erbij: “Ik wil u ook bedanken voor ’t werk waarvan ik proef dat u zich voor 100% inzet voor het Koninkrijk van God. Ga zo door! Tot eer van onze God! Zelf banen we ons ook een weg naar de volle waarheid. We ondervinden veel tegen­stand. Juist een bevesti­ging dat we, ook dank zij uw lectuur, op de goede weg zijn. Ik verlang er naar dat de Heer in mij door woord en daad herkend wordt. De boze haat dit, maar God is meerder. Wat is het fijn om dat te weten, hoe de omstandigheden ook mogen zijn. Ik mag zeker weten: God staat aan mijn kant”

 

Het slijpproces door H. J. Scholten

Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt de ene mens de ander” Spreuken 27 vers 17 (Spr. 27:17).

We leven nu eenmaal niet al­leen in deze wereld. We heb­ben met elkaar te maken en krijgen met elkaar te maken. Dat geldt voor alle terrei­nen van het leven. Ook voor het gemeentelijk leven waar­in we verkeren als kinderen Gods.

Allemaal verschillende men­sen met hun eigen ‘eigenaar­digheden’. En allemaal moe­ten we toegroeien naar Hem, die het Hoofd is, Christus. Dat kan ook, als we ons aan de waarheid vasthouden. Lees Efeziërs 4 vers 15 en 16 (Ef. 04:15-16). Er staat ook bij: in liefde. Dan groeien we in elk opzicht naar Hem toe.

Wie op wil wassen in de ge­nade en in de kennis van on­ze Here Jezus Christus, krijgt met tegenstand, met druk te doen. Soms komt die druk tot ons door broeders en zusters heen. Dat was niet de bedoeling natuur­lijk, maar het gebeurt.

Wat een wijsheid, liefde en geduld hebben we nodig. Kortweg gezegd: de Geest van Christus. Dat was een Geest van zachtmoedigheid en nederigheid. Met zo’n geest kunnen we elk ‘slijpproces’ doorstaan en raken niet in verwarring. We blijven de liefde jegens allen behou­den. Tot alle ‘vlees’ is weggeslepen.

IJzer met ijzer. Het geeft wel eens nare geluiden.

Maar hoe gladder alles wordt, hoe lieflijker het geluid.

Het wordt alles als een spiegelglad meertje zonder rimpels. De Spreukendichter zegt: “En zoals het water het gelaat weerspiegelt, zo weerspiegelt het hart van de mens de mens” Spreuken 27 vers 19 (Spr. 27:19).

Bent u al zó geslepen? Is uw gezicht zo ‘glad’ als een vriendelijk meer? U bent toch een koningskind? “Het licht op het gelaat van de koning is het leven, en zijn welgevallen is als een wolk van de late regen” Spreuken 16 vers 15 (Spr. 16:15).

Zo mag elk slijpproces tot goede resultaten leiden. “Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was”. Filippenzen 2 vers 5 (Filip. 02:05).

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

De maand september is weer in het land. De vakanties zijn weer voorbij en iedereen is weer met frisse moed en nieuwe energie aan de slag gegaan. Dat geldt ook voor de redactie van “Levend Ge­loof”, waarbij wij overigens opmerken dat wij ook in de afgelopen maanden niet op onze lauweren hebben gerust. Geestelijk werk kan nu eenmaal niet stilstaan. Er is geen verlof tijdens de strijd, zegt Spreuken. Dat is trouwens de erva­ring van ieder kind van God. Als wij relaxen of vakantie hebben betekent dit dat wij ook dan ver­bonden blijven met de levende God en dit ook be­leven als een realiteit in ons leven.

Wat de “Levend Geloof”-arbeid betreft, willen wij aan het begin van dit ‘nieuwe seizoen’ een soort ’tussentijdse balans’ opmaken, wij komen dan tot de dankbare conclusie dat wij ook in de afgelopen zomer voor velen tot grote zegen mochten zijn, dat wil zeggen, een nog steeds groeiende lezers­kring ontving gezond geestelijk voedsel door de uitleg van verschillende facetten van de bood­schap van het Koninkrijk Gods.

In de afgelopen maanden moesten wij verschillende malen de oplage van ons blad vergroten. Uiteraard is dit een verblijdend teken, waaruit blijkt dat velen de compromisloze en duidelijke belichting van de boodschap weten te waarderen. In de komen­de maanden komen weer verschillende onderwerpen aan de orde in “Levend Geloof”. Wij vragen uw voorbede voor alles wat wij schrijven, ook voor de inhoud van verschillende nieuwe brochures die in voorbereiding zijn. Wij zijn ons bewust dat wij bij het schrijven volledig afhankelijk zijn van Hem die ons door Zijn Geest, wijsheid en in­spiratie wil geven.

Wij zijn ook dankbaar voor verschillende financi­ële bijdragen die wij in de afgelopen maanden ontvingen. “Levend Geloof” is een geloofsweek en giften van lezers en lezeressen, worden op effec­tieve wijze besteed. Mede daarom hebben ruim 100 adressen die “Levend Geloof” reeds lange tijd gratis ontvingen, dezer dagen een brief ontvangen met het verzoek of zij zelf abonnee willen worden zodat wij weten of zij al of niet belangstel­ling hebben voor het blad. Het is jammer als ons blad ongelezen in de prullenbak verdwijnt zoals wij in enkele gevallen hoorden.

Proefadressen ontvangen 3 a 4 nummers van ons blad gratis, waarna zij een brief ontvangen om te beslissen of zij zelf abonnee willen worden. Geschenkabonnementen, die dus door anderen betaald worden, ontvangen het blad minimaal een jaar, waarna ook zij kunnen beslissen of zij abonnee willen worden. Geschenkabonnementen worden dus niet automatisch verlengd, tenzij degene die ze opgegeven heeft, dit te kennen geeft.

Tenslotte vragen wij onze lezers en lezeressen nogmaals veel voor onze arbeid te blijven bid­den. De duivel haat de verkondiging en openbaring van het Koninkrijk Gods, maar als wij gezamenlijk bereid zijn geestelijk te strijden en te overwin­nen, kan “Levend Geloof” nog voor velen tot grote zegen zijn.         

 

De genezing die God wil door redactie

Lichamelijke genezing ontvangen heeft in Gods ogen alleen ten volle zijn waarde, als het gezien wordt in het verband met het herstel van de gehele mens.

Gods verlossingsaanbod in Jezus Christus is een volkomen verlossing en is bedoeld voor geest, ziel en lichaam.

Paulus zegt in 1 Thessalonicenzen 5 vers 23 en 24 (1 Thess. 05:23-24): “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen”.

 

Vroeg in de weer door H. J. Scholten

“In de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik, de Here, uw God ben” Exodus 16 vers 12 (Ex. 16:12).

God zorgt voor zijn kinderen

God zorgt als een goede Va­der op bijzondere wijze voor Zijn kinderen. Met eerbied gezegd: God is al vroeg in de weer.

In Exodus 16 gaat het over het manna, het hemelkoren, dat de Israëlieten volop van God ontvingen ter leniging van hun honger. Ze hadden er heel wat af gemopperd, dat vleselijke volk Gods. Vlees zoekt vlees en daarom zeiden ze dan ook: “Wie zal ons vlees te eten geven? Wij hadden het zo goed in Egyp­te” Numeri 11 vers 18 (Num. 11:18). Dwars te­gen al dat gemurmureer in komt God met zijn milde re­gen. In Psalm 78 kunnen we ook over deze geschiedenis lezen. In vers 24 en 25 staat (Ps. 078:24-25): “Hij deed manna als spijze op hen regenen, en schonk hun hemelkoren; brood der engelen at ieder”. We zien dat ook in deze voorzieningen van God engelen waren ingeschakeld, zoals ook de wet van Mozes op be­schikking van engelen gege­ven werd.

In Psalm 127 vers 2 (Ps. 127:002) gaat het ook over brood dat God geeft: “Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap”. Nu, dat gebeurde ook hier in de woestijn Sin, tussen Elim en de Sinaï. Nog steeds had­den de Israëlieten de wet niet ontvangen, de berg Sinaï was nog niet bereikt en het volk stond nog niet on­der de wet. Eigenlijk leef­den ze alleen maar van de genade van God en was dat zo maar gebleven. In de woes­tijn groeit niets, deze heeft niets te bieden, en je moet alleen maar naar boven kijken. Alleen op bovenna­tuurlijke wijze kun je 40 jaren in een woestijn in le­ven blijven en dat is dan wel genade.

Hoe groot en goed God is voor zijn volk, ondanks ge­mopper en ongehoorzaamheid, blijkt wel uit de overvloe­dige regen van manna. Tegelijkertijd met de dauw, dus zeer vroeg in de morgen, viel het manna, het hemelkoren.

De genade van God

God is er al vroeg bij om voor zijn kinderen te zor­gen, maar verwacht dan ook dat zijn kinderen er ook vroeg bij zullen zijn om het brood in te zamelen en te eten. Een heel mooi geeste­lijk beeld. Terwijl de Is­raëlieten nog in hun tenten lagen te slapen, was God al bezig ‘de tafel te dekken’. Dan worden ze wakker en ho­ren ze de stem van de Vader: Dit is het brood dat Ik u tot spijze gegeven heb.

Is dat geen genade?

’s Avonds volop kwakkels en ’s morgens volop manna? Ge­nade op genade. Maar wie niet van genade wil leven, wordt geplaatst onder een verbond van werken. Wie niet horen wil moet maar voelen. Het volk Gods versmaadde op het laatst deze zegeningen van God en sloeg opnieuw aan het mopperen.

Wie de genade versmaadt plaatst zich onder de wet. En onder de wet geldt: Doe dat en gij zult leven’ In Numeri 21 vers 5 (Num. 21:05) lezen wij: “En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? Om te sterven in de woes­tijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijze walgen wij”.

Waarom God zijn volk onder de wet stelde

Wat kon God nu tenslotte slechts doen? Hij stelde het volk onder de wet, onder de tuchtmeester. Wie ondankbaar jegens God is, is een on­rechtvaardige en zo iemand vraagt om de wet. In 1 Timoteüs 1 vers 8 (1 Tim. 01:08) staat: “Wij weten, dat. de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, wel. wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige”.

De wet is gesteld voor de onrechtvaardigen. Wie hun gehele leven belijden dat ze onrechtvaardigen zijn, zul­len zich dan ook regelmatig de wet laten voorlezen. Gods woord zegt, dat al deze men­sen met een bedekking leven en dat is ook terdege merk­baar omdat hun geloofsleven meestal zonder geur en fleur is. Is het niet heerlijk dat we ons mogen aansluiten bij de woorden van de apostel Paulus: “Wij dan gerecht­vaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen (in het ge­loof) tot deze genade” Ro­meinen 5 vers 1 en 2 (Rom. 05:01-02).

We zien dat we uit pure ge­nade volop manna gekregen hebben. Jezus Christus is het manna dat uit de hemel tot ons is neergedaald en uit genade mogen wij Hem ‘eten’. Zulke mensen murmu­reren niet meer, want de zonde voert geen heerschap­pij meer over hen. Daarom zijn ze niet onder de wet, maar onder de genade.

De betekenis van de amandelboom

God was al zeer vroeg in de weer om voor ons te zorgen. Weet u hoe vroeg dan wel? Al voor de grondlegging der we­reld had God de spijs al voor zijn kinderen gereed. Want in Openbaring 13 vers 8 (Openb. 13:08) wordt geschreven over het Lam Gods, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld.

Het Lam Gods, het ware brood uit de hemel. Het Woord Gods is vlees geworden en heeft onder ons gewoond. Dat mach­tige woord van God, vergele­ken met de amandelboom. God was, als een goede Vader, reeds vroeg wakker om voor zijn kinderen ‘de tafel te dekken’. Hij geeft ons Zijn woord, Hij geeft ons Zijn eigen Zoon. Amandel bete­kent: vroeg in de weer of vroeg wakker. De amandelboom is de eerste vruchtboom, die bloeit. Als alle andere vruchtbomen er nog in grote dorheid bij staan, zit de amandelboom reeds vol met grote, sneeuwwitte bloemen. Gods woord is levend en krachtig. Nu begrijpen wij het woord van God dat tot Jeremia kwam, toen hij tot profeet geroepen werd. In Jeremia 1 vers 11 (Jer. 01:11) lezen wij: “En het woord des Heren kwam tot mij: Wat ziet gij Jere­mia? Toen zeide ik: Ik zie een amandeltwijg. Daarop zeide de Here tot mij: Gij hebt goed gezien, want Ik waak over mijn woord om dat te doen”. God waakt over Zijn woord, is dus goed wak­ker, vroeg in de weer. Als Zijn kinderen nog slapen wordt reeds voorzien.

Gods heerlijkheid in de woestijn

De roep klinkt: “Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten” Efeze 5 vers 14 (Ef. 05:14). De mensen moeten wakker worden. Gods heerlijkheid verschijnt in een wolk mid­den in de woestijn. Ook in de woestijn van ons leven kunnen we in de wolk van heerlijkheid leven. Jezus is de Doper met de Heilige Geest en nodigt ons uit in de wolk te komen. Je moet er wel vroeg voor op staan. “Toen de dauw opgetrokken was, zie, daar lag over de woestijn iets fijns, iets schilferachtigs, fijn als rijm op de aarde” Exodus 16 vers 14 (Ex. 16:14). We leven, als kinderen Gods, naar onze uiterlijke mens nog midden op deze aar­de. Een wereld die in het boze ligt, zegt Johannes. Het is een één en al woestijn. Wie geestelijk in leven wil blijven, zal moeten opzien naar boven. Hij zal moeten letten op de hemelvensters, op de deuren des hemels. Want alleen van boven komt de spijze waarvan wij in eeuwig­heid zullen kunnen leven. God gebiedt de wolken. Zij hebben te wijken op Zijn machtswoord en daar begint het te rege­nen: manna tot spijze. Ook vlees. Het regende op het volk Gods als stof, ja, ge­vleugeld gevogelte als het zand der zeeën (Psalm 78). “Want God, de Heer, zo goed, zo mild; is ’t allen tijd een zon en schild”.

Waarom er veel onnodige strijd is

Echter, er is ook een andere zon. Een zon die steekt en amechtig maakt. Een zon, die doet versmelten, doet onder­gaan. Dat is de verdrukking van de satan, die het manna wil vernietigen, het woord Gods.

Wat moest er dan gebeuren? Als het manna in de woestijn gevallen was, moesten de Israëlieten vroeg opstaan, vóór het opkomen van de zon, omdat ’Anders het manna ging smelten en er dan niets viel te eten Exodus 16 vers 21 (Ex. 16:21).

Er is zoveel onnodige strijd bij veel kinderen Gods omdat ze niet, net als hun God en Vader, vroeg in de weer zijn, om in te zamelen. Als ze willen inzamelen en gaan eten, staat de zon der ver­drukking vaak al hoog aan de hemel en is er geen kracht om te strijden. Men heeft niet gegeten. Men vergat vroeg op te staan en dan ko­men de nederlagen. De één heeft hier, de ander heeft daar last van. Een mager en ondervoed volk. Het slaapt, terwijl de woestijn vol ligt met spijze. Het ligt niet aan de hemelse Vader. Die was werkelijk al vroeg wak­ker, wakende. De wachter Israëls. Hij was al vroeg in de weer met het openen van de hemelvensters, maar wie lette er op?

Van Gods kant is er honderd procent genade. Genade op genade. Wie wil er van le­ven? Ook vele christenen hebben vaak een afkeer van het woord Gods en de geeste­lijke dingen. Moeten we dan altijd over de Heer praten? Moet het dan altijd over de geestelijke dingen gaan? De­ze vraagstelling bewijst al dat men niet ‘in de wolk’ is. Dan kan het ook niet anders of je walgt af en toe van ‘deze flauwe spijs’.

Bent ook u in de wolk waarin Jezus altijd was?

Jezus zélf was altijd in de wolk. Hij werd ook gedoopt in de Heilige Geest. Daarom was ook Jezus altijd ‘vroeg in de weer’. Een goede, geeste­lijke eigenschap. Hierover kunt u lezen in Markus 1 vers 35 (Mark. 01:35): “En vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op en ging naar buiten en Hij ging heen naar een eenzame plaats en bad aldaar”. De dag ervoor had Hij niets anders gedaan dan uitdelen, tot de late avond toe en de zon onder­ging Markus 1 vers 32 (Mark. 01:32) .

Wie flink verzamelt, kan ook uitdelen. Jezus stond vroeg op. Hij ging inzamelen. Daar­om kon Hij zeggen: De duivel komt en vindt bij mij niets! God is niet, veranderd en Je­zus is Dezelfde. We kunnen allemaal ‘in de wolk’ leven en een rijk en blij leven hebben. We hebben de belofte: Gij zult met brood verzadigd worden; gij zult weten, dat Ik, de Here, uw God ben.

Nu gaat het erom of u het weet. Of u vroeg opgestaan bent. Of u vroeg ingezameld hebt. Of u in de wolk bent. Dan hebt u geen last als de zon opkomt en de hitte afmat­tend maakt. Want dan bent u als een boom aan waterstromen, die zijn wortels tot aan een beek uitslaat, en het niet merkt, als er hitte komt, maar welks loof groen blijft, die in een jaar van droogte geen zorg heeft en niet nalaat vrucht te dragen Jeremia 17 vers 8 (Jer. 17:08).

Prijst de Heer dat we als ‘amandelbomen’ kunnen leven. Vroeg in bloei staan. Vroeg vrucht geven. De amandelen waren vroeger een waardevol handelsartikel, vermeldt de Bijbelse encyclopedie.

In welke tent bevindt u zich?

Het zijn zulke geweldige geestelijke werkelijkheden. Wij mogen toch ook uitdelers zijn van de menigerlei gena­de Gods? Bent u zo’n uitdeler? Of ligt u nog in uw tent te slapen, terwijl het manna reeds met de dauw ge­vallen is? In welke tent wij ons bevinden is erg belang­rijk. Zij, die zich nog in de ’tent van Mozes’ bevinden hebben een bedekking en zien het manna niet liggen. Ze leven onder de wet. Maar al­len, die zich in de ’tent van David’ bevinden, zullen vroeg opstaan en het manna gaan inzamelen.

In de tent van David wil zeggen: van Jezus zijn! Ver­lost zijn. Leven als een rechtvaardige en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods. Geen hoop van: het kan vriezen en dooien, neen, een vaste hoop. Als een anker dat vastligt in het hemelse heiligdom. Halleluja!

Zij, die zich waarachtig tot de Here bekeerd hebben, zul­len veranderen. Van heer­lijkheid tot heerlijkheid. Zij zullen altijd vroeg in de weer zijn met het hemelse manna, dat wil zeggen ze be­denken ten alle tijde de dingen die boven zijn, waar Christus is. Zij zien de heerlijkheid Gods, terwijl ze nog op deze vergankelijke aarde leven, die als een woestijn is. Zij zien de heerlijkheid des Heren in een wolk en zijn zelf die wolk binnengegaan. Zij heb­ben geen last van de hitte van de zon, want in die wolk heerst een aangename tempe­ratuur. Het is de schuilplaats van de Allerhoogste, de schaduw van de Almachti­ge.

In de stille schaduw van dit heiligdom bloeit de staf van Aaron. Hij had bloesem voortgebracht, bloemen ge­dragen en amandelen doen rijpen.

Wie daar veel verkeert zal inderdaad kunnen zeggen: “Gij zijt de Here, mijn God”.

Want zo’n kind van God is met hemelkoren verzadigd en rust uit in de wolk. “Dat vrede en aangename rust en milde zegen u verblijden moge”.

 

 

Vasthouden of loslaten door redactie

Wie vast blijft houden aan natuurlijke, aards gerichte leringen, geeft Gods Geest geen kans zijn baanbrekend, vernieuwend en herstellend werk te doen en blijft buiten de volle heerlijkheid en overwinning staan, die God be­doeld heeft voor al Zijn kinderen.

“Laat los en gij zult losgelaten worden” Lucas 6 vers 37 (Luc. 06:37) is een woord waaraan satan een hekel heeft, want hij geeft niet graag terrein prijs. Maar wie consequent zijn leven laat vernieuwen door Gods Woord en Geest laat alles los (ook verkeerde leringen), zodat een verdere doorwerking van Gods Geest niet wordt afgeremd of tegengehouden, maar ten volle zijn uitwerking heeft.

 

Gods hand door Judith Jacobs

Johannes 24 vers 6 (Joh. 24:06)

Misschien vindt u dat dit gedichtje sentimenteel aandoet. Dat is het gedeeltelijk ook, maar sentiment – mits goed en waardig tot uitdrukking gebracht – is geen zonde. Eigenlijk heb ik mijn levensverhaal als een getuigenis willen weergeven.

Als je uit een (pinkster)gezin komt, waarbij je moeder dan ook nog voorgangster is, kunt u zich voorstellen dat je al heel jong geestelijke facetten leert kennen: zondagschool, zangkoor, Bijbelstudie, enz. De Heer wordt als een “van­zelfsprekendheid” in je jonge leven gebracht: Bijbellezen aan tafel, avondgebed met elkaar, enz. Wellicht daardoor wilde ik mij op 12-jarige leeftijd laten dopen. Ik begreep wat de waterdoop inhield (gesprekken) en van één ding was ik mij bewust: ik had Jezus lief en wilde Hem volgen. Gro­te ziele-vreugde was in mijn hart toen ik uit het “watergraf” oprees.

Maar hoe wonderlijk zijn de wegen des Heren… En zijn liefde’

Toen ik 18 jaar was kwam er een grote verbittering in mijn hart: ik brak met de gemeente waarin ik kwam, met mijn fa­milie en… met God. Ik wilde “op eigen wieken” drijven en vertrok vanuit Indonesië naar Nederland. Tussen mijn bagage bevond zich de Bijbel die ik van mijn moeder had meege­kregen en waarin ze een opdracht had geschreven.

Het zou te ver voeren u van alle gebeurtenissen op de hoogte te brengen die me sindsdien zijn overkomen, maar één ding mag ik u niet onthouden: hoewel ik de Heer de rug had toegekeerd, heeft Hij zich nooit van mij afgewend. Zijn liefdevolle hand bleef in genade en erbarmen over mij uitgestrekt.

Omdat ik dat verdiende? Geenszins’. Omdat zijn trouw boven alles verheven is. 2 Timoteus 2 vers 18 (2 Tim. 02:18). Omdat Hij zich zijn eigendom niet laat ontroven (ik was immers Zijn kind? Johannes 10 vers 28b (Joh.10:28b). Daarnaast is er ook voor mij gebeden, onder andere door mijn moeder en “het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht aan verleend wordt” Jakobus 5 vers 16b (Jak. 05:16b).

Weliswaar ging ik mijn eigen weg en wilde ik mijn eigen leven leiden (hetgeen de Heer ogenschijnlijk ook heeft toegelaten), maar er kwam een moment waarin Gods hand mij persoonlijk greep; het leven kwam in mijn leven.

De Hand die mij greep werd in werking gesteld door handen die zich voor mij hadden gevouwen. Bent u biddende ouders? Ziet u nog geen resultaat? Laat u niet ontmoedigen. De Heer ziet en hoort; Hij gaat Zijn eigen weg met een ieder van ons. Uw en mijn taak is: “Bidt zonder ophouden” 1 Thessalonicenzen 5 vers 17 (1 Thess. 05:17) en “Volhardt in het gebed” Romeinen 12 vers 12 (Rom. 12:12).

 

Moeders geschenk (gedicht) door Judith Jacobs Spreuken 8 vers 35 (Spr. 08:35).

De Bijbel die ik van mijn moeder kreeg.

Was ’t mooist’ geschenk dat zij kon geven;

Het bleek een onontbeerlijk goed

Toen ik besloot te gaan, op “eigen wegen”.

 

Ze heeft gewis, vóórdat ze het mij gaf,

In de stilte tot haar Heer gebeden;

Gepleit op de beloften Gods,

Haar strijd voor mij op de knieën uitgestreden.

 

Want toen ik eenmaal op ’t kruispunt stond

Waar ‘k zelf moest kiezen: dood of leven….

Mocht ik ervaren dat Gods hand

Dóór tranen heen genade had geweven.

 

Nu druk ‘k het “Boek der boeken” aan mijn hart,

’t Geschenk dat zij me heeft gegeven;

’t Kostbaarst’ dat haar ziel mij gaf –

Op ’t pad dat leidt…. ten eeuw’gen Leven.

 

Bastaarden of zonen? Door redactie

“Allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods”, schrijft Paulus in Romeinen 8 vers 14 (Rom. 08:14).

De grote voorwaarde om als zoon van God geopenbaard te worden is dus vol te zijn van de Heilige Geest. Als Gods Geest het leven van een kind van God beheerst is er geen plaats voor ande­re ‘geesten’.

Een zoon van God is een echt kind van God, die een leven openbaar maakt in overeenstemming met de wil van God.

Een bastaard is een onecht kind, die zich misschien wel uitgeeft voor christen, maar het niet in praktijk brengt. “Niet een ieder, die tot Mij zegt; Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Va­ders, die in de hemelen is”, zegt Jezus in Matteüs 7 vers 21 (Matt. 07:21).

De Bijbel spreekt niet over het zuchten en wachten van de schepping op het open­baar worden van bastaar­den. .. Dat kan trouwens ook niet, want zij openbaren niet het leven van Christus maar een vleselijk, door satan geïnfiltreerd leven. Zonen Gods openbaren de volheid van Christus. Bent u een bastaard of een zoon van God?

 

Het geluk door redactie

Mensen die Jezus niet kennen, zijn niet werke­lijk gelukkig, ook al denken of menen zij ge­lukkig te zijn. Het wer­kelijke geluk is alleen te ervaren door te gelo­ven in Jezus. Wie in Hem gelooft heeft het leven. En dat is: nieuw leven, eeuwig leven, gelukkig leven!

 

Wat is het grote teken van de eindtijd?

Het antwoord op deze vraag van de voorpagina kunt u vinden in de Bijbelstudie van Nico Goverts over Openbaring, vanaf bladzijde 21.

 

“De tegenstelling” herdrukt

Zo juist verscheen de tweede druk van de brochure: De tegenstelling van het aardse- en het he­melse Jeruzalem” door broeder H. J. Scholten. Deze brochure verscheen voor het eerst nu bijna een jaar geleden en is ondertussen door velen ge­lezen en verspreid.

Broeder Scholten, die voorganger is van de Pink­stergemeente te Enkhuizen en mederedacteur van ons blad, nam als uitgangspunt voor deze brochure: Hebreeën 12 vers 22 (Heb. 12:22), waar staat: “Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de le­vende God, het hemelse  Jeruzalem op duidelijke wijze wordt door hem uiteengezet hoe wij als nieuwtestamentische gelovigen hierbij voor de volle 100% betrokken zijn en welk een geweldige realiteit dit betekent voor de beleving van ons geloof.

Vele gelovigen zitten echter nog vast in hun den­ken aan het oude verbond, met alle negatieve ge­volgen van dien. Satan heeft in dit opzicht velen misleid, maar wie dit boekje met een biddend hart leest, zal ongetwijfeld de ogen opengaan en een door Gods Geest bewerkte vernieuwing van denken ondergaan, om zo ten volle de geestelijke beteke­nis van het nieuwe Jeruzalem te gaan ontdekken en beleven.

Als u deze brochure – waarin ook. op verschillende aanverwante onderwerpen wordt ingegaan – nog niet kent, raden wij u ten sterkste aan deze te be­stellen. En ook geven wij het advies, zoals reeds verschillende lezers en lezeressen deden, deze brochure te verspreiden. Bij afname van 10 exem­plaren en meer geldt de kortingsprijs. Zie voor wijze van bestellen bladzijde 32.

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -4-

Het grote teken van Openbaring 12

“En er werd een groot teken in de hemel gezien”. Zo luiden de beginwoorden van Openbaring 12. Het is heerlijk te weten dat het hierop uitloopt: God stelt een teken. Willen wij de machtige en diepe betekenis van Openbaring 12 verstaan, dan is het noodzakelijk dat wij ons bezinnen op de vraag: Wat is een teken? En waarom wordt hier van een teken gesproken? Waarom staat er niet gewoon: En ik zag, en zie, er was een vrouw?

Een teken is allereerst iets wat de aandacht trekt. Dat is een bijzonder fundamentele zaak: waar moeten we onze ge­dachten bij bepalen? Er wordt veel verstrooiing geboden in deze tijd. Flensen zoeken overal afleiding. Gedachten dwalen zo gemakkelijk af. Daarom is her zo verblijdend dat God ons een houvast geeft voor ons denken. God geeft een koers aan, een richting. God zegt: Bepaal hier je aandacht bij. Hier moet je op letten.

Namelijk op dit teken. En wat is dat? Het is een vrouw. Een prachtig beeld van de gemeente. Immers, wanneer Paulus het heeft over het huwelijk, dan zegt hij: “Ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente” Efeze 5 vers 32  (Ef. 05:32). En tot de gemeente van Korinthe richt de apostel zich met deze woor­den: “Ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen” 1 Korinthe 11 vers 2 (1 Kor. 11:02). De gemeente is de vrouw van het lam.

God wil ons instellen op het wezenlijke

Waar moet dus onze aandacht op geconcentreerd zijn? Op de gemeente. Het is dan ook niet toevallig dat de vijand alles in het werk stelt om ons juist hiervan af te brengen. Hij vindt het best als we met van alles en nog wat bezig zijn, mits we ons maar niet richten op Gods gedachten over de ge­meente. Maar God wil dat we ons instellen op het wezenlij­ke. Het is een tijd om bijzaken te vergeten, om in te keren tot de eenvoud Gods.

God is een God van eenvoud. Martha maakte zich bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige waren nodig of slechts één. Vaak zijn wij in beslag genomen door tal van indruk­ken, activiteiten en problemen en juist hun veelheid kan ons verwarren. We zien door de bomen het bos niet meer. Daarom moeten wij leren ons los te maken van de dingen van de dag en in te gaan in de eenvoud van God.

In de beperking toont zich de meester. God is eenvoudig: Hij stelt één teken. Maar van dat ene teken wordt dan ook gezegd dat het groot is. “En er werd een groot teken in de hemel gezien”. Het is groot in zijn eenvoud, majestueus in zijn ongecompliceerdheid.

In de eindtijd brengt de Geest ons tot het wezen aller din­gen. Alle schijn valt weg. God brengt tot eenheid. Het zal worden één kudde en één Herder. Zalig is hij die de eenvoud Gods ontdekt. Zijn geest zwerft niet langer rond op aarde, zijn geest komt thuis bij God. Zijn hart is niet langer als Kaïns hart: “gij zult zwervende en dolende zijn op aarde”; zijn hart komt tot rust bij eenvoudige verlichte wateren.

Het tweede dat opvalt: het is een teken in de hemel. Dit teken zal zichtbaar zijn voor allen die in de hemel zijn, voor overheden en machten, voor engelen en krachten. Geen macht zal erom heen kunnen. Als God de Heer een teken stelt, dan kan niemand zich daaraan onttrekken. Niemand kan zeggen: Dat gaat mij niet aan; ik doe gewoon of er niets aan de hand is. Dit zal de meest unieke gebeurtenis zijn in de geschiedenis: heel de wereld zal het weten. Allen zullen het erkennen: dit is uit God.

Het andere teken in de hemel

Als we nu iets verder doorlezen in Openbaring 12, dan ver­nemen we in het derde vers: “En er werd een ander teken in de hemel gezien, en zie, een grote rossige draak”. Het gaat dus om twee tekenen in de hemel. Twee tegenpolen. Daartus­sen ontbrandt de strijd. Daarom zegt het zevende vers dan ook: “En er kwam oorlog in de hemel”. En dan blijkt dat de ganse hemel gemobiliseerd wordt: “Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak: ook de draak en zijn engelen voerden oorlog” Openbaring 12 vers 7 (Openb. 12:07). Alle legerscharen in de hemelse gewesten worden in staat van paraatheid ge­bracht. Maar hoe?

Hier komen we op een gezichtspunt dat ons geweldig kan hel­pen om een lijn te ontdekken in het hele eindtijdgebeuren. Op aarde zien we een wirwar van gebeurtenissen, maar in de hemel concentreren alle troepen zich rondom twee centrale punten, namelijk het teken uit vers 1 en het teken uit vers 3. In de hemel gaat het om twee legermachten. Het ene leger verzamelt zich rondom de vrouw, het andere verzamelt zich rondom de draak.

Betekenissen van het woord ’teken’

In dit verband is het interessant dat het Griekse woord voor ’teken’ ook kan aanduiden: herkenningsteken. Waar de engelen de vrouw van het Lam herkennen, daar komen zij in actie. De gemeente geeft de toon aan. Zij is het volk dat zijn stem doet horen in den hoge; het volk dat de naam van God bezingt. En dit bezingen van de Naam is als het ware de herkenningsmelodie in de hemelse gewesten. Waar de Naam wordt aangeheven als een zegezang, daar stellen de dienende geesten zich in slagorde op. Zoals Daniël 12 het zo tref­fend formuleert: “Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat” Daniel 12 vers 1 (Dan. 12:01). Michaël en zijn helpers doen niets buiten het volk Gods om; zij werken daar waar de zonen zijn. Daarom zijn, de engelen verheugd wanneer de zonen hun plaats innemen; dan weten zij: daar hebben we op gewacht, nu kunnen we uit de voeten.

Het woord ’teken’ kan ook de betekenisnuance in zich dragen van: vaandel, veldteken. Dat is typerend voor de eindtijd: de vaandels worden geheven. Zoals de psalmist reeds profe­tisch sprak: ‘Wij willen juichen over uw overwinning, en in de naam van onze God de vaandels opsteken” Psalm 20 vers 6 (Ps. 020:006). Zo is de gemeente het vaandel dat door de Here der heerscharen geheven wordt in de hemelen, ten teken dat de strijd gaat beginnen. Immers, dat beeld zien we ook in het oude Israël:

De Israëlieten zich zullen zich legeren ieder bij zijn ven­del onder de veldtekens van hun families” Numeri 2 vers 2 (Num. 02:02).

Dat is de vreugde van de eindtijd: God heft het vaandel. Het volk van God is nu gereed voor de strijd. Daar is heel wat aan vooraf gegaan. Tijd van voorbereiding, tijd van stilte, van verborgenheid. Met Christus verborgen in God. Maar verborgenheid is niet vergeefs; verborgenheid brengt vrucht voort. Verborgenheid wordt tot teken.

Daarop wordt gewacht. Daarop wacht God. En daarom zal de Here wachten, opdat Hij u genadig zij. God heeft geduld totdat het volk gereed is dat Hij kan presenteren in de he­mel. Dat is het meest glorieuze moment voor Hem die hemel en aarde gemaakt heeft, dat Hij tot overheden en machten kan zeggen: Zie hier mijn volk. Daar heeft de eeuwige God alles voor over. Daar heeft Hij zelfs eeuwen voor over. God forceert niets, God overhaast geen ding, want haast is geen geloof.

Gods plan gaat niet over een nacht ijs

Als dit teken komt, gaat het niet meer onder. Want wat God heeft voorbereid, is goed. Wanneer God tevoorschijn treedt, komt Hij niet met een volk dat half gereed is, of met een volk dat nog kan mislukken. Dan is God zeker van zijn zaak. Het plan Gods gaat niet over één nacht ijs. Daarom is God nu in deze tijd bezig om elke zwakke plek die nog in de ge­meente gevonden wordt, eruit te halen, opdat er een volk zal zijn, degelijk en solide, een volk dat in de hemel kan bestaan.

Alles wacht op het teken Gods: “een vrouw, met de zon be­kleed, met de maan onder haar voeten en een krans van twaalf sterren op haar hoofd” Openbaring 12 vers 13 (Openb. 12:13). Hier wordt niet zomaar gesproken over een vrouw zonder meer, neen, zij wordt hier beschreven met de karaktertrekken van de bruid uit het Hooglied. “Wie is zij, die opgaat als de dageraad, schoon als de blinkende maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als krijgsscharen?” Hooglied 6 vers 10 (Hoogl. 06:10). Is het toevallig dat zij nu ook in het laatste Bijbelboek op deze wijze getekend wordt?

Waarom nu juist dit teken? Zon, maan en sterren, alle lichtbronnen, behoren toe aan deze vrouw. Zo kan zij elke vorm van duisternis overwinnen. Alle licht gaat uit van de gemeente. Nu weten wij dat de zon beeld is van God: de Here God is een zon en schild. Hier mogen we niet overheen le­zen: deze vrouw is bekleed met de zon, dus zij is bekleed met God. Dit is nu bedoeling des Heren. Dit en niets anders is het teken in de hemel. Dit is het enige teken dat ooit in de hemelen zal kunnen standhouden: het volk dat bekleed is met het wezen van God. Een ander teken van God is er niet.

We leven in een periode van geboorte weeën

Nu wordt van deze vrouw nog iets vermeld: “en zij was zwan­ger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren” Openbaring 12 vers 2 (Openb. 12:02). Daarmee is opnieuw een uiterst rake en diepgaande typering gegeven van het huidige tijdsgewricht. We leven vandaag de dag in een periode van geboorteweeën. Dit gaat lijnrecht in tegen alle pessimisme en doemdenken van de moderne mens en ook vaak van de vrome mens. De ge­meente mag weten: haar pijn en moeite zijn niet tevergeefs. Want Johannes vervolgt: “En zij baarde een zoon, een manne­lijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf” Openbaring 12 vers 5 (Openb. 12:05). Zoals Jeremia reeds profeteerde: “Zo zegt de Here: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid” Jeremia 31 vers 16 (Jer. 31:16) .

Een nieuwe tijd wordt geboren. Zonen worden geboren. Naar het gebeurt niet zomaar, onberekenbaar; het gebeurt door middel van de vrouw, de gemeente. Er is loon voor haar ar­beid .

Alleen via deze weg van barensweeën zullen de zonen voort­gebracht worden. Daarom is het noodzakelijk dat het volk des Heren in deze tijd de strijd leert. En dat is niet al­leen de strijd om persoonlijk het hoofd boven water te hou­den. Onze persoonlijke overwinningen zijn in feite nog slechts’ de eerste oefeningen. Op die wijze maakt God ons klaar voor de worsteling van Openbaring 12.

Er is momenteel een heel subtiele verzoeking voor vele kin­deren Gods. We lopen gevaar te denken dat ons persoonlijk geluk het einddoel is. Als we in ons eigen leven de vijan­den verdreven hebben en de zaken op orde gebracht zijn, dan menen we al gauw dat we zo ongeveer klaar zijn. We behoeven dan alleen nog maar te zorgen dat onze dagen verder in rust en vrede verlopen en ons lijflied kan dan worden: Hoe ge­noeglijk rolt het leven van een tevreden Godskind voort. We beperken ons tot wat kleine schermutselingen om de boze buiten de deur van ons bestaan te houden, maar aan de eigenlijke strijd komen we niet toe. We worden in de gees­telijke wereld gezapige vriendelijke burgers, die geen vlieg kwaad doen. Het is goed dat we ons heel diep bewust zijn dat, door onze persoonlijke strijd heen, God bezig is ons toe te bereiden voor iets wat verder reikt. Het gaat erom, de Here een wel toegerust volk te bereiden.

Dat kan maar één volk zijn. Het is het volk dat volledig is ingegaan in de eenheid met God. Het volk dat de gedachten Gods niet alleen in het hoofd heeft, maar ook in het hart. Het zal zijn een volk dat geheel en al strijdt vanuit God. Dit volk ontvangt zijn instructies vanuit God, het ontvangt zijn macht vanuit God, het ontvangt zijn denken vanuit God. Daarom wordt het dan ook genoemd: het volk dat Ik Mij geformeerd heb. Dat wil zeggen: hun hele denken, hun diep­ste wezen is door Hem gevormd.

Het teken van de regenboog

Telkens in de geschiedenis zien we dat God mensen deze ene les leert: let op het teken dat Ik geef. Niet op iets an­ders, maar enkel en alleen op mijn teken. Zo sprak God tot Noach: “Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tus­sen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde” Genesis 9 vers 12 en 13 (Gen. 09:12-13). Wat moest Noach doen? De wolken konden samenpakken, een stortregen kon losbreken, maar Noach moest aandacht hebben voor slechts één ding: het teken Gods. En als hij de boog zag in de wolken, de boog Gods, dan wist hij: golven kunnen slaan en stormen kunnen woeden, maar de schepping gaat niet onder.

