1995.12 nr. 376

Levend geloof 1995.12 nr. 376

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Het kerstfeest, de herdenking van Christus’ geboorte, staat voor de deur en vanzelfsprekend komt dit in dit nummer op verschillende wijze aan de orde. Zoals ieder nummer werd ook deze laatste uitga­ve van dit jaar weer met zorg en toewijding samengesteld en afge­stemd op de verscheidenheid van ons lezersbestand: de onbekeerden, de jong-bekeerden en de geestelijk volwassenen. Daarbij hou­den we uiteraard voor ogen dat het ‘geestelijk volwassen zijn’ nog niet betekent dat we het einddoel des geloofs, de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus, al bereikt hebben. Daar richten we ons op, dat houdt ons bezig, daarvoor vragen we de Heer wijsheid en inzicht en laten ons eventueel corrigeren. We zijn nog onderweg en de tegenstand vanuit het rijk der duisternis is vaak niet gering. Maar we laten ons niet van het grote doel afbrengen omdat we zeker weten dat er maar één ding is waarop de zuchtende schep­ping werkelijk wacht: de openbaring van de zonen Gods.

Deze doelstelling zal echter alleen bereikt worden als de kinderen Gods de ogen opengaan voor het feit dat er maar één werkelijk evangelie is: het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Ieder ander ‘evangelie’ is surrogaat en heeft een averechtse uitwerking, omdat het niet zuiver is afgestemd op het grote doel wat God voor ogen heeft namelijk het herstel en de voltooiing van Zijn schep­ping. Kinderen Gods die wél de ogen geopend hebben voor het werkelijke evangelie -en we zijn blij dat vele lezers en lezeressen van Levend Geloof hiertoe behoren- hebben daarom niet alleen naar buiten toe (de onbekeerde wereld) een belangrijke taak, maar ook naar binnen toe (de gemeente van Christus). Vele kinderen Gods zijn in een beginstadium blijven steken. Hun geloofsleven is daardoor afgeremd. Daardoor staan ze vaak wel open voor allerlei dubieuze ervaringen waardoor ze echter niet geestelijk groeien naar het volwassen stadium in Christus. Wij maken deze opmer­kingen niet vanuit de hoogte of met welke negatieve bedoeling ook, maar uit de bewogenheid en liefde van Christus die diep in ons hart verankerd is. Iedere maand van het afgelopen jaar heeft dit zijn weerslag gevonden in de verschillende artikelen in ons blad en ook in 1996 hopen we hiermee door te gaan. We willen gehoor­zaam blijven aan onze opdracht: de verkondiging van het evangelie zoals Jezus en de apostelen dat brachten. En uiteraard wensen wij u een rijk gezegend kerstfeest en voorspoedig 1996 toe.

 

Het grote geschenk voor iedereen door Gert Jan Doornink

 

“Want de genade Gods is ver­schenen, heilbrengend voor alle mensen” (Titus 02:11).

Een geschenk, een cadeautje ont­vangen is voor iedereen een prettige aangelegenheid. Wie wil niet graag verrast worden met een leuke atten­tie? Vooral als het onverwachts komt kun je er erg blij mee zijn. Iemand die iets geeft wil daarmee te kennen geven dat hij waardering voor de ander heeft, behalve natuur­lijk -wat soms ook gebeurt- als er een bijbedoeling achter zit. Maar meestal wordt een cadeau gegeven met oprechte bedoelingen en de ontvanger ervaart dit ook zo. Ook hoeft een cadeau vaak niet groot of kostbaar te zijn. Soms kan een kleine attentie al enorm blij makend werken. Ik bemerkte dit onlangs nog toen ik iemand opbelde, om zomaar even een praatje te maken, en deze persoon dat ervaarde als een geschenk uit de hemel…

Gods grote geschenk

Over een geschenk uit de hemel gesproken: Wat vindt u van Gods grote geschenk: Zijn eniggeboren Zoon, Jezus Christus? In (Joh. 03:16) kunnen wij lezen dat God de wereld zo lief had, dat Hij Zijn Zoon zond, opdat iedereen die in Hem zou gaan geloven, niet verloren zou gaan, maar eeuwig leven zou ontvangen.

Of vindt u het wat overdreven hier van een geschenk te spreken? Ik geloof het niet, integendeel; wij mogen hier wel spreken van een gróót geschenk, waarin de volmaakte liefde van God voor de mens op een overweldigende wijze tot uit- drukking wordt gebracht.

Er zijn in onze dagen velen, ook christenen, die menen dat die liefde van God voor de mens helemaal niet blijkt. En meteen wordt dan de el­lende en de problemen van deze wereld genoemd. Als dat liefde is… moord, oorlog, milieuvervuiling, ziekte, hongersnood, etc. God laat dat toch allemaal maar toe, wordt er dan gezegd, alsof God de schuldige is van al het negatieve.

Als deze mensen even de moeite zouden nemen om in de Bijbel te gaan ontdekken hoe Jezus, als de volmaakte beelddrager van God, openbaar maakte wie God werkelijk was, zou er een nieuwe wereld voor hen opengaan. In de Hebreeënbrief kunnen we immers lezen dat Jezus de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Gods wezen (Heb. 01:03).

Deze mens Jezus toonde door de woorden die Hij sprak en de werken die Hij deed, dat God een goede God is. De apostel Johannes formu­leerde het zo: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duister­nis” (1 Joh. 01:05b).

Waar komt ‘het kwaad’ vandaan?

Hier wordt het woord ‘duisternis’ ook genoemd en dit geeft al aan dat er nog iets is wat een rol speelt, na­melijk het rijk der duisternis onder leiding van de gevallen engel: satan. Bij hem komt al het verkeerde, de ellende, het kwaad weg. Wie dit gaat zien en erkennen maakt al een be­langrijke scheiding in zijn denken, die een positieve uitwerking in zijn leven kan hebben.

Jezus zelf was wat dat betreft ook erg duidelijk. In (Joh. 10:10) formuleerde Hij het zo: “De dief (satan) komt niet dan om te stelen, te slachten en te verdelgen; maar Ik ben gekomen, opdat zij leven heb­ben en overvloed”. Hier krijgen we de sleutel aangereikt van Gods be­doeling voor ieder mens: leven en overvloed hebben, het échte leven leren kennen, leven vanuit de ware levensbron!

Dan is het leven iedere dag opnieuw een groot geschenk, wat we uit mo­gen pakken, we mogen er bij wijze van spreken in en uit leven en ook anderen deelgenoot ervan maken. Want dat is het heerlijke: dan ver­menigvuldigt het zich automatisch, het is immers het geschenk van God, die zo onvoorstelbaar rijk is, dat wij er ons geen voorstelling van kunnen maken.

Het leven met Hem wordt steeds rijker en heerlijker, als we tenminste in Zijn gemeenschap gaan en blijven leven. Dat is een opdracht, waarbij Jezus ons grote voorbeeld is. Hij leefde immers in voortdurende gemeenschap met Zijn Vader. En alleen daardoor kon Hij het werk wat God Hem had opgedragen volbrengen: de satan ontmaskeren en overwinnen.

Onze opdracht en volmacht

Iedereen die met Hem in het geloof verbonden is, heeft nu dezelfde

opdracht en (door de inwonende Geest) dezelfde volmacht als Jezus had, dat wil zeggen we mogen in Zijn Naam satan ontmaskeren en overwinnen. Dat gaat door totdat aan het ‘einde der tijden’ zijn totale eind- afgang plaatsvindt, zoals dat onder andere in het laatste Bijbelboek be­schreven wordt. We leven nu dus nog in een ‘overgangstijd’, waarbij satan nog zeer actief zijn vernieti­gend werk in en door de mens voortzet.

Maar de nieuwe mens in Christus hoort niet meer bij hem, hij is overgeplaatst vanuit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van het licht. En vanuit dat Koninkrijk is de nieuwe mens ook ingeschakeld in het grote plan van God tot herstel van Zijn schepping.

Natuurlijk ondervinden wij daarbij felle tegenstand vanuit het rijk der duisternis Vandaar dat de tekening op de voor pagina ook een geschenk laat zien dat aan een kruis vastzit.

Christus volgen, als zoon van God openbaar worden, betekent in deze tijd nog ‘kruis dragen’. Jezus zelf sprak er al over toen Hij op aarde was met de woorden: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme da­gelijks zijn kruis op en volge Mij” (Luc. 09:23).

Maar temidden van alle verdrukking en vervolging, waar we nu nog mee te maken hebben, weten wij als waarachtige kinderen Gods, evenals Paulus, dat “het lijden van de tegen­woordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopen­baard zal worden” (Rom. 08:19). Gods heerlijkheid die nu al in ons is en, naarmate we geestelijk groeien, komt deze steeds meer tot openba­ring. Dat uit zich ook in het meer en meer overwinnaar zijn over alles wat vanuit het rijk der duisternis op ons afkomt.

En wat ons ook intens blij maakt is de zekerheid dat de heerlijkheid Gods uiteindelijk overgaat in volle heerlijkheid. Want wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft ge­hoord en in geen mensenhart is opgekomen, heeft God klaarge­maakt voor allen die Hem liefhebben (1 Kor. 02:09).

Wat een groot geschenk is dat en wat een vreugde brengt dat met zich mee. Dat houden we niet voor ons­zelf maar willen het graag delen met andere mensen die op onze weg ge­plaatst worden. Daarvan zijn we ons ten volle bewust als we ook dit jaar weer kerstfeest vieren en de Heer danken dat de genade Gods is ver­schenen, heilbrengend voor alle mensen!

 

 

Op weg naar de troon Door Rinie van der Houwen

 

(Lees vooraf 1 Sam. 16:01-15).

David. Ziet u hem in gedachten de schapen van zijn vader hoeden? Jong en niet bang was hij. Op een dag werd hij naar huis geroepen door zijn vader Isaï. Samuël, de profeet, was door God gestuurd naar het huis van zijn vader, om één van zijn zonen tot koning te zalven. Maar geen van zijn zonen werd door God aangewezen, en na de vraag van de profeet, werd pas aan David gedacht. Hem had God op het oog. “Sta op, hij is het”, zei God tegen Samuël, “zalf hem”.

Davids weg naar de troon

Zo werd David tot koning gezalfd. Bijna vergeten, maar niet door God, werd hij bestemd voor de troon. Van die dag af kwam de Geest des Heren over David en bleef op hem.

Het zou een lange weg worden naar de troon, maar alles wat God in hem gezien had, kwam tot ont­wikkeling.

Zie hem daar staan voor Goliath, niet in het harnas van Saul, maar in Gods kracht trad hij die reus en geweldenaar tegemoet, en over­won hem met een slinger en een steen.

Lees van zijn opstelling, zijn vlucht en zijn waardige houding tegen­over koning Saul. Hoe hij zijn vij­anden versloeg.

Hij werd aanvoerder van 400 mannen die, in moeilijkheden en problemen gekomen, zich bij hem aansloten. Ook door hen kwam hij in levensgevaar. Maar David ver­sterkte zich in de Here zijn God. Daarom werd hij een man naar Gods hart en kon God hem hel­pen.

Over zijn koningschap heeft God met hem gesproken door de pro­feet: “Ik heb u van achter de scha­pen vandaan gehaald om vorst te zijn over mijn volk en Ik ben altijd met u geweest. Ook zal ik uw naam grootmaken gelijk die van de groten der aarde. Ik zal u rust geven van

al uw vijanden”, sprak God.

Door zonden kwam hij echter in de problemen, maar door berouw en belijdenis daarvan vond hij genade bij God.

In zijn Psalmen stort hij zijn ziel uit, ziet hij profetisch ook het ware koningschap van Jezus Christus, dat blijvend is, en zijn weg naar de troon. En hij ziet de mens als kroon van Gods schepping. “Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt”, zegt hij.

De nieuwe mens op weg naar de troon

Wij zien Jezus, Davids zoon, lang verwacht om Zijn volk te bevrijden van zijn vijanden, goed- en wel­doende. God had Hem met de heilige Geest en met kracht gezalfd. Bewust van Zijn roeping, ging Hij Zijn weg met blijdschap. Op Golgotha ‘s kruis overwon Hij satan en zijn legermacht, vorsten, oversten, soldaten die uitgezonden werden om mensen te knechten. Niemand ontkwam.

Hij was de eerste van een nieuwe schepping. Het beeld Gods kon in de mens weer tot ontwikkeling komen.

Ook op onze weg naar de troon kan van alles gebeuren. Maar ver­licht door Gods Geest worden we wegwijs In de hemelse gewesten, en leren ^e onze gedachten op koers te houden.

En als de satan onder onze voe­ten is, dan is de mens weer de kroon van Gods schepping in glorie.

 

 

Gods heilsplan (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Vader, U die de mensen schiep
naar uw gelijkenis.

Die de aarde ééns tot aanzijn riep,
Die nodigt aan Uw dis.

 

U, die Uw énig Kind als mens
aan d’aard gegeven heeft,
Hij, Die voldeed aan ‘s Vaders wens
en eeuwig leven geeft.

 

Wij willen U aanbidden Heer,
U, zeeg’nen, onze Vader!

Met d’eng’len geven U de eer
en zingen: ‘Vrede op aarde’.

 

Jezus! U, Die geboren werd
als Kind in Bethlehem,
naar U verlang ik als een hert
naar water, want Uw stem

 

verlost mijn ziel, verlicht mijn geest:
Door Uw verzoenend sterven
mag ’k door Kerst-, Paas- en Pinksterfeest

Uw eeuwig heil beërven!

 

Kracht van boven Cees Maliepaard

De hemelen –17-

“Voorts, wees krachtig in de Heer en in de sterkte zijner macht. Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de ver­leidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereld- beheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewes­ten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden” (Ef. 06:10-13).

Gebruik je wapenrusting

De mens is niet op voorhand een willoos slachtoffer van de boze machten, want hem is een natuur­lijke wapenrusting beschikbaar gesteld. Wanneer de boze een natuurlijk mens tracht te verleiden of onder druk te zetten, behoeft die mens niet noodzakelijkerwijs het onderspit te delven. Of hebt u nooit gehoord van natuurlijke mensen, die in verleidingen op wat voor gebied dan ook, trouw bleven aan hun principes en aan de mensen waar­voor zij zich verantwoordelijk wisten? Voor kinderen Gods komt daar nog een wereld aan mogelijk­heden bij – of wellicht juister om­schreven: een hemel aan mogelijk­heden. Daarom worden wij opge­roepen de wapenrusting Gods aan te doen, want daarmee zullen we stand kunnen houden tegen alle aanvallen van de vorst der duisternis.

Wat die wapenrusting inhoudt, daar zullen we het de volgende keren over hebben. Wel is nu reeds vast te stellen, dat de geestelijke wapenrus­ting niet bestaat in mysterieuze zaken die alleen in het gevoelsvlak liggen. Allesbehalve zelfs, het zijn stuk voor stuk aangelegenheden die je hele wezen raken: waarheid, ge­rechtigheid, vrede, geloof, heling, het woord van God, bidden en smeken in de Geest en volharding in al deze dingen. De diverse onder­delen zullen we in de komende maanden aantippen, zodat onze wapenrusting op een zinvolle ma­nier door ons gebruikt kan worden.

Strijdbaar tegen wie?

De ons door God gegeven bewa­pening is niet bedoeld om ingezet te worden tegen mensen. Niet tegen mensen die het met ons oneens zijn en zelfs niet tegen mensen die ons (bij voortduring) onheus behande­len. Onze strijd is immers niet tegen bloed en vlees, niet tegen ons wel­licht vijandig gezinde mensen, maar (schrijft Paulus) tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Deze aanduiding voor de duivelse geesten in het duistere deel van de hemel, is een samenvattende be­naming. Nader gepreciseerd zijn dat de overheden, de machten en krachten en de duivelse beheerders van deze occult geworden wereld. Samen zijn dat de boze geesten die in de hemelse gewesten huizen en daar en op de aarde verwoestend huishouden.

Onze strijd is tegen alle negatieve machten waar we mee te maken krijgen.. We behoeven er niet één zelf op te gaan zoeken, want ze lopen ons als vanzelf wel voor de voeten. Ze trachten altijd een wig te drijven tussen de Heer en zijn herstellingswerkzaamheden in ons. Of het nu een geestelijke of een natuur­lijke zaak betreft, ze proberen je altijd tussen de oren te bewerken met negatieve impulsen over jezelf of over een ander.

Het is dikwijls vrij eenvoudig in deze troebele zaken de geesten te onderscheiden. Het bloed van Jezus reinigt immers van alle ongerechtig­heden? Hij heeft ze op het kruis gedragen en ze aldus voor eens en voor altijd van ons weggenomen. Het enige wat daarvoor nodig is, is je zonden te belijden bij God en bij de erbij betrokken mensen… en ze daarna niet opnieuw op te pakken. Daarom is onze strijd niet tegen onszelf of tegen een ander mens.

Strijden over wat?

Satan komt steeds opnieuw met negatieve gedachten over vermeen­de of reeds lang geleden afgedane schuldvragen. Hij valt de mens Gods lastig met aanklachten die allang achterhaald zijn, met schul­den die bij God vergeven en ver­geten zijn.

Evenzo probeert hij gedachten van ongeloof inzake het herstel van het lichaam naar binnen te blazen, of twijfel over de haalbaarheid van innerlijke vernieuwing.

Zowel de psychiatrie als de genees­kunde van het lichaam kunnen in het herstelproces van de mens een rol spelen, en dat kan wel degelijk een rol van doorslaggevende bete­kenis zijn. We zullen daar onge­twijfeld van gebruik mogen maken. Maar boven dit alles uit gaat Góds herstellingskracht: Hij werkt door Geesteskracht in ons en met ons alle details van zijn plannen uit.

Onze strijd is geestelijk. We strijden dus niet voor natuurlijke zaken., maar voor alles wat onze geestelijke statuur ten goede komt. We strijden de goede strijd van het geloof (1 Tim. 06:12).

Onze strijd is derhalve een geloofs­strijd, waarin we het eeuwige leven zullen grijpen.

Dat ‘grijpen’ is de opgave die God ons geeft om ons toe te laten eige­nen wat Hij voor ons in petto heeft: al het goede van zijn hemel, alles wat verband houdt met de verwe­zenlijking van zijn plan in ons leven “Strijdt om in te gaan door de enge poort”, zegt Jezus tegen ons. Dat is het doel van onze strijd: het ingaan van de enge poort van het hemels Koninkrijk.

Niet van dat benauwde!

De toegangspoort naar het Rijk van de Vader heeft wel een nauwe opening, maar kent beslist geen benauwende bijwerkingen. Het is geen benauwde bedoening, geen poortje dat, gezien z’n afmetingen, aangeeft datje niet veel mee naar binnen nemen mag, maar een smal en laag poortje dat de mens die het Koninkrijk van God betreedt, duidelijk maakt dat deze niet veel mee naar binnen behoeft te nemen. Je hebt er geen werelds aanzien voor nodig, geen vleselijke geleerdheid of aardse heerlijkheid. Eén ding is slechts nodig: het zijn in de gestalte van de Vader, in eendracht met Christus Jezus. En dat betekent datje voluit jezelf mag wezen. Je wordt in gemeenschap met de Heer een tot op het bot vernieuwd, stra­lend wezen… juist ja: een mens.

Opdat we stralende wezens zouden wezen, heeft de Heer ons voor altijd zijn stralende zekerheden gegeven. En opdat we die vast zouden kun­nen houden, hebben we van Hem onze geestelijke wapenrusting ge­kregen. Daarmee is met succes weerstand te bieden aan de machten der duisternis in de boze dag.

Op elk willekeurig moment dat de boze iemands dag ‘boos’ wil ma­ken, zal onze wapenrusting effectief genoeg zijn om de waarheid, de vrede, de gerechtigheid, het geloof, de heling en de blijdschap van de Heer vast te houden. Want de mens is niet zomaar een probeerseltje van de Vader, maar deze is de consequentie van zijn liefdevolle plan, de uiteindelijke invulling van het woord Gods aan de oorsprong van de schepping, het “Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijke­nis”.

Wij zullen krachtig in de Heer zijn en in de sterkte zijner macht, wan­neer we de ons van Godswege geschonken bewapening, vrijmoe­dig hanteren.

Op deze manier zal God, die van zijn mensen houdt, ook echt in ons zijn welbehagen kunnen hebben. En dat is iets wat heus niet voorbehou­den is aan twee dagen tegen het eind van december… God wil ons al de dagen van ons leven als zijn partner herkennen. Doordat de boze ons dat van het begin af al betwist, is er in de hemel een spanningsveld ont­staan, waarin de wapenrusting Gods volstrekt onontbeerlijk, maar geluk­kig ook ruimschoots toereikend is om het door God gestelde doel met glans te bereiken.

 

 

Een God die leeft en werkt Wim te Dorsthorst

 

Als ik overal de voorbereidingen zie voor het komende kerstfeest, dan vraag ik me af hoeveel er nog zijn die beseffen welk geweldig werk Gods hieraan ten grondslag ligt.

De apostel Johannes schrijft later: “Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden le­ven door Hem” (1 Joh. 04:09). De komst van Jezus Christus is de openbaring van Gods liefde voor de stuk gelopen, in de dood ver­kerende, mensheid en schepping.

De Godsverduistering

Langzaam groeit er een generatie op die van deze zaken hoegenaamd geen besef meer heeft. In het natuur­lijke misschien wel rijkdom en voorspoed, maar geestelijk levend in grote armoede. De Godsverduis­tering – het besef van Gods orde­ning in het leven en in de schep­ping – neemt hand over hand toe, waarbij het zondebesef in gelijke tred afneemt.

Dat God de Schepper is en de men­sen Zijn schepselen, die te midden van Gods prachtige schepping mo­gen leven, wordt mede door de evolutieleer, steeds verder terug­gedrongen. Een groot deel van de mensheid wandelt op eigen wegen en handelt met de schepping van God, naar eigen goeddunken. Niets in deze schepping, ook de mens niet, kan echter leven zonder God die het leven geeft en alles in stand houdt (Heb. 01:03). De mens kan dit wel weigeren te erkennen en denken dat hijzelf wel uit kan maken hoe hij leeft, het is niet waar en het loopt uit op een verschrik­kelijke catastrofe.

Niet alleen het eigen leven, maar ook de aarde en al het geschapene, is aan Goddelijke scheppingswetten onderworpen. Wat we nu zien is dat de aarde leeggeroofd en aan­getast wordt, waardoor alles ontregeld en ontwijd wordt (zie Jes. 24:03-06).

De Heer Jezus spreekt van een rade­loze angst onder de volken en van angst en vrees voor de dingen, die over de wereld komen (Luc. 21:25). Dit proces is begonnen bij de zonde­val van Adam en Eva die, door ver­leiding en inspiratie van de satan, al een eigen weg wilden gaan. Daar begon al de breuk met God door de zonde, waardoor de satan de overste van deze wereld is gewor­den. Alle mensen buiten Christus, wandelen nu overeenkomstig de loop van deze wereld, overeenkom­stig de overste van de macht der lucht (Ef. 02:02).

Ze zijn dus allen slaaf van de dui­vel en van de zonde.

En nu, in de eindtijd, komt ook dit – in het paradijs begonnen proces – tot een volheid.

Gods wegen en werken

Is er dan geen hoop meer? Ja, er is hoop, want de God en Schepper van hemel en aarde, is een God van liefde en trouw. Zijn goede schepping wordt niet prijs gegeven aan de vernietiging, maar zal tot het doel komen waartoe Hij het gescha­pen heeft.

(Ps. 145:008-009) zegt: “Genadig en barmhartig is de Here, lankmoe­dig en groot van goedertierenheid.

De Here is voor allen goed, en

Zijn barmhartigheid is over al Zijn werken “.

Vers 17 zegt ook nog: “De Here is rechtvaardig in al Zijn wegen, goe­dertieren in al Zijn werken”.

Wat een prachtig beeld wordt hier geschetst van een goede God “die goed is voor allen”.

Soms moetje zulke woorden heel diep in je door laten dringen, want ze zijn genezend voor het verkeerde beeld van een straffende en wreken­de God.

“Er is een God die leeft en werkt”! En al die werken zijn ingebed in Zijn genade, lankmoedigheid, barm­hartigheid en goedertierenheid. De wegen die Hij hierbij bewandelt zijn “rechtvaardig”. (Ps. 025:010a) zegt: “ze zijn goedertieren­heid en trouw”.

Dat is het kenmerk van Gods han­delen. Dat geldt ook nu in de ge­meente van Jezus Christus. Waar deze kenmerken ontbreken of nau­welijks gevonden worden, kan men niet spreken van een wandel in Gods wegen en werken. God en Jezus Christus kunnen daar dan niet in zijn.

Over de werkende God zegt de pro­feet Jesaja door de Heilige Geest: “Om Sions wil zal Ik niet zwijgen en om Jeruzalems wil zal Ik niet rusten, totdat zijn heil opgaat als een lichtglans en zijn verlossing als een brandende fakkel. Volken zullen uw heil zien, alle koningen uw heerlijkheid en men zal u noe­men met een nieuwe naam, die de mond des Heren zal bepalen; gij zult een sierlijke kroon in de hand des Heren zijn, een koninklijke tulband in de hand van uw God” (Jes. 62:01-03).

Onze goede God “zal niet zwijgen” en Hij “zal niet rusten” voordat het heil voor de volken openbaar wordt. Dit zijn woorden die spre­ken van de vastberadenheid van God en de intense liefde en betrokkenheid die Hij heeft met de lijdende en zuchtende schepping.

God is niet een God van verande­ringen en aanpassingen, of een God van wanorde waarbij het uit de hand zou kunnen lopen. Hij werkt met grote liefde en vastbera­denheid, naar Zijn eeuwige raad welke is naar het welbehagen van Zijn wil (Ef. 01:03-12).

Niemand is Hem hierbij tot raads­man geweest, en niemand heeft Hem eerst iets gegeven waarvoor Hij vergoeding ontvangen moet (Rom. 11:34-35).

Het is uit liefde en genade dat Hij niet zal zwijgen en niet zal rusten voordat het is geschied naar Zijn wil.

Het is best mogelijk dat u, die dit leest, helemaal geen kerstfeest viert, maar hoe kostbaar en ver­rijkend is het om toch eens stil te staan bij dit werken van God. Om de wonderen te zien die Hij ge­wrocht heeft, om Zijn eeuwig voornemen ten uitvoer te brengen.

In de volheid des tijds

Hoe God in de volheid des tijds Zijn Christus, de Zoon Zijner lief­de, in de wereld heeft gebracht, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet om hen, die onder de wet waren vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen, zegt Paulus later (Gal. 04:04-05).

Het was in een volheid des tijds, niet bepaalt door mensen maar door God. De tijd waarin de gena­de Gods, die Hij naar Zijn eigen voornemen en genade ons in Christus Jezus gegeven heeft vóór eeuwige tijden, verschenen is, heil­brengend voor alle mensen (2 Tim. 01:09; Titus 02:11).

Op een wonderlijke wijze heeft God dit grote gebeuren voorbereid in de voorgaande eeuwen. Abraham, waar God mee omging als een vriend, werd de drager van de belof­te; Met u zullen alle geslachten ” des aardbodems gezegend wor­den” (Gen. 12:03; Gal. 03:08).

Het volk Israël, wat uit hem voort­kwam, met Mozes, David en de vele grote en kleine profeten, werkten mee in wat zou gaan komen. Vele malen en op vele wijzen heeft God in de profeten gesproken van Zijn Zoon die komen zou.

Het centrale thema van de hele Schrift, is het behoud en het tot volheid brengen van de mensheid en de hele schepping, in liefde en genade in Zijn Zoon Jezus Christus. En als dam dat grote moment is aangebroken, is de hemel en de aar­de in grote beroering. Als God werkt en Zijn eeuwige raadsbeslui­ten gaat volvoeren, dan worden de grenzen van het menselijk mogelij­ke doorbroken.

De oude Zacharias en zijn even­eens oude vrouw Elisabeth breng­en door een wonder Gods een kind ter wereld. Hij zal als heraut en wegbereider voor de Heer Jezus uit gaan en de Heer zelf noemt Johan- nes de Doper de grootste van hen die uit vrouwen geboren zijn (Matt. 11:10-11).

De engel Gabriël kondigt de geboor­te van Jezus Christus aan uit de maagd Maria. Niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van een man, maar uit God zelf zal Hij voortkomen (naar Joh. 01:13). De Heilige Geest zal over Maria ko­men en de kracht van de Allerhoog­ste zal haar overschaduwen en zo zal de Zoon van God, de Heilige en Rechtvaardige, in deze wereld komen (Luc. 01:26-38).

De Vredevorst

De hemel is in een juichstemming en de engel des Heren verkondigt het aan de herders: “U is heden de Heiland geboren, namelijk Chris­tus, de Here, in de stad van David” (Luc. 02:11). En bij de engel voeg­de zich een grote hemelse leger­macht, die God loofde, zeggende: “Ere zij God in de hoge, en vrede op aarde bij mensen des welbehagens” (Luc. 02:13-14).

Deze vele malen aangekondigde “vrede op aarde” zal er komen want de profeet Jesaja zegt van dit grootse moment: “Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt Hem Won­derbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en einde­loos de vrede op de troon van Da­vid en over zijn koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid” (Jes. 09:05-06).

De eindeloze vrede in het Koninkrijk van de Zoon, Jezus Christus, het Koninkrijk Gods, zal gesticht en ge­grondvest worden met recht en ge­rechtigheid.

Wat een tegenstelling met wat we nu zien op aarde, waar alles gegrond­vest lijkt op onrecht en ongerechtig­heid.

Maar Gods werk is volmaakt. En Hij, Gods Zoon, heeft het gegrond­vest met recht en gerechtigheid door zijn eigen bloed op het kruis van Golgotha.

God zag niet aan de zonde voorbij, maar Hij stierf daar in de plaats van alle mensen, die de dood schul­dig waren.

In Hem en door Hem en tot Hem zijn “alle dingen” geschapen – ook de mens – en alleen door zijn bloed kon God daarom op rechtmatige wijze, “alle dingen” weer met Zich verzoenen (Kol. 01:15-20; 2 Kor. 05:18).

De oude zondige mens, de eerste mens, is met Hem mede gekrui­sigd, gestorven en begraven maar ook met Hem opgewekt in nieuw­heid des levens (Rom. 06:01-07). Daarom is het: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbij gegaan, zie het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 05:17). Toen Hij stierf, stierf de hele oude schepping – en vooral de hele mens­heid – met Hem (2 Kor. 05:15a).

En in Zijn opstanding stonden in principe alle mensen op uit de dood, want Zijn opstanding is onze rechtvaardiging (Rom. 04:25; Rom. 06:08). Voor de gelovige geldt dan ook: “God heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten in Christus Jezus” (Ef. 02:06).

En dan zegt Paulus van dit wonder­werk van God: “Hem, de Heer Je­zus, Die geen zonde gekend heeft, heeft God voor ons tot zonde ge­maakt, opdat wij zouden worden ge­rechtigheid Gods in Hem” (2 Kor. 05:21).

En dit alles is uit God!

Deze werken van God spreken overtuigend van Zijn heerlijkheid en goedheid. Zij zijn zó verheven, zó , wonderbaar, zó vol van liefde, gerechtigheid en volkomenheid, dat we in kunnen stemmen met de lofzang uit (Deut. 32:03-04), waar we lezen: “Ik zal de naam des HEREN uitroepen; geeft groot­heid onze God, de Rots, wiens werk volkomen is, omdat al Zijn wegen recht zijn; een God van trouw, zonder onrecht, rechtvaar­dig en waarachtig is Hij”.

Het hemelse Jeruzalem

Op dit rechtvaardige werk Gods wordt in deze tijd de gemeente gebouwd, de gemeente van Jezus Christus. Dat is het volk dat de Heer in deze tijd verzameld uit alle volken, stammen, talen en natiën. Een volk dat evenals Petrus, door de Heilige Geest, kan zeggen: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de le­vende God”. Dat is de rots waar de Heer Zijn gemeente op bouwt en de- poorten van het dodenrijk zullen haar niet overweldigen (Matt. 16:16-18).

Dat is een volk dat leeft uit geloof en liefde tot hun Heer en tot God, de Schepper van hemel en aarde.

Dat is het hemelse Jeruzalem, wat gebouwd wordt op de berg Sion, het Woord van God en de Heilige Geest. Door deze gemeente, de zo­nen Gods, zal het heil komen tot de volken. Daar wacht de zuchtende schepping op (Rom. 08:19). De ge­meente is nu nog verborgen, het is het geheimenis Gods wat bij de wederkomst van Jezus, hun Heer, in volle heerlijkheid geopenbaard zal worden. De apostel Paulus schrijft hiervan: “op die grote dag zal Hij verheerlijkt worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd wor­den in allen, die tot geloof gekomen zijn” (2 Thess. 01:10).

Naar dit grote gebeuren, wanneer de bazuin zal klinken, leeft en groeit de gemeente toe. “Maar in de dagen van de stem van de zeven­de engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd” (Openb. 10:07).

God is voor allen goed

De profetische belofte, dat God niet zal zwijgen en niet zal rusten totdat het werk aan de gemeente vol­tooid zal zijn, is dan heerlijk vervuld. Dan zullen de volken het zien en he­mel en aarde zullen juichen voor de grootheid van God en Jezus Chris­tus.

Bij het avondmaal heeft de Heer het al gezongen met zijn discipelen: “Looft de Here, alle gij volken, prijst Hem, alle gij natiën; want Zijn goedertierenheid is machtig over ons, en des Heren trouw is tot in eeuwigheid. Halleluja” (Psalm 117).

Dit is het evangelie wat mijn hele hart heeft en naar ik hoop ook u die dit leest. Dan zal het een goed en gezegend kerstfeest worden.

 

Gods gedachten door Tea Keuper Dijk

 

“Hoe kostelijk zijn mij Uw gedach­ten, o God, hoe overweldigend is haar getal” (Ps. 139:017).

Kunnen wij Gods gedachten ‘raden’, weten? David spreekt hierover in bovenstaande Psalm. In vers 1 zegt hij: “Heer, Gij doorgrondt en kent mij… Gij verstaat van verre mijn gedach­ten”.

En als je verder leest, dan spreekt hieruit zijn diepe relatie met Vader God. In de laatste verzen bidt hij tot God: “Doorgrond mij, o God en ken mijn hart, toets mij en ken mijn gedachten; zie of er bij mij een heilloze weg is en leid mij op de eeuwige weg”. David verlangt ernaar, dat God alles wat in hem is wéét. Dat God zijn leven toetst en hem kent, zijn gedachten als het ware controleert. Dat zijn hemelse Vader hem leidt van heilloze wegen op de eeuwige weg!

Wisselwerking

Door deze houding van David ontstaat er een wisselwerking: David leert Gods gedachten kennen en hoe zijn die? Zij zijn alleen maar positief! God leidt David en ook een ieder, die Hem zijn hele leven toevertrouwt, op paden van heil en goedheid, om Zijn kind een hoopvolle toekomst te geven. In (Jer. 29:11) staat het zo geformuleerd: “Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des He­ren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven”.

Deze toekomst zag ook Jezus, toen Hij Zijn lijdensweg op aarde ging. Achtervolgd, verzocht, uitgepro­beerd, gesmaad, bespot en tenslot­te gemarteld en gedood, zag Hij de hoopvolle toekomst vóór Hem. Jezus hield zich niet vast aan Zijn bestaan op aarde. Roem van mensen en macht als een aardse koning waren Hem vreemd. Jezus volbracht Zijn taak en gaf Zijn volgelingen opdracht dat ook te doen.

Onze taak

Wat was Zijn- en wat is onze taak in de tijd, dat we hier op aarde zijn?

Allereerst, ons te verblijden, dat wij Koningskinderen zijn.

Ten tweede dat ik Vaders gedach­ten over mij ken en mij helemaal aan Hem kan toevertrouwen. (De eerste persoonsvorm maakt je bewuster).

Ten derde dat mijn gedachten in, overeenstemming komen met die van God.

In de vierde plaats dat ik mijn angst en zorg aan Hem geef, zodat er plaats is voor Zijn genade en kracht. Dat ik Hem daarin ver­trouw.

En tenslotte dat ik dit levenspa­troon uitstraal in mijn omgeving en mensen als het ware verlok in Gods aanwezigheid te komen: dat is het doel van alles!

Jezus zegt: “Gaat dan heen, maakt alle volken tot Mijn discipelen…, doopt hen…, en leert hen onder­houden, al wat Ik u geboden heb”. En dan de heerlijke belofte: ” En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”! (Matt. 28:19).

Ons werkterrein

Als we als christenen Christus vragen wat ons werkterrein is, zal Hij ons van dag tot dag leiden en helpend aanwijzen de wegen, die wij mogen gaan in Zijn Naam. Om Vaders kostelijke gedachten be­kend te maken aan een wereld in nood.

Daarom kwam Jezus bijna twee­duizend jaar geleden naar onze aarde!

Bij alle kerstgedachten en -gedich­ten wil ik met David zeggen: “Hoe kostelijk zijn mij Uw gedachten, o God, hoe overweldigend is haar getal”.

Het begon in de hemel en werd uitgevoerd op aarde. Jezus kwam om Gods gedachten in daden om te zetten, zodat we Vader God weer zonden zoeken en leren kennen. Want het Godsbeeld was vervaagd en verlengend door de tegenstander, satan, die vanaf het begin der schepping verlengende en verleidde. Maar God blijft de­zelfde! Hij vergeeft en verzoent zich met ieder, die tot Hem komt in Jezus’ Naam. Zijn verzoeningsplan in Jezus Christus, Zijn heils (= her­stelplan door de heilige Geest, is uniek en betrouwbaar!

Deze Goddelijke gedachten veran­deren het denken van een mens, die tot Hem komt en brengt hem of haar op ‘wegen van goedheid en zegen’!

O, Vader, hoe kostelijk zijn mij Uw gedachten!

 

Wat te allen tijde nodig is door Roel Schipper

 

“Laten uw klederen te allen tijde wit zijn, en olie ontbreke niet op uw hoofd” (Pred. 09:08).

Wie inzicht wenst te verkrijgen in het Woord van God, zal, evenals Daniël, zijn hart hierop moeten richten (Dan. 10:12). Deze Godsman, die een nauwgezet gebedsle­ven kende, kreeg inzicht in allerlei gezichten en dromen.

In (1 Petr. 01:10) staat, dat de profeten gezocht en gevorst hebben naar de voor ons bestemde genade, namelijk het einddoel van het ge­loof, dat is de zaligheid der zielen. Zij waren vorsers en speurders naar de genade die de Vader bestemd had voor ons, discipelen van Jezus Christus en van het Koninkrijk der hemelen. Zij konden de geestelijke inhoud echter nog niet verstaan van de profetieën die zij uitspraken, om­dat het Koninkrijk Gods nog niet gekomen was en zij daar dus niet binnen konden gaan. Van hen staat geschreven, dat ze de beloften slechts uit de verte gezien en be­groet hebben.

Jezus, in smetteloos wit

Jezus was ook zo’n zoeker. Hij sprak: “Maar zoek eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid, en dit alles (wat nodig is voor het natuurlijke bestaan) zal u boven­dien geschonken worden”. Ook voor Hem golden de geestelijke wetmatigheden: “Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal worden opengedaan”. Wie Hem wil vol­gen, zal ervaren dat hij geestelijke zegeningen gaat ontvangen; geestelijke gaven komen dan tot ontwikkeling.

Alleen door de ontwikkeling van deze genadegaven is een juist inzicht in de onzienlijke dingen mogelijk. De deuren van de hemelse schatkamers worden voor hem geopend. Jezus heeft immers de sleutels van, het huis van David. Daarmee opent Hij de schatkamer in de hemelse gewesten voor de hongerige en de dorstige (Openb. 03:07). Hij sprak: “Alle dingen zijn Mij van de Vader overgegeven” en: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde”.

Die hoge positie is Hem gegeven om vele zonen tot heerlijkheid te voeren. Daarom is Hij is de doper in de heilige Geest, en met Hem kunnen wij onze kennis van de geestelijke wereld uitbreiden en ook macht en gezag uitoefenen, want door de heilige Geest delegeert Hij de uitvoering van het verlossings- en herstelplan van de Vader ook aan Zijn volk. Wij vormen met Hem één lichaam, waarvan Hij het hoofd is en wij de leden zijn.

Toen Jezus op aarde was, merkte Hij dat er kracht van Hem uitging. Wie Hem in geloof aanraakte, ervaarde de kracht van de heilige Geest (Mark. 05:30). Zo wil de Heer dat er eveneens kracht uitgaat van het mystieke lichaam van Hem, waartoe wij behoren. Dezelfde Geest die in onze Heer woont, mag ook ons vervullen en inspireren. Vandaar dat Gods woord ons steeds weer oproept onze gedachten daarop te richten waar onze Heer mee bezig is. Dit is slechts mogelijk als er een intieme relatie is tussen de Here Jezus en ons, zoals de Heer ons die toonde tussen Zijn Vader en Hem. Hij liet zich door niets en nie­mand weerhouden om het plan van de Vademen uitvoer te brengen.

Satan bezoedelt

Wie het verlangen heeft verder te komen in het Koninkrijk Gods en de geheimenissen wil leren ontdek­ken, zal merken dat hij steeds met een tegenstander te maken krijgt. Deze zal proberen het kostbare dat de Heer ons gegeven heeft, de recht­vaardiging door het geloof in het volbrachte werk op Golgotha, te ontroven.

De sleutel die hij gebruikt om toe­gang te krijgen tot ons gereinigde levenshuis, is de leugen. Zijn ne­gatieve influisteringen zijn als pijlen die op ons afgevuurd worden.

De Heer sprak dat er verleidingen zouden komen en dat hieraan niet valt te ontkomen (Matt. 18:07). Er is dus geen broeder of zuster die er niet mee te maken krijgt, want de Heer neemt deze verleidingen niet voor ons weg. We zullen op onze hoede moeten zijn en weerstand bieden. Hij zal ons door Zijn Geest krachtig bijstaan. De belofte is im­mers dat de duivel van ons zal vlieden (Jak. 04:07).

Als de vijand er niet in slaagt onze geloofszekerheid aan te tasten, zal hij een andere tactiek toepassen. Hij zal namelijk proberen het kleed der gerechtigheid, dat we van de Heer ontvangen hebben, te bezoedelen. Van de gemeente te Sardes wordt gezegd: “Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft, maar ge zijt dood”. In de zichtbare wereld leek het een actieve en fijne gemeen­te te zijn.

Geen van hun werken werden echter vol bevonden door de Heer. Die werken kwamen niet overeen met het plan van Zijn Vader. De gelovi­gen te Sardes waren ingeslapen en hadden de woorden die ze ontvan­gen en gehoord hadden, losgelaten. Ze hadden de woorden van de Heer niet bewaard, want ze waren er slordig mee omgesprongen. De boze was er in geslaagd hun witte kleed op deze manier te bezoedelen.

Ook wij in het wit

Gelukkig waren sommigen wakker gebleven – dat wil zeggen dat ze aanspreekbaar en ontvankelijk ble­ven voor de woorden van de ver­hoogde Meester. Zij hadden hun klederen bewaard; hun werken waren overeenkomstig de gedachten van de Vader. Zij werden daarom waardig bevonden om met de Vader in witte klederen te wandelen (Openb. 03:01-04).

Het al of niet bekleed worden met witte klederen hangt dus af van het feit of men een wandel heeft in de onzienlijke wereld, daar zijn schat­ten en inzichten verwerft en op zijn weg om de Vader beter te leren kennen, de boze overwint (1 Joh. 02:13-14). Steeds weer bemoedigt en vermaant de opgestane Heer: “Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; zalig hij die

waakt en zijn klederen bewaart ” (Openb. 03:05; Openb. 16:15).

Zo zal de Heer zijn gemeente voor Zich plaatsen: stralend en zonder vlek of rimpel, zó dat zij heilig is onbesmet. De Bijbel zegt dat deze overwinnaars zich mogen kleden met blinkend en smetteloos fijn linnen. Zij doen de werken die Jezus deed, want zij hebben Zijn woord bewaard. De rechtvaardige daden van deze heiligen komt voort uit een vernieuwd, geestelijk denken. Ondanks grote tegenstand van de boze, hebben ze (steeds weer) hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed van het Lam. In de natuurlijke wereld hebben we er veel voor over om keurig gekleed te gaan. We bekijken ons goed in de» spiegel en vragen onze huisgenoten: Hoe zie ik eruit? Stellen we deze vraag ook wel eens als we aan ons geestelijke kleed denken? Hoe zien de engelen ons? Hoe zien we elkaar? Hebben we geleerd mens en macht te onderscheiden en te scheiden?

Vreugde(olie) van de Heer

Een andere listige manier van de vijand om onze voortgang in het Koninkrijk Gods te belemmeren, is onze blijdschap te roven. Hij doet dit door ons op allerlei wijzen te be­proeven en te bedroeven. Hij pro­beert ons wijs te maken dat de weg met de Heer niet in louter vreugde bestaat, maar veeleer in tegenslag, moeiten en verdriet. Hij wil de jubel­roep van het volk Gods veranderen in rouwklacht. Als een Israëliet rouwde, zalfde hij zich niet met olie (2 Sam. 14:02; Dan. 10:02-03). De Heer geeft ons echter steeds weer de bemoediging dat we ons te allen tijde mogen, zelfs moeten verblij­den! (Filip. 04:04).

Jesaja profeteert: “… om uit te roe­pen een jaar van het welbehagen des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten. Om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad (een wit feestkleed!) in plaats van een kwijnende geest” (Jes. 61:02-03).

De Heer wil dat we ons dagelijks zalven met vreugdeolie. Dat bete­kent dat we vol zijn van de heilige Geest, ongeacht de natuurlijke om­standigheden waarin we verkeren.

Deze Geest wil ons naar de eeuwige troon van de Vader voeren, om onder leiding van onze leidsman Jezus Christus, de zuchtende schepping te herstellen.

“Welzalig het volk dat de jubelroep kent; zij wandelen, Heer, in het licht van Uw aanschijn. In Uw naam juichen zij de ganse dag, en door Uw gerechtigheid worden zij verhoogd” (Ps. 089:016-017).

 

 

One liners door Redactie

-Zout geeft smaak, en is er niet om in wonden te wrijven.

-Wat uit zee komt kan nooit veel goeds zijn.

-Een prediker is een bakker.

-1 x 2 is méér dan 2×1.

-Een evangelist is eigenlijk gewoon een postbode.

-Hou de bron zuiver, anders gaan de planten dood.

-Wanneer de vruchten laag hangen, kunnen de mensen er gemakkelijk bij.

 

Bij artikel van br. P van der Heijden door redactie

Broeder en zuster Van der Heijden uit Waddinxveen hebben in hun vruchtbare leven, in dienst van Gods Koninkrijk, heel wat gebedsverhorin­gen meegemaakt, Ook in deze ‘ge­loofsbelevenis’, waarbij een jong echtpaar totaal was vastgelopen, gaf Gods Geest de weg aan hoe te han­delen. En als er dan in gehoorzaam­heid gehandeld wordt is de overwin­ning zeker.

Het spreekt vanzelf dat dit waar ge­beurde verhaal niet de bedoeling in zich heeft om gezinnen waarin man en vrouw beide een baan hebben, als ‘verkeerd bezig’ te brandmerken. Iedere situatie is anders en wanneer hierover duidelijke afspraken zijn gemaakt, die de gezinsharmonie niet aantasten, hoeft daar geen bezwaar tegen te zijn. Maar het is een onmis­kenbaar feit dat ook huwelijken van kinderen Gods in onze dagen soms stukgaan, doordat de ‘wereldgees­ten ‘ hun slag kunnen slaan en de ge­hoorzaamheid aan Gods Geest ver­dringen. Ook in dit opzicht geldt de oproep de duivel geen voet te geven en de weg van geloof en gehoor­zaamheid te (blijven) bewandelen. Wat dat is de enige weg tot beleving van het ware geluk ook in het huwe­lijks- en gezinsleven, -red.

 

Bidden naar Gods wil is leven naar Gods wil door Heijden P van der

 

“En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar zijn wil, ons verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden” (1 Joh. 05:14-15).

Als je een gemeente regelmatig bezoekt, kom je er op de duur achter, dat daar blijdschap is, maar ook nood en verdriet.

Door jarenlange praktijkervaring hebben we geleerd, dat de op­lossing van alle problemen toch altijd weer te vinden is bij onze Meester en Heiland, jezus Chris­tus. Door Zijn onderwijzing en lering onderwees Hij ons altijd hoe en langs welke weg wij moeten gaan om gelukkig en blij te kunnen leven en wat de wil van God is voor alle mensen, maar in het bijzonder voor Zijn kinderen.

Zo kregen wij na verloop van tijd contact met een zuster uit een gemeente, die zich zorgen maakte over haar man en kinderen. Ze was er dagelijks mee bezig; de één had dit en de ander had weer wat anders, een zware last drukte op haar die zij alleen moest dragen.

Niet alleen had ze zorgen over haar man maar vooral ook over haar oudste zoon. Wat was na­melijk het geval? Haar zoon, een kind van God, technisch zeer bekwaam, had een goede baan in de maatschappij, een functie waar­door hij veel buitenshuis zijn werk moest verrichten.

Zijn vrouw, ook een kind van God, was verpleegkundige in een zieken­huis. Voor haar huwelijk had ze die baan reeds. Ze deed het werk graag en het was voor hen een aardige bijverdienste.

Door hun drukke werkzaamheden waren ze maar weinig thuis. We , kunnen ons voorstellen dat de saamhorigheid op de duur wel te wensen overliet.

Hun huwelijk was bevestigd in de gemeente; er was over hun leven de zegen uitgesproken. Maar toch… nee, het gezellige huwe­lijksleven was er niet.

Zoals gezegd, zijn moeder zag dat, en maakte zich veel zorgen, het zat haar niet lekker. Haar zoon begon met haar zijn nood te bespreken, wat uiteraard logisch is.

Omdat de verhouding met haar man ook niet te best was, kon zijn moeder met haar man ook niet over deze dingen praten.

In haar verdriet belde ze ons op met de vraag of wij voor haar man en kinderen wilden bidden. Daarna vroeg zij ons of het goed was, als haar zoon daartoe bereid zou zijn, naar ons toe te komen, zodat wij met hem over deze dingen konden praten.

Wij zeiden: “Natuurlijk, zuster, hoe eerder hoe liever”, waarop ze tegen haar zoon zei: “Ga eens praten, je bent van harte welkom”.

Door de nood gedreven, is hij toch op een avond bij ons aangekomen. Nadat het ijs enigszins gebroken was, kwamen we er achter dat de levensmethode van het jonge echtpaar, ondanks hun goede bedoelingen, niet in overeenstemming was met de methode die God aangeeft in Zijn woord.

Want dan werkt het leven niet. Het is zaak te weten en kennis te heb­ben, vooral voor jong gehuwden, wat de levenswijze van elke dag is, wat God wil.

In het bijzonder voor kinderen Gods dreigt dit gevaar bij velen, dat zij daardoor geen kracht meer be­zitten om een voorbeeld te zijn voor anderen en op de duur de mist ingaan en ongemerkt er intui­nen.

Zo ook dit echtpaar, dat nog totaal geen kennis had van de dingen van het Koninkrijk der hemelen. Ze wa­ren gewoon in beslag genomen door het vele werk. Zij kwam onre­gelmatig thuis, hij ook. Ze dachten, net als voor hun huwelijk, hiermee door te kunnen gaan. Hij werd mager van de zorgen hierover. Zijn maaltijden moest hij zelf maar klaar maken, zo ook de verdere huis­houdelijke dingen. Dit tot grote er­gernis van zijn moeder. Wat moest zij hieraan doen? Dat kon toch zo niet doorgaan? Maar schoondoch­ter deed al het mogelijke om ande­ren te helpen in het ziekenhuis, maar haar eigen man werd door haar verwaarloosd (1 Tim. 05:08).

Daar kwam het hoge woord eruit, dat als zijn vrouw niet bereid was om te stoppen, de kans bestond dat hun huwelijk op die manier in de toekomst wel zou stranden.

Dat zat er wel in. Want ze had nu eenmaal besloten niet uit het zie­kenhuis te gaan en contractueel was ze ook aan die instelling ver­bonden.

Alleen als er een baby zou komen dan was ze wel genoodzaakt haar baan op te zeggen, eerder niet.

Dit verontrustte onze broeder, want hij wilde een gelukkig gezin. Menigmaal had hij gehoopt dat ze in verwachting zou zijn, maar dat gebeurde niet. Op de duur werd hij behoorlijk gefrustreerd. Hij had alle hoop ook hierop laten varen. Hij zag het gewoon niet meer zitten. Hij was in een uitzichtloze situatie gekomen, ondanks dat ze het beiden financieel in de natuurlijke wereld heel goed hadden. Wat nu?

Waarom verhoorde God zijn ge­beden niet? Waarom stopte zijn vrouw niet met dat werk? Wat deed hij verkeerd? God is toch een verhoorder der gebeden? Het viel voor hem niet mee alles op een rijtje te zetten.

Tijdens dit gesprek met hem, zochten wij innerlijk contact met de Heer. Ik zeg zo in mezelf: “Heer, geef ons toch wijsheid; help alstu­blieft, ze werken toch hard, ze bezoeken toch zoveel mogelijk de bijeenkomsten, ze lezen toch Uw woord, ze bidden toch tot U?” Het was bij ons een labyrint van gedachten.

Plotseling gaf de Heer ons de oorzaak aan waarom ze geen gezellig huwelijksleven hadden. Hun levensmethode was verkeerd. Zij leefden net als de wetteloze wereld. Zij gingen van een radicale verkeerde gedachte uit. De satan had mooi kans gezien, heel sluw, man en vrouw, ondanks de beste bedoelingen, een gescheiden leven te geven, door zichzelf plichten op te leggen waar de wereld door mis­leid wordt. Elk afzonderlijk een baan binnen het huwelijk en toch een gelukkig geestelijk leven willen beleven. Zelf hun planning maken, volgens eigen gemaakte gedachten. Ik zeg tegen de jonge broeder: “De Heer maakt mij er op attent, dat jullie niet moeten wachten, dat er een baby komt, maar je vrouw moet eerst haar baan opzeggen om jou te gaan verzorgen in al haar huishoudelijke taken en dan zullen jullie een kind krijgen en dan zal alles normaal gaan functioneren”.

Hij schrok hevig en zegt: “O, nee broeder, dat doet ze nooit, daar zou ik met haar nooit over durven praten. Als ik haar dat zou gaan vertellen, heb ik helemaal geen, leven meer”.

En hij ontstelde. In plaats van min­der werd de nood bij hem nog groter. Misschien had hij er op dat moment wel spijt van dat hij geko­men was. Misschien was hij graag de kamer uitgelopen.

Ik zeg: “Broeder, wat onmogelijk is bij mensen, is mogelijk bij God. Als wij maar doen wat Hij zegt, gehoor­zaam leven naar Zijn wil. Maar dan moet ik wel kennis hebben van Zijn wil met mijn leven. Als je onwetend in deze dingen fout bent gegaan, zal na erkenning hiervan, door God alles recht gezet worden. God waakt over Zijn woord en zal het zeker doen.

Er werden nog verschillende teksten uit de Bijbel aangedragen, maar niets van dat alles maakte indruk op hem, hij was niet te overtuigen. Tenslotte stemde hij toe dat we de Heer zouden vragen om een weg voor hem te openen voor een gezellig leven met elkaar en dat zijn vrouw zou thuiskomen om hem te verzorgen.

We riepen de Heer aan met onze gebeden: “Here, gaat u in dit gezin alles recht zetten, mijn broeder weet nog niet hoe, maar U maakt ons indachtig dat als zijn vrouw haar baan opzegt, alles zal gaan functioneren zoals het hoort, dat zijn gezin zal uitbreiden tot eer en glorie van Uw naam”.

De boze geesten die in hun leven een sluier hadden gelegd, zodat zij hierin de weg Gods niet meer za­gen, werden aangezegd, hun bei­der levens te verlaten en zich niet meer met hen in te laten. De wet­teloze geesten die hun gezin wilden ontwrichtten, werden uitgeworpen in de naam van Jezus. Wij vroegen aan de Heer hen de geest van wijsheid en kennis te geven. De sleutels van de geheimenissen van het Koninkrijk Gods, opdat zij zou­den weten te leven naar Gods eer.

Het was diep in de nacht dat onze broeder huiswaarts keerde. Er was een zekerheid in zijn leven geko­men dat God alles recht ging zet­ten.

Dagen en weken gingen voorbij, maar alles bleef bij het oude. Welk een innerlijke strijd deze broeder gevoerd heeft, weet God alleen. Maar dat het niet gemakkelijk is geweest, geloof dat maar.

Op een keer hadden wij een evangelisatiesamenkomst in de open­lucht. Als leider van de groep wa­ren mijn gedachten hierop volop geconcentreerd om alles in goede banen te leiden. Zo had ik die mid­dag de broeder ook gezien. Terwijl ik na afloop bezig was de attributen in de auto te laden, staat hij plotseling naast me. Ik begroet hem met: “Hallo, broeder!” Hij zegt: “Hallo!”. Dan kijkt hij eerst nauwkeurig om zich heen, nadat hij zich ervan overtuigd had dat nie­mand hem horen kon en fluistert in mijn oren: “Mijn vrouw heeft haar baan opgezegd, voorgoed”! Ja, dan sta je ondanks je geloof, toch weer even perplex en ont­roerd als je zoiets meegedeeld wordt. Ik zeg: “Ja joh?” en hij zegt: “Echt waar”!

Dat was het eerste grote wonder in dat gezin dat God bewerkt had. Zijn vrouw kwam na jaren los van het werk in het ziekenhuis. Zij ging haar man verzorgen. In plaats van gespannen, gingen zij ontspannen leven. Hun verhoudingen werden geheel anders. Want God zag naar de broeder om. Hij zag ook naar onze zuster om, die in gehoor­zaamheid aan de wil van God, nu haar verdere leven aan het gezin wilde wijden.

En wat gaat God dan zegenen. Na verloop van tijd hadden wij weer een openluchtevangelisatie gehou­den en evenals de vorige keer, staat daar aan het einde van de middag onze broeder weer naast me.

Hij nam mij apart, buigt zich naar mij toe en met fluisterende stem hoor ik hem iets meedelen wat hun gezin in de toekomst totaal zou gaan veranderen. Hij zegt: “Mijn vrouw is in verwachting”. Nou, ’t is dat hij het niet voor de anderen nog wilde weten, maar anders hadden we samen een rondedans gemaakt midden op de straat, om de Heer te loven en te prijzen. Over lofprijzing gesproken. Kijk dat is nou onze Vader, vol van verras­singen en geloof maar dat Hij meegnuifd met ons over de blijdschap van Zijn kinderen.

Alle drie, de moeder, de zoon, haar schoondochter en allen om hen heen, waren blij en opgelucht. Niet zoals de wereld mei haai normen en regels en mei haar eigendunkelijke godsdiensten doet, die de planning in eigen hand neemt en die zegt: “Wij zoeken het zelf wel uit”. Maar door het geloof in de woorden van de Here Jezus, opgetekend in de Bijbel. Dat is leven!

Het is zoals God het wil. Hij ziet om naar Zijn volk. Als wij maar doen wat Hij zegt, dan doet Hij de rest.

God beschaamt de wijsheid van de wereld en zet het kinderlijk geloof hier tegenover. Want dan gaat ook het Schriftwoord in vervulling, wat Jezus ons geleerd heeft in Matthéüs 6: “Weest in geen ding bezorgd, Mijn Vader weet wat je nodig hebt, maar zoek eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en alle dingen zullen je bovendien geschonken worden”.

Alleen Jezus komt alle eer en lof toe, door de leiding van de Heilige Geest in de gebedsverhoring. Als je Mijn wil doet, zegt Jezus, dan kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren.

De baby groeide voorspoedig op en werd in de gemeente opgedragen aan de Heer, die voor dit kind zal zorgen. Want het is geboren voor hen als teken, dat het Woord van God waar is. Grote wonderen en tekenen vinden plaats in de gemeente, het lichaam van Chris­tus. Velen die vandaag aan de dag in het onzekere verkeren, kunnen daardoor weer moed vatten. Want in deze eindtijd zal de satan over­wonnen worden door het bloed van het Lam en het woord van ons getuigenis. Gods grote kracht is onder ons aanwezig. Ook hiervoor dienen onze ogen geopend te zijn.

En ook door dit verhaal heen, zien we de komst van de Here Jezus, om Zijn gemeente tot volheid te brengen:

Punt 1. Het gezin was totaal ont­wricht.

Punt 2. De vrouw zag geen kans haar baan op te zeggen.

Punt 3. Een baby krijgen was niet mogelijk.

Alle drie punten had God opgelost, door middel van Zijn Zoon, Jezus Christus en niemand anders. Een enorme gebedsverhoring had hier plaatsgevonden.

Het gezin is inmiddels weer uit­gebreid. De zegeningen van de Heer voor dit gezin houden niet op, want bovendien zijn zij kort geleden tot oudsten bevestigd en pastorale medewerkers geworden van een team in een gemeente. Zo mogen zij zich verheugen en blij zijn, omdat zij gehoorzaam zijn geworden aan de wetten van het Koninkrijk Gods in het huwelijk. Wat een getuigenis is dat voor de hedendaagse samenleving. Als we Zijn wil kennen en doen, dan is God de God van schitterende cadeaus!

 

 

Herberg ‘De Gemeente’ door Froukje Huis

Nauwelijks is de laatste hoefslag van de schimmel van Sint Nikolaas weggestorven, of men haast zich over te schakelen naar ‘kerstmis’. In de etalages ijlt de kerstman in zijn slee door het besneeuwde landschap. De kerstboom staat opgetuigd met ballen en slingers, elk jaar weer anders en mooier dan ‘t vorige. De restaurants hebben hun kerstmenu al klaar en ze proberen in hun advertenties de cliënt te winnen met hun intieme zaaltje, hun exclusieve diner of hun boeiende muzikale begeleiding. En wie zich nog een feestelijk kersttoilet wil aanschaffen, is hartelijk wel­kom in één van de vele modezaken, die zich grondig hebben voorbereid op dit feest.

Ook de huisvrouwen laten zich niet onbetuigd bij de voorbereidingen voor het kerstfeest. Het huis moet versierd, het zilver gepoetst, de glazen opgewreven, het menu besproken en de gasten uitge­nodigd, want niets mag de feestvreugde verstoren.

Zo zijn velen bezig alles klaar te maken voor een bijzonder kerstfeest. En ieder van ons zal ook op eigen manier voorbereidingen hebben getroffen om fijne feestdagen te kunnen vieren. Maar… heb­ben we ons ook voorbereid op het wezenlijke van het kerstfeest? Het feest van de geboorte van Jezus Christus, onze Heer en Heiland? We vieren het immers elk jaar. Spreekt het ons nog wel aan? Of is het alleen maar een (goede) gewoonte geworden?

Kortgeleden vergeleek iemand de gemeente met een herberg. Een herberg waarin ieder welkom is en iedereen met liefde wordt ontvangen. (Luc. 02:07) vertelt ons dat er in de herberg in Bethlehem voor Jezus geen plaats was. Hoe is dat bij ons? Wat een vraag! Elke zondag wordt er toch over Hem gepreekt? We hebben voor Hem gekozen, we zijn gedoopt en dan zou er geen plaats voor Hem zijn?

Ja, Hij is zo gewoon in ons leven geworden, Zijn aanwezigheid is ons zo vertrouwd, dat we mis­schien wel eens vergeten, dat Hij onze Gast is en we te weinig aandacht aan Hem besteden. Is Hij het middelpunt van ons leven of… is er bij ons ook alleen maar een plekje in de stal? Regelen we ons eigen leven en mag Hij alleen er Zijn goedkeuring aan geven? Kom, kom, is dat niet wat over­dreven? Misschien wel, maar laten we onszelf eens onderzoeken hoe groot Zijn plaats in ons leven is. Immers hoe groter Zijn plaats, des te rustiger en zekerder zal ons leven verlopen. Als wij in vol vertrouwen ons overgeven aan Zijn leiding, zullen we in onze wandel op Hem lijken en daarnaar strekken we ons allen toch uit?!

Jezus stond klaar voor ieder die tot Hem kwam. Zo zullen wij als gemeente klaar staan voor ieder die bij ons komt om van Hem te horen. Als Hij ons leven vervult, zullen we echt als gemeente ‘her­berg’ zijn, waar iedereen troost en heil zal kunnen vinden. Gezegend kerstfeest!

Froukje Huis

1995.11 nr. 375

Levend geloof 1995.11 nr. 375

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Ieder nummer van Levend Geloof wordt met grote zorgvuldigheid samengesteld. Dat wil zeggen, wij proberen de doelstelling van ons blad ‘de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk’, door een zo duidelijk mogelijke uitleg gestalte te geven. Daarbij gaan wij er van uit dat ook buitenstaanders moeten kunnen begrijpen waarom het gaat. Uiteraard zijn sommige artikelen meer bestemd voor hen die geestelijk gegroeid zijn tot volwassen christenen, ter­wijl andere artikelen eenvoudiger van aard zijn, omdat zij bestemd zijn voor jonge christenen of voor hen die nog geen weet hebben van het evangelie. Door de verschillende medewerkers van ons blad, met verschillende achtergronden, vindt er een veelzijdige belichting plaats van de vele facetten van het evangelie. Hoewel allen die meewerken aan ons blad als basis van hun geestelijk leven het volle evangelie kennen en belijden, betekent dit niet dat er op minder belangrijke onderdelen altijd exact hetzelfde gedacht en geschreven wordt. Wij gaan uit van de mondigheid van onze lezers en lezeressen om dit te kunnen onderscheiden. Zelf zijn we ook in ontwikkeling en wij twijfelen er niet aan dat op vele punten in de komende tijd, door Gods Geest, nog meer openbaring zal komen, wat wij dan weer doorgeven in het blad.

Wel proberen wij voortdurend op onze hoede te zijn niet toe te geven aan de vele verleidingen die er in deze tijd op ons afkomen om een ‘andere koers’ te gaan varen. Er is veel wind van leer in onze dagen en soms zien wij hoe gelovigen die eerst te vuur en te zwaard het volle evangelie verdedigd hebben als hèt evangelie, een andere richting uitgaan. Onbegrijpelijk, maar waar. Ter geruststel­ling voor iedereen die ons blad leest: wij zijn niet van plan hun voorbeeld te volgen! Waarom zouden we de hoge weg die de Heer in Zijn grote liefde voor ons geopend heeft verlaten en er surrogaat voor in de plaats gaan stellen? Er is maar één weg die wij willen blijven bewandelen en over die weg blijven we schrijven in Levend Geloof. Dat is de weg die Jezus en de apostelen ons toonden: de weg van Gods heerlijkheid. Op deze weg komen we geen teleurstel­lingen of onaangename verrassingen tegen, omdat ze haar basis vindt in de hemel vanuit de troon van God. Wie deze weg met ons blijft bewandelen zal dagelijks ervaren hoeveel blijdschap en zeker­heid dit met zich meebrengt en hoe God ons deelgenoot maakt van Zijn veelzijdige geestelijke rijkdom. Een rijkdom die we niet voor ons zelf willen houden, maar waarvan wij ook graag anderen deel genoot willen maken!

 

De tijd voor overwinning G. J. R. Doornink

(Lees vooraf Heb. 12:04-13).

Over strijd en overwinning is al heel wat gezegd en geschreven. Duizen­den preken en publicaties zijn in de loop der jaren aan dit onderwerp gewijd. Het raakt dan ook de kern van ons geestelijk functioneren in het plan van God. Wie zich richt op het einddoel, dat is de ‘gelijkvor­migheid aan het beeld van Jezus’ (Rom. 08:29), wat Gods bedoeling is, heeft er dag en nacht mee te maken. Er is geen verlof tijdens de strijd, zegt de Spreukendichter.

Is dat niet een beetje te overdreven voorgesteld? Moeten we nu altijd maar bezig zijn met dit onderwerp verder uit te diepen? Brengt dat niet een soort onruststemming teweeg, waardoor uiteindelijk datgene wat we bereiken willen -de overwin­ning-juist helemaal niet bereikt wordt? Waardoor we het hoofd in de schoot gaan leggen en bij onszelf denken: je kan me de pot op, ik geeft het op, ik zie wel hoe alles verloopt…

Laten we het onderwerp eens rustig onder de loep nemen, zoveel moge­lijk facetten belichten, opdat we dan hopelijk tot de conclusie komen: nee, de geestelijke strijd waarbij ik betrokken ben is geen hopeloze aangelegenheid, geen strijd die altijd in de nederlaag eindigt, maar is wel terdege van grote geestelijke waarde, van het allergrootste belang voor ieder kind van God.

Jezus is overwinnaar! En wij dan?

Het is goed om eerst eens af te rekenen met een bepaalde foutieve gedachte die ook bij echte kinderen Gods soms post heeft gevat. Er wordt dan gezegd en geloofd: Jezus is overwinnaar, dus ik hoef niet meer te overwinnen.

Jezus is ons grote Voorbeeld. Maar in de eerste plaats is Hij onze vol­komen Verlosser naar geest, ziel en lichaam. Hij heeft aan het kruis van Golgotha eens en voor altijd voor onze zonden betaald met Zijn bloed, met Zijn leven. Dat staat voorop. Zo lag het in het plan van God opgeslo­ten, zo werd het uitgevoerd. Hij was de enige Zoon van God die dat heeft volbracht. Dat hoefde en hoeft nie­mand anders te doen.

Paulus zegt, in (Rom. 06:10), dal Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven is.

En wanneer in Hebreeën 7 en 8 de geestelijke betekenis van de priester- en tempeldienst uit het Oude Ver­bond wordt uitgelegd, lezen we in (Heb. 07:27) dat Hij, niet als de hogepriesters, van dag tot dag eerst offers voor zijn eigen zonden behoefde Ie brengen en daarna voor die van hot volk, maar “dit laatste heeft Hij eens voor altijd gedaan, toen Hij zichzelf ten offer bracht”  

(Heb. 09:11-12; Heb. 10:10). De eerste grote nederlaag leed de duivel aan het kruis van Golgotha. Toen Hij het uitriep: ‘Het is vol­bracht!’, werd daarmee de macht van satan door Hem verbroken. Daar weet Paulus zo’n prachtige definitie van te geven in (Kol. 02:15), als hij schrijft: “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoon­gesteld en zo over hen gezege­vierd”. De duivel werd openlijk vernederd, hoewel Zijn totale afgang, zoals in het laatste Bijbelboek beschreven, nog moet plaatsvinden, werd Hem de eerste verpletterende nederlaag toege­bracht. En alle andere nederlagen die hij nog moest en moet onder­gaan liggen in het verlengde hier­van.

Onze taak in de overgangstijd

We leven nu dus nog in een over­gangstijd. En in die overgangstijd zijn u en ik, die behoren tot de gemeente van Jezus Christus, geroepen om ook te overwinnen. Daarom kunnen we stellen dat deze overgangstijd een tijd van overwin­ning behoort te zijn.

Weet u, als je daarover na gaat denken, wat ik zo geweldig vindt? Dat die overgangstijd er is! Niet dat God ons daarmee wil plagen of een spelletje met ons speelt (dat doet de duivel met zijn valse spelletjes en manipulaties). Maar juist omdat Hij ons zo lief heeft, omdat Hij zo ont­zettend veel van ons houdt, worden wij in deze overgangstijd omge­vormd, zoals vanaf het begin in Zijn bedoeling lag, naar Zijn beeld en gelijkenis: volmaakt en goed.

Dat is de ‘tuchtiging’ waarover in de Hebreeënbrief geschreven wordt. God wil geen bastaarden van ons, maar zonen. Hij behandelt ons als zonen, met andere woorden: daar gaat Hij al van uit.

Hoe komt het toch dat zoveel kin­deren Gods moeite hebben met dat woord ‘tuchtiging’? En als dan ook nog gesproken wordt over ‘bestraf­fing en kastijding’, is helemaal het hek van de dam. Dat kan niet, wordt er dan opgemerkt, zie je wel dat God niet enkele goed is…

Meestal komen deze gedachten en uitspraken voort uit een natuurlijk, ongeestelijk denken. Je moet er eens op letten hoe het woord ‘tuchtiging’; in bepaalde christelijke groepen nog letterlijk wordt opgevat als slaan, klappen krijgen, etc. Terwijl hier juist overduidelijk de geestelijke betekenis onder woorden wordt gebracht.

De tuchtiging van de ‘vaders naar het vlees’ wordt gesteld tegenover de tuchtiging van de ‘Vader der geesten’ (Heb. 12:09).

De geestelijke tuchtiging, waar elk kind van God mee te maken heeft, heeft uitsluitend en alleen ten doel ons volkomen los te maken van het rijk der duisternis en ons één te maken met de Vader en Zijn Zoon Jezus Christus. (“… opdat wij deel verkrijgen aan Zijn heiligheid” – vs. 10b).

Je kunt daarom ook stellen dat deze tuchtiging bedoeld is om de duivel los te weken van zijn aanklevingen en infiltraties in ons leven. God zegt heel simpel: Satan hoort niet bij je, je hoort bij Mij, je bent en gekocht en betaald door Mijn Zoon. Denk daar nu eens over na. Bovendien brengt zij een ‘vreedzame vrucht’ voort, zegt vers 11. En we willen toch graag vruchtdragers zijn?

Dan lezen we in vers 12 en 13: “Hef dan de slappe handen op en strek de knikkende knieën, en maakt een recht spoor met uw voeten, opdat hetgeen kreupel is niet uit het lid gerake, doch veeleer geneze”.

Onze geestelijke wapens

In de strijd die we hebben te voeren tegen de vijand mogen we gebruik maken van de geestelijke wapens die ons ter beschikking staan.

Paulus schrijft in (2 Kor. 10:03-04): “Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strijde naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken…”

Hier vergelijkt Paulus de geestelijke strijd met een veldtocht. Hij gebruikt voorbeelden uit het natuurlijke le­ven, al zegt hij er meteen al bij dat wij geen vleselijke strijd hebben te voeren.

Een kind van God dat een vleselijke strijd voert is dus totaal verkeerd bezig. Hij kan zich ook niet beroe­pen op het Oude Testament, waar heel wat geschreven over vleselijke strijd. Want we leven nu niet meer in de tijd van het Oude Testament.

Ook in de brief aan de Efeziërs spreekt Paulus op zeer duidelijke wijze over de geestelijke strijd die wij hebben te voeren. (Ef. 06:10-18). Paulus noemt daar een aantal geestelijke wapens die we in de strijd mogen hanteren.

Als in vers 14 gezegd wordt dat ‘onze lendenen omgord dienen te zijn met de waarheid en we bekleed moeten zijn met het pantser der gerechtigheid, terwijl onze voeten geschoeid behoren te zijn met de bereidvaardigheid van het evangelie des vredes, is dit een duidelijke heenwijzing naar het evangelie zoals Jezus dat bracht: het volle evangelie, het evangelie van het Koninkrijk, het evangelie dat voor 100% gerechtig­heid in zich heeft en de volkomen waarheid is.

Belangrijk is, en ik kan het niet na­laten dit ook in dit artikel te bena­drukken, dat als wij zeggen te gelo­ven in Jezus, wij óók behoren te geloven in het evangelie dat Hij bracht. Die twee mogen we nooit scheiden, ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Paulus noemt ook het ‘geloof’ een geestelijk wapen als hij opmerkt dat wij ‘bij dit alles het schild des geloofs ter hand behoren te nemen, waarmee wij al de brandende pijlen van de boze zullen kunnen doven’. Let wel: ‘al de brandende pijlen’. Het is soms niet licht wat de vijand aanricht of probeert aan te richten in ons leven. “Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus” – (2 Tim. 02:03).

Verder spreekt Paulus over het ‘aan­nemen van de helm des heils en het zwaard des Geestes”. Dat is, zegt hij er dan meteen bij, ‘het woord van God’. Nu denken wij bij het ‘woord van God’ meestal aan de Bijbel, zoals wij die kennen. Maar in die tijd was er nog geen sprake van de huidige vorm en inhoud van de Bijbel. Men onderscheidde de Schriften, de boeken van het Oude Verbond, de Thora (wet) en de profeten. Vooral de Farizeeën en Schriftgeleerden hanteerden deze als ‘wapen’ om macht over de ander te kunnen uitoefenen. Men legde het volk wetten op die men zelf niet nakwam.

Het zwaard des Geestes

Bij de ‘woorden Gods’, mogen we vooral ook denken aan de woorden die Jezus sprak, in opdracht van de Vader. Levende woorden van kracht en overwinning, woorden waaraan de duivel een ontzettende hekel had en er voor op de vlucht ging.

Deze woorden hebben ook vandaag ten volle zeggings- en overwinningskracht in zich. Dat geldt trou­wens ook voor de woorden die Jezus niet uitgesproken heeft, maar die we onder de leiding van de Geest, in Nieuwtestamentisch licht mogen lezen. (‘Het zwaard des Geestes…’). Daarom mogen we ook handelen in de Naam en autoriteit van Jezus. Hij heeft ons die be­voegdheid gegeven.

En dat brengt ook met zich mee dat we mogen geloven in de overwin­ning. We strijden geen strijd waarbij we maar af moeten wachten hoe het uitpakt, maar onze strijd is een over­winnende strijd.

Het gebed als wapen, in de strijd

Paulus spreekt ook nog over het ge­bed. Wat is bidden? Bidden is pra­ten met God, op een intieme wijze gemeenschap met Hem hebben. Jezus zocht veel contact met de Vader. Dikwijls zocht Hij eenzame plekken op om dit contact te ver­nieuwen. Hij is ook daarin een groot voorbeeld voor ons.

Bidden heeft niets met ‘prestaties’ te maken. Ik ben wel eens bang dat veel gebed activiteiten die vandaag georganiseerd worden, als achter­grond de gedachte in zich hebben dat de Heer als een soort beloning voor onze inspanning antwoord gaat geven. ‘We hebben toch maar de hele nacht doorgebeden…’ En dus zal de Heer deze prestatie (we heb­ben onze nachtrust toch maar op­geofferd) wel gaan beantwoorden. Zo werkt het natuurlijk niet. Bidden is primair een zaak van het hart. (2 Kron. 16:09).

Bidden is echter ook, en dat brengt Paulus naar voren, een wapen in de geestelijke strijd. Vers 18 is heel duidelijk: “Bidt daarbij met aanhou­dend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen”. Hier wordt duidelijk gesproken over het bidden ‘in de Geest’, waarbij wij veelal denken aan het bidden in tongen. Al kan ook een gebed met verstaanbare woorden toch een ge­bed ‘in de Geest’ zijn. Nogmaals, het belangrijkste is of ons hart erbij betrokken is.

Als wij ons ‘richten op het eind­doel’, betekent dit dat we betrokken zijn bij de geestelijke strijd. Dat zijn we ons bewust, niet voor een klein beetje, maar geheel en al.

Maar het betekent ook dat niet, ne­derlaag’ maar ‘overwinning’ ons deel mag zijn. Als het er op aan­komt is de geestelijke strijd niet iets wat ons naar of hopeloos maakt, maar intensiveert het ons zoon­schap. Het maakt openbaar dat wij zonen Gods zijn. God wil immers geen bastaarden, maar zonen. Zonen die zich openbaren door overwinnaar te zijn en zo mede invulling gaan geven aan Zijn grote plan tot herstel en voltooiing van Zijn schepping!

 

Oneliners redactie

-Ga je in galop of in geloof?

 

-Religies van de aarde zijn slaapmiddelen.

 

-Als je van mensen houdt lijk je op God.

 

-Wie een bron is heeft nooit dorst.

 

-Zeewater is ondrinkbaar.

 

-Een dienaar des woords is geen heerser met woorden.

 

Dienstbaar op aarde en in de hemel door Cees Maliepaard

– De hemelen –16-

“Slaven, weest uw heren naar het vlees gehoorzaam met vrezen en beven, in eenvoud uws harten, als aan Christus. Niet met ogendienst, als mensen behagers, maar door als slaven van Christus de wil Gods van harte te doen, en bereidwillig dienstbaar te zijn aan de Heer en niet aan mensen. Gij weet immers dat een ieder, hetzij slaaf, hetzij vrije, al het goede wat hij gedaan heeft, van de Heer zal terugontvangen.

En gij, heren, handelt evenzo jegens hen: laat het dreigen na. Gij weet immers dat hun en uw Heer in de hemelen is, en bij Hem is geen aanzien des persoons” (Ef. 06:05-09).

Gehoorzaamheid speelt niet enkel een rol in de verhouding tussen ouders en kinderen, maar evengoed in de relatie tussen werkgevers en werknemers – zij het dat het in de tijd van Paulus doorgaans slaven en hun eigenaars betrof.

Gewillige slaven

De slavernij zoals die in de tijd van de Bijbel (en nog lang daarna) als volkomen normaal gezien werd, kennen we heden ten dage niet meer. Lijfeigenen zijn in onze maatschap­pij ondenkbaar, hoewel er nog vele situaties in de wereld zijn waarin mensen volslagen onderworpen zijn aan hen exploiterende soortgenoten. Onderdrukking, vrijheidsberoving en het monddood maken van politieke tegenstanders, komt vandaag de dag nog veelvuldig voor, maar dat is een gegeven dat buiten het kader van deze uiteenzetting valt. Werknemers zullen hun patroon in eenvoud van hart dienstbaar zijn. Niet op een kruiperige manier, want ogendienst op aarde voor christenen die hemels denken, is letterlijk uit den boze! Wanneer iemand een baan heeft, zal zijn inzet in dat functioneren als aan Christus dienen te wezen – en Paulus gaat er dan vanuit dat onze inzet aan Christus optimaal zal zijn. Wanneer het in-Christus-bezig- zijn op een laag pitje staat, zal ons leven met Christus in de hemel hoogstens zachtjes wat voortsud­deren, waardoor we dus langzaam maar zeker van de kook raken en het ‘vurig van geest zijn’ niet langer op ons van toepassing is.

Wanneer onze relatie met Jezus een open relatie is, die doorwerkt in alle facetten van ons leven, is dat een juiste indicatie van hoe onze instel­ling naar onze aardse patroon zal wezen. Met dien verstande, dat onze verstandhouding met de Heer alles­omvattend is, terwijl die met onze broodheer alleen zaken betreft die uit onze arbeidsrelatie voortvloeien. In elk geval is de mens Gods ook in zo’n positie volledig betrouwbaar. Als we het beeld Gods in ons leven dragen, heeft dat immers consequenties voor alle levensterreinen – dat kan gewoon niet anders!

Slaven van Christus

De mens Gods is te allen tijde dienstbaar aan Christus. Dat geldt voor mensen die een baan bekle­den, maar in precies dezelfde mate voor hen die betrekkingen in de wereld te vergéven hebben. Werknemers dienen hun werkgever met respect te behandelen en ge­trouw te dienen, zoals ze dat Christus zouden doen. Niet omdat een werkgever gezien z’n maatschappe­lijke positie in een vergelijkbare situatie als de Christus verkeert, maar omdat respect voor andere mensen als vanzelfsprekend voortvloeit uit de gezindheid van de Christus – want mensen zijn immers beelddragers van God!

Daarom zal een werkgever hetzelfde respect voor z’n werknemers heb­ben, wetende dat er bij onze God geen ‘aanneming des persoons’, geen voorkeursbehandeling voor natuurlijke of geestelijke leiders is.

Het kan soms een hele opgave zijn, in je baas iets van Gods beeld te ontdekken – hij kan immers volslagen uit de pas met de Christus lopen! Net zo goed kan het voor een werkgever ontzettend moeilijk zijn, het beeld van Christus in z’n perso­neel te herkennen, want er zijn er bij die zich in het arbeidsproces zoveel mogelijk proberen te drukken.

Maar als het ons ernst is, onze plaats in de hemel in te nemen, zullen we allereerst moeten weten slaven van Christus te zijn. Een slaaf is door zijn eigenaar gekocht en is daarmee diens onvervreemdbaar eigendom geworden. Zo ook heeft Jezus ons voor de Vader gekocht (Openb. 05:09). We zijn eigendom voor eeuwig en daaruit zullen we dan ook leren leven.

Jezus heeft geen enkel vrij mens tot slaaf gemaakt; Hij heeft daarente­gen Satans menselijke slaven uit diens onderdrukkende slavernij vrijgekocht en verheven tot ‘slaven van Christus’, dat wil zeggen tot mensen die de Vader en Hem uit vrije wil dienen. Jezus stelt mensen in de vrijheid (Satan heeft geen enkel recht meer op hen) en nodigt ze dan uit om de door Hem gebaande weg naar en in de hemel van Gods Rijk te volgen. Niemand wordt daartoe gedwongen. Hij staat aan de deur en Hij klopt om binnengelaten te wor­den.

Het is ieder mens voorbehouden zelf de deur van het hart te openen. Pas dan zal Hij binnenkomen (Openb. 03:20). Hieruit volgt dat elke slaaf van Christus een vrij mens is, die vanwege een hart beslissing dienstbaar is aan Jezus en aan de hemelse Vader.

Vaders wil is wet…

Wat de Vader wil, is een slaaf van Christus zonder meer tot levenswet. Het is dan ook zaak dat iedereen met de wil van de Vader op de hoogte is, anders zou je er wel eens volkomen naast kunnen zitten.

Wat wil de Vader dan van ons? Wat anders dan dat wij een totale loute­ring ondergaan.

Zoekt Hij daarvoor mensen die met levensgrote schuldcomplexen zijn blijven zitten? Ja, onder anderen – maar niet om ze daarmee te laten zitten. Hij zoekt mensen die achter alle zonden en schuldgevoelens een definitieve punt willen zetten. Ieder die gelooft dat Jezus voor de zonden der mensen is gestorven, dat Hij voor al onze ongerechtigheden met Zijn leven heeft betaald, is daarmee vrijgekocht uit de macht van Satan en diens zondemachten.

We zijn derhalve geen zonde-slaven meer, die tot overtredingen geprest worden, maar vrijgekochten des Heren, die door Hem liefdevol in Zijn dienst geroepen zijn. Wanneer een slaaf in vroeger tijden het waagde ‘nee!’ tegen z’n meester te zeggen, tekende hij daar het eigen doodvonnis mee, want z’n eigenaar liet hem of haar doodgemoedereerd liquideren. Als iemand van ons Jezus de dienst opzegt, zal Deze hem ongetwijfeld laten gaan – precies zoals Hij dat deed bij de rijke jongeling. Op het zich onttrekken aan de dienst aan onze rechtmatige eigenaar, Jezus Christus, staat geen enkele represaille zijnerzijds. Er komt dan echter wel een ander reëel gevaar om de hoek kijken: onze oude eigenaar (de duivel) duikt vroeg of laat weer op. En hi j probeert ons dwangmatig weer onder zijn supervisie te krijgen, met alle negatieve gevolgen van dien!

God de Vader wil dat wij aan Zijn plan beantwoorden, en dat is dat we vrijwillig, vanuit ons hart, met de dingen van Zijn Koninkrijk bezig zullen zijn. Vandaar dat Jezus Christus geen te ketenen galeislaven zoekt, maar slaven die Hij zijn vrienden noemen kan, omdat ze (net als Hij) bedacht zijn op wat de Va­der van meet af aan voor ogen stond: mensen die volkomen gaaf Zijn beeld dragen. Dat zijn dus men­sen die niet met één of andere wet in het gareel gehouden moeten worden, die de Vader der lichten dienen om­dat zij bang zijn voor Zijn immer straffende hand, maar die integen­deel vanuit de kern van hun wezen verlangen het goede, het Gode wel­gevallige in volheid te openbaren.

Zalig de slaven die geleerd hebben zó bezig te zijn in de hemel en op de aarde.

 

De gelijkenis van de onnutte slaven door Duurt Sikkens (Luc. 17:07-10).

Onder de vele gelijkenissen die Jezus verteld is er één, die weinig bekend is geworden. Alleen Lukas heeft hem opgeschreven: de gelijke­nis van de onnutte slaven.

Een merkwaardige gelijkenis, waar ook nogal van elkaar verschillende commentaren op zijn geleverd. Volgens de ene commentaar klopt er iets niet in deze gelijkenis. In een oud Syrisch handschrift mist men het woord ‘onnut’ (vs. 10), volgens een ander klopt het wel: wij zijn slaven en alles wat wij (moeten) doen is nog met zonde bevlekt. Daarom vindt men het woord ‘on­nut’ op zijn plaats. Onnut, nutte­loos, waardeloos.

Het woord ‘onnut’ komt ook in een andere gelijkenis van Jezus voor. In die van de talenten (Matt. 25:14) wordt ook over een onnutte slaaf gesproken (vs. 30). In de grondtekst wordt hetzelfde woord gebruikt als in de gelijkenis in Lukas en eigenlijk betekent het gewoon ‘onbruikbaar’.

Het evangelie dat wij hebben leren kennen is een evangelie van heerlijk­heid. God zoekt gemeenschap met de mens en wil hem zelfs een plaats geven op zijn troon. Hij maakt de mens tot koning en priester. Steeds ontdekken we nieuwe schatten. Als je dan deze gelijkenis leest, dan lijkt die in tegenspraak met alles wat we ontdekt hebben.

Alleen door de juiste sleutel te han­teren komen we achter de bedoeling van Jezus’ woorden. En die sleutel is: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis!

Wat zijn slaven?

Een slaaf is geen vrij man, maar hij behoort een ander toe. Hij mag niet doen of laten wat hij zélf wil, maar heeft zijn heer te gehoorzamen, goedschiks of kwaadschiks. Een slaaf moet dwangarbeid verrichten.

Een slaaf heeft geen inzicht in de plannen van zijn heer (Joh. 15:05).

Op twee manier kan iemand slaaf worden: door krijgsgevangenschap of door zich zelf te verhogen.

Als iemand krijgsgevangen wordt gemaakt wil dat zeggen dat er mach­ten zijn die sterker zijn dan de mens. Dat kunnen verschillende soorten machten zijn:

Ziektemachten. De mens krijgt wat die geest heeft want die geest wil één met de mens worden. Dan wordt de mens ziek.

Zondemachten. Ze werken op dezelfde manier. De geest probeert door pressie of door verleiding (veel sluwer) de mens te laten zondigen. Soms wéét iemand niet eens dat hij zondigt. Daaraan herken je een slaaf. Die weet immers niet wat zijn ‘heer’ doet. Een wie belijdt dat hij een slaaf is, belijdt daarmee tevens dat hij zijn ‘heer’ niet kent.

De heer die boven hem staat zet hem onder druk. Dat is altijd werk van een boze geest. God gebruikt nooit pressie! Die boze geest noemt zich vaak God. Wie daar geen inzicht in heeft, gelooft dat, en gaat God din­gen toeschrijven die niet van Hem zijn. Zo ontstaat een valse leer.

Jezus waarschuwt in dit verband: “Velen zullen komen in Mijn Naam” (Matt. 24:05). De naam Jezus is dan het masker van een boze geest. Daarom beproeven wij de geesten, of zij uit God zijn. Geen enkele boze geest laat immers zijn ware aard zien. Pas als ze in het licht komen worden ze ontmaskerd. Jezus heeft hen aan het kruis open­lijk tentoongesteld. Hun ware aard kwam boven toen ze Hem bespotten en tegen Hem schreeuwden. Vóór die tijd noemden ze Hem ‘Rabbi’, of ‘Goede Meester’. Door vleierijen wilden ze Hem ten val brengen. Maar Jezus had ze door. Hij liet Zich niet verleiden. Daardoor werd het Hem mogelijk om hen te bevrij­den, die tot slavernij gedoemd waren (Heb. 02:15).

Moeilijker wordt het iemand los te kopen die zichzelf verkocht heeft.

Waardoor kwam de mens in slavernij?

De mensheid is in slavernij geko­men. Waardoor kwam dat? De profeet Jesaja zegt: “Uw ongerech­tigheden zijn het die scheiding brengen” (Jes. 59:02).

Hoe kan iemand onder dat slavenjuk uitkomen? Door te breken met de ongerechtigheid en de gerechtigheid Gods aan te nemen. Jezus heeft de prijs betaald, want Hij heeft Zijn leven gegeven als een losprijs voor allen (1 Tim. 02:06). Wanneer je door de Ware bent vrijgekocht ben je werkelijk vrij.

Door ongerechtigheid verkocht, maar door gerechtigheid terug­gekocht! Zo komt iemand weer in het huis van de Vader. Niet als slaaf, maar als zoon!

Het volk Israël was in Egypte in slavernij. Toen ze totaal uitgeput waren (geen leger, geen wapens, geen identiteit, zelfs geen gods­dienst) beloofde God: “Ik zal u uitleiden, uit het diensthuis!”. En Hij leidde hen uit door ‘Zijn sterke arm’, dat betekent: door de heilige Geest. Zo werden ze vrij van slavernij. De Geest overtuigt van gerechtigheid, In (Jer. 02:14) staat: “Is Israël een slaaf? Is hij een onvrij gebore­ne?” Het antwoord op deze retori­sche vraag is: ‘Natuurlijk niet!’. God beschouwde hen niet meer als slaaf, maar als vrijen.

Laatje daarom als geestelijk Israël ook geen slavenjuk meer opleggen. Dat deed de Heer ook niet bij Zijn discipelen. Slechts één gebed gaf Hij hen (en ons): “Hebt elkander lief!”. Dat is geen zware last.

De slaven uit de gelijkenis

In de dagen van Jezus’ aardse leven waren de Farizeeën en Schriftgeleerden de geestelijke leidslieden van het volk. Zij zijn te vergelijken met de slaven die op de akker werken. Of het vee hoeden. De herders van de kudde Gods. De arbeiders in Gods wijngaard. Ezechiël profeteerde al tegen zulke herders: “Ik zal die herders!”. Ze deden het namelijk niet goed. Zonder het te weten hadden ze zichzelf verkocht. Ze waren slaven geworden. Slaven der wet!

De wet was wel goed, maar ze hadden er talrijke nieuwe wetten bijgemaakt. Lasten die ze anderen oplegden en zelf met geen vinger aanraakten (Luc. 11:46). De duivel had zich meester gemaakt van de wet en “door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men” (2 Petr. 02:19; Romeinen 8). De Farizeeën waren zijn spreekbuis geworden. Zij waren ‘slaven die hun medeslaven gingen slaan’! Zij wisten niet wat hun heer deed. Zij zagen niet dat ze overheerst werden door boze geesten die niets liever doen dan slaan en pijnigen. Wees daarom ook waakzaam in de gemeente, dat de één niet over de ander gaat heersen of wetten op gaat leggen.

Wij zijn niet geroepen om te slaan, maar om te troosten. Breng daarom het woord ook niet ‘vlijmscherp’, dat wil zeggen niet sarcastisch of’ dreigend. Maar tracht, door alles heen, de ander te behouden!

De Farizeeën deden alles wat de wet voorschreef. Zij waren naar de wet onberispelijk. Dat lijkt heel wat, maar Jezus zegt tegen Zijn disci­pelen: “Als jullie gerechtigheid niet méér is dan die van de Farizeeën zal je het Koninkrijk der hemelen voor­zeker niet binnengaan!” (Matt. 05:20).

Bedoelde de Heer dat zij nog nauw­keuriger de wet moesten naleven? Nee, want de Farizeeën en Schriftgeleerden stonden door hun gerech­tigheid buiten het Koninkrijk Gods (Filip. 03:09). Het was namelijk een gerechtigheid van de aarde. Ze moesten het hebben van werken der wet en die tellen niet mee in de hemel.

Het ‘werken aan jezelf heeft overi­gens weinig te maken met geloof in de genade Gods die je aan je laat werken. Elk ‘heilig moeten’ is uit den boze, want het gaat ten koste van jezelf. Je lijdt schade aan je ziel. Wat de Farizeeën en Schriftgeleerden deden, deden ze uit plicht. En de Heer zegt: “Dat heb Ik niet ge­vraagd”. Ze dienden een andere heer en vergaten het belangrijkste van de wet: de barmhartigheid!

In Johannes 8 zegt Jezus tegen de leidslieden: “De waarheid zal je vrij maken”. Daaruit blijkt dat ze niet vrij waren. Al beriepen ze zich er op kinderen van Abraham te zijn, ze deden diens werken niet. Abraham geloofde God. Zij verwierpen Zijn Zoon. Daarom zegt Jezus: “Je hebt de duivel tot vader!”

Slavendrijvers in onze dagen

Niet alleen in Jezus’ dagen, maar ook in onze tijd kennen wij van die slavendrijvers: het zijn valse leringen die de mensen opjutten en onrustig maken.

Zo’n valse lering, waar heel wat gemeenten mee te maken hebben, is de uitverkiezingsleer van Calvijn. Vooral in Nederland, Zwitserland, Frankrijk, Amerika en Zuid-Afrika heeft deze leer enorme schade aan­gericht. De kern daarvan is: ‘Wij zijn allemaal zondaars, maar ge­rechtvaardigd!’. Dat kan niet. Dat is een innerlijke tegenstrijdigheid, waaruit blijkt dat Calvijn de Schrift niet heeft gekend, noch de kracht Gods. Want de mens is óf een zondaar, óf een rechtvaardige. Een tussenvorm bestaat niet. Het resul­taat van deze leer is dan ook angst, vrees en onzekerheid. Want een zondaar kan God niet zien en leven. Men weet niet meer wie God eigenlijk is. Deze leer maakt van mensen slaven der zonde.

Het is geweldig fijn dat we onder die leer zijn uitgekomen. Daarvan zijn vrijgemaakt! Wij zijn nu ook geen slaven meer die een beloning nodig hebben, omdat we zoveel ‘voor de Heer’ doen.

Paulus schrijft daarover in (Rom. 04:04-05): “Hem die werkt wordt het loon niet toegemeten uit genade, maar krachtens verplichting. Hem echter die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid”. Kijk, dat is het.

De oudste zoon, uit gelijkenis van de verloren zoon, wilde ook een belo­ning voor zijn trouwe diensten.

Maar de Vader zegt: “Al het mijne is het uwe!” (Matt. 15:31). Dus niet meer werken! Geen religieuze werken op aarde meer. ‘Veel doen voor de Heer’. Hard of zacht bidden, lange gebeden, nacht- bidstonden, zoveel plichten! Zelfs samenkomsten bezoeken, bandjes draaien of lectuur verspreiden kan een verplichting worden: Je kunt je schuldig voelen als je het niet doet. Stop er dan mee, want de Heer vraagt geen verplichtingen van ons.

Hij zegt in (Joh. 15:15): “Ik noem u niet meer slaaf!” Niet meer, dus eerst noemde Hij hen wel slaaf. En Hij gaat verder: “Om­dat Ik alles wat Ik van de Vader ge­hoord heb, u bekend hebt gemaakt”. Eindelijk kon Jezus gedachten Gods aan Zijn discipelen kwijt. Daarvoor heeft Hij hen eerst moeten vrijma­ken, want gebonden mensen kunnen het Woord Gods nauwelijks begrij­pen. En vaak niet lang bewaren omdat hun oude gedachtewereld de nieuwe weer overwoekerd.

Vrijgekochten

Jezus heeft slaven losgekocht. Hij noemt hen niet meer slaaf, maar vriend! Hij neemt hen mee naar de studeerkamer van Zijn Vader. En de Vader verheugt zich over elke los­gekochte die de Zoon meeneemt. De ex-slaaf wordt ingewijd in de plan­nen van de Vader. Daarin is de Zoon al ingewijd. Hij heeft er vol­komen inzicht in. Daarom is Hij ook waard de zegels van de boekrol te verbreken (Openbaring 5).

En wij, de losgekochten, mogen naast Hem zitten en met Hem mee­lezen wat in de boekrol geschreven staat. Hij wil ons helemaal inwijden, zodat we ook precies weten wat de plannen van de Vader zijn. Hij maakt ons tot medewerkers. Daarom heet Jezus ook: ‘Heer der heren’. Hij maakt ook ons tot heer, tot zoon. Wij hebben immers ont­vangen de Geest van het zoonschap en niet die van slavernij (Rom. 08:15). Een mooi voorbeeld hiervan geeft Salomo in (1 Kon. 09:22).

We hoeven er niets voor te doen. Leef uit Zijn kracht en uit Zijn genade (Rom. 06:14). En durf eens te gaan geloven wat God gelooft! Alles wat uit geloof geschiedt is gerechtigheid. Wat niet uit geloof is, is zonde. Doe je dit toch dan ben je een onnutte slaaf. “De Zoon blijft eeuwigen het huis van de Vader, maar dé slaaf niet” (Joh. 08:35).

Toen het Oude Verbond ophield zijn de slaven uit het huis gegaan. Zij zijn hun heer gevolgd. En in de zichtbare wereld werd de tempel verwoest. Maar in de onzichtbare wereld verrijst een tempel Gods in de Geest. Daar zijn we nu mee bezig, want die tempel moet vol­tooid worden. Wij bouwen daarom door op het fundament Jezus Chris­tus, geleid door de Geest der vrij­heid.

Het einddoel van de onnutte slaaf is de buitenste duisternis. Zij worden daarheen gevoerd door de geesten aan wie zij zich vrijwillig verkocht hebben. Zij tasten dan volkomen in het duister.

Het einddoel van de zonen is het eeuwige leven, het in bezit nemen van de gehele erfenis, waarvan de Geest als onderpand gegeven is. En van die erfenis mogen zij weer uit­delen, zodat de hele schepping vol wordt van de gerechtigheid en de heerlijkheid Gods!

Wees barmhartig en wees vrij om de barmhartigheid van God te openbaren aan de onder de zweep zuchtende schepping. Zó word je, langzaam en zeker, vol van genade en dus van waarheid. Mooi hè?

 

In memoriam Jan Noë door Gert Jan Doornink

Vorige maand overleed op 93 jarige leeftijd broeder Jan Noë uit Scheveningen. Voor de meeste van onze lezers zal deze naam niets zeggen. Voor de oudere lezers echter wel. Jan Noë was namelijk ge­durende vele jaren een bekend medewerker in de Levend geloof arbeid. In mei 1966 verscheen het eerste artikel van zijn hand. Daarna zijn er, tot ongeveer 1982, vele bijdragen van hem verschenen in Levend Geloof. Ook was hij een bekend spreker in verschillende gemeenten in binnen- en buitenland.

Broeder Noë was een evangelist pur sang, vol vuur en bewogenheid ten aanzien van allen die nog buiten Gods Koninkrijk stonden. Een onderwerp wat zijn bijzondere belangstelling had was de bevrijding van demonische gebondenheid. Nu hij zijn intrek bij de Heer heeft genomen, denken wij met dankbaarheid aan hem terug.

Om een indruk te geven hoe hij schreef nemen wij uit het eerste artikel, wat van hem in Levend Geloof gepubliceerd werd (mei 1966), het laatste deel over. Hij schreef: “Ons geestelijk ontvangststation dient steeds op de juiste wijze te zijn afgesteld, opdat we duidelijk Zijn slem horen. Ik heb ‘Zijn stem’ gecursiveerd, omdat satan een goede inspi­rator is en er altijd op uit is om ons op een zijspoor te rangeren. Zouden wij iets doen, wat niet volgens Zijn wil is, dan zal Zijn Geest ons dit openbaren en moeten wij er onmiddellijk mee ophouden.

Als we in zo’n verhouding tot Hem staan, dan is ons leven, een leven vol vrijheid, blijheid en heerlijkheid en zoeken en bedenken wc de dingen, die boven en niet die op aarde zijn, en zullen we door de Geest het spoor houden.

Ons leven is verborgen met Christus in God. En allen die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods (Rom. 08:14). Halleluja!

 

Weten, geloven, beleven (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Te weten: God, Uw liefde is daar
voor alle, alle mensen,
wat zij ook doen of wensen:
U wacht op hen, staat voor hen klaar!

 

Te weten: Jezus, Hij verlost!

Hij stierf voor alle zonden,
maakt vrij wie is gebonden,
Zijn léven heeft het Hem gekost!

 

Te weten: Als ik Jezus ken,

Ontdek Zijn Godd’lijk Wezen,
Dan hoef ik nooit te vrezen,
omdat ‘k in Hem geborgen ben!

 

Mijn wéten werd gelóven,
Zijn wet geschreven in mijn hart,
Zijn Geest vertroost, als satan tart,
Mijn vreugde is niet te roven!

 

 

 

Weten, geloven, beleven door Tea Keuper Dijk

Weten…, geloven… Moet dat nou niet andersom? Geloven wordt toch weten? Geloven heeft in het natuurlijk-, en helaas ook vaak in het geestelijk ‘gebruik’ een verkeerde betekenis gekregen. Als we zeggen: ‘Ik geloof het wél’, dan drukt dit een onzeker- uit: je bent er niet zeker van.

In Bijbelse zin betekent geloven iets veel positievers. (Heb. 11:01) zegt: “Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt en het bewijs der dingen, die men niet ziet”. Heel hoofd­stuk 11 gaat over het geloof, waarin en waaruit veel mensen hebben geleefd. Zij wisten wat God had gezegd en beloofd. En zij geloofden!

Ik kan veel weten over wat er in de Bijbel staat, maar God vraagt gelóóf: “Wie tot God komt moet gelóven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken” (Heb. 11:06b).

Mijn wéten werd inderdaad ge­lóven en van daaruit beléven dat God een vertroostend, helend en bemoedigend God is. Hij voedt mij op door Zijn heilige Geest en dat gaat vaak met strijd gepaard. Strijd tegen Gods vijand, die zijn prooi niet gemakkelijk prijsgeeft.

Maar God is machtiger en Hij is vol liefde! Hem te leren kennen door Zijn Woord is wat mij overtuigt: Ik heb het nieuwe, eeuwige leven in mij! Daarom is mijn vreugde niet te roven! Halleluja!

 

 

Vol verwachting door Tineke Annotee

 

“Wees blij, want God gaat iets ge­weldigs voor u doen. Geef niet op als u het erg moeilijk krijgt en houd nooit op met bidden. Help de gelo­vigen die tegenslag hebben en doe altijd uw best om gastvrij te zijn” (Rom. 12:12-13 uit Het Boek).

Onze God is een God die ploegt in hope. Zijn geloof houdt Zijn ver­wachting altijd levend, want zijn geloof werkt door Zijn goddelijke liefde. God heeft de waarheid lief.

En die waarheid vinden wij in de persoon Jezus Christus: een mens Gods, tot ieder goed werk vol­komen toegerust. En in navolging van Jezus Christus mogen wij ook zo worden.

Ondanks alles wat negatief of teleurstellend op God zou overkomen, blijft Hij toch altijd vol ver­wachting, waar het ons betreft.

Deelgenoten

Deze God van liefde, geloof en verwachting heeft zichzelf aan ons meegedeeld. Met de bedoeling, dat wij voor het leven gaan delen in Gods liefde, geloof en verwach­ting. En door Jezus is dat weer helemaal binnen ons bereik ge­bracht.

Wij hebben Christus, de hoop der heerlijkheid, in ons leven! Daarom geloven wij dat wat God in een ieder van ons heeft neergelegd, er ook volledig uit gaat komen. Onze God verwacht en gelooft het. Zullen wij het dan niet verwachten en geloven?

Door ons geloof zullen wij kunnen ontvangen wat God belooft. Wij zullen ten volle gaan begrijpen wat Hij in ons gelegd heeft. God is voor ons. Wie zal dan nog tegen ons zijn? Hij is mededeler van al het goede en hierbinnen kunnen wij alles ‘ontzenuwen’ dat het leven van God tegengaat.

Omdat we in blijde verwachting zijn van onze toekomst in God, ervaren we rust en vrede. We weten immers: het Koninkrijk van God is in ons, is in de gemeente gevestigd. Alles is ons ter beschik­king gesteld om aan het Koninkrijk van God te bouwen.

We zullen vergeten wat achter ons ligt en ons uitstrekken naar hetgeen voor ons ligt. In die verwachting levend, ontvangen we blijdschap en openheid om ons te kunnen uiten in aanbidding en lofprijzing voor onze God.

Volharding

Dit alles houden we vast als er verdrukking komt. We houden het uit in de vuurgloed der beproe­ving. We accepteren de verdruk­king, we accepteren de strijd. En we verheugen ons, vanuit geloof, liefde en we verwachting die we hebben, in de heerlijke toekomst die ons te wachten staat.

Dan zien we niet op teleurstel­lingen en tegenslagen, maar op wat God bij machte is te doen, en zo zijn we dan ook in staat om te volharden in gebed. Met een goddelijke liefde, vol geloof en verwachting en alles onderschei­dend en isolerend wat dit tegen gaat.

Als broeders en zusters zullen we elkaar zegenen met de woorden van Paulus: “Het is mijn verlangen dat God, Die ons hoop geeft, u door uw geloof vol zal maken van blijdschap en vrede. Dan zal uw hoop steeds sterker worden door de kracht van de heilige Geest”.

Tineke Annotee

 

De wijzen en de kinderkens Wim te Dorsthorst

Het evangelie van het Koninkrijk

In Mattheüs 11 lezen wij de volgen­de belangwekkende woorden van onze Heer Jezus Christus: “Te dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verbor­gen hebt, doch aan kinderkens ge­openbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U” (vs. 25-26).

De Heer spreekt deze indringende woorden als Hij volop bezig is het evangelie van het Koninkrijk Gods te verkondigen. Hij doet dat niet al­leen met woorden maar, zoals Hij aan Johannes de Doper laat mede­delen, de verkondiging gaat ge­paard met grote tekenen en won­deren: “Blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen wor­den gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt”. En dan zegt de Heer er nog speciaal bij, waardoor Johannes vanuit de Schrif­ten zeker kon weten dat Hij het is die komen zou: “Armen ontvangen het evangelie. En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt” (Matt. 11:04-06).

Van dit grote heilsgebeuren had de profeet Jesaja, sprekende over de Messias die komen zou, al gepro­feteerd, zeggende: “De Geest des Heren Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis” (Jes. 61:01).

Als Jezus deze woorden voorge­lezen heeft in de synagoge van Nazareth, zegt Hij tot de toehoor­ders dat dit Schriftwoord in Hem in vervulling is gegaan (Luc. 04:18-21).

Verborgen en geopenbaard

Als de Heer dan ziet dat het evan­gelie werkt, breekt Hij uit in ge­juich en prijst en dankt Hij de Va­der in de hemel voor de wijze waarop het wekt. De evangelist Lukas heeft opgetekend dat Jezus Zich verblijdde door de Heilige Geest (Luc. 10:21). De Petr. Can. vert. vertaalt dat met: “Toen jubel­de Hij het uit in de Heilige Geest”.

En dan staat er: “Te dien tijde hief Jezus aan”. Het is “verkondigend” wat de Heer nu gaat spreken even­als wanneer Hij spreekt van: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u”. De woorden die de Heer hier spreekt hebben dan ook nog steeds dezelfde kracht en betekenis voor wie ze hoort en leest en vooral voor wie ze ‘verstaat’.

Is de Heer nu zo blij omdat Zijn Vader de geheimenissen van het Koninkrijk Gods voor wijzen en verstandigen verborgen houdt? Het antwoord is zonder meer ‘Ja’ want dat zegt Hij overduidelijk: “Ik dank u, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt”. Maar dat is niet alleen de reden tot die blijdschap en dankbaarheid. Nee, de reden is veel meer nog gelegen in dat wat er tegenover staat, dat waardoor het goddelijke van dit evangelie eruit springt, na­melijk: “Doch Gij hebt het aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U”.

Zowel -het één als het ander is voor de Heer aanleiding tot dankzegging en aanbidding want Hij ziet dat het zó werkt.

De wijzen en de verstandigen

Wie bedoelt de Heer Jezus met de wijzen en de verstandigen? Dat zijn de mensen onder Gods volk die een grote verstandelijke kennis heb­ben en denken dat ze daardoor wijs zijn en leven hebben. (Daarbij gaat het niet om de verstandelijke ken­nis als zodanig, maar wel als men zich daardoor boven anderen gaat verheffen). Dat waren in de dagen van Jezus de Schriftgeleerden, de wetgeleerden, de Farizeeën en Sad­duceeën, de priesters, enz. Een hele aparte kaste die zich om hun posi­tie lieten eren. Ze liepen in schitte­rende gewaden, hadden leidende posities (het waren de zogenaamde “leidslieden”), ze wilden overal geëerd worden hun vrome gezichten en eindeloze gebeden. En ze droegen met trots hun gebedsriemen en kwasten.

Jezus weet wat in de mens is (Joh. 02:25) en Hij ziet door de vrome schijn heen in het hart en zegt: “Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot, zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de synagogen, en van de begroetingen op de mark­ten en om door de mensen rabbi genoemd te worden” (Matt. 23:05-07).

Het ging bij deze mensen niet meer om God te dienen maar om hun godsdienstige systeem en om hun eer. Ze dachten -en wat is dat ge­vaarlijk- leven te hebben omdat ze de Schriften kenden en om de posi­tie die ze bekleedden.

In een rechtstreekse confrontatie met hen zegt de Heer: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeu­wig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben” (Joh. 05:39).

De Heer Jezus is rondgegaan, heeft gepredikt en welgedaan. Hij heeft door alles wat Hij zei en deed, aan­getoond dat Hij de Christus was waar de hele Schrift van sprak, maar de wijzen en verstandigen -die het hadden moeten weten- hebben Hem veracht. Ze hebben Hem ach­tervolgd met strikvragen om Hem te kunnen beschuldigen. Ze zeggen: Hij is van de duivel bezeten en een zondaar en de krachten die Hij doet, doet Hij door Beëlzebul, de overste van de boze geesten.

Jezus past niet in hun godsdiensti­ge systeem en ze zoeken Hem dan ook te doden. Zij nemen voortdu­rend aanstoot aan Hem (zie Matt. 11:06). Zij waren het toch die de Schriften kenden, die de dienst in de tempel verrichtten, die het volk onderricht gaven en recht spraken? Wat denkt die Jezus wel!

Het is een hard en weerspannig volk wat altijd tegen is als het hun gevestigde religieuze orde dreigt te verstoren. Als Stéfanus gestenigd gaat worden, zegt hij tot deze leids­lieden: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij” (Hand. 07:05). Dit is de eerste groep die Jezus noemt: “de wijzen en verstandigen”.

De kinderkens

De tweede groep die de Heer Jezus hier noemt, zijn de ‘kinderkens’. Wie zijn dat? Zijn dat de kleine kin­deren? Neen!

De kinderkens, dat zijn de gewone mensen. In de boodschap die Jezus naar Johannes de Doper zond, noemt Hij deze groep ‘de armen’ die het evangelie ontvangen (Matt. 11:06). Ze worden in de Bij­bel ook wel aangeduid met: ‘ootmoedigen’, ‘eenvoudigen’, ‘klei­nen ‘onmondigen of ‘onaanzienlijken Jezus zelf noemt zijn aposte­len ook ‘kinderkens’ (zie Joh. 13:33; Joh. 21:05). De Joodse hoge raad komt met verbazing tot de conclusie dat deze apostelen “ongeletterde en een­voudige mensen uit het volk zijn” (Hand. 04:13).

Naar het oordeel van de wereld zijn het de dwazen, de zwakken en ver­achten, maar wat voor de wereld dwaas en zwak is, heeft God uitver­koren om de wijzen en de verstandigen te beschamen, zegt Paulus (1 Kor. 01:26-27).

De leidslieden noemen deze men­sen de schare die de wet niet kent en daarom vervloekt is (Joh. 07:49). In schrille tegenstelling hiermee zegt de Heer Jezus: “Zalig de ar­men van geest, want hunner is het Koninkrijk der hemelen” (Matt. 05:03). Geen vervloeking maar “zalig­spreking”. Dit zijn de eerste woorden van de Bergrede, de grondwet van het Ko­ninkrijk Gods! Zo is onze God, de Vader, en dat is naar Zijn welbeha­gen.

Ook een gevaar voor deze tijd

Hebben deze woorden van de Heer ons nu ook nog wat te zeggen? Ik geloof dat ze nu actueler zijn dan ooit. Ik geloof dat de Heer Zich ook nu enorm verblijdt om ‘de kin­derkens’ onder Zijn volk. Het wel­behagen van de Vader is in deze ook niet veranderd.

In de loop van de eeuwen heeft zich een kerkstructuur ontwik­keld, die wel heel veel gelijkenis vertoont met het Joodse volk ten dage van Jezus Christus.

De theologen, de priesters, de domi­nees en voorgangers zijn de heden­daagse Schriftgeleerden en leraren. (Ik bedoel natuurlijk niet dat dat alle­maal negatief zou moeten zijn). Het is zelfs mogelijk op de universiteit een graad te halen in de God­geleerdheid. Er is een hele hiërarchie waar duidelijk een leidende elite is en de leken de plaatsen in de banken innemen.

En bij iedere scheiding en afsplitsing wordt die structuur toch weer meegenomen. Zo is er helaas ook nog heel wat van aanwezig in pinkster- en volle evangeliekringen, waar­door de werking als lichaam van Christus niet goed uit de verf kan komen.

Er is dus wel degelijk een gevaar in dit opzicht voor de gemeenten van Jezus Christus. De duivelse gees­ten die achter iedere systeemvorming schuil gaan, hebben door alle eeuwen heen gewerkt en hun slacht­offers gemaakt.

De duivel is onveranderd en hij vindt helaas altijd wel weer mensen die hij voor zijn karretje kan spannen. Hij zal geen middel onbe­nut laten, om juist nu, op een vro­me slinkse manier zijn spel te spe­len. Hij zal ook nog wel brullen als een leeuw, maar veel meer zal hij komen als een engel des lichts. Het is dus niets bijzonders, zegt Pau­lus , indien ook zijn dienaren zich voordoen als dienaren der gerechtig­heid; maar hun einde zal zijn naar hun werken (2 Kor. 11:14-15).

Er is ook in de pinkster- en volle evangeliebeweging enorm veel kennis aangedragen door predi­king, Bijbelstudie, lectuur, toelich­tingen, commentaren, enz. ‘De kinderkens’ weten er maar al te vaak geen raad mee. Het verwijt kan dan ontstaan dat men niet mee wil in de leer! Het gevaar is nog steeds levensgroot dat al die kennis aangezien wordt voor leven. Heel vaak blijkt dat, als men zich gaat beroepen op bepaalde leraren of voorgangers, zoals de Korinthiërs dat deden (zie 1 Kor. 01:10-12). Partijschappen en verdeeldheid is het onontkoombare gevolg.

Maar ook nu zoekt de Heer ‘kinder­kens ‘ aan wie Hij de geheimenis­sen van het Koninkrijk Gods kan openharen. Daarbij doet het er niets toe welke plaats men in de ge­meente inneemt.

Is kennis dan fout?

Nee, kennis op zich is niet fout. Ge­degen kennis van Gods woord, on­der de leiding van de heilige Geest, is zelfs noodzakelijk, zeker nu de verwarring toeneemt. Als Jezus on­derwijst, dan doet Hij met Zijn on­derwijs altijd een beroep op de ken­nis van de wet en de profeten die onder het volk aanwezig is.

De apostel Paulus zegt: “Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij tot al­le goed werk volkomen toegerust” (2 Tim. 03:16).

Dat moet het doel zijn van alle ken­nis: “De volkomen mens Gods tot al­le goed werk volkomen toegerust”.

Hem liefhebben boven alles

Zoals binnen het volk Israël twee groepen waren, “de wijzen en verstandigen” en “de kinderkens”, zo geloof ik dat dat in het christendom vandaag de dag ook is. Ook nu ne­men de wijzen en de verstandigen aanstoot aan de Christus der Schrif­ten en aan het evangelie zoals Hij dat bracht, en zoeken altijd weer eigen uitleggingen en leringen om daarmee eigen wegen te gaan.

De kinderkens zijn eenvoudig, zijn nederig, zijn gewillig en laten zich gezeggen en staan open voor de waarheid. Ze nemen geen aanstoot aan hun Heer en hebben Hem lief boven alles. Ze zoeken Zijn woord om daarin leven te hebben. Zoals Jeremia het zegt: “Zo vaak uw woorden gevonden werden, at ik ze op, Uw woord was mij tot vreug­de en blijdschap mijns harten” (Jer. 15:16).

Ook zijn ze begerig om het woord, niet alleen te horen, maar ook te ‘verstaan ’. De discipelen van de Heer, die Hij ook ‘kinderkens’ noemde, waren ook hongerig. Over­dag onderwees de Heer de scharen en was Hij vaak in gesprek met de leidslieden. Als het dan avond was, en ze met de Heer alleen waren, vroegen ze Hem de betekenis van de gelijkenissen.

In (Mark. 04:34) staat dan zo prachtig: “Maar afzonderlijk aan Zijn discipelen verklaarde Hij alles “. Dat is de bereidwilligheid van de Heer, ook nu!

Dan wellen al die woorden en al die gelijkenissen aan hen ‘geopen­baard’. Dan kwam het van het hoofd in het hart. Daar verlangt de Heer nu ook vurig naar. Kinderkens die de tijd nemen om in de binnenkamer te gaan en te zoeken naar Zijn open­baring over alles wat geleerd en ge­hoord wordt.

Zalig de ogen die zien

In Mattheüs 13 vertelt Jezus aan Zijn discipelen waarom Hij in gelij­kenissen spreekt. Zij vragen Hem dat (Matt. 13:10) en dan is het antwoord van de Heer: “Omdat het u gege­ven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven” (Matt. 13:11).

De geheimenissen worden niet zo­maar prijsgegeven aan iedereen, maar zijn voor de kinderkens be­stemd.

In Lukas 10, waar hetzelfde opgete­kend staat als in (Matt. 11:25-27, lezen we in vers 23, dat de Heer Je­zus zegt: “En Zich afzonderlijk tot de discipelen wendende, zeide Hij: Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet. Want Ik zeg u: Vele profeten en koningen hebben willen zien, wat gij ziet, en ze hebben het niet gezien, en horen, wat gij hoort, en zij heb­ben het niet gehoord”.

De discipelen zijn zalig, dat is duide­lijk, maar Jezus zegt: “Zalig de ogen, die zien wat gij ziet”.

Dat geldt dus de discipelen van alle tijden tot de Heer terugkomt.

Zalig om bij die uitverkorenen, ‘de kinderkens’, te horen waar de Heer alles aan kan openbaren.

Die zullen zien wal de apostelen ook gezien hebben. Johannes schrijft dat ze het Woord des levens gezien hebben met eigen ogen, dat ze het aanschouwd hebben en met de han­den getast hebben (1 Joh. 01:01). De Heer is niet meer in het vlees aanwezig, maar het wordt nu door de heilige Geest geopenbaard. Hij neemt het uit Jezus en zal het ons verkondigen en Hem daarin ver­heerlijken (Joh. 16:14).

 

Getrouwen in den lande (gedicht) door Piet Snaphaan

“Mijn ogen zijn op de getrouwen in den lande,
om bij mij te wonen” (Ps. 101:006).

Getrouwen in den lande
‘t zijn engelen met naam,
zijn ons tot voet en banden
en dienen ons tezaam.

 

Zij zijn getrouw gebleven
aan God die eeuwig leeft.
Hij zendt ze op onze ivegen
wat welbehagen geeft.

 

Ook zij bedrijven vreugde
als iemand zich bekeert,
en loslaat wat niet deugde
en zich spontaan verweert.

 

Zij blijven ons omringen
en bij staan door Gods kracht,
als trouwe he metingen
ons steunen dag en nacht.

 

 

Zondevrij door Gert Jan Doornink

U kent ze waarschijnlijk ook wel. Mensen die zwaar gebukt gaan onder ’s  vijands heerschappij.

Terwijl het evangelie een blijde boodschap is van vergeving en verlossing, komen zij niet los uit de klauwen van de vijand.

Een treurige situatie. Wat moeten wij doen om hem toch te overtuigen dat er een weg van bevrijding en vernieuwing is? Jezus zelf geeft het antwoord! Het is alleen Gods geest die hen overtuigen kan (Joh. 16:08). Maar die geest wilt zich graag verbinden met onze geest, zodat wij de spreekbuis kunnen zijn om het werkelijke evangelie aan hen bekend te maken.

Niet alleen met onze woorden, maar door heel ons leven mogen wij openbaar maken dat er vergeving van zonden en volkomen verlossing is voor ieder die gelooft. Wat we zelf ervaren is ook voor ieder ander bestemd, want “de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen” (Titus 02:11).

Wie eenmaal het nieuwe leven in Christus heeft leren kennen, weet hoe waar de woorden van het oude gezangvers zijn: ‘Een zondaar… een verloste, o Heer…, en nu géén zondaar meer!’ Onze nieuwe status in Christus is: vrij van zonde en schuld. Daarom zullen de aanklachten die vanuit het rijk der duisternis op ons afkomen bij een waarachtig kind van God ook geen uitwerking meer hebben. De zekerheid van het ‘nieuwe schepping zijn’ maakt ons immers immuun voor de verleidingen en het geweld wat ons van de verkeerde kant wil belagen.

Ook laat een waarachtig kind van God zich geen zonde aanpraten vanuit de schijnvrome wereld van religie en naam-christendom. Want wie door Jezus Christus is vrijgemaakt, is werkelijk vrij en laat zich geen enkel slavenjuk meer opleggen (Gal. 05:01).

 

Bijna goddelijk… door Froukje Huis

Terwijl ik op een ochtend de krant zat te lezen, bepaalde de Heer mij bij deze tekst. Mijn ogen dwaalden langs de vette koppen in de krant:”… wil niets van zijn macht prijsgeven…”, “… blijft claim leggen op…”,“… moet de eer aan zichzelf geven… ”. Ja, bedacht ik, dat verlangen naar goddelijk zijn is bij velen, evenals bij Eva, omgevormd tot:… en gij zult als God zijn.

De groten der aarde beijveren zich om meer macht naar zich toe te trekken, meer zeggenschap, meer eer. Maar het zijn sterke benen die deze weelde kunnen dragen. Dat is de laatste jaren wel duidelijk geworden, toen openbaar werd hoe vele machthebbers zich ten koste van het volk hebben verrijkt en zich door datzelf­de volk lieten aanbidden. In grote dure campagnes bestrijden kandidaten voor het presidentschap elkaar en afgezette koningen proberen bij een omwenteling haastig hun plaatsen weer in te nemen.

Maar is dat dan fout? Een land moet toch bestuurd worden? Zeer zeker en de Bijbel geeft dat volmondig toe. Zo schrijft Paulus in (Titus 03:01): “Herinner de gelovigen eraan dat zij zich aan overheid en gezag onder­werpen”. De Bijbel heeft echter ook een woord voor het ‘gezag’, namelijk: “Er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld” (Rom. 13:01). Elke overheid die zich dat niet bewust is en uit is op eigen gezag en eer, tast het gezag van God aan. Het gevolg is oorlog, chaos en verdriet.

Ook in Jezus’ tijd was dit al zo, vandaar zijn uitspraak: “De koningen der volken voeren heerschappij over hen en hun machthebbers worden weldoeners genoemd” (Luc. 22:25). Nebukadnezar riep uit: “Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb tot een koninklijke woonstede, door de sterkte mijner kracht en tot eer van mijn majesteit?” (Dan. 04:30). Hij werd verstoten uit de gemeenschap der mensen. Toen het volk Herodes toejuichte:”… de stem van een God en niet van een mens”, was het afgelopen met Herodes.

Maar… wat heeft dit met ons, gewone mensen, te maken? Wij hebben er immers geen belang bij over volken te heersen? O neen? Zien wij niet uit naar ons koningschap? Wij willen toch graag met Jezus regeren? Ja natuurlijk, maar dat is heel iets anders! Inderdaad bij zijn uitspraak over machthebbers zegt Jezus tegen Zijn discipelen: “Doch gij niet alzo, maar de eerste onder u worde als de jongste en de leider als de dienaar” (Luc. 22:26). Dat kunnen we niet zomaar, er is heel wat oefening voor nodig om mederegeerder te worden van Koning Jezus.

Hoe zijn wij in het dagelijks leven? Soms ook heersers? ‘Ik wil dat het zo gebeurt’, of ‘Nee daar heb ik geen zin in’, of ‘Ik regel dat wel even’. Wat voor de overheid geldt, geldt ook voor ons: heersen onder Gods gezag, luisteren naar Zijn stem, handelen met Zijn liefde, kortom doen zoals Jezus deed. Jezus de enige ware Mens. De Mens naar Gods beeld geschapen en tot volle ontplooiing gekomen. In Hem woonde Gods volheid licha­melijk. Hij was Goddelijk. Hij zocht geen eer van mensen, maar de eer van God. Hij beleed: de Zoon kan niets doen van zichzelf of Hij moet het de Vader zien doen. Hij kwam om de mensen te dienen, maar ook de werken des duivels te verbreken, om te heersen over de gehele legermacht van de boze. Aan het kruis heeft Hij de machten ontwapend, tentoongesteld en over hen gezegevierd. Zelfs de dood heeft Hij overwonnen. Daarom is Hij met eer en heerlijkheid gekroond en is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde. Alleen als wij bereid zijn ons leven in Zijn dienst te stellen en te leven tot eer van God, zullen wij eens met Jezus op de troon mogen plaats nemen. Ik moet nog oefenen. Jullie dan?

 

1995.10 nr. 374

1994.10 Levend geloof nr. 374

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen een leer of is het een praktisch gericht evangelie? Mijn antwoord is: beide! Misschien dat sommigen nu de wenkbrauwen fronsen en denken: maar het gaat toch om de beleving, wat heb je nu aan een leer of theorie? Inderdaad gaat het om de beleving van het evangelie, maar wat is de bakermat van deze beleving? Dat is het evangelie zoals Jezus dat bracht en dat later door de apostelen werd overge­nomen: het volle evangelie, het evangelie van het Koninkrijk. Het is een grote misvatting te denken dat de inhoud van het evangelie er daarom niet toe doet en dat het op het leven aankomt. Natuurlijk moet in ons gewone dagelijkse leven openbaar worden dat we nieuwe scheppingen zijn, beelddragers van Christus, zonen Gods. Op de dag van onze wedergeboorte begon in ons leven het vernieuwingsproces, met de bedoeling dat we volwassen christenen worden, die niet met het minste of geringste zuchtje tegenwind van de kaart zijn. Daarom is gezonde voeding zo belangrijk. Denk maar aan het natuurlijke leven, waar bij het opgroeien van baby tot volwassene gezonde voeding van levensbelang is. Ons geestelijk groeiproces kan ook niet zonder gezonde voeding. We groeien scheef, of we groeien helemaal niet, als we ons tevre­den stellen met surrogaatvoedsel. Alleen bet evangelie van het Koninkrijk brengt ons geestelijk verder. Als we er tenminste op ingaan. Natuurlijk gaat het niet alleen om het kennen van de leer­stellingen van dit evangelie. Dit ‘kennen’ moet overgaan in ‘bele­ven’. Bij een waarachtig kind van God zal dit ook inderdaad het geval zijn. Theorie en praktijk zijn geen tegenstellingen, maar vloeien, als het goed is, in elkaar over. Zo ontstaat de ware openba­ring van het zoonschap. En zo geven wij invulling aan de grote opdracht van Jezus die niet sprak over de verkondiging van ‘een’ evangelie, maar van ‘dit’ evangelie. Hijzelf had het zo van de Vader geleerd. Dat bracht Hij in praktijk en daardoor werd de overwinning op het rijk der duisternis een feit. Als Levend Geloof-redactie willen wij dit voor ogen houden. In dit nummer komen weer allerlei praktische onderwerpen aan de orde (het huwelijk, de gehoorzaamheid van kinderen aan hun ouders, etc.). De gedachten daarover komen echter allemaal voort uit het leren kennen van het evangelie van het Koninkrijk. Dat vormt de basis van ons denken, spreken en handelen. En het is ons diepste verlangen dat dit ook in de levens van onze lezers en lezeressen het geval zal zijn!

 

Het eenvoudige evangelie zal zegevieren door Wim te Dorsthorst

Het evangelie van God

De God van hemel en aarde komt in de Bijbel naar ons toe als een God van liefde, van rechtvaardig­heid, van heiligheid, van goedertierenheid, van barmhartigheid, van vergeving, van genade, van trouw, enz.

Dit alles is God in Zichzelf. Hij is dit niet geworden door de omstan­digheden, want Hij is van eeuwig­heid tot eeuwigheid onveranderlijk dezelfde. Deze God heeft zelf een blijde boodschap voor de in zon­den gevallen mensheid.

In Zijn Zoon, Jezus Christus, komt deze goede God tot de geval­len mens en wil een vredesverbond met hem sluiten. Niet in het bloed van dieren, zoals in het Oude Ver­bond, maar in het bloed van Zijn Eigen, geliefde Zoon. Alle zonde, ongerechtigheid en over­treding, ja, de hele vloek van de wet, heeft de Vader op Zijn Zoon gelegd en zo stierf Hij in onze plaats. Zo was de Vader, in Zijn Zoon, de wereld met Zichzelf aan het verzoe­nen (Kol. 01:20 en 2 Kor. 05:19-21 en Jes. 43:25).

Paulus zegt: “Wij zijn tot het in­zicht gekomen dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen ge­storven”. Dat is in principe dus voor alle mensen.

Toen Jezus Christus, de gestor­vene, opgewekt werd uit de dood, was dat, ook weer in principe, tot rechtvaardiging van alle mensen (Rom. 04:25). “

Dit is in beginsel het evangelie, de blijde boodschap van God voor de mens. Maar het evangelie Gods is nog oneindig veel meer, groter en rijker en wil de mens in Jezus Chris­tus deelgenoot laten zijn van Zijn eeuwige heerlijkheid (1 Petr. 05:10; 1 Thess. 02:12).

Het eenvoudige Evangelie

Kunnen we dan toch spreken van ‘het eenvoudige Evangelie’.? Ja, heel duidelijk ja!

Jezus Christus heeft het evangelie Gods gepredikt en de eerste woor­den van Hem zijn: “De tijd is ver­vuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en ge­looft het evangelie” (Mark. 01:14-15). Dat is wat God en Jezus Christus vragen: bekering en ge­loof.

Het evangelie van het Koninkrijk Gods is niet één of andere hoge- schoolse aangelegenheid. Dat is er maar al te vaak door mensen van gemaakt.

Jezus zelf zegt in (Joh. 10:10b): “Ik ben gekomen, opdat zij le­ven hebben en overvloed”.

Dat is het waarachtige leven voor de mens, ongeacht of deze profes­sor of vuilnisman is. “Opdat zij leven hebben”, daar gaat het om!

Bij de geboorte van Jezus Christus spreekt de engel van “grote blijd­schap” die heel het volk zal ten deel vallen (Luc. 02:10). Dat is ken­merkend voor de verkondiging van het eenvoudige evangelie Gods, dat het blijdschap tot gevolg heeft. Waar dit ontbreekt kan men vraagtekens zetten bij dat wat verkondigd wordt.

Het Woord gaat uit

Als de Heer Jezus opgevaren is naar de hemel en Zich gezet heeft aan de rechterhand Gods, dan is het eerste wat Hij doet de Heilige Geest uitstorten op Zijn discipelen en zij die met hen zijn in de boven­zaal in Jeruzalem. Vanaf dat moment gaat het Woord, het evangelie Gods, de wereld in. In (Openb. 06:02) zien we dat voorgesteld als het Woord, Jezus Christus, op een wit paard, hier symbolisch voor de Heilige Geest.

Jezus had gezegd tot zijn discipe­len: “Gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterste der aarde” (Hand. 01:09). In het hele boek Handelingen zien we vervolgens hoe de Heilige Geest werkt met grote kracht en overtuigt in de harten van de toe­hoorders als het evangelie verkondigd wordt.

En wat hebben de apostelen verkon­digd? Dogmatische leerstukken over God, over Jezus, over de Heili­ge Geest, over de mens, enz.? Neen, ze hebben vanuit de Schrif­ten Jezus Christus verkondigd. De geest der profetie is immers het ge­tuigenis van Jezus (Openb. 19:10). “Ze verkondigden het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften aangaande zijn Zoon (Rom. 01:01-03). Het was het evangelie van de genade Gods, wat ze verkondigden (Hand. 20:24). En wat deed de Heer? “Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de te­kenen, die er op volgden” (Mark. 16:20). Wat de apostelen predikten was het waarachtige, eenvoudige evangelie wat de Heer kon bevesti­gen vanaf zijn troon!

Ze waren met Jezus geweest

En wat lezen we van de apostelen als ze in conflict komen met de leidslieden en de theologen van die tijd?

“Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en bemerkt hadden, dat zij on­geletterde en eenvoudige mensen uit het volk waren, verwonder­den zij zich, en zij herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren” (Hand. 04:13).

De apostelen werden herkend als eenvoudige, ongeletterde mensen uit het volk. Mensen uit de massa, waarvan de leidslieden zeiden: ver­vloekt zijn zij omdat zij de wet niet kennen (Joh. 07:49). Het evangelie kan derhalve niet moeilijk geweest zijn. Maar wat zij herkenden in de apostelen -en wat is dat belangrijk- was “dat zij met Jezus geweest waren”.

Wat zit de wereld, de zuchtende schepping, daar op te wachten. Mensen, zonen Gods, die herken­baar zijn omdat ze met Jezus ge­weest zijn. Die aan Zijn beeld gelijk­vormig zijn geworden. Die het een­voudige evangelie Gods kunnen ver­kondigen, wat de Heer weer beves­tigen kan met tekenen en wonderen. Alle leringen die uit de menselijke wijsheid voortkomen, ook al heb­ben ze de schijn de Bijbelse waarheid te zijn, zijn krachteloos en kunnen door de Heer niet bevestigd wor­den. Het kan tijdelijk een geweldi­ge streling zijn voor het verstand, maar het is vruchteloos en dood, omdat het uit het vlees is. Het is wat Paulus noemt, het bouwen met hout, hooi, of stro (1 Kor. 03:12).

De aanval op het evangelie Gods

Wij lezen in Openbaring 6, waar geschreven wordt over het Woord op het witte paard, dat uittrekt om te overwinnen, dat er nog drie paar­den uittrekken (Openb. 06:03-08). Tegenstanders van het evangelie. Tegenstanders van God en men­sen. Grote geesten uit het rijk van satan. Dieven, rovers en moordenaars.

Zo is dat geweldige evangelie Gods, van genade en liefde, verd­raaid, verleugend, geroofd, beklad en bedekt. Dat zien we in de twin­tig eeuwen kerkgeschiedenis, die achter ons liggen. Het levende ge­loof werd vervangen door het lid­maatschap van een gemeente of kerkgenootschap.

Allerlei leugenleringen gingen het christendom bepalen. Indrukwek­kende liturgieën met veel uiterlijk vertoon, en dit alles in prachtige gebouwen en kathedralen, waarin God weer wonen zou. En de mens, die God tot Zijn huis ver­kiest, kwam in verval en bracht alleen nog maar doornen en distels voort. Het besef van het geweldige geheimenis Gods: ‘Christus in u’ waardoor de mens in Christus vol­maakt kan worden en volmaakt kan zijn, is door de eeuwen heen al­tijd door een kleine rest vastgehou­den en beleefd (lees Kol. 01:24; Kol. 02:03). De verkondiging van het evangelie kwam volledig in handen van gelet­terde en daardoor vaak trotse men­sen. De dienaren in de kerken wa­ren meer herkenbaar aan op welke theologische universiteit ze opge­leid waren dan dat ze met Jezus zou­den zijn geweest.

Het werk van de grote hoer

Dit is een heel negatief beeld, dat besef ik wel, maar het is geestelijk gezien nog veel erger dan wij mis­schien denken, want de vrome schijn die het vaak heeft, werkt verblindend.

Als de apostel Johannes op Pat­mos deze hele ontwikkeling in de geestelijke werkelijkheid ziet, be­werkt door de grote hoer, het grote Babylon, en hij ziet in haar hand een gouden beker, vol gruwelen, en de onreinheden van haar hoererij, dan verbaast hij zich met grote verbazing (lees Openbaring 17).

Deze grote man Gods, die de hele ontwikkeling van de eerste gemeen­ten heeft meegemaakt, kan z’n ogen niet geloven. Zeker, ook in zijn dagen werd de gemeente al be­laagd door leugenleringen, maar wat hij ziet over het einde, dat gaat alles te boven.

De tijd van het einde nadert

Maar, prijst God, er is een keer ge­komen, wat niet zeggen wil, dat we er nu al zijn. Vele miljoenen over de gehele wereld hebben de Heilige Geest ontvangen en vormen overal plaatselijke gemeenten. Het is een tijd van heiliging en reiniging om de mens in Christus volmaakt te doen zijn.

De apostel Petrus schrijft al: “Het is nu de tijd, dat het oordeel be­gint bij het huis Gods” (1 Petr. 04:17). Dat is nu nog actueler dan in de dagen, dat hij deze woorden schreef. De profeet Jesaja spreekt ook van de reiniging van Jeruza­lem en zegt:Wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedvlekken van Jeruzalem van gericht en van uitdelging daaruit zal hebben weggespoeld door de Geest (Jes. 04:04)

De mensen moeten gereinigd worden maar bovenal moet het evangelie, het Woord van God gereinigd worden.

Zoals Jesaja het beschrijft doet het mij denken aan zo’n hogedrukspuit, waarmee tot in de diepste poriën alles wordt gereinigd Alles wat er vanuit de menselijke wijsheid onder beïnvloeding van vaak vrome leugengeesten van gemaakt is, moet volledig weg. Dat is vuil en dat zijn bloed­vlekken !

Aan het Woord van God moet de volle waarde teruggegeven wor­den, zodat het weer in staat is de mens te reinigen (Ef. 05:26-27). Met dit gigantische werk is de Heer in deze dagen bezig.

Het evangelie zal zegevieren

Tegelijkertijd werkt ook de satan door om, op voor deze tijd passen­de wijze, het eenvoudige evangelie Gods in de gemeentenop nieuw te maken tot hogeschoolwerk. Er kunnen leringen opduiken die geen enkel fundament in Gods woord hebben en w van buiten Bijbelse termen en gezegden. De apostel waarschuwt hiervoor want de een verheft zich dan boven de ander en het brengt alleen maar verdeeldheid voort. (1 Kor. 04:06 en Rom. 16:17-18) Toch zal het eenvoudige evangelie Gods gaan zegevieren. Het evangelie van heil dat allereerst verkondigd is door de Here en door hen die het gehoord hebben

op betrouw­bare wijze ons is overgeleverd, ter­wijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil (Heb. 02:03-04).

 

Gehoorzaamheid in de hemel door Cees Maliepaard

De hemelen (15)

“Kinderen, weest uw ouders ge­hoorzaam in de Heer, want dat is recht. Eer uw vader en uw moeder – dit is immers het eerste gebod met een belofte – opdat het u welga en gij lang leeft op aarde. En gij vaders, verbittert uw kin­deren niet, maar voedt hen op in de tucht en in de terechtwijzing des Heren” (Ef. 06:01-04).

Gehoorzaamheid is voor velen in deze tijd een nogal verouderd begrip. Het druist in tegen de gevoelens van zelfstandigheid, zelfontplooiing en zelfwerkzaamheid. Aan wie zou je trouwens gehoorzaam moeten zijn; de mens is toch mans genoeg om eigen maatstaven te hebben? En de kinderen probeer je zo vlug mogelijk als kleine mensen te laten functioneren, opdat ze in het huidige tijds­beeld vooral niet uit de toon zullen vallen.

Gehoorzame kinderen

Paulus roept de kinderen op, hun ouders gehoorzaam te zijn. Hij is blijkbaar niet bang dat gehoorzaam­heid de tere kinderzieltjes geweld aan zal doen. Dat in onze tijd het ouderlijk gezag tanende is, is nogal; voor de hand liggend… want méér door God gestelde gezagsverhou­dingen liggen er bij het grote publiek gewoon uit! Gehoorzaamheid is ‘uit’, een eigen mening hebben (en daar desnoods duidelijk provocerend voor uitkomen) is ‘in’. Naar de mens die ‘z’n zegje kan doen’ wordt geluisterd, maar wie zich gezeglijk opstelt wordt al gauw voor een watje versleten.

Kinderen dienen hun ouders te eren, want dat is het eerste gebod met een belofte: opdat het hun wél zal gaan en zij lang zullen leven op aarde. Als onze kinderen jarig zijn, zingen we dat wel ‘Lang zullen ze leven in de gloria. Maar scheppen we ook een klimaat waarin een lang, glorieus leven tot de mogelijkheden zal gaan behoren? Leren we hun liefdevol wat gehoorzamen is, vooral door het voorbeeld dat we stellen in de verhouding met degenen die boven ons gesteld zijn.

Als we van onze kinderen verlangen dat ze ons gehoorzaam zullen zijn dienen ze van ons te weten dat dat niet in een soort machtsgevoel geworteld is. Waarom ik wil dat jullie naar me luisteren? Nou gewoon omdat ik dat zeg. Is een vorm van argumenteren waarmee niemands zijn kinderen zal overtuigen. Het komt anders over als duidelijk is dat we het welzijn van onze kinderen op het oog hebben en het niet stomweg het handhaven van een machtsverhouding is. Als we onze kinderen iets verbieden, kan dat gemakkelijk bij hen overkomen als een misplaatste actie van het ouderlijk gezag, voortkomend uit een in de ogen van de jongeren achterhaald cultuurpatroon.

We dienen die indruk niet onnodig te wekken, want wellicht zullen de kinderen doen wat we zeggen, maar raken we stukje bij beetje hun ach­ting kwijt. Totdat ze (naar het hart) van ons vervreemd zullen zijn. Het is ‘recht’ wanneer kinderen hun ouders gehoorzamen, schrijft Paulus terecht. Maar wanneer dat recht los­gemaakt is van de gedachten van de Heer, is het een natuurlijke zaak van de aarde, met alles in zich om via kromme redeneringen te ontsporen. Kinderen zullen in staat zijn ‘in de Heer’ hun ouders te gehoorzamen met behoud van een natuurlijk en geestelijk evenwicht.

Altijd gehoorzamen?

Jezus gehoorzaamde zijn ouders in alles. Hij was hun onderdanig, vermeldt de Schrift. Maar het was duidelijk een gehoorzamen ‘in de Heer’ ‘Toen zij de twaalfjarige Jezus na het jaarlijkse tempelbezoek misten en zij hem na drie dagen zoeken tussen de leraren terugvonden verweten ze Hem wat Hij hun had aangedaan. En Hij verontschuldigde zich hierover niet, maar zei onomwonden:

Wist gij niet dat Ik bezig moest zijn met de dingen van mijn Vader?

Nu ook al is dit in het geval van Jezus een unieke zaak, toch zijn er ook voorbeelden bekend van kinderen die, terwille van het woord van de Heer, hun ouders onge­hoorzaam waren. Anders dan bij Jezus, verlangden die ouders verkeerde dingen van hun kinderen: diefstal, leugen en bedrog of bezig zijn met occulte praktijken. En zalig die kinderen die vanuit het woord van de Heer ‘nee’ tegen hun de Heer ongehoorzame ouders zeiden.

Het duidelijkst blijkt dat wel in die situaties waarin een vader seksuele

toenadering tot (één van ) z’n kin­deren zoekt. Wanneer zo’n kind bij het groter worden zich tegen derge­lijke intimiteiten gaat verzetten, is dat alleen al uit natuurlijk oogpunt een volstrekt begrijpelijke zaak. Als het kind bovendien weet dat deze dingen Vader in de hemel een gruwel zijn, en tevens dat Hij dat niet het overmochte kind, maar de overweldigen­de vader aanrekent, zal dat des te meer voor het kind een stimulans zijn om niet de aardse vader, maar de liefdevolle Vader in de hemel gehoorzaam zijn.

Verstandige vaders staan niet altijd op hun strepen. Ze laten zich al evenmin door hun kinderen ‘om de vinger winden’. Ze leren al doende fundamentele zaken scherp te stellen en details met souplesse te benade­ren. Vaders die zich aan hun kinde­ren vergrijpen, manipuleren zichzelf in een onmogelijke positie: ze kun­nen het ook op andere terreinen van het leven niet maken om hen eerlijk­heid, rechtschapenheid en gehoor­zaamheid op te leggen. Een goede vader (zeker als hij ook goed ‘in de Heer’ is) zal vanuit z’n hart het goede voorbeeld stellen. Natuurlijk is het tellen van het goede voorbeeld op zichzelf niet voldoen­de. Je leert je kinderen geen geduld enkel door zelf geduldig met hén te zijn – onwillekeurig zullen ze daar gewoon gewend aan raken, zonder de intentie te hebben het goede voorbeeld over te nemen. Maar andersom, als je geen geduld met hen op kunt brengen, zullen ze nooit van jou aan kunnen nemen dat ge­duld toch zulk een schone zaak is!

Verstandige vaders verbitteren hun kinderen niet, vaders die verstandig in de Heer zijn zullen dat dus zéker niet doen. Hoe kun je je kinderen verbitteren? Op velerlei manieren! Om een voorbeeld te noemen: je kunt je minderjarige kind verbieden naar de disco te gaan (en het is niet zo moeilijk een dergelijk verbod met redenen te omkleden). Of het altijd verstandig is zo’n absoluut verbod in te stellen, is een andere zaak. Het verbodene wordt er dikwijls des te begeerlijker door. En hoe ouder het kind wordt, hoe moeilijker het zal zijn zo’n verbod te handhaven. Toestaan dat het eenmaal in een bepaalde periode gebeuren mag, getuigt soms van meer begrip en inlevingsvermogen.

Maar de vader die z’n kind toestaat af en toe naar een dergelijke avond toe te gaan, zal daar niet de eis aan kunnen verbinden dat het kind om elf uur ’s avonds weer thuis zal moeten zijn. Dan is het immers nog niet of nog maar net begonnen! Er op staan dat twee uur ’s nachts toch wel het uiterste tijdstip is waarop dochterlief binnen zal moeten we­zen, klinkt redelijk. Maar in vele gevallen is het dat helemaal niet! Want het kan betekenen dat ze daar­voor in haar eentje midden in de nacht een donkere weg zal moeten affietsen – met alle gevaren van dien. Terwijl ze een uur later één van de velen zal kunnen zijn, die zich geza­menlijk naar huis begeven.

Verstandige vaders leren hun kin­deren met gevaren om te gaan, ook als die kinderen zich op paden be­geven waar zij hen liever niet zouden zien. Het is nu eenmaal niet aanne­melijk dat kinderen het in alles met hun ouders eens zullen zijn. Of wa­ren wij dat vroeger soms wel met onze ouders? Generatiekloven zijn er immers altijd al geweest! Welnu, voor ouders en kinderen is ‘in de Heer’, alles wat scheiding maakt, wel te overbruggen. Waarbij de ouders biddende voor hun kinderen bezig zullen zijn, meer dan te ver­wachten is dat de kinderen dat voor hun ouders zullen doen.

Bezig in de hemel

Ieder geest vervuld kind van God heeft de mogelijkheid in zich, in Gods hemel bezig te zijn. Elk op de hem of haar toegewezen plaats. Als in een gezin zowel de ouders als de kinderen een keus voor de Heer gemaakt hebben, is dat mooi mee­genomen. Maar ook als alleen de ouders zich van zo’n plek verzekerd weten, betekent dat dat op hen de verantwoording rust hun kinderen in de tucht en de terechtwijzing van de Heer op te voeden. Daar kun je niet mee aankomen als het kroost al zo’n jaar of 14 is – dat gaat al op heel jonge leeftijd spelen. Bij de jonge kinderen wordt een natuurlijke basis gelegd voor een aan de Heer gehoor­zaam leven in de jaren die volgen.

Tucht en gerechtigheid hebben vanuit de natuurlijke wereld echter een bepaalde bijklank gekregen. Bij tucht denkt men al gauw aan semi- militaire drilmethoden. En terecht- wijzigingen staan vaak in een nega­tief kader, getrokken in reactie op het foutief bezig zijn van het terecht te wijzen kind. Met zo’n bevooroor­deelde invulling van deze begrippen, leest men ook andere Schriftgedeelten die daar betrekking op hebben. Met alle gevolgen van dien! De Bijbelse tucht is echter beter te verstaan in de vorm van een trai­ning, een de kinderen leren hoe ze, in relatie tot de Vader en tot de men­sen, in het leven bezig kunnen zijn.

De Bijbelse tucht heeft niets van doen met kadaverdiscipline, maar alles met het onderricht omtrent een liefdevolle hemelse Vader en het bevrijdend bezig zijn van diens eerste Zoon, Jezus Christus.

Terechtwijzingen zijn door onze God niet vanuit het negatieve ge­lanceerd. Want negatieve gedachten omtrent zijn goddelijk plan, komen in alle gevallen van de boze. Naar de mens toe wijst God altijd de rechte weg, ongeacht of die mens zijn weg ook bewandelt. Van aardse vaders verlangt hij vast en zeker geen an­dere houding.

Wat de Vader wil

Aardse ouders hebben voor hun kinderen niet in de eerste plaats de bediening van corrector gekregen, maar die van opvoeder, van trainer in Gods denken en van helper om een uitgebalanceerd hemels leven op te bouwen. Alle ouders die met ar­gusogen op de echte of vermeende fouten van hun kinderen letten, zijn met de beste bedoelingen verkeerd bezig. De Vader wil niet dan onze kinderen naar beneden gedrukt worden, maar juist dat zij zijn ver­heven weg zullen zien… om die te gaan bewandelen. Het verlangen dat te gaan doen, wordt nu eenmaal niet gewekt in de sfeer van de aanklacht (daar werkt Satan mee), maar in de hemelse realiteit van barmhartigheid en ontferming.

Goede aardse ouders strijden in de hemelse gewesten tegen de geeste­lijke aanranders van hun kinderen. En zij zegenen hun kinderen op aarde door ze de weg in de hemel te ontsluiten, namelijk de ene door God in de hemel gegeven weg: zijn Zoon Jezus Christus.

 

Hebben wij een eerlijke relatie met God? Door Evert van de Kamp

God-in-je-broekzak?

Drs. Wim Jansen, predikant van de SOW-gemeente Enschede-Zuid, haakt in Trouw in op de onlangs gehouden EO-jongerendag in Utrecht.

De kop van zijn artikel luidt: ‘God- in-je-broekzak, de eenduidige waarheid van EO-christenen’. In Trouw leverde dat een interessante discussie op. Het voordeel daarvan is dat je mee gaat denken. Hij maakt zich ernstig zorgen over de geestelijk verwarring in ons land waarmee jongeren en ouderen wor­den geconfronteerd. Jongeren stel­len (soms) weer authentieke, pure levensvragen, de zogenaamde ‘ultimate concerns’: Waarom leef ik, waar kom ik vandaan en waar ga ik naar toe, hoe leef ik?

Ouderen zeggen: Laat er dan ten­minste één terrein in dit leven zijn, waar niets wankelt. Waar je kan bouwen op rotsvaste zekerheden, die in eeuwigheid dezelfde blijven, het terrein van het geloof. De kritiek van Wim Jansen is dat de EO te gemakkelijke antwoorden geeft op die levensvragen en hij maakt zich kwaad op het God-in-je- broekzak-beeld, dat de EO zou creëren.

Levensvragen

De vragen over leven en dood, goed en kwaad, materialisme, etc. mogen niet terzijde geschoven worden of in ons geestelijk leven beschouwd worden als een gepasseerd station. Dan neemt de vervreemding binnen het proces van de verwereldlijking nog meer toe. Of anders gezegd: het ontlopen van genoemde vragen, of antwoorden als zoethoudertjes ma­ken de kloof nog groter tussen kerk en maatschappij.

De vraag is hoe gaan we in Bijbels denken met die vragen om. Ik geloof dat Wim Jansen gelijk heeft als hij schrijft: ‘De vragen van de kerk blijken heel vaak geen onbevangen levensvragen, maar vragen opgeroepen door eerder gegeven dogmatische antwoorden.

Telkens liet de kerk haar discussies bepalen vanuit de eigen traditie, en is zo terecht gekomen in een net­werk van dogmatische antwoorden. Wellicht heeft het daarmee te maken dat er zo’n grote kloof is ontstaan tussen de kerk en de geseculariseerde cultuur. Deze laatste kijkt van afstand toe en vraagt zich af: waar hebben jullie het over’?

Geen vooringenomen standpunt

De antwoorden op de levensvragen mogen niet starten bij een vooringe­nomen standpunt. Jansen doet een beroep op ons als hij zegt: ‘We moeten opnieuw leren luiste­ren. Ontkleed tot op het bot komen we weer toe aan de authentieke, pure levensvragen’.

Er moeten wel antwoorden komen, zelfs op elk terrein; antwoorden niet fundamentalistisch, systeemmatig, maar wel duidelijk richtinggevend voor houvast en diepe vrede. Hap- klare-brokken smaken niet.

Met het God-in-je-broekzak-beeld bedoelt Wim Jansen: je trekt maar een bepaald laatje van de Bijbel open en je hebt het antwoord. ‘Op de grote levensvragen hebben de EO-mensen een overzichtelijk en helder antwoord in huis. Alles klopt precies: de Bijbel als Gouden Gids. Maar dat -dat het klopt- dat klopt nu juist niet! Geloof is geen geloof meer als het tot een sluitend sys­teem wordt gemaakt. Te veel hangt er de sfeer van: u vraagt en Henk Binnendijk draait het antwoord er wel uit. Want koste wat kost moet het pakket waarheden kloppen’.

Inderdaad het geloof mag nooit verworden tot een sluitend systeem. Dat bewerkt onherroepelijk de dood in de pot.

Op zijn beurt maakt Wim Jansen zich nu er te gemakkelijk vanaf. Het zou ook te veel eer voor de EO zijn -en dat is nooit goed- als het zo zou kunnen. Iedereen in het pastoraat weet immers deksels goed dat de Bijbel geen automaat is waar je naar believen maar een laatje open kunt trekken voor het zo fel verlang­de antwoord. Het zoek- en vind aspect valt niet weg te poetsen. En evenmin heeft het geloof een open eind.

Drs. Y. Horjus (docent Baptisten Seminarium Bosch en Duin) corrigeert Jansen: ‘Zonder mij te bezondigen aan een versimpeling van diens theologie, meen ik te mogen wijzen op uitdrukkingen van Paulus als: ‘ik weet’, ‘ik ben er zeker van’, ‘ik ben overtuigd’, enz. Het evenwicht moet wel bewaard blij­ven. Je stuurt mensen het bos in als je het zoek-perspectief cultiveert en het geloof enkel definieert als een avontuur met een open eind’.

Over het wel of niet kloppen van de dingen, kom ik nog terug.

Een echte relatie

Het is duidelijk, echte antwoorden komen niet van God-in-je-broekzak. Voor de duidelijkheid is het laatste zo gesteld. Verheffend is het niet. God is wel (heel) dichtbij en tegelijk oneindig heilig.

Echte antwoorden komen voort uit een eerlijke en oprechte relatie. De ware antwoorden op alle levens­vragen worden geboren uit de diepe

relatie die een mens met God mag hebben.

Tot die relatie, die gemeenschap, roept God Zelf op. Paulus schrijft: “God is getrouw, door wie je bent geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Heer” (1 Kor. 01:09).

Dit woord daagt uit om een keuze te maken, te kiezen voor een relatie met Jezus Christus.

In haar laatste column in Trouw haakt Aleid Schilder in op de discussie. Zij meent, en velen met haar, de antwoorden te kunnen vinden in het holistisch- of nieuwetijdsdenken.

Zij schrijft: ‘Holistisch- of nieuwetijdsdenken, door de eeuwen heen altijd al aanwezig geweest maar nu op veel groter schaal doorbrekend, lost die problemen op omdat het een groter denken betreft, met meer niveaus. Reïncarnatie en geestelijk genezen zijn logische onderdelen binnen het oneindige verhaal van God en mens. Openbaringen in de vorm van channeling en helder­ziendheid eveneens’.

Het is een leugen. Alleen Jezus Christus is de waarheid. Door de gemeenschap met de Heilige Geest kunnen Gods antwoorden ons bereiken.

Natuurlijk zitten er bezwaren aan de grote manifestaties als EO-dagen, Vierhoutenconferenties, enorm op­gezette Praise-avonden. Dat onder­kennen hun organisatoren beter dan wie ook.

Het zijn echter evangelisatiedoelen. Bij zeer velen zijn daar de veran­deringen begonnen omdat ze voor de keuze werden gesteld en gehoor gaven aan Paulus’ oproep de ge­meenschap aan te gaan met de Heer Jezus Christus. Uiteraard is daar ook kaf bij. Maar ook het kaf moet openbaar komen. Wim Jansen gaat de mist in als hij schrijft: ‘Mijn bezwaar tegen de EO- benadering is dat men te vroeg wil oogsten: er wordt gedwongen tot een keuze. Een keuze die de meeste jongeren nog niet kunnen maken. Waarbij het dan nog de vraag is of er op die manier een keuze van ons gevraagd wordt’.

Een gedwongen keuze is uiteraard geen keuze meer. Elke keuze berust op vrije wil. En zonder het persoon­lijk kiezen voor het Discipelschap van Jezus Christus zal er geen enke­le nieuwe schepping gerealiseerd worden.

De theoloog Jansen onthoudt jongeren en ouderen de keuze die nu juist hun oude leven totaal verandert. Ik mis in zijn betoog de woorden verandering, het opnieuw geboren mogen worden, vervuld te zijn van de Heilige Geest.

Geen vrijblijvend evangelie

Het Evangelie is niet vrijblijvend. Het is een belediging van het Koninkrijk der hemelen als wij het Evangelie vrijblijvend prediken. De christen-jood Petrus draait er niet om heen als hij het zijn eigen volk en ons toeroept: “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden ven verademing mogen ko­men van het aangezicht des Heren” (Hand. 03:19).

Terecht geeft de emeritus-predikant R. van den Berg tegengas. ‘Laten we nu toch eens een keer ophouden elkaar als christenen een lachspiegel voor te houden of aan de schandpaal te binden. Ik blijf van mening dat een kerk, die op een enthousiaste wijze Christus presen­teert, die niet vanzelfsprekend en vrijblijvend is en die zich op een hartverwarmende wijze richt op haar basistaken, toekomst heeft’. Wie door wedergeboorte en Geestesdoop in gemeenschap met Christus leeft, een levende relatie met Jezus heeft, ontvangt in een weg van geestelijke groei Gods antwoor­den. En die komt, zonder in leer­stelligheden te vervallen, toch steeds uit bij het levende Woord van God.

De Chinese prediker Samuël Lam verkeerde 21 jaar lang in gevangen­schap zonder Bijbel. In de meest moeilijke en vernederende omstan­digheden kon hij slechts putten uit zijn herinnering. Steeds bracht Gods Geest hem de juiste woorden te binnen. Woorden die klopten.

Er is geen twijfel mogelijk. Gods woorden kloppen wel degelijk. Alleen niet op menselijke wijze, maar door de Geest toegepast. Samuël Lam paste ze toe door de Heilige Geest. Zijn hart bleef zacht! Zo heet dan ook het boek over hem geschreven (uitgave Gideon). Wie met zijn hart onder de leiding van Gods Geest het Woord als het ware binnengaat, ervaart hoe waar alle woorden Gods zijn en dat ze kloppen. Niet gevangen in wat voor systeem dan ook, maar levend ge­maakt door de Geest. De Bijbel is een geestelijk boek en voor geen ander doel gegeven dan om gees­telijk leven voor ziel, geest en lichaam te verwekken.

Een laatste opmerking: Het valt mij op hoe de Heer vele gemeenten, ik hoor en lees dat, meer dan ooit erop wijst dat het Hem allereerst er om gaat dat wij met Hem een relatie zullen hebben. Een relatie zuiver en eerlijk waarin Jezus Zichzelf geheel en al kwijt kan. Machtig dat wij zo’n Heer mogen toebehoren!

 

 

Actief zijn door Gert Jan Doornink

Waarom zijn zoveel kinderen Gods vaak gespannen, angstig en onzeker? Omdat ze niet leren op ontspannen, vreugdevolle wijze ‘in­vulling’ te geven aan hun nieuwe leven in Christus.

Deze invulling bestaat niet in de eerste plaats in het ‘actief zijn voor de Heer’ wat wel eens gedacht wordt. Vaak is dit een doekje voor het bloe­den, want dikwijls blijkt dat dit niet gebeurt vanuit de rust en de vrede in Christus, maar vanuit een dwangmatigheid die niet behoort bij het waar­achtig getuige zijn wat van ons gevraagd wordt. Het ‘veel geschreeuw en weinig wol’ is op veel christelijke activiteiten van toepassing. Is ‘actief zijn’ dan niet goed1 Natuurlijk wel, maar altijd vanuit een gezond harmonisch leven, dat vrij is van vreemde beheersers. Een christen die vol is van Gods Geest, en daardoor leeft in gemeenschap met zijn Heer, open­baart in het gewone dagelijkse leven dat het ‘nieuwe-schepping-zijn’ geen verborgen aangelegenheid is. Het komt, bij wijze van spreken, automatisch tevoorschijn. En daardoor beantwoorden wij aan het verlangen van Jezus dat wij het ‘zout der aarde’ en het ‘licht der wereld’ zijn.

 

Nieuwe plannen door staatsecretaris door Redactie

Vorige maand maakte de staatssecretaris van Justitie, mevr. Schmitz, de nieuwe plannen be­kend betreffende ‘de aanpassing van het familierecht aan de maat­schappelijke veranderingen’. Duidelijk is dat de niet-huwelijkse samenlevingsverbanden een wet­telijke basis gaan krijgen en de betekenis van het traditionele huwelijk, zoals bijvoorbeeld De Telegraaf schreef (waaruit ook bijgaande tekening werd overge­nomen), verder wordt uitgehold. Het past geheel in het kader van het overboord zetten van de normen en waarden in deze tijd. (Zie ook ons artikel van vorige maand).

Maar hoe wordt er binnen de waarachtige gemeente van Chris­tus aangekeken tegen het huwelijk? Zijn er ook onder ‘wedergeboren christenen’ niet vele echtscheidin­gen? Duidelijk is dat ook vele christenen zich laten meesleuren

door de ‘geest van deze tijd’. Hessel Hoefnagel gaat in deze diepgaande Bijbelstudie in op de oorsprong van het huwelijk zoals God dat in gedachten had. Hij laat daarbij duidelijk zien hoe ‘de mens naar Gods beeld en de plaats van het huwelijk daarin’ onlosmakelijk met elkaar in verband staan. (red.).

 

Het huwelijk in het plan van God Door Hessel Hoefnagel

 

Vele oprechte gelovigen in onze (welvaarts)maatschappij worden geconfronteerd met een toenemen­de vrijblijvendheid ten aanzien van het huwelijk. Daarom is het goed, hiervan de Bijbelse uitgangs­punten nog eens goed te bezien.

De eeuwige God schiep als climax van de gehele schepping en geheel daarmee verbonden de mens. Hij bedoelde deze Adam (mens) als beeld en heerlijkheid van Zichzelf in Zijn uiteindelijke openbaring. Hij schiep daartoe de mens als man én vrouw. Deze laatste niet alleen als hulp, die ’te­genover’ de man geheel bij hem zou passen.

De Schepper bedoel­de de vrouw óók als ‘heerlijk­heid’ voor de man en formeerde haar als diens component, dit is een samenstellend deel van één geheel, zoals in Zijn doelstelling besloten lag (Gen. 02:18 en vgl. 1 Kor. 11:07-08).

De man kon bij het aanzien van zijn vrouw dan ook in verrukking uitroepen: ‘Deze is been van mijn been en vlees van mijn vlees’.

Hij noemde haar Mannin, omdat zij uit hem was genomen (Gen. 02:20-25).

De eeuwige verhouding tussen God en mens

In dit summier beschreven bijbels gegeven zit een belangrijk princi­pe verborgen met betrekking tot de door de Schepper beoogde eeuwi­ge verhouding tussen Zichzelf en de mens.

Adam (en daarmee diens hele na­geslacht) is naar het innerlijk uit God voortgekomen. De bedoe­ling van de Schepper is dat de mens na een zelfstandige ontwik­keling in het aardse lichaam ook weer tot God zal terug keren. De geest van de mens begeert Hij met jaloersheid, dat wil zeggen met een ijver vanwege het gestel­de doel en vanwege Zijn wettig eigendom.

Als een rups, die tot vlinder wordt, zal de mens in haar innerlijk moe­ten worden omgevormd tot godde­lijk niveau. De ‘levende ziel’ moet in deze metamorfose worden tot een ‘levendmakende geest’ (1 Kor. 15:44-49 en

Jak. 04:05).

Dit proces wordt in het Nieuwe Testament aangeduid als ‘wederge­boorte’. Deze is volgens de uit­spraak van de Heer Jezus Zelf daarom absoluut noodzakelijk om het Koninkrijk van God te zien en binnen te gaan (Joh. 03:03-05). Dit betekent voor de mens: de blijdschap, vrede en gerech­tigheid van het Koninkrijk van God als een van God afkomend geschenk ervaren en het zelfstandig vervuld worden met het wezen van God, dat wil zeggen vervuld zijn met heilige Geest en in staat zijn om goddelijk ‘leven’ door te geven aan de mede­mens.

De mens is bestemd tot een eeuwi­ge relatie met God. De gedachten van God en de expressie daar­van in Zijn Woord dalen daartoe als de regen en de sneeuw neer op de mens als ‘levende ziel’. Ze doorvochten haar en maken haar vruchtbaar, dit is bruikbaar voor het doel van God. Ze doen haar uitspruiten als werkelijk mens, die in staat is om de gedachten van God als ‘brood’ uit te delen (zaai­en), zodat hongerende mensen kunnen ‘eten’ en verzadigd wor­den. Op deze wijze zullen naar Gods bedoeling Zijn gedachten door middel van het Woord uit­gaan als uit Zijn ‘mond’ en weer vol vrucht tot Hem terugkeren (lees Jes. 55:08-11).

Omdat God niets van wat Hem toebehoort zomaar uit Zijn hand laat rukken, rust Hij niet voordat Hij alles heeft gedaan om de mens te redden uit de klauwen van Dood en dodenrijk.

Het huwelijk als beeld van God

Direct nadat de Schepper vanuit de man de vrouw had gefor­meerd, voegde Hij hen beiden weer samen tot één geheel. Dit ge­geven is de basis van het door God Zelf ingestelde huwelijksver­bond en een belangrijke afspiege­ling van de door Hem beoogde verhouding tussen Zichzelf en de mens (Gen. 02:24).

Niet slechts vanwege en na de zo genoemde zondeval, maar ook al daarvóór zou uit deze (huwe­lijksverhouding tussen God en mens de ware, door de Schepper bedoelde mens ontstaan. Daarvoor dient de mens in gehoorzaamheid het juiste funda­mentele onderricht te ontvangen en te gebruiken en daarop aanslui­tend de nodige ‘vaste spijs’. Zo­wel bij het één als het ander geldt de noodzaak van een persoon­lijke inzet en bereidheid. Alleen zó bereikt de mens het ‘mens zijn naar Gods beeld en ge­lijkenis’. Was deze weg door de zondeval van het eerste mensen­paar geblokkeerd, zij is door de ge­hoorzame inzet van onze Heer Je­zus weer geheel geopend.

Al begint de geschiedenis van de mens bij de schepping van hemel en aarde, in de eeuwigheid daar­vóór was de mens al als centraal doel in Gods gedachten. Terwille van de juiste ontwikkeling van de mens zijn alle dingen geschapen, zowel in de hemel (geestelijke we­reld) als op aarde (natuurlijke we­reld).

In het zo genoemde ‘plan van God’, dat het volkomen effectief functioneren van de hele schep­ping omvat, staat de ware mens centraal als ‘beeld van God’ (Kol. 01:15-17).

God schiep dus de mens als man én vrouw. Samen als eenheid ver­bonden. De man als ‘hoofd’ van de vrouw en de vrouw als ‘heer­lijkheid’ van de man

(lees 1 Kor. 11:03-07).

In de voortgang van de openba­ring van de gedachten van God is de man dan allereerst beeld van Jezus Christus als Hoofd van Zijn gemeente. De vrouw is dan de uitdrukking van dit ‘lichaam van Christus’. Deze is als ‘vrouw des Lams’ Zijn ‘heerlijkheid’. Door de voortgaande vervulling met het wezen van God (vervulling met heilige Geest) zal er uiteindelijk een totale mensheid ontstaan, waarin God Zelf ‘alles in allen’ is. De ‘vrouw des Lams’ is dan uitge­groeid tot een hele herstelde mens­heid en heeft zich gereed gemaakt om ‘vrouw van God’ te zijn.

In het denken en beleven van de (hedendaagse) godsdienstige mens met betrekking tot haar ver­houding tot God zijn/worden van­wege gebrek aan het juiste inzicht te gemakkelijk onjuiste of niet ge­heel juiste conclusies getrokken. In kerkelijke of gemeentelijke organisatiepatronen worden deze bo­vendien maar al te vaak gesteld tot min of meer verplichte formu­les aangaande denk- en leefwijze van de aangesloten leden. Het trieste gevolg van deze opge­legde wetten is dat het ware bele­ven van persoonlijke en gemeen­schappelijke waarden met betrek­king tot de immer voortgaande openbaring van Jezus Christus binnen het genoemde plan van God, ernstig wordt geblokkeerd. Vele oprecht naar God zoekende gelovigen zijn/worden zo ong­eschikt gemaakt voor de niet te stuiten voortgang in de openbaring van het Koninkrijk van God.

In de gelijkenis van de ‘wijze en dwaze maagden’ gaf de Heer Je­zus al aan, dat velen in de eindtijd niet blijken te zijn voorbereid en toegerust voor de snel naderen­de openbaring van de ware ge­meente van Jezus Christus bin­nen het Koninkrijk der hemelen. Er is veel activiteit in de gods­dienstige wereld, maar het geloof in de overwinning van het ‘eeuwig voornemen’ van God zal met het toenemen van de demonische druk blijken onvoldoende aanwe­zig te zijn.

Gods beeld en heerlijkheid

Wat wil het zeggen, dat de mens bedoeld is als beeld en heerlijk­heid van God? De eeuwige God is immers enkel Geest! De ware God heeft de mens zelfs van oor­sprong af verboden een zichtba­re afbeelding van Hem te maken, zoals de heidenen in vele varia- lies doen. De boze geesten, die zich middels deze beelden laten gelden, pressen de mens ertoe hen af Ie beelden en dwingen ze om zich middels stenen, houten en metalen voorwerpen of via soor­ten uit de planten- en dierenwe­reld met hen te verbinden.

Noch steen, hout of enig ander materiaal of welke dier- of planten­soort dan ook, kan echter de eeu­wige God verbeelden in Diens al­macht, heiligheid, gerechtigheid en liefde.

Alleen de ware mens in diens pu­re, innerlijke gestalte, zoals de Schepper haar Zelf heeft bedacht en als geestelijk wezen heeft sa­mengesteld, is een door Hem ge­wilde weergave van Zichzelf als de Onzienlijke en eeuwige God. Deze mens weerspiegelt als weder­geboren vanuit de dood door mid­del van het levende en blijvende woord van God, het beeld en de heerlijkheid van God. Hierbij geldt een ontwikkeling tot volkomenheid, zoals een natuur­lijk mens groeit van kind tot volwas­senheid.

Het natuurlijk lichaam heeft God kunstig en volmaakt samengesteld om als ‘woning’ voor deze mens te dienen. Dit uiterlijk lichaam is daarmee een afspiegeling van de (ware) innerlijke mens (2 Kor. 03:18 en 1 Petr. 01:23).

Zoon van God en mens

Niet Adam, maar onze Heer Jezus heeft als de ware mens! het be­doelde beeld van God weergege­ven. Daarom is Hij ons grote voor­beeld in onze doelstelling. Hij is de ware Zoon van God (Vader) en tegelijk de ware Zoon van de mens (moeder).

Behalve het door de Schepper in de aanvang geschapen mensen­paar heeft ieder natuurlijk mens zo­wel een vader als een moeder. Dit principe geldt niet slechts het aardse, natuurlijke, maar ook het hemelse, geestelijke. Ook de door bekering en geloof in God nieuw­geboren mens heeft een Vader (God) én een moeder (de natuurlij­ke mens). Deze laatste heeft ge­hoor gegeven aan het Woord van God (Rom. 10:17) en is daar­door tot wedergeboorte gekomen. Zowel de vader als de moeder zijn verantwoordelijk voor de juiste ontwikkeling van het door hen ver­wekte nieuwe leven. Zo stelt zich de Vader in de hemel garant voor dit nieuwe leven en laat niet toe, dat het uit Zijn hand wordt gerukt (vgl. Jes. 49:16 en Joh. 10:28-30).

Al tijdens de rondwandeling van onze Heer Jezus klonk meermalen de goedkeuring van de Vader in de hemel aangaande Zijn weergave van de door de Schepper bedoelde mens : ‘Deze is Mijn geliefde Zoon, in wie Ik mijn welbehagen heb, hoort naar Hem’ (Matt. 17:01-05 en 2 Petr. 01:17).

Aan de eerste Zoon, die zo zijn roeping tot het doel van God door alles heen getrouw heeft weergegeven, heeft de eeuwige Schepper alle macht gegeven in hemel (wereld der geesten) en op aarde (natuurlijke wereld). Het is echter de wil van God, dat er véle van deze zonen zullen op­staan en naar dat (voor)beeld openbaar zullen worden.

Tezamen zullen deze zonen als Hoofd en lichaam met elkaar ver­bonden, zich openbaren ten be­hoeve van de zuchtende schep­ping (Rom. 08:19). Uiteindelijk heeft God zelfs de hele mensheid bestemd om tot dit ‘zoonschap’ te komen en daarmee tot het ware ‘beeld­drager van God’.

Wat maakt de mens tot beelddrager van God?

Niet het kind-van-God zijn, zoals velen belijden, maar het zóón-van- God zijn, en daarmee het even­beeld van de Heer Jezus, maakt de mens tot dit door de Schepper bedoelde beeld van God. In deze doelstelling moeten we daarom de Heer Jezus niet ‘op af­stand’ plaatsen en tot een deel van een vermeende Goddelijke ‘drie-éénheid’ maken. Daarmee ma­ken we namelijk de opdracht van onze God om deze ‘Eersteling’ ge­lijkvormig te worden, tot een on­mogelijke zaak. Ook doen we dan tekort aan het mens-zijn zoals God vanaf de eeuwigheid bezig is te bewerken. Dat is waarachtig zoonschap. Het begrip ‘zoon’ heeft altijd betrekking op het ware mens-zijn.

Ook vóór de zondeval van de mens gold reeds het principe van ontwikkeling van éérste (natuurlijk georiënteerde) mens via vervul­ling met de Geest van God tot het bereiken van het wezenlijke mens­zijn als beelddrager van God.

Toen echter na de ongehoorzaam­heid van Adam de ontwikkeling tot ‘geboomte des levens’ geblok­keerd werd (Gen. 03:22-24), kon deze de opdracht hiertoe niet meer volbrengen. Eerst zou deze blokkade moeten worden verwij­derd en de juiste ontwikkeling tot het ware mens-zijn weer in gang moeten worden gezet. De mens zou weer moeten komen in de weg tot vervulling met het wezen van God. Dit alleen bewerkt het bereiken van de volkomenheid naar geest en ziel (innerlijke mens) en tenslotte ook het lichaam (uiterlijke mens). Dit laatste vormt als een ‘gewe­ven kleed’ de voltooiing van dit wonderlijke proces tot volmaakt­heid. De gelovige wordt ‘overkleed’ in plaats van ‘naakt’ achtergelaten (2 Kor. 05:01-05).

Zelfs is het mogelijk, dat dit ‘ge­bouw van God in de hemelen’ al tij­dens het nog verblijven in de ‘aardse tent’ wordt opgewekt van­wege de zich openbarende kracht van het evangelie van God. De mens wordt dan in ‘een punt des tijds, een ondeelbaar ogenblik’ ve­randerd tot onsterfelijkheid. De verheerlijkte mens neemt dan haar intrek bij de reeds bij diens opstanding verheerlijkte Heer. De nog invloed uitoefenende Dood (persoonlijkheid!) wordt tenietge­daan en ‘verslonden in de over­winning” (1 Kor. 15:50-54). Het ‘geheim van God’ met betrekking tot de mens is dan voleindigd (Openb. 10:07).

Een zuiver huwelijk

Een zuiver huwelijk (dat slechts tussen man en vróuw gesloten kan worden) heeft zoals gezegd haar oorsprong in de van God uitgaan­de begeerte naar een partner op ‘gelijkwaardig’ niveau. De Heer Jezus wees al op het be­langrijke oorspronkelijke uitgangs­punt voor het huwelijk, zoals dat geldt vanaf het begin. Toen de godsdienstige leiders van het volk der Joden hem wilden verzoeken met een strikvraag aangaande hu­welijk en echtscheiding, sprak Hij duidelijke taal (lees Matt. 19:01-12).

Homoseksuele en lesbische ver­bindingen, welke niet alleen in maatschappelijke, maar ook in ker­kelijke sfeer steeds meer worden geaccepteerd als gelijkwaardig aan het normale huwelijk, kunnen nim­mer een zuiver beeld geven van de door God beoogde relatie tussen Zichzelf en de ware mens. Onze God hecht daarentegen aan een zuivere beeldstelling ten aanzien van Zijn plan, getuige de nauwgezet uitgestippelde ere­dienst voor het volk Israël in het Oude Testament. Hij haat ook de zo gemakkelijk gehanteerde echtscheiding en het ontrouw wor­den aan” de vrouw (man) van de jeugd (Mal. 02:10-16).

Drie kernteksten in de Bijbel

  1. “… En God zeide: Laat óns mensen maken naar óns beeld en als ónze gelijkenis… En God schiep de mens naar zijn beeld (én) naar Gods beeld schiep Hij hém, man en vróuw schiep Hij hen” (Gen. 01:26-27a).

Het gaat hier kennelijk om: de mens naar diens eigen beeld, dus als een door de Schep­per bedoelde zelfstandige persoon­lijkheid en

de mens als een beeld van de eeuwige en onzienlijke God.

Deze tweeledige uitbeelding van de gedachten van God wordt door de mens weergegeven in het on­derscheid van man en vrouw, wel­ke tezamen in één huwelijk met el­kaar zijn verbonden tot één vlees (Gen. 02:24). In dit beeld geldt als belangrijk gegeven, dat de vrouw uit de man genomen is.

Beeld zijn van de onzienlijke God, die enkel Geest is, kan alleen de mens, die tot dat doel geschapen is en evenals God zelf een gééstelijk wezen is.

De apostel Paulus citeerde in dit verband bij zijn verblijf in Athene, toen zijn geest in hem geprikkeld werd door de velerlei afgoderij, énige Griekse dichters en bevestig­de dat ook zelf in zijn uitspraak: ‘Wij zijn van Gods geslacht’ (Hand. 17:28-29).

De mens is echter ook onderdeel van de zichtbare (bezielde) schep­ping middels het lichaam, dat tot de aarde behoort.

Dit kunstig samengestelde lichaam is een afbeelding van het innerlijk van de mens, dat in verheerlijkte zin een ‘afstraling’ is van Gods heerlijkheid en een afdruk van Gods wezen’ (vgl. Heb. 01:03). De verhouding tussen het zichtba­re en het onzichtbare staat ook in dit verband als schaduw ten op­zichte van werkelijkheid.

Om de aanduiding ‘ons’ en ‘onze’ in (Gen. 01:26) goed te inter­preteren, is een helder inzicht no­dig ten aanzien van het genoem­de ‘eeuwig voornemen’ van de Schepper. De nog wel eens aan­gevoerde gedachte als zou dit Goddelijk denken voor de mens een immer gesloten boek zijn, wijs ik op grond van de voortgaande openbaring van de hand. Ook de alom gehanteerde interpre­tatie, waarin de aanduidingen ‘ons ‘ en ‘onze’ van toepassing wor­den geacht op een verondersteld meervoudig Opperwezen, kan ik niet onderschrijven. Deze veron­derstelling, welke voor velen als een verplicht te accepteren leer­stuk geldt, schept namelijk een enorme afstand tussen de eeuwi­ge God en de (vaak ook nog als van oorsprong zondig gekenmerk­te) mens. Onze God zou dan een onberekenbaar en willekeurig han­delend Wezen zijn, waarvan niet

door enige ‘zekerheid van geloof’ valt te zeggen, hoe Hij zal beslis­sen. Deze interpretatie is geheel in strijd met het zich openbaren­de Goddelijke verlangen naar het door Hem daartoe geschapen we­zen mens.

Vers 27 geeft een verdere aanwij­zing voor het verlangen van God naar een ‘gelijkwaardige’ persoon­lijkheid, waarmee Hij zich tot in eeuwigheid wil verbinden. Een per­soonlijkheid, welke als Zijn verte­genwoordiger de bezielde en zicht­bare schepping zal besturen en tot ongekende ontwikkeling bren­gen.

In (Gen. 01:26-27) gaat het over de éérste, natuurlijke mens als man én vrouw. De Heer Jezus stelde later, dat dit onder­scheid in de ‘opstanding’, dus van­af de bereikte volkomenheid naar geest, ziel en lichaam, niet meer geldt. In die status wordt niet meer gehuwd of ten huwelijk geno­men (Matt. 22:30). De getalsmati­ge ontwikkeling van de mensheid heeft dan een volheid bereikt. Voor het huwelijk als schaduw­beeld is dan de werkelijkheid in de- plaats gekomen. Het gaat daarin voor ieder individu over het ver­vuld wezen met heilige Geest of­wel met het wezen van God. De mens moet zich allereerst ‘met Christus bekleden’ en in de voort­gang van de openbaring van de ware mens met God Zelf, zoals de vrouw in het huwelijk zich met de man verbindt. In die laatste fase van de openba­ring van het plan van God is geen sprake meer van ‘mannelijk of vrouwelijk’ (Gal. 03:26-28) en zal God Zelf ‘alles in allen’ zijn (1 Kor. 15:28).

Ook het natuurlijke begin van de mens is betrokken bij haar vorming tot het volkomen mens-zijn naar de oorspronkelijke bedoeling van de Schepper. De genoemde aandui­dingen ‘óns beeld’ en ‘ónze gelijke­nis’ zijn in dat kader te plaatsen en- te begrijpen. De eeuwige God schakelt zo mogelijk de (individue­le) mens geheel in als Zijn mede­werker tot het bereiken van diens volkomenheid naar geest, ziel en lichaam (1 Thess. 05:23).

God schiep de eerste Adam aller­eerst naar diens eigen beeld, dus als een zelfstandig wezen binnen een persoonlijke verantwoordelijk­heid en met een eigen taal en cultuurontwikkeling. Hij schiep hem echter ook naar Góds beeld. Dit wil zeggen: namens Hem en evenals Hij léven doorgeven. Als ‘geboomte des levens’ onophoude­lijk vrucht dragen. Vruchten die ge­vormd zijn vanuit de verbinding met de rivier van het water des le­vens’, welke ontspringt aan de troon van God en het Lam. Vruch­ten, welke dienen tot genezing en herstel van opgelopen beschadi­gingen (Openb. 22:01-02).

De Schepper heeft de mens van eeuwigheid af bedoeld als Zijn eeu­wige partner, welke met Hem geze­ten zal zijn in Zijn troon (vgl. Openb. 03:21). De mens is daar­om van ‘gelijkwaardig’ niveau als God en bedoeld als Diens ‘hulp tegen­over Hem’ (vgl. Gen. 02:18).

  1. “Ten tijde dat de Here God de- hemel en de aarde maakte…, formeerde Hij de mens van stof uit de aardbodem en blies levens­adem in zijn neus. Alzo werd de mens tot een levend wezen” (Statenvert.: levende ziel) (Gen. 02:04b-07).

De éérste mens werd tot een ‘le­vende ziel’. Dat is een absoluut vereiste om tot het niveau van ‘le­vendmakende geest’ te komen, zo­als onze Heer. De mens als ‘leven­de ziel’ is verbonden met de aar­de door middel van het aardse

lichaam, dat uit de elementen van de aardse materie is samenge­steld. De persoonlijke eigenschap­pen (karakter) van de individuele natuurlijke mens kunnen via de voortplanting middels man en vrouw, overgaan op het nageslacht.

Door de levensgeest (levensadem), die de Schepper in de mens deed wonen (vgl. Jak. 04:05), is de mens evenals God Zelf een geestelijk we­zen, in staat om te ‘heersen’, on­derscheiden van de engelen als dienende geesten (Heb. 01:14). De mens is ook verheven boven de dieren en zeker geen veredeld dier, zoals de evolutieleer doet ge­loven.

Als geestelijk wezen heeft de mens de mogelijkheid om te existe­ren in de wereld van de geesten. Vanwege de boze machten, welke de mens vanuit het duistere klimaat van het rijk van de Dood belagen en trachten te verstrikken, is het hem door God ten strengste ver­boden om zelfstandig kontakten te leggen met andere geesten dan God zelf.

Van God uit geldt het verlangen om met de mens als geestelijk we­zen om te gaan en deze vanuit Zijn enorme potenties tot haar ver­heven bestemming te brengen. Daarbij is sprake van een heilige jaloersheid van Godswege, om­dat Hij de mens alleen voor zich­zelf heeft verworven tot Zijn wet­matige (nu nog ‘ondertrouwde’) vrouw (Jak. 04:05). Als vrouw van God is de mens bestemd om de ‘vrucht’ van God voort te bren­gen. Daartoe stort Hij sinds de overwinning van Jezus Christus over duivel en Dood Zijn heilige Geest uit in een ieder die Hem daarom gelovig vraagt. Deze Geest is tegelijk ook de Trooster, die onze hoop op de heerlijke toe­komst levend houdt en onze har­ten versterkt om in alle goed woord en werk bezig te kunnen blijven (2 Thess. 02:16-17).

De geestelijke mens, welke is vrijge­komen van de claim van de zonde(macht) en de Dood, is de ‘mens uit de hemel’. Deze ont­staat vanuit de hemelse interpreta­tie van Gen. 1:26-27. Zoals wij het beeld van de stoffelij­ke Adam dragen, zo zullen we ook het beeld van de hemelse Adam dragen. Dit beeld is wat on­ze God vanaf de eeuwigheid voor ogen heeft. Als hemelse mens zullen we dan in staat zijn God te kennen ‘van aangezicht tot aan­gezicht’ (vgl. 1 Kor. 13:12 en 1 Kor. 15:45-49).

  1. “Hij (God) heeft ons verlost uit de macht der duisternis en over­gebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde… Hij (die Zoon) is het beeld (en de heer­lijkheid) van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping. Want in Hem (deze Zoon) zijn alle dingen gescha­pen… Hij is het begin, de eerstge­borene uit de doden…, want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken” (Kol. 01:13-20).

In deze Eerstgeborene van de gan­se schepping en ook het begin der (de aanleiding tot de) schep­ping Gods (Openb. 03:14), zijn al­len begrepen, die door God geroe­pen zijn tot de zelfde heerlijkheid. Een totaal ‘lichaam’ dus. Door ook hier het begrip ‘zoon­schap’ uitsluitend te betrekken op onze Heiland Jezus Christus, wordt opnieuw weer een grote af­stand geschapen tussen de Heer Jezus en diegenen, die door Hem tot mens-naar-Gods-bedoeling ko­men.

Datgene wat hier geschreven is met betrekking tot onze Heer, geldt evenzo voor ons, die gelo­ven in het zoonschap Gods. De Heer Jezus is en blijft de Eerstgebo­rene, maar diegenen, waarin door Zijn daadstelling eveneens de Geest van God volop functioneert, zijn heel nauw met Hem verbon­den tot één lichaam. Dit lichaam is het uitvoeringsor­gaan met betrekking tot de realisa­tie van het ‘eeuwig voornemen’ van onze God. Absoluut niet zon­der de inzet van Zijn gehele lichaam voert de Heer Zijn op­dracht uit. Pas wanneer alle din­gen in hemel en op aarde tot volle­dig herstel zijn gekomen, zal Hij als Hoofd van Zijn lichaam Zijn op­dracht aan de Vader teruggeven, zodat daarna God Zelf ‘alles in al­len’ zal zijn (1 Kor. 15:28).

Het heerlijke schaduwbeeld van het huwelijk

In het beeld van het huwelijk tus­sen man en vrouw zit het heerlij­ke schaduwbeeld verborgen van de exclusieve weg, waarlangs wij als mens met God verbonden, ko­men tot de goddelijke bestem­ming. Daarom staat de mens cen­traal in het evangelie van onze Heer Jezus Christus. Dit is ook het evangelie van God. Hij heeft deze heerlijke weg bedacht en houdt daaraan vast.

Genoeg reden voor ons om ook met dit beeld zuiver om te gaan in een (godsdienstige) wereld, waar­in dit steeds meer onder druk komt te staan en waarin men geneigd is hiervoor zelf karikaturen te be­denken.

God heeft de mens lief. Niet zo­maar, omdat Hij niet anders zou kunnen en ongeacht hoe de mens zelf leeft, maar vanuit Zijn eeuwige doelstelling. Laten we deze waarheden goed beseffen en ons beschikbaar stellen voor dit verheven doel.

Onze God zal niet rusten, eer al­les functioneert naar Zijn wetten. Daarvoor heeft Hij Zijn Zoon ge­zonden en in Hem is Hij bezig ve­le zonen te openbaren, zodat uiteindelijk de hele mensheid vol zal zijn van Zijn heerlijkheid (vgl. 1 Kor. 15:28).

Vanuit de gedachte van zelfstan­digheid heeft God de mens als zelf­standige ‘zoon’ bedoeld en niet slechts als onmondig kind.

Dit zoonschap draagt een duidelij­ke (mede)verantwoordelijkheid. God heeft ons tot ‘gelijkvormig­heid aan het beeld van dit zoon­schap’ bestemd naar het voorbeeld van onze Heer Jezus, die de ‘Eerst­geborene onder véle broeders’ genoemd wordt (Rom. 08:29).

 

 

 

De weg van Elend naar Sorge door Froukje Huis

Hotsend en botsend rijdt het stoomtreintje door het bos. Rookslierten schieten voorbij het raam en de stoomfluit gilt bij elke onbewaakte overweg. Op de harde houten banken worden we flink door elkaar geschud, al rijdt de trein hoogstens 30 km per uur. ‘Het is een heel eind’, zeg ik ongerust. Niet meer dan 7 km en dat is best te lopen, vindt mijn echtgenoot. Ja vandaag zullen we een wandeling maken van Elend (ellende) naar Sorge (zorg), twee dorpjes in de Harz. De trein mindert vaart en even later staan we op het station Elend. Na enig zoeken en vragen zijn we eindelijk aan het begin van het pad dat ons naar Sorge moet brengen. ’t Is prachtig weer en in de schaduw van de bomen is het heerlijk wandelen. ‘De kaart hebben we niet meegenomen, hè?’ vraag ik. ‘We hebben het immers samen bekeken, het gaat rechttoe rechtaan door het bos’, is het antwoord. De vogels zingen uit volle borst, zodat we er blij van wor­den. Verder is er stilte, die alleen af en toe verstoord wordt door de stoomfluit van het treintje. We komen niemand tegen, het lijkt wel of we de enige mensen zijn. Op een omgehouwen boomstam eten we onze mee­gebrachte lunch. ‘Wat een rust hier’, zeggen we tegen elkaar. Dan gaan we weer verder, nu door het open veld. ’t Is inmiddels warm geworden en hier is weinig schaduw. ‘Hoe ver zouden we zijn?’ vraag ik voorzich­tig. ‘Ver over de helft’, verzekert Dick. Het weinig gebruikte pad wordt steeds onduidelijker en wegwijzers ontbreken nu geheel. We stappen echter moedig voort, gedachtig Psalm 84: ‘Zij gaan van kracht tot kracht voort!’ (en niet van ‘ellende’ naar ‘zorg’). Eindelijk schemert de weg door het bos, nog even en we hebben weer vaste grond onder onze voeten. Maar een mens is niet gauw tevreden. Op de weg is het nog warmer dan in het bos en bij de eerste zijweg besluiten we het bos weer in te gaan. Nu hadden we graag even op de kaart gekeken maar helaas, die ligt thuis. Halverwege het lange bospad komt ons een wandelaar tegemoet, die ons bevestigt dat aan het eind van het bos een pad is naar Sorge. Gelukkig is het eind in zicht. Daar is de wegwij­zer al!

Maar… tot mijn ontsteltenis zie ik: Tanne 1,8 km (daar logeren we), Sorge 3,5 km (daar staat de auto). We halen even diep adem… en daar gaat ie weer. Na drie kwartier staan we bij de auto. Als we thuis de kaart bekijken, blijkt dat we er langs de weg in een kwartiertje waren geweest.

Zoiets overkomt iedereen wel eens en de uitdrukking: ‘Hadden we maar…’ zal niemand vreemd voorkomen. Nu was er niets onoverkomelijks gebeurd, maar hoe gaat het als we op onze geestelijke weg het verkeerde pad inslaan? Misschien komen we langs een omweg met veel pijn en moeite toch bij het doel. Maar het is veiliger om steeds ‘de kaart’ (Gods Woord) mee te nemen. (Ps. 119:105) zegt immers: “Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad”. (Spr. 16:20) zegt: “Wie op het Woord acht geeft, zal het goede vinden”. En (Jes. 35:08) spreekt over “een gebaande weg, die de heilige weg genaamd wordt en de verlosten wandelen daarop”.

Wij, die in Jezus Christus geloven, zijn toch die ‘verlosten’. Voor ons is dat gebaande pas gemaakt! Voor ons schijnt dat licht en die lamp! Op dat pad zullen we al het goede vinden dat God ons in zijn Woord belooft. Dan wandelen we niet in de duisternis, dan zullen we niet verdwalen, maar we zullen voortgaan van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid. Goede reis en vergeet de kaart niet!

 

1995.09 nr. 373

Levend geloof 1995. 09 nr. 373

Persoonlijk… , door Gert Jan Doornink

Waarom leggen wij in Levend Geloof altijd weer de nadruk op het volle evangelie, het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zoals Jezus en de apostelen dat brachten? Is het misschien een stokpaardje van de medewerkers of van de eindredacteur? Of willen we anders zijn dan de anderen? Geenszins, maar wie eenmaal het volle evangelie heeft leren kennen en steeds beter leert kennen, zal ontdekken hoe waardevol en waardevast dit evangelie is. Het is dit evangelie waarvan Jezus zei dat het in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken (Matt. 24:14). Het is het enige evangelie dat het getuigenis in zich heeft, het werkt immers door in ieder facet van ons leven. Het ver­andert ons geheel en al, zodat we uiteindelijk ten voile beeld­dragers van Jezus zijn en beantwoorden aan de doelstelling van God door als zonen van Hem openbaar te worden.

Als wij het volle evangelie in ons blad niet centraal zouden stellen, zouden we geen bestaansrecht meer hebben. Gelukkig hebben we dat wel, want als er ooit een tijd is geweest dat de wereld en het naamchristendom dit evangelie nodig heeft, dan is het wel in deze tijd. Wij willen getrouw blijven aan dit evangelie, ook als sommigen menen een andere koers moeten te gaan varen. De Bijbel zegt niet voor niets dat we trouw niet bij allen vinden en dat volharding nodig is. Het kan ons soms met droefheid vervullen als we bemerken hoe sommigen dit evangelie niet meer zo belang­rijk achten. De strijd in de hemelse gewesten, het geestelijk Israël, de openbaring van het zoonschap? Overdreven, zegt men dan, om daar zo sterk de nadruk op te leggen. Men heeft niet in de gaten hoe de vijand dan bezig is het geloof in het gezonde evangelie te ondermijnen.

Gelukkig zijn er ook in onze dagen christenen die zich niet laten intimideren door de vijand. Zij blijven getrouw, en door vol te zijn van Gods Geest weten ze de vijand te ont­maskeren en te overwinnen. Levend Geloof hoort thuis in deze gelederen en naar wij hopen en geloven ook vele van onze lezers en lezeressen!

 

Wie bepaalt onze normen en waarden? Door Gert jan Doornink

 

“Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken” (Rom. 10:08).

Valt het u ook op dat er, vooral de laatste tijd, zoveel gesproken en geschreven wordt over normen en waarden? Je kunt bijna geen tijd­schrift opslaan of televisieprogram­ma bekijken, of iemand haalt wel het begrip ‘normen en waarden’ aan.

‘We moeten terug naar de beleving van normen en waarden’, wordt er dan gezegd. Maar wat bedoelt men daarmee? Iedereen geeft daaraan zijn eigen invulling, een invulling die het beste bij hem of haar past. Zo zullen moderne jonge mensen er geen enkel bezwaar tegen hebben samen te gaan wonen zonder te trouwen, terwijl zij heel an­ders aankijken tegen bijvoorbeeld homoseksualiteit, abortus, euthana­sie, dan andere, wat zij dan noemen, conservatieve mensen. Er is een groot verschil in denkwijze en be­leving van allerlei dingen, zelfs onder wedergeboren christenen. Maar laten we eerst eens gaan zien wat we onder het begrip ‘normen en waarden’ moeten verstaan en hoe we het kunnen omschrijven.

Wat zijn ‘normen en waarden’?

Eerst het woord ‘norm’. De grote Van Dale omschrijft het zo: ‘een norm is de toestand die voor een categorie van personen of zaken de gewone is, of waarnaar hij zich kan of moet richten’. Een norm is dus een regel, een richtsnoer. We spre­ken bijvoorbeeld van ‘een norm stellen’. Norm doet ook denken aan het woord ‘normaal’, watje het beste kunt omschrijven met: ‘overeenkomstig de regel’. Normaal is regelmatig, gewoon.

Het woord ‘waarde’ spreekt eigen­lijk ook voor zichzelf. Waarde is de ‘grootte van de betekenis’ die iets heeft als bezit, door gehalte, door middel tot een doel, door betrekking of door kombinatie van deze of en­kele van deze factoren. Waarde is dus de betekenis als middel tot doel. Aan iets wat ons veel waard is, of het nu materieel of immate­rieel is, hechten wij veel waarde.

De invloed van het christelijk geloof

Het leven naar normen en waarden, zoals wij dat kennen, heeft onbewust altijd een grote invloed gehad, vanuit het christelijk geloof.

Ik zeg ‘onbewust’, want als je een wedergeboren christen bent, dan wéét je dat ook. Vele wetten zoals die thans bestaan zijn, althans voor een deel, beïnvloed vanuit een chris­telijk denken. Maar hierin komt snel verandering.

Paulus spreekt in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen dat er een tijd gaat komen waarop “de mens der wetteloosheid zich zal open­baren, de zoon des verderfs, de tegenstander die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van ver­ering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is” (1 Thess. 02:03-04). Nu wordt er over dit gedeelte nogal eens verschillend gedacht hoe we ons dat precies voor moeten stellen, maar duidelijk is hier de ernstige waarschuwing van de apostel voor ons die geloven, die behoren tot de gemeente van Jezus Christus. De tegenstander probeert zelfs de waarachtige gemeente van Christus binnen te dringen. Het is daarom van primair belang dat elk gemeen­telid vol is van Gods Geest. Alleen door vol te zijn van Gods Geest kunnen we gevolg geven aan de waarschuwing van Paulus ons niet te laten misleiden!

Het proces van afval en misleiding, waarvoor vele christenen bezwijken, is al in volle gang. Juist daarom dienen wij als christenen onze ‘nor­men en waarden’ vast te houden. Niet uit een soort conservatisme of behoudzucht, die als een soort wet op ons ligt. Dan werkt het niet. Dat zien we vooral in zwaar orthodoxe kringen geopenbaard. Dan leeft men wel uiterlijk als vasthoudend aan oude principes, maar innerlijk is er geen doorwerking, geen verande­ring. ‘Bekering? Onmogelijk, om zelf je hart aan de Heer te geven. Hij moet het doen en we moeten maar afwachten of het gebeurt. Je bent en je blijft een zondaar tot de dood…’, wordt er dan gezegd.

Waartoe wij geroepen zijn

Maar als je wedergeboren bent, dan weet je dat je geroepen om het nieuwe leven van Christus, wat in je is, te openbaren. Dat houdt dus in dat je dan gaat leven naar de normen en waarden zoals God die bedoelt.

En wie is ons grote voorbeeld daarbij? Dat is Christus, de Zoon van de levende God. Hij was de eerste mens die leefde naar de normen en waarden zoals God die voor ogen stond.

Hij sprak: “Leert van Mij dan ik zachtmoedig ben en nederig van hart”, maar ook wees hij radicaal en consequent alles af wat vanuit het rijk der duisternis op Hem afkwam.

Ik vind het altijd weer prachtig zoals de apostel Petrus onze roeping om­schrijft en daarbij tegelijkertijd laat zien, waar we ons daarbij behoren te richten. Wat onze norm, onze richt­snoer is. Hij schrijft: “Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voor­beeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden” (1 Petr. 02:09)..

Hier wordt in een notendop alles over Christus (en ook over onze betrokkenheid daarbij) verteld.

Hij heeft voor ons geleden. Dat staat voorop, daar begint het mee. Hij is onze Verlosser en Zaligma­ker. Hij is de enig geschapen Zoon van God die dat kon volbrengen. Zo had God het in Zijn plan besloten, zo werd het uitgevoerd. Hij droeg onze zonden aan het kruis van Golgotha en heeft ze gestort in de zee van eeuwige vergetelheid en gedenkt ze nimmermeer. Dat heeft niemand anders gedaan en dat hoefde niemand anders te doen.

Maar Hij is ook ons grote Voorbeeld om na te volgen. En laten we goed bedenken dat ook dat heel belangrijk is. Toen Hij wegging van deze wereld was Zijn werk niet voorbij, maar je zou kunnen zeggen, begon het pas. Jezus sprak: “De werken die Ik doe, zult gij ook doen en grote nog dan deze…”. Dat be­gon op de Pinksterdag, toen de dis­cipelen, vol van de heilige Geest, spraken over de grote daden Gods en na de prediking van Petrus 3000 mensen tot geloof kwamen.

Ingeschakeld in Gods plan

En dat gaat ook vandaag door. Alleen behoren wij ons bewust te zijn dat ook wij ten volle ingescha­keld zijn in dat plan van God. En dat Hij ons pas ten volle kan gebrui­ken als wij vol zijn van Gods Geest en daardoor leven naar de normen en waarden zoals God die bedoelt.

En die ‘normen en waarden’ zien wij ten volle geopenbaard in Chris­tus. Laten we dat vooral goed vasthouden en Hem leren kennen zoals Hij is.

Hoe? Door in het Woord van God te gaan ontdekken en gelo­ven, wie Hij was, hoe Hij sprak en handelde. Hoe Hij steeds weer op radicale wijze afstand nam van het rijk der duisternis. Hoe Hij satan ontmaskerde en overwon. Ik denk aan de bekende woorden uit Johannes 10, als Hij zegt: “De dief kwam om te stelen, te slachten en te ver­nietigen; maar Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en over­vloed”.

Hier zien wij de goedheid van God (die in Jezus was) gesteld tegenover de slechtheid van de duivel.

God is een goede God

God is een goede God en de duivel is een slechte duivel, predikten des­tijds Osborn en Oral Roberts. Dat is 100% waar. God is goed en de duivel is slecht. Gods is geheel en al licht, en in Hem is geen enkele vorm van duisternis, zegt de Jo- hannesbrief.

U moet er eens op letten hoe de duivel altijd weer bezig is dat in diskrediet te brengen. ‘Er wordt te gemakkelijk gezegd dat God een goede God is’, wordt er dan opge­merkt en bij sommige kinderen Gods dringt dan de twijfel al weer binnen.

Natuurlijk moeten we de goedheid van God niet uitleggen als een soort goedigheid, een soort slapheid, zoals we dat soms aantreffen bij mensen die alles maar goedvinden. God ziet het kwaad niet door de vingers, maar heeft juist via Zijn Zoon afgerekend met het kwaad. Maar het karakter, het wezen van God is enkel goed, enkel vrede, enkel liefde, enkel licht. Geen enkele vorm van duisternis, haat, liefde­loosheid, angst hoort bij Hem. Dat komt weg bij de tegenstander.

In Christus is dat alles ten volle tot openbaring gekomen en nu is het Gods verlangen dat dit ook in ons gaat gebeuren. Daar richten we ons op, daar zijn we mee bezig, dat is onze norm. En hoe meer we daar­mee bezig zijn, hoe meer we gaan ontdekken hoeveel waarde dat heeft, hoe waardevast dat is.

Jezus sprak: “De wereld gaat voor­bij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft bestaan tot in alle eeuwigheid”.

De kern van ons bestaan

Christus is dus onze norm, ons voorbeeld. Hij is de kern van ons bestaan. Ik zeg dit met nadruk, omdat we in onze dagen nogal veel horen dat we bijbels moeten den­ken en handelen. Maar we mogen het woord ‘bijbels’ of ‘Schriftuurlijk’ niet misbruiken! Het kan zo gemakkelijk dat we tot de ander zeggen, waar we het niet mee eens zijn: ‘dat is on-Bijbels’, terwijl de ander óók zijn inspiratie uit de Bijbel meent te halen.

Bijbels spreken en handelen is nog geen garantie, dat men handelt in overeenstemming met de wil van God. Ook alle dwaalle­ringen baseren zich op de Bijbel. Pas door de doop en vervulling met de Geest, en een verdere geestelijke groei door de Geest, gaan we hoe langer hoe meer de Bijbel verstaan en ontdekken waarom het werkelijk gaat. Paulus zegt niet voor niets dat de Tetter doodt, maar de Geest levend maakt’.

Bovendien hebben we te maken met de opgaande lijn in de Bijbel. Ik bedoel dit: We leven nu na de komst van Jezus en na de uitstorm’ ting van de heilige Geest. Ten tijde van het Oude Verbond, was nog veel verborgen, wat thans is ge­openbaard. Daarom zien wij ook dat men in die tijd vaak zowel het kwa­de als het goede aan God toeschreef, terwijl wij weten dat het kwade bij de duivel wegkomt, en het goede bij God.

De in de eerste helft van deze eeuw meest bekende zendeling E. Stanley Jones, vertelt in zijn boek ‘Op iedere weg Christus’, het verhaal van een moeder die haar dochtertje iedere dag uit de Bijbel vertelde. Ze vertelde over het uitmoorden van de Amelekieten zoals dat in het Oude Testament beschreven wordt. ‘Maar’, zei ze, ‘dat is nu niet meer zo. Want in Jezus hebben we het gebod ontvangen onze vijanden lief te hebben en wel te doen degene die ons haten’. Het meisje dacht een ogenblik na, toen klaarde haar ge­zichtje op en ze zei: ‘Nu begrijp ik het! Dat alles is gebeurd voordat God een christen geworden was…’

Ergens heel logisch geredeneerd door dat meisje, want Christus toonde wie God werkelijk was en dat was tot dusver verborgen ge­bleven. Christus toonde de norm en de waarde van het werkelijke God­delijke leven.

Christus is daarom onze norm. De Hebreeënbrief zegt: “Laat ons oog alleen gericht zijn op Christus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof*. In Christus openbaarde zich de gehele volheid van God, schrijft Paulus. En dan te bedenken dat wij deelgenoten zijn geworden van die volheid.

Wij, die achter de feiten staan, die in de Bijbel de opgaande lijn in het plan van God zien en weten -zoals we straks al hebben opgemerkt- dat vóór de komst van Christus nog veel verborgen was, wat thans is geopenbaard, weten dat éérst Christus moest komen -Hij was de norm, het voorbeeld- vóórdat de heilige Geest kon worden uitgestort.

We leven na Pinksteren…

We leven nu na Pinksteren. Maar juist omdat we na Pinksteren leven, mogen we ten volle de pinkster­zegen deelachtig worden.

De norm is gesteld, het voorbeeld is gegeven: Jezus kwam naar deze wereld om de werken des duivels te verbreken!

En Hij wil dat ook in ons leven doen! Hij heeft dit gedaan toen we van een zondaar een kind van God werden, toen we het Rijk der duis­ternis gingen verlaten en het Ko­ninkrijk Gods binnengingen. De ketenen werden verbroken, halle­luja, we zijn vrij! En ook al hebben we nu nog te maken met de aanval­len uit het rijk der duisternis op onze ziel, geest en lichaam, in de Naam en de autoriteit van ons grote Voor­beeld, Jezus Christus, mogen we hem weerstaan en overwinnen!

En weet u wat ook zo heerlijk is? Dat het Koninkrijk Gods wat wij zijn binnengegaan en waartoe wij behoren een onwankelbaar Koninkrijk is. De rijken en staatsvormen van deze wereld, of het nu betreft koninkrijken, repu­blieken, dictaturen of democratieën, zijn allemaal van tijdelijke aard, ze gaan allemaal voorbij. Er is maar één Koninkrijk wat stand houdt tot in alle eeuwigheid. Over waarde­vastheid gesproken!

Wie de normen en waarde van dit Koninkrijk heeft leren kennen en steeds beter leert kennen, zal ook gaan leven volgens deze normen en waarden, en zo openbaar maken dat het voor iedereen bestemd is!

De beslissende keuze

Als wijzelf gekozen hebben om in en vanuit dat Koninkrijk te leven en te blijven leven, hebben we ook het verlangen in ons om het door te geven aan anderen. Hoe? Door de volheid van Gods Geest die in ons is! Jezus sprak “Gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult Mijn getui­gen zijn” (Hand. 01:08).

Wij stellen anderen voor de keuze om ook te kiezen! Door onze woorden misschien, maar vooral door onze levenshouding! Als Paulus de tekst boven dit artikel in zijn brief aan de Romeinen aanhaalt, dan citeert hij Deuteronomium 30, waar het volk Israël op het punt staat het beloofde land binnen te trekken. Een belangrijke richtlijn voor het toenmalige volk van God. Maar ook voor allen die vandaag behoren tot het Koninkrijk van God! Want ook voor ons geldt: “Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken”.

De waarachtige gelovigen hebben de ‘normen en waarden’, waardoor zij het nieuwe leven van Christus openbaren, vrij ter beschikking. Het is vlakbij, ja het is in ons! En het blijft niet verborgen omdat Gods Geest het tot leven brengt.

Wie wil leven naar de normen en waarden zoals God die bedoelt, zal op onderstaande vier vragen een positief antwoord dienen te geven:

  1. Hebt u voor Jezus gekozen als uw Verlosser en Zaligmaker?
  2. Hebt u voor Jezus gekozen om Hem te volgen als Voorbeeld?
  3. Bent u zich bewust dat u behoort tot het Koninkrijk van God?
  4. Bent u zich bewust dat u ‘Jezus’ en het ‘Koninkrijk Gods’ alleen kunt beleven als u vol bent van Gods Geest?

Als u een viervoudig ‘ja’ op deze vragen kunt geven betekent dit dat u meer en meer gaat leven naar de normen en waarden van Gods Koninkrijk!

En bedenk ook dit nog: Het is niet moeilijk, het is niet zwaar, want Hij, de Koning van dat Koninkrijk staat altijd aan onze kant en zegt: ‘Mijn juk is zacht en Mijn last is licht. En Ik ben met je al de dagen tot aan de voleinding der wereld’.

 

Zonder vlek of rimpel door Cees Maliepaard

De hemelen -14-

“Vrouwen, weest aan uw man on­derdanig als aan de Heer, want de man is het hoofd van zijn vrouw, evenals Christus het hoofd is van zijn gemeente; Hij is het die zijn lichaam in stand houdt.

Welnu, gelijk de gemeente onder­danig is aan Christus, zo ook de vrouw aan haar man, in alles. Mannen, hebt uw vrouw lief, even­als Christus zijn gemeente heeft liefgehad en Zich voor haar over­gegeven heeft, om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad met het woord, en zo zelf de ge­meente voor zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” (Ef. 05:22-27).

Jonge mensen kunnen zonder rimpels zijn, hun gezichten zijn veelal gaaf en ze ‘ogen’ mooi. Maar aardse schoonheid is van voorbijgaande aard; het aantrekkelijkste uiterlijk boet in de loop der jaren aan gaafheid in. In de hemel ligt dat duidelijk anders – zoals het daar met zoveel dingen anders ligt.

De onderdanige vrouw

Zoals we in het vorige nummer hebben kunnen zien, is onderdanig­heid niet af te lezen aan de mate van het jezelf onderworpen weten of onderworpen wanen. Ook de ge­trouwde vrouw zal zich derhalve niet willoos aan haar man onderwerpen. Zulk een huwelijksstructuur is door onze God niet uitgedacht – allesbe­halve zelfs: God stelde de vrouw als een onschatbare hulp naast haar man.

Eva was derhalve geen onderge­schikte van Adam, geen manusje van alles ten behoeve van Koning Man, maar de alleszins door hem gewaardeerde hulp, de enige van zijn niveau. Wat Adam en Eva samen hadden was niet onder te brengen in een werkgever/werknemer verhouding, maar alleen in de liefdevolle verstandhouding van voor elkaar bestemde en elkaars belangen op het oog hebbende partners.

De onderdanigheid van de vrouw aan haar man is, blijkens (Ef. 05:24), te vergelijken met die van de ge­meente aan Christus.

Onderdanigheid in alles dus. Hoe komt het eigenlijk dat de gemeente zonder voorbehoud Jezus Christus in alles volgen kan? Dat komt door­dat de Zoon des mensen ook in alles getrouw het beeld van de Vader draagt en onder alle omstandigheden bezig is het plan van Vader God, overeenkomstig diens bedoelingen, uit te voeren. Was dat niet het geval (in verband met de reële situatie een onmogelijke gedachte!), dan zou de gemeente zélf haar standpunt dienen te bepalen. Precies zoals Adam en Eva niet naar de van Godswege over hen aangestelde overdekkende che­rub hadden moeten luisteren, toen die niet langer binnen de lijnen van het Goddelijk denken bezig was.

Met de onderdanigheid van de vrouw aan haar man is het niet anders gesteld. Zoals de veelkleurige wijsheid van onze God thans door middel van de gemeente openbaar komt (Ef. 03:10) en dus niet tot het hoofd van de gemeente beperkt blijft, zo ook zal de veelkleurige wijsheid in Gods op liefde geba­seerde plan binnen een huwelijks­verhouding gelijkelijk in de man en de vrouw zichtbaar wezen.

Zijn wij mannen altijd (evenals Jezus) volkomen doordacht met het plan van de Vader bezig, of moeten we nog wel eens op onze schreden terugkeren?

Ik denk dat dit duidelijk als een retorische vraag opgevat mag wor­den. Laat het ons dan ook niet be­vreemden als onze vrouwen niet in alles met ons mee schrijden!

We zullen er blij mee mogen zijn als zij, in hun relatie met Christus, zich­zelf zullen kunnen blijven en op z’n tijd naar ons toe gezond-kritische noten laten horen.

Een man die z’n vrouw als een (wellicht leuk) maar och vooral slaafs hulpje ziet, heeft van Gods visie op intermenselijke verhoudingen nog niet veel begrepen.

De man als hoofd

Het is tekenend dat er nergens geschreven staat dat de man het Heersende Hoofd over z’n vrouw zal wezen. Wel het hoofd, maar dan zoals Christus het hoofd van z’n gemeente is. En hoe werkt dat dan? Christus Jezus is Heer, dat is boven alle twijfel verheven, want Hij heeft dat bewezen. Hoe? Door zijn gemeente goed te doordringen van haar onderworpen positie? Nee, door die gemeente te dienen. Christus Jezus leidt zijn gemeente niet naar de volmaaktheid door z’n stempel op haar te drukken, maar door zichzelf beschikbaar te stellen als degene die onder alles betrouw­baar is. Hij heeft zichzelf destijds zelfs overgegeven in de dood. En nu Hij leeft, heiligt en reinigt Hij z’n gemeente met het waterbad van de woorden Gods.

Mannen die overeenkomstig dat principe bezig zijn, zullen door hun vrouwen serieus genomen worden. In een goed huwelijk zullen machtsstructuren geen enkele rol spelen, net zomin als dat in de gemeente van Christus Jezus het geval zal mogen zijn. Dominante voorgangers (en die zijn er, helaas!) dragen het beeld van de Zoon van Gods liefde maar ge­brekkig; hun dominantie is totaal wezensvreemd aan de gezindheid van Christus. Dominante mannen, die hun vrouw in toom denken te moeten houden, zitten geestelijk op een verkeerde golflengte. Hun hou­ding is vleselijk, vanuit een aards denken, geïnspireerd uit de hemel van Satan. Dat blijkt uit de machtsstructuur van het rijk der duisternis, waar hoger geplaatsten trappen naar iedereen die zij onder zich wensen te situeren.

De man als hoofd van zijn vrouw, zal samen met haar leiding moeten geven aan hun gezin. De man zal het niet kunnen maken , alléén de regels vast te stellen. Dat geldt voor de af­spraken die hun huwelijk betreffen, maar in waarschijnlijk nog sterkere mate voor alles wat met de kinderen te maken heeft. Waar man en vrouw over bepaalde zaken van mening verschillen, valt het niet goed te praten als de man dan maar zijn mening aan vrouw en kinderen oplegt. Dat zou geen goede vorm van leidinggeven zijn, want om in het gezin een evenwichtig hemels klimaat te scheppen, is eenduidige leiding van de ouders gewoon nodig. En die zal toch echt gevon­den dienen te worden in een gezamenlijke open relatie met de Heer in de hemel van het gezin.

Rimpelloos bezig zijn

De verstandhouding tussen man en vrouw en de opvoeding van de kin­deren veroorzaken nog wel eens wat deining. Een rimpelloos bezig zijn op de plaats die God ons in de he­mel gegeven heeft, betekent nog niet dat er zich geen problemen meer zullen aandienen. Op aarde zal dat voorlopig nog wel zo zijn en in de hemelse gewesten woeden de mach­ten der duisternis gewelddadiger dan ooit. Maar in het Vaderhuis met de vele woningen heerst de weldadige sfeer van Gods welbehagen, en daar hebben we (gelukkig) ons thuis.

De gemeente die Jezus Christus zonder vlek of rimpel vóór zich stelt, bestaat uit mensen. U en ik, en nog een heleboel anderen, maken daar deel van uit. Rimpelloos bezig zijn in de hemel van de gemeente be­hoort derhalve tot de mogelijkheden, maar daarvoor zal het noodzakelijk zijn dat ieder van ons in harmonie met de Heer der heerlijkheid is. Want als God zijn hemel vullen moet met mensen die (onder invloed van allerlei wind van leer) heen en weer geslingerd worden tussen hoop en vrees, is een rimpelloos bezig zijn vooralsnog een utopie, waarop hoogstens aarzelend optie genomen kan worden.

Toch mogen we vrijmoedig de hand leggen op al Gods beloften. Ook op de visie die onze Heer op de ge­meente heeft. En Hij plaatst die niet voor Zich als een verzameling mensen die besmeurd wordt door de huizenhoge golven van een verontreinigd denken, heen en weer geslingerd tussen de diepten van hel ‘t niet meer zien zitten en de toppen van het ‘uitje bol gaan voor Jezus’. Dat laatste is niets positiever dan het eerste, want bepalend is hoe Jezus de gemeente voor Zich stelt; op basis van zijn verlossende en ver­zoenend bezig zijn: zonder vlek of rimpel.

Hij ziet het zitten met ieder van ons en daarom mogen we ons hoofd erbij houden – onze hand leggend ook op deze belofte van de levende Heer. Christus Jezus doet zijn werk grondig.

Door het waterbad met het woord gereinigd zijnde, kan het er met de gemeente niet net een beetje mee door, maar is Hij instaat haar vóór zich te plaatsen: ‘stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet”.

 

 

Het leven (gedicht) door Piet Snaphaan

“Wie Mij vindt, heeft het leven gevonden,
hij heeft van de Here welgevallen verkregen,
maar wie Mij mist, doet zijn leven geweld aan”
(Spr. 08:35-36a).

 

Woorden Gods zijn vol van leven,
voor een ieder die ze aanvaardt,
alles is er aan gelegen,
voor wie ze in zijn hart bewaart.

 

Welk een rijkdom van genade,
die ons door God geboden wordt,
alleen gehoorzaamheid brengt nader,
wie ’t afwijst, doet zichzelf tekort.

 

Doch wie Hem zoekt, die zal Hem vinden,
wie aan Zijn deur klopt vindt gehoor,
want ’t leven is voor Zijn beminden,
dat leven, dat gaat eeuwig door.

 

Begraven: wel of niet in besloten kring? Door Evert van de Kamp

 

Bijbels geloven noem ik het voor mezelf wel eens. Daarmee doel ik op bijbels denken en handelen. Niet wettisch, niet fundamentalistisch maar proberen wat zich aandient vanuit de Schrift gelovig te bena­deren.

Dit maal houdt mij de vraag bezig hoe begraven wij in de christelijke gemeente onze overledenen. Eerder schreef ik iets over ‘Begraven en niet cremeren’. Waarom het één wel en het ander niet! Een aantal elementen uit dat artikeltje gelden ook voor de vraag: Wel of niet begraven in ‘be­sloten kring’.

Voor zover van belang, herhaal ik die.

In besloten kring

Een aantal jaren geleden maakte ik het voor de eerste keer mee dat een bevriende familie de vader van het gezin in besloten kring ten grave droeg. Na de gedachtenisdienst in de oude dorpskerk van mijn geboorte­plaats bleef de familie alleen achter om de weg naar het graf te maken. De laatste tijd komt het steeds meer voor dat een familielid voor of na de kerkelijke-, of gemeentesamenkomst in wat genoemd wordt ‘beslo­ten kring’ wordt begraven. In een advertentie lees ik: Voorafgaande aan de rouwdienst willen we hem (een predikant) in familiekring begraven.

Soms komt de geloofsgemeenschap er niet of nauwelijks meer aan te pas. De familie neemt het werk van kerk of gemeente over.

Het argument dit echt binnen de intimiteit van de meest nabestaanden te willen doen, begrijp ik wel. Maar je bewerkt wel een tweedeling. , Daarom denk ik dat bij deze groeiende praktijk juist bij christenen een aantal kanttekeningen geplaatst kun­nen worden.

Geroepen tot één lichaam

Allereerst dit, in de gemeente van Jezus Christus en lichaam van de Heer, doen we alles in gemeenschap met Jezus en met elkaar.

Daartoe zijn we geroepen (1 Kor. 01:09).

– Na het sluiten van het burgerlijk huwelijk vragen we als gemeente samen om de zegen van de Heer. Dat gebeurt dan ook uiteraard met de familie in een gemeentesamenkomst. Dat stukje van het feest draagt onmiskenbaar het karakter van het met elkaar gemeente zijn.

– De jonge pasgeboren kinderen worden in de gemeente aan de Heer opgedragen. We laten hen de handen opleggen voor de zegen van God en maken hen los van duistere machten uit het voorgeslacht. We hebben daar een aantal overtuigende Bijbelse argumenten voor (Luk. 02:22; Luk. 18:15; 1 Kor. 07:14b).

– Bij de doop in water wordt het bijna nog duidelijker. In zijn boekje ‘Dopen en laten dopen’ zegt Evert van der Poll het heel raak: ‘De doop hoort thuis in het rijtje van alles wat ons verbindt: de gemeente (het ‘lichaam’ van de Heer Jezus), de hoop, het geloof en de doop; de Geest, Jezus de Heer en God de Vader. Vier plus drie is zeven. Volmaakt. Je mag de doop daaruit niet lospellen en, als een op zichzelf staand gebeuren, helemaal buiten iedere vorm van geloofsgemeenschap plaatsen’.

Waarom bij een ter aarde bestelling dan wel?

– Van de doop in de Heilige Geest (verbonden met de waterdoop) zegt de apostel: ‘Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt’ (1 Kor. 12:13).

– Diezelfde eenheid drukt de viering van het avondmaal uit. Het brood dat wij breken is gemeenschap met het lichaam van Christus. Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam (1 Kor. 10:16-17). Ik maakte mee dat bij een begrafenis het avondmaal gevierd werd.

Bij deze Bijbelse lijn hoort naar mijn overtuiging ook het begraven van onze overledenen.

Begraven is zaaien

Begraven is ‘zaaien’ met oog op onze opstanding uit de doden. Dat zaaien is bijbels gezien niet alleen maar een familiegebeuren, iets privés.

Integendeel, het is allereerst een ge­meentewerk.

De broeders van de gemeente van Jeruzalem droegen Stéphanus ten grave en bedreven grote rouw over hem’ (Hand. 08:02).

Ze ‘zaaiden’ Stéphanus in de doden­akker.

Over dat zaaien (begraven) heeft de apostel Paulus in verband met de opstanding duidelijke dingen ge­zegd. De opstanding is voor Paulus een geestelijke zaak die de inwendi­ge mens betreft.

Om dat goed duidelijk te maken, gebruikt hij een eenvoudig beeld uit de natuur.

Hij zegt: ‘Als je zaait, zaai je niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders. Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam’ (1 Kor. 15:37-38).

  1. E. van den Brink tekent bij dit woord aan: ‘De natuurlijke mens is op deze aarde als een zaadkorrel. Bij zijn wedergeboorte verschijnt een geestelijk mens met een geestelijk lichaam. Dit geestelijke lichaam moet uitgroeien tot volwassenheid. Paulus merkt in (2 Kor. 05:01-02) op, dat wij als christenen bij het sterven een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis.

We bezitten dus nu reeds dit eeuwi­ge geestelijke huis of (geestelijk) lichaam. Ziel, geest en lichaam worden bekleed met dat geestelijke lichaam.

Bij het sterven is dus de scheiding tussen het geestelijke en het natuur­lijke lichaam, tussen de onverganke­lijke en de vergankelijke mens, tussen het eeuwige en het lijdelijke’.

Dit proces voltrekt zich binnen het lichaam van Christus, in de zijnen. Vervolgens lezen we in (1 Kor. 05:42-44a): ‘Zo is het ook met de opstan­ding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijk­heid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt’.

Een geestelijk lichaam wordt opge­wekt en dus niet het lichaam dat in het graf ligt of gelegen heeft. Dat keert tot stof terug. De geestelijke mens, de inwendige mens, dat wil zeggen de ziel met de geest in zijn geestelijke lichaam, verrijst in de dag der opstanding.

In zijn boek ‘De dood wordt overwonnen’ zegt Van Ruler: ‘In de eeuw van de opstanding zullen wij in ons totale lichamelijke bestaan orgaan zijn van en totaal onderdanig zijn aan de Heilige Geest’.

Zaaien en opstaan uit de doden is bijbels gezien niet te scheiden. Evenmin dus begraven en de op­standing der doden. Daarom ageren we ook tegen het cremeren van onze overledenen. Het lichaam, tempel van de Heilige Geest, geven we niet over aan het vuur om met geweld verbrand te worden. We vertrouwen het, in gelovig opzien naar de Heer, toe aan de aarde.

De gemeente van Christus zaait haar doden voor de opstanding. Dat doe je samen als lichaam van de Heer. Daarom denk ik dat het begraven of zaaien dus niet enkel een familie­aangelegenheid kan zijn.

We zijn één lichaam

We vormen als gemeente van Jezus Christus niet één lichaam maar we zijn het, zoals het in de Statenverta­ling staat (1 Kor. 12:12 en 1 Kor. 12:27). Die eenheid moeten we niet verbre­ken. Bij begraven ‘in besloten kring’ maakt de gemeente slechts een halve begrafenis mee. Van het belangrijk­ste deel het ‘zaaien’ wordt ze afge­houden. Zelfs als dit gedeelte door de (eigen) pastor wordt verzorgd, is dit zonder de nabije gemeente niet gewenst. Want er zijn wel vele le­den, maar er is slechts één lichaam, zegt de Schrift (1 Kor. 12:20).

In dat ene lichaam zorgen alle leden gelijkelijk voor elkaar, ook op de begraafplaats. Alle leden delen in de gemeente in de vreugde, maar ook in het lijden. Voor betrokken achter­blijvers kan de aanwezige gemeente op dat moment en ook daarna een grote troost en hulp zijn.

Hoewel de meeste pastors bijbels principieel het inzicht zijn toegedaan dat een graflegging wordt beëindigd met een woord van de Heer of een gebed waarbij de gehele gemeen­te wordt uitgenodigd, sluipen hier en daar andere opvattingen binnen en dat valt te betreuren.

Ook in dit opzicht worden wij ge­roepen om het lichaam, de gemeente van Jezus, universeel en plaatselijk te onderscheiden.

Het is mijn stellige overtuiging dat we in goed overleg met de familie moeten komen tot een begraven vanuit de gemeente op een wijze waarbij men zich voluit betrokken weet en voelt.

Het is aan te bevelen dit soort zaken als begraven en niet cremeren, als­mede het begraven willen worden vanuit het midden van de gemeente en dus niet in besloten kring, ver van te voren te regelen. Als u het op papier vastlegt gedateerd en onder­tekend, kan niemand het meer ver­anderen.

(Het artikel “Begaven of creme­ren ? ” verscheen in Levend Geloof nr. 359 van juli 1993).

 

Televisie en evangelie door Peter Annotee

 

“Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen”.

(Ex. 20:04-05a).

Terwijl Mozes op de berg naar God luisterde, keek het volk af­wachtend naar de berg. Toen Mozes, hun zichtbare leider, lang wegbleef gingen ze naar Aaron, de zichtbare broer van de leider en eisten een zichtbare God. Aaron, die kennelijk ook niet veel vertrou­wen had in wat hij niet kon zien, gaf toe en maakte het gouden kalf. Zo werd het woord van Mozes vervangen door het beeld van Aaron.

Aaron zei tegen het volk dat het kalf de God was die hen uit Egypte geleid had. Daar had het volk geen bezwaar tegen. Zij hadden niet zozeer gevraagd om een andere God als wel om een ander medium. Het grootste gedeelte van het volk geloofde wel in God maar geloofde niet in het gesproken en geschre­ven woord waardoor Hij zich aan hen wilde openbaren. Het volk wilde een tastbaar en zichtbaar beeld van Hem hebben. Ze wilden God graag als kalf aanbidden, dan konden ze Hem zien.

God is meer en anders

Maar God was geen kalf. Hij was ook geen walvis, geen adelaar en geen woudreus. Hij was Geest. Hoe mooi, groot en indrukwek­kend de natuur ook mocht lijken, God was meer en anders. En om dat besef levend te houden was het verbod op het maken van zichtbare afbeeldingen van God zo streng..

Natuurlijk was het toegestaan om God te vergelijken met, bijvoor­beeld, een adelaar. Zo konden eigenschappen van God uitgebeeld en uitgelegd worden. De hoge vlucht van de adelaar was een goed beeld van de kracht en de hoge positie van God. Maar als God gelijkgesteld zou worden aan een adelaar zou Hij tekort gedaan worden. Dan zou het zien van een dode adelaar al afbreuk doen aan het vertrouwen in God.

Hetzelfde gold uiteraard voor het vergelijken van God met de mens. Natuurlijk kon men spreken over ‘de vinger Gods’ of ‘hand des Heren’. Maar dat de mens naar het beeld van God geschapen was betekende niet dat God aanbeden mocht worden door middel van het beeld van een mens.

Bij alle beelden die de Israëlieten kenden voor de eigenschappen van God moesten ze echter altijd blijven beseffen dat de enig ware God een onzichtbare, niet uit te beelden Geest was. Hij bezat eigen­schappen die in geen beeld of gelijkenis te vangen waren. Hij was de almachtige, alomtegenwoordige, alwetende en eeuwige God.

Zolang het volk van God bleef bij het Woord, en zich niet liet verlei­den tot de aanbidding van het beeld, behielden ze het juiste zicht op hun Heer. Want alleen in de gesproken en geschreven taal kon de God van Israël goed gezien en begrepen worden. Elk aanbeden beeld zou een andere zijn als Hij, ook al zou het volk er Zijn naam aan verbinden, de tragiek van het volk Israël was dat het, in meerder­heid, steeds weer koos voor de afgodsbeelden en daardoor als volk tenslotte te gronde ging. Alleen een rest, die bij het woord bleef, bleef behouden.

Tot zo’n honderd jaar geleden heeft het gesproken en geschreven woord ons geloof en onze cultuur beheerst. Maar met de uitvinding van de telegrafie en de fotografie is dat veranderd. In de afgelopen eeuw is de hegemonie van het gedrukte schrift in de westerse wereld geleidelijk vervangen door de hegemonie van de elektronische media. Na de Tweede Wereldoor­log is de culturele zegetocht begon­nen van het ultieme elektronische medium: de televisie.

De televisie combineert de belang­rijkste kenmerken van de elektroni­sche communicatiemiddelen in één medium. De beeldbuis bundelt het vermogen van de ouderwetse telegraaf om grote hoeveelheden informatie snel over zeer grote afstanden te verzenden met het vermogen van de fotocamera om in de vorm van plaatjes te communiceren.

Uiteindelijk draait op televisie alles om dat laatste. De televisie is een. plaatjesmedium, een bewegend fotoboek. Het belangrijkste op televisie is wat je ziet. Wat je hoort is minder belangrijk en in ieder geval de minste reden om de televisie aan te zetten.

Interessant door beweging

Om het televisiebeeld interessant te maken moet het bewegen. Het is de afbeelding van veel bewegende beelden die van televisie zo’n po­pulair medium heeft gemaakt. De publieke belangstelling voor een televisieprogramma is daarom vrij­wel altijd recht evenredig met de vaart die erin zit.

Plaatjes kijken is leuk. Bewegende beelden bekijken is nog leuker. De televisie is dus in de eerste en de laatste plaats een amusements- medium. Mensen kijken ernaar om tegen een minimale inspanning maximaal te worden geamuseerd. Het heeft weinig zin om mensen naar aanleiding van een televisie­programma vragen te stellen als: “Heb je er iets van geleerd?”, of: “Heb je er iets aan gehad?”. De enige relevante vraag is: “Was het leuk?”. En als het niet leuk is geweest wordt er niet meer naar gekeken.

Derhalve is een goed televisie­programma een programma dat veel mooie, leuke, bewegende beelden bevat, die door zoveel mogelijk mensen zonder inspan­ning genoten kunnen worden. Elk televisieprogramma dat weinig bewegende beelden bevat, of nadenken vereist, is daarentegen een slecht televisieprogramma. En het ergst denkbare is een televisie­programma dat kijkers niet alleen dwingt om ergens over na te den­ken, maar ze ook nog vraagt om iets te doen wat niet goed met begrippen als leuk’, ‘grappig’ of ‘spannend’ te omschrijven is.

Het klinkt misschien wat overdre­ven maar eigenlijk betekent dit dat televisie ongeschikt is voor het uitzenden van, de meeste, serieus bedoeld informatie. De taal van de televisie leent zich niet goed voor het scheppen van een samenhan­gend en diepgaand beeld van de wereld. Evenmin is de televisie een goede onderwijzer of een goede politieke gids. En bovenal is de televisie een uiterst mager middel om mensen te leren wie God is en wat Hij voor hen betekent. Want God is Geest en dus even slecht uit te beelden op een televi­siescherm als in de vorm van een afgodsbeeld. Daarom bestaat de Bijbel ook niet uit plaatjes maar uit woorden. Om het beeld van God, zoals dat in de Bijbel is vastgelegd in de vorm van geschreven taal, te ‘vertalen’ naar de televisie, moet het worden omgevormd tot een serie plaatjes. Zo’n ‘vertaling’ houdt echter een verandering van de betekenis in omdat met plaatjes niet hetzelfde gezegd kan worden als met woorden.

Twee mogelijkheden

Diegenen die het Evangelie toch via de televisie willen uitdragen heb­ben feitelijk de keus uit twee moge­lijkheden. Ofwel ze ‘vertalen’ het woord van de Bijbel naar het beeld van de televisie en passen daar­mee het Evangelie aan de tele­visie, ofwel ze laten het woord van de Bijbel ‘onvertaald’ horen op de televisie en passen dus de televisie aan het Evangelie.

In de praktijk zal natuurlijk meestal een compromis worden gezocht tussen het ene en het andere uiterste, waarbij men of meer naar het ene of meer naar het andere uiterste overhelt. De meeste chris­telijke programma’s op de Nederlandse televisie kiezen ervoor om de televisie ondergeschikt te maken aan het Evangelie.

Doet men dat niet dan blijft er van de Bijbelse boodschap op de tele­visie niet zoveel over. Een goed televisieprogramma vereist immers veel bewegende en mooie beelden. Om aan die voorwaarde te vol­doen moet de verkondiging wor­den verpakt in een wervelende en glitterende show onder de charis­matische leiding van een goed geklede, gekapte en gegrimeerde zangleider/spreker.

Natuurlijk moet alles, van het decor tot de leden van de muziek­band, in perfecte uiterlijke staat zijn. En om de kijker te blijven boeien moet de show zo snel en afwisselend mogelijk gehouden worden. Lange liederen zijn voor zo’n programma niet aan te raden, een lange preek is uit de boze. Wie het Evangelie aanpast aan de tele­visie zal het moeten presenteren in de vorm van amusement.

Meestal doen de programma­makers bij zulke shows oprecht hun best om God een belangrijke plaats te geven in hun creatie. Maar vanwege het woord-karakter van onze God en het beeldkarakter van de televisie slagen ze er nimmer in om God meer toe te delen dan de belangrijkste bijrol. De hoofdrol wordt onvermijdelijk gespeeld door de zichtbare pre­sentator. God blijft onzichtbaar op de achtergrond.

Een visueel afgodsbeeld

Het gaat mij er hier niet om het werk van oprechte christenen te karikaturiseren. De bedoelingen van de christelijke ‘showmasters’ zijn meestal niet minder zuiver dan die van andere evangelisten. Het zijn niet zozeer hun gebreken die het Evangelie in hun shows af­breken maar meer de gebreken van het medium televisie.

Uiteindelijk maken zij die het Evan­gelie aanpassen aan de televisie, net als de Israëlieten, een visueel afgodsbeeld om als kern van de boodschap te dienen. En even­goed op televisie als bij het gouden kalf komt dat neer op de vernieti­ging van het hart van de oor­spronkelijke, Bijbelse, boodschap.

Juist uit respect voor die bood­schap, en vanwege hun kennis van de gevaren die het medium televisie met zich meebrengt, hebben de christelijke programma­makers, zoals die van de Evangeli­sche Omroep, er vrij consequent voor gekozen om in hun verkon­digende programma’s de televisie aan te passen aan het evangelie. Volkomen terecht maken zij tele­visieprogramma’s die draaien om wat er gezegd wordt en niet om wat er te zien is. Het decor is sober, alle aanwezigen zien er goed maar niet opzichtig gekleed uit, en het programma bestaat voornamelijk uit mondelinge voordrachten of dialogen.

In plaats van te zondigen tegen het evangelie, zondigen ze tegen de televisie. Programma’s als de interviews van Feike ter Velde en de Bijbelstudie programma’s van Henk Binnendijk bevatten een goede boodschap, maar het zijn slechte televisieprogramma’s. De straf die daarop staat is dat deze programma’s vallen onder de categorie minst bekeken program­ma’s van Nederland. Zelfs van de leden van de E.O. kijkt slechts een minderheid naar deze program­ma’s. De rest van de Nederlandse bevolking, waar deze programma’s toch voor bestemd zijn, kijkt nog minder.

Wie toch vindt dat hij met zijn preek op televisie meer mensen bereikt dan met diezelfde preek voor een gehoor in een gemeente, moet zich maar eens voorstellen dat de mensen zich tijdens de dienst in de gemeente zouden gedragen zoals zij dat voor een televisiescherm in huis doen. Televisiekijken wordt namelijk niet zelden gecombineerd met andere activiteiten. Men leest de krant, men eet en drinkt, men voert vriendelijke of onvriendelijke ge­sprekken met huisgenoten, men doet aan lichte gymnastiek om in conditie te blijven, men tracht zijn kinderen op te voeden of doet huishoudelijk werk. Het is onwaar­schijnlijk dat een boodschap die in zo’n ongeconcentreerde context wordt ontvangen wordt verstaan, laat staan dat er erg veel van blijft hangen. En mocht de boodschap niet bevallen dan is één druk op de afstandsbediening voldoende om hem te vervangen door sportbeelden of een quiz.

Al met al is de televisie dus niet het beste middel om het Evangelie te verkondigen. Het Evangelie is niet goed om te zetten in aantrekkelijke televisiebeelden. Ook de bedoe­lingen van het Evangelie en de televisie verschillen teveel; de televisie geeft de kijkers wat ze hebben willen, het Evangelie geeft hoorders wat ze nodig hebben.

Niet waardeloos

Toch is christelijke televisie niet waardeloos. Al was het alleen maar omdat het door de E.O. geprodu­ceerde amusement beter is voor de geestelijke gezondheid dan de producten van -bijvoorbeeld- Veronica. Wie een avondje E.O.- televisie kijkt bespaart zichzelf een hoop geweld, onreinheid en ma­terialisme.

Belangrijker nog is dat, ondanks alle gebreken van het medium, er via de televisie mensen bereikt kunnen worden met een simpele en directe versie van het Evangelie. Omdat -helaas- voor steeds meer mensen geldt dat ze eigenlijk alleen  nog maar via de televisie te berei­ken zijn, is het zelfs noodzakelijk om dat medium te blijven gebrui­ken voor de verspreiding van het Evangelie.

Als men een goede boodschap wil brengen zal men moeten accepteren dat er voor televisiebegrippen weinig mensen naar zullen kijken. Ook zal men de kijkers altijd direct moeten doorverwijzen naar de gemeente. Als de boodschap goed overkomt op televisie dan leidt dat er toe dat de kijker zijn televisie uit zal zetten en op zoek zal gaan naar mensen om mee te praten. Zo wordt de aanschouwer van het beeld een hoorder van het Woord.

 

 

De hemelse troonrede Door Jan H Weerd

 

“Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen…” (Joh. 17:06).

Elk jaar op de derde dinsdag van september leest de koningin de troonrede voor. Hierin staan de plannen van de regering voor het komende regeringsjaar en de manier waarop men het beleid wil verwezenlijken.

Als je aan een willekeurig iemand zou vragen of hij de inhoud van de troonrede kent, dan is de kans groot, dat het antwoord negatief is. Velen vinden het lezen van de troonrede niet belangrijk of ze begrijpen de inhoud niet. Het staat te ver van hen af. Toch zou meer betrokkenheid van de individuele burger van ons land bij de uitvoe­ring van het beleid het Koninkrijk der Nederlanden ten goede komen.

Gods troonrede

Ook in het Koninkrijk der Hemelen klinkt telkenmale de troonrede.

Onze Hemelse Vader verkondigt, proclameert, openbaart steeds opnieuw bij monde van zijn dienst­knechten zijn plannen met zijn schepping! Een onveranderlijk plan, erop gericht het rijk der duisternis uit te schakelen en het Koninkrijk der Hemelen, het nieuwe Jeruzalem op aarde te vestigen. Het is Gods verlangen zijn ver­bond, dat met Abraham een aanvang nam en door zijn Zoon Jezus Christus werd vernieuwd, gestalte te geven. Niets liever ziet Hij ons opgroeien tot beelddragers van zijn Zoon, die zijn Heerlijkheid, zijn Wezen bekendmaken.

Evenals in de natuurlijke wereld hebben velen geen kennis van deze troonrede van God, of begrijpen ze Gods bedoelingen niet. Het staat te ver van hen af.

Om zijn plannen echter te kunnen realiseren, wil God gebruik maken van het Lichaam van Christus, de Gemeente. Daarom is het van groot belang, dat ieder lid van zijn Gemeente zich bewust is van zijn taak en van de geestelijke realiteit. Ook dient hij te weten welke stra­tegie God gebruikt en welke midde­len Hij aan zijn kinderen gegeven heeft om het einddoel te bereiken.

De Here Jezus was voortdurend bezig met de dingen van zijn Hemelse Vader. Hij werd met kracht en wijsheid vervuld en Gods genade was op Hem. Door zijn leven heeft Hij ons God doen kennen! Hij bevrijdde van de machten der duisternis, genas, bemoedigde, vertroostte, gaf te eten, was geduldig, trouw, goed, vriéndelijk, zachtmoedig, recht­vaardig, vol liefde en blijdschap. Het wezen van God werd door Hem geopenbaard: Ik ben, die Ik ben!, de wonderbare Raadsman, de Sterke God, de Eeuwige Vader, de Vredevorst tot in eeuwigheid.

In beweging

Als we werkelijk beseffen, wat God met ons van plan is, dan biedt dat ons het beste toekomstperspectief, wat er maar kan zijn! Dat zet ons in beweging! Daarom moeten we ons afvragen waarop we onze aan­dacht richten. Soms zijn we geeste­lijk doof en blind en zijn in onze gedachten met andere dingen bezig. Soms om heel begrijpelijke redenen. Een mens is gauw ge­neigd om op het zichtbare te zien. Soms ontbreekt het ons aan moed of zijn we geestelijk kreupel.

Zoals Jezus de ogen en oren van de blinden en doven opende, zo wil Hij ook onze ogen en openen voor zijn troonrede. Hij wil ons oprichten en zelfs de monden ope­nen van hen, die geestelijk stom zijn en geen vrijmoedigheid heb­ben het evangelie van het Konink­rijk der Hemelen te verkondigen en in praktijk te brengen.

Ook wij mogen, net als Jezus, Gods Naam openbaren aan onze medemensen op ons werk, in onze straat, onze vereniging of club, in ons gezin, in onze gemeente, in onze omgeving!

We mogen woorden van bemoedi­ging, vertroosting, genezing, bevrijding, wijsheid, enz., spreken. Als er moeilijke momenten of situaties zijn, mogen we het karakter van God openbaren! Vaak niet gemakkelijk, maar toch mogen wij de smaak­makers zijn en het klimaat van het Koninkrijk Gods tonen.

De Here Jezus begon zijn bedie­ning, nadat de heilige Geest over Hem was uitgestort. Als ook wij vol worden van, vervuld zijn met de heilige Geest, zullen ook wij de Heerlijkheid Gods zien en beleven, en kunnen gaan doen, wat wij Jezus hebben zien doen!

 

Geen woorden maar kracht Door P van der Heyden

Voor de derde maal een ‘geloofs­getuigenis’ van broeder P. van der Heijden. Er komen er nog meer! We zijn blij dat broeder Van der Heijden zijn vele geloofservarin­gen, waarbij ook zijn vrouw vaak betrokken was, wil delen met de lezers en lezeressen van Levend Geloof. Uiteraard met de bedoeling dat ook ons geloofsleven er op positieve wijze door geïnspireerd zal worden! -red.

“Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in woorden, maar in kracht” (2 Kor. 04:20).

Met een volkswagenbusje vol met salontafels trok ik er elke dag op uit om ze aan de man te brengen. Een bejaarde geloofsbroeder van ongeveer 80 jaar had er plezier in om mee te rijden.

Als ze mij vroegen: wat doe je voor de kost? Dan was mij slogan dikwijls: ‘Ik ben op weg naar de hemel en onderweg verkoop ik salontafels’.

We waren kinderen Gods gewor­den, de oude broeder op zijn hoge leeftijd nog en ik, heel wat jonger, vol activiteit om wat geld te verdienen in het zakenleven.

Ik had een bijzondere ervaring in het begin met de doop in de heilige Geest meegemaakt en verlangde steeds meer te horen over het Koninkrijk Gods. We waren die morgen in de beste stemming en ik had die dag er best zin in om veel te verkopen. Zo reden we Amster­dam binnen.

Plotseling zagen we een volksop­loop aan de kant van de weg. Wat was daar gebeurd, vroegen we ons af. Een ongeluk? Waarschijnlijk wel, de mensen keken zo bedrukt. Ik zei: ‘Laten we eens even gaan kijken, die tijd moet er dan toch maar even van af’. Het was louter nieuwsgierigheid. Het busje met de salontafels erin, had ik verderop geparkeerd. De bejaarde broeder was niet zo snel ter been, dus liepen wij heel langzaam wandelen­de naar die groep mensen toe.

Daar aangekomen komt uit die volksoploop een vrouw tevoor­schijn, meer dood dan levend, snakkend naar adem ondersteund door twee personen, strompelend tussen hen in, gevolgd door al die mensen, het leek wel een optocht, in de richting van een nabijgelegen benzinestation.

Eén van hen die haar ondersteun­de, liet haar los en gaf haar aan mij over. Ja maar ik was hier niet geko­men, om hiermee opgescheept te worden… Wat moest ik doen? Het ging allemaal zo snel en stilzwij­gend, want iedereen was onder de indruk van het gebeuren en vroeg zich af hoe dat af zou lopen.

Mijn positie op dat moment leek wel op Simon van Cyrene, die van de akker kwam en door de om­standers verplicht werd het kruis te dragen. Als beeld natuurlijk. Ik werd er gewoon voorgezet, want ik was alleen uit nieuwsgierigheid gaan kijken.

Midden tussen die mensen onder­steunde ik haar en aan de andere kant werd zij begeleid door een onbekend gebleven persoon. In ieder geval ging het moeizaam, stapje voor stapje schuifelend richting benzinestation. Het leek oneindig ver en ik dacht: ‘Vrouw dat haal je niet meer’. Wat konden we eraan doen?

Ten einde raad begon ik heel zachtjes in tongen te bidden en daarna, zo schuifelende weg, wat luider de boze machten te bestraf­fen, die aan het proberen waren deze vrouw onderweg te laten sterven. Het was nog een betrek­kelijk jonge vrouw. Ik zeg: ‘In Jezus’ naam, satan, je laat deze vrouw los’. En ik bond tegelijkertijd de doodsmachten. Ik beval hen in de naam van Jezus van haar leven af te blijven. Ik riep: “Here Jezus, help deze vrouw, kom met Uw genezende kracht haar te hulp tot eer en glorie van Uw naam”. Op dat moment, waar ik zelf geen erg in had, streed ik zo schuifelen­de weg, in de onzienlijke wereld tussen het publiek in, in de naam van onze Heiland, Jezus Christus, tegen de boze machten van satan met als inzet, het leven van de vrouw.

Er werd gefluisterd onder de mensen en ik hoorde zeggen: ‘Stil, stil, dat is zeker een dominee!’. Ja, en dan te weten dat je met handelswaar onderweg bent om die dag een paar centen te verdienen. Je weet toch niet hoe je in zo’n situatie terecht komt.

Al biddend en strijdend kom ik met mijn collega begeleider met die vrouw bij het benzinestation aan. We laten haar op een stoel zakken die klaar stond, want de bediende van het benzinestation had ons al zien aankomen en onmiddellijk het ziekenhuis gebeld. De mensen bleven buiten staan, maar langza­merhand verdwenen ze, ook de andere begeleider nam de benen. De oude broeder, die ons op af­stand was gevolgd, was inmiddels ook binnengekomen en bleven wij alleen met haar achter. Terwijl de

ziekenwagen onderweg was om haar met de meeste spoed naar het ziekenhuis te brengen, deed ik in haar tasje een reclame balpen met mijn naam en adres erop.

Onderwijl vertelde ik aan die onbekende Amsterdamse vrouw van Jezus, wat die betekende voor mijn leven, En terwijl de bediende van het benzinestation rustig buiten zijn cliënten hielp en af en toe binnenkwam om af te rekenen, gingen wij met haar bidden. Ik zeg tegen haar: ‘Als u ooit contact met mij wilt hebben, het adres van mij staat op de balpen. Laat u een wat van u horen, God zegene u’. Zo ging zij weer strompelende de ziekenwagen binnen, die inmiddels gearriveerd was, ondersteund door het dienstdoende personeel. We namen van de bediende af­scheid, bedankten hem en zo vertrokken wij, weer op weg naar de handel. Er moesten die dag nog veel tafels verkocht worden…

Later, toen we thuis kwamen, vertelden we aan mijn vrouw wat we die dag zoal meegemaakt hadden. Mijn vrouw zegt: ‘jij maakt ook altijd wat bijzonders mee onderweg’.

Ondertussen vroegen we ons af hoe het met die vrouw afgelopen zou zijn. Zou ze nog leven? We hebben de dagen daarna veel voor haar gebeden, zoals we ook beloofd hadden.

Na verloop van tijd, terwijl wij bezig waren met zakelijke telefoon­tjes, hoor ik op een gegeven mo­ment een onbekende stem aan de andere kant van de lijn: ‘Spreek ik met mijnheer Van der Heijden uit Waddinxveen?’. Ik zeg: ‘Ja, dat klopt, met wie heb ik het genoe­gen?’ Hij zegt: ‘Ik ben de man van de vrouw die u ondersteund en geholpen heeft, bij dat ongeluk in Amsterdam. Mijn vrouw heeft van u verteld en ik vond uw reclame- balpen in haar tasje. Ze zei: Die mijnheer vroeg of ik eens iets van me wilde laten horen, hoe het met me gegaan is. Dus heb ik niet geaarzeld u hierover te bellen’.

Ik vraag voorzichtig: ‘Hoe gaat het met haar?’ Hij zegt: ‘Goed, maar er is hier toch wel een zeer won­derlijk verhaal aan verbonden’. Zij kon zich nog herinneren, vertelde zij, dat zij strompelend en schuife­lend, tussen u en een ander per­soon in, naar het benzinestation is gebracht. Daarna, meer hangend dan lopend, tussen het dienst­doende personeel de ziekenwagen ingesleept. Tenslotte kreunend van de pijn en snakkend naar adem, kwam zij in handen van specialis­ten die haar met spoed zouden behandelen. Toen de doctoren haar onderzochten, schrokken zij hevig toen zij zagen wat er aan de hand was. Ontsteld zeiden zij tegen het dienstdoend personeel: ‘Hoe krijgen jullie het in je hoofd deze vrouw lopende hierheen te brengen? Volgens ons had ze allang dood moeien zijn. Zoals het er nu voorstaat, kan iemand zo onmogelijk leven, er zitten gebroken ribben door haar longen heen en de ene long zit vol bloed en de andere gedeeltelijk. Dit is puur een onmogelijkheid’.

De specialisten stonden voor een volkomen raadsel. Ze zijn schou­derophalend, toch aan haar be­gonnen, met de gedachte: ‘Waar gaan we aan beginnen’. Ze waren het verplicht, maar anders hadden ze het niet gedaan. Ik vraag aar­zelend: ‘En…?’ Hij zegt: ‘Ze leeft!’ Ik zeg: ‘Ja?’ ‘Ja’, zegt de man, ‘de doctoren snappen er ook niets van. Ze zeggen, ondanks dat ze aan haar gedaan hebben wat ze konden doen, dat hier een wonder gebeurd is. Dat iemand, lopend met gebroken ribben en bloed in de longen, zo nog leven kan. Mijn vrouw en ik hebben hier veel over nagedacht en met elkaar over deze dingen gesproken. We zijn beiden tot de slotsom gekomen, ondanks dat we niet christelijk zijn en niet in God geloven, dat we nu zien dat Hij wel bestaat. Dat moe­ten we nu eerlijk bekennen.

U heeft mijn vrouw tijdens haar lijden van Hem verteld. Zij heeft u onderweg horen bidden en zij voelde kracht komen om verder te lopen. Dan moet er toch wel iets bestaan, wat antwoord geeft als je bidt. En daarom heeft mijn vrouw aan mij gevraagd om u te bellen en u uit te nodigen om haar te komen bezoeken in het ziekenhuis’.

Mijn vrouw en ik namen een bosje bloemen mee en kwamen de ziekenzaal binnen. Wat was ze blij en dankbaar, met al degenen die om haar bed stonden. We vertelden hen openlijk dat de Here Jezus haar geholpen had en niemand anders. En dat Jezus aan haar bewezen heeft dat Hij leeft.

Zij zegt: ‘Ja, als je in die dingen nooit geloofd hebt, moet je het nu toch wel bekennen’.

Ik vertelde haar wat de bedoeling nu van God is met haar leven, dat zij hiervan gaat getuigen, door te doen wat Hij zegt in zijn woord, dat is de Bijbel. Dat zij een levend getuige is geworden van de won­derbare kracht van God. Dat zij gespaard geworden is, door die grote liefde van Hem, voor haar familie, vrienden en kennissen en voor alle mensen.

Ik moet zeggen dat ik daar in die ziekenzaal sprak tot een goddeloze familie. En dat we dit gedaan heb­ben omdat God ons bevolen heeft voor de nooddruftige en lijdende mensheid te bidden .

Daarom gingen we dankbaar het ziekenhuis uit, wetende dat Gods woord niet ledig weerkeren zal. Het zijn Zijn schepselen, Zijn zielen.

Later is zij uit het ziekenhuis ont­slagen. Daarna hebben wij van haar, noch haar man, nooit meer iets vernomen. Maar wij weten dat het opgetekend staat in de hemel.

Voor ons was dit een geweldige bemoediging van de Heer om met Hem verder te trekken. Ook was het voor ons, en voor alle ande­ren in het ziekenhuis, een beves­tiging dat alleen de Bijbel de waar­heid is. Als wij maar leven naar Zijn wil en doen wat Hij zegt in Zijn woord, dan doet God de rest. Daar kun je zeker van op aan. In het evangelie van Markus staat, in het bekende hoofdstuk 16, dat de tekenen de gelovigen zullen volgen, onder andere boze gees­ten zullen worden uitgedreven en op zieken zullen de handen wor­den gelegd, zodat zij bevrijd en genezen worden in de naam van Jezus. Ook zullen zij in nieuwe tongen spreken. En dit Schriftgedeelte werd ook door deze gebeurtenis, met die vrouw uit Amsterdam, door God bevestigd.

 

“Geestelijk licht op Israël” door redactie

Onder bovenstaande titel verschijnt binnenkort een speciale uitgave, waarin de artikelen die Wim te Dorsthorst schreef onder de titel “Zicht op Israël” zijn gebundeld. Deze artikelen, die in ons blad werden gepubliceerd in de periode februari 1994 tot en met juli van dit jaar, hebben grote aandacht getrokken en velen vroegen dan ook of de artikelen over dit onderwerp ook als brochure kon worden uitgegeven.

Momenteel is het boekje, dat hier en daar nog wordt aangevuld, in bewerking. U kunt het eventueel reeds bestellen. Wilt u dit echter uitsluitend schriftelijk doen? -red.

 

De prijs der roeping Gods door Froukje Huis

Met verbazing zat ik naar de tv kijken. Wat was dat nu? Blijkbaar was ik midden in een mij onbekend program­ma terecht gekomen. In een kaal vertrek stond een man de enigszins vreemde gedragingen van een vrouw gade te slaan. Nu eens schuifelde ze met kleine pasjes vooruit, dan weer stopte ze om een heel klein pasje opzij te gaan, soms bleef ze abrupt staan… heel vreemd.

Nieuwsgierig stelde ik hel geluid bij en constateerde dat de vrouw geïnstrueerd werd door een mannenstem: voor­uit, vooruit, stop, iets naar links, vooruit, stop, halve slag draaien…!

Plotseling veranderde het beeld en vertoonde een man, die de vrouw in een voor haar onzichtbare doolhof zag staan. In het midden van de doolhof stond de spelleider, die belangstellend toekeek. De man probeerde de vrouw langs de kortste weg naar de spelleider te loodsen. Er was zeker een goede prijs uitgeloofd, want ze vlogen elkaar juichend in de armen toen het binnen de gestelde tijd gelukt was.

Ik dacht er verder niet over na, maar onlangs schoot het me weer te binnen en wel in verband met onze trouw- tekst: “Mijn oog zal op u zijn” (Ps. 032:008c). De volledige tekst luidt: “Ik leer en onderwijs u aangaande de weg die gij gaan moet. Ik raad u; mijn oog is op u”.

Het oog van de man in het televisiespel was op zijn vrouw in de doolhof. Alleen door nauwgezette samenwerking zou de man zijn vrouw naar het doel kunnen geleiden. Zij moest precies doen wat hij zei. Geen gepruttel van: ‘Moet ik alweer terug?’ of ‘Ben ik er nu nog niet?’ Hij gaf rustig en nauwkeurig aan, wat ze moest doen, geduldig corrigerend als het fout dreigde te gaan. En zo bereikten ze samen het doel!

Ja, bedacht ik, als ik zo mijn leven nu eens liet leiden door de heilige Geest, wat zou het dan eenvoudig zijn ons doel, de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus, te bereiken. Het leven is geen doolhof, maar voor de weg in de hemelse gewesten, hebben we een goede Gids nodig. En God stelt Hem immers ter beschikking! Zijn Geest wil ons leren en onderwijzen de weg die wij moeten volgen. Als ik rechts of links wil gaan, zullen mijn oren achter mij horen: “Dit is de weg, wandel daarop” (Jes. 30:02). (Joh. 16:12:15) zegt ons bovendien dat de Geest der waarheid ons de weg zal wijzen tot de volle waarheid, zodat we ons niet meer laten bedotten door de leugens van de vijand.

De toekomst zal Hij ons verkondigen: de naaste toekomst: Pas op, de vijand is in aantocht, stel je op! De verre toe­komst: Houd vol, laat je niet ontmoedigen, denk aan de prijs der roeping Gods, die in Christus Jezus is (Filip. 03:14). De heilige Geest kent het Woord en brengt ons te binnen, hoe geweldig de prijs is, die wij zullen ontvangen. Lees het maar na in de hoofdstukken 2 en 3 van het boek Openbaring: Wie overwint, hem zal ik geven:

  1. te eten van de boom des levens;
  2. dat hij geen schade lijdt van de tweede dood;
  3. van het verborgen manna en een witte steen met een nieuwe naam die niemand weet;
  4. macht over de heidenen om ze te hoeden met en ijzeren staf en de morgenster;
  5. witte klederen en zijn naam zal niet worden uitgewist uit het boek des levens, maar Ik zal hem belijden voor mijn Vader;
  6. te worden tot een zuil in de tempel en op hem zullen geschreven worden de naam van God, de naam van de stad van God en Mijn nieuwe naam;
  7. te zitten met Mij op de troon.

En weet je wat zo heerlijk is? Ook als we een fout maken, mogen we een stapje terug doen om die te herstellen. Het geduld van onze Gids is onuitputtelijk en zijn verlangen om ons naar het doel te brengen is nog groter dan het onze. Laat je dan door Hem geleiden, dan is de overwinning zeker!

 

1995.07-08 nr. 372

Levend geloof 1995.07-08 nr. 372

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

In het elfde hoofdstuk van de brief aan de Hebreeën wordt een zeer duidelijk definitie gegeven van het begrip ‘geloof. Daar staat namelijk dat het geloof de zekerheid is van de dingen, die men hoopt, en het bewijs van de dingen, die mens niet ziet. Nergens vinden wij duidelijker geformuleerd wat geloof betekent. Ik noem het daarom ook altijd de gouden tekst over het geloof. En als we dan ook nog in hetzelfde hoofdstuk lezen dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn, dan weten we hoe belangrijk ‘geloof is.

Het is daarom ook niet voor niets dat ons blad ‘Levend Geloof heet. Ontstaan in de tijd na de grote samenkomsten met evangelist Osborn, die zelf het blad ‘Faith Digest’ uitgaf, werd ik geïnspireerd om duidelijk de aandacht te vestigen op de belangrijkheid van het geloof en dit in de naam van het blad tot uitdrukking te brengen. Daar heb ik tot de dag van vandaag nog geen moment spijt van gehad. Integendeel, nog steeds neemt ‘het geloof de centrale plaats in, in de artikelen van ons blad. Daarbij heeft natuurlijk in de loop der jaren, door een voortdurende groei van geestelijke kennis en inzicht, de uitleg van de vele geloofsfacetten een ‘verdieping’ ondergaan, die nog steeds doorgaat. Het is daarom ook iedere keer weer met grote blijdschap dat de inhoud van ons blad wordt samengesteld. En omdat de ‘inspiratiebronnen’ van het geloof (Gods woord en Geest) nooit uitgeput raken, valt er nog heel veel te vertellen over het functioneren van het geloof, want daar gaat het uiteindelijk om. Geloof is geen dode materie, maar levende werkelijkheid. Het gaat om een levend geloof. Jakobus is daar heel duidelijk over: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood” (Jak. 02:26).

Wanneer ons geloof ‘levend’ is heeft het de positieve uitwerking zoals God die bedoelt. Dan groeien wij, ons aan de waarheid (het evangelie van het Koninkrijk) houdende, in liefde in elk opzicht naar Christus toe. Zo gaan we ons hoe langer hoe meer als beeld­dragers van Christus, als zonen Gods, openbaren. Met dit doel voor ogen werd ook dit nummer van Levend Geloof weer samengesteld, in het vertrouwen dat ons geloofsleven er weer een ‘stimulans ten goede’ door zal ontvangen.

 

Beantwoorden wij aan onze hemelse roeping? Door Roel Schipper

 

In (Heb. 12:09) staat, dat God de Vader der geesten is. De schrijver wil hiermee zeggen, dat God de oorsprong en schepper is van alle geest en leven. Zo werden de enge­len geschapen, geesten die uitgezon­den zouden worden om hen te die­nen die bestemd waren later het heil te beërven.

De voornaamste van deze engelen des lichts was Lucifer. Zo wordt hij genoemd in de Septuagint. Hij had een geweldige wijsheid, luister en schoonheid (Ezechiël 28).

Stuk voor stuk waren deze hemelse dienaren begiftigd met eigenschap­pen die hun oorsprong vonden in de Vader van deze geesten. Ze waren volkomen toegerust voor hun toe­komstige taak: het dienen van God en van het allermooiste wat Hij ging scheppen, de mens. Hemel en aarde waren reeds voor dit doel gescha­pen. Alle dingen waren dus voor dit gebeuren in gereedheid gebracht.

Bijna goddelijk

Wat maakte de mens nu zo uniek? Hij werd geschapen naar Gods beeld en als zijn gelijkenis. Hij was bijna goddelijk gemaakt, met heerlijkheid en luister gekroond. Deze toekom­stige partner van God was bestemd om te heersen over al de werken van Gods handen. Alles zou hem onder­worpen zijn, ook de ontelbare enge­lenscharen (Ps. 008:006-007; Heb. 02:05-06). Gods wezen zou in hem open­baar komen. De uitnemende geest waarmee de mens begiftigd werd, zou leven op goddelijk niveau voortbrengen. Het was de bedoeling van de Schepper (die zelf geest is) dat de mens niet vleselijk zou blijven, maar dat deze zich tot een geestelijk wezen zou ontwikkelen.

In dit leer- en ontwikkelingsproces stonden de geestelijke dienaren hem bekwaam terzijde. Althans, dat was de opdracht hun door God gegeven. Lucifer echter, kwam vanwege dit kostelijke plan met de mens ten val. Er werd onrecht in hem gevonden (Ez. 28:15). Hij weigerde zich ten dienste te stellen. Hij werd een satan, dat betekent: een tegenstander. Voortaan zou hij met zijn medestan­ders alles in het werk stellen om de mens te misleiden, zodat niet God eeuwig gemeenschap met de men­selijke geest zou hebben, maar hij deze voorgoed aan zich zou onder­werpen.

Wij zijn intens gelukkig en dankbaar voor het feit, dat onze God en Vader naar ons omgezien heeft in zijn grote barmhartigheid en zijn oorspronke­lijke plan niet ingetrokken, noch gewijzigd heeft. Hij zond zijn Zoon Jezus Christus en deze stelde zich beschikbaar, zodat het voornemen des Heren door Zijn hans voortgang kon hebben.

Wat houdt dat voornemen des Heren in? Gods oorspronkelijke gedachten zouden toch gerealiseerd worden. Maar hoe? We zien dit in Jezus geopenbaard: Hij groeide uit tot een volmaakt geestelijk mens. Het was Gods bedoeling, dat de Zoon de eerste zou worden onder vele broeders en velen zou leiden naar deze heerlijkheid. Jezus sprak: “Een discipel staat niet boven zijn meester, maar al wie volleerd is, zal zijn als zijn meester” (Luc. 06:40).

De geestelijke weg

Hij noemde zich daarom de weg, de waarheid en het leven. Wij dienen derhalve zijn gezindheid, zijn wijze van spreken, denken en handelen over te nemen.

Het is opvallend hoe geraffineerd de tegenstander en leugenaar het Woord God van kracht berooft. Zo luiden bijvoorbeeld de kerkelijke belijdenisgeschriften, dat Jezus geboren is uit de maagd Maria en dat Hij geleden heeft onder Pontius Pilatus.

Maar zijn leven dat daar tussen ligt, en dat ons tot voorbeeld moet strekken, wordt niet genoemd. De boze moet wel erkennen dat Jezus een plaats op de troon heeft verworven, maar hij wil Hem daar alleen laten zitten zonder zijn broe­ders, als een koning zonder volk, als een aanvoerder zonder leger. Jezus zegt evenwel: “Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon” (Openb. 03:21). Johannes heeft dat genoteerd, en in (1 Joh. 03:02) schrijft hij: “Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is”.

Dit Hem-gelijk-zijn geschiedt niet van de ene dag op de andere. We kunnen deze metamorfose of ge­daanteverandering slechts ervaren als we zijn waar Hij is: in de gees­telijke wereld, en als we daarin een intieme relatie met Hem hebben. Daarom spreekt de Bijbel duidelijk over gééstelijke zegeningen in Christus, in de hemelse gewesten (Ef. 01:03), over een wandel en burgerschap in de hemelen en over een worsteling tegen de boze geesten in de onzienlijke wereld.

Maar we leven als mens toch uitein­delijk op deze aarde? De Heer zegt: Ik werp je toe wat je voor het na­tuurlijke bestaan nodig hebt. Met deze korte, maar zekere belofte ontslaat Hij ons van zorg, opdat wij ons voortaan volkomen kunnen concentreren op het leven met en in de geest.

God en onze geest

Er staat geschreven: “De geest die God in ons (stoffelijk) lichaam doet wonen, begeert Hij met jaloersheid” (Jak. 04:05). Jakobus voegt er aan toe: “Of meent gij dat het Schriftwoord dit zonder reden zegt?” Hij eist deze namelijk zonder voorbehoud voor zichzelf op. Hij wil hem niet delen met de boze geesten. Hij kan niet dulden dat de menselijke geest contact heeft met andere, Hem vijandige geesten.

Daarom heeft de Vader altijd al het principe van de Geestesdoop gekend en gewild. Hij weet dat onze geest te zwak in vermogen is om gelijkwaardig aan Hem eeuwig in de hemelen te functioneren. Derhalve komt Hij onze zwakke geest te hulp met zijn volmaakte en verheven Geest. We horen bij elkaar; we zijn voor elkaar bestemd. Deze trooster zal tot in eeuwigheid in ons zijn en bij ons blijven (Joh. 14:16-17). Dit is de heerlijke boodschap die Jezus ons kwam brengen. En het is de liefde des Vaders, dat wij één van geest met Hem zouden zijn.

Wij willen ons beijveren om onze geestelijke vermogens onder leiding van de Heer te ontwikkelen. Het tijdelijke en natuurlijke zullen dan in betekenis verliezen. Paulus hechtte zich aan de Heer en was één geest met Hem. Opmerkelijk is, dat hij vier van zijn brieven afsluit met de bede, dat de genade van de Here Jezus Christus zij met uw geest” (Filémon 01:15; zie ook 2 Tim. 04:22; Filip. 04:23).

Ten tijde van Noach hield men al­leen rekening met het zichtbare; de mens was enkel vlees. Maar vlees en geest kunnen niet samengaan in het Koninkrijk Gods. Het vlees zoekt de dingen van deze aarde, terwijl de geest wordt gestimuleerd de dingen te bedenken die in de hemel zijp.

Van de aartsvaders staat geschreven dat zij in het land der belofte als in een vreemd land, in tenten wonden (beeld van het tijdelijke), maar dat ze verlangden naar een beter, dat is een hemels vaderland (Heb. 11:09; Heb. 11:15).

Moge de genade van de Here Jezus met onze menselijke geest zijn, zo­dat we bestand zijn tegen elke mis­leiding van de boze en trouw blijven aan onze hemelse roeping. Dan zullen we niet alleen het doel berei­ken en tevoorschijn komen als de zonen Gods, maar ook het leger vormen van medearbeiders en me­destrijders, door wie de Heer zijn vijanden onder zijn voeten brengt en onder wier heerschappij hemel en aarde tot hun bestemming ko­men.

(Roel Schipper behoort tot het oudsten­team van de volle evangelie gemeente ‘De Opgang’ te Groningen).

 

 

 

Een dorsvloer met veel graan door Truus van Kaam

Op de dorsvloer wordt het kaf van het koren gescheiden. Het koren wordt bewaard, het kaf wordt óf verbrand óf door de wind meegenomen: het is onbruikbaar Het koren is belangrijk, te vergelijken met het zaad wat in ons hart gevallen is. Is het zaad reeds in ons ontkiemd en doet het zijn werk? Verandert het ons, brengt het scheiding aan?

Goed geestelijk voedsel is enorm belangrijk. Als we dat goed verwerken zal het een steeds diepere groei in ons leven bewerken.

In gemeenschap met Hem groeien we van binnenuit en worden gezuiverd. (Heb. 04:12) zegt: “Het woord Gods is levend en krachtig… en het dringt door zo diep… en het schift overleggingen en gedachten des harten”. Opdat wij vrucht zullen dragen, dertig-, zestig-, en honderdvoud (Mark. 04:20).

 

Onmisbaar in de hemel door Cees Maliepaard

De hemelen –13-

Wordt vervuld met de Geest, en spreekt onder elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zingt en jubelt de Heer van harte, dankt te allen tijde in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader, voor alles. En weest elkan­der onderdanig in de vreze van Christus” (Ef. 05:18-21).

Het is een gegeven dat, wanneer iemand écht met de Geest van God vervuld wordt, hij dan niet langer bedacht is op eigen eer of voordeel, maar dat hij in de vreze van Christus ten goede op de ander gericht is. Hij heeft er dan geen moeite mee, élk ander onderdanig te zijn. En al even­min met het van harte grootmaken van de Heer en het uiten van dank­baarheid aan de Vader.

De onmisbare Geest

De Here God, de Schepper van hemel en aarde, is de Eeuwige. Hij is onveranderlijk dezelfde, geniaal in heel zijn wezen. Hij heeft er geen enkele behoefte aan zich boven an­deren te verheffen, want Hij is als de Schepper sowieso boven een ieder verheven. Hij is ook niemand on­derdanig, want alles en iedereen is van Hem afhankelijk. Hij is degene die alles (zowel in het stoffelijke universum als in de geestelijke we­reld) heeft voortgebracht en Hij is het ook die al het goede daarin in stand houdt. Onder alles is Hij zichzelf gebleven. Dat was zo toen alles nog goed was, en ook Satans mens-en-schepping aantastende activiteiten vermochten niet daar enige verandering in aan te brengen.

De Schrift zegt dat God Geest is. Hij hééft niet een Geest, maar Hij is Geest: enkel geest dus. Het mag f derhalve duidelijk zijn, dat (waar God eeuwig en onveranderlijk is) ook zijn Geest van eeuwigheid is en niet aan veranderingen onderhevig kan zijn. De Vader kan niet met de Geest vervuld worden, want Hij is die Geest helemaal zelf.

Maar de mens leeft in twee werel­den, in de natuurlijke en in de gees­telijke. Hij is geen geest, maar hij heeft er wel een – en hij onder­scheidt zich daardoor fundamenteel van de engelen en van de dieren. Hij heeft daarbij het vermogen gekregen ook van Gods Geest te ontvangen.

Want onze God overvalt de mens niet met zijn Geest, en Jezus Chris­tus heeft niet de intensie enig mens dwangmatig in de Geest te dopen. Ieder mens zal zich er zelf voor dienen te openen. Daarom worden we ook opgeroepen tot het vervuld worden met de Geest. Zo’n aan­sporing zou immers geen enkele zin of te realiseren mogelijkheid hebben, als de Geestesdoop ons alleen maar buiten onze wil om zou kunnen overkomen. Zo’n gebod heeft slechts waarde, als de mens zelf initiatieven kan nemen in het zich openen voor de vervulling met Gods Geest. Daarmee wordt hem dan tevens de toegang tot z’n hemel ontsloten. Want de Vader verlangt ernaar, ieder die zijn Zoon Jezus Christus toebehoort, blijvend met zijn Geest te vervullen. En zo’n blijvende vervulling met de Geest is noodzakelijk, onmisbaar om in de hemel van Gods heerlijkheid te kunnen functioneren.

Onmisbaar tot Gods glorie

De mens die vervuld is met de Geest, zal gaan leven tot verheerlijking van de Vader. Dat kan gewoon niet missen, want het werkt altijd zo. de Geest die God ons gegeven heeft, leidt niet tot bijster veel interesses in de top 40 van de popmuziek, maar wel in allerlei psalmen, lofzangen en geestelijke liederen.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat men niet zou mogen genieten van goede hedendaagse creaties van de lichte muze, zoals anderen dat doen van het klassieke genre of van een stevig stuk marsmuziek. In alle vormen van kunst kan een stukje goddelijke creativiteit zitten, maar ook kunnen in al die vormen sata­nische elementen voorkomen… tot en met in de geestelijke liederen toe zelfs!

In psalmen, lofzangen en geestelijke liederen wordt vanzelfsprekend veel gemakkelijker de lof, de eer en de glorie van de Vader bezongen, dan in allerlei vormen van de wereldse muze. Voor zover Jezus Christus lof wordt toegezongen, strekt dit evenzo tot eer van de Vader.

Logisch toch, want Jezus draagt het beeld van de Vader volkomen. Lof aan de Zoon is dus tevens lof aan God, wegens het in Jezus voltooide plan van de Vader.

Ons godsbeeld wordt voor een heel groot deel bepaald door de voorstel­ling die we van Jezus hebben. En als we in onze hemel de heerlijkheid van de Vader bemerken, komt dat doordat Jezus ons daar de ogen voor geopend heeft.

Komt het in de hemel van Gods heerlijkheid altijd positief over, wanneer mensen de naam van onze God in hun liederen grootmaken? Beleeft de Vader er altijd plezier aan, doet het Hem deugd wanneer Hem het gezang van mensen in de oren klinkt? Dat staat nog maar te bezien! Het doet Hem deugd en Hij beleeft er ongetwijfeld plezier aan wanneer mensen Hem vanuit hun hart grootmaken. “Zingt en jubelt de Heer van harte”, schrijft Paulus dan ook. Het dient nooit een opgelegde zaak te zijn.

Het zal niet zo mogen zijn dat an­deren ons de lof, de dank en de aanbidding van de Heer opleggen. En al evenmin zal het mogen ont­spruiten uit een innerlijke dwang­matigheid, gebed in de volle-evangelie-traditie die onder ons in zwang zou kunnen zijn.

Gods glorie vindt zijn uitdrukking in een Hem volkomen vrijwillig toegewijd hart, in alles wat in vrij­heid uit zo’n hart ontspringt. Want dat past in het onmiskenbaar he­melse klimaat, dat bij Jezus en de Vader is.

Hemelse onderdanigheid

In de dagelijkse omgangstaal is het woord ‘onderdanigheid’ een beladen begrip, geboren uit negatieve impul­sen van slaafse onderworpenheid. In Gods hemel komt onderworpenheid ‘ echter niet voor. Jezus heeft de machten der duisternis wel onder­worpen (met inbegrip van koning Dood en de vorst der duisternis, Satan zelf), maar geen van hen bevindt zich in Gods hemel – ook niet als onderworpene. Zij existeren aan de keerzijde van de hemel van Gods heerlijkheid, daar waar abso­luut geen Goddelijk licht meer ko­men kan. In het rijk van Satan en in het rijk van koning Dood komt vrij­willige onderdanigheid niet voor. Daar heerst slechts dwangmatige onderworpenheid, want niemand dient daar een ander, maar ieder probeert over anderen te heersen. Men heerst over zwakkere verdor­venheden of men wordt zelf overheerst door sterkere.

In de hemel bij de Heer, is heersen in de zin van overheersen een on­bekende bezigheid; men heeft de ander lief en wil daarom graag dienend bezig zijn. Dat is vrijwillige, uit het hart voortkomende onder­danigheid ten voeten uit.

Ook Jezus had deze intensie bij zijn bediening hier op aarde. Vandaar dat Hij zegt: “De Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten die­nen, maar om te dienen” (Matt. 20:28). Jezus liet ons een voorbeeld na. Als we zijn gezindheid hebben, zal het ook ons verlangen zijn om te dienen en is het elkaar onderdanig zijn geen enkel probleem. Slaafse onderdanigheid haalt de waardigheid van de mens onderuit, maar onder­danigheid in de zin van liefdevol dienen, doet mensen hun plaatsen in de hemelse gewesten innemen, daar rust Gods welbehagen op.

Het is dan ook geen roep in het wilde weg: “Weest elkander onder­danig!” Er staat nog iets bij, dat het begrip onderdanigheid in het juiste kader plaatst. “Weest elkander on­derdanig in de vreze van Chris­tus”, staat er. Je zou kunnen zeg­gen: Weest elkander onderdanig zoals dat past bij mensen die de Geest van Christus hebben, die evenals Jezus met de Geest van God vervuld zijn. Dan dien je elkaar niet uit onderworpenheid, en al evenmin omdat je denkt dat dat zo hoort, maar dan dien je elkaar in de liefde van Christus.

Dat dienen is onmisbaar in de hemel van de gemeente, ongeacht wat de statuur van een gemeente ook zal mogen zijn. Het zal duidelijk wezen dat het hier geen geestelijke hobby betreft, maar een elementaire waar­heid die deel uitmaakt van het leven aan de goede kant van de hemelse gewesten. Uit liefde dienen en het “de ander uitnemender achten dan jezelf’ (Filip. 2:3) leidt voor de zonen Gods tot het onmisbare feno­meen van het elkaar onderdanig zijn in de vreze van Christus.

 

De baas en zijn hond een gelijkenis door Duurt Sikkens

 

In een ver land woonde een rijke grootgrondbezitter. Hij had vele bezittingen, was vriendelijk voor iedereen en zeer integer. Eén van zijn trouwste vrienden was zijn hond, een mooi, speels dier dat elke morgen, weer of geen weer, bij de deur op hem zat te wachten en hem overal volgde, waar hij ook heen ging. Soms spankerde het dier zomaar ergens naar toe wanneer iets zijn nieuwsgierigheid had ge­wekt, maar wanneer de baas een bepaald deuntje floot rende het weer terug. Het waren twee ge­zworen kameraden en je kon ze niet zonder elkaar denken.

Op een morgen stapte de boer de deur uit. Hij keek om zich heen maar zag zijn huisdier niet. Hoe kon dat nou? Het zat toch altijd op hem te wachten? De boer floot, en nog eens, maar niets bewoog…

Er zou hem toch niks zijn over­komen?

De man begon te zoeken in schu­ren en stallen, speurde langs velden en wegen, maar hoe hij zijn best ook deed en links en rechts navraag deed, geen hond. Hij begreep er niets van. Waar was zijn trouwe, onafscheidelijke vriend? Hij hoopte dat de volgende morgen het dier er weer als ge­woonlijk zou zijn, maar dat bleek niet het geval.

Weken, maanden gingen voorbij, doch helaas, geen spoor van zijn makker. De man sprak er weinig over, maar diep in zijn hart knaagde het gemis aan hem.

Enkele jaren later moest de boer een verre reis ondernemen. Hij nam afscheid, stapte in zijn auto en reed het erf af, de weg op. Dagenlang was hij onderweg en , wanneer hij via binnenwegen reed keek hij onwillekeurig links en rechts om zich heen in de stille hoop ooit een glimp op te vangen van zijn verdwenen huisdier.

Tegen de avond toen hij op het punt stond de thuisreis weer te aanvaarden, doemde er in de verte nog een grote boerderij op, een groot somber gebouw. Zo te zien was het allemaal nogal verwaar­loosd en de weg liep er ook dood. Bij de inrit stopte de boer en zijn oog viel op een oud vuil hondenhok dat op enkele tientallen meters vanaf de ingang stond. Voor het hok lag, vastgeklonken aan een zware, roestige ketting, een smerige hond. De boer draaide het raampje naar beneden, keek eens goed naar het magere scharminkel, dat voor dood voor zijn hok lag, en floot het voor zijn hond bekende wijsje.

En… het dier bewoog! Het opende de ogen. De boer floot nog een keer en toen probeerde het arme dier overeind te komen. Dat ging moeizaam. Wankelend stond het op zijn poten.

Het hart van de boer sloeg haast over van opwinding. Zou het dan eindelijk toch zijn oude vriend zijn? Hij stapte uit en liep er naar toe. Het beestje deed een poging om te kwispelstaarten, maar dat lukte nauwelijks.

Vol medelijden knielde de boer bij het dier neer. Ach, wat zag-t-ie er uit! D» doffe vacht slobberde om zijn magere ribbenkast en zat vol kale plekken en zweren. De nek was door de afschuwelijke ketting kaal geschuurd en bloedde. De boer strekte zijn armen uit en nam de kop van het dier tussen zijn handen. Het had hem herkend na al die jaren! Dat ontroerde hem diep en tranen van mededogen sprongen hem in de ogen.

“Wat moet dat?”, klonk plotseling een stem achter hem.

De boer kwam overeind uit zijn geknielde houding en keek om. Daar stond een man hem dreigend aan te kijken. Het kon niet anders of dat moest de eigenaar van de boerderij zijn.

De boer zei tegen hem:

“Deze hond, die hier aan de ketting ligt, is eigenlijk van mij. Ik ben hem al jaren kwijt”.

“Oh, ja?”, grijnsde de vreemdeling.

“Maar ik heb hem nu. Ook al jaren. Het beest is hier aan komen lopen…”

“Ik wil hem graag weer terug heb­ben”, sprak de boer.

“Ik snap niet wat je er nog in ziet”, zei de ander”. “Het is een rotbeest, je hebt er niks aan”.

Ook zag hij dat het de boer er alles aan gelegen was om de hond mee te nemen en hij voegde er daarom aan toe: “Dat gaat je een lieve duit kosten”.

“Wat moet je ervoor hebben?”, vroeg de oorspronkelijke eigenaar. De ander noemde een krankzinnig hoge prijs. Zonder aarzelen greep de boer zijn portefeuille, betaalde het gehele bedrag en zei: “Laat hem los”.

Dat gebeurde.

Voorzichtig tilde de boer zijn oude vriend op, liep zonder om te kijken naar zijn auto, en legde hem zachtjes op de achterbank. Hij keerde zijn wagen en ging richting woonplaats.

Na een kwartier stopte hij en keek op de achterbank. Daar lag het uitgeputte beest. Met een teder gebaar legde hij zijn hand op het beest en zei:

“Wat ben ik blij dat je weer bij me bent! Je zult weer helemaal de oude worden hoor! Een ander had je gestolen, maar ik heb je weer terug, je bent gekocht en betaald. Je was immers van mij?”

Er blonk wat licht in de ogen van het dier en het zuchtte diep.

“Kom op”, zei de boer. “We gaan weer terug, naar huis. We horen toch eigenlijk bij elkaar”.

En daar gingen ze.

Weer samen, gelukkig.

Weer gelukkig samen.

 

Ik ben gedoopt (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Ik ben gedoopt! Heer Jezus, ik heb ‘ja’ gezegd.

Mijn oude leven is voorbij, ik heb het afgelegd!

Toen ik in ’t water ging, was ‘k mij er van bewust:

Dit wil ik, ’t is mijn keus en niet een ‘must’.

 

Wanneer ik spreek met U, luister naar wat U zegt,

Dan geeft U rust en vrede: U verschaft mij recht!

U leert mij, Jezus, op Uw wegen sterk te staan,

Ik neem Uw hand, ik heb de goede keus gedaan.

Tea Keuper-Dijk

 

Zomeractie 1995 door redactie

In ons vorige nummer deden wij onze jaarlijkse oproep tot ondersteuning van onze arbeid met een extra financiële bijdrage, in het kader van onze jaarlijkse ‘zomeractie’. Het was voor ons een bijzondere verrassing en bemoediging dat al vóór Levend Geloof verscheen de eerste bijdrage binnenkwam! Uiteraard zijn we daar bijzonder dankbaar voor, evenals voor alle bijdragen die daarna binnenkwamen, waaronder ook van enkele gemeenten.

Een blad als Levend Geloof kan niet worden uitgegeven zonder een gezonde financiële basis. En met de ‘gezonde’ boodschap van het volle evangelie, zoals we die in Levend Geloof doorgeven, twijfelen wij geen moment dat ook dit jaar de actie weer zal slagen. Wij vertrouwen er daarbij op dat zoveel mogelijk lezers en lezeressen meedoen.

U doet toch ook mee? Vorige maand schreven wij al dat wij geen acceptgiro’s versturen, maar rekenen op eigen initiatief. Laten we in deze tijd van geestelijke verwarring dankbaar zijn dat het duidelijke geluid, dat wij iedere maand laten horen, ons op het rechte spoor houdt of zet. Het is broodnodig dat we ons gezamenlijk blijven inzetten voor de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, het enige evangelie wat waardevast is en blijft!

U kunt uw bijdragen overmaken.

 

Vrucht dragen voor Gods Koninkrijk door Peter Koumans

De prediking van Johannes de Doper maakte zoveel indruk dat volgens Matthéüs (Matt. 03:05) Jeruzalem, Judéa en de gehele Jordaanstreek uitliep. Velen lieten zich door hem dopen onder belijdenis van hun zonden.

Toen konden vele Farizeeën en Sadduceeën niet achter blijven en wilden zich voor de ogen van de scharen ook laten dopen. Johannes had door wat hun motieven waren en zei tot hen: “Adderengebroed, wie heeft u de wenk gegeven om de komende toom te ontgaan? Brengt dan vruchten voort die aan de beke­ring beantwoordt”. Hij zei verder: “Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom dan, die geen goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur gewor­pen”.

De mensen vroegen hem toen wat zij moesten doen (Luc. 02:10-14). Men kan ook zeggen: ze vroegen wat de vrucht van de bekering is.

Johannes legde uit wat dat inhield: goederen en spijzen delen met de armen; voor de tollenaars gold speciaal dat zij niet meer mochten vragen dan was voorgeschreven en voor de soldaten dat zij niemand mochten plunderen of afpersen en dat zij tevreden moesten zijn met hun soldij.

De noodzaak om vrucht te dragen

Johannes stond niet alleen met de boodschap dat mensen na hun be­kering voor God vrucht moesten dragen en de waarschuwing voor de gevolgen als zij dat niet deden. Jezus oordeelde op dezelfde wijze over mensen, die geen vrucht dra­gen, en gebruikte ook daarbij het voorbeeld van een boom. Zo zocht Hij eens vijgen aan een vijgenboom en toen Hij niets vond zei Hij tot die boom: “Nooit groeit aan u enige vrucht meer in eeuwigheid!”. En onmiddellijk verdorde de boom. Een andere keer sprak Hij een gelijkenis uit over een vijgenboom waar al drie jaar geen vruchten aan waren gekomen (Luc. 13:06-09). De eigenaar wilde de boom omhakken, maar de verzorger van de wijngaard waarin de boom stond, vroeg nog een jaar uitstel. Hij zou de boom nog eens extra moeten mesten en als er dan geen vruchten aan kwamen moest die boom maar om.

Het was de toehoorders wel duide­lijk dat met die boom zijzelf werden bedoeld.

In Johannes 15 worden de gelovi­gen vergeleken met ranken aan een wijnstok. Jezus zelf is de wijnstok en Zijn Vader is de landman. Jezus stelt heel duidelijk dat elke rank, die geen vrucht draagt, wordt weggenomen.

Wat wordt bedoeld met vrucht dragen?

Er is wel eens gezegd dat vrucht­ dragen inhoudt dat men mensen wint voor Jezus. ‘Gered om te redden’, is een bekende slagzin van het Leger des Heils. Maar men kan hierop ook teveel nadruk gaan leggen en de toehoorders onder een zekere pressie brengen door te vra­gen: ‘En hoeveel zielen hebt u af­gelopen maand aan de voeten van Jezus gebracht?’ Op deze wijze geredeneerd zouden evangelisten als Billy Graham de meeste vruchten voortbrengen. Natuurlijk is evangelisatie een Bijbelse opdracht, maar het zendingsbevel van Jezus in (Matt. 28:19) houdt veel meer in, want Hij zegt: “Maakt alle volken tot Mijn discipelen en doopt hen…, en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”. Het is dus zeker dat heel veel werkzaamheden voor Jezus als vrucht dragen gezien kunnen worden.

In (Matt. 25:31-46) wordt het eindoordeel beschreven dat Je­zus velt over alle mensen uit de volken, die voor Zijn troon worden gebracht. En dan blijkt dat er zijn, die gezegend worden en het Ko­ninkrijk beërven omdat zij barm­hartig zijn geweest en zich hebben bekommerd om armen, zwakken, zieken en gevangenen. En dat had­den zij gedaan zonder dat zij het bewust deden voor Jezus, ja zelfs zonder Hem te kennen.

Men mag hier zeker niet uit afleiden dat men kan worden behouden door het doen van ‘goede werken’. Dan zou men het doen om er zelf beter van te worden. De mensen uit dit Bijbelgedeelte deden ‘goede werken’ met een bewogen hart voor anderen.

Alleen ‘in Jezus’ kunnen wij vrucht dragen

Heel duidelijk is (Joh. 15:05) waar staat: “Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen”.

Men kan dit opvatten als een voor­waarde om vrucht te dragen: Jezus moet in ons zijn en wij in Hem. En men mag het ook zien als een belof­te: als we aan die voorwaarde zullen voldoen, zullen we vrucht dragen.

Maar nu is de vraag: Hoe komt Jezus in ons? Dat lijkt heel moeilijk, maar (Joh. 14:23-26 laat zien dat dat gebeurt door de heilige Geest, die verbonden is met de Zoon en met de Vader. Die Geest getuigt van Jezus, leidt ons op de rechte weg en toont ons de volle waarheid. De heilige Geest komt in ons wonen als we er om vragen.

Hoe kunnen we nu ‘in Jezus’ zijn? (1 Joh. 03:23-24) geeft het antwoord: “En dit is Zijn gebod: dat wij geloven in de Naam van Zijn Zoon Jezus Christus en elkander liefhebben, gelijk Hij ons geboden heeft. En wie Zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft”.

Het lijkt zo’n eenvoudig gebod, maar we zullen er bewust naar moeten leven. Door zonde en on­achtzaamheid, zorgen, de welvaart in deze wereld, verslappen we hierin gemakkelijk. Het is als dat zaad in de bekende gelijkenis van Markus 4: een deel viel in de dorens en die dorens kwamen op en verstikten het. Jezus gaf daarbij als uitleg: “Dat zijn zij, die het woord horen, maar de zorgen van de wereld en het be­drog van de rijkdom en de begeerten naar al het andere komen erbij en

Wat wil je zijn?

verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar” (Mark. 04:18). En het zaad, dat op de goede grond viel: dat zijn zij, “die het woord horen en in zich opnemen en vrucht dragen”. Vrucht dragen is dus een gevolg van onze verbinding met Jezus. Het is geen extra inspanning, maar gaat ogenschijnlijk vanzelf.

Om welke vrucht gaat het?

In de natuur bepaalt de plant, ofwel het zaad waaruit de plant voort­kwam, wat voor vrucht er zal ont­staan. Aan een wijnstok komen druiven, aan een appelboom appels. Het lijkt zo simpel en toch hebben we er moeite mee in Gods gemeen­te. We oordelen zo gemakkelijk over de waarde van iemands vrucht. Te vaak wordt gekeken naar zicht­bare resultaten. Een geweldige prediker of een door de Geest ge­leide profeet worden bewonderd en geëerd.

Daardoor voelen sommige mensen zich minderwaardig. Wat kan ik nu eigenlijk? Wat heeft de gemeente aan mij?

Maar God oordeelt anders en Hij verbiedt ons te oordelen over onze eigen vrucht! We laten ons zo ge­makkelijk aanklagen door de boze en vergeten Gods liefde voor ons.

Uit (Joh. 15:05) blijkt dat we alleen maar hoeven te zorgen dat Jezus in ons is en wij in Hem zijn. Dan zullen we bij alles wat wij doen vrucht dragen. En dat kan onafhan­kelijk van de omstandigheden. Het maakt dan niet uit of men intelligent is of niet, rijk of arm, gezond of ziek, sterk of zwak. Voor God kan men vrucht dragen!

We zullen zelfs waakzaam moeten zijn bij mensen, die er prat op gaan dat zij geweldige dingen voor de Heer doen. Immers zei Jezus niet: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnen gaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de he­melen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet in uw Naam boze geesten uitgedreven en in uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit ge­kend; gaat weg van Mij, gij werkers der wetteloosheid” (Matt. 07:21- 23).

De vrucht van de Geest

In Galaten 5 spreekt Paulus over werken van het vlees. Dat zijn de zichtbare zonden en als men die doet is het duidelijk dat men niet in Jezus is.

Als tegenstelling tot de werken van het vlees noemt Paulus de vrucht van de Geest. Men zou dan gemak­kelijk denken dat dat de ‘goede werken’ zijn. Maar de beschrijving van die vrucht toont dat het de in­nerlijke gesteldheid is waarmee men God en zijn naaste dient.

En die vrucht van de Geest is alleen mogelijk als Jezus werkelijk Heer is in ons leven, dus wij in Hem en Hij in ons. Het zou dus niet moeilijk moeten zijn om vrucht te dragen voor de Heer.

Daarom zegt 1 Johannes 5 vers 3 en 4 (1 Joh. 05:03-04): “En Zijn geboden zijn niet zwaar, want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld over­wonnen heeft: ons geloof’.

 

Het geloof als wapen in de geestelijke strijd door Gert Jan Doornink

Neemt bij dit alles het schild des geloofs ter hand, waarmee gij al de brandende pijlen van de boze zult kunnen doven” (Ef. 06:16).

Als leden van de gemeente van Jezus Christus zijn we betrokken bij een geestelijke strijd. Dit is een vast­staand feit waar we niet omheen kunnen. Duidelijk stelt Paulus in zijn brief aan de Efeziërs dat onze strijd niet is tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 06:12).

Nemen wij deel aan de geestelijke strijd?

Maar hoe gaan we om met deze geestelijke strijd? Zijn we ons bewust dat we daadwerkelijk bij deze strijd betrokken zijn, of hebben we het hoofd allang in de schoot gelegd met de gedachte: het is me allemaal te zwaar, ik ben wel tevreden met de situatie zoals die nu is, ik ben toch behouden en waar zal ik me dan verder nog druk om maken. Misschien zegt of denkt u wel niet letterlijk zoals hier geformuleerd, maar in de praktijk zijn er heel wat christenen die geen werkelijke deel­nemers aan de geestelijke strijd zijn. Allerlei drijfveren kunnen daarvan de oorzaak zijn. Onder andere speelt onkunde een grote rol.

Er is veel oppervlakkig christen­dom, dat wil zeggen: men is tevre­den met het feit dat men een kind van God is. Men gaat dan wel naar de samenkomst van de gemeente, komt op de bidstond en doet mee aan één of meer activiteiten. Maar een daadwerkelijke strijd tegen de vijand met het verlangen om te overwinnen is er niet bij. Terwijl juist ‘overwinning’ het grote teken van de eindtijdgemeente behoort te zijn. Lees het maar na in de brieven die gericht zijn aan de zeven ge­meenten, zoals ze in Openbaring 2 en 3 voorkomen. Ze eindigen al­lemaal met de belangrijke opmerking: “Wie overwint…”

Overwinnaar zijn is geen utopie

Dit alleen al laat zien dat de moge­lijkheid om te overwinnen een reële mogelijkheid is. Het is geen utopie, niet iets wat we toch niet bereiken kunnen. Maar wat zijn dan de re­denen dat er zo weinig overwinning is bij heel veel kinderen Gods? Wij noemden al onwetendheid. Wie niet tot de ontdekking komt dat ‘overwinning’ een wezenlijk on­derdeel is van Gods bedoeling met ons leven, zal ook niet het verlangen in zich hebben om te overwinnen.

Dat het gaat om de overwinning kunnen we alleen ontdekken door kennis op te doen uit het Woord van God onder leiding van de heilige Geest. Daar zien we hoe Jezus en de eerste christenen werkelijk overwin­naars waren. Paulus uit zijn dank over de overwinning zelfs op triom­fantelijke wijze met de uitspraak: “God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren” (2 Kor. 02:14). De tussenvoeging ‘in Christus’ duidt er al op dat het ge­heim van Paulus’ overwinning onder andere was het ‘kennen van Jezus’.

Paulus had zich geheel en al ver­eenzelvigd met Jezus. Hoe Hij leefde, sprak, handelde en de vijand overwon, was zijn grote voorbeeld en inspiratiebron om na te volgen.

Het geloofsleven van Jezus

Het leven van Jezus was er voort­durend op gericht één te zijn met de Vader. Daarvoor bad Hij en dat hield Hij ook zijn discipelen voor. Jezus had een 100% vertrouwen in de Vader, een rotsvast onwankel­baar geloof. Het gevolg was dat de Vader daardoor ook een rotsvast geloof had in Zijn Zoon. Hij kon de opdracht van God dan ook geheel en al, tot het einde toe, volbrengen. De duivel kon er geen speld tussen krij­gen en moest uiteindelijk volledig het onderspit delven.

Wanneer we in onze dagen bemer­ken dat er zo weinig werkelijke overwinning is, ligt dat dus nooit aan God. God heeft geloof in ons, we zijn immers Zijn scheppingen. Hij wil niets liever dan dat wij onze ‘volmaakte en goede status’ zoals de mens die bij het begin van de schep­ping had, weer gaan bezitten.

Maar zolang er een ongeestelijk leven is, zodat de duivel vrij spel heeft om te infiltreren, kan God Zijn overwinning niet aan ons kwijt. Want nooit gaat God zich op welke wijze ook vermengen met alles wat de vorst der duisternis veroorzaakt. “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” (1 Joh. 01:05).

Waaruit blijkt ons geloof?

We zullen dus schoon schip beho­ren te maken met alles wat de te­genstander in ons leven wil aanrich­ten of heeft aangericht. Hij probeert ons buiten de gemeenschap met God te houden. Maar waarachtige christenen hebben een belangrijk wapen ter beschikking om dat te verhinderen. Dat is hun geloof. Geloof functioneert echter alleen wanneer het ‘in werking’ is. Jakobus zegt: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood” (Jak. 02:26).

Hebben wij een werkzaam, functioneel geloof? Daarvoor zijn we zelf verantwoordelijk. Wanneer ons geloof ‘dood’ is, zijn we een ge­makkelijke prooi voor de vijand. Hij kan dan heel gemakkelijk infiltreren. Is ons geloof ‘levend’ dan houden we ons afgesloten voor de infiltratie- pogingen van de verkeerde kant. Paulus spreekt over ‘het schild des geloofs’ dat we ter hand moeten nemen, om daarmee ‘al de branden­de pijlen van de boze te kunnen doven’.

Wanneer functioneert ons geloof?

Voor een kind van God dat zijn plaats met Christus heeft ingenomen

in de hemelse gewesten, is dit een vanzelfsprekende zaak. Want gelo­ven heeft niets met presteren te ma­ken. Het gaat automatisch functioneren bij iedereen die zich bewust is van zijn geestelijke plaats met Chris­tus in de hemelse gewesten. En die weet dat hij alleen van daaruit kan strijden om te kunnen overwinnen. Geloven is dus een geestelijke aan­gelegenheid. Het is de zekerheid van de dingen die we hopen, en het be­wijs van de dingen die we niet zien (Heb. 11:01).

Geloof is daarom het eerste en be­langrijkste wapen in de geestelijke strijd. Er zijn natuurlijk meer wa­pens. Wij denken bijvoorbeeld aan het bidden in tongen en het onder­scheiden van geesten, voortvloeien­de uit de vervulling met de Geest. Het gebed, de kracht van woorden uit de Bijbel als ze geïnspireerd zijn door de Geest en de autoriteit van de Naam van Jezus, zijn eveneens wa­pens in de geestelijke strijd.

Verder dienen we te bedenken dat een gezamenlijk optreden met andere christenen, als die tenminste ook hun plaats met Christus in de hemelse gewesten hebben ingeno­men, een effectief wapen is om te overwinnen.

Geloof is de uitgangsbasis

Maar al deze wapens hebben hun basis in ‘het geloof. Daarbij dienen we altijd weer voor ogen te houden dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn (Heb. 11:06). En dan staat er nog bij dat “wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken”. Met andere woorden: God geeft altijd een posi­tief antwoord op een werkzaam geloof. Zo’n geloof heeft altijd resultaten. Het bevestigt dat onze gemeenschap met Hem geen holle frase is, maar levende werkelijkheid.

Dit geloof zal de overwinnende gemeente in deze eindtijd meer en meer gaan kenmerken. Dan is openbaring van de zonen Gods, waarover zoveel gedacht, gesproken en geschreven wordt, geen theorie meer die theorie blijft, maar gaat zich werkelijk manifesteren. De kwantiteit van de naam-gelovigen gaat plaatsmaken voor de kwaliteit van de daad-gelovigen. En alleen de laatste categorie zal uiteindelijk triomferen.

Werkelijk geloof geeft overwinning

Wie het wapen ‘geloof in de gees­telijke strijd heeft ontdekt, gaat ge­bruiken en steeds beter leert gebrui­ken, gaat volledig beantwoorden aan het profiel dat God met Zijn gemee­nte voor ogen heeft. Dat is Zijn doelstelling en dat mag ook onze doelstelling zijn.

Zo zal blijken dat Zijn Koninkrijk baan zal breken. En elke twijfel, vrees en nederlaag zal als sneeuw voor de zon verdwijnen en plaats moeten maken voor de overwin­ning van allen die behoren tot Gods Koninkrijk.

Werkelijk geloof overwint de we­reld, velt elke tegenstand en is te allen tijde effectief. God heeft er Zijn hart in gelegd. Het maakt dat we in een hechte gemeenschap met Hem verbonden zijn en blijven en daardoor ten volle functioneren overeenkomstig Zijn bedoeling. Zo wordt Zijn overwinning onze overwinning en is onze overwin­ning Zijn overwinning.

 

Het hemelse Jeruzalem Wim te Dorsthorst

– Zicht op Israël -16-

De troon van David

Ook wat de stad Jeruzalem en de tempel betreft zijn ontstellend veel christenen verblind door de god dezer eeuw, de duivel (2 Kor. 04:04). Daar, in Jeruzalem, in het Midden-Oosten, zal het allemaal gebeuren! Daar zal de Heer terug komen en als Koning Zijn plaats innemen op de troon, denkt men. En ondertus­sen is men blind en toegesloten voor het hemelse Jeruzalem en de eigen plaats in de tempel Gods.

Jezus zal Zich niet zetten op een troon in een herbouwde tempel in Jeruzalem, want Hij heeft Zich twintig eeuwen geleden al gezet aan de rechter hand Gods in de ho­ge op de troon van David (Hand. 02:33-35).

En de troon van David is “De troon des Heren”, is de troon van God (1 Kron. 29:23).

In (Openb. 05:01) zien we deze Koning Israëls, als het Lam Gods dat geslacht is, de boekrol uit de hand van de Vader aannemen. Hij zal alles gaan bepalen, besturen, lei­den en tot volheid brengen (1 Kor. 15:28).

Zelf zegt Hij: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde (Matt. 28:19). En dan zegt de pro­feet Jesaja waar deze macht op be­rust: “Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn Koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerech­tigheid, van nu aan tot in eeuwig­heid” (Jes. 09:06).

Hij is bezig Zijn Koninkrijk te bou­wen op het fundament van recht en gerechtigheid, wat Hij gelegd heeft en verworven heeft met Zijn eigen bloed.

De bouw van de tempel des Heren

Hij is bezig Jeruzalem en de tem­pel, het huis Gods, te bouwen. “Want zo zegt de Here der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en Hij zal de tempel des Heren bouwen. Ja, Hij zal de tempel des Heren bouwen en Hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en Hij zal priester zijn op zijn troon” (Zach. 06:12-13).

Vanaf de pinksterdag is de Here Jezus bezig deze tempel te bou­wen. De tempel des Heren, waarvan God zelf de ontwerper en de bouwmeester is, en Hij zit in die tempel op de troon als Koning en Priester.

Al deze zaken hebben niet te ma­ken met het Israël naar het vlees, in het Midden-Oosten, maar met de gemeente van Jezus Christus over de gehele aarde.

Misleiding en verleiding

Er kan in het Midden-Oosten nog zoveel gebeuren en het kan er nog zo echt uitzien, het is echter niet uit God!

Al zou er zelfs weer een tempel ge­bouwd worden het is en kan niet uit God en Jezus Christus zijn! Het zou in strijd zijn met de open­baring van deze dingen in het hele woord van God.

Ja, maar, hoe kan het dan wat er al­lemaal gebeurd met het volk Israël in het Midden-Oosten?

Van groot belang is het om hier re­kening te houden met de overste van deze wereld, de duivel, met al zijn overheden en machten en wereldbeheersers en boze geesten, in de he­melse gewesten (Ef. 06:11-12).

Hij kan leidslieden en volken be­ïnvloeden en sturen om dingen te la­ten gebeuren, die het volk van God op een dwaalspoor brengen. Dat is en blijft het doel van het beest met de zeven koppen, welke Johannes ziet op Patmos, om het volk van God, dat zijn de heiligen des Allerhoogsten, te gronde te rich­ten (Openb. 13:01-06; Openb. 17:01-07; Dan. 07:25).

En de dwaling wat Israël betreft is één van de koppen van het beest en het zou best eens kunnen blijken een hele belangrijke te zijn.

De grote tegenstander

Paulus beschrijft de bedrieglijke werken van de grote wetteloze, de antichrist, in (2 Thess. 02:03-10). Hij noemt in vers tien ”de liefde tot de waarheid” die de christen in de eindtijd behouden kan. En “Gods woord is de waar­heid” zegt Jezus (Joh. 17:17).

Wie in deze tijd, met de waarheid die ons in de Bijbel, door God, in handen gegeven is, het niet zo nauw neemt en leringen van mensen volgt, kan makkelijk slachtoffer worden van de misleidingen van sa­tan. En dat is waarachtig niet alleen wat Israël betreft!

De grote geestelijke vijand, die in het denken van het volk van God zijn pijlen afschiet en zijn leugen- zaad zaait, en van alles laat gebeu­ren, desnoods met tekenen en won­deren, wordt lang niet genoeg on­derkend.

En hierbij komt de satan niet met grof geweld maar hij zal zich voordoen als een engel des lichts (2 Kor. 11:14). Het verschrikkelijke, wat het Joodse volk is aangedaan in de oorlog, wordt listig gebruikt om het gevoel van vele christenen te bespelen.

Dat wat Nazi-Duitsland met de Jo­den gedaan heeft wil men “als me­de schuldig zijn” op de christe­nen van nu leggen. Zeker, de chris­tenheid heeft in de afgelopen twin­tig eeuwen ook fouten gemaakt, maar dit soort opleggen en aanpra­ten van schuld en het bespelen van de gevoelens is uit de duivel, met het doel de christenen af te voeren van Gods bedoeling met hun leven.

Er is geen collectieve schuld waar­voor de christenen vergeving zou­den moeten vragen aan God en aan de Joden. Duidelijk leert Gods woord: “De ziel die zondigt, die zal sterven. De zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dra­gen, en een vader zal niet mede de / ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardi­ge zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf’ (Ez. 18:20).

Abraham heeft Zijn dag gezien

Iedere natuurlijke uitleg van Gods woord is gedoemd te falen en heeft ook altijd gefaald. Waarom dan nog langer een letterlijke vervulling van Bijbelse profetieën verwachten in de natuurlijke, zichtbare wereld? Abraham, Izaäk en Jakob en de ge­lovige rest van het volk Israël ver­wachtten niets op aarde, maar ze verlangden naar een beter, dat is een hemels, vaderland.

En Abraham, aan wie toch de be­loften gegeven waren, verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmees­ter is (Heb. 11:08-16).

De Here Jezus zegt tot de Joden: “Uw vader Abraham heeft zich er op verheugd Mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich ver­blijd” (Joh. 08:56).

Abraham heeft in het geloof die ge­weldige dag, die tijdsperiode, van Jezus Christus gezien. Hij zag hoe het hemelse land met de hemelse stad en tempel werkelijkheid ging worden in Hem. “Abraham heeft het gezien en zich verblijd”.

Het gaat er dus niet om, om al de profetische woorden over het land, Jeruzalem en de tempel ”te ver­geestelijken”, maar om in het ge­loof van Abraham te zien wat hij zag en zich te verblijden.

De tempel van de levende God

God is de ontwerper en bouwmees­ter van alles. Zo ook Zijn huis, het huis Gods. En Zijn eigen Zoon, de Zoon der belofte, Jezus Christus, zal Gods Huis bouwen (Heb. 03:16; Zach. 06:12-13). Dit is van eeuwig­heid bij God, naar het welbehagen van Zijn wil, en zo zal het ook uitge­voerd worden.

Hij volvoert Zijn raadsbesluiten in waarheid en getrouwheid zegt Jesaja (Jes. 25:01).

Dit zag Abraham in het geloof en dit heeft Mozes gezien op de berg toen hij van God de opdracht kreeg om op aarde een model te bouwen van de geestelijke werkelijkheid (Heb. 08:05).

Gods huis is geen tempelgebouw ergens in een stad in een land, maar Gods huis zijn de gelovi­gen . Er staat toch duidelijk geschre­ven:

”Weet gij niet, dat gij Gods tem­pel zijt en dat de Heilige Geest in u woont”

(1 Kor. 03:16).

En ook: “Wij toch zijn de tempel van de levende God” (2 Kor. 06:16).

Als er gesproken wordt over: de heilige stad, over Jeruzalem, over de tempel, over Sion, dan heeft dat allemaal betrekking op het volk van God in Jezus Christus.

Jesaja 60 spreekt duidelijk over het Nieuw Testamentische volk van God en dan zegt vers 14b (Jes. 60:14b): “En zij zullen u noemen: De stad des Heren, het Sion van de Heilige Israëls”.

Eveneens zegt Jesaja: “En men zal hen noemen: Het heilige Volk, De Verlosten des Heren; en gij zult genoemd worden: Begeerde, Niet verlaten Stad” (Jes. 62:12).

Het volk van God zelf is de stad des Heren, het Sion van de Heilige Israëls, de tempel van de levende God.

De onwankelbare hoeksteen

God is de ontwerper en de bouw­meester en Hij zorgt dat dit bouw­werk onwankelbaar zal verrijzen. “Zo zegt de Here Here: Zie Ik leg in Sion een steen ten grond­slag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen van een vas­te grondslag” (Jes. 28:16).

De gemeente van Jezus Christus, bestaande uit gelovigen uit de Jo­den en uit de heidenen, wordt ge­bouwd op het fundament van de apostelen en de profeten, ter­wijl Jezus Christus zelf de on­wankelbare hoeksteen is” En dan vervolgt Paulus met: “In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here,… tot een woon­stede Gods in de Geest” (Ef. 02:20-21).

Dit is de tempel die bezig is te ver­rijzen op die kostbare en beproefde hoeksteen. Iedere gelovige dient een levende steen in dit bouwwerk te zijn.

Zo zegt de apostel Petrus: “Laat u ook zelf als levende stenen gebrui­ken voor de bouw van een geeste­lijk huis, om een heilig priester­schap te vormen, tot het brengen van geestelijke offers, die Gode welgevallig zijn door Jezus Chris­tus” (1 Petr. 02:05; vgl. Psalm 122).

Dit is de stad die Abraham ver­wachtte en die hij in Jezus Chris­tus gerealiseerd mocht zien, want hij heeft Zijn dag gezien en- zich verblijd.

De heilige stad Jeruzalem

De apostel Johannes mocht op Patmos de voltooiing van dit werk Gods aanschouwen. De engel zegt tot hem: “Kom hier, ik zal u tonen de bruid, de vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem, ne­derdalende uit de hemel, van God; en zij had de heerlijkheid Gods, en haar glans geleek op een zeer kost­baar gesteente, als de kristalheldere diamant. En zij had een grote en ho­ge muur en zij had twaalf poorten en op de poorten twaalf engelen, en na­men op de poorten geschreven, wel­ke zijn die van de twaalf stammen der kinderen Israëls.

En de muur der stad had twaalf fun­damenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams” (Openb. 21:10-14).

De gemeente van Jezus Christus is de bruid, de vrouw des Lams. En deze tot volheid gekomen gemeen­te is de heilige stad Jeruzalem (vs. 10). Het is uit God en draagt de heerlijkheid Gods (vs. 11). Het is, wat in het decembernum­mer van 1994 en het januarinummer van 1995 beschreven is als, “gans Israël uit de schepping”. Het zijn alle geroepen en uitverkoren heiligen (Openb. 17:14; Kol. 03:12), die in Openbaring 7 vers 3 (Openb. 07:03) knechten van God worden genoemd en die verze­geld zijn aan hun voorhoofd. Het is de volheid Israëls die de twaalf poorten in de hemelse stad symboli­seren (vs. 12-13; Openb. 07:04). En al deze geliefden Gods, geroepen en uitver­koren heiligen, zijn gefundeerd en gebouwd op de leer van Jezus Christus en de twaalf apostelen (vs. 14; Ef. 02:20; Heb. 02:03).

Het geheimenis Gods

In deze verheerlijkte, hemelse stad is niet ook nog eens een tempel “Want de Here God, de Al­machtige, is haar tempel en het Lam. En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heer­lijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam” (Openb. 21:22-23; Jes. 60:19-20).

Hier wordt Gods eeuwig voorne­men openbaar. Het is alles uit Hem! Hij is de bouwmeester van vóór alle tijden en Zijn huis wordt gebouwd naar Zijn eeuwig bestek in Zijn Zoon, die het woord is.

De gemeente is een geheimenis Gods. De engel zegt tot Johannes: “Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd” (Openb. 10:07). De gemeente van Jezus Christus is nu nog verborgen en de leden ster­ven nog evenals alle mensen, maar zij blijven over de dood heen leden van het lichaam van Christus. Zij zullen echter met Hem wederko­men bij de zevende bazuin (Lees hiervoor Kol. 03:04; 1 Thess. 04:13-18; Openb. 14:01-05; Openb. 14:13; Openb. 20:06).

De tent van God is bij de mensen

En deze heilige stad ziet Johannes functioneel worden op aarde. En hij ziet: “Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste he­mel en de eerste aarde waren voor­bijgegaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tra­nen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moei­te zal er meer zijn, want de eer­ste dingen zijn voorbij gegaan.

En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle ding­en nieuw” (Openb. 21:01-05). Dit is een machtige vervulling van vele profetische woorden.

Zó, door Jezus Christus en de ge­meente, zal God temidden van de volkeren wonen. En in dit hemelse Jeruzalem zullen alle volken bin­nen gebracht worden door de koningen der aarde, de gemeente van Jezus Christus (Openb. 20:06; Openb. 22:05; Dan. 07:18 en Dan. 07:27). Ze gaan in door de twaalf poorten, door het eeuwi­ge evangelie van liefde en genade, en zullen wandelen bij het licht van het Lam en zijn gemeente (Openb. 21:24 Openb. 22:05).

Eindeloze vrede op de troon van David

Niemand van de Geest gedoopte christenen zal ontkennen dat het ein­de der eeuwen dicht nabij geko­men. Dat alles in heftige beroering is komt, en hiermee zijn wij deze ar­tikelenserie ook begonnen, “Omdat de Here in grote ijver voor Je­ruzalem en Sion ontbrand is” (Zach. 01:14).

Wie er ogen en oren voor heeft zal dit zeker opmerken.

Eenmaal zal de hele schepping delen in die eindeloze vrede van de erfgenamen, de vrouw des Lams, en deel uitmaken van het Koninkrijk van God en Jezus Christus.

Van het eeuwige koningschap van de gemeente van Jezus Christus zegt de profeet Daniël: “En het koning­schap, de macht en de grootheid/ der koninkrijken onder de gan­se hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en ge­hoorzamen” (Dan. 07:27; vgl. Openb. 11:15 en Openb. 22:05).

Van dit heil en van deze genade heb­ben al de profeten altijd gesproken. Daar was de hele schaduwbedeling, met het volk Israël, dienstbaar aan. Ja, zonder hen zou het zelfs niet mogelijk zijn geweest!

Zij waren dan ook de eersten die deel mochten hebben aan de gena­de en het heil in Jezus Christus, zo­als we uitvoerig, vanuit de Schrift, gezien hebben.

Wij hopen dat velen van het volk van God dit alles helderder zijn gaan zien. Dat men de Oud Testamentische profetieën en beloften, in de onvoorstelbare rijkdom zal gaan zien, in het volle licht van de Nieuw Testamentische openbaring in Jezus Christus.

U dan, die dit gelooft, geldt al dat kostbare!

Naschrift redactie – Dit was het laatste artikel van de serie “Zicht op Israël”. De duidelijke geestelijke uitleg van het onder­werp werd door vele van onze lezers en lezeressen bijzonder gewaardeerd. Het is de bedoeling de serie ook in brochurevorm uit te geven. Bijzonderheden daarover volgen in het septembernummer.

 

Onbeperkt uitzicht (gedicht) door Astrid Poldervaart

Op de vleugels van Uw liefde
leer ‘k te gaan boven alles uit.
Uw hand behoed me om te vallen
en bovenal, U gaat vooruit.

 

Steeds meer leer ik te begrijpen
waarom ‘hoogte’ zo belangrijk is.

De vijand zit ‘m dan te knijpen
omdat ‘hoogte’ z’n terrein niet is.

 

Op de vleugels van Uw liefde
is het uitzicht onbeperkt.

’t Is daarom op die ‘hoogte’
dat U toont hoe alles werkt.

 

De velden zijn wit… door Froukje Huis

“Morgen wordt het mooi weer”, zei onze Oostenrijkse huisbaas. “Hebt u het weerbericht gehoord?”, vroegen wij nieuwsgierig. “Nee, maar er hangen geen wolken om de bergen”, was zijn antwoord. “Kijk, de boeren zijn al aan het oogsten”. Inderdaad werd op verschil­lende plekken hard gewerkt, met machines op de vlakke gedeelten en op de berghellingen met de zeis. Achter de maaier kwam de keerder, zodat het gras snel zou drogen want in juni valt er veel regen in Oostenrijk. Van elke droge dag moet een goed gebruik worden gemaakt. Het gras stond erg hoog! Als ’s morgens de koeien even in de wei werden gelaten zag je alleen hun ruggen er boven uitsteken. De eerste snede, zoals de grasoogst na de winter genoemd wordt, geeft de grootste en beste opbrengst. De volgende dag was het wer­kelijk prachtig weer. Terwijl wij heerlijk op ons grasveld lagen te zonnen waren de boeren al weer druk aan het werk. En zij niet alleen, ook moeder, oma en alle kinderen, voor zover de een grashark konden hanteren, moest meehelpen de oogst binnen te halen.

Het gras werd op lange hopen gelegd zodat de machine het kon opzuigen, waarna het naar de schuur werd gebracht. Op de hooggelegen weiden werd het met lange streken naar beneden geveegd tot een hoogte waar de machine het kon bereiken. Het was zwaar werk, vaak waren ze met z’n zessen aan een wei bezig.

Inmiddels begon de lucht te betrekken. We hadden de bedrijvigheid met grote interesse gevolgd. Zouden ze het halen? Ze gunden zich geen tijd om te eten. Een buurman kwam ook nog een handje helpen en om acht uur reed de laatste wagen vol de schuur binnen… Om kwart over acht begon het te stortregenen, maar de boer was ‘binnen’. Hij had niet alleen het aanzien van aard en hemel onderkend, maar ook de tijd om te oogsten.

Vormen wij als gemeente eigenlijk ook niet zo’n boerengezin? Onze Vader ziet met span­ning uit naar het ogenblik dat de oogst binnengehaald kan worden. Als het zover is, roept Hij ons allen op om te helpen, want Hij wil niet dat er ook maar iets (iemand) verloren gaat. Vader heeft ons allemaal nodig. Hij weet wat we aankunnen, niemand krijgt een te moeilijke taak.

Laten we onze oren spitsen, dan kunnen we direct reageren op de roepstem van Vader. Immers Jezus Christus is niet alleen voor ons gestorven, maar voor de zonden van de hele wereld en wij mogen, net als Paulus, tegen de mensen zeggen: “In naam van Christus vra­gen wij u: laat u met God verzoenen. Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem”.

De Heer zegene u!