1996.06 nr. 382

1996.06 Levend geloof nr.382

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

We leven in de eindtijd. Ik merk nog al eens dat sommigen moeite hebben met het woord ‘eindtijd’. Het komt bij hen nogal negatief over omdat het teveel associatie oproept met het begrip ‘einde’, waarbij men denkt aan een aflopende zaak. Nu vormt de ‘eindtijd’ inderdaad een periode die afloopt. Dat geldt echter alleen voor het rijk der duisternis met zijn negatieve invloed, maar niet voor de waarachtige gemeente van Jezus Christus! De eindtijd is voor de gemeente een tijd van over­gang. Jezus heeft Satan reeds overwonnen, nu is de gemeente aan de beurt om Satan ook te overwin­nen! Satans eindafgang, zoals onder andere in het laatste bijbelboek beschreven, moet nog plaatsvin­den, maar zijn eindaftakeling is al in volle gang. Nu maakt een kat in het nauw soms rare sprongen, en we weten hoe deze ‘laatste tijd’, die in feite al op de Pinksterdag is begonnen, geen gemakkelijke tijd is voor allen die de levende Heer oprecht willen die­nen. Maar we gaan er beslist niet onderdoor! Wanneer de apostel Paulus schrijft aan Timoteüs dat de laatste tijden zwaar zullen zijn, waarbij hij een groot aantal negatieve eigenschappen opnoemt, waarmee de mensen, onder invloed van de vorst der duisternis behept zullen zijn, heeft hij het ook over de taak van de waarachtige gelovigen. Zij zullen funktioneren als lichtende sterren temidden van een ontaard en verkeerd geslacht. En altijd weer mogen we ons realiseren dat wij ook de mogelijkheden ont­vangen om dit waar te kunnen maken. De Heer vraagt van ons niet iets wat we niet kunnen realise­ren. Daarom gaan we ook wat Levend Geloof betreft, met grote blijdschap verder de vele facetten van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen te belichten. We gaan het meer en meer ontdekken en beleven dat deze ‘laatste tijd’ geen tijd van neergang en nederlaag is, maar van opgang en overwinning.

 

De openbaring van hemelse heerlijkheid door C.J.R. Doornink

De Bijbel is heel duidelijk als het gaat om onze nieuwe status in Christus. We zijn deelgenoten geworden van alles wat God de mens oorspronkelijk had toege­dacht, maar wat verdonkeremaand werd door de duivel. Het goede, welgevallige en volkomene, waar Paulus van spreekt in Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02), als zijnde de wil van God, komt als hoofdeigenschap van het nieuwe leven, in de mens die van het rijk der duisternis overgeplaatst wordt in het Koninkrijk van Jezus Christus.

Welk een wonder dat te beseffen! En wat een blijdschap en dankbaar­heid heeft dat teweeg gebracht. Eigenlijk zouden we de Heer daar­voor veel meer moeten loven, prij­zen en danken. Onze God is een goede God en blijft dat tot in eeuwigheid!

Waarom geloven nodig is

Dit besef, deze bewustwording van het deelgenoot geworden zijn van Gods heerlijkheid (want zo kunnen dat het beste omschrijven) mag niet aan de kant geschoven worden door de vorst der duisternis, die ook nadat de mens een nieuwe schepping in Christus is, niet stilzit. Hij is voort­durend, zowel openlijk als bedekt, bezig met zijn pogingen tot infil­tratie.

Daarom wordt van ons ook een leven van geloof verwacht. Geen wonder dat de Hebreeënbrief stelt dat het zonder geloof zelfs onmo­gelijk is, God welgevallig te zijn Hebreeën 11 vers 6a (Heb. 11:06a).

Wie geen geloofsleven kent, schakelt als het ware de verbinding met God uit en geeft de vijand gelegenheid binnen te dringen. Geloven is vertrouwen, en behoort de vaste basis van ons denken, spreken en handelen te zijn. En dan bedoelen we natuurlijk het échte geloof, gericht op God en Jezus Christus, vasthoudend aan Gods beloften en funktionerend door de Geest van God die in ons is.

Dit geloofsleven mag niet verschra­len, vandaar dat wij het behoren te voeden door het lezen en bestuderen van de Bijbel, door gebed, kortom door bezig te zijn met de dingen van Gods Koninkrijk.

Natuurlijk staan we als mensen van vlees en bloed nog midden in de wereld, maar onze geestelijke status is in de hemelse gewesten. Daar is ons werkelijk domicilie, daar horen we thuis. Terwijl ons lichaam, zoals we dat thans nog hebben, een lijde­lijke aangelegenheid is, is ons ‘gees­telijk lichaam’ al verankerd in de hemel en blijft bestaan tot in alle eeuwigheid. “Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven” – Johannes 3 vers 36 (Joh. 03:36).

Geen twee levens

Deze nieuwe plaats in de geestelijke wereld is weliswaar een innerlijke aangelegenheid, maar dat betekent niet dat het verborgen blijft op het aardse, natuurlijke vlak! Ten on­rechte wordt dat nog wel eens gedacht. Dat zou dan betekenen dat een christen twee levens zou hebben, en de duivel lacht in zijn vuistje.

 

Want juist op het natuurlijke vlak behoort het nieuwe leven wat in ons is, ook meer en meer tot openbaring te komen.

Want d&ar vinden we de positieve uitwerking van ons geestelijk bezig zijn.

Daar komt tot openbaring dat, zoals Jezus dat formuleert, wij het zout der aarde en het licht der wereld zijn. En daar brengen wij anderen tot jaloersheid, zodat ook zij het ver­langen krijgen de duisternis te ver­laten en het Koninkrijk van het licht binnen te gaan.

Geen verborgen aangelegenheid

Waarachtig christen zijn is dus geen verborgen aangelegenheid. We zijn niet geroepen om geestelijke binnen­vetters te zijn, maar levende getui­gen, werkelijke vertegenwoordigers van Gods Koninkrijk.

Dat houdt ook voor het gewone alledaagse leven konsekwenties in. Jezus is ook in dit opzicht ons grote voorbeeld. Hij stond midden in het gewone leven en had kontakt met mensen uit allerlei milieus. Omdat Hij, in opdracht van de Vader, het evangelie van Gods Koninkrijk verkondigde, werd dit bevestigd door tekenen en wonderen.

Maar velen volgden Hem alleen maar om de tekenen en wonderen die Hij deed, en waren niet bereid de prijs te betalen die het werkelijk volgen van Hem inhield. We lezen dan ook hoe velen van de schare, (de Farizeeën en Schriftgeleerden voor­op), waarmee Hij vrijwel voort­durend omringd was, Hem weer de rug toekeerden. Zij zagen Jezus uitsluitend als de wonderdoener, interressant en spektakulair, maar stonden afwijzend tegenover de werkelijke verandering die Jezus van hen vroeg, namelijk om het rijk der duisternis te gaan verlaten en het Koninkrijk van het licht binnen te gaan. En vooral toen Jezus ook nog omging met tollenaars en zondaars was helemaal het hek van de dam.

Vandaag is het niet anders! Maar als waarachtige gelovigen laten wij ons daardoor niet van de wijs brengen. Wij weten dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten. Alleen van daaruit kunnen we gees­telijk strijden en overwinnen. En wij zien de medemens, die nog buiten Gods Koninkrijk leeft, ook niet als een vijand, maar als schepsel Gods, die nog in de macht van de vijand is. Daarvoor zetten wij ons met liefde en bewogenheid in. Want zoals de hemelse heerlijkheid in ons is, wil­len wij zo graag dat ook anderen er deelgenoot van zullen worden!

Beeldragers van Gods heerlijkheid

Aan de gemeente te Korinthe schrijft Paulus dat het geestelijke niet eerst komt, maar het natuurlijke en daarna het geestelijke 1 Korinthe 15 vers 46 (1 Kor. 15:46). Dan vervolgt hij: “De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. En gelijk wij het beeld van de stof­felijke gedragen hebben, zullen wij het beeld van de hemelse dragen “.

Duidelijk is dat we pas na onze wedergeboorte hier oog voor krijgen. Dan is het nieuwe leven van Christus in ons, een leven vol van hemelse heerlijkheid. Maar… zolang we nog met een vergankelijk lichaam van vlees en bloed te maken hebben, is de funktionering van Gods heerlijkheid dus ook via dat lichaam met al zijn beperkingen.

Dit houdt natuurlijk niet in dat we terugvallen in onze oude manier van denken. ‘Denken’ hoort niet bij ons lichaam, maar bij onze geest. Daarom wekt Paulus ook op her­vormd (omgevormd) te worden door de vernieuwing van ons denken. Want alleen dan gaan we meer en meer de goedheid van God ont­dekken en beleven Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Het oude leven is voorbij, dat heb­ben we begraven in het watergraf, nu gaat het om het nieuwe leven. Dat is de basis waarin Gods Geest de heerlijkheid Gods tot ontwik­keling brengt.

Van heerlijkheid tot heerlijkheid

De mens vormt een eenheid van ziel, geest en lichaam. Dat betekent dat Gods heerlijkheid reflecteert in en door ons hele bestaan. Het raakt er als het ware hoe langer hoe meer mee verweven. Daardoor weerspie­gelen wij Zijn heerlijkheid en veran­deren wij van heerlijkheid tot heer­lijkheid.

Weer denken we hierbij aan ons grote voorbeeld: Jezus Christus. Hij weerspiegelde in elk opzicht Gods heerlijkheid. Zoals trouwens ook duidelijk wordt verwoord in de He­breeënbrief met de opmerking dat Hij “de afstraling van Gods heer­lijkheid en de afdruk van Gods wezen is” Hebreeën 1 vers 3a (Heb. 01:03a). En zoals Hij naast en niet boven de mensen stond, behoren ook wij naast de mensen te staan.

Juist in de gewone, alledaagse din­gen behoort het ‘nieuwe schepping’ zijn geopenbaard te worden. Soms kan daarom het geven van een bosje

bloemen of een warme handdruk van meer betekenis zijn dan het uit­spreken van een bijbeltekst. Jezus zegt dat als je iemand die dat nodig heeft een beker koud water aanreikt dit al grote waarde heeft! Simpeler kan het niet, maar het voorbeeld is duidelijk. Al ‘het goede’ wat wij mogen doen in de naam van Jezus heeft grote geestelijke waarde Matteüs 25 vers 40 (Matt. 25:40). Het hoort ook ten volle bij de openbaring van Gods heerlijkheid.

Overvloedig in gerechtigheid

Nu zijn er gelovigen die zeggen: ‘Ja maar in de wereld vindt je toch ook nog veel naastenliefde. Hoeveel vrijwilligerswerk wordt er niet ge­daan door mensen die helemaal niet gelovig zijn’. Alsof dat een excuus is om te denken dat wij daaraan voorbij kunnen gaan omdat het niet zo belangrijk zou zijn. Dan hebben we ons ‘geestelijk bezig zijn’ los­gemaakt van ons aardse bestaan. Wat een misvatting! Weet u wat Jezus zegt?: “Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan” Matteüs 5 vers 20 (Matt. 05:20).

Oprecht geestelijk leven, de heerlijk­heid des Heren weerspiegelen, door­trekt iedere vezel van ons bestaan. Het blijft niet verborgen, maar als zonen Gods gaan we het meer en meer tot openbaring brengen. Dat kan door niets of niemand worden tegengehouden. Ook al zal de duivel alle registers opentrekken om het te verhinderen, hij zal uiteindelijk de totale nederlaag ondergaan.

‘De openbaring van hemelse heer­lijkheid’, behoort voor ons het ver­langen te zijn dat ons leven beheerst. Het is niet voldoende dat de mensen weten dat we christenen zijn en dat we naar een bepaalde samenkomst of gemeente gaan. We leven in een tijd dat alle maskers afvallen. Al wat surrogaat, wat niet echt is zal geen stand kunnen houden.

Maar wat wèl standhoudt zijn de waarachtige gelovigen die het verlangen in zich hebben, door woord en daad (ook in het gewone dagelijkse leven dus) als nieuwe schepping openbaar te worden.

En al worden we dan niet door iedereen begrepen, en misschien soms wel met de nek aangekeken of bespot en gediscrimineerd, we blijven standvastig, want Hij die in ons is, is meerder dan die in de wereld is!

En weet u wat zo heerlijk is? We hoeven het niet alleen te doen! Hij die ons geroepen heeft, staat volledig aan onze kant. Hij wil ons dagelijks vullen met Zijn Geest. Hij geeft ons nieuwe kracht, nieuwe moed, nieuwe overwinning! Als wij afgestemd blijven op Hem gaat het nieuwe leven er volledig uitkomen en openbaren wij iedere dag op­nieuw hemelse heerlijkheid!

 

 

Gedachten (gedicht) door Piet Snaphaan

Zij komen vaak zo onverwachts,

zo plotseling op je aan.

Zij zijn als wolken aan de lucht,

die komen en die gaan.

 

De vraag is nu, wat doen we ermee,

stellen zij ons gerust?

Of is er twijfel in ons hart,

zijn wij ons dat bewust?

 

Zij kunnen soms verwarrend zijn,

of negatief geladen.

Zij brengen dan veel narigheid,

en doen dan ook veel schade.

 

Wij moeten leren wederstaan,

zulke gedachten laat je gaan.

Wij stellen ons dan op alom,

zij zijn uit de verkeerde bron.

 

Waar het om gaat, beseft dat wel,

dat zijn gedachten van herstel.

Gedachten ook van eeuwig leven,

die wil de Heer ons altijd geven.

 

Gedachten die ons doen herleven,

daar moeten wij dus steeds naar streven.

Wij willen denken zo als ’t moet,

want Gods gedachten, die zijn goed.

Piet Snaphaan

 

 

De macht van het woord. De hemelen (23) door Cees Maliepaard

“Neem het zwaard des Geestes aan, dat is het woord van God” Efeze 6 vers 17 (Ef. 06:17).

Woorden kunnen veel doen; met woorden kun je iemand maken of breken. ‘Schelden doet geen zeer’, zeiden we in onze lagere-school- jaren. Zo kan men zich nu nog steeds boven verbale negatieve benaderingen verheven achten, maar als gemene roddels bij an­deren ingang vinden, kan dat toch wel als heel pijnlijk overkomen. Wanneer lasterlijke aantijgingen gehoor krijgen, ziet men je im­mers anders dan je bent. En als je de veroordelende blikken niet meer ontlopen kunt, kan datje een groot stuk van je levensvreugde ontne­men. Dikwijls is dat nog erger dan wanneer krenkende woorden recht­streeks op je afgevuurd worden.

Het zwaard van de Geest

Het woord van God wordt in dit verband als het zwaard van de Geest aangeduid. Dat zwaard zullen we ter hand nemen als een ons van Gods­wege verschaft geestelijk wapen. In lang vervlogen tijden streden ridders veelal met het zwaard. Een zwaard was een prima aanvalswapen waar­mee je doeltreffend op de vijand in kon hakken, maar evengoed was het een geschikt verdedigingswapen om de slagen van je tegenstander met succes te pareren.

Gingen de ridders van weleer elkaar met aardse wapens te lijf, wij ge­bruiken het zwaard van de Geest uitsluitend in onze strijd in de hemel. De woorden van onze God zijn ons te kostelijk om ze onze broeder of zuster die het met ons oneens is, naar het hoofd te gooien. Waar dat wel gebeurt, is men bezig met een aardse strijd die het niveau van de kruistochten amper te boven komt. Elkaar met bijbelteksten bestrijden heeft nu eenmaal niets uit te staan met het hanteren van het zwaard des Geestes. In m’n jonge jaren zei iemand eens tegen me: ‘In het verleden is het wel gebeurd dat we elkaar bij onenig­heden de inktpotten naar het hoofd gooiden, tegenwoordig doen we dat met bijbelteksten; ik weet niet of dat wel een verbetering is!’ En de vol­maakte wet van de liefde is bij zoiets al helemaal ver te zoeken. Het gelijk datje hebt (of dénkt te hebben!) maakt dat allerminst goed.

Het woord van God is te allen tijde in volmaakte harmonie met Zijn plan. Wanneer we het zwaard van de Geest ter hand nemen, zullen we dus overeenkomstig Gods gedach­ten over de mens bezig zijn. Onze strijd is daarbij niet tegen mensen, niet “tegen bloed en vlees” Efeze 6 vers 12 (Ef. 06:12), maar “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereld­beheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewes­ten”. En dat is een waarheid die je door verdere innerlijke groei, van lieverlede leert ‘pakken’.

In de verdediging

“Onderwerpt u dus aan God, maar biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden”, lezen we in Jakobus 4 vers 7 (Jak. 04:07). Hoe kunnen we effectief weerstand bieden als Satan ons aanvalt? Hoe deed Jezus dat? Hoe gebruikte Hij in daarvoor in aanmerking komende gevallen het zwaard des Geestes, het woord van God?

In Matthéüs 4 wordt beschreven hoe Jezus zich niet door Satans willekeurige gebruik van losse bijbelteksten van de wijs liet brengen. Hij ging geen nutteloze woordenstrijd met de meester- verzoeker aan, Hij stapte niet over op de discussievorm in het pareren van Satans vals-glimmende zwaard. Zijn tegenstander gebruikte wel bijbelteksten, maar die waren in diens mond de woorden van God niet meer.

Precies zo is het immers als in onze dagen iemand Johannes 19, 20 of 21 citeert, waar gesproken wordt van Jezus’ liefde tot een bepaalde discipel, en daarmee suggereren wil dat onze enkel-goede Meester homofiele neigingen zou hebben gehad. Vandaar dat Hij ook nimmer getrouwd is, voegt men er nog wel aan toe. De drie teksten uit het evangelie van Johannes maken ongetwijfeld deel uit van de woor­den Gods, maar in de mond van mensen die zich door de boze laten inspireren, zijn ze ingepast in een gedegenereerd denken, dat aan de gedachten van de Vader ten enen­male wezensvreemd is.

Jezus pareerde Satans aanvallen door het zuivere woord van God daar tegenover te stellen. Zonder in te gaan op de misleidende ideeën van de verleider, pareerde Hij diens onbehouwen slagen met meester­lijke precisie vanuit Gods denken. Daar kunnen we heel wat van leren! Zo zei iemand eens spottend tegen me: ‘Jij gelooft toch zeker ook dat het vlees beter is dan de benen?’ Ik heb toen alleen maar gezegd: ‘Nee, dat geloof ik nu juist niet – dat weet ik zeker! Geloven doe ik wat ik niet aan kan wijzen, maar wat ik diep van binnen wél zeker weet’.

Als Satan ons denken probeert aan te tasten door middel van slagen met z’n hopeloos kromme klewang, om ons daarmee tot minderwaardige, aan hem onderworpen schepselen te degraderen, dan zullen we niet eens proberen zijn gedachtengang te ont­zenuwen. In navolging van Jezus Christus, pareren we hem met het zwaard des Geestes uit 1 Korinthe 15 vers 49 (1 Kor. 15:49): “Zoals wij het beeld van de stoffelijke (Adam) gedragen heb­ben, zo zullen we het beeld van de hemelse (Christus Jezus) dragen”.

Nooit aanvallen?

Het is een alleszins juist uitgangs­punt, de duivel niet in z’n hol op te zoeken – ook niet met het zwaard des Geestes in de hand. Doe je dat toch, is het immers een nodeloos vragen om moeilijkheden! We hebben nimmer iets in het donkere hol van de briesende leeuw te zoe­ken, want je vindt er slechts geweld, waardeloos gebrul en diepe duister­nis.

Iets totaal anders is het, wanneer je hetzelfde briesende roofdier op bezet gebied te lijf gaat. In de sec­toren van je leven die Satan zich (misschien al sinds jaar en dag) wederrechtelijk toegeëigend heeft, is het zaak hem met het zwaard des Geestes je geestelijke huis uit te jagen. Daar heb je je geestelijke wapenrusting toch zeker voor gekregen! Onder de liefdevolle supervisie van de Zoon des mensen, zijn we weer helemaal baas in eigen huis geworden.

Satan zet af en toe nog wel eens een grote mond op… de ruiten van je geestelijke huis rinkelen er soms gewoon van! Maar laatje alsjeblieft niet door hem intimideren, want op de keper beschouwd stelt het niet echt veel voor. Hij wekt wel die indruk, dusdanig dat je denken zou met een zich soepel voortbewegend roofdier te maken te hebben, maar sinds Golgotha en Pasen vertoont hij eerder een treffende gelijkenis met de bekende geslagen hond. Als je het woord van de Heer met gezag gebruikt, deinst hij gegarandeerd terug. Want daar kan hij niet tegen­op. Jezus is overwinnaar en hij werkt die overwinning samen met ons in onze levens uit.

Natuurlijk spring je ook in de bres voor je man, vrouw of kind, dat door Satan belaagd wordt. Want ze horen immers bij jou! Net zo sta je voor je broeder of zuster die wankelt onder de slagen van de roofridder uit het rijk der duisternis.

Aangenomen tenminste dat het slachtoffer zich met jou in zijn of haar hemel wilt leren opstellen. En daarbij mag best wel enig geduld met de aangevallene van de strijder Gods verwacht worden. Soms heel veel geduld zelfs!

Het voorbeeld van Jezus

In Matteüs 8 vers 16 (Matt. 08:16) staat er (na de genezing van Petrus’ schoonmoe­der): “Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen”. Hij dreef de geesten die het kwaad bewerkt hadden uit, waardoor de mensen zich op konden richten en het herstel z’n intrede deed.

Dat was ongetwijfeld herstel naar het innerlijk, maar evengoed naar het lichaam. Er wordt bij vermeld dat dit gebeurde omdat Jezus onze zwakheden op zich zou nemen en onze ziekten zou dragen.

Het voorbeeld dat Jezus hier stelt, behelst niet het op je nemen van de zwakheden van een ander, noch het dragen van andermans ziekten. Dat behoeft ook niet, want dat heeft Jezus al voor eens en al gedaan voor de gehele aangetaste mensheid.

Het voorbeeld zit ‘m in de manier waarop Jezus de boze de pas af­sneed. “Hij dreef de geesten uit met Zijn woord”, staat er. Niet met Gods woord dus, maar met Zijn woord. En dat werkte, omdat Jezus zozeer op de Vader gericht en van Diens denken doortrokken was, dat Zijn woord identiek aan dat van de Vader was.

Overigens mag het duidelijk zijn dat het woord van God veel meer is dan een deel van onze geestelijke wapen­rusting. En bovendien zijn de woor­den Gods niet opgehouden bij de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes, de discipel die Hij (nóg meer dan de anderen) liefhad. Wij mogen dagelijks communiceren met Jezus en met de Vader. Daarvoor is ons een wandel in de hemel gegeven.

 

Sion, de plaats van verlosten door Tea Keuper Dijk

“Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige ver­gadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen…” Hebreeën 12 vers 22 en 23 (Heb. 12:22-23).

Dit gedeelte uit de Hebreeënbrief begint met “. Maar…” In tegenstel­ling met het gebeuren op de berg Sinaï in het Oude Verbond, waar ‘vreze en beven’ was, zelfs bij Mozes, zijn de verlosten, de wedergeboren kinderen van God, genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God! Kunnen wij zomaar naderen? Nee! Hieraan is iets voorafgegaan! En dat ‘iets’ is is de keuze, die we bewust hebben gemaakt. Zoals een kinderliedje zegt: ‘Ik kies voor Jezus!’

Door deze keuze worden we ver­anderde mensen. Door het vuur gaande mensen. En door dit vuur smelt alles weg wat niet meer bij ons past.

De wetten worden door de Heer zelf in ons hart geschreven. En we ontdekken dat die wetten niet zwaar zijn, maar goed! Jezus’ last is licht en Zijn juk is zacht. Hij voert ons ‘zachtkens’, geduldig, langs grazige weiden en stille wateren. In een wereld vol geweld en zelf­zucht komt er heel wat op je af, wat indruist tegen ons nieuw geworden leven.

Hoe stellen wij ons dan op? Jezus is ons voorbeeld. Hij werd niet verbitterd of teleurgesteld, maar ging gewoon door om ‘zoutend zout’ en ‘lichtend licht’ te zijn. Hij zocht bij Vader God Zijn steun en heil, en putte kracht uit die Bron van Leven.

Terwijl ik dit schrijf, komt die diepe blijdschap in me boven!

Heer Jezus: U bent mijn Verlosser en Herder en ook mijn Broeder en Leidsman door de Heilige Geest!

Wat een voorrecht heeft een kind van God!

Zo mogen we vrijmoedig de berg Sion beklimmen. Het is goed, dit met elkaar te delen en elke dag te beginnen met Hem te verwel­komen: ‘Goede morgen Vader, goede morgen Jezus, leid mij ook vandaag door Uw Geest!’

Goede morgen, Heer, ik geef U eer! U leidt mij op Uw wegen van goedheid, heil en zegen. Ik ben Uw kind, door vuur en wind; in vreugde en in lijden wil ik m’in U verblijden!

 

Kiezen voor het goede deel door Roel Schipper

“Want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van haar niet zal worden weggenomen” Lucas 10 vers 42b (Luc. 10:42b).

Wie kent niet het verhaal in de Bijbel over Maria, Martha en Lazarus? Zij woonden in Bethanië, een dorpje dicht bij Jeruzalem. De materiële omstandigheden waarin dit gezin verkeerde, waren zodanig dat je kon spreken van een zekere welstand. Dit blijkt onder andere uit de mededeling dat Martha een eigen huis had, dat Maria zalfde met een kostbare nardusmirre en dat ze een in de rotsen uitgehouwen graf bezaten.

Bovendien hadden ze veel vrienden onder de Joden uit de kringen van oversten en priesters Johannes 11 vers 19 (Joh. 11:19). Als de Heer bij hen te gast was, was geen moeite hun teveel om Hem van alle goeds te voorzien. Ze dien­den de Heer met wat ze bezaten vergelijk Lucas 8 vers 3 (Luc. 08:03). Jezus waardeerde deze hartelijkheid, want Johannes 11 vers 5 (Joh. 11:05) zegt dat Jezus Martha, Maria en Lazarus liefhad.

Aan de voeten van Jezus

Eens als de Heer in Jeruzalem is, brengt Hij de nacht bij hen in Be­thanië door, wellicht vergezeld door zijn 12 discipelen. Het is dan ook geen wonder dat Maria geheel in beslag genomen wordt ‘door het vele bedienen’. Zij raakt geïrriteerd als ze ziet dat Maria voortdurend ‘aan de voeten van Jezus zit’, een uitdrukking die voor leerlingen gebruikt werd vergelijk Handelingen 22 vers 3 (Hand. 22:03). Ze laat zich dus ongestoord door Jezus onderwijzen. Hij heeft ongetwijfeld veel te vertellen over de gebeurtenissen die plaats hadden gevonden op het vernieuwingsfeest te Jerzualem. (Dit feest werd ge­vierd in december, want het was winter Johannes 10 vers 22 (Joh. 10:22). Vier maanden later zou Jezus gekruisigd worden).

Hij had daar gesprekken gevoerd met de geestelijke leiders, met als gevolg dat de woedende Joden stenen hadden aangedragen om Hem ermee te doden.

Na alle tegenwerpingen en bedrei­gingen, was het dan ook een ver­ademing voor de Heer om met Maria maaltijd te houden. Had Hij niet gezegd: “Mijn spijze is, de wil te doen van Hem, die Mij gezonden heeft, en Zijn wil te volbrengen”? In dit verband is de reaktie van Jezus te begrijpen: “Want Maria heeft het goede deel uitgekozen”. Letterlijk staat er voor ‘deel’: gerecht, portie. Hetzelfde woord komt onder andere voor in de Septuagint Genesis 43 vers 34 (Gen. 43:34): “En het deel (gerecht) van Benjamin was vijf maal zo groot als het deel van ieder hunner”.

Tweeërlei dienen

Opmerkelijk is dus het antwoord van de Heiland aan Martha. Haar bezorgdheid om smakelijke spijzen te bereiden doet haar het ware ge­recht missen. Ze maakt zich druk om veel dingen. Letterlijk staat er: ze werd van de ene naar de andere kant getrokken (!) Ze meent het echter zo goed en doet het allemaal uit liefde voor haar Heer.

Toch wordt ze niet door Jezus geprezen, maar berispt. De Heer zou met een eenvoudig maal tevreden zijn geweest, als zij haar aandacht in de eerste plaats op Hem

gericht had en zich had laten bedie­nen. Daarom is de volgorde op­vallend in de woorden die de ver­heerlijkte Heiland spreekt tot degene die gehoor geeft aan Zijn roepstem: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij” Openbaring 3 vers 20 (Openb. 03:20).

De Heer verlangt in de eerste plaats maaltijd met ons te houden. Maria had dit begrepen. Of anders gezegd: de Vader had het haar geopenbaard. Duidelijk wordt vermeld dat zij een keuze had gemaakt. Ze had het goede deel gekozen. Daarom wordt zij door de Heer geprezen. Zij had alles ondergeschikt gemaakt aan datgene wat de Heer haar te zeggen had. Dat zou z’n uitwerking in haar leven zeker niet missen, want dit goede deel zou haar niet meer worden ontnomen (door de boze) – zelfs niet door de dood. Wat een heerlijke toezegging!

Onze les geleerd

Voor ons persoonlijk, maar ook voor de gemeente waartoe wij behoren, zit er in deze geschiedenis een belangrijke les. Dikwijls hebben we de Heer veel te zeggen of te vragen. Onze plannen brengen we onder zijn aandacht. We willen zo graag dat Hij z’n zegen erover uit­spreekt. We zijn bereid voor Hem te hollen en te draven, omdat we den­ken dat Hij dit van ons verwacht en het daarom fijn vindt als we veel voor Hem doen. De Heiland deed immers zoveel voor ons, nu be­taamt het ons wat voor Hem te doen.

Veel gelovigen vergeten echter het belangrijkste, namelijk het goede deel te kiezen. De Heer nodigt ons uit, eerst aan Zijn tafel te komen aanzitten om maaltijd met Hem te houden. Hij zegt: “Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijn­stok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader”. Het accent ligt ook hier op wat de Heer met ons wil delen: Hij wil Zich graag aan ons openbaren Johannes 14 vers 21 (Joh. 14:21). Al het andere, ook elke aktiviteit die de Heer van ons verlangt, is een gevolg van een intieme ge­meenschap met Hem en komt daar­door op de tweede plaats.

Voordat we als volwassen zonen te­voorschijn komen, zullen we dage lijks onze keuzes moeten doen, waarbij Maria ons ten voorbeeld is.

Zoals het deel van Benjamin (de ware broer van Jozef) vijfmaal zo groot was als dat van zijn (half­broers en hij overvloedige spijze had in een tijd van hongersnood, zo zullen wij die de Heer met ons hele hart zoeken, in onze bedeling op overvloedige wijze door Hem, die het levende brood is, verzadigd worden.

Wees echter waakzaam en laat dit goede deel je niet ontnemen. Want er staat niet voor niets: “Zalig die slaven die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen. Voorwaar, Ik zeg u, hij zal zich omgorden en hen aan tafel nodigen, en bij hen komen om hen te bedienen” Lucas 12 vers 37 (Luc. 12:37).

 

 

Verandering van formaat door Gert Jan Doornink

Zoals wij in ons vorige nummer al hebben geschreven gaat Levend Geloof vanaf het juli/augustusnummer over van het huidige A5 formaat naar het veel grotere A4 formaat. Het blad wordt dan een tweemaandelijkse uitgave, maar doordat het aantal pagina’s gehandhaafd blijft op minimaal 32, betekent dit beslist geen achter­uitgang. Integendeel, wij geloven dat het blad daardoor veelzijdiger gaat worden, meer impact zal hebben en daardoor meer lezers en lezeressen zal aanspreken. En daar gaat het uiteindelijk om. Meer­malen hebben wij in het verleden geschreven dat Levend Geloof geen doel is, maar middel, één van de vele middelen die de Heer wil gebruiken om Zijn Koninkrijk te openbaren. Nu komt een ‘middel’ het best tot zijn recht als het zo goed mogelijk gepresenteerd wordt. Binnen het kader vart onze mogelijkheden hebben wij daarom deze beslissing tot verandering, wat de verschijningsvorm betreft, met volle overtuiging genomen.

 

Reiniging

‘Water dat steeds opnieuw troebel wordt’.

Dit beeld kennen wij.

Maar hoe komt het dat het water niet helder blijft? Misschien is het water besmet, van binnenuit of van buitenaf. Laten we er eens over nadenken. De Bijbel spreekt over reiniging. Zou dat elke dag nodig zijn, of af en toe?

Het is noodzakelijk daar acht op te geven als we onze relatie met Hem willen verdiepen.

Laten we niet wachten tot het weer troebel is geworden, maar erover spreken met onze Heer.

We geloven immers dat Hij onze diepste gevoelens kent en ons volledig wil herstellen?

Laat de natuur ons niet zien dat troebel water onvoldoende vrucht geeft? Wij verlangen ernaar vrucht te dragen.

Om dat te bereiken is een dagelijkse reiniging en heiliging nodig. De Heer zoekt een relatie met ons. Willen wij dat ook?

Wij mogen elkaar daarin aanvuren en leren geduldig te zijn. Opdat Zijn plan kan werken in ons aller hart en zichtbaar wordt. Het levende water stroomt in ons en komt naar buiten, tot verkwikking voor een ieder.

Zelfs een musje reinigt zich van het stof…

 

Liefde tot de waarheid in de eindtijd door Wim te Dorsthorst (4)

De grote afval

In de voorgaande artikelen hebben we gezien hoe moeilijk de eindtijd is voor het volk van God en voor de gehele schepping. De Heer Jezus spreekt over een wereld die te vergelijken is met de dagen van Noach. Dat is een wereld vol van wetteloosheid, verderf en gewel­denarij. Ook spreekt Hij van een verzoeking die over de gehele aar­de komen zal en waarbij het er voor de christenen op aan zal komen staande te blijven in het geloof en toe te zien dat niets en niemand hun de kroon zal roven Openbaring 3 vers 10 (Openb. 03:10).

Het is de tijd voorafgaande aan de komst van de Heer, dat de grote afval zal komen en de mens der wetteloosheid zich zal openbaren (2 Thess. 02:01-03). Die grote afval is, naar ik meen, duidelijk in werking en heeft de wetteloosheid als onher­roepelijk gevolg. Matteüs 24 vers 12 (Matt. 24:12) zegt: “Door het hand over hand toenemen van de zonde zal de lief­de van de meesten verkoelen” (Willibr. vert.).

Binnen niet al te lange tijd zal het evangelie van het Koninkrijk Gods, de enige weg ten leven voor de mens, niet meer gepredikt kunnen worden. De Heer Jezus zegt hier­van: “Wij moeten werken Des­genen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht, waarin niemand werken kan” Johannes 9 vers 4 (Joh. 09:04). Woorden van de Heer die geladen zijn met liefde en zorg voor de mensheid en toch ook een ernstige waarschuwing inhouden.

Die nacht is duidelijk bezig over de schepping te komen, maar zolang het nog mogelijk is heeft iedere christen van de Heer de opdracht, mee te werken aan de verbreiding van het evangelie. Immers: “Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

Bij alles echter wat er geschiedt, is en blijft de grote opzet van het rijk van satan de gemeente, de heiligen des Allerhoogste, te gronde te rich­ten zegt Daniël 7 vers 25 (Dan. 07:25).

Maar er is redding!

Er is behoudenis in deze tijd van het einde, zegt Gods Woord, “door de liefde tot de waarheid te aanvaarden”.

Waarom is het niet voldoende de waarheid te onderschrijven en zo goed mogelijk naar de waarheid te leven? Dat is uiteraard goed en zelfs noodzakelijk, maar ik geloof dat de tijden zó zwaar zullen zijn, dat er een diepere innerlijke drijf­veer zal moeten zijn om te volhar­den tot het einde. De Heer Jezus zegt immers: “Indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch terwille van de uit­verkorenen zullen die dagen wor­den ingekort” Matteüs 24 vers 22 (Matt. 24:22). En ook de psalmdichter heeft hier al van gesproken in Psalm 125 vers 3 (Ps. 125:003): “Want de scepter der goddeloosheid zal niet blijven rusten op het erfdeel der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken naar het onrecht”.

De tekenen, de wonderen en de verlokkende ongerechtigheid van het antichristelijke rijk zullen zó groot zijn, zó indringend zijn, dat ook de uitverkorenen verleid kun­nen worden de handen uit te strek­ken naar het aangeboden onrecht.

Geloof en volharding

In Daniël 8 vers 25a (Dan. 08:25a) staat immers: “En door sluwheid zal hij het be­drog dat hij aanwendt, doen geluk­ken”.

Het zou verkeerd zijn om daar als christen de ogen voor te sluiten en te proberen in een soort roes te gaan leven en te geloven dat het steeds makkelijker zal gaan wor­den naarmate de eindtijd vordert. Ik kan het niet genoeg benadruk­ken dat alles aan de Schrift getoetst dient te worden, zeker ook wat eindtijd-leringen betreft.

Iemand schreef in dit verband in een bekend evangelisch tijdschrift: ‘En juist het onderwaarderen of zelfs loslaten van de Bijbel als absolute toetssteen, om de waar­heid van de leugen te onderscheiden, geeft het rijk der duisternis vrij baan om te infiltreren. Wanneer we niet alles brengen on­der de kritiek van Gods Woord, bevinden we ons als gemeente in de positie van een stad zonder muur, onbeschermd tegen alle listen en lagen van de satan’.

Vlak voor de wederkomst van de Heer zal de geestelijke duisternis zó totaal zijn wat de Heer Jezus uitdrukt met de woorden: “Ter­stond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd wor­den en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen” Matteüs 24 vers 29 (Matt. 24:29).

De apostel Paulus moest in zijn dagen ook al waarschuwen voor verkeerde verwachtingen betreffen­de de wederkomst van de Heer zie 2 Thessalonicenzen 2 vers 1 tot en met 3 (2 Thess. 02:01-03). ‘Volharding “zal het sleutelwoord zijn, tot het einde toe. Hiervan zegt de Heer: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden” Matteüs 24 vers 13  (Matt. 24:13). En ook in Openbaring 13 vers 10c (Openb. 13:10c): “Hier blijkt de volhar­ding en het geloof der heiligen”.

De Goddelijke liefde

Liefde tot de waarheid gaat veel dieper dan de waarheid geloven en onderschrijven. Watje liefheb dat koester je, daar is je hele hart bij betrokken, daar heb je alles voor over.

Als de apostel spreekt over de lief­de tot de waarheid, dan gebruikt hij voor “liefde” niet het Griekse woord “Philo” wat globaal bete­kent: hartelijk liefhebben, veel hou­den van. Dat is de menselijke lief­de in de onderlinge relaties. Hij gebruikt het bijzondere Nieuw Testamentische woord “Agapè”. Dat is de bovennatuurlijke liefde.

Dat is de Goddelijke liefde die uit God is 1 Johannes 4 vers 7 en 8 (1 Joh. 04:07-08).

