1998.11-12 nr. 397

1998.11-12 Levend geloof nr. 397

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Met dankbaarheid kunnen we terugzien op 1998. Want opnieuw mocht Levend Geloof een duidelijke functie vervullen ten aanzien van de verkondiging van het evangelie van Gods Koninkrijk. Temidden van veel verwarring en misleiding mochten wij een duidelijk geluid laten horen dat door velen werd gewaardeerd. Dit bleek wel uit de talrijke positieve reacties die wij het afgelopen jaar ontvin­gen. We zijn ons uiteraard bewust dat ook vele anderen het evangelie op veel­zijdige wijze en vanuit verschillende invalshoeken belichten, veelal met oprech­te bedoelingen. Ook hier geldt: de mens ziet aan wat ogen is, maar de Heer ziet het hart aan.

Dat neemt echter niet weg dat wij ons onvoorwaardelijk willen houden aan de verkondiging van het volle heil zoals Jezus en de eerste apostelen dat ook deden, zonder water in de wijn te doen. Daarvoor heeft de Heer ons de ogen geopend en daaraan willen we getrouw blijven. Want het is een bewezen feit dat er heel wat christenen zijn die door de stroom van gedachten en meningen, die er via allerlei boeken, brochures, bladen en sprekers op hen afkomen, soms door de bomen het bos niet meer zien. Wat is nu waar en wat is niet waar?  Iedereen beroept zich maar op het ‘onfeilbare woord van God’ terwijl men in werkelijkheid vaak totaal tegenstrijdige meningen verkondigt… Wat is het dan heerlijk en bevrijdend het werkelijke evangelie te hebben ont­dekt: het evangelie dat geen letterknechten van ons maakt, maar ons de inhoud van de Bijbel door Gods Geest op de juiste wijze leert interpreteren. Het evan­gelie dat ons bewust maakt van onze geestelijke plaats met Christus in de hemelse gewesten, omdat we alleen van daaruit kunnen strijden en overwin­nen. Het evangelie wat ons omvormt tot werkelijke volgelingen van Christus, tot zonen Gods in wie de volle heerlijkheid Gods zich gaat openbaren. Het enige evangelie wat in deze eindtijd, temidden van alle afval en verdrukking, waardevol zal blijken te zijn.

Dit evangelie zal ook in het jaar wat voor ons ligt een centrale plaats in ons blad blijven innemen. Veel zegen en geloofsopbouw toegewenst bij het lezen van dit nummer en van de komende nummers.

Gert-Jan Doornink

 

Bij de voorplaat door redactie

‘Verzoening’ vormt ongetwijfeld het hart (de kern) van het evangelie; lees bijvoorbeeld wat Paulus erover schrijft in 2 Kor. 05:18-19. In dit nummer treft u een belangrijk artikel over dit onderwerp aan, geschreven door Duurt Sikkens. Ook de illustratie van Gustave Doree is gebaseerd op het thema verzoe­ning. Het laat zien hoe Jacob zich verzoende met Ezau, zoals beschre­ven in Gen. 33:01-14.

 

U kunt ons helpen… door de redactie

Het werk van Levend Geloof rust niet alleen op de schouders van de redactie en medewerkers, maar is een gezamenlijk werk van alle lezers en lezeressen, die gemoti­veerd zijn ten aanzien van het evangelie zoals ons blad dat uit­draagt. Daarom enkele suggesties:

Maak eens iemand blij met een geschenk- of adoptieabonnement. (Een geschenkabonnement geldt voor één jaar: een adoptieabonne­ment wordt jaarlijks verlengd tot wederopzegging. In beide gevallen betaalt u dus het abonnement voor een ander).

Het opgeven van proefadressen. Ca eens na wie er misschien in aan­merking zou kunnen komen Levend Geloof te gaan lezen. Alle adressen die worden opgegeven ontvangen twee nummers op proef.

Door het zo nu en dan overma­ken van een extra bijdrage. Het is uiteraard belangrijk dat ons werk ook financieel op gezonde wijze kan blijven functioneren.

Door het blad, zoals al verschil­lende gemeenten doen, op de boe­kentafel van uw gemeente te leg­gen. (De minimumafname van bla­den voor de boekentafel is vijf exemplaren a fl. 4,50 per ex., maar u hoeft geen porto te betalen).

Door in uw gemeente tijdens de mededelingen, of in een persoon­lijk woord, aandacht te vragen voor Levend Geloof en daarbij een oproep te doen zich te abonneren. Het zijn maar zo enkele suggesties waardoor Levend Geloof meer bekendheid gaat krijgen en in het jaar dat voor ons ligt, ook wat de oplage betreft, verder gaat groei­en. Doet u mee?

 

Hoop én zekerheid door Wim te Dorsthorst

Over enkele weken vieren we weer kerstfeest. Maar als je alles wat je dagelijks hoort en ziet en leest over de wereld waarin we leven, dan slaat de schrik je om het hart en denk je: hoe kan zo’n wereld nog kerstfeest vieren? De duisternis is bijna tast­baar in de angst voor alles wat over de wereld gaat. Meer dan ooit is het woord van Jesaja waar, wat zegt: “Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën”. Die duisternis heeft vele gezichten. In de eerste plaats is daar de toene­mende ‘Godsverduistering’. Daarmee bedoel ik, dat de mensen zich niet meer willen onderwerpen aan de wetten Gods of welk gezag dan ook, door God ingesteld. Daardoor is er een onbegrensde wet­teloosheid ontstaan, met als gevolg kilheid en liefdeloosheid onder de mensen, zegt de Heer Jezus. Dit drukt zich weer uit in ongebreidelde zelfzucht, verslaving aan drugs, alco­hol, en moderne muziek. Verder uit zich dit in geweld, moord, abortus, euthanasie, criminaliteit, corruptie, leegroof van de aarde, enz. Allemaal gezichten van de duisternis en de Godverlatenheid.

Een nieuwe dag

Is er dan geen hoop meer? Ja, er is hoop! Veel meer dan dat, er is zeker­heid!

Er is iets groots, iets geweldigs, iets heiligs en liefdevols gebeurd in de schepping van God. Iets wat onom­keerbare gevolgen heeft en een nieu­we dag aankondigt die oneindig, eeu­wig zal zijn.

Een eeuwigheid van vrede, geluk en blijdschap. Er zullen geen tranen meer zijn. God zelf zal alle tranen van de ogen afwissen. Er zal geen zonde, ziekte, pijn, dood, rouw, geklaag of moeite meer zijn. Enkel vrede, eindeloze vrede! Hoor wat er gebeurd is, wereld in angst en duisternis: “Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal ver­brand worden, een prooi van het vuur. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heer­schappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn Koninkrijk, door­dat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen” (Jes. 09:04-06).

Een Koninkrijk van eindeloze vrede, waar enkel recht en gerechtigheid zal heersen. Een eeuwig Koninkrijk.

Het fundament is gelegd

Je zou het de wereld toe willen schreeuwen, maar alles en iedereen schijnt verdoofd te zijn en met blind­heid geslagen door de duivel, de god van deze wereld, de god van dit tijd­perk.

Maar het nieuwe tijdperk is komende, een hemel en een aarde die zal schitteren van goddelijke vrijheid en heerlijkheid. De fundamenten zijn gelegd en er wordt op gebouwd, Goddank!

Want het Kind dat ons geboren is, de Zoon die ons gegeven is als een geschenk, is Gods eigen Zoon, de Zoon van Zijn liefde. God had en heeft de wereld zó lief, dat Hij door innerlijke barmhartigheid bewogen naar de in zonde gevallen schepping heeft omgezien en Zijn eigen Zoon daarvoor gegeven heeft. Hij is niet gekomen als een Koning in pracht en praal omgeven door veel bodyguards, maar als een klein men­senkindje. Niet in een paleis, niet in een ziekenhuis met kundige specialisten, zelfs niet in een klein hotelle­tje, maar in een veestal met de voer­bak als wieg.

De Vader heeft Zijn eigen Zoon gezonden in de toestand van de in zonde gevallen mens. In zwakheid, in een door de zonde aangetast lichaam, terwijl Hij zelf zonder zonde was. Zijn Vader, onze goede God, wilde dat Hij in de diepste ellende van de mens afdaalde en in alles aan de mens gelijk werd. Zo heeft Hij Zichzelf vernederd en is in de gestalte van een slaaf tot ons gekomen. De Koning der koningen in de varkensstal zou je kunnen zeg­gen. Alleen zó kon Hij de Verlosser in de mens zijn en een barmhartig en getrouw Hogepriester die met de zwakheid van de mens kan meevoe­len.

Alleen door lijden, dood en opstan­ding heen, kan Hij in alles de eerste zijn van vele broeders.

Grote blijdschap

Als je het grote voorrecht hebt nu al deel te hebben aan het heil dat Hij kwam brengen, en door de heilige Geest de Schrift verstaat, zodat je ziet waar het op uit loopt, dan springt je hart op van blijdschap. Dan is het helemaal niet moeilijk de uitbundigheid van de engelenwereld te begrijpen, die gezongen hebben: “Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens”. En de grote blijdschap die de engel verkondigde met de boodschap: “U is heden de Heiland geboren, name­lijk Christus, de Here”. En de her­ders hebben aanbeden, en ook de heidenen, ja juist zij die de ware God des hemels niet eens kenden, kwa­men en hebben Hem aanbeden en koninklijke hulde bewezen. Hij, de ‘genade Gods’ is gekomen voor alle mensen. Niet om de wereld te veroordelen maar om heil en behoud te brengen door Zijn dood heen.

Uit liefde heeft God Zijn eigen Zoon overgegeven in mijn plaats, in uw plaats, in de plaats van alle mensen. God gaf Zijn Zoon niet aan de wereld als een nieuwe religie, maar als Verlosser, als Heelmeester, als de Weg, de Waarheid, het Licht en het Leven. Geweldige zaken hebben hun beslag gekregen met Zijn komst in de volheid des tijds, tweeduizend jaar geleden.

Het kwaad is gevonnist

Gods gericht over deze in zonde gevallen wereld hééft al plaats gevon­den. Het kwaad is al gevonnist en het vonnis is aan Zijn Zoon Jezus Christus reeds voltrokken. In Hem is het oordeel over de wereld gegaan en is de overste van deze wereld, de dui­vel, buiten geworpen. Toen de Heer daar als een vloek aan het kruis hing in onze plaats, was het hele oordeel op Hem. Het was om onze overtredingen en het was om onze ongerechtigheden dat Zijn lichaam kapot geslagen werd als een omgeploegd stuk land. Alle ongerechtigheid, van alle men­sen, heeft God in Zijn grenzeloze liefde voor de mensheid op Zijn eigen Zoon neer laten komen. De doodstraf die wij allemaal verdiend hebben, is aan Hem, in Wie en tot Wie en door Wie alles geschapen is, voltrokken. God zelf was daar op Golgotha de hele schepping weer met Zichzelf aan het verzoenen door het bloed van Zijn Zoon en door ons onze overtredingen niet toe te rekenen.

Aan het kruis genageld

Satan, met zijn hele rijk, is openlijk te kijk gezet en ontwapend. De schuldbrief die tegen ons getuigde, onze overtredingen en ongerechtig­heden, waardoor de satan macht had over alle mensen, is daar voor eeu­wig en altijd weggedaan. Het is aan het kruis genageld in het lichaam van Christus. Hij heeft onze zonden in Zijn lichaam op het kruis gebracht. God doet ons niet naar onze zonden maar Hij heeft het aan Zijn Zoon gedaan.

In Zijn dood was onze dood, de dood van alle mensen. Eén in plaats van allen!

In Zijn begrafenis is ook onze oude mens ten grave gedragen. Ook daar waren alle mensen in besloten. In Zijn opstanding lag eveneens de opstanding van alle mensen beslo­ten.

In Zijn hemelvaart zijn wij met Hem meegenomen en hebben een plaats gekregen met Hem in de hemelse gewesten.

En deze genade en dit heil is voor een ieder die het in geloof aanvaar­den wil.

De doorbraak van het licht

Met dit onbeschrijflijke gebeuren heeft God, de Schepper van hemel en aarde, in Zijn Zoon het funda­ment gelegd voor de nieuwe schep­ping. Door het oordeel op Zijn eigen Zoon te leggen, is het licht voor de schepping doorgebroken. Een nieu­we hemel en een nieuwe aarde, waarop eeuwige gerechtigheid zal wonen. Waar alle mensen zullen leven in vrijheid zonder dat de dood er een einde aan kan maken, want de dood zal er niet meer zijn. Waar aan al wat vroeger geweest is, nooit meer gedacht zal worden.

Wat een heil is er in Jezus Christus over de schepping uitgestort. Als daar je ogen voor open gaan, kom je tot waarachtige aanbidding. Aanbidding in Geest en Waarheid. Dan ga je zien wie de Zoon van God werkelijk is en wordt je stil van bin­nen. Dan gruw je van de theorieën en de theologiën die zo vaak over Hem verkondigd worden. Altijd met de bedoeling om Zijn persoon en zijn volbrachte werk voor de mensen belachelijk en krachteloos te maken. Maar het is waarachtig en het begon 2000 jaar geleden in Bethlehem, heel klein, heel eenvoudig, geheel volgens Gods voornemen.

Een Goddelijke taak

Het overgrote deel van de mensheid beseft deze dingen niet of niet meer, als ze op hun wijze kerstfeest vieren. De verstandsmens van deze tijd zegt: Onzin, onmogelijk. Een mooi ver­haal voor goedgelovige mensen. Iedere christen weet wel dat het kerstfeest een heidense oorsprong heeft en dat de Bijbel nergens oproept tot het vieren van Jezus’ geboorte. Maar als de wereld hun kerstfeest viert, mag de christen zich toch wel verblijden in wat er werke­lijk gebeurd is en God en Jezus Christus de dank, de eer en de aan­bidding brengen?

Niet afgeven en ‘ach en wee’ roepen over deze slechte wereld, maar met – innerlijke ontferming als priesters waardig, mag en kan een christen bidden en pleiten bij God voor deze duistere wereld. Dat is de Goddelijke taak van het koninklijke priestervolk. Als Jesaja zegt dat duisternis de aarde zal bedekken en donkerheid de natiën, dan zegt hij tot de gelovigen: “Maar over u zal de HERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden”. Laten wij dan de goede boodschap vertellen aan wie wij het vertellen kunnen en zijn als lichtende sterren, temidden van deze zuchtende wereld in nood.

 

Wat verzoening werkelijk is door Duurt Sikkens

“De Zoon des mensen is niet geko­men om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Matt. 20:28).

“Evenzo is het Koninkrijk der heme­len (dat is dus de onzichtbare wereld) gelijk aan een koopman, die schone parelen zocht. Toen hij een kostbare parel gevonden had, ging hij heen en verkocht al wat hij had, en kocht die” (Matt. 13:45). In het Grieks staat daar ‘één’, niet ‘een’ kostbare parel. Een telwoord. In de Leidse vertaling staat zelfs: “van buitengewone waarde”, dat moet je hier letterlijk nemen: extraordinair.

Er bestaat gigantisch veel verwarring over het begrip ‘verzoening’. Ik las in een krantenartikel uitspraken van iemand, die zich daarin verdiept heeft en ineens stond daar het vol­gende zinnetje tussen: “Maar ’t beroerde is, ik heb geen goed beeld van God”. Ik denk dat dat eigenlijk de clou is, de sleutelgedachte. Heb je een goed beeld van God dan kun je de dingen ook helderder bekijken. De enige die ons de Vader heeft doen kennen is Jezus geweest. En later de discipelen, maar Jezus is begonnen. Als er in het Nieuwe Testament staat: “God is liefde”, dan geldt dat net zo goed voor het Oude Testament. Want God is niet veran­derd! Maar dan moet je eens kijken hoe God geïnterpreteerd is in het Oude Testament. Er zijn Hem slachtpartijen toegeschreven! Dan zeg je toch: Dat kan mijn Vader niet geweest zijn.

Een bekende ‘slachtpartij’ staat beschreven in Genesis 22: Abraham krijgt de opdracht zijn enige zoon, die hij liefheeft, te offeren. En dan staat daar dat God dat zei. Stel: Mijn buurman komt bij mij en zegt: “Ik heb de stem van God gehoord. Dat kind van mij, ik heb er maar één, neem ik mee het bos in en ik breng hem om”. Wat doe jij, bel je de poli­tie of niet? Natuurlijk bel jij. Abraham dacht dat hij de stem van God hoorde. Dat werd ook aan hem toegeschreven, maar dat was niet zo. In Heb. 11:17 staat: “Abraham, toe hij verzocht werd…” Dus de schrijver van de Hebreeënbrief had een veel beter inzicht.

Abrahams geloof

Abraham werd verzocht [PEIRAZO- MENON] staat er. En verzoekingen komen niet van God. Jacobus schrijft dat. God is geen verzoeker en brengt niemand in verzoeking, maar Abraham werd in verzoeking gebracht. De verzoeker -de duivel- eist mensenoffers. Abraham heeft het gedaan maar hij kwam hier niet uit. En toen heeft hij net zo lang gedacht tot hij er uit was en wat denk je? Hij was de eerste die in de opstanding geloofde. Hij was de allereerste. Dat was nog nooit vertoond. Er zijn heel veel mensen die de opstanding van Jezus betwijfelen: het is niet echt gebeurd, maar wel waar. En meer van die verhelderende uitspraken. Wat moet een mens daarmee? De verwarring wordt steeds groter. De verzoeker eist men­senoffers. En Abraham heeft Izak bij wijze van spreken (in het Grieks staat er: bij gelijkenis, en een gelijke­nis is nog altijd een afbeelding van de werkelijkheid) uit de dood terug­gekregen. Parabel betekent “ernaast gelegd”. Daarom is het zo mooi gelij­kenissen door te krijgen. De duivel eist mensenoffers, en God wekt op!

Van schaduw naar werkelijkheid

Die mooie gelijkenis van Abraham en Izak, heeft Jezus gelezen, vast, als jochie van twaalf al en heeft daarin een gelijkenis gezien van wat eens met Hem zou gebeuren. Voor het woord ‘verzoenen’ staat in het Hebreeuws ‘kipper’, oftewel ‘kop- her’, wat losgeld betekent. Wat is los­geld? Dat is geld om iemand los te krijgen. De hogepriester beleed alle zonden van héél het volk en dan legde hij de handen op een bok of geit en die werd de woestijn inge­stuurd (de zondebok). (In het Engels is het ‘scapegoat”, van escape, ont­snappen).

Een mooi schaduwbeeld van de wer­kelijkheid in Jezus Christus. Dat kun je allemaal nalezen in Hebreeën 9 en 10. Daar wordt de werkelijkheid beschreven en het oude volk met zijn schaduwbeelden en rituelen, dat was maar een beeld. In het Grieks is verzoenen ‘katallas- soo’. De allereerste betekenis werd gebruikt bij geld, het ruilen van geld, wisselen, verruilen, omruilen, dat staat er voor verzoenen. Want wat zegt het woord verzoenen nou nog? Dat moet je eens aan een kind vra­gen. Dat woord is ouderwets gewor­den, net als ‘rantsoen’. Dat werd ook voor losgeld gebruikt. Je denkt bij het woord rantsoen toch nooit aan losgeld. (In ’t Engels ‘ransom’). Een verzoening is een vereffening, de verhouding komt weer in balans.

Scheiding tussen God en mens

Zonde maakt scheiding, of je het wilt of niet. God heeft niks met zonde. Als een mens zondigt, dan komt hij los van God. Wil je het bewijs heb­ben? Het loon van de zonde is de dood en de dood is een oorspronke­lijk onnatuurlijk gebeuren. Het is een afbeelding van de geestelijke dood, anders waren de mensen nooit dood gegaan. Ze zouden toch eeuwig leven vanaf het paradijs? Op het moment dat er zonde geschiedt kom je los van God, los van het leven. Uiteindelijk ga je daar dood aan. Dood is het gevolg van de zonde, ‘het loon’ zeggen ze wel eens. Nou, daar zat je niet op te wachten, op dat loon. Zonde maakt scheiding tussen God en mens. Dat betekent dat we origi­neel bij elkaar horen. Precies zó is het bedacht en bedoeld. En God loop altijd te verzinnen: “Hoe krijg Ik mijn mens weer naast mij, hoe krijg Ik jou weer naast mij, zodat Ik jou naaste kan zijn”. Want God wil zo graag zijn naaste liefhebben. Daar heb je Hem, de Zoeker, naar jou, de God van de verzoening, (in het Engels: reconciliation), degene die weer bijeenbrengt, zodat je weer samen bent. “We horen toch bij elkaar, Ik wil ze verlossen uit die ellendige zonde, uit die dood. Het is afschuwelijk dat een mens moet doodgaan. Hoe krijg ik ze los?” (Redemptor = verlosser; het komt van een werkwoord: loskopen. Latijn: Redémere = terugkopen). Het gaat dus wat kosten.

Herstel van de relatie

Ik ben blij met de God der wrake. Wat voor associaties het ook bij je oproept. De alleroudste betekenis van ‘wraak’ is: herstel van de oor­spronkelijke gave relatie. Daar is God op uit: herstel van de oorspronkelijke gave relatie tussen God en mens. Er wordt niet gezegd dat de mens eerst volmaakt moet zijn, de relatie is gaaf, zoals tussen een moeder en kind, vader en kind, man en vrouw. Dat is ‘wraak’ en ik ben zo blij met die ‘God der wrake’.

Om dat verbond te herstellen, om die wens uit te voeren, om die relatie te herstellen, moest de mens losge­kocht worden en moet degene die mij vasthoudt, dat recht ontzegd wor­den. Jesaja verzucht ergens: “Ach, er is niemand die zegt: geef terug”. Dan denk ik: Mijn Vader is degene die vanaf het begin van de schepping heeft gezegd: “Geef terug! Die mens is van mij”. Jezus heeft ook altijd gezegd: Geef terug! Mooi is dat, wat een instelling.

Kijk, als je zondigt (en wie niet) dan ontstaat er schuld. En elke keer dat je zondigt, stapelt het zich op. Denk bijvoorbeeld aan verkeersovertredingen. Elke keer krijg je er een boete bij en dat stapelt zich op (tenminste als je hem niet betaalt). Vroeger werd het volk daar symbolisch van verlost.

En de straf van al die schuld is de doodstraf. (De bedenker van de dood is niet God. Wie bedenkt zoiets gru­welijks, dat is toch krankzinnig. De dood is ontsproten aan het brein van de boze. De dood is eigenlijk een leu­gen, maar de duivel is de vader van de leugen, de vader van het kwaad). Als ik heb gezondigd stapelt de schuld zich op en al die papieren val­len bij mij het huis binnen: betaal! En ik kan niet betalen. Betaal! Die bewijsstukken zijn met de hand L geschreven (1 Kor. 02:14 – [CHEIRO- GRAPHON]). Daar heeft de duivel voor gezorgd. Die bewijsstukken die tegen ons getuigen.

Bevrijding van schuld

Wat heeft Jezus daarmee gedaan? Jezus heeft ze aan het kruis gena­geld, Hij heeft ze uitgewist, staat er. Ongeldig! Daar heeft Jezus voor gezorgd. God heeft het uitgewist. Hij is er op uit om schuld te vergeven: Hoe krijg Ik die mens onder dat ellendige schuldgevoel vandaan? Sommige mensen zeggen: Ja, Jezus is voor mij gestorven. Maar hoe zit het met het schuldgevoel? Dan heeft het nog niet gewerkt. Welnu, het bewijsstuk is weg! Op deze manier hield de duivel de mens in gijzeling, in een gevangenis. (Ander woord: dodenrijk, een woord dat Jezus gebruikt)., Al die miljarden mensen in gijzeling, van God gestolen. Verschrikkelijk. Het grootste gijze­lingsdrama van alle eeuwen. Allemaal kostbare mensen, allemaal pareltjes, grote en kleine, en de dui­vel heeft ze, de sinistere koopman, want daar heb je de ‘koopman’ uit de gelijkenis.

De kostbare parel

Als Jezus de tempel reinigt, wordt er altijd over geldwisselaars gesproken, maar in een ander evangelie staat: kooplieden. Daar is wat mee, altijd uit op winst. Die koopman loopt daar te zoeken en te zoeken en hij ziet daar één parel, zo mooi, zo buitenge­woon mooi. Als je weet dat in het hemelse Jeruzalem (moet je niet let­terlijk nemen), elke poort één parel is en dan is dat dus een mens. Jezus -de parel- dat moet een grote parel geweest zijn! De koopman ziet die en dankt maar één ding: Hebben! Die ene parel was Jezus. En zoals Abraham wist: ik blijf leven, wist Jezus dat ook. Abraham heeft naar zijn zoon gekeken en wist: hij blijft leven. Die twee daar, boven op een heuvel, niemand in de buurt, tenminste niet zichtbaar. Onzichtbaar heeft de schepping daar ook de adem ingehouden, want Izak was de dra­ger van de belofte van een groot volk te worden. Engelen hebben er bij gestaan, boze geesten hebben er bij gestaan en de duivel zelf ook natuur­lijk. Want een kind der belofte, dat moet altijd dood. Jezus, die moet dood.

Ben jij ook een kind van de belofte? Ja toch? Naar de geest toch verwekt? Nou dan heb je een tegenstander. En toen heeft de Vader van alle gelovi­gen (en dat is God) van zijn Zoon Jezus, van die kostbare parel, gezegd: Dit is mijn zoon, wat geef je ervoor? De duivel geeft liever niks. Toen zei God: Ik wil, in ruil voor deze kostba­re parel -Jezus- al die andere parels terug, die jij hebt.

De duivel hoefde nauwelijks na te denken. Hij wou die grote parel, in ruil voor al die andere parels. Eén voor allen. Waarom wou hij zo graag die ene parel hebben? Wat had Jezus gezegd: “Ik heb het eeuwige leven”. Hij had macht over boze geesten en engelen. Dat was een kostbare parel. Dus denkt de duivel: als ik die heb, heb ik ook het eeuwige leven. Waar doet je dat aan denken? Kwaad doen en toch eeuwig blijven voortle­ven. Ja, ’t Paradijs. Waarom ging er een engel staan tussen de mens en de ‘boom des levens’? Anders zou de mens ook met zijn kwaad eeuwig door kunnen leven. Daar is die engel des levens tussen gaan staan met het vlammend zwaard. De duivel wil eeuwig aan de macht blijven en hij dacht: als ik die heb, dan heb ik alles.

Op één kaart

God had zijn hele plan op één kaart gezet, Hij had ook maar één geboren zoon, Jezus. Toen heeft God bedon­gen: Je mag Hem hebben in ruil voor de hele mensheid. De duivel heeft het geaccepteerd en ging heen en heeft dat dus gedaan. De bedon­gen prijs. En zoals Izak op het altaar ging liggen in vast vertrouwen op zijn vader, zo liet Jezus zich tot zonde maken. God had een lam, eentje maar, de kudde was nog niet zo groot, het lam Gods was helemaal gaaf zonder zonde, puur mens, en de duivel accepteerde dit. En toen werd Jezus beladen met zonde. Hij kreeg alle zonden van de hele mensheid, niet van een volk, maar de hele mensheid, over zich heen, de zondebok. Doodziek heeft Hij aan het kruis gehangen. Niet alleen beladen met zonde, maar ook met ziekte. Koortsen jagen door zijn lijf, de pijn, de moeite en ondertus­sen vechten, vechten dat Hij niet ging zondigen. Dan was Hij er wel af gekomen en had gezegd: Bekijk het maar. Ik doe niet meer. (Heeft God nou zijn Zoon ver­moord? Moest Jezus nu dood omdat God zijn gram wilde halen? Zo van: al die mensen daar heb ik de pest aan. Maar Ik heb nog een zoon, de beste, een goed mens, die maak Ik dood, dan kom Ik tenminste aan mijn trekken? Wat voor krom gere­deneer is dat? Waarom speelt nooit de duivel in de verzoeningsleer een rol? Die onzienlijke wereld wordt er haast nooit bijgehaald).

Het offer van God

Hij hing daar op Golgotha. En God heeft daarvoor zijn enige zoon afge­staan. Het was ook een offer van God. Denk je dat Hij er behagen in had om slachtoffers te zien? Als ik iemand van jullie tegenkom die zegt: ha, een slachtoffer, dan denk ik: die moet zelf in therapie, dat is een sadist. Wie verheugt zich nou over slachtoffers? Als je behagen hebt in het slachtoffer, dan ben jij een moor­denaar. Je bent gestoord. Mensen in het Evangelie die zich opofferen tot ze er bij neervallen? God heeft er geen behagen in.

(Dat is een goede leer voor ons. En als je een burn-out syndroom hebt, dan betekent dat dat je een ‘bran­doffer’ bent. Opgebrand. Daar heeft God geen behagen in). Jezus is gegaan. Wat heeft Hij er tegenop gezien: “Moet dat? Kan dat niet aan mij voorbijgaan? Het beklemt mij vreselijk?” (Luc. 12:50). Jezus is die weg in geloof gegaan. Jezus geloofde in de opstanding. De duivel niet, die geloofde niet in de opstanding ten eeuwigen leven. Wel in terugkeer in het natuurlijke leven, dat was wel eens gebeurd. Maar opstaan in het eeuwige leven?

Geen vermenging

Het is zo belangrijk een goed beeld van God te krijgen, anders vermeng je Hem met de kwaadwilligheid van de boze. In het Oude Testament is dat nog al eens gebeurd en tegen­woordig toch ook. Als ik bijvoorbeeld de Amerikaanse reli-industrie zie: Er gebeurt iets raars en ze vragen zich steeds af: wat zou toch de bedoeling van de Heer daarvan zijn? Is het de Heer die daar achter zit? Dat is onbe­grijpelijk. Wel eens van de duivel gehoord? Ja, maar die is overwon­nen, daar moet je niet meer over pra­ten… ja, ja…

Het is een slimme truc van hem om achter de gordijnen te blijven. Daarom is het zo belangrijk om een goed beeld van God te krijgen. In welke kringen je ook zit. Het is zo belangrijk, dat beeld van God.

Gods initiatief

Dus voor de verzoening lag het ini­tiatief bij God. Hij is begonnen. Hij heeft ons eerst liefgehad. Hij bood zijn Zoon aan en die Zoon moest het ook nog willen. Daar heeft deze erg tegenop gezien, maar uiteindelijk zei Hij: “Het is goed. Uw wil geschiedt. Ik weet dat, als Ik mijn leven geef als losprijs, dan komen alle mensen vrij, allemaal, vanaf het begin van de schepping”.

Dus, diegene die de mens in gijze­ling had genomen, had die losprijs bedongen, en zo loopt die losprijs – een levende parel- naar de duivel toe, moest tot zonde gemaakt worden en vermoord worden. En God heeft hem laten gaan, Hij moest Hem los­laten.

Wat is er tussen die twee veel gebeurd. Hij wil het zó graag goed hebben tussen Hemzelf en mensen, dat God er alles voor over heeft en Jezus ook. Zó graag wil Hij jou met je hele hebben en houwen, je goede en je kwade kanten, met je verdriet, je teleurstellingen, je verbittering. Jou zoekt Hij op, juist jou: “Kom bij me wonen! Kom eerst maar eens tot rust, want je voelt je zo rot en zo schuldig”.

God is liefde, God heeft nog nooit iemand dood gemaakt, nooit iemand ziek gemaakt. En dan ben je ziek, vraag je dan ook: wat is de bedoeling van God, hiermee? Foute vraag! Als je het dan weten wilt: de bedoeling van God is eigenlijk, dat je weer wer­kelijk kunt gaan leven.

Gekocht en betaald

Jezus’ dood is rechtsgeldig. Dat kun je in de hemel laten horen. Rechtsgeldig. Er is geen grond meer om jou aan te klagen. En de aanklager heeft geen poot meer om op te staan. Hou hem dat maar voor ogen. Misschien ben je niet sterk, maar zwak, maar dat papier kan ik hem voor de neus houden, zoveel kracht heb ik nog wel.

Geloof je dit? Dan ben je zonder zonde, en ga je geestelijk ook nooit meer dood. YESÜ Zonder zonde, zonder schuldgevoel, je bent vrijge­kocht, de losprijs is betaald, je bent gekocht en betaald. Verzoenen betekent: losgekocht. Je zult niet in het dodenrijk komen, want Jezus is alle hemelen doorge­gaan en heeft zijn taak volbracht. Het kostte Hem dan ook alles. Hij heeft geschreeuwd: HET IS VOL­BRACHT! Het is een juichkreet geweest, met schorre stem waar­schijnlijk. Maar dat was het laatste wat Hij er uit kon brengen: “Het is volbracht”.

Die kreet is de hemelen ook doorge­gaan. De engelen hebben het ook gehoord. Wat denk je, hoe zouden zij gereageerd hebben? Ze hebben nog nooit zo’n feest gehad! En God, hoe zou God gereageerd hebben? Hoe denk je dat de boze gereageerd heeft?

Wat er in de hemel gebeurd, is het enige dat belangrijk is. Een kind kan dit toch begrijpen, het loskopen uit een gijzeling. Dan denk ik: word dan als een kind, want het wordt aan de kinderen geopenbaard. Hou eens op met moeilijk doen.

Wat gebeurt er verder?

En daarna? Na de verzoening? Dan kun je vanaf nu een hemels leven lei­den. Wat denk je: kom je in het dodenrijk terecht? Ga je er nog een keer naar toe? Ja, het duurt nog wel even: het laatste oordeel, dan halen we de laatste slachtoffers van de boze er eerst uit. Jezus is daar begonnen, die is in het dodenrijk begonnen het evangelie te verkondigen. En sommi­gen in het dodenrijk sprongen op, Abraham als eerste denk ik: Daar heb je hem. Hij heeft het evangelie verkondigd, en al die rechtvaardigen, die heeft hij bij zijn opstanding mee­getrokken in het Koninkrijk van het licht.

Maar dat gebeurt nog een keer, in de toekomst. Nu kunnen we door de hemelen trekken, samen met de engelen, het woord van God verkon­digen, strijden tegen de boze gees­ten. (Sommigen geloven niet in het bestaan van boze geesten en als je erover praat dan gaan ze van binnen steigeren. Dan vraag ik maar: wat/wie steigert er dan binnen in je?).

Waarom? Omdat wij het vonnis aan de boze geesten moeten voltrekken, het vonnis is uitgesproken en staat aan het eind van Psalm 149: Het vonnis volgens de schrift. Vertel maar dat ze verloren hebben, dat de mensheid eronder vandaan komt. Wie gelooft heeft het eeuwige leven, die beleeft het leven, je bent verzoend met God. Verzoend met Jezus. Wat een feest! En wat ook heel belangrijk is: Ben je verzoend met jezelf!? Of ben je zo ontevreden, dat je steeds een ander wilt zijn, dan je zelf eigenlijk bent. Jammer. Zoals je nu bent, zo ben je mooi. Je zegt niet tegen je kind van 5: “Ik denk dat ik je liever mag als je 20 bent”. Dan moet dan kind, vind ik, weglopen. Met jezelf verzoend, met al diegenen een eenheid vormen die Hem ook liefhebben, in de wer­kelijkheid van het Koninkrijk der hemelen.

Het herstelde verbond

Die oorspronkelijke relatie tussen God en mens, origineel zoals die was, is verstoord. De duivel heeft de mens gestolen, de dief, de slachter. Dit verbond is hersteld door het bloed van Jezus, het bloed van het Lam. Dus die verbinding is gerepa­reerd. Jezus zegt: “Dat is nu dat ver­nieuwde verbond, door mijn leven, mijn vlees en bloed”. Wanneer zei Hij dat? Wat had Hij in zijn handen bij het avondmaal? De beker der dankzegging. Hij hief de beker der dankzegging. Hij heeft ons de Vader doen kennen. Hef dan de beker! Op het leven! Het nieuwe verbond! Da’s feest Dat is wat anders dan die theorieën over erfzonde en drie-een­heid. Wie heeft die uitgevonden? Die theorieën waardoor mensen in ver­warring raken? Uitverkiezing? God kiest voor iedereen. “Dit is mijn bloed”, zegt Jezus. “Het wordt vergo­ten, het bloed van het nieuwe ver­bond en Ik zal van de vrucht van de wijnstok niet meer drinken totdat Ik het met jullie opnieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader”. Al gedaan? Al met Hem gedronken in het Koninkrijk van de Vader? Dat slaat op de wijn van het leven. Een gelijkenis tot slot: Het Koninkrijk der hemelen is te vergelij­ken met iemand, wiens verloofde onder valse voorwendselen werd meegelokt door een slecht mens en in gijzeling gehouden. Haar verloof­de ging naar de gijzelnemer en gaf alles wat hij had om haar terug te kopen en haar bij zich te nemen. Toen waren ze weer samen en ze huwden. Amen.

 

Voortgaan op Gods weg door Cees Maliepaard

“Maar gij, geliefden, bewaart uzelf in de liefde Gods, door uzelf op te bouwen in uw allerheiligst geloof en door te bid­den in de heilige Geest, verwachtende de ontferming van onze Here Jezus Christus ten eeuwigen leven” (Judas 01:20-21).

Bewaar jezelf!

Wijsheid van Judas Deel 10

Een bekend spreekwoord luidt: ‘Wie wat bewaart, heeft wat’. Als je slechte dingen bewaart, sla je bedenkelijke zaken op in je geestelijke voorraad­kast, maar als je de goede dingen bewaart, heb je altijd iets goeds in huis. Judas doet hier de oproep jezélf te bewaren. Wel, als je jezelf bewaart, bewaar je dan iets goeds of juist iets verkeerds? Dat is in z’n algemeenheid zo niet te beantwoorden; het ligt er maar hele­maal aan hoe iemand aan de gang is. Een crimineel die zichzelf bewaart, zal doorgaan met een verwerpelijke manier van bezig zijn. Maar als zo iemand tot Jezus komt, de begane fouten belijdt en breekt met het mis­dadige verleden, kan er begonnen worden met het vergaren van de goede dingen die bij het Discipelschap van Jezus horen. Vanaf dat moment doet een mens er goed aan zichzelf te bewaren. Maar de zoon- Gods-in-wording die vasthoudt aan een gedeeltelijk verkeerde levensin­vulling, zal er goed aan doen in z’n geestelijke porseleinkast eens danig opruiming te houden. Dan pas is het voor hem zinvol met de vergaarde zegeningen ook zichzelf in z’n hemel te bewaren. Daarom laat Judas ons ook weten: bewaar je zelf in de liefde Gods! Het is absoluut uit den boze als ik m’n beschadigingen en gebondenheden ga koesteren, alsof dat karaktertrekken zouden zr die ik van Godswege meegekregen heb. Want zelfs al zijn er manke­menten bij die via de voorgeslachten al van vóór m’n geboorte aanwezig zijn, dan nog zijn het wederrechte­lijk toegebrachte zaken, die hun oor­sprong bij de machten der duisternis hebben. En die behoef ik natuurlijk niet te bewaren – daar mag ik eerder herstel van verwachten! Je mag je uitstrekken naar wat God in Zijn mateloze liefde naar ons toe heeft gebracht. Dat mogen we in ons leven inpassen, en op die manier kunnen we onszelf in de liefde Gods bewaren.

In de steigers

De mens Gods kan zichzelf opbou­wen in z’n allerheiligst geloof. Terecht staat er niet zonder meer: in z’n geloof, maar: in z’n ALLERHEI­LIGST geloof. Je kunt immers wel zoveel geloven, maar lang niet alles wat iemand gelooft werkt opbou­wend. Soms geloven gelovige men­sen de verschrikkelijkste dingen over zichzelf. Bijvoorbeeld dat ze van nature slecht en zelfs totaal verdor­ven zijn. Daarmee zal men zichzelf eerder afbreken dan opbouwen. Hoe vaak horen we mensen niet zeggen (ook binnen de kring van hen die de Heer toebehoren): Ik kan het ook niet helpen hoor; ik bén nu eenmaal Wat is dan wel ons allerheiligst geloof? Dat is wat wij geloven dat de HERE God over ons denkt. En Hij zal nooit tegen een mens zeggen: Jij kan het ook niet helpen hoor; je bént nu eenmaal zo! Hij probeert al eeu­wen lang de mensen die Hem toebe­horen bij te brengen, dat niet zij zélf de oorzaak van hun beschadigingen zijn, maar dat onder alle omstandig­heden de vorst der duisternis dat wezen zal.

Bij de verwezenlijking van Zijn scheppingsplannen heeft de HERE God gezegd dat het zeer goed was. En Hij vergist Zich niet, dus mag de , mens geloven dat dat gewoon waar is. De eeuwige Vader ziet Zijn men­selijke creaties nog steeds als beant­woordend aan Zijn oorspronkelijke gedachten. Sinds Jezus Christus Zijn verlossingswerkzaamheden volbracht heeft, heeft de mens weer nieuwe mogelijkheden gekregen. Hij staat nog wel in de steigers, de opbouw is nog in volle gang, maar het plan van Vader behelst nog altijd de mens functioneel te maken als Zijn beeld­drager.

Het kenmerk van zoonschap

Er is wel meer dan één kenmerk van Goddelijk zoonschap te noemen, dus wat mag dan wel hét kenmerk daar­van zijn? Het wezenskenmerk waar alle onderdelen van Goddelijk zoon­schap van doortrokken is, is onge­twijfeld de liefde. Waar geen liefde werkzaam is, is Goddelijk zoonschap gewoon ondenkbaar. “Zo blijven dan geloof, hoop en lief­de, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde”, lezen we in 1 Kor. 13:13. Waarom is de liefde de hoogste uiting van dat wat blijvend is? Is het geloof niet belangrijker dan de liefde, want wat zou de liefde zijn zonder een gezond geloof als ondergrond? Toch is het waar wat in 1 Korinthe 13 vers 13 staat, want de liefde is de basis van al Gods handelen. God heeft Zijn mensen lief. Hij heeft Zijn hoop, ofwel Zijn verwachting op de mens gebouwd en Hij gelóóft in Zijn schepselen, in dat zij werkelijk op Hem gelijken zullen. Onbaatzuchtige liefde is de funde­ring van Goddelijk zoonschap. Onze liefde zal in de allereerste plaats op God gericht zijn, onmiddellijk gevolgd door liefde tot de naaste. De ons het naast aan het hart liggende persoon zal Jezus zijn, daarna een ieder die met ons in de Christus is. vervolgens zal onze liefde uit dienen te gaan (net als dat bij de Vader het geval is) naar alle mensen die ons pad kruisen. Deze liefde is naar Goddelijke maatstaven pas effectief als ze gedragen wordt door liefde tot de waarheid.

Natuurlijke liefde tot mensen en tot menselijke waarheden is vanzelfspre­kend niet verkeerd, want ook die heeft God zelf in Zijn schepselen gelegd. Maar pas daar waar men lief­de tot Góds waarheid heeft, tot datge­ne wat hem van de oorsprong af voor ogen staat, zal men als mensen van Zijn welbehagen bezig kunnen zijn. Dan is je zender en ontvanger onafgebroken op God gericht. En zo’n bezig zijn opent nu eenmaal ongekend perspectief!

In nieuwe talen

Blijkens de tekst uit Judas kan een mens zich ook in de liefde Gods bewaren door te bidden in de heilige Geest. Wat voegt bidden in nieuwe tongen dan toe aan Gods liefde? Dat voegt er helemaal niets aan toe, net zo min als de liefde Gods door ons allerheiligst geloof wordt uitgebreid. Gods liefde is compleet, niemand zal die ooit kunnen vermeerderen. Maar het voor ons verstandelijk niet te vol­gen gebed in Geestestalen, zal ons helpen onze plaats in Gods liefdevol­le plan in te nemen. Het gebed door Gods Geest bouwt onze innerlijke mens op (1 Kor. 14:04). Hoe gaat dat dan in z’n werk, is het een soort hocus pocus? Allerminst! Het is niet slechts een betoog in een voor ons onbekende taal van mensen of engelen, maar het zijn door Gods Geest geïnspi­reerde gedachten in een ons inder­daad niet bekende taal. De opbouwende werking zit ‘m niet in het feit dat het in een ons onbekende tong gesproken wordt, maar dat de uitgesproken woorden onder de zalving van de heilige Geest tot stand gekomen zijn. Het zijn niet zozeer de wóórden waardoor de mens gesticht wordt, maar meer de géésteskracht waarmee de woorden geladen zijn. Worden mensen eerder in hun innerlijk opgebouwd door uit­drukkingen in een (voor hen) nieuwe taal, dan in voor hen bekende klan­ken? Oppervlakkig bekeken zou je zeggen dat dat niets uit zou moeten maken. Maar in de praktijk van alle dag blijkt het wel degelijk te verschil­len. Dat komt dan vast doordat we er in een Geestestaal geen eigen (goed­bedoelde) ideeën doorheen kunnen vlechten.

Wat verwachten we?

“Verwachtende de ontferming van onze Here Jezus Christus ten eeuwi­gen leven”, lezen we in de brief van Judas. Jezus heeft niet de vooropge­zette bedoeling de wereld te oorde­len, maar haar te behouden (Joh. 12:47).

Als dat voor de wereld geldt, zal dat des te meer voor de Zijnen gelden. Jezus is met Gods Geest gezalfd om Zich over ons te ontfermen. Hij zal ons niet veroordelen, maar Zich met ontferming voor ons inzetten. Hoezeer we ook denken het verkor­ven te hebben en hoeveel we ook te verduren hebben van infiltrerende occulte machten die uit de afgrond afkomstig zijn, de Heer zal ons nooit of te nimmer laten vallen. Daar kunnen we absoluut zeker van zijn, want Zijn ontferming is boven alle twijfel verheven. Hij ontfermt Zich niet slechts over ons voor dit beperkte korte leven op aarde, maar meer dan dat: Hij doet dat daarenbo­ven zelfs tot in het eeuwige leven.

Een bruggenhoofd

Elke discipel van de Heer mag als een bruggenhoofd van ontferming voor een wereld in nood zijn. Want als je de barmhartigheid van de Heer in eigen leven ontvangen hebt, zal Hij je ongetwijfeld in willen schake­len in Zijn ontfermend bezig zijn voor de mens die op hem hoopt. Ook al is die hoop in het verwachtingspa­troon van een mens nog zo beperkt aanwezig, de ontferming van onze Heer zal daar niet minder om wezen.

Dat betekent dat iedere discipel van Christus Jezus zichzelf in de liefde Gods bewaren mag, mede door met ontferming bewogen zich in te zet­ten voor wie door de machten d er duisternis is aangerand. Waar we er naar toe mogen groeien zonen-van- God te zijn, zullen we net als Jezus barmhartigheid betrachten. Dat is dan geen opgelegde taak die we innerlijk al zuchtende zullen vol­brengen, maar dat is een bezig zijn in de gezindheid van Christus. In de liefde Gods zullen we de mens die zwak en beschadigd is, in ons hart sluiten. Niet om paternalisme als doel in ons leven te hebben, maar om als beeld van de Vader als een échte vader voor de anderen te zijn v door hen naar de geestelijke volwas­senheid te begeleiden. Dat doe je niet even, zoals je iemand even de weg naar het station wijst. Daarvoor zul je echt wel enige tijd ter beschikking moeten stellen. Niet alleen voor begeleiding, maar ook voor voorbede en het mede strijd leveren in de hemelse gewesten. Dat is dan voor de geestelijke mens geen tijdvulling en ook geen geeste­lijk hobbyisme! Het hoort gewoon bij het normale christelijke leven. Daarom is het met ontferming bewo­gen zijn een zaak van het geestes- hart. Dat kan geen mens vanuit zich­zelf blijvend opbrengen, maar daar heeft een ieder de heilige Geest van God voor nodig. Wie met deze Geest vervuld is, zal zich de gedachten van God eigen kunnen maken. En de liefde van de Heer doet ons de ander bejegenen zoals HIJ dat hen en ons pleegt te doen.

 

De storm op het meer (gedicht) door Piet Snaphaan

(naar aanleiding van Luc. 08:22-25)

Wie was Hij toch, die stormen deed bedaren,

in alle rust kon handelen naar Zijn wil,

die macht had over golven, woeste baren

en met gezag kon spreken: zwijg, wees stil!

 

Hij die de tegenwind trotseerde

te hulp kwam, wandelend over zee,

roepend: “Houdt moed. Ik ben ’t, de door u begeerde,

wees niet bevreesd, want Ik ga met u mee”.

 

Die slapende, toch over allen waakte,

al wat gebeurde, had Hij in Zijn hand,

ondanks paniek, waarin zij kreten slaakten,

bracht Hij hen veilig weer aan land.

 

Grenzen in de opvoeding door Jildert de Boer

Opvoeding is een levenskunst! Er is veel wijsheid van God voor nodig, om onze kinderen op de juiste wijze te leiden en te begeleiden. Ieder mens is als schepping van God uniek, dus ook ieder kind. Deze eigenheid zullen we respecteren en er behoedzaam mee omgaan. Elk gezin functioneert anders en vader en moeder zullen samen met de Heer begaanbare wegen zoeken voor hun kinderen te midden van deze wereld. In dit artikel noemen we een paar valkuilen in de opvoeding en geven we enkele aanzetten die tot hulp in de praktijk kunnen dienen. Uitdrukkelijk zij opgemerkt dat we zelf deze ‘levende materie’ niet in onze broekzak hebben, maar zelf in de dagelijkse omgang met kinderen al doende aan het leren zijn.

Autoritaire opvoeding

Kort gezegd houdt deze in: pa en ma maken de dienst uit en de kinderen hebben maar te luisteren. De ouders treden dominant op en dulden wei­nig eigen inbreng van het kind. Kinderen hinderen. Men beschouwt ze vaak als lastig en daarom moet je ze maar stevig onder de duim hou­den. Als een kind maar even uit de maat loopt, kan het direct een uit­brander krijgen. Vaak wordt er geheerst in een geest van dreiging en geweld. De ouders laten zich dikwijls leiden door de grillen van hun humeur of door hun behoefte aan rust. Het lawaai van de kinderen en de rommel die ze maken wekt hun irritatie en daarom drukken ze dit maar liefst gauw de kop in. Veel pril­le uitingen en ontdekkingsdrang wordt op die manier in de kiem gesmoord door een optreden met ouderlijke macht en dat is iets anders dan een gezond gezag. Bij het ouder worden van de kinderen ontstaan conflicten en werkt de gehanteerde opvoedingsmethode vaak averechts. Wanneer deze aan­pak gepaard gaat met geloof in God, dan is het beeld van God vaak dat van een toornige wreker en gaat dit gepaard met angst. Vanuit het evangelie van het Koninkrijk verstaan we dat het zoé­ven geschetste geen goede benade­ring is van kinderen. Ze houdt geen rekening met de geestelijke wereld, miskent de unieke persoonlijkheid van ieder kind en doet geen recht aan de aard van onze goede God.

Vrije opvoeding

We geven daar een extreem voor­beeld van.

In een supermarkt is een jongen met een winkelwagentje bij de kassa steeds maar aan het duwen en bot­sen tegen de benen van een wat oudere dame voor hem. Die mevrouw zegt op een gegeven moment tegen de moeder van het ventje: “zoudt u ervoor willen zorgen dat uw zoontje niet steeds met die kar tegen mijn benen rijdt”? Maar de moeder antwoordt: “nee hoor, ik zeg daar niks van, want wij geven hem een vrije opvoeding”! Dan pakt vervolgens de man achter de moeder met haar zoontje een pak vla uit zijn kar, maakt die vlug open en giet ver­volgens de inhoud over het hoofd van de moeder uit… Boos reageert de moeder en roept: “bent u soms gek geworden, wat doet u nou”!!?? De man zegt laconiek: “ik heb vroeger ook een vrije opvoeding gehad, vandaar”…

Dit sprekende voorbeeld behoeft nauwelijks toelichting. De gedachte van een “laissez-faire” houding is funest is de opvoeding. Het is de filosofie dat je de kinderen maar kunt laten doen en gaan en dat ze vanzelf wel groot groeien zonder veel sturing van opvoeders. Gewetensvorming, besef bij brengen van waarden, nor­men en fatsoensregels, dat alles is vrijwel taboe. Alles kan en alles mag. De kinderen mogen zich niet alleen zelf ontplooien, maar krij­gen ook voortdurend hun zin. Later worden het vaak tirannen en gaan zij thuis de baas spelen.

Bovengenoemde benadering dat kinderen automa­tisch wel goede keuzen leren maken, houdt geen rekening met het gegeven dat we in bezet gebied leven, waar de overste dezer wereld met zijn machten tekeer gaat. Zijn huishouding, die hij in gezin­nen met mensenkinderen wil infil­treren, staat diametraal tegenover de door God bedoelde ordening. Deze aanpak van kinderen bevordert de bandeloosheid en leidt tot wetteloos­heid. Wanneer zij gepaard gaat met een geloof in God, dat is het beeld van God bijna als sinterklaas, die altijd met cadeaus, suikergoed en mar­sepein rondstrooit. Dat jonge kinde­ren reeds tot zonde komen, wordt in de gedachte van een vrije opvoeding schromelijk onderschat.

Democratische opvoeding

Qua maatschappijvormen kennen we een grote gevarieerdheid tot de twee uitersten: een autoritair systeem enerzijds en volstrekte anarchie anderzijds. De democratische staats­vorm bevalt ons dan verhoudingsge­wijs nog het beste… Het woord democratie betekent het toekennen van kracht of invloed aan het volk. Het recht op vrije menings­uiting staat hoog in het vaandel. Persoonlijke vrijheid en gelijkheid zijn sleutelwoorden.

Nu staan we er volkomen achter dat alle mensen in principe gelijkwaar­dig zijn, maar dat is iets anders dan een absolute gelijkheid. Er zijn in de natuurlijke wereld verschillen tussen overheid en onderdanen, tussen werkgevers en werknemers en tus­sen ouders en kinderen. De Bijbel leert ons deze gezagsverhoudingen. Een democratische opvoedingsstijl wil kinderen van jong af opvoeden in vrijheid en gelijkheid. Vrijheid is een hoog goed, maar als deze gepro­fileerd wordt buiten Gods Woord om, dan is de vrijheid vals. Als de trend naar gelijkheid bij kinderen en jeugd doorslaat in een gebrek aan respect voor het ouderlijk gezag, voor oudsten in de gemeente en voor oudere mensen in het algemeen, dan zijn Bijbelse begrippen als onderwer­ping en ontzag uitgehold. In dit opvoedingsklimaat zijn het opkomen voor jezelf en je eigen mening erg belangrijk. Bijbelse principes als gehoorzaamheid, zelfverloochening en jezelf onbesmet van de wereld bewaren, krijgen daarbij nauwelijks aandacht. De mondige jonge mens mag (al te) spoedig meebeslissen en waant zich vrij van en op gelijke voet met “die ouwe lui”.

Bijbelse opvoeding

We geven een tekst uit het Oude- en twee plaatsen uit het Nieuwe Testament, die een stevige basis geven voor een gezonde opvoeding naar de normen van Gods Woord. – Oefen de knaap vol­gens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken (Spr. 22:06). – Kinderen, weest uw ouders gehoorzaam [in de Here], want dat is recht (Ef. 06:01).

– Kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles, want dat is welbehaaglijk in de Here (1 Kor. 03:20).

Gehoorzaamheid is een bijbels grondprincipe en wanneer ouders in deze lijn volgens de wet der liefde opvoeden, bewegen zij zich op een goed spoor. Het is treffend dat Paulus als een kenmerk van mensen, die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, schrijft: “hun ouders ongehoorzaam” (Rom. 01:18, Rom. 01:30). Ook bij de mensen in de laatste dagen is een typerende trek: “aan hun ouders ongehoorzaam” (2 Tim. 03:02).

Van Jezus zelf staat dat hij Jozef en Maria onderdanig was (Luc. 02:51). Wanneer het gaat om oudsten in de gemeente, dan lezen we: “die gelovi­ge kinderen hebben, die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten” (Titus 01:06) en: “een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt” (1 Tim. 03:04).

Tucht zal leiden tot vrucht, tot een goed resultaat van de opvoeding in kinderlevens. Allereerst kunnen we ons als ouders afvragen of we onszelf onderwerpen aan de opvoedingskorrecties van de Vader in ons leven Heb. 12:09-10). Tucht betekent onderwijzing, leiding! Het heeft te maken met discipline leren. We den­ken aan regel en regelmaat. In een christelijk gezin is geen onbeperkte vrijheid, maar hanteren de ouders afspraken, die passen bij de leeftijd van elk kind. Daarin zullen zij consequent dienen te zijn, zodat het ja ja is en het nee nee (Matt. 05:37). Erg belangrijk is dat de ouders elkaar in de opvoeding niet afvallen, maar steunen, zodat de kinderen pa en ma niet tegen elkaar kunnen uitspelen. Er mag geen sprake zijn van verwen­ning of van opwellingen van toorn. Evenmin van pedagogische verwaar­lozing, zodat de kinderen in aan­dacht en liefde tekort komen. Naast gehoorzaamheid zijn geborgenheid, veiligheid en bescherming basisbe­hoeften.

Liefde en vertrouwen

Ouders, die hun kinderen jong koes­teren en hen op oudere leeftijd onvoorwaardelijk warmte blijven geven, scheppen een klimaat van liefde en vertrouwen. Zij beschutten hun kinderen in de natuurlijke wereld en heiligen hen in de geeste­lijke wereld. Graag willen zij hun kinderen afzonderen van de machten der duisternis en daarom zeggen zij duidelijk “nee” tegen bepaalde din­gen, die zij niet in huis willen heb­ben, of tegen het gaan naar bepaalde plaatsen waar hun kinderen mis­schien heen willen. Er worden gren­zen aangegeven in de opvoeding. Daarbij zal er een evenwicht zijn tus­sen “pas op” enerzijds en “ruimte geven” anderzijds. Naarmate een kind opgroeit, wordt de ruimte groter. De box is in de eer­ste anderhalf jaar een veilig territori­um. Een poosje later is dat hek, heg of schutting, waardoor de grenzen worden afgepaald. Het gebied wordt steeds groter: de eigen straat, of het woonblok worden speelgebied, maar het kind mag bijvoorbeeld niet alleen naar de stad. De horizon wordt allengs groter en naarmate onze kin­deren ouder worden, krijgen zij meer verantwoordelijkheid en dus ook vertrouwen en vrijheid. Het jongere kind heeft veel bescher­ming nodig voor de invloeden en de geest van deze wereld. Naarmate onze kinderen ouder worden, komt daar het opvoeden tot weerbaarheid en het bestand zijn tegen de omge­vingsinvloeden op school en werk bij. Als ouders zullen we bewust onze kinderen heiligen, ze apart stel­len. Wanneer wij ze biddend begelei­den, is het een grote hulp te weten dat de goede engelen actief mee functioneren en dat zij ‘erbij’ kun­nen waar wij als ouders niet direct iets kunnen doen. Daarmee wordt ook aan de boze geesten paal en perk gesteld, zodat zij niet zonder meer maar kunnen doen, wat ze wensen in hun wetteloosheid.

Wet en vrijheid

Veel christenen hebben moeite met het Bijbelse begrip ‘wet’. Paulus noemt de wet heilig, rechtvaardig en goed (Rom. 07:12). Zo kan de wet een rem zijn op de zonde, al kan zij het zondeprobleem niet oplossen. De wet pakt de machten der duisternis niet aan, maar kan de mens wat betreft de zondige daden wel in toom houden. Voor kinderen is het een zegen, als zij onder de wet in verzekerde bewaring worden gehou­den. De wet is dus een tuchtmeester, een pedagoog tot Christus (Gal. 03:23-24).

Wanneer jonge mensen Christus als Heer aanvaarden en gedoopt worden in Gods Geest, dan zullen de wetten van de Geest van binnenuit gaan functioneren! Wanneer zij zich door de Geest laten leiden, dan zijn zij niet onder de wet (Gal. 05:18). Deze roeping tot vrijheid mag niet als een aanleiding voor het vlees gebruikt worden (Gal. 05:13). Het wan­delen door de Geest (Gal. 05:16) komt openbaar in de vrucht van de Geest en tegen zulke mensen is de wet niet (Gal. 05:22-23).

In bezet gebied

Kinderen worden ‘zo groen als gras’ geboren. We geven twee woorden uit de Schrift: En uw kleine kinderen en uw zonen, die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad… (Deut. 01:39).

Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan… (Rom. 09:11).

Onze kinderen komen echter op een wereld, die bezet gebied is. De gehe­le wereld ligt in het boze (1 Joh. 05:19b). De overste dezer wereld, de duivel, is er (nog!) de baas. Van nature, dat is: langs de weg van een natuurlijke ontwikkeling, komen mensen tot een wandel met overtre­dingen en zonden, overeenkomstig de loop van deze wereld, overeen­komstig de overste van de macht der lucht, van de geest die thans werk­zaam is in de kinderen der onge­hoorzaamheid (Ef. 02:01-03). Er treedt een geestelijke dood in, een ver­vreemding van het leven Gods (Ef. 04:18).

Christenouders zullen hun kind wil­len heiligen, dat wil zeggen afzonde­ren van de boze. Vaak merken zij dat zij nog in wijsheid tekort schieten en bidden zij God daarom (Jak. 01:05). Zij zijn zelf evenwel nog niet uitge­groeid tot het volle zoonschap en zijn dus evenmin in staat hun kinde­ren volmaakt te heiligen. Toch willen de ouders hun kind zoveel mogelijk omtuinen, om het op hemelse hoogte te bewaren (Matt. 18:01-06, Matt. 18:10). Bij onze Vader, die in de hemelen is, bestaat de wil niet, dat één dezer kleinen verloren gaat (Matt. 18:14). Het kind is als een knop, waarin God het mooie en goede van zijn schep­ping heeft gelegd. Als de ouders deel hebben gekregen aan de goddelijke natuur (2 Petr. 01:04), zullen zij zorgen voor de liefdezon thuis, zodat de knop zich kan ontwikkelen en het kind kan gedijen. Ook de ouders bevinden zich nog in een groeipro­ces van heiliging en zij maken nog opvoedingsfouten.

De ‘knop’ van het jonge, zich ontwik­kelende kinderleven wordt echter ook aangetast door een ‘worm’, dat wil zeggen: door de vijand der men­sen. In de strijd voor hun leven zul­len wij als ouders de kinderen hel­pen tegenover hun geestelijke vijan­den!

Iemand zei eens: onze woorden wek­ken, maar onze voorbeelden trekken. Wij zoeken een hartenband met onze kinderen te krijgen! Dit is niet iets dat we kunnen forceren of fabrice­ren, maar iets dat zich in ontspan­nen leven mag ontwikkelen.

Machten uit de afgrond

In de eindtijd komen de machten tevens in groten getale op uit de afgrond. “Hun werd gezegd dat zij aan het (groene) gras der aarde (= de kinderen) geen schade zouden toe­brengen…, maar alleen aan de men­sen, die het zegel van God niet op hun voorhoofden hadden” (Openb. 09:04). Het zegel van God op ons voor­hoofd wil zeggen: vernieuwing van denken door de heilige Geest. Dat is iets heel anders dan “al het groene gras verbrandde” (Openb. 08:07).

Helaas vindt ook dat op grote schaal plaats.

Het zal duidelijk zijn dat de bewa­ring van onze kinderen geen vanzelf­sprekendheid is. Ook nu schiet de boze brandende pijlen af op ons en onze kinderen (Ef. 06:16). We zul­len het schild des geloofs ter hand nemen, om het vuur van vijand te doven en voor onze kinderen op de bres staan.

In dat geloof zullen we volharden, ook als het er in de zichtbare wereld niet zo goed uit ziet. In de onzienlij­ke wereld blijven we hen claimen voor het Koninkrijk van God.

Mensbeeld en opvoeding

Het misverstand kan ontstaan dat sommigen denken dat vanuit een gezond mensbeeld onze kinderen op een natuurlijke wijze wel goed terecht komen, eventueel onder het Bijbelse motto: “het natuurlijke komt eerst, daarna het geestelijke” (1 Kor. 15:46). De mogelijkheid bestaat dat ouders dan een valse vrijheid gedo­gen en dat het gevaar van wereldsge­zindheid veel te weinig serieus geno­men wordt. Helaas worden de resul­taten van zo’n opvoeding pas tien of vijftien jaar later gezien: het geestelij­ke is niet gekomen… Aan de vruchten kun je achteraf zien of iets wijs­heid is geweest of niet. Ik zeg dit uiteraard niet om schuld aan te praten, maar om zo mogelijk een dergelijke, verkeerde ontwikke­ling te voorkómen. Daarom hebben we het belang van gehoorzaamheid, grenzen stellen en consequent – zijn nadrukkelijk genoemd! Een bewuste, Bijbelse opvoeding zonder druk op de kinderen te leggen, wil de klare koers van het Koninkrijk van God aan hen voorhouden. Dingen die in onze tijd onder kinde­ren zo algemeen zijn, zoals brutali­teit en respectloosheid, kunnen en moeten in onze christelijke huisge­zinnen geweerd worden. Wij zullen grenzen stellen. Een geest van bruta­liteit via een kind zullen wij geen vaste grond in onze huizen geven, zodat ook de andere kinderen besmet worden. Deze invloed zullen wij in Jezus’ naam terugdringen en ons daartegenover opstellen. Deze heilzame waakzaamheid is nodig! We werken met onze kinderen aan gezeglijkheid, dwars tegen de geest van weerspannigheid in. Op het terrein van taalgebruik in het gezin is het goed zorgvuldig en nauwkeurig te zijn. Een algemeen principe is: geen zotte of losse taal, die geen pas geeft (Ef. 05:04). Als voorbeeld noemen we het onder de tegenwoordige jeugd veel gebruikte tussenwerpsel ‘shit’! Dat is engelse volkstaal voor ‘schijf en het is nu niet bepaald opbouwend dat tegen een ander te zeggen…

Zelfopvoeding

Onze kinderen mogen in het opvoe­dingsproces fouten maken. Als ouders mogen wij eveneens leren van onze fouten in de aanpak van onze kinderen, om het de volgende keer met de hulp van de Heer beter te kunnen doen. We willen onze kin­deren heiligen, maar zijn tegelijker­tijd zelf bezig met de weg van heilig­making.

In de opvoeding komen ook de ouders aan hun grenzen. Als de grens van je geduld is bereikt, kom je je ongeduld tegen. In de omgang met kinderen zijn er vaak situaties, die om verdraagzaamheid vragen. Als een kind met moddervoeten bin­nenkomt, is het dichtbij om boos te mopperen, dat je al zo vaak gezegd hebt dat het z’n voeten moet vegen… Is het dan niet nodig, dat een kind dit leert? Zeker wel, maar we zullen als ouders moeten leren de toon waarmee we een opdracht of correc­tie geven te reinigen en te zuiveren. Door middel van onze kinderen krij­gen we veel kansen om te overwin­nen.

Als de kinderen veel speelgoed her en der in de kamer hebben ver­spreid, dan kun je daar soms van genieten en denken: dat ruimen we het eten wel weer met z’n allen op. Als je moe bent, kan het speel­goed dat in de weg ligt ook worden tot een struikelblok van ergernis. Zoiets is een gelegenheid om de geest van ergernis geen post te laten vatten bij jezelf en te leren de rom­mel te verdragen. Natuurlijk zullen we aan kinderen leren hun spullen zelf weer op te ruimen, afhankelijk van hun leeftijd, als we tevens maar de lessen voor onszelf verstaan. Met oudere kinderen is het belang­rijk, om – zoals iemand eens zei – van geen enkel probleem een drama te maken! Het probleem dat een kind veroorzaakt, kan door een ontactische reactie van ons als ouders tot een drama uitgroeien. Als wij bij­voorbeeld met onze oudere kinderen de afspraak hebben gemaakt, om ’s avonds vóór 12 uur thuis te zijn en zij komen een kwartier later, wat doen wij dan? Zijn wij dan zo onver­standig, om van dit ‘muggenprobleem’ een ‘olifantenconflict’ te maken?

Toch is het verstandig om bepaalde huisregels te hanteren, die in elk gezin weer wat verschillend kunnen zijn, passend bij de eigen omstandig­heden. Wanneer oudere kinderen niet de geloofsweg gaan van hun ouders en zij wonen nog thuis, dan behoren zij zich te houden aan de ^animale regels van het huis. Anders werkt het gedrag van zo’n kind immers ook negatief naar de andere kinderen in het gezin. Warmte en flexibiliteit zijn broodno­dig, maar als het om zonde gaat, wordt de grens overschreden en kan een beslist optreden gewenst zijn, mede terwille van de andere kinde­ren.

We mogen wijsheid leren, om goed­heid en strengheid of soepelheid en stiptheid op de juiste manier toe te passen. Als we fouten maken, is het niet erg dat eerlijk te erkennen! De Heer is immers bezig ook óns op te voeden!

Verantwoordelijkheid en zorg

Laten wij als ouders onze verant­woordelijkheid verstaan, om er te zijn voor onze kinderen. Wees waak­zaam waarmee uw kinderen in aan­raking komen en wees op de hoogte waarmee zij bezig zijn. De kinderen zijn belangrijker dan de dingen! Ervoor zorgen dat wij een open oor hebben voor onze kinderen is nutti­ger, dan op zo’n moment bijvoor­beeld persé de krant te moeten lezen.

Met oudere kinderen kun je goede gesprekken niet arrangeren of plan­nen op onze tijd. We mogen alert zijn om ergens op in te haken en zulke gesprekken ontstaan soms zomaar spontaan. De Heer biedt ons deze gouden gelegenheden! Als je je eventuele zorg of nood met God bespreekt en op Hem werpt, dan zorgt Hij er op een ‘gegeven moment’ ook voor, dat je met je kind over Hem kunt spreken. Met oudere kinderen werkt een meer indirecte, vragende benadering vaak beter. Zij zijn volop bezig hun eigen identiteit te vormen en als ouders leren we om stapjes terug te doen, zodat het oudere kind toegroeit naar een grotere zelfstandigheid en meer verantwoordelijkheid. Van daaruit kunnen eigen keuzes gemaakt wor­den. Misschien dat de ouders vanuit hun levenservaring in sommige gevallen voorzichtig zullen wijzen op mogelijke gevolgen en consequenties. Leren langzaam los te laten als zij meerderjarig worden, betekent concreet dat je je als ouders niet overal meer mee bemoeit. Laten wij de kostbare tijd, om onze kinderen in de opvoeding te vormen voor hun leven, goed benutten! Vaak zijn wij -met een variant op Paulus- in de kinderopvoeding “om raad ver­legen, doch niet radeloos” (2 Kor. 04:08b). De benodigde wijsheid voor ieder verschillend kind afzonderlijk is bij de Heer voorhanden! Moge God u in deze heerlijke opdracht met uw kinderen zegenen!

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert-Jan Doornink

“Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u ver­maande; in naam van Christus vra­gen wij u: laat u met God verzoenen. Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtig­heid Gods in Hem. Maar als medewerkers Gods verma­nen wij u ook de genade Gods niet tevergeefs te ontvangen, want Hij zegt: ‘Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord en ten dage des heils ben Ik u te hulp gekomen’. Zie, nu is het de tijd des welbehagens; zie, nu is het de dag des heils” (Paulus in 2 Kor. 05:20 en 2 Kor. 06:02).

Hoe warm is het in de hemel?

Tot welke dwaze conclusies oneigen­lijk bijbelgebruik kan leiden blijkt nog eens uit een bericht in de rubriek ‘Overmorgen’ van De Telegraaf. Wetenschappers van de Universiteit van Santiago de Compostela in Spanje hebben name­lijk aan de hand van beschrijvingen in de Bijbel berekend hoe heet het in het hiernamaals is. Volgens hen moeten zondaars in de hel een tem­peratuur van 445 graden Celsius ondergaan en uitverkorenen in de hemel een temperatuur van 232 gra­den Celsius – ook niet echt aange­naam naar aardse begrippen. De krant schrijft: ‘Om de tempera­tuur in de hel te kunnen berekenen hebben de wetenschappers gebruik gemaakt van een passage in het hoofdstuk uit Openbaring, waarin staat dat de ongelovige terecht komt in een meer van vuur en zwavel (Openb. 14:10). Onderzoeker Jorge Mira Perez: “Deze passage impliceert, dat de temperatuur van de hel ongeveer gelijk moet zijn aan het kookpunt van zwavel, dat 445 graden Celsius is”.

Voor de hemel gebruikten Perez en zijn collega-natuurkundige Jose Vina een passage uit Jesaja, die de helder­heid van zon en maan beschrijft (Jes. 30:26). Daarop lieten zij de ingewik­kelde natuurkundige formule van

Stefan-Bolzmann los. Volgens prof. Roger Searle van de Universiteit van Durham in Engeland hebben de bevindingen van de twee wetenschappers de mythe, dat de hel zich in het midden van de aarde moet bevinden uit de wereld geholpen. “Daar is het 6000 graden heet. Dat kan niet. De enige plaatsen op aarde met een tempera­tuur van zo’n 450 graden zijn warm­waterbronnen op de bodem van de oceaan. En wat de hemel betreft: een temperatuur van rond 200 graden Celsius treffen we aan in een laag van de atmosfeer, de zogenaamde thermosfeer. Misschien is de hemel werkelijk ergens boven ons, aldus de prof.”

Gods Geest is nodig

Wie de Bijbel op wetenschappelijke wijze wil verklaren komt natuurlijk altijd bedrogen uit. Dat kan niet want de inhoud van de Bijbel laat zich alleen maar verstaan in het licht van Gods Geest. Die toont ons waar­om het werkelijk gaat. Pas als de mens door de Geest opnieuw geboren is, zal hij door Gods Geest meer en meer gaan begrijpen waarom het werkelijk gaat. En dat begrippen als ‘hemel’ en ‘hel’ een heel andere betekenis hebben dan de veelal gangbare meningen. Want ook kinderen Gods zullen door een verdere groei in de Geest (na de doop en vervulling met Gods Geest) ontdekken dat kennis en inzicht in de betekenis van de Bijbel gaat groeien. Bovendien gaat de verdere opbouw van ons geloofsleven ook gepaard met voortdurende correcties van onze gedachtewereld aangaan­de God en Zijn heerlijkheid. Zijn wetenschappelijke inzichten dan overbodig? Natuurlijk niet, maar ze staan niet voorop. Jezus zei aan­gaande het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat het aan wijzen en verstandigen verborgen is, maar aan kinderen geopenbaard. Zijn we nieuwe scheppingen gewor­den dan is het verlangen in ons ook geboren om de Heer werkelijk lief te hebben, door Hem te dienen met geheel ons hart en ziel, maar ook met ons verstand. Gods Geest wil ook ons verstand activeren, zodat we op gezonde en Gode welgevallige wijze de Heer dienen. En dan laten we ons niet verleiden om tot allerlei dwaze interpretaties van bepaalde Bijbelteksten te komen. Dat veroorzaakt alleen maar verwar­ring en misleiding, waarbij we ons niet behoeven af te vragen wie daarin de hand heeft. Hoe meer we geeste­lijk groeien, hoe meer we ook erva­ren dat Gods volle heerlijkheid deel van ons leven gaat worden.

