1995.06 nr. 371

Levend geloof 1995.06 nr. 371

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Eén van de heerlijkste zekerheden voor een waarachtig kind van God is dat hij behoort tot een Koninkrijk dat onwankelbaar is! Gods Koninkrijk is eeuwig en onveranderlijk. Alles mag dan veranderen, Zijn Koninkrijk houdt stand tot in alle eeuwigheid. Het is in deze tijd van het allergrootste belang dit voor ogen te houden. Een regel uit een oud gezangvers zegt dat ‘alles hier om verandering woelt’. Nu is ‘verandering’ op zich natuurlijk niet verkeerd als het maar een positieve uitwerking heeft. Paulus spreekt zelfs over een veranderen van heerlijkheid tot heerlijkheid. En een kind van God dat geestelijk groeit zal altijd veranderen ‘ten goede’, dat wil zeggen meer en meer het beeld van Christus tot openbaring brengen, oftewel meer en meer invulling gaan geven aan het zoonschap.

Bij de positieve veranderingen, die als het goed is bij elk kind van God plaatsvinden, dienen we ons ook te realiseren dat dit onmogelijk is zonder de doop- en vervulling met Gods Geest. In dit pinksternummer besteden wij daar uiteraard veel aandacht aan. Alleen door dagelijks vol te zijn van Gods Geest zullen wij in deze eindtijd stand kunnen houden en onze blik gericht kun­nen houden op het einddoel: de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus.

De verleiding is soms groot niet meer te volharden, met de gedachte ‘het komt toch allemaal wel in orde, waar maken we ons druk om?’ Of we gaan het zoeken in ervaringen die in de gevoelssfeer liggen en niets met geloof te maken hebben. Maar dergelijke ervaringen remmen onze geestelijke groei af en, erger nog, leiden ons van de hoge weg op zijwegen die met de openbaring van het Koninkrijk Gods niets te maken hebben. Dan maken we mensen buiten Gods Koninkrijk alleen maar verder kopschuw en maken hen niet jaloers het rijk der duister­nis de rug toe te keren.

In Levend Geloof willen we een duidelijk geluid laten horen, ook ten aanzien van de vervulling met Gods Geest. Want alleen een gezonde, nuchtere aanvaarding en beleving op geloofsbasis, zorgt er voor dat we niet verslappen en levende getuigen zijn en blijven van Gods onwankelbare Koninkrijk.

 

Kan Gods Geest doorwerken in ons leven? Door Gert Jan Doornink

 

“Gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn…” (Hand. 01:08).

Vlak voor Zijn heengaan bracht Jezus nog eens op zeer duidelijke wijze onder woorden wat er zou gaan gebeuren wanneer de heilige Geest zou worden uit­gestort. De kracht van Gods Geest zou de discipelen in staat stellen om volwaardige getuigen van Christus te zijn. De grote ver­andering in hun levens zou niet langer een verborgen aangele­genheid zijn, maar een positieve uitstraling hebben naar allen die nog leefden buiten Gods Konink­rijk. De mensen zouden het ver­langen krijgen ook dat Koninkrijk binnen te gaan. Dat gebeurde trouwens ook, want op de Pink­sterdag werden drieduizend mensen toegevoegd, lezen we in Handelingen 2 vers 42 (Hand. 02:42).

Wie in deze tijd gedoopt en ver­vuld is met Gods Geest -en dat zijn gelukkig heel veel weder­geboren christenen- zal steeds weer voor ogen dienen te houden dat dit ook voor ons het doel is van wat Gods Geest in en door ons leven wil bewerken. We zullen ons steeds weer moeten afvragen of wij beantwoorden aan dat doel, of het nieuwe leven van Christus werkelijk door ons wordt geopenbaard. Dan gaat de ‘opwekking’, waar in onze dagen zoveel over gesproken wordt, werkelijk baanbreken.

Wij vragen ons wel eens af of dit wel voldoende gerealiseerd wordt als men het over ‘opwekking’ heeft. Het leggen van verkeerde accenten kan zo gemakkelijk de aandacht afleiden van datgene waarom het werkelijk gaat: de openbaring van het zoonschap, waardoor uiteindelijk het Konink­rijk Gods ten volle gestalte gaat krijgen.

Opwekking of doorwerking?

Wie ten aanzien van ‘opwekking’ alsmaar spreekt over verootmoe­diging, zelfvernedering, zonde­belijdenis, terug naar af, etc., sticht meer verwarring dan duidelijkheid. Wanneer wij bijvoorbeeld de opmerking horen: ‘Ik heb altijd geleerd dat we geestelijk moeten groeien, zodat we stabiele, volwassen christenen zullen worden, die niet bij het minste zuchtje tegenwind van de kaart zijn, maar nu lijkt het wel of dat niet meer zo belangrijk is. Ik zie het daarom niet meer zitten, ik weet het niet meer…’, dan is er duidelijk iets mis.

De tegenstander is er altijd op uit verwarring te stichten en de groei naar geestelijke volwassenheid te ondermijnen. Hij haat een vol­wassen gemeente, omdat hij weet dat juist die gelovigen, die het beeld van Christus ten volle openbaren, buitenstaanders jaloers maken zodat ook zij het verlangen krijgen het Koninkrijk Gods binnen te gaan.

De werkelijke opwekking ontstaat dan ook niet wanneer we het gaan zoeken in allerlei erva­ringen die in de gevoelssfeer liggen, maar alleen als Gods Geest de gelegenheid krijgt om ten volle te kunnen doorwerken in ons leven. Geven wij Gods Geest de kans zich zodanig aan onze geest te ‘hechten’, zodat er een eenheid ontstaat waar de duivel geen speld tussen kan krijgen?

Uiteraard is dit een groeiproces, het heeft tijd nodig. Soms wordt ons duidelijk gemaakt dat er nog bepaalde gebondenheden beho­ren te worden afgelegd, of als men daartoe zelf niet in staat meent te zijn, zal men het initiatief moeten nemen zich daarvan te laten bevrijden.

Gehoorzaamheid en geloof

Gehoorzaamheid is een belang­rijke factor voor een verdere geestelijke groei in ons leven. Ontbreekt gehoorzaamheid dan komen we al spoedig op zijwegen terecht, die blijken doodlopende wegen te zijn. We bemerken dat er nog al eens gelovigen zijn die beducht zijn voor het woord ‘ge­hoorzaamheid’. Men denkt dan al spoedig aan een opgelegde wet die men na moet komen, maar waarvan in de praktijk blijkt dat het toch niet werkt.

Bij gehoorzaamheid aan datgene wat Gods Geest ons indachtig maakt, hoeven we echter niet te denken aan een soort ‘befehl ist befehl’, een dwangmatig moeten. Die komt alleen van de tegenstan­der. Gods Geest is altijd ten goede werkzaam in ons leven! Of ver­langt u er niet naar volledig omgevormd te worden naar het beeld van Jezus en als zoon van God geopenbaard te worden?

Gehoorzaamheid mag ook nooit los gezien worden van geloof. De Bijbel is heel duidelijk als het over geloof gaat. Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06)zegt dat het zonder geloof onmo­gelijk is God welgevallig te zijn. Niemand kan zonder geloof. In hetzelfde hoofdstuk wordt ons ook verteld wat geloof is, name­lijk de zekerheid van de dingen die men hoopt, en het bewijs van de dingen die men niet ziet (vs. 1).

We zien nog niet altijd dat we overwinnaars zijn. De duivel is er als de kippen bij om ons aan te klagen als er weer eens iets mis gaat. Maar door het geloof hebben we wel de zekerheid dat het zover komt! We zijn overwin- naars en dat blijft niet verborgen. We gaan ons als zonen Gods openbaren door beelddragers van Christus te zijn. Door het geloof is die volle zekerheid in ons hart aanwezig. Laten we niet twijfelen, maar de weg van geloof en gehoorzaamheid blijven of gaan bewandelen.

De verleiding is in onze dagen erg groot om met surrogaat genoe­gen te nemen. Spectaculaire ervaringen zijn ‘in’. Sommigen reizen stad en land af om ‘nieuwe dingen’ mee te maken, die dan uitsluitend in de gevoelssfeer liggen en niets met geloof te maken hebben. En dan te be­denken dat de werkelijke over­winning en de werkelijke ge­loofsbeleving zo dichtbij is. Paulus stelt in Romeinen 10 vers 8 (Rom. 10:08), met een aanhaling uit Deuteronomium 30: “Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het woord des geloofs, dat wij prediken”.

Wie in het geloof de heilige Geest heeft aanvaard, mag ook een ver­dere groei in de Geest beleven. Hij zal daardoor meer en meer de eigenschappen van het nieuwe leven in Christus gaan ontdekken en beleven, omdat de Geest die tot openbaring brengt.

Hij leert ook hoe hij om moet gaan met de Bijbel. Omdat de letter doodt, maar de Geest levend maakt, gaat hij hoe langer hoe meer begrijpen waarom het werkelijk gaat. Door de juiste geestelijke interpretatie, komt hij niet op dwaalwegen terecht, maar leert hij juist onderscheiden waar het aankomt. Hij leert ook op de juiste wijze gebruik te maken van de geestelijke wapens die ons ter beschikking staan in de gees­telijke strijd.

De basis van ons geloofsleven

Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat wij hebben leren kennen, zal steeds meer de centrale uitgangsbasis gaan wor­den van de waarachtige gelovigen in deze tijd. Dit evangelie, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen, waarvan de finesses van alle eigenschappen nog verder uitge­werkt zullen worden in onze levens, is het enig ware evangelie, zoals God dat bedoelt. Wie dit evangelie loslaat, is verkeerd bezig en heeft zich laten ver­leiden door de tegenstander. Dit kan soms heel geleidelijk gebeu­ren.

Wat ons opvalt bij velen die in onze dagen zo gemakkelijk allerlei ervaringen accepteren als het werk van Gods Geest, is dat men evenzo gemakkelijk dit evangelie niet meer zo belangrijk acht. Dat blijkt alleen al uit de samenwerking die men propa­geert met christenen die het evangelie van het geestelijk Koninkrijk geheel of gedeeltelijk afwijzen. Onder het mom van ‘één in Jezus’ lijkt wel of alles geoorloofd is. Men spreekt over ‘terug naar af’ en ‘het verstand op nul en de blik op oneindig’.

‘Gods Geest maakt ons zonde- bewust’, wordt er gezegd. Inderdaad heeft Jezus, in zijn zeer duidelijke uitspraken over de komst van de Geest, ten aanzien van de overtuiging van zonde gezegd: “Als Hij komt, zal Hij de wereld overtuigen van zonde…, omdat zij in Mij niet geloven” (Joh. 16:08-09). Het gaat hier dus om mensen die nog buiten Gods Koninkrijk leven. Zijn wij eenmaal ‘binnen’, dan dienen wij acht Ie geven op de woorden van Paulus in Romeinen 6: “Mogen wij bij de zonde blij­ven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet! Immers, hoe zul­len wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?” (Rom. 06:01-02).

Wie een nieuwe schepping in Christus is, en zich meer en meer als zoon van God gaat openbaren, zal door een leven van geloof en gehoorzaamheid, hoe langer hoe meer invulling geven aan dit ‘overwinnaar zijn’. Omdat Gods Geest niet meer wordt afgeremd, bedroefd of uitgeblust, kan deze ook hoe langer hoe meer dóórwerken in ons leven. De eenheid van Zijn Geest met onze geest is dan geen theorie meer, maar werkt ten volle door in ons leven. En dat gaal door tot de grote dag aan­breekt dat Gods volle heerlijk­heid in ons leven werkelijkheid is geworden!

 

Wakker worden! Cees Maliepaard

De hemelen –12-

“Neemt geen deel aan de onvrucht­bare werken der duisternis, maar ontmaskert ze veeleer…; want al wat aan de dag komt, is licht. Daarom heet het: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. Ziet dus nauwlettend toe hij gij wandelt…; wees niet on­verstandig, maar tracht te verstaan wat de wil van de Heer is” (Ef. 05:11-17).

Alles wat in de geestelijke duisternis tot stand komt, is per definitie onvruchtbaar voor het Koninkrijk van God. Want dat koninkrijk bestaat uit louter licht. En waar het in huis één en al licht is, krijgt de duisternis geen enkele kans. Alleen een her­metisch afgesloten ruimte kan van het licht buitengesloten blijven, ook al wordt de buitenkant ervan in de volle zon gezet.

‘t Steekt nauw!

Het komt er daarom zeker op aan, dat zich in het levenshuis van wie de Heer toebehoren, geen voor het licht afgesloten ruimten bevinden. Als iemands ‘zondagochtendkamertje’ in het volle licht staat, vanwege de wekelijkse aanwezigheid in de diensten van de gemeente, is dat op zichzelf een goede zaak. Tot zo iemand kun je met een gerust hart zeggen: houden zo, en vooral doorgaan daarmee!

Maar als het ‘maandagmorgen- vertrek’ van dezelfde persoon, ver­duisterd wordt door recalcitrante baal geesten (waardoor een begrip als arbeidsvreugde tot een achter­haald idee verworden is) dan ver­keert zo’n leven duidelijk in het schemerduister.

Het werkvertrek van onze broeder of zuster is dan klaarblijkelijk tussen de oren ingekapseld, waardoor het licht dat onze Heer rijkelijk in de hemel van de desbetreffende mens schijnen laat, niet onbelemmerd het ganse levenshuis met Goddelijke glans vervullen kan. Zoiets is jammer. En eigenlijk intens droe­vig. Want het is de bedoeling van de Heer, dat ieders hemel tot in de ver­ste uithoeken verlicht zal zijn. En de gemeentelijke samenkomsten (hoe belangrijk ook!) vormen toch echt maar een stukje van het menselijk leven. De mens mag zich op alle terreinen van het leven naar Gods beeld ontwikkelen in een gezonde wandel in het hemelse licht. Of denken sommigen misschien nog dat een gedeelte van het leven, met name de natuurlijke sector, buiten de wandel in de hemel valt?

Het is een uitgemaakte zaak dat we tijdens onze wandel in het licht, ons niet in kunnen laten met de stapel­wolken die Satan boven onze hoof­den wil laten samenpakken. Niet met de dreigend-zwarte wolken in de natuurlijke wereld, die de zonden voorstellen. En ook niet met die in de geestelijke wereld, in occulte kontakten met de machten der duisternis, die door allerhande men­selijke mediums uit de geestelijke gevangenis naar de samenleving van de mensen zijn teruggeroepen. Dat steekt heel nauw!

Het begint altijd in het klein: hier en daar een wolkenflard, vrij onbete­kenend zou je zeggen. Maar als iemand toelaat dat zulke flarden aan z’n persoonlijke hemel verschijnen, dreigen er al gauw meer te komen. En van lieverlee dikkere! Ze stape­len zich op, totdat het zicht op de hemel der heerlijkheid de wedergeboren mens totaal ontnomen wordt.

Vanuit een deelhebben aan zonden werkt dit door naar de geestelijke wereld, van waaruit Satan de mens tracht te beïnvloeden. En vanuit een zich mengen in occulte zaken werkt dit óók door naar het natuurlijke leven. Want zoals onze goede God de mens wil helpen zich totaal ten goede te ontwikkelen, zo is ook Satan bezig de mens totaal de ver­nieling in te manoeuvreren.

Wakker worden!

Met bovenstaande woorden laat de apostel Paulus op niet mis te ver­stane wijze de wekker aflopen. Als iemand slaapt, zal dat ten dode blij­ken te zijn. Tenzij er een ontwaken plaatsvindt. Want dat ontwaken is in wezen een opstanding uit de doden. Voor de duidelijkheid: dat heeft niets te maken met een terugkeer na het overlijden, want overleden men­sen zouden de woorden van Paulus immers niet best kunnen lezen – laat staan dat ze die ter harte zouden kunnen nemen! Maar mensen die in natuurlijke zin springlevend zijn en klaarwakker uit hun ogen kunnen kijken, zullen naar hun innerlijk vast in slaap gesukkeld kunnen wezen. En dat is dan duidelijk een dodelijke aangelegenheid. Want het in ver­band met het Koninkrijk Gods in de valse rust van inactiviteit verkeren, schept een situatie van geestelijk dood zijn voor de dingen die wér­kelijk van levensbelang zijn.

‘Wakker worden!’, roept Paulus tegen de mens die zich door Satan in slaap heeft laten sussen. Hij bedoelt kennelijk: Sta op uit de geestelijke doodsslaap en stop met de werken der duisternis. Want die zijn gegarandeerd onvruchtbaar. Het behoeft vast geen betoog, dat we met elke vorm van zonde zullen breken; ook diep ingeslepen zonde- patronen dienen onverhoopt weg­gedaan te worden. En dat betekent dan tevens een radicale scheiding tussen de mens en de hem belagen­de zondemachten.

Maar de mens Gods zal zeker net zo grondig een punt moeten zetten achter de beïnvloeding van geesten van verwerping, hysterie en weer­spannigheid, en met elk van de on­der één van deze noemers opereren­de geestelijke grootheden. Zij kun­nen vele gezichten hebben! “Neemt geen deel aan hun onvruchtbare werken, maar ontmaskert ze veel­eer”, raadt Paulus ons aan. Nou, hoe ontmasker je iemand? Door hem z’n masker af te zetten. Zo zullen we Satans bewerkers van de onvruchtbare duisternis hun vrome maskers ontnemen, zodat hun werkelijke identiteit voor ieder zichtbaar zal wezen.

Om een voorbeeld te geven: De geest van perfectionisme (die een mens dusdanig kan terroriseren dat deze alleen maar genoegen kan nemen met de beste plaats en met de meest perfecte prestaties) lijkt op de Geest van het zoonschap, op de heilige Geest, want die streeft im­mers ook naar het volmaakte!

Maar we mogen een geest van perfectionisme zien als een gemas­kerde uiting van de geest van ver­werping, die een mens belet te ge­nieten van elke normale stap in de zichtbare en geestelijke wereld, zeker waar die dient tot de ontwik­keling van het zoonschap Gods.

Wat is de wil van de Heer?

Wat de wil van de Heer is, mag uit het boven weergegeven Schriftgedeelte duidelijk wezen: opstaan uit de doden, opdat Christus over ons zal kunnen lichten. De Vader wil zijn beeld in de mens openbaren, en dat gebeurt als de Christus in ons zichtbaar zal zijn. Jezus Christus is de levende Heer, en daarom is het noodzakelijk samen met Jezus in de Christus te wezen, zonder nog lan­ger met banden van de dood gebon­den te wezen. De wil van de Heer is, dat Satan geen enkel aankno­pingspunt in ons leven zal vinden en dat daarentegen alles in ons zal klin­ken met de onder woorden gebrach­te gedachten van de Vader.

Daar hoef je geen hoogdravende bewoordingen voor te gebruiken, een soort geestelijke ‘tale Kanaäns’ (doorspekt met het ons vertrouwde volle-evangeliejargon). Ieder mag het liefst zichzelf blijven – alleen wel gereinigd door en geheiligd in het volbrachte werk van Jezus Christus. Het blijven van jezelf, wil zeggen dat je op aarde en in de hemel je identiteit mag behouden. En dan gaat het over de zuivere identiteit van de mens, zonder datgene wat hem placht aan te kleven aan be­ïnvloeding uit Satans denken.

Daarvan mag je je losmaken. Opdat de niet bij de mens-naar-Gods-beeld passende ongerechtigheden, onzui­verheden, onvolkomenheden, wan­klanken en beschadigingen (mét hun geestelijke begeleiders uit het rijk der duisternis) voorgoed uit jouw leven worden verwijderd.

Zo mogen we loskomen van een verwerpelijk denken, van Satans mens-verwerpelijk bezig zijn. En zo zal onze hemel meer en meer uit­gebreid kunnen worden, totdat bin­nen onze geestelijke horizon al Gods voor de mens bedoelde zege­ningen, functioneel zullen wezen.

 

 

 

Vertel het… (gedicht) door Astrid Poldervaart

Vertel het aan de kinderen
leer ze van Mijn bestaan.

Leer ze dat Ik wil delen
in wat ze ondergaan.
Als een vader wil Ik voor ze zorgen,
als een vriend delen in blijdschap en pijn.

Vertel ze dat voor nu en morgen

Ik er altijd voor ze zal zijn.

 

Vertel het aan de mensen
die het leven nemen zoals het komt.
Die niet weten hoe ze zich kunnen weren
en zo geraakt worden en gewond.

Vertel ze van Mijn liefde
dat ze kunnen komen zoals ze zijn.

Dat Ik gebroken levens wil helen
en een vader wil zijn voor zovel en
die komen tot Mij.

 

Vertel het om nooit te vergeten
vertel het, en leef het voor.

Vertel het, laat je stem horen
want door jou leeft Mijn boodschap door.

 

Zomeractie 1995 door redactie

Vele van onze lezers en lezeressen hebben een warm hart voor alles wat met het volle evangelie te maken heeft. Wie eenmaal dit evangelie heeft ontdekt verlangt niet meer terug naar een onvolledig evangelie en laat zich ook geen knollen voor citroenen verkopen. De tegenstander zit in onze dagen geen moment stil om te proberen de gelovigen van het volledige evangelie af te houden. Zijn pogingen verwarring te stichten zijn echter bij de waarachtige gelovigen tot mislukking gedoemd. De ware gemeente van Jezus Christus zal dwars door alles heen tot stand komen en het Koninkrijk Gods zal uiteindelijk volledig triomferen!

Het is vanuit deze visie en opdracht dat Levend Geloof wordt uitgegeven. Velen zijn in de loop der jaren, mede door ons blad, de ogen geopend dat er maar één evangelie is wat stand houdt temidden van allerlei surrogaat en misleiding. Wij gaan dan ook met blijdschap en toewijding door het evangelie van het Koninkrijk in al zijn facetten via Levend Geloof te publiceren. Uiteraard vraagt de uitgave van ons blad een behoorlijk bedrag wat iedere maand nodig is. Vooral de laatste tijd zijn de kosten weer sterk gestegen. De opbrengsten via abonnementsgelden en giften van sponsors en gemeenten, waarvoor we uiteraard bijzonder dankbaar zijn, zijn onvoldoende om alle kosten te dekken. Vandaar dat we ook dit jaar weer een extra beroep op onze lezers doen ons te helpen het werk financieel gezond te houden. Wij vragen daarom een extra bijdrage over te maken. Wij zenden geen acceptgiro’s maar vertrouwen op uw spontane reactie.

U kunt uw bijdrage overmaken op postbank.

 

De verhuizing naar het andere Koninkrijk door Margreet Gast

 

 

 

 

 

In deze ‘moderne gelijkenis’ laat Margreet Gast het grote verschil zien tussen de twee koninkrijken waar de Bijbel over spreekt. In welk koninkrijk willen wij leven? Durven wij de verhuizing aan naar het Koninkrijk Gods, het Koninkrijk van vrede en gerechtigheid? Maar hebben wij ook de kosten bere­kend…? -red.

… een koninkrijk waar de dood als koning is gaan heersen… (Rom. 05:17).

… het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde… (Kol. 01:13).

Het koninkrijk van de dood

Iemand leeft in het ‘koninkrijk van de dood’. Hij heeft er zijn bedrijf, zijn kontakten. Hij is eigenaar van een winkel. Hij heeft het in dat koninkrijk best wel redelijk. Het leven daar is echt niet rampzalig. Althans voor het gevoel van deze man niet! Hij weet wel dat in som­mige delen van het land de mensen van de ordedienst erg streng zijn, agressief en bedreigend zelfs. Daar leven de mensen in angst. Maar waar hij woont, is het zo slecht nog niet.

Wie toch doorvraagt naar het leven in dat koninkrijk krijgt een aantal minpunten te horen, zoals:

De belastingen. Ja, die zijn hoog. Van wat een mens verdient wordt veel, veel te veel, ingepikt door de overheden. Waar werkt een mens eigenlijk voor?

De bedrijfsvoering. Die is alleen maar mogelijk als je de juiste kon­takten hebt met hoge ambtenaren. Want die hebben de macht. En ze gebruiken die altijd voor hun eigen voordeel. Die moet je dus te vriend houden…, anders ben je slecht met ze af. Maar goed, hij kent de spelregels intussen. Het lukt hem wel zich te handhaven.

Je kunt niet alles zeggen in dit land. Er zijn dingen die je voor jezelf moet houden, ze zijn geheim. Zo houdt hijzelf bijvoorbeeld van de natuur, bloemen, kleuren…  Maar daar spreekt hij niet over! Wat een spot zou hij over zich heen halen! Nee, niemand weet dit. Soms koopt hij bij de kiosk een mooie kaart of poster, als die al te koop is. Tegelijk koopt hij ook een blad over geld verdienen, die zijn er te over! Hij verbergt zijn poster in zijn tijdschrift en thuis, alleen, in het verborgene, neemt hij de af­beelding, de vormen en kleuren verlangend in zich op… Soms maakt hij tekeningen, geniet ervan de kleuren te kiezen en iets moois te creëren. De tekeningen ver­scheurt hij voor de zekerheid. Stel je voor dat iemand er achter komt. Maar ook hiermee leert een mens te leven, gewoon door twee ge­zichten te hebben!

Echt respect, vriendelijkheid, die heb je hier ook niet. Mensen hou­den elkaar in de gaten. Ze zijn jaloers op elkaar, gunnen elkaar het succes niet. Elkaar helpen komt niet voor. Een mens moet hier alles zelf opknappen.

De goede kanten?

Maar graag vertelt deze man over de pluspunten van dit land, zoals:

Geld verdienen! Hij handhaaft zich door geld te verdienen. En geld betekent macht. Hij is redelijk succesvol, dus ’t bevalt hem hier wel. Lectuur over geld verdienen is er in overvloed. Hij wordt steeds meer bedreven in dit vak.

je hoeft gelukkig niet met ieder­een om te gaan. Mensen zijn mid­delen on# meer geld te verdienen, zo simpel is hel. Je gaal alleen om met diegenen die nuttig voor je kunnen zijn. En wees nou eerlijk, dat voorkomt toe h een heleboel moeilijkheden met allerlei ingewik­kelde relaties?

Een ander koninkrijk

Totdat… hij een keer hoort over een ander koninkrijk. Het Rijk van Jezus, er wordt veel over gezegd, en niet alles onthoudt hij, maar dit blijft hem bij:

* Er is geen ordedienst, die de bevolking bespioneert en met geweld en dreiging onder de duim houdt.

* Er zijn daar geen belastingen!

* De mensen zijn daar vriendelijk voor elkaar.

* Als je het druk hebt, of in moeilijkheden zit, krijg je hulp van de mensen.

* De natuur is er prachtig! Het is niet nodig om stiekem afbeeldingen of posters van bloemen te kopen, je kunt zomaar volop dagelijks genieten van al dat moois.

* De koning schijnt een heel goed mens te zijn, mild en zachtaardig. Hij handhaaft het recht.

De man denkt: prima, iemand die dat voor hem regelt!

Wat een besluit!

En de man, kennende zijn eigen nadeel, besluit te verhuizen naar dat andere koninkrijk. Want hij wil van zijn lastige situatie af. Hij wil ergens leven, waar hij het niet meer moeilijk zal krijgen.

Maar de man, niet kennende zijn eigen nood, overziet niet wat deze stap betekenen zal…

De verhuizing

Hij gaat wonen in het Koninkrijk van Koning Jezus. Begint er ook een winkel. Heerlijk! Geld ver­dienen in overvloed, en het zelf allemaal mogen houden. Zomaar zelf beslissen welke artikelen hij te koop aanbiedt en welke prijs hij er voor vraagt! Alles zelf kunnen uitmaken, zonder bang te zijn dat je hoge ambtenaren voor het hoofd stoot.

Geholpen door hulpvaardige buren, bij het opstarten van de zaak. En zonder dat ze naderhand om geld of een wederdienst komen vragen. Geen controles en spio­nage van de ordedienst.

En de natuur! Die is nog mooier dan hij had durven dromen. Alles wat hij als negatief had ervaren in dat andere land, is hier niet. Hier zal het altijd alleen maar fijn zijn… denkt de man.

Geen minpuntjes? Nee, hoor!… O ja, toch: hier is nergens een boek of tijdschrift te koop over geld verdienen, over hoe je jezelf kunt verrijken. Vreemd, hoor. Maar och. de man heeft het nog allemaal in het hoofd zitten, van vroeger. Hij heeft heel goed ont­houden hoe het moet, dus niet getreurd.

Wie is er koning in het koninkrijk van deze man? Heet die koning ‘Jezus’… of heet die koning ‘ik’?

De man was uit het oude konink­rijk vertrokken, maar was het oude koninkrijk ook uit hem vertrokken?

Andere wetten

Want wat deze man zich niet had gerealiseerd, is dat hij van zijn verdiende geld niet af hoeft te staan aan een heerser, maar het geld is er om de Koning mee te dienen, om vrijwillig in te zetten tot opbouw en bloei van dit Koninkrijk en zijn inwoners.

Als de man dit hoort, begint hij zich te verzetten: ‘Ook in dit land al rotwetten?’

Er komt geen ordedienst aan de deur, maar -grote schrik- de Koning zelf! En die gaat vragen stellen… over de man zelf. Die wil hier helemaal geen antwoord op geven. ‘Laat me met rust’, denkt hij, ik wil niet over mezelf praten!’

Maar als de koning er nu toch is, dan stel ik Hem ook een vraag, besluit de man. En hij schraapt al zijn bravoure bij elkaar en vraagt, waarom er geen lectuur over geld, verdienen te krijgen is in dit land. De Koning antwoordt niet. Kijkt hem alleen maar aan met een blik, die hij niet verdragen kan. De man wendt zijn blik af. Dan gaat de Ko­ning spreken. Over organisatie en beleidsvoering in zijn Koninkrijk. Dat die gebaseerd is op… nee, niet op het maken van woekerwinsten, maar op… barmhartigheid.

De man hapt naar adem als tot hem doordringt wat dat betekent. ‘Dan moet alles op zijn kop, dan gaat mijn zaak kapot!’ Hij begint zich te verzetten: ‘Dus er zijn in dit land ook al van die rotwetten!?’

De Koning spreekt verder. Over de natuur. En de bloemenpracht die daar te genieten valt. De man verstrakt. Wat weet die Koning allemaal van hem? Heeft iemand hem verraden? Maar wie, niemand weet dat toch? De man krijgt het al benauwder. Angstig en heftig ont­kent hij. Het is niet waar, hij houdt niet van de natuur! En de koning kijkt hem aan met een blik die niet te verdragen is. ‘Is iedere inwoner verplicht zich te laten kennen?’, vraagt de man zich af.

In hem ontstaat een steeds groter verzet.

Benauwdheid in het Koninkrijk van Jezus

Zo kan een mens het benauwd krijgen, ook in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde.

Zo gaat het als een mens wel zijn eigen nadelen kent, maar niet zijn eigen noden.

Zo krijgen mensen het moeilijk in dit Koninkrijk van vrede en ge­rechtigheid.

Maar, leven in vrede in dit Konink­rijk, is er voor hen die Jezus als Koning aanvaarden, al zijn gebo­den van harte doen, en in hun noden laten voorzien door hun Heer.

Grote benauwdheid is er dan voor de zonde, voor de duisternis. De boze geesten zullen het heel moei­lijk krijgen in het Koninkrijk dat uit louter toegewijde, gehoorzame, vurige volgelingen van Jezus Christus bestaat!

 

Wat de Geest wil bewerken door Gert Jan Doornink

 

Wie gedoopt wordt met Gods Geest en in nieuwe tongen gaat spreken, leert al spoedig allerlei eigenschap­pen van de Geest kennen. Deze eigenschappen komen uit het hart van God. Hij wil ze graag toever­trouwen aan de hoogste vorm van Zijn scheppingswerk: de mens. Daarom lezen wij ook dat Jezus, in wie “al de volheid Gods lichamelijk aanwezig was” (Kol. 02:09) op zijn beurt over de Geest zei: “Hij zal het uit het mijne nemen en het u ver­kondigen” (Joh. 16:13).

Na de doop met de Geest gaan wij ook ontdekken hoe belangrijk de gaven als uitingen van de Geest zijn (1 Kor. 12-14) en we weten dat, naarmate we geestelijk groeien, de vrucht van de Geest (Gal. 05:22) zich in en door ons leven gaat openbaren.

Maar er is méér! Het werk van Gods Geest in ons leven kent geen plafond. We worden ons meer en meer bewust dat we mogen leven in gemeenschap met onze Schepper, die ons formeerde naar Zijn beeld.

Wanneer wij nu een aantal punten gaan doorgeven waar Gods Geest ons óók op attent wil maken, doen wij dit niet uit hoogmoed of zelfver­heffing. Integendeel, in diepe afhan­kelijkheid jegens Hem die in ons werkzaam is met Zijn Geest, willen we onze blijdschap en dankbaarheid tot uitdrukking brengen aan Hem, voor het grote en vernieuwende werk wat Hij in en door ons leven ten uit voer brengt!

Het maakt ons bewust dat we nieuwe scheppingen in Christus zijn. Paulus zegt: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 05:17).

Het maakt ons bewust dat we ingeschakeld zijn in het plan van God om Zijn schepping te herstellen en te voltooien.

Het maakt ons bewust dat wij een geestelijke plaats hebben ontvangen en dat wij geestelijk mogen denken, spreken en handelen. Onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten (Ef. 02:06).

Het maakt ons bewust dat we betrokken zijn bij een geestelijke strijd. Dit betekent dat onze strijd niet is tegen vlees en bloed…, maar “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12).

Het leert ons op de juiste wijze gebruik te maken van de geestelijke wapens die ons ter beschikking staan. Het spreken in tongen bij­voorbeeld is ook een wapen in de geestelijke strijd.

Het geeft ons een juist inzicht in de betekenis van Gods woord. Want het leert ons Gods woord op de juiste wijze te lezen, doordat we de Bijbel met geestelijke ogen gaan lezen. Denk aan de woorden van Paulus die zegt dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt.

Het leert ons dat het Gods ver­langen is dat onze geest hoe langer hoe meer een eenheid gaat vormen met Gods Geest.

Het geeft ons de mogelijkheid verkeerde geesten die ons belagen te kunnen onderscheiden. Het gebruik kunnen maken van de gave van onderscheiding van geesten is één van de positieve gevolgen van het vervuld zijn met Geest.

Het maakt ons bewust dat er maar één werkelijk evangelie is, die in overeenstemming is met de wil van God. Dat is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen.

Het bewaart ons er voor dat onze gevoelens ons geloof gaan over­vleugelen. Zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig te zijn (Heb. 11:06). Satan weet dit en hij probeert te in filteren via onze ge­voels- of emotie wereld, waardoor het geloof wordt weggedrukt.

Gods Geest bevordert de ont­wikkeling van onze persoonlijk­heid. We ontvangen onze ‘eigen­waarde’ terug. We gaan inzien dat de lering dat God ons ‘verbreken’ wil een valse lering is. Wat Gods Geest wel bewerkt is dat onze geest wordt ontkoppeld/losgemaakt van eventuele verbindingen met het rijk der duisternis. Iedere gebondenheid wordt afgelegd of men laat zich er van bevrijden.

Bij de ontwikkeling van onze persoonlijkheid, naar de maatstaven van God, maakt Gods Geest ons indachtig dat wij talenten in ons hebben. Deze talenten worden tot ontplooiing gebracht, daaraan moeten we zelf uiteraard meewerken. Maar het gevolg is dat onze vruchtbaarheid in dienst van Gods Koninkrijk toe gaat nemen.

U kunt deze twaalf punten zelf verder aanvullen. Belangrijk is dat wij bij alles bedenken dat het uit­eindelijke doel van het werk van Gods Geest in ons leven is: de totale omvorming naar het beeld van Jezus, zodat wij ons ten volle als zonen Gods gaan openbaren en het Koninkrijk Gods volkomen realiteit gaat worden.

 

Het erfdeel door Rinie van der Houwen

“Daarom is Hebron het erfdeel van Kaleb, omdat hij volkomen trouw gebleven is aan de Here” (Deut. 14:14-15).

45 jaar geleden was het dat ze met z’n twaalven het land gingen ver­spieden, een prachtig land met heerlijke vruchten. Een rank druiven namen ze mee terug, om ze het volk te laten zien. Ze door­kruisten het land wat God hen beloofd had om in te wonen en kwamen tot de ontdekking dat het zeer goed was.

Ze zagen ook de vestingen en ommuurde steden en sterke man­nen, maar zij waren sterker, omdat God met hen was. Dat geloofden Kaleb en Jozua, de andere tien verspieders geloofden het niet. Ze waren uitgekozen voor deze op­dracht, ze waren stamoversten, aanvoerders, maar geen helden, ze zagen reuzen en tegenstanders. Het volk kwam in opstand daar­door en door hun ongeloof kon­den ze het land niet in bezit nemen en kwamen om in de woestijn.

45 jaar waren voorbij gegaan. Kaleb was 85 jaar geworden. Hoe was hij, die wel geloofd had, die jaren doorgekomen? Er staat: “Hij was nog even sterk als toen en zijn kracht was nog dezelfde”. Met Jozua en een nieuwe generatie hadden ze het land nu in bezit genomen. Nu kwam hij naar Jozua om het beloofde erfdeel te vragen, dat hem beloofd was, omdat hij de Here volkomen was gevolgd (Joz. 14:10-14). Zo nam hij Hebron als erfdeel in bezit.

Jezus ontving ook een erfdeel. Het was Zijn Naam, de Naam boven alle naam (Heb. 01:04). Hij had Sa­tan en zijn rijk verslagen, de hele mensheid losgekocht met Zijn le­ven. De heerlijkheid en macht van Zijn Naam klinkt als een triomf in hemel en aarde, de eeuwen door. De Zoon bracht de mensen terug bij God, wiens verlangen altijd naar de mensen uitging die Hij geschapen had, om met hen om te gaan, met hen Zijn gedachten te delen en te heersen over de wer­ken Zijner handen. Zijn enige Zoon heeft de relatie hersteld, Zijn op­dracht vervuld. Het herstel aller dingen kon in werking treden, zo­dat ieder die de Naam van Jezus’ belijdt, het Rijk van God mag bin­nengaan en genezing en heling vindt. De liefde van de Vader gaat naar hem uit, om hem te vervullen met Goddelijke kracht: de heilige Geest. Hij zegt: ‘Je mag een bou­wer worden in Mijn Koninkrijk. Mijn kracht werkt door jou heen’.

Wie dat doet in de Naam en na­volging van Jezus, wordt overwin­naar. “Wie overwint zoals Ik ge­daan heb, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon”. Dat is het erfdeel van de overwinnaars in het Koninkrijk van God. Zij willen één zijn met de Naam van Jezus en hun opdracht volbren­gen. Zij zullen met Hem als koningen en priesters heersen tot het herstel van alle dingen, tot de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gekomen is.