Dat was het geloof van Noach. Noach geloofde niet in onder­gang, Noach geloofde in het teken Gods, in de boog Gods die de schepping omspant. En wat lezen we nu in Openbaring 4 vers 3 (Openb. 04:03), wan­neer Johannes de troon des Heren aanschouwt? “En een regenboog was rondom de troon, van aanzien de smaragd gelijk”. Zo blijft het van kracht tot in het laatste Bijbelboek, tot in de laatste tijd. De gemeente van de eindtijd zal moeten zijn net als Noach; zij zal moeten geloven in de regenboog, in de boog Gods. Die boog omspant de troon. Heel het rege­ren van God staat in het teken van de regenboog. Bij God is er geen troon zonder boog. Bij Hem heerst geen willekeur. Koningschap is bij God altijd omsloten door trouw, altijd geankerd, gevat in de smaragdgroene tint van trouw aan zijn schepping.

Dok Ezechiël zag het, toen hij geroepen werd: “Zoals de aanblik is van de boog, die in de regentijd in de wolken verschijnt, zo was de aanblik van die omhullende glans. Al­dus was het voorkomen der verschijning van de heerlijkheid des Heren” Ezechiël 1 vers 28 (Ez. 01:28). Dit is toch wel veelzeggend, dat deze profeet de troon van God ziet, maar niet zonder boog in de wolken. Uitgerekend in die donkere dagen van balling­schap en neergang, van verlaten land en treurzang, is daar de regenboog.

Zo was en is het voorkomen, de aanblik van de Koning. In Openbaring 10 keert dit motief nog eenmaal terug: “En ik zag een andere sterke engel nederdalen uit de hemel, be­kleed met een wolk, en de regenboog was op zijn hoofd en zijn gelaat was als de zon”  Openbaring 10 vers 1 (Openb. 10:01).

Zo is en zal zijn de verschijning, de gestalte van de Here en van zijn boden. Zo stelt God een teken. Teken van zijn wezen, van zijn karakter. Dat is de belofte voor de laatste dagen. Zoals de boog verschijnt in de wolken, zo zal de trouw van God gezien worden in zijn zonen. Het zal zijn als in de dagen van Noach.

Wij moeten leren ons profetisch op te stellen

Soms gaat het volk des Heren door een nacht heen waarin niets gezien wordt. Door de nacht van smart en zorgen, : schrijdt de stoet der pelgrims voort. Daar heeft Asaf over gesproken, toen hij zei: “Uw tegenstanders brulden in uw vergaderplaats en hebben er hun tekenen als tekenen opge­steld” Psalm 74 vers 4 (Ps. 074:004). En dan moet hij het uitroepen: “Onze tekenen zien wij niet, geen profeet is er meer, niemand on­der ons, die weet tot hoelang” Psalm 74 vers 9 (Ps. 074:009). Er is geen teken te zien.

Juist in zulke dagen komt het erop aan dat we leren ons. profetisch op te stellen. Immers, juist wanneer de machten zich opmaken, stelt God zijn teken. In die donkere nacht, toen de machten van de dood door Egypte trokken, toen was daar het teken van het bloed. En het is bepaald niet toe­vallig dat nu uitgerekend in Openbaring 12 het bloed weer naar voren komt: “Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam” Openbaring 12 vers 11 (Openb. 12:11). Daar ligt een diepe eenheid in dit twaalfde hoofdstuk van dit laatste Bijbelboek. Omdat het bloed kracht, ongekende, unieke kracht heeft in de geeste­lijke wereld, daarom en daarom alleen zal dat teken van God tot stand komen. Daarom kan het niet missen. Daarom is het onmogelijk, absoluut onmogelijk dat dit teken er niet komt. Want het kan eenvoudig niet anders: het bloed van Jezus zal uitwerking hebben, het bloed zal kracht uitoefenen tot aan het einde toe. Het bloed is toch niet vergeefs vergoten?

De kracht van het bloed bewerkt een smetteloos volk

Om deze reden is Openbaring 12 wel heel in het bijzonder een kostbaar hoofdstuk, want het toont ons de uiteindelijke doorwerking van het bloed. Speciaal in de slotfasen van het plan Gods zullen we meemaken dat het bloed zijn volledige, intense overwinningsmacht ten toon zal spreiden. De geschiedenis zal eindigen, niet met een aftocht, maar met een uittocht, dank zij de kracht van het bloed. En dan niet meer een uittocht van een vermengd volk, zoals eenmaal in de dagen van Mozes, maar nog veel grootser en veel heerlijker: een uittocht van zonen. Reine zonen, mensen Gods, stralende en puur.

Die uittocht zal er komen, omdat het bloed niet in waarde vermindert. Bij God gaan de dingen niet langzaam maar zeker achteruit. Het koninkrijk Gods kent geen aftakeling. God kent geen inflatie. Het bloed is als het ware geladen met energie, boordevol werking, en het wacht op het moment dat het zich totaal, ongeremd, onbeperkt, in al zijn kracht kan gaan manifesteren. Het bloed komt pas tot zijn doel wanneer het de kans krijgt om een volk geheel en al, door en door, van top tot teen te reinigen en te zuiveren. In de eindfase zal het bloed laten zien wat het kan. En wat zal het resul­taat zijn? De uittocht van een smetteloos volk.

Het is merkwaardig dat de profeet Jesaja ook meermalen be­zig geweest is met het teken van de eindtijd. We lezen in hoofdstuk 7: “En de Here ging voort tot Achaz te spreken: Vraag voor u een teken van de Here, uw God, diep in het dodenrijk of boven in den hoge” Jesaja 7 vers 10-11 (Jes. 07:10-11). Uit het tekst­verband blijkt dat Jeruzalem op dat moment benauwd wordt door een dubbele vijandelijke legermacht. En dan, in die noodtoestand, mag Achaz een teken vragen. Daarmee geeft Achaz precies aan waar het in de eindgeschiedenis om draait. Juist wanneer de machten samenspannen, is het tijd voor het teken van God. Maar helaas, Achaz is niet paraat in de geest, hij wil geen teken vragen. Zijn motto is: ik zal de Here niet verzoeken. Valse bescheidenheid. Maar dan komt daar dat geweldige woord van God: “Daarom zal de Here zelf u een teken geven”(vers 14]. Dat is profetisch, deze belofte klinkt door tot in het laatste Bijbelboek, tot in het laatst der dagen. Zo is onze God: temidden van het tu­mult der machten zet Hij zijn plannen door.

En wat is dat teken dan? “Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven”(vers 14]. Een profetie die niet alleen vervuld wordt in Jezus, maar ook in degenen die met Hem verbonden zijn. De parallel is opvallend. Jesaja 7 spreekt van de jonk­vrouw die een zoon zal baren. Openbaring 12 zegt: “En zij baarde een zoon, een mannelijk wezen”. Het woord ‘jonk­vrouw’ betekent eigenlijk: zij die rijp geworden is. Zo zal de gerijpte gemeente zonen vóórtbrengen. Zonen die de naam dragen: Immanuel, want zij weten en ervaren: met ons is God. En zo zijn zij het teken van de eindtijd.

Gods heerschappij in zijn volk is het ware teken

De Farizeeën en de Sadduceeën kwamen tot Jezus en vroegen dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen, op dat punt was er geen verschil tussen deze beide groeperingen. Maar het ware volk des Heren zoekt niet een teken te ontvangen; het zoekt een teken te zijn.

Jezus zat niet op een teken uit de hemel te wachten; Hij was het teken uit de hemel. Zo is het altijd met zonen; hun doel is niet een teken te zien, hun doel is een teken te zijn.

Wanneer de discipelen komen met de vraag: “Zeg ons, wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?” Matteüs 24 vers 3 (Matt. 24:03), dan luidt het antwoord van Jezus: “En dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14). Wat is het teken van het einde, ofwel van het eind­doel? Dat is de voortgang van het evangelie. Maar niet in de zin van: als alle volken nu maar het evangelie gehoord hebben, dan kan het einde komen, dan staat niets het einde van de wereld meer in de weg. Neen, het gaat om iets heel anders. De boodschap van het koninkrijk, van de heerschap­pij Gods, zal moeten worden tot een getuigenis. Dat wil zeggen: de heerschappij van God zal gezien moeten worden. Waar? In de gemeente. Dan is en wordt het einddoel bereikt, namelijk als de gemeente geworden is een getuigenis voor alle volken. In haar zullen alle volken zien het koning­schap van onze God. De Koning geeft een getuigenis aan de natiën: en dat getuigenis is het volk Immanuel.

De finale: Het teken van de volmaakte mens

En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel. Zo kondigt Jezus het aan in het dertigste vers van het hetzelfde hoofdstuk. Dat is de finale, het hoogte­punt van de historie. Daar loopt alles op uit: op het teken van de volmaakte Mens, de hemelse mens, de mens die in de hemel heerst. Onmiddellijk eraan vooraf wordt dan ook ver­meld: “En de machten der hemelen zullen wankelen”. De mach­ten storten in, om plaats te maken voor de mens Gods.

Jesaja spreekt over dit teken in zijn laatste profetie. “De tijd komt om alle volken en talen te vergaderen; zij zullen komen en mijn heerlijkheid zien. Ik zal onder hen een teken doen” Jesaja 66 vers 18 en 19 (Jes. 66:18-19). En wat is dat teken? “Ik zal uit hen de ontkomenen zenden naar de volken – naar Tarsis, Pul en Lud, die de boog spannen, naar Tubal en Jawan, de verre kustlanden, die de tijding aangaande Mij niet hebben ge­hoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien – opdat zij mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen”.

Het begin van vers 19 kan men ook vertalen: Ik stel door hen een teken. Hoe geeft God een teken? Door hen; door men­sen, door hen die ontkomen. Zij die ontkomen zijn aan balling­schap en bedreiging, zij worden gezonden door God, gezonden om te zijn een teken voor de volken.

Zo zal de zon opgaan over de natiën en de einden der aarde zullen de heerlijkheid zien van de Allerhoogste.

“Voor een doornstruik zal een cipres opschieten, voor een distel zal een mirt, opschieten, en het zal de Here zijn tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden” Jesaja 55 vers 13 (Jes. 55:13). Daar werkt God aan: aan een teken dat eeuwig zal zijn. Dit volk zal staan als een naam voor Hem. Zo zal de naam des Heren geschreven staan in de hemelen, opdat de machten zullen weten: zo is God. Dan zullen mach­ten in de hemel en volkeren op aarde de Naam des Heren le­zen. En zij zullen weten: zo is zijn naam, zo is zijn we­zen, dit is zijn teken, deze God is enkel licht.

(slot volgt).

 

Gedachten door redactie

Gedachten nemen in het leven ven ieder mens een belang­rijke plaats in. We staan er vrijwel nooit bij stil, maar onze denken beïnvloedt ons leven. Vanuit onze gedach­tewereld worden de grote en kleine beslissingen genomen of wij wel of niet iets ten uitvoer zullen brengen. Onze gedachten bepalen hoe wij in de maatschappij functione­ren.

Als Paulus in 2 Korinthiërs 5:17 (2 Kor. 05:17) zegt dat wie in Chris­tus is, een nieuwe schepping is, betekent dit, dat ook onze gedachtewereld ver­nieuwd is. Daarom zal een kind van God een totaal an­der leven – het nieuwe leven van Christus – openbaar ma­ken, dan iemand die Jezus nog niet kent.

Wel is het belangrijk dat onze gedachtewereld continu verbonden is met de levende God, want de duivel zal er uiteraard alles aan doen om deze verbinding te versto­ren.

Onze gedachtewereld behoort gevoed te worden vanuit Gods Koninkrijk, waarvan wij door het geloof in Christus, deel uitmaken. Deze ‘voeding’ ge­beurt onder de leiding van de Heilige Geest, die ons Gods Woord en Gods stem doet verstaan. Paulus zegt: “Die zich aan de Here hecht, is één geest met Hem” 1 Korinthe 6 vers 16 (1 Kor. 06:16). Laten wij er alles aan doen om die eenheid zo sterk mogelijk te maken, zodat on­ze gedachtewereld steeds afgestemd is op de levende God met positieve gevolgen.

1981.0-08 nr. 217

  1. 07-08 nr. 217

Evangelisch of vol-evangelisch

Een overbodige vraag? Door Gert Jan Doornink

Evangelisch of vol-evangelisch? Een vraag die nog al wat christenen overbodig vinden. Het evangelie is immers “vol”, zegt men dan, dus is het overbodig deze uitdrukking te gebruiken.

Maar in de praktijk blijkt dat velen die zich liever ‘evangelisch’ noemen dan ‘volevangelisch’ het werkelijke evangelie, zoals dat in de Bijbel tot ons komt, niet accepteren.

Dit werkelijke evangelie, zoals Jezus dat bracht en vanaf de Pinksterdag ook de apostelen, is de boodschap die geheel in overeenstemming is met de wil van God. Het is de blijde boodschap die de mens verlost uit de macht van satan en zijn oorspronkelijke plaats in het plan van God met Zijn schepping teruggeeft. Het is de boodschap die rechtstreeks voortkomt uit het wezen van God en die door Jezus geopenbaard werd. Hebreeën 1 vers 2 en 3 (Heb. 01:02-03) zegt dat God Hem gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen en dat Hij de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Gods wezen is.

Deze boodschap wordt in onze dagen weer ontdekt door vele kinderen Gods, die daarmee weer komen te staan op ‘hemelse bodem’. Het is geen vrij­blijvende boodschap, geen theorie of leerstel­ling, maar een levende realiteit met geweldige perspectieven.

De opgaande lijn

Over de perspectieven die deze boodschap mee­brengt, sprak Jezus zelf reeds toen Hij op aarde was. Van zichzelf zei Hij: Ik ben de Waarheid”, maar van de Heilige Geest, die na Hem zou komen, zei Hij: “Wanneer Hij komt, de Geest der waar­heid, zal Hij u de weg wijzen naar de volle waarheid. Zo was het ook met de tekenen en won­deren die Hij deed. Ze waren niet alleen een kenmerk van Zijn bediening, want Hij sprak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze” Johannes 14 vers 12 (Joh. 14:12). Zo zal ook de heerlijkheid van God die in de eerste christengemeenten zo wonderbaar tot openbaring kwam, zelfs overtroffen worden door de heerlijkheid Gods in de laatste gemeente.

De groei naar de volheid, en uiteindelijk de openbaring daarvan, zal het grote kenmerk van de echte christenen zijn, die in de eindtijd leven. Zo heeft God het ook bedoeld, want de waarachti­ge christen weet dat Jezus niet alleen de zonden vergeeft, maar ook verlost en bevrijd van alle zonden en gebondenheden; dat Jezus niet alleen de Doper is met de Heilige Geest, maar ook de Voleinder des geloofs. Daarom is de boodschap van het volle evangelie niet alleen een bood­schap die zich bezig houdt met het fundament, maar ook met de groei naar het einddoel: de volmaaktheid in Christus.

Het gaat om het volle evangelie

Het is voor iedere christen, die door de Heilige Geest de ogen daarvoor geopend zijn, een volko­men duidelijke zaak hoe belangrijk de verkondi­ging en beleving van dit volle evangelie is! Hij zou zich ook buiten de wil van God plaatsen als hij dit niet zo zou accepteren. Jezus sprak reeds: “En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een ge­tuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

Dat niet ieder kind van God dit zo ziet, is helaas een droevig feit. Het heeft de openbaring van de kracht en de heerlijkheid Gods in en door de Gemeente van Christus verzwakt en ondermijnd. Maar de kinderen Gods die het wel zo zien, heb­ben daarom des te meer de taak het volle evange­lie door woord en daad uit te dragen. En God is nog altijd bij machte oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen! Bovendien heeft één christen die consequent het volle evangelie be­leeft, meer ‘geestelijke waarde’ dan duizenden andere christenen.

Een belangrijke taak voor iedere volle-evangelie- christen is daarom ook dit evangelie aan mede­christenen bekend te maken! Sommigen menen dat zending en evangelisatie alleen bedoeld is voor onbekeerden. Maar in de zendingsopdracht van Je­zus wordt niet alleen gesproken over het ‘predi­ken van het evangelie’ maar ook over het ‘maken tot discipelen’. En in Handelingen lezen wij niet alleen over de uitbreiding van de gemeente, maar ook over de verkondiging van de volle raad Gods .

In de voetstappen van Jezus

Een discipel van Jezus behoort in elk opzicht in de voetstappen van Jezus te gaan. Daarom is ieder verzet tegen het volle evangelie ook onge­hoorzaamheid aan de opdracht van God. En ook is het duidelijk dat daarin altijd satan de hand heeft, want die haat ten alle tijde alles wat met het echte evangelie te maken heeft.

Christenen die het volle evangelie afwijzen, zouden zich eens moeten afvragen in welk vaarwa­ter ze zich bevinden. En volle evangelie chris­tenen die samenwerken met christenen die tegen het volle evangelie zijn, zouden zichzelf de vraag eens moeten voorleggen of ze hiermee wel op de goede weg zijn. Er is helaas ook bij som­migen in de Pinksterbeweging een tendens om wa­ter in de wijn (van de boodschap) te doen. Men ziet op fouten en tekortkomingen van sommige volle evangelie christenen, men schroomt niet om doordat men zelf gebondenheden en verkeerde le­ringen niet wil afleggen, de boodschap verdacht te maken. Men heeft niet in de gaten dat men met het badwater ook het kind weggooit.

Gelukkig zijn er ook velen die de ogen opengaan en de geweldige realiteit en heerlijkheid van de volle boodschap meer en meer gaan ontdekken. Het zijn de zonen Gods, waarin het beeld van Jezus ten volle gestalte gaat aannemen. Voor hen is de vraag: ‘evangelisch of vol-evangelisch’ geen punt van discussie of twijfel meer, want zij we­ten dat er maar één evangelie is waard oor God Zijn doel met de mens bereiken kan. Dat is de aanvaarding en beleving van het volle evangelie!

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Wij attenderen onze lezers en lezeressen er nog­maals op dat, in verband met de vakanties, dit een gecombineerd nummer is van de maanden juli en augustus. Het eerstvolgende nummer verschijnt dus in september.

Zolang de voorraad strekt zijn van dit nummer nog extra exemplaren verkrijgbaar. (Bij afname van 10 exemplaren en meer is de prijs 75 ct. per nummer + portokosten). Ook van het vorige (juni)nummer zijn nog een beperkt aantal exemplaren verkrijg­baar. De vakantietijd is vaak een unieke periode om kontakten te leggen. Ook in het buitenland ontmoet men vaak Nederlanders. Zorg daarom dat u “Levend Geloof” bij u hebt. Maar ook als u niet weggaat of reeds terug bent van vakantie zijn er vele mogelijkheden die we kunnen benutten om de volle boodschap te verspreiden. Enkele recente voorbeelden uit de lezerskring:

– Een broeder bestelde een aantal van onze bro­chures en bladen om ze te gebruiken voor de boekenkraam, die men gehuurd had om op een markt te staan.

– Een andere broeder bestelde gedurende 3 maanden 50 exemplaren van “Levend Geloof”, om deze ge­lijktijdig met het evangelisatieblad “Heilsfontein” in zijn omgeving te verspreiden.

– Een voorganger van een gemeente bestelde 50 exemplaren van onze brochure: “Hoe beleven wij ons geloof?” om deze uit te reiken aan mensen, waarmee men tijdens openlucht-evangelisatiewerk in gesprek komt.

U kunt ons ook proefadressen opgeven waar wij dan “Levend Geloof” gedurende enige tijd gratis naar toezenden. Belangrijk daarbij is dat men na enige tijd zelf eens informeert hoe men het blad vindt en of men het verder wil blijven ontvangen. Ge­richt werken is altijd beter dan ‘in het wilde weg’. Dat geldt zeker ook voor de kostbare bood­schap van het volle evangelie die ons zo lief is. Laten we actief zijn om aan deze boodschap zoveel mogelijk bekendheid te geven!     

 

Het Koninkrijk van de kleine kudde door H. J. Scholten

In Lucas 12 vers 32 (Luc. 12:32) zegt Jezus: “Wees niet bevreesd, gij klein kuddeke! Want het heeft uw Vader behaagd u het Ko­ninkrijk te geven!” Wie vormen dit kleine kuddeke en wie ontvangen het Koninkrijk? En wat is dit voor een Konink­rijk? Vragen die op duidelijke wijze worden beantwoord in deze brochure welke u bij ons bestellen kunt.

(ƒ 2,50 per exemplaar. Bij afname van 10 exemplaren en meer: ƒ 1,75. (+ portokosten).

 

God herstelt wat satan verwoest door H. J. Scholten

 

“Want de Here herstelt de heerlijkheid van Jacob, gelijk de heerlijkheid van Israël; want plunderaars hebben hen geplunderd en hun ranken vernield” Nahum 2 vers 2 (Nah. 02:02).

In het vorige nummer van dit blad hebben we een gedeelte behandeld uit de profeet Sefanja; nu willen we een ge­deelte nemen uit de profeet Nahum. Allereerst maar weer de betekenis van zijn naam: de troostrijke of de vertroostende.

Dat zou men zo niet zeggen als we lezen waar hij alle­maal over profeteert. Het is alles nogal somber en drei­gend, maar steeds, er tus­sendoor, klinken de blijde beloften: “De Here is goed, een sterkte ten dage der be­nauwdheid; Hij kent hen die bij Hem schuilen” Nahum 1 vers 7 (Nah. 01:07). Dreiging en troost wisselen elkaar regelmatig af. Toch eindigt de profetie van Na­hum met ‘handengeklap’ omdat de vijanden voorgoed vernie­tigd zijn.

Een gewaarschuwd man

Uit deze profetieën zien wij dat God er niet om heen draait. Hij vertelt ons wat er allemaal gebeuren gaat. God verbergt, de verschrikke­lijke dingen niet voor ons, niet om ons bang te maken, maar een gewaarschuwd man telt voor twee.

Er komt een geweldige ver­nietiging over alle godde­loosheid. In één keer zal er voorgoed mee afgerekend wor­den. “Geen tweemaal verheft zich de benauwdheid” Nahum 1 vers 9 (Nah. 01:09). Boven hoofdstuk 2 staat: Ninevé veroverd en verwoest.

Maar wat heeft dat nu alle­maal te maken met de heerlijkheid van Jacob? En met de heerlijkheid van Israël? We dienen even een blik te slaan in de geschiedenis van de Assyriërs en de Babyloniërs. Ninevé was de hoofdstad van Assyrië, de vijand van het volk Israël. Altijd weer was daar de dreiging van de Assyriërs, maar terecht had Israël de aanvallen van dit volk moeten ondergaan. Was het volk van God niet dik­wijls afgodisch? Soms moest God Zijn beschermende hand terugtrekken, soms moest Hij prijsgeven. En dan kwam de verdrukking van de Assyriër.

Gods ontferming en liefde

Maar ook bleek iedere keer Gods ontferming en liefde voor Zijn volk. Het volk kon dan klagen: “Ach, waarom trekt G’ uw hand dus van ons af, uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken? Ach, wil haar eens uit Uwen boezem trekken, en maak een eind aan Uw gestrenge straf”. En dat deed God dan. Hij trok Zijn liefdevolle hand uit Zijn boezem en trok uit tot redding en verlos­sing van Zijn volk.

God is nog steeds niet ver­anderd en zal ook nooit ver­anderen. In Hem bezitten wij een eeuwige vastheid. Hij is geen wrekende God voor men­sen, maar een liefdevolle Vader. Hij gaat Zijn kinde­ren bevrijden uit de hand van al hun vijanden. Hij vervolgt de vijand, gaat hem helemaal achterna, de duis­ternis in Nahum 1 vers 9 (Nah. 01:09).

Het is nu afgelopen met het rijk der duisternis. In Nahum 2 vers 7 (Nah. 02:07) staat: “En het is beslist: zij wor­den ontbloot, weggevoerd en haar slavinnen klagen als met duivenstem, terwijl zij zich slaan op de borst”.

In de dagen van de profeet Nahum was Babel aan Assyrië onderdanig. Maar nu zijn de dagen van Assyrië geteld. De Chaldeeën trekken op tegen de stad Ninevé. Zo zal ook het beeld van de eindtijd zijn. Het rijk van satan raakt volkomen tegen zich­zelf verdeeld en zal vallen in eigen zwaard. De vijanden gaan elkaar vernietigen, de vijanden van Gods volk.

Het woord van Jezus uit Matteüs 12 vers 25 en 26 (Matt. 12:25-26) gaat werkelijkheid worden: “Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder, en geen stad of huis, tegen zichzelf ver­deeld, zal standhouden”. Ook de woorden van Jezus uit Markus 3 vers 26 (Mark. 03:26) worden wer­kelijkheid: “En indien de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet bestaan, doch is hij aan zijn einde”. De duivel, die voor zoveel verwarring heeft gezorgd, komt nu zelf in verwarring.

De uitkomst is heerlijk: . Gods volk komt met grote heerlijkheid tevoorschijn. De plunderaars van het volk des Heren worden nu zelf ge­plunderd. De verstrooier, Babel, rukt op tegen Ninevé. Laat ze maar geworden, deze Chaldeeën, die toch genoemd worden ‘de helden des He­ren’. God regeert’ Hij be­stuurt alle dingen en heeft de touwtjes vast in handen. Zijn plannen kunnen door niets en niemand tegenge­houden worden.

De profeet Jesaja had een­maal een Godsspraak over dit Babel. Hij noemt Babel een werktuig van Gods gramschap. In Jesaja 13 vers 3 (Jes. 13:03) staat: “Ik zelf heb Mijn geheiligden een opdracht gegeven, ook heb Ik mijn helden tot voltrekking van Mijn toorn geroepen”. Met ‘geheiligden’ wordt dan bedoeld: Ik, de Here, heb ze er ‘apart’ voor bestemd.

Gods herstelplan wordt volvoerd

De ene keer vernietigt Ba­bel, samen met de Meden, de Assyrische hoofdstad Nine­vé, de andere keer vernieti­gen de Meden en Perzen op hun beurt weer het Babyloni­sche wereldrijk.

En dwars door dit alles heen volvoert God Zijn eeuwig plan. Het plan van redding en verlossing en van volko­men herstel. God is goed!

“De Here herstelt de heer­lijkheid van Jacob, gelijk de heerlijkheid van Israël”. Het hele volk Gods wordt volkomen één in de Naam des Heren. Jacob vertegenwoor­digt hier het. tweestammen­rijk en Israël het tienstam­menrijk. Maar alle verdeeld­heid onder Gods volk zal eenmaal verdwenen zijn. Daarom schrijft de apostel Jacobus: “Zuivert uw harten, gij, die innerlijk verdeeld zijt” Jakobus 4 vers 8 (Jak. 04:08).

Innerlijke verdeeldheid brengt ook uiterlijke ver­deeldheid teweeg. De apostel Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “. . . . opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen”

1 Korinthe 12 vers 25 (1 Kor. 12:25) .

Als Gods herstelt, brengt dit ook de verdeeldheid ten einde. De gemeente van Jezus Christus moet één zijn, zo­als Jezus en Zijn Vader één zijn. De voltooiing hiervan zal geschieden als de plun­deraars (de machten der duisternis) volkomen vernie­tigd zijn. Dan komt de heer­lijkheid tevoorschijn van Gods volk. Alleen als het rijk der duisternis ontmas­kerd en krachteloos gemaakt zal zijn, wordt het Koninkrijk Gods in volle glorie openbaar.

Daarom zei Jezus: “Maar indien Ik door de vinger Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen” Lucas 11 vers 20 (Luc. 11:20). Toch wel woorden om goed over na te denken en daaruit een conclusie te trekken. Geen woorden die je geruis­loos mag verdoezelen.

God wil een volk van overwinnaars

We zien dus, dat met het uitwerpen van boze geesten het Godsrijk meer en meer op de voorgrond zal treden. God wil een handelend volk. Een strijdend volk. God wil sterke, goed bewapende kin­deren Gods die de hof (de gemeente) bewaken. Dan is ons bezit veilig. Lucas 11 vers 20 tot en met 22 (Luc. 11:20-22). God staat op ten strijde, maar ook zijn kin­deren staan op ten strijde. Ze doen toch precies wat. Va­der doet? Hij heeft het toch voorgedaan?

Ninevé, Babel, ja, alle vij­anden moeten vernietigd wor­den. In Nahum 2 vers 8 (Nah. 02:08) staat: “En Ninevé was als een vijver vol wateren, zolang het be­staat; nu lopen deze weg”. Goddeloze wateren, valse le­ringen. Zoals ook de valse kerk vol zit met allerlei leugenachtige leringen. Ze worden zo schoon en liefe­lijk aangediend en tóch doorweven van de leugen. De hoer, het grote Babylon, zit ook aan vele wateren. Samen een grote vijver. En een vijver heeft stilstaand wa­ter en dat betekent stank en verrotting. Het zijn de moe­rassen en poelen, waar de profeet Ezechiël over spreekt: “Zij zijn aan het zout prijsgegeven; ze zullen niet gezond worden”. Alleen waar de beek van God stroomt, altijd in beweging, daar schiet het vruchtgeboomte op. Haar loof verwelkt niet en de vrucht raakt niet op. Ezechiël 47 vers 12 (Ez. 47:12).

Babylon is de bloedstad, zo­als ook eenmaal Ninevé de bloedstad genoemd werd. Lou­ter leugen, vol van ver­scheuring, zonder ophouden rovend! Nahum 3 vers 1 (Nah. 03:01). Gods volk moet goed uitkijken! De Heer waarschuwt. Pas op voor het schoon lijkende Babylon met al haar goud en purper. Je zou menen: dat is de ware kerk. Pas op voor Ninevé met z’n prachtige paleis. Koning Sanherib had het paleis in Ninevé op groteske wijze verfraaid. Het was zijn trots. Maar het werk van mensenhanden gaat altijd te­niet, alleen Gods werk blijft tot in alle eeuwig­heid.

Het geestelijke Israël is Gods werk en daarom zal het in grote heerlijkheid tevoorschijn treden. De zonen Gods worden geopenbaard! Dan kunnen en zullen zij ook zeggen: “Waar is nu het le­ger der leeuwen (de machten der duisternis), de plaats waar de jonge leeuwen gevoed werden, waar de leeuw rond­liep (zoekende wie hij zou kunnen verslinden) en de leeuwin, de leeuwenwelp, door niemand opgeschrikt” Nahum 2 vers 11 (Nah. 02:11).

Is dat niet de gedachte van het trotse Babylon? Wie zal mij verschrikken? Ik ben toch de ware kerk? Babylon heeft echter een verwerpe­lijk denken, want ze zegt: “Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien” Openbaring 18 vers 7 (Openb. 18:07). Maar dan klinkt de stem des Heren: “Zie, Ik zal u!” God gaat Zijn volk verlos­sen en volkomen herstellen. De geweldigen liggen ter­neer. Voor hen is er geen herstel mogelijk, ongenees­lijk is hun wonde. Nahum 3 vers 19 (Nah. 03:19). Geen verzoening voor de duivel en al zijn demo­nen. De rook van hun pijni­ging stijgt op tot in alle eeuwigheden. Openbaring 14 vers 11 (Openb. 14:11).

Grote blijdschap voor het volk van God

Nu is er grote blijdschap voor al Gods kinderen. Ze klappen allemaal in de handen als ze de mare (bood­schap) horen, dat de vijanden vernietigd zijn. Want is de boosheid van de duivel niet voortdurend heengegaan over Gods kinderen? Nahum 3 vers 19 (Nah. 03:19). Nu is het voorgoed voorbij, prijst de Heer! Gods volk kon standhouden omdat God getrouw was en is en zal zijn. Hij geeft Zijn schepping en Zijn schepselen niet prijs aan de vernieti­ging. Met eerbied gezegd: God kijkt wel uit. Want de Here is lankmoedig en groot van kracht. De bergen (mach­ten der duisternis) beven voor Hem en de heuvelen smelten Nahum 1 vers 5 (Nah.  01:05).

De ondergang van Ninevé is een soort voorspel van wat er gaat gebeuren in de eind­tijd. De tijd waarin wij nu leven. Oordeel en herstel lopen parallel.

Staat u aan de goede kant? Aan de kant van God? Toch niet op uw gemak in Ninevé of Babel? Trek uit Babel, maar trek ook uit Ninevé. Dat wil zeggen: kom uit de leugenkerk, kom uit de we­reld.

Ninevé is ook een woning, dat betekent haar naam. Maar het is uiteindelijk geen goede woning, want ze wordt prijsgegeven aan de vernie­tiging. Het lijkt of het er goed wonen is. De wereld kan soms zo aanlokkelijk zijn. En ook de valse gods­dienst met haar natuurlijke leringen en uiterlijk ver­toon. Velen denken: het oog wil ook wat. Maar uiteinde­lijk wordt je oog verblind.

Jezus waarschuwt: “Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat ge­schieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen” Lucas 21 vers 36 (Luc. 21:36).

In vers 7 van hoofdstuk 3 in Nahum (Nah. 03:07) staat: “Verwoest is Ninevé! Wie zal haar bekla­gen? Waar zal Ik troosters voor haar zoeken?” Geen troosters voor Babylon en Ninevé, maar eeuwige God­verlatenheid.

Alleen Sions dochter wordt getroost. “De Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen” Jesaja 51 vers 3 (Jes. 51:03).

En deze puinhopen mogen al vast gaan juichen, tezamen gaan jubelen. God heeft Je­ruzalem verlost. Halleluja! “De Here heeft Zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle ein­den der aarde zullen zien het heil van onze God” Jesaja 52 vers 10 (Jes. 52:10).

Gods genadelichten schijnen nog in deze donkere wereld vol leugen en bedrog. Laat u behouden en met God verzoe­nen. Dan zult u getroost zijn. Amen!

 

 

 

Metterdaad door Judith Jacobs

1 Johannes 3 vers 16b en 17 (1 Joh. 03:16b-17

Het gedicht is uit mijn hart gegrepen; woorden die niet alleen uit mijn hart spruiten, maar die gebaseerd zijn op Gods Woord.

Steeds weer worden we in de Bijbel geconfronteerd met hetgeen de Heer van ons wil (wat Hij van ons mag verwach­ten. Matteüs 7 vers 21 (Matt. 07:21) spreekt duidelijke taal. Waaruit bestaat het “doen van Gods wil” dan onder andere? Uit praktisch handelen. We moeten bidden èn werken.

Als u Jakobus 2 vers 14 tot en met 17 (Jak. 02:14-17) leest heeft u nog een voorbeeld met wat ermee bedoeld wordt. De Heer roept ons op tot daadwerkelijkheid.

Mag je als christen dan niet op vakantie gaan, en genie­ten van de vreugden des levens? Zeker wel. ‘ We mogen ons ontspannen na de arbeid (de Here Jezus ging ook naar een bruiloft en zat aan als Hij ten eten werd gevraagd), maar. . . . de vrije-tijds-besteding en het geldgebruik spelen een grote rol. Ook – en zeer zeker – tijdens de vakantie.

Wat wil de Heer dan precies? Dat er verantwoord omge­sprongen wordt met tijd en geld. Copieuze maaltijden? Neen! Roulettetafels bezoeken teneinde het geluk te be­proeven? Neen! Zie Prediker 2 vers 24 en 25 (Pred. 02:24-25). Ik denk dat de Heilige Geest aan het hart zal kloppen en ons in herin­nering zal brengen wat geschreven staat in (Efeze 5 vers 10 (Ef. 05:10).

Wat mag dan (uiteindelijk) wel? Bij voorbeeld van de na­tuur genieten, want dat is Gods schepping. Maar de Heer vraagt mee: offervaardigheid. Ten aanzien van wie? Zeer zeker ten aanzien van hen die worden verdrukt en ver­volgd om Christus’ wil. “Geloofsgenoten” is een zwakke term; de Heer spreekt over “broeders” (zusters). Hoe kun je in dezen dan daadwerkelijk zijn?

Tijd is om te zetten in gebed en geld kan worden gegeven aan zendingsorganisaties.

Is dat niet overdreven bekeken? Laat ons nogmaals lezen wat Jezus hierover zegt in Matteüs 25 vers 40 (Matt. 25:40). Het “denken aan” en “meevoelen met” zal moeten resulteren in een daad die aan de werkelijkheid beantwoordt.

Daadwerkelijkheid! Jakobus 1 vers 22 (Jak. 01:22).

 

Om Christus wil (gedicht) door Judith Jacobs

Matteüs 25 vers 35 tot en met 46 (Matt. 25:35-45)

Een vakantie gedicht – opgedragen aan de vervolgde kerk

‘k Lig Lui te “bakken” aan het strand,

De golven spelen aan mijn voeten;

Mij is het elke dag vergund

In vrijheid ’t leven te begroeten.

 

Maar elders zijn er christenen

Die in gevangenissen zuchten;

Voor hen geen zonlicht, maar een cel

Waar wreedheid en gevaar hen duchten.

 

Waaruit hun “misdaad” mag bestaan –

Waarover “rechters” vonnis vellen?’.

Zij dienen God èn Zijn gebod:

Hem bóven mensenwet te stellen.

 

Ik lig aan ’t strand – en dank de Heer,

Zijn Woord zegt dat ’k mij mag verblijden;

Maar Jezus heeft nog méér gezegd:

“Gedenk ook hen. . . . die moeten lijden”.

 

Dood, opstanding en oordeel door Hessel Hoefnagel

 

In de Bijbel komen de be­grippen “dood”, “opstanding” en “oordeel” herhaaldelijk voor, vooral in het Nieuwe Testament, omdat ze een wezenlijk onderdeel vormen van de ontwikkelingen in het Koninkrijk der hemelen, die allesbepalend zijn voor de toekomst van de mens.

De kern van het evangelie

De kern van de evangelie­prediking is, dat de mens door bekering (omkering in denkrichting) en wederge­boorte (innerlijk tot leven komen) opstaat uit de dood.

In Efeze 5 vers 14 (Ef. 05:14) staat: “Ont­waakt, gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lich­ten”. In Efeze 2 vers 1 (Ef. 02:01) schrijft Paulus: “Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtre­dingen en zonden. . . ” De Here Jezus zelf heeft gezegd: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen (er gehoor aan geven, dus gehoorzamen), zullen le­ven” Johannes 5 vers 25 (Joh. 05:25). In Johannes 5 vers 24 (Joh. 05:24) spreekt Hij : “Wie Mijn woord hoort, en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft,, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven”.

In Johannes 8 vers 51 (Joh. 08:51) zegt de Heer het nog sterker: “Indien iemand Mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwig­heid niet aanschouwen”.

Waarom is geloof in Jezus Christus nodig om tot nieuw leven te komen? Het antwoord op deze vraag is: omdat Je­zus Christus de dood heeft overwonnen door de opstanding. Over Hem heeft de dood geen heerschappij meer.

Voor ons geldt, dat wij door het geloof samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan Zijn dood, maar daarom ook aan Zijn opstanding. Daarvan getuigen wij in de waterdoop. De doop symboli­seert dus de overgang van de dood in het leven. Voor ons moet het vaststaan, dat wij dood zijn voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. Het is daar­om van het allergrootste be­lang om in Christus Jezus te zijn. Romeinen 6 vers 1 tot en met 14 (Rom. 06:01-14) spreekt hierover duidelijke taal.

Meer dan een betekenis

“Dood”, “opstanding” en “oordeel” zijn begrippen, heb ik aan het begin ge­schreven. Deze begrippen ko­men in meer dan één beteke­nis in de bijbel voor. Wat de dood betreft, is er sprake van de “tweede dood” in Openbaring 2 vers 11; Openbaring 20 vers 6; Openbaring 20 vers 14; Openbaring 21 vers 8 (Openb. 02:11; Openb. 20:06; Openb. 20:14; en Openb. 21:08). De tweede dood wordt hier ook “de poel des vuurs” genoemd, terwijl in Matteüs 25 vers 41 (Matt. 25:41) staat, dat dit “eeuwige vuur” voor de dui­vel en zijn engelen bereid is. De aanduiding “tweede dood” geeft aan dat er ook een “eerste dood” moet zijn. Zo is er in de genoemde teksten van het boek Openba­ring ook sprake van de “eerste opstanding”, wat aanduidt, dat er ook een volgende of “tweede opstan­ding” is.

Op het verband tussen ‘eers­te’ en ’tweede’ dood en ‘eerste’ en ’tweede’ opstan­ding wil ik graag wat nader ingaan.