In Romeinen 8 vers 36 tot en met 39 (Rom. 08:36-39) wordt de liefde (Agapè) van God, welke is in Christus Jezus onze Heer, ons voorgesteld als een kracht, als iets dat alles overwint en alles te boven gaat. Het is déze liefde die de Vader, Zijn Zoon voor ons deed over­geven Johannes 3 vers 16 en Romeinen 8 vers 32 en 1 Johannes 4 vers 9 (Joh. 03:16 en Rom. 08:32 en 1 Joh. 04:09). En het is déze liefde die in Jezus Christus onze Here is, en die Hij volmaakt geopenbaard heeft en alleen in Hem gekend kan worden.

Dit is de liefde die over zal blijven 1 Korinthe 13 vers 13 (1 Kor. 13:13) en de draagkracht, de verbindende kracht en gezind­heid zal zijn van de nieuwe schep­ping in de toekomende eeuwen.

Voor de nieuwe schepping in Christus, de mens Gods in de gemeente, is dit nu al werkelijk­heid aan het worden, omdat “de liefde (Agapè) van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is” Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05).

Christus, het geheimenis Gods

Deze Goddelijke liefde, die in ons hart is uitgestort, verdringt de men­selijke liefde niet, maar zoekt daar­mee samen te groeien tot één. Zo staat er: Man en vrouw hechten zich aan elkaar in het huwelijk en zijn één vlees. “Maar die zich aan de Here hecht is één Geest met Hem” 1 Korinthe 6 vers 16 en 17 (1 Kor. 06:16-17). Het is als een grote genade en als een gewel­dige kracht, waarmee God de lief­de van de mens opwekt en om­vangt waardoor het wordt tot één. Het is een krachtbron die de mens staande kan houden in de moeilijk­ste omstandigheden en behoudenis kan bewerken.

De mens kan niet van zichzelf op­klimmen tot die hoogte. Paulus spreekt van: “Het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verbor­gen is geweest, maar thans geopen­baard aan zijn heiligen”.

En dat geheimenis zegt hij is: “Christus in u, de hoop der heerlijk­heid. Christus, het geheimenis Gods, in wie alle schatten der wijs­heid en kennis verborgen zijn” Kolossenzen 1 vers 26 en 27 en Kolossenzen 2 vers 2 en 3 (Kol. 01:26-27 en Kol. 02:02-03). Van binnenuit werkt deze kracht in de mens en daarom heet het: “God is het immers die zowel het willen als het doen bij u tot stand brengt, om Zijn heilsplan te verwezenlij­ken” Filippenzen 2 vers 13 Willibrord vertaling (Filip. 02:13).

De genade en liefde van God voor de mens is wonderbaar groot! De apostel spreekt van “de overweldigende rijkdom Zijner genade in Jezus Christus” Efeze 2 vers 7 (Ef. 02:07). De vraag is, wil de mens deze lief­de tot de waarheid aanvaarden of afwijzen? Nogmaals de mens wordt niet overweldigd door de liefde van God. Het wordt niet opgedrongen, maar als een liefde­geschenk aangeboden, mogelijk gemaakt. Maar het is de mens die beslist!

De Geest Gods bedroeven

De tekst: “Omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen be­houden worden” 2 Thessalonicenzen 2 vers 10b (2 Thess. 02:10b), wordt in de Petrus Canisius-vertaling vertaald met: “Omdat ze de liefde voor de waarheid niet hebben aangekweekt tot hun redding”. En de Willibrord-vertaling heeft: “Omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid die hen had kunnen redden”. Uit bovenstaande blijkt wel heel duidelijk, dat niet iedereen die tot het lichaam van Christus behoort, er met z’n hele hart bij betrokken is. Duidelijk is ook dat het niet buiten de mens omgaat, maar dat het van de intentie en de wilsbeslissing af­hangt of er iets met de liefde (Agapè) van God, die door de Heilige Geest in onze harten is uit­gestort, wordt gedaan.

Zo is het mogelijk de Heilige Geest te bedroeven, door een leven te leiden waarin de Heilige Geest niet aanwezig kan zijn. Dit kan, als

niet de oprechte wil aanwezig is om te breken met alle zonde en ongerechtigheid. Dit kan ook door niet gewillig te zijn en een leven te leiden wat meer vlees is dan Geest. En dat is vijandschap tegen God zegt Romeinen 8 vers 7 (Rom. 08:07). Paulus zegt: “Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door wie gij ver­zegeld zijt tegen de dag der verlos­sing” Efeze 4 vers 30 (Ef. 04:30).

Zo staat er ook van de Israëlieten geschreven: “Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn Heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand” Jesaja 63 vers 10 (Jes. 63:10). De hand van God was dan niet meer met hen maar tegen hen. Al in de woestijn was het volk weerspannig tegen Zijn Geest en Stéfanus zegt later: “Gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest” Psalm 103 vers 33 en handelingen 7 vers 51 (Ps. 103:033 en Hand. 07:51).

De Geest Gods uitdoven

Het is ook nu evengoed mogelijk je zo te gedragen datje de Geest bedroefd en Zijn leiding niet wilt accepteren, ja, dat je je er zelfs tegen verzet. Dat er dan geen sprake kan zijn van enige liefde tot de waarheid, zal wel duidelijk zijn.

De apostel Paulus zegt: “Dooft de Geest niet uit”. 1 Thessalonicenzen 5 vers 19 (1 Thess. 05:19). Andere vertalingen spreken van “uitblussen” zoals men een vuur uitblust. En dat is hier in de con­text van de gaven van de Géést want er staat: “Veracht de profetie- en niet”. Het is mogelijk de gaven van de Geest te verachten, door dat hele terrein van de gaven zo te ver­menselijken dat het niet meer als gaven van de Geest onderkend of geaccepteerd wordt. De Heilige Geest wordt dan niet meer erkend in Zijn werkingen als de levens­geest van het lichaam van Chris­tus. Er is dan geen achting en res­pect meer voor de uitingen en ze­ker ook geen ijver of streven naar deze kostelijke genade-geschenken zie 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01).

Dan wordt de Geest uitgeblust. Er is dan geen sprake meer van een aan­kweken van liefde tot de waarheid, waardoor men in zware tijden be­houden kan worden. Iedereen zal zich dienen te onder­zoeken of hij de Heilige Geest bedroefd of dat er verzet is of dat zelfs de Geest uitgedoofd wordt.

De Geest Gods aanwakkeren

Zoals het mogelijk is de Geest te bedroeven en uit te doven zo is het gelukkig ook mogelijk Zijn werk in je aan te wakkeren. Paulus schrijft aan Timótheüs: “Om die reden her­inner ik u er aan de gave Gods aan te wakkeren die door mijn handoplegging in u is” 2 Timoteüs 1 vers 6 (2 Tim. 01:06). In 1 Korinthe 14 vers 1 (1 Kor. 14:01) zegt de apostel “Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven des Geestes”. Dat is een geestelijke activiteit die voortkomt uit een goede, gewil­lige hartsgesteldheid.

Zo ook in 1 Timoteüs 6 vers 11 (1 Tim. 06:11), waar hij zegt: “Gij daarentegen, o mens Gods, ontvlucht deze dingen, doch jaag naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volhar­ding en zachtzinnigheid”. In beide teksten benoemt Paulus de “liefde” weer met het griekse woord “Agapè”. Jaagt er naar! zegt hij. Dat gaat nog dieper dan aanvaar­den of aankweken. Dan sluit men zich er niet voor af maar jaagt men naar deze liefde, waardoor er red­ding en behoudenis zal zijn in de zware verdrukking van de eindtijd. Deze liefde (Agapè) is veel en veel meer dan je eigen liefde en goede wil, want het is de liefde van God die hierin de enorme krachtbron is zie Filippenzen 2 vers 13 (Filip. 02:13).

In 1 Thessalonicenzen, waar we lazen over het niet uitdoven van de Heilige Geest, lezen we dan ook die geweldige eindtijd belofte: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen ”  1 Thessalonicenzen 5 vers 23 (1 Thess. 05:23).

Ook 1 Timoteüs 6 vers 11 (1 Tim. 06:11) wordt gevolgd door geweldige beloften en woorden die op het einde betrek­king hebben. Dit is te lezen in 1 Timoteüs 6 vers 14 tot en met 16 (1 Tim. 06:14-16).

De Zoon maakt waarlijk vrij

Het is soms triest om te zien hoe gemakkelijk vele gelovigen mee­getrokken worden met van alles wat op de geloofsmarkt aange­boden wordt. Niemand heeft echter het recht mede-broeders of zusters hierom te veroordelen. Maar al te vaak komt een handel­wijze voort uit grote maatschap­pelijke, lichamelijke of geestelijke nood. Ook wel om huwelijks en/of gezinsproblemen. Weer anderen missen oplossingen in eigen kring of gemeente of is er sprake van totale onwetendheid.

Het is echter in alles de satan, de grote leugenaar, de verleider en bedrieger die mensen meesleept omdat het allemaal de schijn heeft van geweldige waarheden. Er is een hevig verzet van de satan tegen de ene waarheid ‘Jezus Christus’, en het woord van God, ‘de Bijbel’, dat spreekt van de volwassen, onberispelijke gemeente, de zonen Gods, waar de zuchtende schep­ping op wacht Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19). Het is de satan die mensen laat belijden dat dit voor niemand haalbaar is, omdat de mens zon­daar zou zijn en blijven. Hij (satan) weet hoe de werkelijke waarheid bij machte is de mens vrij te maken. En de ene werkelijke waarheid is Jezus, Gods Zoon. Deze zegt dan ook: “Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk discipelen van Mij en gij zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken. Wanneer dan de Zoon u vrijge­maakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn” Johannes 8 vers 31 tot en met 36 (Joh. 08:31-36).

Het is alleen de waarheid, Jezus Christus en Gods Woord, die vrij­maakt van alle bedrog, van alle ver­keerde vroomheid, van alle religieu­ze misleiding, van alle knellende vormen en tradities. Kortom, van alle leugen! Van alles wat in strijd is met het ‘leven’ want Hij is het licht en het leven van de mensen  Johannes 1 vers 4 tot en met 9 en Kolossenzen 3 vers 4 (Joh. 01:04-09 en Kol. 03:04). De Heer zal het alles ontmaskeren en zal het als kaf verbranden met het onuitblusbare vuur van Zijn Woord naar Matteüs 3 vers 12 (Matt. 03:12).

(Slot volgt).

 

 

 

Zelfbewustheid door Gert Jan Doornink

Zelfbewustheid behoort een positieve eigenschap te zijn van elk kind van God. Toch wordt het maar zelden als zodanig gezien. Vaak wordt gedacht dat men door zelfbewust te zijn zichzelf op een voetstuk plaatst, hoogmoedig is, etc. Het tegendeel is echter het geval. Want op welke wijze is een christen zelfbewust? Door de zekerheid van zijn geloof! Paulus zegt, dat wie in Christus is, een nieuwe schepping is. Het oude leven is dan voorbij en het nieuwe is gekomen. Dat is dan een rotsvaste zekerheid geworden. En daar doen we alles aan dat dit niet verborgen blijft, maar geopenbaard wordt in het leven van elke dag.

Een waarachtig christen schaamt zich niet voor het evangelie, de blijde boodschap die hem heeft verlost uit het rijk der duisternis en overgeplaatst in het Koninkrijk van de levende God. Het woord ‘zelfbewust’ betekent in feite ‘innerlijk besef omtrent zichzelf’. En door dit innerlijk besef van het nieuwe schepping zijn, ontstaat het verlangen om op te groeien naar geestelijke volwassen­heid. Als er geen geestelijke groei, ontstaat er ook geen echte bewustwording van onze nieuwe plaats en positie in Christus. Feitelijk blijft er dan een situatie bestaan waarbij de vorst der duisternis gemakkelijk in onze gedachtenwereld kan infiltreren. Dan kan ook gemakkelijk een verkeerd beeld ontstaan over onze zelfbewustheid. En hebben we misschien een hoge dunk van onszelf, maar zonder geestelijke inhoud.

Dat wil dus zeggen dat onze zelfbewustheid als kind van God altijd gepaard dient te gaan met onze verbondenheid met God. Daar behoren we alles aan te doen dat dit bevorderd wordt. Er gaat zich dan meer en meer een eenheid ontwikkelen tussen Gods Geest en onze geest. Een eenheid waar de duivel geen speld tussen kan krijgen.

Zelfbewustheid wordt in de ‘Grote Van Dale’ omschreven als een ‘sterk gevoel van eigen, innerlijke kracht of waarde’. Wij mogen door Gods genade weten waar de bron is van deze innerlijke kracht en waarde. Daarom geven wij Hem in alles de eer en danken Hem iedere dag opnieuw voor alles wat Hij voor ons, in ons en door ons gedaan heeft, en nog meer wil doen!

 

Geheel anders! Door Froukje Huis

Vrijdagmorgen! ‘Zullen we eerst de boodschappen doen’, vraag ik Dick. Hij kijkt op de klok. Half tien. Laten we het maar proberen. Het aantal parkeerplaatsen vlak bij de supermarkt is namelijk beperkt en wij proberen uit te vissen wat de beste tijd is om te gaan winkelen. Verscheidene auto’s komen ons al tegemoet en warempel we boffen deze keer, want er is nog een plaats vrij. ’t Is druk in de winkel. Moeders, die tijdens schooltijd gauw hun boodschappen komen halen, maar ook veel oudere mensen die net als wij, samen bezig zijn hun winkelwagen te vullen.

We zijn vlug klaar en opgelucht, dat dit karwei weer achter de rug is, wordt de buit in de achterbak van de auto geborgen.

‘Er staan er alweer twee te wachten’, zeg ik tegen Dick. ‘Wie zou het winnen?’ Beide azen op ons parkeerplaatsje. Onder het wakend oog van de twee rivalen rijden we vooruit uit de parkeerplaats.

‘Kijk nou eens’, zegt Dick. In de achteruitkijkspiegel ziet hij hoe een derde auto, die juist aan komt rijden, achter ons de nu lege parkeerplaats in bezit neemt. De twee andere hebben het nakijken!

Dick moet er een beetje om lachen, maar ik vraag hem verontwaardigd hoe hij het zou vinden als het hem overkwam. ‘Dan lach je ook’, zegt hij, ‘en je zegent die man’. Hij zou het nog doen ook.

Maar ik, met mijn zogenaamd rechtvaardigheidsgevoel? Ik sta hier al vijf minuten te wachten en hij komt net aanrijden! Dat is toch een heel normale reaktie? ja zeker, maar wat zegt de Bijbel over een kind van God?: “Gij geheel anders…” “Wil iemand met u rechten en uw hemd nemen, geef hem ook uw mantel”. Dus, wil iemand uw parkeerplaats nemen, geef hem ook uw auto? Neen, dat hoeft niet, maar geef hem maar uw zegen, daar heeft hij meer aan. Vindt u dat overdreven? Maar we willen toch in elk opzicht op Jezus gaan lijken? Ook in de kleine dingen, ook in onze gedachten, want als we niet positief den­ken, hoe kunnen we dan positief handelen? Denk aan de opdracht van Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02): “Wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt onderkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” Voor mij, maar ook voor ieder ander! En daarvan mogen wij iets laten zien.

 

1996.04 nr. 380

1996.04 Levend geloof nr. 380

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

‘Het laatste woord?’ Deze vraag bij de tekening van Duurt Sikkens op de voorpagina zal door iedere waar­achtige christen met een duidelijk ‘nee’ worden beant­woord. Want niet de dood heeft het laatste woord, maar het leven! En dan bedoelen we natuurlijk het échte leven, zoals God dat oorspronkelijk bedoeld heeft. De dood is een tijdelijke aangelegenheid, welis­waar de laatste vijand die overwonnen wordt, maar heeft zeker niet het laatste woord. Daarom is op de tekening ook het kruis zichtbaar. Het kruis als sym­bool van de overwinning die Jezus behaalde op Golgotha. In onze dagen wordt de kruisdood en opstanding van Jezus op alle mogelijke wijze aange­vallen en belachelijk gemaakt. We laten ons echter niet van de kaart brengen door deze pogingen vanuit het rijk der duisternis de kern van ons geloof aan te tasten. Jezus leeft en wij met Hem! In het artikel ‘De opstanding van Jezus’ analyseert Peter Koumans uit Eindhoven op uitgebreide wijze de gebeurtenissen rond de dood en de opstanding, zoals de Bijbel die aangeeft. Omdat ten aanzien van deze materie sommige dingen nog ‘verborgen’ zijn, hoeft men het niet op alle detailpunten met de schrijver eens te zijn. Alle bijbelse gegevens worden nog eens duidelijk op een rijtje gezet en ik hoop dat ook dit arti­kel zal meewerken dat ons geloof daardoor weer een nieuwe ‘impuls ten goede’ zal ontvangen. Dat geldt trouwens ook voor de verdere inhoud van ons blad. leder nummer, en dus ook dit nummer, wordt samen­gesteld met de bede en het verlangen in ons hart dat ons geloofsleven verder wordt gestimuleerd en opge­bouwd en eventueel wordt gekorrigeerd. Samen zijn we onderweg om de volle rijkdom van het geloof in de levende Heer te gaan ontdekken en beleven. En het gevolg zal zijn dat we uiteindelijk ‘gelijkvormig wor­den aan het beeld van Jezus’, zoals Paulus dat zo dui­delijk als onze bestemming aangeeft in zijn brief aan de Romeinen.

 

Leven voor God door Gert Jan Doornink

Pasen is het feest van het leven, het feest van de overwinning op de dood. Als christenen vieren wij het paasfeest met grote blijdschap, omdat wij weten: Christus is opgestaan. Hij leeft en wij die in Hem geloven ook! Het nieuwe leven, wat stand houdt tot in alle eeuwig­heid, is in ons en blijft in ons. Wij weten ook dat dit leven zich nu nog bevindt in een tijdelijk en vergankelijk lichaam met al zijn beper­kingen, maar straks, als wij een verheerlijkt lichaam zullen ontvangen, is ook dat voorbij.

Voor de wereld, dat wil zeggen allen die nog leven buiten Gods Koninkrijk, is dit een verborgen aangelegenheid. Door geloof te hech­ten aan allerlei meningen en leringen, zoals bijvoorbeeld reïnkarnatie, tracht men aan de gedachte dat de dood het laatste woord heeft, te ontsnappen, maar tegelijkertijd is men zich bewust dat de dood niet te ontlopen valt. ‘De man van de zeis’, zoals we deze week nog in een geschrift lazen, komt onherroepelijk langs…

Deelgenoten van het echte leven

Als christenen hebben we in dit opzicht een belangrijke taak. Wij mogen door de woorden die wij spreken, maar vooral ook door het leven wat wij openbaren, tonen dat wij deelgenoten zijn geworden van het échte leven. Daarom weten wij ook dat het niet in de eerste plaats gaat om de viering van Pasen (en Goede Vrijdag!) op bepaalde dagen, maar om de dagelijkse realiteit van het kennen van de levende Christus!

Wij ‘leven voor God’ schrijft Paulus in Galaten 2 vers 19 (Gal. 02:19). Dat wil zeggen de periode van het ‘dood zijn’ is voorbij. We hebben immers het oude, door Satan beheerste leven, begraven in het watergraf en zijn met Christus in een nieuw leven opgestaan. ‘Christus leeft nu in mij’, zegt hij in het volgende vers. En dit geloof, deze vaste overtuiging is werkelijkheid voor iedere christen.

Satan tracht de beleving van deze zekerheid te verdonkeremanen en af te remmen, maar door de kracht van Gods Geest die in ons is, heeft hij het niet meer voor het zeggen. In het leven van een waarachtig christen zullen zijn infiltratiepogingen daarom steeds minder uitwer­king hebben. Het is net als in de natuur: door de lange en koude win­ter komt de lente dit jaar maar moeizaam op gang, maar uiteindelijk zullen de steeds sterker wordende zonnestralen alles weer tot groei en bloei brengen.

En wat ons geestelijk leven betreft: Gods heerlijkheid gaat ten volle baanbreken en zich openbaren. De gehele zuchtende schepping wacht daarop. En naarmate wij als nieuwe scheppingen, als zonen Gods, doorgroeien naar het volwassen stadium, beantwoorden wij daardoor aan dit grote verlangen en doel van onze levende God!

 

Het geloof als schild. De hemelen (21) door Cees Maliepaard

“Neem bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmee gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven” Efeze 6 vers 16 (Ef. 06:16).

Geloven is bijbels gezien een krachtige zaak. Het heeft niets van doen met onzekerheden en alleen maar aannemen dat iets is zoals het zou moeten zijn. Leven als een opgroeiende zoon van God, kan uitsluitend op grond van geloof in het op Jezus Christus geënte zoon­schap Galaten 3 vers 26 (Gal. 03:26).

Daarom staat er in Galaten 3 vers 11 (Gal. 03:11), dat de rechtvaardige uit geloof zal leven.

Geloof in God de Vader en in zijn in Jezus openbaar gekomen plan, zal altijd Goddelijk leven tot gevolg hebben.

’t Staat niet op zichzelf

In onze leidtekst lezen we: “Neem bij dit alles het schild des geloofs ter hand”. Dat is een waar woord. Want zonder de waarheid van het plan van de Vader, zonder gerech­tigheid en zonder de bereidheid het evangelie van de Goddelijke vrede te brengen, zal het niet mogelijk zijn effektief het geloofsschild te hanteren.

Geloven is nooit een op zichzelf staande zaak. Geloven zonder de waarheid te kennen, brengt het risiko in zich de leugen te gaan geloven. En als iemand het schild des geloofs hanteert zonder zich de lendenen met de waarheid te omgorden, zal blijken dat satans leu­gens hem of haar in de geestelijke strijd vloeren zullen. Geïnspireerd door leugengedachten zal het zicht op Gods plan zozeer vertroebeld worden, dat menselijke strijders in de hemelse gewesten van elk richtingsgevoel gespeend zullen raken. En dan kan een mens ten prooi vallen aan wettische, ofwel juist aan wetteloze machten der duisternis.

Zonder zich Gods voor de mens be­doelde gerechtigheid eigen gemaakt te hebben, is het ook een ondoen­lijke zaak tegenover de tegenpartij het schild des geloofs vast te hou­den. Want iemand die z’n gerech­tigheid prijsgeeft, gaat geloven dat ook zonder die gerechtigheid het doel wel te bereiken is. Het van God gegeven doel zal op die manier echter onbereikbaar blijken te zijn. Ongerechtigheid is nu eenmaal niet in te passen in het goede nieuws van onze altijd goede God. Of, anders gezegd, in het evangelie van Jezus Christus en zijn overwinning op het rijk der duisternis.

Pak ’t op!

Anders dan sommige mensen den­ken, is het geloof niet iets wat je zomaar in de schoot geworpen wordt. Het geloof is een gave van God, meent men wel op grond van Efeze 2 vers 8 (Ef. 02:08). Zo geeft Prof. Dr. H. N. Ridderbos het ook weer in de Concordantie van Kok, Kampen. “Geloof… het is een gave van God”, staat daar. Met alle respekt voor Ridderbos, zou ik in een konkordan- tie (waar je met de ruimte moet woekeren) geschreven hebben: Genade… het is een gave van God. Want dat geeft onze God met milde hand: op basis van ons geloof in het volbrachte werk van zijn Zoon Jezus Christus, schenkt Hij zijn genade.

Het is dus zeker geen zaak van op de gave van geloof te gaan zitten wachten, want dan kun je wel wachten tot je een ons weegt. Het schild des geloofs dient opgepakt te worden; dat is een bewuste daad van de Geestvervulde christen. Paulus’ opmerking: “… het is een gave van God” kén dus gewoon geen betrek­king hebben op het geloof en moet wel terugslaan op de in diezelfde zin genoemde genade. Andersom is het net zo: een mens kan de genade van God niet zelf ter hand nemen. Genade krijg je, die word je om niet verleend – zonder datje daar enige verdienste tegen­over hoeft te plaatsen.

Maar geloof en vertrouwen stel je zelf bewust in iemand. Ik heb kol­lega’s die ik vertrouw en ik heb er die helemaal niet te vertrouwen zijn. Ik ken mensen (zomaar in de we­reld) die ik geneigd ben nooit te geloven. En wel op grond van negatieve ervaringen wat hun waar­heidsgetrouwheid betreft. En ik ken anderen die ik onvoorwaardelijk geloof, omdat de praktijk van alle dag heeft uitgewezen dat ze de waarheid nimmer geweld aan doen. Des te meer zullen we ons geloof en vertrouwen op de Heer stellen, want Hij is gebleken in alles betrouwbaar te zijn. Het is derhalve altijd een aktieve zaak van onze kant.

Demonisch vuur

De brandende pijlen die de boze op ons afschiet, zijn instaat heel wat onheil te stichten. De in gloeiend pek gedoopte pijlpunten maakten in de oudheid korte metten met heel wat brandbaar materiaal. De geestelijke pijlen waarmee de boze ons raken wil, zijn voorgegloeid in zijn dui­velse gedachten over de mens. Het gaat daarbij niet om verleidingen tot zonde, want daarvoor benadert Satan ons op een heel wat andere manier: daar probeert hij ons toe te verlókken. Het vuur dat hij bij de mens naar binnen wil schieten, is eerder bedoeld om de kroon op Gods schepping de vernieling in te helpen.

Hij zal trachten ons een schuldkomplex te bezorgen, door bij voort­during onze tekortkomingen te aksentueren. Hij zal deze opblazen tot ongekend grote proporties en ons proberen ‘wijs’ te maken dat het zoonschap voor ons een nimmer haalbare kaart zal wezen. Als iemand dat maar lang genoeg gelooft, zal dat een verwoestende uitwerking in zijn leven hebben, alsof al het goede door Satans vurige pijlen tot as verbrand zou zijn.

Of hij zal de mens proberen volko­men weg te drukken in verwerping en hysterie. Die vormen samen een laaiend vuur, dat als met maar lang genoeg brandt, slechts smeulende resten achterlaat. Zodat alleen een totale vernieuwing van de Heer uit, nog uitkomst brengen kan. En dat laatste is gelukkig in elke situatie een reële mogelijkheid.

Brandpreventie

In lang vervlogen tijden, toen men nog geen weet had van vuurwapens, was het schieten met gloeiende pij­len en bekende en beruchte manier van oorlogvoeren. Men deed echter in die dagen ook aan brandpreventie: een schild, overtrokken met in een water gedrenkte lederen huid, bleek een perfekt middel te zijn om de brandende pijlen van de vijand op te doen doven.

Zo zullen ook wij het ons door de Heer verschafte schild des geloofs gebruiken tegen Satans in verderf en venijn voorgegloeide, de persoon­lijkheid aantastende projektielen. En het zal blijken een effektief ver­dedigingswapen te zijn. Of (als u het uit de oorlogssfeer zou willen halen): een prima element van onze brandpreventie.

Door je geloof in werking te stellen, geloof dat in het heldere water van het woord van God is gedrenkt, zullen al Satans vurige aantijgingen en verwerpingen gedoemd zijn volkomen uit te doven. Er wordt nog wel het nodige op je afgevuurd, maar het ‘doet’ je niets meer; je bent onbereikbaar voor de demoraliseren­de, demonische druk geworden. Als wij uit geloof leven, vindt Satan, net als bij Jezus Johannes 14 vers 30 (Joh. 14:30), ook bij ons geen aanknopingspunten meer. Hij kan ons gewoon niet meer in brand zetten met zijn aan het helse vuur ontleende, de mens aantastende gedachten. In (satanisch) vuur is geen menselijk leven mogelijk. Daarom belijden we op grond van het woord van God, dat we als rechtvaardigen door geloof leven zullen Romeinen 1 vers 17 (Rom. 01:17). Ons in het waterbad van Gods woord gedrenkte geloof, heeft ‘bij dit alles’ een ons voor het vuur van het verderf behoedende werking. Al Satans pogingen tot het in brand steken van ons levenshuis lopen op niets uit bij een in Gods sprankelen­de woord ondergedompeld geloof. Want zo’n geloof lééft! Dat is in beweging. Dat bewerkt positieve ontwikkelingen, zodat je als mens Gods verder kunt in het leven dat je van Godswege ontvangen hebt.

Ons geloofsschild werkt als het hitteschild van een ruimteschip. Het voorkomt dat de wrijving van de aardse atmosfeer je levensschip noodlottig worden zou. Geloof in Jezus, in God de Vader en zijn heerlijk plan, is onmisbaar in ons leven. Echt!

 

 

De opstanding van Jezus door Peter Koumans

Er zijn mensen, die Jezus Christus al­leen zien als iemand, die een goed voorbeeld heeft gegeven van hoe men eigen­lijk zou moeten leven. Anderen gaan al wat verder. Zij hebben Jezus Christus aanvaard als degene, Die leed en stierf voor de zonden, die zijzelf hadden ge­daan. Zij geloven dat God Zijn Zoon heeft gegeven, opdat zij vergeving van zonden konden ontvangen. Maar dat hield niet in dat zij nu ook in de opstan­ding van Jezus Christus gingen geloven. Voor hen had dat geen echte betekenis en bovendien is opstanding uit de doden voor vele mensen ongeloofwaardig.

Paulus is erg duidelijk over degenen die niet in de opstanding geloven 1 Korinthe 15 vers 14 (1 Kor. 15:14). Hij zegt: “En indien Chris­tus niet is opgewekt, dan is immers on­ze prediking zonder inhoud, en zonder- inhoud is uw geloof”. Hij voegt daar aan toe in 1 Korinthe 15 vers 17 tot en met 19  (1 Kor. 15:17-19): “Indien Christus niet is opgewekt, dan is uw geloof zonder vrucht, dan zijt gij nog in uw zonden. Dan zijn ook zij, die in Christus ontslapen zijn, verlo­ren. Indien wij alléén voor dit leven on­ze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn we de beklagenwaardigste van alle mensen” (1 Kor. 15:17-19). Door het geloof in de opstanding van Jezus laten we ons dopen en weten we dat we zijn wedergeboren en eeuwig le­ven hebben dat doorgaat na de lichame­lijke dood.

Hoe ging die opstanding van Jezus nu in zijn werk? De Bijbel zegt hier wei­nig van. Maar als we nagaan wat dat weinige is, worden we ons toch be­wust van het geweldige van die opstan­ding.

Het sterven van Jezus

Jezus voorspelde in de drie eerste evangelieën tot driemaal toe dat Hij zou moeten lijden door de overpriesters en schriftgeleerden en dat Hij zou worden gedood en op de derde dag zou worden opgewekt bijv. in Matteüs 16 vers 21; Matteüs 17 vers 22 en 23 en Matteüs 20 vers 17 tot en met 19 (Matt. 16:21 en

Matt. 17:22-23 en Matt. 20:17-19). Hij legde niet uit wat de diepere zin was van Zijn lijden en sterven. Wel zei Hij iedere keer dat hij op de derde dag zou worden opgewekt. Lucas ver­meldt tweemaal dat de discipelen niets begrepen van wat Jezus tot hen zei.

Het gebeurde precies zoals Jezus had voorspeld. Ogenschijnlijk werd een he­laas veel voorkomende misdaad ge­pleegd, waarbij religieuze autoriteiten iemand met een afwijkende mening na een schertsproces lieten vermoorden. Maar hier was veel meer aan de hand. Het ging om een geestelijk strijd van essentieel belang. De duivel als overste van deze wereld deed er alles aan om Jezus Christus in zijn macht krijgen. Eerst had hij allerlei manieren van verleiding geprobeerd. Dat deed hij recht­streeks zoals in de woestijn, maar ook via mensen. Dat was hem niet gelukt. Nooit had Jezus de duivel ergens in toe­gegeven. Hij was en bleef zonder zonde. En dat niet alleen, Jezus ondermijnde het werk van de duivel door het evan­gelie van het Koninkrijk van God te prediken en daarbij het werk van de boze in mensen te verbreken door bo­ze geesten uit te drijven en genezingen te verrichten.

Er bleef de duivel niets meer over dan de religieuze autoriteiten zoals de oud­sten, de overpriesters en de schiftgeleer- den te verleiden om Jezus tot de dood te veroordelen en Hem daarvoor aan de Romeinen over te geven. Als Jezus dood zou zijn, zou Hij geen gevaar meer zijn voor de duivel. Uit het dodenrijk komt immers niemand terug. Maar de duivel begreep niet wat de ge­volgen zouden zijn van die daad. Zo staat in 1 Korinthe 2 vers 8 (1 Kor. 02:08): “En geen van de beheersers van deze eeuw heeft van haar (dat is de verborgen wijsheid van God) geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de He- re der heerlijkheid niet gekruisigd heb­ben”.

Waarom kon de dood Jezus niet vast­houden?

Men zou drie redenen kunnen aanhalen:

Jezus was Gods Zoon.

Jezus was zonder zonde.

Jezus was bij een vrouw verwekt door de heilige Geest van God.

  1. Jezus was Gods Zoon

Hij had in deze hoedanigheid Goddelij­ke macht en met deze macht zou de dood Hem niet kunnen vasthouden in het dodenrijk en zou Hem moeten la­ten gaan.

Op zich in dat waar. Maar op deze wijze zou Hij ook de kruisiging kunnen voorkomen. Hij zei daarom: “Of meent gij, dat Ik Mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen ter zijde stellen? Hoe zouden de schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?” Matteüs 26 vers 53 en 54 (Matt. 26:53-54).

Het was niet Gods plan dat Jezus de overwinning zou behalen door gebruik te maken van Zijn Goddelijke macht, maar Hij zou als mens in geloof de weg gaan, die God wilde. Dat was in overeenstemming met Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15), waar God tot de slang zegt: “En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw.

De nakomelingen van de vrouw zullen de overwinning behalen op de boze. Het is wel duidelijk uit de Bijbel dat dat de mensen zullen zijn, die gekozen heb­ben voor het Lam Gods, Jezus Christus, en die Hem gehoorzaam zijn en die, ge­leid door de heilige Geest, Zijn opdrach­ten zullen vervullen.

Daarom spreekt 1 Johannes 5 vers 5 (1 Joh. 05:05) van de overwinning over de wereld, die behaald wordt door het ge­loof in Jezus als Zoon van God. Jezus zou zowel over de boze als over de dood de eerste overwinning behalen als mens.

  1. Jezus was zonder zonde

Hij heeft nooit gezondigd. 1 Petrus 2 vers 22 (1 Petr. 02:22) zegt van Hem: “Die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen be­drog is gevonden”.

Daarom was Hij en bleef Hij: rein, on­besmet en heilig. Hij heeft nooit toegegeven aan een van de vele verleidingen, die de boze op Hem afstuurde. En juist Hij was zó begerenswaardig voor de boze. Want deze wist dat, als Jezus maar één enkele zonde zou doen, Hij nooit meer als losprijs zou kunnen die­nen voor allen. Ja, dan zou Gods heil­splan met de schepping in duigen val­len.

vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen, en gij zult hem de hiel vermorzelen”.

De Bijbel zegt wel dat Jezus tot zonde is gemaakt: “Hem, die geen zonde ge­kend heeft, heeft Hij voor ons tot zon­de gemaakt” 2 Korinthe 5 vers 21 (2 Kor. 05:21). Met het woord ‘zonde’ wordt soms de daad bedoeld, maar ook soms de duivel, die de vader is van alle zonden. Jezus kwa- m in handen van de duivel ofwel in han­den van de zonde. Hij werd evenwel zelf geen zondaar. 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24) zegt het zo: “Hij bracht onze zonden op- het hout”. Hij riep toen uit: “Het is vol­bracht”.

Toch was het zonder zonde zijn, denk ik, niet voldoende om het dodenrijk door te gaan en tot opstanding te ko­men. Het was wel heel bijzonder, im­mers de Bijbel zegt bijvoorbeeld in Romeinen 3 vers 23 (Ro­m. 03:23): “Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods”.

Het voorgaande geldt voor alle men­sen, die kunnen onderscheiden, die kun­nen kiezen. Dat is niet bij kinderen het geval. In het bijzonder van baby’s kan men niet zeggen dat zij zondaren zijn omdat zij dingen gedaan zouden heb­ben, die tegen Gods geboden gingen. Daarom zei Jezus van de kinderen:

“Voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen” Matteüs 19 vers 14 (Matt. 19:14). Maar ook zij komen, als zij als kind sterven, in het dodenrijk.

  1. Jezus was verwekt bij een vrouw door de heilige Geest van God

Om hier duidelijkheid in te krijgen moe­ten we stilstaan bij wat er gebeurde na­dat Adam in zonde was gevallen. Dat waren twee dingen:

  1. De duivel werd de overste van de wereld

God had Adam het beheer gegeven over een stukje wereld: een hof in Eden, ook wel het paradijs genoemd. Later zou hij beheerder worden van de gehe­le aarde. Daarom zegt God “Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaad­dragende vruchten zijn; het zal u tot spij­ze dienen” Genesis 1 vers 29 (Gen. 01:29). God begint dan door Adam in de Hof van Eden te plaatsen met als opdracht om die te be­werken en te bewaren Genesis 2 vers 15 (Gen. 02:15). Doordat Adam de duivel gehoorzaamde werd deze zijn baas. En daarmee gaf Adam het recht om overste van de we­reld te zijn weg aan de duivel. De dui­vel meende daarmee recht te hebben op Adam. Adam werd door hem gezien als een slaaf. Immers wie zondigt wordt een slaaf van de zonde Romeinen 6 vers 16 (Rom. 06:16). Kinderen van een slaaf worden automa­tisch ook slaaf. Omdat de duivel zich nu eigenaar waant van Adam worden al zijn nakomelingen in de ogen van de duivel ook slaven.

Van deze klaim van de duivel konden we alleen loskomen, toen er iemand kwam, die ons loskocht. God, de Va­der, gaf Zijn enig geboren Zoon als losprijs voor ons allen.

  1. De dood ging heersen

God had Adam slechts één gebod opge­legd en gezegd wat de gevolgen zou­den zijn van een overtreding: “Van alle bomen in de hof moogt gij eten, maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven” Genesis 2 vers 16 en 17 (Gen. 02:16-17). En toen Adam het toch had gedaan, zei God tot Adam: “Gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aard­bodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren” Genesis 3 vers 18 en 19 (Gen. 03:18-19).

Romeinen 5 legt duidelijk het verband tussen de zonde van Adam en de dood. “Daarom gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, om­dat allen gezondigd hebben Romeinen 5 vers 12 (Rom. 05:12). En Romeinen 5 vers 14 (Rom. 05:14): “Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezon­digd hebben op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende”.

Het heersen van de dood betekende niet alleen dat alle schepselen op aarde na een zekere tijd doodgaan, het hield ook in dat alle schepselen vergankelijk zijn. Hiermee wordt bedoeld dat er na de aanvang van het leven een steeds verder gaande veoudering van het lichaam plaats vindt, die net zo lang doorgaat totdat het natuurlijk leven on­mogelijk wordt en de dood intreedt. Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19) stelt dan ook: “Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods”. En Romeinen 8 vers 21 (Rom. 08:21): “… omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergank­elijk zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods”.