 

Postbus, Zicht op Israël door redactie

Broeder C. G. van Baaien te Utrecht schrijft:

“Met veel genoegen lees ik maandelijks de bijdrage van de heer W. te Dorsthorst, ik bedoel dan de artikelenreeks ‘Zicht op Israël’. Gewoonweg een verade­ming, om weer eens een duidelijke, en vooral ook ‘Bijbelse’ bood­schap te lezen met betrekking tot Israël.

Dit is geheel andere koek, dan de immer vager wordende verkondi­ging rondom Israël van de laatste jaren in Volle Evangelie-land. Vaal leek het erop of men niet meer mocht belijden, deel uit te maken van het Israël naar de Geest! In gemeenten waar tot voor enkele jaren nog een heldere verkondiging was met betrekking tot dit item, vindt meer en meer infiltratie plaats vanuit het kamp van de natuurlijke Israël-visie aanhangers, en omzeilt men discussies hierover op ge­meentelijk en intergemeentelijk ni­veau, zogenaamd om ‘de eenheid te bevorderen’, en omwille van ‘de samenwerking met anders-denken- den’. Momenteel worden er hier in de omgeving zelfs oudsten in ge­meenten ingezegend, die een puur natuurlijke Israël-visie aanhangen, maar die dan beloven, deze niet in de gemeente, (waar men officieel de geestelijke visie aanhangt), uit te dragen. U begrijpt dat daarmee de bijl van tweespalt aan de wortel der gemeente-boom wordt gelegd, en het een kwestie van tijd is, voordat men in leerstellige proble­men geraakt, en de onderlinge eenheid voorgoed verstoord is.

Een ander negatief effect is, dat meer en meer gemeenteleden zo in de ban raken van alles rondom het natuurlijk Israël, dat men er alle an­dere openbaring van de Schrift ondergeschikt aan verklaart. Men dweept eenvoudigweg met Israël, naar het vlees en met de Joden, en dat is een vorm van afgoderij.

Des te zorgwekkender is het, dat in gemeenten waar dit speelt, ook de pastorale zorg en de visie op gemeentebouw en gemeente zijn, hieronder te lijden hebben. Dit heb ik aan den lijve ondervonden in de gemeente die ik tot vorig jaar april als oudste heb gediend. Het gaat dan immers niet meer om de ge­meente als het lichaam van Chris­tus, maar om Israël in het Midden-Oosten; daar zal de wederkomst plaatsvinden, en het nu nog na­tuurlijke volk Israël zal dan als koningen over de aarde regeren. De rol van de gemeente is dan bijna uitgespeeld; ze bestaat uit louter vreemdelingen en bijwoners, die weliswaar behouden zijn door het offer van Jezus op Golgotha, maar geen rol van betekenis hebben in het plan van God in de eindtijd.       

Gemakshalve gaat men dan voorbij aan het feit dat volgens recente onderzoekingen ongeveer 80% van de bevolking van de staat Israël niet religieus is en ook niet van plan is om dat te worden, laat staan een kind van God naar Bijbelse maatstaven. Des te bevreemdender is het, dat de wederkomstverwachting in natuurlijk Israël-kringen gericht is op de nabije toekomst. Geen wonder dat veel christenen te kampen hebben met depressies en opnieuw gaan twijfelen aan hun eigen behoudenis. Het zicht op hun eigen positie in het lichaam van Christus wordt ze ontnomen door de rookzuilen van actuele politieke en militaire ontwikkelingen in het Midden-Oosten, waar na­tuurlijk Israël aanhangers evenzo- vele vervullingen van ‘Bijbelse’ (lees: oudtestamentische) pro­fetieën in menen te herkennen. Ik kan dan ook niet nalaten mijn waardering uit te spreken over-, en u te bedanken voor de publicatie van genoemde artikelenreeks, die ik ervaar als een regelrecht geschenk van God, om zijn volk geestelijke weer op de rechte weg te zetten”.

 

Volheid van genade (gedicht) door Tea Keuper Dijk

In ieder mensenleven
heeft God, zo groot en goed,
een ruimte, ’n plaats geweven,
die iemand vullen moet.

 

Laat Jezus U omhullen,
nodig Zijn Geest met haast.
Laat Hem die leegte vullen:
“Kom Heer en neem Uw plaats!”

 

Wanneer God in uw leven
die leegte heeft gevuld,
Zijn Geest ruimte is gegeven,
Zijn liefde en geduld,

 

Dan geeft Hij vruchten, gaven,
Zijn Leven door ons heen
Hij wil Zijn kind’ren laven,
Hij geeft voor brood geen steen.

 

De geestelijke dimensie in de Schrift Wim te Dorsthorst

Zicht – op Israël -15-

Meer dan alleen het zichtbare

Als de Here Jezus in gesprek is met de kerkleiders van die tijd, die zich vast willen houden aan de uitwendigheden, met een be­roep op de wet en de profeten, dan zegt Hij: “De wet en de profe­ten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gepre­dikt van het Koninkrijk Gods” (Luc. 16:16).

Hij zegt hiermee: Het oude, zicht­bare, tastbare, vergankelijke, is vanaf nu bezig te verdwijnen en het eeuwige, onvergankelijke, breekt door.

Het Koninkrijk Gods is een eeu­wig Koninkrijk in de geest en niet van deze wereld.

De Here Jezus was niet bezig de wet en de profeten vervallen te verklaren of te vergeestelijken, maar Hij was voortdurend bezig in alles de geestelijke dimensie te laten zien. Daarom zegt Hij in de Bergrede: “Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is…; maar Ik zeg u:..!”

En dan liet Hij de geestelijke be­tekenis zien van wat tot de ou­den gezegd was.

Het is belangrijk, om in verband met Israël, dit goed te verstaan.

Bijna de hele Schrift, en vooral de profetieën, heeft een letterlij­ke vervulling gehad aan het ou­de volk maar draagt tevens nog een hogere, geestelijke, dimen­sie in zich voor het volk van God in Jezus Christus.

Er is méér dan alleen het zichtba­re en méér dan alleen de letter.

De mens is geschapen naar Gods beeld en hij is door God toebe­reid om met Hem gemeenschap te kunnen hebben in de geest en de heerlijkheid Gods in Chris­tus Jezus deelachtig te worden (naar 2 Kor. 05:05). De mens leeft niet alleen maar biologisch waar­bij hij zich keurig houdt aan wet­ten, geboden en voorschriften. Nee, er is een geestelijke dimen­sie, een geestelijke werkelijkheid, die uiteindelijk zijn hele leven be­paalt.

Zo zegt Paulus van de mens bui­ten Jezus Christus dat die wandelt overeenkomstig de loop dezer wereld overeenkomstig de over­ste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaam­heid.

De mens in Christus daarente­gen is een hemelburger. Hij hoort bij het huisgezin van God. Zijn wandel is in de hemelen en hij zal zich steeds meer en meer laten leiden door de heilige Geest.

Zo was het hele Oude Verbond een afschaduwing van een werke­lijkheid in de geestelijke wereld. Denk maar aan Mozes die met na­druk de opdracht krijgt van God alles wat de tabernakel betreft te maken zoals het hem op de berg getoond is (Ex. 25:40). En de tabernakel, in al zijn pracht, is dan slechts een afbeel­ding en schaduw van het hemel­se (Heb. 08:05).

Dat gold niet alleen de bouw maar ook alles wat in de taberna­kel, en later de tempel, geschied­de. Het geestelijke, onzienlijke werd zó zichtbaar gemaakt (Heb. 09:01; Heb. 10:18).

Niet de wet maar de belofte

Velen zien het Oude Verbond, met alles wat daarbij hoort, nog steeds als een werkelijkheid en verwachten dat God nog van al­les aan het volk Israël in het Midden-Oosten gaat vervullen.

Maar het was, als totaal, een af­beelding van de geestelijke za­ken, en was slechts dienstbaar aan het nieuwe in de Zoon der belofte, Jezus Christus.

En de erfenis, en hoevelen zit­ten hier niet mee, hangt niet af van de wet en de profeten, dus van het hele Oude Verbond, maar van de belofte. Éérst was er de belofte en vierhonderddertig jaar later is de wet, en alles wat daarbij hoorde, er bijge­voegd omdat dat nodig was. Er is geen sprake van erfgenaam zijn op grond van afstamming van Abraham naar het vlees of van de wet en de profeten maar door het geloof in Jezus Christus -het zaad- waarop de belofte sloeg.

En daarom is het: “indien gij nu van Christus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en naar de be­lofte erfgenamen (Gal. 03:15-29).

De eeuwige verbonden

Maar wat moeten we dan met al die verbonden en beloften die spreken van: “voor eeuwig” of: “voor altijd” of: “altoosdurend”? Bij de instelling van het Pascha wordt gesproken van: “een altoos- durende inzetting in uw geslach­ten” (Ex. 12:14). Andere verta­lingen spreken hier van: “een eeuwige inzetting”. Ook alles wat betreft “hogepriester” en “priesterschap” het is “voor al­tijd” en: “altoosdurend” en: “eeu­wig”.

Maar dit alles had zijn plaats en functie in het zichtbare tot de komst van Jezus Christus waar dit alles heen wees. Hij is het wa­re Paaslam dat geslacht is en Hij is de ware Hogepriester (1 Kor. 05:07; Heb. 04:14).

In Hem hebben deze dingen de “altoosdurende” en “eeuwige” ver­vulling en geestelijke inhoud ver­kregen.

De Sabbat is als een “altoosdu­rend” of “eeuwig verbond” aan het oude volk gegeven (Ex. 31:16). Jezus laat echter weer de geestelijke dimensie zien door juist op de Sabbat de mens op te richten. En de Hebreeën schrij­ver zet duidelijk uiteen wat de geestelijke betekenis is van de Sabbat.

Niet het oude volk is in de Sabbatsrust binnengegaan maar al­len die in de geloofsrust van God, door Jezus Christus, zijn binnen gegaan. “Er blijft dus een Sabbatsrust voor het volk van God”, maar dan in geestelij­ke betekenis (Heb. 04:01-11). Dat is het eeuwige! En dat is voor Joden en heidenen, zonder enig onderscheid.

Van de besnijdenis staat geschre­ven: “Wie in uw huis geboren is en wie door u voor geld gekocht is, moet voorzeker besneden worden; zo zal Mijn verbond in uw vlees zijn tot een eeuwig ver­bond” (Gen. 17:13). In het Nieuwe Verbond geldt: “want besneden zijn of niet besneden zijn bete­kent niets, maar of men een nieuwe schepping is ” (Gal. 06:15). Het gaat nu niet langer om iets wat aan het vlees geschiedt maar om de besnijdenis des harten in Jezus Christus waar Deuteronomium 10 vers 16 en 30 vers 6 (Deut. 10:16; Deut. 30:06) al op doelde.

Daarom zegt Paulus: “Maar hij is een Jood, die het in het verbor­gene is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter” (Rom. 02:29).

Het verbond betreffende het land

Zo zweert God, en er staan wel vijftig teksten over in de Bijbel, dat het nageslacht van Abraham “voor eeuwig het land zal bezitten”.

Maar God zweert niet betreffende het land Kanaän op aarde en het natuurlijke nageslacht van Abra­ham, maar betreffende het he­melse, eeuwige, vaderland en het ware zaad van Abraham in Jezus Christus.

De brief aan de Efeziërs leert dat de tot geloof gekomen heide­nen deel hebben gekregen aan ” het burgerrecht Israëls” en aan de “verbonden der belofte”, bat ze “mede-erfgenamen” zijn, “me­deleden” en “medegenoten” van de belofte in Christus Jezus door het evangelie (Ef. 02:11-12; Ef. 03:6).

Als we hier niet zouden denken in de geestelijke dimensie dan be­tekent dat, dat de christenen evenveel recht en aanspraak op het land in het Midden-Oosten zouden hebben als de Joden. Het zou dan wel erg vol worden in het landje Israël! bit alles on­derstreept nog eens te meer dat het niet gaat om aardse zaken maar om geestelijke zegeningen in het hemelse vaderland in Jezus Christus (Ef. 01:03).

God heeft nooit Zijn woorden of Zijn verbonden verbroken maar we moeten steeds letten op de geestelijke vervulling van alles in Jezus Christus, daar, in Hém, liggen de eeuwigheidszaken. Al de beloften sloegen op Hém en worden ook alleen maar in Hém vervuld (2 Kor. 01:20). Het zichtba­re heeft maar een lijdelijke funk- tie gehad, hel onzichtbare is eeu­wig (naar 2 Kor. 04:18).

Al het geschrevene van God is belangrijk

Is dan alles wat in het Oude Testa­ment geschreven is niet meer van waarde voor de christenen? Ja, juist wel! Zo staat er geschre­ven: “Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, lot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 03:16-17).

De Bijbel is van Genesis tot Open­baring een onverbrekelijke een­heid. Jezus en de apostelen on­derwezen en bewezen alles wat het Nieuwe Verbond betreft van­uit de Oudtestamentische Schriften. Een duidelijker be­wijs van de eenheid van de Schrift is er denk ik niet. Zo slaan in het Nieuwe Testament on­geveer negenhonderd verwijzing­en naar het Oude Testament, waarvan tweehonderdvijftig in citaatvorm.

Sommigen zeggen: overal waar “Israël” staat moet je nu de ge­meente van Jezus Christus invul­len. Zo is het natuurlijk ook weer niet. Er is onderscheid nodig door de heilige Geest.

Zo zijn er delen, die zo op het eerste gezicht, alleen met het volk Israël van die dagen te ma­ken hebben. Toch schrijft Paulus: “Al” wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onder­richt geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de ver­troosting der Schriften de hoop zouden vasthouden” (Rom. 15:04). “Alles” wat geschreven is, is van het grootste belang voor de gemeente van Jezus Chris­tus, die bestaat uit Joden en hei­denen.

De voor de gemeente bestemde genade

En dan die overbekende woor­den van Petrus, waar hij zegt: “Naar deze zaligheid hebben ge­zocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde gena­de geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoe- danige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf ge­tuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna.

Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen be­geren een blik te slaan” (1 Petr. 01:10-12).

De profeten dienden in werkelijk­heid niet het Joodse volk, en zij hebben dat ook begrepen zegt Petrus, maar ze dienden u, zegt hij. Ze hebben van de voor de ge­meente bestemde genade gepro­feteerd. Ze stonden in het tijdelij­ke, in de schaduwbedeling, maar spraken over de eeuwigheidszaken in Jezus Christus. Zo zien wij dat het hele geschreven woord van God bestemd en no­dig is voor de gemeente van Je­zus Christus.

Er zal niet één jota of één tittel vergaan van de wet eer alles zal zijn geschied, zegt Jezus. Hij is niet gekomen om de wet en de profeten te ontbinden, maar om te vervullen in de geestelijke be­tekenis (Matt. 05:17-18).

De geestelijke ballingschap

Dan is er nog een woord van Paulus waar ik nog even op in wil gaan. Hij beschrijft, in (1 Kor. 10:01-10), hoe het volk Israël altijd weer ongehoorzaam was aan God en juist het kwade deed. In vers 6 lezen we dan: “Deze gebeurtenissen zijn ons ten voorbeeld geschied, opdat wij geen lust tot het kwade zou­den hebben, zoals zij die had­den”. En dan in vers 11: “Dit is hun overkomen tot een voor­beeld voor ons en het is opgete­kend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen ge­komen is”.

Wij weten, en hebben daar ook bij stil gestaan, dat het volk Isra­ël als de maat van hun zonden vol was, in ballingschap werd weggevoerd. Zo is het Nieuwtestamentische volk van God, de ge­meente van Jezus Christus, na het eerste goede begin onder de apostelen, ook al spoedig afvallig geworden en ook in balling­schap gegaan. Het verschil is dat er voor deze “geestelijke balling­schap” geen wegvoering is uit een bepaald land op aarde want het is een zaak van het hart. Het is een geestelijke zaak.

De ondergang van Gods volk

Onder Theodosius de Grote en keizer Constantijn de Grote (275- 337) is het christendom tot staats­godsdienst verheven. Constan­tijn riep het bekende concilie van Nicea uit waardoor de belang­rijkste geloofswaarheden van de christenen bewaard zijn geble­ven.

De Ariaanse (naar de grote ket­ter Arius) gezinde keizer Constantius (zoon van Constantijn) was een wrede despoot en legde zijn wil aan de bisschoppen op. Hij verklaarde in alles “zijn wil als wet”. Met dreiging en geweld onderwierp hij de kerkelijke be­stuurders aan zich. De Nicea-aan- hangers werden verbannen en de bisschopzetels met huur­lingen bezet.

Zo begon de vermenging van godsdienst en politiek, waarbij de godsdienst werd gebruikt voor politieke doeleinden. Over de gehele wereld waren nu chris­tenen volgens de apostolische leer en de geloofsbelijdenissen van Nicea en naamchristenen om­wille van de keizer. Het werd één grote vermenging van hei­dense godsdiensten met christen­dom.

Het Christendom werd voor een groot deel een aardse zaak met veel pracht en praal. Een besef van het hemelburgerschap, bur­ger zijn van een hemels vader­land, verdween meer en meer.

Roemloos ging Gods volk ten on­der in het grote Babylon, dat de grote stad op aarde is, en alle vol­ken en natiën en koninkrijken beïnvloedt (Openb. 17:18). De geloofsschatten waar de tem­pel mee gebouwd moet worden, werden door Babel geroofd en er kwam surrogaat voor in de plaats. Het fundament van het ge­loof zoals geleerd door Jezus en de apostelen werd vervangen door een kerkleer; de volwassen waterdoop werd vervangen door de kinderbesprenging. Hiermee verdween ook het zicht op de doop met de heilige Geest, waar­door God niet meer in Zijn volk kon wonen. Heel treffend zegt Jeremia van dit Babelse werk: “Verslonden, vernield heeft mij Nebukadnezar, de koning van Babel, hij heeft mij neergezet als een leeg stuk vaatwerk, hij heeft mij ingeslokt als een draak, hij heeft met mijn lekker­nijen zijn buik gevuld, hij heeft mij verstoten ” (Jer. 51:34).

Terugkeer uit de geestelijke ballingschap

Maar ook nu is er, evenals toen bij de Joden, door de eeuwen heen een rest gebleven en aan het begin van deze eeuw waren er bidders om de late regen (Zach. 10:01).

De heilige Geest werd uitgestort en er kwam weer leven in de dor­re doodsbeenderen (naar Ez. 37:01-14). Vers 14 van genoemd gedeelte luidt: “Ik zal Mijn Geest in u geven zodat gij her­leeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de Here, het gesproken en ge­daan heb, luidt het woord des He­ren”.

In deze tijd leven wij. De Heer haalt de zijnen bij elkaar vanuit alle uithoeken van de aarde. “Want des Heren ogen gaan over de gehele aarde, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat” (2 Kron. 16:9).

Uit alle Babylonische machts- structuren, religieuze en wereld­se, wordt het volk van God ver­lost.

De reiniging van Gods volk

De profeet Ezechiël verwoordt het wel heel mooi als hij zegt: “Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeen vergaderen uit alle lan­den, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal Ik u rei­nigen; een nieuw hart zal Ik u ge­ven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijde­ren en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wan­delt en naarstig mijn verordening­en onderhoudt.

Gij zult wonen in het land dat ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn” (Ez. 36:24-28).

Wie er oog voor heeft, weet en ervaart dat deze dingen aan het geschieden zijn.

Als we in de Bijbel op vele plaat­sen lezen over het “bijeenbreng­en” of “verzamelen” uit alle vol­ken laten we dan niet langer denken aan nageslacht van Abra­ham naar het vlees. Laten we denken aan christenen die uit Ba- bel verlost worden en voor eeu­wig in dat hemelse vaderland zul­len wonen wat Abraham, Izaäk en Jakob al verwachtten.

Want ook deze profetische woor­den waren bestemd voor de ge­meente van Jezus Christus. Ze zijn eerst, soms maar ten dele, vervuld aan het natuurlijke volk, maar spraken tevens al van nog een vervulling aan het geestelij­ke volk, de gemeente van Jezus Christus.

Hemel en aarde worden ge­schud in deze tijd, omdat, zegt de profeet Zacharia, de Here in grote ijver ontbrand is voor Jeru­zalem en voor Sion (Zach. 01:14).

Met nog enkele gedachten over deze hemelse stad Jeruzalem, waarvan God de ontwerper en de bouwmeester is, wil ik vol­gende keer deze serie artikelen besluiten.

 

De redding door Froukje Huis

“Red die vogel!” Verschrikt kijk ik op. “Wat?” Ik probeer een vraagteken-gezicht te zetten, want ik zit aan de telefoon. “Wat zei je?”, vraagt mijn moeder. “Nee niets”, mompel ik. Dick zit intussen druk te gebaren, maar ik snap er niets van zodat ik blij ben als het gesprek is afgelopen.

“Wat had je toch?”, zeg ik niet al te vriendelijk. “Red die vogel”. Hij wijst naar buiten. “Bel de die­renbescherming”. Ik kijk naar buiten. In een stevige boom achter ons huis hangt een ekster. Ja hij ‘hangt’ aan een poot. Af en toe fladdert hij wild met zijn vleugels maar hij krijgt zijn poot niet los. Dick bladert al in de telefoongids en na enkele vergeefse pogingen krijgt hij de dierenambulance te pakken. “Ze komen”, zegt hij en weer kijken we naar de angstige vogel.

Even later wordt er gebeld en een stevig gebouwde jongeman komt zijn diensten aanbieden. De stam van de boom blijkt te glad om er in te klimmen, maar met behulp van onze trap zit de jonge­man al gauw in de boom. Vol spanning kijk ik toe. Nu is hij bij de tak waaraan de vogel hangt, maar de man kan er nog niet bij. Hij reikt steeds verder… als de tak het maar houdt! Ja hij heeft hem te pakken. Het duurt even voor hij hem los heeft en dan gooit hij de vogel naar Dick, want hij mag niet wegvliegen. Beneden gekomen neemt de redder de vogel over, bekijkt hem even en zegt mee­warig: “Sukkel”. De ekster gaat mee in de ambulance en Dick komt binnen met de trap. “En”, vraag ik, “Hij had een vislijn aan zijn poot. De ene poot was helemaal beschadigd en de andere gebroken. Hij redt het niet maar de man was blij dat we hem gebeld hebben. Nu kan hij hem nog helpen”. Tevreden gaan we aan het werk.

Lukas 12 vers 6 zegt: “Worden niet vijf mussen voor twee duiten verkocht en niet een van die is ver­geten door God”. En vers 7: “Weest niet bevreesd, gij gaat vele mussen te boven”. God zag de wor­steling van die ekster en Hij maakte ons er attent op zodat we er iets aan konden doen. Hoeveel te meer zal Zijn oog gericht zijn op de mens, die in nood is. Immers de mens gaat ook vele eksters te boven! Alleen… je ziet zijn nood niet zo gemakkelijk, want de mens is een meester in het verbergen van zijn moeilijkheden. Voor God kan echter niemand zich verstoppen. Psalm 139 vers 1 en 2 (Ps. 139:001-002) zegt: “Gij door­grondt en kent mij… met al mijn wegen zijt gij vertrouwd… Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij legt uw hand op mij”.

Niet alleen kent God ons volkomen maar Hij weet ook hoe we in die moeilijke situatie zijn geko­men. Hij zegt dan niet ‘sukkel’, maar Hij noemt ons bij onze eigen naam! En wat meer is, Hij geeft ons ook de oplossing! In Psalm 41 vers 2 lezen wij: “Ten dage des onheils zal de Here hem uitkomst geven. De Here zal hem behoeden en hem in het leven behouden”. En weet je wat zo heerlijk is? Dat God mensen, jou en mij, wil gebruiken om die uitkomst te bewerken. Misschien ben je niet in nood maar heeft God jou nodig voor de ander. Als jij je openstelt voor God om een kanaal te zijn van Hem naar de mens in nood, dan zullen je ogen daarvoor geopend worden. Je zult wijsheid en inzicht ontvangen door de kracht van de heilige Geest zodat de liefde van God voor ieder mens door jou heen openbaar zal worden. Dan zul je je weg gaan met grote blijdschap!

1995.05 nr. 370

Levend geloof 1995.05 nr. 370

Persoonlijk…,. door Gert Jan Doornink

Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat Europa uiteindelijk geheel bevrijd was van de onderdrukking van Nazi-Duitsland. Alle reden om dit op bijzondere wijze te herdenken. Een groot deel van de nu levende generatie heeft er mee te maken gehad. Het oudere deel omdat ze rechtstreeks bij de oorlog betrokken was en de jongere generatie omdat hun ouders dat waren. Er is grote reden tot dankbaarheid, ook ten aanzien van onze bevrijders.

Nu zijn we vijftig jaar verder en ongetwijfeld betekent dit dat we ook terugzien op de naoorlogse jaren, die in eerste instantie gekenmerkt werden door de wederopbouw en daarna door een alsmaar toenemende materiële welvaart. Ook geestelijk was er het een en ander aan de hand. Velen verlieten de officiële kerken en woorden als kerkverlating en Godsverduistering deden hun intrede. Occulte leringen als New Age kwamen van de grond en vonden hun vele aanhangers.

Maar geestelijk gesproken was er gelukkig ook nog meer aan de hand! Velen gingen de ogen open voor het werkelijke evangelie zoals Jezus, en daarna de apostelen, dat brachten. In de vijftiger jaren kwamen enkele buitenlandse predikers het ‘volle evangelie’ brengen. Wij denken aan Lam Jeeveratnam en Hermann Zaiss, later gevolgd door Tommy Lee Osborn en anderen. Ook de grote meetings met Billy Graham in Amsterdam en Rotterdam mogen niet vergeten worden. Daarna kregen in Nederland evangelisten als Karel Hoekendijk en Johan Maasbach grote bekendheid, terwijl de ontdekking van de noodzaak van bevrijding van gebondenheden en verdere geestelijke groei vooral op naam van Jo van den Brink moet worden toegeschreven. De Heer gebruikte hen en vele ande­ren. Het werkelijke evangelie zoals God dat bedoelt begon gestalte te krijgen in de harten van kinderen Gods, die momenteel nog bivakkeren in allerlei kerken, kringen, gemeenten en groepen, maar die zich bewust zijn dat zij behoren tot de ware gemeente van Jezus Christus, de gemeente waarvan Jezus zelf eens zei dat de poorten der hel haar niet zal overweldigen.

Zij zijn zelf bevrijd en behoren nu tot het leger van de bevrijders. Lees wat wij daarover in ons eerste artikel schrijven, terwijl uiter­aard ook alle andere artikelen van dit nummer weer veel ‘bevrijdingsvoedsel’ in zich hebben.

 

De werkelijke vrijheid door Gert Jan Doornink

 

“Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijge­maakt. Houdt dus stand en laat u niet weer een slavenjuk opleg­gen” (Gal. 05:01).

Eén van de kostbaarste dingen waar de mens mee om mag gaan is zijn vrijheid. ‘Vrijheid is het hoogste goed!’ is een gezegde wat duidelijk aangeeft hoe belangrijk en waardevol vrijheid is. Het is één van de dingen die God be­stemd heeft voor ieder mens. Evenals zijn goedheid, liefde en trouw, om maar enkele positieve eigenschappen te noemen, is ook vrijheid afkomstig uit het hart van God.

Jezus zei op een gegeven mo­ment: “Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij wer­kelijk vrij zijn” (Joh. 08:36). En Jezus openbaarde in elk opzicht de wil en bedoeling van God. Hij maakte immers door Zijn leven openbaar dat Hij de afdruk van Gods wezen was en de afstraling van Gods heerlijkheid.

Wat wij van Jezus kunnen leren

De werkelijke vrijheid leren kennen, zoals God die bedoelt, betekent dus Jezus leren ken­nen. Zien hoe Hij leefde, hoe Hij sprak en hoe Hij handelde. Dan komen we al spoedig tot de ont­dekking dat Jezus niets te maken wilde hebben met de tegenstan­der, satan, de inspirator en ver­oorzaker van alles wat met on­vrijheid te maken heeft.

De eerste christenen hadden dit goed begrepen. Zij waren zo vol van de Geest van God dat de infiltratiepogingen vanuit het rijk der duisternis alle tot mislukking waren gedoemd. Maar ze waren zich wel terdege bewust dat voortdurende waakzaamheid geboden was.

Paulus roept daarom in zijn brief aan de Galaten de gelovigen dan ook op stand te houden en zich niet weer een slavenjuk laten opleggen (Gal. 05:01). En in vers 16 (Gal. 05:16) van hetzelfde hoofdstuk roept hij op te “wandelen door de Geest en niet te voldoen aan het begeren van het vlees”. Als hij dan in vers 18 (Gal. 05:18) de werken van het vlees op­noemt blijkt duidelijk dat het hier gaat om alles wat uit de koker van de duivel afkomstig is en dus niet behoort bij de nieuwe mens in Christus.

Alleen door vol te zijn van Gods Geest sluiten wij ons af voor de vijand. En krijgt hij geen kans onze geest te bevruchten met zijn verkeerde geesten. Dan blijven we ‘vrij en onbesmet’. Vrijheid betekent niet dat we ons afsluiten van onze mede­mens, maar juist openstaan voor hen! Een wijdverbreid misverstand onder vele christenen is de gedachte dat we ons isoleren moeten ten aanzien van hen die buitenstaan. Natuurlijk is er een vorm van isolement, maar dat geldt alleen ten aanzien van de werken der duisternis, zoals de mens zonder Christus die open­baart, maar niet ten aanzien van die mens zelf! Hoe willen wij anders hen bereiken met de bedoeling dat zij ook de werke­lijke vrijheid leren kennen, zoals wij die nu mogen beleven?

De ontwikkeling van de nieuwe mens

Vrijheid schept de mogelijkheid voor de nieuwe mens zich te ontwikkelen volgens de bedoe­ling van God. Het einddoel van ons geloof is de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon, schrijft Paulus in (Rom. 08:29). Hoewel ieder mens die opnieuw geboren is in principe daardoor een zoon van God is, een nieuwe schepping in Christus, is de openbaring hiervan een groeiproces.

Zoals in het natuurlijke leven de mens groeit en ontwikkelt van baby tot volwassene, geldt dit ook voor het geestelijke leven. Het verschil is echter dat bij de na­tuurlijke mens op een gegeven moment de veroudering, de af­takeling begint, terwijl dit bij de geestelijke mens niet het geval is. Integendeel, Paulus schrijft dat ook al vervalt onze uiterlijke mens, nochtans de innerlijke mens van dag tot dag vernieuwd wordt (2 Kor. 04:16).

De ontwikkeling en ontplooiing van de nieuwe mens is een pro­ces in vrijheid. We mogen er zonder enige vorm van dwang of pressie invulling aan gaan geven. Daarom heeft een waarachtig kind van God ook zoveel blijd­schap in zich. Het dienen van de Heer is iets wat we met grote vreugde mogen doen, in alle vrijheid en ontspannenheid. We schrijven dit even met nadruk, omdat toch nog vaak blijkt dat die ‘beleving in vrijheid’ als iets wettisch wordt ervaren. Dan

ontstaat er al gauw een leven van voorschriften en regels die wij proberen na te komen. En waar­bij de duivel maar al te graag op inhaakt door ons aan te klagen als wij falen ze na te komen. We kunnen beter de woorden van Jakobus ter harte nemen als hij schrijft: “Wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen” (Jak. 01:25).

Wat het volledige evangelie openbaart

De werkelijke vrijheid beleven hangt ook ten nauwste samen met de aanvaarding van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Alleen dit evangelie is ‘volledig’, dat wil zeggen het toont de wil van God voor de mensen. Het maakt ons bewust dat God het goede met de mens voor ogen heeft. Paulus omschrijft dat met de woorden: ‘het goede, welgevallige en volkomene’ (Rom. 12:02).

Daarover behoeft geen enkel misverstand te bestaan. Is die er toch dan is steevast de vorst der duisternis weer bezig met zijn afleidingsmanoeuvres. Hij pro­beert altijd weer door twijfel en verwarring de aandacht van Gods goedheid voor ieder mens af te leiden. Lukt hem dit dan heeft ook de vrijheidsbeleving weer plaats gemaakt voor onvrijheid en onderdrukking.

Maar dat hoeft niet het geval te zijn als wij, door vol te zijn van Gods Geest, hem weten te weer­staan. Vrijheidsbelevers zijn daarom ook altijd op hun hoede dat de eenheid ‘eigen geest’ en ‘Gods Geest’ intact blijft. Kinderen Gods die geestelijk groeien ervaren dan ook meer en meer hoe deze eenheid een on­neembare vesting voor de tegen­stander wordt. Onze Heer ver­heugt zich daarin want het is zijn diepste’ verlangen dat Zijn kinde­ren in volkomen vrijheid het nieuwe leven kunnen ervaren.

De nieuwe mens in Christus mag in overvloedige mate delen in alles wat God voor hem bestemd heeft. En dat is zo onvoorstelbaar veel, dat Paulus op een gegeven moment in superlatieve vorm daarover schrijft aan de gemeente te Rome met de woorden: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, heeft God bereid voor degenen, die Hem liefhebben” (1 Kor. 02:09). God heeft het bereid, dat wil zeggen klaargemaakt om in vrijheid deelgenoot te worden van zijn volle heerlijkheid.

‘Vervuld te worden tot alle vol­heid Gods’, waar Paulus over schrijft in Efeziërs 3 vers 18 (Ef. 03:18), is zo onvoorstelbaar heerlijk dat het ons huidige bevattingsvermogen verre te boven gaat. Maar het gaat onherroepelijk in vervulling, zo­dra iedere vorm van onvrijheid te niet is gedaan. Iedere christen, die door Gods Geest overtuigd is dat hij deel heeft gekregen aan de werkelijke vrijheid, gaat het uit­eindelijk ten volle beleven.

In dienst van de vrijmaking

Nu mag men niet gaan denken dat het dus toch alleen toekomst­muziek is, wat in deze tijd nog niet gerealiseerd kan worden.

Dan gaan we voorbij aan het feit dat de vijand, met zijn onderdruk­king en onvrijheid, al door de eerste Zoon van God overwonnen is. Maar ook wij gaan hem over­winnen. Dat staat als een paal boven water. Het is onze op­dracht om dat waar te maken. In deze ‘overgangstijd’ naar de vol­maakte heerlijkheid mogen wij daar dagelijks invulling aan geven. En wat zo geweldig is: God verbindt er Zijn belofte van overwin­ning aan. Daarom is de beleving van de werkelijke vrijheid ook iets wat ons dagelijks met vreug­de vervuld.

Als Jezus, aan het begin van Zijn bediening, in de synagoge te Nazareth, Jesaja citeert, maakt Hij duidelijk wat Zijn opdracht is met onder andere deze woorden: “Hij heeft Mij gezonden om aan ge­vangenen loslating te verkondi­gen…, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid…” (Luc. 04:19). (Andere vertalingen gebruiken voor het woord ‘verbrokenen’: verdrukten, mishandelden).

Bij diezelfde opdracht zijn ook wij betrokken. We zijn immers ge­roepen in de voetstappen van Jezus te treden? Maar iemand die het nieuwe, vrije leven van Chris­tus in zich heeft, zal ook niets liever willen. Paulus schrijft dat we, vrijgemaakt van de zonde, in dienst van de gerechtigheid zijn gekomen (Rom. 06:18, Rom. 06:22).

Wij staan in dienst van de vrij­making en het is het diepste verlangen van ons hart dat zoveel mogelijk mensen deelgenoot zullen worden van Gods vrijheid: de werkelijke vrijheid die stand houdt tot in alle eeuwigheid.

 

 

Gemeenschap met God door Gert Jan Doornink

Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen is het evangelie van de vrijheid. Geen tijdelijke vrijheid, maar blijvende vrijheid bewerkt door Gods Geest, want waar de Geest des Heren kan werken, ontstaat vrijheid! Deze geestelijke vrijheid houdt stand in alle omstandigheden, maar leert ons ook dat we niet zonder de gemeenschap met God deze vrijheid kunnen beleven. Buiten deze gemeenschap ontstaat losbandigheid en gaat de vrijheid over in onvrijheid.

Vrijheid brengt dus de verantwoordelijkheid met zich mee om in gemeenschap met God te willen leven. Ook hierin is Jezus ons grote voorbeeld. Denk aan het Hogepriesterlijk gebed uit Johannes 17, waar Hij bad om één te zijn met de Vader, zoals Hij ook één was met Hem. Vrijheid is dus niet iets waarnaar wij kunnen streven, maar is ten nauwste verbonden met onze gemeenschap met God.   

 

Vrijheid en vrede Door Tea Keuper Dijk

“Zij, die Uw wet liefhebben, hebben grote vrede, er is voor hen geen struikelblok” (Ps. 119:165).

In ons hele bestaan, in de maat­schappij, zijn verordeningen, wetten. In ons land zijn die in dikke boeken beschreven en in principe gestoeld op de eerste wetgeving: de tien geboden, die God via Mozes gaf aan het volk Israël, nadat God hen uit de slavernij uit Egypte had geleid.

In mijn jeugd moest je deze tien geboden uit je hoofd leren op de christelijke school (Ex. 20:17).

Het woord ‘wet’ heeft in ons land een beladen betekenis. Omdat er veel tolerantie is, veel ‘vrijheid van mening’, het beter weten dan God en medemens, zijn wetten vaak ontkracht en wordt het niet meer zo nauw genomen. Ook verandert men Goddelijke wetten naar democratisch inzicht, in plaats van theocratisch. Men weerlegt en overlegt zonder de leiding van de wetmatige en énige goede Wetgever, God, die Zijn Geest aan mensen wil geven, om de juiste wetten te bedenken Wat is het gevolg van dit zich niet voegen naar- en onderwer­pen aan Gods wetten, het re­belleren tegen de grote recht­vaardige Wetgever? Dat is, dat men zich dan stelt onder vele andere ‘wetmatigheden’, die door Gods tegenstander, Satan, zijn bedacht. Zij spiegelen vrij­heid voor, maar zij bewerken gebondenheid, ellende, dood en verderf.

Terwijl Gods beschermende wetten naar Jezus Christus leiden. Hij heeft de wet in alles vervuld en eeuwig heil teweeg­gebracht voor wie Hem liefheb­ben en gehoorzamen.

In (Heb. 05:09) staat dat “Hij voor allen, die Hem ge­hoorzamen een oorzaak van eeuwig heil is geworden”. Onze Heer Jezus Christus! Een oud lied zegt: ‘O, schrijf in onze harten Uw heilig woord, o Heer, Dan vrezen wij geen satan, geen dood of helle meer’!

Vrijheid en vrede door Jezus Christus, voor ieder die zich door Hem laat leiden. Hij is er in alle omstandigheden.

Halleluja!

 

Voorwoord redactie: Jan W. Companjen.

De schrijver van Waar het op aan komt, heeft al vanaf het begin van Levend Geloof meegewerkt aan ons blad. In één van de eerste num­mers publiceerden we zijn getuige­nis. Dat was in 1962. Daarna zijn gedurende vele jaren regelmatig artikelen van hem verschenen, die alle op duidelijke wijze het Konink­rijk Gods belichtten en voor velen tot zegen waren. Inmiddels is Jan Companjen, die in het dagelijks leven rechercheur van politie was, 73 jaar, maar wat de beleving van zijn geloof betreft (en het doorgeven daarvan!) nog volop actief. We zijn dan ook blij dit artikel van hem te kunnen publiceren, -red.