Wat de opstanding van Jezus Christus betreft, bedoelt de bijbel altijd Zijn lichame­lijke verrijzenis, waardoor Hij krachtig bewezen heeft Gods Zoon te zijn Romeinen 1 vers 4 (Rom. 01:04). Als het echter over onze op­standing uit de doden (of van tussen de doden uit) gaat, wordt bedoeld een overgang van onze innerlijke mens vanuit de ene toestand in de andere, vanuit de dood in het leven. Er is ook wel sprake van de overplaatsing vanuit de duisternis in het licht of in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13).

Geestelijke toestanden

Over deze geestelijke toestanden gaat het als we de begrippen dood en leven han­teren .

Er wordt wel eens beweerd (zoals ik vroeger zelf ook dacht) dat met de “eerste dood” het lichamelijk ster­ven bedoeld werd, terwijl dan de tweede dood de “eeu­wige dood” zou zijn. Deze opvatting gaat echter in tegen de logica van de on­derlinge samenhang tussen deze begrippen, hoewel ze er uiteraard wel mee te maken heeft. Het is namelijk zó, dat zowel de “eerste” als “tweede” dood, als de “eers­te” en “tweede” opstanding van toepassing zijn op de geestestoestand, waarin de mens verkeert of terecht komt, los van het feit dat ons aardse, natuurlijke lichaam nog aan sterven on­derhevig is, omdat het nog niet is veranderd in een geestelijk of opstandings- lichaam.

Onder de “nullijn”

Paulus zei tegen de Efeziërs: “Jullie en wij allen wa­ren vroeger dood vanwege on­ze zondige wandel overeen­komstig de loop dezer wereld en de overste van de macht der lucht, de geest die werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid” Efeze 2 vers 1 tot en met 5 (Ef. 02:01-05).

Dit Schriftwoord is ook op ons van toepassing. Voordat we ons bekeerden en opnieuw geboren werden, waren we geestelijk dood, hoewel we biologisch leefden en “vol­op” genoten van de aardse genoegens. We zaten als het ware onder de “nullijn”, die dood en leven van elkaar scheiden, ondanks onze wel­gemeende godsdienstige activiteiten.

Onze doodstoestand was een vorm van negatief leven in 18 neerwaartse richting, van God af en we droegen voor de dóód vrucht in plaats van voor God. Hoe meer we dit gingen beseffen, hoe ellen­diger we ons voelden. In die toestand hunkerden wij naar innerlijke leven en door Gods genade werden we behou­den, toen we ons tot Hem be­keerden. Toen ging de weder­geboorte functioneren en we stonden op uit onze doods­toestand. Dit was voor ons het begin van de eerste op- standing uit de eerste dood.

Zo kunnen wij met Paulus ook anderen aanmoedigen om te ontwaken en op te staan uit de doden. Efeze 5 vers 14 (Ef. 05:14).

De eerste opstanding

Deze opstanding is alleen mogelijk voor diegenen, die in Jezus Christus geloven.

In Openbaring 20 vers 6 (Openb. 20:06) staat: “Zalig en heilig is hij die deel heeft aan de eerste opstan­ding, want over hem heeft de “tweede dood” geen macht meer”.

De eerste opstanding heeft na het begin ook een voort­gang en een eindresultaat. Zoals logischerwijs op een natuurlijke geboorte een ontwikkeling tot zelfstandig volwassen mens moet volgen, zo is het ook in de wederge­boorte. Dit is een groei- en heiligingsproces van degenen die in Jezus Christus zijn, die dus tot Zijn lichaam be­horen. Deze gemeente komt, door het Woord Gods en de kracht van de Heilige Geest, tot volmaaktheid naar geest en ziel (inwendige of gees­telijke mens), maar ook naar lichaam, want dit wordt “van binnenuit” onttrokken aan het stervensproces. Er staat immers dat dezelfde Geest, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook onze sterfelijke lichamen zal levend maken. Romeinen 8 vers 11 (Rom. 08:11). De gemeente zal, met Jezus Christus zelf aan het Hoofd, haar herstellende taak op aarde verrichten tijdens de periode, waarin satan gebon­den is in de afgrond. Openbaring 20 vers 3 (Openb. 20:3) .

Het lichamelijk sterven

Hoe moeten we dan het licha­melijk sterven zien? Toen Adam zondigde, gold de daar­aan voorafgaande waarschu­wing van God, namelijk dat de mens daardoor zou ster­ven. Dat hier niet in eerste instantie het lichamelijk sterven bedoeld wordt, is duidelijk uit het feit dat Adam en Eva niet direct stierven, maar nog honderden jaren op aarde leefden.

Toch kwam op datzelfde mo­ment het stervensproces op gang en deed de “dood” zijn intrede in de wereld om als koning te heersen. Romeinen 5 vers 12 en vers 17 (Rom. 05:12 en Rom. 05:17). Lang hield de mens het aanvankelijk vol tegen de langzame verwording van het kostelijke klimaat, waarin God de schepping tot ontwikkeling had gebracht. Maar uiteindelijk, en na de zondvloed in veel sneller gang, gold wat God gezegd had tegen Adam. Koning Dood was gaan heersen en momen­teel zien we in steeds meer vormen het negatieve leven, dat wij ‘dood’ noemen, de schepping belagen.

Tot dit negatieve afbraak- of stervensproces werken de legermachten van zonde en ziekte mee. Zelfs wij, als christenen, worden nog maar al te vaak geconfronteerd met ziekten, kwalen en (voortijdig) sterven. In dit opzicht zuchten wij mee met de schepping, die aan de “vruchteloosheid” is onder­worpen terwille van het fa­len van de eerste mens, Adam. Een heel belangrijk punt hierbij is, dat er hoop is voor de ganse schepping, want de zonen Gods komen door de kracht van de Heili­ge Geest (de Geest van het zoonschap) openbaar om de schepping van die dienst­baarheid te verlossen.

Romeinen 8 vers 20 tot en met 24 (Rom. 08:20-24).

De tweede opstanding

Voortgaande in deze gedach­tegang kunnen we ook de tweede dood en de tweede op­standing verklaren. Het evangelie van Jezus Christus behelst ook het aspect, dat “eeuwig oordeel” genoemd wordt. Het herstelplan van God ten aanzien van Zijn schepping heeft God ingezet door scheiding te maken tus­sen licht en duisternis.

Reeds direct na de zondeval in het paradijs sprak God tegen de mens en de slang: “Ik zal ‘vijandschap’ zetten tussen het zaad van de slang (het product van de vorst der duisternis) en het zaad van de mens” (de Zoon des mensen in de meervoudige be­tekenis). Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15) .

In de volheid van de tijd zette God de wig in de duisternis, door Zijn Zoon, Jezus Christus, uit te zen­den in deze wereld. Galaten 4 vers 4 (Gal. 04:04). Sindsdien breekt het Ko­ninkrijk Gods zich baan met geweld en licht en duister­nis worden uit elkaar ge­duwd. De scheiding wordt doorgetrokken! Het eeuwig oordeel wordt voltrokken en van Jezus werd geprofeteerd, dat Hij het oordeel tot overwinning, dus tot volein­ding, zal brengen. Zo is er sprake van het laatste oor­deel, dat een gevolg is van het eerste oordeel, dat is begonnen bij ons, die het huis Gods vormen. Matteüs 12 vers 20 en 1 Petrus 4 vers 11 (Matt. 12:20; 1 Petr. 04:11).

Zoals de “eerste opstanding” een proces van wedergeboorte is uit de “eerste dood” tot een nieuw eeuwig leven naar geest, ziel en lichaam, zo is ook de tweede of laatste opstanding een proces. De eerste opstanding betreft diegenen die tot het lichaam van Jezus Christus behoren. Zij worden door de Heilige Geest en het Woord der waar­heid tot gelijkvormigheid aan Jezus Christus gebracht, zodat ze evenals de Heer zelf als totaal geestelijk mens met een verheerlijkt lichaam functioneren.

De tweede of laatste opstan­ding betreft alle overige doden, die niet weer levend werden, voordat de duizend jaren voleindigd zijn. Openbaring 20 vers 5

(Openb. 20:05).

Wat betekent opstanding?

Opstanding betekent: van dood levend worden. De “eerste mens” Adam werd door God geschapen tot een leven­de ziel. Door de dienstbaar­heid aan de zonde werd hij een dode ziel. Alleen door gehoorzaamheid aan het ge­predikte woord Gods, het evangelie van Jezus Chris­tus, wordt de “dode” ziel weer tot een “levende” ziel. Wanneer aan de levende ziel de Geest des levens verbon­den wordt, dan wordt deze “tweede mens” zelfs een le­vendmakende geest.

Dit wordt niet alleen van Jezus Christus getuigd, maar is evenzeer van toepassing op Zijn Gemeente, die deel heeft aan de eerste opstan­ding. 1 Korinthe 15 vers 45 (1 Kor. 15:45). Deze geestelijke mens is uit de hemel, evenals Jezus Chris­tus. En zoals door het evan­gelie van Jezus Christus wij tot leven gewekt zijn in de eerste opstanding, zo zullen ook door datzelfde evangelielied dat ook het evangelie van de Gemeente genoemd mag worden, de andere doden op­gewekt worden, zodat ze ook opstaan uit het dodenrijk.

De laatste opstanding is de opstanding op de “jongste dag” Johannes 11 vers 25 (Joh. 11:25), dat is de laatste periode in het her­stelplan van God.

Het laatste oordeel

Het verschil tussen de eers­te opstanding en de laatste opstanding is daarin gele­gen, dat wie deel heeft aan de eerste opstanding, ont­trokken is aan de macht van de tweede dood. Openbaring 20 vers 6 (Openb. 20:06). Dit kan niet gezegd wor­den bij de tweede opstan­ding. Als de Zoon des mensen in Zijn heerlijkheid (Zijn volmaakte Gemeente) openbaar wordt en Hem, het oordeel in handen gegeven is, dan wor­den alle volken met Hem, dat is met Zijn evangelie der waarheid, geconfronteerd.

Dit evangelie zal als een oordeel scheiding aanbrengen tussen “schapen” en “bok­ken”. Schapen zijn diegenen, die als rechtvaardigen be­schouwd worden op grond van hun gehoorzaamheid aan het evangelie, dat tijdens dit laatste oordeel gepredikt wordt. Zij gaan in de vreugde van hun Heer binnen en beërven het Koninkrijk, dat ook voor hen bereid was vanaf de grondlegging der wereld. Bokken zijn zij die niet willen, die liever de duisternis vasthouden dan tot het licht te gaan; zij worden met de machten der duisternis meegesleurd als deze verdreven worden tot in de buitenste duisternis, dit is de “poel des vuurs” of de “tweede dood” Matteüs 25 vers 31 tot en met 41 (Matt. 25:31-41).

Of dit laatste oordeel in de zichtbare of de geestelijke wereld voltrokken wordt of in beide, zal nog wel duide­lijk worden. Wel is te zeg­gen, dat de Heer met Zijn Gemeente geheel onttrokken is aan elke beperking van plaats en tijd. Zoals de Heer Zelf in Zijn verheer­lijkt lichaam aanwezig is en toch niet zichtbaar, zo kun­nen wij ons voorstellen, hoe ook de Gemeente in haar heerlijkheid zal functioneren, zowel in de zichtbare als in de onzichtbare we­reld. Daarbij valt ook te denken aan de ontslapen hei­ligen in Christus’ Lichaam, die nog geen opstandings- lichaam hebben, maar toch functioneel zijn, omdat zij hun intrek bij de Heer geno­men hebben.

Uit 2 Korinthe 5 valt op te maken, dat wij, zolang we in ons aardse, vergankelijke lichaam ons verblijf hebben, in feite niet “thuis” zijn, maar in de “vreemde”, vers 6 (2 Kor. 05:06).

Waar we als geestelijk mens ons echter bevinden, hetzij thuis (in Christus’ onzien­lijke Lichaam) of in de vreemde (in ons aardse lichaam), wij willen Hem welgevallig zijn, dus naar Zijn welbehagen functioneren (vers 9).

Uit vers 10 (2 Kor. 05:10) valt op te ma­ken, dat er ook voor ons een beoordeling plaats vindt binnen het Lichaam van Christus, waarin zowel posi­tieve als negatieve gedra­gingen een rol spelen. Ook dit zal nog duidelijker wor­den, maar in ieder geval dienen wij niet achteloos te leven, maar welbewust onze bediening op aarde ter hand te nemen vanuit de liefde van Christus, die ons daar­toe dringt, vers 11, 14 (2 Kor. 05:11; 2 Kor. 05:14).

Van Jezus Christus staat ge­schreven, dat Hij levenden en doden zal oordelen. Dit oordelen houdt in, dat het licht van de duisternis ge­scheiden wordt, zodat uit­eindelijk het Koninkrijk Gods zal stralen in al zijn glorie, ver van de “buiten­ste duisternis” of “poel des vuurs”, waarin alles verza­meld wordt, wat niet echt tot het Koninkrijk Gods be­hoort. De nieuwe schepping, zichtbaar en onzichtbaar, is dan functioneel in vol­maakte harmonie, zoals God het van meet aan bedoelde. Dan begint het pas en wat daarna zal geschieden, is nog niet openbaar, maar het zal zeker alle verwachtingen overtreffen.

 

 

“Niet doemdenken maar verder denken”, redactie

Niet doemdenken is de slogan die “Elseviers Magazine” gebruikt, om propaganda te maken voor haar blad. Christenen weten echter dat kranten en tijd­schriften wel informatie verschaffen en opinie geven over alles wat er in deze wereld gebeurt, maar geen geestelijke waarde bezitten voor de opbouw van het geloof. Gelovigen die verder denken doen dit vanuit de vernieuwing die Christus hen gegeven heeft. Door kennis en inzicht op te doen uit Zijn Woord en door Zijn Geest, leren we geeste­lijk verder te denken, dat wil zeggen: leren we denken en leven, zoals Jezus dacht en leefde. ‘

 

Bij getuigenis van Jan Noë door redactie

 

Zoals we in ons vorig nummer reeds schreven was het in mei 15 gaar geleden dat broeder Jan Noë medewerker werd van “Levend Geloof”. Als eerste bijdrage publi­ceerden wij destijds zijn getuigenis, waarin hij ver­telde hoe hij de Heer had leren kennen en het nieuwe leven met Christus een realiteit was gewerden in zijn leven. Aangezien het overgrote deel van onze le­zers, toen “Levend Geloof” nog niet lazen, zijn we blij dat broeder Noë het in zijn hart kreeg om opnieuw zijn getuigenis te geven, aangevuld met nieuwe erva­ringen. Broeder Noë, die aan het einde van het jaar 80 jaar hoopt te worden, is nog steeds een actief en vurig getuige van zijn Heer en Heiland!

Redactie “Levend Geloof”.

 

Getuigenis van Jan Noë door Jan Noë

 

Met grote dankbaarheid en blijdschap in mijn hart, wil ik getuigen van het wonder­bare dat God in mijn leven heeft gedaan en nog doet. Ik ben gereformeerd opge­voed, maar het zei mij niet veel. Ik ben de wereld in­getrokken en ben naar Indo­nesië en Zuid Afrika ge­weest en heb daar een zeer werelds leven geleid. (Jok na mijn terugkeer in Holland in 1939 zocht ik de wereldse genoegens, tot het jaar 1948 aanbrak. Mijn jongste kind moest namelijk gedoopt (besprenkeld! worden, maar’ ik wilde er niet bij zijn, om­dat. ik onder andere niet kon beloven, dat ik mijn kind in de christelijke leer zou groot brengen.

De dominee van de Hervormde kerk wist mij na herhaalde bezoeken over te halen om op de catechisatie te komen en dat was het moment dat God ingreep in mijn leven. Dat was wonderbaar. Ik kwam tot bekering en mijn leven veranderde volkomen. Ik ervaarde dat God in Zijn Zoon Je­zus Christus, mijn zonden vergeven had. Spontaan ging ik naar mensen toe, die ik niet juist behandeld had en vroeg om vergiffenis. Ze ke­ken mij verbaasd aan, maar het viel wel in goede aarde.

In 1949 deed ik met volle overgave belijdenis in de Hervormde kerk. Mijn moeder, die toen 81 jaar oud was, was er bij tegenwoordig. Ik wist dat ze erg blij was dat haar volhardend gebed was verhoord. (Voorbede is zeer belangrijk). Nu dacht ik: dat is het, ik ben nu gelo­vig geworden, mijn leven is veranderd, ik ga trouw naar de kerk en onderzoek de bij­bel. Er was grote blijdschap in mijn hart. Maar dat ik nog zeer ver van het ware geloofsleven af was, besefte ik niet, dat drong niet tot mij door. Bekering, welk een machtig wonder op zichzelf ook, is pas de eerste stap op de weg van het geloof. God en Jezus goed kennen, ontbrak bij mij geheel en ik was er mij niet van bewust, dat dit het werk van de Hei­lige Geest was. Ik ben er van overtuigd, dat als ik in de periode van mijn leven, welke ik nu ga beschrijven, de waarheid, de kracht en de rijkdom van het volle evangelie had gekend (dus gebrek aan kennis) ik voor veel ellende en ziekte gespaard zou zijn gebleven. De volle betekenis van Jezus’ kruis­dood, dat Hij daar al onze zonden en ziekten gedragen had en de duivel met zijn trawanten had verslagen en ontwapend, was nog geheel niet tot mij doorgedrongen. En hoe zwak mijn geloof was, bleek wel toen satan mij aanviel in mijn lichaam en ik enige keren zeer ernstig ziek ben geweest. Vrees, twijfel en klein geloof waren in mijn hart, maar de liefde van God was groter dan mijn klein geloof.

Hij bracht mij in contact met broeders en zusters in de kerk, die in gebedsgenezing geloofden en die voor en met mij baden en ik werd van elke ziekte genezen. Halleluja! Eerst in 1951, toen ik lange tijd werd uitgeschakeld door een ernstige ziekte (onder an­dere galblaasontsteking en pleuritis) en, naar ik ge­hoord heb, net op tijd werd geopereerd. In 1960 moest ik een operatie aan mijn neus- en voorhoofdsholte ondergaan en kreeg daarbij een ernstige hersenvlies­ontsteking. Men vreesde dat mijn hersenen waren aange­tast. Maar ook toen legde Jezus Zijn genezende hand op mij en ik was binnen de daarvoor vastgestelde tijd het ziekenhuis uit. In 1961 werd ik met spoed naar het ziekenhuis gebracht, omdat er iets in mijn buik niet in orde was, men vermoedde een ontsteking aan de alvlees­klier en afsluiting in de darmen. Wat het nu allemaal precies geweest is weet ik niet, maar ik weet wel dat ik niets kon binnenhouden, bloed opgaf en kunstmatige voeding kreeg. Op een gege­ven moment besloten de art­sen maatregelen te nemen, er moesten foto’s genomen wor­den, enz. De avond voor het onderzoek bad ik tot de Heer en zei: “Heer, Gij hebt mij de vorige malen zo fijn ge­nezen, laat het nu ook goed zijn”. En de Heer verhoorde mijn gebed. Na het onderzoek kwam de geneesheer-directeur bij mijn bed staan, krabde verlegen over zijn hoofd, en zei: “Daar is niets meer te vinden”. Ja, wij hebben een wonderbare Heiland!

Mijn geestelijk niveau was door dit alles gestegen, maar een krachtig geloof had ik zeker nog niet. De Heer leidde mijn leven echter stap voor stap. Het ministe­rie van Landbouw, waar ik werkte, drong er bij mij op aan, dat ik op wachtgeld zou gaan tot mijn pensioenge­rechtigde leeftijd, dat was in 1962, ik was toen 61 jaar oud. Ik ging ermee akkoord en mijn dochter in Amerika schreef toen of ik niet eens een keer naar Amerika wilde komen. We hebben dit in gebed aan de Heer opgedragen en we kre­gen een bevestigend ant­woord. Satan liet mij ech­ter niet met rust en viel mij weer aan. Ik had nog geen kracht om hem te kun­nen weerstaan. Het onder­zoek wees uit dat ik uit­steeksels in mijn darmen had. (Dat had men in 1951 al geconstateerd). Ik kon wel naar Amerika gaan, maar moest op dieet leven. De oor-, neus- en keelarts, die mij destijds geopereerd had, gaf zijn zorgenkind een goede raad en ook een brief mee voor de arts die mij, nis ik eventueel iets had, zou helpen. U ziet het zat het niet zo lekker met me.

Zo vertrok ik naar Amerika, maar Jezus openbaarde zich op deze reis op machtige wijze. Zijn tegenwoordig­heid was reeds aan boord duidelijk merkbaar. Ik hoorde Zijn stem en Hij zei: “Mijn kind, laat nu alles, wat met je gebeurd is, achter je. Ik ben je heelmeester. Vrees niet, geloof alleen!” U kunt zich wel voorstellen, hoe ontroerd ik was.

Ook het volgende gebeurde aan boord. Als er één onge­schikt was om te spreken voor het publiek, was ik het zeker wel. Maar ook hierin geleidde de Heer mij. De do­minee aan boord was ziek ge­worden en was niet in staat een dienst te leiden en in­eens voelde ik een drang in mij om de spreekbeurt over te nemen. Ik bad tot de Heer en zei: “Heer, neem die ze­nuwachtigheid van mij weg en openbaar mij waar ik over moet spreken”. En de Heer verhoorde mijn gebed. Hoe wonderbaar!

Toen ik in Amerika kwam heb ik het dieet afgeschaft en ben ik naar veel samenkomsten geweest, waar ook aan gebedsgenezing werd ge­daan en ook ben ik naar samenkomsten van Kathryn Kuhlman gegaan. Daar gebeur­den wonderlijke dingen, maar de Heer maakte mij duide­lijk: “Niet Kathryn Kuhlman, maar hét gaat tussen jou en mij alleen”. De duivel heeft mij steeds aangevallen, soms heel erg, maar door de kracht Gods bleef ik trouw aan de woorden die Jezus aan boord tot mij gesproken had en elke keer, als ik werd aangevallen, riep ik: Ik vermag alle dingen, door Christus, die mij kracht geeft! En satan week.

Prijst de Heer! Ik zou zo zeggen, dat dit mijn gees­telijke wedergeboorte is geweest, want ik ervaarde nu dat Gods Woord de waar­heid is en de duivel daar­voor moet wijken.

Toen ik in Holland terug­kwam, merkte men dat ik veranderd was en door de liefde, genade en kracht van God ben ik, sinds 1963, na mijn terugkomst uit Ame­rika, voor ziekten niet meer naar de dokter geweest en heb ik geen medicijnen meer gebruikt. Denk er om, ik zeg niet, dat ik niet aangevallen ben geworden door de duivel, maar in Christus Jezus was ik meer dan overwinnaar! Ik kom hier later nog op terug.

De Heer leidde mij verder. Hij liet mij duidelijk zien dat ik gedoopt moest worden in water en eveneens ge­doopt moest worden met de Heilige Geest. Ik gehoor­zaamde en dat werden mach­tige gebeurtenissen, vooral toen ik in nieuwe tongen begon te spreken. Ik had toen maar één verlangen: van Christus te mogen getuigen. Ik ben naar verschillende Pinkstergroeperingen geweest voor bijbelonderricht en op­bouw, ook in Engeland heb ik conferenties bezocht. Dat is allemaal zeer nuttig ge­weest. Ik heb in Holland mo­gen getuigen, maar de Heer leidde mij ook naar Engeland en België en liet mij zien wat de Geest vermag. Er ge­beurden wonderen en tekenen, mensen werden gedoopt met de Heilige Geest en genezen.

In België gebeurde het grootste wonder. Er lag een vrouw op sterven door een derdegraads verbranding, de nieren waren ook reeds aan­getast. Het was één hoopje ellende en er was niets meer aan te doen. De priester kwam ook elke dag om haar bij te staan. De Belgische broeder, waar ik logeerde, ikzelf en nog een zuster zijn naar haar toegegaan. We hebben met haar gesproken en over Jezus verteld, dat Hij nog steeds redt en geneest. Ik heb, naar ik meen, ook nog iets uit mijn eigen le­ven verteld. We hebben haar gezegd, dat ze haar zonden moest belijden en dat we haar daarna de handen op zouden leggen. En zo gebeur­de het. Broeders en zusters, een wonder vond plaats in een nacht genas de Heer haar volkomen. U kunt be­grijpen hoe ontroerd wij waren. De Heer liet duide­lijk zien, dat bij Hem geen ding onmogelijk is. Deze wonderbare genezing heeft in verschillende bladen ge­staan en de zuster heeft er zowel in België als in Ne­derland van getuigd.

Toen kwam echter daarna als het ware een stilstand. De Heer liet mij duidelijk zien door allerlei omstan­digheden, dat ik er nog lang niet was en dat er bij mij nog heel wat in het “vlees” was, dat er uit moest. Dat is dus de loute­ring, de tuchtiging die we allemaal moeten doormaken en daarvoor hebben we heel wat beproevingen, op wat voor gebied ook, te door­staan, opdat we ware mede­arbeiders van God kunnen zijn. Nu zou ik u hierover heel wat kunnen vertellen, maar dan zou mijn getuige­nis veel te lang worden. Ik zal echter vier gevallen aanhalen, die de moeite waard zijn.

‘ – Na al de zegeningen, die de Heer mij had gege­ven, heb ik mijn ziekteverzekering opgezegd. Prompt daarop kwam de aanval van de duivel. Door een samen­loop van omstandigheden, was ik in het verkeer niet voorzichtig genoeg, ik liep de straat over en werd door een auto gegrepen en op de keien geslingerd. Ik weet nog, dat ik, toen ik de auto aan zag komen, riep: Jezus! Het bloed liep van mijn gezicht af, maar ik bleef echter helder van geest en begon in tongen te bidden, waardoor de mensen dachten dat ik een shock had. Ik werd naar het ziekenhuis gebracht door een ambulance en ik bad herhaal­de malen tot de Heer: “Niet het ziekenhuis, Heer”. Ik werd aan een onderzoek on­derworpen en diverse foto’s werden gemaakt. Het bleek dat mijn linker pols was ge­broken, mijn linkerbeen be­hoorlijk was gekneusd, in mijn rechterhand een en an­der was gescheurd en mijn gezicht flink beschadigd was. En het wonderlijke was dat aan en in mijn nek niets was, ik had geen hersenschudding en de Heer ver­hoorde mijn gebed: ik be­hoefde het ziekenhuis niet in en ik was spoedig daarna genezen. Ja, de Heer is won­derbaar!

2 – Op een gegeven moment, dat was meen ik in 1966 of ’67, vonden mijn kinderen en ook mijn vrienden, dat ik er slecht uitzag. Mijn kin­deren belden mijn broer en zuster op om mij te zeggen dat ik naar een dokter moest gaan. Ik ging niet naar een dokter, maar naar een bekend evangelist. Ik ging naar hem toe voor handoplegging en tot mijn grote verbazing zei hij: “Als ik jou was, zou ik maar vlug naar een dokter gaan, anders lig je binnen zes maanden tussen de plankjes” (Dus doodvonnis). Op datzelfde moment hoorde ik weer de stem van Jezus, Die zei: “Kind, herinner je je nog, dat, toen Ik met Mijn discipelen sprak over Mijn lijden en dood, dat Petrus tegen Mij zei: ‘Dat zal U geenszins overkomen’ en dat Ik toen zei: ‘Ga weg achter mij, satan”. U kunt zich voorstellen, wat er door mij heenging en ik herhaalde deze woorden bij mijzelf en sterkte mij in de Heer. Dat is nu ongeveer veertien jaar geleden.

3 – Ik zou naar Zwitserland gaan om mijn dochter te be­zoeken en tevens om op ver­schillende plaatsen van de Heer te getuigen. Ik voelde aan dat het de wil van de Heer was. Satan ging weer eens tot de aanval over in mijn lichaam, maar door de kracht Gods belde ik toch mijn dochter op, dat ik met die en die trein komen zou en liet mijn reisbiljet in orde maken. Op de dag van mijn vertrek echter was ik niet in staat de bus naar het station te halen, maar weer door de kracht Gods, belde ik een taxi op, pakte vlug mijn koffer in en was nog net in staat om de trein te halen. Ik behoef u niet te vertellen, dat de reis een grote zegen is geworden. Je gaat de listen van satan leren kennen.

4 – Ik had met allerlei moeilijkheden te kampen en ben toen een week gaan vas­ten en bidden. Op een gege­ven moment werd ik midden in de nacht wakker, met blijd­schap in mijn hart. Toen hoorde ik een stem van God duidelijk de volgende beken­de woorden zeggen: “In Mijn Zoon woont alle volheid lichamelijk en gij hebt die volheid verkregen in Hem”. En dit kwam over me niet gro­te kracht. Ik wist niet wat mij overkwam. Ik sprong mijn bed uit en heb de Heer ge­loofd en geprezen.

U ziet, broeders en zusters, ik heb wel het een en ander meegemaakt en de beproevin­gen gaan door, opdat wij een rotsvast geloof zullen heb­ben, een onbeperkt godsvertrouwen en ons waardig het evangelie zullen gedragen.

Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28) zegt: ”We weten nu dat God alle dingen, doet medewerken ten goede, voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn”: Dus alles wat ons overkomt is tot ons nut, opdat, zoals in Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29) staat, Wij aan het beeld van Zijn zoon gelijkvormig worden! Als we dit voor ogen houden, kunnen we de Heer, in wat voor omstan­digheden wij ook verkeren, loven en prijzen. Bij elke aanval van de duivel en zijn trawanten moeten we de gehele geestelijke wapenrusting Gods aandoen en dan zal gebeuren wat in Jakobus 4 vers 7 (Jak. 04:07) staat: “Biedt weerstand aan de duivel en Hij van u vlieden”.

En nu het bemoedigende wat in 1 Korinthe 10 vers 13 (1 Kor. 10:13) staat: “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt.

Ik eindig nu met het prach­tige gedeelte uit 1 Petrus 1 vers 3 tot en met 7

(1 Petr. 01:03-07): “Geloofd zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons naar zijn grote barmhartigheid door Me opstanding van Jezus Chris­tus uit de doden heeft doen wedergeboren worden tot een levende hoop, tot een onver­gankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopen­baard te worden in de laat­ste tijd.

Verheugt u daarin, ook al wordt gij thans, indien het moet zijn, voor korte tijd door allerlei verzoekingen bedroef, opdat de echtheid van uw geloof, kostbaarder dan vergankelijk goud, dat door vuur beproefd wordt, tot lof en heerlijkheid en eer blijke te zijn bij de openbaring van Jezus Chris­tus” .

God zegene u allen!

  1. Noë,

 

Het handvat van de ‘Delsey’ koffer door Judith Jacobs

Wat ik u ga vertellen heeft niets met een televisie- verhaal te maken. Het is echt gebeurd en ik wil het doorgeven om de naam van Jezus groot te maken.

In 1978 gingen mijn man en ik met vakantie naar Frank­rijk (Avignon). Op de heen­reis zouden we voor een korte onderbreking een paar dagen in Parijs blijven. Na Avignon was de bedoeling nog een tijdje naar Italië te trekken (Rapallo) en van daaruit naar huis terug te keren. En dat alles “per trein” en “op eigen gele­genheid” .

Welgemoed trokken we dus – voorzien van twee flinke koffers, enige handbagage en de onontbeerlijke foto- en filmapparatuur – naar onze eerste standplaats: Parijs. Daar aangekomen be­sloten we slechts met de handbagage naar ons hotel te gaan. Zo gezegd, zo ge­daan: we brachten de twee koffers naar het bagage- depot.

De man achter de balie til­de echter één der koffers zo ruw op, dat het handvat brak. Verwijten hielp niets; het ongeluk was gebeurd.

Het handvat-probleem werd zo goed mogelijk met een stukje touw opgevangen en in Avignon aangekomen, speurden we tassen- en kofferwinkels af om aan een handvat te komen van het koffermerk “Delsey” want, een ander merk past er niet op. Er was echter geen enkele winkel waar men Delsey-artikelen verkocht. Daar zaten we nu!

Mijn man, die op reis toch al als “pakezel” fungeert, zag geen kans op deze wijze naar Italië te komen, want – ik weet niet of het u be­kend is – de perrons in het buitenland zijn niet gelijk­vloers. Je moet trap op – trap af en soms enorme métro-afstanden afleggen. De dikste touwen zijn daar niet op berekend.

“Roep Mij aan… “

We brachten onze nood bij de Heer, maar hoewel we enige dagen voor deze kwestie had­den gebeden, gebeurde er niets. We werden ietwat wan­hopig toen het tijdstip van ons vertrek naar Italië na­derde en opnieuw vroegen we Hem om raad en uitkomst.

Staat er niet geschreven: “Roep Mij aan ten dage der benauwdheid, Ik zal u red­den en gij zult Mij eren”?

Op een dag maakten we een bus excursie naar Nimes, waar we met lunchtijd wer­den “gedropt”. We kregen enige uren om zelf te be­steden en na het eten (het was ongeveer 33 graden Cel­sius) wilde mijn man de binnenstad bekijken. Ik prefereerde een koel plekje in het prachtige stadspark en we spraken af dat hij me daar weer zou afhalen.

Nu kent men in het buiten­land winkelsluiting op be­paalde uren van de middag en het was juist omtrent die tijd dat mijn man de stad introk. “Blijf niet te lang weg”, riep ik hem nog na, “je hebt er toch niets aan; de winkels zijn dicht!”

Het is in orde

De tijd verliep en ik begon me wat ongerust te maken, totdat ik hem in de verte zag aankomen, hevig gesti­culerend. Hij riep iets en zwaaide met een pakje, maar ik kon het niet verstaan.

Toen hij dichterbij gekomen was riep hij steeds dat “het in orde” was, maar – wellicht door de hoge tem­peraturen – drong het nog niet tot me door.

“Ik heb een Delsey-handvat op de kop getikt”, zei mijn man, geheel buiten adem van het snelle lopen. Ik was zó verbaasd, dat ik de eers­te minuten sprakeloos stond. “Hoe heb je dat voor elkaar gekregen?” was mijn uitein­delijke reactie. (Voor het­geen nu volgt laat ik hem zelf aan het woord].

“Ik slenterde in de stad rond, maar inderdaad waren de winkels dicht. Op een ge­geven liep ik een smal straatje in waar een winkel (lees: één winkel) openstond. Ietwat verveeld bleef ik voor de etalage staan kijken, toen mijn oog op een Delsey-koffer viel. Mis­schien verkoopt ie ook on­derdelen, was mijn gedachte en dus ging ik de winkel in en vroeg de verkoopster naar een handvat. Zij krabde zich achter het oor: koffen en tassen werden verkocht, maar losse onderdelen. . . . ? Enfin, zij wist het niet zeker, maar als “mijnheer” even wilde wachten op de baas, die was gaan lunchen, enz. (Je moet het allemaal maar kunnen volgen in het rappe Frans!) .

Het duurde even voordat de baas binnen was, maar na het probleem aangehoord te heb­ben, zei hij dat hij even in het magazijn wilde kijken. (Welke een vriendelijke ges­te; hij had zo’n loslopende toerist meteen kunnen afschepen door te zeggen dat er niets meer in voorraad was).

Het wonder gebeurde: in het magazijn lag nog precies één handvat van het gezoch­te merk en de gewenste kleur. Overgelukkig wilde ik ervoor betalen, maar daar was geen sprake van! Het werd van harte gaarne aangeboden. Als klap op de vuurpijl wilde de winkelier het nog wel gratis monteren ook, maar ja, dat ging niet, want doorgaans neem je op een dagexcursie geen grote koffer mee”.

Dankbaar en gelukkig’.

U begrijpt hoe dankbaar en gelukkig wij ons voelden toen we naar Avignon terug­reden; ik mag wel zeggen: we zaten met een zingend hart in de bus. De Heer had ons boven bidden en denken op een unieke wijze verhoord zoals Hij alleen dat kan. De reis naar Italië is “vlekkeloos” verlopen. Het leek wel of de zon nog méér warmte en gloed verspreidde dan anders, maar dat kwam omdat onze harten in lich­terlaaie stonden van dankbaarheid.

We Lebben de Here niet al­leen gedankt, maar Hem ook de eer gegeven die Hem toe­komt: In onze gemeente is hierover getuigenis afge­legd, maar ook nu, in “Le­vend Geloof” weergegeven, opdat ons geloof in Hem “levend” moge blijven.  

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -13-

 

De opmars der paarden

Openbaring 6 toont ons de opmars der paarden. Beslissend is daarbij dat het witte paard voorop gaat. “En ik zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen” Openbaring 6 vers 2 (Openb. 06:02).

Aan het begin van de eindstrijd staat het witte paard. God heeft het eerste woord. En ditzelfde beeld komt in hoofd­stuk 19 weer terug, aan tiet slot van de eindstrijd. Dan lezen we: “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard: en Hij, die daarop zat, wordt, genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerech­tigheid” Openbaring 19 vers 11 (Openb. 19:11). We zien: het beeld van het witte paard omspant het hele gebeuren van hoofdstuk 6 tot hoofd­stuk 19. Alles wat daartussen beschreven is. , staat ten diepste in het teken van de opmars van het witte paard. Merkwaardig is ook de parallelle opbouw. In hoofdstuk 5 zien we het Lam Gods dat gereed staat, en meteen daarna is daar het witte paard dat uittrekt. In hoofdstuk 19 zien we de vrouw van het Lam, die zich gereed gemaakt heeft, en meteen daarna lezen we weer van het witte paard. Daaruit blijkt: wanneer het Lam overwonnen heeft, kan het witte

paard zijn zegetocht beginnen, en wanneer de vrouw des Lams gereed is, kan het witte paard zijn zegetocht vol­tooien

De ruiter op het witte paard

De naam van de ruiter op het witte paard wordt vermeld als: het Woord Gods. En inderdaad: na de overwinning, door het Lam Gods behaald, kan het Woord Gods, het evangelie van het koninkrijk, zijn opmars beginnen. En evenzo is er ook een onlosmakelijk verband in de eindfase: alleen als de vrouw des Lams gereed komt, dan is de tijd aangebroken dat het Woord zijn overwinningstocht kan en zal voleindigen.

Twee wapens worden genoemd in verband met het Woord Gods. In Openbaring 19 is sprake van een scherp zwaard, in Openb. 6 wordt een boog vermeld. Sommige uitleggers hebben moeite met die boog. Christus wordt nooit afgebeeld met een boog, zo wordt dan opgemerkt. Maar als we nu eens Psalm 45 op­slaan, de schitterende koningspsalm die ook in Hebreeën 1 geciteerd wordt met betrekking tot de Christus, dan komen we tot een heel andere ontdekking. In het vierde vers van deze psalm wordt de koning aldus aangesproken: Psalm 45 vers 2 (Ps. 045:002)”Gord uw zwaard aan de heup, gij held, uw majesteit en uw luister; ja uw luister. Rijd voorspoedig uit, voor de zaak van waarheid, ootmoed en recht”. En dan vervolgt vers 6 (Ps. 045:006): “Uw pijlen zijn gescherpt, volken zijn onder u – zij dringen in het hart van des konings vijanden”. Beide beelden vinden we hier te­rug: zowel het paard als pijl en boog. In het boek Openba­ring zien we hoe deze profetische psalm in de laatste tij­den in vervulling gaat.

Eén verklaarder maakt het bij Openbaring 6 wel erg bont. Hij meent: de ruiter op het witte paard is typisch een beeld van de antichrist. Immers, hij heeft een boog, maar geen pijlen. Een merkwaardige uitleg. Moeten we, volgens deze methode redenerend, dan concluderen dat de koning uit Psalm 45 wel pijlen bezit, maar geen boog?

Woord Gods en volk Gods trekken samen op

De koning trekt uit. Dat is het uitgangspunt voor de eind­strijd. Het Woord trekt uit. Dat is ons perspectief voor de toekomst. Daarom is het van zo groot belang dat we hier oog voor krijgen en dat we de eenheid van Openbaring 6 en Openbaring 19 niet verbreken. Het is hetzelfde beeld dat we ook bij de profeet Jesaja aantreffen: “Alzo zal mijn woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij we­derkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbren­gen, waartoe IK het zend” Jesaja 55 vers 11 (Jes. 55:11). Ook Jesaja proclameert: het Woord gaat uit.

We kunnen dit niet genoeg onderstrepen: bepalend voor de finale van de geschiedenis zal zijn: het Woord dat uitgaat. Opvallend is trouwens dat Jesaja hier onmiddellijk op laat volgen: “Want in vreugde zult gij uittrekken en in vrede geleid worden” (Jesaja 55 vers 12) (Jes. 55:12) Waar het Woord uittrekt, daar trekt ook het volk Gods uit.