Paulus noemt in 1 Korinthe 15 vers 26 (1 Kor. 15:26) de dood de laatste vijand, die wordt onttroond.

Zelfs in het duizendjarig rijk, wanneer de duivel gebonden is en Jezus Chris­tus zal heersen samen met Zijn volge­lingen, zal nog de dood aanwezig zijn en zijn werk doen. Er zullen geen ziek­ten meer zijn en niemand zal vroegtij­dig sterven maar als honderdjarigen Jesaja 65 vers 20 (Jes. 65:20).

Dus de vergankelijkheid van het leven is er dan nog steeds.

Pas bij het laatste oordeel zullen de dood en het dodenrijk in de poel des vuurs worden geworpen Openbaring 20 vers 14 (Openb. 20:14). Zo blijkt dat door Adams daad de vergankelijkheid en de uiteindelijke dood zijn uitwerking heeft op heel zijn nage­slacht: de gehele mensheid. Het opmerkelijke is hierbij dat de zon­de van Adam dat tot gevolg had en niet de zonde van Eva!

 

Jezus was niet nageslacht van Adam volgens een mannelijke lijn.

Het bijzondere van de geslachtslijst in Lucas 3 vers 23 tot en met 38 (Luc. 03:23-38) is dat het daarin lijkt alsof Jezus wel van Adam zou af­stammen. MaarLucas 3 vers 23  (Luc. 03:23) be­gint met: “En Hij Jezus was, toen Hij optrad, ongeveer dertig jaar, een zoon, naar men meende, van Jozef”. Het is dus de geslachtslijst van Jozef en niet van Jezus!

Maar voor de mensen was Jezus wel de zoon van Jozef. Jozef zal hem als een wettige zoon hebben aangenomen. En dat is dan in gehoorzaamheid aan wat de engel tot hem zei “Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw tot u te nemen, want wat in haar verwekt is, is uit de heilige Geest” Matteüs 1 vers 20 (Matt. 01:20). Daarom zeiden de mensen van Jezus: “Is dit niet de zoon van de timmer­man?” Matteüs 13 vers 55 (Matt. 13:55). Waarschijnlijk wisten Jezus’ broers en zussen ook niet beter. Want hoe zouden de men­sen kunnen geloven in dit wonder? Als ze ervan gehoord zouden hebben, zouden ze zeker aannemen dat Maria overspel had gepleegd.

Sommige zaken worden doorgegeven van vader op zoon en niet van moeder op zoon. Dat gold in Israël bijvoor­beeld voor het behoren tot een stam. Als de vader een Benjaminiet was, wer­den zijn kinderen het ook, ook als de moeder tot een andere stam hoorde of zelfs helemaal niet bij Israël. Richteren 20 en 21 vertelt van een bestraffing, die ontaardde in het afslachten van de stam Benjamin door de andere elf stam­men. Er waren alleen wat mannen overgebleven. Deze werden op een wat slinkse wijze aan vrouwen uit de andere stammen geholpen, want men wilde niet dat de stam uitstierf. De kinderen van deze mannen werden dus Benjaminieten.

In de geslachtslijst van Jezus, in Matthéüs 1, worden de vrouwen Rachab en Ruth genoemd, die geen Israëlitischen waren, maar hun nakomelingen horen tot de stam Juda omdat hun man­nen Judeëers waren. En omdat Jezus géén nageslacht is van Adam volgens de mannelijke lijn, kon de duivel geen klaim op Hem leggen.

Bovendien had nu de dood en alles wat daar mee samenhangt daardoor geen recht op Jezus. En dat maakte dat Jezus toen Hij stierf en in het dodenrijk gebracht werd, daar niet hoefde te blijven. Daarom zegt Pe­trus in Handelingen 2 vers 24 (Hand. 02:24) : “God heeft Hem evenwel opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat Hij door hem werd vastgehouden”.

Het dodenrijk

Het is voor ons niet voor te stellen hoe het dodenrijk is. Het is immers een geestelijke plaats en is daarom niet er­gens in de zichtbare wereld te situeren. Het is niet diep onder de aarde. Als er woorden gebruikt worden van: “in de afgrond werpen” of “opkomen uit de afgrond” dan wordt daarmee aangeduid dat deze plaats geestelijk van een lager niveau is dan de hemel waar je naar toe kunt “op­varen”.

De Bijbel geeft ons aanwijzigen dat het dodenrijk is opgedeeld in een aantal af­delingen. Dat blijkt uit Lucas 16 vers 19 tot en met 31 (Luc. 16:19-31) waarin het verhaal staat van een rijk man en de arme Lazarus. De arme man stierf en werd door engelen gedra­gen in Abrahams schoot. Toen de rijke man gestorven was sloeg hij de ogen open in het dodenrijk onder pijnigin­gen. Hij ziet wel Lazarus en Abraham en vraagt Lazarus naar hem te zenden om hem te helpen. Dat kon niet want: “Er is tussen ons en u een onoverko­melijke kloof, opdat zij, die van hier tot u zouden willen komen, dit niet zouden kunnen en zij van daar niet aan onze kant zouden kunnen komen” Lucas 16 vers 26 (Luc. 16:26).

Er is dus een afdeling waar de gelovi­gen in God van het oude verbond verblijven. Zij worden daar vertroost en daar is invloed van God. Engelen zijn daar. Voor God leven zij, want Jezus zegt: “Wat nu de opstanding der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat door God tot u gesproken is, toen Hij zeide: Ik ben de God van Abraham, en de God van Izak, en de God van Jacob? Hij is niet een God van doden, maar van le­venden” Matteüs 22 vers 31 tot en met 33 (Matt. 22:31-33).

Er is echter ook een afdeling, waar­schijnlijk zelfs meerdere, waar on­gelovigen worden opgesloten.

Het binnengaan in het dodenrijk door Jezus

Het sterven van Jezus had in de zicht­bare wereld duidelijk gevolgen: het werd weer licht, het voorhangsel scheurde, de aarde beefde, rotsen scheurden. Dit waren allemaal tekenen dat er in de onzienlijke wereld een ge­weldig gebeuren plaatsvond: het bin­nengaan van Jezus in het dodenrijk. Niet alleen hadden dood en het dodenrijk geen enkel recht op Jezus, maar op wel­ke plaats in het dodenrijk zou Jezus ge­plaatst kunnen worden? Hij kon de af­delingen binnengaan en kon er ook weer uitgaan. Zo kwam hij bij de gelovigen van het oude verbond. Die verheugden zich over de dag van de overwinning van Jezus: “Uw vader Abraham heeft zich er op verheugd mijn dag te zien en Hij heeft die gezien en zich ver­blijd” Johannes 8 vers 56 (Joh. 08:56). En de gelovigen, die dat wilden, heeft Hij meegenomen. Paulus schrijft: “Daarom heet het: opgeva­ren naar de hoge voerde Hij krijgsge­vangenen mede”. Men zou hieruit kun­nen afleiden dat met Jezus gelovigen van het oude verbond meegingen. In andere vertalingen is dit vers wat an­ders weergegeven Efeze 4 vers 8 (Ef. 04:08).

Jezus bracht niet alleen opschudding door Zijn komen in het dodenrijk, maar ook wat Hij daar deed. Daarvan spreekt 1 Petrus 3 vers 18 tot en met 20

(1 Petr. 03:18-20): “Hij, die gedood werd naar het vlees, maar levend gemaakt naar de Geest, in wel­ke Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest wa­ren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach”.

Deze geesten bevonden zich kennelijk op een aparte plaats. Voor de gelovige Israëliet waren dat de eeuwig verlore­nen, maar dat waren zij niet voor God. En in het dodenrijk waar alles gehouden wordt zoals het er inkomt en geen en­kele verandering optreedt, komt Jezus en brengt wel verandering door Zijn prediking. De doden horen het en kun­nen een keuze maken, waarbij zij bij de goede keuze veranderen: zij worden levend voor God! In het dodenrijk wordt letterlijk waar wat Jezus zei: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen ho­ren, en die haar horen, zullen leven” Johannes 5 vers 25 (Joh. 05:25).

Het verlaten van het dodenrijk door Jezus

De overwinning van Jezus over de dood en het dodenrijk hield in dat Jezus het dodenrijk in kon gaan en eruit gaan, daar kon doen wat Hij wilde en kon meenemen, wie Hij wilde. Jezus drukt dat uit in de woorden: “Ik ben dood ge­weest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk” Openbaring 1 vers 18 (Openb. 01:18).

Maar het verlaten van het dodenrijk be­tekende nog niet dat daarop automa­tisch opstanding zou volgen. Opstan­ding houdt in dat men terugkeert op aar­de met een geestelijk onvergankelijk lichaam. Het zou immers ook moge­lijk geweest zijn dat Jezus vanuit het dodenrijk naar de hemel ging om bij Zijn Vader en de heilige engelen te zijn. Dan zou Hij Zijn lichaam niet terug­gekregen hebben, maar zou dat verlo­ren zijn. En dat zou ook voor onze lichamen gelden!

Opstanding van Jezus Christus

De opstanding van Jezus kwam niet tot stand door Zijn eigen inspanning, maar door ingrijpen van Zijn hemelse Vader.

Daarom zei Petrus in Handelingen 2 vers 32 (Hand. 02:32): “Deze Jezus heeft God opge­wekt, waarvan wij allen getuigen zijn”. En in Handelingen 3 vers 15 (Hand. 03:15): “De leids­man ten leven hebt gij gedood, maar God heeft Hem opgewekt uit de do­den, waarvan wij getuigen zijn”. Zo zijn nog meer teksten te vinden, die zeggen dat God Jezus heeft opgewekt. Trouwens ook Jezus heeft steeds tijdens zijn aankondiging van Zijn lijden en sterven gezegd dat Hij zal worden opge­wekt. Dat zou Hij dus niet zelf doen, maar Iemand anders zou dat doen.

De opstanding van Jezus Christus mo­gen we zien als bewijs, dat Jezus ten volle de taak heeft volbracht, die Zijn Vader Hem opdroeg. Daarom zegt Handelingen 17 vers 30 en 31 (Hand. 17:30-31): “God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetenheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het be­wijs heeft geleverd door hem uit de doden op te wekken”.

Het belang van de opstanding van Jezus Christus

Als Jezus niet was opgewekt, maar rechtstreeks naar Zijn Vader in de he- mei was gegaan, had niemand de ge­loofszekerheid kunnen hebben, dat de dood niet het laatste woord heeft. De opstanding van Jezus was het zicht­bare teken dat Hij inderdaad de sleutels van de dood en het dodenrijk had. Het was de bevestiging van Zijn woorden: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde”. Nu had Hij recht op de gehele schepping. En al doet de boze alsof er niets is veranderd op aarde en laat hij niemand vrijwillig los, voor God is alleen Zijn Zoon Jezus Chris­tus de rechtmatige eigenaar en heeft de boze geen enkel recht op wie en wat dan ook. De boze is wetteloos, een dief en een moordenaar.

Geen angst voor de dood

Jezus beloofde aan degenen, die Hem zouden volgen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeu­wigheid niet aanschouwen” Johannes 8 vers 51 (Joh. 08:51). Degenen, die in Jezus geloven, zullen bij hun sterven niet door de dood in het dodenrijk komen, maar zij zullen bij Jezus hun intrek nemen. Dat houdt dus in dat de gelovigen nooit meer zullen worden gescheiden van hun God en Vader en hun Heer Je­zus Christus. De Bijbel noemt daarom het leven van de gelovigen “eeuwig le­ven”. Daarom verlangde Paulus om heen te gaan en bij Christus te zijn Filippenzen 1 vers 23 (Filip. 01:23).

Zo is de angst voor de dood weggeno­men. Paulus schrijft: “Dood, waar is uw prikkel? De prikkel van de dood is de zonde en de kracht van de zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heer Jezus Christus”. 1 Korinthe 15 vers 55 tot en met 57 (1 Kor. 15:55-57).

Jezus heeft de dood van zijn kracht be­roofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht 2 Timoteüs 1 vers 10 (2 Tim. 01:10). En Hebreeën 2 vers 14 (Heb. 02:14) stelt: “… opdat Hij door Zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel zou ont­tronen, en allen, zou bevrijden, die ge­durende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren”.

Daarom kon Paulus in Romeinen 8 vers 37 tot en met 39 (Rom. 08:37-39) verklaren: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch hoogte noch diepte, noch enig an­der schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Chris­tus Jezus, onze Heer”.

 

Liefde tot de waarheid in de eindtijd door Wim te Dorsthorst

Het eerste artikel over dit onder­werp verscheen in Levend Geloof van vorige maand. In de komende nummers volgen nog enkele ver­volgartikelen.

We zagen dat de waarheid op on­gelooflijke wijze is verdraaid en verleugend door valse profeten, leraren, mensen die zich ‘gezalf­den’ noemen, enz. Dit betreft zowel het geschreven Woord van God, de Bijbel, als het levende Woord van God, Jezus Christus. Ook dat er niet één, maar een ver­scheidenheid aan evangeliën ver­kondigd wordt in deze tijd. En we kunnen gerust aannemen dat dit alles niet af maar toe zal nemen naarmate de eindtijd vordert. Overduidelijk zijn de waarschu­wingen hiervoor in de Schrift te lezen.

De grote verleiding

De Heer Jezus waarschuwt niet in de eerste plaats voor grote boze geesten -al zullen die er zeker ook zijn- maar voor mensen die onder invloed van duivelse leugengeesten de waarheid zullen verdraaien. Hij zegt in Matteüs 24 vers 5 (Matt. 24:05) als eerste waarschuwing tot zijn disci­pelen: “Ziet toe, dat niemand u ver­leide! Want velen zullen komen in Mijn naam en zeggen: ik ben de Christus, en zij zullen velen verlei­den”.

In Matteüs 24 vers 11 (Matt. 24:11) eveneens: “En vele val­se profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden”.

En dan nogmaals in vers 23 en 24 (Matt. 24:23-24): “Indien dan iemand tot u zegt: Zie hier is de Christus, of: Hier, ge­looft het niet. Want er zullen valse Christussen en valse profeten op­staan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zou­den verleiden. Zie Ik heb het u voorzegd”.

Zoals de Heer elders zegt: “En nu heb Ik het u gezegd, eer het ge­schiedt, opdat gij geloven moogt wanneer het geschiedt” Johannes 4 vers 14 (Joh. 14:29), zo geldt ook, dat alles wat Hij voor­zegd heeft betreffende de eindtijd, geschieden zal naar Zijn woord.

Allerlei wind van leer

Het is niet alleen de Here Jezus, maar ook de schrijvers van de brie­ven aan de verschillende gemeen­ten die in soortgelijke woorden voor deze zaken waarschuwen. Zo zegt de apostel Paulus: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen af­vallen van ‘het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun ei­gen geweten gebrandmerkt zijn” 1 Timoteüs 4 vers 1 en 2 (1 Tim. 04:01-02).

Door de mond van de leugenspre­kers, spreken dus de dwaalgeesten en leugengeesten.

Ook zegt hij: “Want er komt een tijd, dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van ‘de waarheid’ zul­len afkeren en zich naar de ver­dichtsels keren” 2 Timoteüs 4 vers 3 en 4 vergelijk Jesaja 30 vers 8 tot en met 10 (2 Tim. 04:03-04; Jes. 30:08-10). Tal van leraren zullen zich er voor lenen om, terwille van de toehoor­ders, in plaats van de waarheid eigen gevonden verdichtsels te ver­kondigen.

In Efeze 4 vers 14 (Ef. 04:14) spreekt hij over allerlei wind van leer, wat tot stand komt door het valse spel van mensen, die in hun sluwheid tot dwaling verleiden. De oudsten van Efeze had hij eer­der al gewaarschuwd met de woorden: “Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trek­ken” Handelingen 20 vers 29 en 30 (Hand. 20:29-30).

De apostel Petrus schrijft in zijn tweede brief eveneens over dwaal­leraars: “Toch zijn er ook valse pro­feten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen ko­men, die verderfelijke ketterijen zul­len doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, ver­loochenende en een schielijk ver­derf over zichzelf brengend” 2 Petrus 2 vers 1 (2 Petr. 02:01).

De apostel Johannes heeft het ook over valse profeten en over de anti­christelijke geesten die ontkennen dat Jezus in het vlees gekomen is 1 Johannes 2 vers 18 tot en met 22 en 1 Johannes 4 vers 1 tot en met 3 en 2 Johannes 1 vers 7 (1 Joh. 02:18-22 en 1 Joh. 04:01-03 en 2 Joh. 01:07).

Het korte briefje van Judas handelt bijna helemaal over het valse spel van ‘zekere mensen’. Hij noemt hen: goddelozen, dromenzieners, schandvlekken, dwaalsterren, wol­ken die geen water geven, enz.

Schijnwaarheden

Dit alles zijn toch zeer indringende waarschuwingen. En al die dwa­lingen zullen zeker de schijn heb­ben van schitterende waarheden. “Immers, de satan zelf doet zich voor als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtigheid” 2 Korinthe 11 vers 14 en 15 (2 Kor. 11:14-15).

Zo op het eerste gehoor en gezicht zal het aannemelijk klinken en er aanlokkelijk uitzien en het verstand strelen. Maar zij die de waarheid van harte liefhebben en zich voe­den met het brood des levens, Jezus Christus en de van God ge­geven Schrift, zullen het kunnen onderscheiden.

Iemand zou op kunnen merken: Dit heeft toch alle eeuwen al een rol gespeeld? Dat is waar, maar Gods Woord laat wel heel duide­lijk zien, dat het bijzonder in het laatst der dagen aan de orde zal zijn. Dit zijn levensgrote gevaren die de gemeente van Jezus Christus van binnenuit bedreigen. Daar hoef je helemaal geen zwartkijker voor te zijn, want het is Gods Woord dat ons hier voor ernstig waarschuwt.

Het zuurdeeg van de leugen

De grote leugenaar, de duivel, waar­van de Heer Jezus zegt: “Hij is een mensenmoordenaar van den begin­ne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid” Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44), zal alles in het werk stellen om de onberispelijke, vol­wassen gemeente, naar het beeld van Jezus Christus, te voorkomen.

Alle vijandelijke groeperingen van de satan spannen samen en hebben eensgezind beraadslaagd, en een verbond gesloten om het volk van God te verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer gedacht zal worden. Zij smeden daarom lis­tige plannen tegen dat volk om de woonsteden Gods in bezit te ne­men. Dat leert ons Psalm 83. De woonsteden Gods zijn de gemeen­ten, maar ook ieder individueel ge­meentelid is een woonstede Gods in de Geest.

Het wordt ook vertaald met ‘de wei­degebieden van God’. Daar waar het volk gevoed en onderwezen wordt. Daarom zal de duivel in de eerste plaats proberen de mensen die in de gemeenten aangesteld zijn als apostelen, profeten, evangelis­ten, herders, leraren, enz. te be- invloeden naar Efeze 4 vers 11 en 1 Korinthe 12 vers 28 (Ef. 04:11 en 1 Kor. 12:28).

Daarom ook dat alle waarschu­wingen hierop betrekking hebben.

Een kleine verleugening in de vor­ming van de gemeente, werkt als een weinig zuurdeeg, als gist, dat het geheel doortrekt en bederft. Het is best mogelijk, dat het bouw­werk er schitterend uitziet, maar als er gerommeld is aan het fundament, in het bijzonder aan de ‘Hoek­steen’ , is het als een huis dat op zand gebouwd is, en de stormen van de eindtijd zal het zeker niet kun­nen doorstaan naar Matteüs 7 vers 24 tot en met 27 (Matt. 07:24-27). De gemeenten die werke­lijk gebouwd zijn op het fundament ‘Jezus Christus’, zullen door de poorten van het dodenrijk niet overweldigd worden, is de belofte van de Heer.

Het geheimenis Gods

Het niet tot volheid komen van de gemeente, de volwassen zonen Gods, zou desastreus zijn voor de schepping, maar het tast tevens God zelf aan in Zijn trouw en ge­loofwaardigheid.

Het is immers volgens Gods eeuwi­ge raadsbesluiten en naar het welbe­hagen van Zijn wil om in Zijn Zoon Jezus Christus, een volk

 

voor zijn Naam te vergaderen uit al­le volken Handelingen 15 vers 14 tot en met 18 (Hand. 15:14-18) tot lof Zijner heerlijkheid en tot lof van de heerlijkheid Zijner genade Efeze 1 vers 4 tot en met 14 (Ef. 01:04-14).

De gemeente is het geheimenis Gods, waarvan Zijn knechten, de profeten, gesproken hebben naar Openbaring 10 vers 7 zie ook Daniel 12 vers 7 (Openb. 10:07; Dan. 12:07). Geen wonder dus, dat de unieke plaats van de gemeente in Gods schepping, in deze tijd met schoon­klinkende leringen wordt aangetast.

Geroepen en uitverkoren heiligen

Het Griekse woord voor ‘gemeen­te’ is: ‘ekklèsia’ en betekent: ‘uitge­roepenen’. Het zijn de ‘uitgeroepe­nen’ of ‘bijeengeroepenen’ uit de wereld.

Het is niet een open vereniging of organisatie waar iedereen zich bij aan kan sluiten maar men wordt er ‘van boven’ toe geroepen. Het is geen mensenwerk, maar het is Gods werk in Jezus Christus.

Zo spreekt Paulus over “voorwer­pen van ontferming, die Hij (God) tot heerlijkheid heeft voorbereid”.

En dan zegt hij verder: “En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet al­leen uit de Joden, maar ook uit de heidenen” Romeinen 9 vers 23 en 24 (Rom. 09:23-24).

In Romeinen 1 vers 7 (Rom. 01:07) spreekt hij van “geroepenen van Jezus Chris­tus, geliefden Gods en geroepen heiligen”.

De losgekochten van de aarde

De gemeente is niet meer van deze wereld, terwijl ze er toch middenin leeft en werkt, maar naar de geest zijn zij hemelburgers en medebur­gers der heiligen en huisgenoten Gods Filippenzen 3 vers 20 en Efeze 4 vers 19 (Filip. 03:20; Ef. 04:19). De Heer Jezus zegt in Johannes 15 vers 18 en 19 (Joh. 15:18-19) tot zijn discipelen: “Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het hare lief­hebben, doch omdat gij van de we­reld niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen hebt, daarom haat u de wereld”.

In Openbaring 14 vers 3 tot en met 5 (Openb. 14:03-05) wordt de gemeente, de honderd- vierenveertigduizend, de losgekoch­ten van de aarde genoemd, ‘die ge­kocht zijn uit de mensen’ als eerste­lingen voor God en het Lam. Zij zijn onberispelijk!

Het lichaam van Christus

De gemeente is een levend organis­me, het lichaam van Christus, en de leden zijn samen gevoegd en le­ven door de Heilige Geest 1 Korinthe 12 vers 12 en 13 (1 Kor. 12:12-13).

“God echter heeft de leden, elk in het bijzonder hun plaats in het lichaam aangewezen, zoals Hij heeft gewild” 1 Korinthe 12 vers 18 (1 Kor. 12:18).

Zo groeit de gemeente op en wordt vervuld tot alle volheid Gods. Een heilig volk, volmaakt zoals hun he­melse Vader volmaakt is Matteüs 5 vers 48 (Matt. 05:48).

Onberispelijk en heilig naar het we­zen van de Vader en de Zoon. Hier­van zegt Openbaring 14 vers 1 (Openb. 14:01): “En ik zag en zie, het Lam stond op- de berg Sion en met Hem honderd- vierenveertigduizend, op wier voor­hoofden Zijn naam en de naam Zijns Vaders geschreven stonden”.

Een eeuwig koningschap

De gemeente is door God in Jezus Christus behouden en geroepen met een heilige roeping naar Zijn ei­gen voornemen en genade 2 Timoteüs 1 vers 9 (2 Tim. 01:09). Zij zijn voor God gekocht met het bloed van het Lam, uit elke stam en taal en volk en natie. En dan staat er verder in Openbaring 5 vers 10 (Openb. 05:10): “En gij hebt hen voor on­ze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als ko­ningen heersen op de aarde”.

De gemeente is het lichaam van Christus, waardoor in de tijden der eeuwen geregeerd zal worden. Hier­van lezen we in Danieël 7 vers 18 (Dan. 07:18): “Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ont­vangen, en zij zullen het koning­schap bezitten tot in eeuwigheid, ja tot in eeuwigheid der eeuwig­heden “. Daar komt dus geen einde aan! zie ook Openbaring 22 vers 5 (Openb. 22:05). En verder in Openbaring 22 vers 27 (Openb. 22:27): “En het koningschap, de macht en de groot­heid der koninkrijken onder de gan­se hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Aller­hoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen”.

Een volk voor Zijn naam

De gemeente is het volk wat nü ge­vormd wordt, die in de zwaarste verdrukkingen zullen volharden tot het einde Matteüs 24 vers 13 (Matt. 24:13). Die dagelijks, vol liefde en over­gave, zichzelf verloochenen, hun kruis opnemen en achter de Heer aan gaan Lucas 9 vers 23 (Luc. 09:23). Het is het volk waarvan de Heer Jezus zegt: “Wie overwint, hem zal lk geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon” Openbaring 3 vers 21 (Openb. 03:21).

Dit is het volk volgens Gods eeu­wige raadsbesluiten en naar het wel­behagen van Zijn wil. Een volk voor Zijn naam, tot lof Zijner heer­lijkheid en tot lof van de heerlijk­heid Zijner genade. Het volk dat Hij Zich ten erfdeel koos uit de schepping Psalm 33 vers 12; Psalm 74 vers 2 (Ps. 033:012 en Ps. 074:002).

Geen wonder dus dat alles wat de duivel onderneemt er opgericht zal zijn dit geweldige werk Gods te doen mislukken. De grote leuge­naar zal ontkennen dat de gemeen­te van Jezus Christus die bijzonde­re plaats heeft in het eeuwige raads- plan van God. Hij (de duivel) zal velen aanzetten tot het zoeken van vervullingen, hier, voor het tijdelij­ke bestaan. Genezing voor het lichaam, een blij ontspannen leven, vreugdevolle samenkomsten, zege­ningen in al het aardse, enz. Vandaar al die verschillende evangeliën! Paulus zegt: “Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Chris­tus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardige van alle men­sen” 1 Korinthe 15 vers 19 (1 Kor. 15:19).

De waarheid liefhebben

Daarom de indringende waarschu­wingen van de Heer en de aposte­len die spreken van valse Christus­sen, valse profeten, valse leraren, leugensprekers, bedrieglijke arbei­ders, schijnapostelen, grimmige wolven, enz.

Het is voor iedere gelovige van (geestelijk) levensbelang de waar­heid van harte lief te hebben en al­les wat als waarheid verkondigd wordt te toetsen aan Gods Woord, de Bijbel

 

Ontmoeting met God door Tea Keuper Dijk

“U komt stilheid toe, een lofzang o God in Sion. U worde gelofte betaald. Hoorder van het gebed, tot U komt al wat leeft!’ Psalm 65 vers 2 en 3 (Ps. 065:002-003).

Stille tijd houden is een begrip voor christenen. De Heer zoeken, tot Hem naderen, dan nadert de Heer tot ons. Het trof mij in het lezen van deze Psalm dat de dichter ervan, David, zegt: “U komt stilheid toe”. Het heeft te maken met afzondering van alles wat lawaai maakt, wat je afleidt om je gedachten te bepalen bij iets of iemand. In deze tekst betreft het God, Die je stilzijn voor Hem toekomt. En – dit stilzijn wordt zo gezegend! Want in Gods tegenwoordigheid komen en zijn is voedsel, rijk voedsel voor onze geest. We leren Gods gedachten kennen, Zijn rijkdommen, Zijn Koninkrijk! We leren datgene wat ons bezighoudt, aan Hem te geven; Hij verlangt hiernaar. We mogen een ‘waslijst’ hebben, maar behoeven geen veelheid van woor­den te gebruiken of exacte beschrijvingen te geven. God kent van verre onze gedachten! Onze overgave in stilheid en vertrouwen is zo belangrijk! Dit kende David ook, doordat hij een vertrouwelijke omgang had met Vader God. Hierdoor hield hij stand in al zijn moeiten en zorgen. Het is de moeite waard Psalm 65 in z’n geheel te lezen, de beeldspraak te overdenken en gesterkt te worden aan het begin van een nieuwe dag.

 

De commotie rond incest door Evert van de Kamp

 

Incest: gaat ons dat iets aan?

Moeten we over dit bizarre onderwerp wel schrijven? Er zijn wellicht duizend redenen om het maar niet te doen. Toch zijn er enige motieven die de doorslag geven om het wel te doen. Ik noem er drie.

De allervoornaamste reden is de wer­kelijk verschrikkelijke nood van de incest-slachtoffers. Zij, veelal vrouwen maar ook steeds meer mannen (de verhalen van o.a. Amersfoort en Rijssen waar je van bijna-incest kunt spreken zijn bekend), ondergaan onvoorstelbaar leed en kampen niet zelden jarenlang met afschuwelijke gevolgen. Een deel van hen vreest zelfs daar nooit van af te zullen komen. Het gebeurde wordt een syndroom. Veel incest-slachtoffers zijn hun identiteit van vrouw of man kwijtge­raakt. Zij zijn in hun mooiste en diepste gevoelens, in het meest intieme deel van hun leven aangerand en daardoor

beschadigd. Wat is er nu nog waar, vragen ze zich vaak vertwijfeld af. Ze gaan hun eigen lichaam haten. De bijna niet te geloven verhalen zijn huiveringwekkend, maar… waar!

Het tweede argument betreft de daders. Hans Otten heeft over drie mannen, incest-daders, een professionele documentaire gemaakt. Heel klinisch maar zo schokkend dat het hem zelf shockeerde.

Hijzelf over zijn film: ‘Op het laatste moment heb ik nog een paar gruwe­lijke details weggelaten, omdat de verhalen van de mannen op zichzelf al walgelijk genoeg waren. Ik hoef niets meer toe te voegen als een vader gede­tailleerd vertelt hoe hij zijn dochter rijp maakte voor seksueel contact, hoe prettig het kind dat had gevonden -ze lag te snikken in mijn armen, maar niet van verdriet of pijn hoor- en hoe boos hij was, dat de buurman hem had betrapt en aangegeven’.

Als derde punt wil ik noemen dat het wel lijkt of wat de Bijbel zegt achter de horizon verdwenen is, terwijl incest bij mensen die bij kerk of gemeente betrokken zijn evenveel voorkomt als bij hen die dat niet zijn. Deze drie facetten komen aan de orde. Als we zeggen: dit gaat ons niet aan, laten we er dan het zwijgen toedoen. Maar wie kan dat in onze tijd nog volhouden? Alles wordt openbaar!

De eerlijkheid van Gods woord

De Bijbel doet er in ieder geval niet het zwijgen toe. De bijbelschrijvers hebben open en eerlijk opgetekend wat God hun opdroeg. De verhalen van ontucht, onreinheid en ook incest zullen hen de nodige moeite hebben gegeven. Het is niet leuk daarover te moeten schrijven. Maar bij God is niets taboe. Wat niet klopt, stelt God juist aan de orde. Van den beginne af heeft God duide­lijk gesproken: ‘Niemand zal naderen tot zijn naaste bloedverwant’ (Lev. 18:06). U moet Leviticus 18 maar eens lezen, met heilig ontzag. Ondanks de woorden van de Heer gebeurde en gebeurt het toch!

De dochters van Lot verleiden hun vader

Ammon verkracht zijn halfzuster Tamar

Paulus moet de Korinthiërs zeggen: dat iemand leeft met de vrouw van zijn vader komt bij de heidenen niet voor maar wel bij jullie christenen.

De Bijbel verbloemt niets. Kent het taboe niet van: daar moetje niet over spreken. En zeker al niet als het over grove zonde en misleiding gaat. Slachtoffers verdienen zonder meer hulp en begrip. Bij God vinden ze barmhartigheid. En evenzeer blijft de prangende vraag of er nog een weg terug is voor de daders.

Maak het openbaar

Over incest is en wordt veel geschre­ven en gesproken. Wat aan het licht komt is kennelijk nog maar het topje van een ijsberg. Een vertrouwens­persoon noemt een score van jaarlijks zo’n honderd gevallen verspreid over het hele land. Dat zijn alleen de gere­gistreerde aangiften.

Graag wil ik de aandacht vestigen op het boekje van de Hervormde predikant Dr. J. Hoek uit Veenendaal. Toen het niet lukte om samen met andere schrij­vers iets te publiceren, is hij zelf maar aan de slag gegaan. Zo ontstond het boek ‘Incest’ met als ondertitel ‘Wat gaat ons dat aan?’ Boekencentrum heeft het uitgegeven.

Het boek vermeldt tevens een aantal hulpadressen en geeft een literatuur­lijst. Inmiddels is er een vermeldens­waard adres bijgekomen: Stichting Chris voor Kinder- en Jeugdhulp in Dordrecht, tel. 078-6312300.

Omdat wij allen met het probleem in­cest te maken hebben of krijgen, zou iedereen dit boek moeten lezen. Want op een dag is daar ‘opeens’ iemand die u haar of zijn incestverhaal toevertrouwt. Wat doet u dan?

De incestverhalen klinken vaak zo onwezenlijk dat het soms nauwelijks voor te stellen is dat ze toch waar zijn.

Een stukje uit een interview: ‘Toen mijn vader vertelde dat mama’s vader rare dingen met haar had uitgehaald, wist ik eigenlijk genoeg. Ik heb toen niet verder gevraagd. Ik heb mijn opa vaag gekend. In mijn herinnering was het een goede man. Mijn eerste reactie was dan ook: Ach, het zal wel meevallen. Ze over­drijft. Ik kon het me gewoon niet voorstellen. Later wel. Ineens vond ik mijn opa een viezerik. Ik ben daarna veel gaan lezen over incest. In het begin heb ik heel raar aangekeken tegen de mannen in het verpleeghuis waar ik werk. Waren zij wel zo aardig of had­den zij ook iets uitgespookt met hun kinderen?’ (Visie nr.9-’96).

Ik attendeer u ook op het boek ‘Lieve Vader, vuile Schurk’ van de christen­schrijver Lenze L. Bouwers. In roman­vorm vertelt hij ons integer wat dochter Hermien bij haar vader moet ondergaan en hoe moeilijk de weg is naar vertrou­wensarts en pastor. Het boek is verschenen bij uitgeverij Kok-Kampen en vrijwel in elke open­bare bibliotheek te leen.

Het verhaal en het proces van Jolanda uit Epe is bekend. Wat een verwarring en ontreddering.

Het diepst raakt mij het gedichtenbun­deltje ‘Er is bij mij ingebroken’ van Diny Nijland (Ark Boeken). Daar kun je tranen van in je ogen krijgen. Oordeel zelf!

Ze hebben bij mij ingebroken en de sleutel zoekgemaakt ze hebben bij mij ingebroken en me intens diep geraakt

Ze hebben bij me ingebroken mijn privéleven ingetrapt ze hebben bij mij ingebroken en mijn ‘eigen ik’ gegapt

Ze hebben bij me ingebroken niets voelt nu meer veilig aan ze hebben voor altijd ingebroken hoe moet ik nu verder gaaan

Zij noemde dit gedicht ‘inbraak’.

Waar praten we over?

Eerst een stukje introductie van Fred Nijland uit genoemde bundel: ‘Je leest er soms iets over en deskundigen zeggen dat het vaker voorkomt dan je denkt. Incest. Of seksueel misbruik. Maar hoe je het ook noemt, voor de slachtoffers is dat niet van belang. Wat zij voelen, dèt is van belang: depressie, angst, afkeer van jezelf, walging van je eigen lichaam, opstand, intense pijn en eenzaamheid. Iemand heeft op brutale wijze ingebroken in je persoon. Gevolg: een ravage die je je leven lang mee­sleept’.

Dr. Hoek schuwt in zijn boek de con­crete werkelijkheid niet. Zijn voorbeel­den zijn uit de kerkelijke wereld zoals hij die meemaakt.

– Incest om zwanger te worden. Een vader verwekt met medeweten van zijn vrouw bij zijn kinderloze dochter op haar verzoek een kind. Moeder krijgt

verlammingsverschijnselen.

Bescherming die uit de hand loopt. Moeder is voor behandeling van depressiviteit in het ziekenhuis. Bij een hevig onweer neemt vader zijn 14- jarige dochter bij zich in bed met gevolg incest. Op latere leeftijd kan ze geen lichamelijk contact verdragen.

Uitgestelde problematiek. Een jonge vrouw van 22, net getrouwd, wordt wegens acute psychose opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Een vrouwelijke arts lukt het haar te laten vertellen, niemand wist het, dat haar vader haar na het overlijden van de moeder regelmatig seksueel had mis­bruikt. Ze was toen veertien. In haar huwelijk beleeft ze alles opnieuw.

Moeder en zoon. Een weduwvrouw van 48 brengt haar zoon tot geslachtsgemeenschap. Na een tweede suïcide­poging vinden ze hem dood in haar slaapkamer.

Een zuster en twee broers. Ze vormen samen een huishouding, ’s Zondags gaan ze trouw naar de kerk. De vrouw wordt al maar depressiever en vertoont vergiftigingswanen. Beide broers hebben een seksuele relatie met haar. Tweemaal was ze zwanger van hen, dat werd weggemaakt. Ze weigert medicijnen en verdrinkt zich door van een brug af in de rivier te springen.

Dit alles, kort samengevat, vertelt wat incest kan zijn en de verschrikkelijke gevolgen ervan.

Waarom moet ik dit weten, zegt u misschien? Omdat het kwaad en daarmee de nood onder ons is. Soms vlakbij. Het gaat geen enkele bevol­kingsgroep voorbij. Ook binnen het ‘volle evangelie’ is dat gebleken. Jan Hoek doet in zijn studie een poging een weg te vinden tot hulp in een oerwoud van onreinheid.

Onbeschrijflijke nood

Opnieuw Fred Nijland aan het woord: ‘Incest is een systeem waarin je gevan­gen zit. Tussen de muren van die ge­vangenis word je heen en weer geslin­gerd. De muren van het innerlijk verzet tegen de vader, de muur van boosheid op de moeder die niet heeft ingegrepen, de muur van liefde, de muur van haat, de muur van angst en van verdriet. Hoe leer je nu je hemelse Vader kennen als je aardse vader het begrip ‘vader’ be­smeurd heeft? En als die vader zegt te geloven, in wat voor ‘god’ gelooft hij dan? Er zit niets anders op dan op zoek te gaan naar de Vader bij uitstek’.

Ik citeer nog wat versregels uit enkele gedichten van Diny Nijland om u te laten ‘proeven’ hoe diep de nood is.

De pijn is niet meer te dragen God, dit is toch echt niet waar? Drie mannen namen bezit van mij En nu zeggen ze: zij doet zo raar….

Papa, wat heb jij mij aangedaan dat ik nu leef met zo’n intense pijn papa, wat heb jij mij aangedaan ik wilde gewoon je dochter zijn….

Nooit wil ik je mijn moeder noemen en van je houden evenmin ik wil zelfs je kind niet meer wezen al draai ik daar de hel voor in….