 

Waar het op aankomt door Jan W Companjen

“Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, … om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 02:09).

Er moet nog meer gebeuren…

Toen ik, nu bijna 40 jaar geleden, mijn eerste artikel schreef, was dat bestemd voor de kerkbode van de Ned. Herv. kerk te Scheveningen. Het had als titel: ‘Er moet nog meer gebeuren’. Bovenstaande tekst was werke­lijkheid geworden in het leven van mijzelf en in dat van mijn vrouw, en dat wilde ik wereld­kundig maken. Wij waren zeer meelevende kerkgangers en ik had niet zo lang daarvoor bewust belijdenis gedaan, gelovende dat er niet meer geloofsbeleving was, dan in genoemde kerk verkon­digd werd.

Dat pakte echter, snel achter elkaar, heel anders uit. Door woordverkondiging, dat Jezus nog dezelfde is, dat genezingen, bevrijdingen en doop c.q. vervullingen met de heilige Geest, niet alleen voor toen, maar ook voor nu zijn, kwam er een grote ommekeer in ons leven. Toen wij ons naar deze dingen gingen uit­strekken, ontvingen wij die Geest en zagen wonderen en tekenen rondom ons heen gebeuren. Wij kwamen geestelijk vanuit de duisternis tot hét licht. Dingen die we voordien niet zagen, kwamen ineens volop in het licht te staan.

Sindsdien is alles anders gewor­den. We leerden Jezus kennen als Verlosser en Leidsman en Hij kreeg en krijgt een steeds belangrijker plaats in ons leven. Hij werd de kern van ons geestelijk bestaan.

Het artikel voor de kerkbode nog steeds in ons bezit. Ik ontving het terug met de mede deling dat er geen plaats voor was. Nu staat er boven dit artikel: ‘Waar het op aankomt’. We zijn in de afgelopen jaren gegroeid in ons geestelijk leven en zijn tot de ontdekking gekomen dat veel zijwegen het heil in Christus verduisterd hebben. Jezus is dé weg, dé waarheid en hét leven. Het leven is in Hem en wij die in Hem zijn, die in Hem geloven, mogen en kunnen Zijn lichaam zijn. Door één Geest tot één lichaam gedoopt, bestaande uit wedergeboren christenen die elkaar van harte liefhebben. Geboren niet uit vergankelijk zaad, maar uit onvergankelijk zaad, het blijvende woord van God (1 Petr. 01:22-23).

Jezus laat ons de Vader kennen zoals Hij werkelijk is. Hij leefde als eerste mens volkomen in overeenstemming met Zijn Schepper. God de Vader is onze oorsprong en op grond van dat feit, dienen ook wij voor die weg te kiezen. Jezus is die weg en wij geloven in Hem omdat de Vader Hem alles in handen heeft gegeven (zie o.a. Joh. 13:03).

Het dienen van Jezus, ook het zout der aarde en het licht der wereld zijn, komt bij de voet­wassing zo duidelijk naar voren. Jezus stond van de maaltijd, het laatste avondmaal, op, wetende dat de vader hem alles in zijn handen had gegeven en dat hij van God uitgegaan was en dat hij tot God heen ging en ging de discipelen de voeten wassen. Dienende liefde en zo zijn volgelingen toerusten.

In (Joh. 12:44-50) lezen we “Jezus riep en zeide: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij gezon­den heeft; wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem die Mij gezon­den heelt. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve”.

Het is de duivel, als grote tegen­speler, steeds gelukt om iets of iemand tussen Jezus en de ge­lovigen te schuiven Bij de hemel­vaart nam een wolk Hem weg. Die wolk verduistert nog steeds het volle licht op Hem. Moeder Maria, vele heiligen, maar ook woorden als God, Here God, de Allerhoogste, enz., waarbij men in het midden laat wie daar mee bedoeld wordt. Door velen wordt zelfs Allah gelijkgesteld met God, de Vader van onze Heer, Jezus Christus. Mohammed, de profeet, verkondigde, en dat werd later in de Koran vastgelegd, dat Allah de enige, ondeelbare God is, die van de mens volledige onderwerping verlangt.

Vrijheid en vreugde in Christus

Dat is wel heel iets anders dan de vrijheid en vreugde die wij in Christus bezitten. Jezus, die leeft, kan werkelijk Hoofd van zijn lichaam, de gemeente zijn. Zoals God eertijds (in het oude ver­bond) vele malen en op vele wijzen tot Israël gesproken heeft in de profeten, zo heeft Hij nu -in het laatst der dagen- tot ons ge­sproken in de Zoon, die Hij ge­steld heeft tot erfgenaam van alle dingen. Deze, de afdruk van Zijn wezen en de afstraling van Zijn heerlijkheid, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand te hebben ge­bracht, zich gezet aan de rechter­hand van de Vader (zie Heb. 01:04).

Door dit alles kan Hij dan ook werkelijk hoofd van Zijn lichaam – de gemeente- zijn. Dat lichaam dat tot volwassenheid komt en zal gaan functioneren naar Zijn wil en welbehagen.

Het begin van de schepping

Nu even terug naar het begin van de schepping. Ik begin met het allerbelangrijkste, namelijk dat God op de zesde dag de mens schiep. Uit het stof, uit de natuur van die aarde, schiep God een mens met een geest. Dit beant­woordde aan Gods plan, want Hij sprak: ‘Kom laat ons mensen maken gelijk wij’.

Tot op dat moment bestond de aarde uit puur natuur. Het gewas op de velden, de dieren op het droge, de vissen in de zee, kwa­men in hun ontwikkelingsvorm niet boven het natuurlijke uit. Zij hadden een lichaam en zintuigen als bijvoorbeeld horen, zien en voelen. Een soort zieleleven, waardoor dit deel van de schep­ping al zo bewonderingswaardig was en is, dat het met de grootst mogelijke eerbied behandeld dient te worden.

Is het belangrijk of die schep­pingsdagen 24 uur of 24 miljoen of nog langer geduurd hebben? Is het hele gepraat rondom de evo­lutie belangrijk als wij er vanuit gaan dat God, de Schepper, 6000 jaar geleden een mens schiep waarmee Hij gemeenschap kon‘ hebben? Deze mens waarvan Hij zei: Het is goed, ja zeer goed.

Welke weg kiezen wij?

De Schepper van hemel en aarde vraagt slechts één ding en dat is gehoorzaamheid aan Zijn weg. Adam en Eva mochten alles met uitzondering van eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Zij zouden, al wandelende met God, meer en meer tot vol­wassenheid komen.

De mens koos echter voor een eigen weg, koos de kant van de verleider, satan, met alle gevolgen van dien. Bij de komst van Chris­tus werd de breuk echter volko­men hersteld. Alles is volbracht. Zoals door één mens de zonde in de wereld gekomen is, zo is zij ook door één mens, Jezus Chris­tus, verzoend en weggedaan.

Dat is zeer moeilijk door de mens te aanvaarden. Het geloof in de eerste Adam is veel groter dan in de tweede. Men zegt: Je ziet toch om je heen dat alles in duigen ligt en dat van herstel nog maar wei­nig sprake is. Ja, u hebt gelijk, maar toch als een ieder gehoor­zaam zou gaan worden aan Gods opdracht nu: ‘Eet van de boom des levens, Jezus Christus, Mijn Zoon, de eerste Adam van een nieuw verbond’, dan zou alles anders worden.

Maar ook nu is de mens onge­hoorzaam, zij weigert de vrucht van die Boom des Levens, die de weg Gods is, tot zich te nemen. Maar -halleluja- allen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden.

De kern van ons geestelijk leven

Wij leven in een tijd dat de kennis zich op een ontzagwekkende wijze ontwikkelt. Denk maar aan de ontwikkeling op kerngebied en DNA. Men heeft het niet hele­maal onder controle, maar toch is het een doordringen tot de kern van de natuurlijke dingen. Nu ik verzeker u dat wij op geestelijk gebied niet achter zullen blijven. Wij zullen steeds dieper gaan beseffen dat Jezus Christus, de kern van ons geestelijk leven is. Hij is de bron van ons bestaan. In Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn van zijn geslacht (Hand. 17:28).

Bent u al zo’n nieuwe schepping? Is bij u het oude voorbij gegaan en het nieuwe gekomen? In Hem is de volheid Gods aanwezig en wij mogen één Geest met Hem zijn. In het Hogepriesterlijke gebed zegt Jezus: “Opdat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn: opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt”.

Een geweldig woord waaruit  blijkt hoe zeer het nodig is dat wij in Hem zijn. Dat dat Zijn wil is. Trouwens het Hogepriesterlijk gebed is in zijn geheel een ge­weldige aanwijzing hoe wij ons dienen op te stellen. Het geeft de kernpunten aan waar het om gaat. Lees het na het lezen van dit artikel eens door!

Hoe behoren wij ons op te stellen?

Nu zult u vragen: Hoe moeten wij ons opstellen? Mijn antwoord is: Kijk naar de eerste komst van Christus.

Maria. Zij ontving de boodschap dat Gods Zoon uit haar geboren zou worden. Vragen genoeg, maar haar antwoord was: “Mij geschiede naar uw woord”. Zij ontving en baarde Gods zoon. Alle moeilijke dingen die zij daarna tegen kwam, bewaarde zij in haar hart en liet ze daar rijp worden om het later te verstaan. Zij heeft het zeker niet gemakkelijk gehad, maar in haar is het woord Gods tot leven gekomen.

Simeon en Hanna, man en vrouw, verwachtende het heil des Heren. Simeon loofde God en zei: “Mijn ogen hebben uw heil ge­zien, dat gij bereid hebt voor alle volken en heerlijkheid voor het volk van Israël”. En van Hanna lezen wij dat zij God loofde en sprak over Hem, tot allen die voor Jeruzalem verlossing ver­wachtten.

Johannes de Doper, de weg­bereider, die riep: “Bereid de weg des Heren, maakt recht zijn pa­den. Alle kloof zal gevuld worden en elke berg en heuvel zal geslecht worden en de krommin­gen zullen recht en de oneffen wegen vlak worden”.

Al deze dingen zullen wij in de eindtijd terug vinden, namelijk een volk van God, verwachtende de komst des Heren. Hij zal terugkomen zoals Hij is heenge­gaan. De wolk die Hem wegnam zal verdwijnen en ik geloof met heel mijn hart dat wij de tijd terug zullen krijgen zoals die was tus­sen opstanding en hemelvaart. Dat Hij zich aan ons zal openba­ren zoals Hij zich toen aan de discipelen openbaarde. Veertig dagen verscheen Hij hun, tot hen sprekende over al wat het Ko­ninkrijk Gods betrof.

Ook de eerste gemeenten wisten mee te praten over de verdere uitbouw van het Koninkrijk Gods. Bijvoorbeeld de kamerling uit Morenland (Afrika), de bekering van Saulus (Europa) en Cornelius, als eerste niet-Jood, de zoge­naamde heidenen die door God werden rein verklaard.

Openstaan voor Gods Geest

Moeten wij nu hemelbestormers worden om dit te bereiken? Nee, ik geloof het niet. Wij moeten een volk zijn verwachtende die wederkomst en daaraan bouwen door volkomen open te komen staan voor de werking van Gods Geest, de Geest van Christus die alles, in allen die van Hem zijn, volmaakt. Het persoonlijk leven met Hem zal door een ieder van ons uitgediept moeten worden onder het motto: ‘Heer, Mij ge­schiedt -let op- mij geschiedt, naar Uw Woord’.

Deze tijd zal de tijd zijn van nieuwe harten, harten van vlees, waar Gods liefde door stroomt. Bewogen voor de mensen om ons heen en veraf. Proclamerende het Koninkrijk Gods met zijn liefde en gerechtigheid. Het dal van dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) zal tot leven komen doordat de kracht Gods op ons rust en Hij ons zal meenemen door dat dorre dal.

De hand aan de ploeg

De vraag klinkt: ‘Gelooft u dat onze dorre aarde tot leven kan komen?’ Velen zullen antwoor­den: ‘Och Here, U weet het, maar ik weet het niet’. Wij zullen ech­ter de hand aan de ploeg moeten slaan en zeggen: ‘Ja Heer, met uw hulp zal het lukken en zullen wij het ons beloofde land in bezit nemen’.

Wij komen er want het is Zijn wil, want daartoe heeft hij ons gescha­pen en geroepen. Aan die ark des behouds mogen wij bouwen en met Jezus Christus als Leidsman optrekken naar een nieuwe he­mel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

Misschien zullen de ouderen on­der ons zeggen: ‘Ja maar zullen wij dat nog beleven?’ Nu dat is heel goed mogelijk, maar zeg ik dan: ‘Begin er aan’. De Heer kan u tot de laatste seconde gebruiken en zeg het dan Simeon na: “Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien” (Luc. 02:29-30).

Zullen wij zo samen verder gaan: drinken uit de bron om zelf bron te worden? Laten wij de wereld laten zien en horen wie Jezus is. Zoals Hij van mij en van u houdt, zich voor ons inzet, ondersteunt en draagt, zo mogen, moeten en kunnen wij zout der aarde en licht op de kandelaar zijn. Amen.

Voor U, Heer, wil ik leven, bewust U toegewijd Een overtuigde keuze, voor de gerechtigheid Samen met u overleggen, U bent het die ons leidt Met een gezindheid die U kenmerkt, liefdevol en wijs.

 

 

Ken de Here (gedicht) door Piet Snaphaan

Ken de Here, leer Zijn wegen,

Hem te volgen en verstaan,

Zijn gedachten overwegen,

alles is er aan gelegen,

de hoge weg met Hem te gaan.

 

Ken de Here, vrees geen strijden,

gij zijt immers door Hem gekend,

God die je riep, zal zich verblijden

in wie Hem volgen aan Zijn zijde

ja, allen zijn voor Hem bestemd.

 

Ken de Here, leer Hem kennen

met heel je hart, wat vreugde geeft,

aanvaard Zijn woord door in te stemmen

en je vast aan Hem te klemmen,

en ’t leven door Zijn Geest beleefd.

 

Kinderen des lichts door Cees Maliepaard

De hemelen -11-

“Hiervan moet gij doordrongen zijn, dat in geen geval een hoereerder, onreine of geldgierige (dat is een afgodendienaar) erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en God. Wandelt als kinderen des lichts – want de vrucht des lichts bestaat in louter goedheid, gerechtigheid en waarheid – en toetst wat de Heer welbehaaglijk is” (Ef. 05:05, Ef. 05:8-10).

Door sommige kinderen Gods wordt wel eens de indruk gewekt dat het er niet toe doet hoe iemand leeft, omdat we immers een goede God hebben. Alsof goedheid het­zelfde zou betekenen als alles maar goedvinden! Ouders die alles van hun kinderen tolereren, geven er eerder blijk van goed gemakzuchtig te zijn, dan op een goede manier het belang van hun kinderen voor ogen te hebben. Zo blijkt ook Gods goedheid niet uit een alles maar goedvinden van wat mensen zoal praktiseren, maar die komt pas tot uitdrukking in het scheppen van goede mogelijkheden voor de mens om zich naar het goddelijke plan te ontwikkelen in louter goedheid, gerechtigheid en waarheid.

Louter goedheid

De vrucht van het licht kan nooit een donkere kant hebben, want dat zou immers onmiddellijk aan het licht gekomen zijn! Als de vrucht van het licht goedheid is, dan bestaat die vrucht ook helemaal uit goedheid. Niet slechts ten dele. Ze staat terecht als louter goedheid te boek, want in het volle licht is er geen enkele tus­senvorm mogelijk. Die zijn er alleen in het schemergebied tussen licht en donker in. In Babylon, waar goed en kwaad door elkaar lopen, wordt het goede al gauw geweld aangedaan.

De boom der kennis van goed en kwaad heeft nog nooit iets goeds voortgebracht. Daaraan hangen slechts de wrange vruchten van de verwarring die de vader der leugen het menselijk oor inblaast.

Maar onze God is een louter goede God. Er is bij Hem geen zweem van ommekeer (Jak. 01:17), zelfs niet iets dat ook maar in de verste verte op iets anders dan goedheid lijkt. Dat is duidelijk zichtbaar gemaakt in het leven van Jezus Christus. Hij openbaart het wezen van de goede God in heel zijn doen en laten (Kol. 01:15). Zoals Jezus’ leven door louter goedheid gekenmerkt wordt, zo is ook de Vader één en al pure goedheid.

Door geboorte droegen wij als natuurlijke mensen het beeld van de stoffelijke, van de eerste Adam. Door wedergeboorte en door de doop in Gods Geest zullen we het beeld van de geestelijke, van de tweede Adam tentoonspreiden in louter goedheid (1 Kor. 15:49).

Hoe komt dat tot stand? Gaat ieder die wedergeboren en in de Geest gedoopt is, zich automatisch ont­wikkelen tot een zoon Gods, tot iemand die in louter goedheid bezig is de volkomenheid te beërven?

Nou, er gaat echt niets vanzelf in de geestelijke wereld; het zoonschap is dus nooit het gevolg van een auto­matisme.

Paulus schrijft, in (Rom. 08:14), dat allen die door de Geest Gods geleid worden, zonen Gods zijn. Het ontvangen van de Geest is op zich dus niet voldoende – de mens Gods zal zich door de heilige Geest laten leiden. En wel tot volgroeide zonen van de Vader. Die bestaan (net als Vaders oudste Zoon) naar hun in­nerlijk in louter goedheid.

Louter gerechtigheid

De kinderen des lichts hebben deel aan Goddelijke gerechtigheid. Even­als bij Gods goedheid behoort ook hierin een mixture tussen gerechtig­heid en ongerechtigheid niet tot de mogelijkheden in het Koninkrijk van God. De hemel van Gods heerlijkheid bestaat in enkel gerech­tigheid. Ongerechtigheid komt daar niet in voor. Ongerechtigheid is wezenlijk wezensvreemd aan Gods hemelingen – zeker weten! Daarom zal ook onze persoonlijke hemel gekenmerkt zijn door louter God­delijke gerechtigheid. We hebben immers de toegang tot het Vader­huis met de vele woningen ver­kregen door Jezus’ genoegdoening op Golgotha en door de inwonende kracht Gods, de inspirerende Geest van de Vader.

In onze hemelwoningen, die van u en van mij, kan Satan niet binnen­dringen. Dat zou hij wel willen, maar het Vaderhuis boven valt nu eenmaal buiten zijn machtsgebied – het behoort duidelijk niet tot zijn operatieterrein. Derhalve beperkt hij zijn aanvallen in eerste instantie doorgaans tot de natuurlijke raakvlakken van de geestelijke mens.. Om via druk of verleiding op dat gebied, te trachten de geestelijke mens naar beneden te halen.

De mens Gods die zijn hemelse woning verlaat en vanuit een na­tuurlijk denken bezig is, vormt voor Satans horden een weer te benade­ren prooi. Met kansen voor hem om de ontwikkeling van het zoonschap te stagneren, en vervolgens de mens zijn verduisterde hemel vol onge­rechtigheid binnen te leiden.

Het is zaak de gerechtigheid Gods vast te houden, want die is vervat in het plan van de hemelse Vader. Het is Gods recht, dat zijn mensen zich overeenkomstig de strekking van dat plan zullen kunnen ontwikkelen. En Hij geeft ook de mogelijkheden daartoe. Wanneer wij inspelen op zijn aanbod van genade en aanvaar­den wat Hij ons van den beginne heeft toebedacht, ligt daarin de basis voor de overwinning op de onge­rechtigheid die Satan ons wil laten aankleven. We zullen ons mogen heiligen van elke satanische beïn­vloeding in ons denken, opdat dat in ons leven zal resulteren in louter gerechtigheid.

Louter waarheid

Mensen Gods zullen puur zijn, helemaal overeenkomstig God­delijke waarheid, naar zijn eeuwige plan. We worden opgeroepen alles in ons leven te toetsen, om er zo achter te komen wat van dit alles de Heer welbehaaglijk is. En dat is nu eenmaal de vrucht van het licht: louter goedheid, gerechtigheid en waarheid.

Er is een bekend spreekwoordelijk gezegde: De waarheid kan hard zijn. Maar dat slaat op de waarheid uit de wereld, een onbarmhartige, vaak meedogenloze waarheid. Zoals de waarheid van de buurvrouw, die het kersverse moedertje achter de kin­derwagen (bij het werpen van de eerste blik daarin) toeroept: “Nee, toch, ‘t is net een apie!” Nou die buurvrouw kan best wel gelijk hebben, maar het heeft absoluut niets te maken met de waarheid van de hemelse Vader. Zijn waarheid is nooit koel bere­deneerd, noch impulsief in naïviteit. Zijn waarheid is inherent aan zijn liefde volle gedachtenpakket vóór alle tijden, toen Hij zich de mens Gods voor ogen stelde in een paradijselijke omgeving, in alles beantwoordend aan zijn volmaakte maatstaven.

Wie de zonde liefheeft, de Gods mensen bindende onreine machten en leugengeesten omarmt, kan geen deel hebben aan het erfdeel in het Koninkrijk Gods. Want zo iemand leeft in de leugen en kan daar slechts van vrijkomen door de waarheid Gods. Jezus zegt: “Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk disci­pelen van Mij, en gij zult de waar­heid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 08:31-32).

De vrucht van het licht bestaat in louter waarheid. Daarvoor heb je het woord van God nodig, want dat woord is de waarheid (Joh. 17:17). De mens wordt geheiligd door bezig te zijn met het woord van God, dat wil zeggen met Gods gedachten. Door die gedachten in je leven te verwerken, ga je Gods plan handen en voeten geven. Dat komt doordat je mét de realisering van dat plan in je leven, je plaats in de hemel bent gaan innemen. Jouw hemel wordt zodoende vervuld van Gods heer­lijkheid. Zijn heerlijke plan verkeert daarmee niet langer in het planmati­ge stadium, maar is bezig in de kinderen van het licht, in ons dus, werkelijkheid te worden. En dat nu is (blijkens onze leidtekst) de Heer welbehaaglijk.

 

 

 

Vrij! Door Duurt Sikkens

“… zul je werkelijk vrij zijn” (Joh. 08:36).

“De mens is van nature slecht, tot niets goeds in staat en geneigd tot alle kwaad”, je zult zoiets tijdens een sollicitatiegesprek zeggen. Als je dit van de duivel zegt, heb je gelijk. Die deugt van geen kant. Als je nou goede dingen wenst te doen en ze niet doet en het kwade dat je niet wil wel doet. Hoe zit dat dan? Mijn vraag: Hoe weet je dat dat wat je wilt goed is?

De menselijke geest is de drager van natuurlijke normen en wanneer je iets goeds niet mag doen of iets kwaads móet doen, sta je onder de macht van een slechte. Dan ben je geestelijk bezet door een boze geest die er liever niet uit wil en dat doet-ie met de leugen als zou hij ‘van nature’ bij je horen. Het is dan een ‘karakter­eigenschap’ waarmee je maar moet leren leven met alle kamouflage- trucs van dien: leugens.

Als je tot God nadert, werkt dat verhelderend. Dan zie je wat niet bij je hoort, het slechte. Laat je dan bevrijden van zo’n boze geest en breek zijn werken (een in jou geplante gedachtewereld die wezensvreemd is aan je) af.

Jezus is gekomen om de werken des satans af te breken. Laat je helpen en je innerlijke verdriet over allerlei zaken zal veranderen in een juichkreet. Vrij! Eindelijk vrij om het goede wél te doen en het kwade te mijden als de pest.

 

De tijd van het welbehagen des Heren Door P. v. d. Heyden

 

Een ‘geloofsgetuigenis’ van wat God in deze tijd doet, door Br. P. v. d. Heyden en zr. H. v. d. Heyden-v. Leeuwen te Waddinxveen.

Hoe zou het toch met onze neef gaan? Met die gedachte vervuld stonden we voor de deur van zijn huis. Na gebeld te hebben deed onze neef zelf de deur open. “Ik had jullie al eerder verwacht”, zei hij. Ja, het was niet best met hem. “Ongeneeslijk”, had de dokter gezegd, “niets meer aan te doen”. Hij was bezig dit te verwerken. Want nog dagelijks, ondanks zijn 75-jarige leeftijd, was hij nog nauw verbonden met zijn bedrijf.

Er volgde een langdurig gesprek waaruit bleek dat hij het geestelijk heel moeilijk had. Hij was in geen enkel opzicht klaar om afscheid te nemen van dit leven, wat ook be­grijpelijk is als je dat zo plotseling meegedeeld wordt. Ik zeg: “Neef, ik weet waar jij het zo moeilijk mee hebt”, “ja”, zegt hij, “ik zit er mee dat ik veel te goedkoop gewerkt hebt in mijn leven”. Maar dat was het niet, want dat kwam al spoedig te voorschijn.

Hij had het moeilijk omdat hij niet wist of zijn zonden vergeven wa­ren. Wij vertelden hem, dat er toch nog een weg was tot behoud. De weg van Jezus Christus. Mijn vrouw zei: “Neef, neem de Here Jezus aan, geloof Zijn woord, dan krijg je rust”. Hij zegt: “Daar heb ik het nou juist zo moeilijk mee”. Ondanks zijn kerkgang ’s zondags, wist hij niet of hij behouden was. Hij zegt: “Daar ben ik nog niet aan toe”.

We vertrokken en beloofden voor hem te bidden. Dat ontroerde hem.

Na verloop van een maand zei mijn vrouw: “Zullen we nog eens naar onze neef kijken, hoe het met hem is?”

Weer stonden we voor de deur van zijn woning. Nu deed hij de deur niet open, maar zijn vrouw.

Op onze vraag: “Hoe gaat het met hem?”, zegt ze: “Slecht, gaan jullie maar naar boven, hij ligt in een apart kamertje”.

We schrokken hevig. Hij had het erg benauwd, kon bijna niet pra­ten. Het was heel slecht met hem gesteld. Dat iemand in zo’n korte tijd zo achteruit kon gaan. Hij murmelde wat. Wij konden hem moeilijk verstaan. Het was zo van: “Ik weet het niet meer”. Mijn vrouw vroeg: “Neef, heb je vrede met God, ben je behouden?” Zijn angstige ogen vroegen om hulp. Een enorme geestelijke strijd was in hem gaande. Hij besefte dat hij zo niet kon sterven. Hij had het zo benauwd, hij huilde en kon niets uitbrengen.

Wij wezen hem weer op de enige weg tot behoud: Jezus Christus. Hij knikte, maar hoe moest dat? Hij kon uit zichzelf die stap niet ne­men. Wij vroegen hem: “Zullen we je helpen, neef?”

Wij gingen bidden voor hem. Hij kreeg het benauwd. We begonnen in tongen te bidden, maar hij kreeg het nog benauwder.

We riepen de naam van Jezus aan om hem te helpen. Hij kon die naam niet over zijn lippen krijgen. We begrepen tenslotte dat boze machten hem gebonden hielden en hem mee wilden sleuren naar het dodenrijk.

Wat er toen gebeurde zullen wij wel nooit vergeten. Hij kreeg het zo vreselijk benauwd toen wij de boze geesten in de naam van de Here Jezus begonnen uit te drijven, dat hij niet meer wist waar hij het zoe­ken moest. Het was bijna niet meer om aan te zien.

Ondanks al dat lawaai gingen wij toch door. Roggelend, krijsend, kermend en kreunend, kwamen de machten eruit die hem tijdens zijn leven hadden gebonden. Zijn vrouw kon het niet meer aanho­ren, en vluchtte naar beneden.

De strijd duurde lang. We vochten als het ware voor het behoud van zijn leven. Eindelijk kon hij nog met moeite de naam van Jezus aanroe­pen. Stotterend, al zuchtend en on­der tranen beleed hij zijn zonden, bij het kruis van Jezus. Hij vroeg om vergeving en smeekte om genade of hij een kind van God mocht worden.

En de Here verhoorde zijn gebe­den. Hij werd verlost van zijn zonden. Het leek een natuurlijke bevalling van een vrouw die onder zware weeën een kind ter wereld brengt.

In de geestelijke wereld was het voor zijn sterven een geboorte van een nieuwe mens.

Toen de machten uitgevaren waren was hij kalm. We legden hem de handen op voor rust en vrede. De benauwdheid was verdwenen en op dat moment kreeg hij ineens belangstelling voor een broer van mijn vrouw, die veehouder is.

Het was een wonderlijke ervaring in ons leven om een stervende bijstand te mogen verlenen. We zagen opnieuw een plotselinge verandering van een man, die kort tevoren het zo benauwd had, en even later een rustige neef was geworden. Alles was realiteit.

Mijn vrouw zei bij het weggaan

“En nu vasthouden, neef. Niet twijfelen, je zonden zijn vergeven’ door het bloed van Jezus!” Hij knikte tevreden.

Toen we enkele maanden later weer eens gingen informeren, zagen wij auto’s voor de deur staan De familie was bijeen. We werden binnengelaten en zijn vrouw deelde ons mee dat haar man naar “zijn kamer was in het huis van de Heer”, zoals hij gezegd had bij het afscheid nemen van zijn gezin.

Dan gaat er wel wat door je heen en wat wordt je klein als je dit ziet en meemaakt. Wat is God groot in Zijn barmhartige liefde en vol van genade! Het gezin was ondanks het verdriet blij, dat hun vader behouden was. Hij was geestelijk in alle rust ontslapen. Op de rouw­kaart stond: “Nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan”, en: “In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen”.

Het dringt op dat moment nog niet tot je door hoe realistisch deze dingen zijn. Ook hierna komen de gedachten naar boven, gebeurt dit alles echt zo? Als je daar mee bezig bent, geeft God op het juiste moment het antwoord. Zelfs door middel van dit blad. Hij kent onze gedachten, staat er in de Psalmen. Want kort daarop lazen we in Levend Geloof, nummer 366 van januari 1995, het onderwerp “Het dementiesyndroom” door Evert van de Kamp, op bladzijde 23, en ik citeer de schrijver: “Ik ontmoette Geest gedoopte mensen die aanvankelijk moeilijk konden sterven. Duistere geesten hielden kennelijk (nog) tegen hun intrek bij de Heer te nemen. Pas na uitdrij­ving en gebed gingen deze mensen in volle vrede heen”.

We zagen dit als een vinger Gods.

Een mooiere bevestiging kon God ons niet geven. Wat een rijkdom van genade in deze tijd te mogen leven om mensen die voor de poorten van het dodenrijk staan, weg te mogen slepen. Achteraf bezien hebben wij dit al meerdere keren ervaren, maar dan drong het niet zo tot ons door. Maar nu weten wij het zeker, dat het echt waar is. Gods woord is waar. Als wij maar doen wat Jezus ons bevolen heeft.

Onze neef werd in stromende regen begraven. Na de begrafenis liep de dominee mij voorbij bij de uitgang van het kerkhof. Even verder bleef hij plotseling staan alsof iemand hem aan zijn jas had getrokken, draaide zich om en keek mij aan alsof hij iets verwachtte.

Voor de begrafenis had ik hem nog nooit gezien of gesproken. Toen ik vlakbij was gekomen, zei ik tegen hem: “Wat is dat een zware strijd geweest voor onze neef, dominee, om binnen te gaan in het hemels Koninkrijk van God. Hij had geen enkele zekerheid dat hij behouden was, maar nadat wij in de naam van Jezus de boze geesten uit hem hadden gedreven, gaf hij zich over aan zijn Heiland”.

Hij wist niet wat hij hoorde. Vol verbazing stond hij voor me en vroeg: “Is dat waar, is dat zo? Wanneer gebeurde dat?” Ik zei hem wanneer dat plaats gevonden had. Weer was hij één en al ver­bazing.

In die stromende regen op dat kerkhof, hoorde die dominee in deze tijd, anno 1995, van de grote werken Gods spreken.

De familie was heel dankbaar. Bij het afscheid nemen erkenden zij, dat wat ze gezien en meegemaakt hadden, echt waar was. Zijn vrouw vertelde ons nog dat zij alles aan de dominee verteld had, wat er gebeurd was met haar man. Wat een leiding van de Heer. De dominee werd door een engel als het ware bij de uitgang van het kerkhof aan zijn jas getrokken, ondanks de zware regenval die op dat moment op dat kerkhof neer­plensde, om nog eens uit mijn mond als bevestiging te horen, wat de vrouw van onze neef in haar huis aan hem verteld had, toen zij beneden had staan luisteren wat er boven gebeurde.

“Groot is de Heer en hoog te lo­ven in Zijn heilige stad!” God heeft Zijn heilige Geest aan ons gegeven om anderen te hel­pen. Wat leven we toch in een geweldige tijd. De tijd van het welbehagen des Heren en de wraak van onze God, op de demonen, die de kinderen Gods willen bezet willen houden.

De tijd van (2 Kor. 06:02 en Ps. 107:016-019. Onze neef riep tot de Heer en hij werd verlost uit zijn angst. De Here alleen zij daarvoor gelooft en geprezen!

 

De terugkeer-profetieën vervuld door WIM TE DORSTHORST

 

Zicht – op Israël -14-

Gods heilig woord is vervuld

De profetische woorden, over zo­wel het weggevoerd worden in ballingschap als over de terug­keer, zijn door de profeet Jeremia gesproken in de tijdsperiode van 626 tot 586 voor Christus. Dat is een tijdsperiode van veer­tig jaar. En beide zaken zijn aan het volk wat toen leefde vervuld.

Dit is een heel belangrijk bijbels gegeven waar de ogen voor open moeten gaan. Het is niet alleen de geschiedschrijving die er mel­ding van heeft gemaakt, maar ge­lukkig ook het woord van God zelf.

In (Jer. 29:10-14) staat de geweldige belofte van een lief­devolle, barmhartige God: “Want zo zegt de Here: Als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilig woord aan u in vervul­ling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen. Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord des Heren, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoop­volle toekomst te geven. Dan zult gij Mij aanroepen en heen­gaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; dan zult gij Mij zoe­ken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal Ik Mij door u laten vin­den, luidt het woord des Heren, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord des Heren, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren”.

De kernzaken zijn hier: Als voor Babel zeventig jaren voorbij zul­len zijn,… Dan zult gij Mij aanroe­pen, … Wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. Dan zal IK u verzamelen uit alle vol­keren en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in balling­schap heb doen wegvoeren.

De ballingschap

En de ballingschap werd een feit. Dit wordt beschreven in (2 Kron. 36:14-15).

In de verzen 14 en 15 zien we hoe God, met ontferming bewo­gen, nog alles heeft gedaan om het onheil af te wenden.

In vers 16 lezen we dan: “Maar ze bespotten de boden Gods, ver­achtten Zijn woorden en hoon­den Zijn profeten, totdat de gram­schap des Heren zich zozeer te­gen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was”.

Het droeve gevolg is dan: Hij deed de koning der Chaldeeën te­gen hen optrekken… Ook voer­de hij hen die aan het zwaard ont­komen waren, naar Babel en zij werden hem en zijn zonen tot sla­ven, totdat het koninkrijk van Perzië de heerschappij verkreeg “om het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, in vervul­ling te doen gaan”.

De grote Godsman en profeet Da­niël, die ook in ballingschap is, gaat bij het lezen van de profeet Jeremia bijzonder letten op het aantal jaren van de ballingschap. We lezen dan in (Dan. 09:01-03) daarvan: “In het eerste jaar van Darius, de zoon van Ahasveros, uit het geslacht der Meden, die ko­ning geworden was over het ko­ninkrijk der Chaldeeën – in het eerste jaar van zijn koningschap lette ik, Daniël, in de boeken op het getal van de jaren, waarover het woord des Heren tot de pro­feet Jeremia gekomen was, ver dat hij over de puinhopen van Je­ruzalem zeventig jaar zou doen verlopen.

En ik richtte mijn aangezicht tot de Here God om te bidden en te smeken, in vasten en in zak en as” (lezen tot vers 19).

Terugkeer na zeventig jaar

Daniël wordt er bij bepaald dat God tot Jeremia gesproken heeft over een periode van zeventig jaar ballingschap.

En zoals het een man Gods be­taamt gaat hij bidden en zich verootmoedigen voor het aange­zicht Gods. Hij vraagt vergeving voor het volk en bidt voor het hele volk Israël en de terugkeer naar Jeruzalem (vs. 7 en 16-19). En hij noemt inzonderheid de gelovige rest “die God liefheb­ben en Zijn geboden bewaren” (vs. 4).

Over die rest spreekt ook de pro­feet Jesaja en kondigt de komst van de Messias aan uit hen die terugkeren.

Jesaja 65 vers 8 en 9 (Jes. 65:08-09) zegt hier­van: “Zo zegt de Here: Zoals men, wanneer er nog sap in een druiventros gevonden wordt, zegt. Verderf hem niet, want er ligt een zegen in – zo zal Ik doen terwille van mijn knechten, dat Ik niet alles verderve.

En ik zal uit Jakob nakomeling­schap doen voortkomen en uit Juda een erfgenaam voor mijn bergen; mijn uitverkorenen zullen ze bezitten en mijn knech­ten zullen daar wonen .

En dan komt die wonderbaar­lijke terugkeer doordat om het woord, aan Jeremia gegeven, te vervullen (Jes. 44:26-28; Jes. 45:01-06) de Here, de heidense koning Kores als zijn gezalfde gebruikt. In Ezra 1 lezen wij hiervan: In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de HERE, opdat het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, zou wor­den voltrokken, de geest van Ko­res, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk,

ook in geschrifte, deze oproep te doen uitgaan:

Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de Here, de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda.

Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort, zijn God zij met Hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwe het huis van de Here de God van Israël, dat is de God, die in Jeruza­lem woont. En ieder die overge­bleven is, van welke plaats ook, waar hij als vreemdeling vertoeft, die moeten zijn plaatsgeno­ten ondersteunen met zilver en goud, met have en vee, behalve de vrijwillige gave voor het huis van de God, die in Jeruzalem woont (Ezra 01:01-04; doorlezen tot vs. 11).

Bij het lezen van al deze woor­den Gods moet ik denken aan het woord van de Heer aan Jeremia, nog voor het volk wegge­voerd wordt, wat luidt: “Zie, Ik, de Here, ben de God van al wat leeft; zou voor Mij iets te wonder­lijk zijn?” (Jer. 32:27).

De blijde boodschap voor héél Israël

De Assyriërs hebben het oordeel Gods vol trokken aan het tienstammenrijk in circa 722 voor Christus. Het hoe en Waarom staat te lezen in (2 Kon. 17:01-23) hier is door de Heer geen enkele belofte over terugkeer gegeven, zoals bij Juda. Maar dan missie is uit voort zou komen. Babel heeft het vonnis voltrokken aan Juda is circa 685 voor Christus en dan gebruikt God Kores van het Medisch Perzische rijk om de deuren te openen voor de terugkeer. Dit alles geschied en daar moeten we bijzonder op letten. Opdat het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrok­ken”. En dat is een terugkeer na zeventig jaren.