Is volmaaktheid “éen verplichting?

Het bekende opinieblad HP-De Tijd gaf onlangs een themanummer uit onder de titel ‘Perfect!’, met als ondertitel “de verplichte volmaakt­heid van het moderne leven”. In de inleiding schrijft hoofdredacteur Bert Vuysje onder andere: “Voor de Nederlander is het allerbeste maar net goed genoeg: perfectie is de minimumeis die we onszelf en de wereld stellen. De vrijheid die toen werd veroverd (bedoeld worden de jaren 60 en 70) is twintig jaar later omgeslagen in verplichting. De plicht tot zelfontplooiing: van onze ziel, maar ook van ons lichaam. De plicht tot fit en jong blijven. De plicht tot volmaakte seks. De plicht tot perfect wonen en consumeren. En vooral: de plicht tot torenhoge ambitie op alle terreinen tegelijk”. Vervolgens geeft het blad in niet minder dan 23 interviews, reporta­ges, en beschouwingen een geva­rieerd beeld hiervan. In het eerste artikel van John Jansen van Galen onder de titel: ‘Doe ik het allemaal goed?’ schrijft hij onder andere: “Eerst moest je van alles, toen mocht je van alles, en nu, in de tijd van het goede leven, stapelen de eisen zich weer op. Een mooie baan, een ideale relatie, volmaakte kinderen, lekker wonen’.

Daar komt bij dat de ambities van het goede leven zich opstapelen en aan snelle verandering onderhevig zijn. Je moest beleggen om geen dief van eigen portemonnee te zijn, maar ook in New-Age-verband op zoek gaan naar de kern van het leven. Wie Windows 98 niet beheerst raakt ach­terop. Zelf maak ik vaak meerdaagse wandeltochten en ik spreek dikwijls mensen die dit ook willen gaan doen, want het is gezond en de natuur scoort hoog. Ze schaffen de bijbehorende schoenen en gidsjes aan, maar andere claims op hun tijd voorkomen dat ze werkelijk op pad gaan, zodat ze een tekort blijven voe­len”.

Doe ik het goed?

Wim Knuist van het Sociaal Economisch Planbureau zegt: “Het aantal ambities is enorm toegeno­men, met als gevolg een vluchtige kennisname van heel veel aspecten. Dat brengt een voortdurende onze­kerheid met zich mee, een altijd her­haalde vraag: ‘Doe ik het goed?’ Die rusteloosheid en onzekerheid zijn de blaren waar de generatie die het alle­maal zelf wilde uitzoeken op moet zitten”.

Duidelijk is dat de zelfontplooiing

van het ik-tijdperk heeft geresulteerd in de norm van perfectie op alle ter­reinen des levens tegelijk, maar heeft het de mens werkelijk gelukkiger gemaakt? Uit de aangehaalde voor­beelden blijkt van niet. Een vrouw uit Lelystad zegt: “Ik wilde kinderen én een baan, een beetje lekker wonen én succes in de creatieve hoek”. Aan de eerste drie eisen heeft ze voldaan, maar ze zou zich nog ‘breder willen ontwikkelen’ en zelfs wel ‘beroemd worden’. Er is iets blijven liggen dat haar soms opstandig maakt en dat haar het gevoel geeft: is dat het nou? Is that all there is?

“Dat gevoel hadden onze ouders en overgrootouders niet”, merkt Jansen van Galen tenslotte op: “ze wisten dat dit het was, dit onvolkomen leven dat pas zijn voleinding zou vinden in het hiernamaals. Wij hebben geleerd dat we de vervolmaking van het leven hier en nu op eigen kracht moeten nastreven. Maar dit zit ons niet glad”.

Niet werkelijk gelukkig

Of onze voorouders werkelijk wel zo gelukkig waren met hun ‘onvolko­men leven’ is natuurlijk erg twijfel­achtig. Maar duidelijk is dat het hedendaagse streven naar perfectie en volmaaktheid van de grote massa nooit zal resulteren in een werkelijk gelukkig leven zoals God dat voor ieder mens bedoeld heeft. Wie leeft onder het motto: carpe diem: pluk de dag – laat ons eten, drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij’, komt altijd bedrogen uit. De vader der leugen probeert de mensheid een rad voor de ogen te draaien, met alle negatieve gevolgen van dien. Wat men zelf als een ‘gelukkig leven’ meent te zien en probeert na te streven is vroeg of laat voorbij. Om dan nog maar niet te spreken over het feit hoe dit leven vaak ook weer wordt aangetast door stress, oververmoeidheid, spanning, jaloezie, verslaving en noem verder maar op.

Het andere leven

Gelukkig hebben velen ontdekt dat er ook een ander leven mogelijk is, wat wél het echte geluk in zich heeft. Dat is het ‘nieuwe leven in Christus’, wat niet alleen voor dit leven beteke­nis heeft, maar een leven is waaraan nooit meer een einde komt! Wie dit leven eenmaal heeft leren kennen, zal nooit meer terug willen; het is het échte leven zoals God dat ieder mens wil geven.

De voorwaarde om deelgenoot te worden van dit werkelijke gelukkige leven is slechts ‘geloof, dat wil zeg­gen: overgave aan de Zoon van God, die Zijn leven gaf om ons vrij te kopen van de vorst der duisternis. Dan worden wij ‘nieuwe scheppin­gen in Christus’ en gaan als zodanig functioneren.

Dan kunnen we het leven aan, omdat het nieuwe leven van Christus, op de eerste plaats staat. Ook dan ontstaat er een streven naar ‘perfectie en volmaaktheid’ maar het wordt gevoed vanuit de goede bron en is dus blijvend en duurzaam. Het veroorzaakt geen spanning, maar ontspanning, vrijheid en blijheid, want wie door de Zoon is vrijge­maakt, is werkelijk vrij (Joh. 08:36; Gal. 05:01).

Ons levensdoel

Wanneer Jezus tijdens Zijn eerste grote rede vanaf de berg de opmer­king maakt: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader vol­maakt is” (Matt. 05:48) ligt dat niet als een soort ‘wet’ op ons, waarvan wij al bij voorbaat weten dat wij daar­aan toch niet kunnen voldoen. Het is geen verplichting tot volmaaktheid, maar wél een opdracht, een levens­doel. Want Gods bedoeling is het immers dat er een gemeente ontstaat “stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” (Ef. 05:27). Dat is geen onbereikbaar ideaal, geen utopie, want in Christus zijn we al volmaakt, schrijft Paulus (Filip. 03:15). Nu komt het erop aan dat het eruit gaat komen, dat de gezindheid van Christus zich meer en meer gaat openbaren.

Het streven van de mens zónder Christus naar perfectie en volmaakt­heid geeft niet de echte bevrediging en levensinvulling en leidt uiteinde­lijk schipbreuk. Maar de nieuwe mens in Christus zal steeds meer gaan beantwoorden aan zijn bestem­ming, want het uiteindelijke doel van God met ons leven is dat we gelijk­vormig zullen worden aan het beeld van Zijn Zoon (Rom. 08:29).

Wetenschap en geloof

Uit een onderzoek dat Edward Larson en Larry Witham van de Universiteit van Georgia (USA) onlangs instelden, blijkt dat slechts weinig wetenschappers geloven in het bestaan van God. Zij hielden een enquête onder willekeurig gekozen leden van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen. Daaruit bleek dat van de ondervraag­de biologen slechts 5,5% in God geloofde. Wiskundigen waren het meest gelovig: 14,5%. De andere wetenschappelijke richtingen lagen tussen deze percentages in. Het wetenschappelijke tijdschrift ‘Nature’ dat het resultaat van dit onderzoek publiceerde, bevestigt een eerdere studie die in 1914 werd ver­richt door de psycholoog James Leuba. Beide enquêtes leverden prak­tisch dezelfde percentages op. Volgens Larsen en Witham geeft dit aan dat wetenschappers door hun opleiding en ervaring veelal sceptisch staan tegenover zaken die niet wetenschappelijk te bewijzen zijn. Waaraan wij willen toevoegen dat geloof ook niet vraagt om weten­schappelijk bewijs. Het is immers, zoals Heb. 11:01 duidelijk formuleert, “de zekerheid van de dingen, die men hoopt, en het bewijs van de dingen, die men niet ziet”. En het is, zoals Jezus zegt, “voor wijzen en verstandigen verborgen, maar aan kinderen geopenbaard” (Matt. 11:25).

Dit betekent uiteraard niet dat weten­schappers niet tot geloof zouden kunnen komen, maar dat begint, en dat geldt voor alle mensen die het Koninkrijk Gods willen binnengaan, met een ‘kinderlijk eenvoudig’ geloof. Lees in dit verband ook Matt. 18:03, waar Jezus de oproep doet om te worden als de kin­deren.

 

De zeventig (jaar) weken door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem deel 8b

De twee-en-zestig weken

De zeventig (jaar) weken

De eerstvolgende fase in het plan van God is dan het herstel van de ‘stad Gods’, het hemelse Jeruzalem. De profeet en apostel Johannes zag dus in een visioen de genoemde ‘hei­lige stad’, een nieuw Jeruzalem, ‘neerdalen’ uit de hemel, afkomstig van God. Zoals reeds eerder gezegd betekent neerdalen uit de hemel het zichtbaar worden op aarde. Zoals onze Heer Jezus er naar ver­langt om Zijn gemeente als Zijn vrouw te tonen aan de hele schep­ping, zo verlangt onze God er naar, Zijn ‘bruid’, die Hij door Zijn Geest bezig is te verwerven uit alle volken stammen en natiën, tot Zijn ‘vrouw’ te maken. Hij is het, die er naar ver­langt, Zijn bruid te tonen aan alle levende wezens in hemel en op aarde, zoals een bruidegom vol trots zijn bruid toont aan zijn omgeving. De stad Gods is dan deze ‘bruid’, die voor haar man versierd is en evenzo dit vol overgave toont aan haar omgeving. Zij is dan de weergave van de hele in de ware God geloven­de mensheid van alle tijden en plaat­sen, zoals de aanduiding ’tempel Gods’ de weergave is van het ‘lichaam van Christus’. De ontwikkeling van deze bruid tot vrouw, is dus het werk van de Geest van God. De heilige Geest schakelt hiervoor het ‘lichaam van Christus’ in, met als Hoofd daarvan de Heer Jezus. Dit ‘lichaam’ is als ’tempel Gods’ het centrale punt in de ‘stad Gods’. Zij is als het ware de ‘zand­korrel’ in de oester, waaromheen zich de diamant vormt tot een kost­baar gesteente (vgl. 1 Petr. 02:04-06). Zoals indertijd in het schaduwbeeld de knecht Eliëzer werd uitgezonden om de vrouw voor Izak te halen uit de ‘maagschap’ van Abraham, zo is ook de Geest van God bezig. Hij brengt in onze tijd ‘bruid’ van de ver­heerlijkte Heer Jezus tot de volle heerlijkheid van de ‘vrouw des Lams’.

Wanneer deze fase in het ‘plan van God’ voltooid is, zal dezelfde Geest met inschakeling van deze gemeente de ‘bruid’ van God verzamelen (= halen) uit alle geslachten, tongen en naties en haar tot dezelfde heerlijk­heid brengen.

Het exclusieve middel voor deze ver­werving is het eeuwig evangelie van Jezus Christus en de versiering bestaat uit de vele gaven van de Geest, waarmee in navolging van de tempel ook de stad vervuld wordt.

Het nieuwe Jeruzalem

Uiteindelijk in dit heiligingsproces is de hele stad tot een ’tempel’ gewor­den, heilig in de Here. Johannes ziet dan ook met verbazing geen afzon­derlijke tempel meer in de stad, omdat deze wérkelijk heilige stad dan gehéél vervuld is met het wezen van God en het Lam (Openb. 21:01-03 en Openb. 21:22).

Dit ‘Nieuwe Jeruzalem’ is dan op haar beurt weer de kern temidden van de hele mensheid en voor deze dus weer als een tempel van God, van waaruit het herstel doorgaat naar de voltooiing, waarin God alles in allen zal zijn (1 Kor. 15:28). Het eeuwig evangelie van Jezus Christus gaat zo door en wordt ver­kondigd aan allen, die ‘op de aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en natie’. Dit evangelie brengt de scheiding aan tussen wat bij God hoort (wil horen) en wat niet. Door dit evangelie wordt de tegenpool van de stad Gods, namelijk het grote, wereldomvattende Babylon, geoor­deeld en als de grote hoer uitgeran­geerd. Deze valse kerk hoereert namelijk met het ‘beest uit de afgrond’ (Dood), welke middels de antichrist zijn lasteringen tegen de God des hemels pleegt ( Openb. 14:06-11).

De aardse stad Jeruzalem in het Midden-Oosten is slechts het scha­duwbeeld van deze ‘hemelstad’, welke zichtbaar wordt op aarde. Het is dwaas om met betrekking tot de openbaring van het plan van God zich slechts te richten op de schaduw in plaats van op de werkelijkheid. Het geopenbaarde (nedergedaalde) nieuwe Jeruzalem staat centraal temidden van de volken en koningen der aarde. Dit zijn de gelovigen van alle tijden en alle plaatsen. Zij wan­delen bij haar licht, het evangelie van Jezus Christus. God Zelf openbaart zich in en door haar in goedheid, liefde en levenskracht.

Stad en tempel, één geheel

Zoals de Bijbel weergeeft, moest de apostel Johannes in het hem getoon­de visioen met verbazing constate­ren, dat er in de nieuwe hemelstad- op-aarde geen tempel te zien was. Hij moest daarom concluderen, dat de Here God, de Almachtige, Zelf haar tempel is en zo ook het Lam. De heerlijkheid Gods verlicht de stad en het blijde evangelie van het Lam is haar lamp. De volken zullen bij dit licht wandelen, terwijl de ‘koningen der aarde’ (de vele zonen Gods) hun verworven heerlijkheid (de verloste mensen) in haar brengen. Alle geweld en dreiging is te niet gedaan, want de Dood is dan als laat­ste vijand geoordeeld en uitgewor­pen, nadat hij naakt is uitgekleed, dat wil zeggen van al zijn macht en invloed beroofd. Hij heeft al zijn gevangenen, de doden, welke nog onder zijn claim lagen, moeten losla­ten, zodat ze het rechtvaardig oordeel van de ‘Zoon des mensen’ (het gehe­le ‘lichaam van Christus’) konden ondergaan (Openb. 20:13; vgl. ook Ef. 04:08, Statenvert. en 1 Petr. 03:19). De ‘nacht’ van duisternis, dreiging en ellende is voorbij. Het is en blijft helder ‘dag’, vol van heling, genezing en licht.

De laatste week

(de tijd van het einde) In de jaarlijks weerkerende cyclus van de drie genoemde grote feesten in Israël werd zo een prachtige afbeelding gegeven van de werkelijk­heid met betrekking tot de ontwikke­ling van het plan van God met de mens.

In de profetie van de ‘zeventig weken’, zoals door de engel Gabriël aan Daniël weergegeven, is tenslotte sprake van een (gedeelde) laatste week. In deze afsluitende periode vinden ontknopingen plaats met betrekking tot de eeuwige toekomst van het volk van God. Na de ontwikkeling in de periode van ’twee-en-zestig weken’, waarin het herstel een volheid heeft bereikt, is er sprake van het uitroeien van een ‘gezalfde’, zonder aanwijsbare oorzaak.

Een ‘vorst die zal komen’, zal de stad en het heiligdom te gronde richten (vs. 26). In de profetie van het laatste Bijbelboek is dan sprake van de ’twee getuigen’.

De ’twee getuigen’

Er is in de profetie van de ‘zeventig weken’ aangaande de laatste week sprake van de ‘helft der week’. Dit begrip komt in de profetie van de bij­bel vaker voor, maar dan in de vorm van ‘drie-en-een-halve dag’, zoals in Openbaring 11. De daar genoemde twee getuigen zijn een verbeelding van Woord en Geest, de beide basis­componenten van de gemeente van Jezus Christus.

Deze aanduiding is profetisch terug te brengen tot de twee Oud- Testamentische personen Zerubbabel en Jozua. Zerubbabel was een vorst, afkomstig uit de stam van Juda, terwijl Jozua hogepriester was. Zij leefden in de tijd van de pro­feten Haggaï en Zacharia. Zij begon­nen na de ballingschap, toen koning Darius van Perzië de Joden naar hun land liet terugkeren, met de herbouw van de verwoeste tempel te Jeruzalem (Ezra 05:01-02). De vorming van het ware volk Gods voltrekt zich in een periode van gees­telijke armoede en grote verdrukking binnen de stad Gods. Het getuigenis van de ‘zonen Gods’ wordt gebracht vanuit de door de Geest van God opgelegde ‘last’. Met een ‘zak’ bekleed, dus in grote verdrukking en tegenstand, volbrengen de ’twee getuigen’ als de gemeente van de eindtijd hun taak en profeteren aan­gaande de openbaring van het heil van God. Zolang hun profetisch getuigenis nog niet voleindigd is, zijn het Woord Gods en de Geest Gods werkzaam als de ’twee kandela­ren’ en de ’twee olijfbomen’, die voor de Here der ganse aarde staan. Pas na deze voleindiging kan het ‘beest uit de afgrond’, de geest die de antichrist vervult, hen in uiterlijke zin aantasten en zelfs doden, maar het is daarmee de inzet voor niet slechts zijn eigen ondergang en tege­lijk voor de ook de verheerlijking naar het beeld van de Heer voor de getuigen van het Koninkrijk Gods (Zach. 4; Openb. 11).

De gemeente van Jezus Christus

Zerubbabel en Jozua typeren de gemeente van Jezus Christus als ‘koninklijk priestergeslacht’, dat vervuld met de Geest van God werkt aan de vorming van het toekomstige ‘huis van God’. Dat is de totale her­stelde mensheid, welke uiteindelijk de hele schepping zal vervullen. In dit ‘geestelijk huis’ zijn evenals bij de vorming van de gemeente van Jezus Christus het koninklijke woord en de priesterlijke geest de bepalen­de elementen.

Deze beide Goddelijke componenten zullen ook als een eeuwige ’twee-eenheid’ de functie van de schepping bepalen. Zij gaan uit van de troon van God en het Lam, waaruit ze ont­springen als een kristalheldere rivier, waaraan het ‘geboomte des levens’ beeldbepalend is en waar vanuit genezing en herstel voor de volken plaats vindt (Openb. 22:01-05). De aanduiding ’twee getuigen’, ’twee kandelaren’ en ’twee olijfbomen’, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan, geven de krachtige wer­king weer van de Geest van onze God. We naderen de tijd, waarin deze werking zich naar buiten toe zal openbaren in een krachtig getuige­nis. Dit getuigenis zal tot een volein­ding worden gebracht, zodat in vol­maakte volgorde eerst het lichaam van de Heer en vervolgens de gehele in de ware God gelovende mensheid de volkomenheid bereikt, de rijpheid en volwassenheid van de volheid van Christus (Ef. 04:13).

De gemeente van de antichrist

Nu de ware gemeente in de eindtijd tot volle openbaring komt door de inwonende Geest van God, ontwik­kelt zich een confrontatie met het ‘beest uit de afgrond’. Deze machtige geest, die zich in de opkomende ‘mens der wetteloosheid’ zal manifesteren (2 Thess. 02:03), zal namelijk in botsing komen met het ‘volk der heiligen’. Deze geest van de dood (Dood) bewerkt dat de ‘heiligen des Allerhoogsten’ in hun uiterlijk voorkomen worden gedood, dus geblokkeerd in hun getuigenis (Dan. 07:18).

Gelijk opgaand met het getuigenis van de twee getuigen heeft zich op aarde een godsdienst ontwikkeld, die door de inwerking van occulte gees­ten is geworden als ‘Sodom’ (tegen­natuurlijke verbindingen), terwijl de mensen die deze godsdienst hante­ren, zijn gemaakt tot ‘Egypte’ (slaver­nij).

De zonen Gods (de twee getuigen) worden evenals hun Heer door deze ‘valse kerk’ niet in hun getuigenis geaccepteerd. Voor Zijn geestelijk lichaam geldt evenals voor de Heer zelf het ‘kruist hem, kruist hem’ en de ware gemeente zal door hen ‘gedood’ worden, dat wil zeggen van haar getuigenis beroofd. Er is in de profetie van Openbaring 11 bij de ’twee getuigen’ dus sprake van een periode, die geestelijk over­eenkomt met de ‘drie-en-een-halve- dag’, waarin de Heer Jezus in de invloedsfeer van de Dood was. Een schaduwbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van de profeet Jona. Deze was immers drie dagen en nachten in de buik van de grote vis (Jona 01:17). Deze ‘drie-en-een-halve- dag’ is ook gelijk aan de ‘helft van de week’, waarvan in de profetie van Daniël sprake is. Daar wordt gesteld, dat de ‘vorst, die met zijn volk komen zal’, de ‘stad’ (rechtvaardigen) en het ‘heiligdom’ (gemeente van Jezus Christus) te gronde zal richten. Deze vorst is de komende antichrist, de ‘zoon van Verderf (Dood), de tegenhanger van Jezus Christus, de Zoon van God. (2 Thess. 2). Alvorens onze Heer zich zal openbaren in en met Zijn heiligen (de ware gemeen­te), zal deze dictator opkomen en het ‘slachtoffer en spijsoffer’ doen ophouden. Dat wil zeggen, dat er geen openbare eredienst aan de ware God mogelijk zal zijn. De ‘heilige stad’ wordt vertreden door de ‘heidenen’ en het getuigenis van de ‘zonen Gods’ wordt ‘gedood’ vanwege de opkomende invloed van het ‘beest uit de afgrond’ (Verderf, Dood). Deze tegenhanger van de

Geest van God verkondigt door mid­del van de antichrist het ‘evangelie van de Dood’, dat wij aanduiden als het occultisme. Dit staat in lijnrechte tegenstelling tot het evangelie van het Leven, dat door de Geest van God verkondigd wordt door middel van de zonen Gods, de gemeente van Jezus Christus (Dan. 9; Openb. 11). Terwijl er zo uiterlijk een ‘stilte’ heerst in het getuigenis naar buiten toe van de ware gemeente, wordt deze innerlijk voorbereid op haar massale verheerlijking in de openba­ring tezamen met haar Hoofd. Aan het eind van de ‘week’ van verdruk­king en benauwdheid vervult een ‘Levensgeest uit God’ (de heilige Geest) hen. Er klinkt een krachtige ‘bazuin’ als aankondiging van de vol­eindiging van het geheim van God met betrekking tot deze gemeente van de eindtijd. De getuigen staan op en worden in een ondeelbaar ogen­blik verheerlijkt in gelijkvormigheid aan hun Heer en Hoofd. Ze worden ‘weggerukt’ tot God en Zijn troon, terwijl de grote draak hen najaagt en tracht te verslinden. Dan komt er pas echt oorlog in de hemel tussen de met de geopenbaarde ‘zonen Gods’ verbonden engelen en de grote draak en zijn engelen (Openb. 12).

 

De bediening van profeet door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente Deel 7

Van alle bedieningen hoort men tegenwoordig wel het meest over “de profeet”. Er wordt over gesproken en over geschreven, het staat volop in de belangstelling. Deze bediening is de tweede in het rijtje van bedieningen die door de apostel genoemd wor­den.

De Heer geeft met een heel duidelijk doel de bedieningen van apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren aan de gemeenten.

Uitgaande van Ef. 04:12-16, heb ik dat aan het begin van deel zes over: “Het herstel van de gemeente”, in tien punten omschreven.

Een “genadegave van God” is altijd gegeven tot “dienstbetoon” en nooit om iemand aanzien, macht of een functie te geven. De Heer Jezus zegt: “Om niet heb gij het ontvangen, geeft het om niet” (Matt. 10:08). De woorden van de apostel Petrus zijn: “Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. (1 Petr. 04:10). Dit alleen is de waarachtige instel­ling voor iedere bediening die de Heer aan de gemeente geeft.

Visie op Gods plan

Profeten zijn heel in het bijzonder mensen met een visie op Gods plan. Een visie die overeenstemt met de visie van God, om op een bijzondere, directe wijze de voortgaande wil van de Heer te verstaan en bekend te maken. Het zal echter altijd duidelijk toetsbaar moeten zijn aan het Woord van God, de Bijbel, en in overeen­stemming dienen te zijn met Gods eeuwige raad en bedoelingen. Ook de bediening van profeten heeft, evenals de bediening van apostelen^ en leraren, tot doel de gemeenten bekend en vertrouwd te maken met de geheimenissen Gods. Dat lezen we duidelijk in de Kolossenzenbrief waar Paulus over zijn bediening als apostel schrijft: “Haar dienaar ben ik geworden krachtens het goddelijke ambt, dat mij met het oog op u is verleend, om namelijk het Woord van God te brengen in heel zijn volheid: om het geheim te verkondigen dat verbor­gen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopen­baard aan zijn heiligen. Hun heeft God bekend willen maken hoe machtig en hoe wonderbaar dit geheim is onder de heidenvolken, luidt: “Christus in u”, en ook: “De hoop op een eeuwige heerlijkheid”. Al mijn moeite is er op gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven, en zo komen tot de volle rijkdom van het inzicht in Gods geheim, Christus namelijk, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen” (1 Kor. 01:25-27; 1 Kor. 02:02-03 Willibr.vert.). De gemeente moet komen tot een volledig kennen van Gods wil en inzicht in Gods geheimenissen. Dat is de visie van God! “Om het woord van God te brengen in heel zijn vol­heid”, zegt de apostel. Mede daarvoor is ook de bediening van profeet gegeven aan de gemeente.

Wat is een profeet?

Het meest Bijbelse antwoord is: “een profeet is iemand die in naam van God spreekt en Zijn wil bekend maakt”.

Het Hebreeuwse woord is “nabie” wat wel vertaald wordt met “ziener” (zie 1 Sam. 09:09). Een profeet is een “geroepene” of van God “gezonde­ne”. Een goed voorbeeld is de roe­ping van Jesaja in hoofdstuk 6. Een profeet is een gewoon mens die geen enkele bijzondere opleiding gevolgd hoeft te hebben. Hij is een lid van het lichaam van Christus, die op een bijzondere wijze begenadigd is om woorden van God te spreken. De profeet is ook weer zo’n bijzonde­re medewerker van de Heer, die namens Hem heel direct en concreet tot Gods volk kan spreken krachtens de hem verleende genade. Dat kan binnen de gemeente zijn, maar ook van buitenaf naar de gemeente toe­komen.

De woorden die een profeet spreekt, zijn méér, zijn krachtiger en sterker dan woorden van een leraar, die uit het Woord van God onderwijst. Het woord van een profeet kan hele fun­damentele waarheden in het licht plaatsen, maar kan ook de schijnwer­per richten op de toekomende din­gen. De Heer Jezus leert ons over de heilige Geest: “Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waar­heid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlij­ken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen” (Joh. 16:13-14).

Werkt dat dan niet in iedere gelovi­ge, die gedoopt is met de Geest? Ja, in zekere mate, maar het is juist ook door de bediening van de profeet waardoor de Heer binnen Zijn volk openbarend bezig wil zijn, zeker ook wat de toekomende dingen betreft.

Door openbaring

Dat hele plan van God is niet door menselijke wijsheid en geleerdheid tevoorschijn te brengen, maar dat kan alleen maar door openbaring in gereinigde en geheiligde mensenhar­ten.

Aan de grote profeet Mozes werd alles wat het volk betreft en wat de bouw van de tempel betreft getoond op de berg (Ex. 25:40; Hand. 07:44; Heb. 08:05). Niet aan het hele volk maakte God het bekend maar aan de profeet die God daartoe geroepen had, die het overbracht aan het volk. Ook de profeet Ezechiël wordt in de Geest gevoerd naar een zeer hoge berg, de berg Sion waarop het hemelse Jeruzalem gebouwd is. En dan lezen we:

“Toen Hij mij daarheen gebracht had, zie, daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meet­roede in zijn hand; hij stond in de poort. De man sprak tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen en hoor met uw oren en richt uw opmerkzaamheid op alles wat Ik u zal laten zien; want opdat Ik u dat zou laten zien, zijt gij hierheen gebracht. Verkondig alles wat gij zien zult, aan het (Ez. 40:03-04). Twee prachtige voorbeelden over de bouw van het huis Gods, de gemeen­te van Jezus Christus. Het moet pre­cies volgens Gods eeuwige bestek gebouwd worden. Vooral dat beeld van Ezechiël is zo sprekend. Het wordt aan de profeet getoond met de opdracht alles wat hij ziet te verkondigen aan het huis Israëls, de gemeente. Ik geloof dat dit de bediening van de Nieuwtestamentische profeet pre­cies weergeeft. Wat hem getoond wordt, geopenbaard wordt, wat hij met zijn geestelijke ogen ziet en met zijn geestelijke oren hoort, mee te delen aan de gemeente met het doel dat de gemeente voort geleid wordt en tot volheid komt.

Wat Gods Geest bewerkt

De Heer Jezus zegt ook nog van de heilige Geest: “Maar de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb” (Joh. 14:26). Wij weten dat de Heer veel meer gezegd en gedaan heeft dan er in de Bijbel opgetekend is (Joh. 20:30 en Joh. 21:25). Hij geeft echter de belofte dat alles wat Hij gezegd heeft door de heilige Geest te binnen gebracht zal worden. Dat zal geschieden op de juiste tijd en in het juiste licht. Het zal echter te allen tijde toetsbaar zijn, want het zal nooit in strijd kunnen zijn met wat wel opgetekend is of niet in overeenstemming kunnen zijn met de geest van de gehele Schrift.

Ook dit gegeven geldt in zekere zin voor alle Geest vervulde gelovigen, maar in het bijzonder voor de profe­ten die de Heer daarvoor als een gave geeft aan de gemeente.

Tot een voorbeeld

Als we het Oude Testament op het onderwerp profeten bestuderen, kun­nen we heel wat aan de weet komen. Het waren dienstknechten van God, medewerkers in de ware zin van het Woord. Wat we duidelijk zien, is dat het mensen waren die God en Zijn zaak volkomen toegewijd waren. Soms gebruikte God deze dienst­knechten van Hem om iets uit te beelden met hun leven, met het oog op de toestand van het volk. De pro­feet Ezechiël moet de ondergang van Jeruzalem zinnebeeldig voorstellen in de hoofdstukken vier en vijf. De profeet Hosea moet een ontuchtige vrouw nemen en kinderen bij haar verwekken om uit te beelden hoe verschrikkelijk de toestand van het volk Israël is (Hfdst. 1).

Deze waarachtige profeten werden maar al te vaak door het volk gehaat en bijna allemaal vermoord. Men wende zich liever tot leugenprofeten die dat profeteerden wat het volk graag wilde horen (lees bijv. Jer. 23:09-32). Die profeteerden vrede, vrede terwijl er geen vrede was! Ook nu in onze tijd komt dat voor.

Twee soorten profeten

In het Nieuwe Testament wordt gesproken van twee soorten profe­ten. Daar is de profeet die in een samenkomst een woord uitspreekt tot stichting, vermaning of bemoedi­ging, door de gave van de heilige Geest (1 Kor. 12:10 en 1 Kor. 14:03). En dan is er de “bediening” van pro­feet, door de Heer aangesteld. Het gezag, de kracht en de draagwijdte hiervan is veel groter. In Handelingen 13, waar we lezen van de uitzending van Saulus en Barnabas, zien we dat daar profeten en leraren waren die met name genoemd worden. Dat waren duide­lijk broeders met de bediening van profeet of leraar. “Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus” (Hand. 13:01).

Voor Paulus afgezonderd werd tot het apostelschap had hij dus al de bediening van profeet of leraar. In Handelingen 11 lezen we van een zekere Agabus die profeet was. “En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius” (Hand. 11:27-28).

Jeruzalem was een grote gemeente en er wordt dan ook gesproken van “profeten” (meervoud) van Jeruzalem.

In Handelingen 15 lezen we van twee van deze profeten uit Jeruzalem, ze worden met Paulus en Barnabas meegestuurd naar Antiochië om de uitslag van de conferentie mee te delen (lees Hand. 15:01-33). “Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broe­ders” (Hand. 15:22).

In vers 32 en 33 lezen we van deze mannen: “Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders (te Antiochië) met vele woorden. En toen zij daar een tijdlang geweest waren, werden zij door de broeders met de vredegroet gezonden tot degenen die hen hadden afgevaar­digd”. Ze keerden dus terug naar, Jeruzalem.

De leringen die we hieruit kunnen trekken zijn:

Verbonden aan een gemeente

Profeten met een bediening zijn dui­delijk aan een gemeente verbonden. Wij zien dit zowel in Antiochië als in Jeruzalem. En in grote gemeenten waren dus meerdere profeten. Mannen Gods met de bediening van profeet waren beslist geen “nergens bij horende profeten” die zogenaam­de profetische geschriften, in opdracht van de Heer, moesten uit­werken en rondsturen, zoals dat heden zo vaak gebeurt. Het waren mannen van aanzien \ onder de broeders en zusters van de gemeente.

Het Griekse woord voor “van aan­zien is: “hegoumenous” wat ver­taald kan worden met “leidinggeven­de”. Het waren geen voorgangers (zoals dit woord vertaald is in Hebr. 13), geen apostelen, geen oudsten, maar mannen onder de broeders en zusters met de “bediening” van pro­feet. Daarmee dienden ze en gaven geestelijke leiding aan de gemeente. En als ze dan in een andere gemeen­te kwamen, dienden ze ook die gemeente met hun bijzondere genadegave. Ze bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden, terwijl in de gemeente van Antochië zelf ook profeten en leraren waren zoals we al zagen in Hand. 13:01. Een schitterende samenwer­king dus op hoog geestelijk niveau! Van de profeet Agabus lezen we ver­der nog dat hij profeteerde dat Paulus gevangen genomen zou wor­den: “En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zul­len de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen” (Hand. 21:10-11). Dit voorval speelde zich af te Ceasaréa in het huis van Filippus, de evangelist. En dan vermeldt vers 9 nog: “Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren”.

Belangrijke taak

In de Efezebrief lezen we nog iets heel fundamenteels over de bedie­ning van de profeten in samenwer­king met de apostelen. In Ef. 02:20 lezen we dat het huis Gods, de gemeente, gebouwd wordt op het fundament van de apostelen en de “profeten”, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Waarom de profeten? Als we nog even denken aan de grote Oudtestamentische profeten Mozes en Ezechiël, die in de Geest gevoerd werden naar de berg Sion en daar alles te horen en te zien kregen over de bouw van het huis Gods, het hemelse Jeruzalem, dan zullen we begrijpen dat ook nu, in de Nieuw- Testamentische tijd, de profeet een grote taak heeft in de bouw van de gemeente naar Gods eeuwige bestek. Dat het hier in de Efezebrief wel degelijk gaat om de bediening van de profeet nu, en niet om de Oud- Testamentische profeten, lezen we in Ef. 03:04-05 waar Paulus schrijft: ” Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten”.

Zoals God het in het Oude Verbond openbaarde aan de profeten Mozes en Ezechiël, openbaart Hij nu het geheimenis van Christus aan Zijn apostelen en profeten. Daarom zijn ook de profeten zo belangrijk bij de fundering en de bouw van het huis Gods, de gemeen­te van Jezus Christus.

Genade voor de gemeente

De apostel Petrus schrijft er over dat de Oudtestamentische profeten hebben gezocht en gevorst naar de bedoeling van de Geest van Christus, als ze profeteerden over de genade voor de gemeente, het einddoel van het evangelie van Jezus Christus. Petrus besluit, in 1 Petr. 01:12b, dat deze geheimenissen thans ver­kondigd zijn bij monde van hen (apostelen en profeten), die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs enge­len begeren een blik te slaan (1 Petr. 01:03-12).

Zo is er door de Bijbel heen heel wat te leren over de bediening van de profeet. Mannen Gods, medewer­kers, medearbeiders die door God altijd gebruikt zijn in het Oude Verbond en zeker ook nu in het Nieuwe Verbond in de gemeente van Jezus Christus.

Tot het einde toe

Ook de bediening van de profeet is er omdat geweldige doel wat in Efeze 4 beschreven wordt te bereiken, de volwassen mens Gods naar het beeld van Jezus Christus. En om te komen tot een éénheid in de wereldwijde gemeente van Jezus Christus (Zie ook artikel No.5). De bewering dat deze bediening alleen maar nodig is geweest in de begintijd van de gemeenten wordt geloochenstraft door het woord: “Totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben”.

Naarmate we verder komen in de eindtijd zal ook deze bediening weer meer en meer een plaats krijgen. Dat ze er in het begin van de gemeenten waren, kunnen we zien in het boek Handelingen en in de brieven en dat ze er in het einde zullen zijn weten we ook zeker, omdat de Heer Jezus sprekende over de eindtijd zegt: “Want er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden” (Matt. 24:24).

En ook in Matt. 07:15: “Wacht u voor de valse profeten, die in schapen­vacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven”.

Mensen naar Gods hart

Daar waar goede waarachtige profe­ten opstaan, zal de duivel ook zijn dienstknechten laten opstaan als engelen des lichts met zijn verderfe­lijke leringen en soms verlokkelijke bedriegerijen (2 Thess. 02:09 en 2 Petr. 02:01-03 en 2 Kor. 11:03-04 en 2 Kor. 11:13-15) De apostel Johannes noemt dat in zijn brieven “de anti-christen” (1 Joh. 02:18) en “de valse profeten” (1 Joh. 04:01) en “de misleiders” (2 Joh. 01:07). God zoekt mensen met een waarach­tig en getrouw hart, nederig en zachtmoedig, die Hij aan kan gorden met Zijn kracht om krachtig en onbewogen in Zijn dienst te staan. Mannen en vrouwen Gods die hun mond opendoen dwars tegen alle tegenspraak in. Mannen en vrouwen die niet mee gaan roepen vrede, vrede als er geen vrede is. Mannen en vrouwen met het hart en de visie van God en Jezus Christus.

 

Is de Heer onze banier? Door Tea Keuper

“Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: ‘De Heer is mijn Banier’. En hij zeide: De hand op de troon des Heren! De Heer heeft een strijd tegen Amalek, van geslacht tot geslacht” (Ex. 17:15-16).

Boven dit gedeelte staat in mijn Bijbel: “Overwinning op Amalek”. Dit was een volk dat de gehele geschiedenis door op een slinkse manier Gods vijand is geweest en waarvan God zei: ‘ik zal de herinne­ring aan Amalek onder de hemel vol­ledig uitwissen (vs. 14). In Num. 24:20 staat van Amalek: “Eerste der volken is Amalek, maar zijn einde zal onder­gang zijn”. Deze uitspraak is van Bileam, de man die door God werd onderwezen om alleen datgene, wat Hij hem zou ingeven, uit te spreken over Israël en de volken. God leert zowel Mozes als Bileam gehoor­zaamheid en alleen te luisteren naar wat HIJ zegt!

In het Oude Testament leest men heel veel over strijd en geweld tussen de volken en hun leiders. Dit is een gegeven vanaf de zonde­val. Maar voor degenen die op de waarachtige God, Schepper van hemel en aarde, vertrouwden, was deze een Banier! (Van Dale: onder iemands banier, hem volgend, met hem strijdend). Een banier is een vierkant vaandel, afwijkend van andere vormen van vanen en wim­pels.

Gods volk streed en strijdt, als het gehoorzaamde en gehoorzaamt een geestelijke strijd, aangegord met de wapenrusting van God (Ef. 06:10-18).

Jesaja noemt het woord ‘banier’ vaak, waarin de komst van de Messias wordt voor­zegt en het vrederijk. Dit doelt op het Rijk waar Jezus van getuigde door Zijn leven en sterven. Het Koninkrijk van God, waar Hij ook vurig om bad: “Uw Koninkrijk kome! Uw wil geschiede, in de hemel, zo ook op aarde!”.

In Gods Koninkrijk

In dit Koninkrijk kun je nu al vertoe­ven, er zijn door je gedachten in alles op Hem te richten. Jezus beloofde : “Ik zal maaltijd met u houden” (Openb. 03:20). Een maaltijd houden, met elkaar eten, is het beeld van ‘delen met elkaar’: God maakt ons Zijn plannen, Zijn wil bekend. Hij wil ons terzijde staan. Door onze geest aan Hem toe te vertrouwen, naar Zijn Geest te luisteren, kunnen wij onze van God ontvangen banier opheffen in elke geestelijke strijd! Want onze strijd is niet meer tegen vlees en bloed, maar tegen de énige vijand die we nog hebben: Satan! En alles wat deze tegenstander (vaak door mensen heen) ons aandoet, mogen we onder Zijn banier en op Zijn Goddelijke manier bestrijden. Jezus overwon en in Zijn Naam mogen we Gods Banier opheffen en ‘de hand op de troon des Heren’ leg­gen. De strijd en de overwinning is van Hem en zó ook van ons, als we dat in geloof doen!

‘ik ben nu jouw banier”, zegt God,

“Vertrouw je aan Mij toe,

Liefde en geloof, is mijn gebod,

zélf strijden, kind, maakt moe.

 

Ik ondersteun jouw zwakke geest

bij ’t bidden en bedenken,

kijk niet naar al wat is geweest,

Ik wil je ’toekomst’ schenken!”

 

“O Vader, God, wees mijn Banier,

vervul mij met Uw wezen!

Zó, op Uw Godd’lijke manier,

kan ieder mens genezen!”

 

Een net vol vissen door Truus van Kaam

Jezus vergelijkt het koninkrijk der hemelen met een sleepnet, neergelaten in de zee, dat allerlei bijeenbrengt. Als het vol is haalt men het op de oever. Het goede wordt verzameld, het ondeugdelijke werpt men weg. Voor ons een aanwijzing om nu al in ons leven elke dag scheiding aan te brengen tussen het goede en het verkeerde, het ondeugdelijke. Dat houdt in dat we ons los gaan maken van verkeerde gedachten, verkeer­de gewoontes en zo ruimte maken voor de Geest van God die zich verbindt met het goede in ons.

We mogen groeien, ons aan de waarheid houdend, naar Hem toe, die het hoofd is en samen met alle heiligen verstaan hoe groot de breedte, lengte, diepte en hoogte is van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat wij vervuld zullen worden tot alle volheid Gods! (Ef. 03:18).

 

Verwachting door Froukje Huis

De regen striemt tegen de ramen en de wind blaast de laatste bladeren van de bomen. Hun kale kruinen schudden meewarig alsof ze willen zeggen: ’t is me toch wat! Een enkele voorbijganger haast zich kleumend naar huis. ’t Is nergens beter dan thuis in de warme kamer. Ik kijk over het lege pleintje. Hier en daar brandt een lichtje, want met dit trieste weer is ’t gauw donker. Onwillekeurig denk ik: de donkere dagen voor Kerst, ja, over enkele weken is ’t weer zover. De winkels liggen al vol met kerstge­schenken. Beter, mooier, luxueuzer en duurder dan ooit. Advertenties schotelen ons de heer­lijkste diners voor en bungalowpar­ken roemen om strijd hun bijzonde­re aanbiedingen voor Kerst en Nieuwjaar…

Hoe zullen we dit jaar ons Kerstfeest vieren? Hebt u er al over nagedacht? Al voorbereidingen getroffen mis­schien?

We blijven gewoon thuis, gaan fijn naar de samenkomst, maar veel voorbereidingen hoef ik niet te maken, dacht ik.

En opeens betrap ik me er op dat ik niets bijzonders verwacht met ’t Kerstfeest. ‘Gewoon’, zoals alle jaren. Kan Kerstfeest dan ‘gewoon’, beter gezegd: ‘sleur’ worden? Natuurlijk, we herdenken dat Jezus is geboren, maar Hij woont nu toch in mijn hart? Wat kan ik nog meer verwachten?

Toen Maria naar Bethlehem reisde, droeg ze het kind Jezus onder haar hart en zij verwachtte dat Hij spoe­dig geboren zou worden. Wij dragen Jezus in ons hart en wat is ónze verwachting? Ook dat Hij spoedig ‘geboren’, dit is in ons open­baar zal worden?

Of voelen wij geen ‘leven’ meer en is onze hoop naar de toekomst gescho­ven? Misschien zelfs aan het wanke­len? ‘God talmt met de belofte…’ “Neen”, zegt de Bijbel: “God talmt NIET met de belofte…” De schrijver van de Hebreeënbrief verwoordt het zo: “… opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven” (Heb. 06:12).

Immers de hoop op het zoonschap is het anker der ziel, dat veilig en vast is en dat reikt tot binnen het voor­hangsel naar Jezus, die de Zoon Gods is.

Zijn geboorte in de wereld is het bewijs dat Hij volkomen mens is geweest zoals wij. Hij heeft het kruis gedragen om vele zonen tot heerlijk­heid te brengen.

Zo’n zoon mag u zijn, zo’n zoon mag ik zijn.

God is getrouw die het ook doen zal. Daarom mogen we Kerstfeest vieren in de blijde verwachting dat Hij meer en meer in ons openbaar zal worden.

De God nu der hope vervulle u met louter vreugde en vrede, in het geloof om overvloedig te zijn in de hoop, door de kracht van de heilige Geest.

 

 

 

 

 

 

1998.09-10 nr. 396

1998.09-10 Levend geloof nr. 396

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Een ‘persoonlijke mededeling’ uit de brief van Paulus aan de Romeinen die ons al vele jaren geleden bijzonder heeft aangesproken is: “Want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad, door kracht van tekenen en wonderen, door de kracht des Geestes” (Rom. 15:18). Paulus was zo verweven met het evangelie wat hij had leren kennen dat hij daaraan ook strikt vasthield. Hij deed geen water in de wijn, sloot geen com­promis, ging geen andere koers varen, liet zich niet door tegenstanders van zijn standpunt afbrengen.

Dat is nu precies wat ook ons beweegt bij de uitgave van Levend Geloof. En we willen dan ook graag zijn voorbeeld blijven volgen. Niet uit een soort starheid of conservatisme, maar uit liefde en bewogenheid voor het werkelijke evangelie wat wij door Gods genade hebben leren kennen en wat ons nog dagelijks rijker en gelukkiger maakt! Dat evangelie blijft in Levend Geloof een centrale plaats innemen.          

We zijn dankbaar voor de bekwame schrijvers die, vanuit allerlei invalshoeken, dit evangelie uitleggen met het licht dat zij door Gods Geest, daarbij ontvangen en dat nog steeds groeiende is. Ook houden we voor ogen dat het blad door iedereen gelezen kan worden, dat houdt in dat sommige artikelen meer gericht zijn op onbekeerden of pasbekeerden, en andere artikelen bedoeld zijn voor de verdere opbouw van ons geloof, want -om Paulus nog een keer te citeren- de werkelijke gemeente van Christus zal uiteindelijk uitgroeien tot een gemeente, “stralend zonder vlek en rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbe­smet” (Ef. 05:27).

 

We zijn altijd blij als mensen reage­ren op de inhoud van Levend Geloof. Voor ons is het een bewijs dat het blad gelezen wordt en daar gaat het natuurlijk om. We waren dan ook bijzonder verheugd voor de talrijke positieve reakties na de verschijning van het vorige num­mer. Een kleine bloemlezing: Een zuster uit het westen van het land schreef: “Ik wou gewoon een keer laten weten hoe ik bemoe­digd ben door het juli/augustus­nummer van Levend Geloof. De herkenning en lering is hartverwar­mend. ‘k Wil u en de andere mede­werkers Gods zegen toebidden voor deze arbeid in Gods Koninkrijk”.

Een andere lezeres schreef speciaal getroffen te zijn door het artikel ‘Doorsta de weeën’: “We erkennen en herkennen duidelijk de weeën waar Duurt Sikkens over schrijft. Hoewel ons evangelie geen ‘sup- porting’ behoeft, is het wellicht goed te vernemen dat we er zeer door zijn bemoedigd”. Een lezer uit het noorden van het land reageerde onder andere met de opmerking: “Als trouwe lezers van Levend Geloof willen wij onze waardering uitspreken voor het fijne blad. Zowel de inhoud als de lay-outzijn van ‘hoog niveau’!” Ook werden we weer bemoedigd door de opgave van verschillende nieuwe adressen voor proefnum­mers, geschenk- of adoptieabonne­menten en nieuwe abonnees. Helpt u ook mee met de oplage van ons blad verder omhoog te brengen? Het kostbare evangelie van het Koninkrijk, dat wij hebben leren kennen, is het waard om zoveel mogelijk bekend te worden.

 

Geestkracht en wilskracht door Gert-Jan Doornink

Lees vooraf 2 Korinthe 5 vers 5 tot en met 10 (2 Kor. 05:05-10). Dit gedeelte eindigt met de opmerking: “… opdat ook het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare.”

Heeft u ook zo sterk het verlangen als echte christen, als zoon van God, geopenbaard te worden? Of bent u tevreden met uw huidige status, u weet wel dat u een kind van God bent, dat u gered bent voor de eeu­wigheid, dat u een nieuwe schepping bent, maar verder is het leven wat geleefd wordt een leven van vallen en opstaan; af en toe eens een over­winning, maar geen echte overwin­naar…

Toch is er maar één ding waar de gehele schepping op wacht, schreef Paulus tweeduizend jaar geleden al, en dat is de openbaring van de zonen Gods (Rom. 08:19). Dat wil zeggen de openbaring van het werke­lijke beeld van Christus in en door ons leven, het nieuwe leven van Hem in al zijn facetten. Paulus formuleert het in zijn brief aan de Korinthiërs met de opmerking dat het leven van Jezus zich in ons lichaam openbare…

In het gewone leven

Daarbij is het in de eerste plaats noodzakelijk dat dit in ons gewone alledaagse leven zichtbaar en merk­baar behoort te zijn. We zijn ‘nieuwe mensen’. Niet langer ‘zondaars’, want dat betekent staan in dienst van de vorst der duisternis, maar ‘over­winnaars’. En dat houdt in: de duivel geen kans geven, op onze hoede zijn en ons afsluiten voor alles wat van de verkeerde kant probeert binnen te dringen.

Dit is uiteraard niet van de ene op de andere dag gerealiseerd, het is een ontwikkeling, een groeiproces, zoals we dat ook in het natuurlijk leven meemaken. Alleen krijgen we dan, wat ons lichaam betreft, geleidelijk aan met ‘verouderingsproces’ te maken. En dat behoort wat ons geestelijk leven betreft, natuurlijk niet het geval te zijn (2 Kor. 04:16). Het eerste wat dus primair in ons leven aanwezig behoort te zijn is: verlangen, ons uitstrekken naar… Laat niemand van ons zeggen dat hij geen verlangens heeft, want dat heb­ben we allemaal.

Er zijn talrijke ‘natuurlijke’ verlan­gens, iedere dag opnieuw. Dat zijn meestal positieve verlangens. Er is een verlangen om een goed leven te hebben, om gezond te blijven, om prettig te kunnen leven en noem ver­der maar op.

Uiteraard is dat niet verkeerd, wel als negatieve gedachten daarbij de kop. opsteken, bijvoorbeeld dat het ons zélf maar goed gaat, en wat er met de ander gebeurt kan ons minder schelen. Het hemd is vaak nader dan de rok.

Nu hoeven we natuurlijk niet de last van de gehele wereld op onze schou­ders te nemen, maar de dingen die op onze weg komen, zullen we op positieve wijze dienen te benaderen. Juist daarin kan de uitwerking van ons ‘nieuwe schepping zijn’ zich manifesteren. Als dat achterwege blijft vraag ik me af of het verlangen om als zoon van God openbaar te worden wel werkelijk aanwezig is.

In hemel en op aarde

Waaraan de wereld in onze dagen behoefte heeft zijn ‘gewone’ christe­nen, die zonder veel poes-pas hun geloof openbaren. Mensen die met beide benen in de werkelijkheid van het leven staan. Daarbij zijn ze zich wel bewust dat hun plaats met Christus is in de hemelse gewesten (Ef. 02:06). Omdat we alleen van daaruit kunnen functioneren naar de wil en bedoeling van God. Alleen daardoor zijn we ook bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk. Maar dat blijft ook op aarde niet ver­borgen! Werkelijke christenen zijn daarom niet zweverige of onrealisti­sche mensen die doen of hun neus bloedt als een mens in nood is. Nee, zij steken de handen uit de mouwen naar mensen die hulp nodig hebben, zowel op het geestelijke, maar ook op het materiële vlak. Zij doen mis­schien wel heel onopvallende din­gen. Maar dat is niet belangrijk. De mens ziet aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Waar met een oprecht hart de Heer gediend wordt openbaart zich het werkelijke leven zoals God dat voor ogen heeft. En Jezus is daarbij ons grote voorbeeld! Vandaar de vraag: Willen wij Christusgelijkvormig zijn, of zijn we nog wereldgelijkvormig? Willen we omgaan met de mensen zoals ook Jezus omging met de mensen? Er zijn christenen die zich bewust isole­ren van anderen omdat ze bang zijn dan wereldgelijkvormig te worden. Maar we dienen ons te realiseren dat juist in ons gewone alledaagse leven openbaar wordt of we werkelijk beelddragers van Christus zijn. We zijn niet van de wereld, maar staan wel in de wereld! Maar, merkt misschien iemand op, Jezus sprak toch: “Hebt de wereld niet lief.” Het spreekt vanzelf dat daarmee bedoeld wordt dat we niet datgene zullen lief­hebben wat besmet en aangetast is door de vorst der duisternis, maar wèl de mens en de schepping als zodanig. Die moet losgekoppeld, vrijgemaakt worden van alles wat met de duisternis te maken heeft, zoals we zelf ook losgekoppeld en vrijge­maakt zijn van deze duisternis.

Wat noodzakelijk is

Daarvoor zijn twee dingen uiterst noodzakelijk dat ze zullen functione­ren in ons leven en dat zijn ‘geest­kracht’ en ‘wilskracht’. Daar waar deze twee dingen ontbreken of niet functioneren zal het openbaar wor­den als nieuwe schepping in Christus ook ontbreken en dus niet functioneren. Een drietal opmerkin­gen in dit verband:

De woorden ‘geestkracht’ en ‘wils­kracht’ komen weliswaar niet letter­lijk voor in de Bijbel, maar wel waren alle personen die in de Bijbel op positieve wijze van betekenis waren in het plan van God vol geest­kracht en wilskracht.

Deze twee woorden zijn feitelijk woordcombinaties van twee woor­den. Het woord ‘geest’ wordt in ver­binding met ‘kracht’ geestkracht, en het woord ‘wil’ wordt in verbinding met ‘kracht’ wilskracht.

In zekere zin lopen deze woorden in elkaar over, want geestkracht houdt in dat de kracht van onze geest zich openbaart in zelfbeheer­sing, vastheid van karakter en een volhardend streven naar een bepaald doel, terwijl wilskracht de kracht is om te willen of waarmee men wil.

Twee grote voorbeelden

Waar denken we het eerst aan als we het over geestkracht en wilskracht hebben? Aan God de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus! Het eerste grote voorbeeld vinden we in God zelf. God schiep hemel en aarde en al het leven. De kracht van Zijn woord was van scheppende aard èn, waar wel eens onvoldoende aan gedacht wordt, uitsluitend positief. Het koortje wat helaas vrijwel ner­gens meer gezongen wordt ‘God is enkel positief is wat dat betreft 100% waar. God had, heeft en houdt ten aanzien van Zijn schepping altijd het goede voor ogen. Hij is een goede God.

Paulus had het goed begrepen toen hij aan de gemeente van Rome schreef dat de wil van God “het goede, welgevallige en volkomene” is. (Rom. 12:02).

Jezus, de Zoon van God, bracht dit tijdens Zijn leven ten volle in toepas­sing. Hij sprak over “leven en over­vloed” (Joh. 10:10) en de mensen die zich gingen openstellen voor Zijn boodschap ervaarden dit ook zo. Want het was niet alleen zo dat Jezus sprak over deze positieve wil van God, maar Hij bracht het ook in praktijk. Zijn geest en wil openbaar­de zich in geestkracht en wilskracht.

Ook in ons gelegd

Dat openbaarde Hij niet alleen, maar Hij legde het ook in de mens die zich daarvoor ging openstellen. Daarom zijn waarachtige kinderen Gods ook geen slappelingen of doet­jes, maar geestkrachtige en wils­krachtige mensen, vol van de Geest van God.

Want het begrip ‘kracht’ komt ons niet zomaar aangewaaid, het wordt ons niet voor de voeten geworpen, maar het is in Gods Geest aanwezig. Het is alsof God ons daarmee van onze verantwoordelijkheid bewust wil maken.

Jezus sprak daarom bij Zijn heen­gaan ook niet van “jullie zullen de heilige Geest ontvangen”, maar “jul­lie zullen kracht ontvangen wan­neer de heilige Geest over je komt” (Hand. 01:08). Jezus wilde Zijn discipe­len, en dus ook ons, eerst bewust maken wat het ontvangen van de hei­lige Geest zou inhouden. Zoals een kuiken uit het ei en een bloem uit de knop komt bij wijze van spreken Gods kracht uit de heilige Geest (en dus uit ons) tevoorschijn.

De realiteit van Gods Geest

De heilige Geest is in onze dagen, ook in onze kringen, vaak tot een soort discussieonderwerp gedegra­deerd. Wat wordt er al niet verschil­lend gedacht over bijvoorbeeld de gaven en de bedieningen. Laten we elkaar daarmee niet gaan bestrijden. We dienen ons echter in de eerste plaats af te vragen: Beseffen we nog wel wat het werkelijk betekent als Gods Geest in je komt? Of is het bij ons ook al geworden tot een dode formule zoals dat bij het naam-christendom het geval is? Onlangs sprak ik nog in een gemeente waar ik er op geattendeerd werd, na afloop van de dienst, dat vrijwel niemand van de jonge men­sen gedoopt was met de heilige Geest. Wat we nodig hebben is de doop met de Geest en daarna het dagelijks vol zijn van de Geest. Want pas als de Geest van God dage­lijks in je aanwezig is en functio­neert openbaart zich dat in het feit dat we geestkrachtige en wilskrachti­ge getuigen van Jezus Christus zijn. Dan kunnen we standhouden temid­den van alle omstandigheden, zoals Paulus die omschrijft in vers 8 en 9. En zijn we ook niet bang voor de toe­komst als verdrukking en vervolging gaan komen. Want door de druk komt wat echt is tevoorschijn!

De taal van de Geest

Ik ben er vast van overtuigd dat de geestelijke strijd voor de waarachtige gemeente van Jezus Christus in de komende tijd hoe langer hoe meer zal gaan toenemen. Het zal niet gemakkelijk worden. En christenen die niet wilskrachtig en geestkrachtig zijn zullen het niet volhouden. Terwijl dat juist wel Gods bedoeling is. Want wie volhardt tot het einde die zal het einddoel bereiken. We willen daarom de geestelijke strijd ook niet uit de weg gaan, maar gebruiken -om een voorbeeld te noe­men- de taal van de Geest, het spre­ken in tongen, als een succesvol wapen in de geestelijke strijd. Door het spreken in tongen bouwen we ons geloof op, ontstaat er vrij­moedigheid, de blijdschap breekt door en temidden van welke omstan­digheden ook, kunnen we functione­ren. We gaan er niet onderdoor maar ervaren dat nieuwe kracht, nieuwe volheid, nieuwe overwinning door ons heen gaat stromen. Het spreken in tongen is een taal waar de duivel van af moet blijven. Daar kan hij niet tussen komen, al probeert hij natuurlijk ook in dit opzicht met karikatuur en surrogaat­uitingen roet in het eten te gooien. Maar de waarachtige gelovige laat zich niet uit het veld slaan en weet dit te onderkennen.

De schat in aarden vaten

Daar valt natuurlijk nog veel meer over te zeggen, maar ik wil nog wij­zen op één belangrijk punt als we het hebben over het feit dat ‘geest­kracht en wilskracht’ twee belangrij­ke aspecten zijn waardoor het leven van Jezus zich ten volle gaat openba­ren.

“De kracht die alles te boven gaat is van God”, schrijft Paulus in vers 7. Even tevoren had hij al opgemerkt dat het licht wat de duisternis in ons heeft verdreven, schijnt in onze har­ten “om ons te verlichten met de kennis der heerlijkheid van God in het aangezicht van Christus”. Hij vat dit samen met het woord ‘schat’. Deze schat bevindt zich in een aarden vat, breekbaar, kwetsbaar zou je kunnen zeggen. Maar desal- nietemin: bruikbaar! En waarom of ik dit opmerk is dat er wel eens gelovigen zijn die menen zichzelf totaal te moeten uitschake­len. Wij zijn niets, waren niets en worden niets, is dan hun gedachtengang.

Wat een misvatting! En wat een mis­kenning van de bedoeling van God! Als Paulus in vers 5 zegt dat wij niet onszelf prediken maar Christus, dan zegt hij er meteen achteraan, maar wij zijn dienaren om Jezus’ wil.

Ingeschakeld in Gods plan

Natuurlijk is een knecht niet meer dan de Meester, maar we zijn dus niet geheel of gedeeltelijk uitgescha­keld. Maar volledig ingeschakeld in Gods plan.

God wil dat we ons volledig zullen inzetten voor de realisering van Zijn grote verlangen zoals Hij het ook oorspronkelijk voor ogen had: een harmonieuze schepping, met de mens die Hij schiep als kroon van Zijn schepping, als onderhouder en beheerder.

Wij zijn dienaren, medearbeiders van God. Wat een taak, wat een opdracht!

Doet u mee? Laten we er alles aan doen wat in ons vermogen ligt om het leven van Jezus in ons ten volle te openbaren. Dat is het verlangen van God en behoort ook ons verlan­gen te zijn.

Daarom nog even alles op een rijtje:

God, onze Vader was en is vol wilskracht en geestkracht. Dat hoor’ bij zijn karakter; dat is zijn wezen.

Jezus Christus, de Zoon, was en is dat eveneens.

En ook wij, nieuwe scheppingen, zonen Gods, mogen door de kracht en de volheid van de heilige Geest, vol geestkracht en wilskracht daaraan invulling geven.

De levende God die ons, in Christus Jezus, geroepen heeft tot deze gewel­dige taak, zal het ons doen gelukken, want Hij die in ons een goed werk is begonnen zal het voortzetten tot de grote dag van Christus Jezus! Hem zij daarvoor alle lof, dank en aanbid­ding!

 

Hoe geestelijk zijn wij? Door Cees Maliepaard

 

“Gij echter, geliefden, herinnert u de woorden die vóór deze gesproken zijn door de apostelen van onze Here Jezus Christus, dat zij tot u hebben gezegd: Aan het einde van de tijd zullen er spotters komen die naar hun goddeloze begeerten zullen wandelen. Zij zijn het die scheuringen maken, natuurlijke mensen die de Geest niet hebben” (Judas 01:17-19)

De neiging van sommige christenen uit het volle evangelie, zichzelf en de eigen geestverwanten als geestelijke mensen te zien en andersdenkenden als natuurlijk (of vleselijke) christe­nen, is niet echt op bijbelse basis terug te voeren. Of iemand al of niet geestelijk denkt, heeft niets te maken met het wél of juist niet behoren tot een bepaalde gemeente. Heel andere dingen zijn doorslaggevend voor het vaststellen van iemands geestelijke status.

Apostolische profetie

Judas, zelf geen apostel, herinnert de gemeenten aan de woorden die de apostelen reeds in een eerder stadi­um gesproken hebben. Zij hebben de vroege gemeenten ervoor gewaar­schuwd dat er aan het einde van de tijd spotters binnen hun midden zul­len komen. Uit het verband blijkt dat het niet om gemeenteleden gaat die openlijk de spot met de eeuwige God en met Christus Jezus zullen drijven. Ook zullen ze niet proberen (al spot­tend) de volle boodschap belachelijk te maken.

Nee, het betreft gemeenteleden die in de eindtijd met het woord van God de spot drijven door in het eigen leven wel de schijn van geeste­lijk leven op te houden, maar in wer­kelijkheid meer bedacht te zijn op de realisering van allerhande eigen ideeën. Het woord van God, het werk van Christus Jezus door Gods heilige Geest en de belangen van de gemeente offeren zij op aan datgene waar ze zélf waarde aan hechten. Daarvoor hebben de apostelen terecht gewaarschuwd, want reeds in de dagen van de vroege gemeente zagen deze profetische woorden op meerdere plaatsen hun vervulling. Het betrof dan steevast mensen die de Geest niet hadden, zoals Judas dat heel treffend onder woorden brengt. Wellicht waren ze behept met een rijke menselijke geest, maar die ontbeerde de samenwerking met de Geest uit God, zodat weerspanni­ge geesten uit het rijk van Satan kan­sen kregen. Vooral de vrome varian­ten daarvan hadden nagenoeg vrij spel.

Ook in onze dagen kun je dat tegen­komen. We leven immers nog steeds aan het einde van de tijd, want die is bij de hemelvaart van onze Heer begonnen en zal voortduren tot aan de voleinding van de wereld. Mensen die de volle boodschap verstandelijk kennen, maar weigeren vanuit hun hart daarmee bezig te zijn, zullen een serieuze kans lopen van de cate­gorie scheurmakers deel uit te gaan maken.

Satan scheurt…

Satan schept er een sadistisch beha­gen in de gemeente Gods keer op keer te scheuren. Daar schijnt werke­lijk geen einde aan te komen; het lijkt af en toe wel op een repeterende breuk! En natuurlijk zwelgt de duivel in allerhande ongeestelijke scheidin­gen en splitsingen, maar toch is het grootste kwaad niet eens daarin gele­gen. De liefdeloosheid en de wette­loosheid komt veelal in een veel vroe­ger stadium naar voren: daar waar de waarheden uit Gods boodschap geweld worden aangedaan. De basis voor een uit elkaar gaan is vaak jaren daarvoor gelegd, waar men de verwerking van goddelijk heil tot stilstand heeft gebracht, de gezonde ontwikkelingen binnen het lichaam van Christus worden soms op subtiele wijze op een laag pitje gezet. Je moet het vooral niet over het leven met Christus Jezus in jouw hemel hebben, want dat kan op nogal wat weerstand in de gemeente stuiten! Soms uit regelrechte weer­spannigheid, maar veel vaker ont­staan uit onbegrip en onkunde. Je kunt dan de horen krijgen: ‘Wat ver­beeld je je eigenlijk wel? Denk je dat je er een privéhemel op na kan hou­den?’

Satan scheurt de gemeente Gods altijd in het denken van de gemeen­teleden. Wie er dan uiteindelijk de gemeente zullen verlaten, de getrou­wen aan het woord van God of juist degenen die ontrouw geworden zijn, speelt geen rol van betekenis. Satan is het om het scheuren te doen; wie er aan welke kant van de breuk ver­keren zal, is hem om het even. Daarom is het doorgaans een tot mislukken gedoemde bezigheid, wanneer pas in het laatste stadium getracht wordt de kudde alsnog bij elkaar te houden.

Onderken de scheuringsgeest!

Hoe kun je op een vroeg tijdstip de geest van scheuring onderscheiden? Door de gave van het onderscheiden van geesten vrijmoedig te hanteren. En wat kom je dan zoal tegen (alom in den lande)? Allereerst natuurlijk mensen die geleid worden door weerspannige geesten. Zij plegen daardoor verzet tegen de van Godswege aangestelde, goed functio­nerende gemeenteleiding. Een betreurenswaardige zaak! Maar gemeenteleiders staan natuur­lijk net zo goed bloot aan aanvallen van de geest van weerspannigheid. Wanneer zij hun taak niet naar beho­ren behartigen, door uit te zijn op eigen aanzien of op acceptatie van hun gemeente in de christelijke wereld rondom, verliezen zij de aard van hun Goddelijke mandaat uit het oog. Zo kan het gebeuren dat zelfs gemeenten waarbij de boodschap van bevrijding en herstel (en de daar­bij behorende strijd in de hemelse gewesten) nooit ter discussie gestaan heeft, toch jammerlijk genoeg uit elkaar vallen.

In een vroeg stadium zijn rebelleren­de gemeenteleden, of van hun machtspositie misbruik makende gemeenteleiders, wellicht nog wel te helpen. Want onze God heeft hun behoud op het oog. Niet alleen hun persoonlijk eeuwig welzijn, maar even goed ook hun behoud voor het werk aangaande Zijn Koninkrijk. Waar de geest van weerspannigheid eenmaal vaste grond onder de voeten gekregen heeft, zal hij zich des te moeilijker nog laten verdrijven.

Garantie door Gods Geest

Wie maken er scheuringen? Judas schrijft: “mensen die de Geest niet hebben”! En wie zijn dat? Lieden die de Geestesdoop (nog) niet hebben ondergaan of die daar misschien zelfs wel tegenstanders van zijn? Dat zou ik op voorhand zo niet durven zeggen. Voor velen gaat dat helemaal niet op: zij hebben de doop in  de

Geest wel degelijk ervaren maar ^fcen ze ook uit dezelfde Geest? Is datgene wat onze God hun door Zijn Geest aanreikt bepalend voor hun leven, of stellen ze zélf hun geestelij­ke normen vast?

In de praktijk zullen ze dat dan tóch doen onder leiding van een geestelij­ke werking. Maar dan is het een reli­gieuze macht, die veelal eigenzinnig is en daardoor ook op weerspannige wijze bezig zal zijn. Die weerspannigheid uit zich in een zich openstellen tegenover de bood­schap van Christus Jezus en een daaruit voortvloeiende afwijzing en verwerping van een ieder die zijn of haar geestelijke roeping getrouw wil blijven. “Natuurlijke mensen die de ^«Jeest niet hebben”, zijn derhalve vaak mensen die de Geest niet trouw gebleven zijn. Bij continuering van deze ontrouw, rest hun niet anders dan een natuurlijke levensinvulling. Goddelijke garantie van een goed geestelijk functioneren is slechts dan te geven als een mens zich volkomen richt op Gods aanwijzingen voor z’n leven. Jezus Christus geeft die. En Hij doet dat door de werking van Gods Geest in mensenlevens. Dat voorkomt ook dat Satan de spot kan gaan drijven met het werk van God in Zijn mensen. Want dat is Satans doel met al die scheuringen: voorko­men dat het plan van God in men­senlevens gestalte krijgen zal.

Goddeloze begeerten

Zijn goddeloze begeerten persé din­gen die in het licht van wettische geesten de toets der kritiek niet kun­nen weerstaan? Zullen die dus bij uitstek te vinden zijn in het genieten van datgene wat vanuit de calvinisti­sche traditie wereldgelijkvormig is? Heeft de jongere die niet meer uit­gaat daarmee de wereld overwon­nen? En hebben de ouders die geen voet meer in de bioscoop zetten en het televisietoestel met het grof vuil meegegeven hebben, op grond daar­van een geestelijk aureool om hun hoofden gekregen? We kunnen wel beter weten, denk ik. Aan goddeloze begeerten wordt vee­leer toegegeven door een ongeestelijk denken van de zich geestelijk achten­de mens. En zulk ongeestelijk den­ken wordt niet in de hand gewerkt door het lidmaatschap van een ont­spanningsvereniging, het zich inzet­ten in vrijwilligerswerk of het volgen van een televisieprogramma…, alles­behalve! Ongeestelijk denken kan infiltreren in de volle boodschap als iemand die naar z’n hand wil zetten, als er sprake is van misbruik om eigen aanzien in de gemeente te ver­krijgen of om een gevestigde positie veilig te stellen.

De Geest hebben!

Zullen we ons niet veel liever uits­trekken naar de volheid van Gods Geest, zoals de HERE God die bedoeld heeft voor een ieder die in de Christus is? We mogen ons immers als geestelijke mensen (op grond van Gods genade) uitstrekken naar heling op verschillende gebie­den. Heling van de mens Gods staat in het plan van God hoog in het vaandel geschreven. Maar heling van het gescheurde behoort stellig ook tot de mogelijkheden, zijnde heling en herstel voor het lichaam van Christus.

Daarvoor is echter wel het één en ander nodig. Onze begeerte zal goed gericht moeten zijn. We zullen geen goddeloze begeerten meer koesteren, maar godvruchtige! Ons begeren zal zijn met Jezus te verkeren, zoals we vroeger in een oud lied wel zongen. Waar je dan bent doet er minder toe, van veel meer belang is wat je bent! Zit je met een natuurlijk verlangen naar (meer) macht in de gemeente in de Bijbel te studeren, of ben je met de liefde van de Here Jezus diep in je hart, druk doende je kinderen een leuke dag te bezorgen? Het is maar een voorbeeld natuurlijk. Want vanzelfsprekend kun je ondanks verkeerde verlangens goed voor je kinderen zijn, en ook is het heel goed mogelijk vanuit een rein hart met het woord van onze God bezig te zijn. Ik wil hier alleen maar mee aantonen dat het minder uit­maakt wat je doét en meer wat je bént. Iemand met een job in de wereld die echter naar de stem van God luistert, is zeker te verkiezen boven een fulltimer in de gemeente die op zijn strepen staat. Want de één rekent met God en de ander is gericht op eigen besognes. Hoeveel te zegenrijker zal het zijn als er gemeenteleiding is met een op de Heer gerichte geestelijke antenne. Want als de gemeente óók zo doende is, zul je elkaar kunnen bemoedigen, ondersteunen en verrijken tot Gods glorie.

 

Mijn verlangen (gedicht) door Piet Snaphaan

“Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, O Here, mijn rots en mijn verlosser”. (Ps. 019:015).

 

Heer, mijn Heiland en Verlosser,

ook dit is ’t geen wat ik begeer,

om samen met U in dit leven

steeds heilzaam overleg te plegen,

zodat Uw wil geschiede, Heer.

 

Bestendig zie ik U voor ogen,

U mijn Heiland en mijn Rots,

hart en mond wil ‘k aan U geven

om voor U te mogen leven,

vol te zijn van woorden Gods.

 

Woorden, door Uw Geest gelouterd,

mogen spreken tot Uw eer,

en dat ze steeds weer door mijn leven

voor velen mogen zijn tot zegen,

dat is ook mijn bede telkens weer.

 

Religieus entertainment door Jildert de Boer

 

Voor zover ik kan waarnemen gaat er een golf van vervaging van evan­gelische waarden over ons land. De mensen zijn nog te porren voor aller­lei religieuze muziek, maar het meeste daarvan is ingebed in een grote dosis oppervlakkigheid. Godsdienstig amusement scoort hoog op de evangelische agenda. Het lijkt erop dat velen zich graag laten bezighouden met religieus entertain­ment. Op grote conferenties kan er gehost en geswingd worden en niet weinigen gedijen blijkbaar in de uiterlijke evangelische saus. De diepte van een leven dat zich ver­lustigt in de woorden van God en in gebed is teloor gegaan, zo het er bij sommigen al ooit geweest is. Uiterlijke show met dans, vlaggen en slingers boeit de mensen nog. Niet dat dit alles op zichzelf geno­men zo’n kwaad kan, maar het voegt ook niets wezenlijks toe. Men ver­maakt zich in een godsdienst van de zichtbare wereld.

Wat God zoekt

Onze God zoekt echter aanbidders in geest en waarheid en Hij is een beloner voor wie Hem ernstig zoeken (Joh. 04:23-24; Heb. 11:06). De opbouw van de innerlijke mens komt danig tekort, omdat het met de wezenlijke interesse in Bijbels onderwijs vaak mager gesteld is. Het tekort aan voedsel voor de inwendige mens moet dan opgevuld worden met een heleboel uiterlijk vertoon in muziek en moderne expressievor­men. Het gebrek aan Gods Woord wordt gemaskeerd met luchtige lof­prijzing. Hebben wij aan onze jeugd niets beters te bieden dan oppervlak­kige prais-meetings? Kunnen wij onze jeugd blootstellen aan muziek, die in uiterlijke entourage nauwelijk verschilt van wereldse popmuziek? Is dat dan het middel om de jeugd te trekken? Met een dergelijke gevoels­matige en lichtzinnige benadering komen onze jonge mensen niet ver­der. Het evangelie van het Koninkrijk biedt ons schitterende perspektieven. In het Woord van God zit levenskracht! De Geest van God geeft ons pit, elan en bezieling, zodat we geen oubollige mensen worden, maar geladen christenen, die het Woord uitleven in daadwer­kelijke gehoorzaamheid. Muziek en zang geven daarbij een heerlijke ondersteuning zonder de boventoon te voeren. Wereldse leuzen als uit je dak of bol gaan, passen helemaal niet in het klimaat van het Koninkrijk Gods. Onze lofprijzing en aanbidding zal betekenis hebben, in plaats van een gemis aan geestelij­ke inhoud te verbloemen door mid­del van gevoelige of luidruchtige lie­deren met weinig tekst.

De ware lofprijs

Ware lofprijs welt op uit de verbor­gen mens van je hart en mag zich naar buiten uiten. De innerlijke mens is daarbij gericht op de onzien­lijke wereld. Naast liederen die tot God gericht zijn en die ervan spreken wat Hij allemaal gedaan heeft, zijn er zeker meer liederen nodig, die een oproep doen en een aansporing geven voor ons leven. Dat gaat veel verder dan een goedkope rap als: ‘”t Geeft je een kick, ’t is ontzettend ‘cool’. Met Jezus beleef je een heleboel!” Een appèl tot geloofsgehoorzaamheid en een stimulans tot het volgen van Jezus op de smalle weg ontbreken meestal.

De opwekkingsliederen dienen getoetst te wor­den en dan merk je -naast veel goeds- ook eenzij­digheid en een oppervlakkige blijdschap, zonder ernst te maken met de weg van gehoorzaam­heid.

We hebben aanscherping nodig, niet een valse, religieuze vrijheid, die onze jonge mensen geen steek vooruit helpt op hun weg na de doop in de heilige Geest. Vernieuwing van denken van bin­nenuit geeft blijvende invloed op leven en han­delen. Zoete gevoelens en de sfeer van een mas­sabijeenkomst houden geen stand.

Wat werkelijk nodig is

Ons dagelijks leven heeft ‘spirit’ nodig, om de goede strijd van het geloof te strijden! De mach­ten der duisternis doen wat ze kunnen, om de christen die werkelijk in de hemelse gewesten wil funktioneren af te leiden tot een overmatige aandacht voor allerlei ’toeters en bellen’ in de zichtbare wereld. Merk op dat het Woord van God daarbij altijd naar de achtergrond ver­schuift.

Aan ons de opdracht om gegrepen te blijven van de ons toevertrouwde geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen en een praktische wan­del die daarmee overeenstemt. Of zijn we soms zelf ten prooi gevallen aan verstarring of geza­pigheid, waarbij ons leven maar zo’n beetje voortkabbelt? Laten we onze visie niet laten ver­troebelen door een groot evangelisch Babylon, waar van alles van de tijd- en wereldgeest er maar mee door kan.

Het is geweldig om jeugd te zien groeien in het geloof. Het is ontzettend mooi als zij daarvan ook vrijmoedig getuigenis afleggen in en buiten de gemeente! Laten wij bouwen aan en opleiden tot een hechte fundering in het Woord van het opgroeiende geslacht. Wees evenwel op uw hoede voor de vrome saus van een amusements­evangelie, dat het gevoelsleven tijdelijk bevredigt, maar levens niet wezenlijk verandert. Daarom geen vage boodschap, maar klare, Bijbelse taal luidt het parool!

 

Wonderen en tekenen door Hans Bulthuis

Toen God door Jezus Christus omzag naar onze kapotte wereld, brak er een geheel nieuwe situatie aan: het Koninkrijk van God kwam nabij. Dat betekende dat de bovenna­tuurlijke wereld van God door zijn Zoon tot ons werd gebracht en voor ieder mens bereikbaar was gewor­den. Dit Koninkrijk bestaat echter niet in woorden, maar in kracht (1 Kor. 04:20). Vandaar dat er in de ont­moeting van mensen met Jezus altijd iets gebeurde. Het bleef nooit bij woorden alleen. Zijn woorden waren -en zijn dat uiteraard nog steeds- vol goddelijke kracht en de Heilige Geest was en is een geest van kracht. Beide vormen een onverbrekelijke eenheid. Jezus’ woorden zijn geest en leven, en daarbij was Hijzelf gezalfd met de Heilige Geest en met kracht (Joh. 06:63b; Hand. 10:38a). Woord en Geest gingen bij de Heer hand in hand en deden hun zegenrijk werk in hen die geloofden. Petrus is destijds ooggetuige geweest van de majesteit van Jezus, toen Hij rondging, goeddoende en genezende allen die door de duivel waren over­weldigd. Hij was immers gekomen om de werken van de duivel te ver­breken en de mens uit diens ver­woestende klauwen weg te halen. Door het woord èn de kracht van God redde Hij de mens uit de macht der duisternis en zond hem vrij en geheeld weer terug het leven in. Daarom kon deze apostel vrijmoedig de kracht en de komst van Jezus Christus verkondigen.

Onze Heer was en is de belichaming van de wijsheid en de kracht Gods (1 Kor. 01:24b). Zijn eeuwig evangelie is een boodschap van goddelijke kracht tot behoud van de totale mens naar lichaam, ziel en geest (Rom. 01:16). Het is voor ons christenen van groot belang deze Jezus der Schriften en dit Koninkrijk van God te leren ken­nen en te gaan belijden. Wij mogen op geen enkele wijze daar iets van afdoen of aan toevoegen wat de bij­bel niet getuigt. Daarbij zal ook ons geloof niet mogen rusten op allerlei theologische wijsheden van mensen, maar op de kracht van de levende God (1 Kor. 02:05).

Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid (Heb. 13:08). Hijzelfheeft ons voorge­houden in Hem te geloven ‘gelijk de Schrift zegt’. Met Paulus zeggen wij dan ook, dat wij deze Christus willen leren kennen èn de kracht van zijn opstanding (Filip. 03:10a). Met het gebed van onze Heer bidden wij dat zijn Koninkrijk èn zijn kracht èn zijn heerlijkheid spoedig moge komen.

Jezus

Het is opmerkelijk wat Jezus over Zichzelf zegt als Johannes de Doper via zijn vrienden naar Hem laat vra­gen. Hij geeft geen uitvoerige uiteen­zetting van leerstukken, maar getuigt van zijn woorden èn krachtwerken: “Boodschapt wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gerei­nigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie” (Matt. 11:05). Aan Herodes laat Hij overbrengen dat Hij “boze geesten uitdrijft en genezin­gen volbrengt” (Luc. 13:32). Petrus beschrijft Jezus in zijn eerste toepraak als “een man u van Godswege aangewezen door krach­ten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden verricht heeft” (Hand. 02:22). Eenzelfde aan­duiding geeft hij later in het bekende Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38). Lucas opent dit boek met de woorden “over al wat Jezus begonnen is te doen en te leren” (vs. 1). Hij heeft naast het leren en prediken zeer veel ‘gedaan’. De gehele schare trachtte Hem steeds weer aan te raken, omdat er irf-acht van Hem uitging en Hij allen genas (Luc. 06:19).

Van de beschreven wonderen vallen de genezingen het meest op. Van heinde en verre kwamen de zieken tot Hem, en Hij wees niemand af. Bij zijn verkondiging van het Koninkrijk genas Hij ‘alle ziekte en alle kwaal’ onder het volk (Matt. 04:23 en Matt. 09:35). Toen men dat zag, bracht men allen die ernstig ongesteld waren, die gekweld werden door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden tot Hem, en… Hij genas hen! Als Hij de lijdende schare zag, werd Hij met innerlijke ontferming over bewogen en genas hun ziekten (Matt. 14:14). Er waren bijeenkom­sten waar alleen maar genezen werd: En vele scharen kwamen bij Hem, die lammen, kreupelen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden, en zij legden die aan zijn voeten neer, en Hij genas hen” (Matt. 15:30-31). Het liep erop uit dat het volk de God van Israël ver­heerlijkte. Meestal echter gingen de wonderen gepaard met de woordver­kondiging. De bijbel vermeldt dat de schare Jezus opzocht “om Hem te horen èn zich te laten genezen van hun ziekten” (Luc. 05:15-17 en Luc. 06:18 en Luc. 09:11). Zo vervulde Jezus het profetische woord van Jesaja, toen hij voorzegde dat de knecht des Heren onze zwak­heden op Zich zou nemen en onze ziekten zou dragen (Matt. 08:17). Hieruit blijkt dat het Koninkrijk Gods nabij ons is gekomen. Een Koninkrijk in woord en in kracht. Naast bevrijdingen van boze geesten en genezingen heeft Jezus nog vele andere wonderen en tekenen ver­richt. De bijbel verhaalt over twee wonderbare spijzigingen van duizen­den, over het lopen op water, over het maken van water tot wijn, over belastinggeld uit een vissebek, over het stillen van storm en golven, etc. Johannes schrijft, dat, indien de vele andere dingen die Jezus gedaan heeft één voor één beschreven zou­den worden, de wereld zelf de boe­ken daarover niet zou kunnen bevat­ten (Joh. 21:25). Jezus leefde in de wereld van God, zijn Vader. Dat is een wereld van het goddelijk boven­natuurlijke. Een wereld van wonde­ren en krachten Gods, en dat alles tot heil van de mensheid. Ook tot heil van u en mij.

De apostelen

De bovennatuurlijke werkingen van Gods Koninkrijk bleven evenwel niet alleen beperkt tot Jezus’ eigen bedie­ning en werk. Al spoedig instrueerde Hij zijn discipelen, eerst de twaal­ven, daarna de tweeënzeventig bijvoorbeeld Lucas 9 vers 1 en 2 en Lucas 10 vers 1 tot en met 9 (Luc. 09:01-02 en Luc. 10:01-09). Zelfs waren er al die op eigen houtje aan de slag gingen, volgens Markus 9 vers 38 tot en met 40 (Mark. 09:38-40). Jezus stemde daarmee in. Zijn eigen discipelen gaf Hij de opdracht: “Gaat en predikt dat het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest zieken, wekt doden op, rei­nigt melaatsen, drijft boze geesten uit” (Matt. 10:07-08). De tweeënzeven­tig droeg Hij op om eerst de zieken die er zijn te genezen en daarna tot hen te zeggen dat het Koninkrijk Gods nabij is gekomen (Luc. 10:09). Zijn volgelingen zijn toen op pad gegaan om te prediken en tevens de zieken te genezen en de boze gees­ten uit te drijven (Mark. 06:13 Mark. 06:30). Steeds weer dat gelijk opgaan van woord èn kracht, van leer èn daad, van onderricht èn werk. Het wonder is inclusief, normaal, erbij behorend. Dit is toch begrijpelijk. Hoe te spre­ken over redding, heling en volma­king zonder de daad bij dat woord te voegen? Weest daders des woords, schrijft Jacobus. Dat heeft Jezus ons als voorbeeld nagelaten. Zijn werk is aan zijn discipelen van toen niet tevergeefs geweest. Na de eerste Pinksterdag, toen zij vervuld waren met heilige Geest en met kracht uit de hoge, zetten zij het werk voort. Vanuit de hemel werkte de verrezen en verheerlijkte Heer met hen mee door het evangelie­woord te bevestigen met wonderen en tekenen (Mark. 16:20). In het bijbelboek Handelingen der Apostelen lezen we het verslag daar­van: “Vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen (Hand. 02:43); door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonde­ren onder het volk (Hand. 05:12); de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mee, en zij werden allen genezen (Hand. 05:15-16); en Stefanus deed wonderen en grote tekenen onder het volk (Hand. 6:8); en vele verlamden en kreupe­len werden genezen (Hand. 08:07); vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Heer die getuigenis gaf aan het woord zij­ner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden (Hand. 14:03); zij hoorden Paulus en Barnabas verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had (Hand. 15:12); toen kwamen ook de anderen op het eiland die ziekten hadden en werden genezen (Hand. 28:08-09)”. Voor hun werk baden de discipelen juist om die werkingen van kracht: “Geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonde­ren geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus (Hand. 04:30). En God verhoorde hun gebed, want zijn Koninkrijk bestaat in kracht en komt met kracht (Mark. 09:01)”.

Zo zijn de eerste gemeenten van de vroeg-christelijke kerk getuigen geweest van de majesteit van Jezus. Zij hebben de krachten van de toeko­mende eeuw gesmaakt naar de wil van de goede God (Heb. 06:05b). Ja, zijn bedoeling was, is en blijft, dat alle gelovigen daarin zullen participe­ren. Als tekenen zullen zij in zijn naam boze geesten uitdrijven en op zieken de handen leggen, en zij zul­len genezen worden (Mark. 16:15-20). Hierin klinkt de belofte en de opdracht van Jezus door, toen Hij sprak dat zijn volgelingen zijn wer­ken zouden doen en grotere (Joh. 14:12).

Noodzaak

Waartoe toch die wonderen en teke­nen? Wel, uit het voorafgaande zal duidelijk zijn dat het gewoon niet anders kan dan met zulke bovenna­tuurlijke manifestaties en gevolgen. Nogmaals: het Koninkrijk van God bestaat in kracht. Waar dat Koninkrijk in geloof en met visie gepredikt wordt, werkt Gods kracht. Een evangelie zonder die goddelijke krachten is geen evangelie. Paulus schrijft aan de gelovige Romeinen dat hij de heidenen tot gehoorzaam­heid des geloofs gebracht had door woord en daad, door kracht van teke­nen en wonderen, door de kracht des Geestes (Rom. 15:18-19). Aan de Tessalonicenzen schrijft hij, dat zijn evangelieprediking niet slechts in woorden tot hen gekomen was, maar ook in kracht en in de Heilige Geest en in grote volheid (1 Thess. 01:05). Dat alles had Christus door hem heen bewerkt (Rom. 15:18-19). Wie wil die nog steeds werkende en onverander­de Christus keren? Hij is vol barm­hartigheid en ontferming over ieder mens, in het bijzonder over de lij­dende mens.

Wonderen en tekenen in dat licht bezien, zijn dus nodig om de zieke mens te genezen, om de door boze geesten gebonden of bezeten mens te bevrijden. Daardoor komt die mens tot zijn herstel naar lichaam, ziel en geest, zoals beloofd is (bijv. 1 Thess. 05:23). De Heer wil dit nog steeds doen (1 Thess. 05:24). En… het is broodnodig, want er zijn nog zo veel zieken en gebondenen in Gods volk. Die nood is groot. Wie zou daar onberoerd aan voorbij kunnen gaan? Wie zou ‘aan de overkant’ voorbij durven gaan met de mond vol over het evangelie (Luc. 10:31-32)? Alleen al voor deze nood wordt het hoog tijd dat heel Gods volk meer dan ooit tevoren er ernst mee maakt om als ‘één man’ de bijbelse weg te gaan in het verrichten van Jezus’ werken. Het is niet voor niets dat Paulus in de eerste brief aan de Korintiërs schrijft over gaven van genezingen, gaven van werking van krachten, e.d. Voor Jacobus is het de gewoonste zaak van de (christelijke en gemeentelijke) wereld om de zie­ken in de gemeente te genezen. Men bestudere eens goed Jakobus 5 vers 14 tot en met 18 (Jak. 05:14-18).

Wonderen en tekenen werken voor sommigen ook mee om tot geloof te komen. En dat mag van Jezus. Hij zegt er Zelf van in Johannes 4 vers 48 (Joh. 04:48: “Indien gijlieden geen tekenen en wonderen ziet, zult gij niet gelo­ven”. Opmerkelijk is dat Hij hen daarover niet vermanend toespreekt en hen niet voorhoudt om zonder zulke krachten te geloven. Neen, hij geneest meteen door zijn woorden (Joh. 04:50a) de zieke zoon van de hove­ling. Jezus doet juist openlijk teke­nen en wonderen, opdat zij die dit nodig hebben, tot geloof gaan komen.

Hieruit blijkt weer eens zijn onuitsprekelijke liefde, waardoor Hij Zich met alle legale middelen inzet om de mens te redden en terecht te bren­gen. Het zal duidelijk zijn dat wie van ons al gelooft, de tekenen niet meer nodig heeft om tot geloof te komen. Voor verdergaand geloof zijn ze voor de meeste christenen wel nodig. De manifestatie en werking van de kracht Gods bouwt juist op en stimuleert geweldig. Het prikkelt mede om te blijven geloven.

Ook vandaag?

Ja, ook voor vandaag is de Heer, zijn evangelie en zijn opdracht niet ver­anderd. Hij wil nog steeds door mid del van zijn lichaam, de gemeente werken en helen, opbouwen en vol­maken. In dit verband zijn twee uit­spraken uit het evangelie van groot belang. De eerste is te lezen in Galaten 5 vers 3a (Gal. 05:03a): “Die u de Geest schenkt en krachten onder u werkt”. Deze opmerking van Paulus staat in de tegenwoordige tijd. De gemeen­ten in Galatië waren jaren voor het schrijven van zijn brief door hem gesticht. Dat was gepaard gegaan met wonderen en tekenen (Hand. 14:01-03). Men zou kunnen denken dat hij daarop doelt, maar dan zou het in de verleden tijd moeten worden

gesteld. De apostel wijst evenwel op iets anders. Nog steeds, bij voort- duur, werkt de Heer op bovenna­tuurlijke wijze mee in die gemeen­ten. Met andere woorden: wonderen zijn niet alleen voor vroeger, maar eveneens voor vandaag! Dit stemt geheel overeen met Hebreeen 2 vers 4 (Heb. 02:04), de tweede belangrijke uitspraak over ons onder­werp: “Terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en won­deren en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar zijn wil”. Het woord ‘daaraan’ wijst terug naar het heil en de verkondiging genoemd in vers 3. Ook hier dus geschreven in de tegenwoordige tijd. God blijft meewerken, getuigenis geven en bevestigen. Halleluja! Wij dienen ons er vol geloof op in te stel­len.

Bij de opkomst van het evangelie van het Koninkrijk Gods in de jaren zestig hebben velen dit reeds erva­ren. Er werd daarom snel afgerekend met de overoude beweringen dat wonderen en dergelijke alleen voor vroeger tijd golden en voor later, eens in de verre toekomst. Iedere keer echter is het ‘nu’ de dag des heils. Het is een eeuwig evangelie, tijdloos.

Wat zou de Heer kansen krijgen om op bovennatuurlijke wijze mee te mogen en kunnen werken in ons midden, indien wij ons er meer en duidelijker dan tot nu toe voor gin­gen openen. Gebeurt dit dan niet meer in ons midden? Jezeker, maar nog te weinig. Ook bij ons heeft de duivel kans gezien om het sprookje te verkopen, dat krachten en gene­zingen, wonderen en tekenen en allerlei werkingen van de Geest niet meer nodig zouden zijn. Waar deze dingen wel eens voorkomen, wordt snel door de critici in onze kring het woord ‘occult’ in de mond genomen. Hoe wordt op deze veroordelende wijze de Heilige Geest verdriet aan­gedaan en geblust.

De kracht van Jezus

Paulus wees er tweeduizend jaar geleden al op, dat er in de laatste dagen mensen zullen komen die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochenen (2 Tim. 03:01-05). Hieraan willen wij niet meedoen. Toen Jezus van Zichzelf getuigde dat Hij met krachtwerken het evangelie bracht, eindigde Hij met de ontroe­rende woorden: “Zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt” (Matt. 11:06). Wij mogen de Heer niet veranderen noch zijn kracht ontkennen. Hij is immers gekomen om leven en over­vloed te schenken. Hij is en blijft ook vandaag voor zijn volk de wijsheid èn de kracht Gods. Als wij in onze gemeenten samenkomen zal dat zijn ‘met de kracht van onze Here Jezus’, en niet langer meer zonder deze (1 Kor. 05:04). Dit is goddelijk normaal. Daarbij zij het verre van ons dat dit iets te maken zou hebben met spek­takel of uiterlijk vertoon. Het gaat om de daadwerkelijke hulpverlening aan de lijdende mens, een stimulans voor ongelovigen, de handhaving van het eigenlijke evangelie Gods en om de lof van zijn heerlijkheid bij de hei­ligen.

Broeder en zuster, Jezus is gelukkig dezelfde en wil Zich met grote kracht en volheid in ons midden gaan betonen. Hij staat achter zijn eigen evangelie met zijn heerlijkheid en macht. Het is het evangelie van het bovennatuurlijke. Voor hen die in Christus zijn geldt toch, dat God hen met zijn goddelijke kracht heeft begiftigd met alles wat tot leven en godsvrucht strekt. Daardoor zijn zij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat… zij deel zouden hebben aan de goddelijke natuur (2 Petr. 01:03-04). Waar de invloed en de werkingen daarvan ontbreken, zullen wij ons opnieuw dienen te bezinnen op het oorspronkelijke, het door God bedoelde. Hij is een God die sterkte en volheid van kracht verleent aan zijn volk (Ps. 068:036). In Openbaring 7 vers 16 en 17 (Openb. 07:16-17) wor­den de zegenrijke gevolgen van gemeentezijn in volheid en kracht, in woord en daad genoemd. Dit is waarheid en leven. Dit is onze weg. Gaat u mee? Zoekt ook u, strijdt en bidt ook u, streeft ook u naar de openbaring van zijn heerlijkheid? De Heer zal het ons doen gelukken en Zich aan allen die zijn (onverander­de) verschijning liefhebben, zeer zeker openbaren in al zijn kracht.

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet…, maar zonder geloof is het onmogelijk Hem welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ern­stig zoeken” (Heb. 11:1 en Heb. 11:06).

Relishoppen, de nieuwe trend

Tot de talrijke nieuwe woorden die in onze dagen opgang maken behoort ook het woord: ‘relishop­pen’. In het HN-magazine, lazen we erover in een verslag over een ronde­tafelgesprek tussen jongeren, welke werd gehouden in La Comedy aan het Janskerkhof te Utrecht. Alexander Mooren (24) die ontwikke­lingsstudies doet aan de universiteit van Nijmegen noemt zich ‘relishop- per’. Hij vindt één kerk te beperkt en sprokkelt bij verschillende religies zijn levensbeschouwing bij elkaar. Bij het relishoppen kijkt hij wat er in de aanbieding is: “Holisme is inte­ressant, daar valt bijna alles onder. Ik ben vorig jaar met een vriend naar het Hare Krishnaklooster Radhadeh in Le Petit Somme, België, geweest. Heb daar met veel mensen gepraat. Het leven daar in een Hare Krishnaklooster beviel me uiteinde­lijk niet”. Niet alles past blijkbaar in zijn relimenu, konstateert de schrij­ver van het artikel Reindert Brengers.

Op de vraag hoe je relishopper wordt is zijn antwoord: “Moeilijk uit te leg­gen. Door brede interesse. Ik ben niet iemand die op één punt kan blij­ven hangen. Ik zou kunnen zeggen: ‘De kerk dat is het’. Maar er zijn ook honderden mensen die geloven in boeddhisme of hindoeïsme. Waarom zouden die mensen ongelijk heb­ben? Dan ga ik op zoek naar de waarheid, en mijn eindconclusie is, dat die niet bestaat”. Erica Euving (31) stelt hem daarop de vraag: “Denk je dat ik een waarheid heb?” (Erica werkt bij het instituut Kerk en Wereld te Driebergen en wordt door het blad een ‘geseculari­seerd christen’ genoemd). Het antwoord van Alexander is: “Nee, niet één vaste waarheid”. Hij is na het lezen van filosofische boeken tot de conclusie gekomen dat ieder­een zijn eigen waarheid schept: “Je kunt er niet onderuit pragmatisch rond te lopen en overal wat van mee te pikken”.

De werkelijke waarheid

Jammer dat Alexander dé waarheid nog niet ontdekt heeft, zoals die in de Bijbel naar voren komt. Wannee’ Jezus zegt: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14:06) wordt daarmee iedere andere ‘waarheid’ van ondergeschikt belang. Immers Jezus sprak niet alleen over de waar­heid, maar bracht deze ook in prak­tijk. Door te openbaren dat de wil van God ‘het goede, welgevallige en volkomene’ is, zoals Paulus dat for­muleert in zijn brief aan de Romeinen, wordt daarmee iedere andere ‘waarheid’, zoals andere godsdiensten die pretenderen te bezitten, teniet gedaan. Daarvoor is echter wel de ervaring van ‘bekering en wedergeboorte’ noodzakelijk. Pas wanneer men het rijk der duisternis heeft verlaten en het Koninkrijk van de levende God is binnengegaan, gaat men ontdekken en beleven wat het betekent een nieuwe schepping in Christus te zijn.

In de jongerendiscussie , zoals deze in Utrecht plaatsvond, werd welis­waar ook over ervaringen gesproken, maar opvallend was dat juist déze ervaring niet aan de orde kwam. Zolang men blijft relishoppen, dat wil zeggen blijft zoeken naar wat er leeft in andere godsdiensten, en meent dat overal een deel van de waarheid te vinden is, vist men ach­ter het net, ook al is men er nog zo st van overtuigd op de juiste wijze bezig te zijn.

Wie de werkelijke waarheid, zoals Christus die openbaarde, leert ken­nen gaat iedere dag meer onder­scheiden wat echt is en wat surrogaat is. Door de totale vernieuwing, die in het leven van een waarachtig chris­ten heeft plaatsgevonden, wordt deze zich ook meer en meer bewust van de belangrijke opdracht het nieuwe schepping zijn door woord en daad tot openbaring te brengen. Het is de Geest van God die dat in en door ons wil bewerken.

Schuldig of schuldloos?

De zogenaamde leer van de uitver­kiezing of voorbeschikking heeft in de loop der jaren al heel wat onheil teweeg gebracht. Deze leer (ook wel predestinatieleer genoemd), wordt vooral in zwaar-orthodoxe kringen nog verkondigd en houdt in dat wie door God uitverkoren is, behouden wordt, maar wie door God niet uit­verkoren is, gaat verloren. Ik moest er nog weer eens aan den­ken toen ik in het weekblad ‘HP-de Tijd’ een artikel las getiteld: ‘De zon­deval van een domineeszoon’. Daarbij gaat het over de zoon van een predikant die behoorde bij de Gereformeerde Bond in de Hervormde kerk. De nu 72-jarige schrijver Jean Schalekamp heeft een autobiografie over zijn leven geschreven.

In een interview met Owin Schneeweisz van genoemd blad ver­telt hij hoe hij in dit milieu is opge­groeid en hoe zijn leven tot dusver verlopen is. Aan het slot van het interview merkt Schalekamp op: “Ik draag nog altijd de sporen van een calvinistische jeugd met me mee. Als ik me niet schuldig voel, voel ik me schuldig omdat ik me niet schuldig voel…”

De schuld heeft zich dan dermate vastgezet in zo’n persoon, dat die er altijd en onder alle omstandigheden blijft zitten. Tenzij, door aanvaarding van het nieuwe leven van Christus, men wedergeboren wordt. Maar dit is nu juist het grote probleem. Als men niet gelooft uitverkoren te zijn kan men dit niet aanvaarden.

Een grote leugen

Het spreekt vanzelf dat dit één van de grootste leugens uit het rijk der duisternis is. Terwijl Jezus zelf sprak: “Alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een eider, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe” (Joh. 03:16), en Paulus zei dat “de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen” (Titus 02:11), en Petrus naar voren bracht dat “God niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” (2 Petr. 03:9), baseert men zich op andere teksten en de twijfel en het ongeloof slaan toe. Dikwijls spelen ook machten uit het voorge­slacht hierbij een rol. Mensen die niet geloven dat in Christus alle mensen uitverkoren zijn, zijn vergiftigd in hun denken door verkeerde geesten, waarbij maar één remedie is: bevrijding in de naam van Jezus. Want gelukkig is het niet zo dat iedereen die op nega­tieve wijze gelooft in de uitverkie­zing, definitief niet meer bereikbaar zou zijn voor het evangelie. Talrijk zijn de voorbeelden dat mensen, ook uit zwaar-orthodoxe kringen, tot geloof en bevrijding komen. Zij heb­ben zich laten overtuigen door de heilige Geest en deze is nog altijd vele malen sterker dan welke geest uit het rijk der duisternis ook. Daarom maken waarachtige christe­nen ook geen uitzondering als zij het evangelie door woord en daad open­baren en proklameren aan iedereen dat Jezus onze zonde en schuld gedragen heeft en dat wij voortaan schuldloos door het leven kunnen gaan.

Tongentaal in de kerk

Een opmerkelijk pleidooi over het gebruik van het spreken in tongen lazen wij in het Nederlands Dagblad, een krant die zijn oorsprong vindt in kringen van de Vrijgemaakt Gereformeerde kerk. Theanne Boer, de schrijfster van het artikel is Neerlandica en heeft onlangs een boek over wonderen geschreven. Zij schrijft onder andere: “De tijden ver­anderen, vroeger was zo’n onder­werp de moeite van het bespreken niet waard. Want met de dood van de apostelen zijn immers de tekenen en wonderen ook gestopt. Dat is mij in ieder geval altijd geleerd. Ik moet bekennen dat ik aan die theorie ben gaan twijfelen. De argu­menten die ik bijvoorbeeld in Van Bruggens ‘Ambten’ en in A. N. Hendriks’ ‘Die Here is en levend maakt’ vond, overtuigden mij altijd al niet en zeker niet toen ik die exegese door de werkelijkheid weerspro­ken zag. Ik kan er niets aan doen, maar feit is dat over de hele wereld miljoenen christenen in tongen spre­ken.

Zeer bijbelgetrouwe (ook vrijge­maakt) gereformeerde christenen vertellen mij dat ze in tongen bidden en dat hun geloofsleven daardoor verrijkt wordt. Zij hebben de erva­ring dat waar woorden tekort schie­ten door het prijzen van God, Hij het overneemt en Geest en geest samen­werken in lofprijzing. Ik werd getrof­fen door verhalen van mensen die tot geloof waren gekomen toen zij, dankzij tongentaal, in hun eigen taal het evangelie hoorden, en nog wel tijdens een eredienst”. Vervolgens gaat Theanne Boer in op de bij vele theologen heersende opvatting dat met de dood van de eerste apostelen de wonderen gestopt zijn, want die waren, toen de Bijbel compleet was, niet meer nodig. Ze waren tijdgebonden, waarom van­daag in preken, netjes om tongentaal, profetie, visioenen en gebedsge­nezing heengezeild wordt. Zij haalt een predikant aan die beweert dat de gave van tongentaal door God is teruggenomen. “Maar”, reageert zij, “die gave is helemaal niet door God teruggenomen, zeggen al die miljoe­nen christenen, die gave is nog springlevend, alleen komt ze niet of nauwelijks voor in jullie kringen en dat is wèl vreemd.”

Ervaring en werkelijkheid

Verder schrijft zij: “Ervaring met tongentaal in deze tijd is voor mij een reden om 1 Korinthe 12 en 14 heel concreet toe te passen op deze tijd. Mijn ervaringen zie ik duidelij­ker door de Bijbel bevestigd dan de exegetische constructie dat God de tongentaai heeft teruggenomen”. Theanne Boer is er van overtuigd dat “de Bijbel compleet strookt met de werkelijkheid. Sterker nog: de Bijbel is een zuivere weergave van de wer­kelijkheid. Klopt de werkelijkheid niet met onze exegese, dan zeggen we ‘dag’ werkelijkheid. We kijken de andere kant op en tongentaal bestaat niet meer.”

“Dat kan toch niet?”, vraagt ze zich af. “Als de werkelijkheid niet strookt met jouw exegese, dan moet je je exegese aanpassen. Dat is helemaal niet erg, want dat betekent nog hele­maal niet dat je de Bijbel aanpast. Het zou heel gezond zijn om eens na te gaan hoezeer onze Europese, protestantse, calvinistische, gerefor­meerde theologie is bepaald door de Verlichting, met al zijn nadruk op verstand en logica. En was het Verlichtingsdenken de enig juiste manier om naar de werkelijkheid te kijken? Natuurlijk niet! In Gods werkelijkheid spreken van­daag de dag miljoenen mensen in tongen en die werkelijkheid strookt met 1 Korinthe 12 en 14.” Theanne Boer vertelt ook nog dat zij persoonlijk mensen kent die in hun geloof gegroeid zijn nadat ze die gave ontvangen hebben, “zodat ik niet durf te beweren dat tongentaai niet meer nodig is”.

Het verlangen van Paulus

Wel wijst ze op het feit dat ook mis­bruik en wanorde voor kunnen komen bij het gebruik van de ton­gentaal en dat het in sommige krin­gen wel erg verheerlijkt wordt. “Maar misbruik, wanorde en verafgoding zijn in ieder geval voor Paulus geen reden om de hele tongentaai maar af te schaffen. Integendeel: hij wilde dat we allemaal in tongen spraken. We? Ja wij! En niet alleen de Korinthiërs in 60 na Christus”. We zijn blij met dit heldere en dui­delijke geluid uit vrijgemaakt Gereformeerde kring. Natuurlijk weten wij dat het niet alleen gaat om het spreken in tongen en dat er heel wat meer moet gebeuren in allerlei kerken en kringen, wil er een werke­lijke verandering tot stand komen die uiteindelijk tot gevolg heeft dat er een gemeente ontstaat die in over­eenstemming is met Gods bedoeling. Een gemeente waarbij niet een afgestudeerd theoloog voorganger behoeft te zijn, maar waar de gaven en bedieningen, zoals die in het Nieuwe Testament duidelijk worden aangegeven, ten volle kunnen func­tioneren. Wij attenderen in dit ver­band ook op de artikelenserie van Wim te Dorsthorst over ‘Het herstel van de gemeente’.

 

Vernieuwing door Truus van Kaam

Hij die uw jaren overstelpt met Zijn gaven,

dat uw jeugd als een adelaar herrijst.

(Ps. 103:005, vert. Dr. Ida C. M. Gerhardt).

Onze innerlijke mens wordt door God verzadigd met het goede en het goede wordt hier vertaald met gaven. Dat gaat dieper, is konkreter. Door de doop in de heilige Geest hebben we geestelijke gaven ont­vangen en deze zijn tot opbouw van de gemeente.

Stellen we ons open voor de wer­king van de Geest Gods of laten we dat aan anderen over? Het is alleszins de moeite waard ons daarvoor in te zetten, ziende op de belofte dat onze jeugd als een ade­laar zal herrijzen. Herrijzen, vernieuwen, hierin ligt ons herstel, een totaal herstel. God ziet uit naar zonen, daarvoor heeft Jezus Zijn leven ingezet. Er hoeft niets meer in de weg te staan, te blijven staan, om ons leven te geven aan Hem: de Bron van al het goede.

Bedenk: het is alles waard!

 

De zeventig jaarweken door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem deel 8-a

Daniël 9 verhaalt ons dus van de engel Gabriël, die op de tijd van het avondoffer, toen Daniël in gebed was, aan hem verscheen om hem te onderrichten en een klaar inzicht te geven.

De woorden van Gabriël zijn dan: “zeventig weken zijn bepaald over uw volk en over uw heilige stad:

om de overtreding te voleindigen,

om de zonde af te sluiten,

om de ongerechtigheid te verzoenen”,

terwijl deze feiten gepaard gaan met:

“het brengen van een eeuwige gerechtigheid

het bezegelen van gezicht en profetie

het zalven van iets allerheiligst” (Dan. 09:24).

De tijd van het einde

-De zeventig (jaar)weken

Het gezicht van de zeventig weken duidt op een verre toekomst, evenals het gezicht van ‘de avonden en mor­gens’. Die verre toekomst betreft de tijd van het einde vergelijk Daniel 8 vers 17 tot en met 29 (vgl. Dan. 08:17-29). Deze ’tijd van het einde’ is de tijd waarin wij leven. In deze tijd komt het doel van God met Zijn volk, waarvan Jezus Christus het Hoofd is, geheel tot openbaring en vervulling. In samenhang met andere profetieën en openbaringen heeft het gezicht van de zeventig weken daarom betrekking op de ware gemeente ofwel het ‘lichaam van Christus’, in haar ontwikkeling naar volkomen­heid. In Zijn rede over de laatste din­gen (Matt. 24) sprak de Heer Jezus over de ‘gruwel van verwoesting’, daarmee doelend op de komende verwoester, die deze gruwelen zal bewerken in het heiligdom van de ware God (Dan. 09:27 en Dan. 11:31 en Dan. 12:11). Deze verwoesting voltrekt zich aan de uiterlijke verschijningsvorm van het heiligdom, de heilige plaats en het heilige volk. De uiterlijke ver­schijningsvorm, hoe mooi deze ook verpakt mag zijn in allerlei liturgieën en ander ceremonieel, zal niet bestand zijn tegen de verwoestende inwerking van de machten der duis­ternis.

De kerkgeschiedenis leert, dat de ware kinderen van God niet kunnen bogen op macht en invloed in uiter­lijke zin. Integendeel, waar zij zich maar enigszins openbaarden, ont­stond vervolging en verdrukking en niet zelden martelaarschap. In dat opzicht bevindt zich het ware volk van God uiterlijk in de verdrukking van de ‘woestijn’, waar haar als toe­komstige ‘vrouw’ van God een plaats bereid is buiten het gezicht van de woedende draak. Met veel pijn en moeite vanwege diens onophoudelij­ke dreiging is zij bezig eerst in de volheid van haar tijd haar ‘kind’ te baren. Dit is de reeds eerder genoemde ‘openbaring van de vele zonen Gods’, waarnaar de gehele zuchtende schepping smartelijk ver­langt (Romeinen 8; Openbaring 12). Voor de christen geldt daarom te allen tijde, ook in ’tijden van verade­ming’, dat men nooit haar zekerheid en heil moet zoeken in uiterlijke erkenning en het tot stand brengen van respectvolle gemeentestrukturen. Deze blijven kwetsbaar en onder zekere invloed van de machthebbers in de wereld.

Geestelijke ontwikkeling

Voor de ‘gemeente in de eindtijd’ is de godsspraak aan Daniël over de zeventig weken te plaatsen in de geestelijke ontwikkeling met betrekking tot het volk van God. Temeer omdat onze Heer Jezus deze profetie in verband bracht met de verdrukking, de misleidende ‘chris- tus’-aanduiding, de verschijning van het ’teken van de Zoon des mensen’ en Zijn komst op (met) de ‘wolken van de hemel’. Dit laatste is een aan­duiding van de vele zonen, welke met de Heer als Zijn totale ‘lichaam’ zullen verschijnen (Matteus 24). De periode van ‘zeventig weken’ betreft de volle tijd, waarin het plan van God met de mens zich voltrekt sinds de opstanding van onze Heer. Deze periode wordt in de profetische waarde onderverdeeld in drie deeltij­den, namelijk: een periode van zeven weken, een periode van twee-en-zestig weken, een periode van één week, waarin op de helft een ingrijpende kente­ring plaatsvindt (Dan. 09:25-27).

Als vergelijking hiermee, vanwege dezelfde geestelijke betrokkenheid, kennen we in de profetieën van het boek ‘Openbaring van Jezus Christus’ de aanduiding ’tijd’, ’tijden’ en een ‘halve tijd’ (Openb. 12:14). Deze aanduiding wordt ook gegeven in Daniel 12 vers 7 (Dan. 12:07). De onderverde­ling uit Daniel 9 vers 24 (Dan. 09:24) is te plaat­sen in de ontwikkelingen, die de gemeente van Jezus Christus sinds haar eerste vorming meemaakt op weg naar haar verheven bestem­ming.

De zeven weken

Deze periode heeft haar begin bij ‘het woord dat uitgaat om Jeruzalem

te herstellen en te herbouwen’ (Dan. 09:25). Het woord was er al in het prille begin, toen de Schepper de werelden tot aanzijn riep. Het woord was de weergave van de onzichtbare God zelf en wordt daarom zelf ook God genoemd. Door de uitwerking van dit woord zijn alle dingen ont­staan. In dit woord was leven en dit leven is de basis van het mens-zijn. Het kreeg allereerst volledig gestalte in Jezus Christus, die daardoor mens was/is, zoals de Schepper het van oorsprong bedoelt (Joh. 01:01-05). Toen de mens zich al in het begin van het woord afwendde en naar de stem van een vreemde luisterde, wer­den het licht en de heerlijkheid in hem verduisterd en hij kwam onder de macht van de Dood. De mens ging ‘de dood sterven’.

Hij ervoer dit als naaktheid, omdat het ‘kleed der gerechtigheid’ van zijn innerlijke mens was weggenomen (Gen. 03:01-07).

Een volheid van tijd

De periode van ‘zeven weken’ geeft een volheid van tijd aan. Deze zou doorgaan ’tot op een gezalfde, een vorst’.

De eerste mens die gezalfd werd met de Geest van God en de kracht daar­van ging openbaren, was onze Heer Jezus (vgl. Hand. 10:38). Vanwege Zijn glorieuze overwinning over de zonde-macht (= de duivel) en de doods-macht (= de Dood) heeft Hij van de Vader alle macht ontvangen in hemel (geestelijke wereld) en op aarde (natuurlijke wereld, kosmos). Gezeten aan de rechterhand van de Vader in de hemel stort Hij vanuit die positie de Geest van God uit op allen, die daarom bidden vanuit per­soonlijk geloof daarin en vanuit een gereinigd en oprecht hart. Zo wordt vanuit de wedergeboorte en vernieu­wing door de heilige Geest het ‘lichaam van Christus’ gevormd. Dit is anders gezegd: de ware gemeente, maar ook het ware Israël. Ook is dit de aanduiding van de tota­le, in de profetie bedoelde ‘gezalfde’.

Niet alleen het Hoofd, maar ook het totale lichaam is dan vervuld met de Geest van God.

Het lichaam van Christus

Met grote trouw is onze Heer bezig Zijn opdracht te volbrengen en zo Zijn ‘huis’ gestalte te geven, evenals indertijd Mozes getrouw was in zijn huis. Dat ‘huis van Mozes’ betrof de vorming van het aardse, natuurlijke volk Israël. Het ‘huis van Jezus Christus’, ook genoemd ‘lichaam van Christus’ betreft het uit Jood en hei­den samengestelde geestelijke volk Israël, het ‘Israël Gods’, dus naar Gods oorspronkelijke bedoeling. Onze Heer is getrouw in Zijn huis en is door Zijn Geest volop bezig dit te vormen naar het beeld dat de Schepper voor ogen heeft. Dit huis of lichaam bestaat uit vele leden, welke evenals het Hoofd, zonen Gods genoemd worden. Dit is het ware ‘huis’ waarin God Zelf wil wonen temidden van de mensen (Gal. 06:15-16; Heb. 03:05-06; 1 Petr. 02:05). Naar de openbaring van dit geestelijk huis verlangt, zoals al eerder gezegd, de hele zuchtende schepping, de gelovigen incluis (Romeinen 8), omdat daarmee het herstel van alle dingen wordt doorgezet. Als we Jezus Christus zien als de ‘Hoeksteen’ of de ‘Levende steen’, waarop de gemeente gebouwd wordt als een geestelijk huis (dus in de hemel), dan is dit geheel een ‘wels- aamgevoegde’ woning van God. Dit is de ware tempel, waarvan de profe­tieën in het Oude Verbond al spra­ken en zongen (Ps. 118:015-023; Jes. 28:16).

In de periode van ‘zeven weken’ wordt de gemeente, het ‘lichaam van Christus’ als ’tempel van God in de geest’ openbaar (Ef. 02:22). Zij is een ‘gezalfde vanwege de volheid van de heilige Geest. Deze gemeente van Jezus Christus is dan de verbindende schakel in het herstel en de herschepping van alle dingen, welke de grote Schepper bewerkt.

Een heilig priesterschap

De ware gemeente wordt zo temid­den van alle rechtvaardigen als een ‘heilig priesterschap’ in ‘Sion’ gebouwd op de ‘uitverkoren en kost­bare Hoeksteen’, Jezus Christus. Dit huis is het door God ‘uitverkoren geslacht’. Het is een ‘heilige natie’, een ‘volk van God’ (1 Petr. 02:06-10). Dit ‘lichaam van Christus’ is voor­eerst een ’tempel’ temidden van de stad Gods, het hemelse Jeruzalem. Door de prediking van het enige en eeuwige evangelie van Jezus Christus wordt dan vanuit dit ‘pries­terlijk geslacht’ vervolgens de hele ‘hemelstad’ tot tempel voor God gemaakt. Deze zal zich dan als ’tent van God’ temidden van de hele geknechte mensheid openbaren, zoals in de oude bedeling de ’taber­nakel’ de ‘woning van God’ was temidden van het schaduwvolk Israël.

Johannes op Patmos zag in zijn visioenen deze stad dan ook neerda­len uit de hemel. Middels deze stad zal God zelf temidden van de men­sen wonen. Hij zal bij hen zijn en zij zullen Zijn volken zijn. Vanuit deze heilige stad zal het evangelie van Jezus Christus (= evangelie van God!) als een rivier van water des levens uitstromen, helder als kristal en ontspringende aan de troon van God en het Lam.

Alle ’tranen’, dus elke vorm van leed en verdrukking, worden van de ogen gewist. Dood en rouw, geklaag en moeite zijn dan voorbij, want zij behoren bij de ‘eerste dingen’. De belofte van onze getrouwe en waarachtige God wordt bewaarheid: “Ik maak alle dingen nieuw”! (Openb. 21:05).

 

Waarheid of leugen: wie wint? Door Gert Jan Doornink

De strijd tussen waarheid en leugen, waarbij ieder mens betrokken is, is in feite een strijd tussen het rijk der duisternis en het Koninkrijk van Jezus Christus. Nu zijn degenen die leven buiten Gods Koninkrijk -de onbekeerden- zich daarvan natuur­lijk niet bewust. Maar ook vele wedergeboren christenen hebben vaak geen enkel besef dat deze strijd zich afspeelt als een strijd op leven en dood. En dat ze ten volle betrok­ken zijn bij deze strijd. Is dat niet een beetje overdreven, kan men zich afvragen. Ik geloof het niet, want juist de groei van ons geloofsleven tot een volwassen, over­winnend christen, waarin de volheid van Christus zich meer en meer gaat openbaren, is een ontwikkeling die de vorst der duisternis haat, maar waarin God een welgevallen heeft. Het kan Satan niet schelen hoe hij erin kan slagen gelovigen afgeremd te houden in de groei van hun geloofsleven, als die afremming, die belemmering, maar blijft bestaan en hij een vinger in de pap kan houden. Omgekeerd geldt natuurlijk dat het er God alles aan gelegen is dat wij werkelijk het verlangen openbaren geestelijk te groeien en er alles aan doen dat dit meer en meer gereali­seerd gaat worden.

De wegwijzer

De mens, dus ook de wedergeboren mens, draagt daarvoor zelf de verant­woordelijkheid. Er verandert niets aan onze vrije wil. Wij moeten zelf beslissen, iedere keer weer. Wij moe­ten er zelf alles aan doen dat de gees­telijke groei niet belemmerd wordt maar voortgang vindt. Maar wij hoeven het niet alleen te doen! Toen Jezus op aarde was beloofde Hij de Trooster, de heilige^ Geest. De discipelen waren op de leerschool bij Jezus. Bij de fouten die ze maakten, het ongeloof dat ze soms openbaarden, konden ze altijd terugvallen op Jezus. Maar de begeleiding van de discipe­len door Hem was een tijdelijke aan­gelegenheid. Daarom sprak Hij tot Zijn discipelen de bemoedigende woorden: ‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, maar u de Geest van de Vader doen toekomen en één van de kenmerken van die Geest zal zijn dat Hij u de weg zal wijzen naar de volle waarheid’. Met andere woorden, de discipelen behoefden geen moment bezorgd te zijn dat ze, als Hij zou zijn weggegaan, de weg kwijt zouden raken. Integendeel datgene wat ze van Jezus geleerd hadden, zou nog verder uitgroeien. Toen Jezus nog bij hen was sprak Hij: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven” (Joh. 14:06). Hij was ‘de waarheid’, had de waarheid in zich, in Hem was geen leugen en bedrog. Maar over ‘de Geest’ sprak Hij als de ‘wegwijzer naar de volle waarheid’. De discipelen zouden verder groeien in hun persoonlijk leven, de Geest van God zou hun verder bekwamen. Dat was belangrijk voor hun zelf, maar ook dat ze daardoor verder konden groeien en dus beter in staat zouden zijn anderen te helpen, odat oolc die weer verlost zouden worden uit het rijk van de leugen en het rijk van de waarheid konden bin­nengaan. Dat was hun taak en dat is ook onze taak.

Daarom is het voor ons ook zo belangrijk dat we leren meer en meer de leugen in ons leven te over­winnen en uitsluitend nog waarheid te spreken en in waarheid te hande­len en te leven. Maar is dat mogelijk? Zal dat niet altijd een beetje utopisch blijven? Alles we het zo stellen wordt het dan niet een beetje te perfectio­nistisch? Komen we daardoor niet in een soort kramptoestand terecht? uitstaat er dan niet een dwangmatig Woeten waar in de praktijk toch niets van terecht komt? Ik geloof het niet, want het nieuwe leven wat in ons tot ontwikkeling is gekomen en verder doorgroeit tot de volkomenheid in Christus is bereikt, is een sprankelend, blijmoedig leven dat zich in alle vrijheid en ontspan­nenheid mag ontwikkelen.

Wat nodig is

Wel moeten we zorgdragen dat de omstandigheden zodanig zijn dat dit ook mogelijk is. Een boer zal niet oogsten, als de grond niet eerst is bewerkt, als er niet voldoende bemest is, als het onkruid niet wordt vertreden.

Dat geldt ook voor ons in geestelijk opzicht. Het nieuwe leven in ons staat onder voortdurende bedreiging van het rijk der duisternis. Daarom is het in de eerste plaats nodig dat we geestelijk goed bewapend zijn, zodat we ook geestelijk goed kunnen strijden. En we dienen te realiseren dat we een geestelijke plaats hebben ontvangen. Onze plaats is met Christus in de hemelse gewesten. Alleen van daaruit kunnen we gees­telijk strijden en overwinnen. En de wapens die we daarbij hebben ontvangen zijn niet vleselijk, maar – zoals Paulus dat zo duidelijk formu­leert- krachtig voor God tot het slech­ten van bolwerken (2 Kor. 10:04). Eén van de bolwerken die er geslecht moet worden is het bolwerk van de leugen, waar we allemaal mee te maken hebben. We liegen liever niet, en toch is het één van de meest voor­komende zonden in ons leven. Velen hebben zich daarmee zo verzoend dat ze redeneren; ‘Nou ja, ik ben geen echte leugenaar meer, maar een leugentje om bestwil mag toch wel?’ We menen ons daarmee veilig te kunnen stellen, terwijl in werke­lijkheid onoprechtheid dan een rol speelt en we de Heer, die we zeggen te dienen, daarmee bedroeven. Betrapt u zichzelf wel eens op een leugen? Als we eerlijk zijn denk ik dat we dat allemaal wel eens moeten konstateren. En alleen al de opmer­king ‘als we eerlijk zijn’ geeft aan dat we het niet altijd zijn.

De Geest der waarheid

Toch mislukken bij een waarachtig kind van God de infiltratiepogingen van de vorst der leugen steeds vaker, omdat we veel meer op onze hoede zijn er niet in te trappen doordat Gods Geest, die in ons is, ons erop attent maakt en wij adequaat reage­ren door hem af te wijzen. Het wapen van Gods Geest is belangrijk, maar ook de kracht van het woord dat wij spreken en dat zijn basis vindt in de Bijbel. Daar zien we hoe Gods Geest -de Geest der waar­heid- in de praktijk werkt. Hoe bij­voorbeeld Petrus toe hij nog een dis­cipel was de duivel toeliet te infiltre­ren en hij de Heer in de Hof van Gethsémané verloochende met tot driemaal toe te beweren dat hij Jezus niet kende. Dezelfde Petrus werd echter, nadat op Pinksteren de Geest der waarheid in hem kwam, een ver­kondiger van de waarheid: radicaal, recht door zee; de periode van liegen in zijn leven was voorbij. Eén van de kenmerken van de waar­achtige eindtijdgemeente zal zijn: oprechtheid. Elke halfslachtigheid, elke leugenachtigheid en onwaar­achtigheid zal aan het licht komen en niet langer kunnen bestaan. De leugen zal het uiteindelijk geheel afleggen tegen de waarheid: Gods waarheid. En de woorden van Jezus, in Joh. 8:32, zullen in ons leven ten volle werkelijkheid gaan worden, want omdat wij de waarheid verstaan, zal deze ons geheel hebben vrijgemaakt.

 

Het herstel van de gemeente (6) door Wim te Dorsthorst

Waartoe geeft de Heer mensen met een speciale bediening aan de gemeente, waarvan Hij het Hoofd is?

Dit vinden we het duidelijkst omschreven in efeze 4 vers 12 tot en met 16 (Ef. 04:12-16).

In 10 punten zouden we dit als volgt kunnen omschrijven:

-Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon.

-Tot opbouw van het lichaam van Christus, naar Gods eeuwige bestek.

-Om allen te brengen tot de eenheid des geloofs, zoals beschreven in de verzen 4 tot 6 (zie ook vorige artikel).

-Om de volle kennis van de Zoon van God te helpen bewerken.

-Om de gemeente te helpen leiden tot de mannelijke rijpheid en tot de volle wasdom, naar de maat van de volheid van Christus.

-Om de rechte kennis van Gods woord te verkondigen, zodat niemand meer onmondig is en heen en weer geslingerd zal worden door alle verkeerde leringen.

-Om zo de gemeente te bescher­men tegen het valse spel van mensen die tot dwaling willen verleiden.

-Zo dat ieder gemeentelid zich aan de waarheid kan houden.

-Dat een ieder in liefde, in elk opzicht, naar Christus kan toe groeien die het hoofd is.

-Zodat alle gemeenteleden mee kunnen werken om het lichaam

bijeen te houden en te laten functioneren, ieder naar zijn kracht, waardoor het lichaam groeit en een ieder opgebouwd kan worden in de liefde.

Jezus als grote voorbeeld

Als de Heer, om dit wonderlijk mooie doel te bereiken, bedieningen geeft aan de gemeente dan kunnen we gerust aannemen dat het zonder deze gaven ook niet zal kunnen. Meer dan ooit tevoren zullen deze bedieningen nodig zijn in de eindtijd om de gemeente te beschermen tegen alle New-Age-achtige afdwalingen en antichristelijke verleidingen en om de gemeente tot de volheid van Jezus Christus te leiden. Twee punten die van levensbelang zijn voor de gemeente, zijn: “een­heid des geloofs” en “dat een ieder zich houdt aan de waarheid”. Zolang dit niet bereikt is, is er geen sprake van een wereldwijd volwassen lichaam van Christus. Een onbeschrijfelijk mooi doel, wat onmogelijk bereikt kan worden door gewone menselijke wijsheid, kennis of intelligent leiderschap. Het is een bovennatuurlijke, geestelijke zaak en daarom wil de Heer nu wereldwijd mensen aan de gemeente geven, die Hij zelf door bijzondere genade bekwaam maakt.

Al de bedieningen die genoemd wor­den zien wij in het leven van de Heer Jezus zelf. Hij is in alles de grote apostel, profeet, evangelist, herder en leraar. En nu Hij opgenomen is in heerlijkheid, delegeert Hij deze bedieningen aan betrouwbare mensen in Zijn lichaam, de gemeen­te. Geen theologisch geschoolde mensen, maar mensen naar Gods hart die hetzelfde hart hebben als de Vader en de Zoon. Een nederig en zachtmoedig hart vol liefde voor de mensen en het plan van God.

Belangrijk voor de bedieningen

Voor de leiding van de gemeente, de gezamenlijke oudsten en voor de bedieningen, is het van groot belang dat alles van de persoon overgegeven is aan de Heer. Intelligentie, bekwaamheden, mogelijkheden, per­soonlijkheid, karakter-eigenschappen, alles dient als een levend, heilig Gode welgevallig offer op het altaar gebracht te worden naar Romeinen 12 vers 1 (Rom. 12:01). Alleen dan kan de heilige Geest zó door iemand heen werken dat de bediening ook werkelijk een gave is aan de gemeente.

Eveneens van groot belang is om een heldere visie te hebben op het plan van God, om dit over te kunnen brengen aan de gemeente. Zó open te staan voor de leiding van de heili­ge Geest dat Zijn spreken betreffen­de leiding en bedieningen verstaan kan worden. Een diep verlangen om in alles Gods wil te verstaan. Een verlangen zoals de Psalmist dat uitspreekt: “Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde” (Ps. 119:020). Dat zijn de mensen die de Heer zoekt in deze tijd. Mensen die hun hele leven er voor in willen zetten om Gods plan met de gemeente te helpen volvoeren. Mensen, die ondanks alle verdrukking en tegen­slag die het mee kan brengen, voor­op willen gaan. Die mensen zal Hij vervullen met de rechte kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht” (naar Kol. 01:09).

De bediening van apostel

Van de bedieningen staat zowel in 1 Kor. 12:28 als in Ef. 04:11 de apostel

voorop. In 1 Korinthe 12 zegt Paulus: “ten eerste apostelen”, alsof hij daarmee een rangorde in de bedieningen wil aangeven. De Heer Jezus heeft, na een nacht doorgebracht te hebben in gebed tot God, uit Zijn discipelen er twaalf uitgekozen die Hij ook aposte­len noemde (Luc. 06:13). Niet alle dis­cipelen, maar Hij koos er twaalf uit. Deze zouden naar Zijn hemelvaart als Zijn “gezanten” uitgezonden wor­den onder de Joden en in de wereld, om het evangelie van het Koninkrijk Gods te gaan verkondigen (Hand. 01:08). Verder worden er in het Nieuwe Testament ongeveer 20 apostelen genoemd.

Van de eerste gemeente die door de prediking van de apostelen ontstaan was, lezen we: “En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden” (Hand. 02:42). Het Griekse woord voor apostel is “APOSTOLOS” en betekent: afge­zant, bode , gezondene, vertegen­woordiger. “Een apostel is iemand met een opdracht, door een hogere autoriteit uitgezonden, die die hoge­re autoriteit vertegenwoordigt en met diens volmacht is bekleed”. De apostel, en ook de andere bedie­ningen blijven onderworpen aan de zender zoals de Heer ook zegt: “Een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant (apostolos) boven zijn zender” (Joh. 13:16). Men kan niet zichzelf de eer toekennen apostel te zijn; iemand wordt er toe “geroe­pen”.De Heer Jezus zegt ook uit­drukkelijk tot de twaalf: “Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en aangewezen” (Joh. 15:16a).

Niet van of door mensen

Van de roeping van Paulus als apos­tel staat in Hand. 13:01-03: “Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de vier­vorst, en Saulus. En terwijl zij vast­ten bij de dienst des Heren, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan”. De apostel Paulus was hierdoor over­tuigd van zijn roeping en hij begint dan ook bijna al z’n brieven met de duidelijke vermelding dat hij een “geroepen apostel” is, waaraan hij dan ook zijn gezag ontleent. Gal. 01:01 begint met: “Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden”. Ditzelfde zien we ook bij de apostel Petrus als hij z’n brieven schrijft.

Apostelschap is niet aan mensen te danken en een apostel wordt ook niet door mensen aangesteld. Dat was zo in de begintijd en dat is ook zo in de eindtijd. Hier zien we een duidelijk verschil met oudsten en diakenen die wél, zoals we zagen, door mensen wor­den aangesteld (zie art.4).

Gezag door God verleent

Het gezag van een apostel berust op wie hem aangesteld heeft en dat is Jezus Christus en God de Vader. Hij is in zijn bediening een gezant van de Heer zelf. Een boodschapper, een gezondene, een vertegenwoordi­ger.

In 2 Kor. 05:20 lezen we: “Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande”. Dat besef ging bij Paulus zo diep dat hij een enkele keer sprak van “mijn evangelie” (Rom. 02:16; 2 Tim. 02:08). In de Galaten brief lezen we dat het evangelie wat hij verkondigde hem door de Heer Jezus zelf geopenbaard was (Gal. 01:11-12). Dat gaf hem gezag om zonodig streng op te treden tegen predikers die een ander evangelie predikten dan hij ontvangen en verkondigd had. Hij schrijft: Als iemand een ander evangelie verkondigt, die is vervloekt (Gal. 01:08-09). Ook als er grove zonde in de gemeente is dan treedt hij daar zeer streng tegen op en levert zo iemand over aan de satan door de kracht van de Heer en in Zijn Naam (zie 1 Kor. 05:01-05)

We zien dit optreden met gezag ook bij de apostel Petrus in de geschiede­nis met Ananias en Saffira (Hand. 05:1-11).

Hier blijkt de belangrijke plaats van de apostel om de gemeente een zui­ver besef bij te brengen van de hei­ligheid van de gemeente, die Zijn lichaam is.

Een bijzondere bediening

Het hele optreden van een apostel dient er op gericht te zijn de zaak van zijn Zender te dienen. Iedere vorm van eigenbelang, macht, aan­zien, geld… het maakt de bediening krachteloos.

Een apostel is een boodschapper van God voor de mensen. Er bestaat geen hogeschool waar je voor bedieningen kunt studeren. Het is een hemelse zaak. Je wordt er toe geroepen en door de bijzondere genade van de Heer er voor bekwaam gemaakt. Je ziet dat wel heel duidelijk bij Paulus. Van een gemeentevervolger maakt de Heer hem tot de grootste gemeentebouwer. De bediening van apostel is onge­twijfeld de grootste van de vijf genoemde bedieningen. Bij hem functioneren ook de andere genoem­de bedieningen. Hij kan zonder ver­dere hulp van buitenaf gemeenten stichten en is daarbij dan ook evan­gelist, herder, leraar en profeet, zover dat nodig is.

We zien dat duidelijk in het leven van Paulus.

Als hij een stad binnen ging dan kwam de geesten-wereld in rep en roer, maar binnen de kortste tijd stichtte hij een gemeente. Dat is alle­maal te lezen in het boek Handelingen, (lees b.v. de geschiede­nissen in Hand. 16:04-40 en Hand. 19:13-40). Hij begon door de genade Gods met het leggen van het bijbelse fun­dament als een kundig bouwmees­ter. (zie 1 Kor. 03:10). Hij verbrak het juk en de banden van satan waaronder streken en steden gebukt gingen. Hij leidde de mensen tot vrijheid, onderwees het evangelie van het Koninkrijk tot in de finesses. Hij noemde dat zelf “de volle raad Gods” verkondigen (Hand. 20:27). Hij verrichtte wonderen, tekenen en krachten onder de mensen als teken van zijn apostelschap (2 Kor. 12:12; lees ook Hand 19:08-20). In Gal. 02:08 schrijft Paulus: “Immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen”.

Hieruit zien we dus dat de Heer iemand in de bediening van apostel kan stellen voor een bepaalde groep mensen of voor een bepaald gebied. Ik geloof dat dat nu ook zo kan zijn. Nederland wordt steeds meer een multinationale samenleving. De Heer kan ook nu een apostel afzon­deren om onder de buitenlanders of om onder een bepaalde nationaliteit van de buitenlanders te werken. Wat we ook zien is dat een apostel niet zomaar kan gaan waar hij wil. In Hand. 16:06 lezen we dat de Geest Paulus en Barnabas verhinderde het woord te spreken in Asia. En in vers 7 dat de Geest van Jezus hun niet toestond naar Bithynië te reizen. Maar even later wordt Paulus door een droomgezicht geleid over te ste­ken naar Macedonië om het evange­lie Europa binnen te brengen (vs. 9 en 10).

De kracht van het apostelschap

Het woord “zendeling” is afgeleid van “gezondene” en is dus verwant aan “apostel”. Niet iedereen die zen­ding bedrijft is per definitie een geroepen apostel. Het zal echter altijd blijken uit de vrucht en de teke­nen van de bediening. Als gebieden veroverd worden op macht van satan en het juk over mensen verbroken wordt, als het evangelie verkondigd wordt, niet met schittering van woorden, maar met betoon van geest en kracht, als het gepaard gaat met wonderen, tekenen en krachten, als het waarachtige bij­belse fundament gelegd wordt en mensen onderwezen worden in de volle raad Gods, dan is het duidelijk dat hier naar bijbels voorbeeld een apostel aan het werk is. Een apostel blijft ook zorg houden voor de gemeenten. Hij is veel in gebed en voert een geestelijke strijd tegen de satan en z’n rijk die altijd zal trachten de gemeenten kapot te maken (zie bijv. Ef. 01:15-23 en Ef. 03:14-21 en Kol. 01:03-10 en 2 Kor. 01:08-11 en Kol. 01:29- Kol. 02:01). In 2 Kor. 11:28 spreekt hij van de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor de gemeenten. Waarachtige apostelen zijn zeer kost­baar voor de gemeenten omdat ze vanuit hun bijzondere volmacht en kracht van de Heer effectief strijd kunnen voeren voor de gemeenten. Dat zal zeker ook nu in de eindtijd van groot belang worden. Als we het leven van Paulus beschouwen dan zien we hoe de dui­vel deze bediening haat. Het is te lezen in het boek Handelingen, maar ook in 2 Kor. 11:21-33 waar een indrukwekkende lijst van zijn wedèi- varen staat opgetekend.

De volmacht

Ik geloof dat bij het herstel van de gemeente van Jezus Christus zeker ook de belangrijke bediening van apostel steeds duidelijker zal terug­keren.

Er ligt een grote en belangrijke taak in deze tijd om de oude bijbelse waarheden weer in het licht te stel­len met de autoriteit door God ver­leent.

Het is één van de bedieningen, samen met de bediening van profeet, om in de gemeente wereldwijd te komen tot de eenheid des geloofs. In Ef. 02:20 lezen we dat de gemeente Gods gebouwd zal worden op het fundament van de apostelen en de profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. Als dit niet op de eerste plaats her­steld zou worden, hoe zou dan ooit die tempel Gods, het hemelse Jeruzalem tot voltooing moeten komen?

maar het zal voltooid worden naar ods eeuwige bestek, zoals beschre­ven staat in het boek Openbaring (zie Openb. 21).

In de begintijd waren er verschillen­de rondreizende apostelen. Tenminste 20 worden er met name genoemd. Deze hadden dus een bepaalde toegang tot de gemeenten. Als er problemen rezen, ook van fun­damentele leerstellige aard, dan was het kennelijk gewoon dat de hulp van een apostel werd ingeroepen. Er was nog niet het isolement van gemeenten op zich zoals we dat nu heel vaak zien. Bekend is de vergadering te Jeruzalem, beschreven in Handelingen 15, waar de apostelen samen met de oudsten en de gemeente besluiten nemen ten aan­zien van het Nieuwe Verbond en bepalingen van de wet. In Hand. 16:4 lezen we dan: “En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden”. Zo was er mede door het werk van de apostelen een grote eenheid des geloofs in de begintijd.

De gemeente van Korinthië had ook vele problemen. Ze schreven die aan de apostel en zijn antwoord hebben wij nu als de bekende brieven met de vele raadgevingen, leringen en ver­maningen.

Zo hebben wij nu door middel van deze brieven antwoord op vele vra­gen die ook nu in de gemeente een rol kunnen spelen, uit de eerste hand van deze grote apostel. Dat zelfde geldt natuurlijk voor de andere brieven van Paulus, Petrus, Johannes, Jacobus en Judas.

Een zaak van dienstbetoon

In het vorige artikel schreef ik al over de onvoorstelbare verdeeldheid bin­nen het christendom. Er is dus ook nu in deze tijd een geweldig werk voor de bediening van de apostel en de andere bedieningen Je merkt ook dat het onderwerp van de bedieningen allerwegen volop in de aandacht is. Een aandacht die naar ik meen door de Heer zelf bewerkt wordt. Hij werkt immers het willen en het werken in Zijn volk (Filip. 02:13).

In al de aangehaalde Bijbelgedeelten gaat het hoofdzakelijk over de bedie­ning van Paulus als apostel. Dat wil natuurlijk helemaal niet zeggen dat een apostel van deze tijd een soort kopie van Paulus zal moeten zijn. Het gaat echter wèl om het bijbelse principe van het apostelschap. Het geweldige is dat een echte apos­tel, vanuit zijn liefdevolle hart voor het werk van zijn Zender, zich nooit boven andere bedieningen zal ver­heffen, hoewel hij dit vanuit zijn geestelijke autoriteit wel zou kun­nen. Hij zal zich altijd opstellen als een mededienstknecht van de Heer. Als de apostel Petrus schrijft, dan noemt hij zichzelf een “dienst­knecht” (=slaaf) van Jezus Christus en een “medeoudste” onder de oud­sten (2 Petr. 01:01 en 1 Petr. 05:01). Dat is het kenmerk van het ware onder de vele valse apostelen die ongetwijfeld ook zullen opduiken. Het erkennen van bedieningen, dat ze er zijn en ook nodig zijn voor het tot volheid komen van de gemeente, brengt iets in beweging. Daar groeit het besef en de erkenning dat het hele gemeente gebeuren een boven­natuurlijke, geestelijke zaak is. Dat het hele gemeente gebeuren een zaak is van genade en bijzondere genadegaven door de Heer verleent. Dat het een zaak is van dienstbetoon. “Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de veler­lei genade Gods (1 Petr. 04:10).

 

Gezonde gehoorzaamheid door Roel Schipper

“En toen Hij (Jezus) het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeu­wig heil geworden” (Heb. 05:09).

Een kind van God is iemand die zich gelukkig mag prijzen. Gelukkig, omdat aan de machten der duister­nis die kans zien het levenshuis van de mens binnen te dringen, een halt is toegeroepen.

De Bijbel zegt dat door een mens de zonde de wereld is binnengekomen, en door de zonde de dood. De onge­hoorzaamheid van het eerste men­senpaar heeft dus dramatische gevol­gen. De aartsvijand, de duivel, kan nu met zijn trawanten de prachtige schepping van God binnentrekken en deze in bezit nemen. Hij heeft zijn slag geslagen door list en bedrog. Het proces van binding, ont­luistering en vernedering begint. De nieuwe eigenaar eist gehoor­zaamheid en onderwerping, de arme zondaar is een gevangene geworden, die voortaan in angst leeft voor ziek­te en dood. Het ergste van alles is dat de misleider het doet voorkomen alsof al deze narigheid van God afkomstig is, als straf voor de grote schuld die de mens heeft ten opzich­te van zijn Schepper.

Gods belofte

Gelukkig biedt de goede God meteen hulp. We kunnen die fijne belofte lezen in Genesis, nadat de zondeval heeft plaatsgehad. Het zaad van de vrouw zal de slang de kop vermorze­len (Gen. 03:15). Er zal een ander proces in werking gesteld worden: door de gehoorzaamheid van één (het Lam Gods) zal de zonde der wereld wor­den weggenomen. We weten dat deze belofte op Golgotha heerlijk vervuld is. Dit feit is de basis van ons geloof.

Behalve dat de Heer Zijn leven gaf om ons te verlossen, werd Hij ook gegeven als voorbeeld ter navolging Hij wordt daarom ‘de weg’ genoenK» De weg die hij ging als mens en Zoon van God; een weg waarop we Hem kunnen volgen. Heb. 05:09 zegt dat Hij een oorzaak van eeuwig heil is geworden toen Hij het einde (van die weg) had bereikt.

De fundamentele gedachte van het woord ‘einde’ in de grondtekst is: het brengen van een persoon of ding naar het door God bepaalde doel. Hier zien we dus een mens die volle­dig aan Gods doel beantwoordt. Daarom is er eeuwig heil voor Jezus weggelegd: God kent Hem de eer toe voor altijd hogepriester te worden van een nieuw priestergeslacht (Heb. 05:05).