Je hoort incest slachtoffers zegden dal ze op den duur een gespleten persoonlijkheid kregen of dreigden te krijgen (Barbara in HO-TV).

Diny Nijland:

Wie is Gek?

M’n vader is een viezerik m’n moeder een duivelin en ik…

ik sta daar tussenin

M’n vader drijft de duivel uit m’n moeder hem er weer in en ik…

ik ben de duivelin

M’n vader geeft me steeds de schuld m’n moeder houdt haar bek en ik…

ach, ik ben nou eenmaal gek

Dit tekent de nood van het slachtoffer. En dan is er nog de nood van de dader. Die nood is mogelijk nog groter. Het slachtoffer roept vaak nog tot God en vindt ontferming. De dader roept meestal niet meer, kent de woorden schuld en vergeving niet. Jelis van Leeuwen, praktijkleider bij een Raad voor de Kinderbescherming legt uit hoe dat zit met de verantwoordelijk­heid van daders (Trouw 7-3-‘%): ‘Uit de literatuur en door ervaring weten we dat in de relatie tussen pleger en slachtoffer vaak drie te onderscheiden processen een rol spelen: de geleidelijke seksualisering van de relatie, de recht­vaardiging van het seksule contact en de manier waarop slachtoffers tot mede­werking worden gebracht. Steeds meer blijken plegers er als het ware een scenario, een geleidelijk voorbereidingsproces op na te houden. Dat impliceert, dat er bij hen ook steeds keuzemomenten aan de orde zijn, of, in andere woorden, momenten om ver­antwoordelijkheid te nemen voor eigen gedrag. Plegers willen die verantwoor­delijkheid voor hun gedrag echter niet nemen en zijn expert in het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor hun gedrag, feitelijk, psychologisch en moreel’.

Hans Otten confronteert de drie daders met de documentaire die hij maakte. Zijn weergave van hun reacties: ‘De ergste van ’t stel zat doodstil te kijken. Na afloop zei hij alleen maar: dit is snoeihard, maar waar. De tweede was vrijwel onbenaderbaar na afloop. Zo is het, mompelde hij. De man die als enige nog weleens last had van inner­lijke strijd, en ook als enige van de drie teruggekeerd is in zijn gezin, reageerde bozig en agressievig, omdat ik allerlei verzachtende omstandigheden had weggelaten’.

Een schreeuw om hulp

De roep om hulp van de slachtoffers is legitiem. De gemeente, het lichaam van Christus, kan daar nooit onverschillig aan voorbijgaan. Al helemaal niet in een tijd waarin de onreinheid onrustbarend toeneemt. Door alle media worden we ermee overspoeld.

We hebben echter unieke kansen. In prediking en bijbelstudie geeft de Heer

alle mogelijkheden om uit een rein hart en leven vanuit zijn Woord over deze zaken te spreken. We mogen daarover niet zwijgen. In het pastoraat mag niets blijven liggen. De Heer zelf zal zeker openbaren wat de duisternis (nog) niet prijs wil geven. De weg van bekering en vergeving, hoe moeilijk en zwaar ook, sluit de Heer niet af.

Als ‘volle evangelie-mensen’ kennen we de strijd tussen God en satan. Het is een Godsvoorrecht kennis te hebben ontvangen van de strijd in de geestelijke onzienlijke wereld. Je plaats in te nemen in de hemelse gewesten Efeze 1 vers 3 en Efeze 2 vers 6 en 7 (Ef. 01:03; Ef. 02:06-07).

De Heer biedt ons zijn Geestesgaven aan om gevangenen los te maken en verbrokenen in vrijheid heen te zenden Lucas 4 vers 19 (Luc. 04:19). Jezus is gekomen om de werken des duivels te verbreken 1 Johannes 3 vers 8 (1 Joh. 03:08). Volgelingen van Jezus die in zijn voetstappen treden, zullen op dezelfde wijze openbaar worden Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19).

Niemand kan het werk van Gods Geest keren.

De gemeente van Christus zal in de kracht van Gods Geest veel kunnen doen. Het juk van de onreinheid breken, mensen weghalen onder de macht van de onreine geesten vandaan. Helend en genezend bezig kunnen zijn.

Deskundige hulp is nodig

We moeten echter wel beseffen dat in­cest een dermate traumatische ervaring is dat ook deskundige hulp nodig kan zijn. Omdat veel verborgen wordt gehouden is studie van het incest- profiel van belang. Door signalen eerder te leren herkennen kunnen we mogelijk veel leed voorkomen. Vertrouwt iemand u haar of zijn incestervaringen toe wijk dan niet. Op dat moment bent u degene en wellicht de enige die alles voor die ander betekent. Luister dan en bid zonder ophouden. Mocht incest en/of andere ongewenste en onreine intimiteiten één van ons zelf overkomen, laten we dan ogenblikke­lijk hulp gaan zoeken. Door niets en niemand mogen we daarin tegen wor­den gehouden.

Als er bij ons is of wordt ‘ingebroken’ is de kortste weg van herstel in actie komen vanaf het eerste moment. Aarzel niet, nooit! Heus er zijn betrouwbare mensen die altijd willen helpen en bij wie we echt veilig zijn. De Heer laat ons nooit vallen.

Fred Nijland: ‘Iemand die het zelf niet heeft meegemaakt, kan je nooit hele­maal begrijpen. Dat kan je teleurstellen. Maar God begrijpt je wèl. Hij neemt het voor je op. En al voel jij je soms koud van binnen, het laat Hem niet koud! Hij houdt van je’.

 

 

Lofzang door Froukje Huis

In de vroege voorjaarsochtend word ik wakker. Door ’t openstaan­de raam waait een frisse wind naar binnen, ’t Is al licht, maar nog erg stil. Behaag’lijk doezel ik weer in, als plotseling een vrolijk flui­ten de stilte verbreekt. De eerste vogel begint zijn morgenlied. Eerst aarzelend, dan uit volle borst! Klaar wakker nu, lig ik te luiste­ren. Ja, daar is de tweede. En nog één, wéér een ander! Waar zijn ze? Ik tuur naar buiten. Niets te zien! En het gezang zwelt aan, tot de hele lucht vervuld is van een machtig geluid, in alle toonaarden en toch een harmonisch geheel, een lofzang tot eer van de Schepper. Ik word er helemaal blij van: ‘Vader, wat bent U groot, wat een geweldig idee om vogels zo’n loflied in de mond te leggen! ’s Avonds maken we een wandeling in de buurt, ’t Is nog licht, maar buiten lekker rustig. Plotseling begint een merel te zingen. Hij zit in z’n eentje op de nok van het dak. Prachtige trillers komen uit dat kleine keeltje. En als hij verstomt, antwoordt een ander van­uit de top van een boom. ’t Lijkt een dialoog en soms een duet. Hoog boven de aarde verheven, zingen ze hun lied onverstoorbaar. Zij beantwoorden aan ’t doel: ‘Zingen tot eer van hun Schepper’! En ik, die ook tot Zijn eer ben geschapen? Was ik de hele dag blij? Kon ik me boven de omstandigheden verheffen of liet ik me er door intimideren? Ja, maar… Waar was ik? Op de grond of in het topje van de boom? Op aarde of in de hemelse gewesten? Ook wij kunnen ons verheffen, want we hebben een plaats gekre­gen in de hemelse gewesten, dicht bij de Heer, ver van de wereld. Een plaats om Hem onverstoorbaar te loven en te prijzen om Zijn macht en majesteit, om Zijn heerlijkheid, barmhartigheid, liefde en trouw! Daar wil ik vertoeven (u ook?) en de dingen zoeken en bedenken die boven zijn, om me voortdurend in Hem te verheu­gen, want:

‘Wie is als aller Opperheer, zo heerlijk, zo volkomen?

De Heer is groot, Zijn naam is groot;

de luister van Zijn deugden groot;

oneindig groot Zijn Wezen’.

Froukje Huis

1996.03 nr. 379

Levend geloof 1996.03 nr. 379

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Temidden van alle verwarring en misleiding veroorzaakt door het rijk der duisternis, zien we in onze dagen hoe het werkelijke evange­lie, zoals Jezus dat bracht en later de aposte­len, bij de waarachtige gelovigen tot een vast fundament is geworden, een zekerheid waar­op men verder kan bouwen. Op een gezonde wijze zien wij bij heel wat kinderen Gods een verdere groei naar geestelijke volwassenheid. Geheel naar de wil en de bedoeling van God, die verlangend is dat Zijn wezen en karakter volledig tot openbaring gaat komen in allen die het Koninkrijk Gods zijn binnengegaan. De tegenstander is het er uiteraard alles aan gelegen de doorbraak van het volle evangelie af te remmen of in diskrediet te brengen. Dat hiervoor christenen worden ge(mis)bruikt die niet verder geestelijk groeien en in een beginstadium blijven steken, is weliswaar bedroevend, maar dat neemt niet weg dat Gods werk toch doorgaat! Gods volle heer­lijkheid gaat terugkeren in allen die zich daarvoor openstellen en verlangend zijn dagelijks vol te zijn van Gods Geest.

Met deze gedachten en motivatie voor ogen werd ook nummer 379 van ons blad weer samengesteld en ik twijfel er geen moment aan dat de artikelen in dit nummer zullen meewerken dat het geloofsleven van onze lezers en lezeressen er op een gezonde wijze door geïnspireerd en verder opgebouwd zal worden.

 

Een bazuin met een helder geluid door Hessel Hoefnagel

Als bewust christen is het zeer belangrijk, om de ware God en de Heer Jezus goed te (leren) kennen. Dat is niet alleen goed voor je eigen ontwikkeling als geestelijk georiënteerd mens, maar net zo nodig om aan de mensen om je heen een duidelijk beeld te kunnen geven van de liefde van God, die naar alle mensen uitgaat.

Je streven moet niet gericht zijn om als op een bijbelschool een diploma te verkrijgen voor de bewezen uiterlijke kennis, maar je inzet moet vooral gericht zijn op vermeerdering en sterker worden van je geloof, van je volharding, van je verlangen naar waarheid, van je geestelijke stabiliteit en van de uitwerking daarvan naar buiten toe.

Als zo’n christen heb je een goeden degelijk geestelijk onderwijs nodig, aangepast aan je innerlijke gestalte. Niet éénmalig, maar met een zeer regelmatige bijscholing vanwege het steeds meer naderen­de doel. Dat is dan ook de wezen­lijke zin en betekenis van het trouw zijn in het bezoeken van ge­organiseerde samenkomsten, met name in eigen gemeenteverband.

Geroepen om te strijden

In 1 Korinthiërs 14 vers 6 tot en met 8 (1 Kor. 14:06-08) staat onder andere: als de bazuin (ónze bazuin) een onduide­lijk geluid voortbrengt, wie zal zich gereed maken voor de strijd? Voor ‘onduidelijk’ kun je ook invul­len: verwarrend, onzeker (Staten- vert.). En het doel van de bazuin is juist het oproepen tot geordende strijd! Als christen ben je namelijk geroepen om te strijden. Niet tegen vlees en bloed, maar tegen boze geesten in de hemelse gewesten.

Daarvoor moet je worden toege­rust (Efeze 6). Het gaat niet om een stuk(je) voldoening in je als christen ijverig bezig zijn in allerlei aardse verbanden maar het gaat er om, dat onze God Zijn eeuwige doel bereikt en datje persoonlijk daar een medewerkende plaats in hebt.

Het doel van de Schepper is een totale schepping met centraal daar­in de mens, om uitdrukking te ge­ven aan Zijn onmetelijke potenties.

Velen, die dit lezen, zullen al jaren lang de kern van het evangelie van Jezus Christus kennen. Anderen wellicht minder. Het gaat er echter om, dat je als christen de consequenties en verantwoordelijkheden kent en accepteert, welke aan het evan­gelie vastzitten. Allereerst voor je eigen leven, maar ook vandaaruit naar anderen toe.

Anderen dichtbij, bijvoorbeeld je broeders en zusters en ‘veraf, dus alle andere mensen met wie je min of meer contact hebt.

De vraag voor ieder van ons is: Hoe duidelijk is het geluid van mijn ba­zuin?

Gods eeuwige verlangen

Onze God was ooit alléén, want uit Hem als de grote Schepper zijn in feite alle mensen, engelen, die­ren en dingen voortgekomen, omdat Hij al scheppend de aanzet heeft gegeven voor de vorming en ont­wikkeling van alles, hetzij materieel of fysiek en geestelijk. Zijn eeuwige verlangen gaat er echter naar uit, dat Hij niet alléén blijft. Hij brengt daarom nog steeds in de doorgaande schepping van ‘hemel en aarde’ dit verlangen naar buiten. Een verlangen, dat gericht is op volkomenheid in het hele universum, zonder enig spoor­tje van duisternis, zonde en onvol­komenheid.

Als christen heb je een reële plaats en taak in deze doelstelling. Daarin is het essentieel, dat alle vijanden van dit plan van God voor eeuwig uit de gehele zichtbare en onzicht­bare schepping worden uitgeban­nen. Dan zal de eeuwige Schepper in het centrum van die schepping en in heel Zijn onmetelijke poten­tie en heerlijkheid stralen als de zon in haar kracht. Daarmee komt overeen de levenswandel van de rechtvaardige, wiens ontwikkeling is als het ‘glanzende morgenlicht’, dat steeds helderder straalt tot de volle dag’, zoals Spreuken 4 vers 18 (Spr. 04:18) weergeeft.

Persoonlijke verant­woordelijkheid

Wat is het goed te bedenken dat on­ze God voor het bereiken van dat grote doel de méns heeft gescha­pen om aan Zijn mogelijkheden ge­stalte te geven. Om het nog sterker te zeggen: Hij heeft u en mij daar­voor bestemd, als gelovigen in Je­zus Christus. Daarom is het ken­nen van de Heer en Zijn evangelie dus niet een vrijblijvende zaak.

Het evangelie is ook niet een bepaal­de theorie, welke je al of niet kunt aanvaarden of naast je néér leggen. Het is van levensbelang en een persoonlijke verantwoordelijkheid, dat je als christen goed weet of te weten komt, waar het werkelijk op aan komt.

Datje wezenlijk deel hebt aan de kennis (liever: het kénnen) van Christus Jezus. Niet slechts een op­pervlakkig kennen, maar een diep ingrijpend kennen. Een kennen dat je levenspatroon totaal verandert in de mate, waarin vanaf nu en door­gaand wordt heen gewerkt naar het doel.

Steeds meer zicht

Het streven naar dit verheven doel voelt in uiterlijke zin beslist niet al­tijd prettig aan, hoewel je innerlijk wel de diepe vreugde ervaart van dat kennen vanwege het steeds meer zicht krijgen op het wezenlijke van het mens-zijn naar het beeld, dat de Schepper vanaf het begin voor ogen heeft.

Het evangelie van onze Heer is dus beslist geen theorie. Het gaat niet om een verstandelijk kennen van de weg tot volmaaktheid. Het gaat ook niet om een theoretische kennis, waarin allerlei machten en krachten een rol spelen vanwege hun voortdurende pogingen om de ontwikkeling tot de begeerlijke vol­komenheid voor de mens te blokke­ren of tenminste af te remmen.

We hebben wat dat betreft in de laatste jaren veel kennis en inzicht opgedaan over het bestaan van vele met name te noemen vijanden, welke onze door onze God bedoelde ontwikkeling zo veel mogelijk trachten te beletten.

Velen van ons weten wellicht al ja­ren, dat boze geesten werkzaam zijn en waar mogelijk kinderen van God afhouden van hun ware bestemming. Daarin gaan ze veelal heel subtiel te werk om op de meest onverwachte momenten hun kop op te kunnen steken. Het zijn voortdurend zeurende hielbijters, die het voortgaan van de chris­ten danig kunnen beletten vergelijk Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15). Zij zijn er voortdurend op uit om je te ‘doden’, dit is je uit te schakelen. Ze doen er alles aan om je uit het Koninkrijk van God te halen en ze misbruiken daarvoor je man, je vrouw, je kind, je vader of moeder, broer of zus, collega, enz. Het doet er daarbij echt niet toe of er sprake is van een medegelovige of niet. Temeer daarom de noodzaak van een (persoonlijke) ‘kennis van onze Here Jezus Christus, welke al­les te boven gaat’, zoals in Filippenzen 3 vers 8 (Filip. 03:08) staat.

De verdere ontwikkeling

Om de juiste kennis te hebben en verder te verkrijgen van de bedoe­ling en het wezen van onze God en van Zijn Zoon Jezus Christus, heb je nodig om vervuld te zijn van de Geest van God. Dat is in het plan van God opgesloten. Een mensheid, vol van ‘God! God alles in allen 1 Korinthe 15 vers 28 (1 Kor. 15:28). Dat is niet een kwestie van een handomdraai. Dat vereist een diepe en vergaande ont­wikkeling, waarbij de mens per­soonlijk geheel is en wordt ing­eschakeld.

Uiterlijke kennis van allerlei ‘chris­telijke’ regels en stellingen is daar­bij niet relevant. Zij maakt opge­blazen, evenals ingebeelde kennis. Wézenlijke kennis echter is geba­seerd op werkelijke liefde tot (het plan van) God. En deze kennis be­werkt andersom een gekend worden door God 1 Korinthe 8 vers 1 tot en met 3 (1 Kor. 08:01-03).

Het is genade en vrede als je door de juiste kennis van onze Heer Je­zus en van onze God de Vader zo in de juiste ontwikkeling bent en daar­bij ook de machten der duisternis weet te onderkennen en te ontmas­keren.

Vanuit je heilige roeping is het no­dig om in je intermenselijk contact te waken voor een reactie van ge­raaktheid, van ergernis, van boos­heid, van teleurstelling enz. Later ervaar je daarvan namelijk de pijn, die je zo gemakkelijk uitschakelt in je positie die je van de Heer hebt gekregen in het centrum van Zijn plan.

Het ware kennen van God de Va­der en de Heer Jezus de Zaligma­ker stelt je in staat om te reageren vanuit de goddelijke liefde, vrede, rust en stabiliteit die bij het Konink­rijk van God horen.

Het ware kennen

Het is heel gezond en leerzaam om vanuit de kennis van God en van de Heer Jezus, jezelf er in te oefenen om met alle soorten mensen om te gaan zoals de Heer dat zou doen. Om op de juiste wijze te reageren en te bidden voor die mensen en dan vooral voor diegenen met wie je spanning ervaart.

Als je zó bezig bent, zul je ervaren (of je er misschien niet eens direct van bewust zijn), datje boze geesten lam legt en de mogelijkheid ont­neemt om hun geraffineerde werk te doen. Zo wordt je genade en vrede vermenigvuldigd vanwege het wa­re kennen van God de Vader en Jezus Christus de Heer.

Enkele stellingen (naast de al beken­de) voor een juist christen-zijn acht ik daarom:

Een éérste noodzaak, datje niet accepteert, dat je afgeremd wordt in je doelstelling.

Vervolgens de noodzaak, dat je met voortdurende aandacht leert de voor jou persoonlijk juiste weg te bewandelen.

Een derde noodzaak, dat je om je doel te bereiken, voortdurend het aangezicht van de Heer zoekt.

Beste medechristenen, laten wij ons hiernaar uitstrekken en ons hier­toe beschikbaar stellen voor onze God. Hij wacht er op en Hij is het waard. Gods zegen daarin.

 

Bereidvaardige voeten door Cees Maliepaard

– De hemelen -20-

“Stel u dan op… de voeten ge­schoeid met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes” Efeze 6 vers 15 (Ef. 06:15).

Het evangelie van Jezus Christus ademt de vrede van onze God. Dat komt doordat Jezus dezelfde gezindheid heeft als de hemelse Vader. En Hij heeft een relatie op het oog met een ieder die het goede wil. Daarom leidt Hij ons naar de grazige weiden van waarheid, gerechtigheid en vrede.

Vrede op aarde

De engelen zongen in de kerstnacht: “Vrede op aarde onder mensen van Gods welbehagen”. Vrede is één van de draagvlakken van Gods van vernieuwing en herstel sprekende boodschap. Werkelijke vrede zal op aarde dan ook alleen mogelijk zijn onder mensen die met Gods plan rekening houden. Jezus is immers niet gekomen om vrede in de na­tuurlijke wereld te brengen – zijn vrede is van hoger niveau. In Matthéüs 10 vers 34 (Matt. 10:34) geeft Hij dat zelf te kennen. In Lucas 1 vers 79 (Luc. 01:79) staat dat God onze voeten op de weg van de vrede zal richten. Dat is Gods ge­openbaarde vrede, die in de nieuwe schepping maatgevend is.

Jezus zei volgens Johannes 14 vers 27 (Joh. 14:27): “Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u, niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u”. De inzet is niet de vrede zoals de wereld die geeft, de vrede die door het sluiten van compromissen tot stand komt, nee: de vrede van Jezus Christus is een vast gegeven. Vrede met God is het basisprincipe ervan, en daarop is dan de vrede met al Gods kinderen gefundeerd. Voor zover het van ons afhangt, zullen we trouwens vrede met alle mensen hebben Romeinen 12 vers 18 (Rom. 12:18). Dat komt doordat we in het klimaat van de Heer leven en Hij z’n vredesaan­bod aan de mens nooit ingetrokken heeft. Vandaar dat het najagen van de vrede, zeker sinds onze Geestesdoop, ook bij ons een wedergeboren karaktereigenschap geworden is.

Goed geschoeid

Het is ontegenzeggelijk van belang, goede schoenen te dragen,, het juiste schoeisel voorkomt menige na­tuurlijke voetklacht. In het bedrijfs­leven komt daar nog een factor bij: terwille van de veiligheid op de werkvloer, zullen bedrijfsschoenen van ingebouwde stalen neuzen zijn voorzien. Ik heb het meegemaakt, dat een collega een omvallend stalen drukvat van zo’n 100 kg van enige hoogte precies op z’n tenen kreeg. Hij kwam er goed van af, dank zij z’n veiligheidsschoenen. Het zal duidelijk zijn, datje met zulk schoeisel het meestal niet eens merkt als iemand je per ongeluk op de tenen trapt.

Wel, als onze geestelijke voeten geschoeid zijn met de bereidvaardig­heid van het evangelie des vredes, zullen we ook niet gauw op onze gééstelijke tenen getrapt zijn. Dikwijls zullen we niet eens merken dat iemand ons te na gekomen is, want we zijn niet bezig met een strijd tegen vlees en bloed. En als we het wél vernemen, zal het ons niet veel doen; we lopen er geen innerlijke kwetsuren door op. Onze volle evangelie-stappers zijn gees­telijke veiligheidsschoenen, daar kunnen we in elke situatie werkelijk veilig mee uit de voeten.

Lichtgeraaktheid is bij een dergelijke uitrusting welhaast zeker een achter­haalde zaak. Ook ons schoeisel be­hoort bij de geestelijke wapenuitrus­ting, waarmee we ons opstellen tegenover de tegenpartij in de he­melse gewesten.

Bereidvaardige vredeboden

Tijdens de geestelijke strijd in de hemel bedacht zijn op het behoud van de vrede in het eigen hart, is evenwel niet voldoende. Zelf vrede in het hart hebben is uiteraard een eerste vereiste. Zonder dat is het functioneren in het Koninkrijk van God bij voorbaat een hachelijke onderneming. “De gezindheid van de Geest is leven en vrede…”, schrijft Paulus in Romeinen 8 vers 6 (Rom. 08:06). Anders dan de gezindheid van het vlees, want die noemt hij in dat verband: de dood. Goddelijk leven in de mens (het beeld van Jezus in Gods mensen weerspiegeld) sluit de vrede Gods in: het voor altijd met God verzoend zijn.

Onze hemelse Vader behoefde zich nog nooit met een mens te verzoe­nen, want echt: Hij is nimmer op iemand kwaad geworden. Maar de mensen zijn afgeweken van hun oorsprong, zij keerden zich tegen God. Daarom heeft Jezus onze verzoening bewerkstelligd op het kruis van Golgotha en via de op­standing op de paasmorgen. Hij, Jezus, is onze vrede Efeze 2 vers 14 (Ef. 02:14). Als wij dus werkelijk in de Christus zijn ingevoegd, zullen we (net als Jezus) brengers van een goede boodschap zijn. Ofwel: vredeboden. We hebben heel duidelijk onze voeten geschoeid met de bereidvaar­digheid van het evangelie des vredes. De vrede met God brengt harmonie in ons leven. Maar door­dat dat zo is, nemen we er geen genoegen meer mee uitsluitend de vrede Gods in het eigen hart te hebben.

We zullen als vanzelfsprekend bereidvaardig bezig willen zijn om die Goddelijke vrede naar anderen te praktiseren. Wij zijn geen gezanten die louter een boodschap brengen, maar we zullen graag wat we in woorden uitdrukken (net als Jezus) in onze levenspraktijk ten uitvoer brengen.

Op de barricaden

Dat kan toch niet: zo’n tussenkopje in een uiteenzetting over Goddelijke vrede? Toch wel! We hebben vrede met God en (voor zover het van ons afhangt) met de mensen, maar we verkeren op voet van oorlog met de machten der duisternis. We hebben  weliswaar bereidvaardige voeten om de proclamatie van Gods vrede onder de mensen bekend te maken, maar naar de slang en zijn kronkelende maatjes toe, gebruiken we onze voeten slechts om die hun op de duivelse nek te zetten. Het is immers oorlog in de hemel. Satan en zijn trawanten, voeren een nimmer aflatende strijd tegen de zonen Gods in wording. Met deze vijandelijke legermacht zullen we geen vrede sluiten, doch een eerder te vuur en te zwaard uit onze levens bannen.

Daartoe zijn wij constant bedacht op operaties op tweeërlei gebied naar de mens toe streven we de vrede naar, zoals ook de vader enkel gedachten van vrede over de mensheid heeft. Maar naar de demonen toe voeren we een strijd op leven en dood. We laten ons de vrede Gods niet roven. Dat is voor ons een defensieve opdracht tegen de aanvallen uit de geestelijke onderwereld. En we voeren een offensieve strijd In de hemel van de gemeente op dat alle aanvallen van de vorst der duisternis. Op wie dan ook in het huisgezin van God zich op onze gezamenlijke aanval spitsen stuk zullen lopen. We zijn er op bedacht om iedere contact dat hij onder ons tot stand zou proberen te brengen, hem uit de grijpgrage tentakels te laten glippen.

Voor de duidelijkheid.

We gaan door met ons opstellen in slagorde tegenover de tegenpartij uit de geestelijke wereld. En tevens met het bereidvaardig brengen van het evangelie van onze vredelievende vader, naar een ieder die maar horen wil. Recapitulerend kunnen we dus zeggen, dat onze bereidvaardige voeten de boodschap van vrede en heil, slechts daar ten volle ten uitvoer kunnen brengen, waar mensen zich openen voor Gods goede plan met hen.

 

Het mosterdzaad en de moerbeibomen. Door Klaas Goverts

Een verhaal door Klaas Goverts.

Naar aanleiding van Lucas, 17, vers 5 en 6 (Luc. 17:05-06). Vertel eens wat u ziet? Oh, dat wil ik wel doen. Ik zie een landschap. Heel vertrouwd. Het is de omgeving waar ik iedere dag doorheen rij. Dat bekende weggetje door het dorp. Met die bocht en die huizen, ik ken ze allemaal. Valt u verder nog iets op? Ja, die boom. Elke dag kom ik er weer langs. Die boom. Die staat daar voor mijn huis en die neemt mijn uitzicht weg. En elke dag kom ik er weer langs. Die boom. Als ik het paadje afloop naar de Dorpsstraat. Ik ben dol op bomen maar deze ene hindert me. Ik heb er echt last van. Dan haal je hem toch weg. Dat doe je toch gewoon? Want ja, maar het is een moerbeiboom. En die heeft eindeloze wortels. Almaar wortels. En nog meer wortels. Geen beginnen aan. We hebben een keer staan spitten, maar aan het eind van de dag had ik vreselijke rugpijn en die boom, die stond er nog. Het was net of hij ons uitlachte. Dat is alweer een jaar geleden en inmiddels heeft hij er weer meer wortels bij. Hopeloos. Onuitroeibaar. En als buiten de zon schijnt, zit ik met de lamp aan in de kamer, want het is midden op de dag aardedonker in huis. Door die boom. Leuk hoor. Moet je mee leren leven, zei de buurman laatst, maar hij schijnt er geen last van te hebben, want bij hem schijnt de zon. Elke dag kom ik er langs. Naar mijn werk. Als ik boodschappen doe, of als ik naar een vriend ga, of naar de kerk. Wel twee keer ’s morgens wel twee keer ’s middags. Dat telt, maar door. Voor mijn gevoel. Is dat vaak wel zeven keer per dag. En dan mompel ik in mezelf: Jij bent veel sterker dan ik.

Als ik aan mijn landschap denk, dan zie ik altijd meteen die boom. Elk mens heeft zo zijn innerlijk landschap. En in dat landschap van die opvallende punten, die het beeld bepalen.

Van die bomen, die je uitzicht belemmeren. En je kunt je heel machteloos voelen. Je krijgt ze niet uit de grond. Misschien is die moerbeiboom wel het symbool van je onmacht. Je zou dolgraag iets willen veranderen, maar het lukt je niet.

Jezus vertelt een verhaal.

Er is een mens die steeds maar weer de fout ingaat. Als uw broeder tegen u zondigt. Ach, dachten degenen die het hoorden, dat kan gebeuren, nietwaar. De ene mens slaat wel eens de plank mis tegenover de ander.

Maar Jezus gaat verder. En dan wordt het verhaal toch wel te gek om los te lopen. Jezus zegt: Als die mens nou zeven keer op een dag tegen jou zondigt, en hij komt zeven keer naar je toe om het weer in orde te maken, wat doe je dan? Dan denk je toch: wat is dat voor onmogelijk figuur? Ooit zo iets meegemaakt? Zeven keer op een dag? Dat is zo ongeveer elke twee uur. Je hebt amper gezegd: Oké, ik vergeef je, en het begint van voren af aan. Je zou haast zeggen: kan die man niet beter een abon­nement nemen, een strippenkaart of zo?

Maar dan voel je de pijn niet in het verhaal. Want wat is nou zondigen tegen iemand? Dat is toch dat je de ander “niet tot zijn recht laat komen. Een mens kan het zo druk hebben, en dan hóór je niet wat die ander nu eigenlijk wil of bedoelt. Zonde kan zijn dat je gewoon geen tijd voor die mens hebt. Geen aan­dacht. En misschien zonder dat je het in de gaten hebt, doe je die ander pijn.

Een slordige opmerking. Kom niet zeuren. Zonde is daar waar een mens niet meer oog heeft voor die ander.

Zonde is over iemand heen wal­sen. Je gaat in tijd denken, in sche­ma’s: dit moet gebeuren, dat moet nu klaar zijn. En die mens, die niet in het schema past… Daar is geen plaats voor.

Jezus dacht niet in schema’s.

Hij dacht in mensen. Hij zag het ver­haal achter de mens. En de mens achter het verhaal. Daarom keek Hij met andere ogen naar de men­sen.

Zeven keer op één dag. Dan heb je zo’n gevoel: die maakt het wel heel erg bont. Dat is toch niet meer op te brengen. Je hele dag gaat ermee heen.

De vrienden van Jezus zien het dan ook somber in. Apostelen worden ze genoemd. Gezanten. Het is hun taak de gemeente van de grond te krijgen.

Maar de moed zinkt hun in de schoenen. Ze zien het al voor zich. Ze denken aan hun innerlijk land­schap. Hoe ziet dat eruit?

Ongeveer zo: We gaan een fijne gemeente bouwen. Het koninkrijk is nabij. En dan zegt één van hen: dat betekent dus: we gaan eerst het terrein bouwrijp maken. Alle obstakels moeten weg. een mooi vlak bouwterrein moet het worden. Dan kun je zo aan de slag. Ja, zegt een ander, misschien Thomas wel, maar heb je die boom daar zien staan?

Ja, wat is daarmee? Nou, dat is een moerbeiboom. Die krijg je er nooit uit. Met geen honderd spaden. Dus je wou zeggen: het wordt niets.

Weet je wat het probleem is, zei Johannes. We hebben geen geloof genoeg. Volgens mij is het een geloofsprobleem. Als we nu maar een groter geloof hadden, zo’n ijzersterk, rotsvast geloof, dan zou het misschien lukken.

Maar daar kunnen we toch om vragen, zei Jakobus. We gaan naar Jezus en …

Doen we, zeiden de anderen. En daar stonden ze dan: Heer, geef ons meer geloof. Vermeerder dat geloof van ons. Het is veel te klein. Met dat kleine beetje wat we heb­ben, daar kunnen we niets mee. En wat doet Jezus dan? Krijgen ze het? Je zou toch zeggen: dat is nu eens een goede vraag. Eindelijk mensen die niet vragen om allerlei dingen, zo’n verlanglijstje: Heer wilt U dit doen, wilt U dat doen, wilt U me dat geven? Neen, zij vragen om iets heel wezenlijks. Dit raakt de kern. Zij hebben begrepen waar het om gaat.

Maar Jezus zegt: Neen, het ligt anders.

En dan vertelt Hij hun een kort verhaal. Heel kort.

Een geloofsverhaal.

En dat gaat zo. Je hoeft alleen maar een geloof te hebben, als een mosterdzaad. Dat is het formaat van een speldeknop. Kleiner kan niet.

En kun je daar wat mee doen? Wel dat mosterdzaadje doet zelf wat. Want wat is nu geloof? Daar liggen soms wat misverstanden. Er is een tijd geweest dat men zei: Geloof, dat is allerlei waarheden onder­schrijven. Hoe meer waarheden, hoe beter. Veel dogma’s en nog meer leerstellingen. Geloven in de drie-eenheid, geloven dat alles let­terlijk gebeurd is wat in de Bijbel staat.

Maar geloof, dat is het Hebreeuwse woord emunah, en dat is eigenlijk vertrouwen. Van oorsprong wil het zeggen: je vasthechten. En het staat al in de oude boeken: juist in de donkere tijden, in de balling­schap hebben ze het gezien: weet je hoe God is? Hij is een God van geloof. ‘El ‘emunah.

Dat is een van de kostbaarste geheimen in de Schriften. Deze God, Hij heeft geloof in zijn men­sen. Vol vertrouwen blijft Hij gelo­ven. En Hij geeft het niet op.

Het is goed dat eens op je te laten inwerken: deze God, Hij heeft ge­loof in u.

Je kunt ook zeggen: Hij hecht zich aan zijn mensen. En Hij is er niet meer los van te branden. Hij heeft zich aan hen voor eeuwig gehecht. Hij hecht zich aan de aarde. Aan het werk van zijn handen. Voor altijd verknocht. De aarde, de mens gaat hem aan zijn hart.

Geloof is niet een theorie.

Niet een krampachtig proberen iets vast te houden.

God zegt: Ik heb geloof. En jij mag met Me mee geloven.

Een waar haal je dat vandaan dan? Geloof leeft van verhalen. Zoals een moeder een verhaal vertelt aan haar kind en misschien is dat kind wel bang in het donker. Maar het kind hoort de stem van de moeder en dat verhaal is een mosterdzaadje en dan is het goed – toch door alles heen goed.

Soms kan het zijn: dan is het ver­trouwen in het hart van de mens zo geknakt. En ze hebben je wan­trouwig gemaakt. Je geeft er geen cent meer voor. Voor alles wat ze zeggen. Je kunt alleen nog reageren met een bitteré lach. Een grimmig antwoord. Of helemaal geen ant­woord meer. Laat me maar. Het zal wel.

Je ziet alleen maar die boom, die sombere boom met zijn wortels zonder einde. En je vecht niet meer.

En het kan zijn: dan zit je daar, in je donkere huis.

Er komt toch geen mens op bezoek.

En toch keek je uit het raam, haast met zo’n gevoel van: nog één keer, vooruit dan maar. Om jezelf te bewijzen dat het niet meer hoeft.

Volgend jaar niet meer.

En toen: die gast die langs kwam, en die zat daar in je huis en ver­telde een verhaal en het was net alsof je weer kind was bij je moe­der, die verhalen vertelde.

En je keek die onverwachte be­zoeker aan en het ging in een flits door je heen: jou kan ik vertrou­wen. En opeens schoot een oude versregel door je heen, die je vroeger, o wat is dat al lang gele­den, als kind geleerd hebt: Voed het oud vertrouwen weder…

En die bezoeker vertelde een verhaal.

Misschien het verhaal van Maartje van Tijn. Een foto uit de tweede wereldoorlog. Een kiekje van een oudere man, een jood. Hij heeft zijn gebedsriem om, zijn ge­bedsmantel aan. Hij zit daar op zijn knieën, voor zijn open graf. Hij weet dat ze hem zullen vermoor­den. Het enige wat hij nog kan doen, is zich voorbereiden om dood te gaan. Als jood. Achter hem staan de Duitse soldaten, die hem over enige ogenblikken dood zullen schieten. Jonge jongens, gezond en blozend. Even in de twintig. Goed zittende uniformen. Handen aan de koppelriem. Ze lachen. Ze lachen onbekommerd en onaangeraakt. Maar, schrijft Maartje van Tijn:, de glans zijn gebedsmantel straalt van het ene einde der wereld tot het andere. Zo’n verhaal misschien.

En toen die bezoeker weer was opgestapt, ging je – het was al schemerig – naar buiten, en je wandelde langs het pad, waar je die dag al zeven keer gelopen had en je stond stil bij die boom. Het was stil, heel stil. En je keek om­hoog naar zijn takken en je blik ging omlaag naar de grond en opeens hoorde je jezelf zeggen: jij gaat eruit. Je dagen zijn geteld. Je zei het heel zacht. Maar het leek wel een scheppingswoord. Je dacht: zo moet God het ook gedaan hebben.

En het was of er ruimte kwam. Je kamer was niet zo donker meer als hij altijd geweest was.

En je liep het dorp uit naar het strand. Je wandelde langs de zee. En toen je uitkeek over de zee, zag je de zon ondergaan. En toen was het net of je die boom langzaam in de zee zag zakken.

Daar gaat-ie, ging het door je heen. Laat-ie daar maar wortel schieten.

En op dat moment besefte je: dit is het.

Je geloof hoeft niet gróter te worden. En nog groter, en nog groter. Altijd maar die rekstok. En op je tenen lopen. En kijken of je er al bij kunt. Neen, het geloof dat jij hébt, is van groter waarde. En je dacht aan die oude profeet met die vreemde naam. Habakuk. Het was net of die naast je stond en samen zag je uit over de zee. We staan hier voor het laatst, zei hij, morgen begint de ballingschap, de bomen bloeien niet meer, de vijgenboom niet en de olijf niet, de wijnstok niet, en de stal is leeg. En toch…

in jou ligt het zaad voor morgen.

 

Hoor es… Een ontboezeming door Duurt Sikkens

Wat zijn toch eigenlijk veel mensen hard bezig ‘voor de Heer’.

Ze vliegen van hot naar haar, van conferentie naar seminar, zwetend en juichend, springend en schreeuwend als voor een gouden stier. Geen moeite schijnt teveel te zijn, want het is immers ‘voor de Heer’. Massamedia worden inge­schakeld, dynamische sprekers (nooit spreeksters) ingehuurd, glossy folders gedrukt, enz., enz., want het moet één groot Walt Disney-achtig relipark worden. Excessief sektarisme viert hoogtij, want ‘God wil het’. Velen voelen zich geroepen… tóch?

Algemene achting en eer moet verdiend worden, op het politieke toneel moet ‘een plaats bereid’ worden, er moet steeds iets nieuws verzonnen worden, als je maar vooraan staat, als het maar veel opbrengt (‘God zij met ons’, waar staat dat?)

Een roep om zogenaamde Gods- mannen, apostelen, profeten raast door de religieuze mensenzee. Het liefst ‘zonen Gods’ (van welke god?) Allemaal Mozessen en Elia’s schijnen te moeten opstaan om het volk een weg te wijzen, waarheen dan? Naar een super-show? En ‘het volk Gods’ draaft erachter aan, ze worden voorgelogen en mishandeld, uitgebuit en leegge­zogen. Van een eigen aard blijft niks meer over, om van inbreng maar niet te spreken. Hoeveel ‘pastorale’ slachtoffers heeft al dit heidense, spectaculaire gedoe al opgeleverd, hoeveel tranen zijn nimmer afgewist. Hoevelen liggen te zieltogen langs de kant van de weg? (En hoeveel predikers lopen daaraan voorbij?)

En maar bidden om tekenen, en maar genezingen forceren en maar terugkeren tot zogenaamde Bijbelse normen en waarden (wat zijn dat eigenlijk?), en maar kreten en slo­gans verzinnen, en de mensen maar opjutten in de naam van God en Jezus (Hoezo ‘in het verborge­ne’). Allerlei sterke stormwinden beuken in op de kwetsbare mens en dat heet dan de Holy Spirit… Zoekers worden op dwaalsporen geleid en het fanatisme kent geen grenzen meer.

Zo kan ik nog wel een poosje doorgaan en je hart breekt bijna als je dit allemaal ziet gebeuren: de aarde (je menselijke bestaan) beeft onder al dit geweld.

Is er dan geen onderscheid der geesten meer? Moet men dan toch naar bepaalde plaatsen om God te aanbidden? En dan maar roepen: ‘Samen met de Heer’? Weet de Heer daarvan? Profetieën? Uit wiens koker? ‘Zo zegt de Heer’, welke heer? Hoeveel bedrieglijke visioenen worden er getoond? Hoeveel ‘acties’ en ‘strategieën’ worden ontwikkeld? ‘God vraagt het van ons…’ O ja?

Tegen de godsdienstig-doende druktemakers zou ik willen zeggen: Kom tot jezelf, dat kwam de ver­loren zoon ook. Verander eens van gedachten en stel jezelf de vraag: Waar ben ik mee bezig? Lijd ik, met al mijn goedbedoelde bezig­heden, schade aan mijn ziel of ver­lies ik mijzelf daarin? Vraag het aan je kinderen, of aan de zogenoemde ‘zwakken en stillen’ in de gemeen­te. In Hooglied 1 staat bijvoorbeeld de uitspraak: “Mijn eigen wijngaard (dat ben je zélf onder andere) heb ik niet bewaard”.

Misschien ben je, in al je compensatiedrang en prestatiedwang, wel het meest verwaarloosde lid van de kudde. Durf je de confrontatie met jezelf aan? En dan? O mens, zo voortgejaagd door storm en vuur, kom eens in de stilte van de morgen die Jezus is. Hij geeft je die innerlijke rust waarin je vrede hebt met Hem en met jezelf. Je hoeft niet meer op te vallen in de wereld of in je kringetjes. En dan pas zul je ge­nezing voor je ziel ontvangen. Laat je voor deze verandering eens helpen.

En tegen het opgejaagde slaven­volk zou ik willen zeggen: Ga uit jouw Egypte, breek uit jouw stal en spring de wei in, daar bevinden zich stille, goede herders. Je zit gevangen in je activiteiten, je schijndogma’s, je religieuze sys­teemdenken. Laat die ellende los en je zult losgelaten worden.

En laat jou Gods barmhartigheid welgevallen door degenen die jou werkelijk liefhebben en je zult van je kwetsuren genezen, hoe diep ze ook zijn toegebracht.

Geen juk meer, alleen dit: Laat je liefhebben, dat is Zijn juk en dat is mild en zacht.

Wees barmhartig, ook voor jezelf en je zult Hem echt leren kennen. Hoorde ik daar iemand zeggen: ‘Kom bij Mij. Kom je?’

 

Mondige christenen door Gert Jan Doornink

De mondigheid van de gelovige is jarenlang een onderwerp geweest dat niet of nauwelijks bespreek­baar was. Nu de ware gemeente van Christus tot ontwaken komt en daardoor alles wat niet echt is langzaam maar zeker gaat ver­dwijnen, gaan vele christenen ontdekken hoe belangrijk het is te weten wie zij zijn: mondige christenen. In dit artikel worden enkele facetten van dit mondig zijn nader belicht.

Eén van de positieve gevolgen van de aanvaarding en beleving van het volle evangelie is dat men een mondig christen wordt. Wat ver­staan wij daaronder? Een mondig christen is een christen die zich bewust is van zijn nieuwe plaats en positie. Vroeger een zondaar, nu een kind van God. Vroeger beheerst door het rijk der duisternis, nu levend in de volkomen vrijheid.

Vroeger een nederlaag-christen, nu een christen die zich richt op de overwinning. Vroeger geïnfiltreerd door verkeerde leringen, nu wetend dat de ware leer, die van het Ko­ninkrijk der hemelen is. Vroeger een theorie-christen, nu een christen die zijn geloof ook in het gewone dagelijkse leven beleeft. Zo zouden we door kunnen gaan, maar dui­delijk is dat niet iedere christen zich bewust is dat het Gods bedoeling is, dat hij ‘mondig’ is en als zodanig functioneert.

Het openbaar worden van de zonen Gods gebeurt niet door christenen die verstrikt zijn in verkeerde leringen, die de volle evangelie boodschap afwijzen, die maar wat mee ‘hobbelen’, maar door mon­dige christenen. Zij hebben het volwassen stadium bereikt en worden niet meer heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer.

Wie wij zijn in Christus

Mondige christenen zijn zelfbewuste christenen. Hierover mag geen misverstand bestaan door te denken dat dit te maken heeft met zelfgenoegzaamheid, het zich beter voelen dan de andere christenen. Wie zich ver­heft boven de ander heeft nog maar weinig of helemaal niets van het mondig-zijn begrepen.

Opvallend is -en daaruit kunnen we heel wat leren- dat zowel Jezus als de apostelen voortdurend bezig waren de mensen ‘mondigheid’ bij te brengen. Ik beperk mij tot één voorbeeld, dat is als de apostel Petrus tot deze uitspraak komt: “Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom” 1 Petrus 2 vers 9 (1 Petr. 02:09), waarna hij er meteen bij vermeldt, wat dit tot taak en gevolg heeft, namelijk “om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroe­pen heeft tot zijn wonderbaar licht”. Dan schrijft hij ook nog even over de grote verandering die er gebeurd is: “U, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”.

Wat een duidelijkheid! En wat geeft het een stabiliteit en zekerheid aan ons nieuwe leven, dit te weten! Dan zoeken we het niet meer in allerlei (gevoelservaringen, die niets met het waarachtig christen-zijn te ma­ken heeft. Dan is onze belijdenis: Ik ben mondig, omdat Hij mij mondig gemaakt heeft.

Terug naar onze bestemming

Een belangrijk kenmerk van de mondige gelovige is dat zijn per­soonlijkheid tevoorschijn komt. Een persoonlijkheid die soms jarenlang verborgen was, ondergesneeuwd, beschadigd, geruïneerd door het rijk der duisternis. Zelf heb ik jarenlang te maken gehad met de verderfelijke leer dat je persoonlijkheid gebroken moest worden. En de duivel lachte in zijn vuistje. Hij had het immers voor het zeggen…

Gelukkig ben ik, doordat mijn ogen opengingen voor het volle evangelie, van deze verkeerde zienswijze be­vrijd. Een nieuwe wereld ging voor mij open toen ik tot de ontdekking kwam dat God in Zijn grote liefde ons Zijn oorspronkelijke bestem­ming terug wil geven. En toonde Zijn Zoon niet wat dat inhield? Hoe zouden we ooit de talenten die ons zijn toe vertrouwd, in dienst van Gods Koninkrijk kunnen stellen, als wijzelf niet bestonden? En als we als ‘nieuwe scheppingen’ niet kon­den doorgroeien naar geestelijke volwassenheid?

Taak voor de gemeenteleiding

In gezonde gemeenten en gemeen­schappen zal men oog hebben voor het grote belang dat de gelovige een mondige gelovige wordt. Voorgan­gers en oudsten hebben ook in dit opzicht een belangrijke en verant­woordelijke taak.

Het gaat er niet om dat men de leden van de gemeente maakt tot slaafse volgelingen die monddood zijn ge­maakt. Mondige gelovigen wordt geleerd dat hun plaats met Christus is in de hemelse gewesten om dat men alleen van daaruit op effectieve wijze kan strijden en overwinnen. Zij ontplooien zich op gezonde wijze tot stabiele, standvastige christenen die klaar staan voor de ander, die de ‘zwakken in het geloof’ tot steun en bemoediging zijn. Zij groeien op naar eigen aard en aanleg, ieder vogeltje zingt nu eenmaal zoals het gebekt is. Mondige gelovigen zijn positief ingestelde christenen, die er geen behoefte aan hebben hun eigen mening aan anderen op te leggen. Hun motief is zuivere en oprechte liefde voor de dingen van Gods Koninkrijk. Zij doen er alles aan om geestelijk verder te groeien zodat het ‘beelddrager van Christus zijn’ er helemaal uit gaat komen en zij ten volle gaan beantwoorden aan het plan en de bedoeling van God. Want daardoor wordt ook bij an­deren het verlangen opgewekt om het Koninkrijk Gods binnen te gaan om in en van daaruit te gaan leven.

 

Smeltend ijs door Truus van Kaam

Het is een beeld uit de afgelopen winter. Hoe harder het vriest, hoe dikker het ijs. Wanneer de dooi invalt gaat er vaak nog een tijd overheen voor al het ijs in de sloten en plassen verdwenen is. De zonnestralen doen het ijs smelten.

Ook in mensenharten kunnen delen bevroren zijn. En af en toe kan daar een koude wind waaien. Dit kan al ontstaan zijn in de kinderjaren. Bijvoor­beeld in de vorm van verlegenheid of onzekerheid, waar je toen als kind geen raad mee wist en dat je maar weggestopt hebt.

In werkelijkheid is dat deel nog niet volwassen geworden, het is niet meegegroeid en door isolering kan er een stuk hardheid ontstaan: een stuk ijs. Ons verlangen is om gezeglijk en plooibaar te worden. In Psalm 147 vers 168 lezen we: “Hij zendt zijn woord en doet ze smelten”. Een kind van God kan niet, Psalm 147 vers 15 tot en met 18 (Ps. 147:015-018) zonder woorden van God. Als we het woord vanuit een hongerig hart lezen, zal het ijs zeker smelten en zullen we innerlijk steeds meer warmte en vrijheid gaan ervaren. Onze lof en dank zal groot zijn.

 

De mens naar Gods welbehagen (gedicht) Cees Maliepaard

Er ligt een pasgeboren kindje

in ’t smetteloze kinderbed.

En onder ’t witte laken vind je

nieuw leven, smett’loos neergezet.

 

En groeit van lieverlee dat kindje

tot kleuter op (dat gaat zó snel!)

dan denk j’ al gauw: m’n kind, ik vind je

heel lief, maar soms ondeugend wel!

 

Dan wordt het kind een jonge tiener,

die zoekt z’n weg in goed en kwaad…

Al ben je geen profeet of ziener –

je wéét dat het niet vlekk’loos gaat.

 

De tiener wordt dan nóg wat groter,

z’n mond groeit in dat tempo mee…

hij voelt zichzelf allang geen koter;

hij is toch ook geen kind meer – nee!

 

Dan wordt hij plots’ling meerderjarig,

wordt achttien haalt z’n rijbewijs,

wordt op z’n kin behoorlijk harig

en acht zichzelf heel wereldwijs.

 

Na drie jaar is hij dan volwassen:

hij kan nu heel de wereld aan!

Hij ’s goed in sport, in klaverjassen,

en heeft ook nog een goede baan.

 

Hij is een mens, die heel natuurlijk

gericht is op wat zichtbaar is.

Maar aan de touwtjes trekt natuurlijk

de duivel, die onzichtbaar is.

 

En in de cirkelgang van ’t leven

beschadigt Satan ’t kind van toen.

Hem wordt de duisternis gegeven,

beknot in heel z’n mens’lijk doen.

 

Naar lichaam en naar geest beschadigd,

weet onze mens niet hoe hij ’t heeft.

’t Is (door ellende gans verzadigd)

een troost’loos leven dat hij leeft.

 

Dan, onder alle nare zaken,

zegt iemand hem wie Jezus is.

Dat zou hem plots in ’t harte raken:

Opnieuw gaan leven, dat ’s niet mis!

 

Hij krijgt de tijd om te herstellen,

beschadigingen, ze gaan weg.

En Satan heeft niets te vertellen…

weg leugens – ’t is Gods waarheid , zeg!

 

Er is een pasgeboren zoon Gods

in ’t smetteloze rijk bij Hem.

Hij int in Jezus’ naam het loon Gods:

nieuw leven, en bij Hem een stem.

 

Die zoon van God gaat verder groeien,

groeit tegen de verdrukking in,

gaat in z’n hemel gaaf opbloeien,

volkomen naar des Vaders zin.

 

Liefde tot de waarheid in de eindtijd door Wim te Dorsthorst

Zware tijden

De apostel Paulus gebruikt dit woord: “Liefde tot de waarheid” in de context van de antichristelijke tijd, de eindtijd dus. Wij willen het dan ook in dit verband, in enkele ar­tikelen, eens nader bezien.

In het artikel van vorige maand (‘Verstaan wij de tekenen der tij­den?’) heb ik 2 Timotheüs 3 vers 1 tot 4 (2 Tim. 03:01-04) geciteerd waar de apostel Pau­lus circa 18 punten noemt van wet­teloosheid die kenmerkend zijn voor ‘de zware tijden’ van de laat­ste dagen.

Ook genoemd is Matteüs 24 vers 7 (Matt. 24:07) waar de Heer Jezus spreekt van ‘het begin der weeën’ in het laatst der dagen.

Wie Matthéüs 24 in zijn geheel leest (dat geldt ook voor Markus 13 en Lukas 21) zal onder de in­druk komen van alles waar het volk van God, en de hele schep­ping, nog doorheen moet voor het verlossende gebeuren plaats vindt wat in vers 30 beschreven wordt: “En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de he­mel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid”.

Dat is de grote finale, bij het blazen van de zevende bazuin, aan het einde van deze bedeling, door de Heer ge­noemd: ‘de voleinding van deze we­reld’.

De apostel Paulus schrijft op in­dringende wijze over de openbaring van de antichrist. Hij zegt van deze: “De mens der wetteloosheid, de zoon des verderfs, de tegenstan­der, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is” 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 en 4 (2 Thess. 02:03-04).

En dan zegt de apostel nog verder van hem: “Diens komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlok­kende ongerechtigheid, voor hen die verloren gaan” 2 Thessalonicenzen 2 vers 9 en 10a (2 Thess. 02:09-10a).

De Heer Jezus spreekt van een bij­zondere zware tijd als Hij zegt: “Want er zal dan een grote verdruk­king zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En in­dien die dagen niet ingekort wer­den, zou geen vlees behouden wor­den; doch ter wille van de uitverko­renen zullen die dagen worden in­gekort Matteüs 24 vers 21 en 22 (Matt. 24:21-22).

Dit laatste is een geweldige bemoe­diging. De tijd van het einde zal in­gekort worden ten behoeve van de gemeente.

Bovendien zegt de Heer in Matteüs 28 vers 20 (Matt. 28:20): “Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld”.

De voleinding gaat gepaard met zware tijden, met geboorteweeën.

Maar ook in deze tijd geldt dat de mens in Christus geen bovenmen­selijke verzoeking te doorstaan zal hebben: “God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermo­gen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uit­komst zorgen, zodat gij er tegen be­stand zijt” 1 Korinthe 10 vers 13 (1 Kor. 10:13).

Maar ondanks dit alles, zegt de Heer, dat toch velen ten val zullen komen (Matt. 24:05-10).

In 2 Thessalonicenzen 10b zegt ook de apostel Paulus dat er men­sen verloren zullen gaan door alles wat over de gemeenten komen zal. De reden is dan: “Omdat zij de lief­de tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kun­nen behouden worden”.

(De Petrus Canisius-vertaling zegt: “Omdat ze de liefde voor de waar­heid niet hebben aangekweekt tot hun redding”. En de Willibrord- vertaling zegt: “Omdat zij zich heb­ben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen red­den”).

Er is dus geen sprake van willoos slachtoffer worden, hoe indringend en bedrieglijk -dus net echt- de wer­kingen en verleidingen van de sa­tan ook kunnen zijn.

Er is redding uit dit alles door “de liefde tot de waarheid”.

Dit is een diep, indringend woord van de apostel waar ik nog verder op in zal gaan.

De vraag is nu eerst: wat is waar­heid?

Wat is waarheid?

De Heer Jezus zegt, als Hij voor Pilatus terecht staat “Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voorde waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar Mijn stem”.

En dan spreekt Pilatus die bekende woorden: “Wat is waarheid”? Johannes 18 vers 37b en 38 (Joh. 18:37b-38a).

Hoeveel christenen vragen zich van­daag de dag ook niet af: ‘Wat is waarheid’?

Bekering, waterdoop, doop met de Heilige Geest, ja, dat is in veel kringen nog wel hetzelfde, maar dan komt al gauw de vraag: wat is nu de waarheid? Hoe moet je als pas geboren christen, en dat geldt ook voor velen die al jaren wedergebo­ren zijn, de weg van de waarheid bewandelen in zo’n verdeeld chris­tendom?

Talloze gemeenten, kringen, groe­pen, stichtingen, kerkgenootschap­pen, enz., zijn er. De één zegt dit en de ander dat, en een ieder be­roemt zich er op de Bijbelse waar­heid te hebben. En dan komen er met de regelmaat van de klok nieu­wigheden op de geloofsmarkt, die alles omver schijnen te halen!

Maar wat is dan de waarheid in de­ze geestelijke doolhof?

Nou, de waarheid is niet een of’ andere leer, hoe kunstig, dan ook in elkaar gezet en hoe overtuigend ook gebracht.

Het is ook niet het je conformeren met een geloofsbelijdenis of ge­loofsleer. Ook niet het onderschrij­ven van een opgestelde gedragscode. Zelfs niet mooie samenkomsten, desnoods met krachten en wonde­ren. Neen, maar de waarheid is in de eerste plaats een persoon!

Heel concreet, evenals ‘Het Woord’ een persoon is, zo is ook ‘De Waarheid’ een persoon.

Het Woord, maar ook de Waar­heid is vlees geworden. Jezus Chris­tus, Gods Zoon, is het vlees gewor­den Woord en ook de Waarheid. “Hij is de weg en de waarheid en het leven” Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06). Buiten Je­zus Christus en het evangelie dat Hij verkondigde, is het onmogelijk iets van de waarheid te verstaan 2 Korinthe 3 vers 14 tot en met 16 (2 Kor. 03:14-16).

Deel hebben aan de waarheid, is deel hebben aan Hem die de waar­heid is! Alleen Hij, de Zoon van God, is bij machte de mens werke­lijk vrij te maken en leven te schenk­en Johannes 8 vers 30 tot en met 36 (Joh. 08:30-36).

Het Woord van God

Het geschreven Woord van God, de Bijbel, is eveneens de waarheid Johannes 17 vers 17 (Joh. 17:17). Psalm 119 vers 160 (Ps. 119:160) zegt: “Heel uw Woord is de waar­heid, al uw rechtvaardige verorde­ningen zijn voor eeuwig”. De Heer Jezus zelf zegt dat alles op Hem betrekking heeft en dat alle Schrif­ten van Hem getuigen.

Dereck Prince schrijft in dit verband in zijn boek ‘De pijlers van het christelijk geloof (blz. 25): ‘De Bijbel is het Woord van God, en Christus is het Woord van God. Beide zijn een goddelijke, met auto­riteit beklede, volmaakte openba­ring van God. Beide stemmen vol­maakt overeen. De Bijbel geeft een volmaakte openbaring van Chris­tus; Christus vervult op volmaakte wijze de Bijbel. De Bijbel is het geschreven Woord van God; Chris­tus is het persoonlijke Woord van God. Vóór zijn vleeswording was Christus het eeuwige Woord bij de Vader. In zijn menswording is Christus het vleesgeworden Woord. Dezelfde Heilige Geest die ons God openbaart door zijn ge­schreven Woord, de Bijbel, open­baart ons God in het vleesgewor­den Woord, als Jezus van Nazareth’.

Het grote probleem is nu dat juist op deze waarheid, dus wat betreft het geschreven Woord als ook het vleesgeworden Woord, in de laat­ste eeuwen een geweldige aanslag is gepleegd. De Bijbel is het enige houvast en de enige toetssteen in deze en de komende moeilijke tij­den. De duivel weet dit kennelijk beter dan vele gelovigen. Hij is het die mensen inspireert om de betrouwbaarheid van de Bijbel aan te tasten door verschillende Schrift- kritieken en theologische verhande­lingen die indruisen tegen de waar­heid.

Ook theologen van eigen bodem, mannen van naam, hebben meege­werkt aan de afbraak van het ge­loof in de Schrift en de persoon Je­zus Christus. Deze twee gaan trou­wens altijd hand in hand! Zo is er onlangs een boek verschenen van Drs. J. Slavenburg met de titel: ‘Valsheid in geschrifte’ met als on­dertitel: ‘De gespleten pen van bijbel-schrijvers’. Zo’n boek laat na­tuurlijk niets over van de betrouw­baarheid van de Bijbel.

In het dagblad ‘De Stem’ stond van dit boek: ‘Valsheid in geschrif­te’, komt aan als een linkse directe die de vier evangelisten en andere auteurs van het ons bekende Nieuwe Testament na zoveel eeuwen nog knock-out slaat’.

Helaas gaan al deze zaken ook de gemeenten van Jezus Christus niet altijd voorbij.

Vele vooraanstaanden in de kerken vinden dat het nieuwe-tijds denken (New-Age) daarin ook een plaats moet hebben, terwijl daardoor het eigen fundament ondergraven wordt.

Dominee H Stolp uit Heerenveen oppert dat het nieuwe-tijds denken als de derde weg binnen de kerken moet worden gezien, naast de tradi­tionele opvatting en de moderne theologie.

Hij heeft dan ook een ‘Nieuwe-tijds- bijbel’ geschreven. In het ‘Bra­bants Nieuwsblad’ stond te lezen: ‘Christenen die moeite hebben met het geloof in reïncarnatie zijn ‘de grens van de volwassenheid’ nog niet overgegaan. Volgens de Nieuwe-tijds-dominee Hans Stolp uit Heerenveen hoort de oude opvat­ting van vergeven en kwijtschel­ding bij een aflopend tijdperk, waar­in de mensheid als een ‘onvolwas­sen kind’ in relatie met God stond’. Het is onvoorstelbaar hoe de meest fundamentele zaken van het chris­ten zijn zo met voeten getreden wor­den.

God, de Schepper van hemel en aar­de, wordt in dit nieuwe tijds- denken voorgesteld als een onper­soonlijke kosmische kracht.

Zijn Zoon, Jezus Christus, wordt voorgesteld als een ideaal mens, ter­wijl de Heilige Geest onder één noe­mer wordt gebracht met de geesten van de heidense religies.

Het verwarrende is dat er wel ge­sproken wordt over God, Jezus Christus en de Heilige Geest, ja zelfs over wedergeboorte, maar dan wel vanuit een totaal on-Bijbelse invulling. Zo vervaagt de waar­heid en accepteert de mens de goddelijke waarheden en geboden niet meer. Hij zet daar zijn eigen wijs­heid, beoordeling en gedachten te­genover en wil zelf uitmaken wat goed of slecht is.

Er wordt veel gesproken over ‘de nieuwe wereldorde’ waarvan de kernbegrippen zijn: liefde, vrede, eenheid, harmonie en verdraag­zaamheid. Men kan zeggen: fijn, dat is in ieder geval volkomen bij­bels, maar men zoekt dit buiten de ene waarheid en de ene weg Jezus Christus. Men zoekt naar eenheid in de verdeeldheid. Wie daar niet aan mee wil doen is een spelbre­ker. Begrijpelijk dus dat het exclusieve christendom, wat zich vast­houdt aan die ene waarheid Jezus Christus, daarin geen plaats heeft.

Daarover las ik nog de volgende uit­spraak: ‘Eens zal de dag komen dat alle godsdiensten beschouwd worden als uit één grote geestelijke bron voortkomend; men zal zien dat alle tezamen de ene wortel vor­men waaruit onvermijdelijk de uni­versele wereldgodsdienst zal voort­komen.

Dan zal er noch christen noch hei­den zijn, noch Jood noch niet- Jood. In de ‘Nieuwe Wereldorde’ van de New Age is geen plaats voor christenen die belijden dat er onder de hemel geen andere Naam, namelijk Jezus Christus, is gegeven, door Welke wij moeten zalig worden Handelingen 4 vers 12 (Hand. 04:12)’.

Welk evangelie?

Er wordt een verscheidenheid aan evangeliën geboden. Zo is er het evangelie van gezondheid en voor­spoed van Morris Cerrulo of het kracht-evangelie van John Wimbler, of het eindtijd-evangelie, waar­in voortdurend gesteld wordt ‘dat de tijd nabij is’. De Heer Jezus zegt: “Gaat hen niet achterna” Lucas 21 vers 8 (Luc. 21:08).

Anderen dienen zich aan als gezalf­de Godsmannen zoals Benny Hinn en Rodney Hower-Browne, be­kend van de zogenaamde ‘Toronto-blessing’.

Weer anderen prijzen zichzelf aan om hun bijzondere leringen en openbaringen. Er zijn er die zich uit­geven voor onfeilbare predikers van de waarheid en zich aanprijzen als profeten, leraren of zelfs Chris­tussen, zegt de Heer Jezus.

Christus betekent: ‘Gezalfde’ en ve­len geven zich in deze tijd al uit voor ‘gezalfden’ wat de Here Je­zus ‘Christussen’ noemt. Zo ko­men velen in de Naam van de Heer en brengen de meest bizarre le­ringen juist over Hem.

Maar de ernstige waarschuwing van de Heer is: “En men zal tot u zeggen: Zie, daar is het; zie, hier is het! Gaat er niet heen, en loopt het niet na” Lucas 17 vers 23 (Luc. 17:23). De waarachtige christen hoeft niet van de één naar de ander te trekken of de wereld rond te reizen om er­gens een zegen van God te ontvang­en! De Heer zegt immers: “Ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u”. Lucas 17 vers 21 (Luc. 17:21). En de Luthervertaling zegt: “Het rijk Gods is inwendig in u”.

Wij zijn inderdaad de tijd ingegaan die het laatst der dagen of de eind­tijd genoemd wordt. Verschillende symptomen van deze zware tijd voor de christenen zijn al duidelijk waarneembaar. Het zal echter nog in hevigheid toenemen.

Het is goed om daar de ogen voor open te hebben. Niet om beangst weg te kruipen of om het bijltje er bij neer te gooien, maar om vanuit Gods Woord en verlicht door de Heilige Geest de tijd te onderken­nen en “om liefde tot de waarheid aan te kweken”, want daarin zal be­houdenis van dit alles mogelijk zijn.

De verborgen wijsheid Gods

“Wij spreken wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht teniet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwig­heid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid” Paulus in 2 Korinthe 2 vers 6 en 7 (2 Kor. 02:06-07).

 

De spiegel (verhaal) door Froukje Huis

Staan jullie ook wel eens voor de spiegel? Niet om even je haar te kammen of je te scheren, maar om eens goed te kijken hoe het er met je voor staat? Ik ben nog in ‘t (on)gelukkige bezit van een ver­grotende spiegel en ik kan ‘t niet laten zo af en toe…, maar oh, je weet niet wat je ziet, hè? Hm, een ouwe kop, hoor, denk ik bij mezelf. En dan komt die stem:

“Ook al vervalt de uiterlijke mens, de innerlijke wordt van dag tot dag vernieuwd” 2 Korinthe 4 vers 16 (2 Kor. 04:16). Dank u, Heer!

Grijs haar maakt ouder. Een blonde pruik misschien? “De grijsheid is een sierlijke kroon. Zij wordt op de weg der gerechtigheid gevon­den” Efeze 1 vers 18 (Ef. 01:18). Ja Heer, die wil ik graag van U ontvangen!

Mijn voorhoofd komt vol rimpels! “Als diamant, harder dan steen, maak Ik je voorhoofd; vrees hen (de vijanden!) dan niet” Ezechiël 3 vers 9 (Ez. 03:09). “Eens zullen de 144.000 met Mij op de berg Sion staan, op hun voorhoofden Mijn naam en de naam Mijns Vaders” Openbaring 14 vers 1 (Openb. 14:01). Daar wil ik bij zijn, Heer!

Ja, die oren! Als ik eens een paar oorbellen nam? “Wie een oor heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt” Openbaring 2 vers 7 (Openb. 02:07). Dat wil ik doen, Heer!

Wat doe je met zo’n mond? “Want met het hart gelooft men tot gerechtigheid en met de mond belijdt men tot behoudenis” Romeinen 10 vers 10 (Rom. 10:10). Zo wil ik hem gebruiken, Heer!

Mijn lippen tonen zo weinig! “Laat ik dan door Hem Gode voortdu­rend een lofoffer brengen, namelijk de vrucht mijner lippen, die Zijn Naam belijden” Hebreeën 13 vers 15 (Heb. 13:15).

Dan knik ik mijn spiegelbeeld eens toe en zeg: “Dag, aanstaande zoon van God”

Een voorbeeld ter navolging?

1996.02 nr. 378

Levend geloof 1996.02 nr. 378

Persoonlijk… door G J R Doornink

Vorige maand was ik bezig ons kantoor wat te reorgani­seren. Deze keer kreeg het archief een grote beurt.

Daarbij kom je allerlei dingen tegen waarbij je de vraag stelt: Is het nodig dat nog langer te bewaren? Een mens is geneigd veel meer dingen te bewaren dan vaak nood­zakelijk is. En soms bewaar je dingen die je nooit meer nodig hebt. Vaak doe je pas afstand van bepaalde din­gen als het beslist niet anders kan, bijvoorbeeld bij een verhuizing naar een kleinere woning. Maar ook als het niet direkt nodig is, zouden we veel meer af en toe ‘schoon schip’ moeten maken. Veel in ons leven is over­bodige ballast, materieel zowel als geestelijk…

En wat dat laatste betreft: het evangelie wat wij hebben leren kennen, en waaraan we via Levend Geloof invul­ling geven, laat dat ook duidelijk zien. Jezus bracht dit telkens weer op duidelijke wijze onder woorden. Hij wond er geen doekjes om, maar ging altijd recht op het doel af. Maar nooit vanuit de hoogte of op een autoritai­re manier. Hij was ‘mens met de mensen’. Dat was ook het geheim van Zijn bediening. Daardoor bereikte Hij de grootste zondaars. Maar tegelijkertijd keerde de schijn­vrome wereld zich van Hem af. Hetzelfde zien we in onze dagen. Daar waar het evangelie van het Koninkrijk wordt gebracht, compromisloos en praktijkgericht, zien we de positieve uitwerking. Mensen weten waarom het werkelijk gaat en reizen hun geestelijke weg -net als de kamerling uit Morenland- met blijdschap. En wat dat laatste betreft, ook dit nummer werd weer vol vreugde samengesteld. We willen u graag laten delen in het gezonde geestelijke voedsel wat u hopelijk in de ver­schillende artikelen aan zult treffen. Toen ik nog eens een aantal brieven uit het archief doorlas, bemerkte ik hoe velen dankbaar zijn voor de duidelijke en positieve wijze waarin wij in Levend Geloof uitleg geven aan het evangelie. Natuurlijk waren er ook die op onderdelen vragen hadden en het niet met alles eens waren. Ik dacht: het is eigenlijk niet anders dan in de dagen van Jezus en de eerste apostelen. We gaan daarom maar rustig door het evangelie wat zoveel kracht en heerlijk­heid in zich heeft, aan u door te geven.

 

Christus alles in allen door Jan W. Companjen

“En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” Efeze 1 vers 22 en 23 (Ef. 1:22-23).

Het plan van God

Heeft u er wel eens over nagedacht waarom de mens door God ge­schapen werd? In de eerste plaats schiep God de mens naar Zijn beeld. Daardoor ontving de mens de mogelijkheid om ook te schep­pen, lief te hebben en in relatie met Zijn Schepper te leven. In de tweede plaats werd de mens ge­schapen om Gods rentmeester te zijn. Hij kreeg de verantwoor­delijkheid voor een goed beheer van de ganse schepping. Kortom, de mens was het ‘handwerk’ van een liefdevolle God, waardoor God en mens dagelijks met elkaar omgingen. Het was dan ook niet verwonderlijk dat God na de laat­ste scheppingsdag zei ‘dat alles zeer goed was’.

Toen kwam de zondeval met alle gevolgen van dien. Maar geloof nu maar niet dat de Schepper van al dat goede, van Zijn plannen afzag. Neen, vanaf de grondleg­ging der wereld liggen Zijn plan­nen vast. Gods plannen falen niet, ook niet door het falen van de mens. Hij maakte in Christus een nieuw begin. Lees bijvoorbeeld wat Paulus schrijft in zijn eerste brief aan de Korinthiërs: “Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levend­makende geest” 1 Korinthe 15 vers 45  (1 Kor. 15:45).

Deelgenoten van Gods plan

Het is onvoorstelbaar groot wat is toebereid voor hen die Christus toebehoren, zich in gehoorzaamheid aan Hem hebben toever­trouwd en Hem hebben aanvaard als Christus en Heer. Gods plan wordt ook nu, heden ten dage, uitgevoerd en iedereen kan er deelgenoot van zijn.

Het Koninkrijk der hemelen werd reeds bij de grondlegging der wereld toebereid, zoals we kunnen lezen in Matteüs 25 vers 34 (Matt. 25:34): “Komt, gij gezegenden mijn Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af’.

Datzelfde geldt ook voor onze Heer, Jezus Christus, want in Johannes 17 vers 24 (Joh. 17:24) lezen wij: “Vader, hetgeen Gij Mij gegeven hebt – Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijk­heid te aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld”.

Maar datzelfde geldt ook voor u en mij! Daar schrijft Paulus over in zijn brief aan de Efeziërs: “Hij heeft ons immers in Hem uitver­koren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onbe­rispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht” Efeze 1 vers 4 (Ef. 01:04). Gods plannen staan voor eeuwig vast. Hij wist hoe alles zich zou gaan ontwikkelen. Maar Hij wist ook, dat er in het laatst der tijden een volk op zou staan die tot de erkenning komt: Wij, mensen, hebben het niet gekund. Wij moeten en zullen dan ook tot de erkenning komen dat wij onze Schepper nodig hebben. Dat wij in gehoorzaamheid de door Hem aangewezen weg moeten gaan.

De Boom des Levens

Evenals bij het begin heeft God, de Vader aan u en mij een eis van gehoorzaamheid gesteld, namelijk: eten van de Boom des Levens, Jezus Christus. Hij, het Lam Gods, nam de zonde van de wereld op zich. Hij voerde in gehoorzaam­heid Gods plan uit, zoals wij in Romeinen 5 vers 19 (Rom. 05:19) kunnen lezen: “Want, gelijk door de ongehoor­zaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden”. Bij Zijn uitroep aan het kruis: “Het is volbracht!”, zal Jezus zeer zeker aan dit geweldige feit hebben gedacht.

Indien wij -u en ik- werkelijk eindtijdgelovigen willen zijn, zullen we nu ook tot de kern moeten doordringen. Alle twee­slachtigheid moet worden opge­ruimd en we moeten ons richten op Jezus alleen. Wie is Hij voor u? “Wat zegt Gij, wie Ik ben?”, vroeg Jezus aan Zijn discipelen. Maar dat vraagt Hij ook aan u en mij.

Mijn antwoord is: Hij is de Zoon van de levende God. Hij heeft mij gekocht en betaald met Zijn bloed en Hij leidt mij door Zijn Geest naar de volle waarheid. In Jezus Christus heeft de Schepper aller dingen laten zien hoe Hij zich de mens gedacht heeft. Niet alleen Jezus als Zijn eerstgeboren Zoon, maar ook u en mij.

Wie is Jezus?

Het is opmerkelijk dat in 2000 jaar christendom de fakkel bran­dende is gebleven. Wat is er in de loop der eeuwen wat af gediscussieerd en vervolgens in concilies en synodes als ‘leer’ vastgelegd. Inmiddels heeft iedere geloofs­gemeenschap zijn ‘eigen stelling’ betrokken en heeft zich achter één of andere leer gesteld.

Mijns inziens is echter de vraag; ‘Wie is Jezus?’, het allerbelang­rijkste, de rest is bijzaak. Uiteraard is er over deze vraag ook einde­loos gediscussieerd. Er zijn -ker­kelijk gezien- twee grote stromin­gen: de eerste zegt: Jezus = God. Deze visie steunt bijvoorbeeld op een tekst als: “Het Woord dat bij God is en dat God is”. Jezus’ zoonschap is bij Zijn incarnatie (dat is dan toch zo) al zo compleet dat Hij geen geschiedenis meer heeft met God. Hij had, heeft alles al.

De andere stroming gaat er van uit dat Jezus mens is. De nadruk komt te liggen op het mens-zijn van Jezus. De eerste stroming gaat er van uit (discussie gesloten) Jezus is God en de andere stroming zegt: Jezus wordt de Zoon van God. In Zijn gehoorzaamheid wordt Hij de Verlosser, het Lam Gods.

De patstelling die hierdoor is ont­staan moet doorbroken worden. Tegenstellingen die er helemaal niet zijn, worden met hand en tand verdedigd om toch maar rechtop een ‘eigen’ bestaan te hebben. Mijns inziens is het echter niet ‘of-of’, maar ‘en-en’. Jezus werd door de Heilige Geest bij Maria verwekt en moet dientengevolge Gods Zoon genoemd worden. Maar dit is niet alles. In tegenstel­ling tot de eerste mens, Adam, die God alleen formeerde en de levensadem inblies, komt de Schepper aller dingen, bij de verwekking van Jezus de mens tegemoet. Hij gaat niet opnieuw beginnen, maar gaat samen met de mens verder. Dit is een wonder­baar gebeuren waar we zo nog op terugkomen.

 

Jezus werd uit Maria geboren en was/is dus ook de zoon van een mens. Jezus werd vanuit de on­zienlijke wereld, vanuit de hemel verwekt, kwam als mens op aarde en voer ten hemel toen Hij Zijn aardse opdracht had uitgevoerd. Dat staat zo mooi beschreven in Johannes 3 vers 13 (Joh. 03:13): “En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel neergedaald is, de Zoon des mensen”.

Het moest een mens zijn in wie God de verbinding met de mens weer zou herstellen. Het moet ook een mens zijn, aan wie God de macht over Zijn aardse schepping weer zou kunnen opdragen. Die mens moet bewijzen dat hij die opdracht trouw wil volbrengen. Dat Jezus daar volkomen in slaagde kun je lezen in Mattheüs 28 vers 18 (Matt. 28:18): “En Jezus trad nader­bij en sprak tot hen zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”. En in Handelingen 2 vers 36 (Hand. 02:36) staat dat God Hem tot Here en tot Christus heeft gemaakt.

Het waarachtige leven

Dit gebeuren houdt tevens de ves­tiging in van het Koninkrijk Gods. Het leven heeft de dood overwon­nen. Het waarachtige leven dat alleen in God is, is in Jezus opge­gaan. In Hem die de sleutels van de dood en het dodenrijk op de duivel heeft veroverd Openbaring 1 vers 18 (Openb. 01:18). Dat waarachtige leven heeft Hij ter beschikking gesteld aan mensen die Hem volgen, op de weg die Hij Zijn volk zelf wijzen zal. Wie Hem zo volgt en aanhangt wordt één Geest met Hem.

Het moet steeds meer en beter worden gezien dat het leven met Christus méér is dan een kerst-, paas- of pinksterboodschap. Het houdt niet op maar gaat steeds verder door totdat het is: Christus alles in allen. Dan lezen we Johannes hoofdstuk 1 zo: dat het Woord voortdurend vlees wordt, namelijk ook in hen die van Jezus zijn. Samen op weg in één Geest, namelijk in de geest van Christus. Wat een vooruitzicht hebben wij!

Geef u over, vertrouw u toe aan die Heer en Meester. Bekeer u vanuit dit verkeerde aardse ge­slacht en wordt vernieuwd in uw denken. Wordt wederom geboren tot een nieuwe schepping. Daarvoor is een persoonlijke band met Christus noodzakelijk. Hij wil een volk tot Zijn dienst bereid en opnemen (nu, zelfs op dit mo­ment) in Zijn heerlijkheid.

Terwijl ik zo bezig was met het schrijven van dit artikel, moest ik denken aan een visioen dat mij in de jaren zestig onder ogen kwam. Er kwam toen niet zoveel reactie op, maar ik denk dat wij het nu beter zullen begrijpen. In die tijd werden profetieën en visioenen door onkunde op een natuurlijke, aardse wijze uitgelegd en verstaan. Bijvoorbeeld: In onze gebedskring kregen we een visioen betreffende een zeer mooie donkere vrouw die in een gevangenis opgesloten zat. Het kwam in geen van ons allen op dat dit een beeld was van de situatie waarin de gemeente van Jezus Christus zich bevond. Onbegrijpelijk, maar wij dachten dat het een vrouw was die bestemd was voor een jongeman uit onze kring die nog vrijgezel was.

In de gemeente waar ik toen kwam en nog kom, werd door een zuster een beeld gezien van een zeer mooie en blij zingende vogel. Uit alles bleek dat het beestje het reusachtig naar zijn zin had. Het vogeltje zat echter in een gouden kooi. Gezien eigen ervaring is mij gebleken dat toen en nu nog niet wordt begrepen dat een ‘vogel’ niet in een kooitje, ook niet een gouden kooitje, thuis hoort.

Het visioen van de reus

Maar nu het visioen dat al wel een paar jaar oud is, maar nu toch wel erg actueel is. En ik denk dat velen met mij het nu veel beter zullen verstaan. Samengevat komt het op het volgende neer: De ontvanger, Tommy Hicks, een toen bekende opwekkingsprediker, zag onder zware donderslagen en bliksemflitsen, een beeld van de gehele aarde. Terwijl hij daar naar keek, zag hij de massieve gestalte van en geweldige reus. Toen zag hij dat de mens, die de aarde van pool tot pool bedekte, leefde en dat hij voor zijn leven vocht. Hij zag dat het reusachtige wezen met puinhopen bedekt was en dat hij geboeid was.

Toen zag hij dat het lichaam be­gon te beven en krampachtige bewegingen maakte. Ook zag hij duizenden kleine zonderlinge wezens die zich, zodra het lichaam zich bewoog, terugtrokken. Zodra de reus zich stil hield kwam ze weer op hem af. Toen werd ge­toond dat al die wezens machten waren die eeuwenlang het lichaam van Christus gebonden hielden. Plotseling ging eerst de rechter­hand en daarna de linkerhand naar boven en strekten zich uit naar de hemel. Langzaam richtte de reus zich op en begon puin te ruimen.

Vervolgens ging hij op zijn voeten staan. Zijn handen reikten tot in de hemel, terwijl zijn ene voet op de aarde en de andere op de zee stond. De lucht werd daarna be­dekt met wolken, die een zilveren glans kregen. Uit die wolken vloeiden druppels van licht en kracht over het lichaam van de reus. Langzaam smolt de reus weg en op zijn plaats stonden miljoe­nen zelfstandige mensen.

Hicks riep tot de Heer en zei: ‘Wat moet ik hiermee?’ En de Heer antwoordde met duidelijke stem: ‘Ik zal u vergoeden de jaren toen de sprinkhaan alles opvrat, de verslinder, kaalvreter en knager’. Terwijl hij luisterde en naar de mensenmenigte keek, zag hij dat uit de wolken grote druppels vloeibaar licht kwamen. Een heerlijke hemelse substantie, die bij aanraking tot gevolg had dat de gestalte van Jezus Christus in al die mensen duidelijk zichtbaar werd. Er waren geen grenzen, geen belijdenisgeschriften en geen richtingen meer. De stralende heerlijkheid van de hemel rustte op al deze mensen. Toen hieven zij de handen op naar de hemel om de Heer te loven en te aanbidden.

Vervolgens zag Hicks een grote witte gestalte uit de hemel komen die met zijn vinger dan de één en dan de ander aanwees. Het bleek dat Hij persoonlijke aanwijzingen gaf, want zij stonden op en gingen uit over het rond der aarde. Hijzelf ging met hen en op deze wijze werden zij een volmaakte gemeen­te. Hun gelaat was als die van overwinnaars en dat waren zij ook. Daarna raakte de wit geklede gestalte Zijn volk aan, uit Zijn handen vloeide een vloeibare kracht. Een ieder die door Hem werd aangeraakt kreeg handen die eveneens met dezelfde hemelse stof gevuld waren en het vloeide ook van hen af. Zij gingen naar ziekenhuizen en krankzinnigen­gestichten, trokken ook van land tot land en werden genezen. Het was een machtige manifestatie van het Koninkrijk Gods. Onder hen was niemand de eerste, maar zij herhaalden eenvoudig de woor­den: ‘Wees gezond op Zijn bevel’.

Het visioen is te lang om in zijn geheel weer te geven, maar het eindigt met het horen van een stem als een donderslag, die zei: ‘Zie de bruidegom komt, ga uit hem tegemoet. Heft poorten, uw hoofden omhoog en verheft u, gij aloude ingangen, opdat de Koning der ere inga’.

De reus staat weer

Terugziende op de tijd die voor­bij is gegaan, is er al heel wat gebeurd. Tommy Hicks is in de vergetelheid geraakt. Hij is over­leden en naar ik meen wel eens gehoord te hebben, niet op een normale manier.

Intussen is van zijn visioen al heel wat gerealiseerd. De vrijmaking en het opnieuw tot leven komen van het lichaam van Christus is in vol­le gang. Er is al heel wat puin ge­ruimd en de reus is op zijn voeten gaan staan. Hier en daar en mis­schien nog wat wankel, maar lang­zaam en toch zeker, wordt de reus (de gemeente) zich bewust, wie we zijn, wat we zijn en wat onze toekomst is. Namelijk met Jezus over­winnaar zijn!

 

Heer, U bent hét leven,

U geeft glans aan ons bestaan,

U doorstroomt ons wezen

en brengt Uw liefde in ons aan.

 

Voorwaarts, christenstrijders, drukt uw ’s Konings spoor.

En zet de feestmuts daarbij op. Laat zien wie u bent in Christus onze Heer.

 

Gepantserd in de hemel door Cees Maliepaard

De hemelen – -XIX-

“Stelt u dan op… bekleedt met het pantser der gerechtigheid” Efeze 6 vers 14b (Ef. 06:14b).

Gerechtigheid is als een pantser, waarop vele pijlen van de boze zullen afketsen. Want de vorst der duisternis is één en al ongerechtig­heid, maar bij de rechtvaardigen zullen zijn ideeën niet overkomen. Hun gerechtigheid is een onover­komelijk obstakel voor benaderin­gen uit het rijk der ongerechtig­heden.

 

In onkreukbaarheid

De rechtvaardige zal te allen tijde zijn onkreukbaarheid bewaren, want kreukels staan voor even zovele aantastingen van zijn gerechtigheidspantser. De toestand van dit gees­telijk uitrustingsstuk geeft keihard de werkelijkheid weer. Een breuk erin, zal onvermijdelijk tot gevolg hebben dat Satan zijn aanvallen op die breuklijn zal concentreren, want hij proeft met haast feilloze perfectie waar ongerechtigheid het pantser van de rechtvaardige heeft aangetast. Bij elk hernieuwd contact tussen de mens en de meester der ongerech­tigheid, zal de breuk in het pantser breder worden, zodat dit na verloop van tijd nauwelijks nog als pantser dienst zal doen.

Waar de rechtvaardige onkreukbaar blijft, kan de boze het beuken op het geestelijk pantser van de mens wel prolongeren, doch zonder ook maar de geringste kans te maken om het door hem beoogde doel te bereiken. Want het pantser der gerechtigheid is deugdelijk en door de Heer ver­strekt aan een ieder die Gods gerechtigheid serieus nastreeft. De duivel kan het leven van een onkreukbaar mens gewoon niet verkreukelen, zonder daar de medewerking van de mens zélf voor verkregen te heb­ben.

Geen kreukelzónes

In de kooien van onze auto’s hebben kreukelzónes ontegenzeggelijk hun nut bewezen. Dat staat buiten kijf. Maar in ons pantser der gerechtig­heid kunnen we ons geen kreukelzones veroorloven. Dat komt doordat het geweld dat in de natuurlijke wereld onze moderne vervoermiddelen belagen kan, sterker is dan de constructie van onze gemotoriseerde rijtuigen verdragen kan.

Ondanks de kreukelzónes worden ze even zo goed totaal de vernieling in gereden, maar zal de inzittenden veelal letsel (of erger) bespaard blijven, doordat de genoemde zónes het van buiten komende geweld afremmen. Maar het geweld dat ons vanuit de geestelijke wereld belaagt, is bij lange na niet opgewassen tegen het degelijke pantser dat ons in gerechtigheid gegeven is.

Ongerechtigheid kan de in Gods gerechtigheid levende mens niet onverhoeds overvallen, want Satan is altijd zwakker dan wat de Heer ons in volmaaktheid gegeven heeft. Adam en Eva waren weliswaar het slachtoffer van Satans leugenachtige propaganda, maar dat werden ze doordat ze zelf hun gerechtigheid prijsgaven. Wanneer ze vastgehou­den hadden aan hun van God ge­geven reine status, was Satan op voorhand onmachtig geweest hun zijn rebelse houding op te leggen.

Een gaaf pantser…

Alles wat van de Vader der lichten komt, is goed en volkomen. Ook de gerechtigheid die Hij van origine in de mens gelegd heeft, is van onge­limiteerd goede kwaliteit. Wat wij in nieuwheid van leven door Jezus Christus ontvangen hebben aan geestelijke wapenrusting, is een complex geheel. De onderdelen ervan sluiten echter wel harmonisch op elkaar aan. Gods waarheid (waar­mee we ons immers omgorden zullen) past uitstekend bij het ons verstrekte pantser van de gerechtig­heid. Want het is geen loodzwaar geheel, dat de mens in zijn bewegin­gen belemmert, maar het is betrek­kelijk klein van stuk. Sommige vertalers geven het weer als een borstharnas – een kogelvrij vest zouden we heden ten dage dus zeggen.

De gerechtigheid van de mens Gods biedt bescherming tegen de ongerechtigheid van de duivel. Het in­nerlijk van de mens die in de Chris­tus is, de kern van zijn wezen, wordt beschermd door zijn gerechtigheid. ‘Gerechtigheid verhoogt een volk’, luidt het woord van de Vader. Elk lid van het volk van God is vanwege zijn door Jezus bewerkte heil, en op basis van herwonnen gerechtigheid, verhoogd tot hemelse heerlijkheid. En vanuit onze positie in de hemel zullen we met succes stand kunnen houden tegen alles waarmee Satan ons zal trachten te verlokken of weg te drukken. Zaak is dus wel, dat we ons harnas nimmer afleggen of aan laten tasten.

… en ‘t zit ons als gegoten!

Voor de gepantserde ridder van vroeger, de soldaat met het borsthar­nas uit vervlogen eeuwen en de hedendaagse politieman of -vrouw met een kogelvrij vest, is het on­denkbaar dat ze altijd en overal in keurslijf aanwezig zouden zijn. Zo’n beproeving is ook nooit nodig ge­weest – als het maar wél gedragen zou worden bij die gelegenheden waar dat noodzakelijk zou zijn. Gelukkig zijn het maar uitwendige zaken, die derhalve gemakkelijk af te leggen zijn. Onze gerechtigheid wordt daarmee vergeleken: volko­men terecht als vergelijkings­materiaal.

Maar natuurlijk zullen wij onder geen enkele omstandigheid onze rechtschapenheid kunnen (en wil­len!) afleggen. Het is ook geen aangelegenheid van de buitenkant, die de mens Gods naar believen aan en uit zou kunnen trekken. Onze gerechtigheid is een deel van ons wezen en maakt onbedongen deel uit van de gezindheid van Christus. Niemand kan zich dus zonder nega­tieve gevolgen van zijn pantsering ontdoen. Een gezindheid is niet iets dat af en toe eens nodig afgelegd moet worden, omdat die teveel gaat knellen bijvoorbeeld. Dat zou er im­mers op duiden dat die gezindheid ons niet op het (geestelijke) lijf geschreven zou zijn!

De gezindheid van Christus is altijd een zaak van het hart en werkt dus nimmer vanaf de buitenkant, maar immer vanuit het innerlijk van de mens. Daaruit volgt dat een recht­vaardige onder alle omstandigheden rechtvaardig zal zijn, want hij of zij is gewoon zo! Dit pantser zit ons als gegoten. En mocht iemand zich toch in onachtzaamheid het borst­harnas hebben laten beschadigen (of misschien heeft hij het wel helemaal uitgetrokken en is het in de duister­nis weggezogen), dan mag men weten dat de gerechtigheid van Jezus niet is aangetast en dat bij Hem her­nieuwde rechtschapenheid verkregen kan worden. Nog steeds voor de­zelfde prijs: om niet.

 

Genade en heiliging: een spanningsveld? Door Gert Jan Doornink

Genade en heiliging zijn twee woorden die we in de Bijbel heel vaak tegenkomen. Alleen al in het Nieuwe Testament worden beide meer dan 100 keer genoemd. In eerste instantie zijn het woorden die niets met elkaar te maken hebben. In dit artikel willen we echter gaan ontdekken dat ze niet los van elkaar gezien mogen wor­den, maar dat ze alles met elkaar te maken hebben. En ook dat wij er mee te maken hebben.

Willen we optimaal functioneren in het plan van God, willen we een volwaardig getuige van Christus zijn, willen we ons als zonen Gods openbaren, dan hebben we te maken met zowel genade als heiliging. En dan behoort er geen spanningsveld tussen beide te bestaan, zoals vaak het geval is, maar dan vloeien genade en heiliging in elkaar over.

Wat is genade?

Het woord of begrip ‘genade’ kan op verschillende wijze om­schreven worden. Het is een woord met een rijke inhoud en betekent barmhartigheid, verge­ving, gunst, gave, goedertieren­heid. Genade legt het hart van God bloot. Het is de allesomvat­tende hulp die God de mens schenkt om Zijn oorspronkelijke bestemming weer te kunnen bereiken.

God toont door middel van ge­nade hoe Hij de mens liefheeft (en blijft liefhebben) met een ondoorgrondelijke, onuitspreke­lijke liefde. God laat de in het rijk der duisternis terechtgeko­men mens niet aan zijn lot over, maar ziet naar hem om.

Het grote bewijs daarvoor werd geleverd door Zijn Zoon.

Daarover lezen wij in Johannes 1 vers 16 en 17 (Joh. 1:16-17): “Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvan­gen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen”.

Genade vindt dus zijn oorsprong in God zelf. In de troon van God zou je kunnen zeggen. Daarom spreekt de Hebreeënbrief over ‘de troon der genade’. (“Laten wij daarom met vrijmoedigheid toe­gaan tot de troon der genade, op­dat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd” – Hebreeen 4 vers 16 (Heb. 04:16).

Het Nieuwe Testament, dat op de genade van Christus is gegrond­vest, wordt ook wel het genade- verbond genoemd. In Christus is ons genade verleend en zijn daardoor nieuwe scheppingen geworden Jesaja 55 vers 3 en Handelingen 13 vers 34 (Jes. 55:03; Hand. 13:34).

Nieuwe scheppingen in Christus

Genade is de brug die de kloof tussen de oude en de nieuwe mens overspant. Genade brengt de ver­binding tot stand. En het is na­tuurlijk een brug met éénrichtingverkeer. Je kunt niet meer terug. Wie in Christus is, is een nieuwe schepping. Het oude is voorbij, het nieuwe is gekomen. Het is goed om dit even nadruk­kelijk te constateren, omdat er nogal eens kinderen Gods zijn die toch blijven filosoferen over de oude mens, terwijl ze nieuwe mensen geworden zijn. Het oude is voorbij, het is net als met een hele oude auto. Als je een nieuwe hebt, ga je niet meer nadenken over de oude auto. Die is weg en gaat naar de schroothoop.

Natuurlijk staat de nieuwe mens in Christus nog aan allerlei aanvallen uit het rijk der duisternis bloot. Soms zijn er gebondenheden waarvan men bevrijd moet worden of die men moet afleggen. Maar dat heeft niets met de oude mens te maken. Die periode is voorbij. Ons is genade verleend. Anders zouden we trouwens ook afbreuk doen aan de genade.

Om dezelfde reden heeft de nieuwe schepping in Christus ook het verlangen in zich om als nieuwe schepping te leven. Vrij, en evenals Jezus zelf, vol van genade en waarheid. Heeft u daar wel eens over nagedacht?

Wie uit God geboren is, en dat is een feit als je wedergeboren bent, kan niet zondigen, zegt de Johannesbrief. Als je toch nog zondigt dan is dat altijd het werk van de tegenstander, die geïnfiltreerd heeft, die onze geest bevrucht heeft met zijn verkeerde geest.

Natuurlijk blijven we daarvoor zelf verantwoordelijk en als we onze zonden belijden, worden ons die vergeven, wordt ons weer genade verleend.

Maar genade is niet goedkoop! Jezus betaalde met de prijs van Zijn bloed en leven voor onze zonden. Daarom zal een waar­achtig kind van God ook meer en meer gaan leren zich af te sluiten voor het rijk der duisternis, door (en dat is de sleutel) vol te zijn van Gods Geest.

Paulus vindt dat heel vanzelfspre­kend. Dat blijkt wel uit de opmer­king die hij maakt in zijn brief aan de Romeinen, door te schrij­ven: “Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?” Romeinen 6 vers 1 en 2 (Rom. 06:01-02).

Paulus wil zeggen: dat doe je toch niet, dat kan toch niet meer, je gaat de genade toch niet mis­bruiken?

Wat ga je dan wèl doen? Hoe toon je dat je leeft uit en door genade? Dat blijkt uit het heilige leven dat we nu openbaren! Heilig leven? Wat griezelig, wat vroom, wat overgeestelijk, zullen sommigen misschien denken of opmerken. Toch is het Gods wil, Gods ver­langen, dat we een heilig leven zullen hebben! Laat daarover geen enkel misverstand bestaan.

Alleen de duivel -de grote tegen­stander van God en mens- is er in geslaagd daar een zodanige voor­stelling van te maken dat vele kinderen Gods hiervoor een schrik hebben gekregen en het hele terrein van de heiliging en alles wat daarmee te maken heeft, maar links laten liggen.

Daarom is het woord ‘genade’ bij velen ook veel meer geliefd dan het woord ‘heiliging’. Achter genade kan men zich immers gemakkelijk verschuilen. Terwijl ik al eerder heb opgemerkt dat het één ondenkbaar is zonder het andere.

Dacht u dat er zomaar zonder enige reden zo vaak over heiliging, over volmaakt, volkomen en on­berispelijk zijn, wordt gesproken in Gods woord? Dacht u dat Pe­trus zomaar Leviticus aanhaalt als hij schrijft: “Wees heilig, want Ik ben heilig” 1 Petrus 1 vers 16 (1 Petr. 01:16)?. Of dat er in het laatste bijbelhoofdstuk zomaar staat: “Wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd” Openbaring 22 vers 11b (Openb. 22:11b)? Om ons maar tot deze twee voorbeelden te beperken.

Nee, natuurlijk! Het heeft alles te maken loet ons nieuwe schepping zijn, met ons getuige zijn, met het openbaar worden van ons als zonen Gods!

Toen Jezus niet meer lichamelijk op aarde was, was Zijn werk nog niet voorbij. Integendeel, toen begon het pas! Dat is de bood­schap van Pinksteren. Zijn werk gaat door, nu via u en mij. Wij zijn ingeschakeld in Zijn grote plan tot herstel en voltooiing van Zijn schepping. En wie zijn die ‘wij’? Dat is de waarachtige Gemeente van Jezus Christus, allen die be­horen tot Gods Koninkrijk, de heiligen.

Wie zijn heiligen?

Paulus had er geen enkele moeite mee de gelovigen heiligen te noemen o.a. Romeinen 1 vers 1; Romeinen 1 vers 7; 1 Korinthe 1 vers 2; Efeze 1 vers 1; Filippenzen 1 vers 1; Kolossenzen 1 vers 2 (o.a. Rom. 01:01; Rom. 01:07; 1 Kor. 01:02; Ef. 01:01; Filip. 01:01; Kol. 01:02). Hij wist: ze zijn afgezonderd, apart gesteld, want dat betekent het woord ‘heilige’. Wij vormen de ‘ecclesia’. (Wat de Katholieke kerk leert dat je alleen door bij­zondere verdiensten voor de kerk tot ‘heilige’ verklaard kunt wor­den is een leugen. Maar wat in orthodox protestantse kringen geleerd wordt dat je een zondaar blijft tot de dood, is natuurlijk een even grote leugen).

Dit afgezonderd of apart gezet zijn, wat dus het begrip ‘heilige’ betekent, geldt alleen ten aanzien van het rijk der duisternis. Daar horen we niet meer bij, dat is ver­leden tijd. Daarvan zijn we geïso­leerd komen te staan. Maar dat geldt dus niet ten aanzien van onze medemens, waar we dagelijks mee in contact komen. Het hoort juist bij onze opdracht hen over de streep te trekken. Wij zijn geroepen het zout der aarde en het licht der wereld te zijn.

Wat is heiliging?

Als we over heiliging spreken of over heiligmaking, dienen we ons te realiseren, dat dit -net als gena­de- niet iets is wat op zichzelf staat. Dat wil zeggen: het heeft een achtergrond, een bron waaruit het afkomstig is. En zoals genade zijn oorsprong vindt in het hart van God, zo geldt dat ook voor wat betreft de heiliging. “Ik ben heilig”, sprak God. En zo is het. Hij is Degene die ons genade verleend heeft, en Hij is ook onze Heiligmaker. “Dit wil God: uw heiliging”, schrijft Paulus in 1 Thessalonicenzen 4 vers 3a (1 Thess. 04:03a). God wil zo graag dat we Zijn karakter en wezen tot openbaring brengen. Hoe meer dat het geval is, hoe meer wij ook beantwoorden aan het beelddrager van Christus zijn, aan het gestalte geven aan het zoonschap.

Geen opgelegde wet

Nu moeten we oppassen dat we niet op een verkeerde wijze wer­ken aan onze heiliging. We kun­nen niet heiliger worden door als een soort opgelegde wet steeds maar bezig te zijn met gedachten als: Hoe heilig ben ik al? Doe ik nog verkeerde dingen? Doe ik wel genoeg mijn best? Lever ik wel genoeg (geestelijke) prestaties? Bid ik wel lang genoeg? Moet ik niet een half uur eerder opstaan om in plaats van een uur, anderhalf uur stille tijd te houden?

Ik denk als we zo bezig zijn, dat er een soort krampachtigheid, een streberigheid de kop opsteekt. Iets waar de duivel geen enkel bezwaar tegen heeft, omdat hij weet dat dat toch geen uitwerking heeft in de positieve zin. Dat veroorzaakt al­leen maar oververmoeidheid, angst om te falen, onvoldaanheid over het feit dat we toch niet bereiken wat we zo graag bereiken willen. Zoals bij de ‘goedkope genade’ zou je hier kunnen spre­ken van ‘dure heiliging’, we kunnen het niet betalen, het niet opbrengen, ondanks al onze inspanning. Zo werkt het niet, zo heeft het geen resultaat. Maar waar gaat het dan wel om?

Vier belangrijke punten

1.In de eerste plaats dienen we ons te realiseren dat heiliging uitgaat van de ‘Heiligmaker’. Het gaat van God uit. Het is Zijn werk in ons. “Hij is in ons een goed werk begonnen…”

Wat doe je als je je bewust bent dat het Zijn werk in ons is? Dan ga je Hem daarvoor danken, dan leef je in een geest van dankbaarheid.

Dan weet je: God is het die de mensen weer maakt naar Zijn beeld, zoals de mens ook oor­spronkelijk geschapen werd naar Zijn beeld: volmaakt en goed. Heiliging is (daarom ook) een vorm van aanbidding. Het is de aanbidding van het door Gods genade tot stand gebrachte nieuwe leven van de mens, die vergeving van zonden heeft ontvangen. Hoe meer je beseft dat Hij in ons werkt met Zijn Geest om ons om te vormen naar Zijn beeld, hoe meer je Hem daarvoor ook gaat danken. Zolang we dat nog ver­geten zijn we vaak nog met zoveel andere dingen bezig die niets met waarachtige heiliging te maken hebben. Het is dan net als bij de tien melaatsen die genezen waren. Er ging er maar één naar Jezus terug, om Hem daarvoor te bedanken Lucas 17 vers 16 (Luc. 17:16).

Als we onze dankbaarheid uiten jegens de ons verleende genade, dan is dat al een vorm van heili­ging. Dan geven we daarmee te kennen: Heer, ik wil in Uw ge­meenschap leven en U zult mij geheel omvormen naar Uw beeld, zodat ik meer en meer bruikbaar ben in Uw dienst.

2.Hieruit volgt al, en dat is een tweede punt van overweging, dat heiliging geen eenmalige aange­legenheid is, maar een proces, een doorgaande ontwikkeling naar het einddoel: de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus. De weg van heiliging is de enige weg die ons het einddoel doet bereiken.

3.Hoe meer wij geheiligd worden (en dus de weg van heiliging gaan) hoe meer wij ook afge­schermd zijn voor de infiltraties uit het rijk der duisternis, die soms heel subtiel tot ons komen.

Heiliging maakt ons bewust dat we betrokken zijn bij een geestelijke oorlog. Vanuit onze plaats met Christus in de hemelse gewesten, kunnen we, bewapend met gees­telijke wapens, de geestelijke strijd aan en overwinnen.

(Let wel: de geestelijke strijd waar wij bij betrokken zijn is een gees­telijke oorlog. Dat is heel wat an­ders dan de zogenaamde ‘heilige oorlog’ zoals de Islam die kent. Die vloeit voort uit de verplichting van de Mohammedanen om de Islam over de gehele wereld te verspreiden. Ook al noemt men dat ‘heilige oorlog’, in werkelijk­heid is het natuurlijk een onheili­ge, demonische en ongeestelijke oorlog. Alleen reeds hierom zal de waarachtige gemeente van Jezus Christus nooit samen kun­nen gaan met de Islam of met welke andere wereldgodsdienst ook, zoals vanuit het naam-christendom wordt gepropageerd).

4.Nog een belangrijk punt is dat we ons realiseren dat heiliging alleen mogelijk is als we de weg van geloof bewandelen. Geloof is de zekerheid van de dingen die we hopen en het bewijs van de dingen die we niet zien Hebreeen 11 vers 1 (Heb. 11:01). Soms zien we nog weinig uitwer­king van de heiliging, althans dat denken we dan. Als we bijvoor­beeld weer eens een fout hebben gemaakt, een negatieve uitlating, naar de ander toe, dan is de duivel er als de kippen bij ons aan te klagen. Maar wie dat weet te on­derkennen laat zich niet zo gauw van de wijs brengen. Hij weet dat Hij die in ons een goed werk is begonnen, dit ook zal voortzetten tot de dag van Christus Jezus.

Geen spanningsveld meer

Maar de vraag is: Kan Hij het voortzetten? Zeggen we ‘ja’ tegen de genade? Prijst God, als we dat doen. Maar zeggen we óók ‘ja’ tegen de heiliging? We kunnen ze niet scheiden. Ze horen bij elkaar. En als Gods Geest ons daarvan weet te overtuigen (en ik hoop dat ook dit artikel daartoe meewerkt), dan verdwijnt ook het spannings­veld wat er tussen beide bestaat. Dan vinden we heiliging even belangrijk als genade.

En zodra we gaan ontdekken dat er helemaal geen spanningsveld tussen die twee meer is, dat genade overvloeit in heiliging en omge­keerd, heeft de duivel weer een gevoelige nederlaag geleden. En tegelijkertijd betekent dat een overwinning voor het Koninkrijk van God. Het onwankelbare Ko­ninkrijk, waartoe u en ik behoren, en dat stand houdt tot in alle eeuwigheid.

Wat mogen we blij zijn dat we tot dat Koninkrijk behoren en zo invulling kunnen geven aan Zijn plan met ons leven. Daarom is mijn gebed, en ik hoop dat het ook uw gebed is: ‘Heer, ik dank U dat U mij genade hebt verleend, dat ik nu heilig ben en dat ik nog meer geheiligd wordt!’

 

Waartoe schiep God ons? Door Tea Keuper.

“Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroe­pen heeft door Zijn heerlijkheid en macht; door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst. Maar schraagt om deze reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis, door de kennis de zelfbeheersing, door de zelf­beheersing de volharding, door de volharding de godsvrucht, door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde jegens allen. Want als deze dingen bij u aanwezig zijn en overvloedig worden, laten zij u niet zonder werk of vrucht voor de kennis van onze Here Jezus Christus” 2 Petrus 1 vers 3 tot en met 8 (2 Petr. 01:03-08).

Altijd weer wordt ik bij het lezen van goede en minder goede lectuur teruggeworpen op de Bijbel, de inspiratiebron van elke ‘goed geaarde christen’. Wat is goed geaard?

Dat je de aard van Vader-God bezit. Je bent immers naar Zijn aard geschapen, naar Zijn beeld.

In het begin van 1996 putte ik weer eens kracht uit de brieven van Petrus, zoals bovenstaand gedeelte. Zo eenvoudig maar beslist schrijft hij, dat wij begiftigd zijn met zijn goddelijke natuur! Wij zijn ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst! Dit is zoiets heerlijks, dat je daar niet zomaar overheen leest. Daar moet je steeds weer aan herinnerd worden.

Petrus schrijft dat dan ook een paar verzen verder: “Ik acht het mijn plicht, zolang ik in deze tent ben (zijn natuurlijke lichaam hier op aarde), u door herinnering wakker te houden”.

Zijn wij ons bewust wie wij zijn in Christus?

Ik bemerk in gesprekken met kin­deren Gods, en ook in christelijke lektuur, dat men zich vaak niet bewust is, wie je ‘in Christus zijnde’ eigenlijk bent: een bewust levend mens, die zijn normen aan de Bijbel ontleend. Hij of zij mag zich een Koningskind noemen, een kind van God opgroeiend tot een zoon van God!

Het begint bij je nieuwe geboorte (uit de Geest). Daarna groei je op en je groeit weer naar dat beeld van God toe. (Lees in dit verband nog eens het artikel ‘Hoe waarde­vol is de mens?’ in het januari­nummer).

Heel vaak hoor ik nog de uitdruk­king: ‘Wij zijn zondaars’, uit de mond van christenen. Zou God hier blij mee zijn? Ik denk van niet. Veeleer zal Hij ons door Zijn Woord, bijvoorbeeld door de brieven van Petrus, herinneren aan wie wij zijn of behoren te zijn, omdat we voor Christus gekozen hebben.

Zondaars missen het doel, zon­digen is ‘je doel missen’.

En ons doel en het doel van God met mensen is: leven in Zijn Koninkrijk, waar vrede, gerech­tigheid en blijdschap heersen! Zijn we dan al volmaakt? In Chris­tus zijnde: ja! Aan Zijn voeten zittend en luisterend: ja!

Innerlijke verdeeldheid

Maar als we onze dagelijkse be­slommeringen hebben, komen verzoekingen in allerlei vorm op ons af. En daarmee de strijd. In gezinnen, vriendschappen, hu­welijken, op je werk en bij je hob­by, overal. De Bijbel zegt: “Wedersta de boze en hij zal van u vlie­den. Nadert tot God en Hij tot u naderen” Jakobus 4 vers 7 en 8a (Jak. 04:07-08a).

Jakobus spreekt over mensen die innerlijk verdeeld zijn. Hij noemt hen terecht zondaren, zij staan immers in dienst van satan! Als je ‘innerlijk verdeeld ‘ bent, wordt je heen en weer geslingerd en uit de nabijheid van Jezus weggezogen. Als je hart, je gedachtewereld ver­vuild is en bijvoorbeeld aangetrok­ken wordt door verkeerde lectuur, behoort er reiniging en zuivering plaats te vinden. Jakobus zegt dat we dan onze handen moeten reinigen en onze harten moeten zuiveren Jakobus 4 vers 8b (Jak. 04:08b). Anders heeft de boze vat op je. Het liefst drijft satan de mens van de ene hoek naar de andere. Of hoogmoed en zelfin­genomenheid, of verwerping en aanklagen.

De les van de voetwassing

Toen Jezus de voeten van Zijn discipelen ging wassen en Petrus dit aanvankelijk weigerde, zei de Heer: “Petrus, als Ik je niet was, heb je geen deel aan Mij” Johannes 13 vers 8b (Joh. 13:8b). Dan vraagt Petrus aan Jezus, ook zijn handen en zijn hoofd te wassen. Daarop zegt Jezus: “Wie gebaad heeft, behoeft zich alleen de voeten te wassen, want hij is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen. Want Hij wist, wie Hem verraden zou.

Daarom zei Hij: Gij zijt niet allen rein”.

Wat bemoedigt Jezus hier Zijn leerlingen. Ze zijn nog lang niet volmaakt en toch noemt Hij hen ‘rein’! Waarom? Omdat Hij hun hart en hun verlangen kende, om Hem te volgen. Judas haakte af door teleurstelling en begeerte; Petrus ging letterlijk ‘de nacht’ in na zijn verloochening, maar kreeg berouw.

Hoe is onze houding ten opzichte van onze Koning?

Vier vragen

1.Is het ons verlangen Hem te volgen, Zijn discipelen te zijn? Dan zijn we rein, gewassen in Zijn bloed, dat vergoten werd voor ons, Zijn leven dat Hij gaf.

2.Is er berouw na een zondige daad of gedachtegang (= doel- missend). Een kind van de Vader kan immers niet zonder Hem?

3.Is er een positieve belijdenis wat betreft God, je medeschep­selen en jezelf? Daarmee verandert een eigenwijze houding in een nederige ten opzichte van God, waardoor Hij jou verhoogt en op de hemelse hoge weg plaatst.

4.Is onze belijdenis over onszelf positief? Zeggen we vanuit ons weten: Ik behoor Hem toe, Ik ben…, ik kan…, ik wil… en ik geloof?

Dan zijn we mét Hem, door Gods Geest geleid, méér dan overwin­naar en herinneren we ons wie we zijn in Christus: mensen met de goddelijke natuur!

Lees nu nog eens 2 Petrus 1 vers 3 tot en met 8 (2 Petr. 1:3-8) en herlees het, vooral als satan verzoekt. Ook Jezus hanteerde het Woord van God, toen Hij door de boze ver­zocht werd in de woestijn. Gods Geest leidde Hem in die woestijn, waar Hij de satan overwon! Hij is onze Verlosser en ook onze Koninklijke Broeder! Halleluja!

 

De verblijfplaats van het woord (De gelijkenis van de trechter) door Margreet Gast

Het is als met een trechter. De korrels worden er van bovenaf in gestrooid. Maar wanneer de trech­ter een brede tuit heeft, gaan de kostbare korrels verloren. Uitein­delijk is en blijft de trechter leeg.

Bij een ieder, die het woord van het Koninkrijk hoort en niet ver­staat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is.

Het is als met een trechter met een smalle tuit. De trechter is in rust, de korrels worden er in gestrooid en ze gaan niet verloren, want ze liggen klem tegen elkaar.

Maar dan wordt de trechter ge­schud. De korrels schieten los. En ze stromen eruit. Na korte tijd is ook deze trechter leeg..

Er zijn er, die horen het woord en nemen het terstond met blijdschap aan. Maar zij hebben geen wortel in zich, maar zijn mensen van het ogenblik; wanneer verdrukking of vervolging komt, omwille van het woord, komen zij terstond ten val.

Het is als met een trechter, sterk en stevig. De korrels zijn er intbver- vloed in gestrooid en blijven daar. Totdat er bovenop de korrels een gewicht wordt geplaatst. De druk perst de korrels eruit. Zo gaat ook hier de kostbare inhoud verloren.

En er zijn er die het woord horen, en de zorg van de wereld en het bedrog van de rijkdom verstikken het woord en zij worden onvrucht­baar.

Naar Matteus 13 vers 1 tot en met 9 en Matteus 13 vers 18 tot en met 23 (Matt. 13:01-09 en Matt. 13:18-23).

Vindt het woord -Jezus- blijvend plaats in ons? Hij wil in ons hart en leven doordringen. Hoe zijn wij? Als een ondiepe schaal, waar het woord oppervlakkig in ontvangen wordt en ook snel weer uit ver­dwijnt?

Of staan we toe, dat het woord -Jezus- levend, krachtig en scher­per dan enig tweesnijdend zwaard in ons leven doordringt, en wel zo diep dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en dat het overleggingen en gedachten van ons hart schift? Omdat wij niets voor Hem verborgen willen

houden maar gezien willen wor­den? Dan vindt Jezus zijn verblijf­plaats in ons en komt het zaad -zijn woord- tot volle bloei. Hij zal vrucht dragen: honderd-, zestig-, dertigvoud. Naar Hebreeën 4 vers 12 en 13 (Heb. 4:12-13)

 

Manipulatie – redactie

We mogen niet met het licht wat wij thans bezitten (na de openbaring van Jezus en na de uitstorting van de heilige Geest) geschie­denissen die een onvolledig Godsbeeld openbaren uit het Oude Testament overplaatsen en gebruiken (misbruiken!) om te proberen aan te tonen dat God niet enkel licht en goed is. Dat is een duidelijke manipulatie met het Woord van God geïnspireerd door de vorst der duisternis.

 

Verstaan wij de tekenen der tijden? Door Wim te Dorsthorst

Het einde aller dingen

De gemeente van Jezus Christus leeft in een bijzondere tijd. De apostel Petrus zegt: “Het einde aller dingen is nabij gekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden” 1 Petrus 4 vers 7 (1 Petr. 04:07).

Paulus schrijft in Romeinen 13 vers 11 en 12 (Rom. 13:11-12):”Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij” Indringende oproepen aan Gods volk om de tijd te verstaan en daar dan ook naar te gaan handelen. De vraag kan gesteld worden: Wordt de tijd wel verstaan?

Dringt de diepe betekenis door van wat de apostelen hier heb­ben geschreven?

Geestelijke blindheid

De Heer Jezus is in de volheid des tijds verschenen geheel vol­gens de Schriften, waar de Joden zo bekend mee waren. En toch moet Hij tot de Joodse leidslieden zeggen dat, wat het weer be­treft, ze de tekenen aan de lucht duidelijk onderscheiden, maar de tekenen der tijden, die vanuit het geestelijke zijn, niet verstaan Matteüs 16 vers 1 tot en met 4 (Matt. 16:01-04).

Hadden de Joden werkelijk de Schrift onderzocht met een een­voudig, Godvrezend hart, dan hadden ze hun Messias herkend. Alle woorden die Hij sprak en alle wonderen en tekenen die Hij verrichtte, waren immers door de profeten aangekondigd. God had wel een heel nauwkeurige profielschets gegeven van Zijn Zoon.

In Jesaja 42, vers 18 tot 20 (Jes. 42:18-20) o.a., kunnen we lezen waarom dit volk zo blind en doof was. “Ze hadden de woorden Gods niet in gedachtenis gehouden”.

Ze waren in de loop van de tijd meer waarde gaan hechten aan de overleveringen van de vroegere rabbi’s, de leer der vaderen, dan aan Mozes en de profeten.

Ze waren verstrikt in een geperfectioneerde godsdienst met een schitterende tempeldienst. Daar­bij gingen ze gebukt onder een zware last van menselijke inzet­tingen en geboden. Het was één groot, vroom, religieus gebeuren geworden!

Het badwater van Siloam

Als deze mensen bereid waren geweest naar de Heer Jezus te luisteren, dan hadden hun de ogen open kunnen gaan, bij het onderwijs van de Heer rond het gebeuren van de blindgeborene. Dit had helemaal betrekking op de geestelijke blindheid van het volk.

Het verhaal staat opgetekend in Johannes 9. Uitdrukkelijk stelt de Heer Jezus dat Hij “het Licht der wereld” isJohannes 9 vers 5 (Joh. 09:05) en dat in deze mens “de werken Gods” openbaar moeten worden Johannes 9 vers 3 (Joh. 09:03). Vervolgens legt Hij slijk van speeksel en zand op de ogen van de blinde en geeft hem de op­dracht: “Ga heen, was u in het badwater Silóam, hetgeen ver­taald wordt door: uitgezonden. Hij dan ging heen, wies zich en kwam ziende terug” Johannes 9 vers 7 (Joh. 9:7).

De blindheid wordt hier gesym­boliseerd door het slijk van speek­sel en aarde. Dat is aardsgerichtheid, menselijke godsdienstige in­spanning en overleveringen van mensen. Dat is zoals Psalm 44 vers 26 (Ps. 44:26) zegt: ‘Want onze ziel is in het stof gebogen, ons lijf kleeft aan de grond”.

In de naam “Silóam” is het woord Silo aanwezig, wat in Gene­sis 49 vers 10 (Gen. 49:10) duidelijk betrek­king heeft op de Messias. We le­zen daar: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de vol­ken gehoorzaam zijn”.

Silóam betekent, blijkens de tekst: “uitgezonden”. De Heer Jezus is de “(uit)gezondene” des Vaders, “het licht der wereld”.

De werken Gods

De werken Gods die in deze mens openbaar worden is, dat de profetie vervuld wordt, die zegt: “De Here maakt de blinden ziende” (o.a. Ps. 146:008). En dat is in de eerste plaats de genezing van de geestelijke blindheid.

In vers 14 van Johannes 9 (Joh. 09:14) lezen we nog dat dit alles zich afspeelt op de “sabbat”, de dag waarop de Heer zo graag de werken van Zijn Vader werkte, de dag waar­van Hij Heer is! Matteüs 12 vers 8 (Matt. 12:08). De dag van de wederoprichting en de vernietiging van de sluiers. Het is de zevende dag, de dag van de voltooiing. “De heilige dag des Heren van gewicht” Jesaja 58 vers 13 (Jes. 58:13). Een dag waarop de werken Gods openbaar worden. Als de Joden de tijd hadden ver­staan, dan hadden ze begrepen wat tot hun vrede diende, zegt de Heer Jezus in Lucas 19 vers 42 (Luc. 19:42). En dan spreekt de Heer verder over de verschrikkelijke dingen die zullen geschieden… “omdat gij, zegt Hij, de tijd niet hebt op­gemerkt, dat God naar u omzag” Lucas 19 vers 44b (Luc. 19:44b).

Het waterbad van het woord

Dit onderwijs van de Heer Jezus, is voor de christenen van nu nog steeds zeer actueel. Trouwens, de hele Schrift is van belang om de tijd te verstaan.

Ook nu kan er een verblinding zijn door aardsgerichte, vleselij­ke, leringen. Of door meer waarde te hechten aan de leer van men­sen dan aan het woord van God. Maar ook door vroomheid, traditie, vooroordelen, eigenzinnig­heid, hoogmoed en religieuze systemen. Het geestelijk licht kan danig belemmerd worden door een dikke laag aards slijk Maar ook nu is daar “de gezon­dene des Vaders” om vol liefde de gemeente te heiligen en te reinigen met het waterbad van Zijn woord Efeze 5 vers 26 en 27 (Ef. 05:26-27). Wie in gehoorzaamheid zich door Hem laat wassen zal ziende worden. Ook nu is het een tijd dat de Heer naar Zijn volk omziet.

Voor het Joodse volk liep het uit op een verschrikkelijke tijd met de verwoesting van de tempel in het jaar zeventig. Ze waren geen natie meer en zijn onder alle vol­ken verstrooid Lucas 21 vers 24 (Luc. 21:24). Omdat ze het Licht der wereld, de Zoon van God, niet erkenden en verwierpen, bleef de toorn Gods -dat is het oordeel- op hen Johannes 3 vers 16 tot en met 21 en Johannes 3 vers 33 (Joh. 03:16-21; Joh. 03:33). En wat voorzegt was in de profeten en door de Heer Jezus zelf, geschiedde Lucas 19 vers 41 tot en met 44 en Micha 3 vers 8 tot en met 12 (Luc. 19:41-44; Micha 03:08-12).

Gods woord is betrouwbaar

Zijn wij als gemeente die bijzon­dere tijd, het laatst der dagen, de eindtijd, werkelijk binnen gegaan? Waaraan kunnen we dat betrouw­baar toetsen?

Zoals voor het Joodse volk de komst van de Messias te vinden was in Mozes en de profeten, het Oude Testament, zo zijn vele ken­merken van de eindtijd ook dui­delijk voor ons in de hele Schrift te lezen.

Zo somt Paulus een aantal ken­merken op welke zullen heersen in deze tijd. Hij noemt het “zware tijden” omdat wij als christe­nen temidden daarvan moeten leven. Hij schrijft: “Want de men­sen zullen zelfzuchtig zijn, geld­gierig, pochers, vermetel, kwaad­sprekers, aan hun ouders on­gehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, laste­raars, onmatig, onhandelbaar, af­kerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God” 2 Timoteüs 3 vers 1 tot en met 4 (2 Tim. 03:01-04). Dit zijn duidelijke, onloochenbare kenmerken die wij dagelijks voor ogen zien.

Er zouden nog best wat punten aan toegevoegd kunnen worden, wat betreft dat wat op de jeugd en de kleine kinderen afkomt. Zware tijden, ja, juist voor de christenen die hun kinderen in deze wereld geheiligd willen op­voeden. Hier is mede de taak voor de gehele gemeente om zichzelf te heiligen ten behoeve van deze kinderen, zodat het gras niet zal verbranden Openbaring 9 vers 4 (Openb. 09:04).

In de gezindheid van Christus zal er geen veroordeling zijn, maar mededogen met de men­sen in de wereld, die door een stortvloed van demonische mach­ten wordt overvallen en beheerst.

Het begin der weeën

Iedereen kent wel de drie hoofd­stukken in de Bijbel, waar de Heer Jezus Zijn discipelen onder­richt geeft over alles wat aan het einde van deze bedeling zal ge­schieden. Dat zijn: Matteüs 24, Markus 13 en Lukas 21.

De Heer Jezus spreekt hier over “weeën”.

In Matteüs 24 vers 7 (Matt. 24:07)lezen wij: “Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen konink­rijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn.” “Doch dat alles is het be­gin der weeën” zie ook Markus 13 vers 8 en Lucas 21 vers 10 en 11 (Mark. 13:08 en Luc. 21:10-11.

Weeën hebben te maken met geboorte, met iets nieuws wat komen gaat. Wat de Heer hier noemt als kenmerken van het “het begin der weeën”: volk zal opstaan tegen volk, koninkrijk tegen koninkrijk, hongersnoden en aardbevingen, is op dit mo ment voor iedereen te onder kennen.

Het is nog niet het einde zegt de Heer, maar het “begin” der weeën. Dit gaat vooraf aan de zevende bazuin. “Maar in de da­gen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheime­nis van God, Gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft ver­kondigd” Openbaring 10 vers 7 (Openb. 10:07). Dat is het einde. Dan is de gemeente van Jezus Christus tot de maat van de volle wasdom en volheid van Christus gekomen Efeze 4 vers 13 (Ef. 04:13). Dan breekt het duizend­jarig vrederijk aan, waarin de satan gebonden zal zijn en het Koningschap van Jezus Christus en zijn volwassen, onberispelijke gemeente, op de aarde gevestigd zal zijn Openbaring 20 vers 1 tot en met 6 en Openbaring 11 vers 15 (Openb. 20:01-06; Openb. 11:15). Maar nu staan we aan het begin van de weeën.

Zien en verstaan

Wat we voor ogen zien in de we­reld, is een gevolg van het tot vol­heid komen van de gemeente enerzijds, en de machtsstrijd in de geestelijke wereld der duister­nis anderzijds. Het zal uitlopen op die ene macht, de antichrist, die de hele wereld beheersen zal. Over deze machtsstrijd schrijft de profeet Daniël in de hoofd­stukken 8 en 9.

Maar het nieuwe zal komen, zij het door zeer pijnlijke weeën heen. De Heer Jezus zegt dat we op deze dingen moeten letten, want het is belangrijk de tekenen der tijden te onderscheiden. Het is de tijd, dat de Heer op een bijzondere wijze naar Zijn volk om­ziet.

In de gemeenten zal geluisterd moeten worden naar wat de Geest zegt. Alleen letten op de “zichtbare” tekenen is niet vol­doende, maar door de Geest zal Gods volk in deze tijd, door de weeën heen, naar de geboorte geleid worden.

De late regen

De tijd van de late regen is aan­gebroken. Door 20 eeuwen heen is uit het zaad het plantje, de halm en nu de aar voortgeko­men. Als de late regen niet zou vallen, dan zou alles verdorren en dan zou het koren in de aar niet tot volle wasdom komen. Dit beeld van de vroege en de late regen is ontleend aan de landbouw in Israël en op vele plaatsen in de Bijbel beschreven.

Het is door deze bijzondere wer­king van de Heilige Geest, dat de mogelijkheid van de volkomen heilige, onberispelijke gemeente werkelijkheid wordt. De profeet Zacharia zegt in dit verband: “Niet door kracht noch door ge­weld, maar door mijn Geest! zegt de Here der heerscharen” Zacharia 4 vers 6 (Zach. 04:06). Door het Woord en de Heilige Geest zal een diepe, alle terrei­nen van het leven betreffende, heiliging en reiniging plaats vin­den. Iedere vorm van aardsgerichtheid, religiositeit, traditie, buiten Bijbelse leringen, enz., zal door Woord en Geest aan het licht gebracht worden. Het is uit het vlees, het is slijk en dient vol­komen afgewassen en uitgeban­nen te worden.

De dag is nabij

Er zullen zeker ook spotters zijn in het laatst der dagen zegt de apostel Petrus. Die zullen alle verandering en voortgang ont­kennen om “naar hun eigen begeerte te kunnen blijven wandelen” 2 Petrus 3 vers 3 en 4 (2 Petr. 03:03-04). Als dit niet afgelegd wordt, leidt het tot eigen ondergang.

Zalig wie de tekenen der tijden onderkennen, die verstaan dat de nacht ver gevorderd en de dag nabij is.

“En de Geest en de bruid (de ge­meente) zeggen: Kom! En wie het hoort zegge: Kom! en wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water des levens om niet” Openbaring 22 vers 17 (Openb. 22:17).

 

Gevaar… door Froukje Huis

‘En nu nog het weerbericht van Erwin Krol… Ook de komende dagen wordt er weer veel regen verwacht in het gehele land. De wind neemt toe tot windkracht 7 en…’ Ik zet de tv uit en vul in gedachten aan: de Maas zal nog verder stijgen, ook de Rijn… Ja, zo was het een jaar geleden. Terwijl ik mijn oog laat gaan over de natte tuin, zie ik weer de televisiebeelden voor me. Al dat verdronken land, de ondergelopen hui­zen en de evacuaties. Eindeloze rijen auto’s en vrachtwagens, het angstige kind dat zijn beertje stevig vastklemt en de verslagen oude mensen die zich afvragen hoe ze in dat stapelbed moeten klimmen.

Maar ook al die helpende handen, de zakken vullen, de bemoedigende woorden van de gastvrouwen in de opvangcentra, de dampende borden, waaruit men kracht kon putten.

Iedereen kon gelukkig na een paar dagen weer terugkeren. De grote ramp bleef uit en in de krant stonden al spoedig weer andere grote koppen. Tevreden zien we dat de dijken verhoogd en versterkt worden en dat het een dringende zaak is. ‘Ze’ heb­ben er toch wat van geleerd, merkte een wijsneus op.

De getroffenen hebben heel wat te verwerken gehad. Sommigen zijn er zelfs nog niet overheen. Maar heeft het bij óns ook wat uitgewerkt? Hebben wij, die veilig achter onze dijken zaten, er ook iets van geleerd? Ja, wat kunnen we daar nu van leren? Moeten we de dijken gaan bekijken, die onze omgeving beschutten? Maar daarvan hebben we toch geen verstand? Nee, daarvan niet, maar wat denkt u van de ‘dijken’ in ons eigen leven? Bij ons ligt niet het water op de loer, maar een vij­and die veel stiekemer en gemener is, die niet opgejut hoeft te worden door regen en wind, maar die onder alle omstandigheden zijn slag wil slaan. Feilloos weet hij de plek te vinden, waar hij kan binnendringen.

Er is maar één mogelijkheid, voortdurend de ‘dijken’ kontroleren. Zijn uw lendenen omgord, hebt u de helm op het hoofd en het harnas aan, is uw zwaard aangegord? Efeze 6 vers 10 v.v. (Ef. 06:10 v.v.) Denk eraan, we kunnen net als Nehemia en de zijnen Nehemia 4 vers 23 (Neh. 04:23), geen nacht uit de ‘kleren’, want onze vijand slaapt nooit.

Stel dat u moet vluchten. Weet u waarheen? Ik heb een adres waar u altijd welkom bent! “De naam des Heren is een sterke toren; de rechtvaardige ijlt daarheen en is onaantastbaar” Spreuken 18 vers 10 (Spr. 18:10).

En wat zegt Jezus? In mijn naam zullen ze de boze geesten uitwerpen, zieken genezen, en vragen wat ze maar willen en Ik zal het doen! Wij ‘hebben’ de naam van Jezus gekregen, daarom lieve vrienden: “Houdt vast wat ge hebt, opdat nie­mand uw kroon neme” Openbaring 3 vers 11 (Openb. 03:11).

1996.01 nr. 377

Levend geloof 1996.01 nr. 377

Persoonlijk…, door Gert Jan Doornink

Met dit nummer begint de 35ste jaargang van ons blad. In dit ‘jubileumjaar’ hopen we weer veel geloofsopbouwende artikelen door te geven. Daarbij zal het ‘volle evangelie’ weer een centrale plaats innemen. En wat we daaronder verstaan weten onze lezers en lezeressen uit de artikelen die in de afgelopen jaren verschenen zijn. Geen surrogaat- of verwaterd evangelie, wat zoveel verwarring en onduidelijkheid teweeg brengt, maar een evangelie van kracht en overwinning. Hoe zouden we anders kunnen, als we met Paulus ons realiseren dat God ons geen geest van lafhartigheid heeft gegeven, maar van kracht, liefde en bezonnenheid (2 Tim. 01:07).

Bij dit alles zijn we natuurlijk waakzaam dat we niet op fanatieke of extreme wijze bezig zijn, maar handelen in de gezindheid van Christus. Anders zouden we ons doel voorbij schieten. En we willen zo graag velen bereiken met het evangelie zoals Jezus en de eerste apostelen dat brachten. Zij lieten er geen enkele twijfel over bestaan dat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, het enige juiste evangelie was, zoals God dat bedoelde. Terwijl Jezus sprak dat dit hét evangelie zou zijn wat in de gehele wereld verkondigd zou worden (Matt. 24:14), moest Paulus in zijn tijd al constateren dat sommigen een andere koers gingen varen en een evangelie gingen brengen, wat geen evangelie meer was. Lees Galaten 1 er maar op na. Hetzelfde zien wij in onze tijd. Gelukkig zijn er ook in onze dagen nog ‘getrouwen in den lande’, die zich niet laten misleiden, geen water in de wijn doen, maar volhardend doorgaan om trouw te blijven aan het echte evangelie. Het is ons diepste verlangen dat hier vele van onze lezers en lezeressen toe behoren. In ieder geval willen wij, als schrijvers in Levend Geloof, ons ook dit jaar dienstbaar blijven opstellen, om op een zo duide­lijk mogelijke wijze de vele facetten van dit evangelie aan u door te geven. Mede namens al onze medewerkers wens ik u en onszelf een jaar van overwinning toe waarin we veel vrucht mogen dragen voor Gods Koninkrijk.

 

Hoe waardevol is de mens? Door Gert Jan Doornink

Is de mens goed of slecht?

Ieder mens is bijzonder waardevol in de ogen van God. Maar al te vaak wordt dit over het hoofd gezien, maar wie ook maar even serieus na wil denken waarom dat zo is, zal tot de conclusie komen hoe waar dit is. De mens werd immers geschapen naar het beeld van God: volmaakt en goed. Niet alleen uiterlijk, maar ook innerlijk. De mens werd in zijn diepste wezen, in iedere vezel van zijn bestaan, met God verbonden. Door God, uit God en in God zijn alle dingen geschapen en dus ook de hoogste vorm van Gods schep­pingswerk: de mens.

Het is vanzelfsprekend dat de duivel deze waarheid haat. Deze door hoogmoed gevallen engel probeert op alle mogelijke manieren de juiste visie op deze heerlijke waarheid en zekerheid te verdonkeremanen, in een verkeerd daglicht te stellen, kortom weg te houden uit het den­ken van de mensen. Met name in en vanuit de schijnvrome wereld opereert hij met zijn afleidende gedachten en poneert hij stellingen die op een geraffineerde wijze de aandacht aftrekken van dit machtige gegeven.

‘De mens is slecht en geneigd tot alle kwaad’, wordt er dan gezegd en velen hechten méér waarde aan deze uitspraak, dan aan het feit dat de mens volmaakt en goed geschapen is naar het beeld van God. Maar het staat toch duidelijk in de Bijbel, wordt er vaak opgemerkt, dat alle mensen gezondigd hebben en leven buiten de gemeenschap met God? Inderdaad, maar dit was toen de mens zich had laten verleiden door de duivel en in zonde was gevallen. Maar aan de waarheid dat de mens goed en volmaakt geschapen werd naar het beeld van God, doet dit niets af.

Gods grote liefde voor de mens

Want ook al is dan de mens buiten de gemeenschap met God terecht­gekomen -wat niet de schuld van God was- het heerlijke is: God liet de mens niet aan zijn lot over. Altijd was en is er de mogelijkheid terug te keren in de gemeenschap met God. ‘Het goede, welgevallige en volkomene’, zoals God dat voor ieder mens bestemd had, bleef recht overeind staan. Niet de duivel heeft het laatste woord, maar de levende God.

God toonde dit op overduidelijke wijze, doordat Jezus, Gods enig­geboren Zoon, de eerste mens was die de duivel volkomen overwon. God gaf daarmee aan dat de moge­lijkheid voor ieder mens aanwezig was om ook te overwinnen.

Nu zijn er veel christenen die wel geloven in een gedeeltelijke over­winning, maar niet in een totale overwinning zoals Jezus die be­haalde. De overwinning is er wel zo nu en dan, maar dikwijls is er ook het falen, de gehele of de gedeeltelijke nederlaag. En men accepteert deze situatie dan als een vanzelfsprekendheid.

De noodzaak van geestelijke groei Hoe moeten we hiermee aan? Laten we ons realiseren dat als we eenmaal een nieuwe schepping zijn, en het oude voorbij is, dit ‘nieuwe schep­ping zijn’ moet groeien. Het is een ontwikkelingsproces. Zoals we in het natuurlijke leven opgroeien van baby tot volwassene, gebeurt dat ook in geestelijk opzicht. Juist dit groeipro­ces maakt ons sterk en krachtig en meer en meer onaantastbaar voor de aanvallen uit het rijk der duisternis. De innerlijke mens wordt vanaf de dag van onze wedergeboorte ver­bonden met het diepste wezen van God. Feitelijk was deze verbinding er altijd al, maar we waren ons niet bewust dat de duivel deze verbin­ding had gesaboteerd, dat deze ver­binding was doorgesneden en het contact was verbroken.

Na onze geestelijke geboorte begint het nieuwe goddelijke leven in ons te groeien. En het heerlijke is: God houdt Zijn hand daarop. Hij is, zoals Paulus zegt, een goed werk in ons begonnen en zal het voortzetten tot de dag van Christus Jezus. Dus totdat ook wij als nieuwe scheppin­gen, als zonen Gods, gelijkvormig zullen zijn aan de eerstgeboren Zoon van God.

Functioneren in Gods Koninkrijk

Tijdens het groeiproces, waar dus ieder kind van God mee te maken heeft, gaan we hoe langer hoe meer ontdekken hoe Gods Koninkrijk een volmaakt Koninkrijk is. En hoe de nieuwe mens daarin mag functioneren en mag ontdekken hoe ont­zettend waardevol hij is in de ogen van God en daardoor ook waar­devol is ten aanzien van de mede­mens die nog buiten Gods Konink­rijk leeft. Want de nieuwe mens heeft een geweldige opdracht. Hij mag aan allen die nog buiten staan tonen wie God is: een God van liefde en goedheid, een God van rechtvaardigheid en vergevings­gezindheid, om maar enkele eigenschappen te noemen.

De eerste mens die dat toonde was Jezus, maar als wij ons -terecht- ‘Jezusmensen’ noemen, blijft dat ook in ons leven niet verborgen. Uiteraard probeert de duivel dat te onderdrukken, te verbergen, want hij weet dat het gevaar voor hem schuilt in de openbaring van het ‘Jezusleven’ in en door ons leven. Als wij gehoor geven aan de oproep van Jezus een lichtend licht en een zou­tend zout, moet hij terrein prijsge­ven. Want we gaan dan fungeren als ‘magneten van Gods Koninkrijk’. Anderen worden jaloers op ons en besluiten ook het rijk der duisternis te verlaten en Gods Koninkrijk binnen te gaan.

Waarom gezonde voeding nodig is

Geestelijke groei en ontwikkeling is dus uitermate belangrijk voor ieder kind van God. Deze groei blijft uiteraard geheel of gedeeltelijk achterwege als we verkeerde voe­ding ontvangen. (Denk aan de groei van ons natuurlijk leven). Gezonde geestelijke voeding ontvangen we alleen daar waar in de prediking het evangelie van het Koninkrijk der hemelen een centrale plaats inneemt en blijft innemen!

Ook dat laatste is belangrijk. Want de duivel is geraffineerd en hij richt zijn vurige pijlen het eerst op hen die het werkelijke evangelie, zoals Jezus en de eerste apostelen dat brachten. We zien dat ook in onze dagen, hoe sommigen die eerst in vuur en vlam stonden voor het volle evangelie, zijwegen gingen of gaan inslaan. ‘Terwille van de eenheid met andere christenen’, wordt er dan soms gezegd. Natuurlijk behoren wij iedere andere wedergeboren christen als onze medebroeder en -zuster te accepteren, maar dat hoeft nog niet te beteken dat wij met hen ‘in zee’ gaan. Integendeel: we blijven verantwoordelijk dat we datgene waarvoor ons de ogen open zijn gegaan blijven uitdragen. Waarom zouden we de vele heerlijkheden van Gods Koninkrijk die wij ontdekt hebben onder de dekmantel houden? De duivel zou het wel willen, maar hij heeft geen recht meer op ons leven. We behoren daarom waak­zaam te zijn.

De waarschuwing van Jezus

Jezus zelf geeft de waarschuwing: “Ziet toe dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen ver­leiden” (Matt. 24:04-05).

De meest effectieve wijze om niet verleid te worden vanuit het rijk der duisternis, via valse leraars en profeten, is vast te houden aan het evangelie dat Jezus verkondigde.

Wij mogen gerust kieskeurig te zijn ten aanzien van het evangelie wat er wordt gebracht. Accepteer niet alles wat u als evangelie wordt voorge­schoteld. Vergelijk het of het waar, of het echt is. Het is niet alles goud wat er blinkt.

Wat wél waar en echt is de levende God die ons geschapen heeft, Zijn Zoon die openbaarde hoe wij beho­ren te leven en Zijn Geest die ons volledig wil omvormen naar Zijn beeld. Wie dit voor ogen houdt, zal niet op een dwaalspoor komen, maar zelf de volle heerlijkheid van Gods Koninkrijk gaan beleven. Hij ontdekt de grote waarde van het nieuwe, eeuwige leven, een waarde die niet in geld of kostbaarheden valt uit te drukken.

De schat in de akker

Jezus spreekt in een gelijkenis over het Koninkrijk der hemelen over een schat die iemand in een akker ont­dekt. Hij heeft er alles voor over en verkoopt daarom al zijn bezittingen om die akker te kunnen kopen en de schat te bemachtigen. In een andere gelijkenis vertelt Jezus over een koopman die handelt en op zoek is naar waardevolle parels. Uiteindelijk vind hij een kostbaar exemplaar en verkoopt alles wat hij heeft om die parel te kunnen kopen (Matt. 13:44-46).

Jezus brengt hier op overduidelijke wijze naar voren hoe onuitsprekelijk waardevol de mens is in de ogen van God! Daarom vervulde Hij de opdracht van de Vader om uitein­delijk aan het kruis van Golgotha de prijs te betalen door ons vrij te ko­pen uit de macht van satan.

En daarom zal iedereen die tot de ontdekking is gekomen hoe waar­devol hij is in de ogen van God, evenals de eerste zoon van God dat deed, zich ook met liefde en over­gave inzetten om door woord en daad te openbaren dat iedereen die nu nog een waardeloos leven heeft dit in mag wisselen voor een waar­devol leven, door toe te treden tot de gemeenschap met God, door geloof in Jezus Christus.

In 1 Johannes 2 vers 17 (1 Joh. 02:17) kunnen we lezen dat de wereld en haar begeren (naar aardse rijkdom) voorbijgaat, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid. Velen hebben al ontdekt dat de grootste ontdekking van hun leven was toen zij het rijk der duisternis verlieten en het Ko­ninkrijk Gods binnengingen. Het maakte hen in één moment tot ‘geestelijk miljonair’. En wie dezelf­de ontdekking doet zal er geen mo­ment spijt van krijgen, omdat hij is toegetreden tot het eeuwige en on­wankelbare Koninkrijk van God. Want wie op deze wijze beantwoord aan Gods bedoeling is tot in alle eeuwigheid deelgenoot geworden van Gods onvoorstelbare rijkdom en heerlijkheid!

 

De parel van grote waarde door Gert Jan Doornink

Dat de mens bijzonder waardevol is in de ogen van God blijkt onder andere uit de volgende feiten:

De mens werd geschapen naar het beeld van God: volmaakt en goed. De mens werd als laatste geschapen als kroon op Gods scheppingswerk. David getuigde later dat de mens bijna goddelijk werd gemaakt en door God met heerlijkheid en luister werd gekroond (Ps. 008:006).

Toen de mens zich had laten verleiden door de duivel, liet God de mens niet in de steek. Zijn eerste daad na de zondeval was de slang (satan) te vervloeken en de belofte te geven: “Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; en dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen” (Gen. 03:14-15).

Jezus, de eniggeboren Zoon van God, betaalde met Zijn bloed en leven, voor de in de zonde gevallen mensheid. Jezus kocht de mens vrij uit satans macht.

Bij het herstel en de voltooiing van Gods scheppingswerk is de (nieuwe) mens volledig ingeschakeld. Jezus zei niet alleen dat Hij het licht der wereld was, maar sprak ook dat wij het licht der wereld zijn.

Zoals Jezus gezeten is op de troon ‘aan de rechterhand van de Vader’, zullen ook wij eens (als wij overwinnen) zitten op de troon (Openb. 03:20).

Wanneer Paulus in Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09) schrijft dat “in Christus al de volheid der godheid lichamelijk woont”, volgt er geen punt, maar een komma, want dan zegt vers 10 dat ook wij die volheid hebben verkregen in Hem!

Wanneer wij niet zo kostbaar en waardevol zouden zijn in de ogen van God, zou de duivel niet zulke verwoede en hardnekkige pogingen doen ons van dat waardevolle te beroven. Jezus zegt, in Johannes 10 vers 10, (Joh. 10:10) dat hij een dief is, die kwam om te stelen, te slachten en te verdelgen, maar dat Hij gekomen is om leven en overvloed te geven!

 

Omgord met de waarheid door Cees Maliepaard

De hemelen -18 –

“Stelt u dan op, uw lendenen om­gord met de waarheid…” (Ef. 06:14a).

Met welk doel omgordde men zich de lendenen in de tijd van de Bijbel? Wel, er waren in die dagen nog geen pantalons, men kleedde zich in lange gewaden. Bij het lopen vormden die echter een belemmering. Dus, om zich sneller te kunnen verplaatsen of om iets eens stevig aan te kunnen pakken, gordde men zich een riem om het middel teneinde instaat te zijn het gewaad daarover op te trek­ken. In een oorlogssituatie was dat al helemaal een vereiste, want een gewaad dat een mens al of niet in z’n bewegingen belemmert, kan dan precies het verschil uitmaken tussen dood en leven.

Opstellen

In het vorige nummer heb ik ge­schreven dat we de machten der duisternis niet op behoeven te zoe­ken, want dat ze ons als vanzelf wel voor de voeten komen lopen. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat we niet alert hoeven te zijn, of dat we ze gewoon óver ons moeten laten ko­men. terecht roept Paulus ons op, ons op te stellen tegenover de hor­den van Satan die in de geestelijke wereld onze ondergang op het oog hebben. In vers 11 zegt hij immers dat we stand zullen houden tegen de verleidingen van de duivel. Standhouden roept beelden op van een tegenstand biedend volk Gods, dat in de hemelse gewesten in slag­orde opgesteld staat.

Als ieder van ons zich in zijn of haar hemel alert opstelt (verbonden met Jezus) betekent dat, dat we gezamenlijk één front tegenover de tegenpar­tij kunnen trekken. Bij een frontale botsing tussen de boze en één van ons, komt het in de eerste plaats aan op de instelling van de aangevallene persoonlijk, maar toch ook op bij­stand in de geestelijke wereld van ieder ander, valt er een bres in onze gezamenlijke slagorde, dan kunnen anderen op die plek inspringen, teneinde met vereende krachten de vijand buiten de deur te houden. Het is onder ons een gevleugelde uit­drukking geworden, dat het leven van een christen gewoon een cursus-doe-het-zelf is.

Maar (hoe waar dit ook is!) voor sommigen heeft dat innerlijke scheefgroei tot gevolg gehad, waar­bij men naar het bedenkelijke stand­punt is afgegleden dat ieder het maar voor zichzelf uit zal moeten zoeken. Maar onze God heeft ons toch niet voor niets aan elkaar gegeven? Gezamenlijk is de strijd in de he­melse gewesten veel gemakkelijker vol te houden dan wanneer je dat in je uppie moet doen.

Omgorden met de waarheid

Als we onze geestelijke lendenen met de waarheid omgorden, bete­kent dat, dat de waarheid die bij de Vader is ons het gaan in de hemel van Gods heerlijkheid vergemak­kelijkt. En tegelijkertijd zullen we door diezelfde waarheid ons in de geestelijke wereld soepeler kunnen bewegen. De waarheid behoedt ons ervoor geloof te hechten aan Satans beschuldigingen en daardoor gebukt te gaan Onder diens aanklachten.

De mens die zich niet met de waar­heid omgord heeft, zal Satans aan­tijgingen loodzwaar aan het lange gewaad hebben hangen, waardoor voortgaan op de weg (die ook nog omhóóg voert) een vermoeiende bezigheid wordt. Als iemand zich door Satan aan laat praten dat hij slecht is, zal dat z’n voortgang in Gods hemel ongetwijfeld belem­meren. Want wat moet een verdor­ven mensenkind verwachten van de algoede God en van Diens volmaak­te Zoon, Jezus Christus? Niet veel!, zal de duivel hem zeker influisteren.

Alleen door zich te omgorden met Gods gedachten en vertrouwd te raken met de boodschap van gena­de, van heil en herstel, op basis van Jezus’ volbrachte werk, zal de mens met vaste tred de weg omhoog kun­nen vervolgen. Satan klaagt aan, want hij heeft een diepgewortelde afkeer van de mens Gods. Laat je je oren hangen naar zijn naargeestige gemiauw, dan wordt het een onmo­gelijke zaak de strijd in de hemelse gewesten tot een goed einde te bren­gen. Want dan raak je al snel uit ba­lans en delf je het onderspit tegen verdrukkende en verleidende gees­ten. de mens die zich aan laat praten dat hij in zichzelf verdorven is, heeft geen afdoende verweer tegen de druk van geweldgeesten, noch tegen de zuigingen van verlokkende wer­kingen. Daarom is het nodig “de Here Jezus aan te doen”, ofwel de geestelijke wapenrusting Gods, die de Heer ons gegeven heeft. De waarheid, Gods liefdevolle werke­lijkheid, staat daarin centraal.

De waarheid zal u vrijmaken

Wat is de waarheid in ons leven? Dat wat we zien met onze natuur­lijke ogen? Is het vertekende beeld dat de duivel van de mens heeft gemaakt, de werkelijkheid? De zie­ke, aangetaste, beschadigde mens – vormt die het waarheidsgetrouwe gegeven van wat er momenteel gaande is? Als een mens lichamelijk ziek is of innerlijke beschadigingen heeft opgelopen, heeft de boze hem inderdaad aan kunnen tasten. Dat is op zichzelf volkomen waar. Maar het is niet Gods waarheid, want die gaat altijd uit van het goede, het Hem welgevallige en het volkomene.

De waarheid die ons vrijmaakt is dus niet de naakte werkelijkheid van een ontspoorde schepping, maar de heerlijke waarheid van het Godde­lijke herstel. Ongeveer zoals de politieke gevangenen in de jaren 1940-’45 niet vrijkwamen door de werkelijkheid van de land en volk in een wurggreep houdende nazi’s, maar pas door de waarheid van de bevrijding door de geallieerde legers.

Door het accent te leggen op wat wellicht niet goed functioneert in het leven, door bezig te zijn met de puinhoop die Satan er altijd van weet te maken, lost een mens nimmer iets op. Want dan is hij bezig met de gedachten en het werk van de vader der leugen, en het is echt dwaas bij deze de waarheid te zoeken. Daarom zullen we afstand nemen van alles wat ons knechten wil in ons denken, van elke macht van satan die onze gedachten vast wil pinnen op wat door de boze en zijn engelen aan het wankelen is gebracht.

Na door de Heer liefdevol in Gods Geest gedoopt te zijn, zullen we elke duivelse leugen met Gods waarheid ontmaskeren. Omgord de lendenen van je denken en van je diepste innerlijk met de heerlijke waarheid die Jezus ons gebracht heeft. Daardoor zul je niet langer gehin­derd worden door de last van het lange gewaad van een religieus verleden. Omgord door Gods waarheid, zal ieder mens die de Heer toebehoort vrij mogen komen van kwetsuren, beschadigingen en van de misvattingen uit een gods­dienstig kader.

Houd de waarheid vast!

Laten we er vooral op letten onze gordel niet af te doen onder het strijden, want dan zal ons gewaad onmiddellijk op onze enkels zakken! Gods waarheid zal derhalve stevig in ons denken verankerd zijn. En die waarheid behelst, dat boven het feit uit dat de boze slecht is, God in ons leven enkel goed zal blijken te zijn.

Bij Hem is overwinning over elke zondemacht, over iedere aantasting, verleugening en kwaal. Het is aan ons, de door hem ter beschikking gestelde bewapening te gebruiken… en liefst zo effectief mogelijk.

Gods waarheid maakt ons vrij in onze bewegingen in de hemel en op de aarde. Tot glorie van de Vader, want waar de gereinigde mens herstel en genezing weet te ontvan­gen, vervult dit zeker het tot in de details ten goede werkende plan Gods, dat Hij al vóór de schepping in gedachten had.

De leugen van de duivel is, dat de mens een slaafs, tussen goed en kwaad heen en weer geslingerd wezen is.

De waarheid van de Vader is, dat de mens door Jezus is vrijgesproken van alle kwaad en samen met Hem, als een toegewijde zoon Gods, Diens door en door goede wezen openbaren mag.

 

Sorry hoor… door Ron Gast

‘Sorry hoor’… Hoe vaak zeggen we niet ‘sorry’. Een korte veront­schuldiging om vervolgens weer door te gaan. Je gaat soms letterlijk op iemands tenen staan, waarna je mompelt: sorry hoor! Daarna loop je -onveranderd- verder en je laat de ander met zere tenen ach­ter…, en met je excuses. Maar wat stellen die voor? Je dwingt de an­der feitelijk tot een snel uitgespro­ken ‘o.k.’, een soort vergeving. Voor je het weet, is dit je nieuwe gedragspatroon geworden. Al die keren dat je figuurlijk op iemands tenen staat, gaat het niet anders: ‘sorry, niet zo bedoeld, volgende keer beter, etc.’

Vergeving

Oppervlakkig leven, oppervlakkig denken, oppervlakkig spreken. ‘Sorry’, ligt op het puntje van onze tong. Maar als vergeving vragen geen inhoud meer heeft, dan is vergeving ontvangen ook zonder waarde. Het woord ‘vergeving’ is uit ons hedendaagse woordenboek geschrapt omdat het woord ‘berouw’ (dat is: oprechte spijt over het onrecht dat jij door je daden aan de ander hebt gedaan) niet meer bestaat. Daarvoor in de plaats is een nieuw woord ‘verge­ving’ gekomen, zonder diepere betekenis; namelijk: ‘Neem mij niet kwalijk” (want ik houd er niet van dat iemand mij iets kwalijk neemt). Dan staat niet de ‘ander’ maar ‘ik’ centraal.

Als Jezus spreekt over vergeving dan gaat dat wel diep. Van hart tot hart. In de vele gesprekken met zijn discipelen komt het onderwerp regelmatig aan de orde. In het ge­bed dat Jezus zijn discipelen (ons!) leert, laat Hij de geestelijke wet­matigheid zien dat wij de mensen die ons iets schuldig zijn, moeten vergeven, zodat God ons Zijn vergeving kan schenken (Matt. 06:11-12).

Gelijkenis

Om dat duidelijk te maken, vertelde Jezus de volgende gelijkenis: “Het Koninkrijk der hemelen is te vergelijken met een koning die afre­kening wilde houden met zijn sla­ven. En toen de koning begon te tekenen, werd een slaaf voor hem gebracht. Maar omdat de slaaf niet in staat was zijn enorme schuld te betalen, beval de koning dat hij moest worden verkocht met zijn vrouw en zijn kinderen, zodat er betaald kon worden. De slaaf viel op zijn knieën en smeekte de ko­ning: Heb geduld met mij en ik zal u alles betalen. De koning kreeg echt medelijden met de slaaf en hij liet hem vrij en schold hem zijn schuld kwijt.

Maar toen die slaaf wegging, ont­moette hij een medeslaaf die wat geld van hem geleend had. Hij greep hem bij zijn keel en zei: ik wil mijn geld! betalen! Zijn collega-slaaf viel nu op z’n knieën en smeekt: Heb geduld met mij en ik zal u be­talen. Maar hij had geen geduld en zette z’n collega gevangen totdat hij het verschuldigde bedrag betaald zou hebben.

Toen nu de andere medeslaven zagen wat er gebeurd was, werden zij verdrietig en zij vertelden de koning wat er gebeurd was. Daarop riep de slaaf wiens schuld kwijtgescholden was en sprak: Slechte slaaf. Die enorme schuld van jou heb ik je kwijtgescholden, omdat jij mij daarom gesmeekt hebt. Waarom heb jij geen medelijden met je collega, net zoals ik dat met jou had? En de koning werd zeer verbolgen en hij gaf de slaaf in handen van de folteraars, net zo­lang totdat hij hem alles betaald zou hebben”.

En Jezus besloot de gelijkenis met: “Zo zal ook God in de hemel met jullie doen als je je medemensen niet van harte vergeeft!” (Matt. 18:21-35).

Sleutel

Daar ligt dus de sleutel voor echt leven: het besef dat onze schuld is kwijtgescholden moet doorwerken in onze houding tot onze mening over andere mensen. Als wij niet veranderen dan blijven we in ge­breke ten opzichte van God en onze naaste.

Als mijn handen de keel van een medemens dichtknijpen, kan die ander niet leven.

Zolang mijn handen een medemens genadeloos in de wurggreep hou­den, zijn mijn handen niet open en opgehouden om genade te ontvan­gen. –

Dit principe geldt voor al onze daden en heel ons denken, dus… (juist: er valt nog heel wat op te ruimen aan verkeerde gedachten over andere mensen).

Vergeving-schenken en vergeving- ontvangen is allebei genade van God. Daar zullen we met alle zorg en aandacht mee omgaan. Mild en vergevingsgezind, het kwade (de ander) niet toerekenend, maar het kwaad overwinnend door het goede te doen. Vergeving schen­ken: (zeventig) keer op (zeven) keer op keer…

Ron Gast

 

Ons zijn in Christus Jezus door Piet Snaphaan

Woorden Gods, zij maken rijk;
door inzicht en vermogen,
doen zij ons zien Gods heerlijkheid,
die Hij van oorsprong heeft bereid,
voor allen, die Hem mogen.

 

In Christus zijn doet overwinnen,
alleen in Hem geldt wat ‘k vermag,
Hij doet ons met Zijn glans omringen,
met Hem vermag ik alle dingen,
want Hij schenkt kracht voor elke dag.

 

Ja ik ben, wat God zegt dat ik ben
door ’t bloed van ’t Lam rechtvaardig,
‘k belijd Zijn Woord met hart en stem,
mag overwinnen saam met Hem,
Hij is mijn lofprijs waard!

Piet Snaphaan

 

Meer licht op de uitverkiezing Peter Annotee

“Geslachtsregister van Jezus Chris­tus, de zoon van David, de zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broeders, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, (…) Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isai, Lsai verwekte David, de koning. David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria, (…) Josia verwekte Jechonja en diens broeders ten tijde van de Babylo­nische ballingschap. (…) Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt” (Matt. 01:01-03, Matt. 01:05-06, Matt. 01:11, Matt. 01:16).

In 1618 werd in Dordrecht een ‘Nationale Synode’ bijeengeroepen van de Staten-Generaal van de toen­malige Republiek der Zeven Ver­enigde Nederlanden. De wereldlijke overheid riep de geestelijke overheid bij elkaar om een theologische ruzie op te lossen die bijna tot een burger­oorlog had geleid. De ruzie ging over de leer van de uitverkiezing.

De theologie van Calvijn

Het Nederlandse protestantisme was hoofdzakelijk gebaseerd op de theologie van Johannes Calvijn. Calvijn had in zijn theologie het absolute gezag en de onbeperkte macht van God over de mens sterk benadrukt. Tegelijkertijd had Calvijn echter, direct en indirect, het indivi­duele bewustzijn en de eigen verantwoordelijkheid van de gelovigen gestimuleerd. Over hoe de almacht van God en de eigen verantwoor­delijkheid van de mens binnen het Calvinisme met elkaar in overeen­stemming gebracht moesten wor­den, was onder de Nederlandse theologen een geschil ontstaan.

Een minderheid hield vol dat de mens zelf (mede-)verantwoordelijk was voor het verkrijgen van het heil en dus zelf voor God kon kiezen.

De meerderheid zette de bom in het calvinistische denken echter op scherp en stelde dat God als enige, en zonder enige inbreng van de mens, bepaalde wie een kind van Hem werd. Als God immers al­machtig was, was de mens volkomen machteloos. De uiterste consequentie van dat denken was dat, als God alles bepaalde, Hij niet alleen Zijn kinderen aannam, maar ook de rest van de mensheid verwierp en daarmee overgaf aan de hel. Toch wilde diezelfde meerderheid vasthouden aan de eigen verant­woordelijkheid van de mens. Hoe een volkomen machteloos wezen nog ergens verantwoordelijk voor kon worden gesteld, laat staan er­gens schuldig aan worden ver­klaard, kon de meerderheid niet uitleggen en schoven zij daarom op de ‘ondoorgrondelijkheid’ van God.

De leer van de predestinatie

De minderheid werd veroordeeld en uit de gereformeerde kerk gezet. De meerderheids-uitleg van het calvi­nisme werd tot de enig ware leer uitgeroepen en stond voortaan be­kend als de leer van de predestinatie. Feitelijk kwam die leer er op neer dat het leven van een mens een door God geheel geprogrammeerd ge­beuren was dat hem of haar, geheel buiten zijn wil om, in de hemel of de hel bracht, al naar gelang God het van tevoren bepaald had.

Het was een draak van een dogma. Of moeten we zeggen: Een dogma van de draak? De gevolgen voor het persoonlijke geestelijke leven van de mensen waren rampzalig. Fatalisme en lijdelijkheid waren de belangrijk­ste gevolgen. Het christen-zijn be­stond uit het volgen van een leef­regel, het betreuren dat men er nooit helemaal aan kon voldoen en het zoeken bij jezelf, en bij anderen, naar de tekenen die erop wezen dat de bezitter ervan tot de uitverkore­nen behoorde.

Inmiddels is het dogma buiten de traditionele protestantse kerken verworpen. Ook binnen de traditio­nele kerken gelooft nog slechts een minderheid voluit in de predestina­tie. Voor de meeste lezers van dit blad zal het onderwerp een gepas­seerd station lijken. Wie er ooit in geloofde heeft het al lang geleden opgelucht losgelaten.

Maar de vraag die ten grondslag ligt aan de predestinatieleer hebben we daarmee nog niet beantwoord. Hoe willen we dan de almacht van God rijmen met ons geloof in ons eigen vermogen om te kiezen? Hoe en waar willen wij dan de grens leggen tussen Gods keuzes en die van ons?

De ‘almacht’ van God

Om te beginnen moeten we dan onze houding bepalen tegenover het begrip almacht. Wat betekent het dat God ‘almachtig’ is? Wat we er van kunnen begrijpen is dat God in ieder geval altijd de sterkste is. Daarom is het ook zeker dat de enkel goede God alle kwaad uiteindelijk zal overwinnen. De duivel is zeker geen tegenhanger van God maar slechts een gevallen engel. God is oneindig sterker dan hij en zijn ondergang is daarom zeker.

Veel verder dan zeggen dat God de sterkste is komen we echter niet. Wat het zou kunnen betekenen dat God ‘alles’ kan gaat ons begrip te boven. Maar juist omdat ‘almacht’ een onbevattelijk begrip is, kan er ook geen enkele conclusie aan verbonden worden. Dat God al­machtig is hoeft helemaal niet te betekenen dat wij machteloos zijn, en evenmin dat God alles wat ge­beurt, wil of toelaat.

Het is beter om met de macht van God en de verantwoordelijkheid van de mens om te gaan zoals de Bijbel dat doet. In de Bijbel wordt gespro­ken over de macht van God die in­grijpt in het leven van mensen, maar ook worden in de Bijbel mensen opgeroepen een keuze te maken voor het heil.

In de Bijbel wordt nergens gespeculeerd over de vraag hoe de macht van God zich laat rijmen met de keuzemogelijkheden van de mens. Het is voor de Bijbel daarom niet ‘of-of’, maar ‘en-en’. God kiest in de Bijbel en Zijn keuzes bepalen het leven van mensen, maar de keuzes van mensen bepalen mee.

Maar wat betekenen de woorden ‘uitverkiezing’ en ‘uitverkorenen’ in de Bijbel als ze geen ‘dubbele pre­destinatie’ inhouden? De simpelste en veel gehoorde oplossing luidt: “Iedereen is uitverkoren”. Als daar­mee bedoeld wordt dat God nie­mand bij voorbaat afwijst is dat juist. Maar toch doet men daar het bijbelse begrip uitverkiezing tekort. Want niet iedereen is voor hetzelfde uitgekozen. Evenmin is het makke­lijk voor God om Zijn keus voor ons te maken.

Gods keuze voor ons

God kiest ons ten koste van Zijn Zoon. Daarom is Gods keuze voor ons een gunst zonder weerga. De ‘uitverkiezing’ is het grootste cadeau wat we van God gekregen hebben. Het is ook de pijnlijkste keuze die Hij ooit gemaakt heeft. We zijn al­leen daarom al verplicht om dieper op die keuze in te gaan dan de kon- statering ‘iedereen is uitverkoren’ doet.

Uitverkiezing bestaat hierin dat God voor iedereen een roeping heeft. Maar niét voor iedereen dezelfde. En bij het kiezen van de juiste mens voor de juiste plaats heeft God an­dere voorkeuren dan wij zouden verwachten. God koos voor Israël, een klein, lastig en ongehoorzaam volkje om Zijn plan met ons uit te voeren op aarde. Uit dat volkje werd de Messias geboren, een wie Zijn geslachtsregister leest, krijgt daar­mee een schitterend beeld van het kiezen van God. God liet Zijn Zoon geboren worden uit een geslacht van vaak weinig voorbeeldige mensen.

Isaak was geen geloofsheld, Jakob was een bedrieger, Peres was gebo­ren uit incest, Rachab was een hoer en een landverraadster, en Ruth was een heidense vrouw. Koning David was het product van overspel en was zelfs tot moord bereid om zijn eigen overspeligheid te verbergen. God koos voor alle mensen. Maar in het bijzonder koos hij voor ge­broken mensen. Zo zette Hij met Zijn uitverkiezing van mensen, de verwerping van die mensen door de wereld, recht. En zo bleef Hij dat doen, tot op de huidige dag.

 

Gods oproep tot verandering door Evert van de Kamp

‘God verandert mensen, maar Hijzelf verandert niet

In de samenkomst vroeg ik de tieners: Vinden jullie dat God moet veranderen? Het bleef stil. Ze schudden met hun hoofd van nee. Veel mensen denken daar anders over. De wereld is bijna een complete chaos. En God…? God doet er niks aan, Hij laat alles maar toe, op zijn beloop. Op z’n minst moet Hij orde scheppen in die puinhoop. Als Hij er al is, moet Hij drastisch ver­anderen.

God verandert niet

De profeet Maleachi wist het al. Zonder enige aarzeling roept hij het uit: “Voorwaar, Ik, de Heer, ben niet veranderd” (Mal. 03:06). Beproef Mij maar, zegt de Heer.

God zal nooit veranderen. Het zou een ramp voor ons mensen zijn als God de Almachtige zou moeten veranderen, bijvoorbeeld naar onze menselijke denkbeelden. Gelukkig niet!

God hoeft niet te veranderen. Al zijn uitgangspunten zijn goed en be­trouwbaar. Zelfs bijsturen is niet nodig. Daarom kon Jakobus al schrijven: ‘Bij God is geen verande­ring of zweem van ommekeer’ (Jak. 01:17).

Een oud lied zingt: ‘Rust mijn ziel, uw God is Koning, heel de wereld zijn gebied. Alles wisselt op zijn wenken, Maar Hij zelf verandert niet’.

Ook zijn Zoon Jezus Christus, die Hij in onze wereld investeerde, ver­andert niet. De Hebreeënschrijver getuigt: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwig­heid’ (Heb. 13:08). Daarom zingen wij zonder ons in te houden:

Hij is dezelfde nu!

God verandert mensen

Er wordt vaak gezegd: Er is niets veranderlijker dan een mens. Meestal krijgt dat een negatief accent. Maar er zit zeker ook een positieve kant aan. We mogen ons gelukkig prijzen dat een mens kan veranderen. Na Genesis 3, waar Adam Gods schepping overlevert aan de satan (Rom. 08:20, Staten- vert.), zou het volstrekt rampzalig zijn als een mens niet zou kunnen veranderen. We zouden in zonde moeten blijven en voor gebonden­heden zou er geen oplossing zijn.

Velen vinden de tv-rubriek ‘God verandert mensen’, tegenwoordig heet het ‘De Verandering’, te soap­achtig of overdreven. Maar juist dit programma toont aan hoe brood­nodig een mens dient te veranderen.

Jezus sprak: “Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan Hij het Koninkrijk Gods niet zien” (Joh. 03:03). Dus ook niet binnengaan.

God biedt de mens verandering aan, totale omzetting. Daartoe gaat het Woord van God uit, het onvergan­kelijke zaad (1 Petr. 01:23). Daartoe werd Jezus, de Zoon van God, het vleesgeworden Woord.

Dat is evangelie, de blijde bood­schap van God. De publicist Peter van Kampen noemt het: ‘Het evangelie van de verandering

Kan een mens wel veranderen?

In zijn boek ‘Opwekking begint bij jezelf vertelt Erlo Stegen hoe ze Handelingen 3 aan het lezen waren. Het verhaal van de genezing van de verlamde bij de Schone Poort. Gekomen bij vers 5 (Hand. 03:05), bij de woor­den: “ Zie op ons” (Statenvert.), konden ze niet verder. Dit kon toch niet waar zijn. Zulke zondige men­sen als Petrus en Johannes, de één had Jezus vervloekt en de ander had Hem verlaten, mochten dit -en nog wel in de naam van Jezus- niet zeg­gen. Schande en onbestaanbaar!

Erlo vertelt: ‘Tot we 2 Korinthiërs 3 vers 2 en 3 (2 Kor. 03:02-03) lazen’. Paulus noemt de Korinthiërs daar leesbare brieven van Christus. Ze begrepen dat Pe­trus en Johannes zulke leesbare brieven van Jezus waren geworden. Ze slikten hun kritiek in en onder­wierpen zich aan het Woord van God. Als nooit te voren drong het door dat deze mannen totaal ver­anderde mensen waren geworden. Nu apostelen van de Heer.

Toen Erlo en zijn medewerkers dit erkenden, begon de opwekking – waar ze zo lang voor hadden ge­beden- onder de Zoeloes in Afrika.

Petrus en Johannes lieten zich door God zelf veranderen. Jezus had het tegen Petrus gezegd: “Als je een­maal tot bekering gekomen bent, versterk dan je broederen” (Luc. 22:32).

Op de eerste Pinksterdag komt die bekering tot volheid als Petrus door Jezus gedoopt wordt met de Heilige Geest.

Dit verhaal maakt ons duidelijk dat een mens volkomen kan verande­ren. Dit geldt voor iedereen. Tot die verandering, die totale vernieuwing, roept God in zijn Woord onafgebro­ken op. Het is Gods wil en plan dat wij veranderen. God heeft ons be­stemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon Jezus Christus (Rom. 08:29).

Willen wij veranderen?

Dat is de cruciale vraag. Deze vraag betreft niet alleen de ongelovige, maar gaat ook degene aan die we­dergeboren en vervuld is met Gods Geest. Ieder mens wordt uitgeno­digd mee te gaan in Gods proces van verandering.

In 2 Korinthiërs 3:18 (2 Kor. 03:18) spreekt de apostel Paulus een geweldig woord van God uit: “Wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Heer, die Geest is ”.

Door werkelijke verandering ver­dwijnt eerst elke bedekking. Dat kan veel en van alles en nog wat zijn. Dat moet weg. Er is reiniging door en heiliging in Christus. Vervolgens veranderen we van heerlijkheid tot heerlijkheid, worden we gelijkvormig aan het beeld van Jezus.

Willen we dat? Mag de Heer ons in zijn richting veranderen, ons aan­raken? Kan de Heer zijn plan met ons uitvoeren?

Als we dat echt willen, gebeurt dat ook.

Soms hoor ik: ‘Ik wil wel, maar ik kan niet’. Toch kan ook dit halsstarrige ongehoorzaamheid zijn, niet willen breken met zonde, weigeren verkeerde gewoonten en leringen los te laten. Niet willen buigen voor hel gezag van het Woord van God. We zijn altijd geneigd onze eigen modellen vast te houden. Bijvoorbeeld het geloof in de kinderbesprenging -je denkt gedoopt te zijn en je bent dat niet-, of dat een kind van God niet gebonden kan zijn -je denkt datje vrij bent en je bent dat niet-, of dat Geest vervulde mensen niet verder hoeven te veranderen.

Er zijn ook mensen die inderdaad niet kunnen. Door gebondenheden aan de duivel wordt hen belet de juiste keuzes te maken. Zij kunnen zich echter wél laten bevrijden van de macht van de tegenstander. Vrijgezel in de naam van Jezus krijgen ze hun keuzevrijheid terug en de mogelijkheid door de volheid van de Heilige Geest vrij te blijven. Elk die wil mag komen!

Een gouden tijd

We leven in een gouden tijd. De Bijbel noemt dat de tijd van de late regen. Vraag van de Heer regen ten tijde van de late regen (Zach. 10:01). In ‘Gemeentegroef schrijft Bram Krol: ‘In een versnellend tempo bekeren zich onkerkelijken tot Christus! We zien het overal in ons land. Honderdduizenden zijn op zoek naar een geestelijk en moreel houvast. Het is niet waar dat de ontkerkelijkte mens het deurtje naar de kerk heeft gesloten. Deze veel­vuldig uitgebazuinde prognoses worden gelogenstraft’.

Ik geloof dat deze prediker gelijk heeft.

Hij vervolgt:’ De wereld wacht op een uitgestoken hand; nóg is de kerk niet voldoende paraat. De ga­ven zijn al uitgedeeld door de Geest, de kansen om te dienen en te zege­nen liggen al klaar… Wanneer komt de Gemeente in beweging’?

We mogen ons vastgrijpen aan het woord van de profeet Jesaja: “De Heer zal opstaan, zoals op de berg Perazim; Hij zal in beweging ko­men, zoals in het dal bij Gibeon, om zijn werk te doen – vreemd zal zijn werk zijn; en om zijn daad te verrichten” (Jes. 28:21).

Het eindpunt hebben we nog niet bereikt. De weg gaat nog verder. We mogen en kunnen nog enorm veranderen. De Geest van God, die in ons is, wil dat in en door ons uit werken.

 

Gezichtsbedrog door Froukje Huis

’t Is nog vroeg in de morgen als ik gewekt wordt door een vreemd geluid! Met gesloten ogen probeer ik het thuis te brengen. Water? Stromend water? Is er misschien iemand onder de douche? Ik open mijn ogen en kijk in het bed naast me. Hé… daar is geen bed… Als ik het kleine raam zie waardoor het licht naar binnen valt, weet ik het opeens. We logeren op ‘Ut Arkien’ en gaan straks varen.

Ik lig in de bovenste kooi en kan net door het raampje naar buiten kijken. Ik zie een brede schoor­steen met gele ringen. Zeker van een boot die hier dichtbij ligt. Kijk!

Hij beweegt! Er staan letters op: B e m o g. Ze deinen lustig heen en weer. Hé, wat is dat nu? De letters staan stil en onze schuit ligt te wie­belen. Nee, toch niet, de letters be­wegen weer. Maar onze hut ligt aan de landzijde en we liggen aan de kade, hoe kan die schoorsteen dan bewegen?

Ik begrijp er niets van en uiteindelijk kruip ik naar het voeteneind van mijn smalle bed om alles van dichtbij te bekijken.

Dan wordt het me duidelijk. Wij liggen aan de wal en de schoor­steen blijkt een silo te zijn verbon­den aan een fabriek. Onze boot ligt lekker te deinen op de door de wind opgezweepte golven, ’t Was dus gewoon gezichtsbe­drog die bewegende ‘schoor­steen’.

Schooltijd

Het doet me denken aan mijn schooltijd. Als ik te laat van huis was gegaan, moest ik voor de brug wachten. Vanaf de kade wilde ik het schip wel vooruit kijken, want als het te langzaam ging kwam ik te laat op school. En terwijl ik mijn ogen op het schip gericht hield, lag het opeens stil en de kade voer met mij voorbij het schip! Ik werd dus bedrogen waar ik bij stond.

Dat is me ook wel eens overkomen in het volle evangelie! De Bijbel staat vol beloften en we horen altijd dat we onze hand op elke belofte mogen leggen. Maar soms als je dat doet, lijkt het alsof God Zijn hand terugtrekt op het mo­ment dat wij willen pakken.

Maar zo is God niet. Hoe komt het dan dat we steeds misgrijpen? Is die belofte dan net niet voor ons? Ook dit is gezichtsbedrog!

Twijfel of geloof?

God steekt Zijn hand naar ons uit en die hand is vast en sterk. Elke belofte mogen we ons toe-eigenen, als we de wil van God doen. Maar hoe vaak twijfelen wij niet aan de beloften Gods, aan de waarheid van Gods Woord voor ons persoonlijk.

Jakobus zegt, dan zijn we als een golf der zee die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Ziet u het voor u? Niet God trekt Zijn hand terug maar wij zijn zelf zo in beweging. Heen en weer geslin­gerd door allerlei wind van leer, zegt Paulus (Ef. 04:14).

Want zulk een mens moet niet me­nen, dat hij iets van de Heer zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen, voegt Jakobus eraan toe.

Daarom roept Paulus de gemeente op: Blijf waakzaam, staat in het ge­loof, weest manlijk, weest sterk! (1 Kor. 16:13).

In Kolossenzen 1 vers 23 (Kol. 01:23) ver­maant hij ons welgegrond en standvastig in het geloof te zijn en in Filippenzen 4 vers 1 (Filip. 01:04): Staat alzo vast in de Here!

En, weet u, u hoeft het niet alleen te doen, want de Heer staat naast ons. Christus Jezus is de gestor­vene, wat meer is de opgewekte. Die ook voor ons pleit (Rom. 08:34). En Hij is getrouw, Hij zal het ook doen.

 

Trouw aan het woord Gods door Cees Maliepaard

“Voorts broeders, bidt voor ons dat het woord des Heren snelle voort­gang hebbe en verheerlijkt worde, evenals bij u. En dat wij bewaard blijven voor de wargeesten en slechte mensen; want trouw vindt men niet bij allen” (2 Thess. 03:01-02).

Bidden voor iets is één, maar met het gebedene aan de gang gaan is het logische vervolg er op. Niemand zal met enig recht van spreken kunnen bidden om een snelle voortgang van het woord van de Heer, als hij of zij niet ook uit datzelfde woord leven gaat.

Het levende woord

Velen denken bij het woord Gods aan het geschreven woord. Maar een boek kan moeilijk een snelle voort­gang hebben, wél de gedachten die in dat boek vervat zijn. Met het woord Gods bedoelen we dus de gedachten van de Vader, die van het geschreven woord de basis vormen en die in de Zoon des mensen ge­stalte hebben gekregen.

Daarom is het ook het levende woord, want Jezus Christus is im­mers de levende; Hij is onverder­felijk uit de dood verrezen.

Wanneer wij belijden het woord van God in ons hart te hebben, geven we daarmee te kennen dat we Gods gedachten tot de onze hebben ge­maakt en dat die nu, in de kern van ons wezen, ons in de gezindheid van Christus vormen.

Zo werd het woord Gods in de ge­meente van Thessalonica verheer­lijkt, zo verwachtte Paulus het in zijn werk en leven verwerkt te zien en zo mogen wij dat onder ons ten volle bewaarheid zien worden. Het woord Gods kan trouwens alleen maar verheerlijkt worden in mensen die zich uitstrekken naar het zoonschap Gods door in de voetstappen van Jezus te treden.

De dood in de pot

Wanneer men niet trouw blijft aan het gegeven in Gods plan met de mens, dat die ten volle Zijn beeld zal dragen, dan valt niet te verwachten dat de heerlijkheid van de Vader in de mens vaste voet aan de grond zal krijgen. De (gelovige) mens die zich verzet tegen de boodschap van het zoonschap, keert zich af van wat de Vader nu juist als doel voor hem op het oog heeft. En dan kom je al gauw terecht in het kamp van de wargeesten. Slechte mensen behoe­ven helemaal geen geheide zondaars te wezen, want die zijn immers al van verre als zodanig te herkennen! Slechte mensen ondermijnen in het huisgezin van God de normale gang van zaken, zaken zoals de Vader van het gezin zich die gedacht heeft.

Wargeesten zullen het bestaan van God en het verlossingswerk van Jezus niet ontkennen; integendeel: dat is meestal de basis van hun belijden. Maar het doel dat Jezus met zijn missie beoogde, namelijk het herstel van de mens naar Gods oorspronkelijke gedachten, wijzen ze over het algemeen resoluut af. Daar kan van alles en nog wat voor in de plaats komen: van bezig zijn op het religieuze erf met door men­sen bedachte dogmatische voorstel­lingen van zaken, tot en met trance­achtige bevliegingen in de emotio­nele sfeer, die dan prompt voor uitingen van de Geest van God worden aangezien. Allerlei vreemde, de mens belachelijk makende geestesuitingen, heten dan ‘in de Geest’ te gebeuren. En daarmee dreigt men het zicht kwijt te raken op wat God dan werkelijk door de werking van zijn Geest met ons tot stand wil brengen.

Trouw aan de Getrouwe

“Trouw vindt men niet bij allen”, concludeert Paulus. En dat vindt dan z’n oorzaak in de activiteiten van wargeesten en slechte mensen. De mens Gods dient voor hen op z’n hoede te zijn, opdat hij niet onderuit gehaald wordt – tegen­woordig zelfs letterlijk! Wanneer wij trouw aan de Getrouwe willen zijn, zullen we overeenkomstig Zijn woord en volgens Zijn plan leven. Want het woord des Heren zal snel­le voortgang hebben en in de mens verheerlijkt worden, waar die mens zich bezig houdt met de volvoering van Gods gedachten over hem. Waar wij daarin onze trouw beto­nen, zullen we bemerken dat als er iémand trouw aan z’n woord is, dat onze God wel wezen zal!

Trouw zijn aan het woord van de Vader, ook in 1996, betekent voor ons: dat woord serieus nemen. De blijde boodschap, het goede nieuws van het Koninkrijk Gods, is tot glorie van onze God en tot heerlijk­heid van de mens die in dat Konink­rijk functioneert. Want daarin komt de trouw van onze hemelse Vader openbaar: Hij houdt vast aan Zijn oorspronkelijke gedachten. En Hij heeft zich Zijn mensen van den beginne gedacht, als delend in al het goede van de hemel en van de aarde.

“Wél getrouw is de Heer”, schrijft Paulus in de volgende tekst. En hij spreekt zijn vertrouwen uit in de mens Gods, dat die trouw zal zijn in de volharding van Christus.

De dichter vraagt: “Waar werd op­rechter trouw, dan tussen man en vrouw, ter wereld ooit gevonden?” Voor ons behoeft dat geen retori­sche vraag te zijn, want het ant­woord mag luiden; tussen de Vader in de hemel en zijn zonen, die in de Christus zijn.

 

Onze levensweg door Truus van Kaam

Wanneer je gaat wandelen met behulp van een routebeschrijving, kan het toch nog gebeuren dat je een aanwijzing over het hoofd hebt gezien, met als gevolg dat je de route kwijt bent.

Wat nu? Eerst maar eens aan de kant zitten en de kaart bestuderen. Het beste is terug te gaan tot dat punt waarvan je weet dat je nog goed ging en vandaaruit volg je opnieuw de aanwijzingen.

Kan dit ook gebeuren op ons levensweg met de Heer? Dat kan inderdaad. En hebben we dan ook de moed en de bereidheid onszelf te onderzoeken, eventueel terug te gaan en ons te laten leiden door de aanwijzingen die God geeft, ook al zou dit inhouden dat de weg wat anders wordt dan we ons hadden voorgesteld?

Jezus is de weg, dat weten we. Maar wat te doen als we op een bepaald punt die weg nog niet zien, want met bepaalde eigen gedachten kunnen we heel vertrouwd geraakt zijn. We kunnen anderen ergens over horen praten maar merken het nog nauwelijks op, de aansluiting is er nog niet.

Als het verlangen in ons hart leeft om tevoorschijn te komen zoals we wer­kelijk zijn, dan kunnen we bidden om verlichte ogen des harten, zodat we zien, en zodat elke blokkade opgeheven zal kunnen worden.

Dat zal ons geestelijk optrekken bevorderen, Jesaja 49 vers 9b (Jes. 49:09b) zegt: … tot hen die in de duisternis zijn: Kom te voorschijn!

 

Kleur bekennen door Jan H. Weerd

Enige tijd geleden, aan het eind van de zomervakantie, kwam het er toch nog van. De buitenkant van ons huis werd van nieuwe verf voorzien. Het was hard nodig. Hoewel ik toch regelmatig de verf­kwast en/of hamer en zaag ter hand neem, was het er toch nog niet van gekomen. We kennen dat wel, soms is het allemaal net even te veel. Druk in het gezin, werk en gemeente en eigenlijk toe aan rust, om bij te tanken.

Als je eenmaal aan het werk bent en je alles weer ziet opknappen en het huis weer kleur krijgt, dan geeft dat echter weer een tevreden ge­voel! We hadden dit keer bewust voor opvallende kleuren gekozen, anders dan de andere kleuren bij ons in de buurt. Niet persé om op te vallen, maar omdat de oude verf sterk was verkleurd en alles er saai uitzag. We wilden wel eens iets ge­heel anders. Nou, dat is het zeker geworden. Het viel meteen op bij de buren.

Gods veelkleurige wijsheid

’s Zondags na het verven moest ik in de dienst spreken. U begrijpt misschien al waar die preek over ging. Ik werd bepaald bij de veel­kleurige wijsheid Gods. God, die door zijn Zoon, Jezus Christus, weer kleur brengt in mensen­levens.

Eigenlijk heeft elk mens van nature een bepaalde kleur. Niet alleen een huidskleur, die bijvoorbeeld bruin, geel, rood en blank kan zijn. Maar ook een innerlijke kleur/uitstraling. Bij sommige mensen straalt dat er zo vanaf. Ze zijn zo heerlijk onbe­vangen, opgeruimd en hartelijk in de omgang.

Wat kan een mensenleven echter toch soms verkleuren of dof wor­den en er saai gaan uitzien. Sinds de zondeval worden mensen, zo­wel lichamelijk als geestelijk, in hun wezen aangetast door de invloed van het rijk der duisternis. Soms is het zo erg geworden, dat er niets moois meer aan een mens zit.

Hoe krijgt het leven weer kleur?

Toch kan de situatie veranderen en er weer kleur in iemands leven komen, ook al lijkt dat in sommige levens bijna onmogelijk. Als Gods heerlijkheid, Zijn wezen, Zijn karak­ter als een lichtstraal op een men­senleven valt, dan is het net als bij een zonnestraal, die op een stukje glas valt: het begint te schitteren en allerlei kleuren komen te voor­schijn. Het doet me ook denken aan een schilder, die kleuren mengt om de juiste kleur te verkrijgen of een verfwinkel waar kleuren worden gemengd, om niet-standaard kleu­ren te kunnen leveren. Als Gods Geest één wordt met de mens en er dus nieuw leven ont­staat, krijgt het leven weer kleur, door de sterk overheersende kleur/werking van Gods Geest. Daarom roept God ons ook op, om als gemeente van Jezus Chris­tus niet bij de pakken neer te gaan zitten, maar juist het tegenover­gestelde te gaan doen: Kleur be­kennen!

Eerst moeten we in ons eigen leven Gods heerlijkheid zijn werk laten doen, om vervolgens in onze omgeving, ja zelfs in Gods schepping en in de hemelse gewesten, aan de overheden en machten Gods veelkleurige wijsheid bekend te maken.

Zijn wij uit- en toegerust?

Een waarschuwing is evenwel ook op z’n plaats: Zorg ervoor goed uit- en toegerust te zijn, voordat je de verfkwast ter hand neemt! Het klimmen en staan op een ladder is ook niet zonder gevaren. Wees wel bewust bij elke stap, anders zou je duizelig kunnen worden en naar beneden vallen! We willen toch niet halverwege stoppen met ons werk, vooral niet als alles gaat blinken en schitteren!

 

De liefde door Astrid Poldervaart (gedicht)

Er wordt gepraat over de liefde

als iets wat komt en ook weer gaat,

leder heeft zo z’n definitie

die wordt gebruikt zoals ’t hem behaagd.

 

Samen één kerk, en alles delen

de één denkt wat ruimer, de ander beperkt.

En als er dan nog wat aan hapert

wordt dat met de mantel der liefde bedekt.

 

De flower-power met z’n religie

is een onderschatte macht.

Het is al liefde wat de klok slaat

met z’n ‘zelfontplooiïngskracht’.

 

Zo is er ook de vrije liefde

wars van de monogamie.

Veel levens worden weggeven

maar wat blijft is de illusie.

 

Wat liefde is, wie kan het zeggen

zijn het soms de vlinders in je buik?

Of is het de zon die schijnt in ’t water?

Wie legt het beste de liefde uit?

 

Uit liefde werd een zoon geboren

als enig kind voor ons afgestaan.

Hij droeg de schuld, Hij droeg de zonden.

Uit liefde heeft Hij dat gedaan.

 

Voor velen lijkt de liefde onbereikbaar

een uitgestorven fenomeen.

Maar Jezus liet de liefde zichtbaar worden

dwars door de barrières heen.

 

En wie wil mag tot Hem komen

Hij geeft de liefde die je mist,

Een al’ omvattende volmaakte liefde

dat kan omdat Jezus liefde is.

 

Hij leert nu óns om lief te hebben

met liefde die van boven is.

Zo krijgt de liefde weer z’n waarde

want zonder liefde is alles niks

 

Bevrijding door Gert Jan Doornink

Het oudtestamentische volk van God leefde jarenlang onder de knoet van de vijand. Onderdrukking en mishandeling waren in het land Egypte aan de orde van de dag. Het was een zware tijd. Maar… God had gesproken: het zou niet zo blijven! Vrijheid was in aantocht.

En de grote dag van bevrijding brak aan. Het volk werd op machtige wijze verlost uit het land Egypte. De tocht naar het beloofde land kon beginnen. Het was een tocht door de woestijn. Niet gemakkelijk, maar God had Zijn beloften gegeven: Hij zou op machtige wijze zorgen voor Zijn volk. Iedere ochtend lag het manna als voedsel gereed. De wolkkolom zorgde overdag voor beschutting tegen de felle zon en ‘s nachts was deze wolkkolom ver­anderd in een vuurkolom, zodat het licht en warmte was. God zorgde in elk opzicht voor zijn volk. Het ontbrak hen aan niets!

Toch kwam tijdens de veertigjarige tocht door de woestijn het gehele volk om. Een geheel nieuwe generatie onder Jozua ging pas het beloofde land binnen. Waarom? Omdat het volk niet de weg van geloof en gehoorzaam­heid ging, maar God de rug toekeerde!

Een waarschuwend voorbeeld voor alle gelovigen die leven in deze tijd. Ook wij zijn op machtige wijze verlost van de onderdrukking door ‘s vijands heerschappij. God heeft daarbij zijn woord bevestigd door tekenen en wonderen. Maar blijven we op Zijn weg? Gaan ook wij de weg van geloof en gehoorzaamheid? Hebben we onze plaats met Christus ingeno­men in de hemelse gewesten om alleen van daaruit te strijden en te over­winnen?

Paulus zegt dat de laatste tijd ‘zwaar’ zal zijn. We zullen blijvend op onze hoede behoren te zijn voor de verleidingen uit het rijk der duisternis. Neem daarom geen genoegen met surrogaat-wonderen en tekenen, die net echt lijken maar het niet zijn, of met een surrogaat-evangelie. Alleen door vol te zijn van Gods Geest en door de aanvaarding en beleving van het evangelie van het Koninkrijk, zullen we in staat zijn stand te houden en het einddoel des geloofs, de volkomenheid in Christus, bereiken.