Iedere Jood die in Babel is, in welk land of welk deel hij zich ook bevindt, mag terugkeren. Het is in iedere stad en gehucht af­geroepen want het was een be­vel des konings.

Maar in werkelijkheid was het een werk Gods. Het wordt er spe­ciaal bij vermeld dat het ook schriftelijk door het hele rijk be­kend gemaakt is. Iedere Jood zal het gehoord hebben want het zal ongetwijfeld een geweldige dei­ning in de toenmalige wereld te­weeg gebracht hebben.

“Koning Kores die de Joden volko­men vrijheid geeft terug te ke­ren naar Israël, waar ze het huis van de Here, de God van Israël moeten gaan bouwen”.

Het is te vergelijken met wat Paulus schrijft over het evangelie, dat aan alle Joden bekend gemaakt is door de verkondigers hiervan, als hij schrijft: “Over de ganse aar­de is hun geluid uitgegaan en tot het einde der wereld hun woor­den” (Rom. 10:18).

De amnestie is volledig want er staat: “Wie onder u tot enig deel van Zijn volk behoort en van wel­ke plaats ook, zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruza­lem…”, enz.

Van het tienstammenrijk waren sommigen al van de derde genera­tie maar de deur stond open voor allen, ongeacht tot welke stam of deel van het volk men behoorde.

Zijn allen teruggegaan?

Hebben allen aan deze blijde tij­ding gehoor gegeven? Neen! Heel duidelijk niet. Wij hebben het al steeds gelezen, het is dat deel die tot de Here roepen en naar de HERE vragen met hun ganse hart, die gaat de Here ver­zamelen uit alle volkeren en terug­brengen (Jer. 29:13-14; zie ook Lev. 26:39-42).

Het gaat altijd weer over de gelovi­ge rest die door Daniël genoemd wordt: “hen die God liefhebben en Zijn geboden waren” (Dan. 09:04). Het gaat altijd, en alleen maar, om hen die zich van harte bekeren tot de Here, hun God.

Deuteronomium 30 verwoordt dit wel heel duidelijk. We lezen: “Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te­midden van alle volken, naar wier gebied de Here, uw God, u verdreven heeft, en wanneer gij u dan tot de Here, uw God, be­keert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u he­den gebied, gij en uw kinderen met geheel uw hart en met ge­heel uw ziel -dan zal de Here, uw God, in uw lot een keer bren­gen en Zich over u erbarmen;

Hij zal u weer bijeen brengen uit al de volken, naar wier gebied de Here, uw God, u verstrooid heeft. Al ware uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Here, uw God, zal u vandaar bij­een brengen en vandaar halen; de Here, uw God, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen be­zeten hebben, gij zult het bezit­ten en Hij zal u weldoen en u tal­rijker maken dan uw vaderen” (Deut. 30:01-05).

In het boek Ezra is in hoofdstuk twee een gedetailleerde lijst opgenomen van de teruggekeerden. Vers 64 zegt: “De gehele gemeen­te tezamen was tweeënveertigdui­zend driehonderd zestig”.

Het is dus maar een kleine rest van het hele volk dat in balling­schap is en onder alle volken en landen van Babel verstrooid is. Het overgrote deel heeft het best naar de zin en zijn helemaal opge­gaan in het leven van Babel en zijn geworden als de volkeren temid­den waarvan ze wonen. Ze denk­en er niet aan om terug te ke­ren. Ze zijn nog net zo verhard als toen God hen in ballingschap liet wegvoeren.

De terugkeer gold geheel Israël

Hopelijk is het voor iedereen dui­delijk dat er geen onvervulde pro­fetieën meer zijn wat een terug­keer uit de ballingschap betreft. Sommigen denken dat er nog een terugkeer moet plaats vin­den van het tien stammenrijk. Zoals al eerder opgemerkt; er is geen enkele belofte over terug­keer door de Here gegeven.

Het teruggekeerde deel onder Kores werd van toen af echter als ge­heel Israël beschouwd. Het is heel belangrijk dit op te merken! In (Ezra 06:16-17) lezen we: “Toen vierden de Israëlieten, de pries­ters, de Levieten en de overigen die in ballingschap geweest waren, de inwijding van dit huis Gods met vreugde, en offerden ter inwijding van dit huis Gods hon­derd stieren, tweehonderd rammen en vierhonderd lammeren; verder twaalf geitenbokken tot een zondoffer voor geheel Israël, naar het getal der stammen Israëls”.

Er werd dus voor al de twaalf stammen Israëls geofferd. Let daar op! Soortgelijke woorden zijn te lezen in (Ezra 07:10; Ezra 07:28b en Ezra 08:35). Ook in de dagen van Jezus en de apostelen is het volk wat in het land woont representatief voor geheel Israël (zie bijv. Hand. 05:21).

Vóór de komst van Jezus werden dus alle profetieën wat betreft de terugkeer letterlijk aan het volk Israël vervuld. Wij hebben ge­zien dat slechts een deel is terug­gekeerd. De overigen mochten wel terug, de deuren zijn door God wijd opengezet, maar ze wil­den het niet!

En na de komst van Jezus Chris­tus kan geen enkele profetie nog letterlijk vervuld worden aan het nageslacht van Abraham naar het vlees. Er bestaan voor dit volk geen Bijbelse beloften meer voor het land of terugkeer naar het land.

Duidelijk staat in (Luc. 16:16): “De wet en de profeten gaan tot Johannes; sinds die tijd wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods”.

En Jezus zelf zegt tot de Joden:

“De tijd is vervuld en het Konink­rijk Gods is nabij gekomen. Be­keert u en gelooft het evangelie” (Mark. 01:15).

Als Jezus zegt dat de wet en de profeten gaan tot Johannes de Do­per, dan trekt God dus duidelijk een lijn in de bedeling maar ook in de tijd. Prachtig zien we dit uitge­beeld bij de verheerlijking op de berg. Daar is niet alleen Jezus die het Woord, het Licht en het Leven van de mens is, maar ook Mozes, die de wet vertegenwoordigt en Elia die de profeten vertegen­woordigt. En dan is de opdracht van de Vader over de Zoon der be­lofte, Jezus Christus: “Hoort naar Hem”.

“Hoort naar Hem”, want Hij is de vervulling van de wet en de profe­ten. Het is als bij de geboorte van een kind; Het is dwaasheid om te­rug te willen gaan naar de toestand van vóór de geboorte.

Er kunnen dan wel groei­stoornissen zijn, en die zijn er geweest de afgelopen twintig eeuwen, maar terug kan niet.

Zo heeft Jezus ook nooit één woord gesproken over een terug­keer naar het land. Ook niet als Hij spreekt over de laatste dingen waarvan we in deze tijd al veel in vervulling zien gaan. Ook niet als Hij spreekt van de vijgenboom in (Matt. 24:32) (vergelijk Luc. 21:29). De vijgenboom is symbolisch voor het oude volk met de wet, profeten, rituelen, tempeldienst, enz. En als Jezus ziet dat dit geen/enkele vrucht, zelfs geen voor- vrucht, opgebracht heeft (Jer. 08:13; Hoogl. 02:13) dan zegt Hij: “Nooit groeie aan u enige vrucht meer, in de eeuwigheid” (Matt. 24:19; Mark. 11:11-14).

Als iemand dus zegt: “Het terug­keren van de Joden naar het land Israël is het uitbotten van de vijgenboom”, dan is dat on-Bijbels en niet waar.

Ook de apostelen hebben met grote kracht vanuit de wet en de profeten Jezus Christus gepre­dikt en met geen woord gerept over de terugkeer naar het land Israël. Niet voor toen en niet voor de twintigste eeuw.

Voor u is de belofte

Op de grote Pinksterdag zijn er Joden uit alle volken onder de he­mel waarvan er vijftien met na­me genoemd worden (Hand. 02:05; Hand. 02:09-11). Als ze na de prediking van Petrus zeggen: “Wat moeten wij doen mannen broeders”? dan is het bekende antwoord van Petrus: “Bekeert u en een ieder van u la­te zich dopen op de naam van Je­zus Christus tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte… ” (Hand. 02:38).

Hier was de gelegenheid geweest om hen te wijzen op de terug­keer naar het land. Maar ze krij­gen dezelfde opdracht als de hei­denen om binnen te gaan in het Koninkrijk Gods. Voor hen was de belofte des Vaders, de heilige Geest, waardoor ze burgers wer­den van een rijk in de hemelen (Filip. 03:20; Ef. 02:19).

Aan hen werd vervuld wat Abra­ham, in het geloof, met al die Oud Testamentische gelovigen, in de verte heeft gezien: een he­mels Vaderland en een hemelse stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en de bouw­meester is.

Het ware nageslacht van Abraham, dus zij die geloven en van Christus zijn, zullen het beloofde hemel­se Kanaän beërven en er voor eeuwig wonen.

 

 

 

Bloeien en vrucht dragen door Froukje Huis

Vanuit mijn hoekje in de kamer heb ik uitzicht op de boompjes in onze tuin. De appelboom staat in volle bloei. Aan alle takken hangen roze bloempjes. Van de kou trekt hij zich niets aan. ‘t Is tijd om Ie bloeien, dus bloeit hij. De pruimeboom is z’n bloesem alweer kwijt. Toen we weggingen vorige week stond hij nog te pronken met zijn witte pracht, maar nu is hij alleen maar groen, net alsof er helemaal niets gebeurd is. Hij is flink gegroeid dit jaar en zijn bladeren zijn helder groen, zijn tak­ken steken fier de lucht in, maar dat doen tenslotte alle bomen.

Goed, hij heeft mooi gebloeid, maar dat geeft nog geen enkele garantie, dat hij veel vrucht zal dra­gen. Vorig jaar stond de appelboom prachtig te bloeien toen er een flinke nachtvorst kwam.

Resultaat: acht appels. Als het dit jaar goed gaat met het weer en de vrucht zich gezet heeft, moet je oppassen dat de vogels de boel niet kaal vreten. En wat denk je van de zomerstormen? Dan sta je samen onder de pruimeboom te tellen hoeveel pruimpjes er wel niet aan zullen komen en ‘s nachts begint het te waaien…! Hou maar op! Dan vindt je de helft ‘s ochtends onder de boom. Ja het valt niet mee volop vrucht te dragen bij zoveel tegenslag. En wat kan die er aan doen? Niets immers. Zo is hel soms ook in ons leven. Met enthousiasme hebben we kennis genomen van al die heerlijke dingen die de Heer ons heeft bereid. We hebben het Woord ingedronken, ons leven aan Jezus gege­ven, de doop in de heilige Geest ontvangen en we getuigen van al het goede dat God elke dag geeft. Iedereen moet het horen, want Jezus is gestorven voor de zonden van de hele wereld.

We staan volop in bloei! Sommige mensen schudden bedenkelijk hun hoofd. O, ‘t is prachtig dat ze zo geestdriftig zijn, maar als straks de moeilijkheden komen? De stormen des levens, de kaalvreter en de verslinders, wat dan? Of dacht je soms dat ze bij jou niet zouden komen? Vergeet het maar. Die kaal vreters komen met hun kritiek, hun beschuldigingen, met ziekte, onzekerheid, met angst en slapeloosheid. En één voor één vallen de bloesemblaadjes naar beneden en dan ben je weer een gewone boom zoals alle bomen.

Tenminste zo lijkt het! Want wat er ook gebeurt, de vrucht gaat zich zetten. Ja, maar als het nu gaat stormen? Wel, de bomen kunnen er niets tegen doen, maar wij wel!

Wat zegt Jezus? ‘Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen’.

In Hem blijven betekent: alleen geloven wat Jezus zegt. Alles wat daarmee in strijd is zijn leugens van de boze. Alleen doen wat Jezus in zijn Woord leert, alles wat daar buiten valt komt van de vijand. Leg hem het zwijgen op in Jezus’ naam. De Bijbel zegt: ‘Biedt weerstand aan de duivel en hij zal van u vlieden’. En wat de vrucht betreft belooft (Jes. 27:06) ons: ‘In de komende dagen zal Jakob wortel schieten, Israël bloeien en uitspruiten, zodat zij… de wereld met vruchten vervullen’. En God doet wat Hij belooft.

 

1995.04 nr. 369

Levend geloof 1995.04 nr. 369

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Een paar weken geleden waren we nog eens aan het bladeren in de eerste jaargang van ons blad. Dat was het jaar 1962. Wat ons opviel was dat de ‘ondertitel’ van ons blad dezelfde was als nu, namelijk ‘maandblad met de boodschap van het volle evangelie’. In de meer dan 30 jaren dat Levend Geloof nu verschijnt is dit nooit gewijzigd. Een hardnekkig vast­houden aan iets wat allang achterhaald is? Gelukkig niet en we schrijven dit met volle overtuiging. Want de basis, de uitgangsvisie van ons blad is in al die jaren hetzelfde gebleven: het volle evangelie, waaronder wij verstaan ‘het evangelie van het Koninkrijk der hemelen’, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen.

Natuurlijk heeft door de geestelijke groei, van redacteur en medewerkers, het blad in de loop der jaren veel meer diep­gang gekregen. En wat die geestelijke groei betreft: deze gaal nog steeds door, we zijn nog lang niet volgroeid. Dit zal uiteraard ook steeds weer zijn weerslag vinden in ons blad. In zekere zin vervullen wij een voorhoedefunctie en we zijn dankbaar dat vele van onze lezers en lezeressen dit weten te onderkennen en waarderen. Dat bemerken wij uit de talrijke positieve reacties die wij ontvangen en die ons verblijden en bemoedigen om door te gaan met de proclamatie van het werkelijke evangelie in al zijn facetten.

Vanzelfsprekend zit ook de tegenstander niet stil. Hij haat dit compromisloze evangelie dat de mens die er op ingaat wer­kelijk gelukkig maakt. En het is juist het meer en beter leren kennen van dit evangelie wat het ons mogelijk maakt hem verder te ontmaskeren en overwinnen. Als Levend Geloof- redactie gaan we daarom ook volhardend door op een begrij­pelijke wijze uitleg te geven van dit evangelie dat, zoals Jezus al zei, in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken.

 

Leven en overvloed G. J. R. Doornink

 

“De dief (satan) komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik (Jezus) ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh. 10:10).

Goede Vrijdag en Pasen roepen bij heel veel mensen vragen op. Niet alleen niet-christenen, maar ook vele christenen kampen met vragen over het lijden, sterven en de opstanding van Jezus. Ieder kind van God gelooft uiteraard in het volbrachte werk van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. Hoe daar de duivel werd over­wonnen en hoe Jezus begraven werd en na drie dagen opstond uit de dood. Kortom hoe de dood, zoals Paulus het later formuleerde, werd ‘verzwolgen’ in de overwinning van Jezus.

Maar, en dan komen de vragen: Waarom was er geen enkele getuige bij de opstanding van Jezus? Waarom heeft niemand gezien dat de steen van het graf werd afgewenteld? En als Jezus overwonnen heeft, waarom moeten wij dan nog sterven? En hoe moeten wij onze eigen opstanding voorstellen? Gaan de graven werke­lijk open op de ‘jongste dag’? En wat gaat er gebeuren met de mensen die niet begraven zijn? En -recent- hoe moeten we als christenen staan tegenover het (al of niet na ons sterven) afstaan van lichaamsdelen aan anderen?

Het is duidelijk dat de vorst der duis­ternis, de grote tegenstander van het echte, goddelijke leven, op alle mo­gelijke wijze bezig is deze en andere vragen op te roepen en ons daarmee bezig doet zijn. Hij probeert de aan­dacht af te leiden van datgene waar­om het werkelijk gaat: de proclamatie van het eeuwige, goddelijke leven voor ieder die gelooft.

Daar was Jezus, als de grote Verte­genwoordiger van Gods Koninkrijk, ook voortdurend mee bezig. Hij sprak weliswaar over zijn eigen dood en opstanding tegen Zijn discipelen, maar wat centraal in zijn prediking stond was: het leven! Hij liet continu de grote tegenstelling zien tussen ‘de dood’ en alles wat daarmee te maken had, en ‘het leven’ en alles wat daar­mee verband hield. Jezus opereerde niet in een soort grijs tussengebied, een niemandsland. Nee, het was bij Hem: zwart of wit, dood of leven, nederlaag of overwinning, leugen of waarheid, haat of liefde.

Alle vragen vonden bij Hem hun antwoord in datgene wat Hij in op­dracht van de Vader ten uitvoer bracht, en die wij op verschillende plaatsen in de evangeliën verwoord vinden, bijvoorbeeld in Johannes 3: “De Vader heeft de Zoon lief en heeft hem alles in handen gegeven. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon onge­hoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem” (Joh. 03:35-36).

Wie dus niet gelooft stelt zichzelf buiten het echte, goddelijke leven. Blijft dus in de duisternis, daar waar het operatieterrein van de duivel is. En daar wil God op geen enkele wijze gemeenschap mee hebben. “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”, schrijft Johannes (1 Joh. 01:05b). Het wezen van God is enkel licht. Dat betekent

De inhoudsopgave treft u aan op blz. 9 dat er bij God geen plaats voor welke vorm van duisternis of dood ook. De wil en het karakter van God zijn wat dat betreft onveranderlijk en onaantastbaar.

Het is Gods uitdrukkelijke wil dat ook Zijn kinderen daarvan deelgenoot zullen zijn. Dat is de boodschap van Goede Vrijdag en Pasen. De ‘toorn van God’ is dus niet iets wat God in petto heeft als een soort straf voor degenen die niet geloven. Maar bij ‘niet geloven’ benadeelt men zich­zelf, door in de duisternis te blijven -waar Gods toorn op rust- en door in het machtsgebied van de tegenstan­der te blijven leven. Maar Gods wil is dat beslist niet. Het is Zijn grote verlangen dat ieder mens terug zal keren in Zijn ge­meenschap, in harmonie zal komen met Hem, de Bron van alle leven! Uiteraard behoren wij dit waar te maken in ons leven, want “indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben en in de duisternis wandelen, dan liegen wij en doen de waarheid niet; maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde” (1 Joh. 01:06-07).

Wie zó leeft in het Rijk van het licht en het leven, want dat is het Konink­rijk Gods, maakt zich niet druk meer over allerlei onbenullige vragen, waar de duivel wil dat we onze tijd en energie mee gaan verknoeien. Hij wéét: het gaat om het nieuwe leven, het leven vanuit Gods Koninkrijk. Een leven dat zo rijk is dat het ons voorstellings- en bevattingsvermo­gen ver te boven gaat. Het is, zoals Jezus het uitdrukt, leven en over­vloed (Joh. 10:10).

Andere vertalingen geven dit duidelijker weer. Zo schrijft Het Boek over ‘leven in overvloed’. En in de herziene uitgave van de Willibrordvertaling van 1992 staat: ‘Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed’. De Engelse vertaling spreekt over ‘abundant life’: ‘overvloedig leven’.

U moet er eens op letten dat Jezus nooit een discussie aanging over het begrip ‘dood’. Bij Hem was ‘het le­ven’, zoals de Vader dat bedoelde en in Hem was, zo vanzelfsprekend dat Hij kon zeggen: “Ik ben de opstan­ding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven” (Joh. 11:25-26).

De opmerking ‘ook al is hij gestor­ven’ laat duidelijk zien dat God zichzelf niet hoefde te bewijzen, door bij de opstanding van Jezus, Hem instantelijk te tonen aan ooggetuigen die er bij stonden. Vanuit onze nog beperkte optiek willen we zo graag ‘bewijzen’ hebben. En hebben we die dan zijn er weer andere bewijzen nodig…

Het enige en werkelijke bewijs wat God ons aanreikt is ‘het geloof.

En (Heb. 11:01) zegt daarvan dat het de zekerheid is van de din­gen, die men hoopt, en het bewijs van de dingen, die men niet ziet.

Het gaat om het geloof, want ‘zonder geloof is het onmogelijk Hem wel­gevallig te zijn’ (Heb. 11:06).

Voor velen is geloof iets abstracts, iets subtiels, wat zij niet aanvaarden willen, althans wat de goddelijke dingen betreft. Zodra men echter het geloof ‘aanneemt’ (het is een gave van God), ontstaat er in ons hart de zekerheid: ‘Het is waar, ik hoef niet te twijfelen, ik geloof dat Gods Geest in mij Gods woord tot leven brengt en dat het nieuwe, eeuwige leven in mij is’.

Jezus vertoonde zich na Zijn opstan­ding verschillende malen in Zijn opstandingslichaam aan Zijn discipelen en anderen, maar wie hier goed over nadenkt, zou bij wijze van spreken kunnen zeggen: Dat was eigenlijk niet meer nodig.

God weet echter hoe geraffineerd en gemeen de duivel zijn twijfel en on­geloof rondstrooit. Daarom is altijd weer Gods grote liefde en trouw onveranderlijk aanwezig, om de mens de helpende en reddende hand toe te steken en toe te spre­ken: ‘Kom maar tevoorschijn uit die schijnwereld van vals licht en sluw spel. Kom in het volle licht van Mijn overwinning’.

Ook rondom Goede Vrijdag en Pasen van dit jaar klinkt diezelfde stem en diezelfde uitnodiging: ‘Kom tot Mij de Levensvorst. Laat je niet langer misleiden door de vorst der duister­nis. Ga Mijn Koninkrijk binnen en blijf in- van daaruit leven. En ga ontdekken dat Mijn licht en Mijn leven altijd sterker is dan welke vorm van duisternis ook!’

 

Navolgers van God Cees Maliepaard

De hemelen -10-

“Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een wel­riekende reuk” (Ef. 05:01-02).

Paulus roept ons op om navolgers Gods te wezen. Kun je dat dan zijn? We zeggen immers meestal dat we wel Jezus na kunnen vol­gen, omdat Hij een mens is (eigenlijk de mens is, de mens die God zich van den beginne ge­dacht heeft), maar om God na te kunnen volgen zouden we óók góden moeten zijn. En toch… we zijn naar Gods beeld geschapen (Gen. 01:26-27) en daarom kun­nen we -evenals Jezus- in de gestalte Gods zijn (Filip. 02:6).

Geliefde kinderen

God houdt van zijn mensen, van zijn kinderen – van ons dus! Dat kun je in sommige christelijke kringen te pas en te onpas voor­geschoteld krijgen. Maar hoewel het ontegenzeggelijk een feit is dat God van alle mensen houdt (Joh. 03:16), kan zijn volmaakte liefde slechts déér echt floreren, waar die te maken krijgt met wederliefde. Wanneer dat het geval is, gaan mensen zich ook richten op het plan van God voor hun leven, een plan dat hen vol­ledig rehabiliteert en Gode verheerlijkt.

Dat wat God voor de mens in petto heeft (wat Hij vóór de schepping reeds als blauwdruk in gedachten had), mogen we vrij­moedig in ons leven handen en voeten geven. En dat doen we door Hem na te volgen, dat wil zeggen zijn grandioze gedachten uit te voeren door een levenswan­del in de liefde te hebben. Zoals het woord ‘wandelen’ het uit­drukt, kan dat nooit beperkt zijn tot een zalig, doch doorgaans inactief gevoelsleven.

Zowel de basis van de oude wet als het meest kenmerkende van de geestelijke wet is: “Heb God lief boven alles en uw naaste als uzelf’.

Maar liefde moet blijken. Het is méér dan een bepaald gevoel van binnen hebben. Liefde is vooral gericht op het belang van de an­der, boven alles op het belang van de Vader, op de volvoering van zijn plan met de mens. Daarom staat er ook dat niemand God kan liefhebben zonder dat zijn broe­der of zuster te doen (1 Joh. 04:20).

God liefhebben is niet toegeven aan een soort religieus sentiment, maar het is je bewust richten op het welbehagen Gods.

En zijn welbehagen heeft Hij nu eenmaal in de mens gesteld. Dat zongen de engelen al in de kerstnacht!

Gods liefde is zonder voorwaar­den op de mens gericht – Hij stelt geen eisen vooraf. Maar pas als mensen in de liefde Gods wande­len, zal Vaders oog met wélbehagen op hen gericht zijn. Dan herkent Hij ons als zijn geliefde kinderen.

Als Jezus zijn

Er is een lied waarin gezongen wordt: “Ik zal zijn als Jezus, ja precies als Hij…” Bij zulke woorden denken velen onwille­keurig: Ja, ééns zal ik dat wezen, net als Jezus; maar dat zal pas zijn als ik in de hemel kom. Eigenlijk is dat ook zo. Alleen maken nogal wat kinderen Gods de denkfout dat de toegang tot de hemel van Gods heerlijkheid pas na het sterven ontsloten zal worden.

Jezus Christus heeft ons, via zijn kruisdood en opstanding, de weg naar het Vaderhuis geopend. Dat is geen verre toekomstmuziek, maar de heerlijke realiteit van alledag. En op die weg zullen we wandelen – een weg die door de hemelen voert.

Of dacht uw werkelijk dat dat automatisch tot stand zal komen, dat dat vanzelf aan een mens gebeurt? Zo ging het ook bij de Zoon des mensen niet. Jezus Christus was werkelijk niet ge­programmeerd met Gods gedach­ten, zodat Hij niet anders dan goed kon zijn, en Hij daardoor in elke situatie wel de juiste beslissin­gen nemen moest. Jezus heeft er integendeel alles aan gedaan om zich Gods gedachten eigen te maken, zodat Hij zijn discipelen grondige informatie en doeltref­fend onderricht verstrekken kon (Luc. 24:27). Zonder kennis van Gods wil en Gods plan met zijn schepping, is het ook voor de tegenwoordige mens onmogelijk een zoon Gods te worden.

Er zijn van die mensen die de mond altijd vol hebben over het zoonschap, zonder dat ze de weg er naar toe bewandelen willen. Los van Gods gedachten uit het geschreven woord en los van de stille omgang met de Vader, zal het niet mogelijk zijn om het zoonschap in je leven te realise­ren. Wie werkelijk een zoon Gods wil wezen, dient te beantwoorden aan het spreekwoordelijk gezeg­de: “Zo vader, zo zoon!”

Jezus Christus heeft ons in de Geest van de Vader gedoopt. Daardoor mogen we van Gods­wege vervuld zijn met de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem -de Vader- recht te kennen (Ef. 01:17).

Sinds het pinksterfeest, waarmee Jezus ons de toegang tot het Va­derhuis ontsloten heeft, is onze wandel in de hemel en daardoor kunnen we net als Jezus zijn. Waar we deel hebben gekregen aan de Geest van God, dat is de Geest van wijsheid en van openbaring (die in de Schrift ook wel de Geest van Christus genoemd wordt – (Rom. 02:08), kan onze wandel ook in de hemel zijn.

Het ontvangen van de heilige Geest is noodzakelijk om een zoon van God te worden, maar het is niet voldoende. Jezus is de geboren Christus, dat wil zeggen de mens die geboren werd om de Christus te worden, door God met dat doel voor ogen verwekt. Maar Jezus vulde dit ook daadwerkelijk in zijn leven in: Hij wandelde in de liefde Gods en openbaarde zich al verder gaande als de Christus.

Zo zullen ook wij de doop in de Geest onderkennen als de onont­beerlijke eerste stap in de hemel van Gods heerlijkheid. Echter niet meer dan een éérste stap, hetgeen logischerwijs inhoudt dat daar een vervolg op dient te komen, een voortzetting in de zin van een gaan wandelen in de Geest van God. En daar God liefde is, en dus ook de Geest van God dat is, kan dat terecht als ‘wandelen in de liefde’ aangeduid worden. Waar we daar mee bezig zijn, zal onze instelling als die van Jezus wezen.

Gode tot een welriekende reuk

Hoe zullen we voor onze God tot een welriekende geur kunnen zijn? Dat kan maar op één ma­nier: door de werken van Jezus te doen, vanuit dezelfde gezindheid als Hij. Jezus wandelde in de lief­de. Altijd. Betekent dat, dat Hij steeds maar weer teder lachend en minzaam wuivend door het leven ging? Nee, Jezus had échte liefde voor de mens. Dat merk je aan zijn fijngevoeligheid, aan hoe Hij anderen aan wist te voelen. Dat merk je bovenal aan het feit dat Hij zijn leven voor ons heeft in gezet. Dat deed Hij zijn hele be­diening door en dat vond zijn climax op Golgotha.

Dat behaagde de Vader. Niet het lijden van zijn Zoon op zich, maar diens inzet en trouw onder alle omstandigheden.

Zó zijn ook wij Gode tot een welriekende geur. Niet vanwege het lijden dat ons mogelijk over­komt, maar wegens onze inzet en trouw onder alles. Daarin herkent Hij zichzelf. De Vader is altijd bezig en daarom doet Jezus dat ook (Joh. 05:17). Als wij net als Zij bezig zijn, vanuit dezelfde gedachten, geeft dat een harmo­nische verstandhouding tussen de Vader, Jezus en ons. Dat is het welbehagen Gods. Alleen zó zijn we Gode tot een welriekende reuk. Zo ook beantwoorden we aan Vaders verwachtingen om­trent ons bezig-zijn in de hemel, en van daaruit voortvloeiende ons levenspatroon op aarde.

Wandelen in de liefde is een universele bezigheid, want de liefde behoort tot het wezen van de Vader. Goddelijke liefde is hemelse liefde, maar daarvan mogen hemel en aard doortrok­ken zijn. Dat is ook logisch: Gods plan omvat immers hemel en aar­de? Met als centraal punt daarin de mens, de mens naar Gods beeld. En dat mogen u en jij en ik zijn! Daar kan geen wierook te­genop. De mens die zich ontwik­kelt naar Gods eeuwige plan, verspreidt in het Koninkrijk van God een in alle opzichten welaangename geur. Een geur die past bij het wezen van Christus.

 

 

 

Het offer voor de hemelse dingen door Hessel Hoefnagel

 

Goddelijke bestemming

Het eeuwige doel van onze God is dat Hij het gehele universum zal vervullen met Zijn heerlijkheid. God Zelf is Geest en Hij behoeft een lichaam, om aan Zijn wezen en bedoeling uitdrukking te geven. Daartoe formeert Hij centraal in Zijn schepping vanaf ‘den beginne’ een mensheid, waardoor en waarin Hij Zichzelf ten volle kan en zal open­baren.

Hij schiep met dit doel voor ogen allereerst de natuurlijke mens Adam. Uit een component van deze mens formeerde Hij daarna voor hem ‘een hulp als tegenover hem’ en noemde deze vrouw Mannin (Gen. 02:18, Statenvert.). Daarna voegde Hij beiden als man en vrouw aaneen tot een samenhangend geheel, hetgeen nog steeds de enig juiste basis is voor een gezond huwelijk.

Uit dit ‘eerste’ echtpaar is naar de bedoeling van de Schepper een ontelbaar nageslacht bezig voort te komen. Deze éérste mensheid zal doorgaan tot een alleen bij God bekende voltalligheid is bereikt.

Als verdere uitwerking van Zijn doel stelde de Schepper in de natuurlijk georiënteerde mensheid (‘levende ziel’) vanaf Adam zowel vóór als na de zondvloed een lijn van aartsvaders als grondleggers van een door God verkoren volk temidden van een menigte van volken (vgl. Gen. 17:05). In een ‘volheid van tijd’ deed Hij dat natuurlijke volk Israël tevoorschijn komen. Het werd als vervulling van de profetie, welke de Here God als een verbondsbelofte aan Abraham doorgaf, in slavernij gevormd temid­den van vijandige elementen, welke deze vorming tegenwerkten en trachtten te verhinderen.

Dit volk zou wederom in een ‘volheid van tijd’ verlost worden uit de slavernij en terug keren naar het aan Abraham beloofde grondgebied (Gen. 15:13-16).

In dit volk zou het plan van God met betrekking tot de mens(heid) zeer nauwkeurig worden vóór afgebeeld. Dit gebeurde met name in de door de grootste profeet van het Oude Verbond Mozes ingestelde offerdienst.

God schiep de mens naar diens (eigen) beeld en heerlijkheid, dus als zelfstandige persoonlijkheid, maar ook naar Gods beeld, dus als uitdruk­king van het wezen van God. Zoals Adam als Diens beeld en heerlijkheid uit God is voortgekomen, zo deed de Schepper de vrouw als ‘heerlijkheid’ uit de man voortkomen. Ook schiep God de mens als man en vrouw om daarmee uitdrukking te geven aan Zijn eigen verlangen naar een eeu­wige ‘levenspartner’, waartoe Hij de mens formeerde.

Aan de man en de vrouw als éérste mens gaf de Schepper (met name aan de vrouw!) de belofte, dat ze zaad zouden voortbrengen en dat dit zaad de kop van de slang zou ver­morzelen. Dit zaad betreft dan een geheel niéuwe mensheid en de Eersteling hiervan kennen we als onze Heer Jezus Christus. Déze mensheid zal als het reeds aan het eerste mensenpaar beloofde ‘zaad van de vrouw’ in een nieuwe ‘volheid van de tijd’ de heerlijkheid Gods openbaren.

Déze mensheid bedoelde onze God al aan het begin, toen Hij sprak:

‘Laat ons mensen maken naar ons beeld en als onze gelijkenis’ (Gen. 01:26-27; Gen. 03:15; 1 Kor. 11:07-08; 1 Kor. 15:45; Gal. 04:04).

Zoals de eerste mensheid gevormd wordt door natuurlijke geboorte uit vlees en bloed, zo wordt de nieuwe mensheid gevormd door wédergeboorte ofwel uit ‘water en geest’, waarbij water duidt op het Woord Gods, dat door de menselijke geest wordt opgenomen en deze tot leven wekt.

Het aardse volk Israël speelt in het voortbrengen van de mens naar Gods beeld en gelijkenis een cen­trale rol binnen de éérste mensheid. Dit volk wordt in deze context daarom zelf ook wel in de profetieën van het Oude Testament aangeduid als een door God uitverkoren ‘vrouw’. Tegelijk ook is dit volk door God uitverkoren om in schaduw­beelden uitdrukking te geven aan het voornemen van God tot het brengen van het hieronder genoemde ‘hemelse offer’.

Terwille van de eerste (aardse) mensheid schiep God alle dingen, die voor de ontwikkeling van deze natuurlijke mens nodig zijn. Zo ook maakt Hij terwille van de nieuwe (hemelse) mensheid alle dingen nieuw, dat wil zeggen aansluitend bij de hémelse waarden van deze mens (Openb. 21:05).

Een welgevallig offer

Bij de éérste (godsdienstige) mens­heid speelt vanaf de zo genoemde ‘zondeval’ het zichtbare en tastbare offer een belangrijke rol. Iets wat zichtbaar is, is echter in het licht van de openbaring van het plan van God nooit meer dan een schaduwbeeld ? Het (brand)offer was (is) niet inert dan een ‘belichaming’ van de zonde, dat wil zeggen: de stagnatie in de ontwikkeling van de mens, waardoor deze niet tot haar doel kan komen. Het lichaam van dit offer werd aan de destructie en de verbranding overgegeven, terwijl de ziel daarvan door middel van het bloed werd uitgegoten of diende tot besprenging van de dingen, die geheiligd moesten worden.

Het offeren, dat de mens onder de oude bedeling deed in opdracht van God, was dan ook niet meer dan een heenwijzing naar het offer, dat God ooit zélf zou brengen. Dit ware offer van de eeuwige God zou centraal staan in de redding en het herstel van de onder de claim van de Dood gelegen (eerste) mens. Het zou in de doorgaande openbaring van Gods gedachten bestaan uit het lichaam van Zijn eigen en enige Zoon die Hij liefhad. Het begrip ‘zoon’ is de aanduiding voor het mens-zijn.

Er heerst in de doorsnee kerkelijke wereld min of meer als vanzelfspre­kendheid de gedachte dat het in de oude bedeling veel gebrachte (brand)offer vanuit een daartoe geldende eis van God als gevolg van de zondeval, aan Hém moest worden gebracht. Dit zou dan zijn als een genoegdoening voor persoonlijk begane en algemene zonden.

Het zichtbare offeren in de oude bedeling was inderdaad een daad van

gehóórzaamheid aan de instructies van God. Deze beoogde met de instelling van een uiterlijke offerdienst echter niet meer dan dat de mens bij herhaling bepaald zou worden bij het ware offer, dat God Zélf op Zijn tijd zou brengen. Het in vele variaties gebrachte (dieren)offer was dan ook niet meer dan een schaduwbeeld van dat ware offer. Het bloed van ‘stieren en bokken’ zou nooit de zonde der wereld kunnen wegnemen, zoals het ware offer van God dat wél zou doen (Heb. 09:13; Heb. 10:04).

De reiniging van het zichtbare offer ging namelijk nooit verder dan het vléés, dat gezondigd had. Het begrip ‘vlees’ is van toepassing op de éérste mens, welke als ‘levende ziel’ in de weg tot heiligmaking de herhaal­delijke reiniging nodig heeft van­wege de voortdurende bezoedelin­gen van het vlees (vgl. 2 Kor. 07:01).

Ook wij moeten niet menen, dat godsdienstige bezigheden een door God opgelegde zaak zijn, waarmee aan een zekere verplichting moet worden voldaan om Hem te beha­gen. Alles wat uiterlijk is, is nooit méér nuttig en nodig dan tot het ondersteunen van een vrijwillige gedachtebepaling bij datgene, wat onze God bezig is te bewerken. Datgene wat we uiterlijk doen, moet dan ook een uiting zijn van blijmoe­dige vreugde vanwege het geloof in de doelstelling van God. Deze is namelijk altijd gericht op de redding en verheerlijking van de mens. Door onze blijmoedige offeranden wordt onze hoop versterkt en ons geloof opgebouwd. We zijn dan in staat om wonderen van onze God te verwach­ten, ook als de omstandigheden tegen zijn.

Voor ons geldt daarom de aanmoe­diging om te allen tijde blijmoedig ons geloof te beleven. Daarbij moe­ten we goed zicht houden op de werkelijkheid en onze daden en levenshouding daarop afstemmen.

Een voorbeeld van het juist en onjuist brengen van offers vinden we al direct vóór in de bijbel in het gegeven van Kaïn en Abel. Uit de geschiedenis van deze twee broers leren we, dat we in ons godsdienstig patroon en in onze daadstelling niet moeten zijn als Kaïn, welke offerde uit vermeende verplichting jegens God. In plaats van met opgeheven hoofd en met een blijmoedige instelling zijn offer te brengen, was hij echter jaloers en afgunstig op zijn medemens. Het resultaat kennen we (Genesis 4).

Aan wie offerde God?

In Heb. 09:14 wordt in onze NBG- vertaling de conclusie getrokken, dat de Heer Jezus zichzelf als een ‘smetteloos offer’ aan Gód gebracht heeft. Kennelijk komt deze vertaling voort vanuit de genoemde vanzelf­sprekendheid bij de massa dat er aan Gód geofferd moest worden om verzoening tussen Hem en ons te bewerken door Hem als het ware ’tevreden te stellen’. Hetzelfde ziet men immers bij de heidenen, die vanuit vrees aan hun góden offeren. De Griekse grondtekst van (Heb. 09:14) is echter zeer verschillend te interpreteren. De meest toepas­selijke vertaling is dat God Zélf de grote Offeraar is en dat de Heer Jezus zich vrijwillig als Offerlam beschikbaar heeft gesteld voor Zijn Vader, zodat Deze vanuit Zijn liefde tot de mens Zijn offer kon brengen.