Datzelfde verband vinden we ook in Openbaring 19, want direct nadat er gesproken is over het Woord Gods dat uitrijdt, wordt eraan toegevoegd: “En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smet­teloos fijn linnen” Openbaring 19 vers 14 (Openb. 19:14). Waar het Woord optrekt, daar trekken de zonen Gods op. Woord Gods en volk Gods zijn onafscheidelijk verbonden. Zij trekken samen op.

Zien wij wat Johannes zag?

Velen zien alleen de opmars van het kwaad. Daar is geen ge­loof voor nodig om dut te zien. Johannes zag nog iets an­ders. En God maakt vandaag een volk klaar van zieners. Zie­ners zijn zij die zien wat Johannes zag.

Wat zien wij? De psalmist sprak reeds een diep geestelijk geheim uit toen hij beleed: “Voor eeuwig, o Here, houdt, uw woord stand in de hemelen, “Psalm 119:89 (Ps. 119:089). Hij besefte: het Woord Gods is de grootste kracht in de geestelijke wereld. Zijn Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken. Johannes schouwde het in de geest: het Woord dat door de hemelen trekt. Het Woord dat in de hemelen staat. Het staat onverwrikt, het blijft overeind tot het einde.

Wat geloven in het woord werkelijk betekent

Velen zeggen: wij geloven in het Woord van God. Maar zijn we ons dan wel goed bewust wat we daarmee uitspreken? Het is onmogelijk tegelijk te geloven in het Woord des levens en in de ondergang van de schepping. Geloven in het Woord betekent: geloven in de herscheppende kracht van dat Woord, geloven in de overmacht van dat Woord. Het betekent: weten dat het Woord het wint op alle fronten.

Wie gelooft in de vernietiging, wie ervan uitgaat dat de afbraak het zal winnen, geeft daarmee blijk, niet te gelo­ven in het Woord Gods. We kunnen niet zeggen dat we staan op de beloften en dan in één adem beweren dat de gemeente roemloos en naamloos zal verdwijnen.

Weten we wel wat het inhoudt: staan op de beloften? Het is niets minder dan staan op de eeuwige gedachten van een eeuwig God. Een God bij wie geen verandering is en zelfs geen zweem van ommekeer. God keert niet om op zijn eenmaal ingeslagen weg. Hij bewandelt die weg ten einde toe. En daaruit volgt: ook zijn Woord keert niet om. Nimmer keren gedachten Gods op hun schreden terug. Ledig keren zij nooit weer. God rust niet, totdat Hij daar gesteld zal hebben de gedachten zijns harten. Gedachten Gods zijn nimmer grillig, nooit onberekenbaar, in geen geval gespleten. Ook het witte paard is niet onberekenbaar in zijn gang, integendeel, het heeft een vaste koers, een vastomlijnd doel: het gaat uit, overwinnende en om te overwinnen. Met deze dubbel uitdruk­king wordt een absoluut sluitende taakomschrijving gegeven. Hier kunnen negatieve gedachten geen speld tussen krijgen. Het plan Gods is waterdicht. God is er garant voor.

Daarom luidt het parool voor de laatste tijd: geloof in het Woord. Volg het Woord. Immers, wie vormen de heerscharen in de hemel? Daartoe behoren zij die het Woord volgen.

Het woord brengt de mens Gods voort

Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods. Nu zijn er vele be­loften Gods, vele woorden heeft God gesproken, en toch is het één Woord, alle tezamen vormen zij het ene ongedeelde Woord. Dat kan ook niet anders: Gods gedachten zijn immers één, ongedeeld, zoals God in zijn wezen één is. Alle twee­slachtigheid, alle hinken op twee gedachten is Hem te enen male vreemd.

Het Woord is de gebundelde kracht van al de gedachten Gods. Zoals Jezus. Van Hem kon gezegd worden: Hij is het Woord. Want Hij was de eerste mens in wie al de woorden Gods zich realiseerden.

Evenzo zal in de eindtijd het Woord de mens Gods vóórtbren­gen, de mens in wie al de gedachten Gods tot aanzijn zul­len komen.

Dit Woord overwint. Wat betekent dat? Het is niet zomaar een leuze, een vage aanduiding. Neen, het wil zeggen: dit Woord zal alle weerstanden tegen het plan Gods teniet doen. Met andere woorden: de mens Gods zal er komen, alle blokka­des ten spijt. De aarde zal vol worden van de kennis des Heren, dwars tegen alle sombere voorspellingen in. De schepping zal stralen met vernieuwd gelaat, en alle leugen­profeten zullen beschaamd staan.

Dit Woord zal doen datgene waartoe het gezonden wordt. Daarom: zalig is hij die zich houdt aan het Woord. Van die mens, van die gemeente kan gezegd worden: zij zullen niet ledig wederkeren. Zij gaan uit met het Woord en zij keren weder met overwinning. Zoals David zong over Saul en Jona­than: “Zonder het bloed der verslagenen en het vet der hel­den keerde de boog van Jonathan nimmer terug, en ledig kwam het zwaard van Saul niet weder” 2 Samuel 1 vers 22 (2 Sam. 01:22). Ook in deze tekst zien we weer die kombinatie van zwaard en boog. De Statenvertaling zegt: “En Sauls zwaard keerde niet ledig weder”. Zo zal het zijn met het leger Gods, de heerscharen in de hemel, in de eindtijd. Hun zwaard zal niet ledig we­derkeren. Zij zullen juichen bij het verdelen van de buit. Omdat zij zich verbonden hebben met het Woord, geldt van hen wat Jesaja sprak: “Met machtigen zal Hij de buit verde­len” .

De achtergrond van het beeld van de paarden

In Openbaring 6 passeert een reeks van vier verschillende paarden achtereenvolgens de revue. Maar waarom krijgt Johannes eigenlijk paarden te zien? Wat is de achtergrond van dit beeld?

Ook hier hebben we weer te maken met een gedachte die verworteld is in de profetische visie van het Oude Testament. Het paard is dikwijls een beeld van geweld en kracht. Zo lezen we in de Psalmen: “Geen koning wordt behouden door een machtig leger, geen held wordt gered door geweldige kracht; het paard faalt ter overwinning, en doet niet ont­komen door zijn geweldige sterkte. Zie, des Heren oog is op hen die Hem vrezen, die op zijn goedertierenheid hopen” Psalm 33 vers 16 tot en met 18 (Ps. 033:016-018). Hetzelfde motief klinkt ons tegen vanuit een andere psalm: “Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de man; de Here heeft welbehagen in wie Hem vrezen, die op zijn goedertie­renheid hopen” Psalm 147 vers 10 en 11 (Psalm 147:010-011). In beide gedeelten vinden we precies hetzelfde contrast; tegenover de kracht van paarden staat het volk dat God vreest, met Hem rekent, het van Hem verwacht. Zij verwachten zijn goedertierenheid.

Dat zijn zij die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

gestadig op zijn goedheid hopen.

Geen paardenkracht maar Geesteskracht.

Het koninkrijk Gods wordt niet gebouwd door paardenkracht, maar door geesteskracht. Geen aardse macht begeren wij, die gaat weldra verloren. Bij Jesaja speelt deze gedachte ook een belangrijke rol. “Want zo zegt de Here Here, de Heilige Israëls: Door bekering en rust zoudt gij verlost worden, in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn, – maar gij hebt niet gewild. Gij hebt gezegd: Neen, op paarden zullen wij voortvliegen -; daarom zult gij vlieden; en: Op snelle rossen zullen wij rijden daarom zullen uw achtervolgers snel zijn” Jesaja 30 vers 15 en 16 (Jes. 30:15-16) . Ook hier worden weer, net als in de genoemde psalmen, twee geestelijke principes tegenover elkaar gesteld: de weg van geweld en voortvliegen, en de weg van stilheid ‘en vertrouwen. De weg van haast en ruste­loosheid tegenover de weg van ontspannenheid en rust. De weg van pressie tegenover de weg van geloof. En Jesaja is er juist alles aan gelegen dat zijn volk deze twee wegen scherp zal onderscheiden. Dit zijn ten diepste de twee we­gen door alle tijden heen: de weg van het paard en de weg van de geest.

En nu zien we het merkwaardige: juist het godsdienstige volk blijkt altijd weer een sterke geneigdheid tot het steunen op paarden te bezitten. In hoofdstuk 31 gaat Jesaja daarop door, als hij waarschuwt: “Wee hun die naar Egypte trekken om hulp, die steunen op paarden en hun vertrouwen op wagens, omdat zij talrijk zijn, en op ruiters, omdat zij machtig in aantal zijn, maar de blik niet richten op de Heilige Israëls en naar de Here niet vragen” Jesaja 31 vers 1 (Jes. 31:01).

De weg van het paard of de weg van de Geest?

Deze hele gedachtegang van stil zijn en weigeren te steu­nen op het zichtbare, op macht en geweld, is al zeer oud en hoort oorspronkelijk thuis in de sfeer van de oorlogen des Heren. Wanneer het volk Gods, uit Egypte geleid, voor de Rode Zee staat en achterhaald dreigt te worden door het le­ger van de farao, dan luidt voor hen de opdracht: de Here zal voor u strijden en gij zult stil zijn. Als zij aan deze oproep gehoor geven, mogen zij er vervolgens getuige van zijn hoe de paarden en wagens van Egypte verzwolgen worden in de zee. Zo merken we reeds in het boek Exodus deze contrastwerking op: tegenover de paarden van de vijand stelt het volk des Heren het wapen van de geest: stil zijn in verbondenheid met zijn God. Dat is geen passiviteit; inte­gendeel, dat is een intense gerichtheid op God. Het volk is zo met hart en ziel geconcentreerd op God dat je als het ware een speld kunt horen vallen. Het is een vol verwach­ting de adem inhouden, het is een geladen stilte. Waar die stilte heerst, daar gaan paarden onder.

Dat is de aloude strijdmethode Gods. Daarom is het van zo «r fundamenteel belang dat het volk des Heren zich strikt houdt aan de weg Gods. Zodra de gemeente de methode van de religieuze wereld overneemt, is zij verkocht. Het is dan ook veelzeggend dat reeds Mozes voor de toekomst een waar­schuwing gaf in verband met de koning die over Israël zou regeren: “Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de Here heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren” Deuteronomium 17 vers 16 (Deut. 17:16). De koning van het Godsvolk mocht nooit ofte nimmer de weg van Egypte gaan volgen. De methode van Egypte is de methode van het paard. Maar wie koning wil worden in de geestelijke wereld, volgt een andere weg.

Ook Jesaja zag reeds waarom het ging

Daarom legt ook een man als Jesaja hier zo de nadruk op. Hij spreekt helemaal in de lijn van het aangehaalde woord van Mozes. Wat is het oogmerk van de profeet? Hij heeft maar één doel: het volk terugvoeren tot zijn oorspronkelij­ke, goddelijke strijdmethode. Hun ogen weer openen voor de oorlogen des Heren, die hoger zijn dan de oorlogen op aar­de. Want Gods wegen zijn hoger dan de wegen van Egypte. Het volk moet weer in waarheid volk Gods worden, handelend en levend, wandelend en strijdend vanuit het grondbeginsel Gods.

Daar gaat het om, ook in deze tijd, en niet om de vraag of de Russen misschien in staat zullen zijn om nog een leger met paarden en ruiters op de been te brengen. Jesaja be­greep het: het volk des Heren moet losgemaakt worden van aardse, natuurlijke strijdmethoden en steunpunten. Niet meer steunen op macht en meerderheid, op getal en geweld, op invloedrijke bondgenoten, wees het je bewust: je kracht ligt in de geest. En je bondgenoot, is God.

Waarom Zacharia over paarden spreekt

Het is in dit verband wel bijzonder veelbetekenend dat met name de profeet, Zacharia zo vaak over paarden gesproken heeft. Hij is immers bij uitstek één van de profeten van het herstel. En de thema’s die hij daarbij aansnijdt, zoals tempelbouw en eindstrijd, vinden we in het laatste Bijbelboek weer uitvoerig terug. Daarom nog een enkele opmerking over de paarden bij Zacharia.

In het eerste gezicht dat de profeet ontvangt, wordt reeds vermeld: “Zie, een man, gezeten op een rood paard, en staande tussen de mirten in de diepte, en achter hem rode, voskleurige en witte paarden” Zacharia 1 vers 8 (Zach. 01:08). En de betekenis blijkt te zijn: “Dit zijn zij, die de Here heeft gezonden om de aarde te doorkruisen” vers 10 (Zach. 01:10).

Vervolgens komt dit motief weer naar voren in het achtste gezicht, in hoofdstuk 6. De paarden gaat uit, vertelt ons het vijfde vers: “Deze gaan uit naar de vier windstreken des hemels”. En dat wordt dan nader uitgewerkt: “Die met de zwarte paarden gaan uit naar het Noorderland, de witte gaan uit, hen achterna”(vers 6). De nadruk ligt hier duide­lijk op het Noorderland, dat is Babel, het gebied van de ballingschap. En de kerngedachte, de conclusie, wordt gegeven in het achtste vers: “Zie, die uitgegaan zijn in het Noorderland, brengen mijn Geest in het Noorderland tot rust.

We treffen hier de kleuren aan die ook in Openbaring 6 een rol spelen. Wat is nu de grondgedachte? Het zou te ver voeren, op alle details in te gaan, maar we zien dit: het hoofd­doel is dat de ballingen teruggebracht worden uit het Noor­derland. Waarom gaan de witte paarden op weg? Zij gaan het volk Gods ophalen. De witte paarden brengen ballingen sa­men, opdat de tempel Gods gebouwd kan worden. Vers 15 van hetzelfde hoofdstuk verklaart dan ook: “Die verre zijn, zullen aan de tempel des Heren komen bouwen”. Dat is het doel. Ballingen worden tempelbouwers. Alleen dan en alleen zo komt de Geest des Heren tot rust.

Zo ook in Openbaring 6. Dit is uitsluitend te verstaan tegen de achtergrond van het profetische woord van Zacharia en andere Godsmannen. Johannes ziet: het witte paard trekt uit. Het Woord gaat hemel en aarde doorkruisen. En wat doet het? Het Woord brengt het volk van God tezamen, het Woord maakt hen gereed, opdat zij zullen bouwen. Opdat daar zal zijn een tempel, een woonstede voor God. Dat is Gods plan voor de eindtijd: het verstrooide wordt bijeengebracht om een huis te vormen voor Hem. Daarom verlangt het witte paard om uit te gaan. En het zal zijn doel bereiken.

De ondergang van de demonische legermacht

Wanneer Zacharia vervolgens de eindstrijd gaat belichten, vertelt hij in verband met de belegering van de stad Gods: “Te dien dage, luidt het woord des Heren, zal Ik alle paar­den treffen met verbijstering, en hun berijders met krank­zinnigheid; over het huis Juda zal Ik mijn ogen openhouden, doch alle paarden der natiën zal Ik treffen met blindheid” Zacharia 12 vers 4 (Zach. 12:04) .

Met een soortgelijk beeld schildert ook Johannes het leger dat zich opmaakt voor de laatste strijd: “En het getal der legerscharen van de ruiterij was tweemaal tienduizend tien­duizendtallen; ik hoorde hun aantal. En aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel”! Openbaring 9 vers 16 en 17 (Openb. 09:16-17).

Een demonische legermacht rukt op tegen de stad des Heren. Maar wat is het dan een kostelijk perspectief als we daar­bij lezen wat Zacharia reeds in zijn tiende hoofdstuk heeft opgetekend. Daar komt het contrast tot zijn volle ontvou­wing. Enerzijds vers 5: “Maar die op paarden rijden, komen beschaamd te staan”.

Anderzijds vers 3: “Maar de Here der heerscharen bezoekt zijn kudde, het huis van Juda, en maakt hen als zijn prach­tig ros in de strijd”. Dat wordt het strijdros voor God. Het paard zijner majesteit, zegt de Statenvertaling. Dat is het koninklijke paard.

Gods volk wordt klaargemaakt

Daar is God mee bezig in onze dagen. Hij bezoekt zijn volk. Hij maakt gereed. Die twee woorden zijn bepalend voor van- daag en morgen: God maakt. Wij leven niet bij de afbraak, wij leven bij wat God maakt van ons.

God maakt zijn ros gereed. Machten zullen beschaamd staan, paarden zullen verbijsterd zijn, ruiters raken verward, wanneer de Here der heerscharen uitrijdt. (wordt vervolgd).

 

De tot dusver gepubliceerde Bijbelstudies van br. Nico Goverts over Openbaring, zijn thans ook ge­bundeld verkrijgbaar. De in de periode juni t/m november 1980 verschenen artikelen werden opgeno­men in het boekje:

Wat onthult het laatste Bijbelboek?

En de in de periode december 1980 t/m april 1981 I verschenen artikelen werden opgenomen in het boekje:

Contrasten in het laatste Bijbelboek

Te zijner tijd volgt er nog een derde boekje.

De boekjes kosten ƒ 2,50 per exemplaar (+ porto) Bij aantallen voor boekentafels, verspreiding, enz. , is de prijs ƒ 1,75 (vanaf 10 exemplaren + portokosten). (noot: via site kunnen brochures ingezien worden)

 

 

1981.06 nr. 216

1981.06 nr. 216

Melkvoeding of vaste spijs? Door Gert Jan Doornink

Welk geestelijk voedsel ontvangen wij als kind van God? Een vraag die van grote, zo niet van al­lesomvattende betekenis is. Want geestelijke groei is ondenkbaar zonder gezonde geestelijke voeding. De Bijbel laat hierover geen enkel mis­verstand bestaan. Als in de natuurlijke wereld gezond voedsel al zo belangrijk is, hoeveel te meer wat betreft de geestelijke dingen.

Toch zijn er heel veel kinderen Gods die ten aan­zien van de geestelijke voeding veel nonchalanter zijn dan ten aanzien van de natuurlijke voeding. Uiteraard berokkent dit grote schade aan eigen geloofsleven. De gevolgen zijn dat men geen gees­telijke groei kent, een ‘nederlaag-christen’ blijft, dwaalleringen de kans krijgen te infil­treren, weinig of onvruchtbaar is in dienst van Gods Koninkrijk en ook het einddoel des geloofs – de volkomenheid in Christus – niet bereikt kan worden.

Het begin is: Melkvoeding

Gezonde geestelijke voeding is dus in de eerste plaats noodzakelijk om geestelijk te groeien. Dat begint met melkvoeding. 1 Petrus 2 vers 2 (1 Petr. 02:02) zegt: “Ver­langt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat gij daardoor moogt opwas­sen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Here goedertieren is”.

In de natuurlijke wereld is melkvoeding een eerste vereiste voor de pasgeboren baby. Dat heeft ook een nieuwgeborene in het Koninkrijk Gods no­dig. Petrus spreekt hierover de “onvervalste melk”, met andere woorden: het Bijbelse fundament moet gelegd worden. Nadat iemand een kind van God is geworden, zijn de doop door onderdompeling en de doop met de Heilige Geest de fundamentele pij­lers waarop men geestelijk verder behoort te bou­wen. Maar dan wel op de juiste wijze. Want er is maar een evangelie dat ‘onvervalst’ is. Dat is het echte, volle evangelie, zoals Jezus dat bracht en in de eerste christengemeente gemeen­goed was. Het evangelie dat de mens werkelijk verlost uit satans macht.

Wat wordt er in onze dagen veel ‘evangeliezaad’ gestrooid dat niet aan deze Bijbelse normen vol­doet. Alleen reeds daardoor kunnen velen niet op de juiste wijze geestelijke groeien en niet be­antwoorden aan het doel wat God met de wedergebo­ren mens voor ogen heeft.

Na de melkvoeding komt het vaste voedsel

Ten aanzien van de natuurlijke, lichamelijke groei wordt het stadium van ‘alleen melkvoeding’ al spoedig afgesloten. Wat kunnen ouders niet blij en dankbaar zijn als de baby het eerste vas­te voedsel tot zich neemt. Maar hoe is het in geestelijk opzicht? Ieder mens zou het volkomen absurd en ondenkbaar vinden als een kind van een paar jaar nog met de zuigfles gevoed moet worden. Maar, geestelijke gesproken, blijken helaas velen dit heel normaal te vinden!

Ook Paulus had er in zijn tijd al mee te maken. In 1 Korinthe 3 vers 1 tot en met 3 (1 Kor. 03:01-03) lezen we: “En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, (wat ze reeds lang behoorden te zijn), maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voed­sel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja dat kunt gij ook nu nog niet, want gij zijt nog vleselijk. . . . “

Het kan ons hart met grote droefheid vervullen als we zien en bemerken hoe in dit opzicht velen in onze dagen met geestelijke blindheid zijn ge­slagen door de vorst der duisternis. Gelukkig zijn er ook velen die de ogen opengaan voor deze geraffineerde barricade die de vijand heeft opge­worpen om de verdere geestelijke groei tegen te houden. Het zijn zij die weten dat Jezus Overwin­naar is en zij met Hem en in Zijn Naam! Zij laten zich door niets en niemand afremmen. Want Gods Geest in hen is altijd sterker dan de geesten uit het rijk der duisternis, die de geestelijke groei willen belemmeren.

Toen ik vroeger op de boerderij de koeien ver­zorgde was het nodig dat ze van tijd tot tijd naar een ander stuk weiland werden overgebracht. Geleidelijk aan raakte het beschikbare gras op, de melkproductie ging teruglopen, omdat men min­der gras te eten kreeg en men had bovendien meer tijd nodig om nog voldoende voedsel te vinden. Tenslotte werden ze onrustig en probeerde men, door onder de omheining door te weiden, nieuw gras te bemachtigen. In sommige gevallen brak de omheining en ineens waren alle koeien in een nieuwe wei, vol met jong, vers gras! Waren ze op tijd naar een nieuw gedeelte gebracht, dan was de omheining niet gebroken, maar de honger was te groot om nog langer te wachten. . . .

Dit beeld kunnen we ook toepassen op kinderen Gods die geestelijk verder willen groeien, maar daarin belemmerd worden omdat hun gemeente, groep of kring, hen geen voldoende of verkeerd geestelijk voedsel verschaft. Een broeder vertel­de mij hoe hij in een ernstig gewetensconflict is gewikkeld, of hij een bepaalde gemeente al of niet moet verlaten. Het was de tweede keer in zijn leven dat hij iets dergelijks meemaakte. De eerste keer was het over het feit of hij al dan niet zijn kerk zou moeten verlaten. Een andere broeder vertelde met grote blijdschap hoe hij nu in een gemeente komt, waar hij wel gezonde, geestelijke voeding ontvangt, na jarenlang gees­telijk ‘ondervoed’ te zijn. Zijn leven was er totaal door veranderd. Na jarenlange gebondenheid had hij nu de vrijheid en de overwinning van Christus leren kennen!

Nu is dit artikel geen pleidooi om van gemeente te veranderen. Ieder zal dit persoonlijk moeten beslissen, elk geval is vaak anders en er kunnen zich omstandigheden voordoen, dat men in een be­paalde groep of gemeente moet blijven, maar nooit mag dit ten koste gaan van de verdere geestelijke opbouw. Dat zou ongehoorzaamheid betekenen en tot grote schade van het eigen geestelijk leven zijn. Laat het verwijt wat de Hebreeën te horen kregen, niet tot ons gericht behoeven te worden. Zij wa­ren traag geworden in het horen. Naar de tijd ge­rekend behoorden het leraars te zijn. Het was no­dig dat zij de eerste beginselen van de uitspra­ken Gods weer gingen leren. Zij hadden nog melk nodig en geen vaste spijs. . . . Lees Hebreeën 5 vers 11 en 12 (Heb. 05:11-12 er maar op na. De schrijver gaat dan verder met deze woorden: “Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad” Hebreeën 5 vers 13 en 14 (Heb. 05:13-14).

Vaste spijs is onontbeerlijk

De waarachtige eindtijdgemeente, waartoe allen behoren die het verlangen hebben de volheid van Christus te openbaren, kan het niet stellen zon­der vaste spijs! Gezonde geestelijke voeding, die zich niet alleen bezig houdt met het funda­ment, maar daarna zich richt op het einddoel des geloofs: de volkomenheid in Christus. Deze voe­ding ontvangen wij uit het Woord van God, maar dan wel onder de leiding van de Heilige Geest. Alleen Gods Geest leidt ons tot de volle waar­heid en leert ons goed en kwaad te onderscheiden, waardoor wij vrij worden van de vermenging van waarheid en leugen. Door Gods Geest gaan wij dan ten volle functioneren als leden van het lichaam van Christus, de gemeente.

Wilt u ook een volwassen christen zijn? Het behoort een normaal en vanzelfsprekend verlangen van ieder kind van God te zijn, want alleen zij die geestelijk volwassen zijn, zullen zich als de zonen Gods openbaren, waarop de schepping met reikhalzend verlangen wacht Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19). Als dit verlangen bij u ontbreekt, ga dan onderzoeken wat de oorzaak is en neem die maatregelen die noodza­kelijk zijn om op gezonde wijze geestelijk te groeien. Er kunnen verschillende oorzaken zijn, maar altijd weer heeft daarbij satan de hand in de zaak, want hij alleen heeft er belang bij dat we niet het volwassen-christen-stadium bereiken.

“De dood is in de pot, man Gods!”

Nog een voorbeeld uit het oude testament, om aan te tonen hoe belangrijk gezond voedsel is. In de tijd van de profeet Elisa kwam er hongersnood in het land 2 Koningen 4 vers 38 tot en met 41 (2 Kon. 04:38-41). Toen er­op een gegeven moment eten voor de profeten werd bereid, was het niet te eten. De groente die ge­plukt was, was afkomstig van een wilde slinger­plant en ongeschikt voor menselijke consumptie. Het gevolg was dat men het uitschreeuwde: “De dood is in de pot man Gods!” Pas toen Elisa sprak: “Haal dan meel” en het eten daarmee bereid werd, kon er gegeten worden en was er “niets kwaads meer in de pot”.

Dit beeld is uiteraard een beeld van Jezus Chris­tus, die sprak: “Ik ben het brood des levens”. Maar de wilde slingerplanten, waarvan de “wilde kolokwinten” geplukt waren, is het beeld van sa­tan, die er altijd weer op uit is verkeerd en ver­giftigd voedsel aan te reiken. Maar een waarach­tig christen zal niet langer dit verkeerde voed­sel tot zich willen nemen. Hij heeft er geen be­hoefte aan om zich bezig te houden met leringen, die bijvoorbeeld meer aandacht schenken aan een natuurlijk Israël, dan de plaats die wij behoren in te nemen in het geestelijk Israël: de gemeen­te. Hij weet – om een ander voorbeeld van ver­keerd geestelijk voedsel te noemen – hoe leugen­achtig het is dat wij toch zondaren blijven tot de dood, terwijl het nieuwe testament zo duidelijk spreekt van het feit dat wij geroepen zijn ons te richten op de volkomenheid in Christus.

Vast voedsel zullen we moeten gebruiken, zegt de Hebreeënbrief. Het is een proces, het heeft tijd nodig om te verteren. Maar dan heeft het ook zijn uitwerking: we zullen meer en meer één worden met Christus en Zijn beeld openbaren. Wij zullen gaan beantwoorden aan het volle doel wat God met ons leven voor heeft. Dat is het beeld van Chris­tus gelijkvormig worden. Daarvoor zijn we bestemd zegt Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28). Wat een heerlijkheid daar naar toe te groeien, omdat wij ‘vaste spijs’ als voedsel gebruiken!

 

Van de redactie door de redactie

Zaterdag 16 mei was een bijzondere dag in de nu bijna twintig jaar dat “Levend Geloof” bestaat. De huidige reactie kwam namelijk voor het eerst gezamenlijk bijeen, niet met de bedoeling een soort officiële vergadering te houden, maar om met elkaar kennis te maken. Verschillende redactieleden kenden elkaar namelijk nog niet persoon­lijk. Aanwezig waren br. en zr. Companjen, br. en zr. Scholten, br. Noë en br. Goverts, terwijl mijn vrouw en ik de ontvangende partij waren.

Het was een in elk opzicht vruchtbare en gezegen­de dag, waarop van gedachten werd gewisseld over vele onderwerpen. Uiteraard kwam op verschillende wijze ook het werk van “Levend Geloof” ter spra­ke. We verheugden ons over de grote dingen die de Heer gedaan heeft, ook door middel van het blad, . . . . en nog wil doen! Want we geloven dat we aan de vooravond staan van een verdere doorbraak van Gods Geest, in allen die zich daarvoor openstel­len en de geestelijke weg van geloof en gehoor­zaamheid willen bewandelen.

“Levend Geloof” is daarbij, door Gods genade, één van de middelen die de Heer wil gebruiken om tot Zijn doel te komen. Als redactieleden willen wij ons unaniem en volledig hiervoor inzetten.

 

De strijd om de macht door Jan W. Companjen

“En Jezus sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven al­le macht in hemel en op de aarde. Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen. . . . En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” Matteüs 28 vers 18 tot en met 20 (Matt. 28:18-20).

Met deze woorden nam Jezus afscheid van zijn discipe­len. Met andere woorden ge­zegd, deelde Hij zijn volge­lingen mee: Ga nu heen, jul­lie hebben het met eigen ogen gezien hoe het moet, Ik heb het jullie zelf voorge­leefd en geleerd en. . . . Ik doe één grote belofte: Ik zal met Mijn Geest met jul­lie zijn totdat alles vol­bracht is.

Waarschijnlijk hebben zijn eerste volgelingen toen nog niet begrepen wat het was en wat het betekende dat zij vervuld zouden zijn met de­zelfde Geest die Christus, als eerste zoon Gods, beziel­de. Hij kon door die inwonen­de Geest zeggen: Vanaf de be­ginne was Ik en Ik doe de dingen, zoals Ik ze de Vader heb zien doen. En ik blijf bij jullie.

Onze ogen gaan open!

Het was iets onbegrijpelijks, maar langzaam en zeker gingen hun ogen open, maar ook nu onze ogen open. Jezus was en is de bron van alle leven.

Hij was als het ware verweven met het plan van God voor de­ze aarde en bracht ons op die wijze in contact met de Va­der, de bron van al het goe­de. Zo liet Hij ons de Vader kennen en brak een nieuw, ja volkomen nieuw, tijdperk aan. Door geloof werden wij recht­vaardig; werken gaf Hij ons te doen. Koningen en priesters werden wij in een nieuw koninkrijk, waarin Jezus Koning is en wij mogen opwas­sen, totdat het alles baan breekt en erkend zal worden^ dat Jezus Heer is.

Om tot dat doel te komen is er macht en autoriteit no­dig. Als eerste vraag komt dan op ons af: wat is macht en autoriteit?

De strijd om de macht

Echte macht en kracht is die macht welke uit God komt, dat hebben we in de autori­teit van Jezus kunnen zien. Hij had macht over al de krachten en machten in de onzienlijke wereld die de mensen afbraken en ziek maakten. Alle dingen die door de zonde in de wereld gekomen waren werden door Hem hersteld. Hij toonde dat Hij macht had in de natuur­lijke en in de bovennatuur­lijke sfeer.

Vanaf het begin der schep­ping ontstond er al strijd om de macht. God schiep in de onzienlijke wereld Zijn engelen, Zijn Geestes-legioenen. Er ontstond een strijd om de macht. Eén en­gel bracht het zeer ver. Hij kreeg een groot aantal gees­ten achter zich en vanaf de schepping van de mens heeft die engel (satan genaamd) zijn macht en kracht laten gelden.

Maar God ging door met Zijn werk en schiep de mens. Vanaf dat moment was er een door God geschapen wezen die over he? verkeerde, de macht van satan, kon heersen. Dat plan Gods is nog steeds van kracht. God wil de hoogste kracht en macht schenken aan de mensheid. Dat Hij dat werkelijk meent en doet, heeft Hij in Christus waar­gemaakt. Dat was werkelijke macht en kracht. Die kracht beheerste het gehele leven: geestelijk door herstel en natuurlijk in de heerschap­pij over brood, dier (vis) en water.

Eerst zal de mens moeten heersen over alles op deze aarde, daarna over het gehe­le werk Gods. Ja zelfs over de engelen in de hemel, dat wil zeggen in de onzienlijke wereld. De zondeval heeft, ik zeg het nogmaals, er voor gezorgd dat de mens uit zijn roeping viel. Maar – halle­luja – Gods plan blijft be­staan. Aan de mens is alles onderworpen; Jezus was de eerste en wij zullen en mo­gen Hem volgen.

Wat is macht?

Macht is een woord dat impo­neert. Het is in de loop der tijden scheef gegroeid, want hoort te zijn een kracht om te kunnen dienen. Een rege­ring bijvoorbeeld die met macht regeert is een dienen­de regering, die er voor zorgt dat het al zijn onderdanen goed gaat. De macht van een goede vader hoort er op gericht te zijn dat het zijn kinderen goed gaat, dat ze opgroeien tot volwassenheid.

Zeer veel leiders voeren heerschappij ten eigen behoe­ve. Het is goed dat u op dit punt eens aan het onderzoeken gaat of hierin alles in uw omgeving wel aan de goddelij­ke maatstaven voldoet. Chris­tenen, die de opdracht hebben de wereld te herstellen en te beheren, moeten niet heersen maar dienen. Alzo ook in de gemeente als eerste plaats waarin deze dingen moeten openbaar worden. Het elkaar tot hulp en steun zijn, blij zijn met elkaar dat de één dit heeft en de ander dat heeft. Vooral dat laatste geeft nog al eens problemen en veroorzaakt veel schei­ding. In het gezin, let op: de ouders zijn er voor de kinderen, is het ook zo dat men blij is met de variatie. Dat geeft leven en inzicht en de mogelijkheid om te bouwen. Een gezin met alleen maar elektriciens krijgt geen huis van de grond.

In de wereld vindt men de macht van de wetteloosheid. Daaruit ontstaat geweldena­rij. Het is daar vaak harde noodzaak dat men geweld ge­bruikt. Laat dat bij ons an­ders zijn, ook in de opvoe­ding van onze kinderen. Geef hun het goede voorbeeld, strijd voor hun in de’ on­zienlijke wereld en gebruik nooit geweld. Ook niet als het moeilijk wordt. Strijdt de goede strijd des geloofs en u zult zegevieren.

Leven naar Gods gedachten

In de gemeente Gods moet al­les tot volmaaktheid komen en dat gaat niet vergezeld van geweld. Wij moeten leren leven naar de gedachten van God en wij zijn nu op een punt genaderd dat we verder komen omdat Hij, Jezus, onze Leidsman in dit geloof, met ons is en ons zal leiden in alle waarheid. Jezus zelf groeide ook op in een nor­maal gezin met vader, moe­der, broers en zusters. Hij groeide op als natuurlijk mens doordat vader en moeder voor hem zorgden. Zijn he­melse Vader gaf hem de ande­re opvoeding. Dat laatste staat boven alles en bij Je­zus begon dat al op zeer jeugdige leeftijd. Bij de doop in de Jordaan ontving Hij voor die opvoeding zijn bekroning, namelijk de auto­riteit van de Vader. Vanaf dat moment – denk daar eens over na – beschikte hij over zijn eigen leven. Hij kon het afleggen en opnemen. Dat is de werkelijke wil van God en Jezus ging in de kracht van God, goeddoende en gene­zende allen die door de dui­vel overweldigd waren.

God is de bron van alle goed en het is ook voor u be­stemd. Daarvoor werd het pinksteren, daarvoor kunt u( de doop in de Heilige Geest ontvangen en opwassen tot alle volheid Gods. Hij heeft ons niet afgeschreven, maar alles ingezet om het in u en mij waar te maken. Het is een weg van geloof en wij mogen geloven dat Hij het in ons volbrengen zal, indien wij maar belijden dat Hij het in ons doen kan. Want ook hierbij geldt: u ge­schiede naar uw geloof. Ga op uw voeten staan en ga er uit leven dat Gods kracht ook voor u bestemd is.

Christus in u is de hoop van alle heerlijkheid.

Functioneert de macht van Jezus reeds in ons leven?

Alle christenen willen wel erkennen dat Jezus alle macht heeft. Maar hoe staat het met de erkenning dat de gelovigen in Hem die macht ook mede bezitten? Dit geldt eerst voor ieder die tot ge­loof komt, voor autoriteit in de hemelse gewesten, daarna in de gemeente van Christus en vervolgens in de gehele wereld.

Dit evangelie van Jezus om op te bouwen en te herstel­len, ja zelfs tot aan de vervallen hut van David toe, zal over de gehele wereld verkondigd worden. Hij zal daarbij met ons zijn en zijn opdracht (niet die van “Le­vend Geloof”) zal daarbij waar worden dat de gehele wereld tot zijn discipelen worden gemaakt. Wij zijn geen doemdenkers, maar gelo­vigen in Christus Jezus die zei: Ik heb alle macht in hemel en op aarde.

Wij geloven in Zijn en in onze opdracht. Wij willen daartoe in deze tijd, waarin velen zeggen: het kan niet meer goed gaan, samen gaan opwassen tot alle volheid Gods, dat is de voleinding, het einddoel. God in ons de hoop der heerlijkheid. Dat is de opdracht, de marsorder en wij willen er velen toe aansporen om met ons te gaan op die weg die Hij ons ver­der wijzen zal. Wij zijn het lichaam van Hem. Wij weten en erkennen dat wij eerst zelf gevormd moeten worden om tot de vorming van ande­ren te kunnen komen. Chris­tus leeft zijn leven door ons verder en wij staan op in Zijn Naam. Onschendbaar zullen wij worden in het vijandelijke land dat ons omringt. Leef daarbij gewoon onder de mensen, maar leef uit de belijdenis dat wij de Geest van het zoonschap ont­vangen hebben en dat daar­door alles mogelijk is.

Een ieder die berouw heeft dat zijn leven niet aan de­ze Goddelijke roeping vol­doet, vergeeft Hij. Hij staat met open armen op u te wachten. Zie als beeld hiervan naar de gelijkenis van de verloren zoon. Keer de varkenstrog de rug toe en keer terug tot de Vader. Hij verwijt u niets, maar geeft bij uw terugkomst meteen het beste. Bekering wil zeggen: mens, kom terug in Mijn plan en wordt mens, zoals Ik het wil.

Dit plan Gods willen wij doorgeven en openbaren, op­dat de wereld hersteld wordt naar Zijn wil. Kom ga met ons en doe als wij. Jeruza­lem, dat. ik bemin; wij tre­den uwe poorten in. . . .

Daar, in dat Jeruzalem, is het een feestelijke samen­komst van eerstgeborenen, die ingeschreven staan in de hemelen en daar hun Heer en God ontmoeten ter verheer­lijking van Zijn Naam.

 

Reacties van lezers

Christus is het leven

Broeder H. H. te Erica, (Pr. ) schrijft: “Alle waardering voor het blad “Levend Geloof”. Ik ben blij dat in de pinksterwereld een helder geluid klinkt. Ook de uitge­geven brochures zijn goed. Toen ik uw artikel “Christus is het Leven” in het april­nummer las, merkte ik iets op, wat naar mijn mening niet helemaal juist is. U schrijft namelijk dat de “eerste dood” het afleggen van het vergankelijk lichaam (het lichamelijk sterven dus) is. Dit noopte mij tot wat pennenvruchten. ”

Deze briefschrijver maakt terecht de opmerking dat het lichamelijk sterven, zoals wij dit thans nog meemaken, niet de benaming ‘eerste dood’ behoort te hebben.

Hij licht dit in een uit­voerig schrijven toe en gaat tevens dieper in op de materie: dood, opstanding en oordeel. Als volle evan­gelieprediker heeft hij zich in dit onderwerp ver­diept en er Bijbelstudies over gegeven. In het vol­gend nummer hopen wij zijn schrijven als artikel te plaatsen, zodat ook onze lezers kennis kunnen nemen van deze verhelderende in­zichten.

Hartelijk welkom!

De groei van het aantal, nieuwe abonnees duurt nog steeds voort. Ook deze maand kunnen wij weer tientallen nieuwe lezers en lezeressen welkom heten! Soms wordt de aanmelding voorzien van bij­schriften. wat voor ons al­tijd erg bemoedigend is. ”Een pracht van een blad. Gods zegen op uw werk”, schreef zuster A. O. – O. te Alblasserdam, op de oranje- aanmeldingskaart die zij gebruikte. Zuster G. M, – de W. te Medemblik, gaf zich op per brief en schreef: “Door de zegen vanuit uw blad ont­vangen, heb ik besloten een abonnement te nemen”. Zuster Y. L. d. K. te Amsterdam, die ook toezending vroeg van de brochure “Hoe beleven wij ons geloof?”, schreef: “Sinds korte tijd ben ik abonnee op uw maandblad “Le­vend Geloof”. Ik lees de bladen altijd met veel ple­zier”. Broeder S. J. B. te Meppel schrijft: “Terecht mag het blad “Levend Geloof” deze naam hebben. Dit blad heb ik via mijn vader gekre­gen, dit blad heeft iets bijzonders, het gaat uit van het Woord, het waarachtige Woord van God. U schrijft wat het Woord van God zegt, wat het is, wat God bedoeld heeft met de schepping en zeker voor de kinderen Gods, wat ze zijn in Christus Je­zus. Wat met dit blad op- valt, is wat het doel is en hoe ik dat doel kan halen”.

