1980.04 nr. 203

Levend geloof 1980. 04 nr. 203

U geschiede naar uw geloof door Gert Jan Doornink

Wat is geloof?

Er is vrijwel geen onderwerp dat ons als kinde­ren Gods meer bezig houdt dan ‘het geloof’. Als het niet op directe wijze is – zoals in dit ar­tikel – dan is het wel op indirecte wijze. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want geloof is in feite de spil waar alles om draait.

Maar welk geloof? Het spreekt vanzelf dat wij, als wij over geloof spreken, bedoelen het echte geloof, zoals dat in de Bijbel tot ons komt. Hebreeën 11 vers 1 (Heb. 11:01) noemt dat geloof de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet. En Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) zegt dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn. Geloof is bewijs en zekerheid temidden van een wereld van onzekerheid.

Als gelovigen bevinden we ons temidden van een wereld van ongelovigen. Maar het ongeloof van de wereld houdt niet in dat daar geen geloof is. Alleen is er niet het geloof in God, het geloof in Jezus Christus, het fundamentele ‘levensbeginsel’ van elk kind van God.

Ieder mens, zelfs de duivel, gelooft. De mens zonder Christus gelooft echter in de verkeerde zin, in de zichtbare, vergankelijke dingen. Wat niet zo verwonderlijk is, want dat is veel ge­makkelijker. We kunnen het echter nog beter zo formuleren: De wereld gelooft in alles wat bui­ten het geloof in God omgaat. Want we weten hoe het geloof van de wereld in onze dagen zich ook uitstrekt naar de onzichtbare dingen, maar dan op het occulte vlak, op het terrein van de duivel. Men gelooft niet in de God van wonde­ren, in de levende God geopenbaard in Jezus Christus, maar wel bijvoorbeeld in alles wat de wetenschap naar voren brengt, ook al is dat soms nog zo tegenstrijdig.

Twee belangrijke dingen

Als kind van God is het belangrijk twee dingen goed vast te houden. In de eerste plaats dat wij door het geloof kinderen Gods zijn gewor­den. Johannes 3 vers 36 (Joh. 03:36) zegt: “Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem”.

In de tweede plaats – en dat is niet minder be­langrijk – behoren wij door het geloof te leven. Paulus formuleerde het met deze woorden in Galaten 2 vers 20 (Gal. 02:20): “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven”.

Hoe zijn wij kinderen Gods geworden? Door het geloof. Hoe behoren wij als kinderen Gods te leven? Door het geloof. Daarom mogen we ook nooit onverschillig staan ten opzichte van ons geloof. Het is de meest belangrijke factor in ons leven als kind van God. Vele kinderen Gods zeggen: Ons eigen geloof doet er helemaal niet toe; God doet het de ene keer zus en de andere keer zo. We zijn toch maar kleine mensjes te­genover een grote God. We moeten maar afwachten wat God gaat doen. . . . Dit is een soort nederige hoogmoed die door en door on-Bijbels is.

Wat zou er gebeurd zijn als de hoofdman uit Matteüs 8 niet zijn geloof had uitgesproken dat Jezus bij machte was zijn knecht te genezen? Of wat zou er gebeurd zijn als de twee blinden uit Matteüs 9 ‘neen’ hadden gezegd op de vraag van Jezus of zij geloofden dat Hij hen genezen kon? U raadt het al: Niets, helemaal niets. En Jezus zei ook niet tot de hoofdman: Wat ben je brutaal om zo maar te komen vragen om gene­zing voor zijn zieke knecht. Neen, Hij prees juist zijn grote geloof met de woorden: “Voor­waar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zó groot geloof gevonden”. Matteüs 8 vers 10 (Matt. 08:10) .

Hoe komt het nu dat het geloof van vele kinde­ren Gods vaak nog zo zwak is, dat zij zich ver­wonderen als God hun gebeden beantwoord. In plaats van dat zij zich veel meer zouden moeten verwonderen als God ze niet beantwoord? Laten we daarvoor de uitspraak die Jezus hier in bei­de genoemde gebeurtenissen gebruikt: – “U ge­schiede naar uw geloof” – maar eens nader onder de loep nemen.

Geloof is Gods kracht in ons

U geschiede naar uw geloof. Met andere woorden, wij zullen beleven wat wij geloven. Geloof is iets wat in ons is. Niemand kan zeggen: Ik heb geen geloof, want Gods Woord zegt dat God elkeen een mate van geloof heeft toebedeeld. Romeinen12 vers 3 (Rom. 12:03). Geloof is een geweldige kracht (Gods kracht) die in ons is. De hoofdman was zo over­tuigd van die kracht dat Hij tot Jezus zei: “Spreek slechts een woord en mijn knecht zal genezen” Matteüs 8 vers 8 (Matt. 08:08).

Het geloof in ons moet echter de kans krijgen “iets te kunnen doen”. Zoals een plant in een pot groeit en op een gegeven moment over­geplant moet worden in een grotere pot, zo behoort ook ons geloof tot groei te komen. De duivel zal er alles aan doen om ons geloof af te remmen en “verborgen” te houden. Als we zo rondom ons kijken is hem dat al aardig gelukt. Hoe? Door gelovigen gebonden te houden of weer aan zich te binden. Er zijn heel wat gelovigen die niet (meer) in de vrijheid van Christus staan. Daarnaast zien wij bij velen gebrek aan geestelijke groei, wat ook een ernstige belem­mering voor ons geloofsleven betekent. Tijdens de campagnes met Hans Koornstra vorig jaar, was er een voorganger die vertelde, dat hij nu had teruggevonden, wat hij twintig jaar geleden was kwijtgeraakt. Op zich een verblijdend te­ken, ware het niet dat het toch wel een droevi­ge zaak is als iemand twintig jaar niet geeste­lijk groeit. En dan te bedenken dat Hans Koorn­stra alleen nog maar sprak over de fundamentele dingen van het geloof. Laat iedere gelovige daarom zichzelf onderzoeken of hij verkeerde aards gerichte inzichten en gebondenheden af moet leggen, want God wil dat we geestelijk groeien, zodat we de mannelijke rijpheid berei­ken. (Efeze 6).

Geloof is persoonlijk

Wat verder uit de uitspraak van Jezus, “U ge­schiede naar uw geloof”, duidelijk naar voren komt is het feit dat geloof persoonlijk is. Wij kunnen ons niet achter het geloof van de ander verschuilen. Hoewel anderen ons wel kunnen helpen en wij anderen kunnen helpen. De Bijbel spreekt zegt zelfs dat de sterken geroepen zijn de zwakken in het geloof te helpen.

Maar het is verkeerd als we ons op negatieve wijze bezig houden met het geloof van de ander. Wat kan men soms op een liefdeloze manier verwijten maken door bijvoorbeeld te zeggen: “Je hebt geen geloof”. Al moeten we ook oppassen niet door te slaan naar de andere kant, want in zijn algemeenheid mogen we wel stellen dat gebrek aan geloof één van de voornaamste oorzaken is van niet-verhoorde gebeden.

In ieder geval laten we onszelf onderzoeken op dit punt, zoals Paulus dat ook adviseert in 2 Korinthe 13 vers 5 (2 Kor. 13:05) met de woorden: “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk”.

Geloof komt tot openbaring

Geloof behoort tot openbaring te komen. Als het verborgen blijft is er iets niet goed. Maar hoe gaat dat in zijn werk? Hoe wordt geloof geopen­baard? In de eerste plaats door het woord of de woorden die wij spreken. Denk aan Romeinen 10 vers 8 tot en met 10 (Rom. 10:08-10): “Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart namelijk het woord des geloofs, dat wij predi­ken. Want indien gij met uw mond belijdt, dat Jezus Heer is, en met uw hart gelooft, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij be­houden worden; want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis. Immers het Schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet be­schaamd uitkomen”. De woorden die wij spreken zijn dus zeer belangrijk. Zij openbaren het geloof (Gods Woord) wat in ons is.

In de tweede plaats komt geloof tot openbaring door de handelingen die wij doen. Jakobus 2 vers 26 (Jak. 02:26) zegt: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood”. Het is niet mogelijk “in stilte” te ge­loven. Onze belijdenis is dus uitermate belang­rijk. En die moet te alle tijde in overeenstem­ming met Gods Woord. Niet met de omstandigheden of symptomen. Bij ziekte bijvoorbeeld is het belangrijk dat wij belijden genezen te zijn in de striemen van Jezus. Natuurlijk hoeven we geen struisvogelpolitiek te spelen, door te zeggen dat we gezond zijn, terwijl we ziek zijn. Dat zou oneerlijk zijn. Maar ook al zijn de symptomen misschien nog aanwezig is, belijdt op positieve wijze Gods Woord, zodat Zijn beloften in ons leven in vervulling gaan.

De garantie die Jezus geeft

Weet u wat zo heerlijk is? Dat – als wij gelo­ven – Jezus garant staat voor de functionering van ons geloof. Hij heeft gesproken: “U ge­schiede naar uw geloof”. Zijn woorden zijn geest en leven en vol autoriteit. De garantie van Jezus ten opzichte van het geloof is:

  1. Dat het kan functioneren,
  2. Dat het wordt beantwoord. (Soms niet direct, maar altijd op positieve wijze).

We moeten er in deze tijd alles aan doen om een levend, werkzaam, functionerend geloofsleven te hebben. Want, nogmaals, zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn. Hoe kan ons geloof optimaal functioneren?

Ten eerste door ons geloof te funderen in het Woord van God. Dan gaan we ontdekken dat God goed is en ons in Jezus “leven en overvloed” heeft geschonken. Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10). Laten we dus veel bezig zijn met Gods Woord en door gebed en door de vervulling met de Heilige Geest Gods Woord leren verstaan. Geloof vindt altijd zijn basis in het woord van God.

Ten tweede moeten wij er naar streven geeste­lijk te groeien. Wij behoren te staan in de volle waarheid en de geestelijke weg te bewan­delen. Zo als wij in ons natuurlijk leven niet rondlopen in te kleine of versleten kleren, behoort dat ook in geestelijk opzicht niet. Daarom is er bij een waarachtig kind van God geen plaats meer voor gebondenheden en verkeer­de inzichten. Hij leert geestelijk te strijden en te overwinnen. Paulus zegt: “Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts” Romeinen 13 vers 12 (Rom. 13:12).

Als wij bereid zijn deze weg van geloof te gaan komt in ons leven de kracht, de overwinning’ en de volheid van Jezus tot openbaring en zijn wij daardoor anderen ten zegen en bruikbare instru­menten tot eer van zijn Naam!

U geschiede naar uw geloof! De knecht van de hoofdman en de twee blinden ervaarden het. Ook wij mogen het ervaren en niet alleen in nood­situaties, maar altijd en overal. Want wie op de levende God zijn geloof bouwt, zal nooit beschaamd uitkomen!         

 

Geloften en beloften door J. Noë

“Offer Gode lof en betaal de Allerhoogste uw gelof­ten” Psalm 50 vers 14 (Ps. 050:014).

“Op mij, o God, rusten ge­loften, u toegezegd” Psalm 56 vers 13 (Ps. 056:013).

Wat is een gelofte?

Een gelofte is een belofte van ons aan God gedaan. In Gods Woord staat heel wat over geloften en beloften. Een gelofte is heilig en is een overeenkomst tussen de mens en God. Daar moe­ten wij goed van doordron­gen zijn.

Ik las eens jaren geleden een Engels boekje onder de titel: “In His steps; what would Jesus do?”, (“In Zijn voetstappen; wat zou Jezus doen?”) van Charles H. Sheldon. De inhoud van dit boekje heeft mij zeer getroffen en hieronder doe ik dan ook een kort uit­treksel er uit volgen.

“Een ‘elite’ kerk in een plaats in Amerika werd tijdens een zondagmorgendienst op een sensationele wijze wakker geschud, door­dat een zeer slecht uit­ziende man plotseling naar voren kwam en op ontroeren­de en indrukwekkende wijze, gebaseerd op eigen erva­ring, de toehoorders wees op het falen van de kerk en zijn leden: men matigde zich wel de naam “christen” aan, maar de daden getuig­den daar zeker niet van, men handelde niet zoals Je­zus dat van Zijn volgelin­gen verwachtte.

Na de toespraak viel de man bewusteloos neer en stierf kort daarop. Het een en an­der maakte diepe indruk. Het gevolg was dat de pre­dikant tot inkeer kwam en zijn schuld aan God beleed. Tijdens de zondagmorgendienst daaropvolgend, stortte hij zijn hart voor de gemeente uit en vroeg of er mensen genegen waren een belofte af te leggen om ge­durende een geheel jaar in alles wat ze zouden doen zich zelf eerst de vraag te stellen: “Wat zou Jezus doen?” en dan overeenkoms­tig te handelen.

Er meldden zich ongeveer 50 mensen, welk aantal later veel en veel groter werd. Onder hen bevonden zich vooraanstaande persoonlijk­heden, onder andere een uitgever van een grote krant, een spoorwegman, een directeur van een instituut en andere zakenlieden, als­mede een rijke vrouw.

Deze mensen hielden hun be­loften en kwamen daardoor voor geweldige problemen te staan. Ze veroorzaakten een geweldige opschudding in de nogal corrupte zaken­ en politieke wereld. Ze verloren cliënten, hun baan, familieleden, vrien­den en leden vanzelfspre­kend financiële schade. Maar ze hielden vol, ze droegen het evangelie uit en waren getuigen van Christus.

In de beruchte buurten wa­ren ze het licht in de duisternis. De rijke vrouw gaf haar vermogen weg en verdeelde het onder diege­nen die het geld het hardst nodig hadden.

De samenkomsten, waar ze ook gehouden werden, waren tjokvol en velen gaven hun hart aan de Heer. Een gro­te opwekking vond plaats, Gods zegen was merkbaar en het sloeg over op andere kerken in Amerika.

Het spreekt vanzelf, dat, degenen die de belofte ge­daan hadden, hun verdere leven beschikbaar stelden voor de Heer”.

Waarvoor Prediker ons waarschuwt

Tot zover dit uittreksel. U ziet, het geeft ons wel iets om over na te denken. Weet u dat Prediker 5 vers 1 tot en met 6 ( Pred. 05:01-06) ons een ernstige waarschuwing geeft inzake het geven van geloften en beloften? We laten het hieronder volgen: “Wees niet overijld met uw mond, en uw hart haaste zich niet om een woord voor Gods aangezicht uit te spreken; want God is in de hemel en gij zijt op de aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn. Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, zo dwaas gepraat door veel woorden. Als gij God een belofte gedaan hebt, talm er dan niet mee die in te lossen, want Hij heeft geen welgevallen aan de dwazen; Wat gij beloofd hebt, moet gij inlossen. Het is beter, dat gij niet belooft dan dat gij belooft en niet inlost. Geef uw mond geen gelegen­heid om u te doen zondigen, en zeg niet in tegenwoor­digheid van de Godsgezant, dat het een vergissing was; waarom zou God ver­toornd worden over uw woor­den en het werk uwer handen verderven? Want er zijn dromen in menigte, zo zijn er ook talrijke ijdele woorden; vrees echter God”.

Hoe gauw wordt er niet in een opwelling onnadenkend en lichtvaardig een gelofte aan God gedaan, terwijl men er nauwelijks van bewust is wat men doet. Zo dik­wijls wordt het bekende lied (335 Glorieklokken) gezongen:

“Ja ik volg U,

ja ik volg U,

waar de weg ook henen leidt.

Ja ik volg U,

ja ik volg U,

op de weg naar ‘d eeuwig­heid” .

In feite doet men dan zin­gend een gelofte en ik vraag me af: Hoevelen zin­gen het met volle aandacht en mensen het werkelijk?

Zijn de kosten berekend?

Jezus wist zo goed, wat in de mens is en daarom zegt Hij in Luc. 14:28-30:

“Want wie van u, die een toren wil bouwen, zet zich niet eerst neer om de kosten te berekenen, of hij het werk zal kunnen vol­brengen? Anders zouden, als hij de fundering gemaakt had, en het werk niet kon voltooien, allen, die het zagen, beginnen hem te be­spotten, zeggende: Die man begon te bouwen, maar hij kon het niet voltooien”.

Wandelen in de voetstappen van Jezus houdt zo intens veel in en daarom waar­schuwt Hij er ons ook voor, dat, als wij Hem inderdaad willen volgen, wij heel wat voor Hem moeten Loslaten. In feite alles wat een innig contact met Hem zou kunnen belemmeren. We zullen, om Zijns Naams wil, heel wat te verduren krijgen en door allerlei verdrukkingen, in welke vorm ook, moeten heengaan. En dan komt het er op aan of wij inderdaad Zijn geboden bewaren en de door ons gedane beloften gestand doen, zoals de men­sen in het verhaal, wat ik in het begin van dit arti­kel heb beschreven.

Jezus zegt in Johannes 14 vers 21 (Joh. 14:21):

“Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het, die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, zal geliefd worden door Mijn Vader en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren”.

Dit zegt Jezus als wij Zijn geboden bewaren. Wonderbaar niet?

In aansluiting hierop laat ik volgen wat Jezus in Markus 12 vers 30 (Mark. 12:30) zegt op de vraag, welk gebod het eerste (grootste) is van alle:

“Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is een, en gij zult de Here uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht.

Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als u zelf. Een ander gebod, groter dan deze, bestaat niet”.

Als ons hart, ons hele we­zen, zo vervuld is van dit geweldige gebod, wat alleen mogelijk is door de Heilige Geest, want het is de vrucht daarvan, dan zullen wij Gods liefde en heerlijk­heid uitstralen, dan wande­len we in de voetstappen van Jezus, hand in hand met Hem, in absolute gehoorzaam­heid aan de Vader. Dan be­waren we Zijn geboden (denk aan de Bergrede), onderhou­den wij al wat Hij gezegd heeft en handelen dienovereenkomstig. Dan zijn wij in staat lief te hebben, diege­nen, wie het ook zij, die ons teleurstellen, verdriet en pijn doen, die ons haten, die ons vijandig gezind zijn en zijn wij ook in staat de door ons gedane ge­loften en beloften na te komen.

Waakzaamheid blijft geboden

We dienen echter zeer waak­zaam te zijn, want de dui­vel en zijn trawanten zul­len alles in het werk stel­len om te verhinderen, dat wij onze geloften gestand doen. Daarom moeten wij wat staat in 2 Korinthe 10 vers 3 tot en met 6 (2 Kor. 10:03-06) terde­ge ter harte nemen.

“Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vlese­lijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de re­deneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God slechten, elk bedenksel als krijgsge­vangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus, en gereed staan, zodra uw gehoorzaamheid volkomen is, alle ongehoorzaamheid te straffen”.

Als wij onze geloften nako­men, zullen wij ervaren, dat God, de Vader, ons alle dingen zal schenken in Zijn Zoon Jezus Christus en Hij Zijn beloften aan ons waar zal maken.

“Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: amen, tot eer van God door ons”! 2 Korinthe 1 vers 20 (2 Kor. 01:20).

God zegene u allen!

 

Van maand tot maand door Gert Jan Doornink

Van Juliana naar Beatrix

Als op 30 april koningin Juliana afstand doet van de troon en wordt opge­volgd door koningin Bea­trix, betekent dit een bijzondere dag voor iedere Nederlander. Men kan ui­teraard opmerken dat wij als “burgers van een rijk in de hemelen” Filippenzen 3 vers 20 (Filip. 03:20) ons niet meer druk behoe­ven te maken over derge­lijke aangelegenheden. Toch mogen wij niet over het hoofd zien dat de Bij­bel ook duidelijk maakt dat dit “hemelburgerschap’ in deze wereld zichtbaar moet zijn. Vandaar dat we niet onverschillig behoe­ven te staan ten opzichte van de dingen die in deze wereld gebeuren, als wij

het maar beoordelen vanuit onze nieuwe (geestelijke) plaats in Christus. Dan zijn wij er op de juiste wijze bij betrokken. Bo­vendien gaan we ons dan niet begeven, zoals sommi­gen dat doen, in allerlei speculaties, over bijvoor­beeld de geloofsbeleving van de leden van het ko­ninklijk huis.

Het enigste wat we wel kunnen doen is voor hen bidden. Zoals Paulus des­tijds reeds schreef aan Timótheüs: “Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dank­zeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig le­ven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid. Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden en tot erkente­nis der waarheid komen” 1 Timoteüs 2 vers 1 tot en met 4 (1 Tim. 02:01-04).

Laten wij de Heer danken voor de vele jaren van ge­loofsvrijheid ten tijde van koningin Juliana en bidden dat dit ook voort­gang mag vinden als prin­ses Beatrix onze nieuwe koningin wordt. Vele kin­deren Gods geloven niet meer in een “stil en rus­tig leven” waarvan Paulus hier spreekt. En inderdaad spreekt de apostel in de tweede brief aan Timoteüs ook over het feit dat er “in de laatste dagen zware tijden zullen komen” 2 Timoteüs 3 vers 1 (2 Tim. 03:01). Maar het is de duivel voet geven als wij elkaar onrust, paniek en vrees aanpraten, terwijl dit nog niet aan de orde is. Bovendien heeft een kind van God zijn rustpunt ten alle tijd in Jezus Christus die gezegd heeft: “Vrees niet, geloof al­leen!”. Laten we de vrij­heid die er nu nog is, zo­veel mogelijk benutten door verder te gaan met de ver­kondiging van het volle evangelie. Dat is het waar­aan de wereld en het naam- christendom behoefte heb­ben!

35 jaar na de bevrijding

Op 5 mei aanstaande is het weer bevrijdingsdag. Het is dan 35 jaar geleden dat Nederland bevrijd was van vijf jaar onderdrukking door de Duitse bezetters. De ouderen onder ons kun­nen zich nog heel goed herinneren welk een inten­se vreugde en blijdschap deze bevrijding meebracht. Uitbundig waren dan ook de feestelijkheden in de eerste tijd na de bevrij­ding en iedereen was vol i- dealen om aan een gelukkige en welvarende tijd te be­ginnen. Wie nu, vijf en dertig jaar later, de ba­lans opmaakt, moet constateren dat er weliswaar, vooral de laatste jaren, een ongekende welvaart is geweest, maar dat ook de ontevredenheid en ondank­baarheid bij velen ongeken­de vormen heeft aangenomen.

Als kinderen Gods weten wij wat daarvan de oorzaak is. Satan gaat nog steeds rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verslinden. De vrijheid die de mens zonder Christus meent te bezitten, is geen werkelijke vrijheid, want die wordt pas gevonden in Christus. Wie door Hem is vrijgemaakt is werkelijk vrij!

Het geluk en de vrede die de mens zonder Christus meent te bezitten is slechts op drijfzand ge­bouwd. Alleen wie zijn ge­loof in Christus de Rots gefundeerd heeft, zal de eindtijdstormen kunnen doorstaan.

In de afgelopen vijf en dertig jaar is er ook op geestelijk terrein het één en ander gebeurd. In de vijftiger jaren werd het oorspronkelijke evangelie voor het eerst weer op gro­te schaal gebracht en velen zowel binnen als buiten de kerken, werden er door ge­grepen en gingen het echte geloof weer ontdekken en beleven. Tegelijkertijd za­gen wij een verdere degene­ratie van het naam-christendom. Een ontwikkeling die doorgaat tot op de dag van vandaag. De scheiding der geesten is in volle gang. Zorg dat u er op de juiste wijze bij betrokken ‘ bent, want Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) zegt: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie hei­lig is, hij worde nog meer geheiligd”.  

“Party poppers” of feestknallers

Welk een geraffineerde wa­pens de duivel gebruikt om zijn vernietigend werk in mensenlevens te doen, blijkt weer eens uit onder­staand bericht, wat niets te maken met de feesten van 30 april of 5 mei, al zou de titel dat wel doen vermoeden. Het gaat name­lijk om een berichtje uit Amerika, waarbij volgens de psychiater Leonard Sigell in de “American Jour­nal of Psychiatry”, het zogenaamde “snuiven” van amylnitrit, een medicijn tegen hartkloppingen, steeds meer ingang vindt. Als je de capsule waarin deze drup zich bevindt, stukmaakt. breekt deze met een luide plof, vandaar dat bij jonge druggebrui­kers de uitdrukking “par­ty poppers” of feestknallers is ontstaan.

In steeds meer Amerikaan­se discotheken gaat er op een bepaald moment een lampje branden dat aan­geeft dat er binnenkort amylnitrit over de dans­vloer wordt verstoven. De uitwerking is dan dat men “meer ontspannen kan dansen, creatiever kan den­ken en de muziek fijner kan ondergaan”, aldus Sigell, die tevens melding maakt dat dit “snuiven” steeds meer populair wordt bij onder andere me­ditatie, ter verbetering van het bewustzijn en om seksuele belevenissen in­tenser te ondergaan.

De mens in de greep van de duivel heeft steeds ster­ker prikkels nodig om nog bevredigd te worden, en dan is het nog een surrogaatbevrediging van een moment. Wat een genade en blijdschap als men door Jezus vernieuwd is en ver­lost is van elke binding uit het rijk der duister­nis. Dan hebben we niet allerlei “feestknallers” of andere “injecties” no­dig om blij te zijn, maar Jezus zelf is onze blijd­schap. En wie Hem volgt zal nimmer in de duister­nis wandelen.

 

Pagina 16 rechtsonder

Jezus tot Zijn discipelen: Het is u gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen. . . .

Want wie heeft,. die zal ge­geven worden en hij zal  overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Matteüs 13 vers 10 tot en met 12 (Matt. 13:10-12)

 

Levend geloof door Judith Jacobs

1 Korinthiërs 3 vers 7 (1 Kor. 03:07)

Geloof is een (genade)gave Gods zegt 1 Kor. 12:09. Het is heerlijk als je kunt zeggen dat je geloof bezit, vooral als dat geloof groot en sterk zou zijn.

Als ik mezelf beschouw en op een eerlijke manier de mate van mijn geloof zou onderzoeken, voel ik me jammerlijk, ellendig, arm en naakt Openbaring 3 vers 1 (Openb. 03:01). Dat komt omdat je meent iets te bezitten dat bij nader inzien (als je ge­toetst wordt) niet in zo’n grote mate aanwezig blijkt te zijn als je zelf wel had verondersteld. Of misschien was er in wezen wel helemaal niets aanwezig. Dat zullen de omstandigheden (mede leren) bepalen.

Gelukkig hoeven we onszelf en anderen niet meteen de grond in te boren, want de Here Jezus ging uit van het standpunt dat Hij verwachten mocht enig geloof (hoe klein ook) bij ons aan te treffen. “Al zou dat geloof zo klein zijn als een mosterdzaadje”. Als het er maar is’.

Geloof moet groeien, dat is een normale zaak. Er is nie­mand die op een ladder klimt teneinde op dezelfde trede te blijven staan. Geloof dat niet groeit (waar geen be­weging in zit) is te vergelijken met stilstaand water. Het bevat geen stroom (energie) die de kracht opwekt iets tot stand te brengen: er is geen ontwikkeling en dus geen eindproduct. Zulk een geloof heeft dan ook geen waarde; als er helemaal geen geloof is, is het onmoge­lijk de Here te behagen. Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Ik mag om beide zaken bidden: wat ik niet bezit mag ik vragen en uit genade ontvangen. Hetgeen ik ontvangen heb (hoe klein ook) mag groeien. God geeft leven en was­dom.

Bede: Heer, maak mijn geloof tot goud dat door U gelou­terd is, opdat ik rijk mag zijn en witte klederen mag ontvangen om mijn naaktheid te bedekken alsmede ogenzalf om te zien. Amen.

 

Het mosterdzaadje (gedicht) door Judith Jacobs

(Matth. 17:20-21)

Als mijn geloof in God zou wezen

Zo “groot” als ’t kleine mosterdzaad,

Dan zou ‘k mijn rijkdom méér ervaren:

De kracht van Zijn genade-maat.

 

Er zouden wonderen gebeuren,

In mijn bestaan van alle dag;

De trotste bergen zouden wijken

Op ’t machtig woord van Zijn gezag.

 

In Christus heeft God mij gegeven,

Zijn hemelschatten vol en vrij;

Maar ongeloof bindt Hem de handen,

’t Werkt negatief maar. . . ’t komt door mij.

 

Wat me ontbreekt, Heer, wil mij schenken,

Naar Uw genade, zonder maat:

Geloof, door U geplant in ’t harte

En wasdom. . . van ’t ontkiemend zaad.

 

Het uitverkoren volk door Nico Goverts

Zijn wij ons bewust een uitverkoren volk te zijn?

In zijn eerste brief spreekt Petrus de gemeente aan met de volgende woor­den: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom” 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09) . Maar wat betekent dat nu, dat wij een uitverkoren volk zijn? Dat is iets waar we ons vaak veel te weinig van bewust zijn. Als we dit werkelijk zouden gaan zien, in al zijn consequenties, dan blijkt dit een buiten­gewoon verstrekkende uit­spraak te zijn. Voor wie zich dit gaat realiseren, kan het een omwenteling in zijn denken betekenen. Zo krijgt men een veel scher­per zicht op de gemeente. Vaak is dit verwaarloosd en het gevolg is dat men niet de rechte kijk heeft op het plan Gods met de gemeente.

Er is bij veel christenen een enorm gebrek aan gemeentevisie. Men spreekt over groepen en samenkoms­ten, men bezigt het woord ‘gemeente’ veelal ook nog wel, maar men heeft er vaak nog weinig idee van, wat de gemeente eigenlijk is. Som­migen denken: een gemeente, dat is een fijne samen­komst. Men kijkt alleen naar de buitenkant: enthou­siasme, een goed lopende organisatie. Maar wat nog veel gevaarlijker is: men berooft de gemeente van haar doel. Hoe algemeen is niet de gedachte: de ge­meente heeft binnenkort haar tijd gehad. Het loopt af. Zo kan men meemaken dat kinderen Gods vol overgave het lied zingen: “Het duurt niet lang voor we verdwenen zijn”. In gedachte en fantasie is men op allerlei wijze bezig met de verdwij­ning van de gemeente.