De Statenvertaling en de Lutherse vertaling stellen het weliswaar wat duidelijker dan de NBG-vertaling, maar toch hebben ook de orthodoxe vertalers blijkbaar niet iets durven neerschrijven, wat tegen de alge­meen aanvaarde kerkelijke inter­pretatie inging. In de Statenvertaling klinkt de genoemde tekst daarom als volgt: ‘…. die door de eeuwige Geest (waarmee Hij namelijk vervuld was) zichzelf Góde onstraffelijk opgeof­ferd heeft’.

Dit kan echter zowel aan als ten behoeve van God betekenen. Het is echter een onbegrijpelijke gedachte/ dat de Heer Jezus als Offerlam tegelijk ook de Offeraar is. Dit is geheel onmogelijk en druist in tegen elke gezonde gedachtegang!

De Leidse en de Canisiusvertaling laten een betere weergave van de grondtekst zien. Daaruit is namelijk duidelijk op te maken dat de Heer Jezus zich geheel voor God beschik­baar heeft gesteld.

Leidse: … zichzelf aan God opgedragen…

Canisius:… zich als smetteloos offer aan God opdroeg…

Ook de gedecodeerde en geanalyseerde ‘Grondtekst van het Nieuwe Testament’ gaat in deze richting. De laatstgenoemde, en zeker de ware gedachtegang, bewerkt een diep respect voor de grote mensen­liefde van onze God, welke voor ons Zijn énige Zoon (de énige mens, die aan Zijn oorspronkelijke bedoeling beantwoordde!) opofferde. Ook bewerkt deze gedachtegang een diep respect en grote liefde voor onze Heiland Jezus Christus, welke zich geheel beschikbaar stelde voor het doel van Zijn Vader.

Deze leverde het leven van Zijn Zoon over aan de Dóód, de sterkste macht uit het rijk der duisternis. Het verstaan van deze diepe wer­kelijkheid (het onzichtbare en eeuwige!) ten opzichte van de schaduw (het zichtbare en tijdelijke!) is een zeer belangrijke zaak, ten­einde het plan van onze God te begrijpen.

Bij de overlevering van onze Heer Jezus door onze God aan de Dood was er dus sprake van een zich vrijwillig ter beschikking stellen als offer, dat gebracht kon worden door de rechtvaardige God vanuit Zijn eeuwige liefde voor de hele mens­heid.

Dit offer zou een volkomen gaaf en schuldeloos ‘Lam Gods’ moeten zijn, want naar de bedoeling van de Of­feraar zou dit offer de zonde der wereld wegnemen. Deze daadstelling ten opzichte van de mens, die vanwege de zonde in de macht van de Dood gekomen was, liet God nauwkeurig in schaduwbeeld weergeven, alvorens Zelf haar in werkelijkheid te volbrengen.

Voor het in de ‘volheid van de tijd’ brengen van dit offer stelde onze God eenmaal de grenzen der volken vast. In het midden van deze volken formeerde Hij daarna het volk Israël om Zijn plan in schaduwbeelden uitdrukking te geven (Deut. 32:08-09).

Zowel indertijd de profeet Abraham als zijn zoon Izak gaven blijk van een zeer groot geloof in het plan van God. De grote profeet zag in de wereld der geesten, dat er door of vanwege God een offer gebracht moest worden. Hij was vanuit zijn geloof in God bereid zijn enige ‘zoon van de belofte’ daarvoor beschikbaar te stellen en zelfs eigenhandig te offeren. Hij kon echter in zijn over­denking niet anders concluderen dan dat, gegeven de belofte aangaan­de zijn kind, deze uit de dood zou terug komen (Heb. 11:17-19). Vanuit zijn geloof in God zei de profeet Abraham tegen zijn geliefde zoon: ‘God zal zichzelf een lam ten brandoffer voorzien’, hoewel hij nog niet wist hoe God dit zou bewerken. Ook Izak toonde als ‘slachtoffer’ een enorme bereidwilligheid en vluchtte niet weg voor het doel van zijn vader, maar stelde zich integendeel geheel beschikbaar daarvoor.

Wij behoren intussen duidelijk te verstaan, wat de strekking van deze Bijbelse weergave is, daar wij kun­nen weten, met welke intentie en op welke wijze de Heer Jezus onze zonden droeg.

De Vader in de hemel heeft nooit de bedoeling en de wil gehad om Zijn geliefde dienaar tot een moordenaar van Zijn kind te laten worden. Onze God zal vanuit Zijn respect voor het leven, wat uit Hemzelf is voortge­komen en vanuit Zijn liefde tot alle mensen nooit toelaten, dat een mens aan Hem wordt geofferd. Ooit heeft Hij, als een schaduwbeeld met betrekking tot een diepere werkelijkheid, mogelijk een dier gedood om Adam en Eva aan kleding te helpen (Gen. 03:21).

Het doden van een medemens is daarom ook nooit een (door God opgelegde) taak voor de mens en dit heeft hij in Zijn wetgeving dan ook ten strengste aan Zijn volk verbo­den.

Ontkomen aan het verderf

De Dood als koning van het doden­rijk is vanuit Bijbelse interpretatie te kenmerken als de sterkste macht in het rijk der duisternis. Dit rijk heeft zich ooit als deel van de engelenwe­reld tegen het plan van God gekeerd (Jes. 14:09-14; Ez. 28:12-18).

De Dood als macht van het verderf is er zelfs nog als de duivel al in de zo genoemde ‘poel des vuurs’ is gewor­pen. Deze eeuwige verwerping van alles, wat vijandig gesteld is tegen het plan van God, vindt plaats als gevolg van het zo genoemde ‘laatste oordeel’, waarin de Dood en zijn occulte rijk geoordeeld worden (Openbaring 20).

De Dood wordt op meerdere plaatsen in de Bijbel aangeduid als de ‘engel des verderfs’ (Ex. 12:23; 1 Kor. 10:10; Heb. 11:28). Deze sterke macht is te zien als de tegenhanger van de eeuwige Geest van onze God en Jezus Christus. De duivel is als ‘overste van de macht der lucht’ een vazal van de Dood te noemen. Hij spant als rondgaande ‘vogelvanger’ zijn strik en brengt de mens onder de claim van de Dood. Daardoor wordt deze onbruikbaar voor God (Ps. 091:003).

Onze God daarentegen heeft onze ziel doen ontkomen aan het verderf door een voor engelen (duivelen) onbegrijpelijke weg ter ontkoming te creëren. Onze Heer Jezus heeft hierin een sleutelrol. Hij heeft de strik van de duivel verbroken, zodat wij in vrijheid konden komen, door ons in geloof aan onze God over te geven (Ps. 124:006-008).

Beproeving en verzoeking

Zowel bij Adam in de hof van Eden (de Here God plaatste… Gen. 02:08, Gen. 02:16-17), Abraham op de berg Mora (de Here God zeide tot Abraham… Gen. 22:02), de Heer Jezus in de ‘woestijn’ (… door de Geest geleid… Matt. 04:01) en de Geest vervulde gelovigen in de hemelse gewesten (… God heeft ons mede een plaats gegeven… Ef. 02:06), is er sprake van een zekere ‘proefstelling’ vanwege God.

De bedoeling hierbij is dan echter altijd dat de gedachten van onze God worden weergegeven en dat ze gestalte krijgen temidden van een misleid en verdraaid mensenge­slacht. In deze ‘proefstelling’ wordt duidelijk dat het ‘dwaze’ en het ‘zwakke’ van God in de mens ster­ker is dan de ogenschijnlijk niet tegenstaanbare ‘krachten’ van de (ongelovige) wereld, die in het boze ligt en dus door de duivel geïnspi­reerd wordt (vgl. 1 Kor. 01:25-31). Zowel van Abraham als van onze Heer is weergegeven, dat zij van­wege hun standvastige houding in de beproeving uitermate beloond zijn met gezag en eer.

We mogen deze doelbewuste ‘beproeving’ van Godswege echter nooit verwarren met het begrip ‘verzoeking’. Onze God verzoekt niemand en Hij kan Zelf ook niet verzocht worden door enige kwade bedoeling, dus tegengesteld aan Zijn gedachten. Verzoeking komt voort uit vérlokking (wegzuiging en desoriëntatie) van de bij de mens horende eigen begeerte. Deze is ‘van nature’ op God afgestemd, omdat de geest van de mens vanuit God is en ook door Hem begeerd wordt (Gen. 02:07; Jak. 01:13-15; Jak. 04:05). Het doel van de verzoeker (de duivel) is echter gericht op het blokkeren van de mens in diens verheven bestemming, die immers ver boven de status van de engelen ligt (vgl. Heb. 01:13-14).

De duivel werd evenals alle engelen vanaf ‘den beginne’ steeds geconfronteerd met deze goddelijke bestemming van de mens. De engelen waren ertoe geschapen om ‘gedienstige geesten’ te zijn terwille van de ontwikkeling van deze mens (Heb. 01:13).

De confrontatie met deze oorspron­kelijke, door God in het kader van de schepping van alle dingen geopen­baarde bestemming van de mens werd de engelenvorst Lucifer (lichtdrager) noodlottig. Deze hooggeplaatste aartsengel werd ongetwijfeld daardoor ontrouw aan God (Jesaja 14; ‘koning van Babel’; Ezechiel 28; ‘vorst van Tyrus’). Hij werd tot satan (tegenstander) en tot een ‘moordenaar en een leugenaar uit beginsel’, dus vanuit innerlijke motivatie en ook tot een ‘vader (verwekker) van de leugen’ (Joh. 08:44).

Satan was er bij toen de Here God ondanks de zondeval van de mens deze bemoedigde met de belofte van ‘het zaad’. Hij weet vanwege de profetische uitspraak van de Schepper, dat dit ‘zaad’ zijn kop zal ver morzelen (Gen. 03:15). Hij heeft er sindsdien alle belang bij dat het ‘zaad’, waaraan de belofte van God verbonden is, wordt uitgeroeid. Daarom tracht hij vanaf Adam ieder mens, welke op zoek is naar waarheid en gerechtigheid, van dit doel al te houden en te misleiden. Hij maakt daarbij volop gebruik van zijn (overigens beperkte) mogelijkheid om de uitkomst van de belofte aan gaande het ‘zaad van de mens’ tegen te houden (‘hiel vermorzelen’). Satan weet ook heel goed hoe bij voortduring de Here God een Verbond heeft gesloten met de mens, teneinde deze te redden van verderf en ondergang. Hij weet ook van de belofte aangaande het veel­vuldige zaad, dat uit de eerste mens zou voortkomen. Bedenk eens wat een schrik en angst het begrip ‘zaad’ bij de duivel bewerkt sinds Genesis 3 vers 15 (Gen. 03:15).

De zondvloed van water

In de geschiedenis van de zondvloed is de ‘ark van Noach’ het schaduw­beeld van de ware gemeente van Jezus Christus. Dit ‘lichaam van Christus’ is temidden van het onge­loof en de verwording van de mas­samens bezig vanuit het ‘verborge­ne’ tot haar voltooiing en openba­ring te komen, echter zonder dat de (godsdienstige) massa het opmerkt.

Terwijl Noach en de zijnen in de al jaren voorbereide ark gingen, kwam de zondvloed en nam alle andere (wellicht miljarden) mensen weg, tezamen met de overige bezielde schepping. De massamens was zo gedegenereerd door de invloed van de Dood en de duivel, dat zij volko­men blind was voor de oorspronkelijke goddelijke bestemming van de mens als geestelijk wezen en beelddrager van God (Gen. 06:05-07). Wat de dieren en vogels betreft, zorgde de Schepper voor het behoud van de soorten, welke zich in de situatie na de zondvloed zouden kunnen handhaven. Van elke soort gingen mannetjes en wijfjes mee in de bewarende ark. Lezenswaardig in dit opzicht is naast de Bijbel ook het daarop betrouw­baar georiënteerde boek van Rhewinkel: ‘De Zondvloed’.

De zondvloed van vuur

Satan misleidt vanuit zijn frustratie, jaloezie, verwerping en angst de mensheid, waar hij maar kan. In letterlijke zin kwam deze mensheid als gevolg daarvan indertijd om in een wereldwijde zondvloed van water. In het ingrijpende gebeuren van deze wereldomvattende zond­vloed kwam het werk van de ver­derfengelen bijzonder tot uiting in de uitroeiing van al wat leeft.

Noach, de prediker der gerechtig­heid, ging echter met de zijnen in de ark en werd behouden om de ‘nieu­we’ aarde weer te bebouwen.

In geestelijke zin is in onze tijd de massamens opnieuw bezig om te komen, maar nu in een ‘zondvloed van vuur’. Op gelijke wijze als Noach zal zich in de dagen van het einde temidden van de ‘etende en drin­kende’ massa, welke onder de claim van de Dood ligt, de Heer zich met kracht in Zijn ‘lichaam’ openbaren.

Terwijl de massa door de verderf­engelen wordt meegezogen in de ontbindende claim van het doden­rijk, komen als een verborgen ‘levenskiem’ binnen deze misleide en verdorven mensheid de ‘zonen Gods’ tot openbaring. Zij komen dwars door de ‘vuurgloed der be­proeving’ heen tot de heerlijkheid van hun Heer. Zo komt wederom en dan in veelvoud, het ‘zaad van de vrouw’ tevoorschijn (Genesis 6; Matt. 24:37-39; Romeinen 8; 2 Petr. 02:04-05).

De duivel concentreert zich onop­houdelijk op dit ‘zaad’ om het waar hij zou kunnen, het te verderven. Hij is voortdurend bezig na te gaan aan wie de beloften van het Verbond van God verbonden zijn.

Hij trachtte de genoemde ‘Eerste­ling’ van dit zaad reeds te strikken, want hij herkende deze als de ware zoon van Adam, van Abraham, van David en van andere kernfiguren binnen het geheel van de eerste mensheid.

Hij was het ook, die de goddeloze koning Herodus aanporde om alle kinderen in Bethlehem te doden. Hij projecteerde in deze goddeloze koning zijn eigen angst voor de openbaring van dit aan de eerste mens beloofde ‘zaad’, dat naar de uitspraak van God zijn kop zou vermorzelen (Gen. 03:15; Matt. 02:16-18).

In de situatie van de hof van Eden, van het offer van Abraham en in vele soortgelijke gebeurtenissen lag en ligt de duivel op de loer om te verzoeken. Dit zal hij temeer trach­ten te doen daar waar de mens in oprechtheid voor God leeft.

Zonder het zelf te willen en te be­seffen, heeft de duivel nota bene meegewerkt aan de totstandkoming van het evangelie van Jezus Christus, door de mensen te bewe­gen, de Heer der heerlijkheid te doden. In zijn verblinding, haat en leugen bewerkte hij zijn eigen ondergang. Hij heeft op het kruis van Golgotha reeds de eerste klap gekregen. Zijn ‘kop’ werd daar vermorzeld. Door het zich ten tijde van de genoemde ‘komst des Heren’ openbarende ‘lichaam van Christus’ krijgt hij ook de volgende klappen, totdat ook zijn zich nog roerende ‘staart’ geheel zal zijn uitgerangeerd.

Het evangelie der behoudenis

Alleen door het persoonlijk aan­vaarden van het evangelie van Jezus Christus kan de mens behouden worden van de ondergang, die de duivel bewerkt. Dit evangelie is de weerslag van het werk van de Vader en Zijn Zoon, onze Heer, welke in hun grote liefde deze weg ter ontkoming hebben bewerkt.

Wij hoeven de duivel als verzoeker niet te vrezen, maar moeten ons wel concreet in onze dienst aan God laten leiden door Zijn Geest. Om deze reden is het zo nodig dat gelo­vige mensen vervuld worden en ook blijven met de Geest van onze God, zodat wij een helder beeld hebben van het plan van God en de door­gaande ontwikkelingen daarin.

Zo zal de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarvan de apostelen voortdurend getuigen, gestalte krijgen als uiteindelijk resultaat van de offerande van onze God. De he­melse dingen zijn dan voor eeuwig geheiligd in dit eeuwige en enige offer en zullen gestalte krijgen naar het oorspronkelijke voornemen van onze God. Hij roept ons nu al om Zijn medewerkers daarin te zijn en als Zijn ‘vrouw’ de vrucht van Zijn Geest te openbaren.

 

Geloof, hoop en liefde (gedicht) Piet Snaphaan

Geloof en hoop door ware liefde
die van God zelf is uitgegaan
naar ons, waardoor wij door genade
Hem door Zijn Geest leren verstaan.

 

Blijf geloven in Gods liefde
die in ons hart is uitgestort,
waardoor de rijkdom van Zijn gave
in ieder van ons zichtbaar wordt.

 

Het meest van alles is de liefde,
zij is het hoogste wat bestaat,
door haar heeft God zichzelf gegeven,
vandaar zij nimmer meer vergaat.

 

Hoe gaan wij om met onze verantwoordelijkheid? Margreet Gast

Een kenmerk van volwassen zijn is: verantwoordelijkheid dragen. Sommige mensen ervaren hun verantwoordelijkheid als iets wat zwaar op hen drukt, terwijl ande­ren schijnbaar zorgeloos, zich van geen last bewust, door het leven gaan.

In de Bijbel vinden we de term ‘verantwoordelijkheid’ niet let­terlijk terug, maar wel de begrip­pen: ‘verdediging’ (Filip. 01:07; Filip. 01:17; Luc. 12:11; Luc. 21:14); ‘zich veront­schuldigen’ (Rom. 01:20; Rom. 02:01); ‘rekenschap afleggen’ (Luc. 16:02; 1 Petr. 03:15; Heb. 13:17) en ‘voor zichzelf spreken’ (Hand. 26:01).

Ergens verantwoordelijk voor zijn betekent: met de vereiste zorg en toewijding aan een zaak werken. Iets kunnen verantwoorden is: kunnen rechtvaardigen hoe in een bepaalde zaak gehandeld is.

Onze volledige waarde

Voor God zijn we vol waardige, volledig toerekeningsvatbare personen. Hij spreekt ieder aan op zijn eigen verantwoordelijkheid.

Het is de erkenning van onze waarde. Ons volwassen, volwaar­dig mens-zijn wordt hierin dui­delijk: op wat we doen of nalaten worden we zelf aangesproken. We kunnen voor onszelf spreken. Ieder zal voor zichzelf rekenschap geven aan God (Rom. 14:12). De hemelse Vader zal ons niet aan­spreken op wat onze zaak, onze verantwoordelijkheid niet is. In onze relatie met Hem, doordat we ons leven voor Hem openleggen, leren wij dit steeds beter onder­scheiden.

Toenemende verantwoordelijkheid

Een pasgeboren baby is een vol­komen afhankelijk wezentje. De ouders zullen voor hem zorgen en de verantwoordelijkheid voor hem dragen. Bij het opvoeden zullen ouders hun kind leren steeds meer verantwoordelijkheid (zelf) te dragen. Het krijgt taken die het aankan, passend bij zijn leeftijd.

Dit zal niet altijd zonder strijd en tegenstand gaan, want in het begin was de moeder helemaal ‘in dienst van’ de baby. Langzamerhand wordt moeder steeds minder ‘op afroep beschikbaar’. Het kind ontdekt -niet altijd tot zijn genoe­gen- dat het zelf wat moet gaan doen!

Om de juiste balans te vinden is voor ouders niet altijd gemakke­lijk. Ze kunnen hun kind te vroeg en/of te veel verantwoordelijkheid geven. Deze last, en de schuld wanneer iets mis gaat, is te zwaar.

Een andere mogelijkheid is dat het kind te lang afhankelijk wordt gehouden. De ouders blijven het kind te lang ‘helpen’ en te lang ‘voor het kind spreken’. Het gevolg is dat als het kind wordt aangesproken op iets wat het gedaan heeft, de ouders dan antwoord geven in zijn plaats. Het kind hoeft nauwelijks beslis­singen -desnoods verkeerde- te nemen, omdat de ouders het al voor hém hebben gedaan. Het is juist zo waardevol te leren: Wie ben ik? Wat kan ik? Wat zijn de gevolgen van wat ik doe?

Een zware last

Er zijn veel mensen, die ‘last’ hebben van een te groot verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de gang van zaken in de situ­atie waarin ze zich bevinden, of voor de gevoelens van de ander. (‘Ik zal het maar niet vragen, want dan wordt ze verdrietig, en dan is het mijn schuld’).

Bij kinderen komt dit ook voor: ze voelen zich verantwoordelijk voor de ruzies tussen de ouders, of voor de geldzorgen. (‘Dat komt door mij’).

Dit te grote gevoel voor verant­woordelijkheid dwingt deze men­sen om van alles om hen heen te regelen. Ze kunnen het niet laten, ze zijn immers verantwoordelijk! Ze kunnen niet toezien hoe een ander in een moeilijke situatie zit, ze kunnen niet weigeren als er, terecht of onterecht, een beroep wordt gedaan op hun hulp. Bij hen is ‘verantwoordelijk zijn’ nagenoeg identiek met ‘schuldig zijn’. Als ze niet helpen, niet in­grijpen worden ze in gedachten onmiddellijk aangeklaagd.

Jezus is ook voor hen gekomen als Bevrijder, om hen vrij te ma­ken van de leugen en de veroordeling! (Rom. 08:01).

Wanneer ze naar Jezus gaan luis­teren, dan zal duidelijk worden dat de last die ze dragen niet door Hem op hun schouders is gelegd. Vrome geesten zijn daar eerder debet aan! (Matt. 23:04).

Echt helpen

Het ‘helpen’, zoals hierboven beschreven, komt voort uit een verkeerde bron. Maar wat is dan ‘echt’ helpen? Er zijn een paar aspecten, waaraan dat getoetst kan worden.

Allereerst zal echt helpen, de ver­antwoordelijkheid van de andere persoon volledig respecteren. Er worden bijvoorbeeld geen beslis­singen genomen voor een ander als die persoon ze zelf kan nemen. Evenmin worden taken overgenomen, die de persoon zelf kan uit­voeren.

Verder bestaat de hulp uit dat­gene, waar de geholpene mee akkoord gaat. Je kunt een ander toch niet verplichten bepaalde hulp te aanvaarden waar hij helemaal niet gelukkig mee is!

Vraag jezelf ook af of ik het niet laten kan om te helpen, -met andere woorden of ik gebonden ben aan het helpen-, of help ik uit vrije wil? In dat laatste geval had men ook tot de beslissing kunnen komen: ‘Nee, ik grijp niet in, ik laat het gaan’.

Echt hulp bieden, laat de ander volkomen vrij. En maakt de ander niet van je afhankelijk. Want dat kan ook een verborgen motief zijn bij het lief en hulpvaardig zijn. Dan is het een middel om mensen aan je te binden.

Onze door God gegeven taak

Willen we weten wat werkelijk onze verantwoordelijkheid is in dit leven, naar God en de ander toe? Vraag aan God je daar zicht op te geven. Leer van Hem, wie je bent, en welke plaats je inneemt ten opzichte van Hem, de broeders en zusters in de gemeente en in je gezin.

Aanvaard de bijbehorende taak. Dat is namelijk de taak, die je samen met Jezus uit mag voeren. Vrome geesten leggen zware lasten op, om je vervolgens aan te klagen. Maar Jezus’ last is licht, zijn juk is zacht. En de werken die je doet in gehoorzaamheid aan Hem, zullen eeuwigheidswaarde hebben.

 

De geestelijke werkelijkheid van het beloofde land Wim te Dorsthorst

Zicht – op Israël -13-

Gods verbond betreffende het land

Het volk Israël kreeg het land Kanaän als erfdeel van God over­eenkomstig de beloften aan Abra­ham, Isaak en Jakob.

Psalm 105:8-11 (Ps. 105:008-011) zegt daarvan: “Hij gedenkt voor eeuwig aan zijn verbond, dat Hij met Abra­ham sloot, en aan zijn eed aan Isaak; ook stelde Hij het voor Jakob tot een inzetting, voor Israël tot een eeuwig verbond, toen Hij zeide: U zal Ik het land Kanaän geven als het u toegeme­ten erfdeel”. God heeft Zijn eed niet gebro­ken! Wat we echter duidelijk heb­ben gelezen in de Hebreeënbrief is dat Abraham, Isaak en Jakob, en de kleine rest die altijd temidden van het volk als geheel heeft ge­leefd, leefden uit geloof en een hemels vaderland verwachtten (Heb. 11:08-16).

En daarmee waren ze niet on­gehoorzaam aan God omdat ze iets anders verwachtten dan God bedoelde, maar stemden juist vol­komen met Hem overeen. Juist van dezen staat dan ook geschre­ven: “Daarom schaamt God Zich voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun een stad bereid” (Heb. 11:16). Je zou je af kunnen vragen of God Zich in deze tijd niet diep schaamt voor al degenen die vele christenen misleiden. Die juist wél de aandacht vestigen op dat stukje land in het Midden-Oosten en op een volk dat Jezus, en daarmee ook God, verworpen heeft en blijft verwerpen tot op heden.

Gods rustplaats

In Psalm 95 lezen wij van het ongehoorzame volk Israël in de woestijn, dat zich altijd verhardde en niet naar Gods stem wilde horen: “Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht, Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet. Daarom heb Ik ge­zworen in mijn toorn: Tot Mijn rustplaats zullen zij niet komen” (Ps. 095:010-011).

In het zichtbare was ”Gods rust­plaats” het land Kanaän.

In Deuteronomium 12 wordt ge­sproken van de inzettingen en ver­ordeningen als ze in het land ge­komen zijn. Vers 9 (Deut. 12:09) zegt dan: “Want gij zijt nog niet gekomen tot de rustplaats en het erfdeel, dat de Here, uw God, u geven zal”.

Nu maakt de Hebreeënschrijver duidelijk dat in Gods werkelijke rust binnengaan niets te maken heeft met een land op aarde. Immers, Jozua heeft het volk bin­nengebracht in het beloofde land Kanaän. Daarom staat er: “Want indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou God niet meer over een andere, latere dag gesproken hebben” (Heb. 04:08; verg. Deut. 31:07). Heb. 04:01-13 spreekt duide­lijk van het binnengaan in “de geloofsrust van God”.

Een beeld van het hemelse

Het volk Israël woonde, geheel volgens Gods beloften aan de aartsvaders, in het land Kanaän waarin Jeruzalem met de tempel het middelpunt was. Ze hadden een rechtvaardige wetgeving (Deut. 04-08) en vele voorschriften voor hun dienst aan God, wat hen tot een natie maakte. Het he­le oude verbond was met uitwen­dige -zichtbare zaken- op aarde die allemaal heen wezen naar de grote dag van de vervulling in Je­zus Christus.

Kanaän is dus slechts een beeld van de hemelse werkelijkheid, van het betere hemelse vaderland en de betere hemelse stad Jeruza­lem, waarvan God zelf de ontwer­per en bouwmeester is.

Zo heeft God dat tevoren bedoeld. Dit is in overeenstemming met Zijn eeuwige raadsbesluiten en naar het welbehagen van Zijn wil.

Dat is nooit begrepen door het Joodse volk. Alleen de gelovige rest, geloofde en verwachtte dat dit in de Messias vervuld zou wor­den. De Hebreeën schrijver spreekt ongeveer elf maal van het betere in Jezus Christus ten opzichte van het oude verbond. Waarom dan nog spreken over het oude land in het Midden-Oosten nu de weg tot het betere, he­melse vaderland, door Jezus Chris­tus geopend is?

Deze betere boodschap, dat is het evangelie van het Konink­rijk Gods, moet aan het Joodse volk verkondigd worden. Alleen hiermee bewijst men het volk lief te hebben zoals God en Jezus en de apostelen. Ook zij behoren “tot alle volken” waaraan het evangelie van het Koninkrijk ge­predikt moet worden (Matt. 24:14).

Ingaan door het geloof

En waarom kon dat ongehoorza­me volk niet binnengaan in het beloofde land, in Gods rust­plaats? Antwoord: “Zo zien wij, dat zij niet konden ingaan we­gens hun ongeloof’ (Heb. 03:19). God had gezworen dat Hij het land aan het nageslacht van Abraham geven zou, maar er was één grote voorwaarde en dat was: geloof. Niet omdat ze naar het vlees van Abraham afstamden wa­ren ze Israël of kinderen maar als ze geloofden als Abraham dan hadden ze deel aan de belof­ten (zie Rom. 09:06-08; dit is uitge­legd in Levend Geloof van janua­ri 1995)

Van het volk dat uitgetrokken was uit Egypte zijn alleen Jozua en Kaleb het beloofde land bin­nengegaan. En waarom deze twee wel? “Omdat dezen de Here volkomen volgden” (Num. 32:10-14). En er staat ook: “Omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft…” (Joz. 14:14; Num. 14:24). Deze twee waren op dat moment de gelovige rest, het ware Israël, van allen die uitgetrokken waren uit Egypte.

Binnengaan in het beloofde land hangt dus niet af van afkomst naar het vlees maar of men een geest heeft die op God gericht is, Hem gelooft met het geloof van Abra­ham en Hem volkomen wil ge­hoorzamen en volgen. Daarom zegt Paulus in (Gal. 03:07): “Gij be­merkt dus, dat zij, die uit het ge­loof zijn, kinderen van Abra­ham zijn”.

En ook: “Indien gij nu van Chris­tus zijt, dan zijt gij zaad van Abraham en naar de belofte erf­genamen” (Gal. 03:29).

Als God zweert dat het nage­slacht van Abraham het land zal bezitten dan is dat tot Christus let­terlijk het land Kanaän in het Midden-Oosten geweest.

Maar het was héél duidelijk slechts een beeld van het hemelse vader­land wat de aartsvaders en de oudtestamentische gelovigen in geloof verwachtten en in Jezus Christus werkelijkheid is geworden. Dus ook wat het beloofde land betreft is de werkelijkheid van Christus’

Wonen in het land op voorwaarde

Wat we ook duidelijk zien is, dat het verblijven in het land Kanaän niet “onvoorwaardelijk” was. Er was niet een soort “recht” omdat men nageslacht van Abraham was, maar er was altijd een duide­lijk “indien”.

Om in het land te kunnen verblij­ven gold eigenlijk precies hetzelf­de als om er in binnen te komen namelijk: “geloof”. Geloof in God en volkomen gehoorzaam­heid aan Hem.

Hierdoor gingen de hoer Rachab en de Moabitische Ruth ook bij het volk behoren en hebben ge­woond in het land der belofte, zonder dat zij naar het vlees van Abraham afstamden. Het geweldi­ge is dat beiden voorkomen in het geslachtsregister van Jezus (Matt. 01:05). De beloften Gods zijn alleen voor die mensen, die evenals Abraham, in het geloof alles prijs geven en hun vertrou­wen volkomen op God stellen (Lees hiervoor Romeinen 4).

Zolang het volk gehoorzaamde en leefde in het verbond, woon­de het in het land en had het vre­de. Als ze het verbond verbrak dan ontheiligde ze het land en de Naam van God en dan moest het volk het land uit.

Van de zeer vele Bijbelplaatsen die daarvan spreken willen wij er één noemen. In (Deut. 30:15-20) staat: “Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: doordat ik u heden gebied de Here, uw God, lief te hebben door in zijn wegen te wandelen en zijn geboden, inzettingen en verordeningen te onderhouden, opdat gij leeft en talrijk wordt en de Here, uw God, u zegene in het land, dat gij in bezit gaat ne­men. Maar indien uw hart zich af­wendt, en gij niet luistert doch u laat verleiden en u voor andere góden neerbuigt en hen dient, dan verkondig ik u heden, dat gij zeker ten gronde zult gaan; niet lang zult gij leven in het land, dat gij naar het overtrek­ken van de Jordaan in bezit gaat nemen.

Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het le­ven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het le­ven, opdat gij leeft, gij en uw na­geslacht, door de Here, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Here uw vade­ren, Abraham, Isaak en Jakob, ge­zworen heeft, dat Hij het hun ge­ven zou”.

Dit zijn niet mis te verstane woor­den. God liefhebben en Hem vol­komen gehoorzamen is kiezen voor het goede en leven en ver­blijven in het land; God niet lief­hebben en Hem niet volkomen gehoorzamen is kiezen voor het kwade en de dood en het gaan in ballingschap.

Een weerspannig volk

Het hele oude testament is eigen­lijk de geschiedenis van een goe­de, barmhartige God met een hardnekkig, onwillig en ongelo­vig volk.

De profeet Jesaja zegt hiervan: “Te raadplegen was Ik voor hen die naar Mij niet vroegen, te vin­den voor hen die Mij niet zoch­ten; Ik zeide tot een volk dat Mijn Naam niet aanriep: Hier ben Ik, hier ben Ik. De ganse dag breidde Ik Mijn armen uit naar een opstandig volk, dat vol­gens eigen overleggingen wandel­de op een weg, die niet goed is; een volk, dat Mij bestendig open­lijk krenkt door te offeren in de hoven en offers te ontsteken op de tichelstenen;….enz.” (Jes. 65:01-03; lezen tot vers 7).

Jezus heeft ook zo Zijn armen uit­gestrekt en geroepen: “Hier ben Ik”. Hij weent over het volk en zegt: “Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen verga­deren, gelijk een hen haar kui­kens onder haar vleugels verga­dert, en gij hebt niet gewild” (Matt. 23:37; Luc. 19:41).

En als wij Jezus zien wenen, zien we hoe de Vader altijd geweend heeft over dit volk, dat Hij zo lief had.

Ze hebben hun God verworpen

Sommigen zeggen: je mag al die beloften, wat het land betreft, en die God met een eed bekrach­tigd heeft, niet zomaar opzij schuiven, want de genadegaven en de roeping Gods zijn onberouwelijk (naar Rom. 11:29). Mer­kwaardig is dat deze zelfde men­sen de grote en absolute voor­waarden om in het land te mo­gen wonen, die God ook met een eed bekrachtigt, dan over het hoofd zien alsof het er niet eens staat.

Het volk heelt altijd op een verschrikkelijke manier het verbond verbroken en God de rug toege­keerd. In plaats van het goed te hebben en te leven, kozen ze voor het kwade en de dood.

Jesaja profeteerde: “Uw heilige steden zijn een woestijn gewor­den, Sion is een woestijn gewor­den, Jeruzalem een wildernis” (Jes. 64:10). Als de profeet dit verval schildert van het land, dat overvloeiende was van melk en honing dan schildert hij hoe de hart gesteldheid van het volk is wat God verlaten heeft. Het is net als bij de zondeval als God zegt: “Doornen en distels zal de aarde voortbrengen” (Gen. 03:17).

(Ook nu in deze tijd, waar de mens zich steeds meer van God afkeert en in zijn hart de duister­nis toeneemt, heeft dit gevolgen voor de aarde. Dit staat te lezen in (Jes. 24:04-13).

Voor God, die groot is van lank­moedigheid, is dan de maat vol en dan gaat het volk terug naar waar Abraham in het geloof uitge­trokken is; het land der Chaldeeën. Dat is Babel.

De wet en de profeten hebben het aangekondigd. Op vele wij­zen hebben ze gesproken. Soms met een huilend hart en soms in felle bewoordingen, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. Jeremia is de profeet die het twee-stammen rijk “Juda” dag en nacht het woord Gods voor heeft gehouden over het in ballingschap gaan en over de terugkeer.

In (2 Kron. 36:05-16) staat in enkele regels samengevat wat aan de ballingschap vooraf ging. We lezen: “De Here de God hunner vaderen, zond wel zijn boden tot hen, vroeg en laat, want Hij ontfermde Zich over zijn volk en zijn woning, maar zij bespotten de boden Gods, ver­achtten zijn woorden en hoon­den zijn profeten, totdat de gram­schap des Heren zich zozeer te­gen zijn volk verhief, dat geen herstel meer mogelijk was”.

Het grote struikelpunt

Jeremia is achter gebleven in Israël maar zijn tijdgenoot Ezechiël is meegegaan naar Babel. Deze profeten, en ook al de anderen, hebben werkelijk, heel concreet, geprofeteerd tegen het goddeloze volk van die tijd en niet over dingen die in de twintig­ste eeuw zouden plaats vinden. Hier zit het grote struikelpunt. Velen lezen de profeten en denk­en dat zij dat nu, circa 2600 jaar later, zo maar letterlijk kunnen toepassen op het natuurlijke volk Israël. Althans, merkwaardig ge­noeg, wat een terugkeer van het volk betreft.

Rond de eeuwwisseling is de peri­ode van de late regen over het volk van God aangebroken met een wereldwijde uitstorting van de heilige Geest. Vele miljoenen hebben nu, in deze tijd, de heili­ge Geest ontvangen.

Opmerkelijk is dan dat in diezelf­de tijdsperiode deze verleugening, door de satan bewerkt, in de wereld is gekomen door de kant­tekeningen van de ‘Scofield bij­bel’. Voor die tijd schijnt nie­mand zo gedacht te hebben. He­laas hebben voor velen deze kant­tekeningen meer gezag dan de Bijbel zelf. Dat eerder niemand zo dacht is te begrijpen als wij in alle eenvoud geloven dat bijvoor­beeld Jeremia werkelijk recht­streeks sprak tot het goddeloze volk wat toen leefde.

De tijdsperiode dat hij sprak staat niet voor niets zeer nauwkeu­rig in hoofdstuk 1 vers 1 tot en met 3 aangegeven. In hoofdstuk 25 vers 3 kunnen we lezen dat Je­remia op dat moment al 23 jaar lang het woord van de Heer heeft doorgegeven aan het volk, maar zij hebben naar hem niet ge­luisterd. En zoals gezegd: Ezechiël was zelf heel concreet met het volk in Babel, evenals Daniël, om maar enkele godsmannen te noe­men. De aankondiging van de tijd van de terugkeer was niet nu in de twintigste eeuw, maar na cir­ca 70 jaar vanaf de wegvoering van Jeruzalem, in de vijfde maand van het jaar (Jer. 01:03). Dat is geweest in het jaar 586 voor Christus.

Ik zou haast zeggen: God zij ge­dankt dat de Schrift op dit punt zo duidelijk is. De volgende keer meer daarover.

 

Huis te koop door Froukje Huis

“Daar komt de post aan! Zal hij de brief brengen?” Met uitgerekte hals sta ik voor het keukenraam de komst van de postbode af te wachten. “Welke brief?”, informeert mijn echtgenoot van achter zijn krant. “Over het huis natuurlijk!” “Die komt niet over de post, die brengen ze zelf rond”. “O ja”. Teleurgesteld ga ik weer aan mijn werk.

Ik ben niet de enige die uitkijkt naar de brief van de woningbouwvereniging. De huizen in onze wijk worden te koop aangeboden en iedereen is nieuwsgierig naar de vraagprijs. Kunnen we het betalen of niet? Niemand wil graag verhuizen want het woont hier prettig.