Heeft Yoga als ontspanningsleer nog waarde?

Ook uit België ontvingen wij weer verschillende reacties. Broeder F. O. S. te Brugge vroeg in een brief voorbede voor iemand die hij tevens een geschenkabonnement aanbood. Uit zijn begeleidend stencil blijkt hoe deze broeder op wonder­bare wijze is verlost uit satans macht en hoe hij thans de overwinning mag ervaren op talrijke ter­reinen waar hij eerst ge­bonden was.

Wij citeren uit zijn getui­genis: “Voedingsfanatici zijn er in alle kringen, de één macrobiotisch, de ander vegetarisch, een derde hygiënistisch, tot en met strikte rauwkost en langdurig vasten; een per­soon uit deze denksfeer heeft mij voor jarenlang de verbijstering en ontredde­ring in gestuurd; de Heer heeft uitweg uit de doolhof aangewezen in de Heilige Schrift en voeding en vas­ten hun juiste (belangrijke maar betrekkelijke) waarde gegeven. Wie zich met Hem voedt, is goed gevoed en kan vasten als het moet!”

Over yoga schrijft deze broeder: “Als ontspanningsleer biedt yoga ongetwijfeld mogelijkheden en middelen voor herstel en genezing naar lichaam, geest en ziel . . . . voor gezondheid, fy­sisch en mentaal; maar als ontwikkelingsweg naar Gods eeuwig leven – zonder Jezus Christus is het risico van misleiding niet denkbeel­dig. Yoga betekent nog niet: “wedergeboorte” uit de Geest . . . . het ik leidt, oefent, heerst, niet de Heilige Geest. Yoga kan helpen, maar neigt tot meesteren en is mij zo gevaarlijk gebleken, dat ik er bijna krankzinnig van ben geworden, 15 jaar geleden”.

Commentaar van de redactie: Persoonlijk zou ik ook yo­ga volledig af willen wijzen als ’ontspanningsleer’. Want dat mag dan, zoals u schrijft, ‘mogelijkheden geven voor fysische en men­tale gezondheid’, maar kan juist daardoor, bij sommi­gen, een verdere invals­poort betekenen naar occul­te gebondenheid. Daarom liever een radicale afwij­zing.         

 

Een belangrijke vraag door redactie

Wat is het allerbelangrijkste in deze tijd?. . . .

De verkondiging van het volle evangelie!

Dat is hetzelfde evangelie wat Jezus bracht en de apostelen. Het evangelie dat in de eerste tijd van het christendom zo’n geweldige uitwer­king had. . . . maar ook vandaag!

Want overal waar dit evangelie gebracht wordt, bevestigd God Zijn Woord door tekenen en wonde­ren, worden mensen vernieuwd naar geest, ziel en lichaam en begint de Heer Zijn herstelwerk in mensenlevens met de bedoeling dat ze omgevormd worden naar het beeld van Christus.

“Levend Geloof” wil hieraan meewerken door de verkondiging van dit evangelie in al zijn facet­ten. Helpt u mee dit mogelijk te maken door bid­dend en werkend achter deze arbeid te staan?

 

Gods kracht voor vandaag door Rob Polderman

Pinksteren: verleden, heden, toekomst

Veel mensen hebben Pinksteren weer als gedenkdag ge­vierd. Het Kerstfeest her­innert ons aan de geboorte van de Heer Jezus, nu bijna 2000 jaar geleden. Dit is een historische gebeurtenis. Op dezelfde wijze wordt men op de Pinksterdag herinnert aan de uitstorting van de Heilige Geest te Jeruzalem. Het was de start voor de ge­meente. Je zou het als de verjaardag van de kerk kunnen beschouwen. Om aan dit jubileum een feestelijk ka­rakter te geven wordt menig­maal op Pinksteren een zending dag, een belijdenis- en doopdienst belegd.

Toch is Pinksteren veel meer dan een gedenkdag. Op een gedenkdag staat men stil bij iets dat voorbij is, iets dat tot het verleden be­hoort. De uitstorting van de Heilige Geest moet je echter niet gedenken, maar dat moet je beleven. De vervulling met de Heilige Geest mag nooit voorbij gaan, maar moet blijven en zelfs groei­en, toenemen. Pinksteren is meer dan Gods kracht voor toen, maar voor ons is het, Gods kracht hier en nu!

De Heer Jezus zei: “De Geest komt en blijft bij u en zal in u zijn. Hij zal tot in eeuwigheid bij u zijn”. Pinksteren moet een blijvende zaak zijn, het heeft met de Géést te maken. De Heili­ge Geest wekt eeuwig leven in de mens, leven Gods.

Als wij denken aan eeuwig leven, dan worden wij ook bij de toekomst bepaald. Het is de Heilige Geest die de kinderen Gods zowel inzicht geeft in de toekomstige dingen, als ook toerust door ge­zonde geestelijke groei en geestelijke begaafdheden voor Gods toekomst. Wanneer Hij komt, de Geest der Waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid en de toe­komst zal Hij u verkondigen.

God woont in de mens

Het wonder van Pinksteren is, dat wij dank zij de doop in de Heilige Geest, de gemeen­schap met de Vader, de kracht en het leven Gods niet ver weg moeten zoeken, maar binnen in ons, in de binnenkamer, de innerlijke mens.

De gemeenschap tussen onze geest en Gods Geest vindt binnenin ons plaats. Daar groeien ook de vruchten van die gemeenschap en deze wor­den van binnenuit openbaar. De apostel Paulus schreef aan de Romeinen: “Zeg niet in uw hart: Wie zal ten he­mel opklimmen? namelijk om Christus te doen afdalen. Maar zeg, nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart” Romeinen 10 vers 6 tot en met 8 (Rom. 10:06-08) .

Niet door eigen menselijke prestaties zullen wij groei­en en iets bereiken in het Koninkrijk Gods. Niet de veelheid en schoonheid van onze woorden, niet de lengte en inspanning van. onze gebe­den, het roepen, zuchten en wenen voor God. Is dit niet heidens? Ten tijde van de profeet Elia kunnen wij de afgodendienaars, de Baalpriesters, op deze wijze be­zig zien op de Karmel.

Dit is het Woord des Heren: “Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest! zegt de Here der heerscharen” Zacharia 4 vers 6 (Zach. 04:06). Elke vorm van geweld komt van sa­tan, ook elk vroom geweld. Laten wij dat beseffen. Door de Geest maakt Christus – het beeld van de onzichtbare God – woning in ons hart. Kunt u het zich voorstellen dat de satan de aandacht op allerlei manieren afleidt van de ware inhoud van Pink­steren?

God werkt in de mens

De Geest is het leven. Wan­neer Gods Geest in ons woont en werkt, kan het niet an­ders dan dat het leven Gods in ons ontwaakt. Zijn wezen en Zijn gezindheid zullen zich in de mens ontplooien en gaan openbaren. De apos­tel Paulus schreef’ in Efeze 3 vers 20 (Ef. 03:20): “Blijkens die Geest, de kracht Gods, die in ons wérkt, is Hij bij machte on­eindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen”. Wij beseffen wellicht nog niet ten volle waar de Geest Gods in ons toe in staat is. Maar de Geest doorgrondt Gods plannen en bedoelingen. Die Geest weet het in ons te realiseren, opdat wij vervuld worden tot alle volheid Gods. Kunt u reeds doorgronden wat dit inhoudt? Hoe meer Gods Geest en onze geest met elkaar omgang hebben, hoe meer licht, kennis en inzicht we zullen ontvangen in deze verheven gedachten Gods. En des te meer zullen wij de ge­zindheid van de Geest, vrede en leven, van Hem overnemen. Des Heren vertrouwelijke om­gang is met wie Hem vrezen, en Zijn verbond maakt Hij hun bekend. Dit heeft David reeds ervaren en getuigd. Hoeveel temeer zullen wij dit beleven door Gods Geest.

God spreekt in de mens

Wij spreken met woorden die ons door de Geest geleerd zijn, lezen we in

1 Korinthe 2 vers 13 (1 Kor. 02:13). Wanneer wij hierover door denken dan gaan onze gedach­ten naar die eerste Pinkster­dag in Jeruzalem. Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. Woorden, door de Geest geleerd.

Wij zullen eerst innerlijk naar de Geest moeten leren luisteren, om vervolgens door de Geest tot spreken te komen. Wie in tongen spreekt, spreekt tot God, door de Geest spreekt hij geheimenis­sen. Maar geheimenissen zijn er om aan Gods kinderen geo­penbaard te worden. De Vader bewerkt door Zijn Geest, dat aan de geest van degene die Hem liefheeft, de geheime­nissen worden meegedeeld. De Heilige Geest en de mense­lijke geest onderhouden zich samen over de geheimenissen Gods. Wij zullen als Geest- vervulde kinderen Gods, ons er bewust op mogen richten en voor openstellen om de geheimenissen Gods te gaan verstaan. Pas nadat wij deze verstaan, zullen wij in de kracht Gods deze geheimenis­sen uitvoeren.

Er is een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelij­ke erfenis, die in de heme­len voor ons is weggelegd. Deze heerlijke, geestelijke rijkdommen bevinden zich in de onzienlijke wereld. De Heilige Geest legt deze schatten in ons hart. Ze worden ons door Gods hand aangeboden.

Door alle eeuwen heen en on­danks alle roofovervallen van satan, is deze goddelij­ke erfenis voor ons onge­schonden bewaard gebleven in de kracht Gods, de Heilige Geest. Dan maakt de Heer ons door Petrus bekend in 1 Pe­trus 1 vers 3 tot en met 5 (1 Petr. 01:03-05, dat dit alles gereed ligt om in de laatste tijd geopenbaard te worden. Met het oog daarop is het dan ook dat God zegt: “Het zal zijn in het laatst der dagen dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op al wat leeft”.

Ontvang de Heilige Geest

Stort de Vader zomaar links en rechts Zijn Geest uit? Misschien heb je geluk dat je bij diegenen behoort die de Geest ontvangen. Wellicht heb je pech. Neen, zo werkt onze hemelse Vader niet. Hij is rechtvaardig en maakt geen onderscheid tussen Zijn kinderen. Zijn Geest is er voor allen die Hem liefheb­ben.

Hoe werkt dit dan? Komt de Geest uit Zichzelf of ont­vangt ieder kind van God automatisch de vervulling met de Heilige Geest? Lucas geeft een nauwkeurig verslag over deze gebeurtenis in het leven van de Heer Jezus. “En het geschiedde terwijl al het volk gedoopt werd, dat, toen ook Jezus gedoopt werd en in gebed was, de hemel zich opende en de Heilige Geest op Hem neerdaalde” Lucas 3 vers 21 (Luc. 03:21).

Later onderwijst de Heer het volk aangaande het ontvangen van de Heilige Geest en zegt dat hun Vader uit de hemel de Heilige Geest zal geven aan hen, die Hem daarom bidden. Lucas 11 vers 13 (Luc. 11:13). Jacob ging naar zijn oude vader Isaak toe en vroeg hem om de zegen van het eerstgeboorterecht. Isaak kon het niet meer on­gedaan maken toen Ezau er om vroeg.

Allen die Jezus Christus hebben aangenomen als hun persoonlijke Verlosser, Hei­land en Heer, vormen tezamen de feestelijke en plechtige vergadering van eerstgebore­nen die ingeschreven zijn in de hemelen. Zij zijn de eerstelingen onder Zijn schepselen, voortgebracht naar Zijn raadsbesluit, door het Woord der waarheid.

Is Pinksteren niet het feest der eerstelingen die aan de Here werden gewijd? Ook in deze tijd mogen alle eerst­geborenen vrijmoedig tot hun Vader gaan en Hem vragen om de zegen die behoort bij het eerstgeboorterecht. Die ze­gen is de “belofte des Geestes” Galaten 3 vers 14 (Gal. 03:14). En wat de Vader betreft is die belofte onverbrekelijk.

Wie zegent is in de onzien­lijke wereld bezig. Zegenen is een geestelijke zaak en dit vraagt om geloof. Door middel van het zegenen wordt er contact gelegd tussen de innerlijke mens en de geestelijke wereld. Dankzij de Heilige Geest kunnen wij luisteren en spreken, wande­len en handelen, strijden, overwinnen en standhouden, groeien en vrucht vóórtbren­gen in het Koninkrijk der hemelen.

In Lucas 11 vers 13 (Luc. 11:13 staat “ontvangen door te bidden” en in Galaten 3 vers 14 (Gal. 03:14 staat “ontvangen door geloof”. Is dit ant­woord niet duidelijk? Bid en geloof, en u ontvangt!

Dank zij de zegen des Vaders, dit is de Heilige Geest, wordt het eerstgeboorterecht bevestigd en de zonen Gods geopenbaard!

Gij, kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God. Want Hij geeft u de leraar ter gerechtig­heid – Jezus Christus -, ja regenstromen laat Hij voor u neerdalen – de volheid van Zijn Geest – vroege en late regen. Er zal eindeloze overvloed zijn, herstel en overwinningen. En gij zult loven de Naam van de Here, uw God, die wonderbaar met u gehandeld heeft. Mijn volk zal nimmermeer te schande worden. Joël 2 vers 27 (Joël 02:27).

Prijst de Heer, dit is waarachtig en eeuwig leven!

 

De prijs door Judith Jacobs

Openbaring 2 vers 10b (Openb. 02:10b)

Alles heeft zijn prijs; je moet ervoor betalen of het be­drag nu hoog is of laag.

Het punt is: is het je waard een bepaalde prijs ergens voor te betalen; wil je dat?

De Here schuwde niet de prijs voor óns te betalen; ja, Hij werd voor ons zelfs de (Los)prijs voor altoos en immer.

Hij deed dat vrijwillig. Het dragen van het kruis en eraan te sterven (een misdadigersdood) was Hem de moeite waard. Weet u waarom? Omdat het zou leiden tot ons behoud!

Zouden u en ik het dan met minder af moeten?

Jezus’ woorden klinken als een waarschuwing: Wie vóór Hem kiest heeft de wereld tegen zich. Er komt strijd. Matteüs 10 vers 34 tot en met 36 (Matt. 10:34-36). Christus heeft men vroeger niet begrepen maar verguisd; waarom zou dat nu anders zijn?! En als je niet begrepen wordt, word je niet geaccepteerd.

En toch is, dat de prijs waard. Welke prijs? Om straks uit de hand van Gods Zoon, het loon te mogen ontvangen voor ‘het leed (en o, wat zijn spot en minachting een lijdens­weg!) dat je vrijwillig hebt gedragen.

Het is ook zo’n troost te weten dat Hij vóór is gegaan. De Heer heeft ons niet alleen willen waarschuwen voor de consequenties van de navolging. Hij heeft ons ook (bij voor­baat) een riem onder het hart gestoken, want kruis en kroon, die horen nu eenmaal bij elkaar.

 

Tol betalen (gedicht) door Judith Jacobs

Matteüs 10 vers 24 en 25 (Matt. 10:24-25)

Je zult de “tol moeten betalen”

Als je een kind van God wilt zijn;

Als je – om Christus trouw te blijven –

Geen “water doen wilt bij de wijn”.

 

Er zal dan gauw een einde komen

Aan al je populariteit,

Want Jezus zei reeds dat Zijn woorden

Geen vrede brachten, maar wel strijd.

 

Hij zei ook dat wij “gelijk schapen –

Onder de wolven zouden zijn”,

En dat wij daar als Zijn getuigen

Een “geur van Christus” moesten zijn.

 

Je zult de prijs moeten betalen

Die Jezus droeg voor spot en smaad;

Je bent de dienstknecht, Hij ’s de Meester:

De wereld heeft Hem. . . . het eerst gehaat!

 

Houdt u oók van feestvieren? door H. J. Scholten

“Jubel, dochter van Sion; juich, Israël; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem” Sefanja 3 vers 14 (Sef. 03:14).

Belofte en bemoediging

Het laatste gedeelte van de profeet Zefanja kunnen we wel het Hooglied van de blijdschap noemen. Het is een en al belofte en bemoe­diging. Uit dit Bijbelgedeelte spreekt ook het ver­langen van God zelf. Het is alsof God ook Zelf met reik­halzend verlangen uitziet naar deze gebeurtenissen.

De naam Zefanja betekent: de Here heeft verborgen. Maar nu doet deze profeet zijn naam eigenlijk geen eer aan, want hij gaat openbaren, be­kendmaken wat verborgen was. Sefanja, zelf zeer waar­schijnlijk van koninklijke bloede, gaat de kracht en de komst van de Koning aankon­digen. “De Koning Israëls, de Here, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen” Sefanja 3 vers 15 (Sef. 03:15).

De eindverlossing is geko­men. De vijand is voorgoed weggevaagd. Er kan nu feest worden gevierd. De zonen Gods zijn tevoorschijn ge­treden en worden gesteld tot een naam en tot een lof on­der alle volken der aarde Sefanja 3 vers 20 (Sef. 03:20). Het volk heeft nu reden tot uitbundig feest- vermaak. Het mag gaan jui­chen. Het mag vrolijk zijn. De lijdenstijd van Gods volk is voorbij. Nu kan gezongen worden: Die ons, onder ’t leed gebukt, heeft uit ’s vijands hand gerukt, want Zijn gunst, alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid.

Hoe kan het ook anders, want, de Koning Israëls is in haar midden. De grote Overwinnaar. De Sterkere. Neen, daar kan geen twijfel meer over be­staan: gij zult geen kwaad meer vrezen.

Kunnen we het ons voorstel­len: alle volkeren hebben an­dere, reine lippen? Dat wil zeggen: er wordt slechts waarheid gesproken. De leugen is voorgoed uitgebannen. Er wordt nu alleen nog maar ge­handeld naar recht en gerechtigheid.

We kunnen het ons nauwelijks voorstellen dat dit eens wer­kelijkheid zal zijn temidden van de voortschrijdende leu­gen van onze tijd waarin we nu nog moeten leven. De duis­ternis gaat steeds meer deze aarde bedekken en de volken leven in diepe donkerheid. Maar ook de profeet Jesaja mag al profeteren van Sions heerlijkheid. Hij sluit hele­maal aan bij zijn broeder Sefanja: “Maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijk­heid zal over u gezien wor­den” Jesaja 60 vers 2 (Jes. 60:02).

Ook de profeet Mozes bleef een optimist. Hij mocht ook al in de toekomst blikken. “De Here zal u stellen tot een hoofd en niet tot een staart, gij zult enkel op­gaan en niet neergaan” Deuteronomium 28 vers 13 (Deut. 28:13).

Sefanja is een profeet die spreekt over het verlossings­werk van Jezus Christus, het fundament waarop alle zege­ningen worden opgericht. De dochter van Jeruzalem heeft reden tot grote blijdschap. Eerst was de Koning als Rech­ter aanwezig geweest in Jeru­zalem. Hij had scheiding aan­gebracht door Zijn Geest. Het oordeel begint immers bij het huis Gods? Een rest is te­voorschijn getreden, het overblijfsel van Israël. Deze rest had zich vaak ellendig en gering gevoeld. Smaad, hoon en laster moest het on­dergaan. Vele verdrukkingen zijn het deel van het ware volk Gods. Maar ze schuilen te allen tijde bij de Naam des Heren. Nu gaat volmaakt in vervulling wat Jezus sprak: hij zal ingaan en uit­gaan en weide vinden. Leven en overvloed! Zefanja had het ook al geprofeteerd: want zij zullen weiden en neerlig­gen, zonder dat iemand hen verschrikt.

Waakzaamheid en volharding

Deze tijd is nog vol ver­schrikkingen, ook voor de kinderen Gods. We moeten uiterst waakzaam zijn en dicht bij het woord Gods le­ven. “Wie volhardt tot het einde, die zal behouden wor­den” Matteüs 10 vers 22 (Matt. 10:22). We komen niet fluitend en met de han­den in de zak het beloofde land binnen. Er moet voor ge­streden worden. Zelfs ’tot bloedens’ toe Hebreeën 12 vers 3 (Heb. 12:03). Aan het feestvieren gaat een intense strijd vooraf, doch de overwinning stond al van tevoren vast. De vijand is weggevaagd. Maar dat heeft heel wat strijd gekost. De profeet Daniël zegt: “en tot het einde toe zal er strijd zijn”.

Maar nu is alles voorbij. Iedereen kan volkomen gerust zijn, want er is van geen enkele kant dreiging meer. De Held, die verloste, is in ons midden, Jezus Christus. Zélf bedrijft Hij ook vreugde. “Hij zal zich over u met vreugde verblijden” (vers 17). Het nieuw gecreëerde Godsvolk, geboren uit water en Geest, is geschikt gemaakt om volmaakt de lof des Heren te bezingen. Uit de kudde heeft de goede Her­der de geringe genomen om de luister te vormen voor Zijn regering. Wie had dat ooit gedacht? In wiens hart is dit alles opgekomen? Nu krijgt het volk des Heren de kans om in het wijde en liefdevolle hart van een goede God te blikken. “Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel” Sefanja 3 vers 17 (Sef. 03:17).

Heilige ‘voorpret’

Wat een voorrecht is het toch om een kind van God te zijn. Om de zekerheid van het geloof te bezitten. Om je te verdiepen in de rijk­dom van Gods schatkamer. Je­zus sprak eenmaal over het licht der wereld en over het licht des levens en over het kennen van de Vader Johannes 8 vers 12 tot en met 20 (Joh. 08:12-20). Dan staat er, schijn­baar onopvallend, maar toch veelbetekenend: “Deze woorden sprak Jezus bij de schatka­mer, lerende in de tempel”.

Al Gods kinderen hebben een welgegronde toekomstverwach­ting en de geest vervulden hebben reeds een heilige ‘voorpret’.

“Zie, Ik zal te dien tijde afrekenen met al uw verdruk­kers, maar Ik zal het hinken­de verlossen en het ver­strooide zal Ik verzamelen” Sefanja 3 vers 19 (Sef. 03:19). Zó is onze God. Hij brengt altijd een keer ten goede in het leven van hen, die Hem van harte lief­hebben. De gemoedsbewegingen zijn wederkerig. God is blij en wij zijn blij. God gaat jubelen en wij gaan jubelen. De liefde wordt op het hoogst beleefd en dan is er soms een stille verwondering. “Hij zal zwijgen in Zijn liefde”.

Zo gaan wij, die Jezus van harte liefhebben, naar de grote eindbevrijding. Er is een verschrikkelijke afval in deze dagen. Ook vele christe­nen zakken weg in ongeloof en geestelijke duisternis. Wat overblijft is een heilige rest, een geest vervulde rest. Die rest, Sion genaamd, wordt de rustplaats van God. God wil rusten in Zijn volk en Zijn volk in Hem. God alles in allen! Met veel strijd, lijden en verdrukking heeft Christus Zijn volk in bezit gekregen. Nu mag Hij het uitjubelen: “Ziehier Ik én de kinderen, die God mij ge­geven heeft” Hebreeën

2 vers 13 (Heb. 02:13).

Bent u er ook bij? Hebt u een overgegeven leven aan deze Christus? Kan Hij uw hart nog verblijden? Of is alles dor en dood in uw le­ven? Laat u dan vullen met de Heilige Geest. Geloof dat Hij de Doper is met deze Geest. Dan komt dat ver­nieuwde leven openbaar. Dor­re, dode christenen kunnen toch niet feestvieren?

Echte blijdschap

Alleen als u werkelijk met Zijn Geest vervuld bent zal God van u zeggen: Mijn wel­gevallen! “En zoals de brui­degom zich over de bruid verblijdt, zal uw God zich over u verblijden” Jesaja 62 vers 5 (Jes. 62:05).

Jezus Christus toebehoren betekent: blijdschap. Dat kan ook niet anders. Want Hij zegt: opdat uw blijd­schap vervuld wordt.

Hij heeft Zijn liefde in on­ze harten uitgestort en heus niet mondjesmaat. Alles wordt wederkerig. En nu mo­gen wij Zijn stem horen: “Gij hebt mij betoverd, mijn zuster, bruid, betoverd met één blik van uw ogen, met één snoer van uw hals versiersel. Hoe kostelijk is uw liefde, mijn zuster, bruid” Hooglied 4 vers 10 (Hoogl. 04:10).

Zo mochten alle profeten van het oude verbond profeteren van de voor de gemeente be­stemde genade. Wat een rijk­dom!

Ook Sefanja profeteert mee in het jubelkoor van de heilsbeloften. Het volk Gods is verzameld. Allereerst de gemeente van Christus, de zonen Gods. Daarna hen, die tóch bij ons behoorden Sefanja 3 vers 18 (Sef. 03:18). Een grote schare, die niemand tellen kan. De zonen Gods gaan aan de arbeid. Het geboomte des Levens. Zij zijn geheel en al zonder smet, vlek of rimpel en zor­gen ervoor dat de rest ook zo wordt. Halleluja. Want er is genezing voor de volke­ren. Allen krijgen andere, reine lippen opdat zij allen de Naam des Heren aanroepen; opdat zij Hem dienen met eenparige schouder Sefanja 3 vers 9 (Sef. 03:09).

Het is niet overbodig te roepen: Jubel, dochter van Sion! Het feest kan doorgaan, want daar stromen wa­terbeken, nóóit uitgedroogd. Halleluja!

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -12-

De betekenis van de zegels en het verzegelen

Zegels gaan open. Zo zouden we in één zin het hele eind- tijdgebeuren Kunnen typeren. Nu willen we in dit verband enkele vragen stellen. Allereerst: waarom is er sprake van zegels? Openbaring 5 vers 1 (Openb. 05:01) vertelt ons: “En ik zag in de rechter­hand van Hem, die op de troon zat, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, wel verzegeld met zeven zegels”.

Verscheidene malen wordt er in de profeten gesproken over verzegelen. Bij Jesaja lezen we: “Bind de getuigenis toe, verzegel de wet onder mijn leerlingen” Jesaja 8 vers 16 (Jes. 08:16]. Het gaat hier over de getuigenis, een woord dat slechts drie keer in het hele Oude Testament voorkomt. Het is datgene wat God betuigt aan zijn volk. Parallel daarmee is er sprake van de wet, maar hierbij moeten we niet denken aan het sta­tische begrip van een wetboek; wat met wet vertaald wordt, betekent in wezen onderwijzing. Wanneer nu de opdracht ge­geven wordt om dicht te binden, om te verzegelen, dan houdt dit in: de ontvouwing van de gedachten Gods worden stil ge­legd. God had aan Jesaja bepaalde gedachten bekend gemaakt, maar voorlopig mochten deze niet verder aan de openbaarheid prijsgegeven worden. Het waren zaken die in besloten kring moesten blijven; alleen de leerlingen van de profeet zouden er kennis van nemen.

Waarom werd in de dagen van Jesaja de onderwijzing verze­geld? Eenvoudig omdat de tijd niet rijp was. De bedoeling is duidelijk: als we de onderwijzing verzegelen, betekent dat: we sluiten de school, de boeken gaan dicht, er wordt geen les meer gegeven, vingers naar beneden, er worden geen vragen meer beantwoord. Alleen Jesaja en een kleine groep ingewijden begrepen iets van het onderwijs dat God gaf; de overigen van het volk hadden er geen zintuig voor. Het was de tijd nog niet voor de verdere en volledige onthulling van de plannen Gods.

Daarom vervolgt de profeet dan ook met de veelzeggende op­merking: “En ik zal wachten op de Here, die zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, ja, op Hem zal ik hopen” Jesaja 8 vers 17 (Jes. 08:17). Het sleutelwoord voor Jesaja is: wachten. Wach­ten op God. Want God heeft bepaalde tijden in zijn plan. God doet niet alles in één keer. God maakt ook niet al zijn gedachten in één keer bekend.

God verzegelt, als de tijd nog niet rijp is

Zo zien we: in de dagen van een man als Jesaja was er reeds een bepaald voornemen Gods aanwezig. God had al bepaalde gedachten vastliggen. Er was echter nog geen volk waardoor Hij deze gedachten kon realiseren. Vandaar de verzegeling.

Later keert dit motief bij Jesaja nog een keer terug. We lezen in hoofdstuk 29: “Zo werd het gezicht van dit alles voor u als de woorden van een verzegeld boek, dat men aan iemand geeft, die lezen kan, terwijl men zegt: Lees dit eens; maar hij antwoordt: Ik kan niet, want het is verzegeld” Jesaja 29 vers 11 (Jes. 29:11). Zelfs voor degenen die kunnen lezen, blijkt de zaak nog dicht te zitten. Wanneer er sprake is van men­sen die kunnen lezen, dan betekent dit dat ze al het een en ander aan onderwijs achter de rug hebben. En toch moet de profeet vaststellen: ook zij die onderricht genoten hebben, haken nu af. Gezichten Gods verstaan ze niet. Het is voor hen een verzegeld boek. Voor de besten van het volk blijft de toekomst verborgen. Hun inzicht wordt geblokkeerd. Ze komen er niet doorheen.

Ook bij Daniël treffen we ditzelfde punt aan. In Daniël 8 vers 26 (Dan. 08:26) vernemen we: “En het gezicht van de avonden en de mor­gens, waarvan gesproken werd, dat is waarheid. Gij nu, houd het gezicht verborgen, want het ziet op een verre toekomst”. Eén van de Griekse vertalingen geeft deze tekst als volgt weer: “En gij, verzegel het gezicht”. Waarom werd het verzegeld? De reden wordt hier heel duidelijk vermeld: om­dat de tijd nog niet aangebroken is. Het is een zaak van verre toekomst.

Daarop sluit aan de opdracht die de profeet in het twaalfde hoofdstuk ontvangt: “Maar gij, Daniël, houd de woorden ver­borgen, en verzegel het boek tot de eindtijd; velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen” Daniël 12 vers 4 (Dan. 12:04). Waarom wordt het boek verzegeld? Het wachten is op de tijd van God, de eindtijd, of zoals de Griekse vertalingen het formuleren: de tijd der voleinding. En merkwaardig is dat juist in dit verband de belofte naar voren komt: velen zul­len onderzoek doen. En wat zullen ze onderzoeken? De woor­den der profetie; daar spreekt immers dit hele gedeelte over. En de kennis zal vermeerderen; maar welke kennis is dat? Wanneer het oudtestamentische Hebreeuws de term ‘ken­nis’ bezigt, ook als dit in absolute zin gebeurt, zonder nadere aanduiding of toevoeging, dan is daarmee in de regel maar één ding bedoeld, namelijk kennis van God. Daniël 12 is het antwoord op Hosea 4. In de dagen van Hosea moest God uitroepen: Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis, maar in het laatst der tijden zal de kennis ver­meerderen. Er is maar één soort kennis die van belang zal blijken in het eindtijdgebeuren, en dat is de kennis Gods.

Daniël haakt daar in het achtste vers op in met de vraag: “Mijn heer, waarop zullen deze dingen uitlopen? Doch hij zeide: Ga heen, Daniël, want deze dingen blijven verborgen en verzegeld tot de eindtijd”.

Openbaring onthult waarom de profeten moesten wachten

Telkens zien we zo dit motief dat de achtergrond vormt van Openbaring 5: de verzegelde boekrol. En dan is het merk­waardige: Jesaja en Daniël konden slechts één ding doen: wachten. En in Openbaring ontdekken we waarom ze moesten wachten. Want dan blijkt dat het openen van de zegels geen automatische of vanzelfsprekende zaak is. Een heel hoofd­stuk lang besteedt Johannes er aandacht aan om uiteen te zetten hoe dat openen van die zegels dan wel tot stand komt. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde. Er wordt ook een heel sterk woord gebruikt in dit verband: in het tweede vers van Openbaring 5 horen we over het verbreken der zegels, of, zoals we ook kunnen vertalen: het losmaken. Er is blijkbaar geestelijke kracht voor nodig.

Dit verklaart ook waarom de profeten van het oude verbond moesten wachten. Er was immers nog niemand die de kracht bezat om het verzegeld boek te ontsluiten. Het was maar niet een kwestie van wachten op een bepaald door God van tevoren vastgesteld jaartal in de geschiedenis, neen, het wachten was op de eerste volmaakte Mens.

Gods hele plan ligt in handen van de mens

Heel de schepping wacht op de mens. Heel de schepping moet zuchten om de mens. Zij gaat gebukt onder het falen van de mens. De mens is immers haar heer. Verademing komt er voor haar, als haar heer hersteld zal zijn. Niet eerder. Maar dan ook ten volle. Wat een verademing zal dat zijn. Als de mens weer mens wordt. Heel de schepping zal dan juichen, als zij haar heer en meester ziet. De grootste vreugde voor de schepping zal zijn, haar heer in hernieuwde harmonie te zien met zijn God. Zoals kinderen opbloeien wanneer vader en moeder weer met elkaar verzoend zijn, zo zal de schep­ping in al haar delen verkwikt openbloeien wanneer God en mens het weer helemaal met elkaar kunnen vinden.

God heeft zijn hele plan gelegd in handen van de mens. Daarom is het gebeuren in Openbaring 5 dan ook zo onuit­sprekelijk gewichtig. Eindelijk is daar de eerste Mens die aan de gedachten van het Vaderhart voldoet. Vandaar ook dat Openbaring 5 zo’n vreugdevol hoofdstuk is. De lofprijzing is er niet van de lucht. De jubel breekt er aan alle kanten uit. Engelen, levende wezens, oudsten, ja zelfs alle schep­sel, ze stemmen samen. Ze zingen een nieuw gezang en dat moet ook wel, want wat hier gebeurt, is nog nooit eerder gebeurd, daar zijn gewoon geen woorden voor, althans zeker geen oude woorden.

Want het moet ons niet ontgaan dat Jezus in Openbaring 5 met nadruk beschreven wordt als degene die aan onze kant staat, de Mens voor ons, de Mens met ons. Niet zonder reden wordt Hij in het vijfde vers genoemd de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids.

Zo tintelt Openbaring 5 van de vreugde om de mens Gods. Je­zus, hoofd van een nieuwe mensheid. De mens in wiens hand God zijn plan kan leggen. De mens in wie God ten volle ver­trouwen heeft.

Jezus was de mens voor God. Hij was er helemaal voor de Va­der. Beschikbaar van begin tot eind. En het heeft Hem wat gekost, de rol te kunnen openen. Niet voor niets wordt er in datzelfde vijfde vers speciaal vermeld dat Hij heeft overwonnen. En waarom moest Hij overwinnen? Er staat: “Hij heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen”. De mens Gods moest de strijd aanbinden. Hij moest zegevierend tevoorschijn komen, voordat Hij de boekrol in ontvangst kon nemen. Blijkbaar was er dus het een en ander te overwinnen; blijkbaar waren er krachten die heel bewust het openen van de zegels tegenstonden.

De beslissende betekenis van de boekrol

Wat zit daar achter? Waarom is er zoveel verzet tegen het opengaan van de zegels? Dat is niets anders dan het verzet tegen de realisering van de gedachten Gods. Die boekrol is kennelijk van beslissende betekenis. Er is een buitengewone geestelijke doorbraak voor nodig om hem open te krijgen. En de ontsluiting is een reden tot ongekende vreugde voorde hele schepping in al haar geledingen.

Tegen welke achtergrond moeten we deze rol bezien? Nu wordt Jezus in het onderhavige hoofdstuk de wortel Davids genoemd en in verband daarmee is het wel opvallend dat ook David over een boekrol heeft gesproken. In Psalm 40 lezen we: “Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij ge­schreven; ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste”(vers 8 en 9) (Ps. 040:08-09). En daarbij is het merk­waardig dat David, wanneer hij het heeft over die boekrol, er meteen aan toevoegt over wie of wat daarin gehandeld wordt. Hij zegt: Het gaat over mij. Het is Gods blauwdruk voor mijn leven. Er staat beschreven wat God bedoelt met de mijn toekomst, met mijn koningschap. David was tot de we­tenschap gekomen: ik ben koning niet voor mezelf, ik ben koning voor God. De boekrol is het program voor het koning­schap Gods. David herkent zich daarin en zo wordt Gods wil volbracht. Hij is de mens met de wet Gods, de onderwijzing Gods, in zijn binnenste.

Jezus nam dit woord van David over en maakte het tot het zijne, zoals het tiende hoofdstuk van de Hebreeënbrief ons laat zien. Jezus wist dat Hij de mens Gods was over wie de boekrol sprak; Hij wist dat Hij zou zijn de priester-koning voor God. Het voornemen des Heren zou door zijn hand voort­gang hebben.

Daarom kan ook Hij alleen de boekrol opnemen en ontsluiten. Slechts degene over wie de boekrol handelt, is gerechtigd om haar zegels te verbreken.

De profetische zegen van Jakob wordt uitgewerkt

Daarom is het ook zo veelzeggend dat juist in verband met de macht en de bevoegdheid om de rol te openen de naam ‘Leeuw van Juda’ naar voren gehaald wordt. Immers, die ti­tel is niet zonder inhoud en komt ook niet bepaald zomaar uit de lucht vallen; daarmee bevinden we ons namelijk op profetische bodem van de zegeningen van Jakob uit Genesis 49. Over Juda horen we daar: “Juda, u zullen uw broeders loven” Genesis 49 vers 8 (Gen. 49:08). Dat woord gaat in het boek Openbaring, en met name in hoofdstuk 5, heel duidelijk in vervulling. Je­zus ontvangt daar inderdaad de lof. Van wie? van zijn broe­ders; Hij is immers de eerste onder vele broederen.

De profetische zegen in Genesis vervolgt: “Een leeuwenwelp is Juda; na de roof zijt gij omhoog geklommen, mijn zoon; hij kromt zich, legt zich neder als een leeuw of als een leeuwin; wie durft hem opjagen?” Dit beeld vormt de achtergrond van het gebeuren met de boekrol. Jezus bond de strijd aan, Hij nam de satan de sleutels af en na deze roof is Hij omhoog geklommen om te zitten op de troon aan de rechter­hand van de Vader.

En dan wordt er nog aan toegevoegd de glorieuze toezegging: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de vol­ken gehoorzaam zijn” Genesis 49 vers 10 (Gen. 49:10). Dit wordt beloofd aan Juda als stamvader en stamhoofd, en zo geldt dit woord dan voor Jezus, eveneens in de functie van stamhoofd, Hij is immers het hoofd van dat nieuwe volk, de gemeente.

Hem zullen de volken gehoorzaam zijn. Dat is de belofte en tegelijk de roeping die de leeuw van Juda door God is toe­bedacht. Welnu, precies daarover handelt het laatste Bijbelboek. We zouden kunnen zeggen: het hele boek Openbaring is de uitwerking van deze profetische zegen van Jakob. In Openbaring 5 zien we hoe de leeuw van Juda aantreedt om zijn erfrecht in bezit te nemen. Wat is zijn erfenis? Dat is het koningschap over de volkeren. En de boekrol is als het ware het protocol voor de nieuwe honing: daarin vindt hij de gang van zaken in verband met zijn troonsbestijging. De boekrol is het draaiboek van zijn machtsovername.

Daarom sprak de aartsvader Israël ook: Totdat Silo komt. Silo kan betekenen: de vorst. Het kan ook aangeven: degene die het toekomt, degene die er recht op heeft. Vanuit deze betekenis van de naam Silo treft ons opnieuw de bijzondere geladenheid van Openbaring 5. Het is een sleutelhoofdstuk. We kunnen vaststellen: in Openbaring 5 komt Silo. Hij die er recht op heeft, is daar. Dat is de jubelroep van oud­sten, engelen en ganse schepping: hier is Hij, Hem komt het toe.

Daar hebben de volkeren op gewacht. Het is dan ook niet toevallig dat Johannes op een gegeven moment opmerkt: “En er werd tot mij gezegd: Gij moet wederom profeteren over vele natiën en volken en talen en koningen” Openbaring 10 vers 11 (Openb. 10:11). Het gaat om de volken.

Waarom Openbaring 4 en 5 zo belangrijk zijn

God heeft een plan met de volken. Hij heeft de volken lief, sprak reeds eenmaal Mozes Deuteronomium 33 vers 3 (Deut. 33:03). Het wachten is op degene die er recht op heeft. Hem zullen de volken gehoor­zaam zijn.

Dat is het perspectief van Openbaring 5: de leeuw van Juda treedt aan om de volkeren op te eisen. Zoals het geformu­leerd wordt in de bekende psalm van de troonsbestijging: “Want de Here, de Allerhoogste, is geducht, een groot Koning over de ganse aarde. Hij brengt volken onder ons, na­tiën onder onze voeten” Psalm 47 vers 3 en 4 (Ps. 047:003-004].

Daarom zijn de hoofdstukken 4 en 5 van het boek Openbaring zo van beslissende betekenis. Zij vormen de poort tot alles wat er verder volgt. Openbaring 4 immers is het hoofdstuk over de Troon, terwijl Openbaring 5 de blik richt op de Koning. De Koning van de eindtijd, de mens Gods, die bestemd is om de boekrol ter hand te nemen en zo het plan Gods af te wikkelen.

Openbaring 4 en 5 horen bij elkaar. Troon Gods en mens Gods zijn niet van elkaar los te denken. Zonder hoofdstuk 5 zou hoofdstuk 4 niet af zijn, het zou in de lucht hangen. Zon­der de mens Gods zou de troon Gods geen grondvlak, geen draagvlak hebben, geen weg om zich te realiseren. Via de mens Gods krijgt de troon Gods gestalte.

Zo wordt de troon Gods opgericht onder de volken. Dat is het doel van de boekrol. Daarom is het zo belangrijk dat de mens Gods, de Mensenzoon, de drager van de gedachten Gods over Juda, die rol in handen krijgt. Dat is de grootste vreugde, we zouden kunnen zeggen: de basisvreugde van het hele boek Openbaring: het gaat de goede kant op, want de boekrol is nu in goede handen. Nu kan het voornemen Gods niet meer mislukken. Als we Openbaring 5 goed begrepen heb- ben, dan weten we: nu kan het in wezen niet meer verkeerd aflopen.

Het plan God en de mens Gods kunnen niet falen

Na Openbaring 5 staat het onomstotelijk vast: het plan Gods kan niet meer falen. Want in Openbaring 5 hebben plan Gods en mens Gods elkaar gevonden.

De bedelingenleer houdt ons voor: elke bedeling eindigt met een totaal falen van de mens. Openbaring 5 echter laat een volkomen ander geluid horen: de mens Gods faalt niet.

Integendeel, de mens Gods krijgt de rol in handen. Niet de boze wordt belast met de afwikkeling van het eindgebeuren, maar de mens Gods. Jezus is de mens die niet faalt. Daarom loven Hem de broeders. Jezus is de mens die alle bedelingen doorbreekt. Want zijn koningschap heeft geen einde.

Hier is de Zoon des mensen van wie Daniël sprak: “En zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en ko­ninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem” Daniël 7 vers 13 en 14 (Dan. 07:13-14). Aan wie wordt de macht gegeven? Aan de mensenzoon. En dan is het opvallend dat aan het slot van het hoofdstuk die mensenzoon door Daniël omschreven wordt als het volk van de heiligen des Allerhoogsten. Vers 27 vertelt ons namelijk: “En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zul­len het dienen en gehoorzamen”.

Welnu, in Openbaring 5 gaat dit gebeuren. De mensenzoon treedt aan en wordt gepresenteerd aan God en aan de ganse schepping. Wie is de mensenzoon? Het is Jezus, als hoofd van de gemeente. Het is Jezus en zijn” volk, zij vormen sa­men de nieuwe Mens, de mens Gods.

Hem zullen de volken en de machten gehoorzaam zijn. Daarom is het ook zo frappant dat bij de opening van het eerste zegel een wit paard zijn opmars begint. Wit is de kleur van gerechtigheid, van zuiverheid. Het witte paard gaat uit, overwinnende en om te overwinnen. Dit moet wel zijn de ze­getocht van het evangelie, zoals Jezus die beschrijft in zijn rede over de laatste dingen: “En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

Wat is weer het doel? Alle volken. Het witte paard gaat uit, overwinnende. Alle volken zullen Hem gehoorzaam zijn. Het evangelie van het Koninkrijk gaat uit. Dit is het teken van het einde; immers, zo en alleen zo wordt het einddoel bereikt.

Het eerste zegel vertelt ons van een wereldwijde voortgang van de heilsboodschap, een doorbraak van het rijk Gods. De eindtijd is een tijd van zending. Het witte paard beeldt het uit: het heil zal gaan tot alle volken. “Zegt onder de volken: De Here is Koning” Psalm 96 vers 10 (Ps. 96:10).

(wordt vervolgd).

 

Het volgende nummer

Het volgende nummer van “Levend Geloof” ver­schijnt in de tweede helft van juli en is, even­als andere jaren, een gecombineerd nummer van de maanden juli en augustus. Bestel eens een aantal exemplaren extra voor verspreiding in uw vakantie. In dit komende nummer staan behalve weer verschillende belangrijke geloofsopbouwende arti­kelen, onder andere een ‘vakantie-gedicht’ en een ‘vakantie-belevenis’ van Judith Jacobs. Ver­der vragen wij uw speciale aandacht voor de le­vensgeschiedenis van broeder Jan Noë. Br. Noë was vorige maand precies 15 jaar medewerker van “Le­vend Geloof”. In het juli/augustusnummer volgt zijn getuigenis. Extra exemplaren van dat nummer moeten besteld worden voor 15 juli. Ook van dit juninummer zijn, zolang de voorraad strekt, nog extra nummers verkrijgbaar.

Brochures

Sinds vorig jaar september onze eerste brochure verscheen, zijn honderden boekjes afgenomen en verspreid. We zijn blij met deze ontwikkeling, omdat ook hierdoor de volle evangelieboodschap verspreid wordt en, blijkens verschillende posi­tieve reacties, ingang vindt in de harten. Inmid­dels worden ook de in het vorig nummer aangekondigde brochures van br. Nico Goverts reeds veel afgenomen. De inhoud van deze brochures wordt ge­vormd door de eerste tien verschenen artikelen van de serie: “Verkenningen rond het boek Openba­ring”. De twee boekjes zijn getiteld: “Wat ont­hult het laatste Bijbelboek?” en “Contrasten in het laatste Bijbelboek”. Ze vormen voor velen een sleutel tot het verstaan van dit boek voor de eindtijd.

Verder zijn nog verkrijgbaar: “Hoe beleven wij ons geloof?”, door G. J. R. Doornink/ En “Het Koninkrijk van de kleine kudde”, door H. J. Schot­ten. De eerste brochure van br. Schotten: “De te­genstelling van het aardse- en het hemelse Jeruzalem” is thans geheel uitverkocht, maar wordt over enkele maanden herdrukt.

1981.05 nr. 215

1981.05 nr. 215

Hoe werkt God aan ons herstel?

Onze God is een God van herstel. Zo is Hij; zo is zijn wezen. Maar willen we eens nadenken over de vraag: hoe is Gods werkwijze? Hoe gaat Hij herstellen? Kunnen we daar iets van ontdekken? Of is het een kwestie van afwachten? Mozes bad een merkwaardig gebed: “Maak mij Uw wegen bekend zodat ik U ken” Exodus 33 vers 13 (Ex. 33:13). Hij verlangde iets te mogen verstaan van de wegen die God bewandelt om tot zijn doel te komen. En inderdaad werd dit gebed verhoord, want we lezen in de Psalmen: “Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend, aan de kinderen Israëls zijn daden” Psalm 103 vers 7 (Ps. 103:007).

Gods wil is: Volledig herstel

Zo heeft God ook wegen tot herstel. Zo heeft God ook wegen voor de gemeente. Vaak denken wij bij herstel alleen aan genezing van het lichaam. Maar het plan van God reikt veel verder. Er zijn die­pere lagen in ons wezen die herstel behoeven. Iemand kan soms jaren een kind van God zijn en toch is zijn innerlijk nog beschadigd. De wonden van het verleden zijn nog in zijn ziel. Duister­nis heeft zich vastgesteld in de hoeken van zijn hart. Diep verborgen pijn draagt hij altijd met zich mee. Hoe denken wij eigenlijk over het her­stel van de inwendige mens? Een haalbare zaak? Of moeten we maar leren leven met wat we dan misschien wel ons karakter noemen? Hebben we wel eens bedacht wat in dit verband het woord uit Jesaja 53 zou kunnen betekenen: “Door zijn striemen is onze genezing geworden?” Tenslotte heeft Jezus niet alleen maar naar het lichaam geleden. Hij sprak ook: “Mijn ziel is zeer be­droefd, tot sterven toe”. Hij kon zeggen met de psalmist: “Mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn leven is het dodenrijk nabij. Gij hebt mij in de diepste kuil gelegd, in duistere plaatsen, in diepten. Mijn bekenden zijn een en al duis­ternis, vriend en metgezel hebt Gij van mij ver­wijderd” Psalm 88 vers 4, 7, 19 (Ps. 088:004; Ps. 088:007; Ps. 088:019). Aan het kruis was Je­zus de geslagene en verdrukte. Hij werd geslagen en verbrijzeld, maar niet alleen in zijn lichaam doch vooral in zijn geest. De striemen van de duisternis trokken hun sporen in zijn smetteloze ziel.

Wat is de weg tot innerlijk herstel?

En wat betekent dat voor ons? Dat betekent: er is een weg tot herstel, innerlijk herstel. Dat is het evangelie van Jezus. Hij kwam om alle treurenden te troosten, om vreugdeolie te bren­gen in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. Dat is het plan van Je­zus voor de enkeling en voor de gemeente. Toen Jezus de weg ging van het kruis, toen zag Hij voor zich mensen met vreugdeolie, mensen met een lofgewaad. Dat zou zijn loon zijn. Hij wist: Ik ga niet voor niets, mijn weg zal niet vergeefs zijn. Hij zag de geslagen mens, de kwijnende mens en Hij dacht: Wat geweldig! Straks wordt het anders. Hij zag in de geest een gemeente met lofgewaad. Dat zou het loon zijn op zijn arbeid. Dat is Gods doel vandaag. God herstelt de mens. God herstelt de gemeente. Of hebben wij mis­schien de moed opgegeven? Hebben we misschien onze broeder of zuster afgeschreven en gedacht: dat wordt toch niets. Hebben we wellicht onszelf afgeschreven en gezegd: ik wordt toch nooit an­ders, ik zal het nooit leren. Of hebben we soms in stilte de gemeente afgeschreven: dat lofgewaad? vergeet het maar; dat komt er nooit. Heb­ben we nog hoop? Hoop voor die ander, hoop voor onszelf, hoop voor de gemeente?

Eén uitgangspunt kan ons helpen: we hebben een God die niemand afschrijft. Zo is Hij. Dat is zijn wezen. Dat is zijn barmhartigheid en zijn barmhartigheden hebben geen einde. Dat vertelt ons het woord van God, in Klaagliederen nog wel.

Maar de vraag is: hoe herstelt God? Want soms missen we de boot, omdat we Gods weg niet zien. We doen ons best, we gaan op onze tenen staan, we zoeken naar genezing, naar overwinning, en het lukt niet, we kunnen het niet pakken. Ten­slotte klappen we neer en we schikken ons in ons lot. Voor ons is het niet, zeggen we dan. En we denken: mij krijgen ze niet meer in beweging; ik probeer het niet meer, ik heb vaak genoeg mijn hoofd gestoten.

Hoe komt dat? Mensen die teleurgesteld zijn. Vaak zijn we vergeten of misschien hebben we het nooit geweten: God houdt er een speciale manier van herstellen op na. Soms denken wij: even bid­den, en dan doet God het. Of Hij doet het niet. Dan heb je pech gehad. Het is net een lot uit de loterij. Zomaar op een keer krijg je wat. Of niet. Van het ene moment op het andere kun je zomaar in één klap schatrijk worden. Tenminste: als je geluk hebt.

God geeft een weg aan die leidt tot herstel

Maar zo werkt God niet. Wat is Gods manier van doen dan wel? God is niet onberekenbaar, God is liefde; God is persoonlijk. Hij geeft een weg aan die leidt tot herstel. God zegt: Ik geef je mijn gedachten. Als mijn gedachten in jou komen, zullen zij je ziel genezen.

Spreuken 4 laat ons dit geheim zien: “Mijn zoon, merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn re­denen. Laat ze niet wijken uit uw ogen, bewaar ze diep in uw hart. Want zij zijn leven voor wie ze vinden, genezing voor hun ganse lichaam” Spreuken 4 vers 20 tot en met 22 (Spr. 04:20-22) .

Wist u dat? Wist u dat de gedachten Gods gene­zend werken? Ze zijn medicijn, zegt de Statenver­taling. En wat doe je met medicijnen? U weet wel, dan moet je kijken wat er op staat: driemaal daags innemen. Zeg je dan na een dag: zie je wel, het helpt niets; ik voel me nog beroerd. Neen, je gaat door met slikken. En je denkt: het is goed voor me, want de dokter heeft het gezegd.

Ik ben je Heelmeester, zegt de Heer. Neem in wat Ik je geef. Neem mijn gedachten, neem ze in je op, drink ze in, laat ze doordringen in je ziel, in je geest, in de diepste lagen van je wezen, ze zijn goed voor je. Want, zegt de Heer, Ik weet welke gedachten Ik over je koester, gedach­ten van vrede en niet van onheil.

Gods gedachten werken genezend

Er is één verschil. Bij medicijnen moet je voor­zichtig zijn; pas op voor een overdosis. Dat kan je dood zijn. Bij de gedachten Gods hoef je niet bang te wezen. Je kunt er nooit teveel van ne­men. Het is je leven. Het volk in de balling­schap zag het niet meer zitten. Wat doet God in dat geval? God gaat tot hen spreken. God zegt: “Troost, troost mijn volk, spreek tot het hart van Jeruzalem” Jesaja 40 vers 1 en 2 (Jes. 40:01-02). God geeft hun zijn gedachten. Zo geneest Hij zijn volk.

Dat is Gods weg. Gods weg met ons. Gods weg met de gemeente. Hij spreekt tot je hart. Hij legt zijn gedachten in je. Dat is heil. Dat is he­ling. God zegt: Ik kom eens met je praten. Dat zal je goed doen. Daar knap je van op.

Gods volk was afgedwaald, ver van de Vader, ge­vangen door vreemde góden. Wat doet God? “Daarom zie, Ik zal haar lokken, en haar leiden in de woestijn, en spreken tot haar hart” Hosea 2 vers 13 (Hos. 02:13).

God zegt: Ik geef ze mijn gedachten. Zo geneest hun hart. Dan wordt het dal Achor, het puin dal, deur der hoop. God zegt: misschien is je hart een dal, diepte van ellende, dal vol van puin, puinhopen van je leven. Maar Ik kom naar je toe, Ik neem je mee, je gaat met Mij mee en Ik leg mijn gedachten in jouw moede hart, en mijn ge­dachten geven hoop, een deur gaat open in je ziel. Dan zegt Hosea, dan zal zij daar zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij trok uit Egypte. Dat is herstel. Dagen van verlossing breken aan. Je kunt weer zingen. Waar haal je het vandaan? Je hebt gedachten Gods gehoord. Gedachten Gods doen zingen. Waar ge­dachten van God binnenkomen, daar begint altijd iets te zingen.

Het was een koude, kille tijd. Je was ver van huis en donker was de nacht. Het was winter, barre, wit gevroren winter. Wat doet God? “Voor u die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtig­heid opgaan” Maleachi 4 vers 2 (Mal. 04:02). Zo is God. Zo is Jezus. Zo zijn de gedachten Gods. Als een hoogtezon. Dat is warmte die helpt. Warmte die geneest.

Wat doe je? Je zegt: God, hier ben ik. Ik gooi mijn ramen open en mijn deuren open, gordijnen opzij, luiken opzij, en nu: kom maar, God, met uw licht, met uw warmte, laat de stroom van uw gedachten komen in mijn hart. Ik laat mij be­stralen door U. Dat is een goed soort bestraling. Want, zegt Maleachi, er zal genezing zijn onder haar vleugelen. God zegt: Ik wil zo graag wat nieuws leggen in je hart, mag Ik wat nieuws leg­gen in de gemeente?

Hoe geneest God? Hoe herstelt God de gemeente? Door ons te drenken, te vullen met zijn gedach­ten. Daar wordt je warm van; daar wordt je licht van. Daar wordt de gemeente warm van; daar wordt de gemeente licht van. Gods gedachten genezen, heilzaam en diep. Laat oude wonden wegsmelten, de harde korst van oude wonden. Want: Gods lief­de is als het zonlicht; het straalt naar ieder­een uit.           Nico Goverts.

 

De vrijheid die Christus geeft

 

Wanneer Paulus is Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01) schrijft over de vrijheid die wij in Chris­tus bezitten, raakt hij on­getwijfeld één van de kern­punten van het christelijk geloof. Wie Christus heeft leren kennen is waarlijk vrij! Wat een verschil met de vrijheid die de mens zonder Christus meent te bezitten. In deze tijd met zijn roep om “vrijheid”, wordt trouwens zelfs door sommige niet-christenen deze vrijheid onderkent als surrogaat en met een des illusionerende werking.

Jezus zelf sprak dat alleen de vrijheid die Hij geeft de werkelijke vrijheid is. Johannes 8 vers 36 (Joh. 08:36). Hij toonde dit door de mensen die tot Hem kwamen te bevrijden uit de macht van satan. Hij wil ook vandaag, ieder die in het geloof tot Hem komt, de echte en blijvende vrijheid geven!

Let er echter wel op dat Christus de gever is. Dat wil zeggen: Hij biedt het aan. En zoals een cadeau aan­genomen wordt, zo zal ook deze vrijheid in ontvangst genomen moeten worden. Bo­vendien gaan we een cadeautje uitpakken en er iets mee doen. Zo zal ook de vrij­heid die Christus ons geeft beleefd moeten worden. Niet om te gebruiken “als een aanleiding voor het vlees, maar door elkander te die­nen door de liefde”, zegt Paulus in Galaten 5:13 (Gal 05:13).

Elkaar dienen door de lief­de houdt in dat we elkaar helpen om de volle weg met Jezus te gaan. De weg die Paulus noemt een “wandelen door de Geest”. Door de Heilige Geest kunnen we de vrijheid van Christus wer­kelijk beleven, ook in het gewone, dagelijkse leven. Door de Heilige Geest kun­nen we ook standhouden en overwinnen en laten ons niet weer een slavenjuk op­leggen. Want satan haat de beleving van de werkelijke vrijheid die wij in Chris­tus bezitten.

Galaten 5:13 zegt dat wij geroepen zijn om vrij te zijn! Bent ook u gehoorzaam aan deze roeping?

 

Bedacht zijn op de dingen van Gods Koninkrijk door H. J. Scholten

 

Wij zijn dankbaar steeds weer samen de dingen van het Koninkrijk Gods te mogen overdenken. De volgende teksten uit de Handelingen der apostelen, hoofdstuk 28 vers 22 tot en met 24 lezen we aandachtig.

“Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze sekte betreft, ons is bekend, dat zij over­al tegenspraak vindt.

En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroe­ge morgen tot de avond toe. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelo­vig”.

De apostel Paulus ontvangt in zijn verblijf te Rome de voormannen der Joden voor een Bijbelstudie en men kijkt niet op een paar uurt­jes. Van de vroege morgen tot de late avond is men be­zig met de dingen van het Koninkrijk Gods en wordt er over Jezus gesproken. Vooraf lieten deze voormannen aan Paulus weten dat ze hem een sektariër vinden en ze stel­len zich voorzichtig op. Paulus maakt zich er niet druk om, want hij weet wie zijn Zender is. Een sektelid is iemand, die zich losge­maakt heeft van een gevestigd, godsdienstig systeem en daarin was Paulus wel echt een volgeling van Jezus Christus. Want ook van Jezus werd gezegd, dat Hij een ‘nieuwe leer met gezag’ bracht en de scharen ver­leidde.

Stel eens, dat wij wetsgetrouwe Joden waren geweest en in de dagen van Jezus’ omwandeling op aarde geleefd zouden hebben? Zouden wij wellicht Jezus ook niet heb­ben afgewezen en met velen gezegd hebben: “Neen, maar Hij verleidt de schare?” Johannes 7 vers 12 (Joh. 07:12). Wij zullen al die Joden maar niet te snel veroordelen.

Stel eens, dat wij als tra­ditionele, orthodoxe chris­tenen met een gedegen calvinistische opvoeding erbij gestaan zouden hebben toen Jezus boze en onreine gees­ten bij de mensen uitdreef? Als we gehoord hadden dat deze boze geesten onder luid geschreeuw deze gebonden mensen verlieten? Wellicht hadden we gezegd: “Is dit alles wel van God? Wat is dat voor vreemd gedoe?” Onze calvinistische haren waren zeer zeker steil te berge gerezen.

Ten opzichte van de Joden uit de dagen van Jezus en Paulus is er ook in onze da­gen niet zo bijzonder veel veranderd. Vele christenen weten, eerlijk gezegd, niet goed raad met de woorden van Jezus uit Markus 16 vers 17 en 18 (Mark. 16:17-18): “Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als te­kenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zul­len zij de handen leggen en zij zullen genezen worden”.

Velen zijn opgelucht te kun­nen zeggen: “Het staat tus­sen haakjes en we weten niet zeker of dit wel woorden van Jezus zelf zijn”. Daarmede is dan voor velen de kous af.

Vele christenen nemen aanstoot aan Jezus

Als je met kerkchristenen over deze dingen spreekt.. be­merk je al gauw een geest van verzet en geprikkeld­heid. “Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt”, zegt Jezus. Onbewust is Jezus nog vaak een aanstoot en een ergernis voor vele christe­nen.

Als wij dan in onze volle evangeliegemeenten wél op de woorden van Jezus ingaan en ze in praktijk brengen, komt er dikwijls een verholen kritiek vanuit het gevestig­de kerkchristendom. Men zegt het nog niet altijd hardop, maar vindt wel dat we ook min of meer sektarisch zijn.

Doch als men eerlijk wil zijn zal men moeten toege­ven, op grond van Gods Woord, dat vele kerken ver afgedre­ven zijn van bepaalde, gees­telijke waarheden en dat er een grote demonenblindheid heerst.

Ook wat de gaven van de Hei­lige Geest betreft heerst er een grote onkunde in de tra­ditionele kerken. We herin­neren ons een serie artikelen, geschreven door een hoogleraar vanuit de gereformeerde gezindte, waarin het ging over de gaven van de Heilige Geest en hoe het nu was in de kerken. Deze hoogleraar moest schrijven: “Vele hoofdstukken uit de bijbel zijn in onze kerken nog gesloten, vooral de hoofdstukken 12 en 14 uit de eerste brief aan Korinthe waar we veelal nog niet goed raad mee weten”. Hij beëindigde zijn serie als volgt: “Moge de Here God ons uitdrijven in het gebed, zodat wij in onze kerken deze dingen be­ter zullen gaan verstaan”.

Dit is al weer jaren geleden en er is in die kerken nog niets veranderd. Men kan er wel mooi over schrijven, maar men houdt toch de voet tegen de deur als het onderwerp ‘geestesgaven’ aan de orde komt. En zo blijft alles bij het oude.

Als de apostel Paulus voor de stadhouder Felix moet ver­schijnen, zegt hij tot hem: “Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een sekte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en de profeten geschreven staat” Handelingen 24 vers 14 (Hand. 24:14).

Wij zijn geroepen discipelen van Gods koninkrijk te zijn

Als volle-evangelie-christenen hebben wij dezelfde pas­sie als een Paulus en wij hebben een verlangen om ware discipelen te zijn van het Koninkrijk der hemelen. Doop en vervulling met de Heilige Geest is noodzakelijk om be­dacht te zijn op de dingen Gods. Wij willen het gebod van Jezus volbrengen: “Drijft handel, totdat Ik terugkom!” Lucas 19 vers 13 (Luc. 19:13).

Jezus is ons in alles een voorbeeld geweest opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden 1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21). “Want hiertoe zijt gij geroepen”, zegt de apostel.

Wij zijn niet geroepen om al­leen maar zondag op zondag naar een gedegen preek te luisteren en dan weer over te gaan tot de orde van de dag. Dit is het levenspatroon van vele christenen en hun enigste verandering is dat ze ouder worden. Neen, wij zijn geroepen tot daders van het Woord. Maar dan steekt het ‘vrome’ verzet z’n kop op. Hoorders van het Woord zijn er echter genoeg.

We lezen nu uit Matteüs 4 vers 23 tot en met 25(Matt. 04:23-25):

“En Hij trok rond in geheel Galiléa en leerde in hun sy­nagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk Gods en genas alle ziekte en kwaal onder het volk. En het gerucht van Hem drong door tot in geheel Syrië; en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, ge­kweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden en Hij genas hen”.

Dit alles behoorde bij de prediking van het Koninkrijk Gods. Wie is er op bedacht? Hoe is het nu in onze tijd? Hoe is het in de kerken? Zijn er niet velen ziek en gebonden? Wellicht nog meer als in de dagen van Jezus op aarde. Zijn velen niet over­weldigd door de duivel en worden velen niet gekweld? De inrichtingen zitten vol met neurotische mensen; steeds meer psychiaters ko­men er bij. De gevangenissen zitten vol met uit het lood geslagen en agressieve men­sen. De kalmerende pillen vliegen bij duizenden de farmaceutische fabrieken uit. Het zijn hoogtijdagen voor de vorst der duister­nis.

Dokters en psychiaters heb­ben veelal de plaats ingeno­men van de grote Heelmeester Jezus Christus. En als deze mensen ook niet meer kunnen helpen, nemen velen de toe­vlucht tot allerlei kwakzal­vers, kruidendokters, magne­tiseurs en strijkers.

“Zal een volk niet zijn God vragen?” zegt de profeet Jesaja.

Wat doet het gevestigde christendom nu met al deze zieke en gebonden mensen. Hebben ze een antwoord? Een verlossend en bevrijdend antwoord? Maar dan ook met de daad bij het Woord!

Bezitten wij Godsdienstig of geestelijk besef?

Als kinderen Gods hebben wij een heerlijke taak. Kennen wij de Schrift en de kracht Gods? Wat bezitten wij: een godsdienstig of een geeste­lijk besef?

Er behoort geestelijke groei en vooruitgang te zijn onder Gods volk. Men kan toch niet ten eeuwige dage alleen maar blijven prediken over zonde, genade en uitverkiezing? We weten dat alleen al de ‘uitverkiezingsleer’ haar tienduizenden verslagen heeft.

Er is méér! Jezus is de Do­per met de Heilige Geest; er zijn gaven van de Heilige Geest; er is een geestelijke wapenrusting. Dit geeft God aan Zijn kinderen tot opbouw van de gemeente, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toe­gerust 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17).

Er moet gebouwd worden op het fundament, Jezus Chris­tus. Daartoe moet er eerst verlossing en bevrijding zijn van alle gebondenheden onder Gods volk. Er moet verlossing komen van de macht der zonde. Zacharias, de vader van Johannes de Do­per, profeteerde reeds: “dat Hij ons zou geven, zonder vreze, uit de hand der vij­anden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtig­heid voor Zijn aangezicht, al onze dagen” Lucas 1 vers 74 en 75 (Luc. 01:74-75).

God wacht op Zijn kinderen en reeds in het oude testa­ment kunnen we lezen: “De Here strekt van Sion uw machtige scepter uit: Heers temidden van uw vijanden” Psalm 110 vers 2 (Ps. 110:002).

Hier wordt een opdracht ge­geven aan het volk Gods dat Jezus toebehoort. En wat is het dan verblijdend als dit volk geheel en al gehoorzaam wordt, want er staat verder in deze psalm: “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban” Psalm 110 vers 3 (Ps. 110:003).

Zijn wij bekleed met het gezag van de Heilige Geest?

Niemand kan nu zeggen, dat dit alleen maar sloeg op Je­zus zélf, omdat Hij de priester-koning des Heren was. Wij zijn geroepen om Zijn beeld gelijkvormig te worden, het beeld van nede­righeid en zachtmoedigheid. Maar eveneens om als dader van het Woord in Zijn voet­stappen te treden. Onver­saagd en zonder vreze! Kan dat dan? En hoe moet dat dan? Duizenden christenen hebben geen inzicht in de geestelijke wereld. Ze zijn te aards in hun denken en verstaan niet wat het is te strijden in de hemelse ge­westen.

Zoals reeds gezegd kunnen we de geestelijke wapenrusting alleen gebruiken als wij met Gods Geest vervuld zijn en in het bezit zijn gekomen van geestelijke gaven. Daar­naar moet gestreefd worden. De apostel Paulus zegt: “Jaagt de liefde na én streeft naar de gaven des Geestes, doch vooral naar het profeteren” 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01). Wil men bedacht zijn op de dingen Gods, dan zijn de geestesgaven noodzakelijk. In deze demonische eindtijd zullen we ernst moeten maken met de woorden Gods. Vele christenen vallen af naar het totale ongeloof door ge­brek aan kennis en inzicht in Gods woord.

Ook ons wil God bekleden met het gezag van de Heilige Geest. Velen moeten ‘gewilde nederigheid’ wat deze dingen betreft maar eens afleggen. Ze laten zich voeden door ‘vrome’ geesten.

“Ik breng troost bij zieke en verdrietige mensen”, zei eens een predikant. Dat is erg mooi en goed, maar wat brengt hij nog meer? Stel eens, dat u een klein poesje vindt met het pootje in een ratteklem, angstig miauwend? Strijkt u dat poesje dan alsmaar over het ruggetje, onderwijl fluisterend: “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde?” Laat nu niemand ge­prikkeld worden. Als dat poesje kon spreken zou het zeggen: “Maak alstublieft die klem eens los, daar heb ik wel iets meer aan”.

De werkelijke opdracht voor het volk van God

We zouden geneigd zijn te zeggen: er wordt heel veel gepreekt, maar zo weinig ge­daan. “Amen”, zegt de domi­nee en de kerk gaat uit.

Het is met recht eindtijd en alles wordt steeds demonischer. Wat stellen wij, als Gods kinderen, daar tegen­over? We redden het niet met moraalpreekjes. Veel geeste­lijke leiders bewegen zich op horizontaal terrein en maken zich druk over de “derde we­reld”. Men ijvert voor de we­reldvrede, gelijkstelling van alle rassen; men bedrijft po­litiek op de preekstoel en verzet zich tegen de neutro­nenbom. In eigen kracht wil men het gelaat van de aarde vernieuwen. Een soort faceliften met een godsdienstig sausje.

Wat is nu de werkelijke opdracht voor Gods volk? Voor de geestelijke leiders? De opdracht is niet te ijveren voor de wereldvrede en te trachten het menselijk ge­slacht te verbeteren, maar om te prediken: “Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht” Handelingen 2 vers 40 (Hand. 02:40).

De apostel Petrus zegt in zijn brief 2 Petrus 3 vers 7 (2 Petr. 03:07):

“Maar de tegenwoordige heme­len én de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der god­deloze mensen”.

Onze goede God wil dóór Jezus Christus verloren en gebonden mensen loskopen van deze aar­de en door de vervulling met de Heilige Geest er hemel­burgers van maken. Deze men­sen moeten eerst de volle raad Gods gepredikt krijgen, verlost worden van gebonden­heden en de macht der zonde. Kennis en inzicht heeft men nodig in het Koninkrijk der hemelen. Gods grote liefde wil en kan dit alles bewer­ken in verloste en bevrijde zondaren. Zijn liefde maakt van ons koningen en pries­ters en we behoeven geen ‘arme zondaartjes’ te blij­ven tot de dood.

De kracht des Heren komt tot openbaring

Nu willen wij allerminst be­weren al deze geestelijke dingen onder de knie te heb­ben en aan de lopende band zieke en gebonden mensen te kunnen genezen en bevrijden. Maar wij zijn hier wel, worstelend in de gebeden, voor het aangezicht van God, mee bezig en wij mogen tot onze grote blijdschap menig­maal ervaren, dat er ook on­der ons kracht des Heren aanwezig is tot bevrijding en genezing.

In die kracht moet men gaan geloven en ze ook verwach­ten. Ook Jezus was hiervan afhankelijk. “De Zoon kan niets doen van zichzelf”, zegt Hij. In Lucas 5 vers 17 en 18 (Luc. 05:17-18) staat: “En er was kracht des Heren, zodat Hij kon genezen”.

Wie dit evangelie is toege­daan kan rekenen op een grote tegenstand, vooral uit de schoot van het gevestigde christendom. Iemand zei eens: “Het domineeswereldje be­schermt zichzelf”. We zien dat er nog niet zoveel veran­derd is met betrekking tot de dagen van Jezus en de aposte­len. Het woord van Jezus uit Lucas 11 vers 52 (Luc. 11:52) staat nog altijd recht overeind: “Wee u, wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; zélf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen te gaan, hebt gij tegengehou­den” .

Nogmaals: wie zal al die ge­bonden mensen bevrijden? Ho­mofielen, drugsverslaafden, mensen met geweldgeesten en ‘vrome’ geesten? Stuur ze maar naar onze ‘vakmensen’, de dokters, maatschappelijke werkers en psychiaters. Dan zijn wij van de moeilijkheden af want er is geen beginnen aan. Het resultaat? Er komen er steeds meer bij. Agressie­ve en uit het lood geslagen mensen. Beeld van deze eind­tijd.

Velen hebben een afkeer als men gaat spreken over de machten der duisternis en de strijd in de hemelse gewes­ten. Voor alle kwalen heeft men zo de namen gevonden: hyperventilatie, neurose, schizofrenie, enzovoort.

Ja, de duivel heeft vele na­men. De oude slang doet, vooral in onze tijd, zijn uiterste best de ogen van Gods volk gesloten te houden. Maar als het inzicht in de hemelse gewesten allengs be­gint door te breken onder de kinderen Gods en het rijk der duisternis steeds meer ontmaskerd en krachteloos gemaakt wordt, zal ook het Koninkrijk Gods steeds meer gaan doorbreken.

Ontwaakt, gij die slaapt!

God wacht op u en mij. Laten wij ons toebereiden voor de­ze dingen? Of zijn wij te­vreden met gezapige kerk­diensten en het zingen van psalmen? “Ontwaakt, gij die slaapt, en Christus zal over u lichten”.

Er is teveel theologie en als men kennis neemt van al­lerlei kerkelijke bladen krijgt men de indruk dat de theologen voor elkaar schrijven. Vaak zware stuk­ken, maar de gewone gelovige man of vrouw heeft er niets aan. Zij zijn het juist die vaak overweldigd zijn, moei­ten, zorgen en ziekten heb­ben. Poesjes met pootjes in de ratteklem. Men heeft eer van elkander nodig en is ge­steld op ‘status’. Men laat zich fêteren door de ongelo­vige wereld en één of andere bekende theoloog krijgt dan een onderscheiding en een lintje opgespeld. Vol trots vermeldt men dit dan in de kerkelijke bladen. Geridderd door onbekeerden.

We hebben een groot verlangen dat blinde ogen geopend wor­den en men gaat verstaan wat ‘dienst aan God’ is. Jezus roept ons ook in dit opzicht toe: Volg Mij. Daarom zijn er gelukkig ook steeds meer kinderen Gods, die met grote vreugde zingen:

Ik wandel op de hoge weg, –

en Jezus woont in mij.

Ik weer is ’s Meesters grote Naam –

des satans heerschappij.

De Heer gaf mij Zijn werk;

in Hem weet ik mij sterk,

en ’t Koninkrijk der heem’- len is –

mijn eeuw’ge erfenis.

Vele christenen vinden zo’n lied aanstotend en hoogmoe­dig. Ze denken met ‘gewilde nederigheid’ God te kunnen behagen. Als volle evangelie christenen overwinningstaal gaan bezigen komen de aanval­len uit het gevestigde chris­tendom. De satan spant zich tot het uiterste in dat nie­mand van Gods kinderen een “Jozua- en Kaleb geest’ krijgt. Daar is hem alles aan gelegen.

Leren wij met. Jezus te zeg­gen: “Ga weg, achter Mij, satan; gij zijt mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen” Matteüs 16 vers 23 (Matt. 16:23).

Wij gaan door met de predi­king van de volle raad Gods en grijpen met volle vrij­moedigheid het woord van on­ze God aan:

“Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en slang zult gij vertrappen” Psalm 91 vers 13 (Ps. 091:013).

Het kan slechts met de gees­telijke wapenrusting en ken­nis en inzicht in de hemelse gewesten. God zélf is een po­sitieve God, maar Gods kinde­ren zijn vaak te negatief.

God geeft ons een Geest van kracht en sterkte. We zien daarbij op de grote Overwin­naar, Jezus Christus. Majes­teit en luister zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en glorie in Zijn heiligdom. Halleluja!

God zegene ons allen in dit geloof in Hem. Amen.

 

De Plaatsvervanger door Judith Jacobs

Matteüs 28 vers 20

Toen Jezus naar de hemel zou opvaren., vertelde Hij zijn discipelen dat het noodzakelijk was dat dit zou gebeuren. Hij legde uit Johannes 16 vers 7 (Joh. 16:07) dat als Hij niet ging, de Troos­ter niet zou kunnen komen. De Trooster is dus hetzelfde begrip als Plaatsvervanger.

Zie eens met welk een liefde en omzichtigheid de Here Je­zus deze mededeling doet. Hij kent Zijn discipelen niet alleen, maar Hij heeft ook begrip voor het feit dat zij dit maar een “moeilijke zaak” vinden. Onze Heiland, die in alle nood voorziet, geeft ook hierin de nodige, gees­telijke begeleiding. Hoe subtiel is de Here.

Hoe subtiel is ook Zijn plaatsvervanger, de Heilige Geest. Bijvoorbeeld: Gods Geest zal kloppen aan een hartendeur, maar deze niet openbreken; Hij zal verzoeken binnengelaten te worden, maar niet ongenood de drempel overschrijden; Hij zal proberen, maar nimmer forceren. Hij wil wel alle dingen doen, maar slechts bij een vrijwillige overgave van onze kant. De subtiliteit van Gods Geest is zó, dat je Hem kunt bedroeven, weerstaan en uitblussen Efeze 4 vers 30 (Ef. 04:30); Hij kan wenen zoals Jezus het deed bij Lazarus’ graf.

Zijn fijngevoeligheid moet tot ons kunnen overkomen; het moet ons tot sieraad zijn als we zeggen “wedergeboren” te zijn of “vervuld” van Hem. Ook in het optrekken met broe­ders en zusters en tegenover een ieder in het algemeen.

Enkel Gods Geest troost waarlijk; mensenwoorden – hoe goed en lief bedoeld ook – falen vaak. Maar als er ver­driet is in uw en mijn leven, waar zoeken we het dan en bij wie? Willen we getroost worden door die heilige Ver­trooster of sluiten we Hem uit en verwachten we het liever van mensen? Wat een desillusie zal dat opleveren! Want er is maar Eén die waarlijk troost; die nimmer alleen laat; die met ons mi7      het einde van onze dagen.

 

Er is maar een        (Johannes 11 vers 35) (gedicht) Judith Jacobs

Er is maar Eén, die waarlijk troost:

Een vriend, die in de donkerst’ dagen

Het leed, dat gij in stilte torst –

Begrijpt, en met u mee wil dragen.

 

Het is de Vader, die Zijn kind –

als er geen enk’le troost mag baten –

Beloofd heeft, in de felle strijd

Niet te begeven, noch te verlaten.

 

Was het de Heer en Heiland niet

Die in verdriet Zijn troost verleende?

Gods Zoon, gekomen bij het graf

Van Lazarus, stond daar… en weende.

 

Er is maar Eén, die waarlijk troost:

Het is Gods Geest die u wil schragen;

Hij zal – dóór eenzaamheid en pijn –

U helpen, tot aan ’t eind der dagen.

 

In de voetstappen van Jezus door Gert Jan Doornink

Rond Pasen verschenen er in verschillende kranten aller­lei berichten, die er de aan­dacht op vestigden hoe som­mige mensen blijkbaar grote waarde hechten aan een let­terlijke navolging van on­derdelen uit het leven van Jezus. Wij denken aan de fo­to van de 34 jarige Ameri­kaan Rex Ford die zich in Manilla op de Filippijnen aan het kruis liet slaan. Hij hoopt door zijn lijden dat God zijn gebeden zal verhoren en hem zal helpen zijn verdwenen vader, die daar enkele jaren geleden als militair gestationeerd was, terug te vinden.

Een ander bericht kwam uit Israël, waar koortsachtig gewerkt werd om voor Pasen een 6,5 miljoen gulden kos­tend project klaar te krij­gen. Het betreft de aanleg van oude straatstenen in de Via Dolorosa. Opdat pelgrims die met Pasen dezelfde weg wilden lopen die Jezus af­legde naar Golgotha, ook over straatstenen konden lo­pen uit de tijd van Jezus, waar Hij misschien zelf over gelopen heeft.

Bij graafwerkzaamheden voor vernieuwing van rioolbuizen en elektriciteitskabels in het oude stadgedeelte van Jeruzalem zijn namelijk ou­de straatstenen gevonden, die vermoedelijk dateren uit de tijd van de kruisi­ging. In dit bericht van Assoc. Press, wordt echter gezegd dat het de vraag is of Christus werkelijk wel over deze stenen heeft ge­lopen, want al meer dan 1600 jaar debatteren geleer­den met elkaar over de weg die Christus werkelijk af­legde naar Golgotha.

Hoe het ook zij, geeste­lijke waarde heeft het be­slist niet, want Petrus heeft, toen Hij opriep om in de voetstappen van Jezus te treden, uiteraard niet bedoeld dat wij daarbij letterlijk op dezelfde straatstenen moesten lopen, als waarop Hij gelopen heeft….

U kent toch deze tekst? In 1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21) staat: “Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”. Deze woorderf hebben mij altijd bijzonder aangesproken, en ik hoop ook u! Want Petrus zegt hier niet alleen dat wij geroepen zijn om in de voetstappen van Jezus te treden, maar ook dat het hogelijk is, om­dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten.

De Bijbel vertelt ons op duidelijke wijze over het leven van Jezus. Hoe Hij dacht, sprak en handelde. Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) zegt hoe “Hij het land is rondgegaan, weldoen­de en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem. De aard en het wezen van God werden in Jezus geopenbaard. Daarom was Hij “door God met de Heilige Geest en met kracht gezalfd”, zegt het­zelfde vers.

Van dezelfde Geest, waarmee Jezus vervuld was, behoren ook wij vol te zijn. Anders komt er van het gaan in de voetstappen van Jezus niet veel terecht. Want alleen daardoor openbaren wij ons als werkelijke volgelingen van Jezus, en heeft Zijn le­ven in ons praktische uit­werking. “De Geest is het die levend maakt” Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63) is vandaag nog even actueel als op de dag toen Jezus de­ze woorden sprak. Een kind van God die niet gedoopt is met de Heilige Geest en niet dagelijks vol is van de Geest, wandelt niet in de voetstappen van Jezus, maar gaat een weg die geheel of gedeeltelijk door verkeerde geesten geïnspireerd is.

Wat ieder kind van God van­daag nodig heeft is de wer­kelijke volheid van Gods Geest, waardoor ook de ken­nis en het inzicht in Gods Woord gaat groeien, en wij daadwerkelijke getuigen van Jezus zijn. Zoals Hij ook bedoeld heeft, want Hij sprak: “Wie in Mij gelooft, gelijk de schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien” Johannes 7 vers 37 (Joh. 07:37). Opdat wij werkelijk gaan in de voetstappen van Jezus’. Want daartoe zijn wij geroepen;

 

Tweeërlei groei redactie

Er is in deze eindtijd tweeërlei groei. Een groei naar de onvolkomenheid bij de kinderen der ongehoor­zaamheid, en een groei naar de volmaaktheid bij de kin­deren Gods. Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11).

Zorg dat u, door Jezus werkelijk te volgen, bij de juiste groei betrokken bent!

 

Gods plan: het volle koren door Harry Govers

Het is iedereen wel bekend dat er in Nederland een overvloed is aan koren, ensembles en allerlei groepen en solisten. In evangeli­sche kringen is er al wat gezongen in dit kleine landje door vogels van al­lerlei pluimage. Psalmen, gezangen, liederen en koortjes uit grote en klei­ne bundels, Glorieklokken, Johannes de Heer, Breek uit in gejuich en Opwekking, enzovoort…. Wat zijn er al een noten geschreven èn gezongen! Het lijkt wel alsof we God met z’n allen willen bewegen om iets te doen in deze duistere tijd. Maar de gedachte kan echter opkomen: Hoe meer we zingen, des te meer kan God doen.

Ontdekking

Maar toch kwam ik tot de ontdekking dat de Heer onze zangcapaciteiten niet nodig heeft om grote wonderen te doen. Al klappen we nóg zo hard in de handen of al herhalen we nog zo vaak de koortjes. Want ook dit zijn overleveringen van mensen. “Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat ik Hem Gods heil doe zien” Psalm 50 vers 23 (Ps. 050:023). Dit is mees­tal de tekst die wordt ge­bruikt om de overdaad aan muziek te kunnen rechtvaar­digen. Maar dezelfde Psalm 50 zegt ons óók dat we de Allerhoogste onze geloften moeten betalen! (vers 14).

Bij velen was er jaren ge­leden, toen men bekeerde, een belofte op de lippen: Heer, ik zal U volgen, waar Gij ook gaat. Dat volgen bleek niet zo eenvoudig te zijn als dat werd voorge­spiegeld. “Altijd vrolijk, alle dagen zonneschijn” was een zoethoudertje, want de deur tot Gods Koninkrijk is smal.

“En toen zij aan die stad het evangelie verkondigd en er verscheidene discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Iconium en Antiochië, om de zielen der discipelen te verster­ken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele ver­drukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan” Handelingen 14 vers 22 (Hand. 14:22).

De kinderen Gods werden in verwarring gebracht en kwa­men in het geestelijke Babylon terecht. Vele valse leringen infiltreerden de gedachten van menig oprecht christen. Toch was bij de meesten het fundament ge­legd van de apostelen en de profeten. Efeze 2 vers 20 (Ef. 02:20).

Weigering

Een groot gedeelte weigerde echter de geestelijke weg verder te gaan en bleven “teren” op de zegeningen en ervaringen van vroeger. De toen gedane belofte om Je­zus te volgen bleef beperkt tot de zichtbare wereld.

Men vergat echter dat Jezus is binnengegaan in het he­melse heiligdom, niet met handen gemaakt. Door het geloof mogen we daar bin­nengaan. Dan is onze wandel niet meer ”op de aarde” maar in de hemelse gewes­ten .

De leer die Jezus verkon­digde vernieuwt de inner­lijke mens. De Woorden Gods zijn vol leven en kracht! Het brengt schei­ding teweeg tussen licht en duisternis. Het stelt de ware verwekker van het kwa­de openlijk ten toon.

Zij, die het Leven kiezen, kiezen het Evangelie van het Koninkrijk. Ze zingen niet langer de liedjes zo­als degenen, die in Babylon gevangen zaten.

“Aan Sabels stromen, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij Sion gedachten. Aan de wilgen aldaar hingen wij onze citers; want daar be­geerden zij die ons gevan­gen hielden, van ons een lied, en zij die ons mis­handelden, vreugdebetoon; Zingt ons één der liederen van Sion. Hoe zouden wij des Heren lied zingen op vreemde grond?” Psalm 137 vers 1 tot en met 4 (Ps. 137:001-004).

Sion

Als we weten dat Sion het beeld is van de Heilige Geest, dan zullen we ook begrijpen dat er nog velen vertoeven in het dal en in de strikken van de boze.

Met heimwee denken ze terug aan de opwekkingen en er­varingen van vroeger. Ze zingen nog wel, maar het is niet meer van harte. Ze klappen nog wel in de han­den omdat dit toch zo hoort bij “onze” richtingen….

Tot hen zegt het Woord: “Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. Verkondigt met jubel geklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde…” Jesaja 48 vers 20 (Jes. 48:20).

“Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen ge­meenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen” Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04).

Vernieuwing

Als wij onze plaats weer in gaan nemen in de hemelse gewesten, dan zal de Heer een nieuw lied in het hart geven I

“Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven….” Matteüs 11 vers 28 (Matt. 11:28) .

Vanuit de rust en de gemeen­schap met de opgestane Heer ontstaat de lofprijs! Dan baant het de weg, dat we meer en meer het volle heil zullen zien.

Vrucht

Al de kinderen Gods die ver­der willen gaan zullen samen een machtig koor vormen.

Zij groeien naar het beeld van de Zoon van God en in hen wordt de kostelijke vrucht van het land meer en meer zichtbaar. Want dat is Gods plan: het volle koren!

Niemand kan dit proces for­ceren, maar ook niemand kan die groei tegenhouden!

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -11-

De betekenis van de bazuinen

Als we het boek Openbaring lezen, dan komen we heel wat ba­zuinen tegen. En daar moeten we niet overheen lezen, want juist hierin wordt ons weer een sleutel aangereikt om het eindtijdgebeuren te verstaan.

Direct in Openbaring 1 vers 10 (Openb. 01:10) vertelt Johannes al: “Ik kwam in vervoering des geestes op de dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin”.

Het gevaar is dat we zo gewend zijn aan die bazuinen dat we ons niet meer realiseren wat ermee bedoeld wordt. Het is mogelijk, een hele uiteenzetting erover te geven en dan toch de boot te missen. We kunnen denken: die bazuinen kon­digen de oordelen Gods aan. Als we onder oordeel verstaan: scheiding tussen licht en duister, dan kunnen we daar in zekere zin mee instemmen. Haar toch is er veel meer aan de hand. En dat moeten we nu gaan ontdekken.

Waar komen die bazuinen in het boek Openbaring vandaan? In het Oude Testament komen we ze ook al tegen. En daarom is het van groot belang dat we nagaan wat daar hun betekenis is.

De bazuin in Exodus 10 en in Openbaring 4

De eerste maal dat er in het Oude Testament sprake is van een bazuin, betreft meteen een bijzonder geladen situatie, namelijk de openbaring Gods op de Sinaï. In Exodus 19 vers 13 (Ex. 19:13) le­zen we: “Eerst bij de langgerekte toon van de hoorn mogen zij de berg bestijgen”. Nu wordt hier in deze tekst een nogal speciaal woord gebruikt, een woord dat alleen hier en in de geschiedenis van de verovering van Jericho voorkomt. Dit woord heeft in wezen een heel eigen klank; daarom moe­ten we nu eerst maar eens even de achtergrond van deze term onderzoeken.

Dan vinden we aan de hand van het gebruik van dit woord al­vast een drietal basispunten. Om te beginnen zien we vanuit Exodus 19 dat de hoorn het signaal geeft tot het beklimmen van de berg. Het is het startsein voor een volk dat zich los wil maken van de wereld beneden en dat wil opstijgen naar het Godsrijk. Nu leert ons het vervolg van het hoofd­stuk dat dit voor het volk onder de wet niet mogelijk was, maar dit doet niets af aan het geestelijke principe dat we hier aantreffen en dat tenslotte in het nieuwe verbond gaat functioneren. Dat is het eerste punt: de bazuin roept ons op om bergbeklimmers te worden. Veelzeggend is in dit ver­band Openbaring 4 vers 1 (Openb. 04:01), waar we horen: “Na deze dingen zag ik, en zie, er was een deur geopend in de hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, alsof een bazuin met mij sprak, zeide: Klim hierheen op”. Daar verrast ons diezelfde kombinatie: het gaat over een stem als een bazuin en over een uitnodiging om op te klimmen. Wat het volk bij de Sinaï niet kon en mocht, dat is wel weggelegd voor Johannes, als prototype van het volk in de eindtijd.

De bazuin in Jozua en Openbaring 8

Een tweede kernpunt springt naar voren wanneer we de ge­schiedenis van Jozua 6 bezien. Vijfmaal wordt in dit hoofd­stuk gesproken van de hoorn, de bazuin, zoals we die ook in Exodus tegenkwamen. De bazuin blijkt hier een beslissende rol te spelen bij de verovering van een stad. Het gaat hier echter niet om zomaar een stad. Wat hier ingenomen wordt, is niets minder dan de sleutelstad van het beloofde land. Het is de intocht in Kanaän. De eerste doorbraak vindt plaats. Het eerste en voornaamste strategische bolwerk valt.

Nu wordt deze overwinning behaald op grond van goddelijke instructies. Gedurende zeven dagen moeten priesters op ze­ven ramshorens blazen. Is /iet in dit verband niet merkwaar­dig dat ook Openbaring spreekt van zeven bazuinen? “En ik zag de zeven engelen, die voor God staan, en hun werden zeven bazuinen gegeven”, zegt Openbaring 8 vers 2 (Openb. 08:02). Er loopt dus duide­lijk een lijn van Jozua 6 naar het boek Openbaring.

Als we dan ook horen van de zeven engelen in Openbaring 8, worden we onmiddellijk herinnerd aan de priesters uit het boek Jozua. Het begin van Openbaring 8 voltrekt zich trou­wens ook helemaal in een priesterlijke sfeer: reukwerk wordt daar voor God gebracht. Een half uur lang is er stil­te in de hemel, en ook in Jozua 6 komen we een soortgelijk motief tegen: “Gij zult niet juichen en uw stem niet laten horen, ja, laat er geen woord uit uw mond uitgaan tot op de dag, dat ik u zeg: Juicht!” Jozua 6 vers 10 (Joz. 06:10) .

We zouden dus kunnen zeggen: bij de zeven bazuinen in Open­baring gaat het ten diepste om een verovering van Jericho en een intocht in het beloofde land. Dat zijn de grondmo­tieven van de zeven ramshorens. De zeven bazuinen zijn geen onheilsbazuinen; het zijn intochtsbazuinen. Jericho, het antigoddelijke bolwerk, wordt prijsgegeven aan de ban. Zo komt er ruimte voor het rijk van God.

De gemeente Gods gaat haar erfenis verwerven

Zo is er ook in de eindtijd een intocht voor het volk van God. Geen terugtocht, maar intocht. Met de inneming van Je­richo nam een nieuwe fase van het plan Gods een aanvang, namelijk het in bezit nemen van de erfenis. Zo duiden ook de bazuinen in het boek Openbaring erop: de tijd is gekomen dat de gemeente Gods haar erfenis gaat verwerven. We lezen dan ook in Openbaring 21 vers 7 (Openb. 21:07): “Wie overwint, zal deze dingen beërven”, of, zoals de Statenvertaling het formuleert: “Wie overwint, zal alles beërven”. En dat wordt gezegd in ver­band met uitspraken over de vernieuwde hemel en aarde. He­mel en aarde worden de erfenis van de zonen Gods. En de ba­zuinen begeleiden de opmars van het Godsvolk, wanneer het aantreedt om zijn erfdeel op te eisen uit de hand van de gevestigde machten. De bazuinen zeggen ons: eindtijd is in­tocht .

Er is nog een derde punt. Hetzelfde woord dat in de genoem­de teksten van Exodus en Jozua voor bazuin gebezigd wordt, komt nog ergens in het Oude Testament voor, alleen dan in een iets andere betekenis. We vinden het namelijk maar liefst twintig keer in Leviticus. Dat begint in Leviticus 25 vers 10 (Lev. 25:10), waar God gebiedt: “Gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezitting en tot zijn geslacht terugkeren”. Hier is hetzelfde woord dat in de voorgaande teksten met ‘hoorn’ of ‘bazuin’ vertaald is, weergegeven met ‘jubeljaar’. Dit ver­band is veelbetekenend. Het gaat om de bazuin, de jubel, het jubeljaar. Dat heeft alles met elkaar te maken.

De betekenis van het woord ‘Jubeljaar’

Wat betekent nu eigenlijk dat woord ‘jubeljaar’? Wanneer wij dat woord horen, denken we wellicht in eerste instantie aan jubelen, juichen. Dat begrip is er in feite via de Latijnse vertaling, de Vulgaat, ingekomen. Naar oorspronkelijk was er met dit woord nog een andere betekenis verbonden: name­lijk het thuisbrengen. We zouden het begrip dus letterlijk kunnen vertalen met: het jaar van het thuisbrengen. En dat klopt ook, want het was inderdaad het jaar waarin ieder te­rug mocht keren naar zijn eigen grond. Zoals we gezien heb­ben: gij zult vrijheid afkondigen in het land voor al zijn bewoners. Of, wat er eigenlijk staat: gij zult uitroepen: vrijlating, in het land. Het is een uitroepen, een proclamatie. En in dat jaar komt een volk naar huis. De tijd van vervreemding, van ontheemding is voorbij.

Er ligt een diep verband tussen Leviticus 25 en Jozua 6. In beide hoofdstukken domineert het getal zeven. In zeven da­gen werd de tocht om Jericho volbracht. In zeven dagen vol­tooide God de hemel en de aarde. Zeven dagen: beeld van schepping, beeld van herschepping.

En in Leviticus lezen we: “Voorts zult gij u zeven jaarsabbatten tellen, zevenmaal zeven jaren” Leviticus 25 vers 08 (Lev. 25:08). En was in wezen de intocht in Jericho ten tijde van Jozua niet een jaar van thuiskomst? De opmars rondom de Palmstad, het bla­zen der bazuinen, het beeldde uit: Gods volk wordt thuis gebracht. Het eerste jubeljaar is daar. De thuiskomst wordt ingeluid.

Tegen deze achtergrond moeten we de bazuinen in Openbaring zien; deze drie lijnen komen daar samen: het beklimmen van de berg, de intocht in het erfdeel, en de thuiskomst van het Godsvolk. In Openbaring 7 lezen we over die thuiskomst: “Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel; en Hij die op de troon gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden” (vers 15). Zij zijn uit de grote verdrukking thuisgekomen.

Dezelfde gedachte keert in hoofdstuk 22 terug: “Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad” (vers 14).

Als we dan opmerken wat er in Openbaring 8 en 9 allemaal plaatsvindt, dan hebben we daar duidelijk te maken met al­lerlei krachten die loskomen in verband met die intocht, die thuiskomst.

Nog enkele aanvullende gezichtspunten over de bazuin

Nu hebben we hiermee echter nog maar één van de woorden die het Oude Testament voor bazuin gebruikt, in de beschouwing betrokken. Er komt namelijk nog een ander woord voor, en dat geeft ons nog enkele aanvullende gezichtspunten.

Het betreft hier het woord ’sjofar’, dat niet minder dan 72 maal in het Oude Testament gebezigd wordt. Ook dit woord treffen we in de eerder behandelde tekstgedeelten, Exodus 19, Leviticus 25 en Jozua 6, aan. Naar daarnaast willen we nog enkele kernteksten belichten.

Ook bij dit woord kunnen we weer in hoofdzaak een drietal punten onderscheiden. Allereerst zien we, wanneer we erop letten bij welke gelegenheden de bazuin gehanteerd werd: “Blaast de bazuin op nieuwe maan” Psalm 81 vers 4 (Ps. 081:004). Daar blijkt: de bazuin luidt een nieuwe periode in. De sjofar speelde een heel belangrijke rol in de nieuwjaar liturgie. De ba­zuin proclameert: het nieuwe is gekomen. Een nieuwe tijd breekt aan. Daarom, wanneer in Openbaring 1 en 4 Johannes een stem hoort als een bazuin, dan betekent dat: God kondigt een nieuwe tijd aan. De eindtijd is een nieuwe tijd. Het is een nieuwe etappe. Het is niet een voortzetting of herha­ling van wat er altijd al was. Nu gaat God tot zijn doel komen.

Een tweede gedachte vinden we heel duidelijk in Joël 2 vers 1 (Joël 02:01): “Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg. Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des Heren komt”. Daar zien we de bazuin die oproept tot de strijd. De sjofar betekent: mobilisatie. Sion wordt gealar­meerd. En alarm wil letterlijk zeggen: te wapen! En dat heeft direct te maken met de dag des Heren. Dat is de dag van de eindstrijd.

Hetzelfde verband legt ook Sefanja; hij spreekt ook over de dag des Heren, “nabij en hij nadert haastig” Sefanja 1 vers 14 (Sef. 01:14). En dan geeft de profeet een reeks omschrijvingen, waarin we dan onder meer tegenkomen: “een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw (of: jubelroep) tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens”(vers 16). Daar bemerken we weer die kombinatie van bazuin, strijd en dag des Heren.

De bazuinen in Openbaring zijn signalen van de eindtijd

Zo zijn ook de bazuinen in Openbaring de signalen van de eindstrijd. Een volk wordt gemobiliseerd. Van de richters lezen we het ook meermalen. Zo horen we van Ehud: “Toen hij daar aangekomen was, blies hij de hoorn op het gebergte van Efraïm, en de Israëlieten daalden met hem het gebergte af, hij zelf voorop. Hij zeide tot hen: Volgt mij, want de Here heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw macht gegeven” Richteren 3 vers 27 en 28 (Richt. 03:27-28). De ramshoren is weer het instrument om het volk op te roepen tot de krijg.

Bij Gideon ontdekken we dit principe eveneens: “Wanneer ik op de hoorn blaas met allen die bij mij zijn, dan moet ook gij op de horens blazen rondom de gehele legerplaats, en roepen: Voor de Here en voor Gideon!” Richteren 7 vers 18 (Richt. 07:18). Zo werd het kamp van Midian omsingeld en met de ramshorens proclameerde men in de geestelijke wereld de overwinning. Zo werd dit kamp vanuit de onzienlijke wereld ingesloten en opge­rold. Heel de legerplaats werd opgeëist voor God en voor Gideon.

De bazuin en het koningschap

Daarbij sluit een derde kernpunt onmiddellijk aan. De bazuin blijkt ook een rol te spelen in enkele koningspsalmen. Daaronder verstaan we die psalmen die speciaal het koning­schap van God als thema hebben. Zo vertelt ons Psalm 47 vers 6 (Ps. 047:006): “God is opgevaren onder gejuich (of weer: jubelroep), de Here onder bazuingeschal”. En Psalm 47 vers 9 (Ps. 047 vers 009) geeft daarvan een nadere toelichting: “God regeert onder de volken, God is gezeten op zijn heilige troon”. Een andere vertaling zegt het nog helderder: “God aanvaardde het koningschap over de volken, God zette zich op zijn heilige troon”. Hier kunnen we vaststellen: de bazuin luidt het koningschap van God in. De sjofar proclameert: God is Koning.

In Psalm 98 klinkt ditzelfde motief door: “Psalm zingt de Here met de citer, met de citer en met luide zang, met trompetten en met bazuingeschal; juicht voor de Koning, de Here” Psalm 98 vers 5-6 (Ps. 098:005-006. Weer wordt de bazuin verbonden met het ko­ningschap van God, dat baan breekt.

En vanuit deze psalmteksten kunnen we de lijn rechtstreeks doortrekken naar Openbaring 11: “En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in al­le eeuwigheden” Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15).

Let op de parallel: zoals er geroepen werd: Voor de Here en voor Gideon, zo klinkt het hier: Aan de Here en aan zijn Gezalfde. De geschiedenis van Gideon is helemaal een model van de eindstrijd. Het is in diepste zin de strijd om het koningschap. En zo zien we ook in Openbaring 11 dat de ze­vende bazuin, de laatste, geblazen wordt en daarmee is de hele wereld rijksgebied geworden van Christus en de gemeen­te. Het koningschap is compleet geworden. De zeven bazuinen hebben hun doel bereikt. Laten we ons dat heel diep bewust worden: de bazuinen in Openbaring zijn bazuinen van het ko­ningschap. Elke bazuin betekent weer een verdere doorbraak naar het volledige koningschap van God en de gemeente.

De bazuin wordt geblazen, treedt dan aan!

Daarom moeten we ons heel goed realiseren: Johannes vertelt ons niet over die bazuinen opdat we daar een interessante bespiegeling over kunnen houden. Of om daar ach en wee over te roepen en te zeggen: wat wordt het allemaal ellendig. We zullen maar hopen dat we dat niet meer meemaken.

Neen, het gaat om één ding: dat wij vandaag de bazuin ho­ren! De bazuin van de mobilisatie, de bazuin van het ko­ningschap. De bazuin klinkt voor ons. De hoorn wordt gebla­zen, treedt dan aan!

Over bazuinen moet men niet speculeren, men moet ze horen. Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt.

De profeet Zacharia vat in één tekst het hele beeld van de bazuinen samen, als hij zegt: “Dan zal de Here hun verschijnen, en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten en de Here Here zal de bazuin blazen in de zuiderstormen” Zacharia 9 vers 14 (Zach. 09:14).

De bazuin betekent: God trekt, op. God verschijnt aan en in zijn volk. Een volk dat de bazuin heeft gehoord.

(wordt vervolgd).

 

 

1981.04 nr. 214

Levend geloof 1981.04 nr.214

Christus is het Leven door Gert Jan Doornink

Met Goede Vrijdag en Pasen wordt de Gemeente van Jezus Christus er weer bij bepaald, hoe de tota­le overwinning van Jezus op satan, met zijn zon­de, ziekte, angst en dood, werkelijkheid is ge­worden. Na een weg van strijd en lijden, heeft Jezus het op Golgotha uitgeroepen: “Het is vol­bracht!” De schijnbare overwinning van satan was in werkelijkheid zijn grote nederlaag. Want op Paasmorgen ging het graf open. Jezus had getri­omfeerd over de dood! Een oud gezangvers drukt het zo uit:

“Geen graf hield Davids Zoon omkneld, Hij overwon, die sterke Held!

Hij steeg uit ’t graf door s’ Vaders kracht, Want Hij is God, bekleed met macht”.

Voor de waarachtige christen betekent Goede Vrij­dag echter veel meer dan de herdenking van een historische gebeurtenis, omdat hij weet hoe nauw hij door het geloof bij dit alles betrokken is. Immers Christus kennen, betekent ‘het Leven’ ken­nen, want Hij is het Leven! Hij sprak: “Ik ben het leven” Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06).

Ieder mens, die is overgegaan vanuit het rijk van satan naar het Koninkrijk van Jezus Christus, door bekering en wedergeboorte, heeft het als een zekerheid in zich: het eeuwige Goddelijke le­ven is mijn deel! Door geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus ben ik niet meer in de dood, maar overgeplaatst in het leven!

En al is dan de ‘eerste dood’ nog een feitelijk gebeuren, de ’tweede dood’ (de eeuwige scheiding van God) is voor de echte christen reeds volko­men teniet gedaan, omdat hij niet meer in het oordeel komt.

En ook de ‘eerste dood’ (het afleg­gen van het vergankelijke lichaam) heeft voor een waarachtig christen geen enkele angst meer in zich, omdat, zoals Paulus dat formuleert in 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:54) de dood is verzwolgen in de overwin­ning van Christus.

De oorzaak van angst voor de dood

De dood behoeft dus voor geen enkele christen nog angst aan te jagen, al zijn er nog heel wat christenen die met een soort heimelijke angst voor de dood rondlopen. De oorzaak is dat men zich vaak onvoldoende realiseert dat het nieuwe leven in Christus alleen door het geloof functi­oneert. Het eeuwige, Goddelijke leven wat in ons is, is onaantastbaar, maar we moeten wel bereid zijn in Christus (in ‘het Leven’) te blijven.

De waarachtige christen kan alleen ten volle de opstandingskracht van Jezus beleven als hij meer en meer één wordt met de opgestane Heer. Dit is een groeiproces en gaat niet buiten onze wil om. Wie de weg van geloof niet wil gaan zal ervaren dat de duivel terrein terug gaat winnen. Als men weigert gebondenheden af te leggen, als men niet vervuld wil worden met de Heilige Geest – om maar enkele voorbeelden te noemen – kan men ook niet de opstandingskracht van Jezus beleven. Dan is er meer nederlaag dan overwinning en kunnen we nog wel uiterlijk Goede Vrijdag en Pasen vie­ren, maar heeft het geen innerlijke, geestelijke waarde meer.

Het gaat er om dat we het echte leven met Jezus – Zijn opstandingskracht als een dagelijkse rea­liteit – meer en meer gaan beleven! En ook al gaat dit, evenals bij Jezus, soms met lijden ge­paard, wie werkelijk de levende Heer in zijn le­ven heeft leren kennen en Hem gehoorzaam volgt, zal dit lijden (de smaadheid en vervolging terwille van de Naam van Jezus) niet uit de weg gaan. En zal ook meer en meer ervaren hoe de volheid van Jezus in ons ‘onuitsprekelijke vreugde’ betekent en ons boven de omstandigheden uit doet leven! Zijn leven in ons leven, welk een heerlijkheid! Daarom vieren wij vol blijd­schap Paasfeest!

 

Reacties van lezers door redactie

Gehoorzaamheid aan de waarheid belangrijker dan schijneenheid

Van broeder G. W. te Dokkum ontvingen wij een uitvoeri­ge brief, waarin hij onder andere schreef jarenlang oudste te zijn geweest van een gemeente, maar hoe graag hij anders gewild had, zich daar tenslotte niet kon handhaven, omdat hij vooral ten aanzien van de visie op Israël ón­mogelijk meer ja en amen kon zeggen op hetgeen werd verkondigd, zonder zijn geweten in opspraak te brengen.

In de volle evangelie ge­meente waar hij thans komt ontdekte hij op een gegeven moment het blad “Levend Ge­loof”. Nadat hij kennis had genomen van de inhoud, was hij blij verrast, omdat de boodschap zijn instemming had. We nemen met instem­ming enkele citaten uit de brief van deze broeder over:

“Ik ben er van overtuigd dat we op de goede weg zijn. Vroeger zongen we wel: ’Weest ook gij een Daniël, sta, al is ’t alleen, luis­ter steeds naar Gods bevel; dit leidt ten hemel heen’. Gehoorzaamheid aan de waar­heid gaat vooraf aan eens­gezindheid onder elkaar, vooral als de standpunten uiteenlopen. Dan is echte eenheid nóóit te realiseren, slechts een schijneenheid en dan bedrieg je jezelf”.

“Ook de brochures van broe­der Scholten zijn een ge­weldige verrijking van onze lectuur. We zijn er erg blij mee”.

Geestelijke groei

Ook van zuster A. Th, K,- H, te Amsterdam ontvingen wij een uitvoerige brief. Deze zuster, die reeds vaker schreef, ontvangt veel ze­gen door het lezen van “Le­vend Geloof” en de brochu­res. Zij gaat meer en meer ontdekken van de geweldige realiteit van de boodschap van het Koninkrijk Gods.

Uit haar brief nemen we het volgende over:

“Ook ik gaf in gedachten de Joden een uitzonderings­positie, ofschoon ik het niet altijd eens was met hun daden. Ik verdedigde en vergoelijkte hun daden, uit angst dat diegene die het openlijk afkeurt, zich ver­grijpt aan Gods oogappel… Gelukkig heeft onze God slechts één volk”.

Iedere zin die de Heer ons in de Bijbel geeft, heeft een zo’n groot, perspectief, dat wij er nog bij lange na niet alles van begrijpen. Ik zie nu veel meer in vele teksten. Dat is een zeer fijne gewaarwording”.

“Eén van mijn lieveling Psalmen is Psalm 23 De eers­te drie verzen bijvoorbeeld doodgewoon, gemakkelijk te begrijpen dacht ik. Tot ik een klein, eenvoudig, boekje over “Mijn Herder” in handen kreeg. Toen ging er zo’n heerlijke wereld voor mij open. Zijn liefde en zorgen, die er altijd al geweest wa­ren, zie ik nu. Wat was ik blind geweest”

Inzicht in Gods raadsbesluit

Broeder B. V. te Enkhuizen schrijft; “Ik mocht van broeder Scholten uit Enkhuizen een gratis nummer van “Levend Geloof” ontvangen. Na gelezen te hebben heb daardoor nog meer inzicht in Gods raadsbesluit gekregen en wens deze kennis te ver meerderen”.

 

Vooruitgrijpen door H. J. Scholten

Mogen wij als volle evange­lie christenen, vooruitgrij­pen? Er wordt wel eens beweerd, vooral van kerkelijke zijde, dat wij min of meer extreem zijn in ons geloof en reeds willen grijpen naar dingen, die nog moeten ko­men. Dat wij reeds willen leven vanuit dingen, die God nog verborgen houdt. Ons wordt dan een bepaalde nuchterheid ontzegd en men meent dan te moeten waarschuwen voor een ‘vooruit­grijpen’ naar dingen, die nog niet aan de orde zijn. We zouden dan puur onver­schillig staan tegenover het verleden en teveel schermen met de uitspraak: het oude is voorbij, zie, het nieuwe is gekomen. Men suggereert dan, dat wij het ‘oude’ als volkomen waardeloos terzijde stellen en het ‘nieuwe’ het een en het al zou zijn.

Toch geloof ik, dat hier van een misverstand sprake is. Wat is oud en wat is nieuw? Als men iets wat goed is loslaat en grijpt naar iets wat nieuw is, maar toch ver­keerd, dan kan men gelijk hebben. We zullen dan weer “terug moeten grijpen”. Maar dan is dat ‘teruggrijpen’ tegelijkertijd een ‘vooruit­grijpen’ .

Oude paden

In de profeet Jeremia, hoofdstuk 6 vers 16 (Jer. 06:16) kunnen we lezen: “Zo zegt de Here: Gaat staan aan de wegen, en ziet en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel”.

Met deze ‘oude paden’ worden de wegen des Heren bedoeld en op die wegen worden ons steeds ‘nieuwe dingen’ ont­huld. Dus soms moet men te­rug naar het oude’ om ver­volgens weer open te staan voor het ‘nieuwe’.

Maar dan zal men ervaren moeten hebben het woord van de apostel Paulus: “Want be­sneden zijn of niet besneden, zijn betekent niets maar of men een nieuwe schepping is” Galaten 6 vers 15 (Gal. 06:15) .

Geestelijk besef

Door bekering en wederge­boorte worden wij een nieuwe schepping. Van deze ‘nieuwe scheppingen’ kan gezegd wor­den: “Maar gij geheel an­ders: gij hebt Christus le­ren kennen” Efeze 4 vers 20 (Ef. 04:20).

En dan begint waarachtig het ‘vooruitgrijpen’. Wie ver­lost is van een godsdienstig besef en een geestelijk be­sef heeft gekregen, zal dit verstaan. Zo iemand sluit zich aar. bij de apostel Pau- lus en voelt zich in zijn gezelschap goed thuis.

Paulus zegt: “Omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen – ben”. Je kunt gegrepen zijn door de leer der kerk en uitspraken doen als: “wij hebben onze kerken (meer­voud?) lief”. Maar wat be­doelt men daar dan wezenlijk mee?

Ook schermt men dan met de leuze: “sola scriptura” (de Schrift alleen). Als dit waar zou zijn, zou het er in vele ‘kerken’ wel anders uit zien.

Jezus erkende het gezag van de Schrift en daarom zei Hij: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste 8 vloeien. Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ont­vangen zouden” Johannes 7 vers 38 en 39 (Joh. 07:38-39).

Met de ‘Schrift’ bedoelt Je­zus hier het oude testament en daarin wordt dus reeds gesproken van de stromen van levend water. Het komt er dus wel op aan of wij het oude testament (de Schrift) geestelijk verstaan.

“O, alle dorstigen, komt tot. de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk” Jesaja 55 vers 1 (Jes. 55:01)- In Johannes 7 herinnert Je­zus ons juist aan deze uit­spraak van de profeet en wie dit gelooft en op deze woor­den ingaat, zal bemerken dat er inderdaad stromen van le­vend water zijn.

Het kardinale punt

Het heeft alles te maken met de volheid van de Heilige Geest en daar zit steeds het kardinale knelpunt voor vele ‘kerk’-christenen. Als men het ‘sola scriprura’ waar­achtig wil toepassen in de kerken, zou men ook ingaan op deze woorden van Jezus, want Hij is de Doper met de Heilige Geest, ook vandaag! Duidelijk laat Jezus merken dat men wel tot geloof in Hem kan komen, maar dat men dan nog de Heilige Geest moet ontvangen. Men kan theologiseren zoveel men wil, maar men kan nooit om het woord van God heen, want dit geldt voor alle tijden. Wie tot geloof in Jezus Christus gekomen is, zal nog gedoopt moeten worden met de Heilige Geest. Jezus zegt het zelf! Nu is ’tot geloof komen’ ook een werk van de Geest, maar het gaat vervolgens om méér.

Waren de mensen in de stad Samaria soms anders dan wij? In de Handelingen der apos­telen, hoofdstuk 8 vers 4 tot en met 17 (Hand. 08:04-17), lezen wij dat deze mensen op de prediking van de evangelist Filippus tot geloof gekomen waren. Toch lezen wij in vers 16, dat de Heilige Geest nog over niemand van hen gekomen was. Petrus en Johannes legden hun de handen op en zij ontvingen de Heilige Geest.

De apostel Paulus reist door de bovenlanden en komt te Efeze in Handelingen 19 vers 1 tot en met 7 (Hand. 19:01-07). Daar ontmoet hij enige discipelen, die ook tot geloof gekomen wa­ren. Schijnbaar miste Paulus iets bij deze mensen. Hadden ze geen krachtig getuigenis? Misten ze de kracht van het geloof? Paulus voelt onmiddellijk aan: ze zijn niet ge­doopt en vervuld met de Hei­lige Geest. Dan stelt hij hun de vraag: “Hebt gij de Heilige Geest ontvangen toen gij tot het geloof kwam?” Werden deze mensen toen ge­prikkeld? Vonden ze Paulus hoogmoedig? Neen, want we lezen: “En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de Heilige Geest over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden”.

Eerlijk zijn

Opnieuw zien we, als we maar eerlijk willen zijn tegen­over God en onszelf, dat mensen tot geloof kunnen ko­men en dan toch nog iets missen, namelijk de Heilige Geest.

We denken ook aan de vurige prediker Apollos. Hij was doorkneed in de Schriften, vermeldt de Bijbel. Een the­oloog van de bovenste plank! Onder zijn gehoor zit het echtpaar Aquila en Priscilla. Deze beiden waren een lange tijd in gezelschap ge­weest van de geest vervulde apostel Paulus. Ze hadden veel van hem geleerd over de dingen van het Koninkrijk Gods. Aquila en Priscilla hoorden deze Apollos preken en wat hij predikte was ge­heel volgens de Schrift. Er was niets op aan te merken. Een gedegen preek, goed voorbereid, goed van opbouw, onderverdeeld wellicht in drie punten met een machtige toepassing.

Tóch misten zij iets bij de­ze man. Omdat ze zelf ver­vuld waren met de Heilige

Geest, voelden zij met alle fijngevoeligheid aan, dat deze Apollos niet vervuld  was met de Heilige Geest. Dat mogen wij haast wel met alle zekerheid aannemen. Apollos was wel tot geloof gekomen, maar tóch….

Na de prediking nemen ze hem apart en leggen hem de weg Gods nauwkeuriger uit. Zei Apollos toen: “Denken jullie dat ik de Heilige Geest soms niet heb? Wat zijn jullie hoogmoedig. Wat denken jul­lie wel? Ik heb toch zeker gestudeerd?”

Neen, niets van dit alles. Hij heeft zich laten voor­lichten en zal er (geeste­lijke) winst mee gemaakt hebben. Gelukkig, dat Apol­los niet hoogmoedig was.

Nieuwe dingen

We zien, dat geest vervulde christenen gaan ‘vooruit­grijpen’ en wel op de juiste, Bijbelse wijze. Dankbaar voor wat God in het verleden gedaan heeft, zoeken ze naar ‘nieuwe dingen’. Met Paulus zeggen zij: “Vergetende het­geen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus” Filippenzen 3 vers 14 (Filip. 03:14).

Wanneer begint dat ‘uit­strekken’ naar wat ‘vóór’ mij ligt? Als men door Christus gegrepen is en ge­doopt is in Zijn Geest. Jon­ge wijn doet men in nieuwe zakken! Samen blijven ze be­houden, zegt Jezus. Verder zegt Hij nog: “Daarom is ie­dere Schriftgeleerde, die een discipel van het Konink­rijk der hemelen geworden is, gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn voor­raad nieuwe en oude dingen te voorschijn brengt”, Matteüs 13 vers 52 (Matt. 13:52).

Zulke geest vervulde christe­nen worden vaak maar moei­lijk begrepen en van geeste­lijke hoogmoed beschuldigd door christenen, die meestal leven vanuit een geest van ‘gewilde nederigheid’. Deze laatsten hebben vaak angst voor het nieuwe wat God wil doen en blijven hardnekkig de oude, geijkte paden be­treden. Met deze ‘oude pa­den’ bedoelen wij dan aller­lei dorre en steriele dog­ma’s, leringen van mensen, dus veelal ‘eigendunkelijke godsdienst’. Ze gaan aan het meerdere voorbij, juist vaak door hoogmoed, en verwijten dit christenen die gedoopt en vervuld zijn met de Hei­lige Geest. Ze worden geprikkeld als men ze op het meerdere wijst. Waren ze maar als Apollos!

Hoe het ook zij, God wil steeds nieuwe dingen doen in ons leven en de Heilige

Geest leidt ons in de volle waarheid. Door het geloof gaan wij ‘vooruitgrijpen’. We worden er toe aange­spoord, want Paulus zegt: “Strijd de goede strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven (niet na de dood), waartoe gij geroepen zijt en de goede belijdenis afgelegd hebt voor vele getuigen” 1 Timoteüs 6 vers 12

(1 Tim. 06:12).

Hemelvreugde op aarde

Heerlijk is het, dat we mor­gen jagen naar alles wat ‘vóór’ ons ligt, en ons in geloof al Gods beloften eigen mogen maken. Dan be­grijpen wij wat het bete­kent: de krachten smaken van de toekomende eeuw Hebreeën 6 vers 5 (Heb. 06:05). Dan gaan wij al iets be­leven van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en kunnen we met grote blijdschap zingen:

“Er is vreugde, hemelvreug­de, – hemelvreugde hier op aard. – Te weten: Jezus mint ook mij, – is mij meer dan alles waard!”

Zó’n vooruitgrijpen wensen wij een ieder toe; het is heerlijk. De krachten smaken van de toekomende eeuw bete­kent niets anders dan: he­melvreugde hier op aarde.

Wat hebben sommige christe­nen toch diep in hun hart nog vaak verzet tegen de volheid van de Geest en wil­len dit dan verbergen met zogenaamde, zuivere Bijbelse uitspraken. De leuze “sola scriptura” is lang niet al­tijd de vlag die de lading dekt. Ten onrechte houdt men soms vast aan het ‘oude’, menende dat dit dan alleen maar goed is. Maar we mogen ons verblijden in meer ken­nis en inzicht in het woord van God, door de Heilige Geest, en geven hierbij de tekst uit Leviticus 26 vers 10 (Lev. 26:10): “En gij zult het overja­rige, dat overgebleven is, eten, en het overjarige zult, gij vóór het nieuwe moeten wegdoen”.

Grijpt in het geloof naar wat ‘vóór’ u ligt en ver­heugt u er in.

“Maar wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen, lofzan­gen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Here van harte” Efeze 5 vers 19 (Ef. 05:19).

Juist deze dingen missen wij zo in kerkelijke kringen.

Maar wie gelooft in de stro­men van het levende water, mag vól blijdschap van de Heilige Geest verder trekken over wegen, die we nóch gis­teren, nóch eergisteren be­wandeld hebben, Jozua 3 vers 4 (Joz. 03:04).

Zo nieuw is het leven met onze God! Halleluja!

 

Het Paasfeest door Judith Jacobs

Als je het in de wereld hebt over Pasen, weet men precies waarover je spreekt: vrije dagen, paaseieren, enzovoort. De gelovige beleeft de “paasviering” als een feest. Welk feest? Het feest van de opstanding; van de verrezen Chris­tus die gekruisigd werd (stierf), maar weer ging leven (op­stond uit de dood).

Tot zover is alles niet zo moeilijk te volgen. Al in je jeugdjaren kun je via godsdienstlessen op school dit te we­ten komen, maar de geweldige betekenis van het Paasfeest is een andere zaak.

De Here Jezus heeft door Zijn opstanding bewezen – ook aan satan – dat Hij overwonnen heeft over zonde (vergeven), ziekte (gedragen) en dood (verzwolgen).

Het feit van de overwinning is van reële waarde voor Gods kinderen. Hiermee staat of valt alles 1 Korinthe 15 vers 4 (1 Kor. 15:04). Als je niet zeker weet dat je zonden vergeven zijn, niet de troost ervaart “dat de Here je ziekte heeft gedragen Jesaja 53 vers 04 (Jes.53:4), als je niet overtuigd bent dat je na het graf het eeuwige leven zult beërven, “dan”, zegt Paulus in 1 Korinthe 15 vers 14 (1 Kor.15:14), “is immers onze prediking zonder inhoud en zonder inhoud is ook uw geloof”.

Wie dit wel zeker weet (en zich daar ook van bewust is) is de boze, want ook hij zal geoordeeld worden op het eind der tijden Openbaring 20 vers 10 (Openb. 20:10). Daarom is hij er zo op uit Gods kin­deren aan te vallen. Daartoe heeft hij iets uitgevonden: de mismoedigheid en dat wapen zet hij in als je afgezwakt raakt door de omstandigheden (ziekte, moeilijkheden). Je gaat twijfelen en die twijfel werd reeds door satan gezaaid èn gehanteerd in het paradijs. Daarom is het zaak op je qui-vive te zijn voor twijfel en mismoedigheid. “Geeft de dui­vel geen voet”, zegt Efeze 4 vers 27 (Ef. 04:27) en Jacobus zegt dat wie niet vast staat in het geloof te vergelijken is met een baar der zee. “Zulk een mens moet niet menen…” enz. Jakobus 1 vers 6 tot en met 8 (Jak. 01:06-08).

Wat dan wel te doen? Hoofdstuk 6:10-18 lezen uit de brief aan de Efeziërs en je eraan houden. Dat geldt voor u, maar ook voor mij.

 

Calvarie door Judith Jacobs

De overwinning

Als je zwak bent slaat de satan toe,

O, welk een geniaal strateeg;

Pas als je ligt en lijdt brengt hij

De wanorde der ziel teweeg.

 

Maar op Calvaries ‘ hout stierf Eén,

Die hem voor eeuwiglijk versloeg;

Want Jezus was het, Die de straf –

Van ziekte, dood en zonde droeg.

 

Als satan komt en hij valt aan,

Dan treft hemzelf de grootste blaam:

Ik doe de wapenrusting aan

En trek het zwaard in Jezus naam.

 

Want door Zijn striemen kocht Hij mij

Met het kostbaar overwinningsbloed;

‘k Ben nu Gods kind en in Zijn oog

Een heilig, onaantastbaar goed.

 

De vier soorten rust van de gelovige door J. Noë -2-

De rust van de erfenis

Om goed te begrijpen wat hiermee bedoeld wordt, moe­ten wij kijken naar Israël. De erfenis van Israël was een gedeelte van het grond­gebied van Kanaän Jozua 1 vers 1, 6 en 15 (Joz. 01:01; Joz. 01:06; Joz. 01:15). Zij hadden er recht op, het was hun door God gegeven. Maar ze moes­ten tegen een vijand strij­den, die hen hun rechten en voorrechten betwistte. Maar Israël maakte er van Gods­wege aanspraak op. Ze voch­ten en overwonnen de vijand en ieder nam persoonlijk zijn erfenis in bezit en zij leefden als Gods uit­verkoren volk onder Zijn zegeningen. En in deze po­sitie getuigden zij aan de omwonende naties van die ene God, die hen zo geze­gend had. Ze waren de rust binnengegaan: de rust der erfenis.

Maar sommige Israëlieten gingen die rust niet bin­nen. Hebreeën 3 vers 18 en 19 (Heb. 03:18-19): “Aan wie anders zwoer Hij, dat zij tot zijn rust niet zouden ingaan, dan aan hen, die ongehoorzaam geweest waren? Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan wegens hun ongeloof”.

Zoals Israël in het verle­den de rust binnenging, kunnen Gods kinderen het ook. Hierover spreekt Hebreeën 4 vers 9 en 10 (Heb. 04:09-10: “Er blijft dus een sabbatsrust voor het volk van God. Want wie tot Zijn rust is ingegaan, is ook zelf tot rust gekomen van zijn werken, evenals God van de Zijne”.

Ik maak u nog attent op de volgende waarschuwingen in Hebreeën 4. (De rust die God geeft).

Hebreeën 4 vers 1 (Heb. 04:01): “Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een be­lofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blij­ven” .

Hebreeën 4 vers 11tot en met 13 (Heb. 04:11-13): “Laten wij er dus ernst mede maken om tot die rust in te gaan, opdat niemand ten val kome door dit voorbeeld van ongehoor­zaamheid te volgen. Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten; en geen schepsel, is voor Hem verborgen, want alle dingen liggen open en ontbloot voor de ogen van Hem, voor wie wij rekenschap hebben af te leggen”.

Onze rechten als erfgenamen van God

Omdat ik erfgenaam van God en mede-erfgenaam van Chris­tus ben, bezit ik bepaalde rechten en een erfenis. Romeinen 8 vers 17 (Rom. 08:17: “Zijn wij nu kinderen, dan zijn wij ook erfgenamen: erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus”.

Er zijn vele dingen in dit leven waar ik een erfgenaam van ben en als ik daar volledig bezit van neem, ga ik de rust van de erfenis bin­nen.

1.Daar is het zoonschap, waardoor ik tot Gods fa­milie behoor, met alles wat er bij komt.

2.Door de Geest krijgt Christus gestalte in mij.

3.Ik heb het recht om in Gods tegenwoordigheid te komen.

4.Ik heb een voorspraak in de hemel.

5.Ik ben vrij van de macht, der zonde.

6.Ik ontvang Goddelijke ge­zondheid door Gods inwo­nende Geest, Die mij be­waart en heiligt door het Woord en het bloed.

7.Ik heb de wereld overwon­nen en ik heb macht over satan en zijn trawanten.

8.Ik kan door de Geest de werken doen, die God voor mij bestemd heeft.

9.Ik kan getuigen en ande­ren tot Christus leiden.

Door al deze dingen en zege­ningen van God in geestelijk Kanaän – doordat ik leef in de rust van mijn erfenis – zullen anderen getrokken worden; anderen willen weten hoe het mogelijk is, dat ik zo’n toestand van zegen en rust kan ervaren en kan ik hiervan getuigen.

Nadat ik de rust der verlos­sing, de rust van dienstbe­toon en de rust van de erfe­nis ben binnengegaan, zal ik leven en overvloed in Chris­tus ervaren. Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10): “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed”.

De volmaakte rust

Dit is de laatste rust voor het kind van God, wanneer hij de ‘verheerlijkte staat’ bereikt. Dat wil zeggen wan­neer ook zijn vergankelijke lichaam onvergankelijkheid heeft aangedaan 1 Korinthe 15 vers 53 (1 Kor. 15:53). “Doch als het volmaakte komt, zal het onvolkomene afgedaan hebben”, zegt Paulus in 1 Korinthe 13 vers 10 (1 Kor. 13:10).

Alles op deze aarde gaat voorbij en alles zal nieuw worden. Wij zullen de ‘eeuwige rust’ ingaan.

Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05): “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarach­tig”.

God zegene u allen.

(Het eerste deel van dit artikel verscheen in “Le­vend Geloof” van vorige maand).

 

Van de redactie

Waakzaamheid

Eén van de principes die we er bij de uitgave van ons blad steeds op na hebben gehouden is waakzaamheid. Wij willen in onze artikelen de gezonde leer van Jezus Christus brengen, zonder water in de wijn te doen, maar ook zonder fanatiek of extreem te zijn. In beide gevallen heeft satan een vinger in de pap. Wie de geestelijke weg bewandelt, blijft echter bewaard om een ver­keerde richting in te slaan. Zoals een koortje zegt: “Gods weg is de beste; de beste altijd”.

Dat is de ervaring van ieder waarachtig kind van God, die de volle weg met Jezus wil gaan.

Dan deert het ons ook niet of we een bepaald etiket opgeplakt krijgen of in een bepaalde hoek worden geplaatst. Daar worden we als het ware immuun voor. Wat dat betreft zouden we een heel lijstje kunnen aanleggen van namen die men ons soms geeft, zonder dat men beseft, dat men daar­door te kennen geeft dat men zelf de verdere doorwerking van de volle evangelie boodschap af­wijst. Want als één ding nodig is in deze tijd dan is het wel een verdere geestelijke groei, die ons volkomen losmaakt van natuurlijke, aardsgerichte leringen en armelijke wereldgees­ten, en ons volkomen één maakt met Jezus Chris­tus de Zoon van de levende God. “Wie zich aan de Here hecht, is één Geest met Hem”, zegt Paulus in 1 Korinthe 6 vers 16b (1 Kor. 06:16b). Wat een zekerheid en vreugde dit meer en meer te beleven en daarvan te getuigen door woord en daad!

 

De verandering door Gert Jan Doornink

De verandering van geloof naar ongeloof is de “meest po­pulaire verandering van onze tijd”, zei onlangs de voorzitter van het N.O.S.-discussieprogramma “Denkbeeld”.

Voor echte christenen is dit geen verrassend nieuws, want we weten dat we in een tijd leven dat velen het geloof de rug toekeren, waarbij wij ons wel af moeten vragen hoe­veel van deze ‘afvalligen’ ooit het echte geloof – het geloof in Jezus, de Zoon van de levende God – hebben ge­kend. Want wie eenmaal gelooft in Jezus – en Hem consequent blijft volgen in de weg van geloof en gehoorzaam­heid – zal, door de geestelijke groei die hij dan mee­maakt, meer en meer één worden met Hem. En hij zal met grote dankbaarheid terugdenken aan de dag in zijn leven toen hij verlost werd uit satans macht en een nieuwe schepping in Christus werd. Dat was voor hem de “meest gelukkig makende verandering” in zijn leven. En een veran­dering die nog steeds positief doorwerkt.’ Is dat ook uw ervaring,?    

 

Weest geen doemdenker! door G. J. R- Doornink

Doemdenken is een woord van de laatste tijd. Het komt nog vrijwel in geen enkel woordenboek voor. Maar het begrip doemdenken of doem­denker raakt meer en meer ingeburgerd, zoals vele ande­re begrippen en woorden in deze tijd, die ontsproten zijn uit het brein van de satan.

Want wat wil men zeggen als men het over doemdenken heeft? Het zijn de negatie­ve gedachten dat men ner­gens (nog) voor deugt of geschikt voor is. Een soort fatalisme, een geloof in het noodlot of in de mis­lukking. Het woord ‘doemen’ betekent veroordelen. Ver­doemd zijn heeft te maken met een zware straf die men verdiend heeft. Een doemden­ker heeft zichzelf veroor­deeld tot het grote nihilisme, de totale afgang, de ondergang.

De achtergrond van het doemdenken

Maar dit ‘zichzelf veroorde­len’ heeft een oorzaak, een achtergrond. De grote inspi­rator achter dit alles is satan, de door Jezus genoem­de leugenaar en mensenmoor­denaar vanaf het begin. In deze tijd, nu het hoogtepunt van de welvaartstijd voorbij is, is de duivel er als de kippen bij om weer een ander wapen in de strijd te bren­gen, om de mens van de le­vende God, geopenbaard in Jezus Christus, af te hou­den.

Hij fluistert jonge mensen in dat er geen enkel zicht is op een rooskleurige toekomst. Mensen die zonder werk raken, denken dat hun leven geen enkele waarde meer heeft. Zoals een kankergezwel het lichaam aan­tast, zo wordt het denken en het geweten van velen besmet en aangetast door de nega­tieve influisteringen uit het rijk der duisternis. Men wordt doemdenker….

Is er dan geen andere wijze van denken meer mogelijk? Is er een remedie, een ant­woord? Ja! Met grote nadruk zeggen wij ja, want de wer­kelijke Gemeente van Jezus Christus heeft het antwoord! Dat is de bevrijdings-, verlossings- en vernieuwings- boodschap die zij uitdraagt: Jezus Christus kwam in deze wereld om de werken van sa­tan te verbreken! Hij open­baarde Gods bedoeling en wil voor de mensheid: Totale vernieuwing naar geest, ziel en lichaam.

Jezus wil ‘denkkracht’ geven.’

Jezus deelt ‘denkkracht’ uit aan allen die zich daarvoor openstellen! De denkkracht die Hij geeft is het vermo­gen om goed te denken. Om te onderscheiden dat het slech­te, negatieve, van satan af­komstig is, en het goede, positieve, van God. Dat wil God door Zijn Woord en Geest in ieder mens bewerken. “Want de genade Gods is ver­schenen, heilbrengend voor alle mensen” Titus 2 vers 11 (Titus 02:11).

Paulus zegt in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02): “Wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onderkennen wat de wil van God is: Het goede, welgevallige en volkomene’. Dat schreef Paulus aan de ge­lovigen te Rome; mensen van wie het denken reeds ver­nieuwd was, omdat zij het nieuwe leven van Christus bezaten. Maar Paulus wist dat ‘vernieuwing van denken’ geen eenmalige aangelegenheid was, maar door moest werken – telkens herhaald moest worden – opdat de ’totale vernieuwing door Jezus Christus’ meer en meer vaste vorm zou gaan aan­nemen in de christenen.

Dat is ook in deze tijd van het allergrootste belang voor de Gemeente van Christus. Ve­le christenen kunnen getui­gen: “het nieuwe leven van Christus is in mij”, maar in de praktijk komt vaak meer van het oude, door satan be­heerste leven tot openbaring, dan van dit nieuwe leven. Hoe komt dat? Omdat er geen ver­dere vernieuwing van denken heeft plaats gevonden. Satan heeft daardoor terrein (te­rug) veroverd, terwijl hij daar geen enkel recht toe be­zat.

Maar hij maakte een handig gebruik van de gelegenheden die velen hem boden, door niet op hun hoede te zijn voor zijn praktijken en me­thoden om de mens onder zijn beslag te krijgen.

Hij infiltreerde in de ge­dachtewereld van vele gelo­vigen, waardoor het denken werd besmet en negatieve ge­volgen had voor het geloofs­leven. Niet alleen kwamen de werken van het vlees’ tot openbaring, maar ook ‘lerin­gen van de wereld’ werden (weer) geaccepteerd. Terwijl Jezus toch gesproken had: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld….” Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36). Johannes zegt: “De wereld gaat voorbij en haar bege­ren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwig­heid” 1 Johannes 2 vers 17 (1 Joh. 02:17).

Waarom het volle evangelie zo belangrijk is!

Daarom is de boodschap van het volle evangelie zo be­langrijk. Omdat het de enige boodschap is die – als men er op ingaat – onze gedach­tewereld volkomen rein en heilig maakt en doet afstem­men op de levende God. Omdat deze boodschap geen binding heeft en wil hebben met sa­tan en zijn werkwijzen, Ook niet als deze onder een vrome dekmantel met allerlei aardsgerichte leringen komt.

Dit betekent dat deze bood­schap ‘los’ staat van deze wereld, waarin wij ons bevinden en waarvan satan nog de overste is. Maar een christen weet dat hij welis­waar nog in de wereld is, (met ons lichaam van vlees en bloed), maar niet meer van de wereld. Wij zijn van Christus en met Hem is onze geestelijke plaats in de he­melse gewesten!

Daarom ziet een waarachtig christen toe (is waakzaam) dat hij zich niet laat mee­slepen door menselijke “wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der men­sen, met de wereldgeesten en niet met Christus….” Kolossenzen 2 vers 8 (Kol. 02:08).

En daarom is ook een waar­achtig christen zich steeds meer aan het trainen en oe­fenen, de dingen te zoeken die boven zijn, waar Chris­tus is, gezeten aan de rech­terhand Gods. En de dingen te bedenken die boven zijn, niet die op aarde zijn! Kolossenzen 3 vers 1 en 2 (Kol. 03:01-02).

Juist omdat een waarachtig christen een hemelburger is, en zich als zodanig open­baart, is hij de enige die een boodschap voor deze wereld heeft. Christenen die ’wereldgelijkvormig’ zijn, hebben geen boodschap voor deze wereld, omdat ze zelf bezet terrein van de overste van deze wereld zijn.

Zij die de boodschap van het Koninkrijk Gods aanvaard hebben en beleven, hebben hun vertrouwen gesteld op Jezus de Overwinnaar. Zij weer­staan, door de kracht van de Heilige Geest en in de Naam van Jezus, de satan, zodat deze niet kan infiltreren in hun leven. Hun denken is vernieuwd en wordt nog dagelijks verder vernieuwd, omdat ze door de Heilige Geest, kennis, wijsheid en inzicht ontvangen uit het Woord van God en daardoor verder groeien in Hem, en zich meer en meer zullen gaan openbaren als de zonen Gods.

Doemdenkers en alle andere denkers, die hun leven nog laten beheersen van ‘onder­uit’ , het is een duidelijke zaak: Kom ook in het Konink­rijk van Jezus Christus!

Verlaat het rijk van satan met zijn negatieve gedach­tewereld en ervaar wat de werkelijke vernieuwing van denken door Jezus Christus meebrengt: Een totaal nieuw leven met onvoorstelbaar heerlijke perspectieven.

Een leven in gemeenschap met Christus, niet slechts tij­delijk, maar eeuwig. Een le­ven waarvan satan niet meer de overste is, maar Jezus Christus. Een leven van heerlijkheid tot heerlijk­heid!

 

Verkenningen rond het boek Openbaring” ook in brochurevorm redactie

Een jaar geleden vroegen wij broeder Nico Goverts enkele artikelen te schrijven over het boek Open­baring, bedoeld als een soort ‘algemene inlei­ding’ op dit laatste Bijbelboek. In juni 1980 verscheen het eerste artikel en al spoedig bleek dat de serie enorm aansloeg en velen de ogen opende voor de geweldige geestelijke rijkdom die er in dit boek schuil gaat.

De talrijke boeken en geschriften die er in de loop der jaren over ‘Openbaring’ verschenen zijn, spreken elkaar vaak op talrijke punten tegen en stichten vaak meer verwarring in plaats van ver­helderend te werken. Een uitleg ‘naar de letter’, zonder geestelijk inzicht, ligt daaraan vaak ten grondslag. Pas in deze tijd ontstaat er, door de boodschap van het Koninkrijk Gods, de juiste geestelijke visie op dit boek van de eindtijd.

We zijn blij dat broeder Goverts, door zijn duidelijke uitleg, onder inspiratie van de Heilige Geest, deze artikelen voor ons blad schrijft en dit boek ‘begrijpbaar’ maakt voor vele kinderen Gods. De serie – aanvankelijk zouden er slechts twee of drie artikelen verschijnen – loopt nog steeds door, want inmiddels zijn tien delen ge­publiceerd ,

Het leek ons goed de thans verschenen artikelen in twee afzonderlijke brochures uit te geven. Zodoende kunnen ook de vele nieuwe abonnees, die niet in de gelegenheid waren de gehele serie te volgen, alsnog deze uitleg lezen. Te zijner tijd zullen ook de nog te verschijnen artikelen ge­bundeld worden.

De brochures, die volgende maand uitkomen, zijn getiteld: “Wat onthult het boek Openbaring?” (deel 1 t/m 5) en “Contrasten in het boek Openbaring” (deel 6 t/m 10). Wij verzoeken onze le­zers echter nog even te wachten met te bestellen, tot hierover een aankondiging volgt: in het eerstvolgende (mei) nummer van ons blad.

 

Verkenningen rond het boek Openbaring door Nico Goverts -10-

De kenmerken van de stad Gods

We hebben gezien: het gaat in de eindtijd om twee geheime­nissen, om twee steden: de stad Babel en de stad Gods. De vraag is nu: wat zijn de kenmerken van de stad Gods? Hoe wordt zij gebouwd? Hoe wordt dit geheimenis voleindigd?

Een eerste kenmerk wordt genoemd in Openbaring 21 vers 2 (Openb. 21:02): “En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is”. Daar zien we om te beginnen: deze stad is heilig. Dat onderscheidt haar van alle andere steden. “De steden der volkeren stortten in”, lezen we in Openbaring 16 vers 19 (Openb. 16:19. Maar deze stad blijft. Zij zal bestaan in eeuwigheid. Waarom? Omdat zij heilig is en onbesmet.

Heilige stad. Daar sprak Jesaja al over: “Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad” Jesaja 52 vers 1 (Jes. 52:01). En wat houdt die hei­ligheid in? Jesaja vervolgt: “Want geen onbesnedene of on­reine zal meer in u komen”. Hiermee stemmen overeen de woorden van Johannes: “En in haar zal niets onreins binnen­komen, en niemand, die gruwel en leugen doet, maar alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam” Openbaring 21 vers 27 (Openb. 21:27) .

Hoe komt iemand de stad Gods binnen? Alleen langs de weg van totale scheiding en totale toewijding. De stad Babel wordt gekenmerkt door vermenging, de stad Gods door schei­ding. Dat wil zeggen: het ingaan in de stad des Heren is een afscheid. Om het met de woorden van Jezus te zeggen: “Zo zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn discipel kunnen zijn” Lucas 14 vers 33 (Luc. 14:33). We kun­nen ook vertalen: die niet afscheid neemt.

Het is afscheid nemen van Babel, afscheid nemen van de ver­menging, afscheid nemen niet zoals de vrouw van Lot. Zij trok uit Sodom maar nooit heeft zij een stad bereikt. Waar­om niet? Zij trok uit, maar haar geest trok niet uit.

Lot trok uit, maar nimmer heeft hij een stad gezien. Waarom niet? Noodgedwongen ging hij uit. Van hem kon niet gezegd worden: uw volk is één en al gewilligheid.

Abraham trok uit. Met hart en ziel. Eén en al gewilligheid. Hij verwachtte een stad, stad met fundamenten. Abraham nam afscheid.

Zij die wonen in de stad, allen hebben zij afscheid geno­men. Met heel hun geest en wezen hebben zij hun intrek ge­nomen bij God. Niemand die gruwel en leugen doet, komt daar binnen. Het kenmerk van de stad Babel is: leugen. Openbaring 22 vertelt ons: “Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad” Openbaring 22 vers 14 (Openb. 22:14). Dat zijn degenen die ingaan. Zoals Jesaja reeds zei: “Opent de poorten, opdat een rechtvaardig volk binnenga, dat zijn trouw bewaart” Jesaja 26 vers 2 (Jes. 26:02).

God bouwt Zijn huis met het volk der waarheid

Tegenover de leugen staat daar de trouw. Tekenend voor de eindtijd zal zijn: verraad of trouw.. Leugen of waarheid. Welk volk gaat in? Het volk der getrouwheid, het volk der waarheid. Met waarheid bouwt God zijn huis.

“Buiten zijn de honden en de tovenaars, de hoereerders, de moordenaars, de afgodendienaars en ieder, die de leugen liefheeft en doet”, zo lezen we in Openbaring 22 vers 15 (Openb. 22:15). Wie zich verbindt met de leugen, staat buiten de stad. Het volk der getrouwen gaat in.

Dit contrast speelt een fundamentele rol in het laatste Bijbelboek. Negen maal komen we er de term ‘leugen’ en aan­verwante begrippen tegen; een tiental keren treffen we er de woorden ’waar’ of ’waarachtig’ aan.

Nu is het wellicht goed dat we hier wat dieper op ingaan, omdat we hier in feite te maken hebben met de basis van beide steden, de grondslag van de twee geheimenissen.

Wat zegt het boek Openbaring over leugen en waarheid?

Wat ontdekken we in het boek Openbaring over deze twee grondbegrippen: leugen en waarheid?

Nu kunnen we een kernwoord als dit niet verstaan, los van zijn Hebreeuwse achtergrond. En wanneer we ons in die ach­tergrond verdiepen, dan stuiten we op een woord dat in de Statenvertaling meestal weergegeven wordt met ‘waarheid”, terwijl het Nederlands Bijbel Genootschap in de regel ver- ! taalt met ’trouw’. De grondbetekenis van het woord is: dat-! gene wat vast is, wat bestendig is. Het heeft dus alles te maken met betrouwbaarheid, met waarachtigheid.

En dit is maar niet een bijkomstige zaak; dit is de achter­grond van het hele plan Gods. Zo is God zelf. Dit is het wat Hem tot God maakt. Juist hierin onderscheidt God zich van de góden. Jesaja laat ons dit, speciaal ook met het oog op de laatste tijden, zien als hij profeteert: “Maar zijn knechten zal Hij met een andere naam noemen, zodat wie zich in den lande zegent, zich zei zegenen in de God der waar­heid, en wie in den lande zweert, zal zweren bij de God der waarheid; want de vroegere benauwdheden zijn vergeten, ja, zijn verborgen voor mijn ogen” Jesaja 65 vers 15 en 16 (Jes. 65:15-16).

We zien: waarheid is net wezenskenmerk van onze God. En die waarheid Gods blijkt daar, waar Hij zijn volk door de benauwdheid heen leidt. Dit is uniek. De leugenprofeten pleisteren met kalk, maar onze God werkt met rotsgrond. Zijn grondslag, zijn onwrikbare vastigheden heeft God gelegd op bergen Hem gewijd. God zal het hele rijk oer duisternis overwinnen, maar hoe? God overwint door zijn trouw, door zijn betrouwbaarheid.

Typerend voor de eindtijd is: het verraad. Jesaja spreekt het uit: ”verraders plegen verraad, ja, verraders handelen verraderlijk” Jesaja 24 vers 16 (Jes. 24:16). Driemaal wordt in het boek Open­baring melding gemaakt van de valse profeet, of zoals er letterlijk staat: de leugenprofeet. De kracht van het rijk der duisternis is de leugen.

Maar de kracht van God is de waarheid. In Psalm 111 wordt dit bezongen: “De werken zijner handen zijn waarheid en recht, betrouwbaar zijn al zijn bevelen, vastgesteld voor immer en altoos, volbracht in waarheid en oprechtheid” (vs.7-8). Hier zien we het geheim voor de eindstrijd. God is waarachtig, en God zal zegevieren door middel van een gemeente die waarachtig is. Dat is het grondprincipe van het boek Openbaring. De waarachtigheid Gods houdt het een­voudig langer vol dan de leugen van de boze.

Daarom is het ook zo veelzeggend dat we dit woord ook te­genkomen in het verhaal van de strijd tegen Amalek in Exo­dus 17. Een prachtig beeld van de eindstrijd. Zoals Mozes, de leider, daar op de heuveltop stond, zo zien we in Open­baring 14 het Lam staan op de top van de berg Sion, als de aanvoerder van zijn volk.

En wat was het geheim van de overwinning van Amalek? Er wordt verteld van Mozes: zijn handen bleven onbeweeglijk tot zonsondergang Exodus 17 vers 12 (Ex. 17:12). In de geestelijke wereld hief Mozes zijn hand op en zo verbond zich zijn geest met de troon des Heren. En het sleutelwoord van het verhaal? Onbeweeglijk. Letterlijk staat er: zijn handen bleven ge­trouwheid. Zijn handen bleven waarachtigheid. Zijn handen bleven betrouwbaarheid.

In de eindstrijd zal Christus en Zijn gemeente triomferen

Hier hebben we het sleutelwoord voor de eindstrijd. God is bezig om iets voor te bereiden wat vast is, iets wat solide is. Het gaat God om een volk waarin de vastheid van Hemzelf gestalte krijgt. Mozes stond. Het Lam zal staan. Er is maar één ding dat zal winnen in de hemelse gewesten, dat is de vastheid, de waarachtigheid Gods. Alleen zo zal Amalek val­len .

Het is dan ook niet toevallig dat de Heer zich aan de ge­meente van Philadelphia als volgt presenteert: “Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die de sleutel Davids heeft, die opent en niemand zal sluiten, en Hij sluit en niemand opent” Openbaring 3 vers 7 (Openb. 03:07). Hier kondigt de Zoon des mensen aan dat aan Hem gegeven is de sleutelmacht in de geestelijke we­reld, welke macht Hij wil delen met zijn volk. Het is de macht om deuren te openen voor God, voor het rijk Gods, en om deuren te sluiten voor de boze. En dan blijkt dat daar beslissingen vallen die definitief zijn. Hij spreekt zijn wil uit en voortaan wordt daar nooit meer aan afgedaan. Als de Heer met zijn volk een deur opent, krijgt geen macht die deur meer dicht; als Jezus met zijn gemeente een deur voor het rijk der duisternis dichtgooit, zal geen wereldvorst die poort meer kunnen forceren.

En waarom is Hij in staat om deuren te openen en te slui­ten? Omdat Hij de waarachtige is. Waarachtigheid wint. Juist aan en in de eindtijdgemeente wil en zal Hij zich be­tonen als de betrouwbare. En waar blijkt die betrouwbaar­heid? “Ik zal u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal”, zo lezen we in diezelfde brief aan Philadelphia Openbaring 3 vers 10 (Openb. 03:10) . De Heer bewaart zijn volk, Hij haalt ze door de eindverzoeking heen. Hij doet dat en kan dat doen omdat Hij de waarachtige is.

Daarmee houdt ook verband de belofte die daar in vers 12 op volgt: “Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan”. Gods waarheid houdt ons staande. Omdat onze Heer de betrouwbare, de waarachtige is, bouwt Hij aan een huis dat dezelfde kwa­liteiten bezit: tempelzuilen die er niet meer uitgaan, maar die vast en zeker staan. Hij is de Heer der waarheid, die waarachtig en getrouw, vastheid geeft aan ’t Godsge­bouw.

Ook in de brief aan Laodicea komt dit motief weer naar vo­ren, als we horen in vers 14 van hetzelfde hoofdstuk: “Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige”. Hier wordt zelfs letterlijk op het Hebreeuwse woord teruggegre­pen dat vastheid aanduidt. Amen betekent immers: vast, ze­ker, bestendig. De Heer is zelf de bevestiging van de ge­meente, de vastheid van zijn volk, degene die garant staat voor de toekomst van zijn schepping.

Waarheid is een zaak van Geest en hart

We zien hoe deze grondgedachte al in de eerste hoofdstukken van Openbaring aan de dag treedt, juist naar mate de eind­fasen van de gemeente belicht worden. In de eindstrijd gaat alles zich toespitsen op trouw. Het is goed hierbij op te merken dat we hier heel duidelijk te maken hebben met een innerlijk gefundeerde houding. Waarheid is een zaak van geest en hart.

Waarheid is meer en gaat dieper dan het verstandelijk aannemen van een aantal waarheden. Het is een levenshouding, hart en geest geankerd in  God.

Merkwaardig is dan ook dat dit grondmotief in de laatste hoofdstukken van Openbaring weer tevoorschijn komt. In Openbaring 19 vers 11 (Openb. 19:11) wordt ons de overwinnaar van de eindstrijd ge­tekend en welke eigenschappen springen dan het meest eruit? “En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig”. Zo wordt Hij genoemd; dat is dus zijn naam, en zijn naam is zijn wezen. En wat blijkt zijn meest typerende naam te zijn in verband met de oorlog die Hij moet voeren? De dubbele naam Getrouw en Waarachtig. Die dubbele naam is de overwin­nende naam. Die dubbele naam is een bolwerk. Dat is het bolwerk bij uitstek van de eindtijd. Die naam is inderdaad een sterke toren.

Johannes vervolgt in vers 13: “Zijn naam is genoemd: het Woord Gods”. Immers, de woorden Gods zijn de uitdrukking van zijn waarachtigheid. En heerscharen die in de hemel zijn, volgen Hem. Zij sluiten zich aan, niet zomaar bij een willekeurig leger, neen, zij sluiten zich aan bij Hem wiens wezen is: waarachtigheid. Zij willen meedoen met Hem. Zij gaan in zijn spoor, in het spoor der getrouwheid. Zij zijn geworden als Hij. Zij hebben hun hart gezet op duurzaam­heid. Daarom houden zij stand in de hemelen.

Nog tweemaal wordt deze zelfde gedachte herhaald, in ver­band met het uiteindelijke totale herstel. Openbaring 21 vers 5 (Openb. 21:05) ver­telt ons: “En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. God is waarachtig, juist wanneer het gaat om het wederherstel van alle dingen. Dat is voor Hem een erezaak.

Deze lijn loopt door in hoofdstuk 22. Waar gaat het hele plan Gods naar toe? “En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden. En Hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig”(vers 5-6). Wie leeft vanuit de waarachtigheid Gods, heeft geen ander licht meer nodig. Nooit gaat de gouden dag daar dicht.

Het volk Gods zal het koningschap beërven, omdat zij vasthouden aan de waarachtige en getrouwe woorden Gods. Wanneer God in het eindtijdgebeuren bezongen wordt, dan is het veelzeggend dat ook in de liederen deze kerngedachte weer het accent krijgt. De overwinnaars die staan aan de glazen zee, waar zingen zij over? Zulke mensen houden er geen oppervlakkige liedjes op na; hun zangen gaan diep want zij zijn door de diepte gegaan.

“En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God, Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen. Gij, Koning der volkeren” Openbaring 15 vers 3 (Openb. 15:03).

Zij bezingen de waarachtigheid Gods. Zij hebben de wegen van God leren kennen; zij hebben op zijn wegen gewandeld, zij hebben met Hem gewandeld, door woestenij en wildernis, door zand en zee, door vuur en glas. En nu is één ding ge­grift in hun hart. Zij hebben God getrouw bevonden. Zij weten: God is waar.

De proclamatie aan de ganse schepping

De laatste gemeente zal juichen, zingen, weten: God is waar. Dat proclameren zij aan de ganse schepping.

In hoofdstuk 16 wordt deze gedachte doorgetrokken. “En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oor­delen zijn waarachtig en rechtvaardig”(vers 7). Gods oorde­len: Hij maakt scheiding tussen licht en duister. Hij zui­vert het kwaad uit zijn schepping uit. Hij zal de aarde, de wereld richten, dat wil zeggen: Hij zal recht spreken, en recht zetten. En dat doet Hij in waarachtigheid.

Wanneer Babel gevallen is, lezen we: “Hierna hoorde ik als een luide stem ener grote schare in de hemel zeggen: Halle­luja! Het heil en de heerlijkheid en de macht zijn van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen” Openbaring 19 vers 1 en 2 (Openb. 19:01-02). Waardoor komt Babel aan zijn eind? Babel wordt overwonnen door de waarheid Gods.

En als tenslotte de vrouw van het Lam zich gereed gemaakt heeft en zij als een volmaakte bruid aan God gepresenteerd kan worden, dan wordt erin verband daarmee vastgesteld: “Dit zijn de waarachtige woorden van God” Openbaring 19 vers 9 (Openb. 19:09) . Daar wordt de waarachtigheid Gods op het luisterrijkst ten toon gespreid: daar waar God zijn volk tot de volkomenheid voert. De gemeente die de gestalte Gods ontvangt, is het teken van de eindtijd. Zij zal zijn het teken, het bewijs van de waarachtigheid Gods, waardoor de mond der leugen­sprekers wordt gestopt.

Van degenen die met het Lam staan op de berg Sion, en die Hem volgen waar Hij ook heen gaat, wordt vermeld: “En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk” Openbaring 14 vers 5 (Openb. 14:05). Zij zijn waarheid geworden, de leugen vindt in hen geen plaats. Van hen kan gezegd worden zoals van hun Heer: de overste dezer wereld komt en heeft aan hen niets. Want hij heeft in hen niets.

DE WAARACHTIGHEID VAN GOD OP VOLKOMEN WIJZE IN ZIJN VOLK

Wat is hun geheim? Hun hart, hun geest gaat hiernaar uit. Zij willen voor honderd procent deel hebben aan de waarach­tigheid van hun God. Zij willen zich volledig verenigen met de vastheid, de getrouwheid van hun Meester.

Zo sluit de visie van het boek Openbaring helemaal aan bij het woord dat de profeet Zacharia eenmaal doorgaf: “Alzo zegt de Here: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des Heren der heerscharen, een berg der heiligheid” Zacharia 8 vers 3 Statenvertaling (Zach. 08:03). Stad der waarheid. Daar wil God wonen. Dat is de stad van de eindtijd. Die stad zal staan.

Op de heuveltop, op de berg der heiligheid, zal zij verrij­zen, zal zij staan als Mozes, staan als het Lam. Zij is waarheid, want waarheid is in haar. Haar waarheid, haar vastheid is God.

Haar handen blijven onbeweeglijk tot zonsondergang. Zo wordt de laatste slag gewonnen.

(wordt vervolgd).

 

 

Het koninkrijk van de kleine kudde door H. J. Scholten

In deze nieuwe brochure worden de woorden van Jezus uit Lucas 12 vers 32 (Luc. 12:32) belicht, waar Hij sprak: “Wees niet be­vreesd, gij klein kuddeke’. Want het heeft uw Vader behaagd u het Koninkrijk te geven!” Wie vormen dit kleine kuddeke en wie ontvangen het Koninkrijk? En wat is dit voor een Koninkrijk? Vragen die op duidelijke wijze worden beant­woord. Deze brochure zal ongetwijfeld velen de ogen openen voor de geweldige realiteit en heerlijkheid van de bood­schap van het Koninkrijk Gods en hoe, door deze boodschap in praktijk te brengen, tegenwerkende machten en dwaalle­ringen uit het rijk van satan worden ontmaskerd en over­wonnen!