Waar de schepping op wacht

Paulus had een heel ander perspectief, als hij aan de gemeente van Kolosse schrijft: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijk­heid” Kolossenzen 3 vers 4 (Kol. 03:04) . De apostel was niet bezig met het ver­dwijnen, maar het ver­schijnen van de gemeente. De schepping wacht op het openbaar worden, niet op de verdwijning, van de zonen Gods. En dat openbaar wor­den, dat is de onthulling.

Wanneer nu een beeldhouwer een standbeeld maakt, dan werkt hij ergens naar toe. Dat beeld moet af. Hij zit niet voortdurend op zijn horloge te kijken, of het al tijd is om naar huis te gaan. Hij heeft een doel, een ideaal: dat het beeld klaar komt, en dan wordt het onthuld. Hij laat niet, als het beeld nog maar half af is, de hele zaak ver­dwijnen. Neen, zijn doel is: de onthulling. En hij weet: de onthulling komt pas, als het beeld af is.

Het denken van velen over de gemeente is vaak weinig logisch. Men weet en be­lijdt dat God de bouwmees­ter is van het huis, maar men gelooft niet dat Hij het huis afmaakt. Men zegt dan: er zal een bepaald aantal mensen behouden wor­den; als nu het getal vol is, dan wordt deze bedeling beëindigd. Dan is de vol­heid der heidenen ingegaan. Daarbij vergeet men dat het God niet te doen is om een bepaald getal; er is hele­maal geen getal vastgesteld van mensen die gered wor­den; ieder die wil, mag ko­men .

Het is God om iets heel an­ders te doen: om een gees­telijke volheid. God be­doelt niet iets in de trant van: wil de laatste chris­ten die gered wordt, het licht uitdoen? God werkt juist aan een gemeente waar het licht opgaat. Een ge­meente die tot volheid, tot volwassenheid, tot heer­lijkheid komt.

God doet geen half werk

Velen menen: de tijd van de gemeente is bijna voorbij. Maar waar blijft men dan met Gods karakter? Hoe kan men dan nog zingen: “God is getrouw, Zijn plannen falen niet”? We kunnen alleen op de juiste manier over de gemeente denken, als we dat doen vanuit het karakter van God. En van God wordt gezegd: al Zijn werk ge­schiedt in trouw. Dat geldt dan zeker voor de gemeente.

God doet geen half werk. Geen enkele architect laat een half huis bouwen. Wij hebben een bouwmeester die goed is en getrouw; zou die het dan wel bij een half huis laten? Jezus zei dat wie een toren wil bouwen, eerst de kosten moet bere­kenen, of hij het werk wel zal kunnen voltooien. An­ders zal iedereen hem be­spotten. Zou God dan de kosten niet berekend heb­ben? God wist waar Hij aan begon. De gemeente is niet bedoeld als een voorwerp van bespotting, maar als een sieraad voor God. En dan moeten we bedenken: voor God kan zij alleen een sieraad worden door de heerlijkheid die zij bezit in de geest. Daarom is het doel van de gemeente in de­ze tijd: het voltooien van die geestelijke heerlijkheid.

In dit verband is het zo belangrijk te gaan ontdek­ken: wat wil het zeggen als de gemeente genoemd wordt het uitverkoren volk? Vaak denkt men bij uitverkiezing alleen maar aan een bepaald schrikbeeld: God heeft van tevoren vastgelegd wie er behouden wordt en wie niet.

Maar zo werkt God niet; bij Hem wordt je niet gepro­grammeerd. Maar door dat verkeerde idee is vaak ver­duisterd wat een rijkdom van gedachten Gods er in dat begrip ‘uitverkoren volk’ opgesloten ligt.

De functie van het boek Deuteronomium

Om de achtergrond te ver­staan moeten we teruggaan naar het boek Deuteronomium. Dit boek heeft namelijk een heel belangrijke functie in het plan van God. Het is niet maar, zoals dikwijls gedacht wordt, een herhaling van de wet. Het is de voorbereiding voor wat er in het boek Jozua gaat gebeuren. In Jozua zien we de verovering van Kanaän; in Deuteronomium de instructies voor Kanaän. En één van de voornaamste pun­ten die Mozes de mensen gaat inprenten, lezen we in Deuteronomium 7 vers 6 (Deut. 07:06): “Want gij zijt een volk, dat de Here, uw God, heilig is; u heeft de Here, uw God, uit alle vol­ken op de aardbodem uitver­koren om zijn eigen volk te zijn”.

Dit is een kerngedachte van het hele boek Deuteronomi­um. Dit is een absoluut noodzakelijke voorbereiding voor Kanaän. Alleen wie de­ze gedachte gaat vatten, is klaar om Kanaän binnen te gaan. Want alleen wie Gods gedachten verstaat, kan het Koninkrijk der hemelen beërven. Daarom gaat Deuteronomium vooraf aan Jozua.

En hier lag juist het groot­ste probleem bij het volk van het oude verbond. Ze verstonden hun roeping niet. Ze wisten dat ze uit Egypte geleid waren, maar de meesten wisten niet met welk doel. Ze hadden geen perspectief. Daarom gaat Mozes hen toespreken: Weet je wel wat je bent? Weet je wel wat Gods plan is? Je bent bedoeld als een uitverkoren volk.

Is dat ook niet het probleem bij vele christenen vandaag, ’ het probleem van vele ge­meenten? Wel geleid uit het diensthuis, maar zonder vi­sie. En omdat men de gedachten Gods niet kent, mislukt de verovering. Men kan niet opklimmen in de hemelse gewesten. Velen in de tijd van Mozes hadden alleen maar een individualistische visie, hun denken was gericht op aardse zegen: hoe kom ik zo I vlug mogelijk bij de melk en de honing? Maar wie klom er op tot de gedachte van God? Ook nu zijn er velen met al­leen een melk en honingvisie. Maar God roept ons om Zijn uitverkoren volk te zijn.

Twee fundamentele principes

Hier komen we meteen al twee fundamentele principes op het spoor. Uitverkoren zijn betekent: je bent er voor God. God wil een volk hebben voor zichzelf. En het twee­de: God wil een volk hebben met het oog op een bepaald plan. God gaat dat volk er­gens voor inzetten. Uitver­koren zijn heeft niet te ma­ken met je redding, maar met je bestemming. Het gaat hier bovendien niet om enkelingen maar om een volk.

Zo is het God vandaag ook te doen om een volk. Dat zijn diegenen die zich bewust worden van hun bestemming. De gemeente wordt vaak in het denken van menig chris­ten onderschat. Men beseft de waarde ervan niet. Het is niet maar een groep gelovi­gen. Het is het volk Gods. Een volk met een hemelse bestemming. Dat wil zeggen: niet een volk dat bestemd is om eenmaal naar de hemel te gaan, maar een volk dat be­stemd is om nu in de hemel te functioneren.

We ontdekken hier nog een geestelijk principe: er is tijd voor nodig, om je bestemming te leren kennen. Dat geldt voor ons persoon­lijk en voor de gemeente. Er kan een gevaar in zitten, wanneer iemand een kind van God wordt on zich meteen stort in een stroom van activiteiten. Hij weet niet wie hij is. En ook iemand die al jaren een christen is, kan zich zo verliezen in allerlei bezigheden en bij­zaken, dat hij er niet aan toekomt, te ontdekken: waar­voor ben ik er? waar ga ik heen?

Waardoor worden wij in beslag genomen?

Wat is van enorm belang dat je als gemeente je die vraag stelt:

wat is onze bestem­ming?

waar gaan we heen?

waarvoor zijn we er?

Er zijn gemeenten die nooit aan deze vragen toekomen. Dan is men bezig net als Martha, be­zorgd en druk over vele dingen, in beslag genomen door het vele bedienen. Maar Je­zus wil dat we in beslag ge­nomen worden door Hem. Onze geest vervuld van God. Anders zijn we als die auto­mobilist die alleen maar dat rode stoplicht ziet en zich zit te verbijten: wan­neer wordt het eindelijk groen? En hij ziet niets van de prachtige wolkenhemel boven hem. De tactiek van de boze is altijd, ons denken in beslag te nemen met beuzelingen, zodat we omkomen door gebrek aan perspectief.

Daarom roept God ons op: volk van God, ontdek je be­stemming. Neem de tijd om visie te verwerven. Laat je geest verlichten. De geest van veel oprechte kinderen Gods wordt terneer gedrukt door een verkeerd beeld van God. Maar, en ook dat is een punt dat we duidelijk moeten onderkennen: de geest van velen wordt ook geremd door een verwrongen beeld van de gemeente. Velen zijn door schade en schande ontnuch­terd. Zé hebben geen bij­bels ideaal meer. Ze laten hun denken bepalen door hun ervaring, door teleurstel­lingen. Daarom moeten we ons afvragen: waar haal ik mijn visie vandaan? Het ge­heim van Kaleb was dat hij zijn visie niet haalde bij de buren. Hij liet zijn denken niet beïnvloeden door wat hij om zich heen hoorde en zag. Dan was hij binnen de kortste tijd een pessimist geworden. Maar Kaleb haalde zijn visie bij God. Er staat van hem: hij had een andere geest. En God zegt van hem: hij heeft Mij volkomen gevolgd. . En God volgen, dat is Gods denken volgen. Zijn visie overnemen.

Sta op, word verlicht

Menigeen zit bij de sche­merlamp van zijn ervaring. Men zegt: het is een donke­re tijd. De gemeente gaat als een nachtkaars uit. Maar God komt tot ons en zegt: Steek de lampen aan in je geest. Laat het licht opgaan in je hart. Sta op, wordt verlicht. Want er is licht voor je geest, er is hoop voor je toekomst, er is visie voor je volk, er is perspectief voor je oog. Misschien zijn er nog don­kere hoeken in je geest; je zegt: over gemeenten hoef je me niets meer te vertel­len; ik heb zoveel meege­maakt. Maar God zegt: drink het beeld in dat Ik je geef. Drink dat beeld in van het uitverkoren volk, en ga daarmee door tot heel je geest verlicht is.

In het nieuwe testament wordt Jezus de uitverkorene genoemd. En wel op een heel bijzonder moment. Als Jezus met drie van Zijn discipe­len de berg opgaat, lezen we: “En er klonk een stem uit de wolk, die zeide: Deze is Mijn Zoon, de uitverkore­ne, hoort naar Hem” Lucas 9 vers 35 (Luc. 09:35). Wat gebeurt hier? Hier gaat God de Vader iets open­baren over de bestemming van Jezus. Dat Hij is de uitver­korene. Nu zijn er twee punten die in dit verband op­vallen en die ons een sleu­tel geven met betrekking tot het uitverkoren zijn van de gemeente.

In de eerste plaats zien we: God gaf deze openbaring aan de drie discipelen, maar ze moesten er wel voor de berg op. Jezus nam hen mee om­hoog. Alleen op de berg, in de wolk, in de hemelse ge­westen, ga je ontdekken wat je bestemming is.

Van de discipelen staat er dat ze bevreesd werden, toen ze de wolk ingingen (vs. 34).

Ook nu is vrees vaak het wa­pen dat de boze hanteert.

Vrees om de berg te beklim­men, vrees voor je hoge roe­ping. Veel kinderen Gods hebben hoogtevrees. Ze heb­ben misschien anderen zien vallen, ze hebben wellicht gemeenten zien vallen, en ze zijn bang. Er zijn er die bang zijn voor de toekomst, bang voor mislukking: je kunt wel een gemeente gaan bouwen, maar vandaag of mor­gen komt er toch weer een kink in de kabel. Sommigen zijn bang voor de ander: ze zijn geschokt in hun vertrouwen, ze durven zich niet meer te geven in een gemeen­te .

Denken vanuit het bestemmingsplan van God

In het oude verbond was er angst, bij de berg Sinaï. En het volk klom niet op. Ook de discipelen waren nog bevreesd omdat de geestelijke wereld voor hen nog zo vreemd was. Nog geen ver­trouwd terrein. Maar nu komt Jezus en Hij zegt tot ons: Ben je bang voor de hoogte? Ben je bang voor je bestem­ming? Kom maar, Ik neem je mee. Dan gaan we samen de berg op.

Dit is zo van fundamentele betekenis, dat we leren denken, niet vanuit het verleden, maar vanuit het bestemmingsplan van God. Als een stedenbouwkundige een ontwerp maakt voor een bepaalde stad of wijk, dan moet er soms eerst heel wat gesaneerd worden. Krotwo­ningen worden afgebroken, kleine kronkelige straatjes worden recht gemaakt en doorgetrokken. Zo is het ook vaak in de gemeente. Velen hebben gebouwd naar hun beste inzicht. Maar de tijd is gekomen van Gods uitverkoren volk. Daarom komt het er nu voor alles op aan dat we ons gezamen­lijk, met heel ons hart en wezen, on met eensgezind­heid, gaan richten op het bestemmingsplan van God.

Het is niet genoeg dat we wat regels uit de Bijbel halen voor het gemeenteleven. Dit gaat veel dieper. Hot gaat er om eens geestes ie worden met de bouwmees­ter. Daarom is het zo be­langrijk, samen als gemeen­te de grondprincipes van het plan Gods te bestude­ren, en dan ook zich die eigen maken. Neem bijvoor­beeld de Efeze brief, die een geweldig zicht geeft op Gods gemeenteplan. En bestudeer die, met elkaar, als gemeente, met heel be­wust als doelstelling: wij willen Gods visie indrin­ken. Wie werkelijk visie wil vinden, moet op de goede plaats zoeken: bij de God wiens gedachten ho­ger zijn dan die der men­sen. Waarachtige visie krijg je niet door te luis­teren wat ‘men’ er van vindt. Als een gemeentebe­stuur een nieuwe stadswijk wil bouwen, gaat het ook niet om ideeën vragen bij Jan Rap en zijn maat; het zoekt een bekwame bouwkun­dige, een man met visie, iemand van wie de man in de straat misschien zegt: die heeft zulke bizarre ideeën. Maar dat komt gewoon doordat hij zijn tijd vooruit is. Zo moeten ook wij leren luiste ren naar een architect van niveau. Hij heeft een ontwerp, een bestemmingsplan: het uitverkoren volk. Dat is Zijn visie.

Een profetische achtergrond

Dan zien we nog een tweede punt dat opvalt als God Je­zus op de weg aanspreekt als de uitverkorene. Dan doet Hij dit namelijk tegen een profetische achtergrond. Het zijn woorden van Jesaja, die de Vader hier toepast op de Zoon. In Jesaja 42 vers 1 (Jes. 42:01) horen we: “Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkore­ne, in wie Ik een welbehagen heb”. Daarmee komen we tot een heel belangrijke zaak: Jezus wordt door de Vader de uitverkorene genoemd. Dat is niet zomaar een erenaam, dat betekent: hiermee is Hij aangeduid als de vervuiler van de profetieën. Maar dan moeten we de lijn ook door­trekken: als de gemeente dan genoemd wordt: uitverkoren geslacht, dan houdt dat dus in: de gemeente is bedoeld om de profetische woorden van Jesaja te vervullen.

Die profetieën slaan op de Christus, dat wil zeggen op Jezus en de gemeente.

Hier ontdekken we de kern van de zaak: gij zijt een uitverkoren geslacht, dat betekent in u gaan de profetische geschriften in vervulling.

Dan gaat Jesaja 42 vers 1b (Jes. 42:01b) verder: “Ik heb Mijn Geest op hem gelegd; Hij zal de volken het recht openbaren”. Het geheim van de uitverkorene is: de Geest. Hij moet eens geestes zijn met God. Dat is ook het geheim voor ons als gemeente: we kunnen alleen uitverkoren volk zijn, wanneer we niet slechts de Geest ontvangen, maar ons helemaal één maken met de Geest, met de gedachten van de Geest.

De openbaring van Gods recht en wezen

Wat doet dat uitverkoren volk? Ze openbaren Gods

recht. Ze zullen zijn tot een licht der natiën, zegt vers 6. Licht is het wezen van God. Dus is het hun taak, het wezen Gods te openbaren. Nu zien we het: als God ons noemt uitverkoren geslacht, dan betekent dat: Ik heb jullie bestemd om Mijn wezen te openbaren. Net zoals Jezus dat deed. Daarom zal het voor alles een volk moeten zijn dat Gods wezen kent. Hoe kan ooit een volk dat verwarde begrippen heeft over het ka­rakter van God, Zijn wezen openbaren? Het zal een volk moeten zijn dat zich Gods wezen eigen maakt, dat met Gods wezen doordrenkt is.

Van die uitverkorene wordt gezegd: “En het voornemen des Heren zal door zijn hand voortgang hebben” Jesaja 53 vers 10 (Jes. 53:10). Als God zegt: gij zijt een uitverkoren ge­slacht, dan ligt daarin op­gesloten: Mijn voornemen zal door jullie hand voort­gang hebben. In dit volk wordt Mijn plan gereali­seerd. Daarom is het be­slist niet toevallig dat de Efeze brief, waar de Geest het meest diepgaand Zijn ge­dachten over het volk Gods heeft ontvouwd, nu uitgere­kend begint met de woorden: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld” Efeze 1 vers 4 (Ef. 01:04). Daar hebben we de toonzetting en het thema van de hele Efeze brief: wat betekent het, uitverko­ren volk te zijn?

De belofte voor het uitverkoren volk

Samenvattend zien we deze wezenskenmerken van het uitverkoren geslacht: in hen worden de profetische schriften vervuld, Gods plan wordt in hen gerealiseerd, het wezen Gods komt in hen openbaar.

Voor hen geldt de belofte: ; “Uw volk zal geheel uit rechtvaardigen bestaan, voor ’ altoos zullen zij het land bezitten: een scheut die Ik gepland heb, een werk mijner handen, tot mijn verheerlij­king” Jesaja 60 vers 21 (Jes. 60:21).

Misschien zien we er nog maar een klein begin van, maar bedenk dan dat God be­gint in onze geest. Dat is het beslissende punt: kan God Zijn visie aan ons kwijt, kan God Zijn gedach­ten in ons leggen?

Waar dat gebeurt, waar een gemeente zegt: wij willen eens geestes worden met God, daar gaat de Geest een volk formeren, een geestelijk volk. En van hen wordt gezegd in Jesaja 60 vers 22 (Jes. 60:22): “De kleinste zal tot een geslacht worden en de geringste tot een machtig volk”.

1980.03 nr. 202

Levend geloof 1980. 03 nr. 202

De opstanding van Jezus: het hart van ons geloof door Gert Jan Doornink

Jezus leeft

Met grote blijdschap viert de Gemeente van Christus weer Pasen, het feest van de opstan­ding van Jezus. God is niet dood, maar heeft zich in Jezus Christus als de Levende geopen­baard. Jezus leeft! En wij met Hem! Dat is de grote zekerheid voor elk kind van God. Dat on­derscheidt ook het christelijke geloof van al­le andere godsdiensten.

Eén van de troeven die de duivel telkens weer uitspeelt, en waardoor in onze dagen velen geestelijk verblind zijn, is de gedachte dat alle wereldgodsdiensten gelijk zijn. Het chris­tendom zou zich niet mogen aanmatigen dat zij het éne ware geloof bezit. Ook de andere godsdiensten zouden van minstens even grote beteke­nis zijn.

Zelfs sommige christenen denken er zo over. Er zijn zelfs heel wat leidende figuren in de the­ologische wereld, die niets liever willen dan dat de dialoog met de andere wereldgodsdiensten verder van de grond komt, zodat dit uiteinde­lijk zal resulteren in één grote, universele wereldgodsdienst.

We vragen ons echter af of christenen die daar­aan meedoen, wel ooit iets hebben begrepen van de ware betekenis van het christendom. Immers terwijl iedere andere godsdienst alleen van historische betekenis is, is het christendom ook van actuele betekenis. Want de “grondleg­gers” van de andere godsdiensten zijn reeds lang gestorven, maar Christus leeft! Hoe weten wij nu dat Christus leeft?

Bewijzen dat Jezus is opgestaan

Ten eerste uit Zijn Woord. De Bijbel beschrijft ons op uitvoerige en duidelijke wijze alles o- ver het lijden, sterven en de opstanding van Jezus. Na Zijn opstanding verscheen Hij meerde­re malen aan Zijn discipelen en vele anderen. Handelingen 1 vers 3; Handelingen 13 vers 31; 1 Korinthe 15 vers 5 en 6 (Hand. 01:03; Hand. 13:31; 1 Kor. 15:05-06).

Een tweede belangrijke bewijs is de aanwezig­heid van de ware gelovigen in deze wereld! Hun getuigenis is dat Zijn Geest met onze geest ge­tuigt dat wij kinderen Gods zijn. Romeinen 8 vers 16 (Rom. 08:16). Eens was Jezus lichamelijk op aarde, maar nu is Hij geestelijk in Zijn kinderen op aarde.

Als de oprichters van de andere wereldgods­diensten dan dood zijn, hoe is het dan mogelijk dat deze godsdiensten na zoveel eeuwen nog steeds standhouden, en zelfs hun invloed uit­breiden? Bij de beantwoording van deze vraag moeten we met twee dingen rekening houden. In de eerste plaats zegt Gods Woord reeds dat ve­len de duisternis liever dan het licht hebben. in de gelovigen heeft, ontbreekt er vaak nog veel aan de zichtbaarheid van de levende Jezus in hen.

Vele wedergeboren christenen leven nog op de wijze zoals men onder het oude verbond leefde. We zien dat bijvoorbeeld gedemonstreerd in het feit dat velen zich liever bezig houden met al­lerlei gebeurtenissen die zich afspelen rondom het aardse, natuurlijke Israël. In plaats van dat men zijn plaats bewust is in het “geeste­lijke Israël’ — de Gemeente —, waar bekeerde joden en bekeerde heidenen van gelijke beteke­nis zijn, want Gods Woord zegt dat er geen onderscheid is. Romeinen 3 vers 22; Romeinen 10 vers 12; Kolossenzen 3 vers 11 (Rom. 03:22; Rom. 10:12; Kol. 03:11).

Wie wil denken en leven zoals men onder het oude verbond dacht en leefde, heeft nog niets van het evangelie begrepen. Als theologen hun onderdanen “onder de wet” houden, in plaats van hen alleen “de genade en de waarheid” van Christus te prediken, misleiden zij hun volge­lingen. Jezus kwam om de wet te vervullen! Aan het kruis van Golgotha riep Hij het uit: “Het is volbracht!”. Hij overwon de satan. Hij stond op uit de dood. Hij was de grote Triomfator! Daarom is de opstanding van Jezus het hart van het geloof van de ware Gemeente van Christus.

Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde

Wat was het geheim dat de eerste christenen zo’n geweldige doorbraak in het rijk van satan bezorgde? De proclamatie, onder de zalving van de Heilige Geest, dat Jezus was opgestaan uit de doden! Dat zal ook de christenen van de eindtijd tot overwinnaars maken! Het is een grote misvatting dat er nu een ander evangelie gebracht zou moeten worden dan toen. “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid” Hebreeën 13 vers 8 (Heb. 13:08) .

Feitelijk is het onbegrijpelijk dat er nog steeds kinderen Gods zijn die op oudtestamentische wijze hun geloof willen beleven. Daar­mee keren zij in feite terug tot de tijd voor Pinksteren. Alsof we de wereldklok terug kun­nen zetten! Bovendien spelen ze hiermee de dui­vel in de kaart, die er alleen maar belang bij heeft als de heerlijkheden van het nieuwe ver­bond, ons in Christus geschonken, verborgen blijven.

Voor ons geldt, dat wij genaderd zijn “tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plech­tige vergadering van eerstgeborenen, die inge­schreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt heb­ben, en tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel” Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 (Heb. 12:22-24).

We vieren Pasen in 1980 na Christus. Het is daarom totaal onmogelijk om naar Gods wil de levende Christus te beleven, als we in onze gedachtewereld nog betrokken zijn in de denk­wijze van het oude verbond.

Maar kunnen we uit het oude testament dan als christenen niets leren?, zal men zich afvragen. Vanzelfsprekend wel, zelfs heel veel. Ook het oude testament is voor de gelovige van onschat­bare waarde. Maar we moeten het op de juiste wijze interpreteren, dat wil zeggen geestelijk. Denk alleen reeds aan de geweldige geestelijke lessen die we kunnen trekken uit de geschiede- nis van het joodse volk.

Het oude testament is de voorafschaduwing van het nieuwe testament. De komst van Jezus was de vervulling van wat reeds in het oude verbond was aangekondigd. Hij kwam om de werken van sa­tan te ontmaskeren en te overwinnen. Zonde, ziekte, angst, twijfel, vrees, enz. , alles werd door Jezus overwonnen, met als apotheose de overwinning van de dood, toen Hij na Zijn kruisdood begraven wérd, maar na drie dagen op­stond uit de dood.

De overwinning van Jezus is ook onze overwinning!

“Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen geze­gevierd” Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15). De grandioze wijze waarop Paulus de opstanding van Jezus beschrijft, doet iedere waarachtige christenen het uitjubelen van vreugde: Hij leeft en wij eveneens! Want ook wij zijn betrokken bij deze opstanding.

Hij was de Eersteling die werd opgewekt van hen die ontslapen zijn. 1 Korinthe 5 vers 20 (1 Kor. 15:20). Straks zal ook ons vergankelijk lichaam onvergankelijkheid aandoen.

“Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam werd een le­vende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelij­ke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stof­felijke is, zijn ook de stoffelijke mensen, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelse mensen. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen heb­ben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen” 1 Korinthe 15 vers 44 tot en met 49 (1 Kor. 15:44-49).

Paulus liet er geen enkele twijfel aan te pas komen dat de opstanding van Jezus, het hart van zijn geloof was. Dat beheerste heel zijn leven in dienst van de Meester. Daarom was hij ook geen moment bang voor de vijand. Die was immers door Jezus overwonnen!

De waarachtige christen van deze tijd zal ook weer ten volle gaan ontdekken en beleven dat hij deel mag hebben aan de totale overwinning van Jezus over satans macht. Want ook voor hen staat één ding als een paal boven water: de opstanding van Jezus is het hart van ons ge­loof!  

 

Lof en prijs door J. Noë

 

“Wie lof offert, eert Mij, en baant de weg, dat Ik hem Gods heil doe zien” Psalm 50 vers 23 (Ps. 050:023).

Dit is een leerrijk gedeel­te uit Psalm 50. Er staat in Gods Woord heel wat over vreugde, loven, prijzen, jubelen, juichen en ver­blijden. Zo staat er in Psalm 84 vers 3 (Ps. 084:003): “Mijn hart en mijn vlees jubelen tot de leven­de God”. En in Psalm 98 vers 4 (Ps. 098:004): “Juicht de Here, gij ganse aarde, breekt uit in geju­bel en psalmzingt”. En ga zo maar door.

Lofprijzing behoort uit het hart te komen

Het is zo belangrijk, om­dat het de wil van God is en Hij er welbehagen in heeft, als wij Hem met ons gehele wezen eren. Het ware lofprijzen komt uit het hart voort en wel door de gemeenschap met God, in en door Jezus Christus. Dan ben je in staat in de moeilijkste omstandigheden, in welke vorm die ook tot ons komen (of waarin wij verke­ren) , of het nu is door al­lerlei gebeurtenissen of door aanvallen in het li­chaam, God te bejubelen met de zekerheid in het hart, dat God Zijn woord en beloften waar zal maken. Ik zal eens een paar bekende voorbeelden uit Gods Woord aanhalen, waaruit dit blijkt.

1.De belegering en val van Jericho. (Jozua 6).

God geeft Jozua richtlijnen hoe hij de stad moet inne­men. Hij zegt onder andere: Op de zevende dag moet gij zevenmaal om de stad heen­trekken en de priesters zullen op de horens blazen. Wanneer men op de ramshoorn de toon aanhoudt, dan moet het gehele volk een luid gejuich aanheffen en de stadsmuur zal ineen storten en het volk moet daarop klimmen, ieder recht voor zich uit. En zo gebeurde het ook.

2.Het dal der lofprijzing. 2 Kronieken 20 vers 19 tot en met 34 (2 Kron. 20:19-34).

Juda is omringd door een hele sterke legermacht van Moabieten en Ammonieten.

Koning Josaphat was be­vreesd geworden en riep met het hele volk de Here aan. En de Here gaf het volgende antwoord: “Wees niet bevreesd voor deze grote menigte, want het is geen strijd van u, maar van God” (2 Kron. 20:15). En God gaf hen verdere instructies.

Toen de dag was aangebroken loofden Josafat en al zijn mannen de Here en op het moment van het gejubel werden de vijandelijke legers door God vernietigd.

3.De gevangenbewaarder van Filippi. Handelingen 16 vers 19 tot en met 34 (Hand. 16:19-34).

Paulus en Silas waren, na mishandeld en gegeseld te zijn, in de binnenste ker­ker van de gevangenis opge­sloten. Midden in de nacht echter baden Paulus en Si­las en zongen Gods lof en plotseling kwam er een zwa­re aardbeving. Alle deuren van de gevangenis gingen open en de boeien van de gevangenen raakten los. De gevangenbewaarder raakte in paniek en wilde zelfmoord plegen, maar Paulus voor­kwam dat. Het gevolg was dat de gevangenbewaarder met zijn gezin tot geloof kwamen.

Met deze gedeelten uit Gods Woord wil ik aantonen hoe wonderbaar Gods wegen zijn, als wij handelen naar zijn wil. Paulus en Silas gingen niettegenstaande hun mise­rabele toestand, de Here loven en prijzen en gaven de duivel geen voet. De zekerheid was in hun hart dat God zou voorzien.

Broeders en zusters, dit is God kennen en dat kunnen we alleen bereiken door en in Jezus Christus, onze Leids­man en Voleinder des ge­loofs en de kracht van de Heilige Geest. Als kinderen Gods dienen we te wandelen in geloof en niet in aan­schouwen,  2 Korinthe 5 vers 7 (2 Kor. 05:07),(niet met onze zintuigen dus), het woord des levens vasthoudende.

Hebreeën 10 vers 19 tot en met 24 (Heb. 10:19-24) zegt: “Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heilig­dom door het bloed van Je­zus, langs de nieuwe en le­vende weg, die Hij ons in­gewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des ge­loofs, met een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad, en met een lichaam, dat gewas­sen is met zuiver water. Laten wij de belijdenis van hetgeen wij hopen onwankel­baar vasthouden, want Hij, die beloofd heeft, is ge­trouw. En laten wij op elk­ander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken”.

Is dat niet wonderbaar? Zo­als ik al zo dikwijls ge­zegd heb: God doet alle dingen medewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben. Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28). God wil Zijn doel met ons bereiken en daarom gaan wij door velerlei beproevingen (ver­zoekingen van de duivel) heen. Als wij dit steeds voor ogen houden, dan kun­nen wij de Here ook te al­len tijde, ook in de zwaar­ste verdrukkingen, loven en prijzen. Halleluja!

Ik wil eindigen met de vol­gende verzen uit Gods Woord:

1 Thessalonicenzen 5 vers 16 (1 Thess. 05:16): “Verblijdt u te allen tijde”.

Filippenzen 4 vers 4 tot en met 7 (Filip. 04:04-07): “Verblijdt u in de Here te allen tijde! We­derom zal ik zeggen: Ver­blijdt u! Uw vriendelijk­heid zij alle mensen be­kend. De Here is nabij. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en sme­king met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus”. God zegene u!

 

Van maand tot maand door Gert Jan Doornink

Geen alcohol in de lijdenstijd

Evenals de evangelische kerk in Hessen en Nassau (Duitsland], hebben hervormde, gereformeerde en christelijk gereformeerde predikanten in Veenendaal in een pastorale brief hun gemeenteleden opgeroepen in de lijdenstijd geen al­cohol te gebruiken. In een commentaar van de ker­kelijk redacteur van “Trouw” schrijft deze dat hij het altijd al vreemd gevonden heeft dat ortho­doxe predikanten, bij wie niet veel door de beugel kan en die proberen zo nauwgezet te leven, er geen bezwaar tegen hebben bij gelegenheden een ste­vige borrel te pakken. . . . Men weet precies aan te geven wat “werelds” is en wat niet, maar alcoholge­bruik werd nimmer als we­relds ervaren. De betrok­ken dominees wijzen alco­hol terecht als een “drug” aan en het uitgespaarde geld wil men dan ook voor hulp aan drugsverslaafden gebruiken.

Op zichzelf een lofwaardig initiatief zal men zeggen, ware het niet dat een en ander natuurlijk geen enke­le verandering brengt, als men dit alleen maar voor een bepaalde periode wil doen, (tegelijk met de ka­tholieke vastentijd]. Eén van de regels die men bo­vendien opgesteld heeft is dat men wel anderen een glas mag schenken en wel alcohol mag gebruiken als men in deze periode jarig is, trouwt of een jubileum heeft      

Wij geloven dat werkelijke bevrijding van alcoholver­slaving (en van iedere an­dere verslaving] alleen mogelijk is door een nieuw leven met Christus te beginnen. Gods Woord zegt: Wie door Christus is vrij­gemaakt, die is waarlijk vrij. En om de werkelijke vrijheid van Christus ook op dit punt blijvend te beleven is bovendien de vervulling met Gods Geest nodig. Paulus zei het reeds: “Bedrinkt u niet aan wijn, waarin bande­loosheid is, maar wordt vervuld met de Geest” Efeze 5 vers 18 (Ef. 05:18).

Sciensfiction of werkelijkheid

Iedere christen weet dat de duivel talrijke pijlen op zijn boog heeft om de mens onder zijn invloedsfeer te brengen. Eén van deze pij­len is ongetwijfeld de zo­genaamde “science fiction”, waarbij de mens in een sen­sationele en bizarre fanta­siewereld wordt binnenge­leid, die zich dan in de nabije of verre toekomst zou kunnen voordoen. Veel SF verhalen hebben betrek­king op ruimtereizen naar andere planeten; robots en allerlei vreemde wezens spelen daarbij een grote rol. SF is in onze dagen “in”. Talrijke bladen, boe­ken en bladen speculeren op de zucht naar sensatie en het uitstappen in een droomwereld van vleselijke bevrediging van veel men­sen. Er verscheen onlangs zelfs een encyclopedie over dit onderwerp.

Een christen heeft geen be­hoefte zich op dit terrein te begeven. Voor hem bete­kent zijn geloof in Chris­tus oneindig veel meer dan wat hij ooit in deze fanta­siewereld – zelfs als het waar zou zijn – zou kunnen beleven. Paulus sprak reeds over Gods heerlijkheid, die het deel is van iedere ge­lovige, door te schrijven aan de Gemeente te Korinthe: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen men­senhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefheb­ben” 1 Korinthe 2 vers 9 (1 Kor. 02:09).

Een christen hoeft ook de werkelijkheid niet te ont­vluchten. Zijn werkelijk- heis is Christus! Kolossenzen 2 vers 17 (Kol. 02:17). Die leidt hem door Zijn Geest in alle waarheid en doet in hem, in een we­reld waarvan satan nog de overste is, overwinnen. Christus in ons, de Hoop der heerlijkheid!

 

Fantasie of werkelijkheid door Judith Jacobs

1 Korinthe 15 vers 38 (1 Kor. 15:38)

Als God niet bestaat en de Bijbel een sprookje is, be­rusten alle daarin opgenomen verhalen op fantasie. In dit verband verwijs ik naar Genesis 3 vers 19 (Gen. 03:19 waar, door de zondeval, de mens wordt aangezegd te zullen sterven als slotfase van het aardse bestaan. Men noemt dit ook wel “de vloek van het paradijs”.

Indien het paradijsverhaal dus op fantasie zou berus­ten, zou er – rechtlijnig geredeneerd – geen enkel mens sterven en niets is minder waar.

Toen Jezus aan het kruis uitriep: “Het is volbracht”, was de betekenis van die woorden dat Hij de vloek der zonde, ziekte en dood had weggenomen (Jesaja 53). Chris­tus leverde het bewijs door na drie dagen op te staan uit de dood: zoals de (natuurlijke) mens in Adam moest sterven, zou de (geestelijke) mens in Christus verrijzen in een nieuw opstandingslichaam. U vindt dat thema be­handeld in 1 Korinthe 15. Het is zeer de moeite waard dat hoofdstuk in zijn geheel te lezen en te bestuderen, want het chapiter van “leven en dood” is het beschouwen waard.

Er is echter een voorwaarde: wie opgewekt wil worden in onvergankelijkheid moet wel weten dat dit alleen voor Gods kinderen (Zijn eigendommen) geldt. Wie dit “hoopt” of “gelooft” in de betekenis van “denken” heeft geeste­lijk nog een belangrijk hiaat op te vullen.

De triomf van de vrijgekochten des Lams bestaat uit volle verzekering, ontvangen door Zijn vergoten bloed als zoenmiddel voor onze zonden en een wedergeboren hart dat klopt in een “vernieuwde mens” waarin Christus’ opstandingskracht leeft.

Welk een troostvolle genade als je aan het graf staat van een dierbare. Geen scheiding voor altoos, maar een weerzien aan de overzij. Voor hen die in Christus Jezus zijn. “Want God maakt alle dingen nieuw”.

 

Eenmaal … (gedicht) Judith Jacobs

Openbaring 21 vers 4 (Openb. 21:04)

Eenmaal. . . zal er geen dood meer zijn.

Geen rouw en geen gekrijt;

Geen scheiding, zo vol droefenis.

Maar leven tot in eeuwigheid.

 

Eenmaal. . . zal ook het lichaam zijn –

Verlost van alle strijd;

Het aardse kleed, thans afgedaan,

Tooit God met nieuwe heerlijkheid.

 

Eenmaal. . . zal worden afgewist,

Elke leed en ied’re traan;

Ze zullen door Zijn liefdehand

Nooit meer kunnen bestaan.

 

Laat dit dan zijn – schoon felle pijn –

De troost, door God bereid:

Eenmaal zal er, voor wie gelooft,

Een weerzien zijn in d’ eeuwigheid.

 

Nieuw door de Geest van Christus door Jan W. Companjen

“Onze brief zijt gij, ge­schreven in onze harten, kenbaar en leesbaar voor alle mensen, daar gij toont een brief van Christus te zijn, door onze dienst op­gesteld, niet met inkt ge­schreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten” 2 Korinthe 3 vers 2 en 3 (2 Kor. 03:02-03).

Het volle leven van God in ons

Bouwt elkander op in het geloof, is één van de be­langrijkste opdrachten die wij als christenen met el­kaar hebben. Als je om je heen ziet mankeert daar wel het één en ander aan. Op­bouwen wil namelijk zeggen: steeds hoger, steeds beter gefundeerd, steeds beter samen een tempel Gods zijn. Uit de artikelen in dit blad, is inmiddels ze­ker wel gebleken dat wij met deze opbouw bezig zijn. Wij willen graag dat elk mens, jong en oud, een vol­wassen broeder of zuster van ons wordt in Jezus Christus.

Dat is de eerste stap, de volgende is, opwassen en groeien naar het doel waartoe wij samen geroepen zijn. Daartoe is de tijd rijp. De verlangens die daartoe in ons hart leven zijn er, daar ben ik van overtuigd, door Gods Geest ingelegd (verwekt). Dat is het volle leven Gods in ons en daarvoor willen wij le­ven, openstaan en vrucht-dragen.

Om tot een volwaardig gees­telijk leven te kunnen ko­men, zullen wij eerst tot een zelfstandig denken en handelen moeten komen. De Geest Gods helpt ons daar­in op een geweldige wijze. Daarover heb ik onder ande­re in het laatste artikel over het hemelse manna ge­schreven. Wij zullen zelf­standig gevoed moeten wor­den met het Brood des Levens, Jezus Christus. Johannes 16 vers 13 en 14 (Joh. 16:13-14) zegt daarvan: “Wanneer Hij komt, de Geest der waar­heid, zal Hij u de weg wij­zen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zich­zelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen”.

De doorbraak van het echte geestelijke leven

Dat leven is een geestelijk leven. Dat betekent door een leven in gemeenschap met Hem, de dingen gaan verstaan die aanstaande zijn. Er zijn zwart-wit gezien, twee soorten men sen. Die grens loopt door allen heen, ook door de ge­lovigen. Er zijn

(a) mensen die volgzaam zijn, die militaristisch of niet-militaristisch, jong of oud, achter hun leider aangaan. De leider bepaalt hun den­ken en voedt hun op. Er zijn ook mensen die niet zo volgzaam zijn,

(b) Zij zijn individualistisch, staan op zichzelf en hebben altijd veel noten op hun zang. Het is niet gauw goed, of – en dat komt ook voor -, men vindt alleen datgene goed wat men zelf denkt en doet.

Zoals u ziet zitten er zo­wel bij de a- als de b-mensen mogelijkheden tot problemen die een goed functioneren in de weg kunnen staan. Toch zullen we in deze ook nuchter moeten zijn en er ons niet bij neer moeten leggen als wij tot een type behoren die niet bij de volwassen mens past. Ook hier geldt name­lijk dat alle natuurlijke dingen doorbroken kunnen worden, indien wij in het geloof ons daarnaar uit­strekken. U zult inmiddels al wel begrepen hebben dat bij de a-types er gevaren dreigen van vervlakking en slaafse volging van de voorman. Een uitzonderlijk voorbeeld zien wij in het volgen van een heel volk (Duitsland) aan hun leider tot in de dood (Hitler). Het is onbegrijpelijk dat een zo’n ontwikkeld land zover kon komen. De b- types mogen dan wat zelfstandiger zijn, ook bij hun is het geen koek en ei. Zij zijn zó zelfstandig dat ze elkaar helemaal niet kunnen vinden en zij blijven als eenheden op hun hoogte staan.

Broeders en zusters, er mankeert dus aan beide ty­pes wat, ja zelfs heel veel, namelijk er is gebrek aan leiding door de Heilige Geest. De types zoals die er in de wereld zijn, zijn er ook onder ons. Wij zijn of worden echter opgeroepen tot zelfstandige mensen met ruggengraad, maar ook tot mensen die naar elkaar wil­len luisteren en aanvullen. Zij die het mens zijn, het beelddrager Gods zijn, van elke broeder of zuster kun­nen aanvaarden als zijnde een zelfstandig wezen, die door Gods Geest geleid wordt of steeds meer gaat worden. Dan zal men steeds meer tot de ontdekking ko­men dat deze ontwikkeling ook te maken heeft met het openbaar worden van de zo­nen Gods.

God wil zijn volle doel met ons bereiken

Wij moeten als het ware overstappen in een andere trein met een hoger doel. De Hebreeënbrief zegt met andere woorden onder ande­re : “Het één wordt opgeheven (eindigt) om het ander te laten gelden”, dat wil zeggen, van kracht te laten worden. Dat is de overgang van verbondsvolk naar le­vende stenen, tot opbouw van een geestelijk huis met ieder een persoonlijke in­breng door middel van de Heilige Geest.

Velen hebben nog steeds moeite met het oude en het nieuwe verbond, het oude en het nieuwe testament. Er zijn allerlei theorieën o- ver opgebouwd. Het is ech­ter, en dat zult u met mij eens zijn, geldend voor het volk van God levend in een bepaalde tijd. Het oude volk van God, Israël, leef­de onder de wet, dat was hun richtlijn. Het nieuwe verbond, waaronder wij le­ven is een geloofsverbond. De wet van Mozes is in Christus vervuld, dat wil zeggen dat in de vervulling van de wet van Christus, de wet van Mozes inbegrepen is. De wet van Christus gaat namelijk verder dan die van Mozes. Mozes zegt: “Gij zult niet echtbreken”, Christus zegt dat men reeds echtbreuk pleegt indien men een vrouw aanziet en be­geert. Of: “Gij zult niet doodslaan” (de wet). Maar Jezus zegt: “Een ieder die leeft in toorn tegen zijn broeder zal reeds vervallen aan het gerecht”.

De wet van Mozes, enz. was verbonden met straf. De wet van Christus heeft te maken met liefde. Daarom vergaf Hij de overspelige vrouw haar zonden en veroordeelde haar niet, zoals de omstan­ders dat wensten. De profe­ten, die onder de wet ge­leefd hebben, hebben gepro­feteerd, geïnspireerd door de Geest van Christus, over het lijden en triomferen van Christus. Zij profe­teerden voor ons en voor nu en over de dingen die nog komen gaan. Zij profeteer­den en kwamen, ondanks hun profeet zijn, niet verder omdat zij niet tot volmaaktheid konden komen.

Christus is de erflater.

Hij vervulde alles omdat de Vader Hem alles overgegeven had. Oud wordt oud als je nieuw hebt. Er zijn nog zeer veel oudtestamentisch denkende mensen. Dit heeft tot gevolg dat zij Christus en de Vader niet kennen. Jezus Christus heeft ons de Vader leren kennen. Het werkelijke wezen Gods was verborgen totdat de Geest van Christus kwam als onze leermeester. Toen kwam de mogelijkheid en het inzicht van de scheiding der gees­ten. Toen konden we gaan zien wat werkelijk van God kwam.

Kan God zijn volle heerlijkheid in ons bewerken?

In het oude testament zag men alles wat uit de gees­telijke wereld kwam als van God afkomstig. Men begreep het doel van de schepping niet en men had een wet no­dig om binnen bepaalde grenzen te blijven. Elia deed bijvoorbeeld vuur van de hemel dalen om mensen te doden. Toen de discipelen dit ook wilden doen, omdat de joden Jezus niet wensten te ontvangen, bestrafte Hij hun. Lucas 9 vers 54 en 55 (Luc. 09:54-55). Dit is verschil van Geest. Elia strafte en Jezus behield de mens. Hij heeft de mensen lief en wil dat zij behou­den worden. De geest van Christus is leven. Jezus zegt: Zegen en vervloek niet! Elia, Elisa, Mozes, enz. , hadden macht op oudtestamentische wijze, dat wil zeggen op natuurlijke wijze regeren en slaag uit­delen, (wet en straf). Tot de komst van Christus was dat de weg. Jezus wees een I weg die omhoog voert. Wij mogen op nieuwtestamenti­sche wijze leven en steeds verder komen op de weg die Hij ons door Zijn Geest zal openbaren.

De mens is nog zeer ver­strikt in het oudtestamentisch denken. Denk eens aan het zichzelf straffen, zelfkastijding, maar ook je zelf zo schuldig vinden dat het lichaam er ziek van wordt. Ook dat is zelfkas­tijding. De offerdienst wees naar Christus heen en Hij is het volmaakte offer voor ons. Hij heeft het voor ons volbracht. Geweld, afbraak, ziekte, kastij­ding, enz. , is nooit uit God. Eenmaal ontmoette Mo­zes God, namelijk op de berg Sinaï. God kwam in een zachte wind, een verfris­sende koelte, en Mozes hield er een stalend ge­zicht van over, ja zelfs zo dat hij het bedekken moest. Toch kon God hem niets an­ders meegeven dan een wet op steen.

Zie nu nog eens naar ons tekstgedeelte, hoeveel meer wij ontvangen hebben. Dat is echter niet voor niets gebeurd. Het heeft een God­delijk doel, namelijk de glans op ons gezicht mag en kan, dit in tegenstel­ling met Mozes, toenemen van heerlijkheid tot heer­lijkheid. Het wezen Gods zal ons steeds duidelijker worden. Wij zijn de tempel Gods. Hij woont in ons en zal door ons en met ons tot Zijn doel komen. Laat u niet langer lasten opleggen die met een leven naar de Geest van Christus niets te maken heeft. Denk vooral aan allerlei vrome opdrach­ten die u kunnen gaan be­lasten en onvruchtbaar ma­ken. Het oude is voor dege­nen die van deze aarde zijn, het wordt antiek en is er aan toe om te verdwijnen. Het nieuwe, het geschonkene in Christus, is voor de he­melsen. Jezus geeft ons macht in de hemelse gewes­ten en wij weten dat God goed en de duivel slecht en verdorven is.

Wij bestijgen de berg op geheel andere wijze. Wij zijn genaderd tot de berg Sion, de stad van de leven­de God, het hemelse Jeruza­lem. Daar worden wij gezui­verd van leugen en dwaling. De late regen die de oogst rijp maakt, dat is een evangelie van heerlijkheid en blijdschap. Dat is de vervulling van de boodschap van de engelen in de velden bij Bethlehem. Namelijk vrede op aarde en grote blijdschap die aan alle volken ten deel zal vallen.

Kom ga met ons en doe als wij. Jeruzalem dat ik be­min, wij treden uwe poorten in. . . . ! Daar worden wij on­derwezen met het hemelse manna en Christus zal in ons tot openbaring komen tot verheerlijking van Zijn Naam. Hij zal verheerlijkt worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd worden in allen, die tot geloof gekomen zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u. 2 Thessalonicenzen 1 vers 10 (2 Thess. 01:10). Kom tot dit geloof, wordt vervuld met de Heilige Geest en wordt met ons een levende steen tot opbouw van zijn huis.

 

 

Reacties van lezers door Redactie

 

Gos is een goede God

In “Levend Geloof” van ja­nuari schreef onze mede­werker br. Jan W. Companjen in zijn artikel “He­mels manna” onder andere: “Haast het hele christen­dom weet dat de duivel de overste van deze wereld is. Maar toch wordt nog zeer vaak alles wat slecht is, oorlog, verdeeldheid, kommer, armoede, honger en ellende, gezien als van God de Here afkomstig. De bekende Leger des Heils soldate Eva den Hartog werd één dezer dagen in Thailand geïnterviewd. Zij zei betreffende de verschrikkelijke dingen die zij daar zag: “Ik (Eva den Hartog) begrijp God niet meer. Waarom doet Hij dit?” en: “Ik was ontzettend kwaad op God. Opnieuw vroeg ik mij af of de God, die wij in het Leger prediken, wel een God van liefde is, die wij deze stakkers moe­ten aanprijzen. Ik dacht: Hij is een God van woede. Waarom laat Hij dit alles toe?”. . .

Tot zover dit citaat uit het artikel van br. Companjen. Een lezeres uit Dor­drecht reageerde hierop door ons een knipsel toe te sturen uit “Opwekking”, waarin een brief wordt ge­publiceerd die Eva den Har­tog schreef naar aanleiding van de publicatie van haar opmerkingen in “De Tele­graaf”. Zij schreef: “De Telegraaf” heeft weer eens naast de waarheid geschre­ven en op deze wijze wordt getracht Gods werk kapot te maken. Mijn vertrouwen in God is sterker dan ooit te voren. Twijfel, vragen, te midden van deze ellende heb ik, maar diep in mijn hart weet ik dat God er is en mij gebruiken kan om Zijn liefde in praktijk te brengen”.

Ons commentaar hierop is: De opmerkingen van broeder Companjen in zijn artikel hadden in geen enkel op, zicht de bedoeling het so­ciale werk van Eva den Har­tog in een verkeerd dag­licht te stellen. Daar is iedereen het over eens dat dit goed en nuttig is. Het ging echter om haar uit­spraak waarbij aan God de ellende wordt toegeschreven die van de duivel afkomstig is. Een verkeerde opvatting die helaas nog bij zeer veel christenen leeft.

Zoals wel vaker in inter­views voorkomt is het best mogelijk dat “De Telegraaf” haar opmerkingen niet juist heeft weergegeven. Wij heb­ben ook geen enkele behoef­te dit blad in bescherming te nemen, maar willen wel opmerken dat het erg vreemd aan doet dat Eva den Har­tog in haar brief schrijft dat “De Telegraaf” er weer eens naast zat en op deze manier wordt getracht Gods werk kapot te maken. Wat is namelijk het geval?

In “De Telegraaf” van 25 november 1979 wordt in een groot artikel juist op positie wijze over haar werk geschreven. Het gehele ar­tikel van verslaggever Henk de Mari is in ons bezit en allerlei feiten en bijzonderheden over haar werk worden er in tot uitdruk­king gebracht.

We laten nu het oordeel verder maar aan onze lezers over, maar meenden toch ter wille van een objectieve voorlichting een en ander te moeten memoreren. Waar het dus om gaat is dat onze ogen geopend zijn [of wor­den) voor het feit dat al het goede van God afkomstig is, en al het slechte van satan. Of, zoals Oral Ro­berts het jaren geleden reeds zei: “De duivel is een slechte duivel, maar God is een goede God”. was om te relaxen. Door uw artikel zijn mijn ogen eigenlijk meer open gegaan voor het kwaad wat met yo­ga te maken heeft. De we­gen des Heren zijn wonder­baar. Vooral de gedichten van Judith vind ik altijd erg fijn. Ik geef “Levend Geloof” altijd door aan andere Hollandse mensen, die het ook erg op prijs stellen. Daar ik de enig­ste ben in mijn gezin die voor Jezus gekozen heeft, is het vaak moeilijk. Maar door uw blad ontvang ik ook weer kracht. Moge de Heer uw blad gebruiken om nog vele zielen te winnen voor Zijn Koninkrijk”

 

Brief uit Engeland

Mrs. E. C. W. uit Engeland schrijft: “Graag wil ik ook eens reageren op uw blad “Levend Geloof”. Het is nu ongeveer zeven maan­den geleden dat ik voor het eerst “Levend Geloof” in handen kreeg. Ik ont­ving het als geschenk. De inhoud van uw blad is Bij­bels geïnspireerd. Wat je niet van alle christelijke bladen kunt zeggen. Ook het artikel over yoga en mediteren spraken tot mij persoonlijk. Hoewel ik er zelf niet aan deed zag ik er nooit geen kwaad in. En dacht dat het alleen maar was om te relaxen. Door uw artikel zijn mijn ogen eigenlijk meer open gegaan voor het kwaad wat met yoga te maken heeft.  De wegen des heren zijn wonderbaar. Vooral de gedichten van Judith vind ik altijd erg fijn. Ik geef Levend Geloof altijd door aan andere Hollandse Mensen, die het ook erg op reis stellen. Daar ik de enigste ben in mijn gezin die voor Jezus gekozen heeft, is het vaak moeilijk. Maar door uw blad ontvang ik ook weer kracht. Moge de Heer uw blad gebruiken om nog vele zielen te winnen voor zijn Koninkrijk.

Bevrijding van demonen

De reacties op het arti­kel van br. Noë in het ja­nuarinummer over het uit­drijven van demonen hou­den aan. Een voorganger vroeg ons onder andere dit artikel te mogen overnemen in het contactblad van zijn gemeente. Br. Noë hoopt te zijner tijd een vervolgartikel te schrij­ven over dit belangrijke onderwerp. Van het janua­rinummer zijn nog een be­perkt aantal exemplaren verkrijgbaar.

1980.02 nr. 201

Levend geloof 1980.02 nr. 201

Wie beheerst ons gedachtenleven?

Wie beïnvloed ons leven?

Is het u wel eens opgevallen hoeveel kinderen Gods zich nog op het negatieve vlak bevinden? Terwijl Paulus zegt dat Jezus ons verlost heeft uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13), blijkt uit het dagelijks leven van velen dat er nog wel terdege beïnvloeding is uit het rijk, van satan. Toch is het Gods wil dat het nieuwe leven van Christus, in hen die Hem vol­gen, praktisch beleefd wordt en geen theorie blijft.

Wie op zoek gaat naar het “blijvende falen” van vele kinderen Gods, komt al spoedig tot de ont­dekking dat de oorzaak vaak weg komt uit een niet voldoende veranderd gedachteleven. En dat uit zich dan weer in het dagelijks leven, onder andere in het spreken. Het spreekwoord zegt: “Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over”. Zoals iedere positieve belijdenis een verheerlijking is van Hem die ons kocht met Zijn bloed, zó is iedere negatieve belijdenis in feite een vernedering van Jezus Christus. Iedere positieve belijdenis bewijst dat wij ons vertrouwen gesteld hébben op Jezus Christus, op Gods Woord en Zijn beloften. Maar iedere nega­tieve belijdenis bewijst dat wij ons vertrouwen nog gesteld hebben op satan, de inspirator van al het slechte en verkeerde. Omdat iedere be­lijdenis een product is van onze gedachtewereld, betekent dat bij “negatief belijden” ook deze gedachtewereld negatief beïnvloed is.

Vernieuwing van denken is noodzakelijk

Paulus wist hoe belangrijk het was dat de gelo­vigen “los” zouden komen uit deze beïnvloeding c.q. bezetting uit het rijk der duisternis. Aan de Gemeente te Rome schreef hij daarom: “Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld”, (spreek en leef niet zoals de wereld leeft en spreekt), “maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onderkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

De verandering van denken, van “negatief” naar “positief” is iets wat heel veel kinderen Gods moeten leren. Het is van het allergrootste be­lang bij ons getuige zijn in deze wereld. Het is de spil waar alles om draait. En het heeft uitwerking in eigen leven en daardoor ook weer in de levens van anderen. Als wij loskomen van een negatief, aardsgericht denken, en het ver­vangen door een positief, hemels gericht denken, gaat er een wereld van onbegrensde mogelijkhe­den voor ons open!

God heeft het beste met ons voor

Paulus zegt in Romeinen 12 dat we dan pas kunnen on­derkennen wat de wil van God is. En dat we dan ook gaan ontdekken dat die wil “Het goede, welgevallige het volkomene” is! Wat een heerlijke zekerheid voor elk kind van God te weten dat God “het goede” wil. God is enkel licht in Hem is in het geheel geen duisternis!

Als ons denken echter niet (op positieve wijze) vernieuwd is, beleven wij daar niets van. Dan blijven we in de problemen en de moeilijkheden en ervaren niet de vervulling van Gods belof­ten. Wat heeft de duivel er een behagen in, dat zoveel kinderen Gods niet vernieuwd zijn in hun denken. De troebele, donkere sfeer, die in de gedachtelevens van sommige kinderen Gods voor­komt, zal opgeruimd moeten worden, wil Gods heerlijkheid kunnen doorbreken.

Laat u daarom niet afremmen door de duivel. Wat hij wil is uw ondergang. Hij probeert u uit te schakelen als bruikbaar instrument in Gods hand of tracht te verhinderen dat u dat ooit zult worden. Wie Jezus werkelijk volgt maakt schoon schip ook in zijn gedachtewereld. En ook al kost het soms tijd voordat alle “vijandelijke resten” zijn opgeruimd, uiteindelijk zijn we ook in dit opzicht met Jezus meer dan overwin­naars! Dan zal meer en meer uit ons spreken en handelen blijken, dat ons denken vernieuwd is door de grote Hersteller van ons leven: Jezus Christus. Hij vernieuwt ons totaal en dat be­gint met ons denken!

De sleutel tot een overwinnend leven

De woorden die Paulus eens schreef aan de Ge­meente te Colosse behoren een realiteit in ons leven te zijn: “Indien gij dan met Christus op­gewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenk de dingen die, boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 en 2 (Kol. 03:01-02). Dat is de sleutel tot een overwinnend leven. Want alles wat wij doen (en nalaten te doen) komt voort uit ons denken. En als ons denken niet “gezond” is, blijven we op het natuurlijke vlak zitten en gedragen ons niet als “hemelburgers”.

Gezond geestelijk denken houdt ook in dat we gezonde geestelijke voeding tot ons nemen. En welke voeding zou beter voor ons zijn dan Gods onfeilbare Woord? Als wij bidden om geestelijk inzicht en kennis van dat Woord, behoeven we geen moment te twijfelen dat Gods ons in de kou laat staan. Hij geeft geen stenen voor brood, maar Hij geeft ons door Zijn Heilige Geest kennis en inzicht, zodat onze gedachtewereld gevuld wordt met Zijn wil en bedoeling. En dat heeft een positieve uitwerking naar bui­ten .

Persoonlijk en gemeenschappelijk bijbelonder­zoek is dus uitermate belangrijk. Daarnaast is het ook belangrijk dat we kennis en inzicht op­doen via leraars en predikers die God daartoe geroepen heeft. Efeze 4 vers 11 (Ef. 04:11). Laten wij ook deze niet minachten, want God heeft ze aangesteld voor deze taak. Op mondelinge en schriftelijke wijze leggen zij ons Gods Woord uit, onder de leiding van de Heilige Geest, en ons leven – te beginnen met onze gedachtewereld – wordt er door verrijkt!

En kind van God dat geleerd heeft zijn gedach­tewereld te vullen met alles wat God in Zijn grote liefde voor ons bestemd heeft, heeft één van de grootste ontdekkingen in zijn leven ge­daan. Hij gaat meer en meer het nieuwe leven, wat Christus in hem bewerkt, op een volkomen en volmaakte wijze beleven. En dat is Gods wil voor u en mij! Want zo verheerlijken wij Zijn Naam en zijn geestelijke wegwijzers voor een wereld in nood! Of, zoals Paulus het uitdrukt in Filippenzen 1 vers 15 (Filip. 01:15), dan schijnen wij, temidden van een ontaard en verkeerd geslacht, als lichten­de sterren in deze wereld.

 

Verwachting door J. Noë

“Welzalig hij, wiens verwachting is op de Here, zijn God” Psalm 146 vers 5 (Ps. 146:005).

Wat is verwachting?

Verwachting houdt in, dat je zeker weet, dat hetgeen waar op je wacht ook gebeu­ren zal. Bijvoorbeeld als een vrouw in blijde ver­wachting is, weet ze dat zij te zijner tijd een kindje ter wereld zal bren­gen.

Zo dient het ook op geeste­lijk gebied te geschieden, als kinderen Gods iets van God verwachten. Op grond van Zijn Woord en de daarin gegeven beloften moet er in hen een blijde verwachting zijn dat God Zijn Woord ge­stand zal doen en hen niet zal beschamen, mits, en daar komt het op aan, zij Hem gehoorzamen en voldoen aan de door Hem gestelde voorwaarden.

Helaas laat men zich nog te veel door het verstand leiden, vooral als de om­standigheden (welke ook) te machtig dreigen te worden. Men raakt dan in het vlees, met alle gevolgen van dien, en het contact met God is dan verstoord.

In dergelijke gevallen wil ik eens de aandacht vesti­gen op de volgende verzen van Psalm 62 (Stilheid en vertrouwen):

Psalm 62 vers 2(Ps. 062:002): “Waarlijk, mijn ziel keert zich stil tot God, van Hem is mijn heil”. Vers 6: “Waarlijk, mijn ziel, keer u stil tot God, want van Hem is mijn verwachting” .

Dus men moet zich niet, door het verstand laten beheer­sen, maar Gods aangezicht zoeken met het gehele we­zen, in volkomen overgave en vertrouwen.

Ik laat hieronder een prachtig en bemoedigend ge­deelte uit Jesaja volgen.

Jesaja 40 vers 27 tot en met 31 (Jes. 40:27-31: “Waarom zegt gij, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet, hebt gij het niet ge­hoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de ein­den der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te door­gronden. Hij geeft de moede kracht en de machteloze vermeerdert hij sterkte. Jongelingen worden moede en mat, zelfs jonge mannen struikelen, maar wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat”.

Gods almacht is onbeperkt

Men beseft nog steeds niet ten volle, wat die onbe­perkte almacht van God omvat. Door de volkomen ge­meenschap met God, in Christus Jezus, worden deze woorden uit Jesaja een rea­liteit voor een kind van God en kan men wonderbare dingen van Hem verwachten. Dan voelt men zich één met Hem door Zijn Geest en dan ervaart men Zijn aanwezig­heid, waardoor men nieuwe kracht put, Zijn kracht, die dan ons hele wezen doorstroomt. Dan vaart men inderdaad op met vleugelen als arenden en wordt men niet moede en niet mat.

O, broeders en zusters, de­ze bemoediging hebben wij zo nodig in verband met de moeilijke en zware tijd, die voor ons ligt. Want de gehele schepping zucht in barensnood en wacht (dit gaat dus gebeuren) met reikhalzend verlangen op het openbaar worden van de zonen Gods, (de elite troe­pen). Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19).

Deze zonen Gods zullen, evenals Jezus, de werken des duivels verbreken op alle fronten. Want de dui­vel met zijn trawanten zul­len een groot offensief in­zetten en de strijd zal he­vig zijn. Het zal gaan tus­sen de zonen van het ver­derf, vervuld met de geest van de duivel, en de zonen Gods, vervuld met de Heili­ge Geest. Er zullen valse Christussen en valse profe­ten opstaan en ze zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk ook de uitverkore­nen zouden verleiden. (Lees Jezus’ rede over de laatste dingen in Matteüs, Marcus en Lucas). Maar, halleluja, dit is niet mogelijk. Onze verwachting is op de Here, onze God, Hij is onze hulp en Hij doet ons te allen tijde in Christus zegevieren!

Laten wij er dan naar stre­ven om te behoren tot de zonen Gods en laat in ons hart, op onze krijgsbanier gegrift staan:

Verwachting, vertrouwen, geloof, volharding en overwinning!!!

God zegene u!

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Een nieuw jasje

Als lezer en lezeres van “Levend Geloof” is het u uiteraard bij het vorige nummer reeds opgevallen dat de voorpagina een face lift heeft ondergaan. Niet dat wij de vorige vormge­ving niet geschikt vonden. Deze nam echter teveel ruimte in beslag, waardoor er te weinig ruimte over­bleef om de hoofinhoud of iets anders te plaatsen. Want speciaal voor hen die het blad verspreiden, het­zij via boekentafel, col­portage of anderzijds, is het belangrijk, dat met één blik op de voorpagina ken­nis genomen kan worden van de voornaamste inhoud.

Ook in de opmaak zelf zul­len enkele kleine wijzi­gingen worden aangebracht met als doel de algemene leesbaarheid te bevorderen. Het blijkt dat velen het wat grotere lettertype wat wij gebruiken op prijs stellen. Een nadeel is echter dat er daardoor wat minder copy afgedrukt kan worden. Dit kan weliswaar worden opgevangen door het aantal pagina’s verder uit te breiden, maar u begrijpt dat dan ook de kosten hoger zouden worden. En we willen graag de lage abonnements­prijs handhaven om zoveel mogelijk mensen in aanra­king te brengen met de volle evangelie boodschap.

Mededeling

Broeder H. J. Glasbergen heeft zich, op ons verzoek, teruggetrokken als medewer­ker. Ook vanaf deze plaats willen wij onze grote dank uitspreken voor de vele ar­tikelen die br. Glasbergen voor “Levend Geloof” heeft geschreven. De Heer zegene hem op zijn verdere levens­weg. 

 

Gevoel en geloof door Judith Jacobs

2 Korinthe 5 vers 6 (2 Kor. 05:06)

Als kind van de Heer heb je het niet gemakkelijk. Is dat ook uw ervaring? In rustige tijden, als de hemelse Herder je aan “stille wateren” en “grazige weiden” leidt, is er niets aan de hand. Komt de tijd van de vuurgloed der beproeving” over ons, dan beginnen de problemen. Die problemen echter moeten er zijn als een noodzaak voor de groei van het zieleleven.

“Waarom overkomt dit uitgerekend aan mij?” is de hartenkreet die je vaak hoort, “waar heb ik dat aan verdiend?” Geen mens kan die vraag beantwoorden, alleen de Here. Maar zou de Heer genoodzaakt zijn op elke vraag van ons a la minute te antwoorden? Het zou wel eens kunnen zijn dat wij. tekort zouden schieten in het begrijpen van Zijn bedoelingen. Dan is de tijd aangebroken het gevoel (waarom) uit te sluiten en het geloof (waartoe) in wer­king te stellen.

“Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben….” Romeinen 8 vers 28 (Rom. 08:28). Dat is de troost die de Heer ons in moeilijke dagen vóór­houdt. “Ik wil wel geloven, maar ik kan niet aanvaarden; het is te hard”, hoor je ook nog wel zeggen.

Het is geen geestelijke schande als je niet direct het een of ander kunt, want Jozef en Job zullen het ook moeilijk gehad hebben. Problemen brengen nu eenmaal strijd met zich mee.

Verdiepen we ons vooral in het einde van de geschiede­nis van deze twee Godvruchtige mannen en wat merken we dan?: De Here komt Zijn beloften na, Hij heeft in alle dingen het laatste woord. Dit is meer dan troost; dit is: de trouw van God.

Als u dan nog niet over die “gevoelsgrens” heen kunt komen, staat één ding vast: de Heer staat klaar om u en mij te helpen. Wij mogen biddend tot Hem gaan Jakobus 1 vers 5 (Jak. 01:05). Uiteindelijk wordt alles op de knieën uit gestreden:

leed, onmacht, verdriet, Het “waarom” leven we overge­ven, het “waartoe” komt ervoor in de -plaats. Een “waar­toe” houdt altijd in: geloofsbeproeving: een nader komen tot Hem. Temidden van alle ellende steekt Hij ons de hand toe en zegt: “Wie overwint…. “

Stel uzelf de vraag bij wijze van zelfonderzoek: Liet de Heer u ooit in de steek? Als u de balans heeft op­gemaakt kunnen u en ik alleen maar zeggen: “Vergeef mij Heer. Leer mij u beter kennen en geef mij meer geloof en vertrouwen in U”. Amen.

 

Een nieuwe naam (gedicht) door Judith Jacobs

Openbaring 2 vers 17b en Jesaja 43 vers 1 en 2 (Openb. 02:17b en Jes. 43:01-02)

Eens zal de Heer mij tot Zich nemen,

Ik ben Zijn eigendom, Zijn kind;

Het eeuwig leven zal ‘k beërven,

Hij heeft gezegd: “Wie overwint…”

 

Al komt het water tot de lippen,

Zijn Woord wordt altijd ingelost:

“Ik heb u bij uw naam geroepen,

Vrees niet want Ik heb u verlost”.

 

De vuurvlam kan mij niet verteren,

God draagt mij door de felle pijn;

Hij zegt: “Ik zal u nooit verlaten,

‘k heb u gekocht en gij zijt Mijn”.

 

Dit is wat God belooft te geven:

Wie overwint dóór alles heen,

Zal eenmaal uit Zijn hand ontvangen

Een nieuwe naam, een witte steen.

 

Van maand tot maand door Gert Jan Doornink

De ware vrijheid

 

De verbanning van de be­kende Russische schrijver- dissident Sacharov heeft neg weer eens de aandacht gevestigd op het feit dat het communisme geen enkele vrije meningsuiting toe­laat. Het communisme is ongetwijfeld één van de grootste anti-Goddelijke machten in deze wereld. Maar dat geldt niet alleen voor het communisme. Er zijn talrijke machten werkzaam in deze wereld, die allen hun oorsprong vinden in het rijk der duisternis. En bevrijding van deze machten is alleen mogelijk door de aanvaar­ding en beleving van Hem die deze machten heeft overwonnen: Jezus Christus! Gods Woord zegt: “Wees niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden” Matteüs 10 vers 28 (Matt. 10:28). Het “niet- bevreesd-zijn” zal één van de hoofdkenmerken zijn van de in de eindtijd levende christen!

Er wordt weer meer gerookt

Nadat het aantal rokers in de afgelopen jaren percentsgewijze wat was gedaald, werden vorig jaar in Nederland niet minder dan 26 miljard sigaretten verkocht. Het bureau “Voorlichting Sigaretten­industrie” vermoedt dan ook, dat er weer meer wordt gerookt. En dat on­danks de zeer vele waar­schuwingen en bewezen na­delen voor de gezondheid. Christenen, die de Heer waarachtig volgen, roken niet. Hun voornaamste ar­gument: Onze lichamen zijn tempels van de Heili­ge Geest.

Over waarzeggers gesproken

Voor het derde achtereen­volgende jaar heeft Johan Olde Kalter, correspon­dent van “De Telegraaf” in New York, een onderzoek ingesteld of de beweringen in het openbaar gedaan, door bekende Amerikaanse helderzienden, paragnos­ten, astrologen, kaartleggers, etc., ook uit zouden komen. Nu er weer een jaar voorbij is, was net als vorige keren zijn conclu­sie: “Er klopt niets van, maar dan ook helemaal niets”. Hij maakt als iro­nische slotopmerking: “Eén ding zien ze wel goed: mensen vergeten gauw”.

1300 zelfmoorden per jaar

1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08) zegt: “Hiertoe is de Zoon van God geopen­baard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” . Hoe nodig het is dat deze boodschap van volle ver­lossing en bevrijding door Jezus Christus geprocla­meerd wordt aan een wereld in nood, moge nog eens weer blijken uit het be­richt over de grote toena­me van het aantal zelf­moorden, (zelfdoding of suï­cide in moderne bewoording). Iedere dag worden er in Ne­derland bijna vier zelf­moorden gepleegd. Waarbij buiten beschouwing wordt gelaten zij die hun leven beëindigen door zich in de auto te pletter te rijden, of sterven aan het gebruik van verdovende middelen. Vele malen groter is het aantal mislukte pogingen tot zelfmoord. Wetenschap­pelijke onderzoeken hebben aangetoond dat “grote een­zaamheid en verstikking in persoonlijke problemen” de voornaamste oorzaken van zelfmoord zijn.

Als de satelliet televisie komt…

Nog enkele jaren en de ge­hele wereld zal omspannen zijn door een netwerk van satellieten, die vele te­levisieprogramma’s zullen uitzenden. Nederland zal dan, in plaats van de twee televisieprogramma’s die nu worden uitgezonden, ge­confronteerd worden met misschien wel tien tot vijftien verschillende programma’s. Velen zijn verontrust over deze ontwikkeling, maar zou voor, de Gemeente van Jezus Christus hierin niet een uitdaging kunnen liggen, om te bidden en geloof te hebben, dat ook de bood­schap van Jezus Christus in al zijn volheid, via de satelliettelevisie gebracht gaat worden? Als er straks gelegenheid is om zendtijd te kopen, zou dit wel eens een unieke kans kunnen zijn, voor het op grote schaal versprei­den van het volle evange­lie .

“Het gaat goed met de kerk”

In de kolom hiernaast vindt u een gedeelte van een brief afgedrukt, die wij toezonden aan “Trouw” en gepubliceerd werd in de krant van 15 februari. Het was onze reactie op een ar­tikel van Ds. Hans Bouma in genoemd dagblad van 9 fe­bruari. We hebben toch wel even onze ogen uitgewreven toen we dat artikel van de­ze gereformeerde predikant uit Utrecht lazen. Onder de titel “Het gaat goed met de kerk” probeerde de schrij­ver in tien, wat hij noemt, “zwaarwegende pluspunten” aan te tonen wat ons “aan het begin van de jaren tachtig met het oog op de kerk en de toekomst van de kerk vrolijk kan stemmen”. Wat deze dominee naar voren  brengt zijn echter duidelijk ideeën en gedachten die niet door Gods Geest geïnspireerd zijn.

Hoewel tijd ons ontbreekt om ingezonden stukken aan dagbladen toe te zenden, hebben wij deze keer wel gereageerd, waarbij wij slechts op een enkel onder­deel van zijn artikel zijn ingegaan. Wij waren niet de enigen. Bij het afsluiten van dit nummer (21 februa­ri) werden er nog steeds brieven gepubliceerd in “Trouw”, die vrijwel una­niem afwijzend stonden te­genover de opvattingen van Ds. Bouma.

Wat wij uit dit alles kun­nen concluderen is:

1 – Hoe ver moderne theolo­gen afstaan van het werke­lijke evangelie zoals Jezus dat bracht en in de eerste christengemeenten in prak­tijk werd gebracht.

2 – Dat in een van oor­sprong rechtzinnige kerk, zoals de gereformeerde ker­ken, dergelijke predikanten gehandhaafd blijven. In vroeger jaren gingen sommi­ge vrijzinnige predikanten uit de Hervormde kerk lang zover niet.

3 – Dat vele kerkleden dit over hun kant laten gaan, al kunnen we ook stellen dat de duivel velen met geestelijke blindheid heeft geslagen.

Gelukkig zijn er ook velen die de ogen opengaan! En ligt in dit alles niet een geweldige uitdaging voor de Gemeente van Jezus Christus (de ware gelovigen) om in bewogenheid en liefde, maar onvervalst en zonder water in de wijn te doen, de boodschap van volle verlossing in Jezus Christus te proclameren? Opdat nog ve­len, ook in de kerken, de ogen opengaan en gaan ont­dekken dat alleen Jezus Christus de Weg, de Waar­heid en het Leven is!

Het is goed om. als kinde­ren Gods tegen deze en ve­le andere negatieve dingen te protesteren, maar “pro­testeren” is slechts een onderdeel van het proclameren. De eerste en belang­rijkste opdracht van Jezus Christus voor Zijn gemeente is: proclameren; het ver­kondigen van het werkelijke evangelie. “En dit evange­lie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepre­dikt worden tot een getui­genis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14)

De ware gelovigen zijn van mening dat bet met „de kerken” snel bergafwaarts gaat, omdat men de oorspronkelijke basis, het persoonlijk aan­vaarden van en volgen van Jezus Christus, reeds lang heeft losgelaten. Paulus zégt in’ 2 Kor. 5 vers 17 (2 Kor. 05:17): „Zo is dan wié in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijge­gaan, zie, het nieuwe is gekomen.” Als de kerken deze oorspronkelijke basis weer zouden ontdekken en gaan verkondigen, en men van daaruit (geestelijk zou groeien, zal het werkelijk wéér goed gaan met de kerk! Ds. Bouma probeert échter de wereldklok vele eeuwen terug te draaien, door té stellen dat de kerk meer en meer ontdekt, dat het Oude Testa­ment het hart van de Bijbel is en dat daarom het Nieuwe Testament , gele­zen moet worden „onder de belich­ting en in het perspectief van het Oude”. Daardoor zou dan een andere ‘Visie op Jezus ontstaan, dié „ontdaan Van Griekse filosofie en dogmatische ‘abstracties” dan weer voor de dag zou komen als „de man van Nazareth, die tot het laatst toe de weg van zijn volk gaat — de weg van de wet en de profeten”. Johannes 1 vers 17 (Joh. 01:17) zegt echter dat de wet door Mozes is gegeven, maar dat de genade en de waarheid door Jezus Christus zijn gekomen. Van deze genade en waarheid echter geen woord. Terwijl de komst van Jezus in deze wereld juist een grote verandering teweeg bracht, nadat Hij Degene was Die kwam om de werken van satan te verbreken. 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08). Dit is ook in 1980 nog de ervaring van ieder mens die in het geloof Jezus aanvaardt en Hem gaat volgen. Het artikel van ds. Bouma is in strijd met de waarheid van Gods Woord en de Heilige Geest, en zal door vele oprechte kinderen Gods, zowel binnen als buiten de kerken, worden afgewezen.

 

De wegen van God door Nico Goverts

 

Twee niveaus van leven

Hebt u ooit nagedacht over de wegen van God? Kennen wij de wegen van onze God? Als u de bijbel daarop na­slaat, zult u versteld staan van de hoeveelheid teksten die over dit onder­werp spreken. Toch is het een zaak die maar heel wei­nig bekend is.

Er staat een geweldig woord in de Psalmen: “Hij maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen Israëls zijn da­den” Psalm 103 vers 7 (Ps. 103:007). Ziet u het verschil? Dat zijn twee ni­veaus van leven. Het volk zag alleen maar de daden van God: het manna, het water uit de rots, het splij­ten van de zee, en wat er verder allemaal gebeurde. Maar veranderde dit hun hart? Werd hun instelling anders? Gebeurde er iets wezenlijks in hun geest?

Hun innerlijke problemen werden niet opgelost. De oorzaak werd niet aange­pakt. En wat die oorzaak was, wordt in een andere psalm heel duidelijk aange­wezen: het was een ge­slacht, “onstandvastig van hart, en welks geest niet trouw was jegens God” Psalm 78 vers 8 (Ps. 078:008). Hun geest was niet veranderd.

Daar ligt nu ook precies het probleem van veel christenen vandaag: ze heb­ben iets gezien van de da­den Gods: redding, doop met de Geest, genezing mis­schien, maar daar hield het op. Er gebeurde niets met hun geest. Hun geest kreeg geen inhoud. En als gevolg daarvan had hun geest ook geen vastheid.

Zo zijn er vele christenen  die uitsluitend leven bij de daden Gods. En dan is het net als bij het volk Israël in de woestijn: ze hebben steeds weer nieuwe impulsen nodig, ze moeten telkens weer iets zien, het oog wil ook wat. En na een daad van God gaat alles geestelijk weer op de oude voet verder. Hun geest zakt weer in elkaar, het nega­tieve krijgt weer de over­hand, totdat er weer een nieuwe daad van God komt, dan leven ze weer voor een ogenblik op. Hun leven wordt bepaald door ervarin­gen, door het zichtbare. Ze hebben nooit geleerd hun geest te verheffen.

God is meer dan een hulp in nood

Daarom is het van fundamen­teel belang te onderkennen dat God in deze tijd meer wil doen dan alleen maar af en toe een wonder voor ons te bewerken. God bedoelt meer dan zo nu en dan iets laten zien, zodat we weer weten dat Hij er is. God bedoelt meer dan voor ons te zijn een hulp in nood.

Sommige mensen hebben een soort EHBO-geloof. God is er voor het geval je hulp nodig hebt. Hij moet zorgen dat je veilig, vlug, voor­delig door de woestijn heen komt. Dan krijg je het idee van een reisbureau: wilt u voor dns regelen een snel­le, comfortabele reis naar het beloofde land? Er is een stadium, als iemand pas tot het geloof komt, dat de daden van God op de voor­grond staan. Maar God wil ons de ogen openen voor het feit dat daar een ander stadium op moet volgen. On­ze geest moet inhoud krij­gen. En wat voor inhoud?

Dat zien we bij Mozes. Hij had de taak om leiding te geven. En dat kon hij al­leen omdat hij meer zag dan de daden van God. God maak­te Mozes zijn wegen bekend. Daar zien we het geheim van deze man Gods, ook al leef­de hij nog onder het oude verbond. Hij was bezig met niet slechts de daden, maar de wegen van God. Zo werd zijn geest geoefend. Zo kreeg hij inhoud voor zijn geest.

Waarom het kennen van Gods wegen zo belangrijk is

Wat wil dat zeggen: Gods wegen? En waarom is dat zo’n belangrijk thema? Als we Gods wegen leren kennen, dan ontdekken we hoe Hij wandelt. En alleen dan wordt het voor ons mogelijk dat we wandelen met God. Hoe zul je immers wandelen met iemand als je zijn we­gen niet kent?

 

Gods wegen, dat zijn Zijn principes, dat is zijn werkwijze, dat zijn Zijn methoden. Let u maar eens op de relaties tussen een klein kind en zijn vader. Af en toe komt vader in het kleine wereldje van het kind binnen: s’ avonds na zijn werk, en dan doet va­der wat met dit kind: een of ander spelletje, paardje rijden bijvoorbeeld. Het kind kent de daden van va­der en die vindt het gewel­dig. Misschien weet het kind ook nog wat vader overdag doet. Maar die hele wereld van vader is voor hem nog verborgen. Vader komt wel in zijn wereldje, maar hij komt nog niet in de wereld van vader. Hij weet bijvoorbeeld, als va­der arts is: vader helpt zieke mensen. Maar hij zit er niet bij in de spreekka­mer, als vader patiënten ontvangt, en hij gaat niet mee op huisbezoek. Hij weet dus ook nog niets van va­ders principes en werkwij­ze: het geduld of de strengheid waarmee vader mensen benadert, zijn tact, zijn wijsheid, zijn metho­den om een diagnose te stellen, dat is voor hem allemaal nog verborgen. Zo is het ook als iemand een kind van God wordt. God komt in ons wereldje.

Maar nu de andere kant van de zaak. God wil dat wij in zijn wereld komen. Mozes kwam in de wereld van God. Vooral in vroegere tijden was het vaak zo dat een va­der zijn zoon opleidde om zijn compagnon en later zijn opvolger te worden. Dan zei vader: je bent nu oud genoeg, nu neem ik je mee, de praktijk in, dan kun je van mij afkijken hoe ik het doe. Zo leerde de zoon de principes en metho­den van vader kennen en hij nam ze over. Hij kon treden in de voetsporen van vader.

Hoe leren we Gods wegen kennen?

Wat is ervoor nodig, om Gods wegen te leren kennen? Allereerst tijd en aandacht. Tegenwoordig moet alles snel gebeuren. Alles moet kant en klaar geleverd wor­den. Maar God werkt anders. Onze geest moet gevormd worden. En daar bestaat geen spoedcursus voor, dat kun je niet even kant en klaar inbouwen. Men is ge­wend aan de reclame: deze pijnstiller werkt direct. En wat niet op staande voet resultaat oplevert, dat is waardeloos.

Dezelfde soort reclame wordt ook maar .al te dik­wijls toegepast in het be­zig zijn met het evangelie. Bidden helpt, heet het dan. Of: kom naar voren en u krijgt een nieuwe ervaring met God. Wat heeft men dan begrepen van de wegen Gods? Weet men dan wel wat bidden is? Er is voor gebeden maar het hielp niet, hoort men dan. Het wordt heel anders als men bedenkt: bidden is bezig zijn in de geest. Dan gaat men de wegen Gods ont­dekken. En voor wie de we­gen Gods gaat verstaan, is er altijd een weg, zelfs als het gewenste zichtbare resultaat eens korte of lange tijd zou uitblijven.

De psalmist was daar ook mee bezig, toen hij bad: “Onderwijs mij, Here, de weg uwer inzettingen, dan zal ik die bewaren ten ein­de toe” Psalm 119 vers 33 (Ps. 119:033). Hij vroeg om onderwijs. En dat kost altijd aandacht en tijd. Het ging hem ook niet alleen maar om een aantal inzettingen, een aantal re­gels. Zovelen hebben het idee dat het christen zijn bestaat uit een serie wet­ten. Als je je daar nu maar aan houdt, dan zit je goed. Maar dan ben je weer aan de buitenkant bezig. Zoals je kinderen kunt leren in de maat te lopen of met de armen over elkaar te zitten. Een hond kun je dresseren, maar daarmee is het beest nog niet geestelijk. Zo zijn er ook heel wat ge­dresseerde christenen. Ze weten precies wat er van hen verwacht wordt. Ze zit­ten op en geven pootjes. Maar ze hebben geen geest. Ze doen bepaalde dingen om­dat het moet, of omdat het zo hoort, en ze laten ande­re dingen omdat het niet mag. Ze worden in het ga­reel gehouden door hun om­geving. In plaats van din­gen te doen omdat hun geest daarop gericht is. Of be­paalde dingen te laten, ge­woon omdat je geest op iets heel anders ingesteld is, namelijk op God. Dan is niet meer beslissend: wat moet er en wat moet er niet, maar de instelling van mijn geest. Ben ik ingesteld op God? Zoals vers 15 van de­zelfde psalm het zegt: “Uw bevelen zal ik overdenken, en op uw paden zal ik let­ten” .

Wie de weg bewandelt, bereikt het doel

Daar zien we zo duidelijk de aandacht voor God die deze psalmist heeft. En waarom is dat overdenken, dat letten op de paden Gods, zo belangrijk, ja zo abso­luut noodzakelijk? Omdat al­leen zo ons denken veran­dert. Velen willen wel hulp, of herstel, maar ze zien niet de weg die God daartoe aangeeft. Ze zien niet de wegen tot genezing, de we­gen Gods tot overwinning. Ze zitten alleen maar te kijken: gebeurt er al wat? Doet God al iets?

Maar God werkt niet met kijkers, maar met wande­laars. Henoch zat niet te kijken, hij wandelde met God. Herstel is een weg, overwinning is een weg. Wie de weg bewandelt, bereikt het doel. Men kan nooit het doel bereiken, als men zich niet interesseert voor de weg. Wie een arts raad­pleegt, kan bijvoorbeeld een bepaalde therapie krij­gen. Stel nu dat men dan zegt: Dokter, u moet mij beter maken, daar kom ik voor, maar met die therapie van u heb ik niets te maken, daar kan ik me niet mee op­houden. Dan zal het antwoord zijn: Als u zo redeneert, kan ik niets voor u doen.

Zo is het ook bij God. Men kan God niet scheiden van de wegen Gods. God kennen, dat is: zijn wegen kennen. Daaruit volgt: wie Gods we­gen niet kent, kent God niet. Mozes bidt in Exodus 33 vers 13 (Ex. 33:13): “Maak mij toch uw wegen bekend, zodat ik U ken”. Dat gebed leert ons: God kennen en Zijn wegen kennen hangen onlosmakelijk met elkaar samen. Want Gods we­gen zijn de uitdrukking van zijn wezen.

Zoeken wij ervaringen of zoeken wij Gods wegen?

In Psalm 119 komt dit mo­tief telkens weer terug. Daarom is het voor ons ook zo’n rijke en leerzame psalm. Het is van het begin tot het eind helemaal het lied van iemand die ernaar verlangt, de wegen Gods te kennen. Zo lezen we in vers 37 (Ps. 119:037) het gebed: “Maak mij le­vend door uw wegen”. Dat is beslist geen oppervlakkig gebed. Dat gaat diep. Hij vraagt niet maar: Heer ze­gen mij. Hij bidt verstan­dig .

Hebt u er ooit over gedacht dat God wil dat wij ver­standig bidden? Een kind kan soms domme dingen vragen, maar van een zoon verwacht je dat hij komt met een ver­zoek dat hij eerst goed doordacht heeft. Soms moet God zeggen: weet je wel wat je vraagt? Bijvoorbeeld: ie­mand komt naar voren en vraagt om bevrijding. Maar als hij niet vernieuwd wordt in zijn denken, wat haalt het dan uit? Stel, er is ie­mand die zich overal aan er­gert, aan zijn vrouw, aan zijn kinderen en noem maar op. Hij laat zich bevrijden. Maar als hij niet leert waar zijn vijand zit, en hoe hij zich moet opstellen in de geest, als hij niet ontdekt hoe hij moet denken en rea­geren, dan zet het geen zoden aan de dijk. Iemand die genezen is van een kwaal, zal ook de wetten van zijn lichaam moeten leren kennen en eerbiedigen: hij moet verstandig gaan eten en le­ven. Zo zijn er ook wetten van de geest, dat zijn de wegen Gods.

Soms bidt men: Heer, raak mij aan. Wat bedoelt men dan? Of men spreekt van een ontmoeting met de Heer. Is dat dan alleen maar een zaak van één moment? Wat gebeurt er dan na die aanraking, na die ontmoeting? Moet men dan weer wachten tot het volgende hoogtepunt? Is men dan niet bezig met het zoe­ken van ervaringen, in plaats van het zoeken van Gods wegen? Men verwacht misschien dat men zal neer­vallen, maar ook dat is niet blijvend, want men verwacht toch ook dat men daarna weer zal opstaan. Er is niemand die in dit op­zicht een blijvende ‘zegen’ verwacht.

In het natuurlijke leven is het toch ook zo: wie gene­zen wil worden, kan niet volstaan met alleen maar een ontmoeting met de dok­ter. Hij moet zich onder behandeling stellen. En je wordt geen zoon, doordat de vader je af en toe eens e- ven aanraakt. Je wordt een zoon, doordat je het denken van vader overneemt.

Wat is zegen?

Men kan vragen: Heer, zegen mij. Maar wat is zegen? Ze­gen bestaat niet in wat zichtbaar vertoon, wat ui­terlijk spektakel. God is Geest en als Hij ons zegent dan doet Hij dat naar de woorden van Paulus met alle geestelijke zegen in de he­melse gewesten in Christus. Efeze 1 vers 3 (Ef. 01:03).

Zegen is dat God zegt: Ik deel je mijn gedachten mee. Ik geef je deel aan mijn natuur, aan mijn wezen. Ik heb je geroepen om mijn we­gen te kennen.

Die zegen mogen en moeten wij zoeken. Die geestelijke zegen. In die zin is het goed, een zegenzoeker te zijn. En dat is tenminste zegen die blijvend is.

Het probleem van alle kinderen Gods

Zo is het ook met de komst van de Heer. Ook op dit punt zijn er velen die er­naar kijken: wanneer ge­beurt het? Zij zijn net als de discipelen, tot wie gezegd moest worden: Wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Maar ook hier geldt: alleen wie de weg bewandelt, bereikt het doel.

De volmaaktheid van de ge­meente komt niet zomaar uit de lucht vallen. Het gebeurt niet bij toverslag. Het is een weg. Men bereikt het doel niet door vast te stellen: het loopt allemaal op zijn eind; het kan elk moment afgelopen zijn. Dan is men alleen maar toe­schouwer. Ja dan ziet men in het geheel geen weg. Men redeneert: de komst van de Heer is totaal onverwacht. De vraag is echter: voor wie is het onverwacht? Voor degenen die de weg ernaar toe niet bewandelen.

Ligt daar niet het probleem van vele kinderen Gods in deze tijd? men beseft hele­maal niet dat God er een weg op na houdt. Men heeft er totaal geen oog voor dat God werkt via bepaalde we­gen. Men leeft bij losse daden van God, bij los­staande meningen, bij inci­dentele wonderen waarin geen enkele lijn te ontdek­kingen valt. Geestelijk leeft men van de hand in de tand. Er zit geen lijn in. En zomaar op een keer, dan is de gemeente verdwenen.

God is een God van wegen

Daarom is het vóór alles noodzakelijk dat we nu gaan ontdekken: God is een God van wegen. Zo is zijn karakter. Mozes sprak daar­over tot het volk: “Gedenk

dan heel de weg, waarop de Here, uw God, u deze veer­tig jaar in de woestijn heeft geleid” Deuteronomium 8 vers 2 (Deut. 08:02). Het was niet zo dat God het volk uit Egypte voerde, ze gingen slapen in de woes­tijn en wakker werden in Jeruzalem. Ze werden niet zomaar plotsklaps overge­plaatst, zonder dat ze er­gens van wisten. Neen, het was een weg. En die weg moesten ze leren. En die moesten ze bewandelen. Dat was een heel bewuste zaak; dat ging niet buiten hen zelf om.

Precies zo geldt het ook voor ons: er is een weg naar het einddoel des ge­loof s. En het is net als toen in de woestijn: velen geloven niet in die weg. Ze geloven niet dat er een weg is naar de volmaaktheid. Ze beseffen niet dat er een weg is naar de komst van de Heer in de zijnen. Wat baat het iemand als hij op het ANWB-bord de naam van de plaats ziet staan waar hij heen wil, maar hij begeeft zich niet in de aangegeven richting? Brengt dat bord hem dan dichter bij het doel?        
Zo is het ook met de teke­nen der tijden; die brengen ons niet bij het doel. Men kan daarop letten zoveel men wil, maar daar wordt men niet volmaakt van. Men kan zeggen: Let op de bor­den, maar men zal ook moe­ten lopen. Anders baten de borden niet.

Daarom zegt Mozes: “Nu dan, Israël, wat vraagt de Here, uw God, van u dan de Here, uw God, te vrezen door in al zijn wegen te wandelen” Deuteronomium 10 vers 12 (Deut. 10:12). En hij legt ook heel duidelijk het ver­band tussen de wegen Gods en het doel van God: “In­dien gij in al zijn wegen gaat en Hem aanhangt, dan zal de Here al deze volken voor uw wegdrijven, zodat gij het gebied van volken, groter en machtiger dan gij, in bezit zult nemen” Deuteronomium 11 vers 22 en 23 (Deut. 11:22-23). Alleen een volk dat Gods wegen leert kennen, zal het doel bereiken. Alleen dat volk zal Kanaän in bezit nemen en heersen over zijn te­genstanders .

De weg die tot het doel leidt

David wist het ook. De we­gen Gods: het is het thema waar het hele boek Deuteronomium op gebouwd is. Maar ook David kon het ge­tuigen: “Gods weg is vol­maakt” Psalm 18 vers 31 (Ps. 018:031). Dat zegt hij als God hem verlost heeft uit de macht van al zijn tegenstanders en uit de hand van Saul. Al jaren terug was hij gezalfd tot koning. Maar David had het ontdekt: koning wordt je niet bij toverslag. Het is een weg. Er is een weg naar de troon. Een weg naar het koningschap. En als David deze psalm dicht, dan heeft hij meer doorgemaakt dan alleen een paar fijne ervaringen; hij heeft een weg bewandeld, en hij komt tot de slotsom: dit was de weg van God en die weg is zoals God zelf is: volmaakt. Die weg leidt tot het doel.

Wie hier zicht op gaat krijgen, vindt een geheel nieuw perspectief op het plan van God. Niet alleen voor ons persoonlijk leven, maar ook voor de gemeente. God heeft een weg voor ons, voor zijn gemeente. Maar dan niet als iets wat auto­matisch gebeurt, buiten ons om, zonder dat we daar enig besef van hebben. Er wordt soms zo gemakkelijk gezegd: God gaat met ons zijn weg. Of: God gaat zijn weg met de gemeente. Neen, God wil dat wij zijn wegen leren kennen, dat wij in zijn wegen gaan wandelen. Wij moeten visie krijgen op de wegen Gods. Dan zin­gen we niet zoals een dich­ter uit de vorige eeuw: “Wegen Gods, hoe duister zijt gij”, maar we om vleugelen ons hoofd. Neen, dan bidden we met David: “Here, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden” Psalm 25 vers 4 (Ps. 025:004). Dan gaan we pas de zin zien van gemeenteleven: met el­kaar de wegen Gods te gaan ontdekken, en die bewande­len .

Als zo de gemeente gaat functioneren, dan komt het moment dat de volkeren kun­nen zeggen: “Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden be­wandelen” Jesaja 2 vers 3 (Jes. 02:03).

Van Jezus moesten zelfs de tegenstanders erkennen: “Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt en dé weg Gods in waarheid leert” Matteüs 22 vers 16 (Matt. 22:16). Jezus leert ons de weg tot God. Daar­voor kwam Hij. God wil dat zijn volk dit gaat zien. Dan komt er een gemeente die zegt: Ik zet mijn treden in uw spoor, omdat mijn voet niet uit zou glijden.

 

 

 

Door het geloof

 

Paulus spreekt zich in Ga­laten 2 vers 20 (Gal. 02:20) zeer duidelijk uit dat hij “door het ge­loof” leeft. Hij zegt: “Met Christus ben ik ge­kruisigd, en toch leef ik, dat is, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in God in de Zoon van God, die mij heeft lief­gehad en Zich voor mij heeft overgegeven”. Voor hem bestond er geen andere weg dan de weg van geloof. Hij is ons hierin een ge­weldig voorbeeld.

Voor elk kind van God is een “dagelijks geloofsle­ven” een onontbeerlijke factor om te functioneren in het plan van God met zijn of haar leven. Terecht zegt de schrijver van de Hebreeënbrief dat het “zon­der geloof onmogelijk is Hem welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06).

Ons geloof moet “dagelijks gevoed” worden met het Woord van God, door de ver­vulling met de Heilige Geest en doordat we contact onderhouden met God in ge­bed. Zoals een ruiter met zijn paard de hindernissen alleen kan nemen doordat hij dagelijks traint, zul­len ook wij “geestelijk ge­trainde” kinderen Gods moe­ten zijn. Opdat de vijand, die ons met zijn barrières op onze geloofsweg tracht tegen te houden, niets zal kunnen beginnen.

“De rechtvaardige zal uit geloof leven” Romeinen 1 vers 17b (Rom. 01:17b), behoort de centrale gedach­te van ons denken en hande­len te zijn. Door het ge­loof zijn wij overwinnaars in de geestelijke strijd, ervaren wij de vervulling van Gods beloften en wordt Zijn Naam verheerlijkt)

 

 

 

Reacties van lezers

 

Bevrijding van demonen

Uit verschillende plaatsen, onder andere uit Leeuwar­den, Balkbrug, Ede en ’s Gravenmoer, ontvingen wij reacties op het artikel van broeder Noë over het uit­drijven van demonen. Vra­gen op dit terrein werden, voor zover mogelijk, door br. Noë of door mij beant­woord. Terwijl verzoeken om hulpverlening of bevrijdingsbedieningen, zo­veel mogelijk werden door­verwezen naar de voorgan­gers of oudsten, van plaat­selijke gemeenten, waar de­ze boodschap gebracht wordt. Een lezer uit Den Haag maakte ons nog attent op een onjuistheid in het literatuurlijstje aan het eind van het artikel. Het boekje van Ds. Glashouwer, dat weliswaar niet recht­streeks het onderwerp be­handeld, maar wel de ver­schillende vormen waarin occultisme zich openbaart, is niet meer verkrijgbaar bij de stichting “Gemeente- réveil” te Wezep, (deze stichting is opgeheven), maar te bestellen via Post­bus 363 te Almelo.

Nummer 200

Ter gelegenheid van de ver­schijning van het 200ste nummer van “Levend Geloof” zond één van onze abonnees ons een gift van ƒ 200,-. Heel veel dank voor deze bemoediging! Een lezeres uit Rotterdam schreef: “Om­dat “Levend Geloof” een fijn positief blad is, ben ik er op geabonneerd en om­dat nummer 200 zo uitzon­derlijk goed is, zou ik graag nog 50 exemplaren er van ontvangen”.

De geweldigste ontdekking van de laatste jaren

Broeder J. M. te Krimpen aan de IJssel schrijft: “Ook door nummer 199 van “Levend Geloof” zijn we weer bijzonder versterkt. Vooral het artikel: “Het wezen van God” heeft ons zeer aangesproken. De “ont­dekking” dat onze God een goede God is, dat Hij en­kel licht is en dat in Hem totaal geen duisternis is, dat is de geweldigste ont­dekking van de laatste ja­ren, naar mijn mening.

‘Gods vriend’lijk aange­zicht, geeft vrolijkheid en licht, aan alle oprech­te harten’! Halleluja”.

Jezus heeft de oorzaak van ziekte weggenomen

Broeder H. J. van H. te Kampen wenst ons Gods on­misbare zegen toe, bij ons werk voor Hem. En schrijft onder andere: “Toen u me zondag na de dienst aanschoot, en we het kregen over genezing als uiting, van gehoorzaamheid, zei ik: Het kon wel eens erg onge­hoorzaam van ons zijn, als we eerst naar de dokter gaan, en dan pas de Heer vragen”.

In een uitvoerig schrijven geeft deze broeder dan ui­ting aan zijn geloof in de waarheid uit Gods Woord, dat Jezus de oorzaak van de ziekte heeft weggenomen. Maar “geloven dat de Heer anderen geneest is niet zo  moeilijk, als geloven dat de Heer jezelf geneest. Dat is veel directer. Ik bid makkelijker voor genezing bij mijn vrouw, dan voor genezing bij mezelf, on­danks dat de Heer me op een wonderlijke wijze van astma genas”.

Broeder Van H. wijst op de noodzaak van gehoorzaam­heid: “Gehoorzamen is Zijn wil doen. Als we weten, dat ziekte een vrucht van de zonde is, en geloven dat Jezus de boom “zonde” heeft omgehakt in ons le­ven, hoe kunnen we dan an­ders ziekte accepteren, dan door de leugen te geloven. De duivel is de leugenaar van de beginne”.

Hij besluit zijn brief als volgt: “Ik ben zo blij, dat onze God en Heiland er niet op uit is, om ons het leven moeilijk te maken. Hij zegt: “Bidt en u zal gege­ven worden”. Als we tot Hem bidden, moeten we ook antwoord van Hem verwachten. Als ik niet verwacht, dat Hij antwoorden zal, dan luister ik ook niet of ik Hem hoor, dan hoor ik Hem dus ook niet. Maar Jacobus zegt: “Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, omdat er kracht aan ver­leend wordt. Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou, en het regende niet op het land drie jaar en zes maan­den lang; en hij bad opnieuw, en de hemel gaf regen en de aarde deed haar vrucht uitspruiten”. Jakobus 5 vers 16 tot en met 18 (Jak. 05:16-18). Ook dit staat in verband met ziekte in Gods Woord, even ervoor staat namelijk: “En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten”.

“Is het niet machtig, dat deze beloften voor een ie­der bestemd zijn, dat Jezus voor onze ziekte en kwaal gestorven is? Zalig is de man, die in verzoeking vol­hardt, want wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefheb­ben .

Prijst de Heer, want Hij is wonderbaar, sterke rots, vredevorst, Hij laat niet varen het werk Zijner han­den. Halleluja”.

In “Levend Geloof” van volgende maand o.a. een artikel van br. Noë over: lofprijzing.

1980.01 nr. 200

Levend geloof 1980.01 nr. 200

Wat gaat er in de jaren tachtig gebeuren? Door Gert Jan Doornink

Wat verwacht de wereld?

De jaren tachtig zijn begonnen. In allerlei toonaarden worden wij de laatste weken over­speeld met verwachtingen voor de komende jaren, waarbij meestal grote onzekerheid en pessimisme overheersen. Enkele voorbeelden: In het week­blad “Nieuwsnet” schreef de Rotterdamse hoogle­raar economie P. W. Klein: “Was de toestand in de jaren zeventig hopeloos, in de jaren tachtig zal zij zowel ernstig als hopeloos zijn”. Een ander blad haalde een uitspraak van wijlen pre­sident Kennedy aan, die reeds in 1963 zei: “Het is ons noodlot dat wij in de gevaarlijkste pe­riode van de menselijke geschiedenis leven; wij zijn voorbestemd om het grootste deel van ons leven, zo niet ons hele leven, in onzekerheid, strijd en gevaar door te brengen”.

Ook helderzienden en waarzeggers trachten een tipje op te lichten van de sluier, die over de jaren tachtig verborgen licht, maar de inspira­tiebron van deze mensen vindt zijn oorsprong in het rijk van satan, in het duistere domein van de verderver en de vernietiger.

De wetenschapsmensen, de politieke leiders en de occulte misleiders, kunnen nog zulke diep doordachte meningen over de toekomst te beste geven, niemand zal precies kunnen zeggen: zo- en-zo gebeurt het. Hoe kan het ook anders zal de waarachtige christen opmerken. Immers de toekomst is “verborgen en in nevelen gehuld”, voor hen die Christus niet kennen.

Perspectieven voor kinderen Gods

Hoe geheel anders zijn echter de perspectieven voor het kind van God, dat overgezet is vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus. Het aloude gezangvers betekent een realiteit voor hem:

“Wat de toekomst brengen moge;

mij geleidt des Heren hand;

moedig sla ik dus de ogen,

naar het onbekende land”.

Daarbij weet een kind van God dat het “onbeken­de land”, dat voor hem ligt, niet iets vaags, iets abstracts, iets onwezenlijks is. Maar om­dat hij “verankerd is in Jezus Christus” heeft hij geen angst voor de toekomst. De Heilige Geest leidt hem immers in alle waarheid van dag tot dag.

De spreuk, die men hier en daar aan de wand ziet hangen: “Van het concert des levens heeft niemand een program”, is daarom voor een gelo­vige geen fait accompli. Omdat hij niet leeft met de gedachte: We moeten maar afwachten wat er met ons leven gaat gebeuren. Wij zijn geen mensen van het noodlot, maar nieuwe scheppin­gen, koningen en priesters. Onze plaats is met Christus in de hemelse gewesten!

Natuurlijk weet niemand van uur tot uur exact hoe het leven in al zijn onderdelen verloopt. Veel belangrijker is dat wij weten dat God “het goede” met ons voor heeft! En dat al “het slechte” afkomstig is uit de koker van de duivel .

Gods voorwaarde

Maar als wij weten dat God het goede met ons voor heeft, zullen wij ook de “goede weg” moe­ten bewandelen. Dat is de weg van Jezus, de weg van de volheid, de geestelijke weg. Deze weg kunnen wij alleen bewandelen, door een le­ven van geloof en gehoorzaamheid te openbaren. Dat is de enigste voorwaarde om Gods zegeningen te ervaren, om onbevreesd de jaren tachtig bin­nen te gaan.

Een christen mag juist grote verwachtingen van de toekomst hebben. Hij is losgemaakt van het negatieve gedachtenpatroon, waarmee de mens van deze wereld geïnfecteerd is. Als weet hij, dat hij het, naar het vlees gesproken, in de jaren tachtig niet gemakkelijk zal krijgen. Hij leeft immers temidden van een ontaard en verkeerd ge­slacht .

Want ongetwijfeld zal de degeneratie van de jaren zeventig zich verder voltrekken. Abortus, euthanasie, homofilie, vrije seks, immoraliteit, occultisme, etc. het zal meer en meer als “nor­maal” worden geaccepteerd. Waarbij ook het naam-christendom, dat met een schijn van gods­dienst, de kracht heeft verloochend, op geen enkele wijze meer tegengas zal geven en geheel zal worden meegesleurd. (Lees in dit verband in het artikel van br. Glasbergen reeds over het opzienbarend besluit dat de synode der Gere­formeerde kerken nam ten aanzien van de homo­filie) .

Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) zal meer en meer werkelijkheid wor­den: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer on­recht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer recht­vaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. En als kinderen Gods moeten wij vooral het tweede deel van deze tekst ook goed in het vizier houden. Het betekent namelijk dat de volheid van Christus in de waarachtige kinderen Gods meer en meer tot openbaring zal komen!

Een kind van God kent geen vrees voor de toe­komst. Hij weet dat al Gods beloften in Jezus Christus ja en amen zijn. Zijn leven is met Christus verborgen in God. Daarom deert hem geen verdrukking, miskenning, beproeving of vervolging. Want met Jezus zijn we ook in de jaren tachtig meer dan overwinnaars! Glorie voor Zijn Naam!

 

Hans Koornstra naar Amsterdam

Er komt ook dit jaar een campagne met evangelist Hans Koornstra. Na de zo rijk gezegende campagnes in 1979 in Den Haag, Groningen en Arnhem, was het onzeker – mede wegens afspraken in het buitenland – of er ook in 1980 een campagne kon worden gepland. Maar “Teen Challenge”, die de organisatie weer verzorgd, maakt nu bekend, dat, mede op initiatief van verschillende gemeenten in Noord Holland, van 5 tot en met 14 september 1980 een tiendaagse campagne zal worden gehouden in de Jaap Edenhal te Amsterdam. Laten we veel bidden dat ook deze serie samenkomsten, waar de boodschap van volle verlossing in Jezus Christus weer centraal zal staan, een grote overwinning op het rijk van satan zal worden.

 

Hemels manna door Jan W. Companjen

 

“En s’ avonds kwamen er kwakkels opzetten en over­dekten de legerplaats; en s ‘morgens was er een dauw- laag rondom de legerplaats. Toen de dauw laag opgetrok­ken was, zie daar lag over de woestijn iets fijns, iets schilferachtigs, fijn als rijp op de aarde. Toen de Israëlieten dit zagen, zeiden zij tot elkander: wat is dit? En Mozes zeide tot het volk: Dit is het brood dat de Here u tot spijze gegeven heeft… en zij noemden het ‘Manna’.

Het ware manna

Ongeveer zes weken na de verlossing uit het huis der dienstbaarheid en de door­tocht door de Schelfzee, krijgen we al de geschiede­nis van de kwakkels en het manna. In de woestijn geko­men’ begon het volk namelijk al spoedig te morren en te­rug te verlangen naar de vleespotten van Egypte. Toch hoorde de Heer naar het gemor van Zijn volk en liet hen niet in de steek. Het volk van God had echter beter moeten weten. Hij had hen immers uitgeleid, zou Hij dan de rest niet afma­ken? Ondanks alles maakte Hij het alles wel, boven bidden en denken. Er viel vlees en brood uit de hemel en de Israëlieten konden eten tot verzadiging toe.

Toch is er een groot ver­schil tussen het voedsel dat God hun geeft; het ene de ‘kwakkels’ en het andere het ‘manna’. In Johannes 6 vers 47 tot en met 59 (Joh. 06:47-59) zegt Jezus dat Hij het ware brood des levens, het ware Manna is. Als iemand van Hem eet, dat wil zeggen Hem volledig innerlijk aan­vaardt, eeuwig blijft le­ven.

Om deze zaken gaat het, als wij deze keer stilstaan bij het geweldige, dat Jezus, als het brood des levens, op aarde kwam. Hij opende het hemelse Koninkrijk Gods voor u en mij als het nieu­we paradijs, waar vrede en gerechtigheid woont door de Heilige Geest.

Dat is het geweldige feest dat begon met de geboorte van Jezus in Bethlehem, dat wij vorige maand weer moch­ten gedenken. Hij groeide na Zijn geboorte op tot de ‘Zoon Gods’ die het vlees­geworden Woord aan ons openbaarde. Het Woord Gods dat tot dat moment bedekt was, werd openbaar en Hij leefde het ons voor. Hij zei daar zelf van in Johannes 6 vers 55 tot en met 57 (Joh. 06:55-57), dat Zijn vlees wa­re spijs was en Zijn bloed ware drank. “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij gezonden heeft, en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij, die Mij eet, leven door Mij”. Dat is de wis­selwerking tussen Jezus en hen die Hem volgen.

Van de woestijn naar het beloofde land

Wij zijn ook nu in de woes­tijn. Ook wij zijn op weg en leren op die weg afhan­kelijk en gehoorzaam te zijn aan Hem. Laten wij echter niet morren, maar ons vasthouden aan alles wat ons tot lering geschre­ven is. Dan zullen wij niet sterven in de woestijn, maar het beloofde land bin­nentrekken.

Wij hebben daarbij nog bij­zondere beloften, namelijk dat wij leven in de tijd dat het dubbele manna (de spade regen) gaat vallen.

Keren wij echter eerst nog even terug naar de geschie­denis van de Israëlieten in de woestijn. Na de roep om eten, komt het goddelijk antwoord. Zo’n antwoord is niet alleen iets menselijks maar het heeft ook altijd een bijzondere en diepe be­tekenis. De Heer sprak dan ook tot Mozes en zeide: “In de avondschemering zult gij vlees eten en in de morgen zult gij met brood verzadigd worden, en gij zult weten dat Ik de Here ben”.

De Heer begint met vlees te geven. Aan het einde van de dag komt er vlees uit de hemel vallen. Een grote hoeveelheid kwakkels kwam opzetten en overdekte de legerplaats. Er wordt een scherpe scheiding gemaakt tussen dit goddelijk vlees en het daarop, op de nieu­we dag, vallende manna. Het één vertegenwoordigt het vlees, het algemeen mense­lijke; het andere het Geestelijke, maar beiden horen bij elkaar. Beiden zijn door God gegeven.

Het vlees valt in de leger­plaats. Het valt als levend voedsel tussen het volk.

Vlees wordt door vlees ge­voed. Ook wij mensen van vlees en bloed kunnen onze medemens voeden. Dat is een intermenselijke verhouding die in de legerplaats, dat wil zeggen onder ons, plaats vindt. Deze voeding houdt ons wel in het leven, maar komt er niet de voe­ding bij van de nieuwe dag, van het nieuwe begin, het Manna, dan mankeert er iets aan. Dan zijn wij vleselijke christenen, die alleen maar kwakkels eten. Dit heeft tot gevolg dat wij blijven “kwakkelen”. De doorbraak naar het echte, het levende en sprankelen­de, ontbreekt. Het is net als in een kwakkelwinter: het kan vriezen en dooien.

De noodzaak van het hemels manna

Met het manna gaat het heel anders. Dat valt buiten de legerplaats, dat komt recht­streeks van de levende Vader die Zijn volk daarmee voedt. Daar zit geen vlees tussen en het valt op een plaats buiten de legerplaats. Wie oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt.

Ieder moet uittrekken en verzamelen. Hij en zij, jong en oud, krijgen ieder hun dagelijkse portie. Zij moeten persoonlijk zoeken…. en allen vinden wat zij nodig hebben. “De Israëlieten nu deden zo en verzamelden het, de één meer en de ander min­der. Toen zij het in een gomer maten, had hij die meer verzameld had, niet te veel en hij die minder verzameld had, kwam niet te kort. Ie­der had naar zijn behoefte verzameld” Exodus 16 vers 17 en 18 (Ex. 16:17-18).

Het is een wonder Gods, dat wij ook dagelijks mogen en kunnen beleven, indien wij persoonlijk onze Heer en Heiland zoeken buiten de le­gerplaats. Buiten alles om, dagelijks Hem ontmoeten door middel van de Heilige Geest die in ons woont.

Het is opmerkelijk, maar bij de uitstorting van de Heili­ge Geest en bij het neerval­len van het manna in de woestijn, zeiden de Israë­lieten tegen elkaar: “Wat is dit? Wat wil dit toch zeggen?”. Jezus geeft ons daarop het antwoord: “Ik ben het brood des levens. Uw va­deren hebben in de woestijn het manna gegeten en zij zijn gestorven; dit is het brood, dat uit de hemel nederdaalt, opdat wie er van eet, niet zal sterven. Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. In­dien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees voor het leven der wereld”

Johannes 6 vers 48 tot en met 51 (Joh. 06:48-51).

Jezus is het brood des levens

Jezus is het brood des le­vens. Dit brood mogen wij uitdelen, maar moet ook door hen die het aanvaard hebben, zelf gezocht wor­den. Dan zullen wij gaan ervaren dat wij een per­soonlijke Leidsman hebben, dat wij een goede God hebben, die ons in alle waar­heid leidt. Dan zullen wij gaan onderscheiden wat van God komt, namelijk het goe­de, welgevallige en volkomene.

Haast het hele christendom weet dat de duivel de over­ste van deze wereld is. Maar toch wordt nog zeer vaak alles wat slecht is, oorlog, verdeeldheid, kommer, armoede, honger en el­lende, gezien als van God de Here afkomstig. De be­kende Leger des Heils soldate Eva den Hartogh werd één dezer dagen in Thailand geïnterviewd. Zij zei be­treffende de verschrikke­lijke dingen die zij daar zag: “Ik (Eva den Hartogh) begrijp God niet meer. Waarom doet Hij dit?” en: “Ik was ontzettend kwaad op God. Opnieuw vroeg ik mij af of de God, die wij in het Leger prediken, wel een God van liefde is, die wij deze stakkers moeten aanprijzen. Ik dacht: Hij is een God van woede. Waarom laat Hij dit alles toe?”…

Als wel ergens blijkt dat satan rond gaat als een briesende leeuw, is dat wel in Cambodja en omliggende landen. Men moordt elkaar uit op een verschrikkelijke manier. Ik ben er echter van overtuigd, dat niet één moordenaar, niet één ver­nietiger, door de Heer die wij dienen, Jezus Christus, geïnspireerd is. Inspirator van al deze dingen is de duivel en zijn trawanten. Het is onze taak om hem te ontmaskeren. Hij vernielt en breekt af. Hij, de dui­vel, wil steeds gemenere wapens (kernwapens) om het mensdom te vernietigen. En het mensdom laat zich mee­nemen en onderkent niet dat zij in dienst van de duivel staat.

Jezus kwam als Hersteller en Oprichter van datgene wat ingestort was. Hij her­bouwde Jeruzalem als een hemelse stad, waarin wij mogen wonen en vanwaar uit wij mogen werken. Wat is ons antwoord aan deze we­reld? Kwakkelen wij voort, of gaan wij manna zoeken en vinden? Wie zoekt, die vindt, en wie klopt, die zal opengedaan worden. Ver­borgen dingen zullen hem geopenbaard worden.

Welke geest inspireert ons leven?

Er moet een mentaliteits­verandering komen, namelijk in dit feit, dat de mens, die geïnspireerd kan worden door allerlei geesten, moet gaan onderkennen, door wie hij geïnspireerd wordt. Is dat door Gods Geest, (zijn wij gedoopt met Zijn Geest?) dan zullen wij in deze tijd opwaarts moeten gaan. Het­geen wat heilig is, wordt steeds heiliger, dat wil zeggen steeds volmaakter, doordat zij Jezus als Inspi­rator steeds beter gaan ver­staan en volgen.

Zij die andere góden aanhan­gen en naar hun inspiraties luisteren, zullen nog één­maal de boodschap van het Koninkrijk der hemelen ho­ren. Een boodschap van lief­de, vanuit een geopende he­mel, omdat zij die deze boodschap uitdragen, de wil Gods hebben leren verstaan, werkelijk kennende goed en kwaad. Het hemelse manna zal ons daarbij tot voedsel zijn, ook in het jaar des Heren 1980. Hij zegene en behoede u in alle waarheid, want de neiuwe dag breekt aan!

 

 

 

Het overwinnende woord

Het Woord is vlees geworden, het nam gestalte aan.

In zijn verborgen luister, is ’t over d’ aard gegaan.

Blinden die ziende werden, hebben Zijn glans aanschouwd.

Aan wie naar vrede dorsten, heeft God Zijn heil ontvouwd ;

Krachtig tot overwinnen, trekt het de wereld door.

In smetteloos wit linnen, volgt Uw gemeente ’t spoor.

De kroon aan U gegeven, verwerft ook zij gewis,

door ’t Woord, dat geest en leven, trouw en waarachtig is.

 

 

Nummer 200 door Gert Jan Doornink

Dit eerste nummer van de 19e jaargang van ons blad is tevens nummer 200. Omdat het misschien voor verschillende lezers en lezeressen interessant is iets te vertellen over het ontstaan van “Levend Geloof”, willen wij een kleine terugblik werpen. Want hoe zijn wij er toe geko­men een blad uit te geven met de volle evangelie bood­schap, zal men zich afvragen. Daarvoor moeten we enkele herinneringen uit ons eigen leven ophalen. Reeds als kleine jongen waren wij gefascineerd door alles wat met kranten te maken had. Gevolg was dat ik al op tienjarige leeftijd (1940) een eigen krantje begon samen te stellen met nieuws over mijn familie, de boerderij van mijn ou­ders, het dorpje Vorchten waar ik woonde, enz. Het blaadje had het formaat van een blad uit een school­schrift, werd met potlood of pen in blokletters geschre­ven , (balpennen waren er nog niet). Het heeft in ver­scheidene vormen vele jaren bestaan, uitsluitend als persoonlijke hobby.

Toen ik een jaar of 14, 15 was, begon ik ook artikeltjes te schrijven voor het streek- en dagblad van de omgeving waar ik woonde, en ook over het weer, wat ook mijn bij­zondere belangstelling had. De reden dat ik niet verder de journalistieke kant ben opgegaan was voornamelijk ge­legen in het feit dat ik als enigste zoon, eigenlijk de boerderij zou moeten overnemen van mijn ouders. Dat was een soort traditie, een vanzelfsprekendheid waar je ver­der niet bij stil stond.

Hetzelfde gold het feit dat ik hervormd kerkelijk op­groeide. Mijn ouders gingen naar de kerk, en op ongeveer 20 jarige leeftijd behoorde je belijdenis te doen, wat ik ook deed. Evenals ik verder kerkelijk meelevend was, wat zich o.a. uitte in het feit dat ik secretaris was van de plaatselijke afdeling van de “Jonge Kerk” en van het C.J.M.V.

De grote verandering

Maar toen kwam op 17 november 1952 de grote verandering in mijn leven. Die avond sprak voor de maandelijkse verga­dering van de “Jonge Kerk”, Ds. W. A. Plug van “De Hezenberg” uit Hattem, destijds leider van de Nederlandse tak van de Möttlinger-opwekkingsbeweging. Ds. Plug sprak over het onderwerp: “Geloof, gebed, genezing”, naar aan­leiding van het tournee dat de, in de vijftiger jaren, zeer bekende Duitse opwekkingsprediker Hermann Zaiss door ons land maakte. Wat Ds. Plug die avond allemaal zei, weet ik niet meer, maar wel dat ik gegrepen ben door de boodschap die hij bracht. Het was alsof God de hand op mijn leven legde. Enige tijd later ben ik thuis op mijn slaapkamer op mijn knieën gegaan, beleed mijn zonden en werd een kind van God. (Johannes 1 vers 12 (Joh. 01:12) was de tekst die mij bijzonder aansprak: “Doch allen, die Hem aange­nomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden”.

De eerste jaren bleef ik gewoon naar de kerk gaan, hoe­wel ik in vrije samenkomsten, waar ik ’s zondagsavonds wel eens naar toe ging, meer geestelijk voedsel ontving. Pas in 1958, na de grote Osborn-campagne, kwam er een verdere geestelijke doorbraak in mijn leven. Ik kwam in een samenkomst waar ook gesproken werd over de nood­zaak van de doop met de Heilige Geest, wat ik ook in ’t geloof aanvaardde. Enige tijd later sprak ik voor het eerst in nieuwe tongen. Doordat ik mij liet dopen door onderdompeling, kwam ik buiten de kerk terecht. Ik mocht door deze daad van gehoorzaamheid niet meer deelnemen aan de kerkelijke avondmaalsviering.

De oprichting van “Levend geloof”

In de vijftiger jaren begon alom het opwekkingsvuur te branden. Hermann Zaiss, Billy Graham, Karel Hoekendijk, en vooral ook T. L. Osborn brachten een groot geestelijk ontwaken met zich. Aan het eind van de jaren vijftig en in het begin van de jaren zestig, kwamen velen tot ge­loof en ontdekten dat Jezus een volkomen Verlosser is, naar geest, ziel en lichaam. Nieuwe opwekkingsbladen kwamen uit, naast de reeds bestaande zoals “De Oogst”, “Kracht van Omhoog”, “Gouden Schoven” en “Heilsfontein”, verschenen: “Nieuw Leven”, “Opwekking” en “Levend Geloof”. De talenten die de Heer in ons had gelegd, kon­den wij nu in Zijn dienstgebruiken. Al spoedig lieten wij een kleine brochure drukken met als titel: “Jezus is het Antwoord”. Toen wij eens lazen hoe iemand die traktaten verspreidde, ze eerst zelf schreef, zodat hij er voor 100% achter kon staan en wist waarover het ging, werd het ook mij duidelijk zelf met een blad uit te komen. Eerst was het nog niet helemaal duidelijk hoe en op welke wijze en onder welke titel. Drie namen spraken ons aan, te weten: “Nieuw Leven”, (enige tijd later werd het blad van br. Maasbach zo genoemd), “Leven en Overvloed” en “Levend Geloof”. Het feit dat we in die tijd bijzonder werden aangesproken door het blad “Faith Digest van T. L. Osborn, was mede van invloed op het tot stand komen van de naam “Levend Geloof”. Deze naam is nog altijd van bijzondere betekenis, want de lezers en lezeressen op te wekken een levend geloof in de Zoon van God te openbaren is nog altijd één van onze hoofdta­ken.

Zo werd dan op 1 november 1961 het blad opgericht en verscheen in januari 1962 het eerste nummer als gesten­cild blad, een verschijningsvorm die wij tot voor enkele jaren hebben aangehouden.

“Levend Geloof” heeft nooit veel aan de weg getimmerd, nochtans mochten wij steeds de zegende hand van de Heer over dit werk ervaren. Wij hebben steeds getracht ons te houden aan de oorspronkelijke opzet en opdracht, name­lijk de verkondiging van het Volle Evangelie in al zijn facetten.

Het evangelie van het koninkrijk

“Levend Geloof” is steeds onafhankelijk gebleven, dat wil zeggen, wij zijn niet gebonden aan enige kerk, groep, richting, beweging of wat ook. Wij weten ons verbonden met “allen die zich gereinigd weten door het bloed van Jezus en verlangen de volheid van Jezus openbaar te ma­ken”, (een motto dat wij vanaf de oprichting hebben na­gestreefd). Juist door onze onafhankelijke opstelling behoeven wij niemand naar de ogen te kijken of naar de mond te praten, maar kunnen vrijuit schrijven, wat de Heer in ons hart legt. Soms is dat niet “populair”, maar wij willen staan in de wil van God. Het gaat om de volle waarheid. Met Paulus is ook ons getuigenis: “Trachten wij thans mensen te winnen, of God? Of zoeken wij mensen te behagen? Indien wij nog mensen trachten te behagen, zouden wij geen dienstknechten van God zijn” Galaten 1 vers 10 (Gal. 01:10).

Het feit dat wij onafhankelijk zijn betekent niet dat wij tegen gemeentevorming zijn. Integendeel. Wij hebben het nooit onder stoelen of banken gestoken, dat wij voor­stander zijn van gezonde gemeentevorming, waar de bood­schap van het Koninkrijk Gods centraal staat. Want als deze boodschap geweld wordt aangedaan, zouden wij ontrouw zijn aan de grote opdracht van Jezus Christus, dit evan­gelie door woord en daad uit te dragen. Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

In ons vorig nummer schreven wij nog eens dat “Levend Ge­loof” geen doel op zich is, maar middel (één van de vele) voor de verkondiging van het volle evangelie. Dat willen wij ook nu onderstrepen. Wij zijn dankbaar voor de medewerkers die de Heer ons heeft gegeven. Ieder brengt op zijn of haar wijze de boodschap tot uitdrukking, maar gezamenlijk worden wij door één verlangen beheerst, na­melijk dat de volheid van Christus in deze eindtijd in de waarachtige gelovigen tot volle openbaring zal komen. Wij gaan met blijdschap door en bidden de Heer om kracht en wijsheid – samen met onze medewerkers – een blad uit te geven dat op positieve wijze, in een voor iedereen begrijpelijke taal, de volle raad Gods verkondigt.

Kinderen van Abraham…

Het is voor u misschien ook interessant te weten dat de verschijning van dit 200ste nummer bijna samen valt met onze 50ste verjaardag. Naar wereldse maatstaven gerekend hebben wij dan Abraham gezien….(In enkele streken van ons land is het gebruikelijk dat men iemand die 50 jaar wordt een pop van brood of banket geeft, die Abraham voor moet stellen. Dit gebruik berust op een geheel ver­keerde uitleg van Johannes 8 vers 57 (Joh. 08:57), waar de joden tegen Jezus zeggen: “Gij zijt nog geen vijftig jaar en gij hebt Abra­ham gezien?”. Daaruit ontstond de zegswijze: hij heeft Abraham gezien, in de betekenis van: hij is vijftig).

Gelukkig zijn wij niet meer van de wereld, maar behoren tot het Koninkrijk dat niet van deze wereld is. Als ge­lovige zijn wij reeds op 22‘ jarige leeftijd kind van Abraham geworden, omdat Gods Woord zegt dat “zij die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn” Galaten 3 vers 7 (Gal. 03:07). “Indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham, en naar de belofte erfgenaam” Galaten 3 vers 29 (Gal. 03:29). Van de­ze en vele andere rijkdommen, willen wij , zolang de Heer ons kracht, wijsheid en genade schenkt, ook na onze 50ste verjaardag schrijven op velerlei wijze en in velerlei vorm.

Tenslotte nog een verzoek aan al onze lezers en lezeres­sen, (waarvan sommigen reeds vanaf de oprichting abonnee zijn). U kunt ons vooral ook helpen, door veel voor deze arbeid te bidden. Wilt u het niet vergeten? Wij doen ons best om, onder de inspiratie van het Woord van God en de Heilige Geest, een blad uit te geven dat de mens niet alleen brengt aan de voet van het kruis (dat is het be­gin) , maar ook geestelijk doet groeien, opdat Christus ten volle in ons gestalte zal aannemen. Hem alleen zij alle lof, dank en aanbidding!

En “Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwig­heid tot eeuwigheid’. Amen”. Efeze 3 vers 20 en 21 (Ef. 03:20-21) .

 

Van de redactie

Wij stellen het zeer op prijs als u eens reageert op de inhoud van ons blad. Naar aanleiding van de laatste nummers ontvingen wij verschillende positieve reacties. Maar ook als u kritiek hebt, vra­gen wilt stellen of andere opmer­kingen wilt maken, schrijf vrij­moedig naar de redactie van “Le­vend Geloof”, in  Wapenveld. Iedere brief wordt vertrouwelijk behandeld. (Ook op deze site)

 

Het uitdrijven van demonen door J. Noë

 

Weinig inzicht

Het is mij opgevallen hoe weinig inzicht in verschil­lende gemeenten is, over het begrip demonen en het uit­drijven daarvan. En toch is het zo belangrijk. Toen Je­zus op aarde was, genas Hij niet alleen alle zieken, maar Hij dreef ook boze geesten uit. Ofschoon ziekte ook uit de duivel is, is het uitdrijven van boze geesten dus een afzonderlijke bedie­ning. En zoals u bekend gaf Jezus aan de discipelen en eveneens aan alle gelovigen de opdracht boze geesten uit te drijven.

Markus 16 vers 17 en 18 (Mark. 16:17-18): “Als tekenen zullen deze dingen de gelo­vigen volgen: in Mijn Naam zullen zij boze geesten uit­drijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zul­len zij de handen leggen en zij zullen genezen worden”.

Het spreekt vanzelf, dat men daarvoor volkomen onder de leiding en de kracht van de Heilige Geest moet staan, anders komen er brokken. Ve­le duistere machten zijn na­melijk zeer sterk en dik­wijls zeer hardnekkig.

Ik heb destijds in Londen (november 1966) een confe­rentie van een week meege­maakt van Dr. Derek Prince uit Amerika, die een autori­teit is op het gebied van demonie en bevrijding en ik heb daar zeer veel geleerd.

Hij heeft een boekje uitge­geven onder de naam “Expelling demons” (het uitdrijven van demonen) en ik laat hieronder een uittreksel er­van volgen.       *

“Een boze geest is een per­soonlijkheid en heeft drie eigenschappen:

-Kennis. Zie bijvoor­beeld Markus 1 vers 24; Lucas 8 vers 31 tot en met 33; Handelingen 19 vers 15 (Mark. 01:24; Luc. 08:31-33; Hand. 19:15).

-Een wil. Zie Matteüs 12 vers 44; Lucas 8 vers 31 tot en met 33 (Matt. 12:44; Luc. 08:31-33).

-Gevoel. Zie Jakobus 2 vers 19 (Jak. 02:19).

Zoals wij uit de aangehaal­de teksten zien kan hij ook spreken.

Bij het ontdekken van demo­nen is de gave van het onderscheiden van geesten van groot belang. Hierdoor kan de aanwezigheid of activiteit van demonen worden ge­constateerd.

Geestelijke en lichamelijke symptomen, welke wijzen op de aanwezigheid van boze geesten

  1. Geestelijke symptomen.
  2. Hardnekkig terugkerende stemmingen en kwaadaardige gevoeligheden, waarover de menselijke wil geen contro­le kan uitoefenen: geprik­keldheid, haat, angst, vreesachtigheid, jaloezie, trots, zelfbeklag, geeste­lijke kramp en ongeduld.
  3. Onberedeneerde down- stemmingen, die plotseling kunnen omslaan in overdre­ven vrolijkheid.
  4. Allerlei vormen van geestelijke verwarring en slavernij, tengevolge van on-Bijbelse theorieën, zoals normaal voedsel weigeren te eten, overdreven ascese, het in acht nemen van bijge­lovige voorschriften en el­ke vorm van afgodendienst.
  5. Waarzeggerij, astrolo­gie, spiritisme, toverij en iedere vorm van occultisme.
  6. Verslavende gewoonten: vraatzucht, roken, verdo­vende middelen, seksuele onreinheid en alle vormen van perversie, alsmede ge­brek aan controle over gedachten en blikrichting.
  7. Godlastering, vuile taal en gespot.
  8. Hardnekkig verzet of agressie tegen de Bijbel en het werk van de Heilige Geest.
  9. Lichamelijke symptomen.
  10. Opvallende rusteloosheid en ziekelijke zucht tot kletsen; voortdurend gemopper.
  11. Glazige of sterk uitpui­lende ogen; ook ogen die abnormaal fonkelen.
  12. Schuim op de mond, stin­kende adem.
  13. Hartkloppingen en andere aandoeningen, waardoor de hartslag versneld wordt.
  14. Lichamelijk verzet tegen de kracht van de Heilige Geest.

Wanneer één van bovenge­noemde symptomen zich af­zonderlijk voordoet, be­hoeft er nog geen sprake te zijn van aanwezigheid of activiteit van boze gees­ten. Doch zodra verschil­lende van deze symptomen tegelijkertijd opduiken, is het waarschijnlijk dat er demonen aan het werk zijn.

Demonen kunnen de oorzaak zijn van geestelijke of lichamelijke kwalen, bijvoor­beeld krankzinnigheid, epi­lepsie, migraine, astma, tumor, doofheid, stomheid, blindheid, kanker, verlam­ming, hartafwijkingen en slapeloosheid.

Een juiste diagnose stellen is zeer belangrijk bij het uitdrijven van demonen. Wanneer de aard, het wezen van de vijand niet te on­derscheiden is, kun je hem ook niet bestrijden. Eerst als de juiste diagnose is gesteld, kan tot bevrijding worden overgegaan.

Voorwaarden om gebondenen te bevrijden

Degene die de gebondene wil bevrijden dient aan de vol­gende voorwaarden te vol­doen :

  1. Hij of zij dient te be­seffen dat hij of zij in de Naam van Jezus volmacht heeft ontvangen.
  2. Hij of zij heeft de vol­heid van de Heilige Geest nodig.
  3. Bij iedere bediening dient hij of zij zich be­wust te zijn over hetgeen de Bijbel zegt over schuld­vergeving en de verlossing door het bloed van Jezus.
  4. Hij of zij dient er op toe te zien, dat er gele­genheid is voor een ziel­ zorgelijk gesprek. (Bij sa­menkomsten soms erg moei­lijk) .
  5. Hij of zij mag nooit hoogmoedig zijn op grond van zijn of haar bediening. Hij of zij moet uitsluitend geleid worden door een die­pe bewogenheid.

Voorwaarden om bevrijd te worden

De gebondene die verlost wil worden zal aan de vol­gende voorwaarden dienen te voldoen:

  1. Nederigheid (onderwer­ping aan God).
  2. Eerlijkheid (zonden niet verdoezelen).
  3. Belijdenis van zonden.
  4. Verwerping van de zon­den.

Wat is een demon?

Een demon is een geest. Het Griekse woord voor ‘geest’ betekent tevens ‘adem’. Nu ademen wij door onze neus en mond en wanneer een demon wordt uitgedreven zal hij het lichaam meestal door de mond verlaten. Aan bepaalde uitingen is te bemerken, dat hij het li­chaam verlaat, bijvoorbeeld door sissen, hoesten, snik­ken, brullen, boeren, spu­wen of braken. Het hangt er helemaal vanaf wat voor geest of geesten in de gebondene is of zijn. Het komt voor dat de demonen zich openbaren en gaan spreken, de stem van de gebondene krijgt dan een an­dere klank”.

Het is een beknopt verslag, maar laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Toch wil ik echter een en ander er aan toevoegen. Men heeft namelijk over het algemeen weinig begrip hoeveel demo­nen er wel zijn, die zich op allerlei gebied, in wel­ke vorm ook, kunnen openba­ren. Ik wil nu eens enkele voorbeelden aanhalen, waar­bij dit geschiedt.

Voorbeelden van demonische gebondenheid

  1. Culten (vereringen, ere­diensten) en godsdiensten, bijvoorbeeld: Antroposofie, Theosofie, Rozenkruisers, Vrijmetselarij, Jehova’s getuigen, Christian Scien­ce, Mormonisme, Bahaïsme en de oosterse godsdiens­ten: Boeddhisme, Hindoeïs­me, Confucianisme, de Is­lam, enz.
  2. Occultisme (het zich be­zighouden met geheime, bui­tennatuurlijke krachten, welke niet uit God zijn): Buiten datgene wat door Dr. Derek Prince onder geeste­lijke symptomen (d) is ge­noemd, wil ik nog extra de aandacht vestigen op enkele occulte praktijken die er nog al in zijn, bijvoor­beeld: horoscoop – dieren­riem (astrologie), magne­tisme, yoga, sensitivity training, transcendente me­ditatie, acupunctuur, enz.

Ook kaartspellen vallen hieronder, bijvoorbeeld ouïjabord (een soort kaart­spel als concentratietechniek in verband met de toe­komst) , tarotkaartspel (een soort spiritistisch lees- plankje) en, u zult er waarschijnlijk van opkij­ken, ook ons kaartspel dat bijvoorbeeld bij bridgen wordt gebruikt. De figuren namelijk die er op staan, werden in de 14e eeuw ont­worpen door een zekere Jacquemin Grigonneur uit Pa­rijs. In symbolische taal onteerde hij met zijn figu­ren de heiligheid en majes­teit van de drie-enige God. De figuren koning (heer) en koningin (vrouw) betekenen satan en Maria als echt­paar; de boer op godslasterlijke wijze Jezus Chris­tus zelf, als zoon van sa­tan en Maria. Ook alle ove­rige symbolen en getallen hebben een bespottende en onterende betekenis en spreken hun duivelse taal. Wie deze ontstellende ach­tergrond der figuren kent, begrijpt ook waarom bij uitstek dit soort kaarten door kaartleggers en waar­zeggers wordt gebruikt.(Uit het boekje “Occultisme” van Ds. W. Glashouwer).

Voorts wil ik u attent ma­ken op het gevaar van het in bezit hebben van afgodsbeeldjes en voorwerpen wel­ke uit het oosten komen, bijvoorbeeld Boeddhabeeldjes, beeldjes die een zit­tende, dikke, lachende chi­nees voorstellen (Tepek Kong), beeldjes van een vrouwenfiguur die de vruchtbaarheid voorstelt (Kwan Djen); ook wel die­renbeeldjes, demonenkoppen, gewijde paaltjes, wajang­poppen, krissen, amuletten, enz. Dikwijls worden over voorwerpen bezweringen uit­gesproken. De demonische geesten gaan met de voor­werpen mee, met alle gevol­gen van dien.

In verband met het boven­staande raad ik u aan te lezen: Leviticus 19 vers 26b; Leviticus 20 vers 6 en 7; Deuteronomium 7 vers 25 en 26; Deuteronomium 18 vers 10 tot en met 15.

(Lev. 19:26b; Lev. 20:06-07; Deut. 07:25-26; Deut. 18:10-15).

Hoe wordt men bevrijd van demonen?

Verder nog het volgende: Wanneer iemand komt voor bediening moet u hem of haar op gemak stellen en een en ander over haar of zijn leven laten vertellen. Hierdoor worden dik­wijls dingen openbaar die van belang zijn en kunt u met het stellen van vragen er dieper op ingaan. Bij de bediening is het belangrijk de demon of demonen te be­velen zijn naam of hun na­men en aantal te noemen.

Over het opleggen van han­den bij het uitwerpen van demonen bestaat verschil van mening. Er zijn bekende figuren op dit gebied die het beslist afraden, anderen daarentegen zien er geen bezwaar in. Ik raad u aan in deze voorzichtig te zijn; onderschat de tegen­stander (s) vooral niet. Ze kunnen ook zeer sluw en slim optreden en zich voordoen als engelen des lichts. Ze zijn goede imi­tators. Ze kunnen bijvoorbeeld tongentaal nabootsen en andere dingen doen of zeggen, waarbij je zou den­ken dat het afkomstig is van de Heilige Geest. In dergelijke omstandigheden is de Heilige Geest onze beste leermeester, die ons bijstaat en oefent in de geestelijke strijd. Ik weet dit uit eigen ervaring.

Zoals reeds gezegd kunnen demonen hardnekkig zijn en felle tegenstand bieden, vooral bij zwaar gebondenen, (gebondenen zijn die­genen die gedeeltelijk door één of meer demonen bezet zijn), en bezetenen (deze zijn volledig bezet), en kan het wel eens een hele tijd duren voor die er al­len uit zijn. Als men het alleen niet af kan, is het beste “teen team te vormen met broeders en zusters die van deze bediening op de hoogte zijn.

Aan te raden is om geduren­de de bediening het volgen­de te doen:

Toepasselijke teksten uit Gods Woord hanteren.

Bidden en zingen (lof­prijzing) .

Bidden en zingen in ton­gen.

De kracht van Jezus’ bloed benadrukken.

De demonen kunnen daar niet tegen, krijgen het benauwd en gaan zich dan openbaren. Tot zover dit artikel, dat ik beknopt heb gehouden, want er is heel wat over te vertellen.

God zegene u!

 

 

Naschrift redactie demonen:

Voor hen die zich verder willen verdiepen in dit onder­werp is er heel wat lectuur verkrijgbaar. Br. Noë zond ons, in aansluiting op zijn artikel, onderstaand (niet volledige) overzicht:

-“Gemeente reveil – occultisme”, door Ds. W. Glas­houwer. Verkrijgbaar bij stichting: “Gemeente Re­veil”, Prinses Margrietlaan 29, Wezep (Gld.).

-“Verslagen vijanden”, door Corrie ten Boom.

-“Demonie en bevrijding”, door Frank en Ida Mac Ham­mond. Uitgave “Moria”, Amsterdam.

-“Demonen – Er uit, in Jezus’ Raam”, door Ds. W. C. van Dam. Uitgave J. H. Kok, Kampen.

-Diverse folders en traktaten op het gebied van oc­cultisme. Uitgave “Moria”, Amsterdam.

 

Het overwinnend geloof in Jezus Christus door H. J. Glasbergen

 

“Onderwerpt u aan God, maar biedt weerstand aan de dui­vel, en hij zal van u vlie­den” Jakobus 4 vers 6 (Jak. 04:06).

De leer van Jezus

Jezus heeft gezegd: “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft; indien iemand diens wil doen wil, zal hij van deze leer weten, of zij uit God komt, dan of Ik uit Mijzelf spreek” Johannes 7 vers 16 en 17 (Joh. 07:16-17). Eenvoudiger kan het niet. Dit is voor iedereen te begrijpen. Als alle, zich noemende en belijden­de, christenen, zich zouden onderwerpen aan de leer van Jezus, zouden alle papieren muren, die scheiding bren­gen, verbrand worden. Dan zou Gods volk een leger van overwinnaars zijn, en de hel zou sidderen, voor men­sen vervuld van Gods Geest. Dan zouden de mensen ook niet meer honend vragen: Waar is die God van jullie? Elke wedergeboren christen zou dan een overwinnaar zijn en het leven van Christus openbaar maken.

De vier boeken van de dis­cipelen van Jezus: Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, zijn geen raadselboe­ken, maar voor ieder te be­grijpen, op Zijn voorwaar­den. Jezus zegt: Voor wij­zen en verstandigen verbor­gen, maar aan kinderen geo­penbaard.

Een christen die zegt een zondaar te blijven tot de dood, zal nooit een overwinnend leven hebben. 1 Johannes 2 vers 8 (1 Joh. 02:08). God kan alleen gemeenschap hebben met Geest vervulde mensen, nieu­we scheppingen, geboren uit water en geest. Dan is de menselijke geest verbonden met Gods Geest. Efeze 2 vers 11 (Ef. 02:11). Een woonstede Gods; geen slaaf meer, maar vrijge­kocht.

Geestelijke vrijheid is een ervaring, wat blijken moet uit woorden en daden. Wij bedoelen geen theologen, uiteraard. Wel lopen mil­joenen mensen achter deze geestelijke leiders aan, volkomen verblind. Zoals ook velen achter politieke leiders, volksmenners. Maar geen van allen weet wie hun meester is. Honderdduizen­den jonge mensen, lopen als slaven achter hun idool aan, ten koste van hun jon­ge levens. Zij worden gema­nipuleerd door sluwe lieden die hun zakken vullen met hun duistere praktijken. Met holle, soms vrome kre­ten, worden zij onwetend verbonden aan de boze gees­ten, in de onzichtbare wereld. Veel jonge mensen ko­men door deze waanzin tot zelfmoord.

Nog steeds gaat de duivel rond als een brullende leeuw, om de weerloze te verslinden. Deze vijand is meedogenloos en zijn doel is te vernietigen en ziek te maken. De mensen worden tegen elkaar opgezet en uitgespeeld, door hebzucht en begeerte, soms door godsdienst, zodat men vol haat en fanatisme elkander vermoordt. Al duizenden ja­ren lang is dit gebeurd, maar ook in deze tijd zien we deze dingen gebeuren. Mensen die elkaar nog nooit gezien hebben, haten en vermoorden elkaar. Zij moe­ten dit doen van hun lei­ders, bevel is bevel.

Geen strijd tegen vlees en bloed

Efeze 6 vers 10 tot en met 20 (Ef. 06:10-20). Paulus spreekt van een geestelijke wapenrusting die wij nodig hebben. De Heilige Geest is ons gegeven om te overwin­nen, ook in deze tijd. Vak­bekwaamheid bestaat niet. Dit is het werk van geroe­penen, voorgangers en oud­sten. Niet door enige for­mules te herhalen, van an­deren gehoord, zoals ook reeds in de tijd van Paulus gebeurde. Handelingen 19 vers 13 tot en met 17 (Hand. 19:13-17).

Wij strijden niet tegen mensen, maar tegen de over­heden, de machten, de wereldbeheersers der duister­nis en de boze geesten in de hemelse gewesten. Daarbij nog de strijd tegen de antichrist. Maar hoe zijn deze wereldheersers te overwinnen? Ook een we­reldraad van kerken, waar­bij kerken met miljoenen volgelingen zijn aangeslo­ten, geleid door knappe koppen, weet geen antwoord te geven. Overwinning is alleen mogelijk door mensen vol van de Heilige Geest en niet met kracht of geweld.

In de laatste wereldoorlog zijn 53 miljoen mensen ver­moord. Een plan uitgedacht door de hel. En nu in deze tijd heeft de duivel weer een leger van deskundigen klaar staan om zijn wil te doen. Leiders, die eens lieve kinderen waren voor hun ouders,. broertjes en zusjes, worden later de meest meedogenloze moorde­naars. In ieder mens, die niet bevrijd is door Jezus Christus, leeft de leugen en de moordenaar. Mensen die zich met atoombommen wapenen, weten niets van de wapens der gerechtigheid. De blindheid van de wereld­leiders is bedroevend, maar ook gevaarlijk. Maar nog meer, de kerkelijke lei­ders, die ziende moesten zijn, maar volkomen blind zijn. Het geheim van het Koninkrijk Gods, wat Jezus leerde, is voor hun verbor­gen. Als de mens niet ver­vuld is met de Heilige Geest, heeft deze geen in­zicht in de strijd tegen de demonenlegers. En toch – zegt Paulus – wordt Gods eeuwige scheppingskracht met het verstand doorzien, zodat zij geen verontschul­diging hebben. Romeinen 1 vers 18 (Rom. 01:18). Daarom zijn ook de mensen, die zich christelijk noe­men, niet te verontschul­digen. Hoewel zij God ken­nen, hebben zij Hem niet als God verheerlijkt of ge­dankt. Zoals het toen was, is het ook nu. De onreine geesten hebben Nederland overweldigd, met de leugen dat dit de vrijheid zou zijn.

De totale afgang

Het dagblad “De Stem” schreef onder de kop: “Ho­mofiel, volwaardig gemeentelid”, over de oproep van de synode der Gereformeerde kerken, om de homofiele mannen en vrouwen volledig te aanvaarden als gemeente­leden. Ook in de bediening van eredienst, doop en avondmaal. Het argument is dat het de mens niet toe­komt, de homofiele medemens in hun homofiele geaardheid te veroordelen. Alleen het laatste heeft waarde.

Een totaal onkundige en machteloze synode, met geen enkel inzicht in de geeste­lijke dingen, benoemt een commissie, onder leiding van ds. Schoep, die deze synode kan overtuigen, dat wij onder Gods genade, allen gelijkwaardig zijn. De­ze opstelling is echter niet op de Heilige Schrift gefundeerd. Wat God hier van zal denken, kwam niet ter sprake. Ook in de be­diening wordt de homofiele dominee als ambtsdrager ge­machtigd om te prediken en doop en avondmaal te bedie­nen. Zelfs is het mogelijk dat de homofiele dominee met zijn homofiele vriend, de ouderling, op huisbezoek komt.

Er is een werkgroep bijeen geweest, om de belangen te behartigen, van de homo­fiele, theologische studen­ten, predikanten en ambts­dragers, van de hervormden, gereformeerden, luthersen, vrijgemaakten, doopsgezin­den en remonstranten. Hier waren mannen en vrouwen bijeen, die in dezelfde zonde leven, en deze bru­taal belijden. En dit zou­den dan door God geroepen dienstknechten zijn? Beho­rende tot het Lichaam van Christus, wat Hij kocht met Zijn bloed? Nog even en de pedofilie wordt ook vrijgegeven.

De kerk van de eindtijd wordt zichtbaar. Openbaring 18 vers 4 (Openb. 18:04). Onze samenleving is ziek, immoreel, onrein en onzindelijk. Arme kerken, die zich zo graag op de heilig schriften beroepen, en nu het Woord van God verwerpen in deze zaak.

Wee hen, die het geweten hebben

Arme schapen met hun gees­telijke herders; vakbe­kwaam, maar arm en naakt in hun zondeleven. Duizenden oprechte christenen in deze kerken, worden medeplichtig door hun lid zijn en gelde­lijke steun.

De rooms katholieke kerk werpt de homofiel buiten de deur, bij monde van de paus. Deze heeft zich op de stoel van de rechter gezet, volkomen blind en machte­loos. Een paus die in zijn kerkelijke uitspraken on­feilbaar moet zijn. Maar ook hier wordt elk geeste­lijk inzicht gemist in deze verwording, die zo oud is als de mensheid. De homo­fiele predikant aan de avondmaalstafel, die het brood en de wijn zegent en het uitreikt aan de dierba­re gelovigen. De rooms ka­tholieke kerk, die de homo­fiel in de ban doet. Het enige wat zij gemeen hebben, is hun machteloosheid in deze zaken. Kerkelijke lei­ders, die vervuld moesten zijn met de Heilige Geest, zijn vervuld met onreine geesten.

Tweeduizend jaar geleden heeft Jezus Christus zich laten kruisigen op Golgotha. Hij betaalde voor ons. Hij ging voor ons de lij­densweg. Hij kocht ons met Zijn bloed. Daarom is er ook voor de homofiel bevrijding. Ook nu zegt Hij: “Indien gij u niet bekeert, zult gij in uw zonde ster­ven” Lucas 13 vers 3 tot en met 5 (Luc. 13:03-05). Dit geldt voor elke zondaar, ook voor theologen. Ook tegen de ho­mofiele man en de lesbische vrouw zegt Jezus: Geef Mij uw leven en Ik zal er een nieuwe schepping van maken, naar geest, ziel en lichaam. Dit is Mijn wil: Laat u be­vrijden van de onreine machten en breek met de zonden, die Mij een gruwel zijn. Mijn toorn zal komen over deze goddeloosheid en ongerechtigheid. Vreselijk is het te vallen in de han­den van de levende God.

Voor hen die het bloed on­rein geacht en de Geest der genade gesmaad hebben. Hebreeën 10 vers 26 tot en met 31 (Heb. 10:26-31) .

God heeft een de wereld ge­reinigd met water in Noachs tijd. Ook toen was het ge­slacht boos en slecht en vol onreinheid. Het berouw­de God dat Hij de mens had gemaakt. Wat gebeurde in Babel, de stad vol afgoden en occultisme. En tempels waar de priesters ontucht pleegden, met jongens en meisjes, die aan de afgoden waren gewijd. Wat zich ook voortzette onder de koningen. Sodom en Gomorra wer­den verwoest om deze zon­den. God zei tegen Mozes: Deze zonden zijn Mij een gruwel. Leviticus 20 vers 12 tot en met 21 (Lev. 20:12-21). Welke theoloog durft te zeggen dat God veranderd is? Wie maakt eigenlijk de dienst uit? Zijn Mijn we­gen niet recht? Ezechiël 18 vers 29 (Ezech.18: 29). Integendeel, ieder gaat zijn eigen weg. Maar er is bevrijding en  verlossing voor allen! De voor­waarden van God zijn onver­anderd: Bekeert u en onder­werpt u aan God.

Laat u bevrijden van onreine machten

Laat u bevrijden, door de kracht van de Heilige Geest van alle onreine machten. Jezus Christus is ook nu bij machte, de homofiele man en de lesbische vrouw te bevrijden en te verlos­sen. De machteloze God die de kerk leert, is niet de God van de Bijbel, dit be­grijpt u zelf wel. Gods wil geschiede, nu, in deze tijd in de hemel, maar ook op aarde. Hij verlost allen die tot Hem komen van on­reine machten. Lucas 4 vers 31 (Luc. 04:31). Jezus had elke dag met de boze en onreine machten te maken. In Zijn tijd werd deze zonde der homofilie evenveel bedreven. Hij zegt: Ik drijf boze geesten uit en volbreng genezingen. Lucas 13 vers 32 (Luc.13:32). De farizeeën en Schriftgeleerden be­schuldigden Hem dat Hij de boze geesten uitdreef door Beëlzebul, de overste der boze geesten.

Homofilie is een overweldi­ging van de onreine gees­ten: eerst de geest, dan de ziel, dan het lichaam. De psychologen zeggen dat de oorzaak in de menselijke geest ligt, maar weten geen oplossing. De kerk is vol­komen machteloos, en de zonde woekert voort als een besmettelijke ziekte. De geesten, die deze zonde hebben uitgedacht, en de mensen gedegradeerd hebben als slaven van hun gevoe­lens, staan ver boven het menselijk verstand. Zij vernederen Gods volmaakte schepping en maken de mens tot een grauwe, kleurloze, onreine massa. Om hem zo voor eeuwig van God te scheiden, is de opdracht van de legers van de duivel.

God wil van ieder mens een persoonlijkheid maken, uniek in Zijn schepping. Heersers vanuit het Konink­rijk Gods, om Zijn leven in de mens te openbaren. Jezus is ons grote Voorbeeld. Hij kwam om de werken van satan te verbreken en openlijk ten toon te stellen. Hij leerde Zijn discipelen dat zij boze geesten moesten uitdrijven, door de kracht van de Heilige Geest. Dat geldt ook voor nu en ook de voorwaarden zijn dezelfde. .

Alleen zij die geroepen zijn en vervuld met de Heilige Geest, hebben deze volmacht. Dit is geen vak wat men kan leren. De Geest van Jezus Christus werkt alleen in Zijn Gemeente. Dit is de belofte van Jezus en Zijn opdracht. Vanaf de Pinkster­dag heeft deze kracht ge­functioneerd en zal blijven tot het einde. Dit is het Discipelschap wat Jezus leerde: Maakt al de volken tot Mijn discipelen en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb.

Nieuw leven voor ieder die wil

Jezus Christus vernieuwt ons totaal. Hij maakt van de mens een werktuig in Zijn hand. Maar dan moeten we zelf willen. Iemand die als homofiel wil blijven leven, zal nooit tot bevrijding komen. Het nieuwe leven van Jezus ontvangen is alleen mogelijk als wij ons leven aan Hem geven. Hij wil ons maken tot niet meer falende discipelen omdat Hij ons bekleden wil met Zijn volmacht. Zoals Petrus sprak: Theologie heb ik niet gestudeerd, dokter ben ik niet, goud en zilver heb ik niet, maar wat ik heb, geef ik u: sta op in de naam van Jezus! Zo werkt het nu nog.

De homofiel in zijn zonde laten leven is liefdeloos en genadeloos. Want eenmaal komt hij, zoals allen, voor de Rechter te staan. Dan kan men zich niet meer beroepen op menselijke uitspraken. Dan zullen de heilige schriften (het Woord van God) ons oordelen. De homo­seksualiteit accepteren is de meest liefdeloze opstel­ling die denkbaar is. Daar de liefde van Jezus Chris­tus aan te koppelen, is een bewijs van geestelijke blindheid en onkunde.

De Gemeente van Jezus Christus, de Kerk, (het Li­chaam van Christus) bestaat uit gereinigde en geheilig­de, met bloed gekochte kin­deren Gods, met deze in­stelling: Hier zijn wij Here, om Uw wil te doen. Deze gemeente is vol van de Hei­lige Geest. Zij leven al­leen vanuit het Woord van God en weten dat Jezus al­leen de Weg, de Waarheid en het Leven is.

De volmacht, die Jezus eens gaf aan Zijn discipelen, is nu nog precies zo geldig en vol kracht: In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven en op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen wor­den. Markus 16 vers 16 (Mark. 16:16). De Schriftgeleerden en de farizeeën waren boos en woe­dend, toen zij zagen dat Jezus een leer had met ge­zag over de boze geesten. De Schriftgeleerden en farizeeën van vandaag zijn ook boos als zij de volle evangelie bladen lezen. Er is niets nieuws onder de kerkelijke zon.

Het volle evangelie is het antwoord

In de kerken zijn veel men­sen in geestelijke nood.

Zij weten dat zij niet meer in kerken kunnen blijven, waarvan de leiding de homo­filie goedkeurt. Terwijl Paulus zegt dat wij ons waardig moeten gedragen aan het evangelie van Jezus Christus, wordt de naam van Christus onwaardig gemaakt. Voor God is immers een zon­daar een mens die overwel­digd is door de duivel. De hoereerders, de moordenaars de homofielen, de afgoden­dienaars en allen die de leugen liefhebben en doen, zullen verworpen worden.  (Openbaring 22). Ieder die de Naam des Heren aanroept, breke met de ongerechtigheid.

Openbaring 18 vers 4 en 5 (Openb. 18:04-05) zegt: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar pla­gen. Want haar zonden heb­ben zich opgehoopt tot aan de hemel….” Maar God spreekt ook vandaag nog tot ieder die horen wil, en die gehoorzaam wil worden: Heiligt u en weest heilig, want Ik ben de Here uw God!

 

Van maand tot maand  door Gert Jan Doornink

Nieuwe impulsen door het Zenboeddhisme. Herhaalde malen hebben wij reeds in ons blad geschre­ven over de gevaren van yo­ga, transcendente meditatie en andere vormen van oosterse “meditatie techniek”. We hebben aangetoond hoe geraffineerd de duivel er in slaagt, in deze ruste­loze en rumoerige tijd, ve­len op deze wijze aan zich te binden. En hoe ook velen in de kerken op deze wijze gebonden raken.

Hoe deze lichamelijke- en geestelijke beïnvloeding uit het rijk van satan ook in de kerken verder om zich heen grijpt, blijkt uit een programma dat de KRO enkele weken geleden voor de tv uitzond, in sa­menwerking met de R.K.kerk. Het was een programma over een zekere Karlfried Dürckheim, die in het zuiden van Duitsland een retraite-centrum heeft. Deze Dürckheim gelooft in de heilzame in­vloed van het Zenboeddhisme op de moderne mens en verkondigt dan ook leringen hierover en geeft lessen over allerlei meditatie­technieken. Terecht noemde hij yoga geen onschuldige gymnastiek, zoals sommigen het nog wel eens voor wil­len stellen. Hij vertelde dat het Zenboeddhisme heel goed kon samenwerken met het Christendom en een nieuwe impuls voor het christelijke geloof zou kunnen betekenen. Hoe blind vele theologen zijn voor deze occulte leringen moge blijken uit het feit dat reeds enkele honderden katholieke priesters in opleiding bij hem in re­traite zijn geweest.

Haar om nog dichter bij huis te blijven. Een broe­der uit Ommen maakte ons attent op een speciale uitgave van het oecumenisch maandblad “Open Deur”-”Goede Tijding”. (De Open Deur” en “Goede Tij­ding” waren vroeger de bekendste evangelisatiebladen van de Hervormde respectie­velijk Gereformeerde ker­ken). Het speciale nummer van dit blad heeft als ti­tel: “Stilte” en is vrijwel geheel gevuld met artikelen over mediteren, yoga, transcendente meditatie, etc., niet om het af te wijzen… maar om het te propageren;

We vragen ons af waar de protesten blijven van hen die in de kerken nog wel zien hoe verkeerden ge­vaarlijk dit is. Of zijn velen reeds geestelijk zo verblind, dat men rustig dit kwaad verder om zich heen laat grijpen? In ieder geval zullen de waarachtige gelovigen zich met deze praktijken niet inlaten. Zij hebben namelijk geen impulsen nodig uit leringen van satan afkomstig. De werkelijke impulsen ontvan­gen zij van de Heilige Geest, die hen Gods Woord doet verstaan en leidt in alle waarheid!

1969.03 nr. 109?

Levend Geloof 1969.03 nr. 109

Bij de voorplaat door H.M.H.

Een tijd geleden legde in een samenkomst een evange­list mij de handen op en sprak; Zo spreekt de Heer: Heel het verbrokene!

“Wij allen, die met een gezicht, waarop geen bedekking meer is, de Heerlijkheid des Horen weerspiegelen, worden veranderd naar hetzelfde beeld van Heerlijkheid tot Heer Heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is”(2 Kor. 05:18).

Toen ik dit na deze profetie las, ging mij een licht op. Omdat de Heer zo tegen mij sprak, moest ik deze gave al van Hem ontvangen hebben en weerspiegelen, reflecteren.

Maar waarom eerst nu en vroeger niet? Toen viel mijn aandacht op het werkwoord “worden”. Deze gave was “ge­worden”, van vroeger tot nu heeft Hij de verandering la­ten worden = geleid, zonder iets van eigen kunnen of willen. Ik zag het geleidelijk aan gevulde vat niet, maar plotseling zei Hij: Nu is het vol. Er was een volheid van tijd aangebroken, die specifiek voor mij gold, een leven van zo’n dikke 50 jaar.

Vrieskou registreert zich van buiten af in de thermo­meter door het kwik onder 0 graden te laten dalen, of bij warmte door deze tot 30 graden en hoger aan te geven. Zo werkt Gods Heerlijkheid buiten aan ons binnenste.

Mijn oordeel is ondergeschikt aan de Kenner der har­ten. Ik beweeg mij veel onder sportmensen, dat is nog niet zo lang. Ik keur spelers af, die de trainer (ken­ner) uitstekend vindt.

God gaat meer met mij om, dan ik met Hem. Maar Zijn na­bijheid spiegelt zich in mij, dat merk ik aan de mensen om mij heen. Niemand kan door bezorgd te zijn…… ‘U goed Christen worden. Jezus’ omgang met ons doet ons worden, doet ons groeien naar Zijn beeld. Laten we ons geen zorgen maken of Hij in ons woont, dat staat als een paal boven water. Wij worden tot Zijn beeld ongevormd, want Hij heeft het beloofd! Halleluja.’

 

Het lege graf

Pasen is het feest van het lege graf; het feest van de opstanding van Jezus, Gods Zoon.’

Pasen is het bewijs dat het Christendom de enige we­reldgodsdienst is met een Levende God. Immers alle grote wereldgodsdiensten hebben leiders, profeten, etc. gehad, die dood zijn, maar God heeft Zich in Jezus Christus geo­penbaard als de Levende en de Almachtige.

Pasen is Gods antwoord op zonde, ziekte, angst, zorg en de dood Jezus overwon satans macht. Jezus overwon ie­dere vorm waarin de duivel zich in deze wereld openbaarde. (1 Joh. 05:08) zegt; “Hiertoe is de Zoon van God geopen­baard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”.

Door geloof in Hem als de levende Heer, als de Over­winnaar van Golgotha, kan iedereen eeuwig leven ontvan­gen. Bent u reeds op dit geweldige genade aanbod van God ingegaan?

Pasen wordt echter voorafgegaan door Goede Vrijdag en dit is ook van fundamentele betekenis voor het leven van de gelovige. De gelovige die de opstandingskracht van Jezus wil beleven zal ook bereid moeten zijn te delen in Zijn lijden. Maar Pinksteren, de vervulling met de Heili­ge Geest, stelt hem daartoe in staat. Daarom is Pasen niet compleet als Pinksteren er niet op volgt.

Pinksteren stelt iedere Christen in staat om te leven zoals Jezus leefde en Zijn opstandingskracht effectief te ervaren in het dagelijks leven, zodat ook anderen er door gezegend worden.

Het graf is leeg – Jezus is opgestaan. Hij leeft, ook in u en mij.’

Zien en bemerken de mensen waarmee wij dagelijks, in contact komen dat de levende Jezus in ons woont?

 

Wie wij zijn in Jezus door Gert Jan Doornink

De wereldklok staat op vijf voor twaalf.

Vrijwel iedereen is het er wel over eens dat de “wereldklok” op vijf voor twaalf staat. De spanning en de chaos in deze wereld nemen hand over hand toe en het is alleen aan de genade van God te danken dat wij nog gespaard zijn gebleven voor grote rampen en oorlo­gen. De geestelijke en more­le achteruitgang is schrik­barend. Wij zouden bladzijden vol recente voorbeelden er­van kunnen aanhalen.

Temidden van deze onder­gaande wereld, die hoe lan­ger hoe verder wegzinkt in het moeras der zonde, bevindt zich de Gemeente van Chris­tus, maar de grote vraag is:

Hoe beleven wij ons Christen zijn?

Bemerken de mensen aan onze handel en wandel dat Jezus in ons woont? Ik geloof dat wij in een tijd leven dat wij terug moeten keren naar het zuivere, echte geloof in Jezus. (Heb. 12:02) zegt dat ons oog alleen gericht moet zijn op Jezus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof.

Er is maar één Naam die werkelijk waarde behoudt als het crisis uur in de wereldhistorie aanbreekt: Het is de naam van Jezus.

“En de behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden”(Hand. 04:12).

Er is maar één naam en er is maar één gemeente, dat is de Gemeente van Jezus, waartoe allen behoren die door een persoonlijk geloof in Hem weten een kind van God te zijn.

Jezus – Jezus – Jezus

Het gaat om Jezus en Jezus alleen. Aan die Naam willen wij denken, over die Naam willen wij spreken, en die Naam willen wij beleven in het leven van alle dag.

Hoe openbaren wij Jezus in ons leven?

De allereerste vereiste is de bereidheid om de Heer werkelijk te dienen. Wij zullen gehoorzaam moeten zijn en bereid moeten zijn de gevolgen, die het werkelijk vol­gen van Jezus met zich meebrengt, te aanvaarden. Deze ge­volgen zijn bespotting en verachting bij de wereld en bij hen die Jezus niet volkomen willen dienen.

Wij hebben een vrije wil en kunnen Jezus belijden of Hem verloochenen. Naar welke kant slaat bij u de balans door?

Als de bereidheid er is om Hem werkelijk te volgen, komen wij aan het tweede niet minder belangrijke punt:

Wij moeten weten wie wij zijn in Jezus

Dit getuigt niet van hoogmoed, maar is veeleer een bewijs dat we in afhankelijkheid van de Heer willen le­ven. Van ons zelf uit kunnen wij niets, of we doen het verkeerd, maar in Hem zijn wij alles.

Het is een truc van de vijand die probeert dat wij ons naar niet bewust worden wie wij zijn in Jezus.

Wij willen nu aan de hand van Gods Woord onder ogen zien, hoe belangrijk het is dat wij weten wie wij zijn in Jezus.

1 – Wij zijn een nieuwe schepping

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 05:17)- Zoals God eens hemel en aarde op vol­maakte wijze schiep, met als “kroon der schepping” de mens, zo is de wedergeboren mens een “nieuwe schepping”. Onbegrijpelijk voor het verstand, maar een volkomen re­aliteit. Christus woont in ons. Hoe wonderbaar!

Deze nieuwe mens in Christus is totaal anders. Wij zijn niet zo maar een beetje gerestaureerd, maar totaal nieuw. Het oude is voorbij…… “Zover het Oosten is van het Westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons”(Ps. 103:012). Jezus droeg onze zonde en heeft ze ge­stort in de zee van eeuwige vergetelheid.

2 – In Hem kunnen wij niet zondigen

Wat zegt u? Wees voorzichtig broeder…… zal deze of gene opmerken, maar wij willen slechts Gods Woord laten spreken.

(1 Joh. 03:9-10) zegt: “Een ieder, die uit God geboren is doet geen zonde; want het zaad Gods blijft in hem “en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaars een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft”.

Dit is duidelijke taal, maar helaas hebben sommigen dit Bijbelgedeelte aangegrepen om een zogenaamde leer van “zon­deloosheid” te verkondigen.

Als wij dit gedeelte in zijn verband lezen, wordt ons duidelijk waarom het hier gaat; De nieuwe natuur in ons kan niet zondigen. Immers deze “nieuwe natuur” is Jezus, en hebt u wel eens gehoord dat Jezus zondigde? Integen­deel, Hij kwam juist om de zonde weg te nemen: “Wie de zon­de doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van de beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”(1 Joh. 03:08).

Nu gaat het er om of Jezus in ons de volle heerschappij heeft of dat wij gehoor geven aan de stem van satan. Open­baren wij de werken van het vlees of worden wij geleid door de Geest?

“Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet”, zegt (1 Joh. 03:06). Dit is de grote voorwaarde om niet te zondigen: In Hem, in Jezus te blijven. Dit maakt ons niet tot zonde­loze, maar geeft overwinning over de zonde. En dit is de wil van God, want: “Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet.’”(Rom. 06:02).

3 – In Hem zijn wij overwinnaars

Paulus noemt in (Rom. 08:35-35) een aantal dingen op, die hij echter door Christus kan overwinnen. “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of be­nauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid of ge­vaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: ‘Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen’. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kun­nen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Je­zus, onze Here” (Rom. 08:37-39).

Een waarachtig volgeling van Jezus ervaart steeds weer opnieuw dat hij in iedere situatie waarin het leven hem plaatst, overwinnaar is, niet in eigen kracht, maar in Jezus. die alle macht heeft in hemel en op aarde.

Moeilijkheden? Problemen? In Jezus zijn wij meer dan overwinnaars. Halleluja’

4 – In Hem is onze plaats in de hemelse gewesten

Een wedergeboren Christen is een geestelijk mens, geroepen tot de geestelijke strijd, waarbij hij gebruik dient te maken van geestelijke wapens. Helaas willen velen dit niet aanvaarden, met het gevolg: geen werkelijke openba­ring van Jezus in hun leven.

Paulus zegt het zo duidelijk in (Gal. 02:20): Met Chris­tus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven”.

Laten wij daarom “bedenken de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn”(Kol. 03:02), want onze plaats is met Christus in de hemelse gewesten (Ef. 01:03; Ef. 01:20; Ef. 02:06).

Wij zijn geroepen op aarde een getuige van Jezus te zijn (Hand. 01:08), maar dit is alleen mogelijk vanuit onze plaats in de hemelse gewesten, “want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duis­ternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12).

5 – In Hem kan de Heer ons volledig gebruiken in Zijn dienst en zijn wij klaar om Hem te ontmoeten op die grote dag.

Paulus was zich volledig bewust wie hij was in Jezus, Daarom kon hij aan de Romeinen schrijven: “Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoor­zaamheid te brengen door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes”(Rom. 15:18). Dit was zijn geheim: Hij was zich bewust dat hij een nieuwe schepping was en dat hij in Jezus overwinnaar was over de zonde en de gevolgen van de zonde. Zijn plaats was met Christus in de hemelse gewesten en daardoor kon de Heer hem volledig gebruiken in Zijn dienst. En Hij kon getuigen: “Het leven is mij Christus en het sterven gewin” (Filip. 01:21). In onze dagen zullen vele Christenen moeten

getuigen dat hun leven voor de wereld was en hun sterven voor Christus……

Alleen door ons volledig bewust te zijn wie wij zijn in Jezus, zullen wij Hem openbaren en voor anderen ten zegen zijn. Paulus was het zich bewust, Petrus ook, ja alle apostelen en Christenen van de eerste tijd en die Christenen van alle eeuwen die zich niet hebben laten meesleuren door oppervlakkigheid en wereldgelijkvormigheid.

De eind tijd christen is nu op een punt genaderd dat hij zal moeten beslissen of hij volledig in dienst van de Meester wil staan. Hij zal alle consequenties die dit meebrengt aanvaarden: bespotting, verstoting, vervolging, enz.

Sommigen hebben reeds een beslissing genomen, zij het een negatieve. Zij zijn niet bereid de volle prijs te be­talen, met het gevolg dat zij een speelbal zijn in handen van de vijand, ondanks “geestelijke camouflage”, zoals het meemaken van samenkomsten, enz.

Maar God kijkt door alle maskers heen. Hij weet welke gelovigen steeds paraat zijn, doordat hun lampen branden­de zijn en doordat zij actief en overwinnend deelnemen aan de geestelijke strijd.

Zij krijgen zware aanvallen te verduren, hun geloof wordt dikwijls op de proef gesteld, maar door volkomen te blijven vertrouwen op Jezus leren zij te volharden.

Zij worden zich meer en meer en bewust wat het is: Christus te kennen en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden (Filip. 03:10).

Zij zijn de echte Christenen die de levende God in deze eindtijd nodig heeft om zijn plan te volvoeren. Wij hopen dat u er één van bent. Is dit niet het geval, neem dan nu een nieuwe beslissing voor Jezus. Aanvaardt Hem met geheel uw hart, ga alle schepen achter u verbranden en volg Hem volkomen.

Zo zult u staan in de wil van God en anderen kunnen bevrijden uit satans macht. Dit is de weg die als uit­komst : “eeuwige heerlijkheid” geeft. Iedere andere weg is een doodlopende weg.

Belijdt en beleef daarom met geheel uw wezen wie u bent in Jezus.’

 

Mededelingen

Broeder Schenk naar Deventer – Onze medewerker broeder A. Schenk uit ’t Harde is enkele weken geleden verhuisd naar Deventer. Zijn nieuwe adres is; A. Schenk, Zaagmolen­straat 17, Deventer. Broeder Schenk is in Deventer benoemd tot parttime medewerker van de Volle Evangelie Ge­meente. Onder grote belangstelling werden in ’t Harde zo­wel als in Deventer afscheids- resp. welkomstsamenkomsten gehouden. Broeder Schenk, die zijn “vooropleiding” kreeg bij het Leger des Heils, is een actief en vurig werker voor de Heer en o.a. op de Noord-Veluwe geestelijk werk­zaam geweest in het kinderevangelisatie, jeugd- en open- luchtwerk. De laatste jaren spreekt hij ook in verschil­lende volle evangelie samenkomsten. Alleen of met anderen gaat hij de café’ s en dancings binnen om daar te vertellen dat alleen Jezus werkelijk vreugde geeft. Wij wensen broe­der Schenk, zijn vrouw en zoon veel zegen toe in Deventer en zijn blij dat br. Schenk heeft toegezegd ook in de toe­komst regelmatig artikelen te blijven schrijven voor “Le­vend Geloof”.

Pinsterconferentie ’t Harde – Op 2e Pinksterdag, 26 mei, wordt er in het Dorpshuis, Munnikenweg te ’t Harde, (Gld.) een Pinksterconferentie gehouden, met o.a. als sprekers; Broeder, H. Bosch, Meppel; Broeder S. Sagström, Deventer; Broeder A. Schenk, Deventer; Broeder E. Schuur­man, Amstelveen.

De eerste dienst is om 10.10, de middagdienst om 2.10 uur. Tussen de diensten is zo mogelijk een openluchtsa­menkomst. Koffie en frisdranken zijn verkrijgbaar.

Bij goed weer gaat de jeugd onder deskundige leiding de prachtige bossen verkennen. Zodat zij daar hun eigen jeugdtreffen kunnen hebben. De omgeving is prachtig. Men wordt verzocht zoveel mogelijk muziekinstrumenten mee te nemen.

Geef het door in uw gemeente, en aan vrienden en ken­nissen. U kunt opgeven met hoevelen u komt aan: Br. A. Schenk, Zaagmolenstraat 17, Deventer.

 

Werkzaam geloof door Anne van der Bijl

We lezen in (Heb. 11:01): “Het geloof nu is de zekerheid van de dingen die men hoopt en een bewijs van de dingen die men niet ziet. Want door dit geloof versta ik dat de wereld door het Woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare”. Dit hoofdstuk gaat over geloof. Een heel ander soort geloof, dan het geloof dat zich bezig houdt met zichzelf. Natuur­lijk zoekt elk mens, vooral een mens in nood, een mens die op zoek is naar een antwoord op zijn vele problemen, de mens die hunkert naar het rechttrekken van dat vraagteken, dat aangeboren vraagteken in zijn hart, zo recht dat het een uitroepteken wordt, elk mens zoekt naar een oplossing van zijn privéproblemen. En de allerbeste oplossing is als wij bij Jezus terecht komen en Hij ons redden kan door­dat wij geloven dat waarvoor Jezus gekomen is op de aarde. Om te sterven voor de zondaren, voor de zonde van de hele wereld.

Maar om in Hebreeën 11 een plaats te krijgen moeten we mensen hebben die een werkzaam geloof hebben, waardoor ze uitrijzen boven het gros van de mensen, daarom moeten we mensen hebben die een persoonlijk geloof in God hebben, dat God nog wonderen doet. En dat God hun geloof hono­reert. Het is een wonderbaar hoofdstuk, Hebreeën 11. Dit is een hoofdstuk met mensen die het met (Ps. 018:30) kunnen zeggen: “Met mijn God spring ik over een muur”. Ik heb op een samenkomst wel eens gevraagd: “Wat is er nodig om met God over een muur te kunnen springen?”. Dan vroeg ik ant­woorden van mensen uit de samenkomst. Je kreeg de gekste antwoorden, ook wel hele goede natuurlijk, soms heel leuke. De een zei: “Geloof moet je hebben, liefde, kracht, God”. Een heleboel verschillende antwoorden. Ik heb ech­ter nog nooit iemand ontmoet, die met “het ene goede ant­woord kwam, n.l. “om met God over een muur te kunnen springen heb je een muur nodig”. De meeste mensen gaan moeilijkheden uit de weg. Maar God wil juist een geloof geven aan ons om de moeilijkheden te overwinnen. God nam die muur niet weg, maar Hij gaf kracht om erover heen te springen. En dat geloof uit Hebreeën 11 is het geloof dat wij in deze tijd nodig hebben. We leven in een tijd waarin al­les zich toespitst, gewelddaden, oorlog, moord, pestilen­tie, dreiging, crisis, werkeloosheid, en dan de aller­grootste dreiging is misschien wel de bevolkingsexplosie, die als een golf omhoog rijst en straks zal uitbreken in wereldwijde hongersnood, revolutie en oorlog. Jezus heeft het zelf gezegd, in (Matt. 24:07),dat we zullen horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, pestilentie, van gro­te noden, grote rampen, natuurrampen, enz. Er staat iets verschrikkelijks te gebeuren en God zoekt nu naar mensen, die, temidden van die stormen, een rust en een kalmte heb­ben omdat zij in contact staan met die onzichtbare wereld. Dat zij weten, dat hetgeen wij met onze natuurlijke ogen zien niet de werkelijkheid is, maar dat wij dit allemaal kunnen beheersen hier op aarde als wij in contact staan met de werkelijkheid, de realiteit van het onzichtbare, zoals (Heb. 11:01) dat zegt.

Als ik in een bootje op de rivier vaar en daar is in het midden een groot rotsblok, dan kan ik twee dingen doen, ik kan bidden: “Heer, neemt U dat rotsblok weg, zo­dat ik geen ongeluk krijg”, maar het merkwaardige is, dat God over middelen beschikt om moeilijkheden te overwinnen zonder dat Hij ze uit de weg ruimt. Als God ons meer ge­loof geeft, dan kunnen we in plaats van te bidden: “Heer, neem dat rotsblok weg, neem die barrière weg, dat probleem dat mij daar aan staat te grijzen en dat mij angstig maakt”. In plaats van dat te bidden, kunnen we zeggen: “Heer, wilt U het peil van het water anderhalve meter doen stijgen, zodat ik er overheen kan roeien”. En dat is nu geloof’ Dat we de moeilijkheden overwinnen omdat God ons iets ex­tra’s geeft, dan kan Hij ons ook beter gebruiken in die verschrikkelijke tijd die vóór ons ligt. Maar ik ben bang dat er maar weinig mensen zijn die bezig zijn actief geloof te ontwikkelen, ten behoeve van het Koninkrijk Gods. We zijn hier als Gemeente van Jezus Christus in de wereld gesteld om het zout der aarde te zijn, het licht der wereld. En om wanhopige mensen de hand toe te steken en te zeggen: “Kom over, wij hebben het antwoord, wij hebben de oplossing”. Maar helaas is het eigenlijk vaak niet zo.

Eigenlijk zou je de Gemeente kunnen vergelijken met een trein, waarbij de Heilige Geest de functie heeft van de lo­comotief, wij zijn allemaal slaapwagens. Maar zo wil God het niet. God wil ‘dat hoofdstuk Hebreeën 11 nog verder schrijven, maar zonder geloof als een werkend actief principe in ons leven, zullen er geen verdere kandidaten komen voor Hebreeën 11. Deze mensen waren geen partijleiders, maar het waren mensen die door God gekozen waren, voor een bepaald doel. Het waren niet altijd regeringsleiders, het waren soms ver­lossers, richters of …. vaders. Of leiders of koningen, die een familie of een stam of één of twee miljoen mensen leidde uit slavernij en zonde en ongeloof. Maar niet het aantal mensen dat zij hielpen heeft hen een plaatsje gege­ven in Hebreeën 11, hun eigen trouw en het geloof in God en in de hulp die van boven, vanuit de onzichtbare wereld, vanuit de hemel zelf kwam om hun bediening een werkelijkheid te maken voor de lijdende mensheid. Daardoor kregen zij een plaatsje in Hebreeën 11. Ze hadden hun ogen daar waar Jezus ze had, de akker is de wereld, alle mensen moeten bereid wor­den, de hele wereld moet weten wie Jezus is en daarom heb­ben deze mensen, omdat ze zo in één lijn waren met Jezus zelf, in Oud- en Nieuw Testament, een plaats gekregen in Hebreeën 11. En ik bid God, dat u en ik, en velen met ons in de ogen van God ook een plaats zullen krijgen in Hebreeën 11.

Toen de beroemde Cromwell in zijn machtig rijk zo weinig zilver had dat ze geen munten meer konden maken, toen stuurde hij mensen om zilver te zoeken. Hij stuurde ze door heel zijn rijk en overal heen en zij keerden terug met de boodschap, dat de heiligen beelden in de grote kathedralen van zilver waren. Toen gaf Cromwell zijn beroemd geworden bevel: “Smelt de heiligen en breng ze in omloop”. Dit is een les die ook wij moeten leren. Laten we ons aan Jezus Christus overgeven, dat Hij ons mag smelten, ons harde hart mag smelten, zodat wij de wereld gaan zien zoals Hij die ziet, dat Hij ons “in omloop” kan brengen, zodat we ook in­derdaad alle naties, alle volken, alle stammen, alle talen bereiken, met de boodschap dat Jezus leeft.’

 

Eerste liefde, eerste werken door David du Plessis (2)

Herinnert u zich de tijd, dat u tot bekering kwam? O, je was zo blij, je hield van iedereen, je vergaf iedereen, iedereen was opeens goed geworden.’

Maar Jezus zegt: “Je hebt je eerste, liefde verzaakt, je hebt je eerste werken nagelaten”. En zodra je ermee op­houdt met vergeven, houd je pok op met liefhebben. En zo­dra je ophoudt met liefhebben, is er geen vrucht van de Geest meer. Voor zover ik het kan beoordelen, is er niets in.de wereld, dat zo dodelijk is voor het christendom als een geest, die niet wil vergeven. Als christenen allemaal iedereen zouden vergeven, als de christenen alleen maar elkaar zouden vergeven, dan zou er een machtige Gemeente in de wereld van vandaag zijn. Maar de verdeeldheid en de bitterheid is de Gemeente binnengedrongen, omdat de chris­tenen elkaar niet willen vergeven. Ik verzeker u, mijn le­ven lang ben ik nóóit mensen tegen gekomen, die zó gemak­kelijk oordelen en veroordelen als christenen en ik heb nóóit mensen ontmoet, die het zo moeilijk vinden om te vergeven als kinderen Gods.

We spreken graag over liefde, maar waarom is er dan geen liefde? Omdat we niet vergeven. Dat heb ik ook ont­dekt toen de Heer mij riep om naar de kerken te gaan. Maar ik zei: “Heer, ze zijn dood”. Kijk, ik was degene die oor­deelde en ik geloofde niet in de opstanding, maar ik zei, dat ze dood waren. In mijn ogen was er geen hoop meer voor hen. Maar de Heer zei: “Misschien zijn ze wel dood, maar Ik heb nog nooit iemand de opdracht gegeven om de doden te begraven, maar wel om doden op te wekken. En jij moet deze doden opwekken”.

“O, Heer, hoe kan ik deze dode mensen opwekken? Ik kan ze niet rechtvaardigen voor wat ze doen’.

“Maar, ik heb nooit iemand de opdracht gegeven om hen te rechtvaardigen; alleen God kan rechtvaardigen. Jij kunt niet rechtvaardigen, omdat jij zelf niet recht bent; jij moet vergeven. Dat is alles, wat jij kunt doen en dat is alles, wat Ik van je verlang”.

“Maar, Heer, ze zijn verkeerd”.

“Als ze goed waren”, zei de Heer, “dan viel er niets te vergeven. Je moet juist vergeven, omdat ze verkeerd zijn. Als jij ze vergeeft, dan betekent dat nog niet, dat je zegt, dat ze goed zijn. Wat jij zegt is dit: Je kunt zo verkeerd zijn als het maar kan, maar ik ben geen rechter, ik vergeef je. En als jij ze vergeeft, zul je merken., dat je ze gaat liefhebben en op het ogenblik, dat je ze wer­kelijk gaat liefhebben, zal de Heilige Geest zich door jou heen openbaren. Maar als je ze niet vergeeft en niet liefhebt, dan kun je niet verwachten, dat de Heilige Geest met jou kan samenwerken”.

Daarom ben ik gegaan, u weet dat wel, wat ik doe en waar ik allemaal heenga. Zo zit ik midden tussen de ker­ken in. Ik beschouw elke kerk als een akker; als ik naar hen toega, dan ontdek ik twee dingen: tarwe en onkruid, op iedere akker. Hebt u wel eens een akker gevonden zon­der onkruid? Ik heb er nog steeds niet één gevonden; ze zijn allemaal gelijk. Soms kunnen we over allerlei op­scheppen in onze gemeente en we denken, dat er geen on­kruid is, maar dan ontdekken we tot onze verbazing, dat er bij ons ook onkruid groeit. Als u niet meer het goede zaad zaait en uw tijd verspilt met het uittrekken van on­kruid, dan zult u uw akker tot een chaos maken. Dat is het geval bij zoveel mensen die bezig zijn onkruid uit te trek­ken en die niet meer zaaien. ’ Maar eigenlijk trekken ze niet alleen het onkruid er uit, maar ook de tarwe. En ze ruïneren de akker.

Onlangs kwam op een conferentie een jonge voorganger naar me toe. Hij was geladen en hij zei: ” Ik heb uw boek gelezen: “De Geest maakt levend”. U zegt, dat de Heilige Geest u vroeg te gaan en nu moet u eens kijken, waar u heengaat”.

Ik zei: “Waar ga ik dan heen?”

“U gaat naar al die kerkelijke raden en naar die vrij­zinnige kerken”. “Wat is daar dan voor verkeerds aan?”, vroeg ik. “Maar”, zei hij, “de Bijbel zegt; Ga uit van haar”. “Ja, maar ik ben er nooit in geweest”, zei ik, “dus moet ik er eerst ingaan. Hoe kan ik er uitgaan, als ik er nooit in geweest ben? Nu ga ik er in en misschien kon ik er ook wel weer uit”.

“Wanneer komt u er dan weer uit?”

“Wel, als ze me er misschien uitgooien”.

“Zij gooien u er niet uit. Vertelt u hen dan niet, dat ze zondaren zijn?”

“O nee”, zei ik, “dat doe ik niet”.

“Maar”, zei hij, “Jezus vertelde de mensen dat ze zon­daren waren”.

“Ja, maar Jezus was geen zondaar, ik ben wel een zondaar, u bent een zondaar en ik mag andere zondaren niet oordelen; Ik moet die anderen vergeven, zoals de Vader mij vergeven heeft. Ik moet hen liefhebben”.

“Hebt u dan zondaren lief?”, vroeg hij.

Ik zeis “Mijn Vader heeft hen lief, gelooft u dat niet? God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft. Wilt u God dienen?”

“Ja”, zei hij. “Wel, God, die u dient, heeft de wereld lief. Als Hij de wereld niet lief had, dan zou Hij haar vernietigen. Als Hij was zoals wij, dan zou Hij de hele wereld veroordelen en verwoesten”.

“Wat doet u dan?”, vroeg hij.

“Ik heb ze lief”, zei ik, “en dan kan ik hen tot Jezus brengen. Want Jezus kwam in liefde en Hij zei: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u”.

“Hoe komen ze dan tot het besef, dat zij zondaren zijn?”

Ik zei: “Leest u de Bijbel niet? Misschien doet u het op de manier, zoals ik dat gewoon was te doen: Je leest hem, zoals je het zelf graag wilt hebben. Toen de Heer mij zei, dat ik de kerken niet moest oordelen, maar hen lief moest hebben, zei Hij: “Denk er aan, wat Ik gezegd heb: Als Ik naar de Vader ga, zal Ik Hem vragen en Hij zal de Hei­lige Geest zenden, en als Hij komt, zal Hij de wereld over­tuigen van zonde. Daarom hoef jij dat niet te doen. Daarom zei Hij: Het is beter voor u, dat Ik heenga, want als Ik heenga, dan zal de Heilige Geest komen en Hij zal de we­reld overtuigen; jij hoeft dat niet te doen, dan kun jij hen tot Jezus leiden”.

Jarenlang heb ik geprobeerd de wereld te overtuigen, maar de mensen raakten niet erg overtuigd; ze werden kwaad op mij en ik werd kwaad op hen en ik schold hen voor allerlei uit: blinde leidslieden van de blinden, als jul­lie in de kuil vallen, zal ik jullie wel begraven.

Maar de Heer zei: “lat is verkeerd, dat is het Evange­lie niet. Ik heb je nooit de autoriteit gegeven om ie­mand te veroordelen. Ik heb je nooit de autoriteit gege­ven om iemand te veroordelen. Ik heb nooit gezegd: aan hun vruchten zul je ze oordelen, maar aan hun vruchten zul je ze kennen, maar niet veroordelen. Daar heb je geen autoriteit voor gekregen”.

Dit is het wat ik heb bemerkt. Als ik naar hen toega, dan weet de Heilige Geest, dat ik niet wil veroordelen, dat ik niet wil proberen hen van zonde te overtuigen, maar dat ik bereid ben hen tot Jezus te leiden en hen werkelijk te vergeven. Want als ik hen niet vergeef, die zij kunnen zien, hoe kunnen ze dan geloven, dat God hen wil vergeven die zij niet kunnen zien. Ik zeg hun, dat ik een kind van God en een dienstknecht van Jezus Christus ben. Als zij dan zeggen: “Als God is als u bent, als Jezus is als u bent, dan kunnen we maar beter niets met Hem te maken hebben, want u ziet er niet naar uit, dat u iemand kunt liefhebben, maar wel klaar staat om te veroordelen”, dan is dat voor mij een reden om hen niet te veroordelen.

Ik wil iedereen met liefde tegemoet treden en sinds ik er mee opgehouden ben om het werk van de Heilige Geest te doorkruisen, overtuigt Hij hen van zonden. Ik spreek met hen in het besef, dat de Heilige Geest wel het werk in hun hart doet; Hij maakt, dat zij zich zo gaan voelen, zoal zoals ik dit graag zou willen, maar ik zeg er niets van.

Ik spreek over de liefde van de Heer en Zijn grote ver­gevingsgezindheid en vaak zeggen ze: “U bent de eerste die mij werkelijk begrijpt, u kent echt mijn moeilijkheden’.’ Maar ik weet, dat zij het moeilijk hebben, omdat de Heili­ge Geest hen van zonde overtuigt en dan weten zij niet, wat zij moeten doen. De mensen in hun omgeving kunnen niet helpen. Zij staan onder het oordeel, hun geweten klaagt hen aan en als zij proberen steun te vinden, voelen zij het oordeel steeds zwaarder wegen.

Onlangs was ik in een groep van ongeveer 50 voorgan­gers. Ze behoren tot een kerk waar enkele vreemde leer­stellingen worden geleerd. Ik had er wel van gehoord en ik dacht: “Wat moet ik doen?”

De Heer zei me: “Je moet ze vergeven, ga er niet heen om ze te veroordelen, vertel ze niet, dat ze verkeerd zijn, vergeef ze”. En dat deed ik. Een Pinkstervoorganger zei me: “Ik heb gehoord, dat u naar die predikanten gaat”.

“Ja, dat is zo”, zei ik, “ze hebben me uitgenodigd”.

“Maar weet u dan niet”, vroeg hij, “dat ze van die vreem­de dingen leren?”

“Ja, daar heb ik van gehoord”, zei ik.

“En wat gaat u nu doen?” Gaat u ze vergeven?”

“Dat heb ik al gedaan”, zei ik, “ik heb ze al vergeven”.

“Hebt u ze vergeven?”

“Ja”, zei ik, “en als je ze vergeven hebt, mag je er niet meer over praten”.

Dus ging ik er heen.

De Heer had me zo geholpen ze werkelijk te vergeven, dat toen ik tot hen sprak, ik al die vreemde leerstellingen glad vergeten was; ik dacht er geen moment meer aan. En de Heer doopte sommigen van hen in de Heilige Geest. Wat denkt u, dat er daarna gebeurde?

Sommige mensen zeiden tot mij: “Hoe kunt u toestaan, dat deze mensen werden gedoopt in de Heilige Geest? Wie moet hun nu onderwijs geven?”

“Broeders”, zei ik, “ik heb hen toevertrouwd aan de beste Leraar en de beste Gids van de wereld, en als wij ons nu maar niet bemoeien met Zijn werk, dan speelt Hij het heus wel klaar. Ik vind, dat jullie net zo erg zijn als de Rooms Katholieken. Zij zeggen, dat de mensen de Bijbel niet kunnen lezen, omdat ze er helemaal van in de war raken. Wij zeggen hetzelfde, dat, als de mensen de doop met de Heilige Geest hebben ontvangen, wij hen moeten onderwijzen, want anders gaat het helemaal verkeerd”.

De directeur van het R.K. Bijbelgenootschap in Mexico zei: “Ik vind, dat er in elk huis en in elk gezin in Mexi­co een Bijbel moet komen en ik zou graag willen, dat de mensen de Bijbel gaan lezen”.

“Maar”, zei ik, “de priesters zeggen, dat de mensen de Bijbel niet kunnen begrijpen, omdat ze er door in de war raken”. “Als de priester maar wegblijft”, zei hij, “dan zal de Heilige Geest hen wel onderwijzen, maar als de priester er zich mee gaat bemoeien, raken ze in de war”.

Dat zegt een priester over andere priesters. Ik vraag me soms wel eens af, of wij niet vaak denken, dat wij de leraars en de gidsen moeten zijn. We vertrouwen het de Heilige Geest niet toe om de mensen te onderwijzen. Zo hadden deze predikanten de doop met de Heilige Geest ontvangen. Later ontmoette ik hen weer en zij waren vol lof van de Heilige Geest; zij hadden net een conferen­tie gehad. En sommigen zeiden: “Broeder David, tientallen mensen werden gedoopt in de Heilige Geest net als wij”.

“O”, zei ik, “nu worden jullie echte Pinkstermensen”.

“Ja”, zeiden zij, “maar we behoren niet bij de Pinkster­beweging, maar we willen wél de Heilige Geest ontvangen. Zegt u eens, toen u bij ons kwam, wist u, dat we allerlei, dingen zus en zo leren?”

“Jawel”, zei ik, “dat wist ik wel”.

“Maar u hebt er nooit over gesproken, zelfs niet eens genoemd”.

“Dat komt, omdat ik jullie vergeven had”, zei ik, voor­dat ik bij jullie kwam. En hoe kan ik nu over iets praten, wat al vergeven is?”

“Dat is zo”, zeiden zij, “haar weet u, wat het vreemde is? Sinds wij in de Heilige Geest gedoopt zijn, kunnen we al die dingen niet meer geloven en we leren ze ook niet meer”.

Zij hadden de beste Gids, de beste Leraar.’ Als ik gepro­beerd had hen te corrigeren, waren zij vijandig geworden, maar ik had hen vergeven. En de Heilige Geest wist, dat ik niets in mijn hart had tegen deze mensen, maar HIJ over­tuigde hen van zonden. Dat is wonderbaar!

Tot de jonge voorganger, met wie ik sprak, zei ik: “Ik zal de kerken binnengaan, tot nu toe ga ik overal, waar men mij uitnodigt”.

Hij zei: “Hoe kunt u gemeenschap hebben met die men­sen?”

“Maar wie heeft gezegd”, zei ik, “dat ik daarheen ga om gemeenschap te hebben? Ik zoek geen gemeenschap, want die heb ik al; ik deel gemeenschap aan anderen mee”.

Ik heb zoveel gemeenschap, dat ik graag wil, dat ande­ren het ook hebben. Mijn gemeenschap ligt in Christus. Dat is de liefde van Christus, de vrucht van de Geest, want de Vader heeft mij gesnoeid. Ik heb zoveel vrucht, dat Protestanten ervan kunnen plukken, de Rooms Katholieken ook en de rest is voor de Pinksterbroeders en zusters. Heb ie­dereen lief; ik kan u zeggen, dit hééft uitwerking! Ik moest terugkeren tot mijn eerste werken. Mijn eerste werk is niet om zondaren tot bekering’ te brengen, maar om anderen te vergeven. U zult nooit een zondaar tot Jezus kunnen leiden als u hem niet kunt vergeven. Velen van uw familie leden zijn niet gered, omdat u hen nooit hebt vergeven. U denkt, dat u, omdat u familie van hen bent, het recht hebt om hen te veroordelen; houd er mee op uw kinderen te veroordelen, leer om hen te vergeven en zij zullen gaan geloven.

Hoe vaak heb ik gezien, hoe ouders hun kinderen bevit­ten en oordelen en veroordelen. Broeders en zusters, ver­geven is ons eerste werk. Hoe gauwer we terugkeren tot dit eerste werk, des te sneller zullen we weer de eerste liefde openbaren.

Petrus zat met een moeilijkheid: hij kon de wereld wel vergeven, hij kon hun zonden vergeven, maar zijn broeder… Hij zei: “Heer, hoe vaak moet ik mijn broeder vergeven? Ze­ven keer?”

“Nee, niet zeven keer”, zei de Heer, “zeventigmaal zeven keer, 490 keer”.

Hebt u ook zo’n slechte broeder? Kunt u zich iemand voorstellen, die zo slecht is, dat u hem 490 keer moet vergeven? Of kunt u de zeven keer niet eens halen?

In één van de evangeliën staat, dat ik 490 keer per dag moet vergeven. Ik ben 16 uur wakker; als ik nu 490 keer in 16 uur moet vergeven, dan is dat 30 keer per uur, dat is elke 2 minuten: dat is een volledige dagtaak!

Wat bedoelde de Heer eigenlijk? Wel dit: je kunt niet anders, je moet vergeven, vergeven, vergeven… Dat is een smalle weg met éénrichtingsverkeer, een zeer smalle weg: je mag je niet omkeren en je mag niet ophouden met vergeven. De enige manier om in uw geloofsleven vooruit te komen is door te vergeven.          (slot volgt)

 

Nemen we God op Zijn woord?  door J. Noë

“Maar op Uw Woord zal ik de netten uitzetten”(Luc. 05:05b).

Lieve lezers.’ Het verhaal van de wonderbare visvangst is zo’n leerrijke les voor ons. God doet steeds dingen, welke, volgens menselijke begrippen, onmogelijk zijn. In het Oude en Nieuwe Testament lezen we geregeld van de bovennatuurlijke dingen die God deed, om de mensheid te to­nen dat Hij de Grote Almachtige is.

Zo ook in dit geval. De vissers hadden de gehele nacht hard gewerkt, maar niets gevangen. Nu komt Jezus, die, menselijkerwijze gesproken, meer verstand had van timme­ren dan van vissen, en zegt tegen de geroutineerde visser Petrus: “Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen”.

Hoe bestaat het.’ Petrus zal Jezus wel verwonderd en on­derzoekend hebben aangekeken, getuige zijn woorden waarmee hij begon te spreken: “Meester, wij hebben de gehele nacht door hard gewerkt en niets gevangen”. Maar nu het wonder­lijke, door een innerlijke drang gedreven zei hij: “Maar op Uw woord zal ik de netten uitzetten”.

En hij werd niet teleurgesteld; de vangst was zo groot, dat de netten dreigden te scheuren en de boten tot zinken toe, met vissen werden gevuld.

Petrus was door dit grote wonder zo getroffen, dat hij op zijn knieën viel en uitriep: “Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens”. Deze reactie is volkomen begrijpelijk, want hij was getuige van iets bovennatuurlijks. Jezus had door de Geest gehandeld en wist, dat Zijn Vader de vissen op die’ plaats zou brengen.

Is het niet wonderbaar? Toen Maria van de engel hoorde, dat zij, in haar nog ongehuwde staat, bevrucht zou worden door de Heilige Geest en uit haar Jezus, Gods Zoon, zou geboren worden, zei zij, vol verbazing en ontroering: “Mij geschiedde naar uw woord”.

Geen woord, dat van God komt, zal krachteloos wezen. Ook in deze moderne tijd, waar het intellect hoogtij viert en óp allerlei gebied, vooral wetenschappelijk, ver­bijsterende dingen worden gepresteerd, maar waar tévens de zonde, ook in de kerken, hand over hand toeneemt.

Gods Woord blijft onverminderd van kracht en Jezus is nog steeds de Redder, Verlosser en Genezer, aangezien Hij Dezelfde is, gisteren en heden tot in eeuwigheid. Helaas zijn vele “christenen” in hun denken en levenswandel volkomen gelijk aan de wereldse mens en stellen daardoor hun vertrouwen meer op het zichtbare, n.l. de mens en diens kundigheid dan op God en Zijn Woord.

Ik moet hierbij denken aan de geschiedenis van Paulus die per schip op weg was naar Rome om voor de keizer te­recht te staan. Daar de reis met moeilijkheden gepaard ging, gaf hij, door de Geest geleid, de bemanning een waarschuwing. De hoofdman echter stelde meer vertrouwen in de schipper dan in Paulus, wat, van zijn standpunt ge­zien, volkomen begrijpelijk was. Maar hij zag spoedig in, dat hij beter naar de raad van de dienstknecht des Heren had kunnen luisteren.

Als je de mensen waarschuwt en hen attent maakt op de rijkdom van het volle evangelie, op hetgeen God ons in Christus schenkt, als wij in Hem geloven en doen wat Hij van ons verlangt, dan ben je, volgens hun inzicht, niet helemaal normaal, overgeestelijk; man, wees nuchter, zeg­gen ze dan, gebruik je verstand en blijf met je beide be­nen op de grond staan. Ze begrijpen nu eenmaal niet, dat het geloof geen kwestie van het verstand is, maar een­voudig het, als een kind, accepteren, wat God in Zijn Woord zegt en je onder de leiding van Zijn Geest stellen.

Wat zegt (1 Kor. 02:10-15)?

“Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest.

“Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diep- “ten Gods. Wie toch onder de mensen weet, wat in een “mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? “Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest “Gods. Wij nu hebben, niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat “wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. “Doch een ongeestelijk mens aanvaard niet van hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem een “dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het “slechts geestelijk te beoordelen is”.

Lieve vrienden, als we God een realiteit in ons leven willen laten worden, dan moeten we gemeenschap met Hem hebben, moeten we Hem op Zijn Woord nemen en het in alle dingen met Hem wagen. Dan dienen wij, in de volle zekerheid des geloofs, de schepen, die ons tot de terugtocht zouden kunnen verleiden, te verbranden. De Heer zegt, tot ons: “U geschiede naar uw geloof”. Hoe meer we, in het geloof, met Hem wagen, des te meer zullen we ontvangen. Hij zal ons niet verlaten, Hij zal ons niet begeven. Zoals we in het begin van dit artikel hebben beschreven, Petrus waagde het met Jezus en hij ontving daardoor veel zegen.

En nu, lieve lezers, gaan we onszelf eens onder de loep nemen. We zullen drie vragen stellens

1)God zegt in Zijn Woord, dat Zijn Zoon, Jezus, al onze ziekten heeft gedragen, dat Hij onze Genezer is en dat bij handoplegging in Zijn Naam, door de kracht van de Heilige Geest, de ziekten zullen wijken.

Geloven we hierin, met ons gehele hart? Is ons geloof zo sterk, dat wij in staat zijn deze Bijbelse weg te volgen en het met Hem te wagen, als satan kans heeft gezien ons li­chaam aan te tasten en wellicht van een zeer ernstige aard?

2) God zegt in Zijn Woord, dat wij ons in geen ding be­zorgd behoeven te maken en Hij in al onze behoeften naar Zijn rijkdom heerlijk zal voorzien in Christus Jezus.

Geloven we hierin, met heel ons hart? Zo ja, laten wij dan ook aan onze handelingen en in onze levenswandel, aan de wereld zien, dat, in welke omstandigheden wij ook moch­ten verkeren, wij in deze beloften van God geloven?

3) Jezus zegt: “Wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen en nog grotere dan deze”.

Geloven wij hierin, met heel ons hart? Dat is dus niet alleen duivelen uitwerpen en zieken genezen, maar ook, als God ons voor dat feit plaatst, doden opwekken en de ‘natuur bedwingen.

Kijk, lieve lezers, deze vragen moeten ons tot zelfonderzoek brengen. Paulus zegt niet voor niets; “Onderzoek u zelve of gij wel in het geloof zijt”.

Als wij getuigen van Christus willen zijn, dan moeten wij dat tonen met ons lichaam, Zijn tempel, en met de geest, door gemeenschap met Zijn Geest, in woord en daad. God zal dan Zijn Heerlijkheid in ons openbaren in Christus.

“Hoe zal Hij, Die zelfs Zijn eigen Zoon, niet gespaard “maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken”. (Rom. 08:32).