Het wordt een dikke tegenvaller. Zo zelfs dat de vereniging van huurders haastig de mensen oproept tot een protestvergadering. De hele buurt lijkt leeggelopen en de zaal is propvol. De toespraak van de voorzitter vindt grote bijval. De prijs is veel te hoog want: dit moet worden vernieuwd, dat veran­derd, er moet geverfd, afgebroken en weer opgebouwd worden. Allemaal kosten die er voor de koper bijkomen. Het applaus bewijst dat iedereen het er wel mee eens is. Het bestuur zal proberen er iets aan te doen en vol verwachting spoedt ieder zich huiswaarts. Maar helaas, de eigenares blijft op haar stuk staan, de prijs blijft onveranderd. Het huis is de prijs waard.

Het doet me denken aan iemand die ik ken. Hij wilde ook een huis kopen, maar wat voor huis! Uitgewoond, verveloos, armoedig! Misschien was er nog wat van te maken, maar dat zou een kapi­taal kosten. Mensen die ervan hoorden zeiden: Dat huis, wil hij dat huis kopen? Geen centrale verwarming, slecht sanitair, een snertkeuken, hij kan toch wel wat beters krijgen?

Maar de man liet zich niet raden. Hij vroeg naar de prijs, ‘t Was ongehoord, zo hoog! Schandelijke afzetterij, ‘t moest niet mogen, riepen de mensen. Maar de man zei: “Ik houd van het huis, ik zie er wat in, het is het waard”. En hij kocht het!

Herkent u misschien deze Man? Jezus, die een buitensporig hoge prijs heeft betaald voor u en mij, Zijn leven, dat Hij vrijwillig gaf. Hij noemde niet al onze tekortkomingen op. Hij berekende niet de kosten, nodig om er nog wat van te maken. Nee, Hij zei: “Ik houd van je, Ik zie wat in je, Ik ga je maken tot een schitterend huis en Ik kom Zelf in je wonen”.

Ik weet dat ik ben vrijgekocht van mijn ijdele wandel. Niet met zilver of goud, maar met het kostba­re bloed van Christus als van een onberispelijk en vlekkeloos Lam. En u, bent u al gekocht? Jezus ziet naar u uit!

1984.09 nr. 251

1984 september nr. 251

Er is maar een evangelie door Gert Jan Doornink

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

De grote opdracht voor de gemeente

Matteüs 24 is een veel geciteerd hoofdstuk uit de bijbel. Vooral schrijvers over de eindtijd nemen dit hoofdstuk vaak zeer uitvoerig onder de loep. Opvallend daarbij is dat de uitspraak van Jezus over de prediking van het evangelie van het Koninkrijk vaak weinig of geen aandacht krijgt. Terwijl dit juist de grote en aller belangrijkste opdracht is van de eindtijdgemeente. Want temidden van alle duisternis, destructie en verwarring blijft God zijn grote liefde jegens de mens de kroon   der schepping – betonen. God wil niet “dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09).

Onze God is een goede God en zoals Hij eens zijn Volmaakte goedheid tot openbaring bracht in zijn Zoon, die is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38), zo doet Hij thans via de gemeente. Maar deze gemeente is  dan ook geroepen hetzelfde evangelie openbaar te maken wat Jezus deed: het evangelie van het Koninkrijk; het volle evangelie.

Een andere evangelieverkondiging is nooit Gods bedoeling geweest. Er is maar één werkelijk, Gode welgevallig evangelie: het evangelie, dat de mens die er op ingaat, werkelijk verlost uit satans macht en hem overplaatst in Gods Koninkrijk.

Het brengen van dit evangelie brengt als consequentie mee dat verdrukking en vervolging ons niet bespaard zullen blijven, want de duivel haat de verkondiging en beleving van dit evangelie. Daarbij zullen we er rekening mee moeten houden dat deze verdrukking niet alleen komt vanuit de wereld en het naam-christendom, maar ook via christenen die het volle evangelie afwijzen. Immers zolang we het echte evangelie afwijzen zitten we nog in verkeerd vaarwater en heeft satan een vinger in de pap.

Het evangelie zonder compromis

Jezus was altijd bezig op radicale en compromisloze wijze het evangelie te verkondigen. Voor Hem bestond er geen halfslachtigheid of vaagheid. Hij wist hoe geraffineerd en listig satan de mensen gebonden probeerde te houden. Maar in gehoorzaamheid aan de opdracht van de Vader was Hij ten alle tijde bezig satan te ontmaskeren en te overwinnen.

Het evangelie van het Koninkrijk is een geestelijk evangelie, daarom kan het nooit op één lijn gesteld worden met veel hedendaags evangelie, wat horizontalistisch is of allerlei theorieën naar voren brengt van wat er op deze aarde kan gaan gebeuren. Jezus sprak: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36). Het volle evangelie maakt ons juist los van deze wereld. Het bindt ons aan de Vader, dat wil zeggen maakt ons één met Hem. Johannes schrijft: “Onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b).

Het bewerkt dat we de dingen gaan zoeken, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods en dat we de dingen bedenken die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 (Kol. 03:01). Het maakt ons bewust dat we hemelburgers zijn die, vanuit onze plaats in de hemelse gewesten, leren strijden en overwinnen.

Het is een heerlijke zaak betrokken te zijn bij de verkondiging van dit evangelie. Daarbij wordt niet van ons gevraagd of wij een speciale bediening of ambt hebben, maar ieder kind van God, dat door Gods Woord en Geest de ogen voor dit evangelie geopend zijn, is geroepen dit evangelie door woord en daad openbaar te maken. Wie trouwens eenmaal dit evangelie heeft leren kennen zal ook niet anders meer kunnen en willen. God heeft zo’n grote liefde jegens ons gehad dat Hij zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, en heeft ons met en in Hem alle dingen geschonken Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32).

Deze liefde zal bij een waarachtig kind van God nooit onbeantwoord blijven. Hij heeft zijn liefde in onze harten uitgestort door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Daarom zullen wij als eindtijdchristen niet zwijgen, maar het volle heil proclameren, dwars tegen alle tegenstand in. God zal ons er voor bewaren dat de vijand ons er toe zal brengen een ander evangelie te verkondigen, want er maar één evangelie! Aan dat evangelie willen wij trouw blijven! En al worden wij dan door allen gehaat om zijns naams wil, het is als een rotsvaste zekerheid gegrift in onze harten dat wie volhardt tot het einde behouden zal worden!

 

De mens Gods wordt voltooid door Jan W. Companjen

 

Lezen: Jesaja 11 vers 1 tot en met 10 (Jes. 11:01-10). Vanaf Jesaja 11 vers 9 (Jes. 11:09) staat daar: “Men zal geen kwaad doen noch ver­derf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedek­ken. En het zal te dien da­ge geschieden, dat de vol­ken de wortel van Isaï’ zul­len zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.

De groei naar de volwassenheid

Opwassen tot het zoonschap houdt in dat wij de manne­lijke volwassenheid zullen bereiken. Dat wij geestelijk volwassen zullen worden is een geweldig perspectief. In 1 Korinthiërs 13 (het hooglied van de liefde) staat: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind en re­deneerde ik als een kind; eenmaal man geworden legde ik mijn kinderlijke manier van doen af.

Wat we nu nog zien zijn de vage beelden in een spiegel, maar dan (als we volwassen zijn) staan we oog in oog. Nu is mijn kennis beperkt, maar dan zal ik kennen zo­als God mij kent”.

Paulus doelt hier op de gro­te gave van het nieuwe ver­bond in Jezus Christus, dat wij God leren kennen zoals Hij in werkelijkheid is en dat wij de Zoon Gods gelijk­vormig zullen worden.

Het Woord Gods zal ook in het lichaam van Christus, de gemeente, vlees worden. Dat wil zeggen dat wij als gemeente van Christus tot één Geest zullen gaan samengroeien met de Vader en de Zoon opdat wij één zijn zoals de Vader en de Zoon reeds een samen ge­smolten eenheid is. Deze eenheid van God en Jezus is het voorbeeld voor de eenheid van de gemeente en die eenheid komt voort en wordt mogelijk gemaakt door de doop in de Heilige Geest. Christus in ons, de hoop der heerlijkheid is daarbij ons devies. Gods Geest moet en zal aldus gestalte krijgen in ons vlees en le­ven. Alles wat daarvoor no­dig is, is volbracht op het kruis van Golgotha. De ak­ker is de wereld, daarop speelt zich alles af. Die ak­ker, de wereld dus, is ge­kocht en betaald met het leven van Jezus Christus. Hij heeft ons gekocht voor God met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09).

Vermeerdering van de geestelijke kennis

Het opwassen tot het zoon­schap houdt in dat onze Geestelijke kennis vermeerderd wordt. Er zijn zo in de loop der jaren nogal wat leerstukken ontstaan die zeer belemmerend werken op het goed verstaan van Gods Woord en daardoor de groei van de kennis Gods in de weg staan. Het is de duivel gelukt om dusdanige barricades op te bouwen dat het zuivere uitzicht vol­komen verloren is gegaan.

Eén daarvan is het leerstuk van de drie-eenheid. Het geloven in een eenheid die bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Wie Jezus wil gaan volgen en zich wil gaan uitstrekken naar zijn beeld, zal bij het leerstuk van de drie-eenheid al spoedig merken dat dit leerstuk een geweldig ob­stakel is naar de ‘volheid Gods’. Uit dit dogma komt toch immers naar voren dat Jezus toch eigenlijk God zelf is/was, en geen mens van vlees en bloed zoals u en ik. Hij wordt boven het algemeen menselijke gesteld en zijn inspirerend voorbeeld, wat Gods Geest in een mens van vlees en bloed vermag, gaat volkomen verloren. Hij was God, handelde Goddelijk, maar wij, wij zijn maar mensen. Mensen van vlees en bloed, weliswaar ge­doopt met de Heilige Geest, maar toch… ergens zon­daars en mensen met een mankement die niet geheel de weg Gods kunnen gaan.

Nu, geliefde broeders en zusters, ik kan u verzeke­ren dat, als u zo denkt, uw denken nog kinderlijk is en/of door de duivel gebeten bent. (Drie-eenheid)De slang, die hielenbijter, is er de oorzaak van dat uw gang op het geestelijke pad nog niet vast en zeker is.

God is Geest en Hij open­baarde zich in Christus. Hij schiep na de eerste Adam een nieuwe Adam en zijn Woord, dat gesproken was voor het gehele menselijke geslacht, werd vlees, werd zichtbaar in deze wereld. Hij werd aldus de eerstgeborene van een nieuw menselijk ge­slacht waarmee God de Va­der van al het Geestelijke leven, contact kon onder­houden. Dé Heilige Geest is de Geest van God en die Geest van kracht, liefde, volheid en oneindige goed­heid, die alles wat door de duivel overweldigd is, weer wil herstellen, wil wonen in mensen, waarvan Jezus Christus de eerste was. Zo­als reeds eerder gezegd kunnen wij dit het beste vergelijken met het menselij­ke lichaam, dat ook een drie-eenheid is, namelijk geest, ziel en lichaam. Die drie zijn ook één en niet te scheiden.

Jezus koos bewust voor de weg Gods

Jezus, in wie het Woord Gods als eerste gestalte kreeg, was een mens zoals u en ik. Hij had een eigen vrije wil. Hij kon wel en ook niet naar Golgotha gaan. Hij wist dat God zijn Vader was en koos bewust voor de weg Gods. Hij kocht ons aldus vrij uit de macht van satan. Hij be­dacht de dingen die boven zijn. Hij was de eerste met een volkomen geestelijk le­ven die kon zeggen: Ik doe geen ding of de Vader heeft het mij gezegd, ge­leerd. Zijn kennis was vol­komen. Hij wist dat Gods Geest alles in Hem was en daarom kon Hij zeggen: Voor de wereld er was, was Ik. Zoals Ik, Jezus, ben zo heeft God, de Vader van de ganse schepping, zich de mens vanaf de schep­ping gedacht.

Wij zijn, door geloof in Hem, mede opgenomen in dat grote plan Gods en met Christus mede gezet in de hemelse gewesten om daar het plan Gods te gaan uit­voeren. Daarvoor is ken­nis, Goddelijke kennis no­dig. Door de eeuwen heen is er steeds een strijd ge­weest tussen de mens die de zintuigen (hetgeen je zag, voelde, hoorde, enz.) lieten meewerken bij hun inzicht betreffende de ‘wa­re kennis’ en hen die het werk van de zintuigen op een laag pitje hielden. Menigmaal is in de geschie­denis gebleken dat bepaal­de kennis radicaal omver werd gegooid. Onder andere vond dit plaats door de steeds verdere ontwikkeling van de techniek. Na alle onderzoek kwam men uitein­delijk tot de Bijbelse conclusie dat ons kennen als mens, ten dele is. Ware kennis, zowel in het Geeste­lijke als in het natuurlijke, is slechts mogelijk door communicatie met God de Vader en Schepper van al­les waarover wij als mens, als kroon der schepping, gesteld zijn. Zijn Geest zal ons leiden naar het juiste inzicht en daardoor tot de ware kennis, namelijk Gods plan met deze wereld.

In 2 Korinthe 2 vers 6 tot en met 16 (2 Kor. 02:06-16) lezen wij een duide­lijke uiteenzetting betreffen­de deze Goddelijke wijsheid. Het geweldige plan Gods, waarbij het gehele volk Gods dat door Christus gered is, betrokken is. Paulus zegt daarvan in het genoemde Schriftgedeelte dat het een wijsheid is bedoeld voor in­gewijden. Het is niet een wijsheid van deze wereld of van de machtigen van deze wereld, want aan hun macht komt een einde. Nee, wat wij verkondigen is Goddelij­ke wijsheid die zal dienen tot glorie van de ganse schepping. Zouden de anti- goddelijke machten die de kruisiging van Jezus uitein­delijk hebben bewerkstel­ligd, van dit plan op de hoogte zijn geweest, dan hadden zij Christus niet la­ten kruisigen. Zij hebben zich namelijk aldus zelf van hun macht beroofd.

God zelf wijst ons de weg

Het is daarom dan ook zo’n harde noodzaak dat wij in deze eindtijd door God zelf geleerd worden. Wij zullen er voor moeten komen open te staan dat Hij ons ook heden, vandaag, iets te zeggen heeft op de weg naar het herstel van alle dingen. Daarvoor is het openbaar worden van de zonen Gods noodzakelijk en dat de gaven van de Geest weer goed gaan functioneren. Ook is het belangrijk dat wij door profeten en leraars weer op het juiste pad, de hoge weg, worden gezet.

Voor een ieder die geloof heeft en met ons belijdt dat de toekomst, ook van deze wereld, des Heren is, gaan de deuren open, gaat de hemel open en wordt de boekrol geopend. Een rol tot de eindtijd bewaard voor hen die daartoe zijn opgeklommen.

In dat Messiaanse vrederijk zal men geen kwaad doen, noch verderf stichten, want de aarde zal vol wor­den van de kennis des He­ren. En het zal te dien dage geschieden dat de volken de wortel van Isaï (Jezus Christus) zullen zoeken. Dan zal Jezus in het middel­punt staan, als een banier van de natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Jezus komt alle eer toe, Hem het hoogste eerbetoon. Hij vervult Gods raads­besluit.

De mens Gods wordt in ons voltooid!

 

 

 

Het nieuwe Jeruzalem (gedicht) Piet Snaphaan

Een Stad onwankelbaar gebouwd.

Met kostbare talenten,

Als Gods stad werd zij eens ontvouwd,

Johannes had haar reeds aanschouwd,

Als Stad met fundamenten.

 

Een Stad van ruimte, levend Licht,

Versierd met edele soorten,

Jeruzalem door God gesticht,

Zij krijgt gestalte, komt in ’t zicht,

Als stad met open poorten.

 

Jeruzalem gij Stad in wien,

Geen zon zich hoeft te tonen,

Waar ook geen tempel is te zien,

God is haar Licht, en bovendien,

Is zij als Stad volkomen.

 

O, heil’ge Stad, die vol zal zijn,

Van heerlijkheid en luister,

Met hemelburgers, groot en klein,

Die door het bloed gereinigd zijn,

Ontkomen aan het duister.

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 6 –

Het gesprek wordt hersteld

Het thema van Zacharia 3 zouden we als volgt kunnen formuleren: het herstel van het gesprek. “Vervolgens deed Hij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). De gestalte die hier in het middelpunt staat, is de hogepriester; hij vertegenwoordigt het priesterschap. Zijn naam is veelbetekenend: Jozua wil zeggen: de Here bevrijdt. Dit is God op het hart geschreven; zo is zijn wezen: Hij doet niets liever dan bevrijden, in de ruimte zetten, zoals de oorspronkelijke zin van het woord is. Maar in welke ruimte zet God de mens? In de ruimte van het gesprek. Mens zijn is aangesproken zijn. Mens zijn is antwoord geven, nog dieper, nog intenser: antwoord worden aan God. God wil dat we onszelf leren zien: jij bent antwoord, waar Hij op wacht.

Er is nog een gedachte die door de naam Jozua wordt opgeroepen: de herinnering aan de oeroude daden van bevrijding ten tijde van de intocht in Kanaän wordt erdoor wakker gemaakt. Eenmaal was daar een Jozua die het volk voorging en die ruimte maakte in het land. Derhalve, wanneer hier opnieuw de naam Jozua klinkt, dan gaat er een heimwee leven, een diep verlangen, een hunkering naar die daden Gods van het begin, Jozua, die zoete naam met zijn verborgen schatten: zou die naam nog eens opnieuw door de hemelen gaan ruisen, zou die naam nog weer de geestelijke wereld in beweging kunnen zetten, zou de Here nog weer eens als in de dagen van de oertijd, als in de dagen van het begin, als in de morgenstond van de geschiedenis, een God van bevrijding kunnen worden?

De heenwijzing naar de volkomen mens

Jozua, naam die oertijd en eindtijd verbindt, want tegelijk is deze naam een heenwijzing naar de naam Jezus, de volkomen mens, de laatste Adam, dat wil zeggen de laatste Mens, of wel de mens van het eindstadium, de mens in wie alle bevrijdende daden van God hun concentratiepunt, hun realisering, hun eindvervulling vinden.

Zo staat daar deze Jozua, gestalte van priesterschap en bevrijding. Een priester is een oprichter, want het Hebreeuwse woord ‘cohen’ hangt samen met een werkwoord dat op richten betekent. Een heel diep verband, want daarin ontdekken we dat een priester in wezen betrokken is bij de wederoprichting van alle dingen. Zoals God oprichter is, wederoprichter, zo zal de ware mens daarin deelgenoot zijn; een priester is iemand die het gevallene opricht, het neergebogene opheft, het verdrukte doet opstaan, opdat het weer mens zal zijn.

De aangetaste identiteit

Zo zien we deze Jozua daar staan, maar er is iets met hem aan de hand, het beeld wordt verduisterd, zijn gestalte is niet helder, zijn identiteit is aangetast, zijn oog omfloerst. Er staat een aanklager aan zijn rechterhand; niet Jozua is degene die spreekt, maar die aanklager heeft het woord. Zo is er geen gesprek, datgene waar de hele geschiedenis op gebouwd is, het gesprek tussen God en mens, dat is geblokkeerd. We komen hier tot het hart van de zaak, het hart van de wereldhistorie: als er geen priesterschap is, staat de geschiedenis stil. Dan is er geen heling van de tijd. Zo priester, zo volk: dat wil ook zeggen: als de priester verstomt, als de priester faalt, geremd is, met beschaamd gelaat staat, dan is er geen hoop voor het volk, geen hoop voor de schepping, geen uitkomst voor de geschiedenis, dan is de historie niets anders dan een langzaam doodbloeden van de tijd, een sterven van volkeren.

Herkennen we hierin niet het beeld van de gemeente door vele eeuwen heen, in het verleden en nu nog? De aanklager staat aan haar rechterhand. In naam van God zijn heel vaak geen daden van bevrijding verricht, maar integendeel, juist daden van knechting. Zo lezen we bijvoorbeeld: ‘Geregeld doken er karavanen met witte vlaggen uit de woestijn op. De kamelen zwaar bepakt met ivoor en gom, en gevolgd door troepen aan elkaar gebonden negers. Een neger kostte een halve schepel tarwe en bracht in Portugal in onze waarde twee a drie duizend gulden op. De Portugezen vonden dat het fortuin hun zo langzamerhand wel toekwam. In een reisverslag staat ronduit: Eindelijk behaagde het God, de Beloner van alle goede daden, voor de menigvuldige in zijn dienst geleden tegenspoeden, hun roem voor hun moeiten en vergoeding voor de onkosten te geven, want aan mannen, vrouwen en kinderen werden tezamen 165 stuks gevangen’.

Zo werd het priesterschap verdonkerd; de bevrijding bleef uit. Aanklacht na aanklacht stapelde zich op. Wat gemeente moest heten, werkte niet mee met de Bevrijder, doch maakte gemene zaak met de slavendrijver. Zo staat de gemeente daar, met vuile klederen, een gestalte, belast en besmet, niet meer in staat tot gesprek, want de aanklager heeft gelijk.

Wie kan het gesprek herstellen

Is er dan nog een wending mogelijk? Kan priesterschap hersteld worden? Alleen als God een brandhout uit het vuur rukt. Het vuur woedt, het vuur spaart niets en niemand, het vuur kent geen mededogen; zo is de grimmigheid van de boze. De priesters hadden hun positie verspeeld en ballingschap was het resultaat, als een vuur had Babel het heiligdom en de dienst des Heren verteerd, de dienaren ontluisterd. De wegen naar Sion treuren, haar priesters zuchten, zo horen we in Klaagliederen.

Alleen God kan de aanklacht tot zwijgen brengen en het gesprek herstellen. “De Here echter zeide tot de satan: De Here bestrafte u, satan, ja, de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). Heel sterk komt in de wijze van formuleren naar voren: de vrijspraak gaat van God zelf uit. De Here, dat is zijn exodus- naam, Hij is de God van de vrijspraak, de God die er immer weer op uit is, het gesprek weer op gang te brengen. Door vrijspraak wordt het gesprek weer geopend. Het woord ‘bestraffen’ betekent eigenlijk: schelden. God scheldt de satan, dat is de hinderaar, de dwarsligger.

Dan gaat er iets veranderen. Dan is het niet meer: de satan aan mijn rechterhand, maar: de Here is aan mijn rechterhand, en daarom wankel ik niet Psalm 16 vers 8 (Ps. 016:008). Eerst zou de mens wankelen en vallen, hij kon niet staande blijven in het gericht, maar nu wankelt hij niet langer, hij kan staan te midden van de gerichten. Zo werd Jezus de eerste mens die stand hield in het gericht, zodat van Hem gezegd kon worden: “Want Hij (de Vader) is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou” Handelingen 2 vers 25 (Hand. 02:25), waar Petrus de genoemde psalm citeert en toepast op Jezus) .

De verwrongenheid gaat verdwijnen

Jozua was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit” Zacharia 3 vers 3 en 4a (Zach. 03:03-04a). Er staan dienstengelen gereed en zij worden ingeschakeld om Jozua te ontdoen van de oude klederen. Dan komt het woord tot hem: “Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestkleren aan” Zacharia 3 vers 4b (Zach. 03:04b). Het begrip ‘ongerechtigheid’ heeft als grondbetekenis: verwrongenheid. Zonde maakt het wezen van de mens verwrongen. Hij kan zichzelf niet meer zijn. Letterlijk staat er: Ik doe uw verwrongenheid van boven u overtrekken. Zoals een nevel boven het hoofd van een mens wegtrekt. De verwrongenheid moet plaats maken voor feestdracht. Het hier gebezigde woord voor feestkleren komt slechts tweemaal in Tenakh voor en duidt, vanuit het Arabisch afgeleid, op geschonken erekledij.

Nu is het frappant dat we in vers 5 lezen: “Ik nu zeide” . We bemerken dat de profeet hier zelf een aandeel krijgt in het restaureren van het priesterschap. Hij raakt betrokken in het gesprek. Hij geeft aan wat er nodig is om Jozua in zijn ambt te herstellen. God wil niet dat de mens maar gelaten alles over zich heen laat komen, maar dat hij bewust en met inschakeling van zijn denkvermogen meedoet. Van Zacharia als profetisch mens wordt verwacht dat hij gedachten aandraagt die in het herstelplan van God passen. God zoekt de mens die met Hem meedenkt, met Hem meeleeft, met Hem meevoelt. Die mens zal meer en meer gaan aanvoelen wat er nodig is voor de realisering van Gods bedoelingen.

“Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten” Zacharia 3 vers 5a (Zach. 03:05a). Met de tulband wordt aangeduid een doek die meermalen om het hoofd gewikkeld wordt, het teken van de hogepriesterlijke waardigheid. Toen Jozua daar stond voor God, was hij derhalve ook zijn waardigheid kwijt. Wat Zacharia hier naar voren brengt, is dus van de hoogste importantie; hij beseft dat er één ding urgent is: het herstel van de waardigheid. “Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond” Zacharia 3 vers 5b (Zach. 03:05b). Letterlijk staat er: ze bekleedden hem met gewaden. Speciaal wordt erbij vermeld dat de engel of bode des Heren tijdens deze plechtigheid stond, dat houdt dus in dat hij van zijn zetel opgestaan was. Staan duidt op een strijdbare houding. Het is een strategisch moment. Wanneer het priesterschap hersteld wordt, staan de engelen op. We bespeuren hier een geestelijke wet: wanneer de priesters weer tot waardigheid komen, heeft dat zijn uitwerking in de geestelijke wereld; de engelen verheffen zich dan om tot actie over te gaan.

De bewaring des Heren

“Hierop vermaande de Engel des Heren Jozua: Zo zegt de Here der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan” Zacharia 3 vers 6 en 7 (Zach. 03:06-07) . Nauwkeurig vertaald staat er niet: hij vermaande Jozua, maar hij betuigde Jozua.

Vervolgens is er sprake van twee voorwaarden en drie beloften. De voorwaarden zijn: in mijn wegen gaan, en de opgedragen taak waarnemen, letterlijk staat er een uitdrukking die met name in Numeri nogal een rol speelt: mijn bewaring bewaren. Dit mogen we niet zomaar slordig vertalen; dan gaat de kracht eruit. Van Abraham zegt God in Genesis 26: “hij heeft bewaard mijn bewaringen” . In Leviticus 8 klinkt de oproep tot Aaron en zijn zonen: “bewaart de bewaring des Heren” Leviticus 8 vers 35 (Lev. 08:35) . Dat gaat dieper dan wat het NBG noteert: “gij zult het u door de Here gegeven voorschrift in acht nemen” . Het gaat hier om de bewaring des Heren. Dat wil zeggen: het gaat erom, wat God bewaart. Hij is principieel degene die bewaart. Wat bewaart Hij? Hij is de bewaarder Israëls, Hij bewaart de mens, de schepping die Hij gemaakt heeft. Nu ontvangt de mens de opdracht, te bewaren de bewaring Gods, anders gezegd: hij moet bewaren wat God bewaart. Hij is dus geroepen om navolger van God te zijn. Juist tegen de achtergrond van de ballingschap, waar immers zovele kostbare waarden verloren gingen, krijgt deze opdracht die Jozua ontvangt, zijn bijzondere reliëf.

Zo ook nu, in onze dagen: God plaatst ook ons als priesters voor de taak, te bewaren wat Hij bewaart. De gemeente heeft de roeping, te bewaren; wat zal zij bewaren? Het waarachtige mens zijn, de waarde van het bestaan, zo aangevochten in deze tijd waarin de mens gelijk gesteld wordt met een machine, een onpersoonlijk voorwerp. De gemeente zal bewaren de waarde van God, in een tijd waarin zovelen het kwade aan Hem toeschrijven. De gemeente zal bewaren de waarde van de schepping, in een tijd waarin zovelen zeggen: alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan; in een tijd waarin velen de aarde afschrijven als ‘wijlen de planeet aarde’ (the late planet earth) . De gemeente zal bewaren alles wat haar Meester bewaart.

De mannen van het wonderteken

Dan zijn er drie beloften: ten eerste, gij zult mijn huis richten, ten tweede, ge zult mijn voorhoven bewaren (weer dat woord ‘bewaren’), en ten derde, Ik zal u doen verkeren, letterlijk: Ik zal u toegangen geven tussen hen die hier staan. Dus hem wordt toegezegd de entree in de geestelijke wereld, de toegangen tussen de hemelse heerscharen zullen voor hem openliggen.

“Hoor toch, Jozua, hogepriester, gij en uw gezellen die voor u zitten – zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen – ”       Zacharia 3 vers 8a (Zach. 03:08a). Nu wordt hij aangesproken met zijn gezellen, er staat eigenlijk: uw genoten, dat wil zeggen uw deelgenoten, uw lotgenoten, uw reisgenoten of volksgenoten. Een mens is nooit alleen; hij is er altijd samen met zijn genoten, hij staat altijd in een gesprek. De mannen die hier met Jozua verbonden optreden, zijn de priesters. Zij zijn mannen van het wonderteken, dat houdt in dat zij zelf door hun aanwezigheid een teken vormen, een teken dat naar Gods toekomst wijst, teken van een nieuwe tijd, keerpunt in de geschiedenis.

De genezer van de eenzaamheid

“Voorwaar, zie. Ik zal mijn knecht, de Spruit doen komen” Zacharia 3 vers 8b (Zach. 03:08b).

We hebben hier te maken met een naam van de Messias; ook Jeremia sprak reeds over de Spruit: “Zie, dagen komen, is de uitspraak des Heren, dat Ik zal doen opstaan voor David een rechtvaardige (eigenlijk waarachtige) Spruit” Jeremia 23 vers 5 (Jer. 23:05). Trouwens we kunnen nog verder teruggaan: Jesaja heeft al een dergelijke gedachte doorgegeven: “Te dien dage zal wat de Here doet uitspruiten (letterlijk: de Spruit des Heren) tot sieraad en tot heerlijkheid zijn” Jesaja 4 vers 2 (Jes. 04:02). Een uitermate verkwikkend woord, juist tegen de achtergrond van de doorstane ballingschap. Na de dorheid en doodsheid, de jaren van onvruchtbare aarde, van vruchteloze moeite, van zinloosheid, eindelijk weer een sprietje boven de grond. Wat een vreugde na een lange barre winter, als er op de wijde kale vlakte weer iets groens opschiet.

Wanneer Jesaja het herstel van de ballingschap wil typeren, gebruikt hij maar liefst negen keer de woorden spruit of uitspruiten. Zo bijvoorbeeld in dat prachtige slotvers van Jesaja 61, dat letterlijk vertaald aldus luidt: Want zoals de aarde haar spruit doet uitgaan, en zoals een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here waarachtigheid en lof doen uitspruiten ten overstaan van alle volken.

Wat is die Spruit? Een mens, een knecht van God; een mens in gesprek met de hemel en in gesprek met de aarde. Zacharia ziet hem komen. Zo zal Jezus straks zijn; hij wordt de mens die volledig staat in het gesprek met zijn Vader, en die daarom het gesprek met de aarde aankan. Zo is Hij knecht, Hij dient de hemel en de aarde. Zo geneest Hij de eenzaamheid van de geschiedenis.         (wordt vervolgd) .

 

In de voetstappen van Jezus door G. J. R. Doornink

 

“Want hiertoe zijt gij geroe­pen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”

1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21).

Als gemeente van de eindtijd zijn wij geroepen de volheid van Jezus te openbaren. Soms lijkt het wel dat we hiervan nog ver verwijderd zijn, als we zien op de ver­deeldheid , krachteloosheid en liefdeloosheid, die zich in de gemeente vaak nog openbaart, in plaats van de overwinning van Jezus.

Toch mogen we er zeker van zijn dat God die in ons een goed werk is begonnen dit ook zal voortzetten! Alle op­rechte kinderen Gods die het verlangen hebben meer en meer de heerlijkheid van God door hun leven heen tot openbaring te brengen, zullen ervaren dat God dit door zijn Geest ook be­werkt. Wie de weg met Je­zus in geloof en gehoor­zaamheid bewandelt, gaat ook steeds meer het beeld van Jezus openbaren. Hij laat zich niet afremmen door welke tegenwerkende macht uit het rijk der duis­ternis ook, maar heeft slechts één doel voor ogen: Gods wil te doen. En Gods wil is “het goede, welge­vallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Gods Geest is de grote inspiratiebron in zijn leven. En daardoor is het mogelijk ten volle Jezus als voorbeeld te volgen, daardoor is het iedere dag opnieuw mogelijk in zijn voetstappen te treden.

Vijf redenen om Jezus te volgen

Wij willen nu vijf redenen bespreken waarom wij in de voetstappen van Jezus behoren te treden.

– Omdat God liefde is.

God zond het allerliefste wat Hij bezat, zijn eniggeboren Zoon, naar deze wereld. Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16) zegt: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Toen Jezus op aarde was openbaarde Hij in ieder opzicht wat Goddelijke liefde was. Hij vergaf de zondaren hun zonde, Hij genas de zieken en bevrijdde de gebondenen. Hij toonde wat er leefde in het vaderhart van God. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dan ook van Hem dat Hij de afstraling van Gods heerlijk­heid was en de afdruk van zijn wezen. Niet alleen in het doen van wonderen en tekenen bewees Hij Gods liefde jegens de mensen, maar het kwam door heel zijn leven tot openbaring. Petrus schrijft dat als Hij gescholden werd, niet te­rugschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaar­dig oordeelt 1 Petrus 2 vers 23 (1 Petr. 02:23).

Nu Jezus niet meer lichame­lijk op aarde is, heeft de gemeente tot taak deze God­delijke liefde te openbaren. Wij zijn nu het lichaam van Christus. Wij mogen dezelf­de dingen doen die Hij deed, maar ook zullen we er rekening mee moeten houden, dat ook wij veel onrecht zullen moeten ver­duren. Maar een waarachtig kind van God weet dat niets en niemand hem kan scheiden van de liefde Gods geopenbaard in Jezus Christus. Hij brengt niet alleen de gaven maar ook de vrucht van de Geest tot openbaring, want zóu dat niet het geval zijn, dan zou de wereld niets kunnen bemerken van het feit dat God een God van liefde is. Daarom willen wij treden in de voetstappen van Jezus!

– Omdat Christus een volkomen Verlosser is.

Jezus is de Verlosser naar lichaam, ziel en geest. Pe­trus schrijft van Hem dat Hij onze zonden in zijn li­chaam op het hout ge­bracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zou­den leven; en door zijn striemen zijt gij genezen” 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24). Dit werd reeds door de profeet Jesaja geprofeteerd en later ook door Matthéüs aan ge­haald als Jezus zieken ge­neest en boze geesten uit­drijft Matteüs 8 vers 16 en 17

(Matt. 08:16-17).

De gemeente van Jezus Christus zal daarom ook op dit punt nooit water in de wijn mogen doen, zoals he­laas hier en daar is gebeurd. We kunnen ons daarbij niet verschuilen achter fouten en fanatieke handelingen die door sommigen gemaakt zijn in het verleden. De gene­zing en bevrijding behoort altijd een wezenlijk onder­deel van de prediking van het evangelie te blijven.

Ook in dit opzicht mogen wij het nooit anders doen dan Jezus deed.

– Omdat Hij ons voorbeeld is .

Petrus zegt dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten. Dat spreekt helemaal voor zichzelf. Hij deed voor, zo­als wij het ook behoren te doen. Zoals een onderwij­zer op school de kinderen voorbeelden geeft, die zij moeten navolgen, zo is Je­zus ons grote geestelijke voorbeeld. Van Hem zegt Hand. 10:38 dat Hij is rondgegaan, weldoen­de (goeddoende) en gene­zende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”.

Zo zal God ook met ons zijn als we dit levende voor­beeld volgen. Zoals satan aan Jezus niets had, zal hij ook aan ons niets hebben, als we door het voorbeeld van Jezus te volgen, wan­delen in zijn voetstappen.

– Omdat wij door geloof moeten leven.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17) dat wie in Christus is een nieuwe schepping is, en dat het oude voorbij is. Het nieuwe leven van Jezus is in ons. We leven nu door het ge­loof, zoals we ook door het geloof een kind van God zijn geworden. In Galaten 2 beschrijft Paulus dat op zo’n duidelijke wijze: “Ik leef, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God”.

Wij behoren ons veel meer te realiseren dat wij door het geloof moeten leven. Niet op de omstandigheden zien, niet vertrouwen op de zintuigen, geestelijk gesproken uiteraard, maar alleen zien en vertrouwen op Gods beloften geopen­baard in Jezus Christus. 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) zegt: “Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”. In de voetstappen van Jezus gaan is alleen maar moge­lijk als we de geloofsweg willen bewandelen.

– Omdat wij er toe geroepen zijn

Met dit facet begint onze aanvangstekst. Feitelijk is deze reden de meest belang­rijke. In het natuurlijke le­ven is het een vanzelfspre­kende zaak dat wanneer ie­mand door een autoriteit geroepen wordt om bijvoor­beeld bij hem te komen voor een bespreking of opdracht, hij ook daaraan gevolg geeft. Hoeveel te meer zullen wij gevolg moeten geven als God ons roept om in de voetstappen van Jezus te treden!

Daarom mag geen enkel kind van God deze oproep van Petrus naast zich neerleg­gen en voor kennisgeving aannemen. Wij zijn geroepen om in de voetstappen van Jezus te treden. Hij heeft voor ons geleden, Hij heeft de volle prijs voor on­ze verlossing betaald. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat…

Het gaat in deze eindtijd om de waarachtige navolging van Jezus. Ieder compromis, iedere halfslachtigheid is uit de boze. Wie deelgenoot wil zijn van Gods grote her­stelplan met zijn schepping behoort zich volledig te la­ten inschakelen. God zoekt in deze tijd naar oprechte arbeiders. Het enige wat waardevol is in deze materialistische en occulte wereld is ingeschakeld zijn in dit grote plan van God.

Daarbij mogen we bedenken dat God niet iets van ons vraagt wat wij niet zouden kunnen verwezenlijken. Als Hij iets van ons vraagt geeft Hij ons ook de moge­lijkheden en de middelen om het te kunnen doen. Dat geldt ook ten opzichte van het gaan in de voet­stappen van Jezus. Hij heeft ons zijn Woord gege­ven en niet te vergeten de Heilige Geest. Zij bepalen de weg die wij hebben te gaan.

En deze weg, dit treden in de voetstappen van Jezus, is een geestelijke aangele­genheid, maar waarvan de resultaten op aarde zicht­baar worden. Onze plaats is met Jezus in de hemelse gewesten. Van daaruit opereren wij als vertegenwoordigers van Gods Ko­ninkrijk .

