1967.10 nr. 93

Levend Geloof 1967.10 nr. 93

Onze plaats in de ‘hemelse gewesten’. Door Gert Jan Doornink

“Gezegend zij de God en Vader van onze Here Je­zus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus”(Ef. 01:03)

“Hoe overweldigend groot is Zijn, kracht aan ons die geloven, naar de werking van de sterkte zij­ner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten”(Ef. 01:19-20).

“Hij heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus”(Ef. 02:06).

De strijd in de hemelse gewesten

Ondanks de prediking van het volle evangelie blijkt er bij heel veel kinderen Gods nog vaak heel verkeerde inzichten te bestaan over de strijd in de hemelse ge­westen. Toch is het een uitermate belangrijk onderwerp, als wij ons bewust zijn dat in onze tijd de strijd tussen God en satan zich op een geweldige wijze gaat toespit­sen.

We zien aan de ene kant de ware gelovigen die steeds meer toenemen in liefde en kracht en aan de andere kant een toename van de zonde en ongerechtigheid in hen die Jezus niet kennen als hun persoonlijke Verlosser. Efese 2 (Ef. 02:02) spreekt over “de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der on­gehoorzaamheid” .

Het is daarom de hoogste tijd dat we een inzicht krij­gen in de strijd in de hemelse gewesten, ja het is de hoogste tijd dat we een gezond inzicht krijgen in deze strijd.

Iedereen is betrokken bij deze strijd. Ze gaat niet buiten de mensen om, maar komt tot uiting in en door de mensen op aarde.

Op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt ons duidelijk gemaakt dat de mens een “drie-eenheid” is: geest, ziel en lichaam. Denk aan (1 Thess. 05:23): “Geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn”. Toen God hemel en aarde schiep maakte Hij een “volmaakte mens”: geest, ziel en lichaam. Het gelukte de duivel om door de zondeval het evenbeeld van God aan te tasten, maar de levende God bleef souverein: Jezus kwam om alles te herstellen.

God bleef de totale mens op het oog hebben. Daarom vergaf Jezus niet alleen de zondaren hun zonden, maar Hij bevrijdde ook de gebondenen en genas de zieken. Voorwaarde was slechts geloof in Hem.

Deze voorwaarde is vandaag nog dezelfde. Daarom is hot zo belangrijk dat het volle evangelie verkondigd wordt. Op evangelisatie samenkomsten zien wij dat de predikers de mensen oproepen de beslissing voor Jezus te nemen. En velen geven gehoor aan de uitnodiging om een nieuw leven met Christus te beginnen. Prijst de  hier voor. (Hebt u reeds uw hart aan Jezus gegeven), Maar er zijn ook samenkomsten waar dit gepredikt wordt en bovendien de zieken en gebondenen worden uitgenodigd zich te laten genezen en bevrijden door te geloven in Jezus. Dit is de Bijbelse manier. Waarom zouden wij anders te werk gaan dan Jezus en de apostelen in hun dagen deden?

Maar, merkt iemand op, de redding van de ziel is toch belangrijker dan de genezing van het lichaam. In­derdaad is het eerste en allerbelangrijkste dat wij weten dat onze namen staan ingeschreven in Gods Le­vensboek. Maar laten wij niet vergeten dat het eindtijd is en dat God bezig is de Gemeente klaar te maken om Hem te ontmoeten in de lucht! De Gemeente die wordt opgenomen is een Gemeente zonder vlek en rimpel (Ef. 05:27) en geheiligd naar geest, ziel en lichaam (1 Thess. 05:23-24). Daarom is ook ons lichaam, welke bovendien de tempel is van de Heilige Geest!, zo belangrijk.

Al takelt dit lichaam ook af, grijze haren, rim­pels, enz., dit is van geen betekenis want dit vergankelijke lichaam zal veranderd worden in een onvergan­kelijk lichaam (1 Kor. 15:51-52). Maar het is niet Gods wil dat demonische ziektemachten de lichamen van Gods kinderen ruïneren. Bovendien kan een “gebonden” kind van God niet volkomen in de dienst van God gebruikt worden.

De eindtijdgemeente zal een overwinnende gemeente moeten zijn. In ons artikel “De goede strijd”, zie “Le­vend Geloof” van september, hebben wij er op gewezen dat geloof de factor is om geestelijk “strijdend” te over­winnen. Alleen door het geloof, verstaan wij ook dat wij betrokken zijn bij de strijd in de hemelse gewesten.

Velen denken dat de strijd in de hemelse gewesten zich ergens ver weg, hoog in het luchtruim afspeelt, en dat wij er niet bij betrokken zijn, maar hoe foutief is de­ze gedachte. U en ik , die nog “in vlees en bloed” op deze wereld zijn, zijn “in de geest”, in het geloof geplaatst in de hemelse gewesten. Zoals Christus daar Zijn plaats heeft (Ef. 01:20) zo hebben ook’ wij daar onze plaats (Ef. 02:06).

Als wij lezen over de geweldige rijkdom die wij als kind van God in de hemelse gewesten bezitten (Ef. 01:03) dan kunnen wij dit alleen op basis van geloof aanvaarden. Door in het geloof gebruik te maken van de geestelijke wapens, de Bijbel, de Heilige Geest, het gebed, etc. die God ons heeft gegeven, welk een rijkdom!, kunnen wij in de geestelijke strijd overwinnaars zijn.

Waarom is onze plaats in de hemelse gewesten?

‘Waarom moeten wij er diep van doordrongen zijn dat onze plaats in de hemelse gewesten is?

Opdat wij uit geloof zullen leven (zie boven).

Opdat wij niet in(geestelijke) armoede zullen leven.

Omdat wij geschapen zijn om goede werken te doen. (Ef. 02:10) zegt: “Want zijn maaksel zijn wij in Christus Je­zus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”. Goede werken doen wil zeggen dezelfde dingen doen die Jezus deed. Let speciaal ook op de woorden; in Christus Jezus. Want door zo onze plaats in te nemen wordt Jezus op een machtige wijze in en door ons leven verheerlijkt!

De wereld is in grote nood. Miljoenen mensen zijn op weg naar de afgrond. Alleen wanneer wij onze plaats in de hemelse gewesten innemen zullen wij de wéreld in nood kunnen helpen en zal God Zijn doel met ons kunnen bereiken.

 

Hoe loopt u? Waar loopt u? door J. Th. Kuyck (3)

“Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen’’ (Gen. 05:04).

“Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaar­dig en onberispelijk man; Noach wandelde met God”(Gen. 06:09).

“Nu gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem” (Kol. 02:06) .

Ik had geprobeerd om mijn grotere kinderen die teksten uit te leggen en ze hadden na afloop van de Bijbel les eerlijk gezegd er nog “niks” van te snappen. Om helemaal eerlijk te zijn wist ik niet of ik zelf het dan wel snapte.

Die zelfde dag vroeg ik een van mijn pleegkinderen een oude dame, die bij ons op bezoek was, even naar de bushalte te brengen en ik gaf haar, verstandige pleegmoeder als ik was, veel goede raad mee, zoals “netjes lopen en beleefd zijn” , enz. enz.

Enkele minuten later ging ik diezelfde weg, brie­ven naar de post brengen, en vlak bij de bushalte kwam ik onze Guurtje tegen op weg naar huis. Ik stak haar mijn arm toe: “Ga je even mee?”

Ze haakte dadelijk in en al bij de derde of vierde stap gingen de poorten van haar welsprekendheid open: “de juf op school was onrechtvaardig, het kind waar ze naast zat was een snertmeid, haar broertje plaagde haar altijd, enz”.

Toen, midden in een zin, hield ze op. “U zei laatst iets over wandelen met God, maar ik snapte er niks van. Maar met die mevrouw liep ik zo gek, ik wist helemaal, niet wat ik zeggen moest en ze nam zul­ke akelige kleine pasjes, ik kon helemaal niet met haar in de pas blijven. En nu met u wandel ik, net zo

gezellig, nou.”‘

En wat doen wij? Wandelen we met een God, die we kennen en vertrouwen, of lopen we met een God, die we alleen door de ogen van onze kerk en kring hebben leren zien? Doen we wanhopig ons best om met die ons aange­smeerde God in de pas te blijven, met passen die ons iets te klein zijn? We houden de wet als enig redmiddel, of doen goede werken om God te believen, wij draven om iets voor de Heer te mogen doen of vallen in het andere uiterste, en al die tijd staat Hij op ons te wachten tot we eindelijk klaar zijn om met Hem mee te gaan. Waar heen? Dat weet Hij alleen. Langs welke weg? Dat weet ook Hij alleen.

Wat Hij dan van ons verwacht? In ieder geval geen po­gen om vromer te lijken dan we zijn. Hij is tot ons ge­komen en mens geworden om als mens met ons in de pas te lopen met grote of met kleine pasjes, maar altijd zo, dat wij met Hem in de pas kunnen blijven. Hij is mens ge­worden opdat wij al onze zorgen en al ons gemopper vrij­moedig aan Hem zouden kunnen uitspreken.

Als we dat eindelijk begrepen hebben, wandelen we in de Zoon met de Vader, in Hem, in Zijn licht en in Zijn liefde, zeker van Zijn medeleven met ons. Dat is wande­len!

 

God – mens – satan. door Dirk A. WOLS

In de gigantische worsteling tussen God en satan gaat het om de mens als kroon en juweel der schepping. In de mens staat of valt de ganse schepping.

Oorspronkelijk was satan over de schepping gesteld. Hij was de morgenster, de overweldiger der volken, de schoonste en heerlijkste onder de schepselen. Toen kwam in zijn hart: “Ik zal ten hemel opstijgen, boven de sterren Gods mijn troon oprichten en zetelen op de berg der samenkomst ver in het Noorden; ik wil opstijgen boven de hoogten der wolken, mij aan de Allerhoogste gelijkstellen” (Jes. 14:12-13).

In zijn oproer tegen God sleepte hij vele engelen mee, een derde deel, en hun nageslacht, de demonische krachten, zoeken woning bij en in de mens. Dit zijn de gebondenen waar de inrichtingen mee vol zitten, en de talloze gebondenen nog daarbuiten: mensen die leven in een wereld van angst.

Uiteraard is er verschil in gebondenheid van zeer licht tot zeer zwaar (de agressieven). We komen daar later nog op terug.

Nadat het oproer van satan openbaar kwam, heeft God niet de satan direct vernietigd. Dat zou mogelijk ge­weest zijn, want Hij spreekt slechts één Woord en het geschiedt. Waarom heeft God van Zijn Almacht geen ge­bruik gemaakt en deze vijand gelijk zonder standplaats gesteld? Omdat God de satan nodig had om Zijn ondoor­grondelijke hoedanigheden te openbaren, in het dag­licht te stellen. Zonder satan is dit onmogelijk. Bij de grondvesting der aarde juichten de morgensterren en al de zonen Gods jubelden, maar- het was geen juichen en jubelen van verlosten en bevrijden. Zij waren zo ge­schapen en verkondigden de ere Gods zoals men kan ver­wachten krachtens hun schepping. Maar Gods hoedanighe­den kwamen niet openbaar. Zoals op aarde de knappe koppen niet op zouden vallen als er geen domme mensen zouden zijn, zo bleven de barmhartigheid en liefde Gods onopgemerkt omdat er geen voorwerpen waren waaraan Hij die kon bewijzen. Hij schiep echter de mens met de vrije wil, die mens kon kiezen. God gaf een duidelijk verbod in een duidelijke taal en de mens overtrad dat gebod Gods. Satan had blijkbaar gewonnen. Maar in de paradijs­belofte wordt zijn vonnis geveld, Gods daad zou zijn, dat het vrouwenzaad de satan de kop zou vermorzelen.

In de heilshistorie wordt dit alles heerlijk uitge­werkt in de komst van Jezus Christus, geboren-uit een vrouw, geworden onder de wet. De slag tussen God en sa­tan is definitief beslist aan het kruishout van Golgotha van waaruit Jezus ook de Pinkstergeest verworven heeft voor de eerstelingen van een rijke oogst. Halleluja; God heeft dus Zelf in Jezus het zware onmogelijke werk ge­daan.

Nu gaat het er echter om, dat ook de mens wat doet. Want al is Gods werk nu af, als de mens daarop niet rea­geert, dan baat het hem niet. Het is deze actie van de mens die de satan ten koste van alles wil verhinderen. Hij investeert daartoe vele demonen in de godsdienstige we­reld. Als God een kerk bouwt, bouwt satan er een kapel­letje naast. Als er een volle-evangelie-groep ontstaat, komt er een machtig leger demonen om alles te verhinde­ren. Want de mens moet en mag zich van de satan nooit bewust worden van zijn hoge roeping en taak; als de mens de beloften Gods zou omhelzen, is het voor de satan ver­loren. Hij weet dit. Wat gaat deze nu doen? Wel, ieder mens die in alle vrijmoedigheid de beloften Gods omhelst, verdacht maken, en bekladden. U mag rustig weten dat mijn naam beklad wordt en we verdacht worden gemaakt van dingen waar we part noch deel aan hebben. Dat is zo de methode. Allereerst wil satan ons klein houden. En dat terwijl we groot zijn in Hem, niet in onszelf. De doop is daarom noodzakelijk opdat we de satan een blanco straf­register kunnen tonen. Vroom is de satan in zijn opzet. Want hij zegt dat de mens niets is, niets kan en niets wordt en dat God het alles moet doen. Wijselijk verzwijgt de satan dat God het doet door de mens heen. De feitelij­ke heilshistorie heeft God verricht zonder de mens. Maar de uitwerking der heilshistorie doet God met de mens en in de mens. Geen enkel mens zal ooit bevrijding en ver­lossing tot stand kunnen brengen. Dat heeft God gedaan in Zijn Zoon. Maar de mens kan die verlossing uitwerken en actief zijn daarin Voor zover de beloften Gods dit toestaan. En die gaan heel ver hierin. Wij zien dus dat de actie van de mens als heilswerking onbelangrijk, ja, ni­hil is, maar dat God door de actie van de mens Zijn heilswerk wil openbaren aan de ganse schepping, mits aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Het gaat in zijn diepste wezen om de openbaarmaking der zonen Gods.

Hiervoor siddert de hel. Bij de‘ vuige en doortrapte laster die mijzelf ten déel valt, heb ik mij afgevraagd wat de diepste drijfveer van satan is om mij door een mens zo intens zwart te maken. Het antwoord was verrassend. Hij wil de mens die zich het zoonschap Gods in Jezus Christus bewust gaat worden, dermate in de grond drukken, dat er geen uitkomen meer aan is. De satan siddert voor het openbaar worden van de zonen Gods en zal trachten elk bruggenhoofd te vernietigen.

Aan de zonen Gods zijn machtige beloften gegeven in Jezus Christus, die rechtstreeks de hel raken. Zij zul­len immers de boze geesten uitdrijven. En hiervoor ontvangt God alleen de eer omdat Hij het gedaan heeft en het uit werkt in Zijn kinderen.

Het is alles nog geen goud wat er blinkt. Velen hebben dit wondere ontdekt en maken er een hokus pokus spelletje van. Handen worden opgelegd, zieken worden “genezen”, gebondenen “bevrijd”, maar in wezen is er niets gebeurd. Zij menen dat God werkt als een auto­maat. En als het beoogde doel niet slaagt, dan is het slachtoffer de schuldige. Drama’s zijn hiervan te ver­tellen, maar God vraagt wezenlijke inzet van onszelf voor elkander. Zonder inzet van onszelf werkt God niet. Waar werkelijke wonderen van genezing en bevrijding geschieden, daar zijn mensen bezig met inzet van heel hun leven. De achtergrond van de wonderen bij Dave Wilkerson is een leven met inzet voor de gebonden naaste. Kan God dan geen wonderen werken zonder die inzet en naastenliefde? Zeker, maar God werkt niet als een toverdokter, die om onzentwil mirakelen gaat ver­richten. Als Herodes met Hem wil spelen gebeurt er niets. Maar als de mens zich inzet, dan gaat de Godde­lijke kraan Zijner liefde macht open, dan werkt Hij mede met tekenen en wonderen. Het volmaaktst vinden wij dat in de eerste gemeente, niet omdat het de eerste gemeen­te was, maar omdat daar de inzet zó groot was, dat het privé-eigendom wegviel. Niemand zeide dat iets van hem was. Als machtig antwoord hierop: grote wonderen en tekenen.

In de strijd tegen de hel kunnen wij die medewerking Gods niet missen door tekenen en wonderen. Maar God kan onze inzet niet missen, en Hij ontzet zich als Hij ziet, dat er niemand op de bres staat. Deze ontzetting Gods is te verstaan, omdat Hij dan Zijn machtige werking niet kwijt kan. Velen willen wel de wonderen en tekenen maar voor de totale inzet deinzen ze terug. Hun werk blijft zonder vrucht en hun arbeid is ijdel.

Bij het ontbreken der machtige werking Gods gaan som­migen een wissel trekken op de toekomst. Het is echter een schrale hoop. Want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde. Het gebrek aan inzet wordt verdoezeld en goedgepraat met de bewering dat God over 10 of 20 jaar machtig gaat werken. Zij zien niet in dat Gods won­deren voor vandaag zijn, maar dat ze uitblijven door ge­brek aan inzet. Heeft God dan onze inzet nodig? Ja en neen. Ja, want God heeft Zijn weldaden daaraan verbon­den. En neen, want Hij is de Almachtige. Maar als Hij het een aan het ander samenvoegt mag de mens niet scheiden.

De satan is er als de kippen bij om ons geestelijk neer te slaan zodra wij het geheimenis ontdekt hebben om op te staan uit het graf der machteloosheid. Daar heeft hij een extra-inzet voor over. Als wij ons gaan bewust worden hoe we de werking Gods tot op de dag van vandaag kunnen waar maken, dan zal de hel met kracht rondom ons losbarsten. Maar Luther wist het reeds:

Houdt Christus Zijne Kerk in stand, dies mag de hel vrij woeden.

Gezeten aan Gods rechterhand, kan Hij haar wel behoeden. Halleluja!

Vriend, broeder, zuster, God heeft u nodig. God wil u gebruiken. Denk toch niet klein over uzelf. Als zoon van God heeft Hij u buitengewone volmacht geschonken. Maar als u zich niet inzet, dan kan Hij niets doen. Uw inzet wordt misschien bemoeilijkt door inblazingen van de duivel. Als u een geketene ziet en hoort zijn klach­ten, dan fluistert de satan in uw oor, dat hij of zij zich knap aanstelt en overdrijft. Uw liefde krijgt een knak en God kan niets door u doen omdat u zich vanzelf niet inzet voor iemand, die zich zó aanstelt. U kent misschien het verhaal van die arts, die een patiënt had met van de reuma kromgetrokken vingers. “Je doet het erom’, voegde de arts de vrouw toe. De vrouw heeft hem bezworen dat hij die handen wel mocht hebben en zij de zijne. Maar dit misverstand is allerwege te bespeuren. Want we willen ontkomen aan totale inzet. Ja, ik zal daar…… zijn. Ik zal mij inzetten. Je denkt toch niet dat ik een doetje ben?

En Gods wonderen blijven uit. God kan het niet zon­der onze inzet. De machtige God is met machteloosheid geslagen. Ondanks zwaar woeden der hel zullen de zonen Gods openbaar worden. Zij zullen zich door alles heen inzetten voor God en de naaste. Het zal een enorme strijd zijn, maar het komt. De mens zal zien hoe hij ge­roepen is met inzet van alles de werken Gods te werken ja, nog grotere dan Jezus verricht heeft. Stel u open en vrees niet. Want de Heer is gegeven alle macht in hemel en op aarde!

 

Waar is uw oude mens door Jenny Manschot

Dit weten wij immers…

”Dit weten wij immers, dat onze oude mens mee gekruisigd is” (Rom. 06:06). Halleluja! Onze oude mens, waar­in eens de zonde leefde, is dood. En velen van ons hebben hem met Christus begraven door de doop in de dood.

Er was eens iemand, die tegen me zei: ‘’Ja, dat staat er wel, dat onze oude mens dood is, maar – en dat mag je nooit tegen iemand zeggen – hij is niet dood”. Hij bedoelde onze oude mens bestaat nog.

God zegt: Onze oude mens is dood. Wij erva­ren: onze oude mens bestaat nog. Deze “tegen­strijdigheid” brengt ons in conflict. Gods Woord zegt, dat onze oude mens dood is, maar wij merken daar hele­maal niets van. Integendeel! Wij ontdekken iedere dag opnieuw, dat onze oude mens er nog is. Wat God zegt dat is waar. Dat geloven wij onvoorwaardelijk. Ja, dan moet het aan ons’ liggen. Misschien geloven we niet goed, misschien bidden we niet goed. De één zegt, je moet er eerst voor danken, een ander, zegt, je moet het eerst echt geloven.

En we bidden er iedere dag om: “Heer, laat mijn oude mens dood zijn”. We bedoelen .dan zoiets als: Heer, laat mijn oude mens ophouden te bestaan. Maar de Heer doet het niet. Het lijkt wel, alsof de Heer doof is op dit punt. .

En we komen nog meer in conflict,. O, o, wat is het toch moeilijk, wat is het toch vreselijk moeilijk’ Maar het ligt niet aan God, het ligt aan ons. De oorzaak is, dat wij de betekenis van het woordje dood niet begrijpen.

Dood zijn betekent niet, zoals de wereld vaak denkt: opgehouden hebben te bestaan, maar: gescheiden zijn van, afgesneden zijn van, geen contact hebben met.

Dat onze oude mens dood, is, betekent dus niet, dat hij niet meer bestaat, maar dat hij gescheiden is van de zonde, dat hij niet meer leeft in de zonde, dat hij, zo­als (Rom. 06:18) zegt, vrijgemaakt is van de zonde.

De Bijbel onderscheidt 3 vormen van dood zijn, maar ook 3 vormen van levend zijn bij de mens, n.l.: het gees­telijk dood zijn tegenover het geestelijk levend zijn; het levend zijn van de oude mens tegenover het dood zijn van de oude mens; het lichamelijk (biologisch) lovend zijn tegenover het lichamelijk dood zijn.

De geestelijke dood en het geestelijk leven

De mens, die Jezus niet kent, is dood vanwege zijn zonde, hij is geestelijk dood. Dit wil niet zeggen, dat de geest van deze mens niet bestaat. (1 Kor. 02:11) leert ons, dat de onbekeerde mens ook een geest heeft). Dit betekent, dat hij gescheiden is van de levende God. Hij heeft gezondigd en daardoor mist hij de heerlijkheid Gods, hij heeft er geen deel aan (Rom. 03:24)

Maar wanneer deze mens, een dode zondaar, zich door het bloed van Jezus laat reinigen van zijn zonde, valt de scheiding weg en komt hij in contact met God, de bron van eeuwig leven en zijn géést ontvangt het leven uit God. Hij wordt wedergeboren en is tot leven gekomen.

De gelijkenis van de verloren zoon laat ons de betekenis van dood zijn heel duidelijk zien. Als de zoon bij zijn vader teruggekeerd is van zijn verre reis, zegt deze: “Mijn zoon hier was dood en is weer levend ge­worden”. In de volgende zin verklaart de vader zelf de betekenis van deze woorden: “Hij was verloren en is gevonden”(Luc. 15:24).

De zoon was dood, omdat hij ver bij zijn vader van­daan in een vreemd land er op los leefde. Dc afstand tussen het huis van zijn vader en dat verre vreemde land scheidde de zoon van de vader.

Zodra de zoon zich in de armen van de vader wierp, werd hij weer levend, hij was weer met zijn vader verenigd.

Ook wij waren eenmaal veraf, zonder hoop en zonder God in de wereld, maar nu zijn wij dichtbij gekomen, doordat wij geloven in het bloed van het Lam van Golgotha (Ef. 02:13). Wij zijn een nieuwe schepping, een nieuw mens geworden. Halleluja!

Gedood op Golgotha

Tot ons, nieuwe mensen, zegt God: Weet, dat uw ou­de mens mede gekruisigd is, wordt u ervan bewust, dat uw oude mens gedood is op Golgotha.

Onze zonden zijn weggedaan op Golgotha, doch wij zijn er pas van bevrijd, als wij dit feit aannemen. Zo is het ook met de dood van onze oude mens. Hij is pas dood als wij aannemen, dat hij met Jezus aan het kruis gestorven is en als wij daar dan ook achter gaan staan.

We moeten alle contact met de zonde verbreken. We moeten bewust de zonde de rug toekeren – dan staan wij met ons gezicht naar Jezus toe – we moeten bewust nee zeggen tegen de verleider tot de zonde, satan. Doch dit kunnen we alleen als we onze blik gericht houden op Jezus. Want voor u persoonlijk is de duivel niet bang, hoor! En voor mij ook niet. Maar voor Jezus is rij als de dood, want hij weet, dat Jezus hem op Golgo­tha eens en voor altijd overwonnen heeft. Halleluja! Er is kracht in het bloed van het Lam!

De natuurlijke dood

Ook bij de natuurlijke dood is er sprake van een scheiding, n.l. de scheiding van de geest en de ziel van het lichaam. Met andere woorden, wanneer iemand lichamelijk sterft, verlaten zijn geest en ziel het li­chaam. Het dode lichaam, dat nog bestaat, wordt begraven in de aarde. De geest en de ziel (van de geredde mens tenminste) leven verder bij God in de hemel.

Daarom zeggen wij wel, wanneer er iemand gestorven is dat hij is heengegaan. Deze mens heeft zijn lichaam verlaten om zijn intrek te nemen in het huis Gods. Bij de wederkomst van Jezus krijgt hij zijn lichaam in een nieuwe en onvergankelijke vorm terug.

Enkel vreugde!

“Houdt het voor enkel vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt” (Jak. 01:02-03). Hier zegt God ons, dat wij niet moeten treuren, omdat onze oude mens nog bestaat, maar dat wij er alleen maar blij om moeten zijn.

Als onze oude mens niet meer zou bestaan, dan zou de duivel immers niet meer bij ons kunnen komen om ons te verzoeken en dan zou er voor ons geen mogelijkheid zijn om de duivel, in de Naam van Jezus, te overwinnen, dan zouden wij niet met Jezus overwinnaar zijn.

Alleen iets of iemand, waardoor je bedreigd wordt, kun je overwinnen. Wanneer je op straat loopt en iemand valt je aan om je van je geld te beroven, dan kun je hem door van je af te slaan (weerstand te bieden) over­winnen. Doch als je op een mooie zomerdag in de tuin zit en er vliegt een vlinder om je heen en je knijpt hem tussen je vingers fijn, dan heb je hem wel vernietigd, maar niet overwonnen.