De voorwaarde

Door Zijn unieke offer wordt ons ook eeuwig heil geboden. Er is slechts één belangrijke voorwaarde: gehoorzaamheid. Er staat: Hij is voor allen DIE HEM GEHOORZAMEN een oorzaak van eeuwig heil gewor­den.

Gehoorzaamheid is het sleutelwoord om deel te krijgen aan dit heil. De Hebreeënschrijver zegt dat Jezus op Zijn weg naar het einddoel de gehoorzaamheid geleerd heeft (Heb. 05:08). In Zijn beproevingen blijft Hij

gehoorzaam in de moeilijkste omstandigheden en laat Hij zich niet leiden tot negatieve gedachten en belijdenissen.

Het woord ‘ongehoorzaamheid’ bete­kent in het Grieks letterlijk: de toe­stand van het niet te overreden of te overtuigen zijn (Expos. dict.). Veel voorbeelden hiervan vinden we in het Oude Testament. Zo lieten de mensen zich ten tijde van Noach door diens prediking van redding en behoud niet overtuigen. Zij kwamen allen om.

De Israëlieten waren gedurende de reis naar het beloofde land niet te overtuigen van Gods goede bedoelin­gen, hoewel ze Zijn talrijke wonde­ren zagen. Het gevolg was dat ze neergeveld werden in de woestijn (Her en der verspreid liggen, als door een orkaan neergeslagen – Bible Works). Ze bereikten het door God bepaalde doel dus niet. Ook nu bestaat het gevaar dat, hoe­wel gelovig, men zich niet laat over­tuigen van het volle heil dat de Heer

voor ons verworven heeft. Het plan van God omvat immers veel meer dan verlossing van zondeschuld! Onze hemelse Vader wil dat het beeld van Zijn Zoon in ons gestalte krijgt en we zo tot alle goed werk vol­komen worden toegerust (2 Tim. 03:07)

Een leerproces

Om dat te realiseren zullen we in gehoorzaamheid en geloof, als leer­lingen Zijn weg tot het einde moeten gaan. De Heer zegt in Luc. 06:40: “Een discipel (leerling) staat niet boven zijn meester, maar al wie vol­leerd is zal zijn als zijn meester”. ‘Volleerd’ betekent in de grondtekst (volgens Wuest’s Wordstudies): ‘Toerusten tot dienstbetoon, geschikt maken, in orde brengen’. Vergelijk hetzelfde woord onder andere in Matt. 04:21 en Ef. 04:12.

Hiertoe is ons de Zoon gegeven (Jes. 9:5) om ons toe te rusten, te vormen en geschikt te maken om dienstbaar te zijn in Zijn Koninkrijk. Deze toe­rusting vindt plaats middels een leer­proces.

Jesaja geeft in zijn profetie een kijkje in het dagboek van een leerling die wordt toegerust voor zijn levenstaak: “De Here HERE heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen onder­steunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen. De Here HERE heeft mij het oor geopend en ik ben NIET WEERSPANNIG geweest, ik ben niet teruggedeinsd” (Jes. 50:04-05). De Here Jezus had een goede gezindheid en was een gewillige en gemotiveerde leerling. Gelukkig deinsde Hij niet terug, maar ging Hij de weg als Lam Gods tot het bit­tere eind, volkomen vertrouwend op Zijn Vader. En vanwege Zijn gehoor­zaamheid, zelfs tot in de dood, werd Hij voor allen die Hém gehoorza­men, een oorzaak van eeuwig heil. Prijs God voor Zijn oneindige liefde en genade!

 

Een gezond woord door Rinie van der Houwen

Soms hebben woorden een beladen betekenis door de loop der tijd gekregen, door de betekenis die de mensen er van hebben gemaakt. Dat geldt zeker voor het woord ‘leer’ of ‘in de leer blijven’, wat doet denken aan leerstellig, dogmatisch. Als we denken aan de betekenis die God eraan geeft, komt het in een heel ander licht te staan. God sprak in Ps. 078:001 tot een volk dat er niet op ingegaan is: “Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond”. Omdat God volmaakt is, verheft de leer van God een mens, doordat Hij het goede in de mens oproept. Naar de woorden van Zijn mond luisteren, is luisteren naar de Koning van hemel en aarde, die Jezus zijn Zoon zond om Zijn liefde en bedoelingen door Hém op aarde duidelijk te maken. Hij sprak en leerde alleen volgens Gods woorden, om ons men­sen de ogen te openen, wat Hij ons wil leren.

Het woord ‘leer’ wordt wel 31 keer genoemd in de Bijbel, waarvan 28 keer in het Nieuwe Testament. Het is ook vol beloften. Wie zullen de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen leren kennen met ogen die zien en oren die horen? Lees daarover Matt. 13:11-16.

Een aantal schriftplaatsen over ‘de leer’:

In Joh. 07:16 zegt Jezus: “Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem die Mij gezonden heeft”.

In Joh. 07:17 zegt Hij: “Als je Mijn wil doet, zul je van deze leer weten of Hij van God is dan of ik uit Mijzelf spreek”.

In 1 Tim. 01:10 omschrijft Paulus de negatieve eigenschappen van mensen die ingaan tegen de gezonde leer.

Ook wijst Paulus zijn medewerker op de noodzaak onderlegt te zijn in de woorden des geloofs en der goede leer (1 Tim. 04:06).

Twee hoofdstukken verder waar­schuwt hij: “Als iemand een andere leer verkondigt dan is hij opgebla­zen” (1 Tim. 06:03)..

Want het gaat om “de gezonde woorden van onze Here Jezus Christus en de leer der godsvrucht”.

De naam Gods en de leer mogen geen smaad lijden (1 Tim. 06:11).

In zijn tweede brief aan Timotheüs schrijft hij dat er een tijd komt dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen (2 Tim. 04:03)

Aan Titus doet hij de oproep uit te komen voor wat met de gezonde leer strookt (Titus 02:11).

Johannes waarschuwt in zijn tweede brief dat “een ieder die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, God niet heeft” (2 Joh. 01:09).

Paulus spreekt in zijn brief aan de Efeziërs over mensen die “heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer” (Ef. 04:14).

Paulus schrijft aan Titus dat een opziener zich behoort te houden “aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te ver­manen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen”. (Titus 01:09)

En in het tweede hoofdstuk vers 10 benadrukt hij de leer van God, onze Heiland, in alles tot sieraad te strekken. God tot sieraad te strekken is voor Hem een sieraad te zijn. Deze bloemlezing van teksten over de leer is vast wel de moeite waard om door te lezen. Of de tekst als dag- rooster lezen met het gedeelte waar­in het is geschreven. Het zal ons inzicht vermeerderen, want de leer van onze Schepper brengt ons bij onze Schepper, doet ons Zijn wil ver­staan en maakt dat wij leven naar Zijn wil en tot eer van Zijn Naam!

 

Worden als een kind door Froukje Huis

’t Is een prachtige herfstdag. De zon schijnt heerlijk en tovert een gouden glans op de bomen van ons pleintje. Ik sta voor het keukenraam te genie­ten. Niet alleen van deze herfst- pracht, maar nog meer van het krioel van de kinderen, die volop profiteren van deze kostelijke dag. Twee jongetjes van een jaar of vier razen in volle vaart op hun fietsjes rond het pleintje. Wielrennertjes die de gele trui willen bemachtigen?! Ze racen voorbij een meisje dat met grote inspanning probeert de trap­pers van haar te hoge fietsje rond te krijgen. De zijwieltjes houden haar in het spoor en ze geeft het niet op. Ja hoor, daar lukt het en triomfante­lijk rijdt ook zij haar rondje om het plein zonder één blik te slaan op de voorbij schietende jongens. Daar komt er weer één. Een peuter nog. Een groter meisje probeert fiets­je én peuter in evenwicht te houden. Eigenlijk gaat het beider kracht te boven, maar ze ploeteren ijverig en onvermoeibaar voort. Wat een geduld en volharding! Plotseling nemen mijn gedachten een sprong en zie ik de gemeente van Jezus Christus voor me. Zijn ook wij niet bezig te jagen? Te jagen naar het doel om de prijs der roeping Gods?

We roepen elkaar toe: “Laten we met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt en laat ons oog daarbij gericht zijn op Jezus, de Leidman en Voleinder van het geloof’ (Heb. 12:01-02).

Misschien lijkt de opdracht waarvoor we staan te zwaar, misschien kun­nen we ons geestelijk evenwicht niet bewaren en komt een ander ons te hulp!

Maar we mogen zeker weten dat onze Heer en Heiland nooit zal toe­staan, dat we boven vermogen ver­zocht worden, want Hij zal met de verzoeking voor de uitkomst zorgen, zodat we er tegen bestand zijn (1 Kor. 10:13).

Als iemand soms ontmoedigd is, kijk eens naar de kinderen. Hoe ze alles op alles zetten om vooruit te komen. Ze vuren elkaar aan om te groeien en ‘groot’ te worden. Ik wil graag worden als zo’n kind en mijn weg gaan om ‘groot’ te worden, volwassen in de geestelijke wereld. Doet u ook mee?

 

 

 

1998.07-08 nr. 395

1998.07-08 Levend geloof nr. 395

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

De veelheid van informatie waarmee we in onze dagen te maken hebben, wordt sommigen wel eens te veel. Het is geen wonder dat overspanning, stress, over­vermoeidheid en talrijke andere negatieve verschijnselen aan de orde van de dag zijn en soms ook de gemeente van Christus binnendringen.

Wil men niet omkomen in het dagelijks op ons afkomend mediageweld dan dient men goede keuzes te maken. Voortdurende waakzaamheid is een vereiste en gelukkig zijn er ook vele kinderen Gods die zich niet laten opslokken door alles wat via de media op hen afkomt. In alle rust en vertrouwen is er bij hen een verdere geestelijke groei die uiteindelijk tot positief gevolg heeft dat het zoonschap meer en meer tot openbaring gaat komen.

Levend Geloof mag daaraan op zijn wijze meewerken. Ook in de artikelen van dit nummer proberen we dat weer tot uiting te brengen. We zijn ons tenvolle bewust dat we in dit opzicht een belangrijke en verantwoordelijke taak hebben. Vooral ook nu, behalve van buitenaf, ook van binnenuit de gemeente van Christus wordt belaagd door allerlei afremmende en misleidende factoren. Daarbij blijkt dat, onder het mom van geestelijke vernieuwing, sommige kinderen Gods ontvankelijk zijn voor allerlei nieuwe trends die geen enkele geestelij­ke waarde hebben.

Het gaat er om dat we ons niet laten afbrengen van de ‘eenvoudige en loutere toewijding aan Christus’. Want alleen daardoor gaat het beeld van Christus in ons ook meer en meer gestalte krijgen en voldoen wij aan het grote verlangen van God, zoals Jezus dat in eigen leven realiseerde en doorgaf, het licht der wereld en het zout der aarde te zijn.

 

Bij de voorplaat door de redactie

Deze keer is de illustratie van Gustave Doré gebaseerd op de wederopbouw van de tempel, zoals beschreven in Ezra 3 vers 1 tot en met 10 (Ezra 03:01-10). Als nieuwtestamentische christenen weten wij dat het nu niet meer gaat om de herbouw van een zichtbare tempel in de natuurlijke wereld, maar om de bouw van het Huis Gods, de gemeente van Jezus Christus. Paulus zegt dat God niet woont in tempels met handen gemaakt (Hand. 10:24) en dat wij als levende leden van Zijn lichaam nu de tempel vormen (1 Kor. 03:16; Ef. 02:21).

 

 

We zijn blij en dankbaar door redactie

In ons vorige nummer schreven wij op deze plaats over onze financiële zomeractie, de jaarlijkse oproep aan het begin van de zomer een extra bijdrage over te maken voor het werk van Levend Geloof. Ook dit jaar vertrouwen wij. erop dat vele van onze lezers en lezeressen zullen reageren. U kunt uw bijdra­ge overmaken op één van onze bankrekeningen, zoals vermeld in de Colofon op bladzijde 2. Voor degenen die al spontaan reageerden zijn we erg blij en dankbaar. Het stimuleert ons om met inzet en toewijding door te gaan met de grote opdracht: de verkondiging en uitleg van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Het is het enige evange­lie wat in overeenstemming is met de wil van God. Ook Jezus en de apostelen brachten dit evangelie en het zal in deze eindtijd, temid­den val alle misleiding, blijken hoe ‘waardevol en waardevast’ dit evangelie is.

We zijn daarom ook blij en dank­baar voor de velen die grote waar­dering hebben voor de inhoud van ons blad en iedere twee maand weer verlangend uitkijken naar het nieuwe nummer. We blijven, onder inspiratie van Gods Geest, ons best doen ieder nummer weer zo aan­trekkelijk mogelijk te maken, dat wil zeggen zonder franje of opsmuk, een zo veelzijdig moge­lijke belichting van het evangelie. Daarbij zijn sommige artikelen meer bestemd voor hen die de weg naar het nieuwe leven pas ontdekt hebben, terwijl andere artikelen meer gericht zijn op de verdere groei van ons geloofs­leven.

 

Het werkelijke beeld van God door Gert Jan Doornink

 

Door alle eeuwen heen hebben men­sen geprobeerd zich een beeld van God te vormen. Wie is God en hoe moeten we ons Hem voorstellen? Hoe kunnen we Hem leren kennen? Of kunnen we überhaupt Hem wel leren kennen? Zal er niet altijd iets mysterieus, iets ondoorgrondelijks blijven bestaan? Zal er altijd een kloof blijven bestaan tussen God en mens? Of is het goddelijke al in ons en zijn we zelf al godheden op zich? In onze dagen hoort men daarover de meest vreemde opvattingen en niets wordt meer bijzonder gevon­den. Je mag er rustig een eigen Godsbeeld op nahouden is de mening van velen, want de kerk met zijn dogma’s en leerstellingen heeft toch gefaald en kan geen antwoord geven op de belangrijkste levensvra­gen. Zo wordt een wirwar van gedachten en meningen over de mensheid uitgestort en het is daar­om geen wonder dat velen door de bomen het bos niet meer zien en het totaal niet meer belangrijk vinden hoe men over God denkt.

Ook vroeger al

Toch is dat niet alleen iets van de laatste tijd. Tweeduizend jaar gele­den was het eigenlijk al net zo. Ik moet denken aan het verslag van Lucas in Handelingen over het bezoek dat Paulus bracht aan Athene (Hand. 17:15-34). Terwijl hij wachtte op de ontmoeting met Silas en Timotheüs, en zo eens rondkeek in de stad, werd zijn geest in hem geprikkeld, toe hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was (Hand. 17:16). De mensen hadden zich allemaal een eigen beeld van God gevormd.

Nu moeten we wel eerst even vertel­len dat er met Paulus iets gebeurd was. Hij had een totale omwenteling” in zijn leven meegemaakt. Hij was van een vervolger van de gemeente van Jezus Christus een levend getui­ge van Hem geworden. Onderweg naar Damascus, zo kunnen we lezen in Handelingen 9, gebeurde dat wonder. Daarna werd hij klaarge­maakt voor een bijzondere taak in Gods Koninkrijk.

Hij volgde daarbij eerst de ‘normale procedure’ van elk kind van God, namelijk liet zich dopen door onder­dompeling en werd gedoopt in heili­ge Geest. Ook kende hij -en ook daarin is hij ons tot voorbeeld- een groei in zijn geloofsleven. We lezen namelijk van hem dat hij steeds krachtiger optrad (Hand. 9:22a). Paulus had de mentaliteit van een doorzetter, een volharder en is ons ook hierin ten voorbeeld. Hij was en bleef trouw aan de Heer die hij dien­de. Later zou hij in één van zijn brie­ven schrijven dat men trouw niet bij allen vindt.

Ook Jezus had die oproep tot volhar­ding destijds al naar voren gebracht, met de opmerking in zijn rede over de zogenaamde laatste dingen in Matt. 24, dat wie volhardt tot het einde behouden zal worden, met andere woorden: die zal het einddoel bereiken (vs. 13).

Wat ging Paulus doen?

Maar weer terug naar Athene, twee­duizend jaar geleden. Paulus constateerde dus de duistere omstandighe­den waarin de mensen van Athene zich bevonden. En -wat belangrijk is- hij ging er iets aan doen. Vers 17 zegt: “Hij hield daarom in de synago­ge samensprekingen met de Joden en met hen, die God vereerden, en op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof’. Wij zouden zeggen: hij was zowel binnen als buiten de gemeente actief. Let speciaal ook op het woordje ‘daarom’. Als je dat weglaat komt deze tekst heel anders over, bij wijze van spreken veel neutraler. Dan zou je kunnen zeggen: Nou ja dat was immers zijn taak. Wij zouden zeg­gen: hij werd er immers voor betaald, dat was zijn beroep. Maar zo lag het bij Paulus natuurlijk niet. Het was de ‘gedrevenheid’, de zal­ving van Gods Geest die hem inspi­reerde om zo te handelen en te spreken.

En denk nu niet dat hij direct dacht aan grote resultaten, zoals wij vaak geneigd zijn te doen. Wij kijken naar het aantal; de macht van het getal speelt in onze dagen een allesover­heersende rol.

Het gaat God echter niet in de eerste plaats om de massa, om het grote, het imposante. Niet in de eerste plaats om de kwantiteit, maar om de kwaliteit. Al heeft Hij natuurlijk wel alle mensen op het oog, want de genade Gods is verschenen heilbren­gend voor alle mensen (Titus 02:11). Paulus werd in ieder geval niet afge­remd door de gedachte: zou het wel veel opleveren? Hij handelde vanuit zijn hart. En uiteindelijk, ondanks al zijn inspanningen, was het resultaat dat slechts een klein aantal tot geloof kwam. Je kunt het lezen in vers 34: Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris. en anderen met hen”.

Het evangelie van de opstanding

Paulus had dus zoveel mogelijk zijn best gedaan om de mensen van Athene de werkelijke weg aan te wij­zen opdat zij God zouden leren ken­nen, zoals deze werkelijk was. Als je in vers 18 leest dat sommigen waar­mee hij in discussie was, zeiden: “Hij schijnt een verkondiger van vreemde goden te zijn; want hij bracht het evangelie van Jezus en van de opstanding”, dan krijgen we hiermee meteen de sleutel aange­reikt tot het werkelijk leren kennen van God. Paulus wilde als het ware zeggen: als je Jezus leert kennen, als je gaat geloven in het evangelie wat Hij bracht, en dat Hij aan het eind van Zijn leven de dood heeft over­wonnen, dan leer je daarmee God werkelijk kennen. Want zo Jezus is, is God.

Jezus openbaarde wie God werkelijk is. Let wel: Hij is God niet, maar openbaarde God. Jezus heeft ook geen enkele maal tijdens zijn leven gezegd: ‘Ik ben God’. Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18) is wat dat betreft erg duide­lijk: “Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen”. Jezus toonde wie God was, Hij openbaarde het wezen van God.

Dat bracht Paulus in Athene op dui­delijke wijze naar voren en dat is ook vandaag onze opdracht: Tonen wie God is, door te tonen wie Jezus is. Hoe Hij in ons leven alle dingen heeft nieuw gemaakt, hoe we nieuwe scheppingen zijn in Hem.

Niet ver weg, maar dichtbij

De Atheners waren op zoek, zoals vandaag vele mensen op zoek zijn. Toch brengt Paulus duidelijk naar voren en mogen ook wij dat doen, dat God eigenlijk heel dichtbij is. De mens is immers door Hem gescha­pen, naar Zijn beeld en gelijkenis. “Want in hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, gelijk ook enige van uw dichters hebben gezegd: Want wij zijn ook van zijn geslacht” (vs. 28). Paulus haakte in op het geloof van de Atheners. Je zou kunnen zeg­gen: ze waren heel dichtbij en tegelij­kertijd veraf. Wat was de fout? Ze zagen aan wat voor ogen was, wat zichtbaar was. Zij hadden zelfs een altaar gemaakt voor een onbekende God. Maar Paulus bracht uitdrukke­lijk naar voren dat God niet woont in tempels met handen gemaakt (vs. 24). God is van een hogere dimensie. Wil je Hem werkelijk leren kennen dan zul je een radicale verandering in je denken moeten ondergaan, wat hij ook in vers 30 en 31 verder omschrijft.

Terug naar Gods wereld

Daarbij springt het woord ‘bekering’ in het oog. Zodra je los gaat komen uit het zichtbare, het tijdelijke, het veranderlijke en de wereld binnen­gaat van het onzichtbare, het eeuwi­ge, het onveranderlijke, ben je weer verbonden met de werkelijke God, ben je teruggekeerd in de oorspron­kelijke wereld die God voor ieder mens bestemd heeft: een wereld die enkel goed en rechtvaardig is. Een wereld waarin geen plaats is voor duisternis of zonde, de wereld van het licht, de reinheid, de zuiverhuid, het echte leven zoals God dat voor ieder mens bedoeld heeft. Johannes schrijft het zo mooi: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (1 Joh. 01:05b). Jezus, als de volmaakte beelddrager Gods, formuleerde het zo: “Ik ben het licht der wereld, wie in Mij gelooft zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (1 Joh. 08:12). Dus op een rijtje gezet:

God is licht.

Jezus is licht.

Wij zijn licht (behoren het althans te zijn).

Drieëenheid of vierëenheid?

Ik zou haast geneigd zijn te zeggen: dat is de werkelijke drie-eenheid zoals

God die voor ogen heeft. Er wordt in onze dagen zoveel discussie gevoerd over de dogmatische drie-eenheid: ‘God, de Vader; God, de Zoon; en God, de Heilige Geest’. Daarbij kan de mens zo heerlijk buiten schot blij­ven, terwijl het God juist gaat om de mens!

Nog afgezien van het feit dat het geloof in de ‘dogmatische drie-eenheid’ geen enkele garantie geeft of men ook werkelijk een nieuwe schepping is -ook het naam-christendom gebruikt deze formule immers- gaat men dan ook heel verkeerde en afwijzende gedachten ontwikkelen ten aanzien van oprechte kinderen Gods die door Gods genade de ogen geopend zijn voor het nieuwe leven in Christus en wiens leven noch maar door één ding beheerst wordt: hoe komt dat nieuwe leven zoveel mogelijk tevoorschijn, met andere woorden: hoe openbaar ik mij als werkelijke beelddager van God? Bij een waarachtig gelovige gaat het (daarom ook) niet alleen om het geloof in een al of niet dogmatische drie-eenheid, maar om het geloof én de beleving van de viereenheid: Vader, Zoon en wij, door de werking en het vervuld zijn met Gods Geest. Het gaat erom dat het hoe langer hoe meer zichtbaar, cq. geopenbaard wordt dat we nieuwe scheppingen in Christus zijn, dat we behoren tot het Koninkrijk van de levende Heer, dat onze gemeenschap is met de Vader en de Zoon, door de heilige Geest. Dat gaat natuurlijk nog niet altijd van een leien dakje, omdat we nog leven in een wereld waarvan Satan de overste is. Maar zijn positie is van tijdelijke aard: Jezus heeft hem al overwonnen en hij gaat zijn verdere eindafgang tegemoet. Juist omdat Jezus als mens in deze wereld was, is voor ieder mens de mogelijkheid geschapen om God te leren kennen zoals Hij werkelijk is, en dat meer en meer te openbaren in ons gewone dagelijkse leven.

Wij vormen Zijn lichaam

Maar was Jezus in deze tijd nog maar als mens in deze wereld…

Want hoe moet het thans, nu Jezus niet meer lichamelijk, in een lichaam van vlees en bloed, in deze wereld is?

Nu is het de taak aan óns om te tonen, te openbaren wie God werke­lijk is. Wij zijn immers nu Zijn ver­tegenwoordigers, wij vormen Zijn lichaam en zijn leden van dat lichaam. Wij behoren tot de gemeen­te van Christus. En daarom zou het ons veel moeten bezighouden: Openbaar ik mij als zodanig? Zien de anderen het beeld van Christus in mij? Laat dit ons dagelijks gebed en verlangen zijn: openbaar te worden als werkelijke vertegenwoordiger van Christus, van Zijn Koninkrijk, Dat was het wat het leven van de eerste christenen beheerste en ik ben er- vast van overtuigd dat dit ook meer en meer het leven van de waarachti­ge christenen die nu leven gaat beheersen. Dan vechten we niet in de eerste plaats meer voor ons eigen gelijk, voor onze eigen groep of gemeente, maar dan weten wij het gaat om Hem en Hem alleen. Dan kunnen wij vergeven als iemand ons recht heeft aangedaan en kunnen wij de minste zijn. Dan stralen wij vriendelijkheid uit en zijn we bewo­gen met hen die het moeilijk heb­ben. Maar ook: dan bieden wij weer­stand aan de geraffineerde aanvallen uit het rijk der duisternis en zijn we bereid geestelijk te strijden. Dan zijn we volhardend en laten we ons niet in met leringen die ons aftrekken van Gods doel met ons leven: de volle openbaring van Jezus Christus door ons leven.

Nu weet ik wel, dat dit niet van de ene op de andere dag gerealiseerd is, maar ik ben er vast van overtuigd dat het hierom gaat, dat dit doel ons “dagelijks behoort bezig te houden, de tijd van compromis, van half­slachtigheid, van het maar een beetje aanrommelen behoort voorbij te zijn.

Gods volle openbaring

Het gaat om het ene allesomvattende feit: openbaring van de volheid van Christus (Kol. 02:09) en daardoor dus openbaring van de levende God, want Hij heeft zich maar op één wijze ten volle geopenbaard, name­lijk in Christus.

Iedere andere openbaring, zoals we die in de Bijbel aantreffen, was een gedeeltelijke openbaring. (Paulus spreekt in Handelingen 17 over ‘de tijden der onwetendheid’). Alleen in Christus heeft God zich ten volle geo­penbaard. Christus toonde dat de dood, de duivel, de zonde en noem verder maar op, niet het laatste woord heeft, maar de overwinning over de zonde, over de duivel, over de dood.

Paulus en de andere christenen van het eerste uur waren zich dat ten vol­le bewust. Daarom lezen we van Paulus dat hij in Athene het evange­lie van Jezus en van de opstanding bracht (vs. 18). Daarom sprak hij, voor de Areopagus staande, dat God het bewijs geleverd heeft door Jezus uit de doden op te wekken (vs. 31). De moderne theologen in onze dagen loochenen dit of zwakken dit dusdanig af dat er alleen een beetje filosofisch geredeneer overblijft. Ze blijven echter rustig gehandhaafd in hun kerkgemeenschappen. Waarom? Omdat de grote massa daar zelf ook geen weet van heeft. Het is net als ten tijde van de profeet die al zei: “Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis” (Hos. 04:06). (Het gaat om de kennis (het leren kennen van) de levende God, zoals Jezus die openbaarde).

Men kent geen werkelijk persoonlijk geloof meer, die begint met bekering en wedergeboorte. Men heeft het -zij het misschien onbewust- op een accoordje gegooid met de vorst der duisternis, die niets liever wil dan dat de ‘Godsverduistering’ gehand­haafd blijft.

Zij die echter de ogen geopend zijn voor de geestelijke werkelijkheid, zoals die tot openbaring kwam in Christus, laten het er niet bij zitten. Zij worden, evenals Paulus in Athene, in hun geest geprikkeld er iets aan te doen. Wat zeg ik: er alles aan te doen wat in hun vermogen ligt om de mensen te tonen wie Christus, en dus God, werkelijk is.

Verantwoordelijkheid

Als je daar ook maar even over nadenkt dan kom je uiteraard tot de conclusie dat we een zeer verant­woordelijke taak hebben, maar ook een heerlijke taak. Ik vind het nog altijd een voorrecht zo in de dienst van de levende God te mogen staan. U ook? Dat heeft niets te maken met het feit of men al of niet fulltimer is, waarmee dan bedoelt wordt dat je je gewone baan opzegt en dan verder geen maatschappelijke functie meer hebt. Juist jonge mensen moeten hiervoor oppassen, denk ik wel eens, want ook dat kan een verleiding uit het rijk der duisternis zijn, om te menen dat je dan pas werkelijk in de dienst van de Heer staat. Dat is beslist niet waar, want juist in ons gewone alledaagse leven zal het nieu­we leven in Christus tot openbaring behoren te komen. Denk maar aan Paulus. Als je verder leest in Handelingen 18 dan lees je dat hij vanuit Athene in Korinthe kwam. Daar trof hij een echtpaar aan dat hetzelfde werk deed als Paulus. En wat lezen we dan van hem in vers 3?: “En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren ten­tenmakers van hun handwerk”. Had Paulus nu ineens als evangeliever­kondiger afgedaan? Had hij de pijp aan Maarten gegeven? Integendeel, want prompt daarop lezen we in vers 4: “En hij hield elke sabbat bespre­kingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen”.

Wij zijn allen geroepen!

Ieder van ons, jong en oud, pas- bekeerd of al vele jaren geleden tot geloof gekomen, heeft in de ogen van God een even belangrijke taak. Wij zijn geroepen ‘Christus’ te open­baren in elk facet van ons leven. En door Hém te openbaren, openbaren wij wie God werkelijk is: een God van liefde, een God van heil, een God van eeuwig leven. Een God die de mens volmaakt en goed gescha­pen heeft naar Zijn beeld en gelijke­nis. En die Zijn schepping weer terug wil brengen in zijn oorspron­kelijke volmaakte staat, totdat er uit­eindelijk een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn waarvan vol­maakte vrede en gerechtigheid de kenmerken zullen zijn. Een weet u wat zo geweldig is: Daaraan mogen wij meewerken.

Niet voor een klein beetje, maar met heel ons hart, met heel ons wezen, want wij zijn -zoals Paulus dat formuleert in 1 Korinthe 3 vers 9 (1 Kor. 03:09)- Gods medear­beiders.

Daar kan ik volmondig en met heel mijn hart ‘halleluja!’ op zeggen. Wij mogen God er iedere dag voor dan­ken dat Hij ons die hoge roeping, in Zijn grote liefde en genade, heeft toevertrouwd!

 

Doorsta de weeën door Duurt Sikkens

Hoewel het niet de bedoeling is extra lange artikelen te publiceren, vormt dit artikel van Duurt Sikkens hierop een uitzondering. Het is een bewer­king van een eerder uitgesproken boodschap. Dit indringende appèl op de eindtijdgemeente achten we der­mate belangrijk dat we het gaarne publiceren in ons blad. (-red.).

“Er werd een groot teken in de hemel gezien: een vrouw, met de zon bekleed, met de maan onder haar voeten en een kroon van twaalf sterren op haar hoofd; en zij was zwanger en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren. En er werd een ander teken in de hemel gezien en zie, een grote rossi­ge draak met zeven koppen en tien horens en op zijn koppen zeven kro­nen. En zijn staart sleepte een derde van de sterren des hemels mede en wierp die op de aarde” (Openb. 12:01-04).

Openbaring 12 is een hoofdstuk dat mij al veel en vaak heeft beziggehou­den. Het boek Openbaring is niet geschreven om bang te maken, maar deze woorden, die Jezus ontvangen had van de Vader en aan Johannes gaf, zijn geschreven om sterk te wor­den in de hulp van God. Deze profe­tie gaat niet over Maria, hoe vaak ze ook in allerlei kerkjes en toeristische kloosters wordt afgebeeld met twaalf sterren rond haar hoofd en het kindeke Jezus op haar arm. Je kunt geen verklaring opslaan over dit hoofdstuk of er wordt maar over Maria en Jezus gesproken. Mijn vraag is: ‘Hoe kun je een profetie uit­spreken over iets wat al gebeurd is?’ Dat is onzin. Openbaring is geschre­ven voor de toekomende dingen, de dingen die nog staan te gebeuren! Gelukkig zijn we er door Gods Geest achter gekomen dat het hier over DE gemeente gaat. DIE gemeente, die haar domicilie heeft in de hemel, als het vrije Jeruzalem. En uit deze stad, uit deze vrouw, komen te zijner tijd wezens, geestelijk vrije mensen tevoorschijn die aan het doel van God beantwoorden. Die zijn geestelijk volwassen geworden.

In verwachting

Deze vrouw en moeder is in ver­wachting. Een gemeente welke die verwachting niet heeft zal nooit een zoon baren. Hoe houd je de ver­wachting binnen in je levend? Door te geloven dat het zaad Gods dat in je geplant is -zijn woord- zal uitgroei­en, en dit woord wordt vlees en bloed en neemt in een mens gestalte aan. Dat vind ik het mooie van een moeder, een vrouw die in verwach­ting is en binnen in zich gestalte geeft aan het zaad van de man. Dat is mooi! Daarom kunnen ze ook niet zonder elkaar.

En nu schreeuwt ze, in haar ver­wachting, omdat haar tijd gekomen is. Ze heeft ernaar uitgezien en nu komen die pijnen. Daar heeft zij niet om gevraagd, maar ze zijn er wel. Een heleboel mensen denken dat die vrouw lof en dank roept tijdens de weeën en dat God acht slaat op het lofgezang van zijn gemeente. Nu, dat heb ik nog nooit gelezen in de Bijbel. Wél na een overwinning, dan wil je wel loven en prijzen. In Exodus 3 vers 7 (Ex. 03:07) en verder staat bij­voorbeeld: “En de Heer zei: Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk, en hun gejammer over hun drijvers gehoord. Ik ken hun smarten. Daarom ben Ik neergedaald om hen te redden uit de handen der Egyptenaren. Kijk, het gejammer der Israëlieten is tot Mij doorgedrongen; ook heb Ik gezien hoezeer de Egyptenaren hen verdrukken”. God slaat acht op het geschrei! Wanneer je doet of je geen weeën hebt en je staat daar maar te loven en te prijzen tot je er letterlijk bij neervalt, wat voor hulp moet er dan verleend worden? Doe alstublieft nooit geforceerd en gewild positief, want het is niet reëel. Als je weeën hebt en pijnen, dan schreeuw je het uit in je pijnen. Jezus zegt in Johannes 16 vers 20 en 21 (Joh. 16:20-21): “Gij zult schreien en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden, gij zult u bedroeven, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. De vrouw die baart heeft droefheid omdat haar uur gekomen is, maar wanneer ze het kind ter wereld heeft gebracht, denkt zij niet meer aan haar benauwdheid, uit vreugde dat een mens ter wereld gekomen is”. Ze heeft nu wel droef­heid, maar straks niet meer.

De vrouw en de draak

Hier wordt gesproken over twee tekens. Het ene teken is die vrouw en het andere teken is die draak. Het ene teken is van God en het andere van de boze zelf. Dus het teken van God, dat ben jij. Daar moet je eens over doordenken. Als je de Heer om een teken bidt, moet je eens gaan geloven dat je het zelf bént. Jezus zegt in zijn toespraak over de eind­tijd (Matt. 24:30): “Dan verschijnt het teken van de Zoon des mensen”. Wat is dat? Iets waar zijn Vader en Hij naar uitgekeken hebben, name­lijk de vrouw uit wie eindelijk het scheppingsverhaal werkelijkheid gaat worden: “… mensen naar Mijn beeld en naar Mijn gelijkenis”. God heeft die gedachte nooit losgela­ten en Hij hoopt dat jij hetzelfde gelooft. Zou je het willen? Totaal los van de aardse zekerheden, zou je het kunnen? Kan ik het zelf? Want anders lopen we weer een theoretische leer na in plaats van dat het praktijk wordt in je eigen leven. Het volgroeide zaad van de vrouw, dat is het teken van God. De duivel wil ook zaad hebben -het zaad van de slang- daar moeten ook zónen uit tevoorschijn komen. En allebei spra­ken ze over God. Beide groepen zonen, beide tekens. Hoe onderscheid je dat? Als er iets nodig is in deze tijd is het wel het onderschei­den van geesten en de daaruit voort­vloeiende leringen.

De grote verleiding

Voordat die vrouw hier baart, gebeurt er eerst iets in de hemel en wel het volgende: de staart van de draak zwiept door de hemel en slaat daar sterren weg, een heleboel ster­ren in de ruimte. Voordat de vrouw baart komt er eerst een grote verlei­ding. Welke is deze verleiding? Wel, die heeft verschillende kanten, maar het is dé grote verleiding. Paulus noemt deze verleiding ‘de afval’. En dat heeft te maken met de barens­weeën van de vrouw. Er staat in vers 2 dat ze “schreeuwde in haar weeën”. Dus je hebt het als gemeen­te praktisch gesproken, vreselijk moeilijk en als individu ook, omdat er iets tevoorschijn gaat komen, waaraan je wilt meewerken. Verder staat er “pijn om te baren”. Daar staat in het Grieks een woord dat is afgeleid van het woordje ’toets­steen’. Het zijn de beslissende beproevingen. Dat maakt het baringsproces zo pijnlijk. Er komen dingen op je af waar je niet om gevraagd hebt, maar ze zijn er wel. God stuurt die beproevingen ook niet, maar ze komen wel. Laat die vuurdoop maar aan de boze over. Jezus doopt niet met vuur zoals Johannes de Doper dacht. Maar dit is een eigenaardig vuur, dat rossige vuur, want dat beest is rossig. Je ziet een gloed van vlammen zoals je dat kan hebben bij een brand, een vurig verschijnsel.

Het is ook licht, maar wel een ander licht. Dat is ‘vreemd vuur’ zouden ze in het Oude Verbond zeggen. “Daar moet je niet mee op mijn altaar komen”, zegt God, “dat wil Ik niet voor mijn aangezicht zien”. Ik zei dat daar een woord staat dat is afgeleid van ’toetssteen’. Wanneer Jezus de gelijkenis vertelt over de zaaier, dan zegt Hij dat er van die zaadjes zijn die in ’t begin enthou­siast zijn en zeggen: ‘Ja, dit is het, Jezus is Heer’; enfin, het enthousias­me kent grenzen. Even later staat er: “In een tijd van beproeving worden ze afvallig”. Als ze het moeilijk krij­gen willen ze daar geen deel aan hebben en dan vallen ze liever af en worden de beproevingen je zeker bespaard…

De beslissing

Jezus heeft gekozen voor de vuur­gloed van die beproevingen! Dat is een zware beslissing geweest. Als je op aarde voor een ideaal kiest en je weet dat je zal worden tegengewerkt dan moet je dat wel incalculeren. Wanneer je kiest voor een baby dan houd je rekening met een heleboel dingen. En al die dingen waar je doorheen gaat, die worden verlicht door wat er komt. Zo zit het. De weeën om te baren zijn de beproevingen, die beslissen of het echt is of niet wat je wilt. Het kost veel moeite hoor, dat wil ik je wel vertellen, om staande te blijven en te onderscheiden. “Om je moeitevol lij­den zul je het zien”, want het lijden staat niet op zichzelf. Lijden, daar zit alleen de boze achter met het doel te roven waar God zijn hart op gezet heeft: een geestelijk mens, jij. De duivel gunt God niet dat Hij zijn zonen ziet. Een mens aan Hem gelijk? Dat moet verhinderd worden. Nooit gemerkt in je persoonlijke leven? Zonder reden aangevallen worden en je waardigheid schijnt zo maar weggeplukt te moeten worden en hij slaat zijn hand aan je mantel om je de gerechtigheid te ontnemen.

Degenen die gekozen hebben weten precies waar ik het nu over heb. De weeën, waar de echte christen dóórheen moet, maken uit of iemand waar is of niet. Die bedenkt God niet. De duivel bedenkt ze en God zoekt een weg om de weeën te verduren. Je wordt er niet van gevrij­waard, maar je léért die verdrukking te doorstaan.

Geen verdoving

Nu zijn er mensen die geestelijk bij het baringsproces graag een verdovingsspuitje willen hebben. Zo werkt het hier niet. Zoals Petrus tegen Jezus zei: “Oh, dat verhoedt God wel”, terwijl de satan deze schijnbaar geruststellende woorden zei. En wat zegt Jezus? “Ga achter mij satan”. Dus als jou iets overkomt weet dan waar het vandaan komt. Als je een kind van alle moeilijkhe­den vrijwaart tijdens de opvoeding, dan moet jij eens kijken als het twin­tig is. Dan is het totaal afhankelijk van jou geworden. Niks geleerd. Niet geleerd om zélf te denken, want ze zijn door en door verwend en niet meer weerbaar. Pas op voor de ver­doving; de geforceerde lofprijzing, de opgelegde aanbidding. De moeilijk­heden vergeet je wel even, maar even later sta je er weer voor en je zakt nog dieper weg. Doe dat niet, laat je innerlijk genezen door het Woord; dat geneest, en niet de verdoving. De staart van dat enorme reptiel, een mythisch monster, zwaait door die sterrenwereld. Dat zijn allemaal christenen die een hoge positie in de hemel hebben gekregen. Dank zij de genade Gods zijn ze hoog gekomen. En de punt van de staart zoekt zijn weg om te kijken wie hij uit die hoge positie kan halen en het lukt hem. Bij één-derde deel lukt hem dat.

Het venijn in de staart

Wat is die staart? In Jesaja 9 vers 14 (Jes. 09:14) staat dat de staart de profeet is die leugen onderwijst. Dus er komen profetieën, zomaar. Waar? In de krant? Nee, in het paradijs, in de gemeente, en ze proberen jou, zoge­naamd in de naam van onze Heer, uit je hoge positie te halen. Dat is de bedoeling! Een profeet, die leugen onderwijst. En er staat ‘hij sleept’, daar zit geweld achter, je moet weer wat. Ze verliezen hun hoge positie en wat laten ze los? Hun hemelse roeping. De eer van mensen en gemeenteleden zit hen hoger dan de eer van God.

Die geest der dwaling -want het venijn zit in de staart en venijn is gif­ die verleidingen beginnen onder de kinderen Gods hun weg te zoeken, zoals Eva in het paradijs verleid is met Adam. Daar beginnen de afwij­kingen, niet zo maar ergens van bui­ten, maar temidden van de kinderen Gods en sommigen gaan dan de leu­gen geloven.

Welke leugen? Dat je op een andere manier aan het beeld van God gelijkvormig wordt dan door de weeën heen, want weeën zijn immers pijn­lijk. Ze doen niet mee. Ze willen op een andere manier aan God gelijk worden en de duivel werkt wel met hen mee hoor. Immers, die sterren, die daar uit de hemel gevallen zijn, hebben geen weeën doorstaan, heb­ben het nooit moeilijk gehad. Ze drijven de spot met jou omdat jij het moeilijk hebt. Ze vinden jou dan geen echte christen. Tegen Job werd gezegd: “Jij zit op een mesthoop en dan ook nog beweren dat je onschul­dig bent? Dat kan niet! God moet een hekel aan je hebben!” Dat zijn nou de mensen die je dan schijnbaar troosten. Ze staan gewoon in dienst van de ongerechtigheid en ze richten zich tégen de onschuldigen. Want ik denk wel eens: Wat zochten die mannen daar toch bij Job, waarom zijn ze naar hem toege­gaan? Zeiden ze tegen elkaar: ‘Heb je ’t al gehoord? Het is zo erg met Job?’ En dan gaan ze hem er niet uit­halen, nee, ze drukken hem nog ver­der de mest in.

Draak (in het Grieks ‘drakon’) is gemaakt van het werkwoord ‘derk’ en betekent ‘zien’. Dus de boze richt zo zijn ogen vooral op de vrouw in barensnood. Daar gaat hij vlak voor staan, en hij probeert haar te hypno­tiseren, haar aandacht af te leiden, haar helemaal te bevangen. In vers 14 staat: “… aan de vrouw werden twee vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen naar haar plaats waar ze onder­houden wordt buiten het gezicht van de slang”. Zij heeft zich door de blik van die slang niet laten misleiden.

Aantrekkingskracht

Als je een boom in je tuin hebt staan en de eigenaar zegt: ‘Als je daarvan eet ga je dood’, wat is er dan zo aantrekkelijk aan? Want dat staat in het Genesisverhaal, de boom was aan­trekkelijk om te zien. Dat is een magnetische aantrekkingskracht! Zoals vandaag aan de dag ook veel mensen zo bezig kunnen zijn met de dood. Wat gaat daar toch van aantrekkingskracht vanuit, denk ik dan. Wat is er zo mooi aan de dood? Er wordt toch al veel te veel waarde aan de lichamelijke dood gehecht. Paulus zegt; ‘hij is afgeschaft’. Denk er maar nooit meer aan.

Waar word je naar toe getrokken, wat vibreert er in je mee? Wat is het aantrekkelijke van die vrucht van de ver­keerde boom om op die manier als God te kunnen zijn? Want in het paradijsverhaal staat voor het woord ‘slang’ in ’t Hebreeuws ‘nachasj’. Weet je wat dat betekent? ‘Het god­delijke, het glanzende en het beto­verende’. Dan hoef je niet te vragen hoe occult dat is. En met zijn woor­den en met zijn ogen trekt hij je naar beneden, als je niet uitkijkt. Want zijn aard is sinds het paradijs niet veranderd.

Hij is ook om Jezus heen gaan kron­kelen toe Hij in de woestijn was, kij­ken of hij een plekje in Hem kon vinden waardoor zijn aantrekkings­kracht vergroot werd maar die kon hij niet vinden. Toen zei hij: “Als je één knieval voor mij maakt dan geef je die héle aarde”. Een aanlokke­lijk aanbod, het aantrekkelijke. ‘Dan word je als God vereerd’. En de dui­vel legt je dan geen strobreed in de weg, nee hoor, hij is blij dat jij in zijn dienst staat.

De oude slang

Zijn aard is niet veranderd, want wat staat er in vers 9? De ‘oude’ slang, onveranderlijk. Ik wil wel eens een voorbeeld geven van wat gif uit die staart, als je het goed vindt. Ik kreeg een brief waar ondermeer instond: ‘Wij moeten niet zo comfortabel in de geestelijke wereld zitten’. Zo’n briefschrijver denkt dat wanneer je “in de geestelijke wereld bent, je niets meer doet. En deze mens raadde mij aan om dit comfor­tabele leven in de geestelijke wereld maar los te laten en maar eens tot actie over te gaan op aarde, want er waren zoveel tekenen der tijden en er was zo’n ver­schrikkelijk grote nood… Dan weet ik: die mens is verblind, want hij denkt dat je dan op je gemak daar ergens in de hemel zit. Die ziet geen geestelijke oorlog. Zulke broeders en zusters willen dan ook dat je gaat bidden voor de wereld, ze willen ook graag dat heel de aarde Jbl wordt van de glorie van de Heer in plaats van te beginnen in de hemel, in het Koninkrijk Gods bij het hart van de Vader. Ze willen dat je bidt voor de leidinggevenden op aarde, voor tirannen, voor allerlei groten der aarde, voor politieke bewegingen, ze willen als christenen invloed krijgen. Dan denk ik: invloed krijgen? Als christenen? Waar ben je dan mee bezig? Dan ben je als een politieke partij. Politiek en religie moeten in de toekomst dan samen­gaan, want anders krijg je immers geen invloed?

Acties? Strategieën? Wat zegt Jezus in Johannes 17 vers 9 (Joh. 17:09)? “Niet voor de wereld bid Ik, maar Ik bid Vader voor hen die Gij Mij gegeven hebt, want ze zullen het moeilijk krijgen. Ik bid dat zij hun geloof behouden”. De satan schudt de gemeente en dat merk je, tenzij je slaapt.

Dwalingen en verleidingen

Eer van mensen zoeken, dat is ook zo’n dwaling. Dan zoek je namelijk macht op aarde. Je zoekt ook getuige­nissen van mensen. Dan ga jij er ook weer van getuigen. Nou, dat is geen getuigenis. Wij zijn getuigen van de Vader.

Ik ben heel gelukkig en trots op de kleren die God mij gegeven heeft, dat is mijn trots, en niet mijn eigen gerechtig­heid. Of: moeizame genezingen. Daar zit een verleiding in, hoor, zodat je op de duur zegt: ‘Ik kap er mee’. Ze mopperen, verlaten de karavaan in de woestijn en komen om in de woestijn.

Ergernissen. Sommige mensen erge­ren zich heel gauw. Iemand zei: ‘Denk je dat ik met die schijnheilige broeder in één gemeente wil zitten?!’ Nou, dan denk ik, wie valt hier nou? Dat wordt ook een wee genoemd.

“Wee de wereld”, zegt Jezus, “om de ergernissen”. Er is een wereld van ergernissen, je kunt je overal aan ergeren. Ergernissen veroorzaken dan jouw val. Jezus had toch redenen genoeg om zich te ergeren aan Judas, die verrader. Het komt niet eens in zijn gedachten op! Jezus is er altijd op uit om te behouden. Maar als je daarop uit bent dan krijg je vij­anden. Laat je alstublieft niet betove­ren als Eva en Adam, of verleiden, als het één-derde deel van de sterren. Laat je niet meesleuren door die staart, daar zit dat venijn in, maar beproef zelf de geesten of ze uit God zijn of niet. “Want”, zegt Jezus, “vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan”. Vele, en zij spreken allemaal in de naam van Jezus en Christus en God, maar ze zijn vals. Ze willen je van de smalle weg afhalen. Zolang de weg breed is gaat het gemakkelijk, maar wordt de weg smal – zoals je dat in een baringsproces hebt, als je begrijpt wat ik bedoel- dan krijg je het benauwd, dan wordt je aan weerskan­ten onder druk gezet.

De val naar de aarde

Waarheen vallen nu die sterren? Naar de aarde. ‘We hebben al zolang geestelijk lopen doen’, denken ze. Ze danken dat het een of andere manier van leven is, maar het IS leven. ‘Nou willen we iets doen’ en prompt zak­ken ze naar de aarde, want daar schijnt het doen te liggen, de prak­tijk. Het social gospel vindt weer ingang, maar je bent een lege plaats in de hemelse gewesten. Trouwens, weet u wie uit deze geval­len sterren worden gerekruteerd? Al die valse profeten. Ze hadden een hoge positie, maar ze blijven niet hoog. Ze gaan naar de aarde, ze doorstaan geen weeën en daar zijn ze trots op. ‘Want’, zeggen ze, ‘de Heer is met ons en we hebben het niet moeilijk’. “Nou, kom er dan af, Genezer, dat kun je toch zo goed. Dat noemt zich Zoon van God! Moet je Hem daar zien hangen. Nou, als je een Zoon van God was, dan…” Ken je die uitspraken? Je kent ze vast wel uit de onzienlijke wereld. Je moet wat presteren, alsof je op een aardse manier God moet bewijzen. Wat een verleiding. En God zoekt: “Hoe kan Ik mijn enige Zoon weer moed inblazen?” De enige die bereikbaar was, was één van die misdadigers. Geen lid van de gemeente, stond niet op de adressen­lijst in de computer, niet gedoopt in water, niet Gods Geest ontvangen, maar hij had een zwaar crimineel verleden. En deze man zegt: “Zeg, als je in dat Koninkrijk van jou geko­men bent, wil je dan aan mij den­ken?” En Jezus zegt: “Bedankt Vader, Ik krijg een belofte dat Ik in dat Koninkrijk kom”. In al Zijn lijden heeft God een weggetje gevonden, via die misdadiger.

Golven uit de zee

Religieuze golven slaan op het ogen­blik over de wereld. Niet de late regen uit de wolk. Nee, golven waar geweld achter zit en golven komen uit de zee. Dat zijn religies van de aarde en de door stormen en stro­mingen hoog opgezweepte branding slaat tegen kusten en verder over de wereld en probeert alles en iedereen weg te slepen. “En de één, die zal meegesleurd worden”, zegt Jezus, “en de ander die wordt achtergela­ten”. Waarom? Omdat de laatsten blijven staan! Die worden er niet door meegesleurd, dat staat er in de Griekse grondtekst. De golven slaan wel over je heen. Blijf je staan? Het is net als in de dagen van Noach. En wat zegt Jezus? De mensen zijn altijd bezig met eten en drinken, en danken de Heer alsmaar voor aardse zegeningen. Ze weten ook precies wie met wie verkering heeft en wie er alweer gescheiden is. Dat zijn hun gespreksonderwerpen. “Huwende en ten huwelijk nemende en gevende”. En wat staat er geschreven? “Ze mer­ken niks”.

Dat is je verdovingstoestand, je slaaptoestand. Bezig zijn met de din­gen van de aarde en de aarde is in duisternis gehuld, dus je slaapt. Je hebt het niet door, maar je slaapt en dat is jammer, want wie slapen, sla­pen… ’s nachts, in die duisternis. Ze zijn al verduisterd in hun denken, hoe actief ze ook lijken. Ik hoop niet dat iemand slaapt. Maar die mensen, die uit de hemel geval­len zijn, zijn hun oorsprong ontrouw geworden. Over wie wordt dat ook gezegd? De duivel! (Judas 01:06). In het evangelie van Johannes staat dat hij niet in de waarheid is blijven staan. Hij is God niet blijven gelo­ven, om de mens te dienen. Hij was heerser. “En dezen zijn ook hun oor­spronkelijke positie ontrouw gewor­den”.

Vreemdelingen op aarde

Ik dacht dat wij op aarde vreemdelin­gen waren, want je voelt je hier toch niet thuis? Jullie wel? Dan zul je er ook wel aan hechten. Dat is jammer. God voelt zich thuis in de geest van de mens en je bent Zijn huis. “Kijk toch uit”, zegt Jezus, “dat je je gerechtigheid niet doet voor de men­sen om door hen opgemerkt te wor­den”. “Want”, zegt Hij, “dan heb je geen loon bij je Vader die in de hemelen is”. Het loon is dan de eer van de mensen. Jezus bedoelt hier: Doe maar bescheiden op aarde en ga maar rustig door in de hemel. Dat is ons werkterrein, en het loon van de Vader, dat komt wel. Dat is, dat je volwassen geworden bent. Dat is dat je aan het eind van je moeilijke tocht door de woestijn dat land inkomt waar je zo naar hunkert. Dat je de dingen kunt doen die je zo graag wilt doen.

Maar éérst moet die scheiding komen en de verdrukking maakt de scheiding uit. Als je zegt: ‘Daar zie i. verschrikkelijk tegenop’, dan moet je dat God eens vertellen, want dat is eerlijk, dat is echt, immers niemand vraagt om weeën, niemand vraagt om pijn. Petrus noemt het ‘het vuur der verdrukking’. Ik weet wat dat vuur is: dat zijn de religieuze mach­ten; met profetieën, met ‘zo zegt de Heer’ en ‘de Heer maakt me duide­lijk’. Welke heer? Welke draak? Het zal je heer maar wezen. En waar begint het mee? Met één lucifer en lucifer betekent lichtdra­ger; het is de bijnaam van de boze. “Kijk eens”, zegt Jacobus, “hoe wei­nig vuur een hoop hout in brand steekt”. Er staat ‘een groot bos’, maar dat staat er niet in het Grieks, daar ‘staat ‘een hoop hout’. Dat doet mij denken aan de opmerking van Jezus die Hij tegen die huilende vrouwen maakt. Wat hadden ze medelijden met Hem, maar Jezus was van hun medelijden niet gediend. Hij zegt: “Als er wat te huilen valt, doe het maar over jezelf want Ik ben het jonge, groene, sappige hout; als ze dat al met Mij doen, wat moet er dan wel niet met het dorre hout gebeu­ren?” Dat brandt als een fakkel! En dat begint met één lucifer. Dat is dood hout, daar heeft het leven inge­zeten, het leven van het begin, maar het is eruit, het is hout geworden. Wat staat er achter? “Ook de tong is een vuur”. Het begint met een woord, toespraken, met profetieën. Vreemd vuur, waar God niet om gevraagd heeft voor zijn aangezicht.

Religieuze vlammen

Zo zie ik vandaag de dag de vlam­men door de christenheid heenslaan. Dat is niet dramatisch gezegd, maar je ziet toch ook dat de vlammen om jouw leven heen likken om te kijken of ze iets kunnen verteren, of er hout, hooi of stoppelen inzit, stokou­de gedachten waar geen leven meer inzit. Dat gaat gegarandeerd in brand. Ze slaan door de christenheid heen, ze slaan door de pinksterbewegingen heen, ze slaan door het volle evangelie heen; opdat de leer over de onzichtbare dingen en het onzichtba­re leven Gods maar losgelaten wordt en je je positie verliest in de hemel. Bijvoorbeeld: ‘Nou zijn we zo lang bezig geweest, we moeten nou maar eens wat gaan doén”. Dan denk ik: ‘Wat heb je dan tot dusverre gedaan?’ Religieuze vlammen, die alles wat niet leeft verteren. Door wie is Jezus veroordeeld? Door religieu­zen, die de naam van God gebruik­ten.

Als God openbaren wil in zijn kinde­ren dan wordt de duivel actief, dus er komt een nacht en een dag. Daarom vind ik de uitspraak uit Jesaja 21 zo mooi in de Septuagint: “De morgen is gekomen, maar het is nog nacht”. Dat begrijp ik. Hij is gekomen en geopen­baard in Zijn volk en het is nog nacht. Wie dat ziet in de hemel, die weet dat deze uitspraak waar is. Dat is het antwoord op de vraag: “Zeg wachter, wat is er van de nacht?” Dan noemt hij die twee dingen: het leven Gods in jou én je staat in een duiste­re wereld te schijnen. Ja, het wordt nog donkerder, maar val als een dwaze maagd niet in slaap. Weet je wat er in het Grieks staat voor ‘dwaas’? Afgestompt. Zulke broeders en zusters weten het allemaal wel, lopen al wat jaartjes mee en zeggen: ‘Mij vertel je niks nieuws meer’. Nou daar heb je de beschrijving van een slaper.

Rups of vlinder?

Kennen jullie Hananja, Misaël en Azarja? De meesten kennen hen beter bij hun occulte naam: Sadrach, Mesach en Abednego. Dat waren zeer occulte namen, opgedragen aan de maangodin. Maar hun eerste namen waren Hananja, Misaël en Asarja en ze betekenen: ‘God is genadig’, ‘Wie is als God?’ en ‘God is

hulp’. Ze waren hoge bestuursamb­tenaren in het centrumgewest van Babel. Hoge dienaren, diep in de valse kerk.

Maar die tweede naam, die hen door iemand gegeven was, die hebben ze in hun hart niet aangenomen. Want hun eerste naam, hun oorsprong, die zijn ze trouw gebleven. Ze hebben – om dat nu maar eens op een manier te zeggen zoals er over Mozes gezegd wordt- die hoge functie losge­laten omdat ze, in navolging van Mozes, “de smaad van Christus groter rijkdom hebben geacht dan de schatten van Babel, omdat ze de blik gericht hiel­den op de beloning door God”. Ze wilden geen perfecte rups zijn. Die heeft nooit aan zijn eindbestem­ming beantwoord. Het gaat om die vlinder, het beeld van God dat tevoorschijn geroepen wordt. Wees bezig met je geestelijke ontwikke­ling, dat natuurlijke komt vanzelf en als het dwarsgezeten wordt, nou dan wordt het maar dwarsgezeten, maar blijf je positie als ster in de hemel van de Vader -het Koninkrijk Gods- trouw.

In de brandende oven

Kijk eens naar Daniël 3. Je kent alle­maal wel het verhaal van die bran­dende oven. Ze worden eerst verra­den. Er komen mensen hijgend bij Nebukadnezar: “Ze doen niet mee, ze doen niet mee. Iedereen staat te juichen en te springen en zij blijven zitten. En iedereen knielt, maar zij blijven staan. Dat mag toch niet?” Nebukadnezar wordt kwaad. Wat zegt hij? “Is het met opzet? Doen jul­lie dat expres, niet meedoen?” (Dan. 03:14). Wat is het antwoord? “Wij ach­ten het niet nodig hierop enig ant­woord te geven” (Dan. 03:16). Ze maakten hun gelaat als dat van een keis­teen. “Doen jullie niet mee?” Nee, we willen niet mee­gesleurd worden”. Ze hebben hun oor­spronkelijke naam weer tevoorschijn gehaald, diep in hun hart. De originele betekenis die ze hadden: God is met ons. En dan vind ik daar iets heel gelo­vigs staan in (Dan. 03:17): “Indien onze God, die wij vereren in staat is ons te bevrijden dan zal Hij ons uit die brandende vuuroven en uit uw macht, o koning, bevrijden”. Dan staat er nog iets heel sterks achter: “Zelfs indien niet” (al vlie­gen we in brand) “het zij u bekend, o koning, dat wij uw goden niet vere­ren en het gouden beeld niet aanbid­den”. Al komen we om, of we komen niet om, hier staan we, we kunnen en willen niet anders, maar we knie­len niet voor die enorme religieuze god die jij gecreëerd hebt en die jij daar opgericht hebt en die voor ons onherkenbaar is. We doen niet mee.

Standhouden in de verdrukking

“Als je je taak volbracht hebt”, zegt Paulus tegen de Efeziërs, “na je strijd, houd dan stand”. Dus je hebt je taak volbracht, je hebt ruimte om je heen gekregen, hou nu vast! We gaan dus een tijd tegemoet waar­in je niet moet meedoen met al die stromingen, maar standhouden in de beproevingen, midden in de verzoe­kingen. Snap je nou de uitdrukking van Jezus als Hij zegt: “Jullie zullen door allen gehaat worden om Mijn Naam”. En wie zij die ‘allen’? Dat zijn de gevallen sterren en degenen die naar de gevallen sterren geluis­terd hebben. Het zijn de religieuzen, de zogenaamde christenen, daar word je door gehaat. Ja, de broeder­moord zit diep… Houd stand! Wat staat er in vers 27? “Het vuur heeft geen macht gehad over de lichamen van deze mannen”. Dus het geestelijke vuur heeft ook geen macht gehad over je geestelijke status. ‘Het hoofdhaar is niet geschroeid, je mantel ongeschon­den’, dat vind ik zo’n mooie uitdruk­king. Aan de gerechtigheid waarmee je bekleed bent, zit geen brandlucht. Dat wil zeggen: je kan niet eens aan ze merken hoe moeilijk ze het gehad hebben, want het heeft geen bescha­digingen achtergelaten. Houd stand; blijf standvastig in de genade van God, dat is je leven! Midden in de verzoekingen en mid­den in de beproevingen. Jezus is er ook doorheen gegaan en een knecht moet niet denken dat hij meer is dan zijn meester zodat het jou niet zou overkomen. Als het je niet zou over­komen zou er eigenlijk een lampje moeten gaan branden. Slaap je mis­schien?

Buig straks niet voor de grote chris­telijke wereldreligie. Dat beeld, dat is niet uit God. Blijf staan, rechtop in de storm. Je bent bekleed met de mantel der gerechtigheid, dat is jouw sterkte waarmee God jou vereert, dat wordt jouw grootste kracht, dat wil ik je wel vertellen.

Onaantastbaar voor het vuur

In een apocrief boekje heb ik gevon­den wat die drie mannen daar gebe­den en gezongen hebben in die oven. Hoor maar eens. Dan zeggen ze: “Je hebt ons overgegeven in de handen der goddeloze vijanden en de aller vijandigste afvalligen en aan een onrechtvaardige koning die de booste is in de gehele wereld. We durven onze mond haast niet open te doen, we zijn een schande en een spot geworden voor je knechten, voor allen die U dienen. Geef ons alstublieft niet over ten einde toe om Uws naams wil. Verstoot Uw verbond niet, neem Uw barmhartigheid niet van ons om Abrahams wil die door u geliefd is, tot welke Gij gesproken hebt dat Gij zijn zaad zult vermenig­vuldigen gelijk de sterren des hemels. (Daar heb je die sterren!). Neem ons aan, een verbroken hart een vernederde geest. Dan zullen we niet beschaamd worden die op u ver­trouwen. Verlos ons naar Uw won­derdaden en doe hun gewaar worden dat Gij de Heer zijt”.

En dan gebeurt het volgende: “De dienaren nu des konings, die hen in de oven geworpen hadden, lieten niet af van de oven te doen branden met zwavel en pek en rijshout. En de vlam verbreidde zich boven uit de oven negenenveertig ellen hoog en het verbrandde de Chaldeeën die er omheen stonden en de engel des Heren daalde neer bij Asarja en zijn gezellen in de oven”. En dan: “Hij stiet de vlam des vuurs uit de oven en maakte het middelste des ovens alsof er een windje van dauw suisde en het vuur raakte hen helemaal niet, deed het geen verdriet en geen bekommernis”. Dat zijn getuigen. Wat hebben ze gedaan? Ze hebben niet meege­daan! Ze zijn staande gebleven door de genade Gods en trouw gebleven aan Zijn roeping: “Blijf bij Mij, zoals Ik bij jou blijf’.

Gebed

‘Vader, soms heb ik het zweet op m’n voorhoofd staan als ik er aan denk dat die verdrukking op ons afkomt, maar ik weet alleen Heer, dat, als die dingen gebeuren, wij alleen maar sterk kunnen staan door de genade. Door ons niet te laten ver­leiden ons uit de hemelse positie te halen, maar in ons te zien de verbin­tenis tussen U en ons, dat sterke verbond. zodat we er niet meer uitgetrokken worden en niet meer losge­sneden, maar dat het waar is wat U binnen in ons hebt verwekt. Heer, dan hoeven we niet bang te zijn voor wat er om ons heen allemaal gebeurt. We zien het wel en het gebeurt, maar dat we in genade zo sterk staan dat we overeind blijven. Vader, dan komen die zonen open­baar waar U uw hele leven al op wacht. Ik dank U dat U zelf altijd daarin bent blijven geloven. Ik zegen mijn broeders en zusters met deze gedachten die U over hen heeft. Amen’.

 

Binnenlicht en buitenlantaarn door Jildert de Boer

“De geest van de mens is een lamp des Heren, doorzoekende al de schuilhoeken van het hart” (Spr. 20:27).

Onze geest en Gods Geest

De spreukendichter geeft aan dat het licht van de menselijke geest niet geheel en al gedoofd is sinds de zogenaamde zondeval. Daarmee zou de menselijke geest helemaal in het duister verkeren volgens de gangbare opvatting. Als wij met name denken aan de lamp van ons geweten, dan verstaan wij dat deze ‘stem’ in ons binnenste bij een goed functioneren ervan de schuilhoeken van ons hart kan doorzoeken. Bij sommige men­sen is echter het geweten als met een brandijzer toegeschroeid (1 Tim. 04:02, Statenvert.) en dit doelt dan op de aantasting van het zuivere geweten door de machten der duis­ternis.

De algemene opinie is dat de mens in één keer verdorven werd door de zondeval. Opmerkelijk is echter, dat God bij Kaïn een appèl deed op zijn geweten, op zijn besef van goed en kwaad. “En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed(!) handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heer­sen” (Gen. 04:06-07). De keuze tot goed handelen was nog mogelijk, evenals het heersen over de belager tot zonde! De zonde als belager is een persoon: de duivel. In plaats van de kop van de slang aan te pakken en het slangenvenijn in de kiem te smo­ren, maakte Kaïn de slechte keus zijn broer een kopje kleiner te maken. In 1 Johannes 3 vers 12 (1 Joh. 03:12) staat als conclusie: “hij was uit de boze”. In de engelen wereld had een zonde­val plaatsgevonden, die onherroepe­lijk was. Bij de mens is de verleiding van buitenaf door de satan tot stand gekomen en zo is deze tot ‘zondeverval’ gekomen (een proces van afwij­ken en onnut worden door het addergif, zoals we in Romeinen 3 vers 11 en12 lezen (Rom. 03:11-12). Daarom is er ook voor de mens verlossing moge­lijk door het werk van Jezus Christus en geldt in onze nieuwe leven: “Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen” (Rom. 06:12). Hier wordt de zonde als koning voorge­steld, dus als een persoon, evenals trouwens ook de dood (Rom. 05:14).

Van goddelijke komaf

De menselijke geest is van goddelij­ke komaf en als zodanig diens lamp! Toch is zij, door en onder de beïn­vloeding van het rijk der duisternis, een zwakke lamp. Zij is alleen uit­eindelijk niet opgewassen tegen de pressie van de boze geesten. We kunnen de menselijke geest ver­gelijken met een lamp van bijvoorbeeld 40 of 60 watt. Daarmee verge­leken kunnen we het ongelofelijke potentieel van Gods Geest zien als een ‘elektriciteitscentrale’.

Toch sluit Gods Geest aan bij de menselijke geest en is er sprake van een ‘huwelijk’, als men een kind van God geworden is, die tevens gedoopt is in Gods Geest (Rom. 08:16). De heilige Geest van God versterkt de zwakke menselijke geest enorm, zodat de mens krachtig wordt om de strijd tegen de geesten der duisternis aan te kunnen en daarin te overwin­nen!

Zelfonderzoek in Gods licht

Als wij de menselijke geest vergelij­ken met een zaklamp, dan kunnen we Gods Geest wel een schijnwerper noemen. Deze werpt het zoeklicht naar binnen en spreekt over ons doden van de werkingen des lichaams door de Geest (Rom. 08:13). Dat is dus niet de passieve gezind­heid van: “de Geest moet het maar doen” of “wijk nu al eigen kracht”. Integendeel: onze eigen inzet daarbij is een goede zaak. Het eerste gebod zegt immers onder andere: De Here, uw God liefhebben met… al uw kracht.

Als wij onze eigen kracht inzetten, merken wij dat wij tekort komen, om de zege te behalen, dat de kracht van de menselijke geest ontoereikend is en dat wij behoefte hebben aan Gods kracht, die ons als mens niet uitscha­kelt, maar juist inschakelt. “Indien GIJ door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zult gij leven” (Rom. 08:13). Bij dit onderzoeken van ons leven, onze reacties in de situaties, zijn we ten volle betrokken en er valt veel in onze gedragingen te reinigen. Als wij zelf op dat moment niet vol­doende licht hadden, om onze manier van optreden te ‘zien’, dan geeft de Geest van God ons er vaak achteraf meer licht over. Op die wijze valt er, nadat we gedoopt zijn in de heilige Geest, veel te doden. Als wij dingen bij onszelf ontdekken, die naderhand bezien beter hadden gekund, dan hoeft ons dat niet te ontmoedigen. Integendeel, we grijpen veeleer hoop om verder te komen en meer van het karakter en de mentaliteit van Christus tot uiting te laten komen.

Wat oordelen is

Als wij licht van God over ons leven krijgen, dan kunnen wij onszelf oor­delen. Oordelen is scheiding maken in ons binnenste tussen goed en kwaad, tussen zonde en gerechtig­heid en tussen mens en macht.

In het Oude Testament lezen we al: “Want bij U is de bron des levens, in Uw licht zien wij het licht” (Ps. 036:010).

“Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is…” (Joh. 03:19a). Toen Jezus kwam als het licht der wereld, voltrok zich een scheiding tussen de mensen, die Hem volgden en het rijk der duisternis. Helaas zijn er ook mensen die de duisternis liever gehad hebben dan het licht (Joh. 03:19b). Maar wie de waarheid doet, gaat tot het licht, opdat van zijn werken blijke dat zij in God verricht zijn (Joh. 03:21). De belofte is: “Wie Mij volgt, zal nimmermeer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (Joh. 08:12). Een eerlijk en gezond zelfonderzoek in Gods licht is heilzaam en helpt ons op de weg vooruit. Laten wij niet luchthartig over de dingen in ons innerlijk leven heen walsen. Wie het verlangen heeft Jezus gelijk te zijn, reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (Joh. 03:03, Statenvert.). Regelmatig vermaant de Schrift ons met “zie toe op uzelf’ (bijv. Luc. 21:34 en 1 Tim. 04:16). Met andere woorden: kijk of je leven klopt met de gezonde leer! Bij het avondmaal lezen we: “Ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker” (1 Kor. 11:28). “Indien wij echter onszelf beoordeelden, zouden wij niet onder het oordeel komen” (1 Kor. 11:31). Hier kunnen wij niet lichtvaardig mee omgaan. Het is nodig onszelf af te vragen hoe onze wandel in de praktijk is en waar nog ijdele wandel is ons hiervan te reinigen. Als wij de waarheid over onszelf erkennen, zal de waarheid ons vrijmaken.

Geen gezichtsverlies

Om op sektoren in ons leven losgekoppeld te worden van de machten der duisternis is het vaak nodig voor­bede te vragen. Dat is helemaal geen gezichtsverlies, want daardoor word je juist vrij van banden. Het is een masker om de schijn van in het volle licht te wandelen op te houden en te blijven jubelen, als dit niet in geest en waarheid is. In het licht van het Woord kunnen we onszelf onder de loep nemen en ont – maskeren wat bijvoorbeeld bedrieglijke, geveinsde vroomheid was. God zoekt waarheid in het verborgene! (Ps. 051:008). Hij wil zo graag dat wij echt en puur zijn! “Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op de eeuwige weg (Ps. 139:023-024). Dit zijn ernstige dingen, die we niet af kunnen wimpelen met een oppervlakkige blijdschap. “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk” (2 Kor. 13:05). In onze woonkamer hebben wij een spotje gericht op een zwart hoek-ele­ment. Soms zie je daar stof liggen. Licht van God over ons leven, toont ons die gebieden waar verdere reini­ging kan plaats vinden.

Als in een boodschap bijvoorbeeld ‘t gebied ‘jaloersheid’ in het licht wordt gesteld, dan kunnen we ons­zelf toetsen waar we mogelijk nog last hebben van de geest van jaloers­heid. Soms kan een getuigenis ons treffen: als de Heer hem of haar daarvan bevrijd heeft, dan kan ik daar dus door dezelfde kracht van God ook de overwinning behalen! Ook een geestesuiting kan soms zo raak zijn, dat er een schuilhoek wordt belicht met daarbij de bemoe­diging van verlossing en herstel. Een regel uit een lied kan iets in ons leven aanwijzen, zodat we aan dat punt gaan werken.

Vernieuwing en heiliging

Wat een hoop op verdere, diepere innerlijke vernieuwing biedt God ons! Als wij de dingen waar God ons gaandeweg licht over geeft serieus nemen, dan zijn we in ontwikkeling, in voortdurende heiliging! Deze grondige doorlichting door Woord en Geest, die ons noopt tot zelfonderzoek, is een enorme hulp, om nog resterende, voorheen wel­licht onbewust aanwezige duistere plekken te beschijnen. Dit niet om ons te verblinden, maar om nog don­kere of mistige terreinen op te klaren en ons de ogen te openen voor een verdere, voortgaande reiniging en verlossing. “Op Hem hebben wij immers onze hoop gevestigd, dat Hij ons ook verder verlossen zal” (2 Kor. 01:10b). De tegenstander tracht op sommige gebieden in ons leven lang zijn poot stijf te houden, maar hij zal – als wij getrouw de weg van Jezus gaan – terrein na terrein verliezen!

Licht naar buiten

Van Jezus staat: “Ik ben het licht der wereld” (Joh. 08:12 en Joh. 09:05). Er is echter ook geschreven: “Gij zijt het licht der wereld” (Matt. 05:14). De opdracht is: “Want gij waart vroe­ger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt dan als kin­deren des lichts” (Ef. 05:08). Of: “Doet alles zonder morren of beden­kingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waar­onder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende…” (Filip. 02:14-16a). Waar in ons eigen leven Gods licht geschenen heeft, daarmee kunnen wij anderen nadien helpen. Reeds tot Abram zei God: “Ik zal u zegenen en gij zult tot een zegen zijn” (Gen. 12:02). In zoverre wij verlost zijn, kun­nen wij ook anderen helpen tot beke­ring, Geestesdoop, bevrijding en levensheiliging.

Naarmate wij deelhebben aan het leven van Christus, kunnen wij uit- delers van dit heil aan anderen zijn. Wij kunnen anderen niet verder hel­pen dan daar waar we zelf zijn. “In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen” (Joh. 01:04). Ons leven zal in toenemende mate het licht van Christus uitstralen naar de mensen. Wij ervaren soms wel dat onze lichtsterkte nog beperkt is en dat wij (nog!) niet in staat zijn, om elk mens die op ons pad komt in de naam van Jezus van duistere machten vrij te zetten. We zoeken naar vermeerdering van kracht, licht, inzicht, wijsheid en gezag, om ande­ren meer en beter te kunnen dienen! Laten wij lichtdragers zijn met een bewogen hart voor gebonden en beschadigde schepselen Gods.

De buitenlamp van gastvrijheid

De elektriciteit voor een buitenver­lichting bij een huis komt van bin­nenuit het huis. Als er binnenleidin­gen zijn, kan er ook naar buiten toe een snoer getrokken worden tot ver­lichting. Een tijdje deed de buiten­lamp bij ons het niet. Tot we ons bewust werden dat dit voor iemand bij ons -’s avonds op de stoep niet bepaald een welkom entree bood. Daarom werd er een nieuwe lamp ingedraaid. Geestelijk is het precies zo. Laat er een ‘kom en zie’ van ons mogen uitgaan! Wees zo alert om de buitenlamp in je leven bewust te laten branden, zodat je mensen in nood kunt uitnodigen. Zo’n open huis is het tegenbeeld van de ‘my home is my castle’-gedachte. Ook eenzame zielen binnen de gemeente, snakken naar warme, gastvrije hui­zen, waar zij begrip vinden en hulp, om een stap tot God te doen, of om verder herstel te vinden. “Weest gast­vrij jegens elkander, zonder morren” (1 Petr. 04:09). Er bestaat ook een zoge­naamde, formele gastvrijheid, waar­bij er van binnen gesputterd wordt. Dat komt, omdat er helaas ook onder christenen nog heel veel voor zich­zelf geleefd wordt. Laten wij toch de tijd uitkopen, om voor anderen te leven en van harte anderen uit te nodigen, zoveel als in ons vermogen ligt. Een hart vol van ontferming reikt anderen graag licht en warmte aan.

De buitenlantaarn aan

“Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven” (Matt. 05:14b). Wanneer wij het pad van de rechtvaardigen gaan, dat is dat “als het glanzende morgenlicht, dat steeds helderder straalt tot de volle dag (Spr. 04:18). Dan verlangen wij ernaar mensen in de duisternis licht te schenken, zodat ze aan de weet komen waarover zij kunnen struike­len. Als wij een heerlijke verkondi­ging horen over de openbaring van de zonen Gods, die met Jezus de zuchtende schepping gaan herstel­len, dan verlangen wij nu reeds in het klein te anticiperen op dat komende volle heil en willen wij ook leren werken met de krachten van de toekomende eeuw tot zegen van de mensen om ons heen. Wat wij nu aan licht om ons heen mogen verspreiden, is een voorbode van hetgeen we op grotere schaal straks mogen doen. Het is de koste­lijke opdracht, om samen met Jezus tot licht der volken te zijn, opdat Gods heil reike tot het einde der aarde (Jes. 49:06).

 

Wat Daniël werd toevertrouwd door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem Deel 7

Daniël was een hoveling aan het hof van de koningen van het Babylonische en het latere Perzische rijk. Zijn werkelijke bestaan wordt door hedendaagse bijbelcommenta­toren niet altijd voor waar aangeno­men. Het feit echter dat de Heer Jezus zelf hem citeert (Matt. 24:15), geeft volop vrijmoedigheid om zijn profetieën met betrekking tot de tijd van het einde wel degelijk in acht te nemen. Daniël was, als vorstenzoon in ballingschap, één van de profeten uit de oude tijd, die namens God profeteerden over de komende Messias en Diens vrederijk.

De taak van de profeten

Deze profeten wisten zelf vaak niet de concrete strekking van hun profe­tieën, die ze in woorden en handelin­gen naar buiten brachten. Hun werd geopenbaard, dat ze daarin dienst­baar waren aan het hiervóór reeds genoemde nakomelingschap. Ze dienden ons met die dingen, “die thans verkondigd worden bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, het evangelie hebben gebracht” (1 Petr. 01:12).

In deze verborgen dingen begeren zelfs engelen een blik te slaan, want ook zij zijn in grote trouw bezig de Schepper en de mens te dienen, zon­der dat ze alles in detail begrijpen. De profeten speurden na en waren bezig met de vraag, wat het herstel en de toekomstige heerlijkheid voor het volk van God zou inhouden. De heilige Geest gaf vóóraf getuigenis van al het lijden dat over de Christus zou komen, maar ook van al de heer­lijkheid daarna (1 Petr. 01:12). ‘De Christus’ is de aanduiding van onze Heer Jezus als Hoofd tezamen met Zijn lichaam, de ware gemeente vervuld met de Geest van God. Daniël was bezig met het beloofde ‘herstel van de puinhopen van Jeruzalem’. Hij bestudeerde daar­voor onder andere de schriften en lette op de profetieën daarin (Dan. 09:02).

De brief van Jeremia

De profeet Jeremia was tijdens de wegvoering van vele prominente bur­gers uit het twee-stammenrijk Juda naar Babel, in het land achter geble­ven. Hij schreef een brief aan de bal­lingen in Babel. Daarin wekte hij hen na het ontvangen van een gods­spraak op om zich in Babel geheel te vestigen: “Bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan, neemt vrouwen en verwekt zonen en dochters…; ver­meerdert daar en vermindert niet.

Zoekt de vrede voor de stad, waar­heen Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren, bidt voor haar tot de Here, want in haar vrede zal uw vrede gelegen zijn” (Jer. 29:05-07). Na zeventig jaar zou de Here naar hen omzien en Zijn woord van heil en herstel in vervulling doen gaan, door ze terug te brengen in hun land, alle valse profetieën ten spijt. Ze zouden terugkomen in het land van de beloften, om dat erfelijk te bezitten. Ze zouden hun God dienen en David, hun Koning, welke God zelf hen zou verwekken. Deze ‘David’ is een aanduiding van de beloofde Messias, welke in de ‘volheid van de tijd’ als onze Heer Jezus en als éérste Zoon van God is geopenbaard (lees Jeremia 29 en 30).

Geschreven beloften

Daniël lette op de woorden van de profeet en richtte zich op de geschre­ven beloften. Ondanks zijn ijver in dienst van aardse gebieders was hij onophoudelijk geconcentreerd op de verwezenlijking van de gedachten van God (Dan. 09:02). Ogenschijnlijk was hij evenals de andere profeten gericht op het her­stel van het aardse volk van de Joden en haar tempeldienst te Jeruzalem. Dit komt duidelijk naar voren in zijn indringend gebed (Daniel 9). Toen echter de engel Gabriël aan hem verscheen, terwijl hij nog bad, werd hij onderricht om een klaar inzicht te krijgen (Dan. 09:22-23). Hij begreep, dat de Geest van God méér bedoelde, dan alleen maar de weder­oprichting van het aardse Jeruzalem en haar tempeldienst. In de visioenen, die de apostel Johannes kreeg op het eiland Patmos, is sprake van de verzegeling van de ‘honderd-vier-en-veertig-duizend’, welke tezamen met onze Heer het wel zo genoemde ‘Israël Gods’ vormen (vgl. Gal. 06:14-16).

De grote schare

Direct aansluitend aan dit openbaar worden van de zonen Gods als gemeente van Jezus Christus, wordt gewaagd van het herstel van ‘de grote schare, die niemand tellen kan uit alle geslachten, volken en talen en van alle tijden.

Deze zijn dan gekomen uit de grote verdrukking in de wereld der men­sen en zijn tot geloof gebracht door de prediking van het eeuwig evange­lie. Ze zijn gewassen in het ‘bloed van het Lam’ en ervaren de beschut­ting van de ’tent van God’ (ook een aanduiding van het ‘lichaam van Jezus Christus’).

Ze worden door het Lam vanuit het centrum van de heerschappij van God als de Goede Herder geweid en verkwikt aan ‘waterbronnen des levens’, terwijl al hun ’tranen’ wor­den gewist (Openb. 07:04-17).

Geestelijk inzicht

Over deze eeuwige gerechtigheid van de nieuwe ‘Adam’ sprak de engel Gabriël met Daniël, zonder wellicht zelf inzicht te hebben in de bood­schap, die hij moest overbrengen. In het werk van Jezus de Christus en de vorming van Zijn geestelijk lichaam, de gemeente, worden gezicht en profetie bezegeld, dat is tot vervulling gebracht. Door de inwonende heilige Geest, die van de Vader en de Zoon uitgaat en de gelo­vigen vervult, wordt iets ‘allerheiligst’ gezalfd (Dan. 09:24). Daniël kreeg van de engel Gabriël een ‘klaar inzicht’. Niet slechts een schaduwachtig aards, maar een wezenlijk hemels Jeruzalem zal de ‘stad van de grote Koning’ zijn. In haar centrum wordt daartoe eerst een ’tempel’ als ‘iets allerheiligst gezalfd en tot openba­ring gebracht. Dat is de gemeente van Jezus Christus, vervuld met het wezen of de Geest van God.

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvor­migheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevo­ren bestemd heeft, deze heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt” (Paulus in zijn brief aan de Romeinen, (Rom. 08:2830).

Het kromme kan niet recht zijn

Binnen enkele dagen werden wij tot tweemaal toe geconfronteerd met teksten uit Prediker waar gesproken wordt over krom en recht. De eerste keer poneert Gerda Rossel van de Landbouwuniversiteit te Wageningen de stelling: “Het feit dat wetenschappers er nooit in zullen slagen om economisch interessante, rechte bananen te kweken werd reeds voorspeld in de Bijbel”, naar aanleiding van Prediker 1 vers 15a (Pred. 01:15a): “Het kromme kan niet recht zijn…” De tweede keer wordt Prediker 7 vers 13 (Pred. 07:13) geciteerd in een artikel in het CHN-magazine, een uitgave van stichting Christelijke Hospices Nederland (CHN). Deze stichting heeft als doelstelling op christelijke grondslag hulp te bieden aan hen die in de terminale fase van het leven verkeren.

In genoemd blad gaat Thomas Boston in op genoemde tekst (“Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, wat Hij krom gemaakt heeft?”) en geeft daarbij de volgende interpretatie: “Het kromme in uw lot heeft God gemaakt. Het zal er blijven, zolang Hij het wil. Alleen Hij Die het gemaakt heeft, kan het herstellen of recht maken. Deze overweging is een geschikt middel om mensen onmiddellijk tot stilzwij­gen te brengen, en hen zo onder het kromme in hun lot te brengen tot een gehoorzame onderwerping aan hun Maker en Regeerder. Waarom brengt God een kromming in ons levenslot?”

Volgens Thomas Boston is dat “in de eerste plaats om ons af te vragen of wij in de genadestaat verkeren of niet. Zijn wij een oprecht christen of een huichelaar? Let maar op de beproeving van Job en die van de rijke jongeling. In de tweede plaats kan er een kromming in ons lot zijn om ons op te wekken onze plicht te doen, waarbij we afgetrokken wor­den van de wereld en aangespoord worden acht te slaan op het geluk van de wereld hiernamaals. Ook kan het kromme in ons levenslot dienen tot overtuiging van zonde. Zo maakt God een kromming in iemands leven om hem ervan te overtuigen dat hij een verkeerde stap gedaan heeft of een verkeerde richting is ingeslagen. Wat het kromme in uw lot ook is, het is het werk van Gods hand. Wanneer u werkelijk een oprecht christen bent, mag u erop zien met een vriendelijk oog”. Boston geeft dan het advies: “Geef het over in Gods hand, die het gemaakt heeft, opdat Hij moge her­stellen.

Stel uw vertrouwen op Hem en als het goed voor u zou zijn dat het hersteld zou worden, dan zal het hersteld worden, want: Hij zal het goede niet onthouden, degenen die in oprechtheid wandelen, (Ps. 084:012)”.

Kromme redenering

Wat Thomas Boston hier schrijft is een kromme redenering. Men ver­wacht van God dingen weg te nemen die Hij eerst zelf zou hebben aange­bracht. Het is de bekende gedachte dat God zowel het heil als het onheil brengt. De duivel, de veroorzaker van het kwaad, blijft volledig buiten schot. In het geciteerde artikel, waar­in uitgebreid wordt ingegaan op Prediker 7, wordt ook op geen enkele wijze doorverwezen naar het Nieuwe Testament. Dat ten tijde van het Oude Testament de mensen nog geen juist Godsbeeld hadden kun­nen wij hen niet kwalijk nemen, maar als Nieuwtestamentische christenen, mogen wij weten en loven dat God enkel goed is en de duivel enkel slecht.

Jezus, Gods Zoon. bracht dit op dui­delijke wijze naar voren, onder ande­re met de opmerking: “De dief (Satan) komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik (Jezus) ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10). Jezus, als de volmaakte beelddrager Gods, leert ons wie God werkelijk is. In de tijd waarin wij leven gaan gelukkig de waarachtige christenen hiervoor de ogen meer en meer open. En wat de omstandigheden dan ook mogen zijn: Gods goedheid (onveranderlijk en houdt eeuwig stand.

De ‘almacht’ van God

In het gemeenteblad van de volle evangelie gemeente ‘De Opgang’ te Groningen troffen wij onder de titel ‘Gods almacht’ onderstaande samen­vatting aan van een studie van Klaas Goverts over godsbeelden. Terecht schrijft Cees Maliepaard in een toe­lichting dat deze studie bijzonder bevrijdend is van heel wat vrome sentimenten.

“Wat was je eerste ervaring met God; je vroegste herinnering? Soms was dat een moeder die je naar bed bracht. Een hand op je hoofd en een gebed. Of misschien ook niet. Dan was er wellicht de pijn om een moe­der die er niet was of geen aandacht voor je had. Het kind in jou kroop weg in een donker hoekje.

Godsbeelden

Hoe kom je eraan, en soms: hoe kom je eraf? Vaak zijn onze gods­beelden cultuurhistorisch bepaald. Wat heb je gehoord, wie vertelde je een verhaal? Misschien een oma die zei: God was liefde en het kwaad is tijdelijk. Je begreep het niet. Begreep ze het zelf wel?

In de dagen van Mozes keken de mensen naar de farao; die was groot en machtig. Hij beschikte over leven en dood. De één mocht leven, de ander niet. En dan dachten de men­sen: Zo zal God ook wel zijn; God van macht, God van willekeur. Misschien mag je leven, misschien ook niet.

In de dagen van Babel keken de mensen naar Nebukadnezar. Hij zei: Zie je het grote Babel dat ik gebouwd heb? En de mensen dachten: Zo zal God ook wel zijn – God van macht. Kijk maar naar de grote wereld die Hij gebouwd heeft. In de dagen van Rome keken de mensen naar de Romeinse keizer, want die was baas over de hele wereld. Ze moesten hem aanbidden; hij beschikte over de volkeren. Dat volk moet zich onderwerpen, die tempel wordt platgebrand. En de mensen dachten: Zo zal God ook wel zijn – Ik wik, maar Hij beschikt!

Is God almachtig?

Vaak is er veel projectie. Wij komen macht tekort en dan zeggen we: Die macht heeft Gód wel. We voelen ons zwak, maar gelukkig: Hij is sterk! Dan halen we Hem binnen in onze machtswereld, in ons machtsdenken. Onze God als supermacht. Op een dag zegt God tot Abram: “Ik ben God de Almachtige (Gen. 17:01). Althans, zo zegt de gangbare ver­taling het. El Sjaddai, staat er. In de Vulgata, de Latijnse vertaling werd dat: omnipotens, almachtig, de Almogende. Hij vermag alle dingen. Maar is het dat wel? Sjaddai kan als oorsprong hebben:

Een Hebreeuws woord voor ‘berg’. Dan is het een beeld voor God als de Rotsvaste, de Onverzettelijke. Hij staat zo vast als een huis.

Hij die zegt: ‘Nu is het genoeg!’ Dat houdt in dat God ook een keer tevreden is. Niet de eeuwige tirannie van: je moet nóg meer, nóg meer presteren, nóg meer doen. God is anders dan al die goden, die nooit genoeg hebben, nooit verzadigd zijn.

Sjadajim is het Hebreeuws voor moederborst. Dan duidt deze naam van God op tederheid en toekomst. Het kind dat veilig is bij de moeder, geborgen en verzadigd.

Het woord ‘almacht’ roept veel vra­gen op, zoals: Waarom grijpt God niet in? Waarom maakt Hij geen eind aan honger en oorlogen? Waarom geneest Hij niet alle zie­ken? Waarom laat Hij geweld toe en onrecht?

Het dilemma is: Als God almachtig is, kan Hij alles. Als Hij dat niet doet, is Hij dus niet goed. De conclu­sie moet wel luiden: Of hij is almachtig, óf Hij is goed.

Wie God werkelijk is!

De grondgedachte in de Bijbel is: God heeft een verbond met de mens. Hij wil samenwerken. Hij zegt: ‘Jij bent mijn partner’. Partnerschap houdt in dat beide partners hun macht beperken, dat ze zich naar de ander richten. Neher zegt het zo: ‘God is niet de ‘Almachtige’, Hij is de God die bewust zijn macht beperkt. Macht hoort niet bij deze God; geweld is Hem vreemd. Zijn kracht ligt in zijn karakter’. We horen het verhaal van Job. Maar liefst 31 keer is daar sprake van Sjaddai. Steeds maar praten de vrienden van Job over de ‘Almachtige’: ‘Versmaad de tucht van de Almachtige niet’. En: ‘Kunt ge de Almachtige doorgronden ten einde toe?’ Job levert een gevecht tegen dit godsbeeld. Zijn hele ver­haal is in wezen dit: Ik ga me ont­worstelen aan het godsbeeld dat iedereen mij oplegt, en dat ik altijd en overal gehoord heb. God moet anders zijn.

De bruid in het Hooglied gaat op zoek naar haar beminde. En in de stad lopen de wachters – die willen haar tegenhouden, haar kleed afpak­ken. ‘Nauwelijks was ik haar voorbij­gegaan, daar vond ik mijn beminde’. Soms moet je de wachters voorbij, de dogma’s voorbij, al die oude gods­beelden voorbij, en achter het laatste dogma vind je Hém. In het laatste Bijbelboek zegt God: Ik ben de Alpha en de omega, de Almachtige. Hij is de ‘pantokratoor’, dat is eigenlijk: de Albeheerser. Dat staat echter in het kader van een uit­tocht. Daar is deze God sterk in, want dat past bij zijn karakter, bij zijn hart. Hij doet niets liever dan mensen uitleiden. Hij, de Alpha en de omega, het begin en het einde. Hij is niet het hele alfabet, maar hij heeft wél het eerste en het laatste woord.

Jezus heeft ons laten zien hoe God is. In deze mens werd het karakter van God helemaal zichtbaar. Enkel goed, enkel licht. God gaat samen met ons de weg van de liefde. Meer hoeft niet. Daar is geen geweld bij nodig. Die liefde gaat het winnen. In Hem en in ons”.

 

Het herstel van de gemeente (5) door Wim te Dorsthorst

Het herstel en de vernieuwing van de gemeente, dat zich de laatste jaren aftekent, is een innerlijke drang om meer en meer in de wer­kelijke vrijheid van Christus te komen. Jacobus noemt dat de vol­maakte wet van de vrijheid, door de Geest van het leven. Wij zien ook hoe de duivel van deze situatie mis­bruik maakt en als een engel des lichts vele (goed) gelovigen misleidt en bedriegt met surrogaat-vernieu­wing in deze tijd.

Wil de mens Gods tot alle goed werk volkomen toegerust te voorschijn komen, dan zal veel in de gemeen­ten een verandering dienen te onder­gaan. Dan zullen oude kerkstructu­ren en tradities gaan verdwijnen om plaats te maken voor Bijbelse structu­ren van leiding en bedieningen waar­in de Heilige Geest vrijelijk kan wer­ken. Dan zal er meer en meer ruim­te komen voor ieder gemeentelid afzonderlijk om mee te werken in het bijeenhouden en een (geestelijke)kracht uit te oefenen zoals beschreven in Efeze 4 vers 16 (Ef. 04:16). Traditie is de ergst denkbare blokka­de om de gemeente als een geestelijk lichaam te laten functioneren. Van nature wil de mens maar het liefst in het oude vertrouwde patroon door blijven gaan. Dat is vertrouwd en dat is veilig, maar het is het meest dode­lijke voor de geestelijke ontwikke­ling. Daarom geloof ik ook dat de Heer werkt in die drang naar geeste­lijke vernieuwing en vrijheid. Hij is het immers die zowel het wil­len als het werken werkt in Zijn volk (Filip. 02:13).

Het initiatief ligt in deze zaken niet bij de mens maar bij God.

De tijd is gekomen

In Psalm 102 vers 14 (Ps. 102:014) wordt geprofe­teerd: “Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar gena­dig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen”. Andere vertalingen spre­ken van: “de voorbestemde tijd”, of: “de ure is gekomen”. Er zijn tijden en gelegenheden in het handelen van God en ik geloof dat de bestemde tijd gekomen is dat de gemeente van Jezus Christus tot vol­heid gaat komen.

Jesaja spreekt van het nieuwe dat uit zal spruiten en roept op er acht op te slaan (Jes. 43:19).

Men is eeuwen lang bezig geweest, met menselijke systemen en organi­saties, de kerken draaiende te hou­den, maar de tijd is gekomen dat alles weer zal moeten worden naar de ordening van God, wil de volle vrucht openbaar komen. De gemeente dient gebouwd te wor­den naar het eeuwige bestek van de grote bouwmeester: God. Het betreft de uitvoering van Zijn eeuwige raadsbesluiten waarin Zijn Zoon Jezus Christus centraal staat en de bouwer is van het huis Gods, de gemeente (Heb. 03:02-03). Bij de profeet Zacharia lezen we dat God in grote ijver voor Jeruzalem en voor Sion ontbrand is, en dan zegt Hij: “Mijn huis zal daarin gebouwd worden” (Zach. 01:14-17). “En Zijn huis zijn wij”, zegt Heb. 3:6a, de gemeente van Jezus Christus.

Leiding van de gemeente

In het vorige artikel hebben we stil gestaan bij de leiding van de gemeente. Heel duidelijk komt van­uit Gods woord naar voren dat de lei­ding van een gemeente gevormd dient te worden door een gezamenlij­ke oudstenraad. De Bijbel kent abso­luut geen eenhoofdig leiderschap als positie of functie met een titel zoals dat in de afgelopen eeuwen ontstaan is. Het oudstenschap is een ’taak’, een ‘ambt’ en men wordt er toe ‘aange­steld’ ( zie art. 4).

Paulus schrijft dat, wanneer iemand oudste zou willen zijn, dat hij dan een voortreffelijke ’taak’ begeert (1 Tim. 03:01). Verder beschrijft hij in de verzen twee tot dertien de voorwaar­den waaraan oudsten en ook diake­nen dienen te voldoen en dat ze eerst op de proef gesteld dienen te worden om daarna, als ze onberispelijk blij­ken, hun dienst te vervullen (vs. 10).

De bedieningen

Bij de bedieningen is dat geheel anders. De bedieningen worden door de Heer zelf’ aangesteld’. Zij worden als een ‘gave’, een ‘geschenk’ aan de gemeente gegeven. Nu Hij gezeten is aan de rechterhand Gods geeft Hij mensen die door een bijzondere genade bekwaam zijn om de gemeente op een speciale, bovenna­tuurlijke wijze te dienen. Het zijn de helpers van Hem. “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars”. In 1 Korinthe 12, waar de gemeente als een lichaam wordt beschreven, lezen we: “En God heeft sommigen ‘aangesteld’ in de gemeente, ten eer­ste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, enz.” (1 Kor. 12:28a).

Hier is het dus geen werk of keuze van mensen zoals bij de oudsten, maar van God. Het zijn Gods ‘dienstknechten’, Gods ‘medearbei­ders’. Paulus schrijft aan de gemeen­te van Korinthe: “Want Gods mede­arbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij” (1 Kor. 03:09). Aan deze arbeiders heeft het de afgelopen eeuwen duidelijk ontbroken zie Matteüs 9 vers 37 (Matt. 09:37).

De mensen met een bediening zijn de ‘medearbeiders’ van God en wer­ken met God en Jezus mee om dat bouwwerk Gods, het huis Gods, de gemeente tot volmaaktheid te bren­gen. Dat is het grote doel wat God voor ogen staat en naar mijn mening in deze tijd zijn voltooiing gaat vin­den.

De juiste instelling

Bij de bedieningen is het niet zo dat God de meest ontwikkelde mensen gebruikt. De apostelen van de Heer Jezus waren eenvoudige en ongelet­terde mensen uit het volk. Dat con­stateerden de heren van de Hoge Raad, maar zij herkenden hen omdat zij met Jezus waren geweest. Wereldse wijsheid en theologische ontwikkeling is voor God vaker een sta in de weg dan dat het dienstbaar zou zijn. Hij zegt: “Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het ver­stand der verstandigen zal Ik ver­doen (1 Kor. 01:19; Jes. 29:14). En er staat ook: “Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen” (1 Kor. 01:25). In 1 Korinthe 12 vers 24 en 25 (1 Kor. 12:24-25) kun­nen we lezen: “God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zor­gen”.

God zoekt mensen naar Zijn hart. Gewone, eenvoudige, gewillige, nederige mensen. Mensen die net als anderen heus nog wel eens fou­ten kunnen maken, maar met hun gehele hart aan de Heer verbonden zijn. Een prachtig voorbeeld is koning David. Iedereen weet dat hij in grote zonde kon vallen en ook is gevallen. Toch wordt hij altijd door God geprezen en als voorbeeld gesteld om zijn volkomenheid van hart en zijn oprechte wandel voor Gods aangezicht bijvoorbeeld 1 Koningen 9 vers 4 (1 Kon. 09:04). Zulke mensen kan God gebruiken als Zijn medearbeiders. Die ontvan­gen bijzondere genade en Hij deelt hen de geheimenissen mee van het Koninkrijk Gods (Matt. 13:11) en ondersteunt hun bedieningen met werking van Zijn kracht. Er is niets waarop zich een dienstknecht kan laten voor staan. De apostel Paulus benadrukt het steeds dat hij alles doet naar de ge de Gods die hem gegeven is. Hij zegt: “Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is” (1 Kor. 15:10). Dat is de enige en juiste instelling van een medearbeider Gods. Daarbij passen geen hoge posities met klin­kende titels.

Verduistering van Gods volk

In Efeze 4 lezen we dan: “Zij worde gegeven om de heiligen toe te ruste tot dienstbetoon, tot opbouw van hef lichaam van Christus, totdat wij al de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid va Christus”. Geweldige beloften van God!

Waarom is hier nooit wat van terecht gekomen in de voorbije eeuwen? Omdat de gemeente niet meer gebouwd werd op het fundament va de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen moet zijn. Omdat al heel spoedig de doop met de Heilige Geest verdween en daardoor dat hele terrein van gaven en bedieningen werd verduis­terd. Er werd (en wordt nog) op een ander fundament gebouwd. Er is, juist binnen de christenheid, een grote ontkenning dat de mens tot de volheid van Christus kan komen, zoals God dat zegt. Eerder belijdt men zondaar te blijven tot de dood en tot geen goed werk in staat te zijn. Men ontkent dat gaven en bedieningen nog voor deze tijd zijn, terwijl toch duidelijk geschreven staat: “Totdat allen tot volheid zijn gekomen”. Dit woord is dus van kracht tot het einde toe. Daarom heeft er nooit iets van terecht kun­nen komen.

Maar nu is de Heer opgestaan om Zich over Zijn volk te erbarmen en haar genadig te zijn. want het einde der tijden is gekomen. De landman heeft geduld gehad, maar nu is de tijd van de late regen aange­broken en zal de kostelijke volle vrucht van de aarde openbaar gaan komen naar Jakobus 5 vers 7 (Jak. 05:07). Voor we in het kort iets zeggen over deze bedieningen afzonderlijk, eerst nog enkele gedachten over het: ‘waarom?’

Van eenheid tot verdeeldheid

In Efeze 4 vers 12 en 13 (Ef. 04:12-13) lazen we al met welk doel de Heer deze gaven, deze bedieningen aan de gemeente geeft. Ten tijde van de apostelen functioneerde dit alles in gemeente. Er was een grote mate van eenheid binnen het nieuw ont­stane volk van God. Overal waar het evangelie gepredikt werd en mensen tot bekering kwamen, werd op een kundige wijze het fundament gelegd en de geheimenissen van het Koninkrijk Gods bekend gemaakt. Paulus schrijft dat later aan de Korinthiërs waar hij zegt: “Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt (1 Kor. 03:10). In vers 11 noemt hij dit fundament ‘Jezus Christus’.

Dit alles gebeurde door de apostelen heel grondig, heel kundig en met een grote liefde voor de Heer en Zijn evangelie.

In Handelingen 20 vers 31 (Hand. 20:31) lezen we dat Paulus drie jaren lang dag en nacht zich in heeft gezet in de gemeente van Efeze om hun de volle raad Gods bekend te maken lees Handelingen 20 vers 13 tot en met 38 (Hand. 20:13-38). In Handelingen 18 vers 11 (Hand. 18:11) lezen we dat hij hetzelfde deed bij de stichting van de gemeen­te te Korinthe, één jaar en zes maan­den lang.

Van het begin af aan heeft de duivel geprobeerd juist deze grote eenheid en zuiverheid van de gemeenten te vernietigen met zijn valse profeten, leraren en schijnapostelen. Dat lezen we in alle brieven. Er is in de loop van de eeuwen een verdeeldheid ont­staan die alle begrip te boven gaat. Duizenden richtingen, stromingen, groeperingen, enz. Onder het grote deel wat zich chris­ten noemt, is de verdeeldheid opval­lend genoeg het grootst, terwijl ieder­een zich op de Bijbel beroept.

Van verdeeldheid tot eenheid

Nu al weer honderd jaren lang is de Heer bezig uit al die groeperingen en stromingen mensen te roepen en te plaatsen in gemeenten, waar weer teruggekeerd wordt naar het Bijbelse fundament en het waarachtige goede woord Gods (zie vorige artikelen). Maar nog steeds is er een grote ver­deeldheid in het wereldwijde lichaam van Christus. En dan bedoel ik de waarachtig wedergeboren christenen, staande op het Bijbelse fundament. Nu is de brief aan de Efeziërs een schitterende uiteenzetting over de visie van God, vanuit Zijn eeuwige raad, over de gemeente van Jezus Christus. Hoofdstuk vier begint met een eenheid te beschrijven die wereldwijd in het lichaam van Christus gevonden dient te worden, evenals in de begintijd. De Heer Jezus bidt tot Zijn Vader: “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun

woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn. En de heerlijkheid, die Gij Mij gege­ven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één” (Joh. 17:20-23a).

Volmaakt zijn tot één

Dit is een eenheid zo overweldigend groots en mooi dat wij ons dat nu nog bijna niet voor kunnen stellen. Met elkaar, met allen dus over de gehele wereld, één zijn zoals de Vader en de Zoon één zijn. Niet door een leer, maar van binnenuit door de ‘heerlijkheid’ waardoor Jezus en de Vader volmaakt één zijn en die ons door Jezus gegeven is om volmaakt één te zijn in Hem en de Vader. Wonderlijk mooi!

De Heer bidt dat voor ‘allen’ die door hun woord in Hem geloven. Dat is overal over de gehele wereld, voor alle natiën, volken, stammen en talen. Voor allen die in Hem geloven en de ‘heerlijkheid’ van Hem ontvan­gen hebben. En die ‘heerlijkheid’ is de Heilige Geest, de Geest van God en van Jezus Christus. Dat is de Geest, waardoor ‘allen’ over de gehe­le wereld tot één lichaam gedoopt zijn (1 Kor. 12:13).

Door die Geest komt de eenheid tot stand. Niet door een uitgekiende, sublieme leer maar door de Heilige Geest en het goede woord Gods. Dat omschrijft de apostel in Efeze 4 vers 1 tot en met 6 (Ef. 04:01-06) als volgt: “Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoe­digheid, en elkander in liefde te ver­dragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één geest gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen”.

Om deze geweldige eenheid wereld­wijd opnieuw tot stand te brengen, plus wat verder allemaal nog geschreven staat in de eerste 16 ver­zen van Efeze 4, geeft de Heer apos­telen, profeten, evangelisten, herders en leraars in deze tijd. ‘Medewerkers’, die door bijzondere genade bekwaam zijn, om de Heer te helpen dit grootse plan van eenheid en volwassenheid wereldwijd te reali­seren.

Apostelen en profeten

De apostelen en de profeten zijn in de bedieningen wel de meest belang­rijke medewerkers. Daarom lezen we dat de gemeente gebouwd wordt op het fundament van ‘de apostelen en de profeten’, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is (Ef. 02:20). Als de grondslag niet deugt, kan er nooit een goed huis Gods opge­bouwd worden. In Openbaring 21 zien we ook dat de muur van de hei­lige stad, het hemelse Jeruzalem, dat is de gemeente, 12 fundamenten heeft met daarop de 12 namen van de apostelen van het Lam (Openb. 21:14). En de apostel Paulus noemt dat fundament: ‘Jezus Christus’ (1 Kor. 03:11).

U begrijpt dat dit veel meer betekent dan bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel naar Hebreeën 6 vers 2 en 3 (Heb. 06:02-03)-

Een apostel, die zeer nauw samen­werkt met de profeet, heeft de bij­zondere genade om zoveel kennis te ontvangen over het totale plan van God, dat hij de grondlegger is van de gemeenten.

Wordt met ‘de profeten’ niet de oud­testamentische profeten bedoeld? Ik geloof het niet, wat naar mijn mening ook duidelijk spreekt uit de brief aan de Efeziërs: “Gij hebt immers gehoord van ‘de bediening’ door Gods genade mij met het oog op u gegeven: dat mij door openba­ring het geheimenis bekend gemaakt is, het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heili­gen, Zijn apostelen en profeten waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking Zijner kracht” zie Efeze 3 vers 2 en 3 en Efeze 3 vers 5 tot en met 8 (Ef. 03:02-03; Ef. 03:05-08). God bepaalt dus zelf aan wie Hij de geheimenissen van het Koninkrijk openbaart. De Heer Jezus zegt tot de eerste apostelen: “U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven” (Matt. 13:11).

De oudtestamentische profeten heb­ben gezocht en gevorst naar de bedoeling van de Geest van Christus als ze profeteerden over de genade voor de gemeente (1 Petr. 01:10-12). Met de ‘profeten’ is dus de Nieuw- Testamentische bediening van pro­feet bedoeld.

Zalving of genade

Er wordt in boeken en tijdschriften voortdurend gesproken over ‘bijzon­dere zalvingen’ als het gaat om bedieningen. Is dit bijbels? Alleen in de eerste Johannes brief komen we deze uitdrukking tegen in: “Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen. En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft” (1 Joh. 02:20; 1 Joh. 02:26-27). Het gaat hier duidelijk over de Heilige Geest die in die dagen allen ontvangen hadden. Van de Heer Jezus wordt drie maal gesproken dat God Hem gezalfd had, waarbij Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) zegt: “dat God hem met de H. Geest en met kracht gezalfd had” (Luc. 04:18; Hand. 10:38; Hand. 14:27).

In 2 Korinthe 1 vers 21 (2 Kor. 01:21) spreekt Paulus ook over het gezalfd zijn van de gelovigen met de Heilige Geest. Steeds als het om bedieningen of gaven van de Geest gaat, wordt er gesproken van genade, genadegaven, bijzondere gaven of genade. Van Timotheüs staat opgeschreven dat hij krachtens een profetenwoord en onder handoplegging van de geza­menlijke oudsten een ‘gave’ ontvan­gen had (1 Tim. 04:14). Ook hier wordt er dus niet gesproken over een ‘bijzondere zalving’. Ik wil dan ook bij het spreken over de bedieningen liever spreken van genade en bijzondere genade dan van ‘zalving’.

 

Tuinieren door Truus van Kaam

In de natuur zien we dat sommige planten beter in de zon gedijen en andere weer beter in de schaduw. Planten vragen door hun verschei­denheid bijzondere aandacht. Wanneer je dit geeft is bloei en vrucht het resultaat. Hoe is dit bij de mens?

God besteedt zeer veel aandacht aan elk van Zijn kinderen. Als we die zorg opmerken, er mee aan het werk gaan, dan gaat er zeker vrucht tevoorschijn komen. Deze vrucht gaat zich openbaren in een­voud en degene die er acht op geeft, ziet het.

In ons hart groeit het op door overgave, reinheid, waarheid en het brengt gerechtigheid voort. Hosea 10 vers 12 (Hos. 10:12) zegt: Zaait in gerechtigheid, oogst in liefde, ontgint u nieuw land. Dan is het tijd om de Heer te vra­gen, totdat Hij komt en voor u gerechtigheid laat regenen.

 

Kom maar gerust door Cees Maliepaard

De vervolgserie ‘Wijsheid van Judas’ is in dit nummer komen te vervallen. De publicatie van Deel VIII volgt in het eerstvolgende nummer, (-red.).

“En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En wie het hoort, zegge: Kom! En wie dorst heeft, kome. En wie wil, neme het water des levens om niet” (Openb. 22:17).

De uitnodiging

God zelf nodigt de mens uit; Hij zegt: Kom! De Vader communiceert door Zijn Geest met de menselijke geest. Dat voorkomt een heleboel misverstanden door misverstaan met natuurlijke oren. De mens mag leren z’n geest in te schakelen. Tot welke mensen richt de Vader Zijn uitnodiging? Tot gelovige Geestvervulde christenen? Dat is niet erg aannemelijk, want die zijn immers al gekomen! Ook de bruid nodigt uit, en wel met hetzelfde woord: Kom! Wie zich afvraagt wie die bruid wel wezen mag, kan er vanuit gaan dat dat Gods bruid zal wezen, evenals de Geest Góds Geest is. En van wie is God de bruidegom? Van Jezus en diens lichaamsdelen, ofwel: van Jezus met Zijn gemeente van alle plaatsen en van alle tijden. Jezus is het hoofd van Gods bruid en ieder die Hem toebehoort is een lid van Zijn lichaam.

Vader God nodigt uit, Jezus Christus doet hetzelfde, Zijn volgelingen al evenzeer en tenslotte mag iedereen die het hoort en zich er in vinden kan, die uitnodiging doorgeven aan wie er maar naar luisteren wil. Dat is een opdracht die we maar al te graag uitvoeren, als het goed is. We willen het lichaam waar we deel van uitma­ken, toch zeker compleet hebben! Daarom is het voor ons als bruidsge­meente van de levende God, een waar feest de uitnodigingen rond te sturen voor de eeuwigdurende verbintenis tussen Hem en een ieder die -samen met Jezus- in de Christus is.

Heel bijzonder!

Wat valt het meest op aan deze uni­versele uitnodigingen? Niet zozeer dat ze blijkbaar nogal kwistig rond­gestrooid worden, want dat is bij een dergelijk blij en ingrijpend gebeuren wel te verwachten. Het opmerkelijke van de uitnodiging zit ‘m in de for­mulering: “Wie dórst heeft, kome!” Stel je eens voor dat dat bij een natuurlijke bruiloft als motief voor de bruiloftsgasten zou zijn aange­voerd. Op de trouwkaart zou dan te lezen zijn: ‘Alléén wie dorst heeft, is welkom op ons huwelijksfeest!’ Je zou toch mogen verwachten dat de nodige interesse in het wel en wee van het bruidspaar van doorslagge­vende betekenis zou wezen. Maar de Here God en de Here Jezus Christus met Zijn wereldomvattende gemeente, nodigen uitgerekend lie­den met dorstige kelen uit. De aan­wezigheid van geestelijke droogstop­pels wordt klaarblijkelijk bij de hemelse festiviteiten niet op prijs gesteld.

We hebben het geloof van onze Bataafse voorvaderen gelukkig afge­zworen. Zij meenden in hun Walhalliaanse vergezichten, in alle eeuwigheid gerstebier uit de schedels van hun overwonnen vijanden te zul­len drinken. Zelfs in een carnavalshit zong men enige jaren geleden: ‘In de hemel is geen bier!’ Of we het om die reden dan maar hiér moeten drinken, is een andere zaak. Maar de genodigden voor het hemelse brui­loftsfeest zijn niet op zoek naar natuurlijke spiritualiën, doch naar het levende water uit de eeuwige levensbron.

Méér dan feestgangers…

De goddelijke Bruidegom en Zijn bruid nodigen een ieder uit om te drinken van het water des levens. Dat betekent dat wie daaraan gehoor geeft, op de bruiloft in de hemel niet als gast aanwezig zal zijn, maar als direct betrokkene. Want door van het levende water te drinken, krijgt een mens deel aan de Christus. Heilige Geest van God zal hem of haar door­stromen, zodat een invoeging in het lichaam van Christus (in wat in het Bijbelboek Openbaring als de bruid wordt aangeduid) daarmee een feit is geworden.

We zijn bij de hemelse bruiloft van de Here God en het Lam met de Zijnen, dus niet langer betrokken als genodigden, maar in de persoon van de bruid. Daarom mogen we ook tot de anderen zeggen: Kom! Dat is niet de taak van wie zelf is uitgenodigd; dat is een aan bruid en bruidegom voorbehouden aangelegenheid. Want om iemand bij de hemelse bruiloft uit te nodigen, zul je toch zelf min­stens toegang tot de hemel dienen te hebben!

Precies zo zullen alleen mensen die deel van een gemeente uitmaken, anderen voor de wekelijkse samen­komst kunnen uitnodigen. Daarvoor behoeven ze natuurlijk niet Geest gedoopt te zijn, want de zicht­bare gemeente maakt deel uit van de natuurlijke wereld. De Geest en de bruid nodigen derhalve niet uit voor de activiteiten van de zichtbare gemeente, maar voor een open rela­tie met de Here God via een invoe­ging in Christus’ lichaam. Om dat effectief te laten zijn, is deelname aan het gemeentelijk bezig zijn ech­ter wel noodzakelijk.

Wat is de prijs?

We lazen daarstraks: “Wie wil, neme het water des levens om niet”. Als je de woorden uit Openbaring 22 ver­absoluteert, kost het kiezen voor de geestelijke bruiloft helemaal niets. Op zichzelf genomen is dat natuur­lijk wel waar, als je er tenminste mee bedoelt dat er geen toegangsprijs voor een eeuwig verblijf in de hem^ gevraagd wordt. Je kunt jezelf er niet eens inkopen! Maar dat betekent niet dat de bruid zonder enige conse­quentie bruid zal kunnen wezen. De prijs die ervoor betaald zal dienen te worden, is nu eenmaal niet in geld uit te drukken. Maar desalniettemin kost het wel het één en ander. Vasthouden aan een vleselijke manier van leven en een natuurlijke wijze van denken, kan niet gecombi­neerd worden met een wandel in de hemelen. Want daarvoor zullen we puur geestelijk bezig dienen te zijn. Ook in de gewone dingen van ons dagelijks bestaan, zullen we ons door Gods Geest laten leiden. Dat veroorzaakt een hele omschakeling in ons bezig zijn. Niet langer zijn de natuurlijke waarden van doorslaggevende betekenis, maar Gods goede gedachten komen hoe langer hoe meer in beeld en zullen voor ons allen maatgevend zijn. En dat heeft zeker consequenties voor ons functioneren in alle zaken die naar onze mening zin en inhoud aan ons leven geven. Niet het eigen inzicht is bepalend voor het vervol­gen van onze levensweg naast onze eeuwige Partner, maar datgene wat Hij ons laat zien!

 

Het proces van verandering door Gert Jan Doornink

“En wij allen, die met een aange­zicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weer­spiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is” (2 Kor. 03:18).

Verandering behoort een ‘must’ te zijn in het leven van een kind van God. Maar dan wel een verandering in de goede zin des woords! Het spreekwoord zegt niet voor niets dat iedere verandering nog geen verbete­ring is. En het lijkt soms wel of dit door sommigen over het hoofd wordt gezien.

Wat is ‘veranderen’ eigenlijk?

Veranderen is als iets plaats maakt voor iets anders. Bijvoorbeeld: Als mijn vrouw zegt: ‘Ik ga de kamer veranderen’, dan betekent dat dat de bank een andere plaats krijgt, alles wordt opnieuw ingedeeld en als je aan de nieuwe situatie gewend bent, heeft het soms ook een verfrissend effect.

Veranderen hoeft dus niet verkeerd te zijn. Integendeel, het leven van ons allemaal is aan voortdurende veranderingen en wijzigingen onder­hevig. Alleen al de groei die ieder mens ondergaat veroorzaakt, zowel wat ons uiterlijk als innerlijk, een voortdurende verandering: we groei­en op van baby tot volwassene en daarna begint geleidelijk het verou­deringsproces.

En ook ons innerlijk verandert voort­durend. Paulus zegt: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, over­legde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was” (1 Kor. 13:11).

Een doorgaand proces

Veranderen is iets waar ieder mens bij betrokken is, het hoort voor 100% bij het leven, het is een doorgaand proces. ‘Veranderen’ en ‘leven’ zijn twee woorden die in elkaar overvloei­en. Ze horen bij elkaar, ze staan niet op zichzelf. Stel dat de wolken aan de lucht op een gegeven moment niet meer van plaats zouden veran­deren -je kunt het je haast niet voor­stellen- maar er zou een onnatuurlij­ke situatie ontstaan.

Je zou veranderen kunnen vergelij­ken met een rivier: je ziet het leven, het stromende water, in tegenstelling met stilstaand water, waar alles dood kan zijn. Op een warme zomerdag kan het zelfs beginnen te stinken als er zuurstofgebrek ontstaat en de planten en vissen doodgaan. Het doet ons denken aan de woor­den van Jezus als Hij op het Loofhuttenfeest zegt: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnen­ste vloeien” (Joh. 07:38). Met deze woorden komen we meteen terecht bij de belangrijke geestelijke beteke­nis van het woord ‘veranderen’. Jezus zegt hier in feite dat ons nieu­we schepping zijn niet verborgen blijft, maar het komt tot openbaring door een werkzaam geloof dat geacti­veerd wordt door de heilige Geest. Want Jezus maakt er namelijk nog een belangrijke opmerking bij door op Gods Geest te attenderen, die op dat moment nog niet was uitgestort. Twee belangrijke kenmerken van ‘verandering’ zijn dus: geloof en Geest. Een werkzaam, functioneel, levend geloof en daarbij de leiding en volheid van Gods Geest. Deze behoren niet alleen aanwezig te zijn, maar behoren ook optimaal te kun­nen functioneren.

Zijn ze dan niet automatisch aanwe­zig, zal iemand kunnen opmerken. Ja en nee. Ja, omdat we door geloof een kind van God zijn geworden en door Gods Geest overtuigd zijn van zonde, gerechtigheid en oordeel. Met andere woorden: Gods Geest heeft ons indachtig gemaakt dat we een Verlosser nodig hadden, Iemand die onze schuld wilde vergeven en onze zonde wilde dragen. Zodra we gin­gen geloven in het volbrachte verlos­singswerk van de Zoon van God kwam daar de grote verandering en werden we overgeplaatst vanuit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van de levende God.

Geestelijke groei

Maar het is een groot misverstand te denken dat het toen ophield. Nee, we kunnen beter zeggen: toen begon het pas. Zoals na een natuurlijke geboor­te de natuurlijke groei begint, zo begint na de geestelijke geboorte de geestelijke groei. Jezus en de aposte­len waren daar heel duidelijk over. Zoals zij opgroeiden, behoren ook wij op te groeien. Alleen daardoor gaat het beeld van Christus in ons meer en meer tot openbaring komen. En daartoe zijn we immers geroepen? Paulus zegt dat wij “bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen” (Rom. 08:29). Wat is het een geweldige zekerheid dat Hij de Eerstgeborene is en daar­door van Hem kunnen leren hoe dat groeiproces dient te verlopen. Petrus bijvoorbeeld had dat goed begrepen en maakt dan ook de opmerking dat “Christus ons een voorbeeld heeft nagelaten, opdat wij in Zijn voetstap­pen zouden treden” (1 Petr. 02:21). Veranderen valt dus nooit los te kop­pelen van geestelijke groei. Waarom ik hier zo de nadruk opleg is dat sommigen dat wel menen. Ik denk aan degenen die bepaalde onderde­len van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen niet meer zo belangrijk vinden en een andere koers gaan varen. Natuurlijk zijn er soms overaccenten gelegd en werd de leer soms teveel losgekoppeld van het leven, maar dat hoeft daarom nog niet te betekenen dat we daar­door heerlijkheden gaan inleveren van datgene waar de Heer ons, in Zijn grote liefde en genade, door Zijn Geest de ogen voor geopend heeft! Wij dragen juist de verant­woordelijkheid dat we blijven op de weg van geloof en gehoorzaamheid, door Gods Geest geleid. Alleen wie volhardt tot het einde, die zal het einddoel bereiken.

Geen manipulatie

Maar, zal iemand misschien opmer­ken, moeten we niet een wat genu­anceerder licht gaan werpen op aller­lei geloofsonderwerpen, waarover zo verschillend gedacht kan worden? Ik denk als we zo redeneren dat we ons dan op een gevaarlijk hellend vlak gaan begeven. Dan slaat de twijfel en het ongeloof toe, dan verdwijnt geloof, om plaats te maken voor gevoel, dan komen ervaringen in plaats van werkelijke leiding door Gods Geest. Dan stellen wij ‘wonde­ren en tekenen’ op de eerste plaats, in plaats van dat we ons realiseren dat ‘wonderen en tekenen’ een gevolg zijn van onze gehoorzaam­heid en het bewandelen van de geloofsweg. Dan geven we, zonder dat we het misschien in de gaten hebben, Satan de gelegenheid te gaan manipuleren met het woord ‘verandering’ en krijgen we verande­ringen die geen werkelijke verande­ringen, in overeenstemming met de wil van God, meer zijn, maar bedrieglijke en valse veranderingen. Wie de Grote Van Dale er op naslaat kan lezen dat veranderen óók kan betekenen: ‘opzettelijk anders maken om te misleiden’. De vorst der duis­ternis wil niets liever dan dat we zo omgaan met verandering. Laten we geen gehoor geven aan zijn mislei­dende intriges en liever acht geven op Paulus. Hij koppelt het woord ‘verandering’ nooit los van de werke­lijke verandering, zoals God die voor ogen heeft: de verandering naar het beeld van Christus, van heerlijkheid tot heerlijkheid!

Zij die werkelijk geloven in deze eindtijd zullen ervaren dat het hier niet om gaat. Iedere andere vorm van ver­andering is een surrogaat-verande­ring, onecht, vals, bedrieglijk. Het voert ons van de hoge weg af, terwijl Paulus juist spreekt van de weg die verder omhoog voert! Als hij de opmerking maakt om te streven naar de hoogste gaven, zegt hij er name­lijk meteen achteraan: “En ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert” (1 Kor. 12:31). En dan komt het bekende gedeelte over de liefde.

Het evangelie van het Koninkrijk

Christenen die de Heer werkelijk liefhebben, en daardoor ook hun medebroeders en -zusters, en natuurlijk ook allen die nog buiten Gods Koninkrijk leven, zullen dus nooit een compromis kunnen sluiten met alles wat van buiten het evange­lie van het Koninkrijk wordt aange­reikt. Zij zouden verraad plegen, ontrouw zijn en zich laten infiltreren door de vorst der duisternis. Bovendien zouden ze onbruikbaar worden in dienst van Gods Koninkrijk. Laten we op onze hoede zijn dat we in deze eindtijd ons niet laten verleiden een andere koers te gaan varen, zijwegen in te slaan die niet naar het einddoel -de volkomen­heid in Christus- leiden. We zouden ons zelf benadelen en uitschakelen in het plan van God. Zorg betrokken te blijven bij het grote proces van verandering dat leidt naar volle heerlijkheid en dat tengevolge heeft dat we als zonen Gods geopenbaard worden. En dat voltrekt zich maar op één wijze: door de weg van geloof te gaan, onder lei­ding van Gods Geest, waardoor we verder geestelijk groeien totdat de volle heerlijkheid Gods in ons baan- breekt en wij het kunnen uitjubelen: ‘Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen men­senhart is opgekomen, heeft God in gereedheid gebracht voor ons die Hem werkelijk liefhebben!’

 

Goede vaart door Froukje Huis

’t Was een ideaal plekje voor onze vrije dag. Een heel klein strandje aan de oever van de Waal. ’t Kostte wel inspanning er te komen met onze tuinstoelen, maar onze moeite werd ruimschoots beloond. Het zonnetje scheen heerlijk en onze rust was verzekerd, tenminste… Snel luider wordend motorgeronk doet ons opzien. Een grote boot beladen met containers voer ons haastig voorbij. Wild klotsten de gol­ven op het strandje. Aan de overkant voer een vracht­scheepje stroomafwaarts. Maar ons uitzicht werd alweer belemmerd door een diepliggend vrachtschip. Het water spoelde over de gangboor­den.

En wat kwam daar voor een gevaarte aan? Een grote, brede duwboot, die twee naast elkaar liggende aken voortduwde.

Inmiddels verscheen er aan de over­kant weer een vrachtscheepje. Het werd ingehaald door een grote snel­ varende boot, maar, oh wee, daar kwam ook een tegenligger. Hoe zou dat aflopen? Gespannen keken we toe. Zouden ze op elkaar in varen? De inhaler veranderde van koers en even later schoot de tegenligger tus­sen de andere twee door! Je moest wel goed de ‘vaarregels’ kennen, wilde je hier rustig kunnen varen. Later bleek dat de Waal zelfs een eigen ‘vaarreglement’ kent.

Terwijl wij zaten te genieten van dit ongewone schouwspel, bedacht ik, dat het eigenlijk een beeld is van het dagelijkse leven der mensen. Sommigen gaan stroomopwaarts naar een ‘hoger’ doel, zoals wij. Anderen gaan met de stroom mee en zoeken een andere levensvulling, maar we zullen elkaar passeren of ontmoeten.

Hoe gedragen we ons dan? Kennen we het vaarreglement? Elkaar helpen in geval van nood. Elkaar de ruimte geven. Bij een nauwe passage netjes je beurt afwachten, ook als een ander voorrang krijgt.

Hoe staat het ook weer in ons Boek? “Hebt uw naaste lief als uzelf’. “Verdraagt elkanders moeilijkhe­den”.

“Houdt vrede met alle mensen”. “Strijd de goede strijd”. “Zoekt de dingen die boven zijn”. Ons ‘Va(d)erreglement’ -het woord Gods- heeft een ‘artikel’ voor elke situatie. Het is zaak om goed op de hoogte te zijn om botsingen te ver­mijden en om rustig te kunnen varen.

Op elk schip behoort een exemplaar van dit ‘Vaarreglement’ aanwezig te zijn! (Volgens art. Rom. 10:08b). Vergeet je het niet? Goede vaart!

 

 

 

1998.05-06 nr. 394

1998.05-06 Levend geloof nr. 394

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

De scheiding der geesten is in onze dagen in volle gang. Daarbij kunnen we spreken van een ‘dubbele scheiding’, dat wil zeggen er is een scheiding tussen de waarachtige kinderen Gods die samen de gemeente van Christus vormen en allen die daartoe niet behoren en dus nog onder de claim liggen van de vorst der duisternis. Maar ook binnen de gemeente van Christus vindt een verdere scheiding plaats. Alles wat onecht is, wat surrogaat is, komt aan het licht en wordt ontmaskerd.

Waarachtige christenen, die ‘verbonden’ zijn met de heilige Geest, weten dit te onderkennen. Bij hun verdere groei naar geestelijke volwassenheid -het zóón- schap- hebben zij zich losgemaakt van alle verkeerde geesten en roepen een halt toe aan de infiltratiepogingen uit het rijk der duisternis. Dit is de geestelij­ke strijd die alleen maar succesvol verloopt als we strijden vanuit onze plaats in de hemelse gewesten. Dat is vaak niet gemakkelijk. Niet voor niets wordt in de Bijbel gesproken over de vuurgloed der beproeving waar iedere christen mee te maken krijgt en die ons niet mag bevreemden. Lees in dit verband ook het artikelen over de vuurdoop in dit nummer.

Bij de groei van ons geloofsleven tot stabiele, volwassen christenen is ook ‘gezonde voeding’ absoluut noodzakelijk. Levend Geloof wil daarbij een onder­steunende functie vervullen. Vanuit verschillende invalshoeken wordt ook in dit nummer het evangelie weer belicht en proberen we verkeerde leringen en gees­ten daarbij te ontmaskeren. We slaan ons daarbij niet op de borst met de gedachte ‘wij zien het altijd juist en ieder ander ziet het fout’. Maar wél willen wij datgene waarvoor de Heer ons, in Zijn grote liefde en genade, de ogen geo­pend heeft niet voor onszelf houden maar het delen met onze lezers en lezeres­sen. Daarbij hebben wij dezelfde motivatie als de christenen van de begintijd, namelijk dat de liefde van Christus ons dringt!

 

Bij de voorplaat door de redactie

De illustratie op de voorpagina van Gustave Doré is gebaseerd op Richteren 14 vers 6 en 7 (Richt. 14:06-07), het beken­de verhaal waarbij Simson een aan­vallende jonge leeuw overwint… De apostel Petrus vergelijkt in zijn eerste brief de duivel -onze tegen- partij- met een brullende leeuw, die rondgaat ‘zoekende wie hij zal verslinden’.

Zijn oproep luidt om nuchter en waakzaam te zijn en de duivel te weerstaan, vast in het geloof!

 

De allesomvattende liefde van God door Gert-Jan Doornink

In dit artikel komt het thema ‘liefde’ aan de orde. God is liefde en wij behoren liefde te openbaren. Zo zou je in één zin de inhoud kunnen omschrijven. Aan de openbaring van Gods liefde behoren we telkens weer grote aandacht te schenken. De kern van ons getuige van Christus zijn wordt gevormd door de liefde van God, die in ons hart is uitgestort door de Heilige Geest. Denk ook aan wat Paulus over de liefde schrijft in 1 Korinthe 13.

Een van de bekendste teksten uit de Bijbel is ongetwijfeld Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16): “Want alzo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggebo­ren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Hier wordt in een notendop de grote, allesomvattende liefde van God op duidelijke wijze verwoord. Niemand hoeft hieraan te twijfelen. God gaf het allerliefste wat Hij bezat, Zijn eniggeboren Zoon aan een ver­loren wereld. Een wereld die door de duivel geruïneerd was, maar God gaf de wereld niet prijs aan hem. Integendeel, vanaf het begin van Gods schepping werd duidelijk dat God het laatste woord had, heeft en houdt.

Waarom er lijden is

Nu wordt de schepping niet automa­tisch teruggebracht in Gods gemeen­schap, Gods liefde is niet vrijblij­vend, niet goedkoop, maar er werd een dure prijs voor betaald. Voor heel veel mensen, ook christenen soms, is dit moeilijk te begrijpen. God had toch bij wijze van spreken met het uitspreken van één woord, de macht van Satan, nadat de mens in zonde was gevallen, teniet kunnen doen? Dan was alles toch weer oké geweest en was de mensheid voor veel lijden, voor veel ellende, voor de dood, voor ziekte, voor al het nega­tiefs wat je maar bedenken kunt, gespaard gebleven? Maar juist omdat God liefde is en omdat de mens de hoogste vorm van Zijn scheppingswerk is, deed God dit niet. Dit klinkt paradoxaal en in eerste instantie onbegrijpelijk, maar als je wat doordenkt kun je begrijpen waarom God dat niet deed. Als er geen ellende, geen dood, geen lijden zou zijn, zouden wij ook nooit kun­nen begrijpen hóe groot, hóe alles­omvattend de liefde van God is. Immers niet het lijden heeft het laat­ste woord, maar de overwinning. Paulus zegt: “Want ik ben er zeker van dat het lijden van de tegenwoor­dige tijd niet opweegt tegenover de heerlijkheid die over ons geopen­baard zal worden” (Rom. 08:18). De heerlijkheid Gods die in ons is, is altijd vele malen groter dan welke ellende of narigheid ons ook mocht overkomen. Juist door alle tranen heen ervaren we Gods nabijheid. En hoe meer wij in Zijn nabijheid ver­toeven, hoe meer wij dus in Zijn gemeenschap leven, hoe hechter de band wordt die we met Hem heb­ben. Maar daarover straks meer.

Drie aspecten van de liefde

Even terug naar de meest bekende tekst over de liefde, (Joh. 03:16). En dan speciaal het accent op het laatste deel van deze tekst: “… opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Hier worden drie aspecten genoemd waar we allemaal mee te maken hebben, namelijk: 1. geloven in Hem, 2. verloren gaan en 3. eeu­wig leven.

Het woord ‘geloven’ spreekt voor zichzelf. Door geloof spreken we ons vertrouwen uit in God, geven we te kennen dat we geloven in het vol­brachte werk van Jezus Christus. Daardoor gaan we niet verloren, maar ontvangen wij nieuw, eeuwig leven. Met het woord ‘verloren’ wordt bedoeld dat we dan ons doel niet bereiken. Als we iets verliezen, bijvoorbeeld onze portemonnee, kunnen we het geld wat er in zit niet meer gebruiken voor de bestemming die we ervoor in gedachten hadden. Het heeft dan zijn doel gemist. Als ons leven ‘verloren’ gaat, doordat we buiten de gemeenschap met God blijven leven, komen we ook nooit in “de eeuwig voortdurende heerlijkheid terecht die God voor de mens heeft bestemd en die al begint op de dag dat we tot geloof komen. Daarom geloven wij en wekken anderen op óók te geloven!

Geloof is geen wet

Geloof is dus een voorwaarde, let wel het is niet een soort wet die op de mensheid ligt. Maar al te vaak wordt het woord ‘geloof nog in verband gebracht met een soort ‘dwangmatig moeten’, maar de wet zoals die tij­dens het Oude Verbond bestond is juist door Christus vervuld. Daarom kun je beter spreken van een advies, een ‘goddelijk advies’. Het is alsof God zegt: ‘Als je Mijn liefde wilt ervaren -en Gods liefde is dus de hoogste vorm van Zijn openbaring­als Mijn liefde een deel van je leven zal zijn, geloof Mij dan, heb vertrou­wen in Mij’.

Als we zo in God en in Zijn Zoon geloven gaat het wettisch element uit ons geloofsleven meer en meer ver­dwijnen, om plaats te maken voor de werkelijke overgave en toewijding, die in alle rust en vertrouwen gaan functioneren.

Liefde is niet vrijblijvend

Wat is eigenlijk liefde? Als je de Grote Van Dale er op naslaat worden van de liefde een zevental omschrij­vingen gegeven. Als eerste wordt genoemd: ‘Warme genegenheid, gehechtheid aan een persoon of zaak’. Gehechtheid is een woord wat duidelijk aangeeft dat liefde dus nooit iets vrijblijvends is, het zit aan iets vast, het maakt voor 100% deel uit van datgene waar het omgaat, in dit geval God (God is liefde) en dus behoort het ook deel uit te maken van allen die in Hem geloven. In 1 Johannes 4 vers 7 en 8 (1 Joh. 04:07-08) wordt het zo omschreven: “Geliefden, laten wij elkander liefhebben, want de lief­de is uit God; en een ieder, die lief­heeft, is uit God geboren en kent God. Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde”. Liefde is niet los te maken van de andere eigenschappen van God, zoals heiligheid, goedheid, gerechtig­heid, enz. Je kunt niet zeggen: Ik heb God lief en openbaar Zijn liefde, maar met Zijn heiligheid en de openbaring van Zijn heiligheid neem ik het niet zo nauw. Nee, alle eigen­schappen van God zijn geïntegreerd in onze levens en behoren dus meer en meer tot openbaring te komen. Dat gaat niet via ons gevoels- of ziel- eleven in de eerste plaats, maar via onze geest en verstand. We worden opgeroepen de Heer onze God en onze naaste, lief te hebben, zoals we onszelf lief hebben, met geheel onze geest, ziel en verstand, dus met geheel ons wezen. De beleving van Gods liefde is de beleving van God en Jezus zelf. Het is dus de hoogste vorm van Gods openbaring in en door ons leven. Liefde wordt in Galaten 5 ook genoemd als vrucht van de geest. Let wel, Paulus spreekt in Galaten 5 niet over de ‘vruchten’ van de Geest, zoals het wel eens ten onrechte wordt geformuleerd, maar zoals we zoeven al opmerkten, je kunt het één niet losmaken van het ander. Het hoort bij elkaar.

Zonen van de liefde

Wat is nu de positieve uitwerking van Gods liefde zoals die in ons leven, als het goed is, meer en meer tot openbaring gaat komen? Want als zonen Gods gaan we in deze eindtijd ons meer en meer openbaren. Wij zijn om het zo maar eens te formule­ren: ‘liefdeszonen’, product van Gods liefde en zelfliefde producerend. Daardoor kunnen we vergeven, en zijn we inzetbaar in God plan. Maar we moeten het zelf dus willen en gaan doen. Liefde behoort te groeien. De Bijbel spreekt behalve over liefde, ook over volmaakte liefde (1 Joh. 04:09). De woorden ‘volmaakte liefde’ duiden er al op dat er ook in de openbaring van onze liefde, dus een ontwikkeling, een groei plaatsvindt. Ook hier geldt weer: zonder geestelij­ke groei, zullen we het einddoel des geloofs: de volkomenheid in Christus, niet bereiken. Dan blijft de uitspraak van Jezus: “Hebt uw vijan­den lief, zegent ze die u vervloeken, doet wel degenen die u haten” een onbereikbaar ideaal, iets waarvan we denken: Ja, het staat er wel, en Jezus heeft het wel zo uitgesproken, maar zover zal het bij nooit kunnen komen. Dat is dan de taal het onge­loof, de taal die de vijand graag wil horen, maar die meer en meer uit ons leven behoort te verdwijnen.

Niet zien op anderen

Ook gaan we niet zien op anderen, die misschien in het beginstadium van hun geloofsleven zijn blijven ste­ken. Dat kan zo gemakkelijk ons afleiden van het doel wat wij voor ogen hebben: de openbaring van het zoonschap en dus ook de openbaring van de volmaakte liefde. De volmaakte liefde drijft de vrees uit, schrijft Johannes. En is er iets heerlijkers denkbaar dan verlost te zijn van angst en vrees? Angst voor wat er misschien met onszelf of met onze kinderen kan gebeuren, angst voor de toekomst, als misschien de nu nog groeiende welvaartseconomie ineenstort en er wanorde en chaos ontstaat. Angst voor het ouder wor­den als we misschien hulpbehoevend zullen zijn en in een verpleeginrich­ting opgenomen worden. Het hoeft allemaal niet te gebeuren, maar als het wel het geval zou zijn, zijn we er toch niet bang voor, want de volmaakte liefde verdrijft de angst. De angst gaat er voor op de vlucht, want liefde is altijd sterker dan welke vorm van angst of negati- viteit ook en het lijden wat we mis­schien meemaken kan de heerlijk­heid Gods die in ons is, dus ook de liefde, niet te niet doen.

Ontvangen en geven

Wie liefde ontvangt gaat ook liefde geven! Dat is ook iets wat we meer en meer gaan ervaren in ons leven. Wie zich bewust is hoe oneindig groot Gods liefde voor ons is, gaat ook die liefde zelf meer en meer doorgeven aan de mensen die op onze weg geplaatst worden. Als wij iets doen voor onze medemens, doen we dat niet om iets terug te ontvan­gen. Dat behoedt ons voor teleurstel­lingen. We kennen dat wel: we doen iets speciaals voor iemand, en het wordt niet gewaardeerd. Stank voor dank, zegt het spreekwoord. Maar als we werkelijk liefhebben verwachten wij geen terugontvangen van de lief­de, maar we ontvangen het wel! Bij het geven van liefde krijg je altijd liefde terug. Maar je moet afwachten hoe dat gebeurt en op welke wijze. Liefde geven aan de ander komt bij de ander altijd prettig over. Het ver­blijdt de ander, het maakt de ander dankbaar èn… ook jezelf. Het reflec­teert terug.

Liefde mag echter geen verplichting voor de ander meebrengen of veroor­zaken, zo in de trant van: ‘Ik voel me verplicht om ook iets terug te doen’. Maar wat is het heerlijk en wat geeft het een goed gevoel als je méér doet dan de ander van je verwacht…

Openstaan voor correcties

Liefde staat ook open voor correcties, voor het willen leren van de ander. Want het gevaar is natuurlijk aanwe­zig -ook bij het lezen van dit artikel­dat we denken: ‘ja het is waar’ en er toch niets mee doen en we dus weer overgaan tot de orde van de dag. Inderdaad bestaat dit gevaar altijd, maar wie met een oprecht hart de Heer dient, zal altijd openstaan voor correcties en aanvullingen. Hij zal een open oor en een luisterend hart voor de raadgevingen van mede-broe­ders en zusters. We mogen van elkaar leren en delen in alles wat de ander bezighoudt. Een voorbeeld: Onlangs sprak ik in een gemeente en kreeg na afloop van de samenkomst een gesprek met de voorganger. Hij maakte me attent op een boek waardoor hij geweldig gezegend was. Ik dacht direct dat boek wil ik ook hebben, om ook te kunnen delen in de zegen die hij had ontvangen.

Allesomvattend

Nu hebben we het accent in dit arti­kel gelegd op de ‘liefde’ terwijl ande­re facetten van het nieuwe leven in Christus onderbelicht zijn gebleven. Toch mag ik eigenlijk niet spreken van onderbelichting, want bij liefde kan dat zeker niet het geval zijn. Waarom niet? Omdat de liefde ‘alles­omvattend’ is. Het heeft alle eigen­schappen in zich die ook in God en in Zijn Zoon zijn.

Er is echter nog één facet dat we ook zeker niet over het hoofd mogen zien. Paulus zegt namelijk dat de liefde van God in onze harten is uit­gestort door de heilige Geest (Rom. 05:05). In 1 Johannes 4 vers 13 (1 Joh. 04:13) wordt het zo geformuleerd: “Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven (en dus ook in Zijn liefde) en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft”. Het is de Geest van God die in ons tenvolle de liefde tot volmaaktheid brengt in het beleven en uitleven ervan. Laat het daarom ons dagelijks gebed zijn: ‘Heer, maak mij ook deze dag vol van Uw Geest, zodat ik Uw liefde in elk facet van mijn leven ga openbaren’.

 

De vierschaar gespannen door Cees Maliepaard

 

“Ook over hen heeft Henoch (de zeven­de van Adam af) geprofeteerd, zeggende: Zie, de Heer is gekomen met Zijn heilige tienduizenden, om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken die zij goddeloos bedreven heb­ben, en voor al de harde taal die de god­deloze zondaars tegen Hem gesproken hebben. Dit zijn de morrenden, mok­kende om hun lot, wandelende naar hun begeerten, maar hun mond spreekt hoogdravend als zij om des voordeels wil (de mensen) in hun gezicht vleien” (Judas 01:14-16).

Wie van de mensen zal de vierschaar spannen over anderen; zullen wij dat doen over de ontwortelden uit Judas 1 vers 12 (Judas 01:12)? Hebben wij van Godswege de bevoegdheid gekregen te oordelen over mensen die met al hun wortels uit de goede aarde geraakt zijn? Ik ben heel blij dat de HERE God het oordeel aan onze Here Jezus Christus gegeven heeft en in eerste instantie niet aan ons. Hij spreekt recht via Zijn heilige tienduizenden, door middel van goede engelen.

Wat is onze taak?

Behoort het tot onze taak, alleen van een afstandje toe te kijken hoe de engelen scheiding aanbrengen tus­sen mensen? Aan de ene kant bevin­den zij zich dan die Christus Jezus toebehoren en uit dien hoofde als bomen in de goede aarde geworteld zijn; aan de andere kant kom je mensen tegen die als ontwortelde bomen zijn of wellicht nooit in de goede aarde wortel geschoten heb­ben. Ik denk dat hierop maar één antwoord mogelijk zal wezen: nee! Ook al is het oordeel ons in het hui­dige tijdsgewricht duidelijk niet geschonken – dat wil allerminst zeg­gen dat we gedegradeerd zouden zijn tot passieve toeschouwers. Wie god­deloos bezig is, leeft desalniettemin in het heden der genade. Nou, daar mogen we iedere aardbewoner lief­devol mee confronteren. Want onze God heeft geen behagen in de dood van de zondaar, maar veeleer daarin: dat die zondaar zich zou bekeren van zijn weg en tot leven zou komen (Ez. 33:11). Is die taak niet verre te verkie­zen boven die van het op eigen hout­je voor rechter te gaan spelen?

De profetie van Henoch

Judas haalt de profetische woorden van Henoch over Gods hemelse vier­schaar aan. Kennelijk hecht Jezus’ broer gezaghebbende waarde aan dit apocriefe boek, want hij vermeldt dit citaat uit Henoch 1 vers 9 zonder enige correctie toe te passen. God spreekt het oordeel uit, mede bij monde van Zijn heilige engelen. Daar is ook niets mis mee, want het zijn immers Zijn getrouwe dienaren uit de hemelse gewesten. Ze dienen Hem al milleniums lang vanuit de diepte van hun hart. Zij zullen de mensen in een een­dracht met hun Meester beoordelen. Deze opdracht behoort stellig tot de mogelijkheden, want de mens is immers tijdelijk beneden de engelen gesteld. Zelfs Jezus was dat voor een tijd, omdat Hij de zonde der wereld op zich genomen had. De in Gods scheppingsordening lager inge­schaalde (maar getrouwe) engelen, bekleden derhalve op tijdelijke basis een hogere positie dan de onvolko­men geworden mens. Daarom behoeven we geen moeite te hebben met de boodschap van de in zijn tijd al met God wandelende Henoch.

Loon naar werken!

In het uiteindelijke oordeel (dat aan Jezus Christus voorbehouden is) zal een ieder zeker naar z’n werken beloond worden. Voor hen die Hem toebehoren zullen dat de werken van de Zoon des mensen zijn, want Hij heeft voor hen betaald en zij mogen zich in Zijn gestalte ontwikkelen. Voor wie ook ten langen leste de Zoon ongehoorzaam is, wacht hetzelfde lot als wat Satan ten deel zal vallen.

Alverzoening leert de Schrift ons niet, wel verzoening en herstel voor ieder mens die tot Jezus komen zal. Wie nimmer tot verandering van leven komt, ook niet in de opstan­ding ten oordeel (Joh. 05:29), zal ten­slotte met de machten der duisternis mee veroordeeld worden. In dat laat­ste oordeel zullen degenen die met Jezus in de Christus zijn met Hem in de troon verbonden zijn (Openb. 3:20-21). Het oordeel treft niet slechts de daders van het kwaad in de bedrijvende zin, maar ook de bedrijvers van het kwaad van verbale aard. Dan gaat het over de harde woorden die de goddelozen tegen de Here God gesproken hebben.

Een kenmerk van formaat!

Wat voor harde woorden zullen dat dan wel kunnen wezen? De eeuwige God zal toch wel te werk gaan vol­gens het principe: schelden doet geen zeer! Nou, kennelijk is dat niet zo. Harde woorden kun je natuurlijk rechtstreeks de Vader en de Zoon, toevoegen, maar ik denk niet dat dat hen écht raken zal, anders dan dat zij daar bedroefd over kunnen wor­den. Maar bezie het eens in het verband van Jezus’ woorden: Voor zover je dit aan één van de minste van m’n broeders gedaan hebt, heb je het aan Mij gedaan! (Matt. 25:40-45). Hoeveel harde, meedogenloze woor­den zijn er niet geuit aan het adres van medemensen, vaak ook nog geloofsgenoten met wie men zich op dezelfde weg bevindt. Broeders en zusters die inwendig diep bescha­digd zijn of bezig zijn een immens verdriet te verwerken, en dan op een gegeven moment te horen krijgen: Ben je daar nu nóg niet overheen? Sommigen die zich op de hoge weg wanen, lijken soms wel van natuur­lijke gevoelens gespeend te zijn – om dan maar helemaal niet te spreken over het ontbreken van de (geestelijke gezindheid van de Christus. En het al of niet deelhebben aan de gedachten die Jezus koesterde, is van doorslaggevende aard voor de beoordeling die ons deel zal wezen.

Wees duidelijk!

Wie zich in de gezindheid van de Christus aan het ontwikkelen is, zal zich gaandeweg leren distantiëren van een harde, onverzoenlijke hou­ding naar mensen die fouderen. Jezus is niet gekomen om de zon­daars te veroordelen, maar om ze te behouden voor het Koninkrijk van Zijn Vader.

Ook bij ons zal het leidmotief niet zijn: het aan de kaak stellen van de eventuele misstappen van de men­sen in de wereld of van onze broe­ders en zusters. We zijn écht niet door de Heer geroepen om onze medemensen aan de schandpaal te nagelen, alles behalve! Onze roeping is gelegen in het aankondigen van Gods grandioze heilsboodschap. Over de zonde (waardoor mensen Gods hun doel mis dreigen te lopen) en over allerhande foute toestanden die zonen-Gods-in-wording in hun leven kunnen continueren, zullen we evenwel duidelijk dienen te zijn. Dat betekent dat we nooit hard zullen zijn voor de ménsen waar we mee te maken hebben, maar wel scherp de werken van de boze machten in mensenlevens zullen onderkennen. En de engelen van Satan hoef je nu eenmaal niet met fluwelen hand­schoenen aan te pakken!

Niet weerspannig wezen…

Dat weerspannigheid tevoorschijn treedt uit verwerping en hysterie, is een gegeven waar velen al wel ver­trouwd mee zullen zijn. Maar men staat er veelal niet bij stil dat dat dik­wijls geprojecteerd is tegen een ach­tergrond die door verkeerde begeer­ten gevormd wordt: men is dan niet zo weg van de natuurlijke of geeste­lijke situatie waarin men verkeert. En zulke mensen gaan dan mokken

en morren om het hun niet welgeval­lige lot. Datgene wat je aan mogelijk­heden ontvangen hebt, lijkt wel ineen te krimpen tot microscopisch priegelwerk. En wat je meent te mis­sen, wordt door gevoelens van ver­werping tot buitenproportionele grootte opgeblazen. Verwerping streelt je, door vermeende miskenning, aangetaste ego… en als je dat niet tijdig onderkent, zal het stellig uitmonden in een het eigen hart roerend zelfmedelijden. Wie denkt dat zoiets een mens zacht maakt, komt al spoedig bedrogen uit. Want verwerping zoekt altijd een tegenhanger. En die vindt hij door­gaans in een weerbarstig zich boven de situatie en de anderen verheffen. Dit is dan zelfverheffing en die gebeurt vanzelfsprekend in het innerlijk van de mens. Wat een opstandig geknor, gemolc en gemor heeft dat wel niet tot gevolg!

Verheven door de Eeuwige

We kunnen, denk ik, het beste een voorbeeld nemen aan de uitspreker van de door Judas aangehaalde profe­tische boodschap: Henoch. Hij wan­delde immers met God. Hij besprak z’n problemen en de satanische druk die ook hij ervaren zal hebben, met de Here God zelf. Daardoor kreeg verwerping geen kans bij hem te infiltreren, al kwam weerspannig­heid al helemaal niet om de hoek kij­ken. Daarin is Henoch een getrouwe voorschaduwing van onze Meester geweest. Ook Jezus besprak alles met Vader boven. Hij deed niets wat Hij niet eerst de Vader had zien doen en daardoor was Hij ook te allen tijde zeker van de realisering van hemels heil bij een ieder waar Hij dat voor verwachtte. Wel, in Zijn spoor, in het bezig zijn met de uitwerking van Gods genaderijke gedachten, willen we dan ook verder!

 

Het opstandingslichaam door Duurt Sikkens

“Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam”

(1 Kor. 15:44b).

Een mens heeft twee lichamen. Een zichtbaar, aards lichaam, dat iedereen zien kan, en een onzichtbaar, geestelijk lichaam. Wanneer je het leven van God in je ontvangt, doordat je in de opstanding van Jezus Christus gelooft, dan sta je zelf ook geestelijk op en begint je geestelijk lichaam ook opnieuw. Het opstaan is zichtbaar in de hemel. Het is te vergelijken met het lichaam van een rups dat verandert in dat van een vlinder. Dat is ook het uiteindelijke lichaam, de verschijningsvorm van de echte mens, de mens Gods. En al die opstandingslichamen, al die mensen die in Christus zijn opgestaan, vormen het lichaam van Christus, zijn gemeente, in het Koninkrijk van de Vader. Ze zijn levend gemaakt door Zijn Woord.

Dus een natuurlijk lichaam wordt niet gezaaid bij een teraardebestelling, maar de mens in wie het Woord van God gezaaid is wordt daarmee één en staat op. Wie dat gelooft is niet bang om te sterven want wanneer je je aardse lichaam dan aflegt héb je het hemelse, onstoffelijke lichaam. Op de berg der verheerlij­king zagen een paar volgelingen van Jezus deze verschijningsvorm van Hem. Dat is dus ook de realiteit voor degenen die Jezus geloven en samengegroeid zijn met zijn opstanding.

 

Adam, waar ben je? Kom tevoorschijn! Door Jan W. Companjen

“Daarom, heilige broeders, deelgeno­ten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus, die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld” (Heb. 03:01-02).

“Want Jezus is trouw aan God, Die Hem als hogepriester heeft aange­steld, zoals ook Mozes trouw was aan zijn opdracht in het huis van God. Maar Jezus heeft een veel grote­re heerlijkheid dan Mozes, zoals een man die een mooi huis bouwt meer eer hijgt dan het huis. Mensen kun­nen huizen bouwen, maar God heeft alles gemaakt.

Nu deed Mozes zijn werk in het huis wel goed, maar hij was toch niet meer dan een knecht; zijn werk was vooral een verwijzing naar wat er later zou gebeuren. Maar Christus, Gods trouwe Zoon, heeft het volledige beheer over het huis van God. En dat huis zijn wij, de christenen, als wij tenminste tot het einde toe volhouden en met blijdschap op de Here blijven vertrouwen.

Omdat Christus zo groot is, zegt de Heilige Geest dat wij naar Hem moeten luisteren en dat wij ons hart niet voor Hem mogen toesluiten zoals het volk Israël deed” (Heb. 03:03-08; Het Boek).

Scheiding van kaf en koren

Wij leven in een tijd dat aan de ene kant een geweldige afval wordt waar­genomen, maar dat aan de andere kant een steeds dieper geestelijk leven zich gaat ontwikkelen. Dit zijn de meest duidelijke tekenen dat we in de eindtijd leven. Het échte leven -het leven in Christus- moet naar boven komen. De heerlijkheid Gods moet in Gods volk tot openbaring komen. Daarom gaat alles dat niet bij Christus hoort, maar zichzelf wel als zodanig aandient, te gronde. Het kaf wordt van het koren geschei­den. Wees niet bevreesd want dit alles moet geschieden. De ware aard moet en zal in de mens boven komen.

Ik heb de laatste maanden veel gele­zen over datgene wat er op het ker­kelijk en gemeentelijk gebied aan de hand is. (Onder andere het Reformatorisch Dagblad, het Nederlands Dagblad, Uitdaging, Christenen Vandaag en Het Zoeklicht). Wie veel leest, weet veel, zegt men wel eens, nu dat is waar. Onvoorstelbaar wat er allemaal behandeld wordt; teveel om op te noemen, maar het draait voor het overgrote deel om de kernzaken van het evangelie van Jezus Christus. Aan de bovenkant van het kerkelijke leven zorgt men zelf voor de groot­schalige afbraak. De fundamenten worden onder het bouwwerk van God uitgehaald, op dusdanige wijze dat elk geloof dat niet gefundeerd is op de hoeksteen, Jezus Christus, zal verzanden en verworden tot een puur natuurlijk geloof, steunend op traditie en overlevering, waar voor Jezus en de werking van de heilige Geest geen plaats meer is. Professor Kuitert schrijft in een boek (dus zwart op wit): ‘Jezus blijft waar Hij was, in het verleden, en alle innigheid(!) ten spijt: met iemand uit het verleden kun je geen verhouding opbouwen’. Dergelijke gezegden worden altijd wel door een medepro­fessor onderschreven, want volgens prof. Leene blijkt hieruit geenszins dat Kuitert Jezus niet kent… Het geloof is niet meer gebaseerd op de leer van Jezus Christus maar ‘het geloof is steeds meer in de greep gekomen van later opgebouwde theo­logie die tot op de dag van vandaag voortduurt en steeds verder van Jezus afdwaalt.

Prof. Den Heijer schrijft in een boek over de verzoening dat de kruisdood^ van Jezus (dus het hele gebeuren rond Golgotha) die voor anderen ‘heil en redding’ brengen, hem niet aanspreekt. Zijn bijdrage aan het gesprek tussen joden en christenen doet hem ook steeds meer beseffen dat Jezus gewoon mens is. Dus niet als eerstgeboren zoon voor een nieuw menselijk geslacht en voor dit doel door de Geest Gods verwekt is in de maagd Maria. Hij ziet het oude- en het nieuwe testament dan ook naast het oude staan. Ook hieruit blijkt dat deze professor de werking van Gods Geest, bij de geboorte van Jezus, en de daaruit voortkomende gemeente van Jezus Christus, door die Geest wordt gene- Dat er heil, vrede, rust, bevrij­ding én leven is dank zij de dood en opstanding van Jezus Christus wordt door professor Den Heijer als ‘onverdedigbaar’ neergezet. In verband hiermee nog een opmer­king vanuit de gesprekshoek joden­dom en christendom. Een medewer­ker stelt, dat de gesprekken tussen die twee steeds vruchtbaarder wer­den. Vele rabbi’s, (geestelijke leiders in Israël) waren het er over eens dat Jezus een groot profeet was. Men neemt momenteel zelfs aan, dat Hij is gestorven en opgestaan en zelfs ten hemel is gevaren. Al deze dingen waren de profeten in het Oude testament ook al overkomen. Maar voegt men er dan aan toe: Hij is niet de Messias. En, voegt de Nederlandse gespreksdeelnemer daar aan toe: ‘Daar konden ze wel eens gelijk in hebben…’ Langzaam maar zeker wordt het ker­kelijke- en het daaraan verwante evangelische christendom, dat brui­send en verwant aan het werk van hun Koning en Heer dient te zijn, opgeslokt door het oude. Het kruis is voor velen geen kruispunt meer, maar een doodlopende weg gewor­den.

Er is hoop!

En toch, lieve mensen, is er hoop! Al deze dingen moeten geschieden omdat de tijd van lauwheid en geza­pigheid voorbij is. De kerken, veelal uitgedrukt in zuilen van geloof, stor­ten in. Zij zijn geen schuilplaats meer omdat wij door de liefde Gods toegedreven worden tot Hem die daartoe door de God de Vader, de Schepper van alle dingen, geroepen is.

Maar moeten wij, voor Jezus levende christenen, niet de hand in eigen boezem steken en erkennen dat ons zout té zoutend was en ons licht té zwak? Zijn we er wel voldoende van doordrongen hoe groot onze roeping

is? Zijn we er voldoende van door­drongen dat het heden -nu- de tijd is dat we gaan opstaan? In Christus zijnde, zijn we een machtig volk, Hij is de Koning der koningen. Hij, God de Vader, heeft ons er toe bestemd zonen van Hem te worden. Adam, waar ben je? Kom tevoorschijn! Of zit u nog weggescholen achter het struikgewas of achter de geraniums? Waartoe is de mens geschapen? Dat is, met Hem de Schepper, onder lei­ding van Koning Jezus, onze Hogepriester, onze Leidsman, her­stellen, wederoprichten en terug­brengen in het land waarin wij horen: het Koninkrijk Gods. Over de schepping maakt iedereen zich druk. Je geloof is ’t grootst als je gelooft dat God, de Schepper, dat alles in zes dagen van vierentwintig uur geschapen heeft. Dan komt meteen de vraag: Hoe werden dan die eerste dagen geregeld toen zon en maan het dagelijks ritme nog niet aangaven? In feite is het redeloos gepraat waar het tenslotte niet om gaat. De dag des Heren duurt uitein­delijk nu ook al tweeduizend jaar.

Geschapen met een doel

Het gaat in de gehele Bijbel om de mens, om u en mij; die mens (adam) werd geschapen met een doel! De mens werd geschapen opdat hij, samen met zijn Schepper, de schepping beheren en onderhouden zou, inzetbaar zou zijn. Daar stond de mens niet alleen voor, nee, reeds vanaf het begin was er een samenwerkingsverband. Hemel en aarde waren één. De mens leefde in de zienlijke maar ook(!) in de onzienlijke wereld. De mens, Adam i, werd uit de aarde geschapen om een tempel van Gods Geest te zijn en alzo de heerschappij Gods op deze wereld te openbaren, tot uitvoer te brengen als zoon van God. Adam bleef niet alleen. Uit hem werd Eva genomen en God bracht de vrouw, die Hij uit Adam genomen had, tot Adam, waarop deze uitriep: Zij is echt een deel van mijn lichaam. Ik zal haar mannin noemen omdat zij genomen is uit de man. De schepping van de mens als volk Gods Zoon begon met één mens, uit die ene mens kwam Gods volk voort. En de Schepper die wist wat Hij schiep bleef de mens trouw, bleef Zijn schepping in stand houden ondanks het feit dat de mens ontrouw werd en zijn eigen weg koos.

Gods voorwaarde

De mens werd bijna goddelijk gemaakt. Slechts één voorwaarde stelde de Vader aan zijn kind, name­lijk: al wandelende met Mij, zul je, zullen jullie, leren wat goed en kwaad is, met andere woorden: doe alleen wat de Vader doet. Toch koos en kiest de mens nog steeds zijn eigen weg, terwijl in Christus een nieuw begin kan wor­den gemaakt. De ongehoorzame Adam werd als het ware door Adam -Jezus Christus- ingehaald. Met het zenden, verwekken door de heilige Geest, bij de mens Maria, werd een nieuw begin mogelijk gemaakt met slechts één voorwaarde: ‘gehoorzaamheid’. De eerste mens van dit nieuwe geslacht was weer een mens die leef­de in de zienlijke en in de onzienlij­ke wereld. Hij wandelde met zijn Schepper rond op deze aarde en deed geen ding of Hij had het de Vader zien doen. Zie ook Johannes 8 vers 28 en 29 (Joh. 08:28-29), waar onder andere staat dat Hij geen ding deed of sprak buiten datgene dat de Vader Hem geleerd had).

Nu komt de vraag op ons af of we nog steeds afstammelingen zijn van de eerste Adam met zijn gevolgen, of zijn we door wedergeboorte ingeënt in het lichaam van Christus die een levendmakende Geest is? Let eens op: zoals Eva uit de eerste Adam genomen werd, zo zijn wij als vrouw, bruid van Jezus voortgekomen uit Hem, die onze man is (door één Geest tot één lichaam geworden waarvan Hij het hoofd is). Niet alleen Jezus maar Zijn ganse lichaam zal delen in Zijn heerlijk­heid, indien wij ook in gehoorzaam­heid de weg gaan die God de Vader daartoe voor een ieder, die in Hem gelooft, heeft vastgesteld. Dat is, broeders en zusters, de weg gaan van gehoorzaamheid en eten van de Boom des Levens, Jezus Christus. Eén worden met Hem. Na de eerste preek van Petrus (Hand. 02:14-36), die veel korter is dan dit artikel, riepen zijn toehoor­ders uit: “Bekeert u, laat u behouden uit dit verdorven geslacht, laat u dopen in de naam van Jezus (leg u eigen ‘ik’-leven, dat gericht is op jezelf, af en sta op tot een nieuw leven met Hem), tot vergeving van uw zonden. En gij zult de Heilige Geest ontvangen”.

De scheiding is opgeheven

De Geest, die in het begin in Adam woonde, wordt aan de mens terug gegeven. Jezus verzoende onze schuld (geheel, prof Den Heijer!) en de scheiding tussen God de Vader en de schepping, de mens waarvan Hij zei: “een mens gelijk wij”, werd opgeheven. Alles was weer verzoend en kan hersteld worden door geloof in Hem die daarbij onze Leidsman wil en zal zijn.

Het zware gordijn in de tempel tus­sen het heilige en het heilige der hei­ligen, waar slechts één keer per jaar de hogepriester mocht binnengaan om bloed te sprenkelen op- en voor het verzoendeksel, scheurde van boven naar beneden. De weg naar de hemel -de onzienlijke wereld- ging en blijft open voor u en voor mij. Ons leven toevertrouwen aan Christus heeft grote gevolgen. Van een vleselijk, zielig mens wordt u een geestelijk mens, bestaande uit geest, ziel en lichaam. Een geest die levend gemaakt is en ons doet zeg­gen: ‘Abba, Vader’. Al Gods beloften zijn in Christus ‘ja en amen’. Wij kunnen dus weten dat wij Hem toebehoren. Hij heeft een stempel op ons gezet door ons Zijn heilige Geest in het hart te geven en daardoor zijn wij verzekerd bij Hem te horen (2 Kor. 01:22). Wij zijn anders, wij doen niet meer onze eigen zin, maar laten ons leiden door de Geest, tenminste als de Geest van Christus in ons woont. Indien die Geest niet in u woont, behoort u Hem niet toe zie Romeinen 8 vers 9 en 10 (Rom. 08:09-11).

Tijd om te kiezen

Geliefde broeders en zusters, er is een tijd aangebroken van kiezen. Kies dan héden wie u dienen wilt. De keus is echt niet moeilijk. Het is goed te wandelen in het licht met Jezus. Zijn juk is niet zwaar en Hij is gekomen opdat wij ‘leven en over­vloed’ zouden hebben. Jezus is enkel positief; geloof daarom ook in jezelf als Jezus in je woont. De negatieve wereld om je heen zal geen beslag meer op je leggen en je kunt, voor een ieder die dat wil en erom vraagt, tot zegen zijn.

Het is de heilige Geest die de mens tot beeld Gods maakt en Jezus, die de weg ging die de Vader Hem vroeg te gaan, werd gesteld boven alles en allen, opdat het wordt ‘Christus alles in allen’. Joden en vele andere goed­willende gelovigen lopen vast op uit- verkiezings- of verbondsgedachten ‘ buiten Christus om. Maar alleen Jezus is de weg. Éénheid in Hem is iets heel anders dan het met elkaar in alles eens zijn. Het Nieuwe Verbond is in Zijn bloed, daar spreekt het Avondmaal van. ‘Dat is Mijn bloed en jullie zijn Mijn leden’. Wees blij met elkaar omdat er in één lichaam zoveel delen zitten. Hebt, indien u het Avondmaal viert, gemeenschap met Jezus, maar ook met elkaar. Vier het met heel je hart als getuigenis voor Hem, maar ook voor elkaar. Laat het geen tussen­doortje zijn maar vier het met opge­heven hoofd, want we zijn gekocht en betaald met Zijn bloed.

Denk er wel aan dat de gehele Bijbel over de mens en Zijn Schepper gaat. Van Gods kant is alles in orde. Maar vanaf de kant van de mens moet er nog wel het één en ander gebeuren. Maar er wordt aan gewerkt. De afbraak van wat niet echt is of wat ballast is door leerstellingen en over­leveringen, is in volle gang. Hij komt, Hij komt, niet door kracht of geweld maar door Zijn Geest zal Hij niet alleen de ware bruidsgemeente vormen, maar jood en heiden over­tuigen dat Hij de Messias is.

Zing en juich tot eer van Jezus

Hij, de rots waarop wij staan

’t Is Zijn woord vol Geest en leven

dat ons krachtig voort doet gaan.

 

Opgewekt tot een nieuw leven

zijn we nu van Gods geslacht.

Wij verkrijgen door volharding

wat Hij ons heeft toegedacht.

 

God roept u om uit te trekken

uit het duister tot Zijn licht.

Koningen met Hem te worden

in het Rijk door Hem gesticht.

 

Daarom willen wij Hem eren,

juichen: U bent enkel goed,

U, de grote Heer der heren,

trouw in alles wat U doet.

 

Op weg naar het beloofde land door Jan H. Weerd

God roept Abram vanuit zijn geboor­teland, om naar een ander land te gaan. “Laat alles achter en ga op reis. Ik zal je de weg wijzen. Ik zal je tot een groot volk maken en je zult tot een zegen voor andere mensen zijn” (Gen. 12:01-02). Het zal je maar gebeu­ren dat God zo tot je spreekt. Er zou van alles door je heen gaan: Waar naar toe dan? Alles achter laten? Het is toch best hier? En hoe moet ik het mijn vrouw en kinderen, familie en kennissen vertellen? En… wat gaat dat allemaal kosten? Het kan niet anders dan, dat Abram een vertrouwelijke omgang met onze hemelse Vader moet hebben gehad. Abram moet gewend zijn geweest, om naar God te luisteren. Anders had hij nooit Gods stem echt ver­staan. Daarom durfde hij op reis te gaan. Abram vertrouwde erop, dat God hem zou leiden en helpen. Er gingen trouwens heel wat mensen met hem mee op reis, zoals zijn gezin, maar ook zijn knechten en familie. Eenmaal in het beloofde land aangekomen, bouwt Abram een offeraltaar, om God te danken. De ervaring, dat God doet wat Hij zegt, moet voor Abram een enorme bemoediging zijn geweest. God riep al op jonge leeftijd zijn Zoon, Jezus Christus. Ook Hij moest alles achter zich laten en op weg gaan (geestelijk gezien) naar het beloofde land, het Koninkrijk Gods. Zoals bij Abram, was ook bij Jezus overduidelijk een vertrouwelijke omgang met zijn hemelse Vader aanwezig. Daarom durfde Hij de reis aan. Hij vertrouwde erop, dat God Hem zou leiden en helpen. En niet tevergeefs! Al leek het er op, dat het niet zou gaan lukken. Maar zelfs de dood kon Hem niet tegenhouden! Op een keer zag Jezus vissers aan het werk. Hij riep ze en vroeg ze met Hem mee te gaan naar het beloofde land, het Koninkrijk van God. Ze lie­ten terstond alles achter en gingen met Hem mee. Wat een vertrouwen moet Jezus hebben uitgestraald! En ook Hij maakte waar, wat Hij had beloofd. Hij leidde ze naar het beloofde land. Al tijdens hun aardse leven hebben ze het klimaat van het Koninkrijk Gods kunnen ervaren.

Wat doen wij?

Ook wij worden door Jezus geroe­pen. Hij zegt: “Wie Mij volgt, hij zal het licht des levens hebben en zal niet in de duisternis wandelen”. Maar dringt zijn stem door tot ons hart? Hebben wij ook zo’n vertrou­welijke omgang met onze hemelse Vader? Luisteren we naar wat Hij zegt?

Hij wil ook ons helpen en leiden, op weg naar het Koninkrijk Gods. Hij vraagt ook van ons alles achter te laten en los te komen van de dingen, die ons aardse leven bepalen. Er zijn veel dingen, die onze aandacht opei­sen: onze bezittingen, ons geld, onze carrière, ons gezin, ons huis, enz. Natuurlijk zijn deze dingen belang­rijk, maar soms lijkt het net of ze onze aandacht afleiden. God roept wel, maar we horen het niet. De geschiedenis van Abram leert ons, dat God weet hoe wij leven. Hij weet wat er in ons hart leeft. Hij kent onze verlangens. Hij kent ook de ver­langens van Abram, zijn verlangen naar een erfgenaam, een nakome­ling. Daarom zei God: “Ik zal je naar het beloofde land leiden, want daar kan Ik het onmogelijke mogelijk maken. Daar gelden mijn wetten!” Ook voor Jezus werd in het beloofde land, het hemelse Koninkrijk het onmogelijke mogelijk. Hij overwon de dood!

 

Doorstaan wij de vuurdoop? door Duurt Sikkens

Dit alles mag voor ons een voorbeeld zijn. Soms lijkt het er misschien op, dat het niet gaat lukken, om het beloofde land binnen te gaan. Maar God laat ons niet alleen gaan. Zijn Zoon, Jezus Christus, is voor ons uit­gegaan en wijst ons de weg! Hij roept ons ook op, om Hem te volgen en zelf in zijn Naam ook anderen te roepen met Hem mee te gaan! “Wat zullen zij anders doen, die zich voor de doden laten dopen?” Dit citaat komt uit een brief van Paulus aan de gemeente in Korinthe (1 Kor. 15:29).

Waterdoop en Geestesdoop

Een onderdeel van het fundament van ons geloof luidt: “Een leer van dopen” (Heb. 06:02). Het woord ‘dopen’ is hier geen werkwoord maar een meervoudsvorm. De meest bekende is de doop in water. Jezus zei tegen zijn navolgers: “Maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen”. Wie zich laat dopen is een discipel van Jezus en legt in de onderdompeling in water getuigenis af van zijn of haar geloof in Zijn werk. Je geweten is zuiver, je zult niet in het dodenrijk vallen als je sterft want je bent opnieuw geboren, in de hemel, in het Koninkrijk van de Vader. De doop met de Geest van God komt meestal daarna. De Geest komt in de gelovige wonen en zo heb je deel aan het leven van God en Zijn Zoon. Je gelooft dit op Zijn woord en op deze manier begin je een hemels leven te leiden. De Geest in het Hoofd is ook in Zijn lichaam. Dit is een heel ontwikkelingsproces, totdat je volwassen bent geworden. Johannes de (water)doper zei van Jezus: “Hij zal je dopen met Geest”. Na Zijn hemelvaart doen Zijn volge­lingen dat door hun prediking en handoplegging. Dit is een intieme gebeurtenis die in de onzichtbare wereld plaats vindt. Zo krijgt een mens deel aan de ‘genen’ van de Vader en de Zoon, een wonderlijke en ontroerende gebeurtenis.

De vuurdoop

Dan is er nóg een doop, de vuur­doop. Welk vuur wordt hier bedoeld? Niet het rustige branden van de lich­ten van de kandelaar in de tempel, beeld van het licht en de warmte van de Geest in de gemeente. De ’tongen als van vuur’ die zich vertoonden en zich verdeelden en zich zetten op de gelovigen op de eerste Pinksterdag. Het vuur van de zogenaamde vuur­doop is vreemd vuur, dat alles ver­teert wat brandbaar is, en dat is nogal wat. Dit vuur gaat niet van God uit, noch van de Zoon, noch van hun volgelingen. Jakobus en Johannes dachten nog als de profeet Elia toen ze een Samaritaans dorp in vlammen wilden doen opgaan, maar Jezus bestrafte hen door onder ande­re te zeggen dat ze niet wisten ‘uit wat voor geest’ ze handelden. Zulk verterend vuur is een beeld van de activiteiten van de boze geesten in de hemelse gebieden waar onder andere deze wereld in ligt. Ze doen hun aanvallen op de gedachtenwereld van mensen, gelovig of ongelo­vig. De grondbeginselen van de schepping komen onder vuur te lig­gen en het is al ontstoken. Velen staan machteloos toe te kijken hoe de brand om zich heen slaat, aangewakkerd door allerlei winden. De principes van recht en gerechtig­heid, mijn en dijn, eerlijkheid en naastenliefde, worden een prooi der vlammen. Het is verschrikkelijk om dit aan te zien en de radeloze angst onder de volkeren op aarde neemt alleen maar toe. Ook al zei Johannes de Doper dat Jezus met vuur zou dopen, toch is dit niet het geval. Daar hoef je écht niet om te bidden. Dat vuur komt vanzelf wel op je af op het moment dat je de hoge weg gaat bewandelen en je je de gedachtenwe- reld van God eigen gaat maken. Immers de draak is de tegenstander van God en wie van God is krijgt de vlammenwerpers op zich gericht.

Weerbaar tegen het vuur

God heeft ook niet een speciale bedoeling met dat vuur, alsof Hij en Satan een pact hebben gesloten om de mens aldus geestelijk volwassen te maken. Nonsens. De leer van het Koninkrijk van God is erop gericht de mens weerbaar te maken tegen het vuur, zodat de gelovige mens ertegen bestand is en deze ellendige verzoekingen kan doorstaan. Dat valt niet mee. Dat is soms heel zwaar. Jezus moest daar ook doorheen en Hij zag er erg tegenop. Het vloog Hem wel eens naar de keel toen Hij zei: “Ik moet gedoopt worden met een (vuur) doop en hoe beklemt het Mij” (Luc. 12:50). En Marcus schrijft in hoofdstuk 10: “Kunnen jullie met de doop gedoopt worden waarmee Ik gedoopt wordt?” Toen de vlammen van de verzoeking om Hem heen sloegen en hij beklaagd werd door vrouwen zei Hij: “Als ze dit doen met het groene hout (dat is Hijzelf), wat zal met het dorre hout gebeuren?

Jezus onderging deze afschu­welijke vuurdoop op het brandoffer­altaar in de hemel. Waarom? Hij bracht dit offer om mensen (de gees­telijk doden) het eeuwige leven te kunnen geven. Dat is wat! Wat een liefde voor de mensheid. En wat een liefde van God zelf door zijn enige lam daarvoor op te offeren. Het leven van Jezus bleek uiteindelijk bestand tegen het demonische vuur. Hij werd met vuur gezouten en verloor zijn kracht niet. De merkwaardige tekst aan het begin van dit artikel komt zo in een heel ander licht te staan. De Mormonen vatten deze tekst letterlijk op. Zij laten zich ette­lijke malen in water onderdompelen terwille van reeds overleden mensen uit hun voorgeslacht om ze zodoen­de te behouden. Daar klopt dus niks van en je kunt tot en met Noach bezig zijn met genealogieën, oven­dien zou ik er met een variant op een uitspraak van Paulus aan toe wil­len voegen: “Gedoopt te zijn of niet gedoopt te zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is”. De bekeerde moordenaar aan het kruis was ook niet gedoopt. Dat vuur hoeft je dus niks te verwonderen. Het komt ongevraagd op je af, op zoek naar brandbaar materiaal. Het overkomt je omdat je het Lam volgt waar het ook heen gaat; omdat je Gods werken aan het doen bent die er altijd op gericht zijn om mensen te behouden. De grote dag waarin wij leven en waar de Zoon in ons bezig is te verschijnen (parousia), geeft als reactie in de hemel het vuur van de boze. Immers, Paulus schrijft in diezelfde brief (1 Kor. 03:13 e.v.): “Ieders werk zal aan het licht komen, want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt. En hoedanig ieders werk is dat zal het vuur uitma­ken”. Er is natuurlijk nog veel meer over te schrijven, maar er moet wat te denken overblijven voor wie dit leest. Het gaat me er om dat ons denken over de vuurdoop op een spoor wordt gezet.

Bewaard in Gods liefde

Ik weet wel dat, als je bent in de gezindheid van Jezus, Paulus, Petrus en vele anderen die voor de doden door het vuur zijn gegaan uit liefde voor hen, je als een gelouterd over­winnaar te voorschijn zult komen als puur goud. Van deze gelovigen wordt in Openbaring 15 vers 2 (Openb. 15:02) gezegd dat ze “op (niet aan) de zee van glas met vuur vermengd staan”. Ze zijn er met Gods hulp doorheen gekomen omdat ze hebben liefgehad tot het einde. Zo werden en worden ze bewaard in de liefde Gods, omdat ze weerstand hebben geboden aan vele verzoekingen en kracht ontvin­gen om in waarheid te wandelen. Laten we de raad van Jezus ernstig ter harte nemen wanneer Hij zegt: “Bidt dat je niet valt in verzoeking”. En mocht je er eens in vallen, er is altijd een weg terug naar Hem! Zelfs wanneer je Hem ontrouw zou wor­den en verraad plegen aan de Christus in je of in anderen, dan kun je nog terug. Dat kun je zien aan Petrus die uiteindelijk een rots in de branding bleek te zijn, omdat hij wist dat God goed is. Misschien ben je “van uur tot uur” in gevaar; sterf je elke dag; vecht je met wilde dieren”. De liefde voor Hem en voor ‘de doden’ zal jou overeind houden. Soms moet je heel wat doorstaan ter wille van mensen, van broers en zus­ters, ter wille van je Vader in de hemel. Ik eindig met een uitspraak van onze Voorganger: “In de wereld lijden jullie verdrukking, maar houd goede moed, Ik heb de wereld over­

wonnen!

 

Lente-Zomer (gedicht) Tea Keuper

‘k Zie de blaadjes aan de bomen,

aan de berk, de beuk en eik:

Alles is weer uitgekomen,

De natuur is schat, schat-rijk!

 

‘k Zie de bloemen óveral bloeien:

bont gekleurd en zacht getint.

Harmonie en schoonheid boeien,

geur, verspreid door zachte wind.

 

En het vee graast op de weiden,

jonge dieren dart’len rond,

Lente! Liefste der getijden,

leven wekkend, waar niets stond!

 

Zaaien, groeien, bloeien, dragen,

vruchten oogsten, overvloed!

God, wij hoeven niets te vragen:

WAT U SCHIEP IS ENKEL GOED!

Tea Keuper

 

De grote woestijn door Hans Bulthuis

 

De ontwikkeling van kinderen Gods tot volwassen zonen is één van de boeiendste aspecten van ons evange­lie. De ontdekking op zich dat het mogelijk en haalbaar is om op aarde het einddoel van het geloof te berei­ken was destijds al een heel ingrij­pende gebeurtenis. Het opende ongekende perspectieven voor ons christenzijn. Het was toch eeuwen­lang voor velen slechts een schrale troost om pas na het overlijden, in de hemel zijnde, de heerlijkheid van God te gaan ervaren. God bedoelt echter om nu al, in dit vlees levend, zijn volheid in zijn zonen te realise­ren. Het is een grote genade om daaraan deel te mogen hebben. Het is een heerlijk feest om je daarvoor in te zetten. Het is een ware levens­bevrediging om dat in eigen leven en gemeente te gaan beleven. De Bijbel leert ons over de totstand­koming van dit geheimenis dat er tijd nodig is. Het is niet zo dat van de ene op de andere dag de Christus in ons wordt geopenbaard. Zo schrijft bijvoorbeeld Paulus aan de gemeente te Efeze dat wij ’toegroei­en’ naar Hem. Het is een ontwikke­lingsproces, en dat vergt onder ande­re de nodige tijd. In beeldspraak uit­gedrukt: Gods volk trekt als een stoet pelgrims op naar de plaats van zijn bestemming. Gods volk is onderweg, het is op reis. Dit gebeuren is te ver­gelijken met de lange, veertig jaar durende woestijnreis van Israël om vanuit Egypte naar Kanaan te gaan. En wat duurde dat lang…!

Het Oude Testament verhaalt ons die fase uit Israëls geschiedenis; soms tot in de details. Later haalden de apostelen in hun brieven bepaalde gebeurtenissen aan tot lering of waarschuwing van de gemeente. Eén van de bekendste voorbeelden daarvan is 1 Korinthe 10 vers 1 tot en met 11 (1 Kor. 10:01-11).

Aangezien zowel de gemeente als de individuele christen geestelijk gesproken eveneens zo’n woestijnreis maakt, spreekt de bijbel duide­lijk over het belang van dergelijke verhalen uit de oude tijd voor ons. Alles wat namelijk tevoren geschre­ven is, werd tot óns onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vast­houden (Rom. 15:04).

Gevaren

Wanneer iets in het leven lang , duurt, komt het op volharding aan. De tijdsfactor speelt in vele proces­sen van ons bestaan een belangrijke rol. Een lange adem hebben is een zegen, opdat wij door volharding en geduld de beloften beërven. Ongeduld heeft christenen doen afhaken. Soms zijn ze zelfs verleid tot negatieve uitlatingen, zoals: “Waar blijft de belofte van zijn komst? Alles blijft maar bij het oude. Er gebeurt niets”. Petrus merkte dat reeds op

(2 Petr. 03:04). Hij schreef er echter bij dat dit niet aan God ligt. Hij talmt niet, maar is juist lank­moedig jegens ons. Hij wil in zijn grote liefde niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen. Wat een geduld heeft Hij. Wat een tijd en gelegenheid geeft Hij ons om alles in ons leven op orde te brengen.

In het gedrag van Israël kwam onge­duld voor (bijv. Ex. 06:08 en Num. 21:04). Och, wie kent het zelf niet uit eigen ervaring? Is het een ongeduld vanuit een sterk verlangen en een grote liefde voor de realisering van Gods plan, dan komt het op een zeker moment wel weer tot rust. Meestal na bemoedigende en ver­troostende woorden van onze Heer. Maar indien ongeduld tot een nega­tief denken en gedrag leidt dat uit­loopt op eigenzinnigheid, of opstan­digheid tegen de Geest des Heren en verzet tegen de leiders van het volk, of tot onderling gekrakeel en onte­vreden gemopper, ontstaat er een groot gevaar.

De gevolgen kunnen rampzalig zijn. Er braken plagen uit onder het volk toen Israël in die fout ging. Verterend vuur, vurige slangen, opengesperde aarde, vijandige acties en onderlinge twisten maakten tallo­ze slachtoffers. De woestijntocht van het oude bondsvolk was vaak een barre ellende en zeker geen goed voorbeeld voor ons. De grootste tragiek was evenwel dat een hele generatie die uitgetrokken was, omkwam in het droge zand en nimmer het door God beloofde doel heeft weten te bereiken. Op twee na, Jozua en Kaleb. Dit alles heeft ons veel te zeggen. Het is ter waarschu­wing voor ons opgetekend, opdat wij geen lust tot het kwade zouden heb­ben en onderweg niet zouden omko­men.

In Hebreeen 3 en 4 wijst de schrijver er nog eens op, dat Gods volk des­tijds het beloofde niet verkreeg door ongehoorzaamheid en ongeloof. Er bleek onvoldoende beheersing en discipline te zijn. Hierdoor geraakte men achterop en viel men uiteinde­lijk af van de levende God.

In dit verband is het niet zomaar dat Paulus van zichzelf getuigt: “Ik tuch­tig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepre­dikt te hebben, wellicht zelf afgewe­zen te worden” (1 Kor. 09:27). Hij ont­wikkelde wèl de zelfbeheersing als vrucht van de Geest. Hij kon later dan ook aan Timoteüs schrijven dat hij de goede strijd gestreden, zijn loop ten einde gebracht en zijn geloof behouden had. De Here zou hem voorts beveiligen tegen alle boos opzet en behouden in zijn hemels Koninkrijk brengen (2 Tim. 04:07 en 2 Tim. 04:18).

Het oordeel

Het is voor Gods kinderen onmoge­lijk dat er geen verleidingen komen (Luc. 17:01). Wij moeten door vele ver­drukkingen het Koninkrijk Gods bin­nengaan (Hand. 14:22). Wij dienen dus onze zielen te versterken met Gods woord en elkander aan te vuren tot liefde om bij het geloof te blijven. Dit blijkt in deze tijd noodza­kelijker dan ooit. Voor de barende vrouw staat immers de draak om haar zoon, het mannelijk wezen Gods, te verslinden. De satan gaat nog steeds onder Gods volk rond als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou kunnen verscheuren. Dit is niet te voorkomen. Het vormt het vij­andige aandeel in het proces van oor­deel.

Oordelen is scheiding maken tussen goed en kwaad in ons leven en in de gemeente. Als Gods woord tot ons komt, wordt er telkens weer opnieuw een keuze van ons gevraagd. Wat doen we ermee, aanvaarden we het of niet? De boze geesten trachten het laatste te bewerkstelligen; onze Heer het eerste. Hoe dit afloopt, hangt van onszelf af.

Zo stond Israël steeds weer opnieuw voor de keus om tijdens de vele beproevingen gedurende de lange reis in de grote woestijn met geloof op God te zien, of door ongeduld en ontevredenheid negatief te reageren.

Aangezien het louteringsproces om tot heiliging en eenheid te komen bij het huis Gods, de gemeente van Christus, begint, is het zaak om heel goed op onze tellen te passen. Slechts indien wij het begin van onze verzekerdheid en de hoop waar­in wij roemen tot het einde onverwrikt vasthouden, zullen wij deel krijgen aan de volle geopenbaarde heerlijkheid van de Heer in ons leven. Wij kunnen het ons niet ver­oorloven daarin te verslappen, nala­tig of weerspannig te worden. Niets kunnen wij meer door de vingers zien, geen zonden, geen liefdeloos­heid, geen ontrouw en geen onenig­heid.

Het oordeel, de totale scheiding tus­sen licht en duisternis zal zich in deze tijd tot in de details van ons leven en onze gemeente dienen te voltrekken. Gods volk zal enkel licht in de Here moeten worden, om het laatste traject van de grote pelgrims­reis met goed gevolg te kunnen gaan afleggen.

Opstelling

Het is geenszins de bedoeling om allerlei mogelijke gevaren en ver­keerdheden te bespreken die ons bedreigen gedurende onze reis door de grote woestijn. Enerzijds zal de Heer Zelf, waar en zo dikwijls als maar enigszins mogelijk is, zijn vol­gelingen door de Geest overtuigen van zonde of afdwaling (Jes. 29:24 en

Jes. 30:21; Joh. 16:08-09). Anderzijds is na tweeduizend jaar christendom gebleken dat wie fout wil gaan, dat toch doet. Tot op deze dag zitten we met een verdrietige balans van scheuringen, verdeeldheid, zonden, problemen en afvalligheid. Er zou­den redenen genoeg zijn om tegen elkaar te zuchten en als slaven van Christus elkander voor de zoveelste keer om de oren te slaan nu de Heer nog steeds uitblijft (Luc. 12:45). Hierdoor wordt echter de noodsitu­atie binnen Gods volk niet opgelost, maar juist verergerd. Niemand is daarmee gediend. Jacobus hield ons dit al voor, en dat ook met het oog op Gods barmhartigheid (Jak. 05:07-11). Neen, veeleer willen wij met allen die de Heer en zijn komende ver­schijning van harte en onbaatzuchtig liefhebben, tot concrete daden komen ter verbetering en genezing van zijn volk. En dat niet met het belerende vingertje, maar ieder beginnend in eigen leven en wandel. Waar liggen mogelijkheden, kansen en gelegenheden om met elkaar iets heel moois te gaan opbouwen? Hoe kunnen wij met elkaar stimulansen ontwikkelen die zo sterk zijn dat al het kwade door het goede wordt overwonnen? Op welke wijze en met welke middelen zullen wij de lange tocht voortzetten tot het goede einde? Kortom, hoe stellen wij ons op ten aanzien van het traject dat nog voor ons ligt? Want de woestijn is groot en de reis dus lang. Het einddoel des geloofs is nog niet verwerkelijkt. Maar toch willen we onderweg niet opgeven of omkomen. Er is nog geloof, er werkt nog ijver, er blijft nog moed en trouw bij velen die des­tijds het fundament van geloof leg­den en de boodschap hoorden over een heerlijke toekomst. De Here Zelf heeft er toch over gesproken, zouden wij dan niet profeteren en de hand stevig aan de ploeg houden?

Geheel anders

In Psalm 81 en 106 werden de Israëlieten nog eens herinnerd aan hun verkeerde houding tijdens de woestijnreis. Indien zij wèl naar God hadden geluisterd, in zijn wegen hadden gewandeld en hun mond wijd hadden geopend om gevuld te worden, dan zou Hij nog veel grotere wonderen hebben verricht. Dan zou die lange tocht onder totaal andere, goede omstandigheden zijn verlo­pen. Hij stond immers met zijn Geest in hun midden (Hagg. 02:06). En dan is alles mogelijk. Zij bedroef­den echter door hun weerspannig­heid zijn heilige Geest (Jes. 63:10a).

Daardoor werd het verblijf in de grote woestijn voor hen fataal. Hoe anders zal Gods volk van van­daag het vergaan, als het Hem gelooft en gehoorzaamt. Het voort­trekken wordt tot een feest dat een spoor van heil achter zich laat. Psalm 84 toont ons de mogelijkheden. Welzalig de mensen wier sterkte in de Heer is, in wier hart de gebaande wegen zijn. In èn met hen kan God zijn werk doen om zijn heerlijkheid te openbaren. Zij zijn door Hem in staat om een tocht door een dal van balsemstruiken, beeld van dorheid en woestheid, te gebruiken om het te veranderen in een oord van bronnen. In zwakheid en onmogelijke situaties is de Heer hun sterkte en komt de kracht van Christus over hen, waar­door alles anders wordt. Zodoende gaan zij voort van kracht tot kracht en verschijnen voor God in Sion. Wat ons onderweg in de grote woe­stijn ook mag overkomen, wij heb­ben geen bovenmenselijke verzoe­king te doorstaan. God is immers getrouw die niet zal gedogen, dat wij boven vermogen verzocht worden. Hij zal in alle verzoekingen, ons door het rijk der duisternis aange­daan, er voor zorgen dat wij ertegen bestand zullen zijn en niet zullen omkomen. Hij doet ons door de grote en vreselijke woestijn gaan, met vurige slangen en schorpioenen

en dorstig land zonder water om u ten laatste wèl te doen (Deut. 08:15-16). Hij geeft ons kracht om vermo­gen te verwerven, waardoor een behouden aankomst mogelijk wordt (Deut. 08:18). De vraag aan ons is: willen wij het geheel anders gaan doen dan het oude Israël? Zijn wij bereid om, met het oog op de toekomst, het ook anders te gaan doen dan wij tot nu toe ‘gewend’ zijn geweest? Zien wij immers om naar de sporen die veertig jaar Nederlands volle evangelie heeft achtergelaten, dan is er naast veel goeds helaas ook te veel verkeerds te bespeuren. Er liggen in de grote woestijn langs de weg die wij gingen kadavers als gevolg van verdeeldheid, zonden, oppervlakkigheid, verwarring, gebrek aan zalving en kracht, vermenging met babel en wereld, ontrouw, kritiek en liefde­loosheid, verstarring en nalatigheid. Van Kaleb staat geschreven dat er bij hem een andere geest is geweest dan bij het volk en dat hij God volkomen heeft gevolgd. Daardoor is hij veilig en behouden uit de grote woestijn gekomen en heeft hij het einddoel van geloof voor zijn tijd wèl bereikt (Num. 14:24). Het is dus mogelijk om in zo’n geestelijke conditie te komen, dat Gods voornemen snelle voortgang kan maken in zijn gemeente van nu.

Marsorders

Zowel aan de afzonderlijke gelovige als aan de gemeente in haar geheel geeft Jezus in zijn evangelie belang­rijke adviezen voor de weg en de tijd die voor ons ligt. Hij wil dat zijn volk zal slagen. En dat kan! We reizen immers niet alleen, de grote leids­man en hogepriester is alle dagen in ons midden. Hij gaat met ons mee. Blijkens de kracht die tot nu toe in ons werkt, is Hij bij machte oneindig veel meer te gaan doen dan wij bid­den of beseffen. Om als trouwe vol­gelingen van Hem tot in het einde toe mee te gaan en om in al zijn ver­zoekingen bij Hem te blijven, zullen wij zijn marsorders serieus nemen (Luc. 22:28).

Om de groei van Christus in ons tot volheid te laten komen, zullen wij allereerst onbeweeglijk in het geloof dienen te wandelen (Heb. 10:39b): geloof in Gods plan, in zijn weg en in zijn doel. Het geloof overwint (1 Joh. 05:04-05).

Ons geloof zal toenemen en onder alle omstandigheden standhouden, indien het ontstaat uit en dagelijks wordt gevoed met het goede woord van God: levende, profetische woor­den, verborgen en nieuw manna voor nu. Woorden om mee te kun­nen leven, te wandelen, te werken.

Ontwikkel een oor om de Heer te kunnen horen spreken in plaats van eindeloos te theoretiseren en te dog­matiseren. Dat heeft tot te veel twist en scheuring geleid. Het dagelijks gesproken woord van Christus zal overvloedig in ons gevonden moeten worden. Zonder zaad geen oogst. Hoe wij ook onze diensten opluiste­ren met allerlei verfraaiingen en onze gemeenten laten deelnemen aan vele zinvolle activiteiten, het zijn ons persoonlijk geloof en de woord­rijkdom in onze harten die ons wer­kelijk verder brengen in het heil. Vervolgens zal een persoonlijke en intieme relatie met Jezus Christus moeten worden onderhouden. God heeft ons daartoe geroepen (1 Kor. 01:09). Zonder de Heer beginnen we niets in de grote woestijn. Hij alleen leidt ons er als de grote wijsheid en kracht Gods behouden doorheen. Wordt daarom één geest met de Here door een voortdurende gemeenschap met Hem. Door heili­ge Geest zal Hij ons dan kunnen sterken, onderrichten, leiden en vol­maken. Vandaar het grote belang dagelijks vervuld te zijn met die Geest. Geen teren op zalvingen en zegeningen uit het verleden, maar iedere dag opnieuw ons laven met jonge wijn en verse olie. Paulus bidt om door Gods Geest gesterkt te worden in de inwendige mens, opdat Christus woning kan maken en zijn aanwezigheid in ons zal uitlopen op een vervulling tot alle volheid Gods (Ef. 03:14-19). Juist het charisma­tisch element van het evangelie van het Koninkrijk, functionerend door geestelijke gaven en zich manifeste­rend met wonderen, tekenen, krach­ten en genezingen, tonen aan de wereld de majesteit van de verrezen Heer. Aangezien de vijand niet stil zit en ons voortgaan zal trachten te beletten, zullen we waakzaam blij­ven. Wanneer hij zich aandient, zul­len wij weerstand bieden en in de kracht van de Heer onze strijd voe­ren in de hemelse gewesten (Ef. 06:10-13). Wie dat loslaat, diens geloof leidt alsnog schipbreuk

(1 Tim. 01:18-19). Mede hierdoor zal het absoluut noodzakelijke streven naar algehele levensheiliging onontbeerlijk zijn, zonder welke niemand de Here zal zien (Heb. 12:14). Jezus belooft dat de reinen van hart God zullen zien. De op handen zijnde heerlijke open­baring van Jezus Christus in de zij­nen gaat volgens Petrus hand in hand met het heilig zijn in al onze wandel (1 Petr. 01:13-16).

De oproep ertoe gaat gepaard met een jagen naar de vrede met allen. We reizen immers gezamenlijk, als volk, en niet als egocentrische sologangers. Een brandend appèl zijn de verzen 1 tot en met 5 en 12 tot en met 16 uit het tweede hoofdstuk van Paulus’ brief aan de Filippenzen. Daar kunnen en mogen we niet meer omheen!

Ook in Efeze 4 vers 1 tot en met 6 (Ef. 04:01-06) worden wij opgeroepen om met elkaar op te trekken in eenheid door de band van de onderlinge vrede. De wereld zal de zonen Gods als zodanig herken­nen door hun liefde (Joh. 13:34-35). De praktische uitwerking van Jezus’ bevel is mogelijk, wat men er ook tegenin brengt of hoe men er ook onderuit wil. Het kan wel! De Heer geeft geen onuitvoerbare opdrachten. Hijzelf is het grote voorbeeld van verdraagzaamheid en aanvaarding van anderen. Tot het einde heeft Hij immers de zijnen liefgehad en voor hen gebeden en hen gediend. Daarin bleef Hij zijn eigen identiteit vast­houden. Dat mogen wij eveneens. In de liefde is geen vrees. Wie in de Here staat en voor zijn eigen besef ten volle overtuigd is, behoeft niet bang te zijn besmet of verleid te wor­den door de wat anders zijnde identi­teit van zijn medebroeders en zus­ters. Waar er nog verschillen zijn, zal de Heer ook dat openbaren en recht weten te maken.

Geachte lezer, brandt uw hart voor de zaak van Christus? Zoekt u zijn gunstgenoten? Wilt u zich heiligen voor Hem en hen? Wie daarnaar dorst, kome nader tot Hem en elkaar. De tijden worden zwaar, maar de dag genaakt. Zie niet om, maar slechts vooruit. Zie niet om u heen, maar slechts op Jezus. Houd de hand aan de ploeg, er wacht veel en prachtig werk. Stel u enkel goed op en wees bereid om de zaak van Christus te dienen. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten (Heb. 10:37)!

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert-Jan Doornink

“Geliefden, laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde moogt verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid. Indien gij door de naam van Christus smaad lijdt, zijt gij zalig, daar de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods op u rust” (1 Petr. 04:13-14).

De gemeente: virtueel of levensecht?

“Heeft u het nieuwe ’toverwoord’ al gehoord? In verschillende situaties kom u het tegen. Het is helemaal ‘in’. Het is een woord dat een hoog technologisch niveau aangeeft. Een woord met status. Ik bedoel het woord ‘virtueel’. Voor sommige lezers is het al een gewoon woord, maar voor anderen is het een soort bargoen of vakjargon. Virtueel wil zeggen ‘niet zichtbaar’ of ‘niet tastbaar’. Deze term komt uit de compu­terwereld”.

Zo begint een artikel van Rob Bremer, dat we lazen in het Menorah-magazine, het gemeente­blad van de Menorah-gemeente uit Apeldoorn. Onder de titel ‘Echt of zogenaamd echt?’ haakt Bremer in op dit nieuwe fenomeen en legt uit dat een computer een hoeveelheid geheugen bevat: “Vroeger was geheugen erg duur. Computerbouwers probeerden daar­om trucjes te vinden om met zo wei­nig mogelijk geheugen toch zoveel mogelijk te doen. Toen vonden ze het ‘virtuele geheugen’ uit. Dat was een stuk geheugenruimte dat er eigenlijk niet was, maar je kon er toch plezierig gebruik van maken. Het bestond dus niet echt, maar zogenaamd. Daarna werd deze term voor meer zaken gebruikt. Wanneer we nu in de krant lezen kom je het woord ‘virtueel’ op meer plaatsen tegen. Tegenwoordig heeft men het ook over een virtuele werkelijkheid en over virtuele organisaties. Nog steeds bedoelen ze er iets mee dat er eigenlijk niet is, maar dat je wel kunt gebruiken”.

Dan haalt Bremer Lucas 16 aan waar Jezus de gelijkenis vertelt van de onrechtvaardige rentmeester en Hij de opmerking maakt dat de kinderen van deze wereld ten aanzien van hun geslacht met veel meer overleg te werk gaan dan de kinderen des lichts. “Wanneer je hierover nadenkt, begrijp je al snel dat de Heer Jezus in die rentmeester naar ons wijst. Wij hebben gaven en talenten en ver­mogen gekregen om daar God mee te dienen”. Maar doen we dat ook?, vraagt Bremer zich af en schrijft: “Velen beschouwen de gemeente aÉfe een organisatie, als een bedrijf. Anderen hoor je daar met veront­waardiging op reageren: “we zijn geen organisatie, maar een organis­me”. We zijn een lichaam, het lichaam van Christus.

Een virtuele organisatie?

Maar als je dan ervaart hoe mensen daarmee omgaan, krijg ik wel eens het idee dat er zijn, die de gemeente als een virtuele organisatie beleven. Een virtuele werkelijkheid kun je ervaren wanneer je een speciale video-bril opzet. Dan zie je een wereld die in werkelijkheid niet bestaat. Je kunt er in rondlopen, jachtige dingen zien, voorwerpen aanraken en verplaatsen. Maar het bestaat allemaal niet echt. Van alles is er te zien; van alles is er te horen, van alles is er te doen, maar het is compleet niets.

Zo zou je met de gemeente kunnen omgaan. Je kunt op zondagmorgen in de dienst zijn, geweldige emoties beleven, blij gemaakt worden, ver­wonderd, zelfs overweldigd zijn. Dan ga je weer naar huis en alles is weer geweest. Je kunt er nog over naden­ken en praten, maar het niet meer zien, horen of aanraken. Is geloven zoiets als even uitstappen in een vir­tuele wereld? Is de hemel virtueel?

hoe ervaar je dan het Koninkrijk van God? En de gemeente? Inderdaad zijn er mensen die doen alsof de gemeente virtueel is. Ze stappen even uit de werkelijkheid en gaan dan even naar een virtuele reli­gieuze wereld.

Maar je kunt de werkelijkheid van Gods Koninkrijk pas echt ervaren wanneer je beseft dat die niet virtu­eel, maar levensecht is. Dat merk je wanneer je in plaats van religie bedrijven, een relatie met de Heer hebt. Dat merk je wanneer je al je mogelijkheden aanwendt om te die­nen in dat Koninkrijk, om als een verantwoordelijke rentmeester met inzicht en toewijding te werken voor de Heer. Dan kun je Hem de vrucht van je arbeid aanbieden. Hoe is ons gedrag, onze houding, onze betrokkenheid bij Gods Koninkrijk? Wanneer wij als gemeente een ‘bedrijf zouden zijn, hoe zou dan onze positie zijn? Gezond? Levend? Levendig? De gemeente is geen bedrijf, geen organisatie. Wij moeten een lichaam zijn. Wij als leden van dit lichaam, moeten ons inzetten met alles wat we van onze Meester ontvangen heb­ben. Daarmee verwerven we ons een schat in de hemel”.

Welke taal spreken wij?

Het antwoord op de vraag welke taal wij spreken is natuurlijk heel een­voudig: het Nederlands, anders zou u dit blad niet lezen. Alleen wanneer u jarenlang in een ander land woont is het vanzelfsprekend dat u dan de taal van dat land spreekt. Nu is de Nederlandse taal de laatste jaren sterk aan afbraak onderhevig. Engels wordt meer en meer beschouwd als dé wereldtaal en een voortdurende toename van het gebruik van Engelse woorden en uitdrukkingen is dan ook een kenmerk van deze tijd. Allerlei tijdschriften en dagbla­den schenken er aandacht aan en De Telegraaf publiceerde onlangs zelfs een lijst van 100 woorden en begrip­pen die vrijwel uitsluitend in het Engels nog worden gebruikt. Er zijn zelfs geleerden die menen dat men het Nederlands als dialect kan beschouwen wat met verloop van tijd grotendeels gaat verdwijnen. De vraag is of wij als christenen ons daar nu zo druk om moeten maken. Is het niet veel belangrijker dat de mensen ook aan ons taalgebruik merken dat we anders zijn, nieuwe scheppingen in Christus? Want een ander verontrustend verschijnsel van deze tijd is de verruwing en verloede­ring bij velen in het spreken en schrijven. Ook hierin zien wij hoe de vorst der duisternis hoe langer hoe meer geïnfiltreerd is in het denken en leven van velen. Als christenen zullen we ons in dit opzicht niet laten meesleuren en nemen wij de woorden van Paulus ter harte: “Gij geheel(!) anders, hebt Christus leren kennen…” (Ef. 04:20). Waakzaamheid is echter nood­zakelijk. Jacobus schrijft niet voor niets dat wie in zijn spreken niet struikelt een volmaakt man is… (Jak. 03:02). En het verlangen naar de volmaakt­heid en de openbaring van het zoon­schap is toch wat ons voortdurend bezighoudt? Wat dat betreft behoren we ons te realiseren dat ons nog een belangrijk ‘hulpmiddel’ te beschik­king staat! Het is de tongentaai, de geestelijke taal die God ons in Zijn grote liefde heeft toevertrouwd! Maken we hier gebruik van? Laten we niet over het hoofd zien dat het spreken in tongen vooral in ons per­soonlijk leven van grote betekenis is, ook als wapen in de geestelijke strijd. Paulus legt in zijn brief aan de gemeente te Korinthe, wanneer hij schrijft over het gebruik van de ton­gentaai, ook sterk de nadruk op dit persoonlijke gebruik. Hij dankt God zelfs dat hij meer dan wie dan ook in tongen spreekt. Laten wij ook in dit opzicht zijn voorbeeld volgen en daardoor ervaren hoe belangrijk en onmisbaar ook déze taal is!

De geest van de Antichrist

Door alle eeuwen heen hebben velen zich afgevraagd wie toch de Antichrist is, waarvan sprake is in de brieven van Johannes. Meestal wordt hij in verband gebracht met één of andere werelddictator die aan het ‘einde der tijden’ zich tenvolle gaat openbaren en op een verschrikkelijke wijze de ware christenen zal onder- drukken en vervolgen. Talrijk zijn de speculaties en voorspellingen geweest ten aanzien van allerlei grote dictators uit het verleden. Zo werden bijvoorbeeld keizer Nero en recente­lijk Hitier gezien als de Antichrist. Men bedacht daarvoor allerlei getal- lencontructies om het ‘getal van de mens’ -666- in bepaalde personen te zien, die dan als ‘bewijs’ golden dat men te maken had met de Antichrist.

Het spreekt vanzelf dat waarachtige christenen zich niet inlaten met deze getallengoochelaars en valse profe­ten. Daarom waren we ook erg ver­wonderd dat in het evangelisch tijd­schrift ‘Het Zoeklicht’ opnieuw iemand wordt beschreven die moge­lijk de Antichrist zou kunnen zijn. Het gaat nu om Maitreya en zijn pro­feet Benjamin Creme. Het blad schrijft: “Overdrijven we nu met de bewering dat Maitreya wel eens de echte antichrist zou kunnen zijn? Zien we geen spoken? Neen! De bij­belse profetieën passen niet alleen exact in het kader rond Maitreya en Benjamin Creme, maar ook in de ontwikkelingen rond de New Age- beweging”. Dan laat het blad zien dat de 666-code past bij de naam ‘Maitreya’:

“Wanneer we deze naam in modern Hebeeuws (Ivriet) vertalen dan vormt de getallenwaarde 666. De optelling van de Hebeeuwse letters is als volgt: mem (40), jod (10), taw (400), reesh (200), jod (10), alef (1), hee (5), samen 666”. Hoewel men in een vervolgartikel weer wat terugkrabbelt en een slag om de arm houdt, gaat men wel van het standpunt uit dat deze figuur, die enkele jaren geleden ook al in het nieuws was, wel eens de Antichrist zou kunnen zijn…

Waaraan men voorbijgaat

Waar deze en andere voorspellers echter geheel aan voorbijgaan is dat Johannes in zijn brieven niet alleen spreekt over de toekomstige Antichrist, maar ook over twee facet­ten waar we als nü levende christe­nen al volop mee te maken hebben. Het eerste is dat Johannes zegt dat er ook nü al vele antichristen zijn opge­staan (1 Joh. 02:18). Daar hebben we dagelijks mee te maken. Maar daar hoeft geen angst voor te bestaan, want we hebben een ‘zalving van de Heilige’ ontvangen, zegt Johannes in hetzelfde hoofdstuk (vs. 2). Die zal­ving, dat vervuld zijn met Gods Geest, maakt dat we ons niet laten verleiden, dat we niet bang zijn, maar weten dat we met Christus overwinnaars zijn. Het tweede aspect, waarop Johannes attendeert, vinden we beschreven in het vierde hoofdstuk van zijn eerste brief, waar als titel boven staat ‘het beproeven der geesten’. Daar schrijft hij over de géést van de antichrist: “Iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en (let op!) hij is nu reeds in de wereld”. Maar dan vervolgt Johannes met deze geweldige bemoediging: “Gij zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen; want Hij, die in u is, is méérder dan die in de wereld is” (vs. 3-4). Dat is het geheim waar­door waarachtige christenen zich niet laten verleiden. Zij hebben met Christus hun plaats ingenomen in de hemelse gewesten. Want alleen van daaruit is het mogelijk geestelijk te strijden en te overwinnen! We leven in een tijd waarin veel mis­leiding de kop opsteekt. De gemeen­te wordt geconfronteerd met allerlei eindtijdverwachtingen, die veelal onder een vrome dekmantel gebracht, christenen die in een beginstadium van hun geloofsleven zijn blijven steken, gemakkelijk verkeerd kunnen beïnvloeden. Wie geestelijk gegroeid is tot een vol­wassen christen laat zich echter niet met een kluitje in het riet sturen, houdt rekening met de waar­schuwingen van de apostel ten aan­zien van de vele anti­christen die al onder ons zijn, en met de werkzaamheid van deze ver­keerde geest, maar zal als overwinnaar met Christus volledig tot openbaring komen, want Hij, die in ons is, is méérder dan die in de wereld is!

 

De morgenstilte door Truus van Kaam

Uitziend over de weilanden in de vroege morgen ervaren we deze stilte, een balsem voor de ziel. Zo’n ruimte kan een mens in de rust en vrede van God brengen. Zijn klimaat is duidelijk merkbaar in deze onbegrensde stilte. Dan komen als vanzelf woorden Gods naar ons toe: Hoe groot zijn Uw werken, zeer diep zijn Uw gedachten! (Ps. 092:006). Leven in de ruimte van God maakt het leven zinvol en geeft perspectief. Voor ons een zaak om elke beklemming op te heffen, zodat de Heer ons hart kan vullen, doordrenken met Zijn liefde, vrede, rust. Vertrouwend op Hem, ook als het antwoord nog op zich laat wachten. In de rust van God leren we standhouden ondanks alle akties van de vijand. We mogen leren alles te geven en Hem te volgen naar het beloofde land: Het Koninkrijk Gods in ons.

 

De feesten in het oude Israël door Hessel Hoefnagel

 

De vrede van Jeruzalem deel 6

In verband met de vorming en vol­tooiing van de eerder genoemde ’tempelstad’ in de hemel staan we nu even stil bij een opeenvolgende reeks van drie jaarlijkse feesten, die het natuurlijke volk Israël vanaf de uittocht uit Egypte moest vieren. Deze feesten vormen namelijk een profetische heenwijzing naar de ver­vulling daarvan in de openbaring van Jezus Christus:

a.als enkelvoudige Zoon van God

b.in Zijn ‘lichaam’ van vele ‘zonen Gods’ en

c.vandaaruit doorgaand totdat de hele schepping funktioneert naar Gods bedoeling.

Het volk Israël moest in een drietal oogstfeesten uitdrukking geven aan de toekomstige bedoeling van God met betrekking tot het herstel van de hele schepping. Hieronder geef ik van elk een korte omschrijving.

Feest van ‘ongezuurde broden’

Dit feest werd gevierd in de eerste maand van het jaar, voor het eerst direkt bij de aanvang van de uittocht uit Egypte na een langdurige periode van slavernij. Het Paasfeest duurde zeven dagen achtereen. Er werd ongezuurd brood gegeten vanaf de avond van de 14e tot aan de avond van de 21e dag van de eerste maand van het jaar. Tijdens deze periode mocht er niets in huis wezen, wat gezuurd (gegist) was. Tijdens de eerste viering van dit feest, toen het volk Israël nog in

Egypte was, werd het bloed van het geslachte paaslam gestreken aan de bovendorpel en de deurposten van de huizen ter bescherming tegen de ‘verderfengel’, die rondging in Egypte en alle eerstgeborenen van de Egyptenaren doodde (Exodus 12; Heb. 11:28). Deze verderfengel is dezelfde engelvorst, welke later wordt aange­duid met Dood.

Bij dit feest van het paaslam en de ongezuurde broden werd ook de ‘eerstelingsgarve’ van de gersteoogst voor het aangezicht des Heren bewo­gen. Met dit jaarlijks weerkerende feest moest het volk Israël uitdruk­king geven aan de betekenis van het lijden en sterven van de komende Messias (Joh. 01:29; 1 Joh. 02:02). Zijn bloed (leven) werd uitgegoten in de dood omwille van de ‘zonde der wereld’. Door deze daadstelling werd de macht van de Dood (verderfengel) verbroken. Wie door geloof het ‘vlees’ van dit offerlam zou eten en deel zou hebben aan de ‘bloedstor­ting’, zou vrij blijven van de verderf­engel. De Heer Jezus relateerde aan het pascha toen Hij zei: ‘… Ik zeg u, tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage’… (Joh. 06:53-58).

Dit geldt nu nog onverkort. Wie het eeuwig leven wil beërven, moet bre­ken met de zonde en het ‘oude zuur­deeg’ uit zijn leven wegdoen. Alleen zo ontstaat een ‘ongezuurd vers deeg’, dat deel heeft aan Jezus Christus als Zijn geestelijk lichaam, dat zich temidden van de nood van de wereld zal openbaren (1 Kor. 05:06-08).

Het ‘feest der weken’

Precies zeven volle weken na de eerstelingsgarve werd aan het eind van de gersteoogst het Pinksterfeest gevierd. Dat was in de derde maand van het jaar. De gersteoogst als totaal is een schaduwbeeld van de ware gemeente. Deze gemeente wordt gevormd door de vervulling met de Geest van God, die de Heer vanuit Zijn positie aan de rechterzijde van de Majesteit in de hoge (Heb. 03:11) uitstort in de harten van degenen, die geloven. Zo worden de ‘vele zonen’ gevormd als het lichaam van Christus, waarvan de Heer Jezus het Hoofd is. Hierbij speelt uiterlijke struktuur en benaming een onderge­schikte rol. Zoals het kind zich bij de geboorte losmaakt van de moeder­schoot en een ontwikkeling tot zelf­standig leven aanvangt, zal de ware gemeente van de eindtijd zich in zelfstandigheid openbaren uit alle volken, stammen, talen en natiën. Het rijp worden van de gersteoogst geschiedt dus in de periode tussen Pasen en Pinksteren. In de werke­lijkheid overgezet leven wij nu in deze periode. Pasen ligt achter ons, want ‘ons Paaslam is geslacht’ en de ‘Eerstelingsgarve’ is voor ons bewo­gen voor het aangezicht van God (1 Kor. 05:07). De heilige Geest is bezig velen te vervullen om deel te hebben aan het lichaam van Christus en dit tot volheid te brengen voor haar komende openbaring ten behoeve van de zuchtende schepping.

Het feest van de ‘inzameling’

De volgende fase in het herstelplan van onze God is dan de periode, die in schaduw werd afgebeeld in het vieren van het loofhuttenfeest. Dit feest werd in het oude Israël gevierd in de zevende maand van het jaar. Het getal zeven geeft in de Bijbel altijd een bepaalde volheid aan. Zo ook is het loofhuttenfeest een aan­duiding van de volheid van de tijden, waarin het plan van God geheel ver­vuld wordt. De hele zevende maand stond in het teken van dit omvangrij­ke oogstfeest. Niet alleen de gerste­oogst, maar ook de tarwe-, olijven- en druivenoogst waren binnengehaald. In geestelijke zin betreft het loofhut­tenfeest dus het tot volle funktie komen van het oorspronkelijke doel van de Schepper, waarin naar Zijn verlangen alle mensen een plaats hebben, want in Jezus Christus is de overweldigende genade van God ver­schenen, heilbrengend voor alle mensen (Ef. 02:07; Titus 02:11-13). Voor dit doel is onze Heer Jezus Christus als ‘Zoon des mensen’ geo­penbaard en is Hij als de Christus neergedaald tot in het rijk van de Dood. Hij is echter als Overwinnaar daaruit opgevaren tot ver boven alle hemelen, om vanuit Zijn genoemde positie in de troon van de Vader alles tot volheid te brengen (Ef. 04:10). De zevende maand is dus het beeld van de tijd van het einde. Het evangelie van onze God en onze Heiland Jezus Christus wordt aan alle mensen van alle tijden en alle plaatsen bekend gemaakt, alvorens het ‘amen’ van de grote Schepper klinkt. Slechts diegenen, die willens en wetens op deze genade geen acht slaan, gaan verloren voor het doel van God. Voor hen is geen andere weg, dan met de duivel en de Dood en al hun demonen in de eeuwige afgrendeling van de ‘poel des vuurs’ terecht te komen. Deze is echter slechts voor de demonen bereid en niet voor de mens.

De grote Verzoendag

De tiende dag van de zevende maand was voor de Israëlieten de ‘grote Verzoendag’. Deze duidt op de totale verzoening tussen de grote Schepper en Zijn schepping. De grote Verzoendag werd ingeluid door het blazen op de trompetten op de eerste dag van de zevende maand. Zowel de eerste als de tiende dag van deze maand werden als sabbat gevierd (Lev. 23:24-33). Het blazen op de trompetten duidt in het schaduw­beeld op de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus, dat immers de aanleiding vormt voor de verzoening tussen de Schepper en ‘alle dingen’ (Kol. 01:20). Verzoening houdt in dat er geen schuld meer is, want deze is volkomen kwijtgeschol­den. De ‘zonde van de hele wereld’ werd door de volmaakte mens, onze Heer Jezus weggenomen (1 Joh. 02:02). Deze zonde blokkeerde de schepping in het bereiken van het doel van de Schepper. Deze blokkade werd door de duivel bewerkt door de verleiding en verleugening van het nageslacht van de eerste mens, zodat dit geheel onder de claim van de Dood is geko­men. Deze blokkade is dus door de overwinning van onze Heer tenietge­daan en daarmee is de tijd van het herstel ingetreden. Al is dit in uiter­lijke zin nog niet te zien, toch is de openbaring van de nieuwe schep­ping al volop bezig. Ook hier geldt het voorbeeld van het naar geboorte (= openbaring) toegroeiende kind in de moederschoot.

De ontwikkeling van de vrucht

Sinds door de Vader zelf het ‘zaad’ (de mens Jezus Christus) in de grond’ (dodenrijk) gezaaid is en gestorven, ontwikkelt zich de nieuwe ‘plant’ met een veelvoud van vrucht, welke identiek is aan het gezaaide zaad.

De ontwikkeling van de vrucht van het zaad is eerst ‘ondergronds’, daar­na uiterlijk nog verborgen in de ‘halm’, maar uiteindelijk wordt het volle koren’ in de aar geopenbaard als gelijk zijnde met het oorspronke­lijke zaad (vgl. Mark. 04:26-29).

Als gevolg van de overwinning van Jezus Christus door Zijn opstanding van tussen de doden uit, werd dé claim van de Dood over de schep­ping verbroken. Deze kan zich sinds­dien weer oprichten om aan haar potenties invulling te geven. Voor de mens betekent dit eeuwig leven zon­der beperkingen, mits hij gelooft en breekt met elke vorm van zonde. Zoals een vlinder uit de verpopte rups tevoorschijn komt, openbaart zich de nieuwe schepping uit de oude. Een rups is gebonden aan de aarde. Zij is onvruchtbaar, hoewel zij de lciem van de vlinder in zich draagt. Zo wordt de waarde van de eerste schepping bepaald door de openbaring van de nieuwe. In deze fase van innerlijke ontwikke­ling leven ook wij en verwachten met ‘lijdzaamheid’ de openbaring van het nieuwe leven. Deze nieuwe schep­ping is als de vlinder, die zich vrij in de lucht beweegt en zo nodig neer­daalt op de aarde, maar zich ook weer kan verheffen. Vergelijk hier­mee als voorbeeld de situatie van de Heer Jezus in Zijn verschijningen aan Zijn discipelen na Zijn opstan­ding. De nieuwe schepping heeft haar ontwikkeling in de hemel en vandaaruit komt zij tevoorschijn op aarde. Zij is ‘van boven’, vanwaar iedere gave die goed is en elk geschenk, dat volmaakt is, neerdaalt van de Vader der lichten (Jak. 01:17). Midden in de zevende maand, op de vijftiende dag, begon in Israël het zeven dagen durende Loofhutten­feest. Een feest van rust en genieten. Vanuit een volkomen rust en geduld wacht de grote Schepper als de Landman op de openbaring van de kostelijke vrucht, waartoe Hij alle ‘ingrediënten’ heeft voorbereid en ingebouwd. Hij heeft het zaad in de grond gebracht en heeft geloof, dat het zijn vrucht zal opleveren. Zo moeten ook wij geduld oefenen en onze innerlijke mens versterken, want het plan van onze God is bezig zich te voltrekken (Jak. 05:07-08).

 

Het herstel van de gemeente (4) door Wim te Dorsthorst

Eigenlijk wat vreemd om in een tijd van geweldige afval en leegloop van de kerken te schrijven over het herstel van de gemeente van Jezus Christus. Maar juist ten tijde van de grote ajval komt het geheimenis Gods, de gemeente, tot voltooiing zie hiervoor 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 en Openbaring 10 vers 7 (2 Thess. 02:03 en Openb. 10:07).

Het is een heerlijke werkelijkheid dat over de gehele wereld mensen, juist ook uit de kerken, tot bekering komen in deze tijd. Maar even goed ook mensen uit volksstammen die nog nooit iets van het evangelie gehoord hebben. God roept uit het joodse volk, uit de moslimwereld en alle andere grote en kleine godsdien­sten mensen tot bekering. En dit alles naar de belofte die wij lezen in Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09), waar het Lam Gods in een nieuw gezang wordt toe­gezongen: “Gij zijt waardig de boek­rol te nemen en haar zegels te ope­nen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie”.

Al die waarachtige wedergeboren mensen zijn door bekering, volwas- sen-waterdoop en vervulling met de Heilige Geest geworden tot burgers van een rijk in de hemelen, burgers van het Koninkrijk Gods (Filip. 03:20). En al deze mensen brengt de Heer in plaatselijke gemeenten samen waar Hij hen maakt tot een koninkrijk en tot priesters voor God, die eenmaal als koningen zullen heersen op aarde. Dat zegt Openbaring 5 vers 10 (Openb. 05:10). En als wij over de gemeente spreken dan wordt bedoeld het waarachtige Lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is. Dan spreken wij over het heilige Sion Gods, het hemelse Jeruzalem, het huis Gods, de eerste­lingen onder Zijn schepselen naar Zijn eeuwige raad.

De Here nu is de Geest

In de voorgaande artikelen heb ik daar al het een en ander van geschre­ven. In het laatste artikel (nr. 3) heb ik geschreven over hoe de Heer Jezus, nu van Zijn plaats aan de g rechterhand Gods alles in de gemeente tot volheid gaat brengen (Ef. 04:10). De Heilige Geest vervult daarin een grote rol want de Here nu is de Geest en de grote verandering van heerlijkheid tot heerlijkheid vindt plaats door de Here, die Geest is, zegt het Woord (2 Kor. 03:17-18). Ik geloof dat het belangrijk is een goed zicht te hebben op het werk van de H. Geest. In ieder geval te geloven wat Gods Woord hiervan zegt. Want als men de Heilige Geest ontkent in Zijn werkingen in het Lichaam van Christus, dan kan Hij niet werken en wordt Hij uitgedoofd. Al het werk in de gemeente en aan de gemeente doet de Heer door mid­del van “gaven”.

Gaven van mensen, waardoor de goddelijke energie, de kracht van de Heilige Geest stroomt. Dat is de kracht waarmede Jezus uit de doden is opgewekt. Deze gaven van de geest van de mens, worden door de Heilige Geest tot leven gewekt en bekrachtigd, waardoor het Lichaam van Christus geestelijk, bovennatuur­lijk gaat groeien (zie art. 2 en 3).

Gaven van de Heilige Geest.

Mensen die de Heer als gaven geeft aan de gemeente.

Dat zijn de kanalen, zou je kunnen zeggen, waardoor Gods genade,

kracht en werking stroomt en de Heer alles tot volheid gaat brengen.

De bedieningen

Wij willen ons nu bezig houden met dit laatste en zien hoe de Heer men­sen wil geven om de gemeente te lei­den en om mee te werken aan het tot volheid komen van Gods volk. In Efeze 4 vers 10 tot en met 13 (Ef. 04:10-13) lezen wij daarvan: “Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alle? tot vol­heid te brengen. En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijp­heid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”. Geweldige woorden van Paulus, waaruit vóór alles spreekt het heerlijke doel waar­toe de Heer mensen geeft met bij­zondere genadegaven, om de gemeenten te helpen vormen tot de gehele omvang van de volheid van Christus. Hier wordt in het algemeen over gesproken als van de vijfvoudi­ge bediening. Deze vormen niet als vanzelfsprekend de dagelijkse leiding van de plaatselijke gemeente. Voor we iets van de bedieningen kunnen zeggen zullen we eerst moe­ten kijken wat de Bijbel zegt over de algehele leiding van de gemeente.

Leiding en gezag

Als iets herstel nodig heeft in de gemeente van Jezus Christus dan is het wel het hele terrein van leiding en gezag, van bedieningen en van gaven in de gemeente. De duivel heeft kans gezien de ogen hiervoor te verblinden en dit hele terrein te bedekken met een dikke laag religi­euze namaak. De leiding en gezags­structuur zoals het Woord dit laat zien, is vervangen door menselijke systemen.

Ik heb dat in artikel 2 beschreven als het ‘kerkmodel’, wat voor een groot deel overgenomen is in de evangeli­sche-, pinkster- en volle evangeliege­meenten. In plaats van de dominee, waaronder een oudstenraad, is het nu veelal een voorganger met een broederraad. In veel gevallen is dit ontwikkeld tot een systeem, waarin de voorganger min of meer absoluut gezag heeft en waar de overige oud­sten zich aan dienen te onderwer­pen. Dit gaat soms zover, dat de voorganger gezien moet worden als een bijzondere gezalfde des Heren die bijna onfeilbaar is en geen correctie behoeft. Maar al te vaak spreekt men dan van: “De gemeente van voorganger NN…”.

Wat zegt Gods woord hierover?

Als we spreken over herstel en ver­nieuwing van de gemeente, dan gaat het immers om een terugkeer naar de werkelijke bijbelse fundamenten, waarheden, structuren en belevingen in de gemeente, het Lichaam van Christus. Ik las in een commentaar dat zowel de gaven van Heilige Geest, als wat Paulus beschrijft in Efeze 4 over de bijzondere genadega­ven vooral noodzakelijk waren in de begintijd van de kerk. Dat was de kindertijd en de Bijbel, zoals wij die nu hebben, was er nog niet. Nu heb­ben wij echter de Bijbel en is er een staat van volwassenheid gekomen en zouden wij dit alles niet meer nodig hebben. We lazen echter in Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13): “… totdat wij allen tot die volmaaktheid en de volheid van Christus zijn gekomen”. Het is dus noodzakelijk tot het einde toe en daarom geloof ik dat de Heer Zijn dorsvloer ook zal reinigen van deze vrome verleugeningen en het denken vanuit tradities. Juist nu de gemeente tot volheid gaat komen, is het zo belangrijk dat alle dogmati­sche en door traditie bepaalde structuren en menselijke systemen ver­vangen worden door de bijbelse prin­cipes. Zo niet, dan zal het belemme­rend werken in de voortgaande ont­wikkeling van de gemeente, waarbij ieder gemeentelid belangrijk is en betrokken dient te zijn. Immers door een verkeerde invulling van leiding en gezag is de belangrijke plaats van de individuele gelovige ook verloren gegaan.

In Efeze 4 vers 16 (Ef. 04:16) lezen we: “En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een welsluitend geheel en bijeen­gehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”. Zo wil de Heer dat het weer zal functioneren.

Terug naar Gods woord

Terug naar Gods woord is niet ouderwets en traditioneel, maar is vernieuwend. Ik geloof dat het belangrijk is te beseffen dat de lei­ding- en gezagsstructuren, zoals we die lezen in het boek Handelingen en de brieven, niet kunnen steunen op traditie, maar op het werk van de Heilige Geest voor de begintijd en voor nu. De apostel Paulus schrijft” aan de Romeinen: ” Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt” (Rom. 12:02 Willibr.vert.). Een heel belangrijk woord in verband met dit onderwerp. Wie open en eerlijk het Nieuwe Testament bestudeert betreffende lei­ding in de gemeente zal zich verba­zen bij de ontdekking dat bovenom­schreven gezagsstructuur in de Bijbel helemaal niet voorkomt. Er wordt ongeveer 50 maal gesproken van een gemeente in het Nieuwe Testament. Nergens wordt er gespro­ken van een leider of een voorganger die het hoogste gezag in de gemeente zou hebben, en als vanzelfspre­kend boven de andere oudsten gesteld zou zijn of deze zou verte­genwoordigen. Als Paulus afscheid moet nemen van de gemeente dan ontbiedt hij de ‘oudsten’ van de gemeente van Efeze (zie Hand. 20:13-20).

Nergens leest men dat een brief geadresseerd is aan een voorganger of dat er over een voorganger of lei­der van een gemeente gesproken wordt in de brieven, in de zin van de thans gegroeide traditie. Er is zelfs geen specifiek grieks woord wat ver­taald kan worden met ‘voorganger’.

Voorgangers

De enige keer dat er gesproken wordt over ‘voorgangers’ (meervoud!) In (Heb. 13:07; Heb. 13:17 Heb. 13:24) Het griekse woord is hier “Hegoumenon” en het kan o.a. ver­taald worden met “leidinggevende mannen”. (De Petr.Can.vertaling spreekt van “leidslieden” en de Willibr.vert. van “leiders”). In (Hand. 15:22), waar dit­zelfde woord in de griekse grond­tekst gebruikt wordt, is het vertaald met “mannen van aanzien” onder de broeders. Van deze “mannen van aanzien”, Judas en Silas, wordt gezegd: “Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden” (vs. 22). Deze twee broe­ders brengen de boodschap van de apostelen, de oudsten en de gehele gemeente van Jeruzalem over aan de gemeente te Antiochië en bemoedig­den en versterkten de broeders met vele woorden, maar ze zijn zeker geen “Hegoumenon” in de betekenis van voorgangers.

In Handelingen 15 vers 22 (Hand. 15:22) wordt wel gesproken over “apostelen” en “oud­sten” en “de gehele gemeente” maar niet over een voorganger. Judas en Silas worden uit het midden van de gemeente gekozen om de boodschap over te brengen, maar behoren dus niet tot de apostelen of oudsten. Het waren mannen van aanzien onder de broeders met de bediening van pro­feet, maar ze worden hier wèl met hetzelfde woord benoemd als in Hebeeën 13 de “voorgangers”.

In Heb. 13 vers 7, 17 en 24 en in Handelingen 15 vers 22 wordt het woord enkel in meervoudsvorm gebruikt. Bovendien is het een woord in werkwoordsvorm. Al werkende zijn het medewerkers Gods. Er is dus niet een duidelijke, eensluidende vertaling te geven zoals van “presbuterous” wat consequent met “oud­sten” vertaald wordt. Dit alles overwegende is er dus geen bijbelse grond voor het ambt, functie of positie van voorganger zoals dat in de loop van de eeuwen is ontstaan. Nergens wordt in de Bijbel gespro­ken van een eenhoofdig leiderschap.

De Heer Jezus zegt tot de mensen die zich in die tijd tot leiders opwier­pen: “Gij zult u niet rabbi laten noe­men; want een is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslie­den noemen, want één is uw Leidsman, de Christus” (Matt. 23:08-10). Wonderlijk dat men zich juist zó is gaan benoemen, terwijl het door de Heer uitdrukkelijk verboden wordt. Om de plaats van de voorgan­ger te onderstrepen, wordt wel eens gezegd: ‘er is maar één kapitein op het schip’. Dat is dan een wereldse uitspraak vanuit een werelds denken. In de gemeente van Jezus Christus gaat dit niet op. De Heer zegt nadrukkelijk dat alleen Hij Meester en Leidsman is. Om in het beeld te blijven dient Hij de enige kapitein op het schip te zijn!

De gezamenlijke oudsten

In het gehele Nieuwe Testament blijkt dat de geestelijke verantwoor­delijkheid van een gemeente berust bij een oudstenraad. Altijd in het meervoud.

Het zou te ver voeren, om hier op al die plaatsen waar over oudsten gesproken wordt, in te gaan. Slechts enkele plaatsen wil ik noemen. Het ingezamelde geld van de gemeente te Antiochië werd door Barnabas en Saulus naar “de oud­sten” van de gemeenten van Judea gebracht (Hand. 11:27-30). Paulus en Barnabas ‘wezen’ in ver­schillende gemeenten ‘oudsten’ aan (Hand. 14:21-23). Paulus schrijft aan Timótheüs: “Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profe­tenwoord geschonken is onder hand­oplegging van de gezamenlijke oud­sten” (1 Tim. 04:14).

Toetsing en taak

De apostel geeft in de bekende gedeelten (1 Tim. 03:01-16 en in Titus 01:05-09) duidelijke richtlijnen waar aan te stellen oudsten aan getoetst die­nen te worden. In Titus 1 vers 5 (Titus 01:05) spreekt Paulus van “oudsten” (Presbuterous) die hij in vers 7 “opziener” (episkopon) noemt. Hieruit blijkt dus dat een oudste een opziener is en een opziener een oud­ste. Twee verschillende woorden voor hetzelfde ambt.

Ook deze naam “opziener” (episko­pon) is soms gebruikt om aan te geven dat iemand boven de andere oudsten, of zelfs boven verschillende gemeenten geplaatst zou zijn. In de Rooms Katholieke kerk is hier het woord bisschop van af geleid, iemand die gezag uitoefent over een kerkprovincie.

Wel wordt met het woord “opziener” duidelijk iets gezegd over de inhoud van het oudste zijn. Een oudste zal “toezien” op de gemeente. Hij is een “opziener”, een “opzichter”. Handelingen 20 vers 28 (Hand. 20:28) zegt hier­van: “Ziet dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot “opzieners” gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft”. (Ook hier weer “opzieners”, meervoud). Dat is een duidelijk omschreven taak voor de gezamenlijke oudsten van een gemeente.

In Titus 1 vers 7 (Titus 01:07) zegt Paulus het met andere woorden, maar met dezelfde betekenis, als hij schrijft dat een oudste of opziener een “onberispelijk beheerder dient te zijn van het huis Gods”.

Het woordje ambt is afgeleid van de vervoeging “episkopes” wat vertaald wordt met opzienersambt (1 Tim. 03:01). Paulus zegt: “Een gemeentelid mag het “opzienersambt” of “oudste­schap” begeren; dat is het begeren van een voortreffelijke taak (1 Tim. 03:01). Iemand die dit begeert zal door de oudsten getoetst dienen te wor­den aan de richtlijnen die Gods woord geeft.

Van de diakenen schrijft Paulus: “Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen” (1 Tim. 03:10). Met “ook dezen” geeft Paulus duide­lijk aan dat diezelfde procedure dus ook geldt voor aan te stellen oudsten. Niemand kan dus zichzelf opwerpen als een bijzondere roeping van de Heer ontvangen te hebben voor oudstenschap en zeker niet voor voor­gangersschap.

De apostel zegt dat er mensen zijn die zichzelf aanprijzen. Hij schrijft dan: “Maar zij meten zich af naar en vergelijken zich met zichzelf, zonder het zelf te begrijpen” (2 Kor. 10:12). Een aanstelling zal pas kunnen geschieden na toetsing en beproe­ving door de reeds aanwezige oudstenraad en na goedkeuring van de gemeente.

Zeker geloven wij dat door een nauwkeurige wandel met de Heer en gebed verstaan kan worden wie, naar de wil van de Heer, voor een taak geroepen kan worden. Maar de aan­stelling geschiedt niet rechtstreeks door de Heer, maar door daarvoor bevoegde mensen, naar duidelijke daarvoor gegeven richtlijnen. In Handelingen 14 zagen we dat de apostelen oudsten ‘aanwezen’.

Allen leden van één Lichaam

Wat wel vanzelfsprekend is, dat bin­nen een oudstenraad iemand zal zijn die leiding kan geven aan het geheel. Dat kan iemand zijn die door zijn bijzondere geestelijke begaafdheden als vanzelfsprekend die taak toegewe­zen zal krijgen.

Als deze duidelijke profilering ont­breekt, zal de oudstenraad uit hun midden een voorzitter kiezen.

Maar hoe het ook zij de één zal zich nooit boven de andere mogen stel­len. Een ieder is lid van dat ene Lichaam, want door één Geest zijn wij allen tot één Lichaam gedoopt (1 Kor. 12:12-13). Alleen de Heer staat als Hoofd boven allen. Ten diepste mag er geen verschil zijn tussen gemeente-leden en gemeente-leiders, al heeft ieder lid wel z’n specifieke plaats van God aangewezen gekregen (1 Kor. 12:18) waar hij of zij op zijn of haar wijze mee dient te werken in het Lichaam. Wanneer ook deze zaken van leiding en besturing in de gemeente weer naar Gods orde hersteld gaan wor­den, zal dat tot geweldige geestelijke opbloei van de gemeente leiden. Dan zal er een klimaat ontstaan van onderlinge verbondenheid en dienst­baarheid en zal ieder lid op zijn wijze en naar zijn kracht mee kun­nen werken aan de groei van het Lichaam, om zo opgebouwd te wor­den in de liefde.

Dan zullen gaven en bedieningen pas echt tot ontwikkeling kunnen komen, waarover de volgende keer meer.

 

 

 

 

Voorschoten een opmerkelijk initiatief door Jildert de Boer

In Voorschoten (Zuid-Holland) wor­den al zo’n 16 maanden maandelijk­se samenkomsten op donderdag­avonden belegd. Een echtpaar uit die plaats, Jack en Yolande Wester, werd al langere tijd van te voren sterk bepaald bij de mensen in hun woonplaats. Wat zou het heerlijk zijn als die iets van de volle boodschap zou­den kunnen horen! Immers: waar je zelf zo blij mee bent geworden voor je eigen leven wil je graag delen in je omgeving! Het genoemde echtpaar funktioneert zelf al vele jaren in de pinksterkapel in Den Haag. Het ver­langen, om daarbij tevens gericht te zijn op de eigen woonplaats groeide Na deze dingen biddend te hebben voorbereid, kwam het tot de daad. Via kleine stukjes in plaatselijke en regiokrantjes werd de eerste bijeen­komst aangekondigd. Steeds werden er gastsprekers uitgenodigd met een duidelijk thema rondom de bood­schap van het Koninkrijk der heme­len. Om enkele van de vele sprekers te noemen: van JanKees Roose tot Cees Maliepaard, van Jan Fluit tot Wim van Putten en van Dick Huis tot Gert-Jan Doornink. De gastsprekers reageren enthousiast op deze evangelisatie/opbouw – aktiviteit, waaraan zij een steentje mogen bij­dragen. Op dit moment worden de bijeenkomsten bezocht door zo’n 30 tot 40 mensen. De groep bestaat uit mensen van allerlei achtergronden. Daarbij zijn er een aantal ondersteu­nende broeders en zusters uit enkele nabijgelegen volle evangeliegemeen­ten. Met wijsheid heeft het organise­rende echtpaar een liederenblad samengesteld. Hun eigen muzikale talent wordt volop ingezet. Er wordt enthousiast gezongen en er is een bepaalde onderlinge betrokkenheid opgebouwd. Het valt te merken dat er vertrouwen is gegroeid in de ini­tiatiefnemers! Met belangstelling wordt een volgende avond tegemoet gezien. Er wordt ijverig in agenda’s gebladerd om te kijken of men op een voorgestelde avond kan, want de meesten willen deze vooral niet mis­sen!

Wanneer het woord gebracht wordt, is er ontvankelijkheid bij de aanwezi­gen, die in de meeste gevallen van kerkelijke komaf zijn en soms zoe­kende naar meer van de Heer. Aan zodanigen wordt ook goede lektuur uitgereikt. In voorzichtigheid en trachtende de wil van God te ver­staan zoeken Jack en Yolande Wester naar de verdere bedoelingen met deze groep. Zij beseffen dat je het ontstaan van een gemeente niet kunt maken. Die kan alleen geboren wor­den! Daar is een bepaald rijpingspro­ces van God voor nodig en daarin mogen wij leren stappen te zetten in afhankelijkheid van de Heer. Waar aan gewerkt kan worden is bij­voorbeeld het meelezen vanuit de meegenomen Bijbel, zodat er studies gebracht kunnen worden, waarbij meerdere gedeelten kunnen worden opgeslagen. Op die wijze vindt er een vernieuwing van denken plaats en vervolgens een verandering van leven. Ook de vrijmoedigheid om hardop te bidden is een aandachts­punt, dat nog tot ontwikkeling mag komen. Wat er al gebeurt, is mooi! Er komen spontaan getuigenissen en er kunnen dingen gedeeld worden. Als er gereageerd wordt, gebeurt dat in een goede geest. Het is een kost­bare groep, om met wijs beleid aan verder te bouwen.

‘Witte vlekken’ in den lande

Wat kunnen we leren van een derge­lijk initiatief? Volle evangeliege­meenten zijn vaak regio-gemeenten. Zou het niet prachtig zijn als we meer hart krijgen voor de plaats, waarin we wonen? Zendingsvisie is geweldig. Zicht krijgen op het volle zoonschap eveneens, teneinde samen met Jezus Christus straks een hele, zuchtende schepping te kun­nen herstellen. Daarom is onze per­soonlijke heiliging een wezenlijke zaak. Daarbij hebben we nu echter een arbeidsveld dicht bij huis. In ons Jeruzalem: in ons eigen gezin, in de buurt, op school en werk. Of een cir­kel verder: in ons Judea en ons Samaria ligt eveneens een roeping. Roept de Heer u wellicht om ‘voor­schoten’ te geven? Hebt u een pio­niersgeest, om in uw gebied een startschot te doen klinken? Of denkt u: laten anderen het voortouw maar nemen? Er zijn vele plaatsen in Nederland waar weinig volle evange­liegetuigenis is. Is het niet heerlijk om levend water te hebben in een ‘woestijn’? Excuses zijn er genoeg te vinden. De grond kan hard zijn. Dat kun je merken als je bijvoorbeeld in Harderwijk of Hardenberg woont, of in andere ‘harde’ plaatsen. De invloed van streekgeesten kan bijna tastbaar zijn… Mannen en vrouwen Gods met de Geest van geloof wijken daar niet voor terug! Durft u in uw omgeving ‘voor-schoten’ te geven de levende hoop dat God ze gaat bevestigen? Er zijn ‘witte vlekken’ genoeg in het land, waar nauwelijks bekendheid is aangaande het evange­lie van het Koninkrijk der hemelen! Anders gezegd: er zijn (helaas) vol­doende ‘zwarte plekken’, maar u mag op die plaatsen een licht van God zijn, zodat de duisternis in mensenlevens ontmaskerd wordt en zij tot bevrijding en vernieuwing komen! Laten de bestaande volle evangeliegemeenten maar visie ont­wikkelen op het nemen van initiatie­ven in de woonplaatsen van gemeen­teleden. Niet vanuit een menselijke impulsiviteit, maar op aanwijzingen van de Heer en in bewogenheid voor mensenlevens.

De verbindings- en bevoorradingslijnen met bestaande gemeente(n) zijn erg belangrijk, wanneer men tot het besluit komt om elders iets te onder­nemen. Elders is dan meestal op de ’thuisplaats’ van sommige gemeente­leden. Vormt er zich eenmaal een kern van gelovigen, dan is er een basis aanwezig van waaruit zich nieuwe gemeentevorming zou kun­nen gaan ontwikkelen. Wanneer een nieuwe groep ontspruit en de deelne­mers daaraan verlangen naar geeste­lijke groei, dan vraagt dit om zorg­vuldige begeleiding. In de huidige gemeenten mogen broeders en zusters opgroeien en rijpen tot dienstbe­toon, zodat zij in ijver en draagkracht kunnen voorgaan, om ook andere mensen met honger naar meer gees­telijk voedsel verder te helpen. Paulus schreef aan Timotheüs: “en wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onder­richten (2 Tim. 02:02). Overweegt u eens voor Gods aange­zicht wat uw taak in deze kan zijn! Het initiatief in Voorschoten is op meerdere plaatsen het navolgen waard!

 

Wespennest door Froukje Huis

Enige weken geleden waren we samen de tuin aan het opknappen. Spitten, maaien, gras bijeenharken, randjes bijknippen… We waren heer­lijk rustig aan het werk. Plotseling een kreet: “Gauw in huis…, de deur dicht!” Ik snapte er niets van, maar jachtte me naar binnen.

“Kijk eens!” Een hele zwerm wespen zoemde woedend in de tuin. Ze leken wel uit de grond op te stijgen! Ik heb hun nest omgespit, dat zat in de grond!”

Toen we na een kwartiertje gingen kijken, was de rust weergekeerd. Het stuk papier dat we zagen liggen, bleek een raat te zijn. Het nest lag vlak bij de schommel, waarmee de kleinkinderen graag spelen en het moest dus met wortel en tak uitge­roeid worden. Maar hoe? Gelukkig had de gemeentereiniging een specialist voor zulke karweitjes en al de volgende morgen werd het nest met een groot formaat (flit)spuit behandeld. Zodra de ‘koningin’ dood was, zou het hele ‘volk’ wegtrekken. Inderdaad was na twee dagen alles verdwenen.

Enkele dagen later hoor ik een vreemd geluid in de tuin. Een vogel, die in de rietmat lag te pikken? Ik bekijk het ding van alle kanten: geen vogel te zien!

Ik begrijp er niets van. Het is even stil en dan begint het weer. Ik tuur… en zoek… Opeens daar zie ik het. Het is een wesp, die aan het riet zit te knagen. En kijk… daar nog één! Wat zei die man ook weer? Wespen knagen hout om raten van te bou­wen. Dus… ze zijn een nieuw nest aan ’t maken. Oppassen en uitkijken! Wat geeft de natuur ons toch veel wijze lessen, want ook geestelijk kunnen we ons in een wespennest steken. Een moeilijk gesprek, waarbij machten aan ’t licht komen, die wraak willen nemen. Een goedbedoelde opmerking, die verkeerd begrepen wordt en verwer­ping en weerspannigheid opwekt. Een tere snaar, die beroerd wordt en diep begraven emoties naar boven brengt…

De boze is er immers altijd op uit om beroering in onze levens te brengen.

Er is maar één oplossing: een gron­dige opruiming van het ‘nest’! En daarvoor hebben we een Specialist nodig: de heilige Geest. Jezus heeft aan het kruis op Golgotha alle machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd (Kol. 02:15). Hij heeft aan Zijn discipelen, dus ook aan ons die geloven, de heilige Geest gegeven opdat wij in staat zullen zijn in Zijn Naam ook de machten te overwin­nen.

Wij mogen, ja móeten zelf meewer­ken aan onze bevrijding. Maar…, bevrijding is één ding! Vrij blijven een tweede! Als de ‘koningin’, de leidende macht, is verdwenen, weggestuurd, zullen sommige andere machten stiekum verdwijnen. Maar als ze de kans krij­gen gaan ze zich hergroeperen en een mogelijkheid afwachten om terug te keren.

Wat zegt de Bijbel? “Uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullen­de leeuw, zoekende wie hij zal ver­slinden. Wederstaat hem…” (1 Petr. 05:08). “Geef de duivel geen voet” (Ef. 04:27).

“Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden” (Jak. 04:07). Dus doe de wapenrusting aan en houdt het zwaard gereed!

 

 

 

 

 

 

1998.03-04 nr. 393

1998.03-04 Levend geloof nr. 393

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Levend Geloof heeft de woorden ‘veelzijdige belichting’ hoog in haar vaandel staan. Waarom? Omdat we het evangelie van het Koninkrijk, zoals Jezus en de apostelen dat brachten, ook voor deze tijd zo geweldig belangrijk vinden, dat we de uitleg ervan zo veelzijdig mogelijk willen belichten. Want wie dit evange­lie werkelijk leert kennen, met als doelstelling het ook meer en meer te gaan beleven, is doorgedrongen tot het hart van God. Het is immers Zijn grootste en liefste mens dat de mens werkelijk gelukkig wordt Daarvoor gaf Hij het aller­liefste wat Hij bezat, Zijn eniggeboren Zoon, aan deze wereld. Alleen door Hem kan de wereld behouden worden. En dat begint met de individuele aanvaarding van Hem als Verlosser en Zaligmaker.

Maar dat houdt veel meer in dan alleen maar behouden worden. Satan, Gods grote tegenspeler, is er bij velen die dat gingen geloven, helaas in geslaagd het voor te stellen dat het alleen gaat om een ‘later in de hemel komen’. Zolang je in dit ondermaanse leeft, ben en blijf je een zondaar, zoals een evangelist mij eens schreef. Wat een misleiding en wat een aantasting van Gods bedoeling die wil dat alle mensen behouden worden én tot erkentenis der waarheid komen. Wanneer dit laatste achterwege blijft zal de mens nooit tot het doel komen wat God met ieder mens voor ogen heeft.

Dit hoge doel -de gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon- kan alleen maar door geestelijke groei bereikt worden. Levend Geloof wil daaraan op haar manier meewerken door een duidelijke veelzijdige uitleg van het échte evange­lie. En met het woord ‘veelzijdig’ bedoelen we ook dat sommige artikelen meer gericht zijn op pas-bekeerden, terwijl andere artikelen vooral bedoeld zijn voor hen die, gedurende kortere of langere tijd, al verder groeien naar geestelijke volwassenheid.

Wij geloven dat we wat deze veelzijdigheid betreft, ook met dit nummer, daarin weer volledig geslaagd zijn. Veel geloofsopbouw toegewenst en vergeet niet ons te schrijven wanneer u vragen of opmerkingen hebt.

 

Bij de voorplaat door redactie

De verloochening van Jezus door Petrus is één van de bekende verha­len uit de Bijbel welke in de ‘lijdens- tijd’ plaatsvond (Matt. 26:39-75; Mark. 14:66-72; Luc. 22:54-62; Joh. 18:15-27).

Het inspireerde Gustave Doré tot het maken van de illustratie zoals deze hiernaast en op de voorpagina staat afgedrukt. Gelukkig weten wij meer van Petrus, want nadat hij op de Pinksterdag vervuld werd met Gods Geest is hij een voorbeeld voor ons hoe wij van een ‘nederlaagchristen’ een ‘overwinningschristen’ kunnen worden.

 

Hoe komt de mens tot zijn recht? door Gert-Jan Doornink

“Deze is mijn Zoon, de geliefde, hoort naar Hem” (Mark. 09:07b).

Wanneer ik ’s zondagsochtends onderweg ben naar de verschillende samenkomsten in het land of België zet ik meestal de radio aan om te lui­steren naar het nieuws van 8 uur. Als ik dan nog in eigen provincie ben volgt na het nieuws een uitzen­ding van Radio Gelderland onder de titel Tendens’. En daar blijf ik dan soms ook naar luisteren. Waarom? Omdat in dit programma iedere keer iemand wordt geïnterviewd over zijn of haar geloofsvisie. Soms blijken het aanhangers te zijn van een of andere occulte beweging, maar het is altijd weer interessant en leerzaam om te horen hoe zij tot hun opvattin­gen zijn gekomen en hoe zij aankij­ken tegen leven en dood, de grote levensvragen, enz. De samensteller van dit programma is een zekere Rinus van Warven, een afgestudeerd theoloog, maar werk­zaam voor Radio Gelderland en als publicist. In een interview met hem las ik, toen hem gevraagd werd wat hijzelf geloofde, dat hij ‘uiteindelijk in de vrijzinnigheid is terechtgeko­men, omdat hij de mensen belangrij­ker vindt dan het dogma’. Hij maak­te dit verder duidelijk met de opmer­king: ‘Ik voel me niet op m’n plaats waar mensen niet tot hun recht komen’.

Dat laatste zette mij aan het denken en ik dacht, dat betekent dus dat hij zich misschien wel op zijn plaats zou voelen, waar mensen wel tot hun recht komen. Zou hij weten dat die mogelijkheid er is? Wat mogen wij blij en dankbaar zijn dat wij dat door genade wel mogen weten! Want als christenen mogen wij weten dat Christus stierf voor onze zonden aan het kruis van Golgotha. Daar overwon Hij satans macht.

Waar gaat het primair om?

Het gaat primair in het leven van een mens dat hij verlost wordt uit het Rijk der duisternis en door geloof, in het volbrachte werk van Jezus Christus, mag weten: nu ben ik overgeplaatst in het Koninkrijk van Jezus Christus. Nu kunnen we als nieuwe mensen weer tot ons recht, tot ons doel komen. Dit geloofsgegeven ligt in onze dagen zwaar onder vuur. Op alle mogelijke wijzen wordt dit basisprin­cipe van ons geloof aangevallen, . ondergraven of in een verkeerd daglicht geplaatst. Het is geen wonder dat de vorst der duisternis alles op alles zet om te verhinderen dat de mensen dat gaan geloven. Want zodra dat geloof er is, is de eerste stap gezet op de weg waardoor wij weer tot ons recht, tot ons doel kun­nen komen. Want God heeft voor de mens een hoge bestemming wegge­legd.

De mens werd de ‘kroon van Gods schepping’. En daarin kwam geen verandering toen de eerste mensen gefaald hadden en gehoor gaven aan de stem van de vorst der duisternis.

God zei toen niet: ‘Nu ga ik de mens maar afschrijven; het is toch niets meer met hem’. Als dat zo was zou God Zijn eigen scheppingswerk geweld aandoen. Neen, God bleef de mens liefhebben. Hij toonde dit doordat Hij het allerliefste wat hij bezat, Zijn eniggeboren Zoon, gaf om onze zonde en schuld te dragen. Dat is en blijft de kern van ons geloof, maar dat is niet het einde. Integendeel, het geloof in Jezus als onze Verlosser is slechts een begin. Als daar geen vervolg op komt zullen wij alsnog ons doel niet bereiken en dus niet tot ons recht komen.

Na het begin…

Er zijn christenen die menen dat als maar met de hakken over de sloot behouden worden dan is het oké. En natuurlijk komt dat voor. De moor­denaar aan het kruis werd op het laatste nippertje behouden. Maar als men al eerder een nieuwe schepping is geworden hebben weten wij dat wij een taak, een opdracht hebben om ons leven invulling te geven in overeenstemming met de wil van God.

Sommigen schrikken hiervoor terug, of zij denken dat zij onbekwaam zijn om als nieuwe schepping te kunnen functioneren. Het ‘je bent en je blijft een zondaar’-idee leeft nog veel te veel bij heel veel christenen. Soms denkt men ook dat de taak om als nieuwe schepping in Christus openbaar te worden te zwaar is en dat het als een soort wet, een drei­gend moeten, op ons ligt. Dan heeft men nog te veel een verkeerde Godsbeeld voor ogen. Een God die dreigend en bevelend de mens in een soort keurslijf wil plaatsen, ter­wijl we juist in de eerste plaats mogen weten dat de wil van God, het goede, welgevallige en volkomene is (Rom. 12:02b). Als we weten dat dat Gods bedoeling is, gaan we ook ons best doen om te voldoen aan Zijn verlangen om invulling te geven aan ons nieuwe schepping zijn.

Jezus in ons Voorbeeld!

En wie is daarbij ons grote voor­beeld? Dat is Jezus, de eerstgeboren Zoon van God. Wie Hem alleen maar ziet als Verlosser, maakt zich er wel erg goedkoop van af. En ik denk wel eens, zou er dan wel het werkelijke besef zijn waaróm Jezus ons verlost heeft en overgeplaatst heeft vanuit het Rijk der duisternis in Zijn Koninkrijk?

Jezus heeft ons verlost opdat wij als nieuwe schepping voluit zouden kunnen leven. Weliswaar bevinden we ons nu nog op vijandelijk terrein en gaat het niet altijd van een leien dakje; de tegenstand is soms onvoor­stelbaar groot, maar wie Hem als Voorbeeld volgt, weet het gaat toch goed, ik ben functioneel in Gods plan. Mijn leven mag meer en meer een visitekaartje van Christus wor­den. Ik mag de wereld tonen dat je juist als christenmens volledig tot je recht gaat komen! Dat je temidden van alle omstandigheden echt geluk­kig kunt zijn.

Terug naar de basis

Ik geloof dat we in een tijd leven dat we terug moeten keren naar de basis. Elke franje, elke afwijking en afremming van ons geloof in Christus behoort te gaan verdwijnen. Het gaat om Jezus en om Hem alleen. Alleen door Hem weten wij wie God is, hoe Hij denkt en han­delt, hoe Hij een God van liefde is. Zijn denken en handelen is niet ver­mengd met dreiging, haat en leugen. “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”, zegt 1 Johannes 1 vers 5b (1 Joh. 01:05b).

Dit kwam in het Oude Testament nog weinig aan bod, maar Jezus rekende radicaal af met alles wat met het oude, met de wet, te maken had. Hij vervulde zelf de wet. En voor ons betekent dat dat wij door Hem te vol­gen, door Zijn leven te laten integre­ren in ons leven, volledig nieuwe mensen zijn geworden en zodanig groeien tot we naar Gods bedoeling volledig tot ons recht, tot ons doel gaan komen.

Jezus zelf sprak: “Jonge wijn doet men niet in oude zakken; anders barsten de zakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar men doet jonge wijn in nieuwe zakken en beide blijven samen behouden” (Matt. 09:17). En Paulus zei later: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 05:17).

De verheerlijking op de berg

Kent u het verhaal wat in de evange­liën wordt aangeduid met de ‘ver­heerlijking op de berg’ (Mark. 09:02-08)? En heeft u er wel eens over nage­dacht wat de reden was van de bij­zondere ervaring van de discipelen toen zij daar met Jezus op de berg waren? Dat was dat hun duidelijk getoond werd dat het voortaan zou gaan om Jezus en om Hem alleen.

De discipelen moesten nog veel leren en stelden Mozes, Elia op één lijn met Jezus. Maar Mozes en Elia waren vertegenwoordigers van het Oude Verbond. Dat was nu voorbij. Jezus was er en Hij toonde wie God werkelijk was. Daarom verdween al het andere totaal uit het zicht. Het was niet zo dat Jezus daar was en nog een heel klein beetje de schim­men van Mozes en Elia zichtbaar waren, zoals je wel eens ziet in een film, als op de achtergrond in een soort nevel bepaalde figuren nog aanwezig zijn. Nee, alleen Jezus was daar nog. Dat was 100% voldoende.

De Middelaar

Jezus is de Middelaar van het Nieuwe Verbond. De Argentijnse professor Croatto legt het in zijn boek ‘Geschiedenis van de verlos­sing’ zo mooi uit: ‘Het Nieuwe Verbond kent geen bemiddelaars en heft het Oude Verbond op. Christus is Gods Zoon, en zijn middelaar­schap ligt op een verhevener plan’. Croatto ziet in de gedaanteverande­ring, wanneer Mozes en Elia, die in direct verband stonden met de oude verbonden, verdwijnen, om plaats te maken voor Jezus, ook een aankon­diging van de opstanding van Jezus. Christus is de ‘nieuwe Mozes’. Hij is de profeet en schepper van het Nieuwe Volk van God. In Deuteronomium 18 vers 15 (Deut. 18:15) wordt al gesproken over de profeet die ver­wekt zal worden door God en naar hem zal ‘geluisterd’ worden. Het gaat dus om Jezus en om Hem alleen. Hij is de Middelaar van het Nieuwe Verbond, Hij is onze Verlosser, maar ook ons Voorbeeld.

Dat betekent dat Zijn beeld in ons meer en meer tevoorschijn zal komen. Hij is de Eerstgeborene onder vele broeders en zusters. Nu zouden we misschien kunnen denken: ja dat is allemaal wel mooi voorgesteld zo, en ik weet en geloof dat ook wel, maar de praktijk van mijn dagelijkse leven als christen is vaak nog zo anders. Laat ik u gerust­stellen, dat is bij mij ook zo, we zijn nog onderweg, op weg naar het eind­doel, de volkomenheid in Christus. Maar we mogen wel weten dat we als nieuwe scheppingen groeien we van baby tot volwassene. Daarom kan ik toch met volle overtuiging zeggen (en ik hoop u ook): ik ben werkelijk gelukkig, ik voel me als een vis in het water, ondanks lichamelijke ongemakken soms, ondanks teleur­stellingen, aanvallen van de boze en het feit dat we soms nog verschillend denken.

Daar hebben we allemaal nog mee te maken, maar dat weegt op geen enkele wijze op tegen die overweldi­gende zekerheid die ook Paulus kende: Ik ben temidden van alle omstandigheden overwinnaar met Christus.

Ook Jezus zelf ging de diepe weg van vernedering, haat en spot, maar Hij liet zich op geen enkele wijze van de wijs brengen. Hij was onafscheide­lijk verbonden met de Vader, zoals wij ook onafscheidelijk met Hem en de Vader verbonden zijn.

Onze gemeenschap

Johannes schreef: “Onze gemeen­schap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 01:03b). Eerder al had Paulus geschreven dat we tot gemeenschap met Jezus Christus geroepen zijn (1 Kor. 01:09). God en Zijn Zoon horen bij elkaar. Het is niet zo dat de één een ander karakter zou hebben dan de ander. Dat God anders zou zijn dan Zijn Zoon. God is in Zijn wezen zoals Zijn Zoon Hem heeft geopenbaard. Maar God was ten tijde van het Oude Verbond veelal nog een ‘verborgen God’. Daarom kunnen wij God pas werkelijk ten volle leren kennen door Zijn Zoon.

En hoe leren we Zijn Zoon kennen? Door te lezen over Hem in de Bijbel, door alles wat Hij gezegd heeft door Gods Geest op ons te laten inwer­ken. Dat is niet een of andere myste­rieuze handeling. Maar dat gebeurt automatisch als we bezig zijn met Zijn woorden en leven. Zijn Geest wil ons meer en meer omvormen naar Zijn beeld.

Je kunt de Bijbel van A tot Z uit het hoofd kennen en er zijn heel wat mensen die veel Bijbelkennis bezit­ten, maar als Jezus niet centraal staat, wordt het een dode letter en staan we buiten de werkelijkheid zoals God die bedoelt. Dan zien wij het geloof meer als een ‘moeten’ een soort verzekering die ons indekt voor het eeuwige leven, dan als een bevrij­dende heerlijkheid waardoor wij ons leven inrichten, temidden van alle omstandigheden kunnen functione­ren en gemotiveerd zijn om het eind­doel te bereiken.

Echt en onecht

We leven in een geweldig boeiende en belangrijke tijd, dat wil zeggen: alles wat onecht is gaat verdwijnen en alles wat echt is blijft over. De scheiding der geesten is in volle gang. Het is onze verantwoordelijk­heid dat we daarbij aan de goede kant staan. Aan de kant van Jezus. Want ben ik blij dat ik mag behoren tot die ene, ware gemeente van Jezus Christus. U ook? Dan verdwijnen de grenzen die men­sen hebben gemaakt. Er blijft uitein­delijk maar eén grens over, die tus­sen licht en duisternis, tussen waar­heid en leugen, tussen liefde en haat. De grens die onze God in Zijn grote liefde heeft bepaald. Hij wil niet dat we aan de verkeerde kant van de grens leven. Dan benadelen we ons­zelf en bereiken we het einddoel niet.

De discipelen gingen na die geweldi­ge ervaring met Jezus de berg weer af. Voorlopig mochten ze nog aan niemand vertellen wat ze hadden meegemaakt. Dat zou ik niet kun­nen, ze waren er nog niet rijp voor en moesten nog veel leren. Wij, die achter de feiten staan, zijn wat dat betreft sterk bevoorrecht. Maar laten we daarom dat voorrecht, deze gena­de niet te grabbel gooien, maar alles doen wat in ons vermogen ligt om als nieuwe schepping openbaar te worden.

Laat dit ons devies zijn en blijven: ‘Wij zien niemand meer dan Jezus alleen’. En naarmate we verder groei­en in Hem zullen daardoor de ande­ren die Hem nog niet kennen, meer en meer Jezus in en door ons leven geopenbaard zien. Dan zal het ver­langen bij hen worden opgewekt, die Jezus en dat leven ook te leren ken­nen. De levende God die ons in Jezus Christus geroepen heeft tot deze geweldige taak, zal het ons doen gelukken! Hem alleen zij alle eer, lof, dank en aanbidding!

 

Van welk geslacht zijn wij? Door Tea Keuper

Een tijdje geleden sprak ik met een hoogbejaarde man, die me vol trots een paar foto’s van zijn achterklein­zoon liet zien: “Van mijn kleindoch­ter! En ’t is een stamhouder, want hij staat op haar naam!” Dus dit was ook zijn naam. Dat is tegenwoordig een mogelijkheid, ’t Was voor hem heel belangrijk, dat zijn nogal bekende naam bleef bestaan! Stambomen natrekken is al jaren iets, wat veel mensen doet reizen naar dorpen en steden, waar familie­leden zijn geboren en ingeschreven. Ik kan me voorstellen dat dit wel heel wat interessante gegevens en ontdekkingen oplevert. En ik denk, ook wel eens hernieuwde relaties in een nog bestaande familietak.

Een rode draad

Ik dacht in verband hiermee aan de volkstelling ten tijde van de geboorte van Jezus: Jozef en Maria reizende naar Bethlehem, om zich te laten inschrijven, omdat Jozef uit het geslacht van David was. Ik ging de geslachtsregisters lezen van Mattéüs 1 en Lucas 3. God heeft als het ware een rode draad getrokken door de geschiedenis, waarin Hij voor ons bekende en minder beken­de mensen heeft gebruikt, om het zaad van Abraham, de gelovige aarts­vader, te laten voortbestaan. Daarna werd Jezus geboren. Hij was van Goddelijke komaf: God, Zijn Verwekker, door de heilige Geest; Jozef, de aardse opvoeder; Maria, een vrouw, die de Messias verwachtte en gedragen had en zei: “Mij geschiede naar Uw woord!”

Tussen al die familieleden uit verre geslachten, waren mannen en vrou­wen, met een niet bepaald onbespro­ken gedrag in hun leven… Bekend was Rachab, de hoer! In Jozua 6 lezen we dat, nadat Jozua haar heeft gespaard, zij en haar hele familie een woonplaats werd aangewezen buiten de legerplaats van Israël. Zij had haar leven gewaagd voor Gods plan met Zijn volk! Ze was ‘mee’ in dit plan, ze had Gods weldaden aan dit volk opgemerkt. Rachab is de moeder van Boaz geworden, Boaz en Ruth waren de overgrootouders van David, ‘de man naar Gods hart’ (Matt. 01:05). Rachabs belijdenis staat beschreven in Jozua 2 vers 11b (Joz. 02:11b): “Want de Here, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden.” Davids geschie­denissen met zwarte bladzijden zijn ook heel bekend en zijn Psalmen, waarin hij zijn hart aan God laat zien.

Gods heilsdaden

Wat is het nut van geslachtsregisters in de Bijbel? Ze zijn er niet om dis­cussies te houden over zondige men­sen. Paulus waarschuwt hiervoor in zijn brieven aan Timótheüs (Tim. 01:04) en (Titus 03:09). Ze zijn er om van Gods heilsdaden te spreken, die Hij vol­voert door mensen, die -ondanks hun fouten- God de eer gaven en in Gods plan Zijn wil deden! In Hebreeën 7 vers 3 (Heb. 07:03) wordt van Melchisedek (koning der gerechtig­heid, koning des vredes), verteld dat hij “zonder vader en moeder, zonder geslachtsregister, zonder begin van dagen of einde des levens, en, aan de Zoon van God gelijkgesteld, priester was voor altijd.” Heeft God in deze wonderlijke Melchisedek Abraham laten zien hoe hij zich Jezus moest voorstellen, de Koning des vredes, aan God gelijk, een eeuwige priester, die voor de wereld zou pleiten en het volmaakte offer van Zijn leven zou geven?

Van welk geslacht zijn wij? Petrus schrijft in zijn brief aan de volgelin­gen van Jezus Christus: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht; u, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen” (1 Petr. 02:09-10).

Wat een heerlijkheid dit te weten: opnieuw geboren, van Goddelijk geslacht -omdat wij werden verwekt door Gods Geest- die ons verder ver­nieuwt in ons denken, en in onze woorden en daden! En die ons leidt naar het zoonschap, waarop de schepping wacht!

 

Gejaagd door de wind door Cees Maliepaard

“Dezen zijn de schandvlekken bij uw liefdemalen, zij die zonder schroom tezamen feesten om zichzelf te wei­den; wolken die geen water gever.. daar zij door de winden voorbij ge­jaagd worden; bomen die in de late herfst geen vrucht geven (tweemaal gestorven zijn zij en ontwortelde wilde baren der zee, die de eigen schande opschuimen; dwaalsterren Voor hen is de donkerste duisternis voor eeuwig weggelegd” (Judas 01:12-13).

Wind wordt in de Schrift vaak gebruikt als beeld van een geest, en dat zowel in positieve als in negatie­ve zin. In de positieve betekenis staat wind voor de heilige Geest van God en voor de goede engelen, en als negatief gegeven slaat het op de machten der duisternis.

Waar blijft de regen?

Als na een periode van extreme droogte, zich eindelijk weer eens wolken aan de hemel vertonen, ziet iedereen met verlangen naar een milde stortbui uit. Er zijn landen waar de zon als een koperen ploert ervaren wordt en regen een zeld­zaam natuurverschijnsel is. Onder zulke omstandigheden is een drei­gend zwart wolkendek een veelbelo­vende gebeurtenis, die de zegen van een verkwikkende bui in zich draagt. Wanneer dan de langverwachte zege­ning uitblijft en de wolkendeken overdrijft zonder dat er een spatje naar beneden gekomen is, werkt dat gewoon ontnuchterend. In ons waterrijke lage landje is zoiets haast ondenkbaar, maar in grote delen van de wereld is het helaas niet minder dan de bittere werkelijkheid, in de geestelijke wereld is het al niet anders gesteld. Ook daar kunnen perioden van extreme droogte wor­den afgewisseld met verkwikkende en de menselijke ziel lavende regen­buien. De geest van de mens kan in velerlei opzicht verstarren door gebrek aan het verkwikkende Woord. Maar wanneer men daarvan weer gedronken heeft, zal het leven Gods in de mens die hem toebehoort, opnieuw tot ontwikkeling kunnen komen.

Overdrijvende wolkenvelden

Gerespecteerde leden van een chris­telijke gemeenschap, kunnen zich bij herhaling te buiten gaan aan natuurlijke geneugten die op zichzelf niet verkeerd zijn. Deelnemen aan een gezamenlijke maaltijd is in dit verband een goed voorbeeld. Natuurlijk is dat geen foute boel, want voedsel heeft een mens nu een­maal nodig, en het gezamenlijk nut­tigen daarvan kan zegenrijke bijverschijnselen met zich meebrengen. Maar het wordt een totaal ander ver­haal als het overmatig schransen dreigt te worden, met voorbijzien van de behoeften in de natuurlijke zin van minder bedeelden. En voor eet- en drinkgelagen kun je vanzelf­sprekend ook wel andere zaken invullen. Als een egocentrisch denken de overhand krijgt, is de gezindheid van Christus onmiskenbaar op z‘n retour. En in deze hoe langer hoe meer individualistisch ingestelde samenleving, is het gevaar van ver­onachtzaming van geloofsgenoten levensgroot aanwezig. De wolken die geen water geven, worden het best gestalte gegeven door een overwegend introvert geloofsbeleving van mensen die zich­zelf in de Christus wanen. Maar die in werkelijkheid voortgejaagd wor­den door demonische geesten, die hen als wervelstormen voor zich uit jagen. Zij zijn als bomen die de hele zomer geen vrucht gegeven hebben en dat ook in de late herfst niet doen. Zij nemen het gehele jaar door hun plaats in en onttrekken de nodige voedingssappen aan de aardbodem, maar ze hebben in het geheel geen aandeel aan het voedingsproces van anderen.

Tweemaal gestorven

Wie zich door Satans winden voort laat drijven en de weldadige luwte van de Zoon des mensen bij voortdu­ring mist, schiet op die manier Gods doel voorbij, die is als het ware de dood gestorven.

Precies zoals de Here God dat in Genesis 2 vers 17 volgens de Statenvertaling (Gen. 02:17) had voorzegt. Op grond van Jezus’ zoen­offer is een ieder die geloof in Hem stelt, van de dood gered. De claim van Satan en Koning Dood is daar­mee teniet gedaan.

Maar wie (onder de invloed van occulte geesten) zich voort laat jagen naar het gedachtengoed van dood en verderf en Jezus’ reddende hand wei­gert te grijpen, kan daarmee bij ver­nieuwing binnen het machtsgebied van verkeerde geesten terechtkomen. Zo lang zo iemand nog in het land der levenden is, blijft de door Jezus gebaande weg voor de betrokken per­soon een reële mogelijkheid. Niemand kan een ander bekeren, laat staan voor de twééde maal op de weg ter ontkoming leiden, maar iemand kan altijd zelf opnieuw tot inkeer komen.

Wellicht heeft iemand die van de weg afgeraakt is, ons duwtje in de goede richting nodig -als hij dat wil natuurlijk. En dan zullen we hem of haar vanzelfsprekend zo’n zetje met alle liefde geven! Want mét onze God beleven we nooit enig plezier aan de dood van de zondaar, allesbe­halve: waar in dit ondermaanse gebeuren aan Zijn genade gegaran­deerd geen einde komt, zal ook ons mededogen eindeloos moeten zijn.

Nieuwe wortels

Wie van zijn wortels beroofd is, staat los in de grond en zal in de stormen van het leven onmogelijk overeind kunnen blijven. De grond -onze basis- vinden we in Jezus. Wanneer iemand niet meer in Hem geworteld is (hoe religieus hij overigens ook wezen mag) ontbreekt elke vorm van zekerheid in de relatie met Vader boven. Want los van Jezus is de goede verstandhouding met God zui­ver fictief.

Met andere woorden: zonder een levende relatie met Jezus gaat een mens ten onder in de halsstarrigste geestelijke duisternis die maar denk­baar is. Met een dood wortelgestel kan een boom nog wel geruime tijd overeind blijven – het kan (vooral ’s winters!) best nog wel wat lijken, maar in het voorjaar blijkt al gauw dat het een vruchteloze zaak is geworden. Dode wortels kunnen geen levenssappen meer uit de vruchtbare grond halen en de dode boom is ook niet instaat vrucht te dragen. In de natuur is er maar één remedie bij zo’n verschijnsel: kappen die handel! Dan kun je tenminste weer een nieuw boompje planten. Maar in de geestelijke wereld is er gelukkig een andere oplossing… Bij Jezus is nieuw leven te vinden, Hij wil onze wortels heus wel tot leven wekken, zodat Zijn levenssappen weer in ons kunnen vloeien en we na verloop van tijd opnieuw goede vruchten voort kunnen brengen.

De schuimende zee

Bij een windkracht op orkaansterkte kan de zee onvoorstelbaar tekeer gaan. Huizenhoge golven zijn dan echt geen uitzondering! Waar de zee dikwijls als beeld van het religieuze leven gebruikt wordt, is het niet ver­wonderlijk dat godsdienst weinig positiefs onder de mensen heeft kun­nen bewerkstelligen. Godsdienstige machten gaan vaak nogal geweldda­dig tekeer, rust en vrede is bij hen over het algemeen ver te zoeken. Of het zou een valse rust en een inge­beelde vrede moeten wezen.

In al dat geweld komt het in de loop der eeuwen in de religieuze zee gestorte vuil naar boven. Het kan af en toe schuimen van de gestorte troep! Wat zie je er zoal in naar boven komen? Naast de ellende van de vele godsdienstoorlogen, kom je er schuldbesef en satanische aan­klachten van de verleugende mens in tegen. Religieuze geesten laten écht geen spaan heel van de gelovigen. Ze schuimen de verwerping (en gedach­ten aan de gruwelijkste zonden) met welbehagen op. De schande van het rijk der duisternis projecteren ze schaamteloos op de deels in onwe­tendheid verkerende mens.

En de olie van de heilige Geest, die de zee tot bedaren zou kunnen bren­gen, proberen ze koste wat kost van de mensen weg te houden. Ze weten dat de donkerste duisternis voor eeu­wig voor henzelf weggelegd is, en ze zullen niet nalaten te trachten zoveel mogelijk mensen daarin met hen mee te slepen. Naarmate de eindtijd vordert, zal de religieuze zee toene­men in geweld. Want de boze mach­ten hebben nooit slachtoffers genoeg.

Een frisse bries

De zuivere wind van de Geest van de Hee zal elke geïnfiltreerde verontreiniging aan het licht brengen. Als iemand onder demonische beïnvloeding is gekomen, na daarvan eerst vrij te zijn geweest, hebben we auto­riteit van de Heer ontvangen om de occulte machten opnieuw van het slachtoffer te scheiden. In fel con­trast met de in de brief van Judas genoemde dwaalsterren, mag zo iemand weer (samen met de blinken­de Morgenster) Gods goede licht gaan vertonen. Want God beoogt dat voor altijd met al z’n mensen. Wat is het een heerlijke zekerheid dat onze God nooit van gedachten verandert! Hij is altijd Dezelfde en daardoor ook onder alle omstandig­heden Zichzelf. Geen enkele macht of kracht uit het vijandelijke kamp kan daar ooit enige verandering in brengen. Laat je dat dan ook nooit wijsmaken door wat voor (vroom schuim opschuimende) geestelijke knecht van Satan ook. God heeft je veroordeling niet op het oog, maar je herstel. En dat uit zich in een her­nieuwd functioneren binnen de mogelijkheden die de Heer een ieder van ons ruimschoots geeft.

 

De eeuwige woning (gedicht) door Piet Snaphaan

“De eeuwige God is u een woning,

onder u zijn eeuwige armen’ (Deut. 33:27).

Welke een rijkdom, waarlijk leven

in God als woning ’t allen tijd,

zoals Hijzelf hier wordt beschreven:

een woning voor de eeuwigheid.

 

In ’t Huis des Vaders als een woning

voor ieder die het is bereid,

met Hem te heersen als een koning

reeds nu, en tot in eeuwigheid.

 

Bij Hem als Vader, vol erbarmen,

vol van genade, Hij die ons schraagt,

ons ondersteunt met eeuw’ge armen,

waarmee Hij al Zijn kind’ren draagt.

 

God brengt ons Thuis, daar waar wij horen

bij Hem, die waarlijk leven geeft,

voor eeuwig heeft Hij ons verkoren

in Hem, die het leven in zich heeft.

 

Lazarus opwekking en het zoonschap door Jack Wester

Dit artikel is gebaseerd op het beken­de verhaal over de opwekking van Lazarus uit Johannes 11. Deze ‘opwekking uit de doden’ vormt, samen met de twee andere uit de evangeliën bekende dodenopwekkingen, een voorafschaduwing van het lijden, sterven én de opstanding van Jezus: Zijn grote overwinning op het rijk der duisternis. Op duidelijke en leerzame wijze laat Jack Wester in dit artikel zien hoe in iedere waar­achtige christen thans deze opstan­dingskracht tot openbaring kan komen, om zo actief de sleutels van het Koninkrijk der hemelen te kun­nen hanteren, (red.)

“Want, terwijl de dood er is (bij geko­men ) door een mens, is ook het opstaan van de doden (mogelijk geworden) door­een mens” (1 Kor. 15:21).

In tegenstelling met de doorgaans veronderstelde terughoudendheid van Jezus ten aanzien van het alom bekend maken van de wonderwer­ken, leren we uit dit ‘wonderverhaal’ bij uitstek, dat de Heer de omstan­digheden zo ‘stuurt’ dat de machtige opwekking van Lazarus uit de dood (juist!) alle aandacht krijgt, die het trouwens dik verdient. Daar waar we in bijvoorbeeld Matteüs 9 vers 30 (Matt. 09:30) lezen dat Jezus het de twee blinden ten strengste verbied om hun gene­zing verder te vertellen, zien we in ons verhaal het tegenovergestelde gebeuren.

Ook in Markus 1 vers 44 (Mark. 01:44) mag de gereinigde melaatse zijn begrijpelij­ke blijdschap niet uiten; hij moet zich aan de priester laten zien en gaan offeren, tot een getuigenis voor de priesters. De doofstomme, die moeilijk sprak, kreeg ondanks zijn hervonden ‘vlotte babbel’ eveneens een spreekverbod; dat moet voor hem echt moeilijk geweest zijn (Mark. 07:36).

Geen van de genoemde voorbeelden gehoorzaamden echter aan het ver­bod tot spreken; begrijpelijkerwijs konden ze hun blijdschap over hun herstel niet de baas. ” Maar hoe meer Hij het hun gebood, des te meer maakten zij het ruchtbaar” (Mark. 07:36).

Bij een eerdere opwekking uit de dood (Luc. 08:40-56) kregen de blijde ouders ook nog een spreekverbod opgelegd; wat zal er in Jaïrus -die een overste in de synagoge was- zijn omgegaan? Notabene deze gezagheb­bende overste ziet zijn enige dochter weer uit de dood terug komen. Zo’n man kan toch nooit meer tegen Jezus kiezen, zou je denken. Wat voor gevolgen zou dat in een raad van ‘kerkvoorgangers’ hebben gehad? Verdeeldheid alom, en een toename van de invloed van Jezus in alle geledingen van de (religieuze) wereld van toen.

Waarom geen bekendheid?

Waarom wou Jezus dan toch geen algehele bekendheid geven aan de vele ‘wonderen en tekenen’ die Hij deed? Kennelijk ging het Hem daar niet primair om. Hij liep er niet mee te koop. De gezonde waarheid laat zich (bijna als vanzelf) verstaan, desnoods zonder leraar, omdat de Heilige Geest zal onderwijzen juist op die momenten dat eventuele mis­leiding aan de orde is

(1 Joh. 02:27). Maar de verwarrende dwaling, altijd vermengd met veel (stellige!) waar­heid, heeft de wonderen en genezin­gen nodig als aanbeveling en promotie, met name als er een ‘leugen’ in gehamerd moet worden tegen de gezonde -door God ingeschapen- menselijke afweer in (Matt. 24:22-23). Veelal gebeurt dit dan onder het mom van schuld en vermeende zelf­verloochening!

Als Johannes de Doper, als aankon­diger van de komende Messias, ech­ter een bevestiging vraagt “Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?” antwoordt de Heer: “Gaat heen en boodschapt Johannes wat jullie gezien en gehoord hebt: Blinden worden zien­de, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden worden opgewekt, armen ont­vangen het evangelie; en zalig is wie aan mij geen aanstoot neemt”

(Luc. 07:19-23).

Voor Johannes, die nog maar moest afwachten of de (echte) Messias inderdaad ook kwam, was dit vol­doende; hij kende de profetieën in de oude geschriften (Jes. 40:03-05), en had het woord Gods dus wel goed ver­staan (Luc. 03:02). De heerlijke gene­zingen waren een vanzelfsprekend gevolg van de prediking en het han­delend optreden van Jezus, die zich in alle rust voltrokken en waarover geen bijzondere poespas werd gemaakt, zeker door de Heer zelf niet.

Geen haast bij Jezus

Zoals gezegd in de eerste aanhef blijkt Jezus het bij de opwekking van Lazarus anders te doen dan in de eerder aangehaalde voorbeelden. In Johannes 11 vers 42 (Joh. 11:42) van lezen we: “Vader, Ik dank U, dat gij Mij ver­hoord hebt. Zelf wist ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar terwille van de schare, die rondom Mij staat, heb ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En in vers 14 staat: “Toen zei Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven, en het ver­blijdt mij om u (de Joden), dat ik daar niet geweest ben, opdat gij tot geloof komt”. Na dit gezegd te heb­ben gaat de Meester dan ‘eindelijk’ toch op pad om er wat aan te gaan doen. Veel haast had de Heer daar­voor niet gemaakt, kennelijk over­tuigd van het feit dat Lazarus zou opstaan uit de dood. Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: “Laten wij ook gaan om met Hem te ster­ven”. Ja, Jezus ging weer terug naar een plaatsje Bethanië geheten, dat dicht bij Jeruzalem was gelegen in Judea.

En het was nog maar enige dagen geleden dat de Joden te Jeruzalem stenen hadden verzameld om Hem (Jezus) aldaar te stenigen! (Joh. 10:31). “Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat Gij weer daarheen?”

Uit het antwoord van Jezus mogen we nog eens benadrukt zien hoezeer Hij geestelijk denkt en spreekt: “Als iemand overdag loopt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht van deze wereld kan zien; maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot hij zich, omdat het licht niet in hem is”. Zo’n antwoord met betrekking tot Zijn gaan in de gevarenzone bij volle dag stemt tot nadenken. Ging Jezus in het geheim, in de nacht, naar Lazarus, of is het zo dat Jezus in het geestelijke licht des levens wandel­de, hetgeen elke vrees voor mogelijke vijanden uitsloot? Een aardige heen­wijzing naar Zijn verrassend ‘open (bij volle dag) optreden tijdens dit grote wonder. Want uit die openheid (in het bijzijn van de Hem vijandig gezinde Joden) blijkt dat Jezus niet bang was omdat Hij wist te zijn in het Licht des Levens. Daarvoor gaat alles aan de kant, de duisternis en bijgevolg ook de dood!

De situatie onder controle

Onmiddellijk nadat Jezus hoorde dat Lazarus -die Hij liefhad- ziek was, wist Hij “deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt wordt”. Daarop bleef Hij nog twee dagen ter plaatse; zoals gezegd geen haast en geen paniek. In tegendeel een en al overzicht en controle vanuit de macht over deze situatie. In een allerlaatste poging probeerden de leerlingen Jezus er nog eens van te weerhouden om naar Judea (geva­renzone) te gaan: “Here, als hij slaapt, zal hij herstellen”. Inderdaad” als je ziek bent kan een goede nach­trust wel eens helpen. Maar Jezus had de dood een slaap genoemd, een toestand waarvan uit je weer kunt (en moet!) opstaan, als je de dag wilt plukken tenminste. Jezus betreedt vijandelijk gebied (in de zichtbare wereld) om ten over­staan van Zijn belagers (de Joden) Zijn vriend Lazarus uit de (zichtba­re) dood op te wekken! En dit is dan ook tevens een reden waarom Jezus dit teken -in tegenstelling tot eerdere wonderen- zo openlijk verrichtte, ten overstaan van de vele Joden en een schare, tot getuigenis voor velen. In Johannes 12 vers 10 en 11 (Joh. 12:10-11) lezen we dat vele Joden in Jezus waren gaan geloven vanwege het prachtige wonder aan Lazarus; de overpriesters wilden daarom zelfs Lazarus gaan doden.

Zicht op de opstanding

De meest vooruitgeschoven uit­spraak van Jezus in het licht van deze

geschiedenis moet dan ook zijn: “Ik ben de opstanding en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh. 11:25). Kennelijk had Jezus aan het eind van Zijn driejarige bediening op aarde meer zicht op de opstanding uit de geestelijke dood. Hij ging gaande weg ontdekken dat Hijzelf het (offer) Lam zou zijn dat geslacht zou worden als losprijs voor velen. Het zicht op Zijn eigen lijden, ster­ven en opstanding uit de dood ter vrijkoping uit de macht van de doodsmacht, voor hen die in Hem zou­den gaan geloven, had zich meer en meer ontwikkeld. Daarvanuit zal Jezus, mede gelet op Zijn aanstaande sterven, de Joden de ogen hebben willen openen voor het feit dat Hijzelf zou sterven in hun plaats. Deze duidelijk in de natuurlijke wereld zichtbare opstanding uit de dood van Zijn vriend Lazarus was en is eigenlijk nog steeds een grote demonstratie van de opstanding ten behoeve van de op dat moment aanwezige omstanders en ons die opstaan uit de geestelijke dood, ten leven! Dan blijkt inderdaad de door Jezus centraal geplaatste uitspraak in Johannes 11 vers 25 (Joh. 11:25) (zie eerder in dit artikel) met vlag en wimpel het verblijdende doel van Zijn sterke optre­den in dit verhaal te zijn. Zou er dan voor ons niet genoeg kracht en macht zijn om op te staan uit onze geestelijke dood?

Onvergankelijk leven

Een ieder die leeft, zal nooit ster­ven”! Jezus heeft de dood zijn macht ontnomen! 2 Timoteüs 1 vers 10 (2 Tim. 01:10) zegt: “Christus Jezus, die de dood van zijn kracht heeft beroofd en onvergankelijk leven aan het licht heeft gebracht door het evangelie”. Weliswaar is de prikkel van de dood nog steeds de zonde (1 Kor. 15:53-58)… En als die zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort (Jak. 01:15)… Maar wij danken God, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus, dat wij kunnen overwinnen over de zonde (machten) in ons leven, hier en nu.

Dus de dood als zodanig bestaat nu nog wel maar heeft reeds zijn macht of kracht -middels de zondeprikkel ‘- over ons verloren. De claim van de dood wordt minder en minder, juist omdat wij de zonde overwinnen. Door de verdwijning van die ‘verder­vende’ invloed van de dood zal met­tertijd -het leven dat niet vergaat- het licht gaan zien; in ons openbaar wor­den, door de blijde boodschap van het Koninkrijk der Hemelen. Dan blijkt gaandeweg de openbaring van Christus in ons; het leven Gods komt openbaar.

Na Jezus ook in ons

Wij zijn dan het ‘laatste’ woord van God; een brief van Christus (2 Kor. 03:02-03), als tenminste dat woord leven (d) in ons is of wordt. Daartoe hoeven we het woord alleen ‘maar’ te bewaren middels het seri­eus nemen. God geeft verder in alle ontspannenheid de groei (wasdom) aan zijn woord (zaad). Wij, in welke de opstandingskracht blijkt die er is in God de Vader; de Schepper van alles wat is! Wederom (eerst in Jezus) wordt het Woord van God vlees, maar dan in ons door de een­heid van onze geest met Gods Geest. Jezus heeft de scheiding (de zonde en daarmee de macht van de dood) weggenomen. We hebben ‘open deur aan huis’, alwaar gezond eeuwig leven is.

“Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie Mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven” (Joh. 05:24), (ook al is hij niet gestorven!)

Daar waar velen zich afvragen of er een leven is na de dood, mogen we met grote blijdschap vaststellen dat er nu al echt onbederfelijk leven is voor de lichamelijke dood. Je ‘eigen’ leven gaat gewoon altijd door, zeker als je in staat bent de invloed van de dood te keren middels overwinning over de zonde-(macht).

Er komt geen ander of vreemd ‘eeu­wig’ leven in je. Nee…, uw of jouw ‘eigen’ -door God goed ingeschapen ­leven, blijft altijd (eeuwig) voort leven.

Van dezelfde materie

Toen God de mens formeerde, eer­stens van of uit het stof, blies Hij (vanuit zijn eigen onuitputtelijke levensgeest) de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen (Gen. 02:07). Ons ‘eigen’ leven is van, door, in en met God. Het was Zijn eigen geest, die Hij uit­drukte in de mens, naar Zijn beeld en gelijkenis, enkel goed. God zelf drukt(e) zich uit (openbaard(e) zich) in Zijn schepping ‘de mens’. God en mens zijn van dezelf­de ‘geestelijke’ materie. Wie het snapt, snapt het. Ze komen als van­uit dezelfde bron en horen bij elkaar, hebben elkaar nodig en die­nen eensgeestes te zijn. Daarom klikt het ook zo als een mens weer één wordt met zijn Schepper, en daarom ook moest iedere breuk in die relatie worden hersteld, en moest er iemand (Jezus) komen die de verdelende, en van het leven vervreemdende, werking van zonde en dood te niet zou doen. Opdat de mens weer één wordt, heel wordt in zichzelf en een wordt met God de Schepper, die geest is. Het ‘eigen’ ik leven is door God gewenst, hetgeen nooit heeft betekend dat we ‘egoïstisch zouden moeten zijn; want wie één is in en met God, is tevens en tegelijkertijd in de liefde voor zijn of haar medemens. “God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem” (1 Joh. 04:16). “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon (prijs) gegeven heeft (als losprijs), opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga (middels zonde en dood), maar eeuwig (onvernietigbaar) leven heeft”, in zichzelf en van binnen uit. U leeft eeuwig!

Johannes 11 vers 26 (Joh. 11:26) vervolgt met de vraag van de Heer: “Geloof jij dat?” “Ja Heer, ik geloof dat Gij de Christus zijt, de Zoon van God, die in de wereld komen zou” om -in eer­ste instantie- de mensen te verlossen van de (geestelijke) dood, om vervol­gens en vandaar uit Zijn volgelingen (zonen Gods) macht te geven over de natuurlijke dood. Maar dat laatste is nu nog echt toekomstmuziek. Ja, zelfs de hele schepping zal (in latere instantie) volledig hersteld worden. (Openb. 21:01-05).

Eerst geestelijk herstel

Duidelijk blijkt uit het een en ander dat het Jezus niet primair te doen is om het wonder op zich: de opstan­ding van zijn vriend Lazarus uit de lichamelijke dood, maar dat Hij ten overstaan van velen (Joden en heide­nen) openlijk proclameert: “Ik heb alle macht om jullie wedergeboren te doen worden uit de geestelijke dood tot eeuwig leven”. Dit grote teken is ‘slechts’ een zicht­bare illustratie van het (veel grotere) prachtige feit van geestelijk behoud in God.

In Matteüs 9 vers 1 tot en met 8 (Matt. 09:01-08) – het verhaal van de genezing van de verlamde- bewijst Jezus aan de Schriftgeleerden dat hij macht heeft om zonden te vergeven door de ver­lamde lichamelijk te genezen. Vers 6: “Maar, opdat je weten zou, dat de Zoon des mensen macht heeft op aarde zonden te vergeven – toen zei Hij tot de verlamde: Sta op, neem uw bed op en ga naar huis. En hij stond op en ging naar huis”. Jezus bewijst dat hij zonden kan ver­geven door de verlamde te genezen. Zo is het hierin eerst het geestelijke en dan pas, en -van daaruit- het natuurlijk herstel aller dingen! Dus niet andersom door maar steeds de nadruk te leggen op de lichamelijke genezingen. Mooi is dat: een natuur­lijk lichaam wordt gezaaid, een gees­telijk lichaam wordt opgewekt. En vanuit de verdere volgroeiing van dat geestelijke lichaam zal ook het natuurlijke lichaam veranderen en waar nodig herstellen naar het beeld van de Schepper; zijnde volmaakt en gezond, middels het proces van ver­heerlijking tijdens ons leven op aarde.

Voor hen die ontslapen gebeurt dit in een punt van de tijd, in een ondeelbaar ogenblik, of in een tel zal ik maar zeggen. Het zal er op uit­draaien dat er generaties komen die weer naar de oorspronkelijke bedoe­ling macht zullen uitoefenen over de dood, zodat ook die laatste vijand verzwolgen zal zijn in het alles overwinnende Leven Gods welke zich openbaart in Zijn zonen. Zijn lichaam tot in alle eeuwigheid.

De profetie van Kajafas

Aan het slot van het verhaal zien we dat zelfs Kajafas, de hogepriester van dat jaar (Joh. 11:49), temidden van de angst en verwarring van zijn collega priesters, die bang waren voor hun positie, tot onze grote verrassing ‘bovennatuurlijk’ inzicht laat zien door te profeteren: “Gij (de joods- orthodoxe priesters) weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat een mens sterft voor het volk en niet het hele volk verloren gaat”. Hij profeteerde dat Jezus sterven zou voor het volk (Joh. 11:49-52). Deze serieuze joodse wetsbetrachter ziet in een vlaag van ‘doorzicht’ ook over de zichtbare dood heen, door te wijzen op de verlossing van het volk vanuit de macht van de dood. En zoals eerder uit dit artikel blijkt was het Jezus juist daarom te doen bij de opwekking van Lazarus. De Geest Gods was zo krachtig aanwezig ter bevestiging, dat zelfs een hogepries­ter (Kajafas), een tegenstrever van het Koninkrijk van God, in deze sfeer van openbaring wordt meege­trokken.

Later zagen de priesters hierin de aanleiding om Jezus te willen doden: “Sinds die dag dan beraadslaagden zij om Hem te doden”, lezen we in vers 53 van dit zelfde hoofdstuk. “En zoals de mensen van vlees en ( bloed zijn, heeft Jezus op dezelfde wijze een natuurlijk lichaam gehad; en middels Zijn (lichamelijke) dood diegene vernietigd die over de (gees­telijke) dood macht had, namelijk de duivel, en Hij heeft iedereen verlost die door angst voor de dood hun hele leven in slavernij verkeerden” (Heb. 02:14).

Tot eer van God

Wij die. met behulp van ons geloof in het werk van Jezus, opstaan uit de geestelijke dood, leven tot eer van God die de geest des levens is! En volgens Johannes 5 vers 24 (Joh. 05:24): “Voorwaar, voorwaar. Ik zeg u, wie Mijn woord hoort en Hem (God gelooft, die Mij gezonden heeft, nee: altijd doorgaand leven en komt niet in het oordeel, want hij is overge­gaan uit de dood in het leven”! Wij zullen de dood nooit zien! “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen” (Joh. 08:51). Op de godsvruchtige conclusie van Martha in vers 24: “Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage”, zegt Jezus: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid ni^ sterven; geloof jij dat?” Daar waar Martha de opstanding plaatst op de tijdbalk: ‘eens ten jong­ste dage’, haalt Jezus de opstanding uit de dood naar het hier en nu. Of je nu lichamelijk dood of levend bent, het gaat om de opstanding uit de geestelijke dood tot het geestelijke leven.

Nu al eeuwig leven

Wij die in Jezus geloven leven nu dus al eeuwig, en zullen met Hem heersen over de zonde en (daarmee in zekere zin) al (in eniger mate) over de dood in het hier en nu.

We leven en overwinnen nu reeds in Met Koninkrijk van God, hetgeen dat Koninkrijk in ons, en in de wereld, doet ontwikkelen. Het licht schijnt in de duisternis met toenemende hel­derheid ter verdere oriëntatie voor hen die vrede en gerechtigheid wil­len, die blijvend liefde en waarheid zoeken en vinden. ‘Dood’ is ook (door de verdrukking van de overste van deze wereld) in die situaties waarin je tegenslag of verdrukking ondervindt. Paulus – die zich moest verdedigen tegenover koning Agrippa, waarom hij de opstanding uit de dood aan de heide­nen verkondigde- schrijft daarover in Handelingen 26 vers 23 (Hand. 26:23) namelijk, dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen aan het volk en de heidenen. 1 Korinthe 15 vers 20 (1 Kor. 15:20) vervolgt: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden (let op: meervoud), als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Vers 23 tot en met 25: “Maar ieder in zijn rang­orde: Christus als eersteling, vervol­gens die van Christus zijn bij (gedu­rende) zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als koning heersen, totdat Hij, (met en door middel van de men van God, in en door middel van de gemeente), al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft”. De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, want alles heeft Hij aan zijn voeten onderworpen. Romeinen 8 vers 17 (Rom. 08:17) complementeert met: “Wij zijn erfgenamen van God, en mede-erfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lij­den, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking”.

Door de Geest van Christus hebben we deel aan de vertroosting en bemoediging in liefde, kracht en blijdschap, naar de inwendige mens om stand te kunnen houden in de beproeving en leven te blijven (op)wekken, tot eer van de Schepper en de Zoon.

Gods kracht was met groot gemak instaat om Lazarus op te wekken uit de lichamelijke dood. Zouden wij dan niet kunnen leven en macht uit­oefenen over de geestelijke (zonde)doodsmacht(en), en op die wijze (geestelijk) te leven ?

Wat Jezus ons aanreikt

Zelfs voor anderen kunnen en mogen we in deze zin veel beteke­nen!

In Johannes 20 vers 19 tot en met 23 (Joh. 20:19-23) lezen we dat Jezus tijdens zijn verschijning, na zijn sterven en opstanding, aan de discipelen een zestal belangrijke zaken aanreikt:

Hij zegent hen allereerst met de woorden: “Vrede zij u”. Het is wel te waarderen dat de Heer daarmee begint; en omdat ze lang bang waren voor de Joden, en omdat het weer­zien (na het sterven en opstaan) van hun Heer natuurlijk geen alledaagse zaak was.

Hij toont hun zijn handen en zijn zijde, ten bewijze dat Hij (Jezus) het echt was! De discipelen waren daar­op verblijd, toen zij de Here zagen (dus herkenden Hem als hun Heer).

Wederom dan de zegenbede van de Heer: “Vrede zij u”, waarop direct de woorden volgen: “Zoals de vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u”. Als we ons geroepen weten door de Heer, dan mogen we ons Hemzelf als voorbeeld’ stellen. Duidelijker kon of kan God niet zijn; Hij gaf of geeft ons een mens als voorbeeld. (Aanschouwelijk onder­wijs middels een prototype).

Dan ‘geeft’ Hij Gods Geest aan hen; Hij blaast (net als God bij de eerste Adam) op hen en schenkt van de onuitputtelijke Levensgeest (Gods Geest) aan Zijn leerlingen. Hij roept daarbij wel op om de heilige Geest te ontvangen; van twee kanten dus, geven en (aan)nemen of ontvangen.

Wie gij hun zonden kwijtscheldt (vergeeft), die zijn ze kwijtgeschol­den; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend.

Actief de sleutels hanteren

Het is mij met name -in het kader van dit onderwerp- te doen om het laatste punt. Daar waar we ontdekten dat de zonde de poort tot de dood is, mogen we nu blijkens het voorgaan­de (punt 5) gaan zien dat we macht hebben ontvangen (evenals Jezus) over de poorten van het dodenrijk. Wij mogen deze sleutels leren hante­ren.

In een kader van het zondigen van een ‘beste’ broeder onderwijst de Heer: “Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden zijn in de hemel” (Matt. 18:18). Net als Petrus in Matteüs 16 vers 19 (Matt. 16:19) mogen ook wij actief de sleutels van het Koninkrijk der hemelen han­teren: en wat wij op aarde binden zullen, zal gebonden zijn in de hemelen. En wat wij op aarde ont­binden zullen, zal ontbonden zijn in de hemelen. De Heer gaf ons die sleutels niet voor niets in handen. Ook wij zeggen: ‘Gij (Jezus) zijt de Christus, de Zoon van de levende God!’ Op deze rots (Christus) zal de Heer zijn gemeente bouwen en de poorten (wetteloze zondemachten) van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen!

“Want gelijk de dood het leven is gaan verdringen door middel van het zondigen, zo zal ook uw opstaan -van tussen de doods (machten) uit vandaan- het leven Gods in u (be)vestigen!” (1 Kor. 15:21; vrij ver­taald, zie intro tekst). Sterkte en succes daarmee, het zal je zeker op (de) weg houden en helpen om zwaarmoedigheid, matheid en (de)pressie te overwinnen. Geef ‘ze’ te verstaan dat ‘ze’ overwonnen zijn, die verlammende

zonde(doods)machten. Gelast hen te gaan in de afgrond, ga rechtens vrij­uit en weest sterk in de kracht en macht van Zijn opstanding. Sta op uit de dood en… LEEF!

 

De stille woestijn door Hans Bulthuis

Onze goede God heeft een schitte­rend voornemen met de mensen. In zijn liefde heeft Hij hen tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen. Hij wil Zich eeuwig met hen verbinden en hen volledig deel laten hebben aan de goddelijke natuur (Ef. 01:05; en 2 Petr. 01:04). God alles in allen. Dit gaat Hij verwerkelijken door zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de kracht en de wijsheid van God. Door Jezus is verzoening tussen God en mensen mogelijk geworden. Ook voor u en mij. In Hem spreekt de Vader tot ons allen. Hij is ons gege­ven tot een Leidsman en Heer. Wie in Hem zijn door persoonlijk geloof, ontvangen allerlei geestelijke zegen die God voor hen bereid heeft. Het een en ander betekent dat elke mens die Gods liefdesaanbod door eigen geloof aanvaardt, geheel aange­wezen is op en totaal afhankelijk is van deze Heiland. God geeft ons namelijk zijn woord en Geest niet om er zelf, alleen, mee aan de haal te gaan. Wij kunnen en mogen slechts onder de directe leiding van de Zoon het evangelie der heerlijkheid uitwer­ken en vorm geven. Jezus zegt “Zonder Mij kunt gij niets doen”. Om deze reden is het dat God ons roept tot gemeenschap met zijn Zoon. Wie namelijk één geest met de Heer vormt, kan leven door Hem en onbeperkt putten uit zijn over­vloed aan heil.

Wat betreft deze intieme relatie van de gelovige met Hem, geeft Hij als voorbeeld zijn eigen dagelijkse omgang met zijn hemelse Vader. Meermalen heeft Hij het over ‘een in Hem blijven’ zoals Hijzelf in de Vader blijft en de Vader in Hem. In beeldspraak is dat de ‘rank – wijnstok’ situatie in Johannes 15. Wie van u, die Hem liefhebt, zou dat niet wil­len? Omdat Hij alleen de enige weg ten leven is, zullen allen die Hem hebben aangenomen als hun Redder en Heer, zijn voersporen willen drukken. De gang van de zonen is in de Zoon. In alles en te allen tijde!

Jezus’ voorbeeld

Jezus was de eerste mens die het evangelie Gods ontving en eruit leef­de, zowel ten goede voor Zichzelf, als voor zijn naasten, als tot lof van God. De blijde boodschap dient immers eerst in eigen leven gestalte te krijgen, wil het van betekenis zijn voor de medemens. Het blijkt dan dat de Heer er ook niet Zelf mee vandoor ging. Hij getuigt namelijk:

“Ik kan van Mijzelf niets doen” (Joh. 05:19-30). In zijn wandel en werken oriënteert Hij Zich voortdurend op de Vader. Hij doet slechts wat Deze Hem toont, en spreekt alleen wat Hij zegt. Dit is door God gegeven leiding aan het geloof. Hij vormde met God een onverbrekelijke en volmaakte eenheid. “Ik en de Vader zijn één”. Aan deze eenheid werkte de Meester actief en bewust mee. Naast zijn geloof in het Woord, zijn gehoor­zaamheid aan God, zijn geleid wor­den door de Geest, kende Hij een dagelijkse, persoonlijke omgang met de Vader. Hij onderhield een diepe relatie met Hem. Daar nam Hij de tijd voor, zocht naar gelegenheden en geschikte plaatsen. De eerste ver­melding in de bijbel daarvan is zijn veertig dagen lang verblijf in de woe­stijn nadat Hij gedoopt was. Dit wordt verhaald in Matteüs 4, Marcus 1 en Lucas 4. We weten niet of dit eenmalig is geweest. Wel is er later sprake van dat Hij Zich op bepaalde tijden terugtrok voor gebed, geheel alleen, in het gebergte, ook ’s nachts. Jezus kende de stilte, de ‘stille woestijn’ situatie, waarin Hij alleen met zijn Vader was. Daar bad Hij, daar wor­telde Hij, daar mediteerde Hij, daar overlegde Hij, daar ontving Hij. Het resultaat was dat Hij in de kracht des Geestes eruit terugkwam en Gods opdracht met vrucht kon uitvoeren (Luc. 04:14).

De stille woestijn

Toen de Heer Zich meer dan een maand terugtrok uit het drukke dagelijkse leven om alleen met God te zijn, was dat het ware vasten. Hij deed niet alleen afstand van de nodi­ge aandacht om met eten en drinken bezig te zijn. Hij liet alles van het natuurlijk leven achter Zich om onbelemmerd en totaal geconcen­treerd met God te kunnen verkeren. Je wil van de Vader, zijn inspiratie en instructies gingen Jezus alles te boven. Het was de ontlediging: afleg­gen van elk eigen belang, om slechts de wil te gaan doen van Hem die riep. Hier was geen plaats meer voor de begeerten en hartstochten van het vlees. Hier werd de wereld met haar begeren reeds gekruisigd. Hij verne­derde Zich onder de machtige hand Gods. Hij gaf Zich volledig weg aan Hem. “Hier ben Ik om uw wil te doen, o God”.

In die stilte en door de afwezigheid van enigerlei afleiding van ‘beneden’, hield Hij Zich onafgebroken bezig met wat ‘boven’ was, waar zijn Vader gezeten was. Als een leerling leerde Hij spreken zoals de Vader sprak. Hij was niet weerspannig noch deinsde Hij terug voor hetgeen God Hem voorhield (Jes. 50:04-05). De erfe­nis Gods werd in Hem reële, tastba­re werkelijkheid. Daardoor kon Hij later ook ervan gaan uitdelen. De Vader heeft de Zoon lief en had Hem alles in handen gegeven. En dit door zijn blijvende en algehele inner­lijke verbondenheid met en overgave aan zijn God. Zo’n verborgen omgang wil Hij dolgraag met allen die Hem vrezen aangaan.

Gelijk Ik

Verschillende malen sprak Jezus het “gelijk Ik, zo ook gij” uit tot zijn vol­gelingen. Indien Hij slechts kon leven door de Vader, kunnen wij ook alleen leven door de Zoon. Een levende relatie met Hem speelt daar­in een hoofdrol. Ieder van ons zal zo’n stille woestijnsituatie in zijn leven dienen in te bouwen. De bedoeling is echter niet een na-apen van Jezus’ woestijnverblijf. Dus alles en iedereen in de steek laten om ergens opgesloten te gaan zitten mediteren. Het gaat niet om de letter van dit verhaal, maar om de geest in dit voorbeeld.

Iedere waarachtige christen zal voor zichzelf een manier zoeken waarbij hij een optimaal gemeenschapsleven met de levende Heer kan ontwikke­len en onderhouden. Jezus noemt dat de binnenkamer’ (Matt. 06:06a). Het is een verborgen privégebeuren, waar de wereld, het vlees en de ande­ren buiten gehouden worden. Het is de stille woestijn ingaan met achter­lating van alles wat niet ter zake die­nende is met betrekking tot de voort­gang en realisering van Gods plan. Het is een levenshouding, een gerichtheid van het hart en denken, een wijze van wandelen met de Heer. Het is het bidden zonder ophouden en horen wat de Geest zegt. Hier vindt het heilzame overleg plaats tussen de Heer en allen die Hem volgen in geest en in waarheid waar Hij ook heengaat. Tijdens de vele momenten van bewust en gewild innerlijk contact met Hem, iets wat we rijkelijk moe­ten opnemen door de hele dag heen, bidden we, strijden we, luisteren we en verdiepen we ons in zijn woord. Daar worden we gesterkt, vertroost en geïnspireerd door zijn liefdevol reageren. De eenheid met Hem die hierdoor gaandeweg ontstaat, zal zich zo verhevigen dat zijn denken in ons gedacht zal worden, dat zijn leven in ons geleefd zal worden, dat zijn heerlijkheid in ons opkomt. We worden dan zeker met kracht gesterkt door zijn Geest in onze inwendige mens, zodat Jezus door het geloof woning in onze harten maken kan (Ef. 03:16-17a). Zoals Hijzelf uit die woestijnsituatie terug­keerde in de kracht van de Geest Gods, zo ook wij. Iedere keer weer. Zo blijft het leven Gods in ons.

Strijd

Uit het verhaal over Jezus’ stille woe­stijnsituatie blijkt tevens dat de dui­vel niet werkloos toekijkt hoe God tot zijn doel komt in zijn Zoon. Hij viel aan om dat doel juist te voorkomen. De strijd tegen de machten der duis­ternis is heel reëel en onontkoom­baar voor ieder die God wil volgen en dienen.

Hier kwam voor Jezus zijn eerste en grote confrontatie met de duivel. Deze trachtte te voorkomen dat de eerste zoon van God geopenbaard zou gaan worden. Zou dat gelukken, dan zou de basis voor de grote ver­zoening tussen God en de mensheid, het offer van Jezus, niet gelegd wor­den. Dan konden later de vele zonen ook niet tot heerlijkheid gevoerd wor­den (Heb. 02:10).

Daarbij werd er een belangrijk gege­ven uitgetest: op alles waar rechtvaar­digen voor willen gaan, worden zij door de duivel afgetast en beproefd. Indien zij hem overwinnen, zal het door God geschonkene hun daadwer­kelijk en praktisch eigendom wor­den. Verliezen zij, dan blijven zij ste­ken in vrome wensen en theorie. Jezus overwon. Hij overwon steeds. Mede hierdoor waren de goederen Gods concreet zijn bezit. De over­winning die de Heer behalen kon, werd mogelijk gemaakt door zijn ver­bondenheid met de Vader. Daardoor kon God in Hem werken met kracht (Joh. 14:10). In die relatie was de functie van het woord Gods -de Schriften- voor Jezus van wezenlijk belang. Zijn gelovig en gehoorzaam “er staat geschreven” deed de vijand afdeinzen.

Ook hier geldt weer voor ons het “gelijk Ik, zo ook gij” (Openb. 03:21). De overwinning over de boze gees­ten in de hemelse gewesten in eigen leven komt evenwel niet tot stand door de hantering van volle evange­lieformules of door een blijvend beroep op de inzet van anderen. Steeds meer zullen er ogenblikken aanbreken dat ieder voor zichzélf zal moeten optreden tegen de vijand in het eigen, persoonlijk hemels gewest. Het woord van God, als een zwaard van de Geest, zal dan rijkelijk in ons aanwezig dienen te zijn. Niet alleen in de betekenis van een ken­nispakket, maar verwerkt en levend door de persoonlijke omgang met de Spreker.

Hoewel het tegenstrijdig lijkt, name­lijk gemeenschap met de Vader en de Zoon hebben en tegelijkertijd worstelen tegen de boze geesten, leert de bijbel ons dit dus overduide­lijk uit het leven van de Heer zelf. Hij is de weg; onze weg is in Hem, ook in deze aangelegenheid.

De vrucht

Het steeds opnieuw aangegord wor­den met de kracht van de Geest is één van de zegenrijke gevolgen van een diepe en continue relatie met de Heer. Het vol worden van de heer­lijkheid Gods wordt voorafgegaan door ‘de knieën buigen voor de Vader’ (vs. 14). Dit gaat veel verder en dieper dan alleen een bepaalde lichaamshouding tijdens h aannemen. Hier buigt zich een hart voor God, in liefde en geloof, in eerbied en gehoorzaamheid, in onderwerping en afhankelijkheid. Het is een zuiver getuigenis van intimiteit, gemeenschap en liefde in de omgang van het kind van God met zijn hemelse Vader. Het geeft de juiste verhouding weer tussen God en zijn zonen.

De gevolgen daarvan zullen zeker niet uitblijven. In de stille woestijn ontwikkelt zich in de verborgenheid van de inwendige mens het grootste wonder van de hele schepping: het deel gaan hebben aan de goddelijke natuur van de mens in Christus. Dit wondervolle proces vond voor de eerste keer en op grootse wijze plaats in Jezus. In Hem woonde tenslotte de volheid der godheid lichamelijk. Zo ving Hij zijn genadevolle bedie­ning aan onder het volk. Het was de openbaring van de eerste, de grootste en de machtigste zoon van de eeuwi­ge God. Zijn binnenkamerleven met de Vader had deze rijpe en heerlijke vrucht mogelijk gemaakt. Door het geheel in de Heer opgaan, kan Hij ons leven worden. Het wordt dan haalbaar om door Hem te leven en vrucht te dragen voor God. Dit één zijn met Hem doet de vijand afdeinzen. Na Jezus’ overwinning in zijn stille woestijn liet de duivel Hem met rust (Matt. 04:11b). Deze had niets aan Jezus. Hij vond geen ingang en geen aansluiting bij Hem, want Jezus was één geest met God geworden. Engelen Gods kwamen en dienden Hem. Dit is een heerlijke situatie die eveneens in ons tot stand kan komen. Hij roept ons allen ertoe op. Ieder die wil, die kome. Hij wijst niemand af. Onze bede is dat allen die Hem liefhebben in geest en in waarheid tot Hem zullen uitgaan om een onafgebroken en hecht gemeenschapsleven met Hem opbouwen. Samen met Hem in onze eigen stille woestijn.

 

De vrede van Jeruzalem deel 5 door Hessel Hoefnagel

Er worden in de woorden van de engel Gabriël aan Daniël een aantal kernzaken met betrekking tot de komst van het Koninkrijk van God weergegeven. Deze waren bedoeld om aan Daniël een klaar inzicht te geven, maar ze zijn ook voor ons van wezenlijk belang. Het brengen van een eeuwige gerechtigheid bepaalt ons als vanzelf bij het werk dat onze Heer Jezus Christus teweeg bracht. Eeuwen na Daniël was Hij het, die in gehoor­zaamheid aan de wil van God, een keer bracht in het lot van de mens. Hij verbrak door Zijn sterven en opstanding de ‘weeën van de Dood’, dus de claim die deze had op de mens en daarmee op de hele schep­ping (Hand. 02:24). Alle godsdiensti­ge mensen vóór Hem, behalve de drie in de Bijbel beschreven profeti­sche figuren Henoch, Mozes en Elia, waren naar hun innerlijke mens onder de macht van de Dood geko­men. Ze konden niet anders dan hopen op Degene, die komen zou. Hun hoop werd niet beschaamd, want bij het verschijnen van de Heer der heerlijkheid in het rijk van de Dood, werden vele (geestelijke) lichamen der ontslapen heiligen opgewekt. Ze gingen uit de graven (dodenrijk) en kwamen in de ‘heilige stad’ (Matt. 27:52-53). Van Mozes en Elia weten we, dat ze al eerder samen met de Heer verschenen op de zo genoemde ‘berg der verheerlijking’ (Matt. 17:01-13).

Het hemelse Jeruzalem

Bij de aanduiding van het verschij­nen in de ‘heilige stad’ moeten we zeker niet aan het zichtbare Jeruzalem denken, want deze had net daarvoor de Heer der heerlijk­heid gekruisigd en kan daarom aller­minst heilig genoemd worden. De aanduiding ‘heilige stad Jeruzalem’ is te allen tijde van toe­passing op het hémelse Jeruzalem. Dit is de verzameling van de gelovi­gen in de ware God vanaf het eerste begin, welke nog niet tot wederge­boorte en vervulling met de Geest van God konden komen, omdat de Heer Jezus nog niet verheerlijkt was (Joh. 07:39). Deze éérsten worden bin­nen de hemelstad bewaard totdat ook zij als laatsten zullen worden vervuld met de Geest der belofte (vgl. Matt. 19:27-30).

De eeuwige Schepper vervult in grote trouw Zijn profetische belofte aan het eerste mensenpaar en daar­mee aan de hele natuurlijke mens­heid (Gen. 03:15). Hij verbond zich in Zijn grote mensenliefde met het ‘zaad van de vrouw’, dat uit de eerste mens (levende ziel) tevoorschijn zou komen (vgl. Titus 03:04). De Eersteling van deze nieuwe generatie is onze Heer Jezus Christus (1 Kor. 15:20-23; Kol. 01:15-18).

Bewust en in volle overgave aan de wil van God was Hij als een graan­korrel, die in de aarde valt en sterft, teneinde een grote oogst voort te brengen. Langs de weg van het kruis en het dodenrijk zou de ‘Zoon des mensen’ verheerlijkt worden naar het voornemen van de Schepper. Deze verheerlijking ligt daarin, dat de ‘Zoon des mensen’ niet op zich­zelf zou blijven, maar juist vanwege dit sterven veel vrucht zou voortbren­gen. In ditzelfde verband, toen de Vader in de hemel Zijn Zoon beves­tigde met een waarneembare stem, sprak Jezus: “Nu gaat er een oordeel over deze wereld, nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen wor­den en als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken” (Joh. 12:23-24 en Joh. 12:31-32). De schare meende, dat een engel tot Hem had gesproken. De Heer Zelf sprak echter over het oordeel, dat over de wereld zou gaan. Hierin zou het goede (datgene wat naar het doel van God voert) en het kwade (datge­ne wat van dat doel afvoert) van elkaar gescheiden worden, zelfs tot in de meest intieme details van de overwegingen van het hart. In dit oordeel zou ook de ‘overste der wereld’ worden buitengeworpen. In het volgende hoofdstuk zal ik hier nader op ingaan.

De geest uit de afgrond

De feitelijke ‘overste van de wereld’, die zich sinds de zondeval van Adam in de hof van Eden ging manifeste­ren in de wereld, was niet de duivel, maar de Dood, de ‘geest uit de afgrond’. Deze wordt in het Hebreeuws Abáddon en in het Grieks Apollyon genoemd (Openb. 09:11).

Deze macht heerst sinds de zondeval van Adam als ‘koning’ over de aarde (Rom. 05:14-17). Zelfs in de tijd tussen Adam en Mozes, toen er nog geen wet was en de zonde nog niet kon worden toegerekend, was deze koning als heerser actief. Zoals het ‘Woord der waarheid’ het zwaard des Geestes wordt genoemd, zo is ‘het woord der leugen’ het zwaard van de Dood. Met dit zwaard werkte de duivel in de hof van Eden en ging de argeloze mens vanwege het gehoor geven aan dit woord innerlijk de ‘dood sterven’, zoals de Schepper had voorzegt. De ‘dood sterven’ betekent komen onder de claim van de Dood. Het gevolg van dit sterven was, dat de mens ver­vreemdde van het wezen van God. De claim van de Dood ging door tot alle mensen, ook al hadden niet allen gezondigd op gelijke wijze als Adam. De zonde van Adam had dus zeer verstrekkende gevolgen voor de hele mensheid, want voor ieder was de weg tot de Boom des levens toegeslo­ten (Gen. 03:24).

De verschijning van Gods genade

De genade van God echter, die in Jezus Christus verschenen is, heeft heil (heling en gezondheid) gebracht voor alle mensen (Titus 02:11). Deze heeft dus veel grotere gevolgen in positieve zin, dan de zondeval in het negatieve. De overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid bewerkt, dat de méns weer gaat heersen als de door God bedoelde koning der schepping vanuit het verkregen eeu­wige leven (vgl. Rom. 05:12-21). De mens is namelijk de door de Schepper van oorsprong bedoelde ‘overste van de wereld’ (vgl. Gen. 01:26-28).

In Zijn afscheidswoorden aan Zijn discipelen sprak de Heer Jezus met het oog op de wederrechtelijke beheerser der wereld: “… de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets’ (Joh. 14:30). De duivel kon Jezus niet tot ongehoorzaamheid aan God verleiden en daarom kreeg de Dood, die als koning heerste over de mensheid, geen vat op de Zoon des mensen. Zoals indertijd de grote vis Jona weer moest uitspuwen op het droge, zo moest de Dood de Zoon des mensen, vervuld met de Geest van God, weer ‘uitspuwen’. Het was niet mogelijk, dat de weeën van de Dood deze ware Mens konden vasthouden. Hij ver­brak deze banden en Zijn ziel (het wezenlijke mens-zijn) werd door de Geest van God niet aan het dodenrijk overgelaten en zelfs Zijn vlees zag geen ontbinding (Ps. 016:008-011 en Hand. 02:24). Vanwege deze overwinning over de Dood werd onze Heer door de Geest van God (Gods ‘rechter­hand’) uitermate verhoogd en werd Hij tot Here en tot Christus gemaakt (Hand. 02:24-36).

De opstanding ten leven

Van de komende Trooster, de Geest van God, die de Heer zou zenden als Hij zou heengaan tot de Vader, zei Jezus, dat deze Geest de wereld zou overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel. Dit zuivere oordeel, dus het aanbrengen van scheiding tussen datgene, wat bij de mens hoort en datgene, wat niet bij de mens hoort, werd mogelijk omdat de Dood als beheerser van de wereld was geoor­deeld (Joh. 16:05-11). Vanwege de gehoorzaamheid van de eersteling van de nieuwe schepping kon de Vader Zijn Zoon opwekken door de kracht van de inwonende heilige Geest. De Heer stond van tussen de doden op om te verschij­nen in de heerlijkheid van de Vader. Als gevolg van dit ‘wapenfeit in de wereld der geesten kan ieder mens naar zijn of haar innerlijk eveneens opgewekt worden om ‘op te staan’ van tussen de doden uit en zo tot ware mens te worden door de vervul­ling met de Geest van God (Ef. 05:14)

De weg hiertoe is de kern van het evangelie van Jezus Christus. Deze begint met persoonlijke bekering, door het belijden van zonden en eveneens persoonlijk geloof in God. Innerlijk ondergaat de mens dan het proces van wedergeboorte door de inwerking van het woord van God en vernieuwing door de heilige Geest. Dit proces is de ‘opstanding ten leven’, welke de mens vrijmaakt van het oordeel. De ‘wet van de Geest des levens’ werkt in de mens en maakt deze immers de mens vrij van de ‘wet van de zonde en de Dood’ (Rom. 08:01-04) blijvend gevangen houdt.

Alleen door de weg van het evangelie van Jezus Christus komt de mens tot zijn ware bestemming als ware over­ste van de wereld. De levende ziel (als nageslacht van de eerste Adam) wordt dan een levendmakende geest (als nageslacht van de laatste Adam). Op de openbaring van deze ‘zoon’ als ware beheerser van de schepping van God wacht deze in haar geheel met reikhalzend verlangen (Rom. 08:23; vgl. Heb. 10:01).

 

Bidden en vasten (gedicht) Tea Keuper

Vader, ik zalf mijn hoofd, de olie van Uw Geest

bedruipt mijn denken.

Wil mij omhullen, mij Uw tedere liefde schenken,

de ware spijzen, die Uw kind’ren zijn beloofd!

 

Zoals Uw Zoon, mijn Jezus, mij is voorgegaan,

zo mag ik nu, gereinigd voor U staan,

mijn aangezicht, gewassen door Zijn bloed,

hef ‘k naar U op, Vader, U bent goed.

 

U kent mijn wensen, komend met die van U overeen:

Er is zoveel leed en angst en liefdeloosheid om mij heen.

Een land, dat zich met zonden overlaadt,

wat zich door welvaart in een weelde baadt

 

en egocentrisch leeft, door mensen opgejaagd,

dat nauwelijks meer naar Zijn Schepper vraagt:

O, Vader God, vergeef!, vergeef!, heb mededogen!

Ons hart wordt door Uw Geest geschud, bewogen!

 

U wacht, tot wij in ootmoed voor U knielen

en bidden voor de talloos vele zielen,

die U niet kennen, U niet willen horen:

O, Vader God, Heer help!, zij zijn verloren!

 

Heer, zend nog eens Uw Geest, die wereldwijd zal waaien,

zodat het Godd’lijk vuur weer op zal laaien!

Verlos ons van de boze, U is’ t Koninkrijk,

de kracht, de heerlijkheid: Vader, U maakt ons rijk!

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking of benauwdheid, of vervolging of honger, of naaktheid, of gevaar, of het zwaard? Gelijk geschreven staat: ‘Om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen’.

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verze­kerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch heden noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here” (Paulus in Romeinen, 8 vers 35 (Rom. 08:35  e.v.)

De opmars van wereldwijde controle

‘Heren gluren niet in andermans brieven’, zei de voormalige Amerikaanse minister van Oorlog Henry Stimson. Dit moet een van de minst profetische uitspraken van de eeuw zijn, want spionage floreert als nooit tevoren’.

Zo begint een artikel in NRC- Handelsblad onder de kop ‘De opmars van wereldwijde controle’. De schrijvers (Menno Steketer en Marie-José Klaver) geven de vier technieken aan die momenteel gebruikt worden om personen en ruimtes af te luisteren:

Door middel van satellieten. Spionagesatellieten kunnen met gevoelige antennes draadloze com­municatie, zoals mobiele telefoons, afluisteren.

Bewaking van veraf. Daarbij gaat het om het afluisteren van gesprek­ken door ruiten welke met behulp van zogeheten laserpistolen kunnen worden opgevangen.

Het afluisteren van telefoonverbin­dingen. Telefoongesprekken, E-mail en faxen kunnen direct afgeluisterd worden. Verder neemt iedere elektri­sche verbinding als een antenne de straling (residu-straling) van compu­ters op. Via een monitor kunnen deze stralen weer laten zien wat op het scherm stond. 4. Via microfoons en camera’s. Minicamera’s, nauwelijks groter dan een pakje sigaretten, en high tech microfoons kunnen door experts in iedere ruimte nagenoeg onvindbaar verstopt worden. De signalen van goede minicamera’s en microfoon­tjes zijn met speciale ontvangers over afstanden van ruim 1 kilometer te ontvangen.

Slimme computerprogramma’s (intelligent agents) spelen een sleu­telrol bij het afluisteren van Europese burgers, politici, vakbon­den en bedrijven door de Ameri­kaanse inlichtingendienst National Security Agency (NSA). Volgens een rapport van het Britse bureau Omega, dat in opdracht van het Europese parlement werd opgesteld, tappen de Verenigde Staten stelsel­matig al het Europese telefoon-, fax­en e-mail verkeer af. Met technieken als statistische methoden, neurale netwerken en genetische algoritmes wordt infor­matie op trefwoorden doorzocht. Volgens Frank van Harmelen, des­kundige op het gebied van kunstma­tige intelligentie aan de Vrije Universiteit, zijn deze technologieën bij uitstek geschikt om agnets te ont­wikkelen die grote hoeveelheden tekst en spraak doorzoeken op rele­vante informatie. Met statistische methoden kan gezocht worden hoe vaak bepaalde woorden (als ‘bomaanslag’ of ‘cocaï­ne’) voorkomen in berichten.

Neurale netwerken zijn zogeheten zelflerende computerprogramma’s. Na een paar oefeningen, waarbij de gebruiker telkens aangeeft wat het computerprogramma goed en fout doet, kan het neurale netwerk zelf gericht op zoek gaan naar bepaalde woorden of combinaties. Net als het menselijk brein leert het programma er steeds dingen bij en wordt het steeds slimmer, aldus Van Harmelen’.

In het artikel wordt niet alleen de Verenigde Staten genoemd als land waarin spionagediensten gebruik maken van deze moderne appara­tuur, maar wordt ook met voorbeel­den aangetoond hoe in landen als Groot Brittannië. Frankrijk, Zwitserland en Iran bepaalde gebeurtenissen op het conto van deze controlemiddelen kan worden geschreven. Het is een ontwikkeling die in deze tijd in razendsnel tempo verder gaat en niet meer te stuiten lijkt. Toch zullen christenen zich geen angst laten aanjagen door deze en andere berichten. Zij weten dat, zoals we in het boek Daniël al kunnen lezen, “de wetenschap vermenigvuldigd zal worden” (Dan. 12:04). maar zij weten óók dat “wie in de schuilplaats des Almachtigen is geze­ten, vernachten zal in de schaduw des Almachtigen” (Ps. 091:001) En ook al zou er een zware en moeilijke perio­de van onderdrukking en vervolging komen, de waarachtige gemeente van Jezus Christus zal niet onder­gaan maar uiteindelijk triomferen!

Fusiegolf raast over de wereld

Inhakend op het vorige artikel over de wereldwijde controle is er nog een andere ontwikkeling die in deze tijd heel opvallend is. Het betreft de ‘fusierazernij’ zoals de kop boven een artikel van Peter van der Tuin in de Financiële Telegraaf wordt aange­duid. Hij schrijft: ‘Ondanks de Azië- crisis zijn veel beurzen alweer aan een opmars begonnen. Een drijvende kracht daarachter is de fusie- en overnamewoede, die de financiële markten momenteel meemaken. Het geweld is onvoorstelbaar en de mil­jarden vliegen over tafel’. Vervolgens worden een groot aantal voorbeelden opgesomd van bedrijven die de afge­lopen jaren hebben gefuseerd. ‘De fusiegolf wordt nauwelijks iets in de weg gelegd’, schrijft Van der Tuin die verder opmerkt: ‘Dat is ook niet zo verwonderlijk omdat we momen­teel in een opmerkelijke tijd leven. Het socialisme is eigenlijk ver­dwenen; marxisme, leninisme en maoïsme zijn een al of niet zachte dood gestorven. Alleen in Cuba en Noord-Korea schijnen nog een paar onnozelaars in de relikwieën van het communisme te geloven. Het kapitalisme is als enige triom­fantelijk uit de strijd overgebleven en gaat nu in razend tempo richting schaalvergroting.

Schaalvergroting

De redenen die directies aanvoeren ter rechtvaardiging van fusies, liggen voor de hand. Schaalvergroting drukt de kosten per eenheid. De grenzen vervagen, dus iedereen moet opeens de wereld gaan veroveren. Snelheid is geboden omdat anders de concur­rentie eerder toeslaat. De ‘oorlogs­kassen’ (overnemen is kennelijk oor­log) zijn uitstekend gevuld en het optuigen van een kredietlijn van een paar miljard is kinderspel voor de huidige grootbanken. Kennis is schaars, dus het opkopen van gespe­cialiseerde kennis is soms voorwaar­de om te overleven.

Voor de betrokken werknemers is dit alles toch beangstigend. Van de ene op de andere dag hebben zij een andere werkgever. De kostenbespa­ring bestaat meestal uit ontslag voor velen. Het samenwerken met de nieuwe fusiepartners geeft spannin­gen. Carrièremogelijkheden vallen in duigen’.

Van der Tuin ziet echter ook een lichtpunt: ‘Het groeiend aantal reuzenbedrijven zorgt namelijk voor voortdurende economische groei. Deze monstercombinaties van men­sen, geld en materiaal laten zich niet afschrikken door een tijdelijke reces­sie of crisis. Productie, dus welvaart, wordt beter over de hele wereld gespreid. Ook voor beleggers is dat in ieder geval goed nieuws’. Of echter deze ontwikkeling op de lange duur wel een lichtpunt is, valt sterk te betwijfelen. En wat te den­ken, van de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk in vele landen. In ieder geval is duidelijk dat de ‘fusier­azernij’ zoals deze momenteel aan de gang is, ook een teken van deze tijd is, die niet afgeremd kan worden maar voorlopig gewoon doorgaat.

Totdat er een kink in de kabel komt, door oorlog of andere onvoorspelbare dingen. Maar ook hier geldt weer dat het voor christenen belangrijk is geen angst te hebben voor de toe­komst. Wij mogen alles wat er gebeurt, zien in het licht van Gods Geest, die ons waakzaam doet zijn en ons van dag tot dag verder leidt met de zekerheid in ons hart dat niets en niemand ons zal kunnen scheiden van de liefde van Christus, zoals Paulus dat zo mooi omschrijft in Romeinen 8 vers 38 en 39 (Rom. 08:38-39).

 

Het herstel van de gemeente (3) door Wim te Dorsthorst

 

Toen ik begon te schrijven over het herstel en de vernieuwing van de gemeente, waar zoveel over gespro­ken en geschreven wordt, bedoelde ik niet allerlei uiterlijke zaken, bewe­gingen en stromingen die de laatste jaren dan weer hier, dan weer daar in gemeenten worden ingezet. Met het herstel bedoel ik veel meer het terugkeren naar de werkelijke Bijbelse fundamenten, waarheden, structuren en belevingen van en in de gemeente, het lichaam van Christus. Dat was ook altijd kenmer­kend voor de opwekkings-prediking van de laatste eeuwen; terug naar de Bijbelse waarheden! Het fundament van de gemeente en de plaats van de individuele gelovige in de gemeente, is in de afgelopen eeuwen bijna geheel uit het zicht verdwenen in de kerken. Dat iedere gelovige voor de Heer zeer kostbaar is en in de gemeente ook dient mee te werken aan het laten functioneren van het lichaam tot een welsluitend geheel, naar de kracht die ieder lid op zijn wijze oefent, hebben we gezien vanuit Efeze 4 vers 15 en 16 (Ef. 04:15-16) (zie vorige nummer).

In de ontstane kerkstructuur, wat ik ‘het kerkmodel’ noemde, is voor het leven Gods wat zich in de gemeente dient te ontwikkelen en te openba­ren, geen levensruimte. Het waar­achtige Bijbelse fundament van beke­ring, waterdoop en Geestesdoop is absolute voorwaarde voor enige ont­wikkeling van geestelijk leven. De Heer Jezus leert dat het zonder wedergeboorte niet mogelijk is het Koninkrijk van God binnen te gaan of daar iets van te kunnen zien (Joh. 03:03-05)

Geloof en belijdenis

De belijdenis van veel kerken, dat men zondaar is en blijft tot de dood, is geheel on-Bijbels. Hier wordt God niet door geëerd en de Bijbel spreekt ook in hele andere termen over de gelovigen.

Zo spreekt Romeinen 1 vers 7 (Rom. 01:07) van: “Geroepenen van Jezus Christus, geliefden Gods en geroepen heili­gen”.

Kolossenzen 3 vers 12 (Kol. 03:12) spreekt van: “Door God uitverkoren heiligen en geliefden”.

De apostel Johannes schrijft: “Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem” (1 Joh. 05:18). De Heer Jezus spreekt van: “Gij dan zult volmaakt zijn gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” (Matt. 05:48). Op deze wijze spreken nog verschil­lende Bijbelplaatsen over de Nieuwtestamentische gelovigen. (Zie vori­ge art. en lees 1 Petr. 02:05-10). Het geloof hierin en de belijdenis hier­van wordt, Goddank, weer gevonden en gehoord in de gemeente van Jezus Christus.

Roeping en doel

De gemeente heeft vanaf het begin een heel duidelijk doel voor ogen gehad en dat geldt zeker ook de eindtijd-gemeente. Het is niet jaar, na jaar, na jaar, … samenkomen met een eindeloze herhaling van leringen en liturgieën zonder duidelijk doel. Nee, integendeel. Efeze 4 vers 15 (Ef. 04:15) spreekt van: “Maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus”. Waar men weer terugkeert naar de Bijbel als Gods woord en waarheid, gaat men ook weer geloven en belij­den overeenkomstig deze waarheid. Dan is er werkelijk sprake van een groei naar Hem toe die het Hoofd is, Christus.

Aan het einde van deze bedeling zien wij de volmaakte gemeente, met hun Heer en Heiland staan op de berg Sion. (Niet in het Midden- Oosten!).

“En ik zag en zie. het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderd- vierenveertigduizend. op wier voor­hoofden Zijn raam en de naam zijns Vaders geschreven stonden” (Openb. 14:01). In vers 5 lezen wij nog: “En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk. Deze gemeente is gereinigd van alle leugen en onwaarheid en is vervuld met de waarheid van het evangelie Gods. Zij spreekt enkel zoals God en Jezus spreekt, denkt en handelt. Ze zijn aan het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden, waartoe God hen tevoren bestemd had (Rom. 08:29). Ze zijn onberispelijk! Daartoe is de gemeente geroepen.

Gaven in de gemeente

Hoe wil de Heer die volheid nu uit­werken in Zijn gemeente? In Efeze 4 vers 10 (Ef. 04:10) zegt de apostel: “Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen”.

De Heer is met dit geweldige werk bezig vanuit de troon van God waar

Hij gezeten is aan de rechterhand van Zijn Vader (Matt. 26:64). Dat is de troon van de genade (Heb. 04:16), van waaruit schuldvergeving, reiniging, het schenken van de Heilige Geest (Hand. 02:33), heiliging en tot volheid voeren, de mens toe­stroomt. Het is genade op genade en Hij schenkt dat vanuit Zijn volheid (Joh. 01:16).

En de Heer werkt alles door middel van gaven.

Gaven van mensen, waardoor de goddelijke energie, de kracht van de Heilige Geest, waarmede Jezus uit de doden is opgewekt, stroomt. Deze gaven van de geest van de mens, worden door de Heilige Geest tot leven gewekt en bekrachtigd, waardoor het lichaam van Christus geestelijk, bovennatuur­lijk, gaat groeien.

(Zie vorige artikel).

Gaven van de Heilige Geest.

Mensen, die de Heer als gaven geeft aan de gemeente.

Dat zijn de kanalen, zou je kunnen zeggen, waardoor Gods genade, kracht en werking stroomt en de Heer alles tot volheid gaat bren­gen. Ik geloof dat we van deze verscheidenheid aan gaven lezen in 1 Korinthe 12 vers 4 tot en met 6

(1 Kor. 12:04-06). Daar schrijft de apostel:

“Er is verscheidenheid in genade gaven, maar het is dezelfde Geest”;

“en er is verscheidenheid in bedie­ningen, maar het is dezelfde Here”;

“en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt”.

Verscheidenheid in gaven

Als eerste noemt Paulus de genade­gaven, de ‘charismata’, in grote ver­scheidenheid. Het Griekse woord ‘charismata’ wil zeggen: gaven die uit genade aan de mens geschonken worden. Het zijn genade-schenkin­gen Gods.

Hoe verschillend die gaven ook zijn, het wordt allemaal gewerkt door die ene Geest, waardoor wij tot één

lichaam gedoopt zijn (1 Kor. 12:13a). Het is de levensgeest van de gemeente.

Vervolgens noemt hij: “verscheiden­heid in bedieningen”. In het Grieks: ‘diakonion’. Dat wil zeggen: ‘dien­sten, bedieningen, dienende taken’ in verschillende onderscheidingen, maar het is van dezelfde Here. Als derde noemt de apostel verschei­denheid in “werkingen” of “krach­ten”. In ’t Grieks: ‘energematon’. Het zelfstandige naamwoord ‘energema’ wil zeggen: ‘werking in iemand of in iets, innerlijke actie’. Dit is wat we zagen in Efeze 4 vers 16 (Ef. 04:16) waar staat: “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welslui­tend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar “de kracht”, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”. Naar “de kracht” (Grieks: energeian), die elk lid op zijn wijze oefent. We zagen dat het hier ging om de kracht van God, die in de geestelijke begaafdheden van de mens werkt, tot opbouw van het lichaam van Christus.

“Verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt”.

De eeuwige raad van God

Wat kunnen we leren uit wat Paulus hier zegt?

Op de eerste plaats zegt hij dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest betrokken zijn bij het tot volmaakt­heid brengen van de mens. Dat is de uiteindelijke geestelijke bestemming van de mens; aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig (Rom. 08:29). Dat is naar de eeuwige raad van God en wat Hem dus ook voor ogen stond toen Hij de mens in z’n natuurlijke staat schiep (Gen. 02:07 en 1 Kor. 15:45a en 1 Kor. 15:47a) en sprak: “Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis” (Gen. 01:26a). De mens zou niet altijd ‘natuurlijk’ blijven, maar was als een zaad waar­uit, naar de geestelijke verwekking en geboorte, de geestelijke mens in Gods Zoon te voorschijn zou kunnen komen. De duivel heeft in de hele kerkgeschiedenis kans gezien deze geweldige geestelijke zaken, betreffende de mens en de werking van God en Jezus Christus en de Heilige Geest, in de gemeente te ver­sluieren en te roven. Ten tweede geeft Paulus hiermee aan, dat het hele gemeentegebeuren een bovennatuurlijke, dus geestelijke zaak is, in van boven geboren men­sen, waarbij de volheid Gods betrok­ken is. En dat is dan weer volkomen in overeenstemming met de procla­matie van God: “Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld” (Gen. 01:26a).

Midden in Zijn bediening keert Jezus Zich naar Zijn discipelen en zegt: “Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet” (Luc. 10:23). Zalig is het volk in deze tijd, wat temidden van een ont­aard, religieus kerkelijk stelsel, weer gaat zien wat de discipelen van de Heer Jezus zagen; het doorbreken van het Koninkrijk Gods in mensen­levens, in de gemeente. Wat eeuwen­lang verborgen was en niet gezien werd, wordt nu weer gezien door een volk wat uit Babel, uit de verwarring en de versluiering wegtrekt en zich laat reinigen met het waterbad van het Woord.

Alles is uit God

Hoe moeten wij nu die geestelijke gaven van de mens zien? God is de Formeerder, de Schepper van alles; ook van de mens. Als we naar Gods schepping kijken, dan zien we een ongelooflijke verscheide­nheid. We zien het in de bloemen, de planten, de bomen, de dieren, de vogels, de vissen… en alles onbe­schrijflijk mooi en veelsoortig. Een heelal met oneindig veel sterren, sterrenbeelden en melkwegstelsels. En dan is er nog een hele wereld van insecten en micro-organismen. Alles in die schepping heeft z’n plaats en functie en mogelijkheid, om op zijn wijze, dat kostbare geheel optimaal te laten functioneren, als een levend organisme. Daartoe heeft God alles geschapen, toegerust en z’n eigen plaats gege­ven. Hierin kunnen wij ook een schitterend beeld zien van de gemeente waarin ieder lid op zijn wijze met zijn gaven meewerkt in het lichaam van Christus. De mens echter, die God geschapen heeft, overtreft alles. De mens is naar Gods beeld geschapen en was in staat om over al die werken van Gods hand te heersen.

Bijna goddelijk gemaakt

Uit Davids hart welt het op als een lied: “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: scha­pen en runderen altegader en ook de dieren des velds, de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde” (Ps. 008:004-009). Wat een heerlijke uitspraak over de mens! “Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt”. Hoe groot is het wonder dat God uit die éne mens Adam, die Hij schiep, de hele aarde bevolkt heeft (Hand. 17:26). En van die miljarden mensen die er waren en er nu zijn, zijn er geen twee hetzelfde. De grootste veelkleurigheid in Gods schepping is de mens, omdat God zelf zo onein­dig veelkleurig is. Ieder mens is naar Gods beeld en openbaart iets van dat wezen van God en van Zijn werkin­gen. Dat zijn de ‘werkingen’, of de ‘gaven’ die God, die Geest is, aan ieder mens heeft toebedeeld. Zo is de mens! Een schitterend wezen door God geschapen. Natuurlijk, door de zondeval is dit alles bevuild en aangetast. Dat zal . David ook gezien en ervaren hebben maar de Heilige Geest laat hem zeg­gen: “En toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heer­lijkheid en luister gekroond”. Ondanks de zondeval zien wij er nog steeds wat van en verbazen ons waar de mens toe in staat is, want God heeft de mens wonderbaar toegerust. Dat is de heerlijkheid en de luister van de mens.

Een levend en heilig offer

Deze geweldige veelkleurige gaven en mogelijkheden van de mens wil de Heer nu gebruiken in de gemeen­te. Daar wil Hij Zijn goddelijke kracht, Zijn energie op aansluiten. Paulus roept ons op in Romeinen 12 vers 1 (Rom. 12:01) om onze lichamen -dat is de mens in z’n geheel met al zijn gaven en mogelijkheden- te stellen tot een levend en heilig en Gode welgevallig offer. Hij zegt: “Dat is uw redelijke eredienst”. Na alles wat God voor ons gedaan heeft in Zijn Zoon, is het niet meer dan billijk, dat wij ons als een geheiligd offer aanbieden voor de dienst van Hem. De mens in de wereld gebruikt al zijn mogelijkheden en gaven die hij van de Schepper ontvangen heeft, ten dienste van het vlees, naar de begeerten, naar de gedachten en de wil van het vlees, zegt Efeze 2 vers 3  (Ef. 02:03). Het hele denken van de mens is vleselijk gericht. In de gemeente moe­ten daarom de gedachten geheel ver­nieuwd worden.

Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02) zegt daarom: “Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt” (Willibr. vert.). In Romeinen 6 vers 13 (Rom. 06:13) lezen we nog: “En stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God”. Dit is de redelijke eredienst van ieder wedergeboren christen.

Een wonder wat God schiep

Wij zijn als gemeente één lichaam met vele leden. Met al die verschil­lende innerlijke werkzaamheden vor­men wij tezamen als een welsluitend geheel, bijeengehouden door de dienst van al de leden, naar de kracht die elk lid op zijn wijze inbrengt, het lichaam van Christus. Daarbij behoeft niemand dingen begeren te doen, die boven zijn ver­mogen en begaafdheid uitgaan. Dat geeft alleen maar spanningen en frustraties. De waarschuwing van de apostel is dan ook: “Uit de kracht van de genade die God mij gegeven heeft zeg ik tot eenieder van u: acht uzelf niet hoger dan ge kunt verantwoor­den, denkt over uzelf met bedacht­zaamheid, neemt als norm het geloof maar houdt rekening met de voor ieder verschillende maat van Gods gave” (Rom. 12:03 Willibr.vert.). Ieder mens is zeer kostbaar in Gods ogen en is in de moederschoot gewe­ven als een uniek kunstwerk. Wonderbaar heeft God de mens toe­bereid om geestelijk te kunnen func­tioneren in Zijn Koninkrijk (Ps. 139:013-014 en 2 Kor. 05:05). Een andere vertaling zegt: “De mens is eerbiedwekkend van maaksel, een wonder is wat Gij schiep”.

Een geheimenis Gods

Temidden van de wereld, waar de mens steeds meer denkt dat hij een godheid in zichzelf is, en geen God – zo die al bestaat nodig heeft, ontwik­kelt de gemeente, het geheimenis van God. Mensen die deze goddelij­ke waarheden weer gaan geloven. Mensen die beseffen dat alles wat ze zijn als dat wonder dat God schiep, niets zijn buiten de Schepper die het leven geeft. Die de genade Gods ken­nen in Jezus Christus om in Hem een nieuwe schepping te zijn, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heilig­heid (Ef. 04:24).

Dat alleen in Jezus Christus dat won­der wat God schiep, met al zijn begaafdheden en mogelijkheden, tot z’n bestemming kan komen naar Gods eeuwige voornemen. Mensen die zichzelf als een levend en heilig Gode welgevallig offer aan de Heer aanbieden, om met hun specifieke gaven die ze van de Schepper ontvangen hebben, gebruikt kunnen worden in de opbouw van de gemeente. Als dit door de Heilige Geest door gaat breken, is er werkelijk sprake van herstel en vernieuwing van de gemeente van Jezus Christus.

 

Misleiding door drogredenen door Wim te Dorsthorst

“Laat niemand u misleiden met drogredenen, want door zulke dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid” (Ef. 5:6).

Aan deze woorden van Paulus moest ik denken toen ik in een tijdschrift een vraaggesprek met dominee Nico ter Linden las. Deze dominee is inmiddels beroemd geworden met de ‘hervertelling’ van de Bijbel: “Het verhaal gaat…”. Zijn boeken worden heel goed verkocht onder een breed publiek, maar vooral onder christe­nen.

Hij brengt echter niet het Woord van God bij de mensen, zoals een domi­nee dat behoort te doen, maar zijn eigen poëtische verhaal over de Bijbelse waarheden.

Het vraaggesprek was rond de kerst­tijd en dus werd er gevraagd: ‘Hoe zit het nu met die wonderen en met Jezus die uit een maagd wordt gebo­ren’?

Antwoord: ‘Er is geen twijfel over mogelijk dat Jezus het kind is van Jozef en Maria, want zo worden kin­deren gemaakt en geboren’. Dat is onverbloemd de mening van deze verteldominee.

Verstrekkende gevolgen

Zo’n uitspraak heeft verstrekkende gevolgen voor de meest fundamente­le waarheden van de Bijbel. Met een schittering van woorden en een schijn van godsvrucht wordt Gods Woord krachteloos gemaakt. Jezus is dus niet meer dan een gewoon mensenkind, geboren uit twee gewone eenvoudige mensen. Hij is op dezelfde wijze gemaakt en geboren als alle mensen. Niks bij­zonders dus!

Hij is dus helemaal niet op een bovennatuurlijke wijze verwekt door de Heilige Geest bij Maria en alleen daarom en daardoor de Zoon van God (Luc. 01:35). Dat zijn maar bedenksels van de evangelie schrijvers om hun zienswijze op Jezus uit te drukken, volgens C. ter Linden. Hij is dus helemaal niet Gods enig­geboren Zoon of, waar de Bijbel zo de nadruk op legt, Gods eigen Zoon (Rom. 08:03 en Rom. 08:32). Hij is dus ook niet de Christus, want de Christus Gods is Zijn eigen Zoon, de Zoon zijner liefde, waarin al de genade voor de mens besloten is (Rom. 08:32).

Hij is het dus niet waarin de eeuwi­ge bestemming van de mens veran­kerd ligt, van voor de grondlegging der wereld, naar Gods eeuwige raad en het welbehagen van Zijn wil (Ef. 01:03-14).

God heeft dus helemaal niet Zijn, eigen Zoon gegeven tot een losprijs voor de gehele schepping. Op het kruis stierf dus niet Gods Zoon, niet de Christus des Heren, maar een mens uit de mensen, de zoon van Jozef en Maria! God heeft dus helemaal niet zelf voorzien in het offerlam, zoals geschreven staat: “De Here zal erin voorzien” en: “Op de berg des Heren zal erin voorzien worden” (Gen. 22:14).

En zoals Paulus citeert: “De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jacob afwen­den” (Rom. 11:02b).

God heeft dus helemaal niet de gémeente verworven door het bloed van Zijn eigene (Hand. 20:28). En nog veel en veel meer van de Bijbelse waarheden gaat zo de mist in. Om nog maar te zwijgen over het feit dat je de Heer Jezus tot een leu­genaar maakt waar Hij steeds spreekt over God als Zijn Vader. Het lijkt mij al een behoorlijke opschuiving naar het Moslim-den­ken, die ook Jezus ontkennen als de Zoon van God.

Onvoorstelbaar dat een dominee dit verkondigt en dat notabene christe­nen deze drogredenen, deze inhoudsloze woorden voor zoete koek aannemen.

Geen Lam Gods

De Gereformeerde Kamper Hoogleraar Cees den Heyer gaat zo mogelijk nog een stap verder in zijn nieuwe boek ‘Verzoening’ (versche­nen bij Kok, Kampen). Hij beweert daarin openlijk dat Jezus niet als Gods’ Zoon voor de zonden van de mensheid is gestorven. Hij zegt dat hij daar in de Bijbel geen enkele grond voor vindt. De gerefor­meerde synode steunt hierin prof. Den Heyer.

Wie is er nu eigenlijk blind, prof. C. den Heyer en die andere geleerde heren, of de eenvoudige gelovigen die Gods Woord geloven en daarop zijn getuigenis in hun hart ontvan­gen door de Heilige Geest (zie Heb. 10:14-15; Rom. 08:16). Het is weer als in de dagen van Jezus, die tot de theologen van die dagen moest spreken als van blinde wegwijzers. En ook dat het evangelie van het Koninkrijk Gods verborgen is voor wijzen en verstandigen, maar aan kinderkens (eenvoudige men­sen) geopenbaard wordt (Matt. 23:16-19 en Matt. 11:25).

Maar evengoed staan straks wel dominees voor gemeenten met dit verderfelijke vrijzinnige gedachten- goed als van Prof. C. den Heyer en andere moderne theologen.

Verzonnen redeneringen

De werkelijke lichamelijke opstan­ding van Jezus wordt al vele jaren geloochend. De Hervormde synode steunde ook prof. van Gennip die met deze lasterlijke ideeën kwam. De al-verzoeningsleer vindt in vele kringen en stromingen steeds meer ingang. Soms nog verpakt in schoon klinkende woorden. De apostel spreekt van “verzonnen redenerin­gen” (2 Petr. 02:03). Hij bedoelt daar­mee dat er geen enkele Bijbelse grond voor is.

Openlijk wordt gezegd dat we moe­ten stoppen met te verkondigen dat er maar één weg en één waarheid is, want iedere religie heeft z’n geheel eigen weg en waarheid tot God. Dit zijn ‘drogredenen’, inhoudsloze leringen. Overduidelijk onderwijst ons Gods Woord dat de Heer Jezus de enige weg is tot God en dat Hij de enige waarheid is: “En de behoude­nis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waar­door wij moeten behouden worden (Hand. 04:12).

Het schijnt dat de moderne theologie er alles aan doet om het geloof in een almachtige goede God, de Schepper van hemel en aarde en Zijn grote verlossingswerk in Zijn Zoon Jezus Christus, af te breken. Opvallend hierbij is dat vooral Jezus Christus, het wonder en de genade geen plaats meer mag hebben. Over God mag weer gepraat worden, dat is zelfs in, maar over Jezus als de Zoon van God, als de weg, de waar­heid en het leven moet gezwegen worden. Dat maakt het geloven te eng!

Ik las in een artikel over het nieuwetijdsdenken (New Age) en de nieuwe wereldorde: ‘Eens zal de dag komen dat alle godsdiensten beschouwd worden als uit één grote geestelijke bron voortkomend; men zal zien dat allen tezamen de éne wortel vormen, waaruit onvermijdelijk de universele wereldgodsdienst zal voortkomen.

Dan zal er noch christen noch hei­den zijn, noch Jood, noch niet-Jood’. In de ‘Nieuwe Wereldorde’ van de New Age is geen plaats voor christe­nen die belijden dat er onder de hemel geen andere Naam, namelijk Jezus Christus, is gegeven, door welke wij moeten zalig worden (Hand. 04:12)”.

Dit denken dringt ook de kerken bin­nen en doet zijn vernietigende werk.

Schokkende ontwikkelingen

Ik kan me voorstellen dat vele gelovi­gen vertwijfeld uitroepen: wat is er toch aan de hand en wat is er nog waar?

Ik geloof dat we in het geestelijke, en daardoor ook het morele verval, dui­delijk de tekenen van de eindtijd zien. Het is een wereldwijde ontwik­keling, waarin Nederland zeker niet achterop loopt. En wat er allemaal tot ontwikkeling komt, is zeer schok­kend. Als de profeet Daniël in gezichten ziet wat er zich in de gees­telijke wereld gaat afspelen, en zeker z’n weerslag zal hebben in het natuurlijke, zichtbare, in de tijd van het einde, is hij er kotsmisselijk van. “En ik, Daniël, was uitgeput en was enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte de dienst bij de koning. En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte het” (Dan. 08:27).

Het vergaat Johannes op Patmos evenzo als hij in de geest de geeste­lijke werkelijkheid ziet van de eind­tijd. Hem wordt de grote hoer, het grote Babylon, getoond, zittend op een scharlaken rood beest, dat vol was van godslasterlijke namen. Hij ziet in haar hand een gouden beker, vol gruwelen, en de onreinheden van haar hoererij. Hij weet niet wat hij ziet en hij verbaast zich met grote verbazing. Deze grote man Gods, die de Heer zo liefhad, ziet wat in de eindtijd allemaal tot ontwikkeling komt, en is evenals Daniël verbij­sterd. Hij ziet Babel gehuld in pur­per en scharlaken en rijk versierd met goud, edelgesteente en paarlen, en er is een gouden beker in haar hand. Het ziet er dus allemaal heel goddelijk en geestelijk uit. Maar de gouden beker in haar hand is vol met goddeloze leugens, drogredenen en wereldse onreinheid. En haar fun­dament is niet Christus, maar het beest vol van godslasterlijke namen. Zie hier wat de profeten zagen. Ze droegen het als een geheimenis in zich, maar het had hun zeer sterk aangegrepen en waren er ziek van. Dit alles zien we in deze tijd duide­lijk tot ontwikkeling komen.

Houd vast wat gij hebt

En temidden daarvan leeft en woont en werkt de ware gemeente van Jezus Christus die uit dit Babel getrokken is. Een hele gemene ont­wikkeling is, dat christenen, in wiens leven het ware fundament gelegd is, zoals genoemd in Hebreeën 6 vers 1 en 2 (Heb. 06:01-02), maar ook elders in de Bijbel, bestookt worden met de gedachten dat ze niets bijzonders zijn. In alle kerken, groeperingen, mos­lims, hindoes, enz. zitten lieve men­sen en die horen er net zo goed bij! Zo wordt getracht de heilige roeping en verkiezing te verloochenen. Dit heeft te maken met een bijna gren­zeloze tolerantie die we in de wereld zien en ook in het christendom z’n slachtoffers maakt. De Heer waar­schuwt hiervoor als Hij zegt: “Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme” (Openb. 03:11).

Verder dringt zich op: individualise­ring, opkomen voor jezelf en je eigen rechten. Stille tijd en zich verdiepen in Gods Woord, dat hoeft alleen maar als je daar zin in hebt. Onder jongeren wordt dan ook steeds min­der de Bijbel gelezen. ‘Iets is waar als het bij mij klikt en een goed gevoel geeft’. Zo dreigt ‘geloven’ ver­drongen te worden door voelen en ervaren. Terwijl Gods Woord zegt: ” De rechtvaardige zal uit geloof leven”.

Liefde tot de waarheid

En zo is er nog veel meer te noemen wat de gemeente als een stortvloed dreigt weg te spoelen. Daar is het werk van de duivel dan ook helemaal op gericht.

Bij de profeet Daniël lezen we: “Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te ver­anderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tij­den en een halve tijd” (Dan. 07:25). Maar dat zal hem niet gelukken, mits het volk van God onverkort aan de Bijbelse waarheden blijft vasthou­den en zich niet door drogredenen en leugens laat misleiden. Hebreeën 3 vers 15 en 16 (Heb. 03:15-16) zegt: “Maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spre­ken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden”. Het is belangrijk vervuld te raken met een grote liefde voor de waar­heid. Dat is op de eerste plaats de Bijbel te zien als het Woord van God en dat te lezen door de Heilige Geest verlicht. Maar ook het gesproken Woord in prediking en studies. Paulus schrijft dat je door de liefde tot de waarheid te aanvaarden in de eindtijd behouden kunt worden (2 Thess. 02:10). Graafje als het ware in, in het Woord van God, zodat je, in de kracht van de Heer, stand kunt houden tegen de verleidingen en de leugens van de duivel. Dan zal het aan het zwaard des Geestes nooit ontbreken.

De onberispelijke gemeente komt er De Heer geeft vele waarschuwingen voor de tijd, waarin we nu leven (lees bijv. Markus 13, Lucas 21 en Matteüs 24), maar er zijn ook zeer vele bemoedi­gingen en beloften die een stevige helm des heils en een schild des geloofs vormen. De wapenrusting Gods mag niet een stelletje losse regels zijn, maar moet met het leven van een gelovige verweven zijn. De Heer heeft Zich voor de gemeente overgegeven om haar te heiligen en te reinigen door het waterbad van het Woord. En Hij zal zo zelf de gemeente voor Zich plaatsen, stra­lend zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbe­smet (Ef. 05:26-27). Dat staat dus onwrikbaar vast. Laat het Woord Gods dus nooit roven of krachteloos maken door drogredenen. Het Woord is de waarheid en het enige dat vrijmaakt en schoonwast. Een gemeente, heilig en onberispe­lijk naar geest, ziel en lichaam, zal er komen, want Hij die geroepen heeft is getrouw, Hij zal het ook doen. Zorg dat je erbij bent!

 

Nieuw leven door Froukje Huis

Vanmorgen vroeg waren de vogels al druk in de weer. Kwetteren, tjilpen en fluiten dat het een lieve lust was. Als ik uit het raam kijk, zie ik hier en daar een groen waas over de bomen hangen en er bloeien al een paar krokussen. Zelfs de narcissen proberen zich uit te rekken om te tonen hoeveel ze gegroeid zijn! De lente is in aantocht. Overal breekt zich het nieuwe leven baan en de mensen maken zich op om Pasen te vieren.

De neringdoenden putten zich uit om al hun heerlijkheden aantrekke­lijk uit te stallen: paashazen in alle soorten en maten, broedende kip­pen, die elk jaar grotere en mooiere eieren leggen en ook de paastaart mag niet ontbreken. Want wat is Pasen zonder eieren en paashazen? Eieren als beeld van nieuw leven, dat is nog te begrijpen, maar waarom hazen? Daar wou ik nu eindelijk eens het mijne van weten. Naarstig speurde ik enkele encyclopedieën na en tenslotte vond ik er iets over. De haas was een totemdier bij de Indianen. Verder is hij bekend als mythisch, magisch, demonisch en orakeldier. En bij Pasen als eierleggende paashaas! Pasen zonder eieren en hazen mag dan in veler oog niets zijn. Pasen met alleen eieren en paashazen wordt wat mij betreft een duister feest.

Ook voor ons is Pasen een beeld van Nieuw Leven, maar dan met hoofd­letters!

Wij gedenken hoe onze Heiland Jezus Christus voor ons is gestorven aan het kruis en na drie dagen is opgestaan uit de dood! Zijn overwin­ning over Satan en dood was volko­men en daarom kunnen we ons met Pasen van harte verblijden in Zijn opstanding.

Want door het geloof in Jezus Christus is ons oude leven zónder God met Hem aan het kruis gena­geld, en zijn wij opgestaan tot een nieuw leven mét God en mét Jezus Christus.

Jezus verscheen na Zijn opstanding met een verheerlijkt lichaam aan Zijn discipelen. Als wij in dat nieuwe leven tot volwassenheid zijn geko­men zullen wij met Hem in een ver­heerlijkt lichaam verschijnen; dan is onze opstanding voltooid. Daarom vieren wij met grote blijd­schap Pasen: het feest van de over­winning op de dood, het feest van de opstanding van onze Heiland en het feest van ónze opstanding uit de dood!