Wie in eigen kracht of door eigen inspanning in de voetstappen van Jezus wil treden zal al spoedig falen. Maar wie zich door Gods Woord en Geest laat leiden, zal ontdekken dat er niets heerlijkers denk­baar is dan Jezus als voorbeeld te volgen en in zijn voetstappen te gaan. Want hij is daardoor voor anderen een levende wegwijzer naar het Konink­rijk van God.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 6 –

De vervulling van Daniël 2

Bij de opening van het zevende zegel gebeurt er niet plotseling iets, maar alles wat in de vorige zegels op gang is gekomen, zal ten tijde van het zevende zegel voltooid worden. Het zal tot volheid komen. Het zevende zegel wordt onderverdeeld in de zeven bazuinen, de drie weeën en de zeven schalen. Deze periode wordt beschreven in Openbaring 8 tot en met 19. Al de profeten spreken er van. Ook Jezus heeft vaak over deze dingen gesproken. In het bijzonder in Matthéüs 24 en 25, wat daar genoemd wordt: ‘Rede over de laatste dingen’ (zie ook Markus 13 en Lucas 21).

Twee zaken komen nu tot volheid. In de eerste plaats de gemeente van Jezus Christus, het geheimenis Gods Openbaring 10 vers 5 tot en met 7 (Openb. 10:05-07) , wat dan uitloopt op het koningschap. In Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15) wordt de zevende bazuin geblazen en met gejubel in de hemel wordt met luide stem geproclameerd: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heer en aan zijn Gezalfde en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” . Hier zien we de vervulling van de profetie in Daniël 2 waar gesproken wordt over de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, het beeld (Babel) verbrijzeld, en wordt tot een grote berg, die de gehele aarde vulde Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . De God des hemels richt een eeuwig Koninkrijk op, dat in eeuwigheid niet onder zal gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan Daniel 2 vers 44 en 45 (Dan. 02:44-45) . Het is een Koninkrijk gegrondvest op waarheid en recht Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06).

Het tweede dat tot volheid komt is ‘Babel’. Ook Babel komt tot volheid, tot vrucht dragen. Die vrucht is ook een koningschap, namelijk de antichrist met zijn gemeente: de zonen des verderfs. Ook dit vindt in het verborgene plaats, tenminste voor de ongeestelijke mensheid. Paulus spreekt ook over “het geheimenis der wetteloosheid, wat reeds in werking is” 2 Thess. 2 vers 7

(2 Thess. 02:07). Hij zegt over de antichrist in 2 Thessalonicenzen 2 vers 4

(2 Thess. 02:04): “De zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een God is”.

Dit is het koningschap wat Babel voortbrengt, gegrondvest op de vader der leugen, de duivel. Het is het beeld uit Daniël 2, groot en indrukwekkend, vol van geweldenarij. Maar het fundament is een vermenging van waarheid en leugen – wat in wezen niet te vermengen is – wat we in het paradijs al zien in de boom van kennis van goed en kwaad Genesis 2 vers 9b (Gen. 02:09b). Het heeft wel altijd een schijn van godsvrucht gehad, maar in de dag des Heren zal blijken, dat het waardeloos is en in diepste wezen altijd antichristelijk is geweest, met als volle vrucht de antichrist.

Het zal ondergaan als het beeld in Daniël 2, wat getroffen wordt door de steen – beeld van Jezus Christus en de gemeente en later de herstelde volkeren – en het zal zijn als kaf op de dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . Ook in Openb. 18:20-24 lezen we van de totale ondergang van deze grote stad. En weer is er dan gejuich in de hemel en wordt er iets geproclameerd met een luide stem: “halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist” Openbaring 19 vers 1 en 2 (Openb. 19:01-02).

Dit is het kerngebeuren in de hele eindtijd: het openbaar komen van de waarheid, de waardigheid en rechtvaardigheid van God in een volk wat Hem toebehoort. Dat is dus de gemeente van Jezus Christus: “Een volk Gode ten eigendom. U eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”. “Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie” 1 Petrus 2 vers 9 en 10 (1 Petr. 02:09-10) . Daarnaast het openbaar worden van de zoon en de zonen des verderfs in de gemeente van de antichrist, met als fundament: leugen en verwarring, dus Babylon. Hierin is geen enkele waardigheid, maar volkomen wetteloosheid en duisternis. Het is een volk wat het merkteken van het beest draagt Openbaring 13 vers 17 (Openb. 13:17) .

Het half uur stilte in de hemel

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang” Openbaring 8 vers 1 (Openb. 08:01). Ten tijde van de stilte gaat de gemeente tot volle wasdom komen. Het is niet een tijd waarin niets gebeurt, maar tarwe en onkruid groeien naast elkaar op. Niemand ziet het, want het vindt plaats in de hemel, in het verborgene. De vrucht begint zich te zetten en dan zal ook het onkruid duidelijk afsteken tegen de steeds helder wordende hemel van de zonen Gods. Jezus tekent dit geheel in Matteus 13 vers 24 tot en met 30 (Matt. 13:24-30).

In Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) lezen wij: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. De heiliging van het volk van God gaat door. De Heilige Geest werkt met steeds meer kracht via de geestesgaven. Werkingen van boze geesten worden door de Heilige Geest meer en meer geopenbaard en bij degenen die zich laten bevrijden “komt er een einde aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk” Daniel 12 vers 7b (Dan. 12:07b). De blik in de hemelse gewesten wordt helderder en de enkel goedheid en waardigheid van God wordt steeds dieper verstaan. Van de andere kant trekt de duivel al zijn troepen samen om het volk van God te benauwen en de ontwikkeling van het zoonschap te blokkeren.

De vroege en de late regen

De gemeente die op dit niveau bezig is – dus in de hemelse gewesten – gaat bidden om de late of spade regen. Veel wordt in deze tijd gebeden om opwekkingen: Heer geef ons een Elia! Geef ons een Johannes de Doper! Heel goed bedoeld en voortkomend uit een bewogenheid voor de nood in de wereld, maar met Jezus Christus en de gemeente hebben we zoveel meer dan een Elia of Johannes de Doper. God laat de profeet Zacharia opschrijven: “Vraagt van de Here regen ten tijde van de late – regen. De Here maakt de bliksemschichten, een stortregen zal Hij hun geven, voor ieder gewas op het veld” Zacharia 10 vers 1 (Zach. 10:01) . Opvallend is dat Zacharia hier ook gelijk een groepering noemt, die we in het christendom kunnen typeren met de verontrusten. Ze zoeken het overal, ze letten op alles wat er gebeurt in de wereld, maar ze vinden geen troost. Er is geen herder die hen leidt en vertroost met de woorden Gods. In Zacharia 10 vers 2 (Zach. 10:02) volgt dan ook onmiddellijk: “Want de serafim (huisgoden) spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft”.

Deze mensen worden niet afgeschreven, maar ze zullen straks van de zonen Gods het evangelie van verlossing en herstel horen. Jezus was ook vol van ontferming over de schare die zo voortgejaagd werd. Markus 6 vers 34 (Mark. 06:34) zegt: “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hen vele dingen te leren” . En zo kwam Hij in het leven van deze mensen als de leraar ter gerechtigheid, waarvan de profeet Joël reeds profeteerde.

Het begrip van de vroege en de late regen is in Israël wel bekend. Wij komen het nog al eens tegen vooral in het oude testament. Het heeft dan een diep geestelijke betekenis.

Regen is onontbeerlijk voor leven, ontwikkeling en vrucht dragen. Jezus spreekt dan ook over ‘het levende water’ dat zal gaan stromen uit het binnenste van een gelovige, die vervuld is met de Heilige Geest Johannes 7 vers 38 en 39 (Joh. 07:38-39) .

De profeet Joël geeft zo prachtig de geestelijke betekenis weer. Hij zegt: “En gij kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege en late regen, zoals voorheen” Joël 2 vers 23 (Joël 02:23). Die regenstromen hebben dus te maken met onderwijzing. “Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen…” Voor wie? Voor de kinderen Sion, die zich verheugen en juichen! Joël profeteert ook hier weer “over de voor ons bestemde genade” en niet zoals vele ongeestelijke christenen zeggen dat de woestijnen, de zandvlakten weer gedrenkt zullen worden met water en zullen veranderen in oases. (Dit komt nog wel eens bij het herstel van de aarde, maar dat is hier niet aan de orde) . God gebruikt dit beeld altijd in dezelfde betekenis. Dat is interessant om daar op te letten. God legt niet alleen de woorden in de mond van de profeet, maar zorgt ook dat een bepaald beeld altijd dezelfde betekenis houdt.

Regen houdt altijd verband met de onderwijzing of de openbaring van Gods woord en heerlijkheid. Deuteronomium 32 vers 1 en 2 (Deut. 32:01-02) zegt dan ook: “Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken en de aarde hore naar de woorden van mijn mond. Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppelt als dauw, als regenbuien op het jonge groen en als regenstromen op het kruit”. Zie ook Deuteronomium 11 vers 10 tot en met 12; Spreuken 16 vers 15; 1 Koningen 8 vers 36 (Deut. 11:10-12; Spr.16:15; 1 Kon. 08:36).

In Joël 1 vers 10 tot en met 12 (Joël 01:10-12) ontbreekt duidelijk de regen en is er dientengevolge kaalheid en dorheid in het leven van de mensen. “Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht” (12b).

In de landen van het Midden-Oosten valt in oktober en begin november de vroege regen. De grond die hard geworden is, wordt dan week gemaakt, zodat het bewerkt kan worden en het koren gezaaid. Psalm 65 vers 11 (Ps. 065:011) zegt: “Gij drenkt zijn voren. Gij verzadigt zijn kluiten, door regenstromen maakt Gij het week”. Dan volgen de winterregens, waardoor de grond tot diep toe met water verzadigt wordt Hooglied 2 vers 11 (Hoogl. 02:11). In de lente wordt het snel weer warmer en droger en er zou geen oogst komen als de late regen niet zou vallen. Als dit uitblijft, dan verschrompelt het gewas en kan de vrucht zich niet ontwikkelen. Daarom behoort omstreeks april, als de vrucht zich gezet heeft, de late of spade regen te vallen, waardoor het koren dat zich in de aar gezet heeft, tot volle rijpheid komt, waarna de oogst volgt.

Het is nodig dit beeld geestelijk te verstaan. Door de doop in de Heilige Geest krijgt een gelovige deel aan de vroege regen. Zo vaak iemand tot geloof komt en gedoopt wordt in de Heilige Geest valt dus de vroege regen in dat leven. Het is niet zo dat er een bepaalde tijd is, dat de vroege regen valt en dan niet meer. Nee, dat gaat altijd door, zolang mensen tot geloof komen. Door de doop in de Heilige Geest wordt de harde grond weer week gemaakt, zodat het goede zaad, dat is de leer van Jezus Christus over het Koninkrijk der hemelen, kan ontkiemen, opwassen en tot vrucht dragen kan komen. De Heilige Geest leert en onderwijst, zoals Jezus Christus zijn discipelen onderwees. Hij was de leraar ter gerechtigheid. De Vader getuigde van de Zoon en zei: “Hoor naar Hem”.

En Jezus zegt van de leraar ter gerechtigheid die wij ontvangen: “De Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen” Johannes 16 vers 13 en 14 (Joh. 16:13-14) . En zoals de eerste regen valt in ieders leven, zo behoort ook die late regen te vallen in ieders leven. Dat is dus ook individueel. De volle vrucht, die nu tot stand moet komen is het volle zoonschap. Bij het vallen van de vroege regen geldt Joël 2 vers 19 (Joël 02:19): “Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmee verzadigd wordt”. En bij het vallen van de late regen geldt vers 24: “De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen” .

Voor het volk van God is de tijd van geestelijke hongersnood voorgoed voorbij. Wat gezaaid is, heeft vrucht voortgebracht en er is een overvloedige oogst zodat we uitdelers kunnen zijn van de menigerlei genade Gods! 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Deuteronomium 28 vers 12 (Deut. 28:12) zegt dan ook: “De Here zal zijn rijke schatkamer, de hemel voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen” . Wij zullen uitdelen aan de volken als wij het zelf hebben! De profeet Zacharia zei: “Vraag de Here regen ten tijde van de late regen” . Door de Heilige Geest zal verstaan worden: dit is de tijd, en de bede is:’ ‘Heer, geef ons de late regen!’

De mens Gods komt tot openbaring

De late regen zal als een extra krachtige uitstorting – doorwerking – van de Heilige Geest ervaren worden, waardoor in de gemeente de volle vrucht te voorschijn zal komen. Het proces van heiliging en reiniging zal met grote kracht van de Heilige Geest (niet met geweld) voortgang vinden. Alle banden zullen verbroken moeten worden. De heerlijkheid van God kan niet doorbreken als er gebondenheden zijn. Er zal een duidelijk evenwicht moeten zijn tussen vrijheid en openbaring van heerlijkheid en kracht.

In de gemeente zullen mannen en vrouwen Gods openbaar worden. Paulus spreekt in 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17) over “volmaakte mensen Gods, tot alle goed werk volkomen toegerust”. Het is het begin van de nieuwe dag, een nieuwe fase in het heilsplan van God. De nacht loopt ten einde. Nu is het niet zo dat de nacht zomaar ineens overgaat in de dag. Daar is dan eerst de dageraad.

De dageraad luidt het definitieve einde van de nacht in en het begin van de nieuwe dag Jesaja 52 vers 8 (Jes. 52:08).

Hosea brengt het vallen van de late regen en het aanbreken van de nieuwe dag ook met elkaar in verband. Hij zegt in Hosea 6 vers 3 (Hos. 06:03): “Ja wij willen de Here kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de late regen, als de late regen die het land besproeit”. Het is de tijd van het ochtendgloren, waarin de morgenster schittert. Jezus Christus is de blinkende morgenster Openbaring 22 vers 16 (Openb. 22:16) en Petrus zegt: “totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten” . Het oude is voorbij. Het nieuwe breekt baan. Er moet inderdaad iets doorbroken worden. Het is een fase van geboren worden. David bezingt in Psalm 110 de dageraad en hij zegt in Psalm 110 vers 3 (Ps. 110:003): “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op” .

In deze fase bevinden wij ons bij de opening van het zevende zegel. Het is inderdaad een fase waar we door moeten trekken de dag tegemoet.            (wordt vervolgd).

 

Bidden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Bidden is – als je de Heer nog amper kent –

zoals een kind, hulpeloos en klein,

enkel een vragen… met een refrein…

omdat je wéét, dat je bij God veilig bent.

 

Bidden is – als je zijn Rijk bent ingegaan –

ontdekken dat je met de Vader spreekt,

Die naar je luistert, geeft waar ontbreekt,

Die je leert mét Hem vast in ’t leven te staan!

 

Bidden is – als je zélf zijn heling ervaart –

strijden voor and’ren, volhardend gebed,

waar je je leven voor vrienden inzet

door de kracht Gods, die zijn volk redt en bewaart.

 

 

1995.02 nr. 367

Levend geloof 1995.02 nr. 367

Persoonlijk… , door Gert Jan Doornink

In de Bijbel treffen we soms woorden aan waar we moeite mee heb­ben om ze goed te begrijpen. Wat wordt er nu precies bedoeld, denken we dan en soms duurt het jaren voor we de werkelijke betekenis van een bepaald woord (of Bijbelgedeelte) begrijpen. En dan nog behoren we open te staan voor correcties en vernieuwing. Zelf heb ik bijvoorbeeld jaren lang moeite gehad met het woord ‘gerechtigheid’. En ik ben er van overtuigd dat dit bij heel wat van onze lezers en lezeressen ook het geval is. Ik ben dan ook blij dat in dit nummer Margreet Gast nog eens op duidelijke wijze haar gedachten over dit onderwerp onder worden heeft gebracht in een artikel over dit onderwerp.

Correctie en vernieuwing hebben natuurlijk alles te maken met geestelijke groei, een absolute ‘must’ voor ieder kind van God. Willen we ooit het einddoel des geloofs, de volle openbaring van het zoonschap, bereiken, dan kan dit alleen maar door geestelijke groei. Onze gedachten worden vernieuwd, nieuwe inzichten bre­ken baan, en tegelijkertijd rekenen we af met verouderde inzich­ten. Dat betekent natuurlijk niet dat we alles wat we in het verle­den voor juist achten, overboord gaan zitten. Maar wel is het nodig dat we ons ‘geestelijk filter’ steeds in werking hebben. Wat is goed, wal is verkeerd?

Gods Geest wil ons leiden in alle waarheid. En hoe meer onze geest een eenheid gaat vormen met Zijn Geest, hoe meer we ook gaan onderscheiden waarop het aankomt. Het spreekt vanzelf dat we daar als Levend Geloof-redactie ook voortdurend mee bezig zijn. Want we willen in ons blad natuurlijk op een duidelijke wijze de volle evangelie boodschap doorgeven, zodat men er ook praktisch mee uit de voeten kan. De leer van het Koninkrijk der hemelen is, in tegenstelling met allerlei leringen van het rijk der duisternis, een leer met een positieve uitwerking, waardoor de mens die er op ingaat, meer en meer omgevormd wordt naar het beeld van Jezus. En het beeld van Jezus is het beeld van God: volmaakt, goed, har­monieus. Kortom, zo God zich Zijn schepping voor ogen ziet. Ook bij de samenstelling van dit nummer is dit weer ons uitgangspunt geweest. En of we hierin geslaagd zijn laten we graag aan uw beoordeling over.

 

Gevoel of geloof, waar gaat het om door Gert Jan Doornink

 

De titel boven dit artikel is een beetje uitdagend. We worden namelijk voor de keus gesteld te kiezen: waar gaat het om, is ge­voel belangrijker dan geloof, of omgekeerd? Toch denk ik dat we geen tegenstelling behoeven op te roepen; dat er zelfs in zeker op­zicht geen tegenstelling bestaat, dat wil zeggen: beiden behoren bij de mens, beiden zijn onderdeel van ons mens-zijn, onze persoonlijkheid.

De eenheid van God en mens

We moeten zelfs oppassen dat we niet een soort opdeling van de mens gaan maken door bijvoor­beeld te zeggen: het gevoel hoort bij ‘de ziel’ van de mens, en het geloof bij ‘de geest’ van de mens. De Bijbel doet dit ook niet. God is één en Hij ziet de mens ook als eenheid. Daarom heeft Hij ook altijd de totale mens op het oog, waarbij we alleen op kunnen merken dat ‘het lichaam’, zoals wij dit thans bezitten, nog een verandering ondergaat, wanneer dit vergankelijke lichaam een onvergankelijk, verheerlijkt lichaam wordt (1 Kor. 15:53).

Ook zijn er natuurlijk teksten die zouden doen vermoeden dat de mens een soort driedeling bezit, te weten geest, ziel en lichaam.

Denk bijvoorbeeld aan (1 Thess. 05:23-24). Het gaat hier echter om een oproep van Paulus om je ‘geheel en al’, met heel je wezen, met alles wat in je is, te richten om één te worden met Jezus.

Als in de Hebreeënbrief Jezus omschreven wordt met de woor­den dat Hij de ‘afdruk van Gods wezen’ en de ‘afstraling van Gods heerlijkheid’ is (Heb. 01:03), dan betekent dit niet alleen dat dit openbaar werd via ‘de geest’ of , ‘de ziel’ van Jezus, maar door Zijn gehéle persoonlijkheid, door Zijn totale wezen.

Daarom kunnen we de oproep van Petrus verstaan en uitvoeren, dat wij geroepen zijn om in de voetstappen van Jezus te treden, omdat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten (1 Petr. 02:21).

Gevoel en geloof in het leven van Jezus

In de geschiedenis over de op­wekking van Lazarus, in Johannes 11, krijgen wij een duidelijk voorbeeld aangereikt hoe Jezus èn gevoel èn geloof openbaar maak­te. In vers 33 (Joh. 11:33) lezen wij dat Jezus verbolgen werd in de geest, maar ook geloof openbaar maakte. En in vers 35 (Joh. 11:35) (de kortste tekst uit de Bijbel) lezen we zelfs dat Jezus weende.

Jezus onderdrukte zijn gevoelens niet. Integendeel. Hij voelde mee met Maria en Martha en alle Joden die zo’n groot verdriet hadden, omdat Lazarus gestorven was.

Maar Jezus liet het daar niet bij.

Die ‘verbolgenheid in de geest’ duidt er al op, dat Jezus wist wie de veroorzaker was van de dood van Lazarus. Dat was de vorst der duisternis, satan. Dat was ook de reden waarom Jezus de opdracht van de Vader ten uitvoer bracht: Hij ontmaskerde en overwon de duivel. En hier zien wij hoe Jezus, in dit specifieke geval, dat doet. We kunnen het optreden van Jezus in dit verhaal in drie onder­delen splitsen. Hij spreekt over het geloof (Jezus tot Martha: “Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?”; vs. 40).

Hij handelt naar het geloof. Jezus zei: “Neemt de steen weg!”; vs. 38; lees ook (Jak. 02:26). c. Hij dankt God voor de uitwer­king van het geloof (“Jezus sloeg de ogen opwaarts en zei: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt”; vs. 41; lees ook vs.42 en Luc. 17:15).

Een noodzakelijk element

Hoe komt het toch dat er in onze dagen nog vaak zo weinig uit­werking is van ons geloofsleven? Ik denk dat de geschiedenis waarbij Lazarus wordt opgewekt, ons het ‘waarom’ laat zien. Gevoel alleen is niet voldoende, (stel dat Jezus alleen maar gehuild had), er moet geloof bijkomen.

Maar gevoel is wel een noodza­kelijk element van het geloof.

Wanneer er geen ‘bewogenheid’ is, (oftewel echt meeleven, ko­mend vanuit het hart), kan ‘ge­loof’ -of wat wij dan geloof noemen- een soort koudheid, hardheid en liefdeloosheid ver­oorzaken. We kunnen dan wel allerlei kreten en slogans lanceren, zoals: ‘Jezus geneest’ of: ‘Je bent niet genezen, omdat je niet ge­looft’, enz., maar het zijn loze uitspraken en hebben in de ogen van God geen waarde.

Je kunt met anderen niet over het geloof spreken als je niet naast hen gaat staan. Ons grote voor­beeld Jezus deed dat ook. Hij vereenzelvigde zich met de men­sen waar Hij mee omging. Hij werd niet ‘verbolgen in de geest’ tegen de mensen, maar tegen de duivel! Maar Jezus liet het daar niet bij. Door het geloof kwam er een positieve verandering in de situatie.

Dat wil dus ook zeggen dat gevoel niet op zichzelf staat, maar een onderdeel is van ons geloofs­leven. Een leven van geloof zonder gevoel is dus niet echt. Maar omdat gevoel een onderdeel is van dat geloofsleven mag het ook geen ‘eigen leven’ gaan leiden. Gebeurt dat wel, dan is er iets niet in de haak. Dan kan de duivel onze gevoelens gemak­kelijk als invalspoort gebruiken voor zijn afbrekende werk. Of we zijn al gebonden en hebben dat nooit afgelegd of ons er van laten bevrijden. Bevrijding is dan eerst noodzakelijk, zodat onze gevoelens ‘gezuiverd’ zijn en op de juiste wijze een facet van ons geloofsleven vormen.

Geloofsopbouw in de samenkomst

Dat mogen we ons ook realiseren als we naar de samenkomst gaan. Daar komen we niet in de eerste plaats om onze gevoelens, onze emoties uit te leven, maar om ons geloof te versterken!

Emotiebeleving is momenteel ‘in’. Al of niet aangewakkerd door allerlei televisieprogramma’s gaan velen op de emotietour. Een waarachtig kind van God is echt op zijn hoede. Hij weet dat het primair gaat om geloof. Daar waar het verlangen aanwezig is om écht te geloven, zullen de ‘gevoelsuitingen’ zich dus ook nooit op een verkeerde wijze gaan manifesteren.

Dan krijgt ook de vorst der duis­ternis geen kans de emoties los te weken van het geloof. Want daar is hij steeds weer op uit. Het gaat niet om het emotionele, het spectaculaire, het opwindende, maar om de Merkelijke beleving van het geloof! Een geloof, door liefde werkende (Gal. 05:06). Een geloof dat ook op positieve wijze geopenbaard wordt in het nor­male leven van elke dag.

Dat is het geloof dat vrucht draagt voor Gods Koninkrijk. Het geloof met uitwerking, dat blijdschap en overwinning teweeg brengt.

Door dat geloof wordt God ver­heerlijkt. En alleen door dat ge­loof zullen we de heerlijkheid Gods zien en beleven.

 

Zoeken en vinden Door Duurt Sikkens

Als er één eigenschap van God is die in allerlei toonaarden wordt bezongen dan is dat wel barmhar­tigheid, die Hij koestert ten op­zichte van de mens. Het maakt niet uit of deze mens goed of slecht is. God blijft trouw aan Zichzelf, zoals de zon schijnt voor iedereen, licht en warmte verspreidend naar zijn aard.

In het ware licht

In het ware licht, het onzichtbare, worden alle dingen zichtbaar, en wij zijn niet zozeer geroepen om in dat licht van Gods liefde te wan­delen als wel om juist dat licht te verspreiden in een door donkere wolken omhulde mensheid.

Wanneer je van Gods Geest hebt ontvangen, handel je ook in Zijn Geest: je hebt lief en wie liefheeft is pas in staat om zuiver te kunnen oordelen. In dat ware licht ontdek je de dingen, de mensen en kun je goed en kwaad helder onder­scheiden.

Als ik soms hoor hoe ondoor­dacht, en ongehinderd door enig mededogen, mensen in allerlei (sektarische) kringen worden ‘afgeschreven’, eruit gezet, een spreekverbod krijgen opgelegd en slachtoffer worden van dictatoriaal ingestelde leiders, dan rijzen me de haren te berge. Ik dacht dat er ergens geschreven stond: “Barm­hartigheid wil Ik, geen offers”. Om van het maken van slachtoffers maar te zwijgen…

Is de ‘verloren zoon’ het huis uitgezet? Heeft Jezus over Judas geroddeld? Heeft Petrus een schop na gekregen? Heeft Jezus iets gezegd over het feit dat som­mige van zijn volgelingen gewa­pend waren? Hebben wij het recht om mensen te beoordelen op al­lerlei uiterlijk gedrag? Op grond waarvan dan? Of wordt God, bij gebrek aan autoriteit!?), dan maar voor het karretje gespannen?

Scheuringen zijn er genoeg, maar nog erger is het dat mensen in­nerlijk worden verscheurd. Waar kunnen deze uitgeputte en mis­handelde schapen terecht? Pastor betekent herder, een goede, die zich ontfermt over het gebrokene en zorgt voor veiligheid, gedragen door innerlijke barmhartigheid. Deze eigenschap bezit elk mens weliswaar van nature, maar door de Geest van Christus wordt deze dieper, sterker, eeuwig en onveranderlijk.

De wezenlijke kern

Om de wezenlijke kern van de mens tevoorschijn te halen zul je deze moeten beminnen, want alleen de liefde zonder voorwaar­den zal de naar God zoekende mens overtuigen en hem, al is het nog zo aarzelend, doen naderen. God is goed en daarom ziet Hij zo goed wat de mens wordt aange­daan, wat hem kwaad doet. Dat geldt ook voor degenen die zich Zijn kinderen weten, want aan de zonen en dochters herkent men de Vader. Ze hebben geen twee gezichten, noch spreken ze met twee monden.

Het is heerlijk om je te kunnen toevertrouwen aan zulke mensen, om innerlijk te genezen, omdat ze je in waarde laten als mens, respect hebben voor je, want ze kijken met de liefdevolle ogen van Vader naar je. Je weet je niet be­dreigd en je hoeft niet meer bang te zijn.

Dat is heerlijk! Mijn naaste? Dat is degene die mij barmhartigheid bewijst en daar wordt ik goed van, als u begrijpt wat ik bedoel.

Wie zó, door innerlijke barmhartig­heid op zoek gaat naar het verlo­rene, naar degenen die God kwijt is, zal vinden: schatten van men­sen! Geliefden van God.

 

Gods gerechtigheid door Margreet Gast

“Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden” (Matt. 05:06).

Gerechtigheid is een Bijbelse term waarvan de betekenis moeilijk te vatten is. Het heeft in elk geval te maken met recht en onrecht. Maar als we op ons eigen ‘recht­vaardigheidsgevoel’ afgaan, om de bedoeling van gerechtigheid te kennen, komen de meesten ver­keerd uit. Wij denken nog te veel in termen van misdaad en straf, van wraak en vergelding.

Gods rechtsorde

In (Jes. 59:13) lezen we dat ongerechtigheid is: “overtreden, verloochenen van de Here, afval­len van onze God, spreken van onderdrukking en afwijking, zwanger gaan van leugentaal en die uit het binnenste vóórtbren­gen”.

Hieruit blijkt duidelijk dat (on)- gerechtigheid te maken heeft met de verhouding tussen God en mens. Het gaat verder dan het aardse rechtvaardigheid denken.

Gerechtigheid, uitgaande van God naar de mens, wordt in Psalm 103 prachtig omschreven: “vergeven van ongerechtigheden, genezen van krankheden, mensenlevens verlossen van de groeve, mensen kronen met goedertierenheid en barmhartigheid”, kortom: recht doen aan verdrukten.

Gerechtigheid is dat God zorgt voor de vervulling van zijn beloften aan de mens, door hem genadig te zijn en vergeving van zonden aan te bieden. Dit is volstrekt anders dan het ‘voor- wat-hoort-wat-principe’ in de wereld of het uitgangspunt: ‘je moet het wel verdienen’.

Gerechtigheid is, dat God er alles aan doet om de mens op zijn hemelse bestemming te brengen. Hij wil immers dat Zijn goddelijk leven in u en mij openbaar wordt. God stelt orde op zaken: satan moet de mens loslaten en vrijuit laten gaan. God aanvaardt hem dan als zijn kind, en voedt hem naar zijn rechtsorde op tot volwassen zoon.

Gods gerechtigheid is volmaakt geworden in Jezus Christus. Wie gelooft in de Zoon van God, is onder Gods bevrijdende rechts­orde gekomen. Wie niet gelooft, leeft nog onder satans rechtsorde van dood en verderf.

Vergeven om te vergeven

De Vader houdt zich aan zijn rechtsorde. Hij wijkt daarvan niet af. En deze rechtsorde over het leven van een gelovige, omvat allereerst vergeving. God straft ons niet, maar vergeeft ons onze zonden in Jezus.

En wij passen dan diezelfde rechtsorde toe ten opzichte van onze medemens. Wij vergeven een ander ook! Dat is de enige moge­lijkheid voor een kind van God. Als wij niet van harte vergeven, zoals wij vergeving ontvingen… dan stellen wij onszelf buiten Gods rechtsorde (Matt. 06:15).

Gerespecteerd om te respecteren

Wij ontvangen -ook dat is deel van Gods rechtsorde- onze waar­digheid als unieke schepping Gods weer terug. Respect, eer­betoon valt ons als gelovigen ten deel, ook al zijn we nog lang niet volmaakt.

En zoals God rechtvaardig is over ons, zo zijn wij dat ook naar de ander. Dan zullen wij vanzelfspre­kend elk ander ook erkennen in zijn unieke waarde, en dus met respect met de ander omgaan.

Ons respect voor de ander zal onder andere blijken uit ons spreken. We zullen open zijn, ons zelf laten zien aan de ander. Waarheid spreken, ons zelf uit­delen, echt zijn, en ook met op­rechte aandacht luisteren naar de ander, dat is genade bewijzen naar elkaar. Zo is God naar ons toe immers ook.

De ander negeren, halve waarhe­den spreken, huichelachtig vrien­delijk zijn, dingen bewust achter houden, achter andermans rug om praten, twee gezichten hebben… is ondenkbaar voor de mens die leeft vanuit gerechtigheid.

Onthoudt elkaar de waarheid niet

Het toppunt van gerechtigheid is dat we door God als zonen be­handeld worden! Hebreeën 12 vanaf vers 7 (Heb. 12:07 vv)is daar duidelijk over: het is gerechtigheid dat we niet als bastaards worden beschouwd. God zou ons dan onverschillig ‘vanzelf laten opgroeien’. Hij zou ons geen aandacht geven, zich niet met ons bemoeien… Dat is grote ellende voor de mens. Dan is hij ten dode opgeschreven.

Nee, God behandelt ons als zonen. En dus is zijn tuchtiging een uiting van zijn liefde en hoogachting voor ons. De mens gaat Hem zeer ter harte! Dus besteedt God aandacht aan ons, doet er moeite voor ons te be­reiken en de weg te wijzen. Hij onthoudt ons de waarheid niet, maar corrigeert ons. Dat is ge­nade: door de heilige Geest geleerd worden, die de Geest der waarheid is.

Laten wij dan ook de ander genade bewijzen en hem de bevrijdende waarheid van onze Heer niet onthouden! “Wie waarheid spreekt, deelt mee wat recht is, maar een leugenachtig getuige deelt bedrog mee” (Spr. 12:17; Spr. 26:06). Altijd een ander naar de mond praten en vleien is ongerechtigheid. De boze geesten hun zin geven -want die willen niet dat het evangelie wordt verder verteld- is ongerechtigheid.

Dit is uiteraard geen vrijbrief om de ander veroordelend om de oren te slaan met de waarheid. Er is geen veroordeling onder Gods rechtsorde! En we zijn niet ge­roepen om de ander te wijzen op de splinter in zijn oog, als we zelf nog een balk meetorsen! (Matt. 07:04). Eerst moeten we zelf gecorrigeerd willen en kunnen worden door het woord van God en wer­kelijk gaan leven vanuit Gods ontferming. Daaruit ontstaat echte bewogenheid met een ander, en kan de waarheid tegen hem gezegd worden.

Wat gerechtigheid is

Gerechtigheid is: – geloof in God (Gal. 03:06), – bidden voor hen die zelf niet aan bidden toekomen, – dat Jezus de voleinder is van mijn geloof, – trouw zijn aan hen, met wie je door God in de gemeente verbonden bent, – aangenomen worden als zonen, – van rechteloze, erfgenaam met Jezus geworden zijn, – delen in Jezus’ heerlijkheid en lijden, – “verdraag maar een poosje onrecht” (1 Kor. 06:07), – de pas inhouden terwille van hen die achterop dreigen te raken, – Jezus Christus, Amen.

 

Het visioen van de vrouw, het kind en de draak Hessel Hoefnagel

(Gedachten met betrekking tot de komst des Heren, naar aanleiding van Openbaring 12. Een vervolg op het artikel van vorige maand over: ‘Tijden en gelegenheden in de openbaring van Jezus Chris­tus ’).

Wat houdt de komst des Heren in?

Onze vertalingen van de Bijbel spreken veelal over ’de komst des Heren’, maar het Griekse woord parousia betekent vooral het tegenwoordig zijn van de Heer in de levens van de zijnen. De komst des Heren houdt dus in Zijn tegenwoordigheid in Zijn volk. Daarom moeten we Hem in Zijn openbaring niet slechts als een individu beschouwen in de bete­kenis zoals Hij vroeger tegen­woordig was op aarde, maar Hem altijd in Zijn verschijning zien in nauwe relatie tot de Zijnen.

Principe: Als de Heer niet innerlijk tegenwoordig is, kan Hij zich ook niet uiterlijk openbaren. Net zo min als dat een baby geboren kan worden als het niet in de moederschoot aanwezig is.

Naar het uiterlijk beschouwd wordt het ‘lichaam van Christus’ nog bedekt door een veelheid van verschillende opvattingen en even zo vele institutionele vormen (kerken en gemeenten) en meer populaire vormen (groepen en kringen). Ieder met een eigen interpretatie ten aanzien van de Bijbelse uitgangspunten, welke echter vaak een drempel, of misschien wel een dichte deur vormen voor anderen.

De Heer Jezus heeft zich eenmaal na Zijn overwinning over ‘zonde en dood’ naar goddelijk recht gezet ‘aan de rechterhand van de Majesteit in de hemelen’. Vanuit die positie stort (overvloed!) Hij de Geest van God nog steeds uit over (in) degenen, die Hem willen volgen, waar Hij ook heengegaan is.

Het ‘lichaam van Christus’ ofwel de ware gemeente van Jezus Christus is bezig in de verborgen­heid vorm en gestalte te krijgen en zal spoedig ‘geboren’ worden en zich wereldwijd openbaren. In dat kader moeten we net als onze Heer zelf deed, acht geven op de tekenen der tijden (zie mijn vorige artikel).

De pijn van de vrouw

De ‘vrouw’ uit Openbaring 12, waartoe we allemaal als gelovigen behoren, is verregaand in ver­wachting en in pijn om haar kind voort te brengen. Het begrip ‘vrouw’ moet echter reëel gemaakt worden en niet een wazige zaak blijven. De pijn van deze ‘vrouw’ betreft een ieder, die zich bewust uitstrekt naar het openbaar wor­den als zóón Gods, in plaats van te blijven steken in het zo arge­loos en dierbaar schijnende kind van God zijn. De pijn om te baren, dus het tevoorschijn komen als ‘zoon van God, is er: – vanwege de omstandigheden waarin de ‘vrouw’ verkeert en – vanwege de vaak door lieve medemensen heen werkende bedreiging door de draak (duivel en satan).

De duivel staat vanaf het begin tot heden vóór de ‘vrouw’, dus voor ieder kind van God, dat zich uitstrekt naar zoonschap.

De duivel kan de openbaring van dat zoonschap bij het kind van God, dat tegen verdrukking en benauwdheid in gehoorzaam blijft aan de doelstelling van God, niet beletten, evenmin als hij de ge­boorte en openbaring van Jezus kon beletten. Daarom weet satan niet anders te doen, dan met ar­gusogen klaar te staan om zodra het ‘kind’ geboren wordt, dus als „ de zóón in het kind van God zich openbaart, dit te verslinden.

De angst van de duivel

De duivel en zijn engelen hebben namelijk grote angst voor de openbaring van dit ‘kind’. Zij weten namelijk, dat als het kind van God door de vervulling met de Geest van God tot de volko­menheid komt als de mens, die God van oorsprong bedoelt, dit voor hen een pijniging betekent, welke uitloopt op eeuwige verwer­ping in de ‘poel des vuurs’.

De ‘overste van de macht der lucht’ siddert voor het zich openbarende ‘zaad van de vrouw’. Hij kent nog deksels goed de vloek van de Almachtige, welke eens over hem werd uitgesproken en ook kent hij nog zeer goed de belofte die aan de vrouw en haar zaad werd gegeven (Gen. 03:15).

Ook weet de duivel nog als de dag van gisteren, hoe Hij ontmaskerd en vernederd werd door de Eer­steling van het ‘zaad’ van de vrouw, toen deze als ‘zoon des mensen’ aan het kruis hing. Ondanks al zijn zeer felle en door angst geïnspireerde aanvallen kreeg hij daar de éérste klap, welke zijn ondergang inluidde. Vanwege deze klap is hij niet meer de ‘overste van de wereld’ en is hij de heerschappij in de hemelse gewesten kwijt geraakt, behalve over zijn eigen boze geesten.

Hij siddert daarom temeer voor de aanstaande openbaring van de rest van het ‘zaad van de vrouw’ dat in vervolg op die eerste klap hem volledig zal ontmaskeren en m.b.v. de goede engelen uit de hemel zal stoten, zoals de Heer Jezus al profeteerde, toen Hij Zijn discipelen had uitgezonden: ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand en niets zal u enig kwaad doen’ (Luc. 10:17-19).