We kunnen de duivel alleen maar overwinnen als hij ons aanvalt. En als wij overwinnen, in de Naam van Jezus, zullen wij de kroon des levens ontvangen.

O, ik weet wel, wij overwinnen de duivel niet altijd. Wij staan hem nog wel eens toe om onze oude mens weer leven in te blazen, wij geven nog wel eens gehoor aan zijn verleidende stem. En dan is het mis. We zijn liefde­loos en hard tegenover onze medebroeder. Onze tong hou­den we niet in toom, en … en … en .. .

Maar God zegt; het moet voor u vaststaan, dat gij dood zijt voor de zonde (Rom. 06:11).

Weersta de duivel, vast in het geloof, en hij zal van u vlieden.

En wanneer wij- de proef- doorstaan hebben, zullen wij de kroon des levens ontvangen. Halleluja! (Jak. 01:12).    

 

Zijn wij waarlijk Zijn discipelen door J. Noë.

“Onthoud het goed niet aan wie het toe­komt, terwijl het in uw macht is het te doen. Zeg niet tot uw naaste: Ga heen en kom terug, morgen zal ik geven – terwijl gij het hebt” (Spr. 03:27-28) .

Lieve vrienden, ik kreeg het in mijn hart om hier­over te schrijven. De nood is groot in de wereld. Satan gaat rond als een briesende leeuw, omdat hij weet, dat zijn heerschappij spoedig ten einde zal zijn. De zonde neemt hand over hand toe; ongeloof, on­reinheid, tuchteloosheid, wetteloosheid, occultisme, misdaden, enz., worden met de dag erger. En wat is daarvan al niet de kerken en groepen binnengedrongen? Het moet toch voor u duidelijk zijn, dat de ware christenen, hiermede bedoel ik de werkelijke volge­lingen van Christus, hiertegen stelling moeten nemen. Door rustig thuis te blijven zitten en met een vroom gezicht tegen elkaar te zeggen: “’t Jonge, ’t jonge, het is toch wel erg tegenwoordig. De mens luistert niet meer naar God en Zijn gebod en gaat maar zijn gang. We zullen hiervoor bidden”, en anders niet is zeker niet Gods wil.

We hebben als Zijn kinderen, u bent er toch van overtuigd dat u er een bent, als Zijn discipelen een opdracht te vervullen. In verband hiermede ga ik uw aandacht vestigen op enige Schrift gedeelten.

Ten eerste in het Oude Testament. In (Ez. 03:16-21) lezen wij:

“Na verloop van zeven dagen kwam het woord des He­ren tot mij: Mensenkind, u heb Ik tot wachter over het huis Israëls aangesteld. Wanneer gij een woord uit mijn mond hoort, zult gij hen uit mijn naam waar­schuwen. Als Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult ze­ker sterven – en gij waarschuwt hem niet en spreekt niet om de goddeloze voor zijn goddelozen weg te waarschuwen ten einde hem in het leven te behou­den, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u reken­schap vragen. Maar als gij de goddeloze waarschuwt en hij bekeert zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg, dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw leven ge­red.

En als een rechtvaardige zich afkeert van zijn ge­rechtigheid en onrecht doet, en Ik een struikel­blok voor hem neerleg, dan zal hij sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en met de gerechte daden die hij gedaan heeft, zal geen rekenschap gehouden worden; maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij de rechtvaardige waarschuwt, opdat hij niet zondige, en hij zondigt niet, dan zal hij zeker le­ven, want hij heeft zich laten waarschuwen; en gij hebt uw leven gered”.

Dat is niet mis wat God hier tegen Ezechiël zegt. God heeft hem als wachter over Israël aangesteld en hij draagt daardoor een zeer grote verantwoordelijkheid. Als hij de hem opgedragen taak niet vervuld, zullen de gevolgen voor zijn rekening komen.

En nu gaan we over naar het Nieuwe Testament en lees u nu eens de gelijkenissen van de talenten en de ponden resp. in (Matt. 25:14-33 en Luc. 19:11-27).

Het is duidelijk wat Jezus met die gelijkenissen be­doelde. Zoals Ezechiël zijn verantwoordelijkheid had, als wachter over Israël, zo dragen wij als kinderen Gods, als Zijn discipelen, de verantwoordelijkheid over onze medemens. Wat wij van Hem ontvangen hebben mogen we niet voor ons zelf houden, mogen we niet renteloos laten liggen, maar daar moeten we mee gaan werken, dat moeten we uitdragen.

In Matthéüs, Markus, Lucas en Handelingen vindt u het zendingsbevel van Jezus aan Zijn discipelen. Aan alle volken moet het evangelie worden gebracht, ze moeten tot Zijn discipelen worden gemaakt en, zegt Je­zus: ”Leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”.

Dit bevel begonnen ze ten uitvoer te brengen na de doop met de Heilige Geest. Met de doop ontvingen ze de gaven van de Geest en traden deze in werking; de Heer bevestigde Zijn Woord met wonderen en tekenen.

Om een goede discipel van Jezus te zijn, een ware getuige van Hem, moeten we dus gedoopt zijn met de Heilige Geest. Jezus zegt: “Gij zult kracht ontvangen wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn”. Getuige van Jezus zijn door woord en daad. Geloof zonder de werken is dood. Satan tracht op allerlei manieren, dikwijls zeer sluw en listig, te verhinderen dat u Jezus’ opdracht uitvoert. De televi­sie, de sport, muziek, lectuur, enz. heeft hij tot ware afgoden gemaakt van de mensen. Verder weet u zelf wel waar u een slaaf van bent geworden. Onwil, laksheid, zogenaamde moeheid,(ik heb geen zin vandaag, ik zal morgen wel zien) zijn welbekende werkingen des vlezes, die u er van weerhouden werk voor de Heer te doen.

Besef wel, lieve lezers, dat door dat alles mensen­levens verloren gaan. Er zijn mensen die zelfmoord heb­ben gepleegd, zelfmoord komt veel voor, doordat ze toen ze raad en hulp zo hard nodig hadden, tengevolge van omstandigheden niet geholpen werden. Als deze “omstandigheden” in ons leven dan die zijn welke ik hier­boven heb genoemd, is het wel droevig. De Heer zal ons rekenschap vragen.

“Onthoud het goed niet aan wie het toekomt, ter­wijl het in uw macht is het te doen. Zeg niet tot uw naaste: Ga heen en kom terug, morgen zal ik geven – terwijl gij het hebt”.

 

Het Brood des Levens door Jan W. Companjen

“Jezus zeide tot hen: Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren, en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten”(Joh. 06:35)

Eén van de bekendste verzen uit Gods Woord is wel (Joh. 03:16): “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Vanuit dit Schriftwoord wil ik in dit artikel gaan doorgeven wat de Heer mij op het hart heeft gelegd. Ik ge­loof dat wij tezamen met alle heiligen mogen en zullen opwassen tot alle volheid Gods. Ik geloof dat Hij met Zijn Geest in u en mij meer zal gaan doen dan wij bidden of be­seffen, indien wij ons maar epenstellen en willen gaan luisteren naar datgene wat de Geest tot ons te zeggen heeft.

Het Woord van God is Geest en leven. Ook in de woor­den die hierboven zijn aangehaald speelt het leven de be­langrijkste rol. Jezus zeide: Ik ben het brood des le­vens, daartoe ben Ik in de wereld gekomen opdat zij, die in Mij geloven, eeuwig leven hebben.

Jezus kwam in de wereld, Hij kwam niet in de kerk, of voor de heiden; Hij kwam in de wereld. Een ieder die in die wereld, op die aarde van ons, verblijft, wil Hij eeuwig leven schenken door geloof in Hem. Heel het ge­loofsleven draait om Hem.

Zoals in de natuur alles is opgebouwd uit een aantal bouwstoffen bestaande uit kernen en elektronen, zo is ook in het bovennatuurlijke deze wet te vinden: namelijk in Jezus Christus die de Kern van al het geestelijk le­ven is. Om Hem draait alles, Hij is de Kern door de Vader daartoe zelf geformeerd. Buiten Hem is er in dat Konink­rijk geen andere bouwstof te vinden.

Juist om deze dingen gaat het, nu wij in deze eindtijd weer opnieuw aangedaan worden met Kracht van omhoog, als het ware opgenomen worden in de elektronenbundel die om Hem, Jezus Christus, heen draait.

Wij worden met Hem een machtig bouwwerk, één mach­tig atoom. Enig, in Hem zijn alle elektronen op Hem gericht. Die Kern zal nooit gespleten kunnen worden. Alle andere elementen, het natuurlijke, zullen ver­gaan, doch dat ene Geestelijke bouwwerk zal blijven bestaan.

Ik wil u allen uitnodigen om werkelijk weer eens Geestelijk te gaan denken en geloven. De mens is ge­schapen om te leven. Niet alleen een natuurlijk leven van eten, drinken, paren en bouwen, dat doen uitein­delijk de dieren ook, neen, leven op de wijze waartoe vrij geschapen zijn.

In het 6e hoofdstuk van Johannes, waarin het gaat om het Brood des Levens, vragen de mensen die Jezus volgden, wat zij moesten doen om de werken Gods te mo­gen werken (Joh. 06:28). Jezus antwoordde en zeide: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft. Zij worden teruggeworpen op Hem die door de Va­der gezonden is.

Deze boodschap zal centraal komen te staan. Alles wat Hem aangenomen heeft zal tot scheiding gedwongen worden doordat al het andere zal worden afgebroken. Organisaties, kerken, ambten, enz., die bepaalde ze­kerheden gaven zullen allen afgebroken worden. Zij zullen door het vuur dat reeds overal woedt vergaan als hooi, stro en stoppelen.

Het volkomene daarentegen zal aan het licht komen als goud door het vuur beproefd. Zoals de natuurlijke tempel te Jeruzalem afgebroken is, zo zullen ook de natuurlijke tempels in de heidenwereld afgebroken worden. Dit zeide Hij van Zijn lichaam, Zijn Lichaam zal na de afbraak van het natuurlijke opgestaan zijn en een volk zijn van koningen en priesters.

Een goed priester brengt volkomen offers. Hij bracht als Hogepriester van onze belijdenis een vol­komen zoenoffer voor onze zonden. Wij mogen als pries­ters in Zijn dienst dank- en vreugdeoffers brengen en dat zal Hij zien tot verzadigens toe.

Een goed koning ruimt alle afgodendiensten op. Zij breken de afgodsbeelden af, al lijken ze nog zo heilig. Denk aan de slang van Mozes. Zij slechten alle hoogten, dat wil zeggen zij ruimen alle herinneringen aan afgoden­diensten op. Zij ruimen alle vijanden van heit volk radicaal op.

Het gehele Oude Testament is ons in deze als voor­beeld geschreven. Zij geeft in het natuurlijke weer hoe onze geestelijke strijd moet zijn.

De mens is geschapen om te leven. Dit leven is ons in Christus geschonken. In Christus mogen wij het zout der. . aarde zijn en het licht op de kandelaar. Daarom roept Hij ons op in Hem te geloven als het brood des levens. Hij roept ons als het ware op om Hem geheel te aanvaarden en ons hele wezen met Hem te vullen zoals brood ons lichaam voedt en ons gehele lichaam bereikt door middel van het bloed waarin de voeding is opgenomen.

Zo wil Hij voor ons het brood des levens zijn. Dan zui­len wij, door Zijn Geest geleid, de werken Gods werken. Dan zullen wij het Goddelijke leven hebben. Voor God.de Vader leven wij dan pas als vrij een Geestelijk leven leiden, dan komen wij tot ons Goddelijke doel en dan kunnen wij pas over het natuurlijke heersen.          .

Reeds voordat Jezus tot Zijn discipelen zeide: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”, had de hoofdman te Kapérnaüm (Matt. 08:05-13) blijk gegeven dat hij de opdracht van Jezus begreep. Toen Jezus tot hem wilde komen zei hij: Spreek slechts één woord en alle machten en krachten zullen voor Uw woord moeten wijken.

Hij was hoofdman en zei tegen zijn knechten: Ga, en zij gingen; kom, en zij kwamen. Zo als hij zijn soldaten zond, zo zag hij Jezus als Heer over alle machten en krachten in de zienlijke en onzienlijke wereld.

Zijn antwoord heeft een machtige uitwerking en Jezus roept uit: Voorwaar, zeg Ik u, bij niemand in Israël heb Ik een zo groot geloof, inzicht, gevonden. Ik zeg u dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanlig­gen, als niet-Jood, met Abraham, Izak en Jacob in het Koninkrijk der hemelen, maar de kinderen van het Konink­rijk, voor wie het bestemd was, zullen uitgeworpen worden.

Er is een oplossing voor deze wereld, er is een op­lossing voor iedereen. Alle valse zekerheden zullen wegvallen, het natuurlijke voedsel zal niet meer voeden en er zal honger komen in het land. De geestelijke honger zal zéér groot worden, maar bij Jezus is er overvloed. Bij Hem zal er leven en overvloed zijn en dat alles om niet, net als bij Jozef, het geld wordt teruggevonden in de zak. De vleselijke broeders van Jozef zullen tot gehoorzaamheid gedwongen worden en voor het verkrijgen van voedsel Benjamin mee moeten brengen. Benjamin is in deze een type van de eindgemeente die vervuld is met de Heilige Geest. Benjamin is als Jozef uit een moeder, Rachel, geboren.

Alleen langs die weg is er behoud en uiteindelijk een machtige en uitbundige feestvreugde. Om tot dit grote doel te komen geeft Hij ons Zijn Geest. Daarom is ons de Geest uit God gegeven opdat wij weten zouden wat uit God is, opdat wij weten zouden wat Zijn weg is voor u en mij.

Hij kwam met Zijn Geest en door die Geest zal Hij ons leiden naar de volle waarheid.

Kom, sta op, Laat ons van hier gaan,

naar het Hemelse Jeruzalem, naar de berg Sion.

Sion, de stad der volken! (Psalm 87).

 

Positief geloof door Gert Jan Doornink

Wij leven in een wereld waarin de negativiteit hoogtij viert. Dit is heel begrijpelijk als we beden­ken dat de overste dezer wereld de duivel is.

Hij kwam de zonde, ziekte, dood, vrees en andere negatieve dingen in de wereld brengen. Dit was nooit Gods bedoeling geweest, want Hij had de wereld en alles daarop volmaakt geschapen.

In het scheppingsverhaal leest u niets over zonde en ziekte, over angst en dood, over zorg en twijfel. Daarom heeft de “overste dezer wereld” niet het laatste woord en zond God Zijn Eniggeboren Zoon Jezus Christus naar deze wereld om de duivel te ontwapenen en te overwinnen. De eindvernietiging van de duivel moet weliswaar nog plaats vinden, maar door de overwinning van Jezus heeft de mens reeds nu de mogelijkheid ont­vangen om te overwinnen.,

Dit is wonderbaar. Dit is een onvoorstelbare heer­lijkheid.’ Zodra wij Jezus Christus aanvaard hebben als Verlosser, heeft de duivel niet langer recht op ons le­ven. De Bijbel is op dit punt zeer duidelijk’. Paulus drukt het zo uit: “In Christus woont al de volheid der godheid lichamelijk: en gij hebt de volheid verkregen in Hem” (Kol. 02:09). “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in. het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wien wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden” (Kol. 01:13-14).

Vele kinderen Gods lozen deze en andere teksten. Ze vinden ze machtig en nochtans beleven ze er niets of weinig van. Ze geloven wel dat hun ziel gered is voor de eeuwigheid, maar hebben geen dagelijks overwinnings­leven. Hun geloof is zeer beperkt en veelal negatief. Hun geloof is gericht op de natuurlijke, zichtbare dingen en op de omstandigheden en situaties waarin ze geplaatst zijn.

Van een onwedergeboren mens is zoiets wel te ver­wachten. Immers ieder mens heeft geloof. Of hij het erkennen wil of niet, iedereen gelooft ergens in. Ook als iemand zegt “Ik geloof nergens in”, dan geeft hij daar­mee te kennen, dat hij wel gelooft ergens in, maar geen geloof in Jezus Christus heeft.

Als iemand gelooft in het bestaan van God en een an­der gelooft niet in het bestaan van God, dan hebben beiden geloof, maar het is verschillend gericht. In dit artikel wekken wij u op om positief te geloven, dat wil zeggen, het geloof in God, Zijn Woord, Zijn Zoon, de Hei­lige Geest en het feit dat wij door het geloof in Jezus een nieuw, Goddelijk, eeuwig leven ontvangen.

Nu komt het er op aan dat een wedergeborene ook in het dagelijks leven positief geloof openbaart. Het ge­loof wat wij van God hebben ontvangen moet “in werking” gesteld worden. Anders is het negatief, dood.

Het ligt niet aan God als er niets beleefd wordt van wat Hij beloofd heeft in Zijn Woord: gezondheid, overwinning, kracht, blijdschap, enz. Alleen positief geloof doet ons deze beloften beleven.

Negatief geloof richt zich op de omstandigheden, op alles wat de duivel ons voorspiegelt. En de duivel is een leugenaar, een dief en een moordenaar…..

Als wij positief geloven heeft dit heerlijke gevolgen in ons leven.

We beleven de overwinning over iedere aanval van de satan. We ervaren dat het waar is wat Jezus heeft gezegd in (Luc. 10:19): “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehe­le legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen”.

We zijn anderen ten zegen. Hoe zullen wij de men­sen kunnen opwekken om positief te geloven in Jezus als wij zelf dat geloof niet openbaren?

We zijn gered als Jezus komt. Terecht stelt Je­zus in (Luc. 18:08) de vraag; “De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?”

Jezus zal kerken, groepen, organisaties, gelovigen vinden als Hij komt, maar zal Hij het echte, positieve geloof bij hen vinden? Wat vindt Hij – als Hij op dit moment zou terugkomen – bij u? Dit is een zeer ernstige vraag. De komst van Jezus is zeer nabij en de nood van de wereld wordt steeds groter.

Laat u niet langer op één of andere manier binden door de vorst der duisternis, maar ga staan en hande­len in het positieve geloof wat Jezus u gegeven heeft. Alleen dan bent u een beelddrager van Jezus en heeft God een welbehagen in u (Heb. 11:06). Alleen dan bent u in de wil van God en kan Hij u ten volle in Zijn dienst gebruiken.

Door alle eeuwen heen zijn er mensen geweest die po­sitief hebben geloofd. De levende God vond dit geloof bij Luther en Wesley, bij Moody en Spurgeon, bij Hermann Zaiss en William Branham. En bij velen die nu leven en door de Heer machtig gebruikt worden. Maar vindt Hij het ook bij u???

 

“Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk” (2 Kor. 13:05).

1967.07-08 nr. 91

Levend Geloof 1967.07-08 nr. 91

De openbaring van Jezus Christus door Gert Jan Doornink

Lees Openbaring 1

Openbaring: Het boek van de eindtijd

De Openbaring van Johannes is het laatste Bijbelboek, naar zeker niet het minst belangrijk. Het is het boek van de eindtijd en juist daarom zeer belangrijk. Het gaat over de dingen die weldra moeten geschieden” (Openb. 01:01).

De scheiding der geesten, waarvan (Openb. 22:11) spreekt, zien wij in onze dagen in steeds sneller tempo in vervulling gaan. Aan de ene kant een wereld die hoe langer hoe neer wegzinkt in het moeras der zonde, aan de andere kracht de Gemeente van Christus die toeneemt in liefde en kracht. Ook binnen de Gemeente zien wij een scheiding van hen die vast willen houden aan zonden en dingen van de wereld, en aan de andere kant gelovigen die dwars door alles heen gehoorzaam willen zijn. Zij zullen spoedig de mannelijke rijpheid bereiken.

Degenen die niet mee willen “verder trekken” zullen de dingen uit Openbaring overdreven en onbegrijpelijk vinden. Maar de anderen zullen onder de leiding van de Heilige Geest meer en moor licht ontvangen over de ge­beurtenissen van de eindtijd.

(Openb. 01:03) zegt: “Zalig hij, die voorleest, en zij, die horen de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daar­in staat, want de tijd is nabij”. Er is dus een machti­ge belofte verbonden aan het bestuderen van het boek Openbaring. Maar- zoals iedere belofte in de Bijbel ver­bonden is aan een voorwaarde zo ook deze (Openb. 22:18-19) zegt n.l. “Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn”.

Velen hebben in het verleden fout genaakt dat zij eigen theorieën hebben opgehangen aan dit boek, met het gevolg dat er talrijke geschriften over de Openba­ring bestaan die elkaar tegen spreken. (Openb. 01:03) zegt echter zeer duidelijk dat we slechts moeten “voorlezen” en “horen” uit dit boek en de dingen “bewaren” moeten. Dit betekent dat we voorzichtig moeten zijn net oi<-on gedachten te verbinden aan de gebeurtenissen die ons beschreven worden. Talrijke sekten en dwaalleraars hebben in het verleden allerlei “toegevoerd”, terwijl een verwaterd, krachteloos Naam-Christendom veel heeft afgenomen” van dit boek. Alleen de Heilige Geest kan ons wijsheid en inzicht geven. In deze tijd nu de “la­te legen” begint te vallen zal er neer en moer licht konen over de nu nog duistere gedeelten van dit boek dat zo uitermate belangrijk is.

Het boek is gericht aan de zeven gemeenten in Asia. Johannes aan de zeven gemeenten in Asia”, (Openb. 01:04). Let speciaal op het getal zeven, dat in de Bijbel steeds het getal der volheid is.(God schiep hemel en aarde in zeven dagen; Noach moest van alle reine dieren zeven paar in de ark verzamelen; Farao droomde van zeven vet­te on zeven magere jaren; In de tabernakel brandden ze­ven vlammen op de kandelaar; Er waren zeven Kruis­woorden van Jezus; Hebreeën 6 spreekt van een zevenvoudig fundament; Hebreeën 12 spreekt er over hoe de gelovigen tot zeven dingen genaderd zijn, enz.

Het boek is dus van veel groter betekenis dan alleen voor de zeven plaatselijke gemeenten in Klein-Azië die reeds lang verdwenen zijn. Het is voor de Gemeente van Christus van alle eeuwen, maar in het bijzonder voor, de Gemeente van de eindtijd.

De openbaringen werden gegeven aan Johannes die zichzelf in vers 9 noemt: a.broeder, b.deelgenoot in de verdrukking, c.in het koninkrijk, d. in de volharding.  

Johannes is dus onze broeder en wij zijn een broeder van Johannes. Dit betekent dat wij ook aan de andere drie voorwaarden zullen moeten voldoen. Bent u een deelgenoot in de verdrukking? Of hebt u zoveel compromissen met de wereld gesloten, dat we helemaal niet meer verdrukt worden? Bent u ook deelgenoot in het koninkrijk? Dat wil zeggen brengt u door woord en daad het volle evangelie in toepassing? Doet u dezelfde dingen die Jezus deed en bent u daarin volhardend.

De openbaring van Jezus Christus

De titel van het boek zoals deze in de Bijbel is vermeld (De Openbaring van Johannes) is enigszins misleidend. Het is n.l. de Openbaring van Jezus Christus.

Aan Johannes, en dus ook aan ons.

Als we nu zien wat ons in dit eerste hoofdstuk verteld wordt, lezen we in (Openb. 01:10) dat Johannes in vervoering des geestes kwam op de dag des Heren. Hij hoort achter zich een luide stem en hij keert zich om teneinde die stem te zien. (Openb. 01:12) Dan ziet Johannes iets geweldigs. Hij ziet zeven gouden kandelaren, voorstellende de Gemeente van Christus (Openb. 01:20). Temidden van deze kandelaren (de gemeente) ziet Johannes Jezus Christus, wat hij als volgt beschrijft: Ik zag “iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel; en zijn hoofd en  zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam; en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijn mond kwam een tweesnijdend zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in zijn kracht (Openb. 01:13-16) Johannes ontvangt daar een geweldige openbaring van Jezus Christus! Het maakt zoveel indruk op hem dat vers 17 (Openb. 01:17) zegt: en toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten”. De reactie van Johannes behoort ook onze reactie te zijn! U zegt: ja, als ik ook maar eens zo’n visioen  kreeg.

Maar hebt u zich wel eens gerealiseerd dat het geschreven woord even belangrijk is als een visioen. Profetieën, openbaringen, dromen enzovoort. We zullen ze zelfs moeten toetsen aan het woord van God, en als ze daarmee tegenstrijdig zijn, terzijde moeten stellen. Maar Johannes beschrijft ons hier duidelijk wat hij zag. Kwam en hij laat ons meekijken. God, laat ons in Jezus Christus zien wie Hij is. Lees daarom veel in de evangeliën om een nauwkeurig beeld te krijgen. We moeten weten wie Jezus is en wat Hij deed toen Hij op aarde was, want wij zijn geroepen Zijn beeld te openbaren. We moeten dezelfde dingen doen die Hij deed. Wat Hij deed was de wil van God openbaren. Zijn hele optreden was enkel goedheid! Hij genas de zieken, Hij bevrijdde de gebondenen en Hij schonk de mensen het eeuwige leven. Ook wij mogen in Zijn Naam en onder de leiding van de Heilige Geest deze boodschap van volle verlossing uitdragen. “Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen”(Ef. 02:10).

Als we werkelijk met geheel ons hart Jezus willen volgen en we hebben uit zijn woord ontdekt wie Hij is’ en wat Hij deed, zal ook onze reactie, evenals die van Johannes, zijn dat we “als dood aan Zijn voeten liggen”. Dat wil zeggen, we zijn dan van ons zelf niets meer, maar Hij, de levende Heer, in ons, is alles!

Gehoorzaamheid

Johannes krijgt een taak, een opdracht. Hij moet op- schrijven wat weldra geschieden gaat. En hij is gehoor­zaam. Ook wij hebben gehoorzaam te zijn aan de grote op­dracht om een levend getuige van Jezus te zijn.

Er is geen tijd meer te verliezen. De wereld is in grote nood en Jezus komt spoedig weer. Nog is er volop gelegenheid on het evangelie van Jezus uit te dragen. Benutten wij ten volle de kansen die Hij ons geeft?. Openbaren wij door woord en daad Jezus Christus?

Wij behoeven niet bevreesd te zijn voor wie of wat ook. Want de Overwinnaar van Golgotha staat aan onze, zijde. Wat gebeurde er toen Johannes Jezus zag? “Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd……” Is dat niet machtig? Alvorens Johannes ook maar iets moest doen, klonk daar de liefelijke stem: “Wees niet bevreesd!”(Openb. 01:17).

De grote opdracht die Jezus gaf aan Zijn discipelen (en aan ons!) “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” werd omgeven door de machtige woorden: 1.”Mij is gegeven alle macht in he­mel en op aarde” en 2.”Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding dor wereld”(Matt. 28:18-20). Daarom kunnen wij onbevreesde Jezus Christus openbaren in een donkere, wegzinkende wereld.

De Gemeente van Jezus Christus zal spoedig de man­nelijke rijpheid bereiken. De Eindtijdgemeente zal een overwinnende gemeente zijn. Althans die gelovigen die oprecht en in gehoorzaamheid de Heer willen volgen. In Openbaring 2 en 3 eindigt datgene wat Johannes moet schrij­ven aan de zeven gemeenten steeds weer opnieuw met de woorden: “Wie overwint…..”

Wij hebben Jezus leren kennen, maar we zullen Hem voller, dieper moeten leren kennen. Hij wil geen 80 % naar 100 % van ons hart. Daarom zullen wij ons opnieuw moeten geven aan Hem en niets meer van ons zelf moeten zijn (“dood aan Zijn voeten”). Wij moeten overwinnen.

Alleen dan zullen wij Jezus ten volle openbaren en zal Zijn Naam op een machtige wijze in en door ons loven verheerlijkt worden. Dan zijn wij vruchtbaar in dienst van de Meester en zal Hij eens ook tot ons zeggen: “Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer”(Matt. 24:23).         

 

De verzoeking door J. Manschot, Amsterdam

Niemand wordt door God verzocht (Jak. 01:13). Neen, God verzoekt niet. Het is zelfs onmogelijk, dat God verzocht wordt. Daarom behoeven vrij ook nooit bang te zijn, dat God van Zijn plaats zal vallen. God is de eeu­wig onveranderlijke. Halleluja? De “expert” in het verzoeken is de duivel. De duivel zal altijd trachten ons met zijn mooie praatjes van God af te leiden, en als wij gehoor geven aan zijn stem, dan zal hij ons ver­leiden, ver bij God vandaan.

Hoe komt het toch, dat de duivel de kans heeft om ons te verleiden? (Jak. 01:14 zegt: zo vaak iemand ver­zocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en de ver­lokking van zijn eigen begeerte. Er is in ons, in ons vlees, (in onze oude mens), een begeren, een ver­langen naar dat, wat de duivel ons aanbiedt. De duivel probeert ons te grijpen in ons verlangen, in ons bege­ren. Ik wil dit met een voorbeeld verduidelijken. Stel, u kunt best wat geld gebruiken, ja, eigenlijk zit u er om te springen. De kinderen moeten nieuwe schoenen hebben, het kolenhok is bijna leeg, en ja, de keuken moet nodig eens een verfje hebben, want je schaamt je naar als een ander die schunnige boel ziet. Maar alles is ook even duur. Het valt echt niet mee om de eindjes aan elkaar te knopen. Maar nu doet er zich onverwachts een prachtige gelegenheid aan u voor. Zo maar ergens ligt een briefje van honderd voor het grijpen. U kunt het nemen. Er zal geen haan naar kraaien on u bent tenminste uit de nood. Uw verlangen gaat uit naar dat briefje van honderd. Nu is de duivel er als de kippen bij. Hij zegt: “Neem het toch. Je hebt het immers nodig, niemand ziet het, niemand mist het. Steek je hand uit en stop het vlug in je zak, dan ben je tenminste uit de zorgen. Je kunt je kinderen toch niet langer met die schoenen laten lopen, on……. en je hebt er nog niet eens aan gedacht, dat je binnenkort ook nog een behoorlijk bedrag aan belasting moet betalen. Neen het nu vlug en je bent uit de nood. Toe nu, aarzel niet langer, pak het. Zo meteen is het te laat”.

O, u zou het best willen nemen, want u hebt hot ei­genlijk wel heel hard nodig. Wat doet u nu? Zegt u ja tegen de duivel?

Vers 15 van Jakobus 1 (Jak. 01:15) zegt: Daarna als die begeerte be­vrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is brengt zij de dood voort.

Bevruchting is het samensmelten van twee cellen. Na het samensmelten, de bevruchting, vindt er baring plaats. De duivel zegt tegen u: Ja, neem dat bankbiljet toch”. Wat is uw antwoord daarop? “Ja, ik doe het”? Laat u nu uw “ja” samensmelten met het “ja” van de dui­vel? Dan is daar dus de bevruchting, die zonde baart. En als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.

Of, is uw antwoord “neen”? Als u “neen” durft te zeggen tegen satan, dan kan daar onmogelijk bevruch­ting plaats hebben, want, zegt het Woord van God: We­ersta de duivel vast in het geloof, en hij zal van u vlieden.

Uw “neen” en het “ja” van de duivel kunnen niet sa­mengaan, kunnen niet samensmelten, want zij staan lijn­recht tegenover elkaar, ja, nog sterker is het. Uw “neen” zal de duivel op de vlucht jagen. Weet u waarom? Omdat achter uw “neen” de autoriteit staat van Jezus, die de machten der duisternis overwonnen heeft op Golgotha. Daar is kracht in het bloed van het Lam.’ Halle­luja.’ Jezus overwon satans macht!

 

Hoe loopt u? Waar loopt u? door J. Th. Kuyck

“Misschien is het mogelijk ons in een serie korte ar­tikelen iets over uw geloofs en levenservaringen te schrijven met een praktische toepassing voor nu”, dat was de vraag.

Als je 75 jaar bent, heeft een mens levenservaringen genoeg. Als je van die 75 jaar ruim 50 jaar een kind van God bent kun je ook geloofservaringen genoeg hebben. Maar om een praktische toepassing voor onze tijd, zo vol van verwarring en overal opstand tegen de bestaande dingen, te vinden uit een leven dat zo heel anders was dan hel­leven van nu, dat is niet zo eenvoudig.

Zo heel anders. Is dat zo?

Ja naar, die jeugd van tegenwoordig dan?

Is die zo heel anders dan wij waren?

Ik geloof het niet, naar wat ik wel geloof is, dat zij het veel moeilijken hebben, dan dat ik het had toen ik zo 17-18 jaar was. Waarin was mijn jeugd dan gemakkelijker?

Wel, mijn kleinkinderen, kleinzoon 16 jaar, kleindoch­ters 14 en 11 jaar, gaven mij gisteravond, toen ze moe en warm even bij me uitpuften, het antwoord. Ze hadden alle drie meegelopen in een avondvierdaagse; de meisjes bij de middelmoot 20 km, Hij, vooral net een hoofdletter, met de volwassenen 5 km meer. De jongste verdween al gauw naar bed, de twee oudsten kibbelden even nog na. Zij: “Hou jij je mond naar”. Hij: “Hou ja, maar jullie liepen toch rot” waarop zij weer: “Jij kunt makkelijk praten, jij liep met de soldaten mee, Esther en ik liepen maar zo “in een groep”.

Wij liepen in onze jonge jaren met de soldaten mee in een gelijkmatige vaste pas, onze jonge mensen van nu kiezen zich zelf een groep en we verwachten van ze, dat ze in die groep zelfdiscipline genoeg zullen kunnen op­brengen, dat ze zonder dwang van buitenaf toch in de pas blijven. Achter de soldaten loop je makkelijker 25 km dan zomaar in een groep 20 km.

We namen de steun, die wij toch altijd nog hadden aan het “dat mag niet” weg en verwachten dat ze staande zullen blijven en als ze struikelen schudden we onze hoofden: “die jeugd van tegenwoordig toch. En dan die provo’s in Amsterdam, foei”.

Er zaten er vier in mijn kamer, nog niet zo lang ge­leden. Ze hadden zich netjes gewassen voordat ze bij me kwamen, want Oma, zoals men mij hier langzamerhand alle­maal gaat noemen, is al oud. Hun haren waren niet zo lang, hoogstens een beetje modern geknipt, maar provo­ceren deden ze wel.

“Ja maar, luistert u nou eens”.

Ik ben een en al gehoor, maar terwijl ik luister naar hun jonge, felle stemmen glijden mijn gedachten terug naar heel lang geleden. Ik ben nog maar zo’n heel klein ding, eerste klas van de grote school en iedereen om me heen is heftig. Zowel thuis als op school. Iedereen praat over oorlog, want de boeren uit Trans­vaal zijn een soort broeders van ons, een volk dat Hol­lands spreekt, net als wij. Ik ben niet gelovig opgevoed maar ik zei, dat hoorde nu eenmaal zo, s’ avonds wel een soort gebedje op, waar ik trouw achteraan zei: “En lie­ve Heer, slaat U alsjeblieft alle “rooineks” dood, dan zal ik altijd zoet zijn”. Hij heeft Belgen, zijn over onze grenzen gekomen en ik ben even vuur en vlam tegen die “rot moffen” als deze jonge mensen zich druk naken over Vietnam en het is in die onrustige tijd onrustig ook voor mijn ziel, totdat ik in aanraking kom net het Evangelie.

Ik ga mee naar een samenkomst en daar spreekt iemand over (Jer. 29:05-07:”Bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan”, enz. Dat zegt God tegen mensen in ballingschap. “Ik weet welke gedachten Ik over u koester, gedachten van vrede en niet van on­heil, on u een hoopvolle toekomst te geven” (Jer. 29:11) Die morgen boog ik voor deze God en als ik enkele dagen later me laat dopen, ben ik de enige vrouw daarbij. Met mij worden zes Belgische soldaten gedoopt. Zij waren, hier als krijgsgevangenen en vonden hier hun Heiland, God had gedachten des vredes over hen.

“Maar luistert u nu. Je kunt toch niet onverschillig blijven bij Vietnam”. Onverschillig? Nee natuurlijk niet, dan zou ik net als Kaïn zeggen: “Ben ik mijns broeders hoeder?”

Kaïn – Abel, wij zijn niet veranderd, nog altijd strijdt de ene mens net de ander, doodt de een de ander, vlese­lijk of geestelijk.

En ook: “Nog altijd is God dezelfde”.

Als Kaïn zijn zonde ziet en tot de Here zegt: “Mijn misdaad is te groot om de straf te dragen”, zegt God: “Geenszins”.

Zo groot als wij onze zonden zien, zo groot is ook Gods genade.

“Want indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven”(1 Joh. 01:09)

Teveel zonden? “Geenszins”. Uw zonde te groot? “Geenszins”. Hij vergeeft ons onze zonden niet alleen, Hij reinigt er ons ook van.

Wij zijn niet anders dan Kaïn en Abel waren, niet an­ders dan die oorlogvoerende broedervolken in Vietnam. En ik ben ook niet anders geweest in mijn jonge jaren, dan de jeugd van nu. Ik liep wat meer in het gelid van al die soldaatjes om me heen en niet in de moeilijk vol te houden pas van zomaar een groep, zomaar een gedachtegang. Voor mij werd de weg, de stap uitgestippeld, de jeugd van nu moet dit alles zelf zoeken. Zij hebben het zwaarder om de juiste weg te vinden, dan dat ik het had, maar ze zijn niet anders.

Niet anders dan Kaïn en Abel.

Maar God is ook niet anders geworden. Hij is nog altijd klaar om te troosten, te vergeven en te reinigen. Al on­ze tekortkomingen kunnen wij bij Hen brengen. Zijn het er teveel? Hij zegt nog altijd: “Geenszins” ‘

 

Gemeente zijn door Dirk A. Wols

Het gemeente van Jezus Christus zijn is een door de eeuwen heen moeilijk verstaanbare zaak geweest. Sommi­gen onderscheiden het lichaam van Christus en de gemeente, naar de Heilige Schrift kent dit onderscheid niet. Integendeel. “Gij nu zijt het Lichaam des Heren en elk voor zijn deel leden, elk afzonderlijk leden ten opzichte van elkander”, aldus Paulus aan de Romeinen en Korinthiërs. De Schrift laat dus gemeente en lichaam ineenvloeien.

Er is natuurlijk wel een reden voor dat men naast de gemeente nog een apart, onzichtbaar, mystiek lichaam van Christus heeft. Dat onzichtbare is dan het volmaakte, naar het zichtbare (de gemeente) vertoont dan nog allerlei gebreken die het Lichaam niet kent. Deze vlucht in het onzichtbare is echter naar een kwalijke zaak en een soort troost voor het onvolmaakte hier be­neden. Het onzichtbare verliest echter zijn waarde als er op aarde geen zichtbare projectie van gezien wordt. Immers, Jezus verbond het “in de hemel binden” met het “binden op aarde”, en het ontbinden in de hemelse ge­westen wordt op aarde gezien doordat “het” op aarde óók ontbonden is.

Iemand de zonden vergeven heeft dus dezelfde kracht als tot een lamme te zeggen: “Sta op en wandel”. Jezus heeft hiermee duidelijk aan willen tonen, dat er wat de uitwerking betreft, geen verschil is tussen het één of het ander. Het vluchten in het onzichtbare is niet aan de hand der Schrift aan te tonen of de normale gang van zaken te noemen.

Het onzichtbare is niet zonder schade en scheefhangen van het zichtbare te scheiden. Wie zegt: “Ik heb God lief”, doch zijn broeder haat, is een leugenaar. De apostel zegt dat dat niet kan. Zijn broeder heeft hij gezien en God niet. Hij moet niet dwaas vluchten in een onzichtbare liefde voor God en Verblijven in oen zicht­bare haat voor broeders of zusters.

Haat wil niet zeggen dat je iemand de ogen kan uitsteken van nijdigheid. Als Jezus zegt: “Wie vader of moe­der of vrouw of kinderen niet haat on Mij navolgt is Mijns niet waardig”, dan wil Hij hiermee niet zeggen dat wij on­ze familie onwel gevoegelijk zouden mogen bejegenen. Het wil alleen zeggen dat wij hen niet boven Jezus moeten stellen en Jezus altijd de eerste plaats moeten geven bo­ven hen. Afstand houden. Indien wij dus afstand houden van onze broeders in Jezus dan kunnen wij ook niet met recht God liefhebben.

Daarom is scheuring en scheiding tussen Christus gelovigen een dieptreurige zaak die ons allen ter harte moet gaan. Zalig de vredestichters.

Het gemeente-zijn is ook niet slaafs elkander navolgen Toen Petrus vroeg: “En wat zal deze wijzende op Johannes, zeide Jezus: “Wat gaat u dat aan”. Laat ieder zich dus met zijn eigen zaken bemoeien. De één is geen meester over de ander, Petrus wilde wat bemeesteren, maar kreeg de kous op de kop. “’t Gaat je niets aan, Petrus, wat er met de ander gebeurt”. Want wij zijn geen meesters ten opzichte van elkander. Want niemand zult gij op aarde uw Meester noemen, want één is uw Meester in de hemel, uw Vader.

Wij zijn leden van het lichaam ten opzichte van elkan­der. Leden, die onverbrekelijk (zo hoort het) aan elkan­der verbonden zijn, maar niets over elkander hebben te zeggen, maar de orders ontvangen vanuit het centrale hersenstolsel, namelijk ons Hoofd en dat is Christus. Daarom staat ieder in levend contact met dat Hoofd en de bedieningen (apostel, profeet, evangelist, herder, le­raar) zijn er slechts om ieder der leden te verbinden aan één Man, namelijk Christus en niet om er voogdij over uit te oefenen.

Wij zijn leden ten opzichte van elkander, maar ook weer niet om elkander na te apen. Toen ieder zijn bezit ver­kocht wilden Ananias en Sapphira met de “mode” meedoen. Zij verkochten een eigendom maar hielden iets van de op­brengst achter. Zij wekten evenwel de schijn dat zij alles aan de voeten der apostelen brachten. En dit vertoon van schijn ophouden bracht over hen het zware oordeel des doods. Pe­trus zegt: “Als het onverkocht gebleven was bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet ter uwer beschikking?” Zij waren vrij te handelen met het hunne naar believen, maar het mee willen doen, het doen alsof dracht hen ten val.

De gemeenteleden behoren niet te fungeren als dier­bare jaknikkers en na-aperij is rechtstreeks uit de hel. Men moet beslist de 10e niet geven omdat de ander het ook doet, en als men iets verder is moet men zijn goed niet delen om de mode, naar omdat het hart in vlam staat voor God on Zijn Gemeente en als logisch “natuurlijk” gevolg daarvan ook voor zijn naaste.

Het gemeenteleven is niet eenvormig. Integendeel. Het zich scharen om één persoon, on één visie, anders dan het zevendelig fundament is tenslotte ten dode ge­doemd. Men zoekt dan voor zichzelf volgelingen in­ plaats van anderen aan Hen te verbinden.

Het gemeenteleven doodt in geen enkel opzicht (als het goed is) de werking der afzonderlijke leden. Ieder die tot welzijn van allen wil werken als dool van Zijn lichaam behoort daartoe gelegenheid te hebben, on niet onderdrukt te worden door bekrompen éénvormigheid.

Al met al zien we, dat voor het vlees het gemeente – zijn een zeer moeilijke zaak is. Als er jonge kinderen geboren worden in Christus zijn zij nog vleselijk en als vleselijke kinderen zoeken zij ruzie onder elkander, om eer, om geld, om de meeste aanhang van hun visie. De apostel vraagt: “Als er nog twist en nijd is onder u, zijt gij dan niet vleselijk en wandelt ge niet naar de mens?”

Geestelijke Christenen zoeken de eer van hun Mees­ter. Van vleselijk moeten we dus geestelijk worden. Op­wassen. Als we dat zijn is de vlucht in het onzichtbare niet meer nodig. De één zegt: “Ik ben van Paulus”, de ander zegt: “Ik van Petrus”, een derde zegt: “En ik van Christus. De apostel wil van deze partijschappen ech­ter niets weten. “Alles is het uwe, en gij zijt van Christus”. Weg met de partijschappen.

Er is trouwens werk voldoende on positief te werken in plaats van negatief zich tegen elkander af te zet­ten. Wij hebben werk der liefde voor u als iets posi­tiefs wilt doen om het rijk der hel te verdelgen. De Heer verheffe u boven de twisten van het volk, want gij zijt geroepen tot dienstbetoon. Als de Heer vertoefde gingen de dienstknechten elkander on de oren slaan met allerlei dierbare of minder dierbare waarheden. Maar welgelukzalig de slaaf, die daar niet aan meedoet, maar energie alleen verbruikt in dienst aan God on de naaste. Want het eerste gebod is God liefhebben bovenal en de naaste als zichzelf’.

Als we naar deze norm leven hebben we geen tijd meer voor haarkloverijen naar jagen we voort naar het open­baar worden der zonen Gods nu en niet in een verre nog ongrijpbare toekomst.

Werk naar het vasten dat de Heer verkiest en wel:

De boeien der goddeloosheid losmaken.

De banden van het juk ontbinden.

Verdrukten vrijlaten.

Elk juk verbreken.

Voor de hongerigen uw brood breken.

De arme zwerveling in uw huis brengen.

De naakten bekleden.

U niet onttrekken aan uw familie en landgenoot.

Glorie voor Jezus! Strijd de goede strijd des geloofs!

 

Wankelbaar of onwankelbaar door J. Noë

”Want een ander fundament, dan dat er ligt, name­lijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Is er ie­mand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi of stro, ieders werk zal aan het licht komen.: Want de dag zal doen blijken, omdat Hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is dat zal het vuur uitmaken. Indien het werk, dat hij er op gebouwd heeft, stand houdt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hijzelf zal gered worden, maar als door vuur heen” (1 Kor. 03:11-15).

Naar aanleiding van de gebeurtenissen in het Midden-Oosten, waar Israël weer voor zijn bestaan moest vechten en wat had kunnen leiden tot een derde wereldoorlog, leek het mij gewenst, aangezien we leven in de laatste der dagen, onze aandacht te bepalen op, de verschrikkelijke dingen die komen zullen en of wij dan waarlijk als getuigen van Christus optreden en als lichten in de duisternis zullen zijn.

Bovenstaande tekst geeft duidelijk aan wat voor maaksel wij moeten zijn om te kunnen stand houden in de grote verdrukkingen. In verband hiermee zou ik u te­vens willen verwijzen naar hetgeen Jezus zegt in (Matt. 07:24-27 en Luc. 06:46-49) over “Tweeërlei Fundament”. Ik noem het gedeelte uit Lucas;

“Wat noemt gij Mij Here, Here, en doet niet wat Ik zeg? Een ieder, die tot Mij komt en Mijn woorden hoort en ze doet, Ik zal u tonen wie hij gelijk is. Hij is gelijk aan iemand, die bij het “bouwen van een huis diep gegraven en het fundament op de rots gelegd heeft. Toen een watervloed kwam en de stroom tegen dat huis aansloeg, kon hij het niet aan het wankelen brengen, omdat het goed gebouwd was. Doch wie hoort en het niet doet, is gelijk aan iemand, die een huis op de grond bouwt zonder fundament. Toen de stroom daar tegenaan sloeg, stortte het terstond, in en het huis werd een grote bouwval”.

Jezus legt de nadruk op dat bij het bouwen van een huis het fundament onmisbaar is en dan gelegd op goede bodem. Paulus heeft het er over, dat, het bouwwerk op dat fundament, dat dus Jezus is, tegen alle stomen be­stand moet zijn. Het komt dus in feite hierop neer: Is ons geloof zo krachtig, dat wij staan als een rots in de branding, als de duistere nachten op ons af stomen in wat voor vorm ook?

Gods Woord zegt dat wij in de eindtijd heel wat te verduren zullen krijgen en dat vrij die tijd ingaan nu en niet over duizend jaar, staat als een paal boven water.
Verschillende openbaringen en profetieën dienaangaande zijn er geweest. Lees in verband hiermee (Joël 02:28-32)
De tijd van Jezus wederkomst is nabij’! Als u eens nauwkeurig aandacht schenkt aan hetgeen om u heen in andere landen en in de gehele wereld gebeurt; tuchteloosheid, wetteloosheid, aardbevingen, hongersnood, oor­logen, enz. en u zoekt eens op in uw Bijbel de rede van Jezus over de laatste dingen in Matthéüs, Marcus en Lu­cas, dan kan het niet anders of u zult tot nadenken ge­bracht worden.

Misschien oppert u zoals vele anderen: Oh, dat was vroeger ook zo, zolang als de wereld bestaat, dat is niets bijzonders. Maar u moet toch wel ziende blind zijn om niet te kunnen constateren, dat de gebeurtenissen, van welke aard ook, die in de laatste jaren hebben plaats ge­vonden en nu plaats vinden, zodanige omvang hebben aan­genomen, dat ze duidelijk een bevestiging zijn van datgene, wat God in Zijn Woord heeft gezegd.

Nadat Jezus in Zijn rede gezegd heeft, dat Zijn uitver­korenen verzameld zullen worden, voegde Hij er aan toe: “Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wan­neer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur”. Alleen de dag en het uur is verborgen bij God. : “En”, zo gaat Hij verder, “het zal zijn als in de dagen van Noach. Want zoals zij in de dagen voor de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk ge­vende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen weg­nam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn” .

En zo geschiedt het heden ten dage. Voor wat de wereld betreft is dit volkomen te begrijpen, want ze trekt zich van God en Zijn gebod niets aan, naar helaas is dit ook van toepassing op de kerken. Velen zijn geestelijk dood en dwalen steeds neer af. Openbaring 17 en 18 geeft duidelijk aan, wat er met een kerk, die verworden is tot een zuiver menselijke instelling, die de wereld gelijkvormig is geworden, met uiterlijk vertoon optreedt, Gods Woord verkracht en zich volkomen onttrekt aan de leiding van de Heilige Geest gaat gebeuren. Dit is de valse kerk, de hoer van Babel, een werk van satan. Deze valse kerk vervolgt de -ware Kerk (ga de geschiedenis naar na) en zo staat er: “Ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus”. Haar einde is verschrikkelijk, want, zo vermeldt de Schrift, (de wereld, de antichrist) zullen de hoer haten, ze zullen haar berooid maken en naakt, haar vlees eten en haar met vuur verbranden”. Ze wordt in de poel des vuurs geworpen, het eeuwige dodenrijk.

Voor hen, wier ogen zijn opengegaan en Jezus niet willen verloochenen, zegt God; Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen. Dit is dus een zeer ernstige waarschuwing

En nu komen we weer terug op het Schriftgedeelte, waarmee we dit artikel geopend hebben, en dat betrek­king heeft op hen, die Jezus als fundament in hun hart hebben. Door de Heilige Geest wordt de ware Kerk (Ge­meente), het lichaam van Christus, openbaar en satan zal alles in het werk stellen on haar te vernietigen. De Openbaring windt daar geen doekjes om. Deze grote strijd is een zuiver geestelijke strijd, speelt zich af in de hemelse gewesten, in de onzichtbare wereld, maar op aarde zal het verloop en de gevolgen van deze strijd in en door de mens zichtbaar worden. Alleen door de Heilige Geest kunnen wij satan weerstaan en daartoe moeten wij gedoopt worden in Zijn Geest. Jezus zegt: “Gij zult kracht ontvangen als de Heilige Geest over u komt en gij zult Mijn getuigen zijn”. Dat is zowel in de zicht­bare als in de onzichtbare wereld. Getuige van Chris­tus zijn wil zeggen, dat zowel de gaven als de vruchten van Zijn Geest aan het licht treden en wij als overwin­naars staan tegenover alle duistere machten. In het uur van de grote beproeving zal blijken, dat op het fundament Jezus, een bouwwerk is verrezen opgetrokken uit goud, zilver en kostbaar gesteente, onverwoest­baar, onwankelbaar. Halleluja!

Hiermede is feitelijk het andere gedeelte van de in hoofde genoemde tekst beantwoord. Als wij Jezus aange­nomen hebben, maar zijn niet tot verdere geestelijke ontwikkeling gekomen, hetzij door gebrek aan kennis, door ongehoorzaamheid of ongeloof en daardoor de overweldigende rijkdom, die Hij in Zijn Woord ons schenkt, niet hebben ontvangen (u geschiede naar uw geloof),dan zijn we wankelbaar en zullen wij schade lijden in de ure der beproeving. Ons bouwwerk opgetrokken uit hout, hooi en stro zal door het vuur (de vijand, de duistere machten) volkomen worden verbrand, maar het vuur kan het fundament niet aantasten, want dat is Jezus. “Als iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hijzelf zal gered worden, naar als door vuur heen”.

 

Christus alles in allen door Jan W. Companjen

“Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat vrij in dezelfde zouden wandelen”(Ef. 02:10).

Geloofd zij de Naam van onze Heer en Heiland Jezus Christus die ons geschapen heeft tot een nieuwe schep­ping waarin Hij Zich verheerlijken wil. Is dat niet een machtige boodschap en is dat niet een machtig verge­zicht? Is het niet grandioos dat de mens tot zijn doel kan komen? En dat allemaal door het geloof in Hem.

Het is een gloeiende en gistende massa waarin zich momenteel de geloofswereld bevindt. De scheiding der geesten is in volle gang. Klaar en duidelijk tekenen zich de nieuwe grenzen reeds af. Aan de ene kant de massa die steeds verder afdwaalt van het machtige geloof dat bergen kan verzetten en de wereld overwinnen zal. Dat steeds meer gaat trekken aan Gods Woord en steeds meer en duidelijker gaat belijden dat Gods Woord, de Bijbel, met een korreltje zout genomen moet worden, dat Adam als Gods Zoon nooit bestaan heeft, dat zo ongeveer alles uit de eerste hoofdstukken van Genesis als een mythe moet worden beschouwd, omdat de mens nooit goed is geweest. De mens is steeds een zondig en natuurlijks schepsel ge­weest en de zogenaamde zondeval moet dan ook naar het land der fabelen ‘worden verwezen. Predikanten uit onze vaderlandse kerken krijgen deze theorieën reeds lange

tijd voorgeschoteld op de universiteiten en velen van hen menen dat thans de tijd rijp is om ook het kerkvolk op deze wijze voor te lichten. Door deze dingen hebben zij, die dit doen, het godsdienstige leven tot een ge­wone natuurlijke zaak gedegradeerd. Hot Goddelijke, het bovennatuurlijke, dat de Schepper van hemel en aarde een mens formeerde en daarin Zijn eigen Geest blies, wordt zonder meer van de baan geveegd en teruggebracht naar het natuurlijke vlak dat de mens door een bepaal­de evolutie is ontstaan. Deze ontwikkeling, zeggen de­ze theologen, was ten tijde van Abraham zo ver gevor­derd dat God in Abraham een mens gevonden had waarme­de Hij spreken kon.

Door het stellen van de zaken zoals hiervoor omschreven blijft er niets over van de verlossende kracht die er is in Jezus’ bloed, blijft er niets over van de Bijbelse boodschap dat Jezus Christus als laatste Adam de zonde van de wereld wegdroeg, dat Hij de Boom des levens is uit het paradijs en dat een ieder die van Hem eet, het eeuwige leven heeft. Dat Hij het grote of­ferlam is waardoor de mens die door de zonde van één mens viel, weer een nieuw maaksel kan zijn zoals in ons boven aangehaald tekstwoord is omschreven.

Wij mogen blij zijn dat de Geestelijke zaken eens een keer duidelijk gesteld zullen gaan worden. Eeuwenlang is het gehele Godsdienstige leven op de mens persoon­lijk gericht geweest. Jezus stierf voor onze zonden en dat hield ongeveer in dat de mens die dit geloofde kon doorleven met deze troost en dat al de andere be­loften die ons in Gods Woord, geschonken werden en waar o.a. Paulus naar jaagde, verwezen werden naar het hiernamaals. De mens was en bleef hier een arme zon­daar, een grote nul, die voor niets anders deugde dan een kwijnend bestaan tussen hoop en vrees. Prijs de Heer dat al deze valse leringen thans doorbroken gaan worden en dat Jezus Zich zal gaan verheerlijken in hen die Hem toebehoren. De mens zal weer antwoord kunnen geven op de vraag of hij de Heilige Geest ontvangen heeft en hij zal weer weten dat zijn lichaam een tempel van deze Geest is.

Het huis Gods is niet een stenen gebouw doch is het volk Gods. Zij zijn persoonlijk stuk voor stuk levende stenen waarvan Hij Zijn Huis bouwen zal. Jezus leeft en de Zijnen zul hem weer zien. Zij zullen Johannes 14 – 17 begrijpen. Het werk van de Trooster is allesomvattend. Die trooster zal bij hen zijn als Jezus Zelf. De wereld, dat zijn zij die vleselijk zien, ziet Hem niet meer, doch zij die geestelijk geworden zijn door Zijn Geest die in hen woont, zullen Hem inniger en heerlijker ervaren als ooit tevoren. Die vrede (Mijn vrede geef Ik u) zal door nie­mand geroofd kunnen worden. Die Geest zal een band sme­den die onverwoestbaar is. Wij zullen daartoe, echter rechtsomkeert moeten maken en afscheid moeten nemen van al ons vleselijke gedoe en onze vleselijke overleveringen die een mengelmoes van gedachten heeft teweeggebracht. Indien wij ons niet alleen richten op Hem als onze enige Heer, zullen wij nooit uit deze verwrongen gedachtewe­reld verlost worden.

Jezus beloofde Zijn volgelingen een nieuw leven, een leven in gemeenschap met Hem. Hij zou Zijn volk leiden zo­als een hoofd het ganse lichaam bestuurt. De eerste dis­cipelen hebben dit goed en duidelijk begrepen. Zij baden alsof Jezus Zelf persoonlijk vervolgd werd. Zie o.a. (Hand. 04:26) v.v. Zij baden daar eendrachtig en baden daar God de Vader dat in Jeruzalem vergaderd waren de koningen der aarde tegen de Heer en Zijn Gezalfde on het werk voortgang te laten vinden waartoe zij als Zijn dienst­knechten geroepen waren. Zij doen een beroep op de Naam van het Heilig Kind Jezus wiens vertegenwoordigers zij zijn. Let eens op vers 27 (Hand. 04:27) waar staat: Want inderdaad zijn vergaderd tegen uw heilig Kind Jezus, welke Gij ge­zalfd hebt, beide Herodes zowel als Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken van Israël. Zij bidden tot God de Vader, als uit Jezus’ eigen mond dat tegen Hem verga­derd zijn alle volken zowel heidenen als Joden. Dit is heus geen vergissing, ook de Here Jezus Zelf spreekt als uit éen mond. Op de weg naar Damascus wordt Saul toege­sproken net de woorden: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij. De Here Jezus zegt niet: Wat vervolgt gij Mijn volgeling­en, neen, Hij zegt: Wat vervolgt gij Mij.

Geliefden in onze Heer. Naar deze gemeenschap worden wij weer terug geleid. Wij worden verlost van al het val­se spel der mensen dat tot dwaling verleidt, bewust en onbewust. Het menselijke bouwsel, de menselijke tempel, zoals die tot op heden hoogtij heeft gevierd, wordt af­gebroken. Deze afbraak zal zeer snel plaats vinden. In de Rooms-Katholieke kerk is men reeds zover dat men homoseksuele huwelijken sluit en ik verzeker u dat binnen enkele jaren deze huwelijken ook in de zogenaam­de Protestantse kerken bevestigd kunnen worden. Stemmen in deze richting zijn reeds lang opgegaan. Al deze ding­en zullen er echter toe bijdragen dat de ogen van hen die het eeuwige leven zoeken zullen open gaan en zij zich zullen bekeren tot Hem die dé Weg, de Waarheid en hét Leven is.

De wereld, ook de Godsdienstige, wil van Jeruzalem een internationale stad maken waar alle godsdiensten hun eigen heiligdommen kunnen handhaven. Er zal dan plaats zijn voor de Joodse godsdienst, voor de Christe­lijke godsdienst en ook voor de Mohammedaanse godsdienst. Alle grote godsdiensten zijn dan in die stad bijeen ge­bracht. Dit is het menselijke streven. Elkaar in lief­de verdragen en erkennen en er zal vrede zijn, zo denkt men. Nimmer is echter de verwarring groter geweest en het zal er op uit lopen  dat er weer een biddend volk opstaat dat tot de ontdekking komt dat Jezus nog steeds afgewezen wordt. In het gehele godsdienstige plan rond Jeruzalem, rond de Wereldraad van Kerken en de Rooms Katholieke plannenmakerij is er geen plaats voor Hem die de Koning der wereld zal zijn. Eens buigt zich ook alles voor Jezus in ’t stof. Eens zullen Jood en heiden ontdekken wie zij nog steeds doorsteken en afwijzen als hun Heer en Heiland, die hun verlossen wil van alle zonden maar hen ook leiden wil door Zijn Geest. De Vader heeft Hem daartoe aangesteld (zie Hand. 02:36), De Vader heeft Hem aangesteld en Hij geeft een ieder die Hem gehoorzamen wil Zijn Geest der belofte.

Ik wil u oproepen on deze dingen te onderzoeken. On­derzoek Gods Woord en u zult’ ervaren dat Hij ook u roept om te overwinnen. Ontworstel u, overwin hot vlees en kom tot een Geestelijk leven. U zult gaan ervaren dat dit loven, dit Geestelijke leven, het leven is. Voor God de Vader zijn wij dood zolang wij nog niet opgestaan zijn tot Geestelijk leven.

Wij leven in een overgangstijd. Er zijn nog veel vra­gen en er zijn nog veel tegenwerkende krachten die alles bij het oude willen laten of die nog steeds zelf aan het bouwen zijn. In Christus zijn wij één lichaam, door die Geest van Hen zijn wij tot één lichaam gedoopt, dat lichaam hoeven wij niet te vormen, dat is er en het zal openbaar worden. Het verlangen naar een goed functionerend lichaam is allerwegen reeds zo groot, dat wij ook zeer zeker spoedig zullen gaan ontdekken dat wij elkaar in en door alles hard nodig hebben. Dit is Zijn werk en Hij zal het ook doen. Amen.

 

Uit brieven van lezers

Broeder H. Spaan te Harderwijk schrijft:

Prijst de Naam van Jezus voor de stijgende lijn waarin de boodschap van uw maandblad “Levend Geloof” zich bevind. Wij vinden het altijd weer fijn het te ont­vangen temeer omdat het een zo breed front van het vol­le evangelie beslaat. We moeten (zegt de Bijbel) niet te eng worden in ons binnenste (geen clubjes vormen) maar een wereldwijde visie hebben. Laten wij er daarom ook diep van doordrongen zijn dat Hij (Jezus Christus) onze Leidsman is. Dan gaan we ons niet afzetten tegen broe­ders of zusters, want wij zijn geroepen om te zegenen. Glorie voor Jezus! Wat een bediening. Als we onze vij­anden gaan zegenen worden de plannen die de duivel in en door hen uitbroedt vernietigd. De Heer zegene u verder in Zijn dienst.

Zuster A. Kort-van Keken te Amsterdam schrijft:

Door mij wordt “Levend Geloof” altijd met veel ge­noegen gelezen en ik ontvang er een rijke zegen door. De strijd zal niet gemakkelijk zijn in de tijd die voor ons ligt, maar wij weten dat wij Hem volgen die alle macht heeft in hemel on op aarde, Jezus Christus onze Heer. Elke macht van satan is door Hem overwonnen. Daarom laat ons oog gericht zijn op Jezus alleen en la­ten wij werken zolang het dag is.

Zuster B. Westerouen van Meeteren te Zeist schrijft:

Ik heb erg veel zegen van “Levend Geloof” en lees het achter elkaar uit, daarna geef ik het door. Ik bid ook voor uw werk en hoop dat het uitbreidt en neer men­sen het’ volle evangelie zullen horen en aannemen en de Bijbel zullen lezen zoals God dat bedoelt.

1967.04-05 nr. 89

Levend Geloof 1967.04-05 nr. 89

Wat betekent Pinksteren voor u? door Gert Jan Doornink

In onze dagen zijn er velen die geen enkel begrip meer hebben over de wezenlijke betekenis van de chris­telijke feestdagen: Kerstfeest, Goede Vrijdag, Pasen, Hemelvaartsdag en Pinksteren.. Voor zeer velen zijn het dagen geworden waarin men zich vleselijk uitleeft.

Vooral met Pinksteren heeft, men de grootste moeite. In het gunstigste geval speekt men nog van “Pinkster- feest-Zendingsfeest”, maar de werkelijke inhoud van Pinksteren gaat – helaas ook aan vele wedergeboren Christenen – voorbij.

Toch kreeg juist op de Pinksterdag de Gemeente van Christus gestalte. De kracht door Jezus beloofd toen Hij nog op aarde was kwam in de discipelen die te Jeru­zalem bijeen waren. “Zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken zoals de Geest het hun gaf uit te spreken”(Hand. 02:04).

Welk een gebeurtenis.’ De eens krachteloze discipe­len nu vervuld met Goddelijke kracht, zodat ze ge­schikt werden voor de opdracht die zij van hun Meester ontvangen hadden. Want dit was (en is!) het doel van de Pinksterbelofte: bekwaam zijn voor de Goddelijke taak. “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Je­ruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterste der aarde” (Hand. 01:08).

Terwijl Handelingen 1 ons zo vertelt waarvoor de vervulling dient zien wij in Handelingen 2 de wonderba­re uitwerking: Petrus, vol van de Heilige Geest, houdt zijn grote rede en 3000 zielen worden die dag ingeschreven in het Boek des Levens; Zij worden gedoopt’ en het worden volhardende Christenen.

Let speciaal op het eerste gevolg van de vervulling met de Heilige Geest: “En zij begonnen met andere ton­gen te spreken…..”. Dit geestelijke wapen heeft iedere Christen nodig in de geestelijke strijd. Vaak wordt er veel kritiek geleverd op gelovigen die in tongen spreken. Men zegt dan: Er ontbreekt aan hun Christenleven nog zoveel. Deze critici – die voor an­deren een sta-in-de-weg zijn, om tot deze machtige ervaring te komen — vergeten echter dat het spreken in tongen geen eindstation maar slechts een beginpunt is. Een Christen wiens verlangen het is de levende Heer volkomen te volgen, zal meer en meer van de vrucht en de gaven des Geestes openbaren.

Als wij u de vraag stellen wat Pinksteren voor u be­tekent, doen wij dit omdat vrij er diep van doordrongen zijn, hoe belangrijk de dagelijkse pinksterervaring in het leven van een gelovige is.

Als Pinksteren niets voor u betekent, is het met uw geloofsleven maar droevig gesteld. Als Pinksteren alles voor u betekent zal dit openbaar worden doordat u als instrument in de hand van de levende God gebruikt wordt om anderen de weg tot volle verlossing te wijzen. Deze weg is de weg van Jezus die kwam om. de macht van satan volkomen te breken. Bent u op die weg en is het uw dagelijks streven ook anderen op die weg té bren­gen9 Dan is het werkelijk Pinksteren in uw levèn!

 

Mededelingen

Apil/meinummer – Teneinde de achterstand in de verschijning van ons blad in te halen zijn wij genoodzaakt over de maanden april en mei met eén nummer uit te ko­men. Het eerstvolgend nummer van “Levend Geloof” ver­schijnt 9 juni.

Giften – Wegens plaatsgebrek volgt de verantwoording van ontvangen giften niet in dit nummer, maar in Le­vend Geloof” van juni.

Folder – Als bijlage bij dit nummer ontvangt u een kleurenfolder over de reeds eerder aangekondigde excursie naar het Midden-Oosten.

 

Geloof door liefde werkende door Dirk A. Wols

Geliefden, in ons vorig artikel vergeleken we de gaven des Geestes met luchtvaart. Het is de weg die om­hoog voert. Er is echter daarbovenuit nog een weg die veel verder omhoog voert en dat is de liefde. Dit is ruimtevaart. Zonder de liefde is alles niets (1 Kor. 13:01-03).

Ook het geloof is niets als het niet door de liefde werkt. Een goed geloof werkt als vanzelf door de lief­de. Want Jezus heeft ons door de liefde gered, aan het kruishout heeft Hij Zich doodgeliefd. Hoe werd Hij ge­prest totdat het volbracht was, Zijn werk was gedaan tot behoud van de ganse schepping. Alle dingen zijn gereed.

Elk die wil mag komen, doch wee onzer indien wij op zulk een zaligheid geen acht geven. Dit is geen bedreiging maar vanzelfsprekend gevolg van het buiten Jezus en Zijn Goddelijke liefde vallende, dat we dan een prooi zijn van de helse, demonische machten. Sla daarom acht op zulk een liefde.

De liefde is goedertieren. Uw goedheid Heer is he­melhoog. Onbegrensde goedheid straalt van Zijn aangezicht. Geen zonde te groot, geen kwaad zo snood of bij oprecht berouw vergeeft Hij menigvuldig. Hij reinigt van alle zonden. O, heerlijk eenvoudig evangelie.

Goedheid Gods nooit recht geprezen,

heet hij een mens die Gij niet treft?

Hoe snood ondankbaar moet hij wezen,

die :t hart niet vrolijk tot U heft.

De kinderen Gods stralen van deze goedheid iets uit en hoe meer zij het beeld Gods gelijk ‘worden, des te meer ook komt Gods goedheid in hen openbaar. Buiten de­ze goedheid vallende, vallen we in de monsterklauwen van de kwaadaardige machten, waarvan God door Zijn goed­heid weer kan en wil verlossen indien we oprecht willen ontbonden worden van de kwaadaardige greep.

De liefde is niet afgunstig. Afgunst, jaloezie, is een groot kwaad. Verteerd door afgunst greep Saul ten­slotte naar de spies toen hij de vrouwen hoorde zingen: dat Saul zijn duizenden verslagen had maar David zijn tienduizenden. Nijd is verrotting der beenderen, het ganse leven wordt er door vergald. In plaats van blij te zijn dat in David meerdere genade Gods openbaar kwam tot verdelging der vijanden des Heren, trachtte Saul David te doden. Dat wij dit niet toelaten in ons leven. De liefde is niet afgunstig en verheugt zich zelfs als door anderen het Rijk Gods meerder gebouwd wordt dan door ons zelf. Dit is een moeilijke les die geleerd wordt in de leerschool Gods om de ander uitnemender, te achten dan zichzelf. De liefde is niet afgunstig. De liefde praalt niet. Niet pralen met gaven, niet te koop lopen met wat God door ons doet, naar God al de eer geven. Met smart moeten wij dit vaak leren want God geeft Zijn eer aan geen ander. Hij is de enig recht­hebbende on al de eer omdat Hij van alles de Schepper is en alles onderhoudt door het Woord Zijner kracht. Niet pralen net uitwendige dingen. Soms, als we een leeuw verslaan, moet ieder het weten en we pralen, pra­len, naar de liefde praalt niet. Het geeft God de eer van alles wat God door ons wil doen. De liefde is niet opgeblazen. Wat opgeblazen is, is allemaal lucht, doet zich groot voor, denkt heel wat van zichzelf en gering van de ander. Alzo niet met de liefde.

De liefde kwetst niemands gevoel. De liefdeloosheid bekruipt soms het gevoel, iemand eens goed te raken en te kwetsen, zodat de ander het vooral goed aanvoelt. Alzo niet de liefde. Zij ontziet het gevoel van de an­der, het is er niet on begonnen die ander te treffen en te kwetsen.

De liefde zoekt zichzelf niet. Geen eigenbelang, al­les wijkt voor de ander, alles wijkt voor Jezus en de naaste. Het let ook op wat van de ander is, zoekt de nood op en zoekt er een oplossing voor, hetzij door zichzelf, hetzij door een ander. Zolang er nog een spoortje eigenbelang is, kan God niet werken. Vandaar dat er zo weinig openbaar komt van de Goddelijke kracht. De duivel draait alles om en zegt, dat dat later wel zal konen, maar de wijngaard is klaar, er is niets nagelaten wat nog gedaan moet worden. Maar omdat we dik­wijls eigenbelang zoeken blijft Gods-kracht achterwege. De liefde echter zoekt zichzelf niet.

Ook wordt de liefde niet verbitterd. Bitter kan de liefdeloosheid uitvallen en bitter kunnen we gestemd zijn jegens’ de naaste die ons niet begrijpt of wil begrijpen. Verbittering jegens hen die onze belangen niet voldoende behartigen naar onze zin. Alzo niet de liefde. De liefde rekent het kwade niet toe, wordt ons kwaad berokkend, het brengt die niet in rekening, wor­den wij vervolgd, wij zegenen, worden wij vervloekt, wij heffen de handen omhoog. De altoosdurende cirkelgang van kwaad en vergelding komt bij de ware liefde tot stilstand. De liefde keert de andere wang toe en geeft ook de rok als de mantel ontnomen wordt. De Heiland bad aan het kruis in Zijn lijden: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.

Over onrecht is de liefde niet blijde, maar wel met de waarheid. De waarheid die in Jezus is.

De liefde bedekt alles, loopt niet te koop met de gebreken van de . ander maar zoekt herstel.

De liefde gelooft alles, tot het onmogelijke toe, al­les wat God beloofd heeft, en zij gelooft in Gods trouw.

De liefde hoopt alles, ook het meest hopeloze, de liefde verdraagt alles, alle laster, smaad, hoon, wan­begrip, onbegrip.

De liefde vergaat nimmermeer, het is de grondpijler van deze en de toekomende eeuwen. Profetie is voor deze tijd en heeft geen toekomst, ook de tongen zullen ver­stommen, kennis zal afgedaan hebben, omdat alles onvol­komen is. Deze dingen moeten getoetst worden en niet klakkeloos aanvaard in blinde gehoorzaamheid, en omdat het onvolkomen is zal het afgedaan hebben als het vol­komens komt. Profetie, tongentaal, kennis, het is voor deze tijd en niet alleen voor de eerste christelijke tijd zoals er wel gezegd wordt. Niemand zal beweren dat al­les nu zo volkomen is, dus behoort het onvolkomene profeteren, tongentaal en kennis tot deze tijd.

De liefde is het meeste van alles.

Steken we nu de hand in eigen boezem, dan komt die bij elk kind van God er rein uit, gewassen door het bloed des Lams.. Glorie voor het Lam.’

Maar overdenkende de vruchten der liefde, dan zien we onze tekortkomingen. Eerlijk moeten wij erkennen dat zó de opwekking niet 100% door kan werken. Veel lief­deloosheid komt openbaar. We besparen u de weinig op­bouwende verhalen. . ,

Buigen wij in nederigheid en ootmoed het hoofd en bidden tot de Verhoorder der gebeden:

Maak mij een beeld van U,

maak mij een beeld van U,

zo vol van ootmoed, liefde en trouw,

maak mij een beeld van U.

 

U bent het licht der wereld door Femmy Venema

Een kaars die licht verspreidt, brandt. Wenst u, in gehoorzaamheid aan Gods Woord, een licht te zijn in deze wereld, dan moet u branden (een brandend hart voor Hem). Christus kon zeggen: “De ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd”. Een kaars is slechts nuttig, als ze verteerd wordt.

Als wij zo ons leven op Gods altaar leggen, gewil­lig om door Hem gebruikt te worden, zal wel het zelfleven verteren, maar het licht van Christus zal uit ons schijnen, en onze duistere omgeving verlich­ten.

God geve ons brandende harten, om brandende lich­ten voor Hem te zijn. Sommigen klagen: “In mijn omge­ving is het zo duister”. Bedenk dan: God heeft u daar geplaatst, om juist daar het duister te ver­lichten. Wees een licht in uw omgeving en wees ge­trouw.

Licht en liefde komen uit dezelfde bron. Als er geen liefde in uw hart is, zal er geen licht uit stralen. Voelt u zelf dat u in liefde tekort schiet, geen liefde kunt geven, ga dan naar de Bron. Laat het licht van de Heilige Geest toe in uw hart.

Waar het licht van God de duisternis kan verdrij­ven, daar kan de liefde komen. Geen menselijke lief­de, maar Goddelijke liefde!

 

Door lijden tot heerlijkheid door KI. van Twillert

Ik las in “Lichtstralen uit het Hooglied”:

Volbloed-christendom is niets anders dan een gloei­ende liefdesverhouding tussen Christus en de christen, zoals tussen bruidegom en bruid. Dat is dus de meest volkomen tegenstelling van alles wat slavernij heet. Godsdienstige slavernij is iets om van te gruwen!

“Trek mij”, zegt de bruid, “wij zullen u nalopen!” (oude vert.). Niet slepend, aarzelend, traag, slapjes drentelend, lauw»…..maar rennend!

Alles is schoon aan u, mijn liefste, zonder enig ge­brek zijt gij”. De anderen kunnen wel op u vitten voor dit en voor dat, maar Hij, uw geliefde, Hij beziet de zaak heel anders! Denkt u in, dat Hij in zo’n duizeling­wekkende graad u liefheeft! Dan mogen wij wel tegen el­kaar zeggen: “Stil, wat wens je nog meer?”

“Van honingzeem druppelen uw lippen, bruid!” Wat een schreeuwende tegenstelling van een “kletskous” en van zuur, knorrig en gemelijk zijn.

“Een afgesloten wel, een verzegelde bron zijt gij”. Af­gesloten en verzegeld voor andere personen en minnaars. Afgesloten voor de tijdgeest en alles wat deze met zich meebrengt”.

Ik dacht onder het lezen van “Lichtstralen uit het Hooglied” aan Paulus, die ook een gloeiende wederliefde voor God had om Jezus in heerlijkheid ten volle te le­ren kennen. Geen prijs was voor hem te hoog, geen offer teveel. Alles buiten Christus was dwaasheid en schade voor hem. Alles wat niet God en Christus was, wat niet leven en kracht voor hen betekende, dat had hij op de vuilnisbelt gebracht.

Dit alles om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding. En de gemeenschap aan het lijden of ik aan Zijn dood gelijkvormig wordende zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. (Filip 03:10)

Als ik iemand grondig wil leren kennen, dan moet ik met hem steeds in contact staan. Alleen in een dagelijk­se ontmoeting met iemand, leer ik de persoon kennen. Als we niet dagelijks met God verkeren, het verborgen leven met de Heer ons vreemd is, dan zullen wij Jezus in Zijn heerlijkheid niet recht leren kennen. Een noodkreet van Paulus: Geef op de wereld net haar lusten!……om Hem volmaakt te kennen, zodat gij “Weet”, hoe rijk de heer­lijkheid Zijner erfenis is, hoe overweldigend groot Zijn kracht is aan ons, die geloven (Ef. 03:17-18).

Geen vrome, loze term van: “De Heer is waarlijk op­gestaan”, zonder zelf op te staan uit de zonde, uit de lusten des vlezes, uit de slavernij, uit de ijdelheid en de genoegens des levens. Als we zelf ook niet opstaan en door het geloof de overwinning gaan nemen, dan zal Christus niet over ons lichten.

We moeten gericht leren leven naar een onvergankelijk onbesmet en nooit verwelkend erfdeel (1 Petr. 01:04).

De zonde is als het moordend lood die onze gedachten doorkruisen zodat we niet komen tot een hervormd worden daarvan.

Voor lijden moeten we niet bang zijn. Van lijden tot heerlijkheid. Drie vertalingen omschrijven 1 Petrus 4:1 als volgt: “Want die geleden heeft naar het vlees, die heeft opgehouden van de zonde zich onttrokken aan de zonde en heeft radicaal afgerekend met de zonde.

Halleluja! Wat een ongekende mogelijkheden voor allen die in alles gehoorzaam willen zijn en die een gees­telijke geeuwhonger hebben naar de gezindheid van Jezus Christus!

Paulus had een geweldig vooruitzicht toen hij aan de geliefde kinderen schreef: “Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden” (Rom. 08:18).

Paulus werd elke dag aan de dood van zijn eigen be­staan overgegeven, hij stierf elke dag aan zijn eigen wil en lusten. Waarom? Wel, hij wilde Christus geopen­baard zien in zijn leven. Christus was voor hem gekrui­sigd. Hij met Christus. De wereld had hij gekruisigd en de wereld hem, een viervoudige kruisiging.’

Glorie voor Jezus! Lof en dank aan God! Wij mogen bewust de stervensweg kiezen om Christus geopenbaard te zien in de sterfelijkheid van ons vlees.

Het einde van onze dood is het begin van een onge­kend leven. “En wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is niet alleen van een oud en verouderd verbond, maar ook geen bedekking neer van zonde, wereld en vlees – de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, door Zijn Geest” (2 Kor. 03:18). Een andere vertaling brengt het nog heerlijker uit:

Ons allen (niemand uitgezonderd) is gegeven (genade alleen, geen roem in het vlees) met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en zo herschapen te worden tot heerlijkheid, dat we Zijns gelijken zijn.

Nooit meer in het vlees genieten.
Kruisig dat en geef dat op.

Dan zal leven uit u vlieten,

want Gods bron springt in u op!

 

Pinksteren 1967 door Jan W. Companjen

“En Hij heeft zowel apostelen als profeten gege­ven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbaarheid tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de man­nelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”(Ef. 04:11-13).

Vinden wij het ergens in Gods Woord duidelijker uit­gedrukt waarom het gaat? Ik meen van niet. Het gaat om het éne grote ding dat Gods volk, de heiligen, vol wor­den van Christus. Om tot dit ene grote doel te komen hebben wij nodig dat die heiligen één worden en naar el­kaar zullen gaan luisteren. Daartoe gaf Hij apostelen, profeten, enz. opdat het lichaam van Christus tot de mannelijke rijpheid komt, opdat zij dienstbaar zouden zijn aan de opbouw van dit lichaam. Rondom deze dingen staat of valt de wederoprichting aller dingen. Zijn wij bereid om voorwaarts te gaan? Of willen wij nog eerst even kibbelen over allerlei bijkomstigheden die uiteinde­lijk iedere vorige opwekking heeft doen uitlopen op een nieuwe kerk of gemeenschap die het zogenaamd beter of veel beter zou gaan doen.

Blijkens (Hand. 02:47) bestond de gemeente, het lichaam van Christus, het nieuwe volk Gods, uit een kring van mensen die behouden werden. Deze heiligen be­stonden uit wedergeboren mensen die het Paaslam aan­vaard hadden. Zij hadden het Paaslam als Christus, Red­der en Heer aanvaard. Zij hadden niet alleen Zijn bloed aanvaard doch ook Zijn vlees. Zij beleden dit geloof bij de breking van het brood ten opzichte van hun medegelo­vigen, maar ook ten opzichte van de overheden en mach­ten, de boze geesten in de hemelse gewesten. Het Paaslam moest in zijn geheel gegeten worden, er mocht niets van overblijven (Ex. 12:09). Het was voor het schaduwvolk Israël een eten en uittrekken. De lendenen waren om­gord en de schoenen waren aan de voeten terwijl de staf in hun hand was. Dit feest van de uittocht moest als een altijd durende inzetting gevierd worden. En? De Is­raëlieten deden zoals Mozes geboden had. Daarna begon de uittocht, de woestijnreis, en de intocht van het beloofde land. Jezus zeide tot Zijn discipelen (Luc. 22:15) dat Hij vurig begeerd had dit Pascha, van ongezuurde broden en wijn, met hen te eten. Het Nieuwe Verbond was in Zijn bloed en Hij beschikte aan Zijn volgelingen het Koninkrijk zoals God de Vader dit aan Hem beschikt had. Jezus maakte als het volmaakte Paaslam de weg vrij voor een nieuw volk van God uit wedergeboren mensen uit Is­raël en al de volkeren der aarde. Het eens gebroken li­chaam van Christus, het Paaslam, zal in Zijn gemeente herbouwd worden. De oude tempel in de zienlijke wereld werd afgebroken. Jezus zelf zei hiervan reeds: Breek die tempel af en Ik zal hem in drie dagen herbouwen. Dit zei Hij van Zijn lichaam. Velen begrepen het toen niet en velen begrijpen het nu nog niet. Het Lichaam van Christus, de Kerk van Christus, het nieuwe Jeruzalem, de Tempel, is in het nieuwe verbond een geestelijk huis. (1 Petr. 02:05) zegt: Een geestelijk huis om een heilig priesterschap te vormen, tot het brengen van geestelij­ke offers, die Gode welgevallig zijn. Een geestelijk huis met levende stenen, wedergeboren mensen, die het Koninkrijk Gods niet alleen zien maar ook binnengaan. Zij zijn een volk Gods, niet geboren uit het vlees maar uit de Geest. Een volk dat geestelijk ten uitvoer brengt wat ons in het schaduwvolk “Israël” getoond is. Zij be­vonden zich in het land der dienstbaarheid, zij werden uitgeleid onder tekenen en wonderen, in die donkere nacht toen de doodsengel rondging waren zij gedekt door het bloed aan de deurpost en zij aten het lam voor hen geslacht. Zij aten het Lam, dat wil zeggen zij werden er als het ware mee doortrokken. Iets «rat men opeet trekt door het hele lichaam heen en wordt als het ware be­standdeel van je eigen lichaam. Daarna trokken zij uit en waren toegerust tot de strijd die hun te wachten stond. Hun uittocht was een uittocht zonder vraagtekens in één woord een Goddelijke zaak. Alzo wil Hij, het

Godslam, ons uitleiden. Hij gaf ons Zijn bloed en vlees.

Nog steeds klinkt tot ons de boodschap: Aanvaard Mijn bloed, eet Mijn lichaam, dat wil dus zeggen: Aanvaard mijn leven en trek uit. Trek daarbij de geestelijke wapenrusting aan en volg Hem op de voet. “Voorwaarts Christenstrijders, drukt uws Konings spoor…..” Indien wij ons op deze wijze gaan uitstrekken naar de volheid die ons beloofd is, zullen vrij ontvangen en gaan zien en onderkennen wat onze plichten en rechten in dat Konink­rijk zijn. Israël zal door recht verlost worden. Denk eens aan Ruth die ook Boaz aan zijn rechten herinnerde en ’s nachts naast hem op de dorsvloer ging liggen. Op die wijze zullen ook vrij bruidsgemeente worden. Geen woord zal ter aarde vallen of het zal geschieden.

Over het bloed van het Lam Gods is in de loop der eeuwen en ook de laatste tijden veel gezegd, doch over het eten van het offerlam dat eveneens aanvaard moet worden als een Goddelijke opdracht is nog niet veel naar voren gekomen. Eet bloed voor onze zonden geplengd wordt aanvaard omdat dat voor ons eigen zelfbehoud is, het ontvangen van de Heilige Geest wordt door velen ook als een zegel tot zelfbehoud gezien en aanvaard. Men ontvangt echter deze dingen om tot het Goddelijke doel van de mens te komen, men zal ook het lichaam van Christus moeten aanvaarden, dat wil zeggen wij zullen ons lichaam moeten offeren aan Hem die ons lichaam be­geert als een woonstede voor Zijn Geest. Christus werd in het vlees geboren, verwekt door de Heilige Geest. Die zelfde Geest wil ook in uw vlees, in uw lichaam wonen en daarin het werk, het leven van Christus openbaren. Dat is Pinksteren. Christus in u. Hij kwam terug en de Zijnen zagen Hem. De wereld ziet Hem niet meer, maar Gods kinderen zien Hem, ervaren Hem, beleven Hem, inni­ger en vollediger dan dat men hem met het vleselijk oog zou zien.

Wie Hem zo aanvaardt, aanvaardt, met Zijn bloed en Zijn lichaam, zal Hem leren kennen gelijk Hij is. Deze leden zullen dit met elkaar en voor elkaar belijden in het Avondmaal. Hierin uitdrukkende dat zij het bloed en het lichaam aanvaard hebben. Zij die dit leven aanvaard heb­ben, zullen kunnen rekenen op de leiding van Zijn Geest. Zij zullen elkaar aanvaarden als leden die elkaar nodig hebben. Die blij zijn met de bijzondere opdrachten die de één of ander ontvangt. Zij kunnen verdragen zelf een ander lid van dat Lichaam te zijn waardoor de andere krachten van de Geest ook, openbaar komen, die in een goed functionerend lichaam niet gemist kunnen werden. Het volledige leven van Christus zal in Zijn lichaamsleden openbaar worden. In dat lichaam zal niemand boven zijn voegen gaan doch zonder kramp of spanning gaan uit­leven waartoe de Heer, het Hoofd, hem roept c.q. toege­rust heeft.

De Geest des Heren is uitgestort. Een rijke Geestes­stroom vloeit over de ganse aarde en Jezus wil u onder­dompelen en dopen met die Geest. Een ieder die Zijn bloed aanvaard heeft, kan verzekerd zijn gewassen te zijn en rein te zijn voor de Vader. Zij hebben een nieuw hart waarin Hij Zijn wet wil schrijven. Geen wet meer op steen doch in het hart. Een wet des Geestes. Zij worden aange­daan met Geesteskracht om Zijn leven te kunnen leven.

Hebt u reeds persoonlijk Pinksteren gevierd? Hebt u reeds persoonlijk Christus in het vlees ontvangen? dat wil zeggen in uw vlees, in uw lichaam ontvangen? Zo ja. …….aanvaard dan elkaar zo als Christus u aanvaard heeft. Aanvaard elkaar als leden van één lichaam die door éen Geest tot één lichaam gedoopt zijn. Hij zal zich dan in en dóór u kunnen openbaren tot lof en eer van Zijn Naam.

 

Jezus Christus in mijn leven door A. J. Vos.

Reeds als kind hoorde ik van Jezus, thuis, in de zondagsschool, in de kerk, en het lied van de lieflijke Naam, die hemel en aarde verenigt te saam, was me niet onbekend. Als jongen van 10, 12 jaar nam ik op gezag van mijn omgeving aan, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God was en de Hervormde kerk de beste kerk van de hele wereld: wat deze leerde was de zuivere waarheid.

Van mijn 14e tot mijn 20e jaar ongeveer was ik van een en ander niet meer overtuigd, kon bijv. de een of andere Gereformeerde of Lutherse kerk geen juistere kijk hebben op sommige Christelijke waarheden? Was het wel waar, dat de Bijbel Gods Woord was en dat bijv. Jezus’ woord on­feilbaar was? Trouwens, er waren meer mensen, waaronder geleerden, dominees en professoren, die de inspiratie van de Bijbel ontkenden. Over het algemeen had ik in die periode van mijn leven weinig eerbied voor de rechtzinnig-christelijke leer en even weinig voor hen, die te­vreden waren met de Godsdienst van hun jeugd: zij praat­ten immers maar na, namen ondoordacht over wat hun ou­ders en leermeesters hadden verkondigd.

De periode van mijn 19e tot mijn 24e jaar is voor mij een tijd geweest van zoeken naar de waarheid, waarin zich aan mij voordeden vragen als: Bestaat er een God, een persoonlijk God, die zich bemoeit met de mens, met mij? een God, die zich bekend heeft gemaakt aan de mens­heid? Mede door het getuigenis van een eenvoudige vrouw stond het voor mij op mijn 21e jaar vast, dat God werke­lijk bestaat en dat we tot Hem kunnen bidden, als we h hulp menen nodig te hebben. Voor ons mensen was het zaak nauwgezet te leven, volgens ons geweten, en. tevens, te zoeken naar meer licht, naar meer kennis aangaande God en Zijn wil. En nu gold voor mij als de belangrijke vraag: Wie is Jezus? Wat moet ik van Hem denken? Dat Hij een zeer hoogstaand persoon moest zijn geweest, daaraan twijfelde ik niet, en dat Hij van de Goddelijke zaken meer wist dan ik, was zeker. Maar de grote kwestie wast Is Hij Degene voor wie Hij zich uitgeeft? Is Hij de waar­heid? Is vergissing bij Hem uitgesloten? En zijn de ver­halen over Hem absoluut betrouwbaar? En bovenal: is het aannemelijk, dat Jezus Zijn bloed gaf tot vergeving van onze zonden? Hoe is dat mogelijk? Ben ik dan zo slecht? Is het wel nodig, dat Hij stierf voor mijn zonden? Is het trouwens óp deze wijze voor de mens niet te gemakkelijk om vrij van schuld jegens God te zijn? Is het niet veel logischer dat God van de mens eist, dat we van goede wil zijn, ons best doen om goed en vroom te leven en dat Hij zich daarmee tevreden stelt? Is het van God niet dwaas Zijn Zoon in de dood te geven om ons daardoor tot Zijn kinderen te kunnen aannemen? God kon dit, bij wijze van spreken, goedkoper. Deze vragen en overwegingen weerhielden me om de stap des geloofs te doen. Bij de. bestudering van de evangeliën concludeerde ik enerzijds: deze dingen komen niet met mijn verstand overeen, maar anderzijds vroeg ik me af: kan ik mijn verstand wel vertrouwen? is mijn denken zuiver? is er in de natuur niet reeds zoveel, waar ik niet bij kan? Is bijv, de groeiende plant, het dier, de mens niet een wonder, een aaneen­schakeling van wonderen? Bij vergelijking van de evange­liën schenen sommige verhalen o.a. over de opstanding niet met elkaar te harmoniëren. Dan weer drong zich de gedachte naar voren: het kan toch geen fantasie zijn, ook geen zelfbedrog.’ Zo leefde ik een paar jaar in twijfel aangaande de waarheid. Nu is twijfel niet aangenaam, maar voor me zelf was ik overtuigd een eerlijke zoeker te zijn en “de oprechten gaat het licht op” las ik in dezelfde Bijbel (Ps. 112:004). Dit geloofde ik, n.l. dat God ook voor mij het licht zou doen opgaan, m.a.w. dat God een Beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Heb. 11:06). En dit gaf me min of meer vrede. Dat de oprechten het licht opgaat, heb ik, Gode zij dank, ook ervaren. Mij werd namelijk duidelijk – ik was toen 24 jaar – dat ons leven, ons bestaan ijdel is, zinloos, troosteloos en waardeloos, als we God niet hebben als onze God, als onze Vader. Ik zag in de ellende en het hopeloze van dit leven, als we ons geluk, ons heil van ons zelf, van eigen inspanning moeten verwachten. Welnu, ik hield op met redeneren en met te vragen: is het wel waar? Ik gaf me over aan God in het vertrouwen, dat ik bij Jezus kon schuilen, in het geloof, dat door Zijn bloed verzoening was aangebracht.

“Jezus, Uw verzoenend sterven,
blijft het rustpunt van mijn hart”
(Gezang 50).

“Welk een liefde, vol van leven,

steeds en nooit genoeg geroemd,

heeft de Vader ons gegeven,

dat Hij ons Zijn kind’ren noemt” (Gezang 190).

Gode zij dank! We hebben een Heiland, die niet alleen gestorven is, maar die ook voor ons leeft, die ook voor ons bidt. De Vader schenkt ons met Hem alle dingen. Als we teleurgesteld worden in vrienden of in hen, aan wie door het geloof, door het bloed of de liefde wij verbon­den zijn, dan is Jezus het, die ons troost. Als moeite of leed ons bedreigt, rusten we bij Hem en bewaren we het evenwicht en de vrede. Als we in ons zelf teleurge­steld worden, verstoot Hij ons niet.

”’k Ben nimmer alleen,

de Heer is nabij, bij zonschijn of duist’re nacht;

ik rust in zijn trouw en zie naar omhoog,

waar hemels geluk mij wacht”

(Glorieklokken 47).

En zo, met een lied in het hart en in de mond, zetten we onze levensreis voort,

“Ik heb een Herder, die mij zachtkens leidt,

aan stille waat’ren, vol van heerlijkheid,

en aan groene weiden voert Hij trouw mijn voet,

onder Zijne schaduw steekt geen zonnegloed” (Glorieklokken 473)

Zingt u ook mee?

“Komt gij, die Jezus mint,

zingt met ons al te zaam,

paart hart en sten nu met ons mee,

en prijst steeds Jezus’ Naam”

(Joh. de Heer 594).

De wijze Salomo heeft gezegd: Twee zijn beter dan één (Pred. 04:09). Daar dit m.i. juist is, althans onder bepaalde voorwaarden, moet ge u niet verwonderen, dat ik als 24 a 25 jarige jongeman wel eens naar meisjes keek. Maar ik had me vast voorgenomen me alleen te willen verloven met een meisje, dat ook bewust een kind van God was (2 Kor. 06:14). Toen ik trouwde met haar, die nu nog mijn vrouw is, was ik 29 jaar, zij 23. Tussen 1925 en 1942 werden ons 6 zoons en 6 dochters geboren. In 1945 stierf ons jongste kind, Erna Beatrix aan difterie. Na een ziekte van 3 dagen werd ze door de engelen gebracht naar het paradijs. “De Here heeft gegeven, de Here heeft genomen, de Naam des Heren zij geloofd” (Joh. 01:21b). Op het grafje hebben we een hou­ten gedenkteken aangebracht met het opschrift: Veilig bij Jezus.

In 1948 trouwde onze oudste dochter en emigreerde naar Canada. Nadien emigreerden daarheen nog 3 doch­ters en 4 zoons, die nu allen getrouwd zijn, ook de 2 zoons en de dochter, die in Nederland gebleven zijn. Het afscheid nemen van emigrerende kinderen is niet pret­tig, maar ons gebed voor hen is, dat ze door het ge­loof in Jezus de levensreis welbewust en doelbewust voortzetten.

Na mijn overgave aan God in 1919 heb ik aan de lief­de van God geopenbaard in Jezus, nooit meer getwij­feld. Aan het Heilig Avondmaal nam ik geregeld deel en mijn voornemen was aan God vast te houden, wat me ook in het leven zou bedreigen of overkomen. “Here, tot wien zullen we heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven” (Joh. 06:68).

Bedreigt mij leed, ontmoet mij smart,

ik vrees geen kwaad, maar klaag het Hem (Gezang 171:3).

Voor ons geestelijk leven hebben we veel gehad aan “Het Zoeklicht”, de laatste 15 jaar vooral aan Pinksterbladen als “Kracht van Omhoog”. In 1961 hebben mijn vrouw en ik ons laten dopen in Amersfoort. Het jaar daarop werden we tijdens een opbouwweek te Driebergen gedoopt met de Heilige Geest. Toen de kracht Gods op mij viel, kwam er blijdschap in mijn ziel (Gl.kl.7). In 1963 zegden wij het lidmaatschap van de Hervormde kerk op. We woonden toen 3 jaar in Den Haag. Vanaf 1964 wonen we in Oldebroek. We zijn 72 en 66 jaar, gezond en op reis naar Huis. Tot heden heeft ons de Here geholpen. Soli Deo gloria! O, wat zal ’t zijn, volmaakt en rein, voor eeu­wig net de Heer te zijn! (Joh.de Heer 802). Ons gebed is dat God nog eenmaal op machtige wijze met tekenen en wonderen zal tonen, dat de Here God is en niemand meer. Laten we nu reeds doen, wat de hand vindt om te doen en ons door Schriftstudie en meditatie voorbereiden op een reveil, dat komende is, opdat we gereed zijn voor strijd en de overwinning.

Hem, die op de troon is, en het Lam zij de lof en de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden. (Openb. 05:13b).

 

Het bloed (2) door J. Noë

‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe” (Joh. 03:16).

In het vorig nummer is in het kort behandeld wat het Oude Testament over het bloed zegt, alsmede de beteke­nis ervan. Het Oude Testament is de afschaduwing van het Nieuwe. Gods liefde voor de wereld en Zijn plan met de wereld, worden in het Oude Testament duidelijk ken­baar genaakt, n.l. om de wereld te verlossen van de macht der zonde en de werken van satan te verbreken. Daartoe moest Jezus, de Messias, komen. Als het Lam Gods zou Hij ten offer gebracht worden. Hij gaf Zijn leven voor de redding der mensheid. Het Nieuwe Testament vermeldt nauwkeurig hoe dat geschiedde alsmede de diepe beteke­nis van dat offer. En we zien ook hier weer de grote belangrijkheid van het bloed. Dit machtige verlossings­werk on tot de juiste verhouding tot God te komen, was alleen mógelijk door het bloed van het Lam, Jezus Christus, Gods Zoon. De Schrift vermeldt de volgende werkingen van het bloed:

1.Verzoening.

2.Reiniging.

3.Heiliging.

4.Toenadering tot en vereniging met God.

5.Overwinning over satan.

6.Levensversterking.

Deze verschillende werkingen kunnen in één woord worden samengevat n.l. de verlossing door het bloed. Door het geloof in de absolute werkingen en totale verlossing door het bloed zullen we de kracht en de zegen daarvan ervaren. De Schrift verbindt het Bloed en de Geest zeer nauw met elkaar. Waar de Geest werkt wordt de kracht van het bloed openbaar.

(1 Joh. 05:08) zegt: “Drie zijn er, die getuigen op aar­de, de Geest, het water en het bloed en de drie zijn tot één”. (Heb. 09:14): “Hoeveel te meer zal het bloed, van Christus, die door de eeuwige God Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht heeft, ons bewustzijn reinigen van dode werken om de levende God te dienen”.

We zullen nu om een juist begrip te krijgen over de verschillende werkingen van het bloed, deze eens stuk voor stuk nader bezien.

1.Verzoening.

“Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gezonden heeft als verzoening voor onze zonden”(1 Joh. 04:10). “Zij worden om niet gerechtvaardigd door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorge­steld als zoenmiddel door het geloof in Zijn bloed” (Rom. 03:24-25).

Verzoenen betekent eigenlijk toedekken Door het offer van Zijn Zoon, door het vergoten bloed, rekent God ons de zonden niet meer toe. Hij ziet ze niet meer en heeft ze ons vergeven. We stonden als schuldigen tegenover God, we stonden om zo te zeggen in de schuld bij Hem, naar door de verzoening echter is deze schuld te niet gedaan. We weten wat schuld is, als een schuld voldaan is, dan heeft de persoon aan wie we wat schul­dig waren, niets meer te vorderen van ons. Zo moeten we dus in geloof aanvaarden dat er niet de minste zondeschuld meer is tussen God en ons en wij nu vrijmoedig’ tot Hem kunnen komen.

2.Reiniging.

“Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonden1’ (1 Joh. 01:07).

Wat houdt reiniging in? Reiniging wil zeggen, dat er iéts schoon, smetteloos gemaakt wordt. We hebben bij verzoening gezien, dat dit betrekking heeft op de schuld der zonde, reiniging nu heeft betrekking op de smet die door de zonde is ontstaan. De zonde heeft ons n.l. inwendig bevlekt, onrein gemaakt en deze onreinhe­den moeten verdwijnen. Zoals we uit bovenstaande tekst zien geschiedt dit eveneens door het bloed van Chris­tus. (1 Joh. 01:09 zegt: “Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid”. Om tot het volle genot van de zegen van de reiniging te komen moeten we in de reinigende kracht van het bloed geloven. “Laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs met een hart dat door besprenging gezuiverd is van be­sef van kwaad”(Heb. 10:22).

3.Heiliging.

“Daarom heeft ook Jezus, teneinde Zijn volk door Zijn eigen bloed te HEILIGEN, buiten de poort geleden”(Heb. 13:12). Als we de verzoening en de heiliging in het ge­loof aanvaard hebben, komt de heiliging. Verzoening en reiniging zien meer op het oude leven, heiliging op het nieuwe leven, waar we in nauw contact met God komen. (Ef. 05:25) zegt: “Evenals Christus Zijn Gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar heeft overgegeven, om haar te heiligen, haar reinigende”, enz. Heiligen betekent afzonderen. God heeft een bestemming voor ons en wil ons voor Zijn doel gebruiken. Heiliging houdt dus tevens in volkomen overgave en toewijding aan de Heer, “opdat we Zijn heiligheid deelachtig worden”. Jezus was ook ge­heiligd en deed in alles de wil van Zijn Vader. In (Joh. 17:19) zegt Jezus: “Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid”. Ik eindig dit deel met hetgeen Paulus zegt in (Heb. 10:09-10), sprekende van de woorden van Christus; “Zie, hier ben Ik, om Uw wil te doen” en krachtens die wil zijn wij eens voor altijd geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus.

(slot volgt)

Verschillende gedeelten uit mijn artikel over “Het Bloed” zijn afkomstig uit het prachtige boek van Andrew Murray: “De kracht van Jezus’ bloed”. – J.N.

 

Neem tijd om te bidden! door A. Schenk

Wij leven in een wereld waar iedereen ontzettend druk is. Ondanks alle moderne middelen die ons ter be­schikking staan is – nu de vijfdaagse werkweek er is – er meer gejaagdheid en haast dan ooit te voren. Dit is niet alleen een tijdgeest die alleen in de wereld te bespeuren valt, maar is ook doorgedrongen in de Ge­meente van Jezus. Het valt mij op dat verschillende kinderen Gods vaak tijd voor alles hebben, maar als er een beroep op hen gedaan wordt, iets in het Koninkrijk Gods te doen, hebben ze er vaak geen tijd vóór. Bid­stonden worden vaak niet zo best bezocht. En toch is dit de kracht van een gemeente en voor het persoonlijk leven. In (Mark. 01:32) lees ik: “Toen het nu avond werd en de zon’ onderging brachten zij tot Hem allen die ern­stig ongesteld waren, en de bezetenen”. Jezus was hier bezig tot laat in de avond met het werk in Gods Ko­ninkrijk. En zo ging het elke dag door. Scharen mensen kwamen bij de Heiland om geholpen te worden. Maar, hoe­wel Jezus het druk had, nam Hij tijd om te bidden. -In (Mark. 01:35) staat: -En vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op en ging naar buiten en Hij ging heen, naar een eenzame plaats en bad aldaar. Als Jezus dit nodig had, zouden wij dan zonder gebedsleven kunnen?

Op andere plaatsen in de evangeliën wordt ons vaker verteld dat Jezus Zich afzonderde om te bidden. Kinderen Gods hoe staat het met uw gebedsleven? Er is een lied in de bundel van Joh. de Heer waar deze regels in voorkomen: Dikwijls derven wij veel vrede.

Dikwijls drukt ons zonde neer.

Juist omdat wij :t al niet brengen,

in ’t gebed tot onze Heer.

Wat een geweldige waarheid is dit. Zoals een bloem zon en water nodig heeft, zo heeft een kind van God gebed nodig. Door het gebedsleven leren wij God beter kennen. In het gebed treed ik in de gemeenschap met de Heer.

In (1 Kor. 01:05) schrijft Paulus: “God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met Zijn Zoon Jezus Christus, onze Here”. Dus ieder kind van God is ge­roepen om in gemeenschap te leven met Jezus. Daarom wil de duivel dit verhinderen in uw en mijn leven. Je­zus ging de eenzaamheid in. Zo zullen ook wij de een­zaamheid op moeten zoeken om alleen te zijn met de Heer. Dit kan een plaats in huis zijn, maar het kan ook in de vrije natuur zijn. Waar de plaats is doet er niet toe. Op bergen en in dalen, ja overal is God! Wij van onze kant moeten daar tijd voor gaan nemen. Een leven vol activiteit in de dienst van God, maar zonder gebedsle­ven, zal niet veel vruchten af werpen. Alles wat wij doen in Gods Koninkrijk zal ontstaan moeten vanuit de gemeenschap met de Heer. Als ik terug zie in mijn leven als kind van God dan ben ik mij bewust dat er tijden geweest zijn van een schraal gebedsleven en het waren niet de beste tijden. Haar ik dank God dat hier veran­dering in is gekomen. De laatste tijd word ik vaak de eenzaamheid in gedreven alleen met de Heer, Heerlijke uren beleef ik dan. Als wij bidden gaat er iets gebeu­ren. Toen Jezus in de Hof van Gethsémane die gebedsstrijd doormaakte, bleven de omstandigheden voor Hem hetzelfde, maar er verscheen een engel uit de hemel om Hem kracht te geven. Dat zal ook onze ervaring worden. De zorgen en de strijd van ons zullen misschien niet veranderen maar onze ziel zal nieuwe kracht ontvangen. Halleluja! In (Hand. 12:05) wordt ons verteld dat Petrus in de gevangenis zit, “maar door de gemeente werd voor voortdurend tot God voor hem gebeden”. God green in als antwoord op deze gebeden en Petrus werd heerlijk bevrijd. Hoevelen zijn er vandaag niet gevangen door het rijk van satan. Bidden wij als gemeente voor hen opdat ze bevrijd zullen worden door Jezus. De eerste discipelen waren eendrachtig bijeen en hun samenkomsten -werden bewogen door de Heilige Geest» Willen wij zo ^aan bidden zodat de Heilige Geest duizenden gaat aan­raken? In Hand. 4:29 lezen wij een gebed dat de discipe­len opzonden tot God: “En nu, Here, let op hun drei­gingen en geef uw knechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij Uw hand uitstrekt tot ge­nezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus. En terwijl zij baden, werd de plaats, waar zij vergaderd waren, bewogen; en zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en spraken het woord Gods met vrijmoedigheid”. Is dit geen heerlijk gebed? Als wij allen zo eens gingen bidden zou dan de Heilige Geest niet machtig gaan werken? In Jac.4:2 staat: “Gij hebt niet omdat gij niet bidt”. Was het ge­bed niet het geheim van alle geloofshelden? Ik denk aan Daniël. Driemaal daags boog hij zich neer on te bid­den tot God. En daarom ging God hem verborgenheden openbaren. Daar was een Henoch die wandelde met God. Als je met iemand wandelt, kun je rustig met hem praten. Zo zal Henoch wel veel met God gepraat hebben omdat van hem geschreven staat dat hij wandelde met God. Van George Muller is bekend dat hij een man van gebed was. Hij getuigde van het gebed dat het voor hem tot een tweede natuur geworden was. Hij vond het even vanzelfsprekend te bidden dan om adem te halen. Daarom was het leven van George Muller zo geweldig vruchtbaar. Het was vol niet wonderen. Het gebed is eigenlijk de adem van een kind van God. In (Jak. 05:16) staat: “Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, doordat er kracht- aan ver­leend wordt”. Willen wij op deze belofte ingaan? Dan gaan we de kracht van het gebed ervaren. Jezus zegt: “Bidt en gij zult ontvangen”. Voorwaarde om te ontvan­gen is echter: geloof. (Jak. 01:06) zegt dat wij moeten bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, went wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt”. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ont­vangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen”(Jak. 01:07).

Graag wil ik een volgende maal meer over dit onder­werp schrijven.  

1965.04 nr. 67

Levend Geloof 1965.04 nr. 67

Brand

Wij willen dit nummer beginnen met u iets te vertel­len van wat wij in de nacht van 13 op 14 februari j.1. meemaakten. Ongetwijfeld hebben sommige lezers bij het ontvangen van het februarinummer van ”Levend Geloof” gedacht, wat ziet mijn blad er vreemd uit met aan de achterkant zo’n grijze streep. Deze streep werd veroor­zaakt door roetwater. “Levend Geloof” is n.l. “in de brand” geweest.

Die nacht werden wij getroffen door een felle brand. We hadden juist enkele dagen tevoren een nieuw kost­huis betrokken, waar ook alle bescheiden van “Levend Geloof”, zoals stencilmachine, schrijfmachine, snijma­chine en de reeds voor verzending gereedliggende fe­bruarinummers van “Levend Geloof” waren.

De brand, die in het huis van de buren ontstond, sloeg door de zeer’ felle wind, in korte tijd over, zo­dat wij (in totaal 14 personen) hals over kop door een verstikkende rook moesten vluchtten. Alles moest worden achter gelaten.

De “Kolummer Courant” schreef later dat allen als door een wonder deze ramp ongedeerd hebben overleefd. En zo was het ook! Een broeder die in het huis woonde, had enkele weken tevoren een visioen gehad, waarin hij een geweldige vuurgloed zag, maar temidden van het vuur twee beschermengelen. Hoe goed is onze God! Wij loven en prijzen Zijn Naam en hebben opnieuw ervaren dat de engel des Heren zich legert rondom degenen die Hem vrezen!

Hoewel het huis totaal afbrandde en niet weer opge­bouwd kan worden, is “Levend Geloof”, die niet verze­kerd was, er toch goed afgekomen. De kamer waarin de machines stonden werd weliswaar getroffen door vuur en water, maar de machines, die toch aan een revisiebeurt toe waren, zijn allen weer intact. Ook onze kleren, etc. werden voor het grootste gedeelte gered.

‘Wij zijn blij dat wij gewoon door kunnen gaan met de uitgave van ons blad, dat zo rijk gezegend wordt. Bidt voor onze arbeid, zoals wij het voor u doen!          

 

 

Pasen 1965 door Gert Jan Doornink

“Bent u ook in Paasstemming? Wij wel. Let u maar eens op de fabelachtige koopjes in onze supermarkt” (Uit een advertentie).

Hoe ver is de wereld – met inbegrip van de zogenaamde christelijke wereld, – af komen te staan van de werkelijke betekenis van de christelijke feestdagen als: Kerstfeest, Pa­sen en Pinksteren.

Terwijl de viering van deze feestdagen hoogtepunten in het leven van een Christen zouden moeten zijn, zijn deze dagen gedegra­deerd tot dagen waarin men genieten wil, onder het motto: Laat ons eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij…..

Gelukkig is het anders bij de ware gemeen­te van Jezus Christus; dat zijn allen die zich door een persoonlijk geloof in de Zoon van God, gereinigd weten door Zijn bloed. Zij hebben uit Gods Woord weer de ware betekenis van Kerstfeest, Goede Vrijdag, Pa­sen, Hemelvaartsdag en Pinksteren leren ken­nen.

Er is echter ook bij de echte gelovigen nog veel wereldgezindheid, dubbelhartigheid en het behagen van het eigen (vrome) vlees. Ook bij de vele duizenden die de talrijke, Paasconferenties weer zullen meemaken. ‘Wij schrijven dit niet om negatief te willen zijn. Integendeel. Wij zijn ontzettend verblijd en dankbaar voor de grote dingen die de Heer de afgelopen jaren ook in ons land gedaan heeft en waarvan de vele conferen­ties ook zichtbare tekenen zijn. Vrij bidden en geloven in een machtige zegen van de Heer op alle Paassamenkomsten.

Wie echter de zaak nuchter en realis­tisch bekijkt, zal moeten toegeven dat wij als gelovigen nog lang niet op de plaats staan waar wij moeten staan.’ In de zonen Gods komt vaak het “oude leven” nog meer tot openbaring dan de liefde en de overwinningskracht van Jezus! .

Hoe komen Wij nu op de plaats te staan, waar Christus ons wil hebben, n.l. als beelddragers en leesbare brieven van Hem? Alleen door een levend geloof in onze opge­stane Heiland! Jezus stierf voor onze zon­den aan het kruis van Golgotha (Goede Vrij­dag). Maar Hij is ook opgestaan uit de doden (Pasen). Halleluja!

Als wij als kinderen Gods Hem dienen door Zijn Woord dagelijks biddend te lezen, door vervuld te zijn, met de Heilige Geest (vrucht en gaven), door te bidden, te vasten en door woord, en daad te getuigen wordt Zijn Beeld in ons openbaar! En dit is de wil van God! God wil Zijn volle doel met ons berei­ken. Het gaat er maar om, of wij bereid zijn Hem Zijn gang te laten gaan!

Goede Vrijdag en Pasen zal ook in ons le­ven openbaar moeten worden! Toen wij Jezus Christus aanvaardden als onze Verlosser en Zaligmaker, kwam er een einde aan ons oude leven. (2 Kor. 05:17): “Zo is dan wie in Chris­tus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”. Dat betekent dat ons “ik” plaats moest ma­ken voor Christus. Het is geworden: Niet ik maar Christus leeft in mij. Geloven wij dit? En beleven wij het? Want daar gaat het’ om!

Wij zullen Goede Vrijdag niet alleen als een dag van herdenking van Christus’ kruisiging op Golgotha moeten vieren, ook in ons dagelijks leven in toepassing moeten brengen. En hetzelfde geldt voor Pasen. Zonder Goede Vrijdag is er geen Pasen. Zonder het gestorven zijn aan ons eigen ik, is er geen werkelijk overwinningsleven mogelijk.

Pasen 1965 heeft ons dichter dan ooit bij Jezus’ wederkomst gebracht. De dag waarop de gemeente – die zal zijn;” stralend, zonder vlek en rimpel – zal worden opgenomen, om voor eeuwig met Jezus te zijn? Is Goede Vrij­dag en Pasen in uw leven reeds zichtbaar?

 

Christus alles in allen door Klaas van Twillert.

Ds. KI. van Twillert schrijft in zijn contactbrief d.d april 1965

Geliefden in Christus en beste vrienden,

Allereerst mijn dank aan God voor alles wat ik uit zijn hand ontving, geestelijk en stoffelijk. Het is waarlijk wonderbaar.’ Sinds dat wij gedoopt zijn op Bijbelse wijze en de Geestesdoop hebben ontvangen, is ons leven rijker geworden in God, doch de strijd aan het geestelijk front zwaarder als ooit tevoren. Er moet intensief gestreden worden om de overwinning die we in Jezus hebben ontvangen, te behouden. Geen slappe knieën en trage handen, maar een jagen naar de prijs, wat het ook mag kosten, moet bij ons allen gevonden worden.

We leven in de eindtijd, de laatste ure der wereldhistorie. De zonen Gods komen openbaar. “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. (Openb. 22:11). Enerzijds wordt door de ver­menigvuldiging der wetenschap de machten van satan  geopenbaard als immer tevoren. Anderzijds lof en dank aan God – worden de geestelijke scheten die wij in Christus bezitten, meer en meer openbaar. Bij de verme­nigvuldiging van de geestelijke wetenschap wordt de kracht Gods, de kracht van het bloed en de werkingen des Geestes zichtbaar als immer tevoren. En bij dit al­les staan we nog maar aan het begin van een machtig sluitstuk der kerkgeschiedenis.

In de komende tijd zal de gemeente Gods te verstaan krijgen wat de erfenis der heidenen inhoudt en wat voor troonrechten vrij hebben. Hot zal schier elke gedachte ver te boven gaan, ’t Is nu nog maar kinderspel bij dat­gene wat volgt. Het zijn nog maar een paar druppels die er nu vallen, de stromen moeten nog komen. Een grote oogst wacht ons. God is bezig om duizenden jonge men­sen er bij te betrekken. Jongeren die nu reeds alles er voor opofferen. Halleluja! Glorie voor Jezus! Het is nu nog alles betrekkelijk. Straks zal de gemeente Gods gaan schitteren van de deugden van Christus.

Ik ben bijzonder blij dat ik nu de volheid en de ruimheid van het evangelie mag verkondigen. Ik word niet meer afgeremd in het uitdragen van de liefde Gods voor heel de wereld. En toch…hoe ruim ik nu het evangelie mag uitdragen, en het in de naaste toekomst nog onbegrensder zal doen, in het oog van God blijf ik toch nog uiterst bekrompen. Altijd is God groter. Zijn onbegrensde liefde meten wij af met ons begrensd den­ken en beperkte liefde tegenover God en onze naaste. En hoe meer wij nu naar do gezindheid van Christus gaan groeien, des te meer zullen we gaan beleven wat we in Christus hebben on waar we aanspraak op mogen maken. We zijn nog teveel negatief en te weinig positief in ons denken, spreken en handelen.

Elk die nu welbewust de zijde van Christus kiest, Hem onvoorwaardelijk volgt, door dogma’s en leerstellingen heen breekt die strijden tegen de gezonde leer van Christus, zij zullen deelgenoot zijn van een machtig deel. Niets en niemand moeten we dan ontzien, in het uitdragen van de volle genade-boodschap. Het zal Pasen zijn en blijven in ons leven. Staande in de overwinning van Jezus zullen we overwinnen. Halleluja! Ik kies de weg van Jezus.’ U ook?

Onder de christenen zijn veel vraagtekens, maar weinigen die de littekens van Christus dragen. Bent u bereid daarvoor?

Hij zegene u.

 

Wat is waarheid? door Gert Jan Doornink

“Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid?” (Joh. 18:38).

Lees vooraf: (Joh. 18:28-38).

Hebt u er wel eens over nagedacht dat het grootste proces van alle eeuwen, nu bijna 2000 jaar geleden plaats vond, toen Jezus voor de rechtbank moest verschijnen?

Wanneer wij over rechtszittingen spreken, spreekt dit de mensen ontzettend aan. De uitzendingen van de televisierechtbank trekken altijd miljoenen kijkers. Toen enkele jaren geleden het proces plaats vond tegen Eichmann, de man die terecht stond wegens moord op 6 miljoen Joden, sprak iedereen er over. Denk ook aan het grote proces te Neurenberg in 1946 tegen de grote Duitse oorlogsmisdadigers.

Er worden echter ook processen in de wereld ge­voerd, waarbij niet het recht, maar de macht zegeviert. Denk aan de processen in nazi-Duitsland en in de com­munistische landen.

Als iemand voor de rechtbank moet verschijnen is het vanzelfsprekend dat er een aanklacht moet zijn. Zo was het ook toen Jezus terecht moest staan. Pilatus vroeg: “Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?” (Joh. 18:29). Er was geen enkele reden Jezus voor de rechter te slepen. Immers, wat Hij gedaan had tijdens Zijn drie jaren van omwandeling over de aarde was en­kel goedheid. (Hand. 10:38) zegt: “Hij is rondgegaan, wel­doende en genezende allen, die door de duivel overwel­digd waren”. Hij genas de zieken, bevrijdde de gebondenen en vergaf de zonden.

Door dit te doen brak Hij echter met de tradities, de wetten en inzettingen van het Joodse volk, en vooral kwam Hij in conflict met de farizeeën en Schriftgeleerden. Zij hadden er belang bij dat alles bleef zoals het was. Zij spraken wel over God en Godsdienst, maar deden er niet naar. Het waren huichelaars.

In (Joh. 15:24-25) zegt Jezus: “Indien Ik niet de werken onder hen gedaan had, die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze gezien hebben, toch Hij en mijn Vader ge­haat. Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden gehaat”. Jezus bracht de boodschap die Hij bracht in praktijk en daarom werd Hij gehaat.

Zij zouden Jezus nog wel hebben willen laten regeren, als Hij hun positie daardoor maar niet zou aantasten. Zij geloofden ook nog wel in de komst van een Messias, maar verwachten een soort aards Koninkrijk met grenzen, een leger, enz. Jezus zei echter, toen Hem door Pilatus ge­vraagd werd of Hij de Koning der Joden was: “Mijn Konink­rijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier” (Joh. 18:36). Zelfs Jezus’ eigen discipelen begrepen dit niet altijd, want toen Jezus gevangen genomen werd, werd Malchus een oor afgeslagen door Petrus, waarop Jezus zei: “Steek het zwaard in de schede; de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?” (Joh. 18:11).

De kruisdood van Jezus lag opgesloten in het plan van God. Daarom was de “overwinning” van satan in wer­kelijkheid de overwinning van God’.

Hoe heeft onze heiland geleden! Hij werd in het ge­zicht geslagen. Hij werd gegeseld. Hij werd in het ge­zicht gespuwd, hem werd een doornenkroon opgezet en een purperen mantel aangetrokken en zo werd Hij bespot. Hij werd geconfronteerd met Barabbas de moordenaar, maar het volk schreeuwt: Kruist Hem en laat Barabbas vrij! Jezus ging de weg van vernedering tot het einde, tot­dat Hij het tenslotte uitriep: “Het is volbracht’ en toen was de macht van satan gebroken. Hoe wonderbaar vertelt ons Jesaja wat Jezus in Zijn grote liefde voor ons gedaan heeft: “Hij was veracht en van mensen verla­ten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft Hij op zich genomen, en onze smarten ge­dragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheid verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Here heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar

Hij liet zich verdrukken en deed Zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij zijn mond niet open! (Jes. 53:03-07).

Pilatus zwichtte voor de druk van het volk, hoewel hij geen schuld in Jezus vond. Maar ook hij kende Jezus niet, getuige zijn vraag: “Wat is waarheid?”, toen Je­zus zei: “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem”(Joh. 18:37).

Nu is de vraag van Pilatus: “Wat is waarheid?” niet zo verwonderlijk. Want de hele wereld spreekt over waar­heid, maar handelt er maar zelden naar, omdat de over­ste dezer wereld de duivel is.

De duivel is een leugenaar en de vader der leugen. (Joh. 08:44):”Gij hebt de duivel tot vader en wilt de be­geerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid”). Ieder mens, die geen kind van God is, is dus ook een kind van de “Vader der leu­gen . Paulus zegt in (Rom. 03:04) dat God waarachtig is en ieder mens leugenachtig.

In onze tijd zien wij hoe de satan vele miljoenen mensen verblind heeft, door hen “de waarheid” voor te houden wat in werkelijkheid leugen is. Denk aan de grootste antichristelijke macht in de wereld, het com­munisme. Zij heeft in haar banier “de waarheid” staan… Maar de duivel is geraffineerd. Hij opereert ook op godsdienstig terrein. Denk aan de velen die zich “vrienden der waarheid” of iets dergelijks noemen. Het is nog helemaal geen garantie dat daarbij ook het “evangelie der waarheid” (Ef. 01:13) gebracht wordt. Als niet gepredikt wordt dat Jezus Christus de volkomen Verlos­ser is naar geest, ziel en lichaam en de Doper met Geest en Vuur, wordt het evangelie der waarheid niet gebracht. Jezus kwam om van de waarheid te getuigen (Joh. 18:37), met andere woorden, Hij bewees dat het waar was wat Hij zei: “Ik ben de Waarheid”, door de tekenen en wonderen die Hij deed.

Wij moeten komen tot de waarheid

Het is niet alleen voldoende Jezus aan te nemen als Zaligmaker, maar vrij moeten Hem ook leren kennen als Degene die gezegd heeft: “Ik ben de Waarheid”, die te­kenen en wonderen deed, die geen vrees kende, die niet alleen de gaven, maar ook de vrucht van de Geest open­baarde. Wanneer wij nog werkingen van het vlees openbaren, in plaats van de vrucht van de Geest, bedroeven wij onze Heiland en maken wij ons geloof tot een bespotting. Dan kunnen wij nog zo hard zingen of in de handen klappen op de samenkomsten, maar het gaat er om dat wij in ons dagelijks leven Zijn overwinning openbaren.

Jezus bad in het Hogepriesterlijk gebed: “Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid. Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik hen gezonden in de wereld; en Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid” (Joh. 17:17-19).

Onze uitzending in de wereld houdt dus direct ver­band met ons zijn in De Waarheid. Daarom is het zo noodzakelijk om vervuld te zijn met de Heilige Geest, want de Heilige Geest is de Geest der waarheid (Joh. 14:16-17). Zonder de Heilige Geest dwalen we in het duister en laten ons leiden door ons verstand of ge­voel. Jezus zei van de Heilige Geest in (Joh. 16:13): “Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid”. Halleluja’ Het is daarom absoluut noodzakelijk om als kind van God de Heilige Geest te bezitten.

In de komende tijd krijgen wij een tijd van toespit­sing. De macht van satan groeit, maar ook de macht van de gemeente van Jezus groeit. De tijd van vermen­ging in de gemeente van satan, en Christus is spoedig voorbij. Zij die niet vervuld zijn houden het dan niet uit.

Laten we zien hoe het in de eerste tijd. was. Als Paulus en Barnabas in Macedonië achtervolgd worden door een vrouw met een waarzeggende geest (Hand. 16:16-18) gelast Paulus deze duivelse geest in de naam van Jezus uit deze vrouw te gaan, gaat deze geest er ogen­blikkelijk uit. Als Ananias en Sapphira in (Hand. 05:01-11) proberen de broeders en zusters te bedriegen, vallen ze dood voor de voeten der apostelen ter aarde. Jezus doorzag de valsheid en sluwheid van de farizeeër. Hoe? Hij doorzag hen in de Geest (Mark. 02:08). Paulus schrijft in (1 Tim. 02:07):”Ik ben een leermeester der heidenen in geloof en in waarheid; ik spreek waarheid en geen leu­gen”. En hij kon dit zeggen omdat hij vol van de Heilige Geest was. In 1 Korinthe 13 schrijft hij over de liefde: “Zij is niet blijde met de ongerechtigheid, maar zij is blijde met de waarheid”. (1 Kor. 13:06)

Nu is de doop met de Heilige Geest geen garantiebe­wijs onder het motto: “Nu ben ik er”. Integendeel. Het is nog slechts een begin. Paulus zegt dat wij moeten streven naar de geestelijke gaven. Hoe voller wij zijn van de Geest van God. hoe meer er openbaar zullen wor­den (en hoe meer ook de vrucht zichtbaar zal worden!) Dan zal de wereld zien dat wij in de waarheid zijn en daarnaar ziet zij uit, “want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods”(Rom. 08:19).

Wij moeten blijven in de waarheid

Als vrij gekomen zijn tot de waarheid moeten wij er ook in blijven. Hoe bereiken wij dit? Hoe kunnen wij volhar­den? Wij hebben zoeven al gezien dat het noodzakelijk is om vervuld te zijn met de Heilige Geest. Echter ook Gods Woord en ons bidden is belangrijk.

Wij moeten blijven in Zijn Woord. Jezus is het vlees­geworden woord vol van genade en waarheid, (Joh. 01:14). In (Joh. 08:31-32) zegt Jezus: “Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waar­heid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken”. Laten we dagelijks biddend Gods Woord lezen. Het is een kracht in ons leven en de volle waarheid. Laten we ook alles toetsen aan het Woord, ook de openbaringen van Geest zoals profetieën, dromen, enz.

Wij blijven ook in de waarheid door te aanbidden met een oprecht hart. Wij kunnen bidden tot God uit sleur of traditie, ook als kind van God. Maar dat heeft voor God geen waarde, Denk aan wat Jezus zei tot de Samaritaanse vrouw: “De ure komt en is nu dat de aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Joh. 04:23-24).

Als wij door de vervulling met de Heilige Geest, het lezen van Gods Woord en met een oprecht hart te bidden blijven in de waarheid, bewaart ons dat voor afval en afdwaling, waarvoor de Bijbel ons op verschillende plaatsen zo uitdrukkelijk waarschuwt: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat- zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen….”(1 Tim. 04:01). De Bijbel waarschuwt ons dat wij gezond moeten zijn in het geloof en niet moeten luisteren naar mensen die zich van de waarheid afkeren. (Titus 01:13-14).

Wij moeten, getuigen van de waarheid

“God, onze Heiland wil, dat (1) alle mensen behouden worden en (2) tot erkentenis der waarheid komen’! Iemand die Jezus heeft aangenomen als zijn Zaligma­ker moet Hem ook leren kennen als Degene die de volle waarheid in zich heeft. Juist in deze eindtijd gaat het hierom. (Openb. 22:11) zegt: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vui­ler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”.

Daarom geen compromis met wie of wat ook, maar getuigen van de volle waarheid. Dat is de opdracht voor elk kind van God! Dit brengt bespotting en ver­volging mee. Maar wat geeft dat? Het is maar voor de korte tijd die wij hier in het vlees moeten doorbrengen. Spoedig zullen we Jezus zien in al Zijn heerlijk­heid! Is ons dat niet alles waard?

 

Wat God deed in ons leven

Mrs. A. de Graaf, Smithfield, N.S. West Australië, schrijft ons d.d. 16-3-’65:

Zes jaar geleden was ik erg ziek. Ik had kanker en woog nog maar 78 pond. Ik wilde niet meer leven en niets meer van God weten, hoewel ik grootgebracht ben in het Leger des Heils en daar ook getrouwd ben.

Toen sprak ik met iemand van de jeugdgroep van “Stromen van Kracht” en die zei tegen me: Ga eens mee naar de kerk, daar spreekt broeder Karel  Hoekendijk.

Zo ging ik op een vrijdagsavond naar de samenkomst in Amsterdam. Er werd daar gezongen en in de handen ge­klapt, de Heer geprezen en in tongen gesproken. Ik bezocht nog een paar samenkomsten, maar de duivel hield mij tegen om naar voren te gaan.

Toen kwam zuster Tily de Grood naar me toe en zei: ! Die satan van jou kan er uit en de ziekte, kanker, moet verdwijnen als je gelooft in Jezus. Nu ik wilde wel, maar de satan hield mij vast. Daarna weet ik niets meer, want Jezus nam me bij de hand, en leidde mij voor broeder Ernste. De gemeente bad. Satan liet los. Mijn lichaam beefde en ik braakte alles uit, ook de duivel.

Prijst Jezus, de ziekte was verdwenen. De dokters waren verbaasd en konden bij hun onderzoek niets meer vinden.

Een jaar later zijn wij geëmigreerd naar Australië, nadat de Heer- ook bij mijn man, zoon en dochter grote wonderen had gedaan, allen werden gered. Mijn zoon Jan werd genezen van zonnesteek. De dokters van Amsterdam gaven geen hoop meer,’ maar Jezus, de Grote Dokter, ge­nas hem op de Bijbelcursus. Mijn dochter had astma, Je­zus genas haar.’ Mijn man werd genezen van openduim. Wij werden 3 x gekeurd en waren allen goed voor Australië! Dat deed de Heer voor ons. Nu mag ik getuigen en zingen waar ik maar kan. Jezus is overwinnaar!

 

Brieven van lezers

Wij zijn de Heer dankbaar voor de grote zegen die ons blad verspreid, ook in het buitenland, getuige onderstaande brieven.

Dank tot u allen voor uw blad, waardoor wij steeds rijk gezegend worden. Als we het uitgelezen hebben ge­ven we het door aan andere Hollandse families en die geeft het weer door aan anderen. Uw blad gaat rond ook in Australië. Dank voor degene wie dit mogelijk maakt dat we uw blad ontvangen. We zijn niet rijk in goederen of geld, maar rijk in Jezus!

Fam. B. de Graaf, Smithfield N.S.W. Australië

(Lees ook getuigenis op vorige bladzijde).

Geachte Broeders in Christus, Groeten in de won­derbare Naam van Jezus! Mijn dank voor de toezending van uw maandblad “Levend Geloof”. Ieder lid van onze kleine gemeente en ook ik worden gesticht door de Bijbelstudies in uw blad. Wij ontvangen er een rijke zegen door. Eens in de week doen we er een gezamen­lijke Bijbelstudie en als het boekje uitgewerkt is, mag iedereen het mee nemen om het thuis nogmaals over te lezen en het daarna aan anderen door te geven. Dank u voor het levend. Water ook namens de Gemeente. Uw zus­ter in Christus,       A. Tjon Tjauw Liem Nw. Nickerie, Suriname

Onze medewerker Rev. H. Visser in Australië schrijft. Wij hebben aan de Gemeente medegedeeld en ook aan de Kerk als geheel hier dit jaar te willen vertrekken. We gevoelen dat dit een stap is, die we moeten doen. Het is een stap zeer ongewoon voor een predikant. De tegen­kanting tegen het Volle Evangelie is nog steeds zeer groot, al zijn er een paar heerlijke overwinningen. Wij zoeken nu een mogelijkheid om de reis naar Nederland te kunnen doen. We hebben al veel van onze inboedel ver­kocht, maar dat zet geen zoden aan, althans geen grote zoden. We zijn uit dat vorige huis weggegaan, het bleek in de bewoning heel slechte eigenschappen te bezitten, en hebben nu een heel geschikte woning gevonden, ook veel dichter bij het centrum der stad. Alleen bewonen we het een beetje kampeerachtig, en hebben wat stoelen en bedden geleend. We verwachten dat het toch niet ve­le maanden meer duren zal. Wat we in Nederland moeten doen, weten we niet. Wij bidden veel, dat God ons de weg wijst en werk daar wil geven. Wij weten zelfs niet waar we heen zullen moeten trekken, daar we noch werk­kring noch huis hebben in Nederland.

Drie dagen geleden kregen we een heerlijke bemoedi­gende brief van Br. Eikenaar uit Deventer. Hij schreef, dat het zoals zo vaak; uit het oog, uit het hart” was, maar dat God hem twee maanden geleden een gebedslast had gegeven voor ons en hem getoond had, dat we in gro­te strijd waren. Nu, dat is ook zo. Wij hebben hier een grote worsteling. Hij, br. Eikenaar is toen gaan bidden en ’werken voor ons. Een collecte is daar gehouden voor ons en die bracht ƒ 250,- op. Wat werden we klein toen we dat hoorden. Ik heb br. Eikenaar teruggeschreven,

dat het waar is wat we in de kerk zingen: “Ja, Hij is de God die d’ oren – wondren doet op wondren horen. Want wie ’had dit nu ooit gedacht. Ik ben er alleen maar enige keren wezen preken en nu presteren deze broeders en zusters het om dit voor ons te doen. Naast God zijn we dankbaar jegens hen. En ik denk, dat het allermooiste nog was, dat ik juist op mijn kamer gebeden had om ver­geving, dat ik wat in de put zat bij het vooruitkijken een onzekere toekomst. 10 minuten later haalde mijn vrouw deze brief uit de bus! Had ik precies nodig. God handelt wonderbaar!

Kracht van omhoog stuurt ons Jan van Gijs toe. Wat een heerlijk en aangrijpend getuigenis van Br. Van der Stouwe. Ik heb het op onze bidstond voorge­lezen. Wat gebeuren er toch dingen overal!

Hoewel dat in mijn eigen gemeente kritiek oplever , heb ik toch een-paar keer gepreekt hier in-een Volle E- vangelie Gemeente (een Australische). En we zijn er gezegend. De voorganger is eveneens Presbyterian geweest. Zondag vroeg hij me weer, nu voor een morgendienst. Maar dan kan ik niet, s’ avonds gaan mijn vrouw en ik er vaak heen als kerkgangers. Enige gemeenteleden hebben we weten te bewegen er ook eens te gaan luisteren. En het was hen goed bevallen. Doch het zijn er maar een paar, die dat opbrengen. Liever hebben ze kritiek op Pinksteren, zonder te weten vaak waarover ze het eigenlijk hebben. Wij gaan door. Kunnen geen stap terug doen…

 

1967.02 nr. 87

Levend Geloof 1967.02 nr. 87

Geloof in actie

“Gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof   zonder werken dood” (Jak. 02:26).

De apostel Jakobus legt in zijn brief zeer duidelijk uit wat het betekent om echt, werkzaam geloof te openbaren.

Vandaag zijn er velen die zeggen het echte geloof te bezitten, maar, zegt Jakobus hier, als dit geloof niet bewezen wordt, is het waardeloos.

Een echte gelovige bewijst zijn geloof uit zijn werken!

Hij doet dezelfde dingen die Jezus deed. Hij openbaart dezelfde liefde en bewogenheid voor het verlorene. Hij heeft dezelfde volmacht over de duivel.

Dat is geloof in actie wat de Heer van u en mij vraagt.

Dat is het wat de wereld van nu nodig heeft.

Deze wereld is niet alleen ver weg, maar ook rondom ons: de mensen waarmee we dagelijks in contact komen, onze familie, onze buren, enz.

Zeg niet dat u niet geschikt bent om als arbeider in Gods Koninkrijk te werken. Dit is een grote truc van satan waardoor velen op non-actief staan.

De Bijbel die ons opdraagt om een levend getuige van Jezus te zijn geeft ons ook de mogelijkheden om te kunnen getuigen.

Wij moeten gebruik maken van de “geestelijke wapens” zoals Gods Woord, het gebed en de Heilige Geest.

Weliswaar wil God ons niet allemaal op precies dezelfde wijze gebruiken, maar Hij heeft voor ieder een taak.

De eerste en belangrijkste opdracht, waaraan elk kind van God gehoorzaam moet zijn, is echter zielen winnen voor Jezus.’ We’ zijn gered om te redden.’ Als wij ongehoorzaam zijn aan deze opdracht zal de Heer ons ook nooit voor andere taken kunnen gebruiken. In dit verband willen wij al onze lezers en lezeressen opwekken om het nieuwe boek van T.L. Osborn te lezen: “Zielen winnen, daar waar de zondaars zijn”. Het is ongetwijfeld het meest belangrijke boek wat de laatste tijd is verschenen. Wij vragen u met de meeste nadruk dit boek te lezen….. te herlezen en……in praktijk te brengen!

Wat doet u om de mensen die Jezus niet kennen bereiken? Verspreidt u traktaten, volle evangelielectuur, etc. getuigt u óp uw werk van Jezus? Zielen winnen is niet iets om alleen als vrijetijdsbesteding

In ons dagelijks leven moet de gezind­heid van Christus openbaar worden. Dat is geloof-in- actie!

Geloof in actie vormt ons om naar het beeld van Christus. Dood geloof veroorzaakt dat de duivel vrij spel heeft in ons leven. De hartstochten en begeerten van het vlees hebben dan de overhand en er is geen sprake van overwinning en leiding door de Geest!

Geloof in actie, dat bewezen wordt door de werken van Jezus te doen, heeft tot gevolg dat tekenen en wonderen bewijzen dat Jezus leeft!

 

Het uitdrijven van demonen (boze geesten) door J. Noë

Van 19 tot en met 27 november j.l. woonde ik een conferentie bij, uitgaande van de VEZA in Engeland, in Turnours Hall in Chigwell, London. De voornaamste spre­ker was Dr. Derek Prince, een welbekende figuur, die in Chicago woont en daar zijn gemeente heeft. Hij is een brenger van de volle Bijbelse boodschap en heeft al heel wat landen afgereisd. Van de onderwerpen welke hij op de conferentie behandelde, nam het onderwerp “Demonen en het uitdrijven daarvan” wel de voornaamste plaats in. In “Kracht van Omhoog” van 7 januari 1966 staat een uitvoerig verslag van Dr. Prince over het uitdrijven van demonen. Ik wil daarom volstaan met enige belangrijke punten uit dat verslag aan te halen en verder vertellen over de machtige dingen die op de conferentie gebeur­den.

Jezus zegt in Markus 16: “Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in Mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven; in nieuwe tongen zullen zij spreken, enz.”

Een boze geest is een persoonlijkheid en heeft drie eigenschappen: 1. Kennis, zie bijv. (Mark. 01:24; Luc. 08:31-33; Hand. 19:15).

een wil, zie (Matt. 12:44; Luc. 08:31-33).

Gevoel, zie (Jak. 02:19).

Zoals wij uit de aangehaalde teksten zien kan hij ook spreken.

Bij het ontdekken van demonen is de gave van het onderscheiden van geesten van groot belang. Hierdoor kan de aanwezigheid of activiteit van demonen worden geconstateerd.

Geestelijke en lichamelijke symptomen, welke wijzen op de aanwezigheid van boze geesten.

Geestelijke symptomen.

a.Hardnekkig terugkerende stemmingen en kwaadaardige gevoeligheden, waarover de menselijke wil geen controle kan uitoefenen: ‘geprikkeldheid, haat, angst, vreesachtigheid, jaloezie, trots, zelfbeklag, gees­telijke kramp en ongeduld.

b.Onberedeneerde downstemmingen, die plotseling kun­nen omslaan in overdreven vrolijkheid.

c.Allerlei vormen van geestelijke verwarring en sla­vernij tengevolge van niet Bijbelse theorieën, zoals normaal voedsel weigeren te eten, overdreven ascese, het in acht nemen van bijgelovige voorschriften en elke vorm van afgodendienst.

d.Waarzeggerij, astrologie, spiritisme, toverij en ie­dere vorm van occultisme.

e.Verslavende gewoonten: vraatzucht, roken, verdovende middelen, seksuele onreinheid en alle vormen van perversie, alcohol, alsmede gebrek aan contróle over gedachten en blikrichting.

f.Godlastering, vuile taal en gespot.

g.Hardnekkig verzet of agressie tegen de Bijbel en het werk van de Heilige Geest.

Lichamelijke symptomen.

a.Opvallende rusteloosheid en ziekelijke zucht tot kletsen, voortdurend gemopper.

b.Glazige of sterk uitpuilende ogen; ook ogen die ab­normaal fonkelen.

c.Schuim op de mond, stinkende adem.

d.Hartkloppingen en andere aandoeningen, waardoor de hartslag versneld wordt.

e.Lichamelijk verzet tegen de kracht van de Heilige Geest.

Wanneer één van bovengenoemde symptomen zich afzon­derlijk voordoet, behoeft er nog geen sprake te zijn van aanwezigheid of activiteit van boze geesten. Doch zodra verschillende van deze symptomen tegelijkertijd opduiken is het waarschijnlijk dat er demonen aan het werk zijn.

Demonen kunnen de oorzaak zijn van geestelijke of lichamelijke kwalen, bijv. krakzinnigheid, epilepsie, migraine, astma, tumor, doofheid, stomheid, blindheid, kanker, verlamming, hartafwijkingen .en slapeloosheid.

Een juiste diagnose stelling is zeer belangrijk bij het uitdrijven van demonen. Wanneer de aard, het wezen van de vijand niette onderscheiden is, kun je hem ook niet bestrijden. Eerst als de juiste diagnose is ge­steld kan tot bevrijding worden overgegaan.

Degene die de gebondene wil bevrijden dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

Hij of zij dient te beseffen dat hij of zij in de Naam van Jezus volmacht heeft ontvangen.

Hij of zij heeft de volheid van de Heilige Geest no­dig.

Bij iedere bediening dient hij of zij zich bewust te zijn over hetgeen de Bijbel zegt over de schuldverge­ving en de verlossing door het bloed van Jezus.

Hij of zij dient er op toe te zien, dat er gelegen­heid is voor een zielszorgelijk gesprek. (Bij’ samen­komsten soms erg moeilijk).

Hij of zij mag nooit hoogmoedig zijn op grond van zijn of haar bediening. Hij of zij moet uitsluitend geleid worden door een diepe bewogenheid.

De gebondene die verlost wil worden zal aan de vol­gende voorwaarden dienen te voldoen:

Nederigheid (onderwerping aan God).

Eerlijkheid (zonden niet verdoezelen).

Belijdenis van de zonden.

Verwerping van de zonden.

Vergevingsgezindheid.

Een demon is een geest. Het Griekse woord voor geest betekent tevens adem. Nu ademen wij door onze neus en mond en wanneer een demon wordt uitgedreven, zal hij hot lichaam meestal door de mond verlaten. Aan bepaalde uitingen is te bemerken, dat hij het lichaam verlaat, bijvoorbeeld door sissen, hoesten, snikken, gillen, brullen, boeren, spuwen of braken. Het hangt er helemaal vanaf wat voor geest of geesten in de ge­bondene is of zijn. Het komt voor dat de demonen zich openbaren en gaan spreken, de stem van de gebondene krijgt dan een andere klank.

Tot zover in grote trekken het verslag van Dr. Prince, welk verslag overeenkomt met de inhoud van zijn boekje getiteld: “Expelling demons”(“Uitdrijven van de­monen” ) .

Nu de gebeurtenissen in Turnours Hall. Op de midda­gen, en ook wel des avonds na de dienst, ging Dr. Prince over tot de bediening van het uitdrijven van demonen. Meestal gaf Dr. Prince eerst een korte of langere uiteenzetting, al naar gelang de omstandighe­den. Hij legde er de nadruk op, dat degenen die bevrijd wilden worden, aan de vijf voorwaarden (zie boven) moesten voldoen (meestal ging dit in een gemeenschappelijk gebed), de mond moesten openen, diep adem moesten ha­len en de demon(en) moesten gebieden het lichaam te verlaten. Dan gingen we over tot gebed, aanbidding en lofprijzing en vroegen de Heer om een machtige zalving van Gods Geest. Dit was in alle diensten iets gewel­digs. Degenen die vervuld waren met de Heilige Geest begonnen in tongen te spreken en te zingen en het machtige was dat we allen ongeveer dezelfde melodie zongen en allen op hetzelfde moment ophielden. Vertolkingen, profetieën, openbaringen en visioenen bleven niet uit. In de meeste gevallen begonnen door de kracht van de Heilige Geest de demonen zich te roeren. De gebondenen begonnen dan te huilen, te gillen, te schreeuwen, te brullen (mannen) en te hoesten. Het leek af en toe net een gekkenhuis. Dr. Prince en zijn vrouw en broeder Syd Puree uit Chard (zie mijn verslag in “Levend Geloof” van december) bewogen zich onder de gebondenen om hen bij te staan. Ze legden dan de handen op de rug (meestal ter hoogte van de maag) en geboden dan de demon, in de Naam van Jezus, het lichaam te verlaten, dikwijls door achter elkaar te roepen: uit, uit, uit. Hierbij moest de gebondene, indien hij daartoe in staat was meewerken. Het uitdrijven der demonen ge­schiedde ook zonder dat de gebondene werd aangeraakt. Alles regelde zich naar gelang van de omstandigheden. De bevrijding ging gepaard met vlug ademhalen, hoesten, spugen en eventueel braken. Sommige demonen gingen er vrij vlug uit, maar er waren erbij die zich hevig teweer stelden en het nam soms dagen in beslag om ze er uit te krijgen. Zelfs aan het einde van de conferentie wa­ren er mensen die nog niet geheel bevrijd waren. Sommi­ge gebondenen bleven tijdens de bevrijding op hun stoel zitten, anderen gleden op de grond en gingen soms heftig te keer. Manifesteerden de boze geesten zich niet tijdens de zalving van de Heilige Geest, dan werd aan de aanwezigen gevraagd, wie zich gebonden wist en bevrijd wilde worden. Dan werd met hem of haar gesproken en ge­beden en ging men tot bevrijding over. De gemeente bad dan mee. Dit gebeurde nog al eens bij de avonddienst. De mensen voelen zich na zo’n bevrijding opgelucht en blij, en je kunt merken dat ze van iets verlost zijn. Gebleken is dat men indien men vervuld is met de Heilige Geest ) zich zonder hulp kan bevrijden.

Ook bij deze conferentie is het weer duidelijk gewor­den, dat al ben je gedoopt met de Heilige Geest en ben je zelfs als dienstknecht van de Heer werkzaam in wat voor functie ook, je gebonden kan zijn. En iedere gebon­denheid dient te worden uitgeworpen, opdat Hij ten volle Zijn werk in, met en door ons kan doen. De Heilige Geest openbaart’ het wel als er iets verkeerds in je is, rechtstreeks of via een ander. Ik zelf werd ook bevrijd van iets waarvan ik dacht dat dit reeds in Holland gebeurd was. Prijst de Heer.’

Ik ben de Heer onuitsprekelijk dankbaar, dat Hij het zo geleid heeft, dat ik deze conferentie moest meema­ken. Hoe wonderbaar is Hij! Steeds is Hij bezig om diege­nen die Hem liefhebben, te leren en op te bouwen opdat ze geschikt zullen zijn om in Zijn wijngaard te werken. Halleluja! :            _                                                                                           

Bent u volhardend (2) door Gert Jan Doornink

Wanneer moeten wij volharden?

De Bijbel geeft een aantal belangrijke aanwijzingen wanneer wij moeten volharden. Wij’ willen hier enkele punten noemen.

Volharden bij het bidden. Het bidden is uiterma­te belangrijk in het leven van een kind van God. Een Christen zonder gebedsleven is als een auto zonder motor. Nu is het van groot belang hoe wij bidden. De duivel heeft geen hekel aan sleur- of traditiegebeden, maar hij haat positieve, krachtige gebeden en het bidden in de Geest (1 Kor. 14:15). Door het gebed zoeken wij contact met God en spreken wij met Hem. Door het echte gebed bevechten wij geloofsoverwinningen. Geen wonder dat Paulus daarom enkele malen de nadruk legt op het feit dat ons gebedsleven volhardend moet zijn: (Kol. 04:02; Rom. 12:12).

Volharden bij verzoeking. Als wij verzocht worden door de duivel is dat een goed teken! Ja, u leest het goed.’ Iemand die geen overwinningsleven kent zal ook niet verzocht worden, maar iemand die de weg van Jezus gaat krijgt met verzoeking te maken. Maar hij behoeft niet toe te geven aan de verzoeking.

(1 Kor. 10:13) zegt: “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij er tegen bestand zijt”. Jezus weerstond de duivel toen Hij verzocht werd, ook wij kunnen hem weerstaan met Zijn Woord, in Zijn Naam en door de Heilige Geest. “Houdt het voor enkel vreug­de, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, want gij weet, dat de beproefdheid van uw geloof volharding uitwerkt. Maar die volharding moet volkomen doorwerken, zodat gij volkomen en onberispelijk zijt en in niets te kort schiet”(Jak. 01:02-04).

Volharden in het goed doen. God vergeldt een ieder naar zijn werken: Hun die in het goeddoen volharden, heerlijkheid, eer en Onvergankelijkheid zoeken, ontvan­gen eeuwig leven, zegt (Rom. 02:07). Wat is goed doen? Alles wat wij doen in overeenstemming met de wil van God. Dus getuige van Jezus zijn door woord en daad. Liefde beto­nen in een wereld die steeds liefdelozer wordt (Matt. 24:12).

Voorbeelden van volharding in de Bijbel.

De Bijbel geeft talrijke voorbeelden van volharding. Wij willen er twee noemen:

Job. De enigste keer dat in het Nieuwe Testament over Job gesproken wordt is in (Jak. 05:11), waar staat: “Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming”. Job hield dwars door alles heen vast aan de levende God die Hij diende en mocht ervaren dat God een Helper is groot van kracht. Hij schenkt leven en overvloed aan ieder die wil volhar­den. De uitdrukking: ”Zo arm als Job”, vindt geen enke­le grond in de Bijbel, want het is juist de volharding van Job die ons ten voorbeeld wordt gesteld.

De eerste christengemeente. Van deze gemeente le­zen wij in (Hand. 02:42): “Zij bleven volharden bij het onder­wijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden”. Willen ook wij in deze dingen volharden?

Er is nog een facet dat een rol speelt als ons ge­loofsleven volhardend is: het is de vervolging. Hoeveel Christenen zijn er niet die hun Heiland hebben verloochend omdat ze niet bereid waren te volharden. De Bijbel spreekt veel over vervolging en verdrukking. Als eindtijdgelovigen zullen we veel vervolging moeten meemaken, omdat we die dingen doen, die de duivel haat: de prediking van het Koninkrijk Gods bevestigd door tekenen en wonderen. Jezus heeft gezegd: “Gij zult door allen ge­haat worden om mijns naams wil…… Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden”(Mark. 13:13).

(Openb. 03:11) zegt: “Ik kom spoedig, houdt vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme”. Daarom: volhardt tot het einde, want “indien wij volharden, zullen wij met Hem als koningen heersen”! (2 Tim. 02:12).           

 

Het oordeel van de Zoon des mensen door Dirk A. Wols

“Komt, gij gezegenden Mijns Va­ders” (Matt. 25:34).

Aan het einde der wereldhistorie komt voor alle vol­ken de grote afrekening. Dan spreekt Jezus Zijn defini­tief oordeel uit al naar gelang we gedaan hebben, hetzij goed, hetzij kwaad. Het eindoordeel zal geschieden naar onze werken. Niet naar gelang van ons geloof maar naar onze werken. Want een geloof zonder de werken is een dood geloof.

Wat voor werken dat zijn, lezen we in (Matt. 25:31-46). Het is: hongerigen voeden, dorstigen laven, vreemdelin­gen huisvesten, naakten kleden, zieken bezoeken, tot gevangenen gaan. Wie deze dingen doen vanuit hun geloof, wie bewogen is door de nood der ellendigen, heeft ge­blikt in het hart van Jezus, die met innerlijke ontfer­ming bewogen was zodat Hij de dood inging voor reddeloos verlorenen. Zij beërven het Koninkrijk. Zij zijn Zijn scha­pen. Wie deze dingen niet doen, maar zich schatten ver­gaderen op de aarde en hun buik tot hun God hebben of met hun (dood) geloof gaan zitten met een boekje in een hoekje (of met het blad “Levend Geloof”), maar verder niet werken, worden verwezen naar de eeuwige rampzalig­heid. Zij zijn de bokken.

We worden dus geoordeeld naar de vruchten van het geloof en niet naar de gaven des Geestes. Als wij geen duivelen hebben uitgeworpen, geen zieken hebben genezen geen grote krachten hebben gedaan, dan legt dit geen gewicht in de schaal van het oordeel van de Zoon des mensen. Maar als we de vruchten des geloofs niet heb­ben voortgebracht, dan wordt ons dat zwaar toegerekend.

Versta dit niet, geliefden, om nu maar niet meer te ijveren naar de geestelijke gaven. Ik ben zelf zulk een ijveraar en smaak de grote vreugde om in Zijn Naam en kracht demonen uit te kunnen en te mogen werpen, zodat ze jankend en sidderend wijken. Prijs de Heer voor Zijn glorierijke overwinning. Maar met dit alles lopen we toch een enorm gevaar. Want velen zullen te dien dage – ten dage van het oordeel van de Zoon des mensen – tot Hem komen en ze zullen zeggen: “Here, Here, hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, in Uw Naam duivelen uit­geworpen, in Uw Naam vele krachten gedaan”. En dan zal Hij hun openlijk aanzeggen: “Ik heb u niet gekend, gaat weg van Mij, gij die de ongerechtigheid werkt”.

Misschien vinden wij als volle evangelie christenen dat Jezus hier de plank misslaat. Want vol evangelie is inclusief de gaven, het charisma des Geestes. En sommi­gen hebben hier zo’n grote verwachting van dat zij menen door de geestelijke gaven alle nood op te kunnen los­sen.

Maar het oordeel van de Zoon des mensen opent andere normen. Een hongerige kan niet gevoed worden met gees­telijke gaven, naakten evenmin ermede gekleed. Maar zou de Heiland dit letterlijk bedoelen of alleen geestelijk? In de stof of in de geest?

De Schrift laat een scheiding van stof en geest niet toe. Zeker hebben we onze wandel in de hemelen en we prijzen Hem voor de strijd in de hemelse gewesten mot Enakskinderen die evenwel zo klein als sprinkhanen wor­den bij Jezus’ bloed. Maar dit wil niet zeggen dat we het materiële leven moeten verachten. Dat doen we dan ook meestal niet voor onszelf, maar zodra de naaste in het geding komt, als hij nood heeft, dan worden we dik­wijls (over)geestelijk. Maar wie de naaste liefheeft als zichzelf zal zelf offers brengen om brood en kleding met de nooddruftige te delen.

Dat is niet zo gemakkelijk. Laten we één en ander niet onderschatten. Door de geestelijke gaven willen we nog wel dienen, maar in andere nood voorzien loopt niet zo erg vlot. Is het niet mede daarom dat het. ook niet zo erg vlot met de charisma? Want wc hebben de onfeilbare werking van Jezus nog niet bereikt in tekenen en wonderen, en de belofte is zelfs dat we nog grotere zullen doen.

Het geheim is, dat we vruchten en gaven niet van elkaar los mogen scheuren. “Jaagt de liefde na en streeft naar de geestelijke gaven”. Maar het één nooit zonder het ander. Want dan is het niet meer een vol evangelie, maar een eenzijdig evangelie. God stelt innerlijke be­wogenheid en betoning van barmhartigheid hoger dan Geestesgaven. Het geloof door de liefde werkende is de weg die nog veel verder omhoog voert. Daarom laat de Zoon des mensen bij Zijn oordeel de charisma buiten be­schouwing. Niet als van geen belang zijnde, maar omdat zij mede gewrocht worden door God als Hij ziet dat er waarlijk een krachtige, reine liefde werkt in de ge­meente, die zich in daden uiten moet.

In de praktijk wil dat zeggen, dat in een gemeente in elke vorm van nood moet worden voorzien en men als leden van één lichaam niet langs elkaar heen mogen le­ven. Wie nood ziet, on zijn hart willens en wetens voor hem of haar toesluit, de liefde Gods kan niet in hem blijven. En de halleluja’s zullen weldra van de lippen verstommen.

Nu is er een zekere angst voor parasieten, voor hen die er op uit zijn geholpen te worden. Maar ook de be­kwaamheid om te helpen is een genadegave des Geestes en zal weldra echte en surrogaat-nood weten te onder­scheiden.

Maar er moet gedegen onderzoek zijn en niet een af­wijzen van de werken omdat er zoveel gespuis is. Boven­dien gaat men niet spoedig te ver, want ook onze vijan­den vallen onder onze barmhartigheid. (“Zo uw vijand hongert, geeft hun te eten”, enz.)

Het oordeel van de Zoon des mensen is naar onze werken, als vrucht des geloofs. De Geestesgaven dienen “slechts” om ons daarin te ondersteunen en zijn Gods medewerkende glimlach over onze onderlinge naasten­liefde. Een naastenliefde die ontspruit uit het God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. Dit sluit iedere verdachtmaking uit want de liefde denkt geen kwaad.

In het volgend nummer hopen we de liefde te behan­delen aan de hand van

1 Korinthe 13, zo de Heer wil en wij leven.

 

Bouw elkander op in liefde door Jan W. Companjen

“Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns naams wil. Ik schrijf u, vaders, want gij kent Hem, die van de beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen”.

(1 Joh. 02:12-13)

Bij de overdenking van bovenstaand Schriftgedeelte werd ik er door de Heer bij bepaald hoe slaperig en slap wij nog in óns geestelijke leven zijn.

Ten aanzien van de wereld, en daarmee bedoel ik het gewone natuurlijke leven, zijn wij heel wat positiever ingesteld. Wij zijn allemaal blij als we zelf en onze kin­deren een gezond verstand hebben en vlot onze diploma’s halen die wij in onze maatschappij nodig hebben. Indien iemand op studiegebied een bijzondere prestatie levert, vinden wij dat allemaal prachtig en wij hebben er vaak alles voor over als een zogenaamd begaafd kind het hoogste doel bereikt. Lichamelijk, verstandelijk komt de mens wel aan zijn trek, wordt hij veelal wel bevredigd en heeft hij het tot geweldig mooie resultaten gebracht. Maar hoe zit dat met de geestelijke mens? Zijn wij ook niet geroepen tot een geweldige ontwikkeling op dit terrein? Zijn wij ook op dit terrein niet geroepen om tot volwassenheid te komen? Geldt daar niet de wet van Christus dat wij in gehoorzaamheid aan Hem, Hem gelijk­vormig mogen worden door Zijn Geest die in ons woont. In Hem zien wij hoe God zich de mens heeft gedacht, Hij heeft ons de Vader doen kennen, Hij heeft ons Gods wil geopen­baard en door Zijn Geest zijn wij geroepen Hem gelijkvor­mig te worden.

Jezus overwon satans macht, beheerste de natuur en leerde Zijn discipelen dat het geloof in Hem een geeste­lijke strijd was, waarin de boze machten in de hemelse gewesten ondergeschikt waren aan de Goddelijke Geest die in Hen was. Hij sprak zoals de Vader Hen dat open­baarde. (Hij had geestelijk contact net Hen, Hij was één in Hen).

Deze dingen, de mens in vleselijke kracht en de mens die vervuld is met Goddelijke kracht, komen ook ter sprake in het gesprek van Jezus met de Farizeeën over de vraag wanneer het Koninkrijk Gods komen zal. Jezus antwoordde toen dat die dag niet te berekenen is of zoals in een andere vertaling staat: dat Koninkrijk komt niet met een uiterlijk gelaat en men zal niet zeggen: “zie hier of zie daar; want zie, het koninkrijk Gods is in u lieden”. Van daaruit moet het opge­richt en uitgebreid worden. Jezus zegt dan verder in dat Schriftgedeelte (Luc. 17:20-37) dat de mens (in zijn algemeenheid) nog zal zijn als in de dagen van Noach en Lot d.w.z. vleselijk, etende en drinkende, huwende en bouwende, kopende en verkopende. Op zichzelf helemaal niet verkeerd, doch ver beneden de menselijke roeping, ver beneden het doel waartoe God de mens ge­schapen heeft. De grote Schepper aller dingen vraagt meer dan datgene waarvan gezegd kan worden dat het ook in de dierenwereld gevonden kan worden. Ook het dier eet en drinkt, paart en bouwt, dit alles is een na­tuurlijke zaak. Neen geliefden, het gaat om meer en de­ze keer willen wij hierop het licht laten vallen vanuit ons bovenstaand Schriftwoord.

Ik schrijf u, kinderen, want uw zonden zijn u verge­ven om Zijns Naams wil. Heerlijk is het als wij reeds zo­ver op de geestelijke school gekomen zijn dat wij deze dingen kunnen beamen. Dat wij mogen weten dat onze zon­den uitgewist zijn en dat wij gereinigd zijn door Zijn bloed. Het gaat echter ook om opwassing, het gaat om zonen en zelfs om “vaders in het geloof”. De jongelingen worden aangesproken als strijdbare helden die de duivel overwonnen hebben. Zij zijn door lering, door geestelijke opbouw, zo ver gekomen dat zij overwinnaars kunnen zijn over satan en zijn legermachten. Zij hebben leren zien en zijn tot ervaring gekomen dat zij met hun Aanvoerder meer dan overwinnaar kunnen zijn. Zij hebben begrepen dat zij met hun Heer en Meester in de hemelse gewesten zijn gezeten en dat zij daar hun geestelijke wapens mogen hanteren. Zij hebben ervaren dat de geestelijke wapenrusting de wapenrusting Gods is. Niet door kracht of geweld, op het vleselijke ’vlak, maar door Zijn Geest zal het geschieden? Heel de schepping zucht naar de openbaring van deze gelovigen, van deze geestelijke mensen. “Voorwaarts Christenstrijders, drukt uws Konings spoor” is hun strijdlied en die zó overwint zal deel heb­ben aan de grote beloften die wij in de eerste hoofdstuk­ken van de Openbaring van Johannes lezen. De tijd van de bewarende kracht van de gemeente gaat voorbij en er zal een tijdperk aanbreken dat de Kerk van Jezus Christus gaat functioneren. Er komt een tijd dat Zijn Gemeente, Zijn Lichaam, in grote heerlijkheid op staat. In deze (onze) tijd van toerusting hebben wij niet alleen “strijdbare hel­den” doch ook “vaders in het geloof” nodig. Zij zijn opgewassen tot een dusdanige volwassenheid dat zij Hem, die van de beginne is, volkomen kennen zoals Hij is. Denkt u zich, dat eens even in. Al deze dingen zijn voor een ieder van ons weggelegd. Paulus wist ook reeds van deze din­gen. Hij streefde en jaagde er naar opdat hij dit grote doel grijpen mocht. Voor de eindgemeente is het wegge­legd. Zijn Woord zal vervuld worden en wij mogen geloven in een machtige overwinning door Zijn Geest die in ons woont. Christus in u, de hoop der heerlijkheid. Toets u zelf eens in de binnenkamer. Het gaat in de eindgemeen­te niet meer om toespraken of woorden, het gaat er om wie wij. in Hem Zijn. Wie Hem werkelijk liefheeft zal Zijn Woord volvoeren d.w.z. ten uitvoer brengen. Indien wij Hem werkelijk liefhebben zullen wij doen wat Hij vraagt en zullen wij één in Hem worden. Dan zal de grote dag des Heren aanbreken en Zijn Koninkrijk openbaar worden. Dan zal Zijn Lichaam opstaan, dorre doodsbeenderen komen bijeen en er zullen spieren en vlees opkomen, Daarna zullen zij vervuld worden met Zijn Geest. Reeds nu klinkt er een groot geruis en gebruis in het knekelveld en reeds nu klinkt er de roep tot de Geest om bezit van de toebereide lichamen te nemen. Wij leven in de dagen des Heren. In de laatste dagen spreekt God alleen maar in Zijn Zoon, Hij is de enige Weg, zo smal als het maar kan, slechts over een man. Zoals door één man de zonde in de wereld kwam, zo is Hij alleen de oplossing uit alle ‘nood. Wij hebben reeds diverse dagen des Heren gehad. Voor Ne­derland waren er o.a. in augustus 1958 op het Malieveld machtige dagen waarin des Heren heerlijkheid openbaar werd. Jezus zeide: Er zullen dagen komen, dat gij zult begeren één der dagen ‘van de Zoon des mensen te zien en gij zult die niet zien. In de grote einddag valt er echter een radicale beslissing. De mens wordt tot de beslissing gedwongen. Alle zogenaamde zekerheden waaraan de godsdienstige mens vroeger, ja tot op heden, nog zijn steun heeft, vallen weg. Hij wordt teruggewor­pen op zichzelf, op zijn eigen naakte werkelijkheid. Van­uit die werkelijkheid zal hij moeten beslissen: terug tot God of het struikgewas, de natuur in. Als die dag aanbreekt zullen wij Hen volkomen moeten volgen en zul­len wij niet terug moeten gaan naar ons eigen huis of huishouding, denk aan de vrouw van Lot. Wij zullen dan ons leven moeten verliezen in Hem. Een ieder die zijn leven zal trachten te behouden, die zal het verliezen, maar een ieder die het verliezen zal (in Hem) die zal het vernieuwen (Luc. 17:33). Wij behoeven niet bang voor de toekomst te zijn. Indien wij in Hem zijn, zullen wij gered worden door alles heen. Zoals de ark het behoud voor Noach was, zo is Jezus de ark voor ons. Zoals die eerste, natuurlijke, ark door het water van de ene naar de andere wereld, naar de nieuwe wereld, trok, zo zul­len wij met Hem door de geestelijke zee naar de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gaan. Zoals Lot en de zijnen gered werden, zullen wij gered worden. Niet meer omzien­de naar het oude, vleselijke leven, reizen wij voor­waarts via de Schelfzee, woestijn en Jordaan naar het beloofde land. Gaat u met ons mee? Alles is gereed. Overgave vraagt Hij van ons, d.w.z. Hij zoekt gemeenschap met ons. Bruidsgemeente zijn wil zeggen overgegeven wil­len zijn aan de Bruidegom zodat Hij gemeenschap met ons kan hebben. Antwoord Hem en zeg: Heer, hier ben ik. Dan zullen wij door Zijn Geest geleerd worden opdat wij zullen weten wat en wie Hij is. Hij zal zich laten kennen. Hij zal ons na twee dagen (2 x duizend jaar) doen herle­ven, ten derde dage zal Hij ons oprichten en wij zullen leven voor Zijn aangezicht. Ja wij willen de Here kennen en er naar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dage­raad is Zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit (Hos. 06:02-03).

Op die dag zal Hij komen om verheerlijkt te worden in ZIJN heiligen en wonderbaar te worden in allen die geloven (2 Thess. 01:10) In “kinderen’ in jongelingen en vaders want de aanklager, de duivel, zal overwonnen worden door het bloed van het Lam en het woord hunner getuigenis. Amen.  

 

De gemeente zoals de Bijbel ons leert door A. Schenk (5)

De vorige keer hebben wij er bij stil gestaan dat Je­zus als Hoofd van de Gemeente Zich openbaren wil door Zijn Gemeente. En dat het van de Gemeente afhangt of Hij Zich openbaren kan in deze wereld.

Als wij Jezus willen volgen zullen wij de werken moe­ten doen die Jezus deed. In (Hand. 10:38) staat wat Jezus deed. “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”. (1 Joh. 03:08) zegt: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou”. Dit was de bediening van Jezus. Hij kwam in een wereld die een prooi van de machten der hel ge­worden was. Hij streed tegen die machten, verbrak ze en overwon ze door de kracht van de Heilige Geest. (Kol. 02:15): “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd”.

Dat wil niet zeggen dat deze machten van de duivel er vandaag niet meer zijn. In de laatste wereldoorlog was het duidelijk te zien dat de legers van Hitler de strijd verloren hadden. Maar toch gaven ze de strijd niet op. Geloof maar dat de Duitse generaals dit ook wel gezien hebben in de winter van 1944-45. Maar ze gingen door om overal terreur te brengen. Totdat ze niets anders meer konden dan zich overgeven. Zo is het ook geestelijk. De duivel weet dat hij overwonnen is door Jezus. En dat zij, die in de overwinningskracht van Jezus staan, ook hem (de duivel) kunnen overwinnen. Daarom is de duivel bang voor een kind van God die in de kracht van de Heilige Geest staat. Wij moeten als Ge­meente gaan begrijpen dat de duivel een overwonnen vij­and ‘is. Als we in het Oude Testament lezen over het volk van Israël zien wij steeds dat dit volk te maken, had met aardse, zichtbare vijanden. Daar waren Kanaänieten, Hethieten, Ammonieten, Amelekieten, Filistijnen en nog veel meer worden er genoemd, waar ze strijd tegen te voeren hadden.

Israël kunnen we zien als een voorafschaduwing van de Gemeente van Jezus Christus. Zoals Israël als volk van God te strijden had tegen deze zichtbare vijanden, zo hebben wij als Gemeente de strijd tegen de onzichtbare vijanden: de duivel en zijn trawanten. In (Ef. 06:12) schrijft Paulus dat wij niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees. Paulus wil hier eigenlijk zeggen dat wij niet moeten strijden tegen mensen of volkeren of konink­rijken van deze aarde, maar dat onze strijd tegen een ge­heel andere vijand is. Onze strijd is tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duis­ternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. (Ef. 06:12). Zie, zegt Paulus, hiertegen is nu als Ge­meente onze strijd.

Het blijkt uit deze tekst dat er in het rijk van sa­tan verschillende rangen zijn: overheden, machten, we­reldbeheersers, boze geesten. Ik geloof dat wij ons dit het beste voor kunnen stellen door dit te vergelijken met de verschillende rangen en afdelingen in een mili­tair leger. In (Dan. 10:12-13) lezen wij hoe Daniël gebeden had en hoe God een engel naar hem toestuurde met de boodschap dat God zijn gebed verhoord had. “Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond een en twintig dagen tegenover mij”. Verder vertellen deze teksten ons dat Michaël hem te hulp komt. Dit was een engel uit het Koninkrijk van God. Deze vorst der Per­zen was geen aardse koning of machthebber, maar een vorst van de duivel. Hieruit kunnen wij zien dat er be­paalde landen of streken zijn waar bepaalde machten van de duivel hun invloed doen gelden. Verschillende stre­ken van ons land worden beheerst door vrome demonen, zich uitend in uitverkiezingsleer, wettische opvatting en door veel de aandacht te vestigen op de zonde en niet op de genade van Jezus» Velen worden door deze de­monen gekweld. Hier doet de duivel zich voor als een engel des lichts.

In de communistische landen opereren weer andere machten van de duivel. Velen in de Gemeente hebben dit inzicht verloren en daarom strijden ze vaak tegen elkaar in plaats van tegen de duivelse machten. Jezus bond de strijd aan tegen de machten der hel. Hij zag niet de mens in de eerste plaats, maar de macht, de geest, die in deze mens was. Hij onderscheidde de geesten. Jezus zei tegen een stomme: Gij stomme geest, ga uit en tegen een dove: Gij dove geest, ga uit. Hij zei dit niet te­gen die mens, maar tegen de geesten die binnengedrongen waren in deze levens.

In (Mark. 01:23-28 vertelt ons de evangelist dat ‘Jezus een onreine geest’ beveelt uit te gaan en hij gaat uit… …en de mensen zeggen: een nieuwe leer met gezag! “Ook de onreine geesten geeft Hij bevelen en zij gehoor­zamen Hem”. Ziet u: Jezus ging Zijn ‘Gemeente voor. Als Gemeente hebben wij dezelfde strijd tegen de duivel. Wij mogen en kunnen met gezag optreden tegen de demonen.

Als wij duidelijk als kind van God deze strijd gaan zien en in praktijk gaan brengen, gaan we er de reali­teit van ervaren. Pas werden wij nog bij iemand geroepen die op één of andere wijze was overweldigd door de dui­vel. Wij traden op met gezag in de Naam van Jezus en ge­boden de geesten uit te gaan en zij gingen uit. Hallelu­ja! Als de Gemeente dit duidelijk gaat zien en de vijand weer gaat onderkennen en onderscheiden, dan verandert heel onze bediening en werk voor de Heer. De duivel zal trachten ons persoonlijk leven met de Heer en dat van de Gemeente aan te vallen. Maar wij moeten leren hem te weerstaan mot het Woord van God. Toen Jezus gedoopt was met de Heilige Geest heeft de duivel geprobeerd Hem ten val te brengen. Maar Jezus weerstond hem met het Woord van God: “Er staat geschreven”. (Jak. 04:07) zegt: “Biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden”. (1 Petr. 05:09): “Weerstaat hem, vast in het gelooft’.

Als u als kind van God last hebt van de duivel – en wie hooft dat niet – spreek hem dan aan in de kracht van de Heilige Geest en houdt hem beloften van God voor verband houdende met de omstandigheden waarin u ver­keerd. Gebiedt hem in Jezus naam om heen te gaan. Bindt zijn nacht. Jezus zegt in (Matt. 18:18): “Al wat gij op aarde bindt, zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel”. Ook als u naar anderen gaat die Jezus nog niet toebehoren, die misschien onrein zijn of vreselijk vloeken of drin­ken, ga dan deze machten binden en u gaat ervaren dat er een opening komt om de boodschap van het evangelie te brengen. Natuurlijk is de mens zelf verantwoordelijk om Jezus te aanvaarden. De mens kan zich openstellen voor de geest van de duivel, maar ook voor de Heilige Geest.

In Openbaring 12 staat een machtige tekst: “Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis”(Openb. 12:11). Twee dingen vallen op in deze tekst: “Het bloed van het Lam” en “hun getuigenis’.’ De kracht van de gelovige en Gemeente ligt in de eerste plaats in het volbrachte werk van Jezus en Zijn overwin­ning aan het kruis. En dan in de tweede plaats het po­sitief getuigenis van de gelovigen tegenover het rijk van satan. De duivel zegt: Je bent een zondaar. De ge­lovige moet zeggen wat de Bijbel zegt: We zijn een uit­verkoren priesterdom gereinigd door Zijn bloed. De dui­vel zal ons negatief laten denken. God wil dat we posi­tief gaan denken wie wij in Jezus zijn. Wij zijn heili­gen, rechtvaardigen, koningen en priesters. Paulus zegt dat wij met Jezus meer dan overwinnaars zijn.

Willen wij als Gemeente deze plaats positief in gaan nemen tegenover de machten der hel? En satan zal weldra onder onze voeten vertreden worden! Halleluja?

 

Opwaarts qaat ons pad naar boven door KI. van Twillert

(Job 11:13-19)

De were1devangelist T. L. Osborn heeft bij de opening van het ”Capitol Evangelie Centrum” gezegd: Wij leven in een generatie die zegt dat God dood is, dat Jezus een Christus een opvulsel was, dat wonderen fabeltjes zijn en dat de Bijbel een boek met sprookjes is, de opstan­ding een grap, zonde een negatieve voorstelling en red­ding een psychologische ontspanning.

Meer dan ooit wordt het Woord van God bewaarheid uit Psalm 2 (Ps. 002:002): De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Here en Zijn Gezalfde: Laat ons hun banden verscheuren en hun tou­wen van ons werpen!

Zal God blijven zwijgen in deze eindtijd? Zal Hij al­les laten begaan alsof Hij niet geïnteresseerd is? Zul­len de machten der duisternis het laatste woord hebben?

“Die in de hemel zetelt…..lacht; de Here spot met hen”, zegt de dichter. De Heer zal opstaan tot de strijd.’ Hij zal antwoorden met vuur en donder. God laat niet met Zich spotten. De dag van de afrekening is nabij. Profe­ten zullen opstaan om het oordeel aan te kondigen en om de zonde met de vinger aan to wijzen.

Wat zullen wij doen? Doorgaan om de strijd te strijden, meer in het vlees dan in het geloof? Wordt het niet hoog tijd dat we elkaar eens gaan ontmoeten in de ge­zindheid van Christus? Dat kerkmuren en groepsschotjes wegvallen en dat geliefde namen verbleken in de glans van het licht van Jezus?

Het wordt hoog tijd dat we allen levendig géïnteresseerd moeten worden voor de vele visies die God aan di­verse personen schenkt. God maakt niet alles aan een enkele persoon bekend. Ook hierin zullen we elkander moeten gaan aanvaarden.

Laten we waakzaam zijn on ons hart gaan toebereiden als ooit tevoren, zodat het wezen Gods uit Zijn gemeen­te zal gaan stralen.

Zofar schrijft Job een brief. Hij denkt dat Job een grove zonde heeft begaan en dat hij bij God diep in de schuld staat. Job wordt door Zofar verkeerd beoordeeld. Dubbele ellende voor Job.

Een brief voor Job van een zijner vrienden. Verkeerd geadresseerd. Voor ons echter niet. We gaan samen het Woord van God lezen tot opbouw van ons geloof en tot bekering van de wereld.

“Indien gij uw hart bereidt”,       daar begint het mee. Velen kiezen voor Jezus maar behouden hun leven voor zichzelf. Zij zullen niet kunnen opwassen in de kennis en de genade van onze Here Jezus Christus. Het blijven kinderen, onmondigen die geen zuiver beeld van Jezus kunnen weergeven. Anderen willen zoveel voor de Here doen, dat God maar weinig in hun leven kan uit­richten.

Ons hart toebereiden voor God betekent: Het ganse evangelie aanvaarden, redding voor de ziel, reiniging voor de geest en genezing voor het lichaam; alles op het altaar leggen en onverschrokken te zijn voor de consequenties die daaraan verbonden zijn; niet moede worden door de strijd in de hemelse gewesten, want als we met de voetgangers lopen en ze maken ons moede, hoe zullen we dan toch met paarden kunnen omgaan en waar zullen we dan verblijven bij de verheffing van de Jordaan?

Ons hart toebereiden, wil zeggen: afstand doen van alles wat onze gang tot God belemmert; uit ons leven doen, datgene wat het gezicht op God doet verbleken; ons volkomen aan Hen overgeven. Halleluja! Lof en dank voor deze ongekende mogelijkheden.

De zegeningen voor een ieder die zijn hart bereidt en die al het onrecht, de kopers en de verkopers uit des Heren tempel verdrijft, zijn lichaam, worden in de volgende verzen opgesomd.

Smetteloos zullen we ons aangezicht tot’ God ophef­fen. De woorden Gods door monde van Paulus zullen ver­vuld worden: Onberispelijk en onbesmet zult ge zijn, on­besproken kinderen Gods temidden van een ontaard ge­slacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende. Wonder­bare verlossende genade voor toegewijde kinderen Gods!

De vrucht van overgave en toewijding is: Vast te komen staan in het Woord van God. “Dan zult gij vast staan”, zegt Zofar. Bij elke aanval kunnen we dan zeg­gen tegen de vijand: Er staat geschreven. In Jezus’ Naam. Alzo zegt de Here Here. Vast te staan in de strijd des levens is zeer belangrijk. Goed gewapende strijdknechten zullen dan ook de listen van de vijand te onderkennen.

Vast staan en niet…..vrezen. Als ons lichaam rein is, Zijn tempel een woonplaats van God, dan zal de lief­de van God ons hart overstromen. De volmaakte liefde Gods drijft de vrees buiten. Moeite zal als water weg­vloeien. In de volle openbaring van Jezus Christus zal alleen Zijn kracht en heerlijkheid manifesteren. Het zal een non-stopprogramma zijn van feestliederen en lofprij­zingen. De volle doorbraak zal al het oude doen ver­dwijnen. Klaarder dan de middag zal het leven rijzen. Het pad van de rechtvaardige is als een schijnend licht, dat steeds helder gaat stralen. Halleluja.’ Alles zal licht en leven zijn. De diepste geheimen Gods zullen onthuld worden. Wat een toekomst.’ Dat is vol evangelie! Nu echt niet klagen, lezer(es)! Al is het nu nog zo donker, raadselachtiger als het ooit geweest is, verwarrend als ongekend…..het zal worden als de mor­genstond. De Here heeft het laatste woord. Gij zult vertrouwen, gerust gaan slapen, niemand zal u op­schrikken en velen zullen dan naar uw gunst dingen, uw aangezicht smeken.

Heeft het Volle Evangelie toekomst? Ja, meer dan ooit. Niet door kracht, noch door geweld, maar door Zijn Geest zal het geschieden. Het feest gaat door. Dwars door alles heen. Halleluja.’

Als we in alles de wil van God willen doen, dan zal de Here Zijn volheid in ons manifesteren en dan zullen ze naar die overheerlijke gunst dingen. Velen zullen dan naar ons toekomen.

Machtig! En dat voor deze tijd. Ik geloof in de openbaring van Jezus Christus in Zijn gemeente tot beke­ring van ongekende getallen.