De duivel weet dat hij een korte tijd heeft. Hij zoekt daarom waar mogelijk de mens naar diens innerlijk te verslinden om zo de openbaring van de vele ‘zonen Gods’ op aarde als ‘lichaam van Christus’ te verhinderen. Hij zoekt daartoe in de wereld van gelovigen naar een tweede Judas, zoals hij indertijd ook de eerste vond om de Zoon des mensen nota bene met een kus te verraden. Hij vindt inderdaad deze ‘Judas’ in de vele antichristen, welke zich als ‘kaf temidden van het ‘christen- koren’ bevinden. Ook deze vor­men in de openbaring van dé ‘grote en doorluchtige dag des Heren’ een ‘lichaam’, waarvan het ‘hoofd’ zich manifesteert in de, persoon van de Antichrist (Hand. 02:20; 2 Thessalonicenzen 2).

Bescherming tegen de valse profeet

De geest van deze ‘mens der wetteloosheid’ en ‘zoon van Verderf manifesteert zich reeds temidden van de gelovigen en werkt reeds in de ‘kinderen der ongehoorzaamheid’ (vgl. Ef. 02:02). Alleen de persoonlijke vervulling met de Geest van God zal de gelovige mens tegen deze ‘valse profeet’ kunnen beschermen.

De antichrist wordt in de profetie van de bijbel ook aangeduid als de ‘staart’ van de draak. Met deze staart zwiept de Draak rond in de hemelse gewesten en trekt vele gelovigen terug naar een aards denkpatroon.

De geest van deze leugenprofeet is ook in onze tijd volop bezig om velen te misleiden en af te houden van de ‘hoge weg’ (vgl. Jes. 09:14).

Toch kan de Draak niet verhin­deren dat de aan alle kanten bedreigde ‘vrouw’ (het uiterlijk schijnbaar zwakke en sterk verdeelde christendom) haar ‘zoon’ ter wereld brengt.

Het is een zóón, een mannelijk wezen, waarop de beloften van God rusten. Op de openbaring van dit mannelijk wezen wacht met zuchtend verlangen de hele bezielde en onbezielde schepping. Deze ‘zonen Gods’ namelijk zul­len de schepping bevrijden van de slavernij onder de vruchteloos­heid van de vergankelijkheid en haar brengen tot de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods (Romeinen 8).

Het ‘kind’ van Gods bedoeling wordt direct na haar openbaring plotseling weggevoerd naar de troon van God. Deze ‘opname’ heeft echter niets te maken met een plotseling in de zichtbare lucht opgenomen worden van gelovigen, waar en in welke positie die zich op dat moment ook bevinden. In dat opzicht zijn de gekste en meest tragische voorstellingen te maken van de enorme chaos die dat bij het achterblijvende zou bewerken, niet alleen bij de mensen, maar ook bij de dieren, de planten en bomen en de onbezielde dingen.

Over de opname-in-onsterfelijkheid van het ‘kind’ uit Openbaring 12 schrijft de apostel Paulus uitvoerig in 1 Korinthe 15, waar hij spreekt over de vergankelijkheid en sterfelijkheid, die onvergankelijkheid en onsterfelijkheid aan zullen doen.

Waar wordt de ware gemeente gevormd?

De Heer Jezus sprak in Zijn zo genoemd ‘hogepriesterlijk gebed’ ten aanzien van Zijn volgelingen: ‘Vader, Ik wil dat zij zijn waar Ik ben’ (Joh. 17:24). En in een andere toespraak zei Hij: ‘Ik zal hen allen tot Mij trekken’ (Joh. 12:32).

De ware gemeente wordt in de hémel gevormd, net zoals het kind van God in de hémel geboren wordt. We spreken in dat opzicht over de ‘wedergeboorte’. In het uiterlijke zijn daar plaatselijke gemeenten voor nodig, hetzij groot of klein en in vele variaties. Daar kunnen de gelovigen hun dagelijks ‘brood’ bekomen. Het is een verantwoordelijkheid voor de leiding van deze gemeenten om dit brood van goede kwaliteit te doen zijn.

Daarvoor is inzicht, wijsheid en toewijding nodig. De Heer sprak in dit opzicht over de ’trouwe dienstknechten’ (Lucas 19).

De ware gemeente of anders gezegd het ‘lichaam van Jezus Christus’ heeft een wandel in de hemel en wordt daar ‘het beeld van de zoon’ gelijkvormig door het proces van de vervulling met de Geest van de Vader.

De toebereiding voor de eindstrijd

Het proces van toebereiding voor de eindstrijd in ‘Armageddon’ voltrekt zich niet vóór, maar temidden van de ‘grote verdruk­king’ welke begonnen is zich over de wereld te voltrekken. Alle vol­ken, stammen, talen en natiën hebben deel aan deze verdruk­king. Ook de kinderen Gods, in uiterlijke zin op aarde levend en in profetisch perspectief aan­geduid als de ’vrouw in de woestijn’.

Deze woestijn is de wereld die in het boze ligt en de ‘vrouw’ heeft daar een plaats en een taak, door God Zelf bereid. Deze plaats en taak heeft te maken met het bren­gen van de blijde boodschap van het evangelie aan de medemens binnen al de genoemde stammen en talen. Sinds de uitstorting van de heilige Geest op de Pinkster­dag na de opstanding en verheer­lijking van de Heer wordt het evangelie gepredikt en de Heer is daar Zelf met Zijn Geest volop bij betrokken.

In de ‘woestijn’ wordt de ’vrouw’ gevoed en onderhouden door het Woord van God. Van dit ‘hemelse manna’ was indertijd het dage­lijkse manna voor het aardse volk Israël in de zichtbare woestijn het schaduwbeeld. De ‘zoon’ van de ‘vrouw’ echter wordt als ‘mannelijk wezen’, dat uit haar geboren wordt en tot volwaardige gemeente van Jezus Christus ontwikkelt, opge­nomen in de onaantastbare heer­lijkheid van haar Hoofd. De ‘ge­meente van de eindtijd’ is dan het beeld van de (eerste) Zoon gelijk­vormig geworden. Met Hem aan­vaardt ze dan het koningschap over de wereld (Openb. 11:15-17).

Het doel van de strijd in de hemelse gewesten

De Heer is gezeten op de ’troon van God’. Dat betekent heer­schappij. De Heer zei het zelf al tegen Zijn discipelen na Zijn opstanding: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’ (Matt. 28:18).

Tot deze heerschappij zijn ook wij geroepen, om vanuit die zuivere heerschappij, bevrijding en herstel te bewerken voor de zuchtende schepping, de mens voorop. De schepping wacht daarop al sinds haar onderwerping aan vruchte­loosheid en vergankelijkheid. Ze doet dat met reikhalzend verlan­gen, omdat ze de vrijheid van de heerlijkheid van de kinderen Gods dan zal ervaren (Romeinen 8).

Dit gegeven is het doel van de strijd in de hemelse gewesten. Om deze strijd te kunnen voeren heb­ben we de heilige Geest ontvan­gen, zodat we wezenlijk in Chris­tus’ zijn. Alleen via deze strijd zullen we in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van heerlijkheid en genade, welke het deel is van al de ‘knechten des Heren’, ervaren (Jes. 54:17; Ef. 02:06-07).

Dat is ook het doel van het ‘evangelie van Jezus Christus’. Sinds de prediking hiervan is de bevrijding van de schepping ingezet na een ogenschijnlijk lange tijd van voorbereiding. Door dit evangelie wordt aller­eerst het ‘lichaam van Christus’ gevormd, zoals gezegd in het verborgene van de ‘moeder­schoot’, het ‘hemelse Jeruzalem’ (Gal. 04:26). Het ‘lichaam van Christus’ zal vervolgens als de ware ‘gemeente’ en als ‘zonen Gods’, onder leiding van haar Hoofd aan de ‘slavenpositie’ van de rechtvaardigen van alle tijden een eind maken.

Laten wij ons daarom beijveren om deel te verkrijgen aan het ‘zoonschap Gods’, dat ook voor ons is weggelegd, mits wij deze hoop met vrijmoedigheid en on­verwrikt vasthouden (Heb. 03:06; Heb. 03:12-14).

Laat het zo zijn, dat onze Vader ook met ons, net als met onze Heiland, tot Zijn doel kan komen. Wij hebben een zeer hoge roeping en verkiezing en het verdient onze volkomen inzet deze te kennen en te bevestigen, zodat we rijkelijk toegang hebben tot het eeuwige koninkrijk van onze Here en Hei­land Jezus Christus.

 

Mondig in de hemel door Cees Maliepaard

– De hemelen – 8 –

“Dan zijn wij niet meer onmon­dig, op en neder, heen en weder geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe die het hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeen­gehouden door de dienst van al zijn geledingen, naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde” (Ef. 04:14-16).

De Vader heeft zich zijn hemel niet gedacht, als een oord dat gevuld zou zijn met onmondigen, maar al evenmin als een maat­schappij van kleine zelfstandigen. De Vader heeft zich zijn hemel voorgesteld als een eeuwige woon- en verblijfplaats van mensen die zich vrijwillig onder­werpen aan de Koning die Hij over hen aangesteld heeft. Die Koning, onze Heiland, onze her­der en leraar Jezus Christus, zal leiding geven in alle waarheden van de gedachten Gods.

De hemel der onmondigheid

Als mensen de toegang tot Vaders hemel gevonden hebben, doordat ze Jezus Christus als hun Heiland en Heer hebben aangenomen, zal de vorst der duisternis niets nala­ten te ondernemen wat de verdere voortgang in het hemelse Konink­rijk zou kunnen belemmeren.

Waaruit blijkt iemands onmon­digheid in het geestelijke rijk van de Vader? Het zal duidelijk wezen dat zoiets openbaar komt doordat hij zijn stem in de hoge niet ver­heffen kan. Dat kan de boze veelal bereiken door een mens onzeker te maken omtrent de verwezenlijking van de woorden Gods in zijn persoonlijke leven. En wat is daarvoor een beproefde methode in Satans hand? Paulus schrijft in ons stukje, dat we naar de maat van de wasdom der vol­heid van Christus, niet meer on­mondig zijn in de zin van: ‘Niet meer heen en weer geslingerd worden onder invloed van allerlei wind van leer”.

Dwalingen die het gevolg zijn van een boodschap die ontstaan is onder invloed van allerlei wind van leer, maken een mens onmon­dig in het Koninkrijk van God. Vrome gedachten zullen het mondig zijn in de religieuze wereld veelal niet blokkeren, maar werpen wel onneembare barrières op in Gods Koninkrijk. Of dacht u dat woorden als ‘onneembaar’ en ‘onmogelijk’ niet stroken met de Bijbelse uitspraak, dat alle dingen mogelijk zijn voor hen die geloven? Dat ligt dan in hetzelfde vlak als de misvatting dat de Al­machtige alles kan. Is dat dan niet zo? Nee, zeker niet! Hij is immers de ‘Ik ben die Ik ben’, de eeuwi­ge, onveranderlijke. Hij kan niet anders dan zichzelf zijn; Hij kan zijn wezen niet verloochenen (2 Tim. 02:13). God is enkel goed en Hij is altijd goed. Hij kan een heleboel dingen beslist niet: Hij kan nimmer iets verkeerds doen.

De Vader is almachtig in het ten uitvoer brengen van zijn plan, en daarin kan niets en niemand Hem tegenhouden. En wanneer de ge­lovige zich naar het Goddelijke plan richt, zal hem inderdaad niets onmogelijk zijn. Maar beïnvloed door dwalingen, ontbeert een mens meestal de mogelijkheid mondig te zijn in het Koninkrijk van onze Heer. Door religieuze dwalingen kun je bijvoorbeeld schuldgevoelens aangepraat krijgen, waardoor je tot algehele of gedeeltelijke zelfverwerping komen kan. Door andersoortige dwalingen in de boodschap, kan het navolgen van Christus onder druk komen te staan.

Bijvoorbeeld wanneer deze niet langer als de volkomen mens Gods, maar als God zelf wordt voorgeschoteld. En de wegen van de Almachtige zijn voor ons nu eenmaal niet na te gaan… wél die van Christus, want Hij heeft (naar de schriften!) voor ons de weg gebaand naar het huis van de Vader.

Tot mondigheid gebracht

Hoe wordt een mens mondig? Door bij elke gelegenheid zijn zegje te doen? Allesbehalve! Een mens wordt mondig in de hemel door ‘boven’ bezig te zijn over­eenkomstig het voorbeeld van Jezus Christus. En hoe Hij dat deed, lezen we heel duidelijk in Johannes 5. Jezus zegt daar niet dat Hem alle dingen mogelijk zijn, hoewel Hij toch beslist een geloof had dat beduidend groter dan een mosterdzaadje was. Hij belijdt in vers 19 (Joh. 05:19) evenwel dat hij uit zichzelf niets kan doen, maar dat Hij het eerst de Vader moet zien doen. Naast zijn grondige kennis van het geschreven woord van God, had Hij het blijkbaar nodig voor zijn geestesoog te zien waar de Vader mee bezig was. Pas dan ging ook Hij er toe over zich met dezelfde dingen in te laten.

Worden wij nu ook geacht te let­ten op wat de Vader doet, zodat naast een grondige kennis van het goddelijke woord, ons dat tot mondige mensen in de hemel van Gods heerlijkheid maken zal? In zekere zin wel, alleen hebben wij het wat gemakkelijker dan Jezus destijds had. We behoeven name­lijk niet zo te letten op wat de Vader doet, want dat weten we alleen naar de grote lijnen, naar de basisprincipes van zijn plan.

We zullen echter op de Zoon letten, op wat Hij ons laat zien. Want Hij kent het wezen van de Vader door en door. Op die manier kunnen we het Lam volgen waar Hij ook gaat (Openb. 14:04).

In dit volgen van Jezus zullen we Hem op gelijke wijze eren als de Vader (Joh. 05:23). Dat is een levensvoorwaarde, want er staat terecht bij dat wie de Zoon niet eert, dan dus ook de Vader die Hem gezonden heeft niet eert.

Paulus heeft dat goed begrepen. Vandaar dat hij in (1 Kor. 11:01) ons oproept, hem na te volgen, zoals hij dat Christus doet. Eigenlijk zegt hij: Doe net als ik, volg Christus na!

Mondig in de hemel worden we dus niet door ons bewustzijn te verruimen of door onszelf te trainen in het zelfbewustzijn, zelfs niet door heel veel kennis van het geschreven woord Gods in ons op te nemen. Elke methode los van de Christus, is tot mislukken gedoemd.

Maar ook met alles wat redelijk parallel met de gedachten van Christus Jezus lijkt te lopen, zal men bemerken er uiteindelijk toch naast te zitten. Denk maar aan sommige New-Agestromingen, waar men ook bezig is met het goede in de mens en met herstel van het innerlijk, maar waar Jezus als één van de wegen naar de godheid gezien wordt en waar die godheid een mixture van de Vader der lichten en de góden van de wereldgodsdiensten is. Waar men dan vastloopt? Nou, al direct daar waar de mens niet onder Koning Jezus leven wil, maar claimt zelf een god te zijn.

Samen mondig

Waar we ons aan Gods waarheid houden (en dat is de openbaring van zijn woord zoals dat in Christus Jezus gestalte heeft gekregen) groeien we naar hem toe die het hoofd is, Christus. Er staat bij: in elk opzicht en in liefde. Je kunt niet naar het beeld van de Christus toegroeien zonder de liefde Gods.

En het kan al evenmin als het niet op elk onderdeel van het leven van toepassing is. Net zomin als het ene partje van een sinaasappel vlugger kan groeien dan het an­dere, net zomin kan de liefde Gods een mens op bepaalde delen veel en op andere sektoren min­der vormen naar het beeld van Christus. We dragen de liefde Gods in beginsel in alle delen van ons wezen, en van daaruit geeft het ons een gelijkmatige groei.

Het is niet best mogelijk in je uppie in de liefde van de Heer bezig te zijn, want de liefde zoekt altijd de ander. Niet één cel van Christus’ lichaam zal afzonderlijk kunnen groeien in de liefde, maar alle cellen zullen dit gezamenlijk doen. Alleen dan zal het lichaam van Christus een welsluitend ge­heel vormen, door de dienst van al zijn geledingen, naar de kracht die elk lid op zijn wijze oefent.

Daar is dus niet mee gezegd dat de mate van de liefde er niet toe doet, maar dat ieder dat invult naar de eigen persoonlijkheid. Ingepast in Christus’ lichaam bevordert dat de gezamenlijke groei in de liefde Gods, zodat de ‘zonen Gods in wording’ in hun persoonlijke en in hun gezamen­lijke hemel allengs mondiger worden en steeds beter weten in te spelen op de liefdevolle voor­zieningen uit het plan van de Vader.

 

 

 

‘Aldus zal gans Israël behouden worden (2) Wim te Dorsthorst

 

– Zicht – – op Israël – 11

God is volmaakt rechtvaardig

Als Paulus uiteengezet heeft wie Israël is, wie zaad van Abraham is en wie kinderen Gods zijn, gaat hij verder om aan te tonen dat de beloften Gods niet verval­len zijn en dat God onveranderlijk en trouw en rechtvaardig is. Hij gaat dan terug naar de wording van het volk Israël en zegt: “Want er ligt een belofte in dit woord: omstreeks deze tijd zal Ik komen en Sara zal een zoon hebben. Maar dit niet alleen;

daar is ook Rebekka, bevrucht van één man, onze vader Izak. Want toen de kinderen nog niet gebo­ren waren en goed nog kwaad hadden gedaan -opdat het verkie­zend voornemen Gods zou blij­ven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep,- werd tot haar gezegd: De oudste zal de jongste dienst­baar zijn, gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik lief gehad, maar Ezau heb Ik gehaat.

Wat zullen wij dan zeggen? Zou er onrechtvaardigheid zijn bij God? Volstrekt niet!

Want Hij zegt tot Mozes: Over wie Ik Mij ontferm, zal Ik Mij ontfermen, en jegens wie Ik barmhartig ben, zal Ik barmhar­tig zijn.

Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt” (Rom. 09:09-16).

Op grond van bovenstaande woorden van Paulus is er helaas een uitverkiezingsleer ontwik­keld die zeer vele mensen in diepe duisternis heeft gedompeld. Tot op heden is dat in vele kerken een duivels leerstuk.

Je zou kunnen zeggen: waarom voegt Paulus dit gedeelte hier dan in? Het gaat toch om de plaats van Israël, nu! Ja, dat is zo en dit heeft daar dan ook alles mee te maken zoals we zullen zien.

Paulus wil ons deelgenoot ma­ken van Gods eeuwige voorne­men. Hij wil aantonen dat God volmaakt rechtvaardig is, als het Israël naar het vlees, nu geen en­kel deel meer heeft aan voorrech­ten en beloften aan de vaderen gedaan.

Vanuit Goddelijk perspectief

Naar de menselijke logica is Isra­ël, “Israël”. Maar als Paulus dit uit gaat leggen is dat niet naar menselijke logica maar dan spreekt hij als een ingewijde in de geheimenissen Gods. Vanuit het Goddelijk perspectief over­ziet Paulus de heilsgeschiedenis als geheel. Niet alleen de afloop is aan Paulus getoond toen hij op­getrokken werd tot in de derde hemel (2 Kor. 12:02-04) maar ook de hele weg daar naar toe. Hij heeft het begin gezien in Adam, in het aardse paradijs, en de vol­tooiing in Gods Zoon, Jezus Christus, in het hemelse paradijs.

Maar Paulus was ook een ingewij­de in Gods eeuwige raadsbesluiten en de geheimenissen van Gods wil van vóór eeuwige tijden. Aan hem is de zin des Heren geopen­baard (Rom. 11:34). Dat klinkt in zijn brieven steeds weer door. In (Ef. 01:03-14) spreekt hij over: het in Hem uitverkoren zijn vóór de grondlegging der wereld; over het in liefde te vo­ren bestemd te zijn; over het wel­behagen van Gods wil, enz. In (1 Kor. 02:07) spreekt hij over: “de verborgen wijsheid Gods die van eeuwigheid voorbe­schikt is tot onze heerlijkheid”.

In (2 Tim. 01:09) wordt ge­sproken over: “de heilige roe­ping naar Gods eigen voorne­men en de genade van vóór eeu­wige tijden”.

De zoon der belofte

En al deze zaken hebben als kern en als bron, De Zoon Zij­ner liefde, Jezus Christus, de Koning Israëls. Het is alles in Hem en door Hem en tot Hem. Hij is de genade Gods; Hij is de Christus Gods; Hij is het Lam Gods. Hij is- het fundament, de rots, waar heel Gods schepping en Gods hande­len op gefundeerd is. De rots waar Israël over gestruikeld is en waar vandaag de dag nog velen over struikelen. “Hij is de Amen, de ge­trouwe waarachtige getuige, het begin (‘de oorsprong’) der schepping Gods” (Openb. 03:14). “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der gan­se schepping, want in Hem zijn fel­le dingen geschapen, die in de he­mel en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, het­zij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen; en Hij is vóór al­les en alle dingen hebben hun be­staan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de ge­meente” (Kol. 01:15-18a). Ja, Hij is de Koning van Israël!

Zo zou deze lijst nog aan te vullen zijn. Wat nog wel van heel groot belang is om de uitverkiezing van God in Romeinen 9 te begrij­pen is dat Hij, Jezus Christus, “het Woord is”.

In Hem, in het Woord, was leven en dat was het licht der mensen. Hij is het woord des levens, het eeuwige leven, dat van den begin­ne bij de Vader was (1 Joh. 01:01-02).

Uitverkiezing tot behoud

Er is dus uitverkiezing bij God, berustend op een voornemen, een raadsbesluit, naar het wel­behagen van Zijn wil, “van vóór de tijden der eeuwen”. Maar dat is niet in de zin van eeuwige verwerping van mensen, maar God wil juist dat in deze verkiezing alle mensen, in lief­de en genade behouden zullen worden (1 Tim. 02:04). God heeft niemand tevoren verworpen

maar juist in Hem, de Zoon der belofte, uitverkoren vóór de grondlegging der wereld (Ef. 01:04). Tevoren heeft God ons bestemd “tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon” (Rom. 08:29). Dat is Gods uitverkiezing!

Niets, maar dan ook helemaal niets, zal God ooit doen en kan God ooit doen buiten Zijn Zoon. Alles waartoe de mens gescha­pen, geroepen en bestemd is, is door Hem en in Hem. Hij is het licht en het leven van de mensen. “Wie de Zoon heeft, heeft het leven, wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet” (1 Joh. 05:12).

De oudste zal de jongste dienstbaar zijn

En dan die schijnbaar moeilijke, maar o zo mooie, woorden van Paulus waarmee hij deze diepe be­doelingen van God openbaart. De vertaling van prof. Brouwer geeft die zó weer: “Doch niet alleen dit; maar het blijkt nog veel duidelijker bij Rebekka, toen zij een tweetal kinderen zou schen­ken aan Izaäk, onze voorvader. Immers, ofschoon die beide kin­deren één vader hadden, en ofschoon zij nog niet geboren wa­ren en in geen enkel opzicht goed of kwaad hadden gedaan, zo werd -opdat het voornemen Gods zou worden bevestigd, dat naar vrije keus te werk gaat, niet van ’s mensen daden maar alleen van Gods roepen,- zo werd toch tot haar gezegd; de oudste zal de jongste dienstbaar zijn; overeen­komstig hetgeen geschreven staat: Jakob heb Ik lief gehad, maar Ezau heb Ik gehaat”.

Heel Gods verkiezing, zegt Paulus, blijkt nog duidelijker bij Re­bekka dan bij Sara. Twee kinde­ren van één vader, maar de verkie­zing stond vast vóór de geboorte en vóór er sprake kon zijn van zonde. God heeft Ezau natuur­lijk niet gehaat zoals wij dat in het algemeen verstaan. Nee, deze uitdrukking wil zeggen: ‘De keu­ze van het ene dat het andere uit­sluit”. Het is niet andersom moge­lijk want het is naar Gods orde van eeuwigheid. De zoon der be­lofte is dus niet de oudste maar de jongste.

Onderwijzing Gods

Dat het hier in werkelijkheid niet gaat om deze twee jongens blijkt wel uit het woordje “opdat”, wat zeggen wil: “met het doel dat”. “Met het doel dat” het voorne­men Gods zou worden beves­tigd, dat naar vrije keus te werk gaat”. Of: “met het doel dat” Gods vrije raadsbesluit van kracht zou blijven dat niet afhangt van werken” (Petrus Can. vert.). Het is dus een geweldige lering over de verkiezing in Gods raads­besluiten. Door deze geschiede­nis wordt Gods voornemen beves­tigd en toont aan dat Gods vrije raadsbesluit van kracht blijft ongeacht de zonde of de inspan­ningen van mensen. En de onder­wijzing is dat God werkt vanuit Zijn eeuwige verkiezing in Zijn Zoon, Jezus Christus, de Zoon der belofte. En dit is uiteraard niet alleen in verband met Israël maar met de gehele schepping.

De eerste Adam is door God ge­formeerd van stof uit de aardbo­dem en God blies de levensadem in zijn neus en op deze wijze werd de mens tot een levende ziel. Hij is uit de aarde, stoffelijk. De laatste Adam, die het licht en het leven is van de mens, en dit is van den beginne, is uit God en is een levendmakende Geest.

Hij is uit de hemel en bekleed met hemelse heerlijkheid (Gen. 02:07; 1 Kor. 15:45-49; Joh. 01:14). De eerste Adam, de oudste, zal de jongste, de laatste Adam, dienst­baar zijn. De laatste is de Koning en de eerste is de onderdaan. De laatste is het Hoofd en de eerste is het lichaam.

Beiden zijn uit één Vader -God- (Heb. 02:11). Deze verkiezing is voor er iets geschapen was en heeft niet te maken met de zon­deval of menselijke inspannin­gen. Zelf zegt jezus: “Want Gij hebt Mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld” (Joh. 17:24; denk hierbij aan: “Jakob heb Ik liefgehad…”, enz.)

Dit is de grote onderwijzing die in dit gedeelte besloten ligt. Pau- lus gebruikt het hier om te laten zien dat God niet onrechtvaardig is als de verkiezing is in Zijn Zoon, de Koning Israëls, en niet in het Israël naar het vlees, dat zich beroemt op afkomst en be­snijdenis.

Maar ook in deze tijd, waar de mens gepredikt en gezien wordt als een godheid in zichzelf, is de­ze onderwijzing van groot be­lang. “De oudste -de eerste- zal de jongste -de laatste- dienst­baar wezen”. Ja de eerste kan niet eens bestaan zonder de laatste, de Zoon der belofte, die het le­ven is.

God is het die bepaalt

Dat is Gods eeuwige voornemen en daarin is Hij, als Schepper van hemel en aarde en als Schep­per van de mens, volkomen ge­rechtigd.

Niemand is Hem tot raadsman geweest en God is niemand iets ver­schuldigd (Rom. 11:34-35; Jes. 40:13-14). Niemand heeft de be­voegdheid Gods recht te verdraai­en of God ter verantwoording te roepen.

Daarom staat er: “Maar gij, o mens!, wie zijt gij dat gij God zoudt tegenspreken Zal het geboetseerde soms tot zijn boet­seerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? Of heeft de pot­tenbakker niet de vrije beschik­king over het leem om uit de­zelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, en het andere tot alledaags gebruik?” (Rom. 09:20-21; Jes. 29:16).

En om alle twijfel aan Gods on­veranderlijke trouw weg te nemen staat er: “Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van Zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is dat God liegen zou, wij, die tot Hem de toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt” (Heb. 06:17-18).

Gods raad is onveranderlijk, wat de mens ook bedenkt om het om te buigen. Zalig de mens die in deze geloofsrust van God wil bin­nen gaan (Heb. 04:10).

Over wie God zich kan ontfermen

God heeft nooit een natuurlijk volk Israël voor ogen gehad. Een volk wat niet geloofde en niet uit genade wilde leven, maar door eigen werken een eigen ge­rechtigheid wilde handhaven. Deel hebben aan het eeuwige Goddelijke leven, wat toch de be­doeling is van God voor de mens, kan alleen maar in de gena­de die ons vóór eeuwige tijden ge­geven is in de Zoon der belofte, Jezus Christus.

Alleen de mens die dit in geloof wil aannemen, daarover kan God zich ontfermen en kan Hij barm­hartig zijn. Het is helemaal niet de vraag of God anders zou willen want het kan niet anders! Hij kan zichzelf niet verloochenen.

Deze waarheden zijn voor Joden en niet-Joden precies hetzelfde. Dit is de grondslag, het funda­ment, van de schepping. Niemand kan dit verdienen door wilskracht en door flink zijn best te doen, want het wordt in genade ge­schonken. Daarom lezen wij: “Zo hangt het dus niet af van menselijk willen of menselijk pogen, maar van de ontferming Gods” (Rom. 09:16; vert. prof. Brouwer).

Er is geen willekeur bij God. Hij ontfermt zich over allen die zich buigen voor Zijn eeuwige evan­gelie van liefde en genade in de Zoon der belofte, Jezus Christus, en Zijn gerechtigheid willen accepteren.

“God ontfermt zich over wie Hem vrezen”, zegt (Ps. 103:013. Hij ontfermt zich over wie zich bekeert (Jes. 55:07). En wij hebben gezien dat zich maar een rest bekeert (Jes. 10:21-23; zie ook artikel in het december­nummer 1994).

Hij ontfermt zich over het nage­slacht van Abraham; dat is de mens in Christus (Heb. 02:16). En die ‘voorwerpen van ontfer­ming’ zijn wij, zegt Paulus, “die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de hei­denen” (Rom. 09:23-24).

God is Geest en alleen met geeste­lijke mensen kan God in de geest gemeenschap hebben. Al de beloften aan Abraham ge­daan, hadden betrekking op de Zoon der belofte, Jezus Christus, en waren derhalve geestelijke be­loften. Al hebben deze in de schaduw-bedeling een tijdelijke gestalte gehad op aarde, dan toch waren zij slechts een scha­duw van de eeuwige goederen (zie bijv. Heb. 07-10).

Een gedeeltelijke verharding

En dan zegt Paulus tot de heidenen: “Opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn”. De tot geloof geko­men heidenen in de gemeente van Rome bleven eigenwijs en hoogmoedig ten aanzien van de Joden (Rom. 11:20). Het was nu alleen voor de heidenen was hun mening. “Weest niet eigenwijs”, want: Niet het gehele volk Israël is verhard. Het is voor een deel (Rom. 11:25).

Door alle eeuwen heen zijn er uit dit volk dan ook altijd men­sen tot bekering gekomen. En wie tot geloof komt, wordt voor­werp van ontferming en weer geënt op de olijfboom, welke het beeld is van de gemeente van Je­zus Christus (Rom. 11:23).

Allen die tot bekering komen, uit Joden en uit heidenen, wor­den geënt op die ene olijfboom en zijn samen het ware Israël Gods. Ze zijn samen zaad van Abraham en naar de belofte erfgenamen (Gal. 03:29).

Gans Israël zal behouden worden

De gemeente van Jezus Christus gaat tot volheid komen. Openba­ring 10 vers 7 (Openb. 10:07) zegt hiervan: “Maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten heeft verkondigd”.

Paulus sprak al van dit geheimenis als de gemeente uit Joden en uit heidenen (Ef. 02:06; zie ook arti­kel van januari 1995).

En die gemeente is naar het eeu­wige voornemen van God, dat Hij in Christus Jezus onze Here heeft uitgevoerd (Ef. 02:11; zie ook Hand. 15:17-18; Gal. 03:08).

Als de volheid der heidenen bin­nengaat, naar aantal(?), maar vooral naar volmaakte innerlijke volheid, naar het beeld van hun Heer, zal gans Israël behouden zijn. Dus allen die naar Bijbelse normen “Israël” en “Joden” zijn.

Dat zijn dus ook allen die tot be­kering komen uit het volk Israël naar het vlees, ongeacht waar ze hun woonplaats hebben op deze wereld. Dat deel uit Israël zou men dan ‘gans Israël’ kunnen noemen.

Maar aangezien Jezus Christus, Joden en heidenen tot één nieu­we mens geschapen heeft en tot één lichaam, dus zonder enig on­derscheid, geloof ik dat de totale gemeente vanaf Pinksteren, tot­dat de volheid der heidenen bin­nen gaat, gans Israël uit de schep­ping is.

Het is het volk dat uit elke stam en taal en volk en natie, ook het Isra­ël naar het vlees, voor God ge­maakt is tot een Koninkrijk en tot Priesters voor God door de Heilige Israëls, Jezus Christus. Dat is Gods erfdeel, het volk Hem ten eigendom. Dit zegt (Jer. 10:16): “Hij is de for­meerder van alles, en Israël is de stam Zijner erfenis; Here der heerscharen is Zijn naam!”. (Zie ook Ex. 19:05-06;

1 Petr. 02:09 en Ef. 01:14).

Van dit volk zegt God: “Zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn”.

De nieuwe tijd

Dan is de olijfboom, volgens Jeremia 11 vers 16, (Jer. 11:16) volgroeid en schoon van prachtige vrucht. Dan zal de olie van deze prachtige vrucht van de heilige Geest, tot een eeuwigdurend licht zijn voor Gods aangezicht en voor de gan­se schepping. Dan breekt er een geweldige nieuwe tijd aan voor al­le volkeren. Oók voor het Israël naar het vlees! De tijd van de wederoprichting aller dingen, het , Duizendjarig Rijk genoemd, waar­in de leden van de gemeente die duizend jaar als koning-priesters zullen regeren onder hun Koning-Priester, Jezus Christus (Hand. 03:21; Openb. 20:06b).

En als Paulus al deze dingen overdenkt en overziet en neer­schrijft, dingen die allen betrekking hebben op Gods eeuwige raadsbe­sluiten, dan komt hij tot die ge­weldige lofprijzing en zegt: “O diepte van rijkdom, van wijs­heid en van kennis Gods, hoe on­doorgrondelijk zijn Zijn beschik­kingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gege­ven, waarvoor Hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heer­lijkheid tot in eeuwigheid! Amen” (Rom. 11:33-36).

 

Wandelen in het licht (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Vader, niets kan mij van U scheiden,
‘k Wil me ook vandaag in U verblijden,
zingen voor Uw aangezicht.

U mijn zorgen, wensen geven,
dicht in Uw nabijheid leven,
dat is: wand’len in het Licht!

 

 

In Gods schuilplaats (gedicht) (gedicht) P W Heuer

Wie in de schuilplaats Godes is gezeten,
ervaart de krachten van een machtig God.
Hij wordt beschermd en zal steeds zeker weten:
God is mijn hulp, dus zalig is mijn lot.

‘k Hoef niet te vrezen voor de duist’re machten,
ik wordt bewaard, zelfs in de grootste nood.
Ik schuil bij Hem, de duisternis moet wijken.

Het licht is bij mij, want God is groot.

 

Hij, die ’t beloofde, Hij is niet veranderd.

Ik mag ervaren, Gods woord, dat staat vast.

En als ik twijfelde, soms door omstandigheden,
werd ik door Zijn getrouwheid, blij verrast.

Verhoring van gebeden kwamen soms zo anders
dan ik had bedacht, met mijn aards inzicht.

Ik wist nog niet, dat Gods gedachten
omtrent mijn leven, op de eeuwigheid zijn gericht.

 

Daarom schuil ik bij Hem, Hij is mijn Toeverlaat.

Ik voel mij veilig, ’t is de Rots, waarop ik sta.

Hij zorgt voor mij, zo mag ik elke dag
weten dat Hij er is, voor mij, ’t is leven uit gena.

 

Storm door Froukje Huis

Het had al enkele dagen hard gewaaid, maar zo bar als deze morgen was het nog niet geweest. De weerman van de TV had het al voorspeld: stormachtig, vooral langs de kust. De paar laatste bladeren werden met geweld van de bomen gerukt. De naakte takken zwiepten wild heen en weer. De fietsers trapten moeizaam tegen de wind in, terwijl aan de overkant de mensen over de weg ‘vlogen’.

De storm blies uit alle hoeken en gaten vuil en afval tevoorschijn, geen takje bleef onberoerd, elk papiertje moest het ontgelden.

We hadden met de auto boodschappen gedaan en stonden voor een verkeerslicht te wachten.

“‘t Waait verschrikkelijk vandaag”, merkte ik op. “Moet je die mensen zien zwoegen!” “Ja”, beaamde mijn echtgenoot, “zo erg is het nog niet geweest”.

Bij de tramhalte stond een werkwagen van de HTM en twee mannen waren bezig een soort platform te beklimmen, dat ver boven de wagen uitstak. “Er is zeker wat met de stroomdraad!” “Ja, kijk er hangt een stuk plastic overheen”. Een groot stuk plastic was over de stroomdraad gewaaid, keurig aan weerskanten een stuk. Geen tram zou deze plaats kunnen passeren.

Eén van de mannen op het platform probeerde een tip van het plastic te pakken maar het hing net iets te hoog. Vol spanning keken we toe. Hij rekte… en rekte… bijna… ja, zijn vingers raakten het plastic! Hoei, blies de wind en de tip schoot omhoog. Mis!

De man zocht wat meer steun en deed een volgende poging. Ja, hij was er vlakbij… nog even… We hielden onze adem in… Hoei, kwam de wind weer tussenbeide. Mis! Ook de derde keer was de wind hem voor, maar de mannen gaven het niet op.

“Is dat niet gevaarlijk?”, vroeg ik. “Dat platform is natuurlijk geïsoleerd. Zolang ze niet met de aarde in contact komen, kan er niets gebeuren”.

Het verkeerslicht sprong op groen. De man was weer in actie en met verdraaide hals bleef ik kijken. Juist toen we passeerden kreeg hij het plastic te pakken.

“Ja, ‘t is gelukt”, juichten wij en reden lachend naar huis.

In ons geestelijk leven kan het soms ook stormen. Een onverdiend standje, een verdrietige gebeurte­nis, een mislukking of een ziekte, kunnen ons plotseling uit ons evenwicht brengen en onze voort­gang in het Koninkrijk Gods belemmeren. Misschien worden we depressief of opstandig, verdrietig of boos, zeker is dat er stagnatie komt in onze geestelijke groei en dat heeft ook gevolgen voor onze omgeving. Daarom is het van het grootste belang, dat we gauw onze ‘stroomdraad’ weer vrijmaken. Hoe? Door op het platform te klimmen, dat wil zeggen de hemelse gewesten binnen te gaan! Want je moet loskomen van de aarde, immers we willen niet bezig zijn met onze problemen, maar met de dingen die ‘boven’ zijn, daar waar Christus is. Dan kunnen we in Zijn naam het obstakel verwijderen. Misschien lukt het niet direct, maar de Bijbel leert ons dat er volharding nodig is om Ie verkrijgen hetgeen beloofd is.

Vrienden, laten we met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt en ons oog alleen gericht houden op Jezus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof.