1993.03 nr. 346

Levend geloof 1993.03 nr. 346

Schatten in de hemel door Gert Jan Doornink

“Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbreken en stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch moet noch roest ze ontoonbaar maakt en waar geen dieven inbreken en stelen. Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn” (Matt. 06:19-21).

Waar verzamelen wij onze schatten?

Bij alle verschillen die er soms nog zijn met betrekking tot de interpretatie van het evangelie, is één ding overduidelijk en niet voor misverstand vatbaar: de uitspraken die Jezus deed waren altijd heel radicaal en kenden geen compromis. Het was bij Jezus altijd: vóór of tegen, wit of zwart, licht of duisternis, waarheid of leugen, positief of negatief.

Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit de woorden die Hij uitsprak tijdens zijn eerste grote rede op de berg over het verzamelen van schatten op aarde of in de hemel. Wat bedoelt Jezus daarmee?

Verzamelen duidt op bijeenbrengen, sparen, bezig zijn. Het heeft hier zeker niet de betekenis van een hobby waar je in je vrije tijd mee bezig bent. ‘Het hart’, de diepste kern van ons bestaan, is er volledig bij betrokken.

Jezus geeft hier aan dat je hart óf betrokken is bij de aardse, voorbijgaande dingen, óf bij de hemelse, eeuwige dingen. En Jezus geeft óók aan wat het belangrijkste is, waarom het werkelijk gaat!

Zolang de mens nog onder de invloedssfeer van de vorst der duisternis leeft, staan de aards# zaken nummer één, maar zodra de mens een ‘nieuwe schepping in Christus’ is geworden, weet hij dat het primair gaat om de hemelse zaken.

Het is Gods bedoeling dat wij ons dat steeds weer realiseren, want de nieuwe mens in Christus heeft de keuzemogelijkheid en zal steeds opnieuw de goede keuze behoren te maken: vóór het Koninkrijk van God en tégen het rijk der duisternis!

Hebben wij onze geestelijke plaats ingenomen?

Vanuit onze hoge positie -we zijn immers met Christus geplaatst in de hemelse gewesten- kunnen wij terugschakelen of vooruit schakelen, om dit beeld even te gebruiken. Wie terugschakelt valt weer op de aarde met alle negatieve gevolgen van dien. Hij kan dan nog wel godsdienstig bezig zijn en zelfs zeer actief, maar het is een ‘verzamelen van schatten op aarde’. De uiteindelijke gevolgen zijn bijzonder negatief, laat Jezus ons zien. (Denk ook aan de gelijkenis van de ‘rijke dwaas’ uit Lucas 12).

Nu zijn er ook veel christenen die nog nooit hun plaats met Christus hebben ingenomen in de hemelse gewesten. Zij kunnen daarom ook niet terugvallen, want zij leven al op aards niveau.

De duivel is op twee fronten zeer actief: hij probeert dat wij onze plaats in de hemelse gewesten loslaten, óf hij probeert dat we deze plaats niet in zullen nemen. Geen wonder dat hij zich dag en nacht inzet voor dat doel. Hij is immers zelf een gevallen engel. Als aartsengel Lucifer (lichtdrager) had hij eens een belangrijke positie bij de troon God. Maar hij kwam door hoogmoed ten val.

Gelukkig weten wij dat God Zijn schepping niet losliet en uiteindelijk zal zijn totale afgang plaatsvinden, zoals dat beschreven staat in het laatste Bijbelboek. Ondertussen leeft en functioneert de gemeente van Christus in een ‘overgangstijd’. Na de komst van Jezus (die Hem reeds volkomen overwon en daardoor onze Verlosser èn ons Voorbeeld is) en na de ‘uitstorting’ van Gods Geest, maar vóór de eindvoltooiing aller dingen.

Er moet nog heel wat gebeuren, laat Gods Woord ons zien. Laten we niet in de fout gaan door alles vast te gaan leggen: zó gaat het allemaal gebeuren. Hele boekenkasten zijn al volgeschreven met allerlei theorieën over de eindtijd, maar dan op aards niveau. Alleen wie geestelijk leert denken en leven laat zich niet beïnvloeden of afremmen door de vele aardsgerichte leringen. Hij houdt het einddoel -de volkomenheid in Christus- in het vizier en is daardoor bezig ‘schatten te verzamelen in de hemel’.

Ook gaat hij op deze weg steeds meer ontdekken van Gods volle heerlijkheid, die Hij in Zijn grote liefde wil delen met allen die Hem met een waarachtig hart willen dienen. En wat is er nu heerlijker dan op déze wijze rijk te worden? Het is een dagelijks aanwezige intense blijdschap die dan ons hart vervult. Temidden van alle omstandigheden en felle aanvallen uit het rijk der duisternis kunnen wij standhouden, want ons geestelijk huis is niet op het zand gebouwd, maar op de rots.

Onze schat is verankerd in de hemel. Daar is ook ons hart en daardoor zijn we voor eeuwig rijk in God.

 

Beloften voor Sion door Tea Keuper Dijk

“Want uw schepper zal uw ‘echtgenoot’ zijn. Here van de hemelse legers is Zijn naam; Hij is uw verlosser, de Heilige van Israël, de God van de hele aarde” (Jes. 54:05, vert. Het Boek).

In Jesaja staan zulke rijke beloften voor het volk van God, dat in Sion woont. Dit volk zijn door alle eeuwen heen de mensen, die God als hun Heer erkennen en Zijn plan met de wereld. Hen, die Zijn keuze tot hun keuze maken. Kinderen van God vormen een heilige natie, een volk dat Gods eigendom is.

Onze schepper God wil onze echtgenoot zijn, Degene met wie wij alles kunnen delen. Omdat God Geest is, betreft het hier iets van onze geest. God, door Zijn Geest samen met onze geest.

Scheiding kwam door zonde. Toen Jezus aan het kruis onze zonden droeg, was Hij hierdoor van God verlaten, onder de vreselijke vloek van de zonde. Zijn gemeenschap met God moest in die uren verbroken worden. Denkt u zich dat eens in; wat een lijdensweg voor onze Jezus, die geen zonden deed, die geen compromissen sloot. Toen Jezus uiteindelijk kon uitroepen: ‘Vader, in Uw handen beveel Ik mijn geest’, was de overwinning behaald. Het offer gebracht, door gehoorzaamheid aan de Vader, gerechtigheid geschied, door liefde jegens ons.

Wij mogen ons ‘verlosten des Heren’ weten, als wij naar Sion komen en daar onze woonplaats kiezen, onder Gods bescherming. Er zullen aanvallen zijn vanuit het rijk der duisternis, maar God geeft ons de verzekering dat we niet bang behoeven te zijn; verschrikking zal tot ons niet naderen. Wie ons aanvalt zal óver ons vallen (vs.15).

Ik heb Sion als mijn geestelijke woonplaats gekozen. Daar mag ik samen met de Heer een huis bouwen en een lofgewaad weven, tot eer van Zijn Naam en tot verbreiding van Zijn Rijk! (Lees ook hierover Psalm 87, Sion de stad der volken).

 

In het Sion Gods (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Ik wil U danken voor Uw schuilplaats, Heer,
de stad, waarin ik bij U, God, mag wonen!

Waar U mij leert de vijand te onttronen:
geen rouw, geen angst, en onderdrukking meer.

 

Mijn Heer en God, U neemt mij bij de hand
en leidt mij door het vuur, ’t zal mij niet deren,
omdat Uw heiligheid alleen dót zal verteren,
waarmee Uw vijand mij heeft aangerand!

 

Ik mag gaan staan, U richt Uw kind’ren op,
die naar Uw wil en in Uw waarheid wand’len.

U leert mij als verloste denken, hand’len,
opent Uw hart, waaraan ‘k vrijmoedig klop!

Tea Keuper-Dijk

 

Gebed en gemeentegroei door Henk Annotee

Wat hebben het gebed en de groei van de gemeente met elkaar te maken? In dit artikel worden enkele aspecten van dit onderwerp behandeld, om vervolgens tot de conclusie te komen dat gebed en gemeentegroei niet los van elkaar mogen worden gezien, (-red.)

Wat is gebed?

Er zijn verschillende redenen die mensen bewegen tot gebed. Er is bijvoorbeeld een gebed waarin je alleen maar tegen God aanpraat en Hem degradeert tot praatpaal. Dan is er van luisteren geen sprake.

Soms bidden mensen om persoonlijke verlangens ingevuld te krijgen. In dat geval wordt er een verlanglijstje aangeboden met het verzoek om honorering.

Ook zijn er mensen die alleen de noodzaak van bidden inzien bij grote nood, bijvoorbeeld een ernstige ziekte. Zij beschouwen God als een soort S.O.S., een oproepbare hulpdienst bij rampen.

Wat is gebed dan wel? In het gebed wordt een relatie onderhouden tussen Maker en het gemaakte. Schepper en het geschapene. Vader en kind! Gebed is dus het onderhoud van een relatie. Gebed is luisteren en beluisterd worden. Gebed is vragen en bevraagd worden. Gebed is hulp verwachten en een hulp kunnen zijn.

Voorwaarde en verhoring

Hoe bidden we? Er gaat een belangrijke voorwaarde vooraf aan bidden. Dat is dat wij de Vader kennen. Wij kunnen alleen, op de juiste manier bidden als we naar de wil van de Vader bidden, anders heeft ons bidden geen zin.

En om de wil van de Vader te kennen moeten we heel dicht bij Hem leven, net als Jezus. Zo dichtbij dat wij kunnen horen wat Hij zegt en kunnen zien wat Hij doet.

Hoe zit het met de verhoring? Maakt iedere christen wonderen van genezing mee in geest, ziel of lichaam? Ja en nee. Er zijn wel degelijk wonderen in de levens van christenen, maar ze worden nog niet altijd opgemerkt. Men zit nog vaak zo dicht voor de geestelijke realiteit. Toch geeft God in Zijn grote genade wonderen van genezing in ons midden.

Eén van de kenmerken van kinderen Gods is dat ze door geloof, verwachting en vertrouwen ontvangen wat ze geloven. Ik ben er van overtuigd dat gebedsverhoring voor ieder werkelijk kind van God een realiteit is. Is er geloof, is er vertrouwen, gevolgd door gebed, dan is er ook verhoring!

Tweeërlei groei

Voordat we nu wat aspecten van de groei willen belichten, eerst een definitie van het begrip

‘gemeente!. Want wat is een gemeente. Een gemeente is een groep mensen die absoluut veilig bij elkaar thuis kunnen komen. Bij elkaar in het hart kunnen kijken. Elkaar troosten en bemoedigen, met elkaar de verdere openbaring van God zoeken.

Bij groei denk ik als eerste aan geestelijke groei van ieder kind van God persoonlijk. Daarbij groeien we uit naar het instaat zijn van alle goed werk.

In het paradijs is aan deze opdracht nog niet voldaan: de schepping bewaren en onderhouden. Daar hebben mensen hun eerste onschuldige liefde verloren. Het is aan ons om die liefde terug te vinden en dankzij Jezus zullen wij onze plaats in het Koninkrijk van God weer vinden.

Daarbij zullen we de strijd niet moeten schuwen. Een strijd niet tegen God of tegen mensen, maar tegen gevallen engelen (Ef. 06:12). Bij dit alles zullen wij leren om scheiding te maken tussen het Koninkrijk van God en dat van satan. Deze strijd gaat ook mede onze groei bepalen.

Daarmee bezig zijnde mogen wij dan ook nog werken aan groei in aantallen van mensen. De ervaring leert evenwel dat christenen die oppervlakkig leven, een grote waarde hechten aan groei in aantallen van mensen.

Toch mag ook dat belangrijk zijn, want als wij echt eerst geestelijk groeien, dan komt er een dag dat dit gezien en gemerkt gaat worden en dat mensen dat willen navolgen. Want het evangelie is niet voorbehouden aan een selecte groep mensen. Het evangelie is voor iedereen! Wat staat er in Timótheüs?: “Ik vraag je dringend het woord van God door te geven als je daar de kans voor krijgt!”

Het verschil met vroeger

In het Oude Testament gaf God de Israëlieten geen opdracht tot zending. Nergens lees je de opdracht om de bewoners van Kanaän op te roepen tot bekering. Nee, het was zelfs verboden om met ze in zee te gaan.

De opdracht die ze kregen was om land te veroveren, want het vee zou moeten eten en het gewas zou moeten kunnen groeien. Verder was er alleen een in stand houden van het volk zelf en de natuurlijke aanwas daarvan.

In onze gemeenten kan iemand ook alleen maar komen door geboorte (opnieuw geboren worden) en moet er genoeg voedsel zijn (Woord van God).

In het Nieuwe Testament komt daar verandering in en het is Jezus

zelf die ons daartoe oproept. Hij geeft als eerste het sein tot gemeentegroei: “Gaat heen en maak al de volken tot Mijn discipelen… (Matt. 28:19).

Waarom gebed en gemeentegroei bij elkaar horen

Waarom de koppeling gebed en gemeentegroei? Omdat om tot groei te komen gebed nodig is. Anders geformuleerd: als er geen gebed is, dan is er ook geen groei. Een gemeente die wil groeien zal in meerdere opzichten op weg moeten gaan. Onderweg ontdekken we eerst de noodzaak van het gebed, daarna verklaren we ons bereid tot de strijd en tenslotte blijkt dat uit te werken in groei.

Elke gemeente kan rekenen op tegenwerking bij het in stand houden van de gemeente. Werkelijk oorlog zal er dus komen als er zelfs maar aan uitbreiding gedacht wordt. Zijn we er klaar voor? Laten we zorgvuldig en wijs te werk gaan en duidelijk zijn, zodat er geen twijfel kan bestaan aan onze bedoelingen.

Dan volgt er op de opdracht van Jezus ook een belofte, namelijk: “Zie, Ik ben met u, al de dagen…” (vs.20). “Ik ben met u”, betekent dat het goed zal gaan.

Iedere gemeente heeft groei als doel. Anders zullen niet alle volken bereikt kunnen worden.

Gehoorzaamheid aan de opdracht van Jezus zal ons aansporen tot actie. Geld en goederen spelen daarbij geen echte rol, wel hoop en verwachting!

Laat iedereen zich dus inzetten en doen wat en waar we maar kunnen.

Daarbij mogen we de overtuiging hebben dat we met een goed werk begonnen zijn en dat de Heer het zelf zal volmaken!

 

Persoonlijk… door redactie

In dit nummer treft u het laatste deel aan van de bijbelstudieserie over ‘De Gemeente in de eindtijd’, gebaseerd op het boek Openbaring. In 14 afleveringen probeerde Jan Kees Roose antwoord te geven op de vele vragen rondom dit onderwerp en speciaal over het laatste Bijbelboek. Naar onze mening is hij hierin volledig geslaagd en we zijn dan ook dankbaar dat wij deze serie, konden publiceren.

Uiteraard zal ook in de toekomst het boek Openbaring nog veelvuldig aan de orde komen in “Levend Geloof’, want we leven in een tijd waarin wij door Gods genade steeds meer geestelijk licht, op verschillende dingen die nu nog ‘verborgen’ zijn, ontvangen. En dat willen wij met blijdschap en in gehoorzaamheid doorgeven.

Wat het boek Openbaring betreft verwijzen wij ook nog even naar de eerder verschenen serie artikelen van Klaas Goverts, die later werd uitgegeven in een drietal brochures die nog steeds verkrijgbaar zijn (zie blz. 32).

 

De geestelijke oorlog door Wim te Dorsthorst

Dat er nog nooit zoveel oorlog gevoerd is als in deze tijd, zal niemand ontkennen. Hoe weinigen beseffen echter, dat er vanaf de zondeval een enorme geestelijke oorlog woedt, die in het einde der tijden zijn hoogtepunt zal vinden en beslist zal worden in het ‘dal der beslissing’ (Joël 03:14). Of wat Johannes noemt in Openbaring 16 vers 16 (Openb. 16:16): ‘Harmagedon’.

Alle strijd en oorlog in de zichtbare wereld is de afspiegeling van de geestelijke oorlog in de hemelse gewesten. Wat de vijand voor ogen heeft in deze geestelijke oorlog is, zoals wij in Daniël 7 vers 25 (Dan. 07:25) kunnen lezen, ‘om de heiligen des Allerhoogsten te gronde te richten’.

De grootste misleiding van de duivel is, dat hij zelfs in de kerken, waar men zich toch christen noemt, bewerkt dat zijn bestaan als een fabel uit de middeleeuwen beschouwd moet worden. In de New-Age beweging heet het dat de duivel een uitvinding van de christenen is.

De gedachten van satan kennen

Toch zijn het juist de ware christenen, -bekeerd, gedoopt en vervuld met de heilige Geest-, die inzicht hebben in de geestelijke wereld. En die ook begrijpen dat der gelijke uitspraken nu juist door de grote misleider -de duivel zelf- geïnspireerd zijn.

Ook dit volk van God echter zal voortdurend verleid worden te geloven dat het allemaal niet zo’n vaart zal lopen. Maar de Bijbel is heel duidelijk en roept op tot voortdurende waakzaamheid, om nuchter te zijn, omdat de duivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden (1 Petr. 05:08). Maar zeker ook omdat de satan zich voordoet als een engel des lichts (2 Kor. 11:14).

Het wordt de hoogste tijd dat het volk van God het bestaan en de werkingen van de duivel met zijn legers demonen serieus gaat nemen. En dan niet om, zoals sommigen in de gemeente van Thyatira, de diepten van satan te leren kennen, want dat is uit de geest van Izébel, maar om zich te kunnen wapenen tegen de verleidingen en listen van de duivel (Openb. 02:20-24). Zijn gedachten, bedoelingen en werkwijzen hoeven niet langer onbekend te zijn (naar 2 Kor. 02:11).

De duivel ontmaskerd

In de dagen van het Oude Verbond werkte de duivel ook, maar het was voor de meesten een verborgenheid.

Pas in het Nieuwe Testament zien we de ontmaskering van de duivel en zijn boze geesten. Jezus heeft ze het masker afgerukt en ze als de veroorzakers van alle kwaad, ziekte, onheil, haat en geweld openlijk tentoongesteld. Hij heeft over ze gezegevierd.

Niet alleen aan het kruis, maar tijdens Zijn hele bediening op aarde. Petrus vat het in Handelingen 10 vers 39 (Hand. 10:39) zo samen: “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren, want God was met Hem”.

Tot ons onderricht geschreven

Toch zijn al de geschiedenissen, verhalen en gebeurtenissen in het Oude Testament ook tot ons voorbeeld, onderricht en waarschuwing opgeschreven, zegt Paulus. Over ons, over wie ‘het einde der eeuwen’ gekomen is (Rom. 15:04; 1 Kor. 10:11). En juist wat die geestelijke oorlog betreft, is hetgeen dat oude volk overkomen is, een duidelijke illustratie van wat God met het ware Israël Gods bedoelt.

Als wij het verhaal lezen hoe het volk Israël in Egypte in slavernij werd gehouden en zelfs uitgeroeid dreigde te worden, dan weten wij dat het voor ons nu niets meer te maken heeft met het land Egypte in het Midden-Oosten.

Uit het slavenhuis verlost

Egypte is een beeld van het rijk van satan die alle mensen gevangen houdt. Micha 6 vers 4 (Micha 06:04) zegt zo typerend: “Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte en uit het slavenhuis heb Ik u verlost”.

De duivel heeft de mensen die van God zijn en die hij als een beschuttende cherub had moeten dienen en beschermen, geroofd en allen in zijn slavenhuis gebracht (Ez. 28:14; Joh. 10:10a).

God heeft ook ons nu uit dit slavenhuis Egypte verlost, uit de macht der duisternis, en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde (Kol. 01:13).

In het einde der tijden zal de hele wereld uit dat slavenhuis verlost worden onder grote wonderen en tekenen van Jezus Christus en zijn gemeente (Openb. 15:05; Openb. 16:21).

God en de afgoden

Eenmaal verlost uit Egypte zou je denken dat het met dat volk Israël verder wel zonder moeite zal verlopen. Niets is echter minder waar. Vanaf nu is het een volk dat gehaat wordt en door alle volken, stammen en natiën voortdurend bedreigd en onderdrukt en zo mogelijk wordt uitgeroeid.

Wat we vooral zien is dat Israël altijd weer verleid werd hun knieën te buigen voor de góden van de volken die rondom hen waren. Het lijkt in de Bijbel wel een gevecht tussen God en de afgoden. Het volk ging hierin soms zover dat God hen overgaf in de macht van de góden die ze dienden (Richt.6:l) en ze uit het land Kanaän liet verwijderen omdat ze dat land en Gods Naam ontheiligden (2 Kon. 23:27; Ez. 36:16-20).

Als we nu twintig eeuwen christendom overzien dan is het niet overbodig te zeggen, dat deze verhalen een geweldige waarschuwing inhouden voor het volk van God nu, in deze tijd.

Overheden en machten

Al die volken, zoals de Kanaänieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Edomieten, de Amelekieten, de Filistijnen, enz., bestaan als volk in het Midden-Oosten al lang niet meer. Maar het gaat nu ook niet meer om volken, om mensen, maar om geestelijke machten, geestelijke wezens in de hemelse gewesten, die allemaal een bepaalde vorm van kwaad in die mensen uitwerkten en dat tegen het volk van God richtten. De koning van zo’n volk was in de geestelijke wereld verbonden met een grootmacht uit het rijk van satan. In de geestelijke wereld was dat de vorst van het volk, zie hiervoor de geschiedenis in Daniël 10 vers 12, 13, 20 en 21 (Dan. 10:12-13; Dan. 10:20-21).

Vandaag de dag is dat nog precies hetzelfde. Daarom spreekt Paulus in Efeziërs 6 ook over ‘overheden, machten, wereldbeheersers dezer duisternis en boze geesten in de hemelse gewesten’ (Ef. 06:12). En de overste van al die overheden en machten, van de macht der lucht, is de duivel zelf, die de overste van deze wereld genoemd wordt , (Ef. 02:02; Luc. 11:15; Joh. 12:31)‘

De grote verleider

Wat het volk van God duidelijk moet gaan zien, is dat diezelfde volken, diezelfde groeperingen van boze geesten in de hemelse gewesten met hun vorsten, nu strijd voeren tegen het geestelijk Israël, het hemelse Jeruzalem.

Vanuit het Woord van God is van al die volken wel een omschrijving van hun wezen te geven, waaruit het kwaad blijkt wat ze gebruiken tegen Gods volk. Het zou nu te ver voeren dat hier uit te werken. Maar de duivel en zijn rijk is niet veranderd en hij zal met list en bedriegerijen, en vooral verleiding, trachten het volk van God weer op aarde te werpen.

Verleiding is zijn sterkste wapen. Johannes zegt dat de satan de verleider van de gehele wereld is (Openb. 12:09). Maar hij is dat zeker ook van de uitverkorenen (Matt. 24:24). Jezus gebruikt het woord ‘verleiders’ viermaal in Matteüs 24, als hij waarschuwt tegen valse Christussen, profeten en leraren. Hij verleidt met schoonklinkende woorden zoals hij dat ook al bij het eerste mensenpaar gedaan heeft.

Het verbond van de volken

Er is werkelijk oorlog te voeren! Johannes schrijft in Openbaring dat de draak en zijn engelen oorlog voeren. De psalmist Asaf schetst er een duidelijk beeld van, als hij zegt:

“O God, houdt U niet stil, zwijg niet, en blijf niet werkeloos, o God. Want zie, uw vijanden tieren, uw haters steken het hoofd op; zij smeden een listige aanslag tegen uw volk en beraadslagen tegen uw beschermelingen.

Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt gedacht.

Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een verbond gesloten: de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagerenen, Gebal, Ammon, Amelek, Filistea met de inwoners van Tyrus; zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd, zij zijn de zonen van Lot tot steun” (Ps. 083:002-009).

Dit is een duidelijke omschrijving van de bedoelingen van satan die ons bekend moeten zijn. Een andere vertaling zegt in vers 5: “Hun kreet is: vooruit, uitroeien dat volk!, dat niemand meer noemt de naam Israël”.

Jezus zegt: “Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden en gij zult door alle volken gehaat worden om mijns naams wil” (Matt. 24:09). Dit zal zelfs in de zichtbare wereld realiteit worden, maar het wordt gedirigeerd door het rijk van satan.

Zeker, er is weinig tegenstand geboden in de voorbije eeuwen en christenen waren een makkelijke prooi voor de vijand, die in overvloedige grootspraak zegt: “Ja, mijn hand greep naar het vermogen der volken als naar een vogelnest, en zoals men verlaten eieren opraapt, raapte ik de ganse aarde weg, en er was niet één die een vleugel verroerde, de snavel opendeed of piepte” (Jes. 10:14). En het lijkt er soms op of het ook nog waar is ook.

Een volk Gode ten eigendom

Maar juist uit deze toenemende duisternis roept God een volk te voorschijn dat Hem uit liefde zal dienen.

Daniël spreekt van ‘het volk in het laatste der dagen’ (Dan. 10:14).

Petrus noemt het ‘een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht’ (1 Petr. 02:09).

Het is dit volk, de gemeente van Jezus Christus, die af zal rekenen met al die volken, met al die machten in de geestelijke wereld, die geroofd en geplunderd hebben en die zullen zeggen: geef terug!

Gericht oefenen

God gaat de afrekening leggen in de hand van Zijn volk. Al de profeten spreken over de ondergang van al die volken die het volk Israël altijd omringden. Soms wordt dat erg realistisch en bloederig beschreven, maar dan weten wij dat het gaat om een beeldverhaal om ons iets te leren. God zelf, maar ook Zijn volk, heeft nooit en zal ook nooit een strijd voeren tegen vlees en bloed.

In Ezechiël 25 vers 12 tot 14 (Ez. 25:12-14) staat een heel korte profetie tegen Edom. En dan zegt vers 14: “En mijn wraak op Edom zal Ik leggen in de hand van mijn volk Israël; dat zal Edom behandelen naar de eis van mijn toom en van mijn grimmigheid; zij zullen mijn wraak leren kennen, luidt het woord van de Here, Here”.

En dit volk Israël is niet het volk in het Midden-Oosten, maar dat is het boven omschreven volk, de gemeente van Jezus Christus.

Heilig en volmaakt zijn

Eerst zal iedere gelovige in de gemeente, en samen met de gemeente, in eigen leven de oorlog voeren tegen al deze volken, tegen al die vormen van zonde, kwaad en ongerechtigheid.

Deuteronomium 7 vers 25 en 26 (Deut. 07:25-26)zegt in beeldspraak hierover: “De gesneden beelden van hun góden zult gij met vuur verbranden; het zilver en het goud daarvan zult gij niet begeren en u niet toe-eigenen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt, want het is een gruwel voor de Here, uw God. En gij zult geen gruwelen in uw huis brengen, zodat gij zelf evenzo onder de ban zoudt komen; gij zult het ten sterkste verfoeien en verafschuwen, want het ligt onder de ban”.

Gods volk zal even heilig dienen te zijn als hun Heer en volmaakt dienen te zijn als hun Vader in de hemel (Matth.5:48). Eeuwenlang is Gods volk verleugent en misleid dat dit een hersenschim zou zijn. Maar in ‘het volk van het laatst der dagen’ getuigt en overtuigt de heilige Geest met grote kracht en zal het geschieden zoals de Heer het gesproken heeft.

De grote overwinning

Micha zegt: “Sta op en dors, gij dochter Sions; want Ik zal uw hoorn van ijzer maken en uw hoeven van koper en gij zult vele volken verbrijzelen en gij zult hun onrechtmatig gewin door de ban aan de Here wijden en hun vermogen aan de Here der ganse aarde” (Micha 04:13).

“Hun koningen zal Hij in uw macht geven, zodat gij hun naam van onder de hemel doet verdwijnen; niemand zal tegen u stand houden, totdat gij hen verdelgd hebt” (Deut. 07:24).

“Want Gaza zal verlaten zijn, en Askelon tot een woestenij worden, Asdod zal men op de middag verdrijven en Ekron zal ontworteld worden. Wee u, bewoners der zeekust, volk der Kretenzen. Het woord des Heren is tegen u, Kanaän, land der Filistijnen, en Ik zal u te gronde richten, zodat er geen inwoner meer zal zijn” (Sef. 02:04-05).

Psalm 149 bezingt deze dingen in een triomflied: “Want de Here heeft een welbehagen in zijn volk. Hij kroont de ootmoedigen met heil. Laten de vromen juichen met eerbetoon, jubelen op hun legersteden. De lof verheffingen Gods zijn in hun keel, een tweesnijdend zwaard in hun hand, om wraak te oefenen aan de volken, bestraffingen aan de natiën; om hun koningen met ketenen te binden en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te voltrekken. Dat is de luister van al zijn gunstgenoten. Hallelujah” (Psalm 149:004-009).

Er is oorlog en niemand die bij die gunstgenoten wil horen, kan er aan ontkomen. Want hoe verdeeld het rijk van satan ook is, tegen dit volk des Heren hebben ze eensgezind een verbond gesloten om het te vernietigen. Maar het zal satan en zijn demonen niet gelukken en het beschreven vonnis zal aan hen voltrokken worden, zodat hun naam voor eeuwig verdwenen zal zijn. Hallelujah!

 

‘Het wonder van het leven” door de redactie

Eén van onze meest gevraagde brochures is “Het wonder van het leven . Het boekje, dat geschreven is door de eindredacteur vertelt in het kort over de oorsprong van het leven, de beschadiging, het nieuwe leven in Christus, de rijkdom en ontwikkeling van het nieuwe leven, de laatste vijand en het grote toekomstperspectief. Wanneer u dit boekje nog niet hebt gelezen, raden wij aan het aan te schaffen. Het is fraai geïllustreerd met tekeningen van Duurt Sikkens en leent zich ook uitstekend voor verspreiding.

 

Liefde door Duurt Sikkens

“… de liefde Gods in onze harten … (Rom. 05:05).

Je kan als God van mensen houden, want Petrus schrijft dat je deel kunt krijgen aan de Goddelijke natuur? Hoe? Als je Jezus gelooft wanneer Hij zegt dat Hij wil dat waar Hij is ook zijn dienstknecht zal zijn. Niet na je aardse dood maar na je geestelijke dood en opstanding. Of anders gezegd na je wedergeboorte. In het Grieks staat er: boven geboren. ‘Boven’ is in het Koninkrijk van God.

Als je daar bent geboren, ga je daar ook leven en werken. Kan dat dan? In Johannes 3 vers 13 (Joh. 03:13) staat dat Jezus in een nachtelijke gesprek met een theoloog zegt: “Ik ben neergedaald, de Zoon des mensen die in de hemel is”.

Je leeft zo te zien op aarde, maar in je geest in Gods land. Daar leer je liefhebben zoals God, wanneer je van Zijn geest hebt gekregen, dan wordt de liefde van God in je hart uitgegoten. Er staat ‘van’, niet ‘voor’! Dat wil zeggen: Zijn liefde voor de hele schepping.

Wanneer mannen en vrouwen, opgevoed door de Vader en vol van Zijn liefde, op aarde openbaren gaan (‘neerdalen’) wie God is en wat Hij doet, komt er weer leven in de krakende en doodzieke schepping. Zij binden de strijd aan met de overste van deze wereld, uit liefde voor die wereld en zo worden eindelijk de andere zonen Gods geopenbaard (Rom. 08:19).

 

De eenheid zoals God bedoelt door Gert Jan Doornink

Wat is er over ‘eenheid’ al veel gezegd en geschreven. Toch is het een onderwerp wat telkens weer aandacht verdient omdat het een belangrijk onderdeel vormt ten aanzien van de beleving van ons geloof. Mogelijk worden er in dit artikel enkele nieuwe gedachten aangereikt die het overdenken waard zijn.

Onze uitgangstekst daarbij is Jakobus 2 vers 19 (Jak. 02:19), waar de apostel schrijft: (a) “Gij gelooft, dat God één is? Daaraan doet gij wèl, maar (b) dat geloven de boze geesten ook en zij sidderen”. (Petrus Canisius vertaalt: “Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!”. Feitelijk bestaat deze tekst uit twee gedeelten, die wij al hebben aangegeven met a en b.

In ons artikel ‘Goede werken als bewijs van ons geloof (in “Levend Geloof’ van december 1992) hebben wij de nadruk gelegd op de eenheid van Gods openbaring, dat wil zeggen: Gods werken zijn in overeenstemming (vormen een eenheid) met Zijn wezen, zijn dus volkomen, volmaakt en goed. Jakobus brengt dit in verband met ons geloof, dat óók één behoort te zijn met onze werken (Jak. 02:26).

Hier raken we een belangrijk kernpunt: Hoe is het gesteld met ons geloofsleven? Met ons innerlijk leven? Is er eenheid in ons denken? En vanuit ons denken in ons spreken en handelen? Er behoort een eenheid in onszelf te zijn. Wij kunnen ons niet veroorloven innerlijk verdeeld te zijn.

Paulus zegt in 2 Korinthiërs 13 vers 5 (2 Kor. 13:05): “Stelt uzelf op de proef, of’ gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf’.

Om welke eenheid gaat het?

Velen denken bij het woord ‘eenheid’ ogenblikkelijk aan eenheid op het horizontale vlak. Dat is bij hen het summum. Daar gaat het om. Maar ik geloof dat we dan een grote fout maken. De resultaten en teleurstellingen zijn er dan ook naar. Talrijk zijn de eenheidspogingen die schipbreuk lijden. Ja, op een grote conferentie gaat het nog wel. Maar na afloop gaat ieder weer zijn eigen weg.

Maar dat is toch niet verkeerd?, kan men opmerken. Natuurlijk hebben we te maken met veelkleurigheid onder de kinderen Gods en zingt ieder vogeltje zoals het gebekt is. Als het daar nu maar bij bleef, was er niets aan de hand. Maar al spoedig gaan we elkaar bestrijden: Ik heb gelijk, jij hebt ongelijk. Alleen mijn visie is de juiste visie, enz.

Het spreekt vanzelf dat Gods Geest daarin niet de hand heeft.

De oorzaak ligt veel dieper. Er is geen eenheid in onszelf. We zijn innerlijk verdeeld. Niet Gods Geest, in samenwerking met onze geest, heeft het voor het zeggen, maar allerlei verkeerde geesten vibreren mee.

We halen’ dan wel Jezus aan, die in het zogenaamde Hogepriesterlijke gebed (Joh. 17) bad om de eenheid, maar zien over het hoofd dat de eenheid waarvoor Jezus bad onlosmakelijk verbonden was met de volkomen eenheid die Hij had met de Vader en dat de eenheid met onze medegelovigen alleen dan gerealiseerd kan worden (tot een werkelijke eenheid uit kan groeien) als ook wij ernst maken met te werken aan deze eenheid.

De eenheid van Jezus met de Vader

Als Jezus bidt voor de eenheid brengt Hij dit altijd in verband met de eenheid die Hij heeft met de Vader. We willen in dit verband even in vogelvlucht door Johannes 17 gaan om dit te illustreren.

Vers 11: “En Ik ben niet meer in de wereld, maar zij zijn in de wereld en Ik kom tot U. Heilige Vader, bewaar hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, dat zij één zijn zoals Wij”.

Vers 20 en 21: “En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt”.

Vers 22 en 23: “En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”.

Er was een intieme relatie tussen Jezus en de Vader. Niet in de vorm van de Koning en zijn voornaamste onderdaan, maar als vader en zoon: echt, intiem, liefdevol.

Jezus bad voortdurend tot de Vader en had slechts één verlangen: Zijn wil op een volkomen wijze tot openbaring te brengen. En wat die wil was, verwoordt Paulus in zijn brief aan de gemeente te Rome als hij schrijft: “De wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene” (Rom. 12:02).

Dat bracht Jezus in praktijk. Daar leefde Hij voor. Dat vormde de inzet van Zijn leven. Heel Zijn leven werd hierdoor in beslag genomen. Hij sprak: ‘Komt allen tot mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven’ en ‘Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed’.

Jezus was één met de boodschap die Hij bracht

Aan deze totale inzet van Jezus, deze 100% levensinvulling, kunnen we ook nog een andere conclusie verbinden, namelijk dat Jezus volkomen één was met het evangelie wat Hij verkondigde.

Wie deze eenheid buiten beschouwing laat, maakt een grote fout, die een zeer negatieve uitwerking heeft wat betreft het functioneren van ons geloofsleven, ons staan in dienst van Gods Koninkrijk. Want dan gaat er ook iets aan onze eigen ‘innerlijke eenheid’ ontbreken. We kunnen wel zeggen: Ik ben een nieuwe schepping, ik ben gereinigd door het bloed van Jezus, maar dat behoort natuurlijk niet verborgen te blijven. God en Zijn woord en zijn werken waren één en ook Jezus’ woord en werken waren één. En dit behoort ook bij ons het geval te zijn’.

Nu begrijpen wij ook dat Paulus op een gegeven moment schrijft: “God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here” (1 Kor. 01:09). En Johannes schrijft: “Onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon, Jezus Christus” (1 Joh. 01:03b).

Gemeenschap met de Vader en de Zoon betekent dus:

gemeenschap met hen persoonlijk (intieme relatie),

met de woorden die zij spraken en c. met de werken die zij deden.

Naarmate wij daar meer oog voor krijgen èn er aan werken dat dit gerealiseerd gaat worden, ontstaat er een eenheid in onszelf met als gevolg dat wij stabiele en standvastige christenen worden.

Het evangelie van het Koninkrijk

Ik kan ook in dit artikel niet nalaten er nog eens op te wijzen hoe belangrijk het is dat wij geloven in, wat wij dan noemen, het ‘volle evangelie’, de boodschap die Jezus bracht en later de apostelen, het evangelie van het Koninkrijk der hemelen.

Alleen dan zijn we echte ‘eenheids- christenen’, begrijpen wij wat God bedoelt en -wat zeer belangrijk is- gaan wij het ook op de juiste wijze doorgeven aan anderen: christenen en niet-christenen.

Wat betreft het evangelie nog even een Bijbelse illustratie uit het leven van Jezus in dit verband. In Markus 12 vanaf vers 28 (Mark. 12:28 vv) lezen wij over een Schriftgeleerde die Jezus de vraag stelt wat het voornaamste gebod is. Het antwoord van Jezus is: “Het eerste is: Hoor, Israël, de Here, onze God, de Here is één, en gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw kracht (dus totaal). Het tweede is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf…” (lees ook vs. 32 en 33).

Dan zegt Jezus: “Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods”. Met andere woorden: Je bent er bijna, je ziet het bijna in overeenstemming met de wil van God, je bent er heel dichtbij… Maar Jezus wilde met dit antwoord ook te kennen geven dat het Koninkrijk Gods niet gelijk te stellen is met voorschriften of wetten, zelfs niet met de hoogste wet van de liefde voor God en de naaste.

Johannes schrijft: “De wet is door Mozes gegeven, (maar) de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen” (Joh. 01:17).

Het evangelie voor deze tijd

De kerninhoud van de boodschap van Jezus was: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie”

(Mark. 01:15). Heel de prediking van Jezus was er op gericht de mensen het begrip bij te brengen wat deze boodschap inhield.

Ditzelfde evangelie is ook vandaag het evangelie wat wij nodig hebben! Kunt u zich voorstellen dat ik altijd weer bedroefd ben als mensen afstand gaan nemen van dit evangelie. In het evangelisch blad ‘Uitdaging’ las ik in een interview over ‘bijstelling van de leer’ en dacht wat bedoelt men daarmee? Dat kan negatief of positief zijn.

Voor mij is het negatief als men op fanatieke, exclusieve wijze de ‘leer van het Koninkrijk’ verdedigt en zich boven andere christenen gaat verheffen.

Maar voor mij is het even negatief als men deze leer loslaat, water in de wijn doet en daarmee in feite te kennen geeft: Jezus, de boodschap die U bracht, ging veel te ver, zo wil ik het niet zien. Ik geloof liever in een ‘ander evangelie’, al zal men dat misschien niet toegeven dat men dan gaat geloven in een ‘evangelie’ wat geen werkelijk evangelie is. Paulus zegt duidelijk dat er maar één evangelie is (Gal. 01:06-10).

En wat de ‘bijstelling van de leer’ betreft: voor mij is het positief als we steeds meer gaan ontdekken en beleven van het werkelijke evangelie, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen en vandaag gelukkig weer op vele plaatsen gepredikt wordt.

Eenheid met positieve uitwerking

Ik geloof met heel mijn hart en voor de volle 100% in eenheid, maar dan alleen in eenheid zoals God die bedoelt, voortkomend uit de beleving van het  werkelijke evangelie. Het is een goede zaak om zich voor die eenheid in te zetten, zodat het gaat uitgroeien tot een werkelijke eenheid met praktische uitwerking. En laten we weigeren mee te werken aan de surrogaat-eenheid die de duivel tracht te bewerken!

Nog even alles op een rijtje, want om welke eenheid gaat het nu? a. De eenheid in onszelf (wat zich openbaart door overgave, geloof, toewijding en gehoorzaamheid) b. De eenheid met God en Jezus Christus.

De eenheid met onze medegelovigen, die ook zo denken.

De eenheid met de wereld.

Vooral dit laatste punt vraagt nog enige toelichting, want sommigen zullen misschien opmerken: eenheid met de wereld dat kan toch niet! De Bijbel spreekt toch zeer nadrukkelijk om de wereld niet lief te hebben (1 Joh. 02:15), om zichzelf onbesmet van de wereld te bewaren (Jak. 01:27) en ons niet te laten meeslepen door de wereldgeesten (Kol. 02:08)?

Maar de Bijbel zegt ook: Alzo lief had God de wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft… (Joh. 03:16)!

U begrijpt het denk ik al wel waarom het gaat: Het gaat om het liefhebben van de mens in de wereld en niet om het liefhebben van de zonde, de gebondenheden, de wereldgeesten, waarmee de mens zonder Christus verbonden is.

Juist omdat de eenheid in onszelf, met de Vader en de Zoon en met onze medegelovigen hoe langer hoe hechter en dieper wordt, gaat ook ons getuigenis in deze wereld meer effect sorteren. We gaan bij wijze van spreken functioneren als een magneet, die anderen aantrekt, die in anderen het verlangen doet ontstaan om óók het rijk der duisternis te verlaten en het Koninkrijk van God binnen te gaan.

Waarvoor is de duivel bang?

Als we nu tot slot de tekst uit het begin van dit artikel nóg een keer lezen, begrijpen we ook het tweede deel van deze tekst beter. Door het beleven van de eenheid zoals God die bedoelt, moet satan namelijk terrein prijsgeven! Daarvoor is hij bang! Hij siddert, zegt Jakobus.

De duivel is niet bang voor allerlei oppervlakkige dingen die met een werkelijk geloof, een werkelijke eenheid, niets te maken hebben.

Niet voor niets probeert hij een surrogaat-eenheid tot stand te brengen tussen allen die het evangelie van het Koninkrijk afwijzen. Maar het zal hem niet lukken. Uiteindelijk zal hij de volkomen nederlaag lijden, want tegen de werkelijke eenheid, zoals God die door Zijn Geest in de waarachtige gemeente bewerkt, is hij niet opgewassen! Prijst God, want ook hier geldt: Hij is getrouw, Zijn plannen falen niet!

 

Al mijn bronnen zijn in U (gedicht) door Piet Snaphaan

De Heer is steeds bereid te schenken,

wie dorst heeft neme ’t al om niet. 

Hij leidt ons in ’t vernieuwde denken,  

geeft daag’lijks kracht en goede wenken,   

 

Welk een rijkdom is ons gegeven,
te mogen putten uit zó’n Bron:
de Bron van eeuwig heil en zegen,
een ware Bron van licht en leven,
om te komen in Gods heiligdom.

 

We zijn wat God zegt dat we zijn,
Zijn kracht in ons is groot.

In Hem zijn we volmaakt en rein,
bestemd om geest’lijk één te zijn,
met Hem die ’t al ons bood.

 

De ramp door Cees Maliepaard

Ruim veertig jaar geleden zat ik niet zo rustig achter m’n schrijfmachine als nu. Toen bivakkeerden we in mijn ouderlijk huis in natuurlijke zin ‘in hoger sferen’, vanwege het woeden van het water van de vloed uit 1953. Het was een nacht om nooit te vergeten, angstaanjagend tot en met: sirenes loeiden, kerkklokken luidden, het door de vliegende storm extra opgezweepte, winterkoude Noordzeewater op springtijhoogte, kwam over de dijk en kalfde die van binnen uit af. Bij het gieren van de wind paarde zich in het nachtelijk duister al spoedig het klotsen van het water binnenshuis en het bonken van alles wat was gaan drijven en tegen elkaar botste.

De Ramp voltrok zich, en dat slechts acht jaar na de verschrikkingen van De Oorlog! Het leed van het ene was nog bij lange na niet verwerkt, of de ellende van het volgende diende zich reeds aan.

Op wereldoorlog 2 waren we destijds slecht voorbereid; ondanks de waarschuwingen van velen bleef Nazi-Duitsland voor ons een bevriende mogendheid.

Voor een nationale ramp als die van ’53, was door deskundigen al ver voordien aan de bel getrokken. Maar dat werd allerwegen gebagatelliseerd; tenslotte was de Sint Elisabeth vloed al van zoveel eeuwen geleden!

Veertig jaar na dato is een deugdelijke stormvloedkering opgebouwd; een mens kan blijkbaar toch wel leren van z’n falen. Als het in ons leven, ondanks Jezus’ voorbeeldfunctie in leer en leven, toch een puinhoop is geworden, is er altijd voldoende ruimte om, op basis van Gods genade, opnieuw te beginnen.

Naar het hoeft zover natuurlijk helemaal niet te komen. Evenals De Ramp voorkomen had kunnen worden, behoeven we Satans woeden niet passief te ondergaan, maar mogen we van onze Heer leren, als gave mensen Gods te gaan functioneren.

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose 14

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (14)

De overwinnende gemeente (2)

(Openb. 02:18-29; Openb. 03:01-22; Openb. 22:06-21. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari 1992).

De vorige keer hebben we de aanhef van Openbaring, en de vermaningen, bemoedigingen en beloften aan de eerste drie gemeenten besproken, met als doel daaruit lering te trekken om nu al deel te krijgen aan het geopenbaarde plan van God. Op dezelfde wijze en met dezelfde bedoeling zullen we deze Bijbelstudie afsluiten met de overige vier gemeenten en het slotwoord van openbaring.

Waarin prijst de Heer de gemeenten?

Bij de behandeling van de eerste drie gemeenten hebben we reeds een viertal positieve beoordelingen besproken. Daaraan kunnen nu worden toegevoegd:

– liefde en dienstbaarheid,

– geloof en volharding,

– en (allerhande) geloofswerken, waarin een stijgende lijn te ontdekken valt, ondanks ‘kleine kracht’.

Waarin corrigeert de Heer de gemeenten?

Er vallen echter ook een aantal negatieve aspecten in het gemeenteleven op:

– het laten begaan van een valse profetes die gemeenteleden beïnvloedt met leugenleringen en zo tot zonde verleidt;

– het doen van werken die het resultaat schijnen van geestelijk leven, maar in werkelijkheid hun basis hebben in of alleen ‘aardse’ inspanning (omdat met geestelijk ‘dood’ of ‘in slaap’ is), of in een wetmatig geloof (men is lauw: dan wordt niet uit liefde gewerkt maar omdat het bij het geloof hoort).

Opvallend is dat in alle gevallen van ‘werken’ wordt gesproken -een kennelijk aspect van het gemeenteleven-, maar werken alleen zeggen niet genoeg. Ligt de oorsprong ervan in de onzienlijke wereld en is de drijfveer liefde? Anders hebben ze geen eeuwigheidswaarde voor de betrokkene zelf!

Waartoe worden de gemeenten opgeroepen?

Uitgaande van de sterke/zwakke punten klinkt de oproep:

– Houd vast wat je hebt! (= enerzijds: werken, liefde, geloof, hulpvaardigheid en volharding; anderzijds: Hem blijven verwachten onder alle omstandigheden).

– Word wakker, keer terug naar de oorsprong van het leven en versterk hen daarmee die geestelijk dreigen te sterven.

– Koop bij Hem: gelouterd goud (= beproefd geloof), witte klederen (= resultaat van rechtvaardige daden) en ogenzalf (= geestelijk onderscheidingsvermogen); wees daarin ijverig.

– Open je deur als Hij klopt en als je Zijn stem hoort, zodat Hij maaltijd met je kan houden.

Wat belooft de Heer aan hen die overwinnen?

Wie overwint:

ontvangt dezelfde macht en gezag over de heidenen (= machten der duisternis) als Jezus ontvangen had;

krijgt de morgenster (= aankondiger van de dageraad, uitbeelding van het openbaar komen van de eerste zonen Gods);

wordt bekleed met witte klederen zoals Jezus die bezit (= uitbeelding van koninklijke waardigheid en gezag);

wordt niet uitgewist uit het boek des levens. Integendeel, zijn naam wordt door Christus beleden voor God en zijn engelen (= Hij maakt je bekend als medewerker aan wie de engelen dienstbaar zullen zijn);

wordt een zuil of steunpilaar in de tempel waarop Gods naam en de nieuwe naam van Jezus geschreven wordt (= uitbeelding van geestelijk volwassene met een vooraanstaande positie en met een bijzondere taak in het herstelplan);

zal met Jezus zitten op de troon.

Wat is de band tussen Openbaring en het heden?

Om deel te hebben aan het herstelplan van God, is het zaak te overwinnen! Alleen onder die voorwaarde zullen de beloften aan de zeven gemeenten in vervulling gaan. Ook in hoofdstuk 21 vers 7, waar van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde gesproken wordt, staat: wie overwint zal deze dingen beërven.

Maar niet alleen overwinnen voor jezelf, om het hoofd boven water te houden, maar willen overwinnen vanuit het perspectief van het totale herstel, van de heerlijkheid die over de ganse schepping geopenbaard gaat worden.

Zó overwinnaar zijn en blijven is een waarborg voor deelname aan het herstelplan van God. Of je nog sterft of de wederkomst van de Heer meemaakt op aarde, het doet er niet toe! Dat is ondermeer de les uit Openbaring.

Satan overwinnen is een veelzijdige activiteit hebben we gezien: niet alleen de directe strijd in de hemelse gewesten tegen de overheden, machten en wereldbeheersers dezer duisternis (Ef. 06:12), maar het is ook: volharden, de rechtvaardigheid belijden, breken met de ongerechtigheid, krachtig optreden tegen zonde en verleugening, geloofswerken doen en het lijden op je nemen.

Dit alles niet door eigen inspanning: niet door kracht noch door geweld, maar door Gods Geest (Zach. 04:06) en in de naam van Jezus. Juist in Openbaring zien we op welke wijze de scheiding bewerkt en het oordeel voltrokken wordt: door het zwaard des Geestes, het woord van God in zijn volheid, op de juiste wijze hanteren. De Heer zelf is daar het voorbeeld van (zie Openbaring 1 vers 6 (Openb. 01:06), 2 vers 12 en 16, 19 vers 15 en 21).

Wat kunnen we leren uit het slot van Openbaring?

Zalig hij die zijn klederen -de geestelijke bedekking- blijft wassen in het bloed van het Lam, dus blijft leven uit genade. Het kruis is voor ons geen gepasseerd station, maar een kracht tot zaligheid!

Zijn we verlokt door het herstelplan van God? Kom!, klinkt de oproep. Voeg je daarin, ga leven vanuit de geest Gods, vanuit de hemelse dimensie!

Is het ook geen bemoediging dat er staat: verzegel de woorden van de profetie niet? Christus heeft Gods herstelplan volledig geopenbaard! Voor ons is het nu zaak om dit te gaan verstaan. Niet om er nog aan toe te voegen of er wat van af te doen, want dat is het werk van de machten der duisternis (denk maar aan de duistere ruiters uit hoofdstuk 6); de vrucht daarvan is overeenkomstig!

Over betekenissen kan nog verschillend gedacht worden, de uitleg kan misschien nog wel eens variëren, maar dat mag geen afbreuk doen aan het heil en de wijze waarop dat gerealiseerd gaat worden. Niet: ‘stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw’, dat is een afzwakking van het plan, een leugen dus, maar: door middel van de Gemeente wordt de scheiding tussen licht en duisternis aangebracht en wordt het herstel uitgevoerd. Onder leiding van haar Heer en Heiland wordt het plan van God tot een goed einde gebracht: dat is ons geloof!

Deze woorden zijn getrouw en waarachtig. Hij die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig. Amen, kom Heer Jezus! De genade van de Here Jezus Christus zij met u allen” (Openb. 22:06, Openb. 22:22-23).

1993.02 nr. 345

Levend geloof 1993.02 nr. 345

Nieuwe scheppingen door Gert Jan Doornink

“Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” (2 Kor. 05:17).

In de Bijbel komen wij ten aanzien van het begrip ‘kind van God’ talrijke benamingen tegen. Zo worden kinderen Gods onder andere genoemd: heiligen, gelovigen, zonen Gods, navolgers Gods, navolgers van Christus, knechten, discipelen, leden van het lichaam van Christus, enz.

Maar één van de mooiste benamingen gebruikt zonder twijfel de apostel Paulus, als hij in zijn tweede brief aan de Korinthiërs schrijft dat wij een ‘nieuwe schepping’ zijn.

God blijft Zijn schepping liefhebben

Het woord ‘schepping’ doet ons in de eerste plaats denken aan de schepping van hemel en aarde, zoals beschreven in Genesis 1, waarbij de mens als kroon van Gods schepping werd geformeerd: goed en volmaakt. Wij weten echter wat er gebeurd is: de duivel ruïneerde Gods scheppingswerk. De mens gaf gehoor aan de verleidende stem van de duivel en het proces van afbraak en destructie kon beginnen.

Desondanks bleef God Zijn schepping liefhebben. God liet het werk Zijner handen niet in de steek. Integendeel, God bleef garant staan voor Zijn scheppingswerk dat uiteindelijk op een volmaakte wijze toch voltooid zal worden.

De mens -als kroon van Gods schepping- wordt hierbij ten volle betrokken, dat wil zeggen de ‘nieuwe mens’, dat zijn allen die geloven in het volbrachte verlossingswerk Van Jezus Christus, de Zoon van God. Hij overwon als ‘eerste mens van een nieuwe generatie’, de werken der duisternis op een volkomen wijze. Paulus brengt het in zijn brief aan de Kolossenzen op deze wijze onder woorden: “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd (Kol. 02:01b).

Het oude is voorbijgegaan

Wie een nieuwe schepping is, behoort ook als nieuwe schepping te leven. Paulus zegt: “Het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”. En Jezus heeft gezegd dat niemand die de hand aan de ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter hem ligt, geschikt is voor het Koninkrijk Gods.

Toch is het één van de grootste misleidingen uit het rijk der duisternis dat vele ‘nieuwe scheppingen’ zich bezighouden met ‘het oude’. Talrijk zijn de theorieën en leringen over de strijd tegen ons vlees, ons oude leven, de oude mens, enz. En dat terwijl Paulus zo duidelijk stelt dat onze strijd niet is tegen vlees en bloed (dus ook niet tegen ons eigen vlees en bloed). Onze strijd is tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.

Dit berekent dat het een geestelijke strijd is en alleen vol mogelijk is als we onze plaats met Christus hebben genomen in de hemelse gewesten, om van daaruit te strijden en overwinnen.

Het nieuwe is gekomen

Wij behoren ons ook te realiseren dat Paulus zegt: ‘het nieuwe is gekomen’. Let wel: dat wil dus niet zeggen dat het nieuwe even al volgroeid is en het eindstadium is bereikt. Dat is natuurlijk we Gods bedoeling en behoort daarom ook ónze doelstelling te zijn. Daarvoor is groei nodig, geestelijke groei. In het natuurlijke: leve groeien wij op van baby’s tot volwassenen. Dit behoort ook in geestelijke opzicht het geval te zijn.

Binnen de Gemeente van Jezus Christus zien wij echter heel vaak dat men ‘baby in het geloof’ blijft. Geen wonder dat er nog vaak zo weinig overwinning geopenbaard wordt. Hoe kan iemand die niet geestelijk groeit op de juiste wijze strijden en functioneren als hem dat niet geleerd wordt? De bekende prediker Gerrit Ernste heeft eens gezegd: ‘Een baby in de wieg geeft men geen geweer in handen, maar een fles melk’. Hij behoort eerst op gezonde wijze gevoed te worden, melkvoeding noemt de Bijbel dat. Pas later komt de vaste spijs.

Gezonde geestelijke voeding is van levensbelang voor iedere nieuwe schepping. Verkeerde voeding (aardsgerichte en leugen- leringen), remt de geestelijke groei af en veroorzaakt scheefgroei, misgroei, etc.

Goede voeding heeft als basis het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Daardoor leren wij geestelijk te denken, spreken en handelen. Het heeft tot gevolg dat het ‘nieuwe schepping zijn’ geen theoretische aangelegenheid blijft, maar werkelijk tot openbaring gaat komen.

Vrucht dragen voor Gods Koninkrijk

De ‘eerste schepping’ was volmaakt en goed, geheel naar de wil van God. Bij de eindvoltooiing aller dingen zal dit weer het geval zijn.

Een belangrijke bijdrage in de ontwikkeling daar naar toe wordt gegeven door allen die wéten een nieuwe schepping te zijn en dit ook beléven, Zij zijn zich bewust te behoren tot de waarachtige gemeente van Jezus Christus, En weten wat het betekent leden te zijn van een “uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom” (1 Petr. 02:09a).

Tijdens de eerste Bergrede deed Jezus vele radicale uitspraken. Eén ervan was: “Niet een ieder, die tot Mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is” (Matt. 07:21). Een hoofdkenmerk van de ‘nieuwe mens in Christus’ is daarom ook het doen Gods wil. En Gods wil is dat we vruchtdragers van Zijn Koninkrijk zijn.

Door de ‘vrucht’ die wij dragen zal tot openbaring komen dat we ‘nieuwe scheppingen’ zijn. Een slechte Boom brengt slechte vruchten voort en een goede boom goede vruchten. Aan de vruchten die wij voortbrengen zullen wij gekend worden, zegt Jezus (Matt. 07:13-20).

Schepping en nieuwe schepping

Een belangrijke uiteenzetting, ten aanzien van onze medewerking aan het herstel van Gods schepping, geeft de apostel Paulus. Hij brengt namelijk in Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19) ‘schepping’ en ‘nieuwe schepping’ met elkaar in verband als hij schrijft: “Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping (de door satan beschadigde schepping) op het openbaar worden der zonen Gods (de nieuwe scheppingen in Christus)”.

Nog zucht de ganse schepping in al haar delen en is in barensnood (Rom. 08:20). En ook de ‘nieuwe scheppingen’ openbaren zich nog niet ten volle, al hebben zij reeds de Geest als eerste gave ontvangen (Rom. 08:23). Maar Gods werk en plan gaat door en zal volvoerd worden.

De ‘nieuwe scheppingen’ zullen gelijkvormig worden aan het beeld van Gods Zoon, zegt Paulus in hetzelfde hoofdstuk. Hij is de eerstgeborene onder de velen die Hem volgen en die met Hem een aandeel hebben in het tot stand komen van Gods reine, gave en voltooide schepping. In die schepping zullen wij op har­monieuze wijze leven tot in alle eeuwigheid en vol zijn van Zijn heerlijkheid.

 

De uitnodiging tot het feest door Margreet Gast

 

Een Koning richtte een grote maaltijd aan en nodigde velen. (Naar Luc. 14:16). Hij liet de uitnodigingen uitgaan.

De uitnodiging

De mens van de erkenning ontving de brief.

Vol verbazing maakte hij hem open. Wat zou dat kunnen zijn?

Zodra het tot hem doordrong, dat hij een feestmaaltijd bij de Koning mocht bijwonen, sprong hij een gat in de lucht. Ongelofelijk! Hij, genodigde van de grote Koning! ‘Dat moet ik iedereen vertellen, dit is het mooiste wat me ooit is over­komen!’

Toen begon de tegenstander te drammen: ‘Verkeerd bezorgd, joh. Dat kan niet voor jou bestemd zijn. Jij bent daarvoor veel te armetierig en armzalig. Jij kunt nooit verschijnen voor die Koning…”

De mens van de erkenning werd even van zijn stuk gebracht. Het was waar, dat hij niet zo’n fraai leven leidde…

Maar toen hij begreep, dat de Koning juist mensen zoals hij uitgenodigd had, (Luc. 14:13), snoerde hij de tegenstan­der stevig de mond: ‘Die uitnodiging hier in mijn hand, is het afdoende bewijs dat ik zal zitten aan de tafel bij de Koning’. En vanaf dat moment leefde hij vanuit dat gegeven, vol dankbaarheid voor de Koning.

Ook de mens van de verwarring ontving een uitnodiging van de Koning.

Hij ontving de brief met gemengde gevoelens. Natuurlijk vond hij het geweldig, om uitgenodigd te zijn, maar… ‘Wat houdt dit allemaal in? Wat wordt er nu van mij verwacht?  Hoe moet ik me gedragen in het bijzijn van een koning?’

Allemaal vragen. In plaats van blijdschap, overheerste de onzekerheid, die hij als een last moest meetorsen.

En de tegenstander, die altijd al met gemak en berekening de mist rondom het hoofd van deze mens in stand hield, deed er nog een mistbank bij: ‘Zul je vanaf nu wel hard werken en je gedragen? Als jij een koning waardig wilt zijn, je weet wel…’

‘Ja, natuurlijk weet ik dat…’, reageerde deze mens. Maar hij wist het niet.

De mens van de verleugening vond ook de uitnodiging.

Zijn reactie was neutraal, maar die van de tegenstander niet. ‘Gewoon naast je neerleggen, niet op ingaan. Dat kan immers niet waar zijn. Trouwens, weetje wie er ook genodigd zijn? Bedelaars, lammen, blinden. In dat gezelschap hoor jij niet thuis. Wacht maar op een uitnodiging van een feest dat wat beter bij jou past’.

En de mens van de verleugening, kon hij nog kiezen wat hij gelooft?

De feest klederen

Toen liet de Koning de genodigden weten, dat Hij feest klederen voor hen klaar had liggen. (Naar ‘Uitgenodigd tot het feest!”)

(Matt. 02:12). Zij zouden die kunnen ontvangen, als zij zich zouden laten reinigen, als ze zelf alle kleren, die een koning onwaardig zijn, zouden wegdoen.

Voor de mens van de erkenning was dit aanleiding om zich meer te gaan verdiepen in het wezen van de Koning. Wie was Hij eigenlijk? Wat was het kenmerk van zijn koningschap? En hij ontdekte het principe van de gerechtigheid.

De mens zelf had altijd oprecht geleefd, maar oprechtheid was niet gelijk aan gerechtigheid. Deze ontdekking gooide zijn leven eens te meer ondersteboven. En ook zijn klerenkast. Want staande voor zijn klerenkast, wist hij, dat er veel, heel veel moest worden weggegooid. Al die kleren, waarin hij ‘oprecht zijn best had gedaan om…’ om een an­der te helpen (zonder het principe van genade te kennen); om waar­dering te oogsten (zonder te weten wat werkelijke waarde was); om zijn leven in rustig vaarwater te houden (zonder te weten welke krachten zijn koers dan gingen bepalen)… In al zijn oprechtheid, had hij geen recht kunnen doen aan de Koning, een ander en aan zichzelf. Want gerechtigheid ontbrak.

En zo hield hij alleen een eenvoudig kledingstuk over, zelf gemaakt, eerlijk verdiend, zonder franje. Vanaf dat moment was dat, samen met de uitnodiging, het enige, wat de mens van de erkenning nog had. Of, nee… hij had meer: het hem voortdurend vergezellende hoongelach van de tegenstander…

De mens van de verwarring werd ook op de hoogte gebracht. De schrik sloeg hem om het hart. Wat nu weer? Wat werd hier nu weer mee bedoeld? Tastend gingen zijn handen langs zijn kleren, zoekend naar houvast. Heel diep in zijn binnenste voelde hij de radeloosheid omhoog komen. Hij kreeg de neiging om: ‘Help!’ te roepen, maar gelukkig, op tijd kon hij dat onderdrukken.

De tegenstander fluisterde hem vriendelijk toe: ‘Je kunt eigenlijk zoveel laten hangen. En die, daarin zie je er zo mooi uit. Niemand ziet datje eigenlijk een arme sloeber bent. Laat ook maar hangen’.

Dit bracht enig houvast. ‘En ik let gewoon heel goed op de andere genodigden, wat die aanhebben en wat die wegdoen’. Zo keerde de vrede, in zekere zin, weer.

De mens van de verleugening had heel geen problemen met deze opdracht van de Koning. ‘Kijk eens hoe schitterend je garderobe is’, zei hem de tegenstander, ‘al die kleding, dat ben jij. Kleren maken de man, nietwaar? Je bent waarmee je je bekleed. Je gaat toch geen delen van jezelf wegdoen?’ Nee, natuurlijk niet.

De dag en het uur

Toen kwam het bericht met de juiste datum en de juiste tijd van het feest. (Matt. 22:04).

Een de mens van de verleugening? De tegenstander had het al geregeld: op die dag had hij al een afspraak, een hele belangrijke, al zo lang geleden afgesproken… En kon deze mens nog bedenken dat de keus nog steeds aan hemzelf was?

Zag hij wellicht nog op tijd, wie en wat voor hem op de eerste plaats komt in zijn leven? Had hij nog de moed en de wil de loop van zijn leven te keren?

De mens van de verwarring merkte tot zijn grote schrik, dat er juist op die dag al een afspraak stond. Wat nu? ‘Gewoon door laten gaan, het is voor een goede zaak, die afspraak. Je komt dan gewoon wat later naar het feest. De koning begrijpt het heus wel’, werd hem ingefluisterd. De mens lette goed op de anderen. Wat doen die? Misschien gaf dat hem houvast. En diep van binnen klonk het: ‘Help! Ik wil er zo graag bij zijn!’ Maar die kreet moest gesmoord.

En de mens van de verwarring werd heen en weer geslingerd tussen niet- weten, verkeerde adviezen en een onbetwist aanwezig, onhoorbaar hulpgeroep.

En de mens van de erkenning? Hij wist nu dag en uur. Eindelijk was het zover. Had hij misschien een afspraak op die dag? Welnee, zeker niet. Vanaf het moment dat hij de uit­nodiging kreeg, had hij dat soort afspraken, die de neiging hebben om op de eerste plaats te willen komen, radicaal geschrapt. En de vraag: hoe vertel ik het de familie? Die was nauwelijks nog aan de orde. Ze wisten immers al dat zij moesten wijken voor de koning.

In de feestzaal

Hoe zal het zijn op de dag van het feest? De mens van de verleugening, zal hij nog gered worden van de tegenstander? De mens van de verwarring, zal hijzelf op tijd de hartenkreet horen? De Koning had het al gehoord, die roep om hulp.

Wanneer wordt die kreet hoorbaar voor de mens zelf, zodat hij hem zal laten klinken? Want dat zal zijn redding zijn, dan zal zijn behoud een aanvang nemen.

En als deze mens de feestzaal toch binnenkomt, zal dan de Koning hem niet naar voren roepen, dicht bij Hem, om alle leed en angst die hij heeft doorstaan?

En de mens van de erkenning, die vanaf het begin wist wat dankbaar­heid en aanbidding was, zou die niet ruim plaats maken voor alle broeders en zusters uit de verwarring, die eindelijk hun plaats hebben gevonden?

Pas als de feestzaal vol is, zal de bazuin klinken: het feest begint!

 

 

 

Het wonder van het leven door redactie.

Eén van onze meest gevraagde brochures is “Het wonder van het leven”. Het boekje, dat geschreven is door de eindredacteur vertelt in het kort over de oorsprong van het leven, de beschadiging, het nieuwe leven in Christus, de rijkdom en ontwikkeling van het nieuwe leven, de laatste vijand en het grote toekomstperspectief. Wanneer u dit boekje nog niet hebt gelezen, raden wij aan het aan te schaffen. Het is fraai geïllustreerd met tekeningen van Duurt Sikkens en leent zich ook uitstekend voor verspreiding. Verkrijgbaar op de boekentafel van uw gemeente of rechtstreeks te bestellen bij “Levend Geloof’; zie achter­pagina.

 

Het geheim van de godsvrucht door Hessel Hoefnagel

 

(Dit is het tweede en laatste artikel over dit onderwerp. Het eerste deel verscheen in “Levend Geloof’ van vorige maand).

Ten aanzien van de godsvrucht, zoals in de uitgangstekst -1 Timótheüs vers 15 en 16- (1 Tim. 01:15-16) bedoeld, gaat het om de hieronder besproken kenmerken:

Geopenbaard in het vlees

De gemeente of het ‘huis van God’ is in concrete zin niet een door mensen bedachte of benoemde organisatie in de zichtbare wereld. Ze is wel het reeds genoemde en uit vele leden samengestelde ‘lichaam’ van Christus, waarvan onze Heer Jezus het ‘Hoofd’ is.

Als we spreken over de gemeente als ‘lichaam van Jezus Christus’, dan betreft dit het begin van de vorming van het ‘lichaam van God’. Sinds de komst van Jezus en Zijn openbaring als Christus, ontwikkelt zich dit ‘lichaam’ en wordt uiteindelijk gevormd door alle mensen, die door persoonlijk geloof in Jezus Christus met dezelfde Geest als de Heer vervuld zijn. Vervulling met de Geest van God houdt in, dat het wézen van God in de mens gestalte krijgt op dezelfde wijze als onze Heer.

De eerste Zoon van God (onze Heer Jezus) is met dat doel begonnen om de wederrechtelijke ‘werken des duivels’ te verbreken. Hij predikte daartoe het ‘volle’ evangelie (geen etiket!) en praktiseerde dat door de tekenen, die Hij verrichtte.

Ook voor de gelovigen geldt, dat bij de prediking van het evangelie van Jezus Christus dezelfde tekenen zullen volgen (Mark. 16:17-18). Op deze wijze zal het herstel van de hele, innerlijk en uiterlijk beschadigde mensheid zich voltrekken.

Zó (op die manier, langs die weg) wordt het ‘huis van God’ vól, omdat de ‘vele woningen’ waaruit het bestaat, tot volheid gebracht worden.

Dit is dan tegelijk weer de aanzet tot het doorgaande herstel van de totale bezielde en onbezielde schepping, totdat alles zal functioneren naar de bedoeling van de Schepper.

Gerechtvaardigd in geest

De door de schepper bedoelde mens manifesteert zich niet alleen in vlees, maar evenzó ‘in geest en waarheid’.

Waarheid voor de mens is het mens worden zoals de Heer Jezus Mens is en als dè Mens naar Gods bedoeling alle macht heeft ontvangen in ‘hemel’ (de geestelijke wereld) en op ‘aarde’ (de natuurlijke wereld).

In de gedachte, welke zich in onze tijd (weer) als een splijtzwam voordoet temidden van kinderen Gods, als zou onze Heer Jezus Gód zijn en geen méns, wordt een onoverbrugbare kloof gevormd tussen het Hoofd en de leden van het éne ‘lichaam van Christus’ en wordt de verheven bestemming daarvan geblokkeerd.

De grote Schepper en ‘Landman’ wacht echter met groot geduld op de ‘kostelijke vrucht’, die de ‘eerste aarde’ (de nog niet tot volheid uitgegroeide mens) tevoorschijn brengt, waarbij de ‘vroege regen’ (de eerste beginselen) èn de ‘late regen’ (de vaste spijs) een rol speelt (Heb. 05:12- Heb. 06:03).

Pas als deze waarheid in het persoonlijk leven functioneert, komt de mens tot zijn ware bestemming. Alleen via deze weg wordt hij tot een waardige ‘partner’ van de Schepper, zoals Deze van oorsprong af bedoelt.

De mens(heid) als ‘vrouw’ van God zal dan de ‘vrucht’ van haar Man openbaren, want deze vrucht zal dan de hele mensheid ‘in Christus’ vervullen en zo zal onze God ‘alles in allen’ zijn (1 Kor. 15:28).

Dit is dan ook de vrucht van de Zoon, die daartoe nog steeds actief is en ‘gezeten’ is op de ’troon des Heren’.

De drie fasen in het plan van God

Het ‘plan van God’ kent drie fasen, die in elkaar overgaan:

De eerste fase is de ontwik­keling van de natuurlijke mens. Zonder deze ontwikkeling is het niet mogelijk uit te groeien tot de mens, zoals God van oorsprong bedoelt (vgl. 1 Kor. 15:44-49).

Daarom moest ook onze Heer Jezus opgroeien als natuurlijk mens alvorens Hij zich als ‘Zóón van God’ kon openbaren door de vervulling met de Geest of het wézen van de Vader.

Zijn opstanding ‘van tussen de doden uit’ bekrachtigde dit zoonschap, want de Dood kon Hem niet houden, toen de Vader Hem opwekte (Hand. 02:24).

Als natuurlijk mens (naar het vlees) was de Heer ‘de ‘zoon van Adam’ en gesproten uit het geslacht van David (Davids zoon).

Als geestelijk mens echter (naar de geest der heiligheid, vervuld met de heilige Geest) bewees Hij door Zijn opstanding uit de doden (van tussen de doden uit!) Gods Zoon te zijn in kracht, de ware Mens, Jezus (de) Christus, onze Here (Rom. 01:03-04).

Vanuit deze basis (het geloof in Jezus Christus) is de tweede fase ingegaan, namelijk de vorming van het ‘lichaam van Jezus Christus’, waarvan onze Heer het Hoofd is.

Sinds de openbaring van Jezus Christus als Verlosser en drager van de ‘zonde der wereld’, is Zijn gehele ‘lichaam’ bezig tot volheid te komen.

Het is zeker geen automatisme, dat ieder mens, die in Jezus Christus gelooft, ook al deel heeft aan dit ‘lichaam’ en dus aan het zoonschap naar Gods bedoeling. Daartoe is namelijk naast de wedergeboorte de persoonlijke vervulling met de Geest van God nodig, welke samen met de geest van de mens getuigt van dit ‘zoonschap’ (zie: Rom. 08:14-17).

De fase van het ‘lichaam van Jezus Christus’ is bezig zich te voltooien. Dwars door de reeds ingegane en komende verdrukking, waarvan onze Heer al profeteerde, komt dit lichaam tot haar heerlijkheid.

Op de openbaring van deze fase wacht de hele schepping met hoorbaar of onhoorbaar zuchtend verlangen (Rom. 08:20-23).

De derde fase gaat in als onze Heer als ‘Zoon Gods’ èn ‘Hoofd’ van een totaal ‘lichaam van Christus’ het opnieuw uitjubelt: ‘Het is volbracht!’; Vader, in Uw handen (Uw Geest, Uw wezen) beveel Ik Mijn hele volmaakte en volkomen ‘lichaam’, Vader, hier is Mijn opdracht! Hij is vervuld!’ (1 Kor. 15:28).

Eens gaf Zijn stamvader David in de profetische zin uiting aan het verlan­gen en de toewijding van onze Heer als zijn ‘Zoon’:

… hier ben Ik om Uw wil te doen, o God’; om aan het ‘slachtoffer’ en ‘spijsoffer’, brandoffer’ en ‘zondoffer’ de gestalte te geven, welke U van oorsprong bedoelde en al in deze schaduwbeelden aankondigde;

Gij bereidde Mij daartoe een lichaam.

zie, Ik kom! Ik heb lust om Uw wil te doen, mijn God!

in de boekrol is over Mij geschreven;

Uw wet (wetmatig verlangen) is in Mijn binnenste’ (Ps. 040:007, Sep­tuaginta).

De fase van het ‘lichaam van Christus’ gaat dan over in de fase van het ‘lichaam van God’, de ‘grote Schepper aller dingen’, God die enkel Geest is, zal dan aan al Zijn potenties invulling geven en daarbij de mens, welke Hij van oorsprong bedoelde, volop inschakelen. Dat is de heerlijkheid van het mens-zijn, zoals God bedoelt.

Verschenen aan en erkend door de engelen

Bij de schepping van de zichtbare dingen, juichten de morgensterren (engelen) en zongen vrolijk in diepe en blijde verwondering over de resul­taten van de Schepper (Job 38:07). Deze als dienende geesten geschapen wezens begeren in te zien in Zijn plannen en popelen om zich ten dienste te stellen van hen, die het heil beërven (Heb. 01:14; vgl. 1 Petr. 01:12).

Waar de ‘vrucht van God’, dit is de uitwerking van het plan met Zijn schepping, zich openbaart in mensen van vlees en bloed, daar is er wederom grote blijdschap bij de engelen in de hemel. Evenals bij de natuurlijke geboorte van de eerste ‘Zoon van de mens’, die door God werd verwekt, is dan de hemelse legermacht vol van eerbetoon aan God, omdat de ware mens zich dan manifesteert in de volheid van het ‘zoonschap’.

De engelen jubelen het uit: ‘Ere zij God in den hoge en vrede op aarde bij mensen van het welbehagen’ (vgl. Luc. 02:13-14).

Wat een heerlijkheid zal het zijn als het ‘lichaam van onze God’ tot haar volle heerlijkheid komt. Hoe zullen deze hemelingen ook dan het heelal vervullen met blijde jubel, wanneer alles tot volheid gebracht wordt en de ‘vrouw’ van God haar ‘vrucht’, dat is de vrucht van haar wettige Man, openbaart.

Een deel van de engelen liet het afweten, toen de Schepper de mens formeerde en deze stelde als de ‘heerser’ over al Zijn werken. Onder leiding van de hooggeplaatste hemelvorst Lucifer (lichtdrager) wilden zij niet naar hun taak en roeping de mens dienen, maar zichzelf verheffen en over de mens héérsen (Jesaja 14; Ezechiël 28). Het gevolg was, dat ze verworpen zijn tot in eeuwigheid, omdat God zich over engelen niet kan ontfermen, zoals over de mens (Heb. 02:16). Daar ook deze engelen aan het niveau van de mens gebonden zijn, zijn ze tot duivelen geworden, welke niet anders kunnen, dan de mens beletten in haar ontwikkeling en haar misleiden en trachten te verleugenen.

Geproclameerd onder de volken

De vrucht van onze God zal gezien worden in heel de schepping. ‘Volken’ zullen het erfdeel zijn van de eerste ‘Zoon’, die God verwekt heeft en van de vele ‘zonen’, die Hem (zullen) volgen. Het ‘einde der aarde’ zal hun bezit zijn, want ze zullen de vijanden van de mens ‘verpletteren met een ijzeren knots en als pottenbakkerswerk verbrijzelen’ (Ps. 002:007-009).

Vanuit de ’troon van God’ in de hemelen wordt het evangelie van (niet slechts óver) Jezus Christus gepredikt in de wereld. Als met een ‘ijzeren knots’ worden hierdoor de boze machten verpletterd en tijdelijk in de ‘afgrond’ en later definitief in de ‘poel des vuurs’ geworpen. Tegelijk is het evangelie een ‘staf, waarmee de geknechte mens wordt geleid en geheeld. Zó zullen de volken het heil van onze God zien en de zuchtende schepping zal herademen en weer tot ware functie komen.

Geloofd in de wereld

Het evangelie van Jezus Christus zal in de hele wereld gepredikt worden, alvorens het ‘einde’ (resultaat) gezien zal worden (Matt. 24:14). Onze God zal in Zijn barmhartigheid en geduld tot het uiterste gaan om Zijn mensen te redden.

Velen zullen gehoor geven aan dit evangelie, want ‘velen zullen zich laten reinigen en zuiveren en louteren’ en de verstandigen zullen het verstaan (Dan. 12:10).

Alleen degenen, die willens en wetens, zich niet lieten reinigen en ‘de heerlijkheden lasteren’, dus bewust de waarheid als leugen betitelen, zullen voor het doel van de Schepper verloren gaan, maar niet in overeenstemming met Zijn wil (vgl. de brief van Judas).

Verheerlijkt

De ‘vrucht van God’ komt tot volheid. Daar staat onze God Zelf garant voor. Hij heeft vanaf het begin Zijn doel vast gehouden en zal het bereiken. Dat is Zijn heerlijkheid en het deel van Zijn knechten, die dwars door smaad en verachting volharden (vgl. Jes. 54:09-17).         

In onze vertalingen wordt in deze teksten gesuggereerd, dat de Schepper bewust de ‘verderver’ geschapen heeft om te vernielen. Dit wordt dan gemakkelijk door ‘vrome’ geesten aan de godsdienstige mens opgedrongen, als zou een deel van de mensheid eigenlijk naar Gods wil en bedoeling gedoemd zijn verloren te gaan.

De letterlijke vertaling vanuit de Septuaginta (Griekse vertaling van het Oude Testament) van vers 16 en 17 luidt echter:

‘Voorzeker, Ik heb u geschapen, maar niet tot een ruïne om u te ver­nietigen. Ik zal niet toestaan, dat enig wapen gevormd wordt om zich tegen u te verlustigen.

Elke ’tong’, welke zich tegen u keert in het gericht, zult u tot zwijgen brengen; uw tegenstanders zullen daarbij veroordeeld worden. Er is een erfenis voor de knechten des Heren, welke de Here bewerkt. U zult voor Mij gerechtvaardigd worden, zegt het Woord des Heren’.

Voor ons alle reden om trouw te zijn en ons geloof en vertrouwen te vestigen op onze God. Daarin zullen we dan niet beschaamd worden.

 

 

 

Vakantie opbouwweken door redactie

Ook dit jaar zijn weer enkele ‘vaarvakanties’ gepland met het schip “Ut Arkien”, onder leiding van Jacob en Marry Roosendaal. Vanuit de haven van Enkhuizen wordt op maandagmorgen weggevaren met een aantrekkelijke route door de Nederlandse binnenwateren. Enkhuizen is ook weer de haven van aankomst op zaterdagmiddag.

“Ut Arkien” is een verbouwd binnenvaartschip met slaap accommodatie. In de recreatiezaal wordt iedere avond een bijbels onderwerp behandeld, terwijl er overdag volop gelegenheid is voor gesprekken, bezichtiging van bezienswaardigheden in de plaatsen waar wordt aangelegd, etc. De ervaring van andere jaren is dat de weken een bijzonder ontspannen en opbouwend karakter hebben.

De eerste week begint op 12 juli. In die week verzorgt G. J. R. Doornink de Bijbelstudies.

De tweede week begint op 26 juli. Dan worden de Bijbelstudies verzorgd door Klaas Goverts.

Ondanks sterk gestegen kosten is ook dit jaar de deelnameprijs gehandhaafd op ƒ 300,- per persoon per week, all in. Omdat het aantal slaapplaatsen beperkt is, raden wij u aan u spoedig op te geven voor deelname aan één of beide weken. Verdere inlichtingen en opgave uitsluitend bij: Jacob en Marry Roosendaal, Enkhuizen.

 

Voor Hem leven zij allen door Evert van de Kamp

 

In de oudheid vierde men de ‘Parentalia’, een gedachtenisfeest voor de overlevenden. Er zijn gemeenschappen die op de laatste zondag van het zogenaamd kerkelijk jaar, in de maand november, de gemeenteleden herdenken die naar de Heer zijn gegaan. De namen worden genoemd van hen die weggingen.

Willem Barnard dichtte:

Vergeet niet hoe wij heten:

naar U zijn wij genoemd.

Zoudt Gij ons niet meer weten,

dan waren wij gedoemd

te sterven aan uw leven;

maar zo Gij ons gedenkt

is er een eeuwig even,

een ogenblik gegeven,

een paasdag die ons wenkt.

 

Zij raken niet vergeten

die over zijn gegaan

tot U, want in uw heden

bewaart Gij hun bestaan.

Hun namen zijn verzekerd

in uw gedachtenis,

Gij zult ze blijven spreken

tot die Dag aan zal breken

waarop het wachten is.

 

Die ‘over’ zijn gegaan, zijn niet weg. De Heer zal met hen spreken; ze zijn immers bij Hem. Voor Hem leven zij allen!

Een buitenissige vraag

Ondermeer in Lukas 20 vers 27 tot 40 (Luc. 20:27-40) stellen de Sadduceeën een meer dan uitdagende vraag over de opstanding uit de doden. Uitdagend omdat zij zelf niet in de opstanding geloven, noch in engelen en geesten. Verbonden met de priesterklasse en wereldlijke macht houden deze ‘aristocraten’, wars van de mondelinge traditie, zich aan de letterlijke tekst van de Thora.

Hun cynische vraag, bedoeld om de opstanding belachelijk te maken, is een miskenning van de kracht van God die doden opwekt (2 Kor. 01:09; Hand. 26:08).

De buitenissige vraag luidt: ‘Wie van de zeven broers behoort in de opstanding de vrouw toe met wie ze, naar Deuteronomium 25 vers 6 en 7 (Deut. 25:06-07), het zwagerhuwelijk (het leviraatshuwelijk) sloten?’ Met deze absurde vraag proberen ze de Heer klem te zetten. Desondanks gaat Jezus serieus op hun vraag in. Wel vertellen de evangelisten Matthéüs en Markus van een dubbele correctie: ‘Jullie dwalen, want jullie kennen de Schriften niet, noch de kracht Gods’.

De buitenissige vraag levert uit de mond van Jezus echter wel een kos­telijk antwoord op: ‘Wie aan de opstanding uit de doden deel hebben, kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn’. Dit ‘Goddelijke’ antwoord kan de Meester geven omdat Hij de Schriften wel kent en de kracht Gods beleeft door de doop in de heilige Geest.

Geen God van doden

Ook Sadduceeën kunnen deel krijgen aan de opstanding. De ‘Levende’ heeft een boodschap voor de doden. Daarom verhaalt Jezus hen open en eerlijk over Mozes. Dat deel van de schrift namen zijn opponenten toch ook ernstig? Eenmaal sprak de Vader bij de braamstruik in vuur en vlam, zonder te verteren: ‘Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob’ (Ex. 03:06).

Deze allen waren eertijds al gestorven en kennelijk toch niet ‘dood’.

Voor Jezus zijn het de levenden, omdat zij dat voor God zijn. De dood is niet door God ‘uitgevon­den’. Integendeel, God heeft de mens voor de dood gewaarschuwd (Gen. 02:17 en Gen. 03:01-05).

Hoewel Jezus nu de sleutels van dood en dodenrijk in handen heeft (Openb. 01:18), is de dood toch nog Gods laatste vijand die zal worden onttroond (1 Kor. 15:26).

God kan en wil geen God van doden zijn. Hij verbindt zich met de levenden, niet met de doden. Hij zoekt die doden en roept die doden tot leven. God zelf liet Jezus zeggen: ‘De ure is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die Hem horen, zullen leven’ (Joh. 05:25).

De lichamelijke dood brengt geen scheiding tussen God en de zijnen, de levenden (Rom. 08:38-39). De zonde brengt de dood, dus scheiding voort. Die geestelijke dood wordt gevolgd door de biologische dood. Het dodenrijk wenkt de doden, niet de levenden. De dood is een macht die verbroken moet worden, de doodsmachten uitgebannen. Sinds Adam is de dood doorgegaan tot alle mensen (Rom. 05:12-21). Het is de genade die nu triomfeert ‘door de ene Jezus Christus’.

Een God van levenden

Jezus zegt: ‘Mijn Vader is niet een God van doden, maar van levenden’.

Door Adam is de zonde in de kosmos gekomen, onmiddellijk gevolgd door de dood. Door de enorme beïnvloeding van het rijk der duisternis leven we in een wereld die in het boze ligt. Zo zijn mensen, bedoeld voor het leven, doden geworden.

Doden zijn mensen die door te gaan zondigen, gescheiden worden van God. Een mens is niet krachtens zijn geboorte automatisch een zondaar, maar begint door de pressie van de boze vanaf zijn jeugd te zondigen (Gen. 08:21).

Brouwer vertaalt: ‘Zo heeft de dood zijn weg tot alle mensen gevonden, aangezien allen gezondigd hebben’ (Rom. 05:12).

Maar Jezus Christus heeft de weg ten leven gevonden voor allen die Hém gehoorzamen.

Zonder omwegen, op de man af, zegt Jezus: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want Hij is over­gegaan uit de dood in het leven’ (Joh. 05:24).

De Heer schrijft de ‘dode’ mens niet af, maar roept hem tot leven. Wie hoort zal leven: ‘Ik leef en gij zult leven’ (Joh. 14:19). Er is slechts één voorwaarde om tot de levenden te mogen behoren: geloof in de Zoon van God.

Letterlijk zegt Jezus: ‘Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven; doch wie aan de Zoon ongehoor­zaam is, zal het leven niet zien, maar de toom Gods blijft op hem’ (Joh. 03:36). De ongehoorzame onttrekt zich aan het leven, blijft onder het beslag van de boze en dus onder de macht van de dood. Na zijn sterven opent hij zijn ogen in het dodenrijk (Openb. 20:05).

Wie het Woord bewaart, ziet de dood niet en smaakt de dood niet. In eeuwigheid niet (Joh. 08:51-52). De Christen gelovige is bij zijn leven al ‘overgegaan’. Van de dood in het leven. Hij heeft bewust, in geloof dus, zijn dood in de dood van Jezus gegeven. Dat is bevestigd door de doop in het watergraf (Rom. 06:03-04).

Het is voor een christen afgelopen met de heerschappij van de dood (Rom. 06:09). De slavernij van angst voor de dood delft het onderspit (Heb. 02:15).

Als de gelovige zijn lichaam verlaat, neemt Hij zijn intrek bij de Heer (2 Kor. 05:08), in het rijk der levenden (Heb. 12:18-24). In Christus weet hij dat God, gelijk Jezus, ook hem zal opwekken door zijn kracht (1 Kor. 06:14). Met Jezus is hij een ’medeopstandeling’ (Openb. 20:06). Bij de klank van de laatste bazuin zal dat blijken (1 Kor. 15:52). De eerste opstanding wordt een groot feest.

Voor Hem leven zij allen

Nadat Jezus gezegd heeft dat de doden worden opgewekt, dat zijn Vader niet een God van doden maar van levenden is, vat Hij dit wonderschoon samen in zijn slotconclusie. ‘Voor Hem leven zij allen’.

Dat is zo en blijft zo. Het is een Meesterlijk woord. Dat geeft een goed gevoel, een blij gevoel. Het is heerlijk je te baseren op zulke woorden van de Heer zelf. De nadruk valt op de woorden ‘leven’ en ‘allen’.

Tot die ‘allen’ behoren de ‘krijgsgevangenen’, de gelovigen tot de komst van Christus, die met Jezus mee verhuisden naar het hemelse Jeruzalem (Matt. 27:53; Ef. 04:08). En allen die inmiddels hun intrek bij de Heer hebben mogen nemen of zullen nemen.

Bij de laatste categorie behoren ook nog velen die meekomen uit de tweede opstanding, beschreven in Openbaring 20 vers 11 tot 15 (Openb. 20:11-15). Blijkens 1 Petrus 3 vers 19 en 20 (1 Petr. 03:19-20) en 1 Petrus 4 vers 6 (1 Petr. 04:06), heeft Jezus na zijn opstanding zelfs aan doden, de mensen uit de tijd van de zondvloed worden met name genoemd, het evangelie gepredikt.

De Bijbel leert geen alverzoening. Een deel van de mensheid kiest voor de tweede dood (Openb. 11:15). Alleen deze laatsten raken door hun besliste keuze weg. Niet degenen die in de Heer sterven (Openb. 14:13).

‘Zij leven allen voor God’ zegt Jezus. Niemand raakt ‘zomaar’ weg. Maar het is goed om te leven bij de woorden van de apostel Paulus: ‘Niemand leeft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Heer, en als wij sterven, het is voor de Heer. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, het is voor de Heer’ (Rom. 14:07-08).

Laat de kinderen tot Mij komen

De meest indringende vragen doemen op rondom de gestorven kinderen. Vragen over jonge kinderen die door een ziekte of ongeval worden weggenomen. Maar ook vragen over kinderen die reeds voor hun geboorte sterven, de doodgeborenen en de kinderen die door een misgeboorte het levenslicht niet zien of van wie het leven door een abortus opzettelijk wordt weggenomen. Wat gebeurt er met hen allen?

Jack Hayford, predikant van een groeiende gemeente in Californië, heeft hierover het uit zijn pastorale praktijk geboren boekje ‘Mijn kind is bij God’ geschreven. De ondertitel luidt: ‘Hoop en herstel voor vaders en moeders van wie een kind is weggenomen door een miskraam, abortus, dood bij de geboorte, wiegendood of ziekte’ (uitgave Gideon).

Eén van de eerste vragen die Hayford zichzelf stelt is de vraag: ‘Wanneer begint het leven in de moederschoot?’ Eeuwenlang hebben filosofen en wetenschappers zich bezig gehouden met de vraag naar het precieze begin van het leven in de moederschoot. Hij stelt dat dit leven al in de eerste maand levensvatbaar en belangrijk is, dat er al vanaf de bevruchting sprake is van een zinvol menselijk bestaan. Voor Hayford is de Bijbel norm van zijn denken. Woorden als: ‘Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven’ en ‘uw ogen zagen mijn vormeloos begin’ (Psalm 139 vers 13 en 16 Ps. 139:013-016) spreken een duidelijke taal. Zeker is dat ook het woord: ‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwam uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd’ (Jer. 01:05). Dit woord gewaagt van blijvende geestelijke levensvatbaar­heid.

Het verhaal van Jezus’ geboorte maakt veel duidelijk. Maria is nog maar net in verwachting als zij bij Elisabeth komt. Haar nicht is dan drie maanden ‘op weg’ en Maria blijft nog ongeveer zes maanden, tot na de geboorte, bij haar. Typerend zijn echter Elisabeths woorden: ‘Gezegend is de vrucht van uw schoot’ (Luc. 01:39-43). Van meet af aan wordt het Kind dat in Maria is verwekt, aangeduid als dat wat leeft en ‘Heer’ is. Plegen wij dus abortus, dan halen wij ‘leven’ weg. Met geweld wordt nieuw door God gegeven leven, het is zijn schepping, beëindigd. Scheppingsleven kun je niet ‘wegpoet­sen’.

Meer dan een verhaal

Hayford vertelt een verhaal. Het is niet zomaar een verhaal. Het is het verhaal van een trouw lid van zijn gemeente, een verstandige vrouw: evenwichtig, geestelijk, Bijbelvast. Ze vroeg of ze eens met hem en zijn vrouw mocht praten. Ze zochten daar niets ergs achter, totdat zij zonder opsmuk en overdreven emotie haar verhaal vertelde:

‘Bijna direct na de geboorte van ons eerste kind werd ik opnieuw zwanger. Mijn man en ik waren nog jong, het was in de economische crisis van de jaren dertig, en we kenden de Heer nog niet. Onkundig van wat de Bijbel zegt, besloten we tot een abortus.

Jaren later, toen onze kinderen al de deur uit waren, was ik eens in gebed. Zonder dat ik met mijn gedachten bij deze gebeurtenis uit het verleden was, zei de heilige Geest tegen mij: ‘Je hebt dit kind nooit aan de Vader opgedragen’. Ik schrok, niet omdat ik mij schaamde of veroordeeld voelde, maar omdat die abortus van destijds totaal niet door mijn hoofd speelde. En zelfs al had ik er aan gedacht, dan nog zou ik er nooit opgekomen zijn om een geaborteerd kind achteraf aan de Heer op te dragen.

Het was een indringende ervaring en ik sprak erover met mijn man. We hebben de zaak in gebed gebracht en Gods Woord erop nageslagen, met als gevolg dat we enige tijd later ons geaborteerde kind inderdaad aan de Heer hebben opgedragen.

We wisten dat God ons de abortus al lang had vergeven, omdat we destijds uit onkunde hadden gehandeld.

Dus baden we eenvoudig: ‘Heer, U bent de Vader van alle geesten. Dat zegt uw Woord. Wij geloven dat U ons een eeuwige ziel hebt toevertrouwd waarvan wij het lichaam deerlijk hebben laten mishandelen, maar niettemin bij U is, in uw tegenwoordigheid. Meer weten we niet. En nu komen we tot U en dragen dit kind, dat U ons gaf, aan U op. In de naam van Jezus. Amen’.

Dit verhaal leert opnieuw dat ook geaborteerde kinderen, net als alle kinderen die te ‘vroeg’ zijn weggegaan, toch niet echt weg zijn. Jezus zegt: ‘Net als de anderen zijn ze als ‘engelen in de hemel’. Laat ze maar bij Mij komen. De zodanigen is het Koninkrijk Gods’ (Luc. 18:16). Zonder Jezus zouden ze weg zijn. Nu niet. Hij gaat met hen verder (Matt. 18:10).

Hayfords pastorale boekje tracht Bijbelse antwoorden te geven op vele vragen ook in de richting van hen die een kind lieten aborteren. Een abortus brengt niet zelden mensen in diepingrijpende problemen.

Voor mij liggen de cijfers van 1991, onlangs bekend gemaakt door Stimezo, de vereniging van abortusklinieken. Opnieuw is het aantal abortussen bij Nederlandse vrouwen toegenomen. In totaal lieten 19.568 vrouwen in ziekenhuizen en klinieken hun zwan­gerschap afbreken. Het abortuscijfer ligt daarmee op 5,6 per duizend vrouwen. Bijna de helft van de cliënten is tussen de twintig en dertig jaar. Het aantal allochtonen vrouwen dat tot een onderbreking van de zwangerschap besluit, neemt eveneens toe.

In noodgekomenen kunnen voor hulp aankloppen bij het diensten­centrum van VBOK.

Wij zien nu nog vaak door een spiegel, in raadselen. Straks van aangezicht tot aangezicht (1 Kor. 13:12).

En soms wordt er een tipje van de sluier opgetild (2 Kor. 12:02-04). Maar één ding staat vast:

Voor Hem leven zij allen!

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Rooze 13

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (13)

De overwinnende gemeente (1)

(Openb. 01:01-03; Openb. 02:01-17. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari 1992).

De laatste twee delen zullen wat anders van opzet zijn dan de eerste twaalf. In de studies tot nu toe hebben we het herstelplan gevolgd zoals het ons in het laatste Bijbelboek is geopenbaard. Daarbij hebben we steeds geprobeerd de relatie te leggen tussen wat staat te gebeuren en de tijd nu. Nu we het herstelplan ‘rond’ hebben -we hebben er kermis van- gaat het er bij de laatste twee studies vooral om: hoe kunnen wij, u en ik persoonlijk en als gemeente, aan dat plan ten volle deel krijgen?

Ook daarover geeft het boek Openbaring een duidelijke boodschap door. De Heer zelf legt dit verband tussen plan en uitvoering. Immers, wie voeren het herstelplan van God uit? De leden van de Gemeente van Jezus Christus aller tijden, in Openbaring uitgebeeld of vertegenwoordigd door de zeven gemeenten (zie deel 1) aan wie dit boek ook gericht is.

Elke gemeente wordt opgeroepen aan haar doel ie gaan beantwoorden wordt daartoe bemoedigd, vermaand en vertroost. Het Tijden dat enkele gemeenten doormaken, beeldt een aspect uit van het gemeenteleven, zoals ook de verleidingen, de zwakheden, maar ook de sterke punten alle herkenbaar in de gemeente aanwezig kunnen zijn. De beloften die de Heer geeft en die bewaarheid zullen worden als de gemeente handelt overeenkomstig de profetie, hebben alle te maken met het geopenbaarde plan. Ze plaatsen de gemeente en de gemeenteleden daarin.

In deze laatste artikelen willen we stilstaan bij die aspecten waarvan de Heer het belangrijk vindt ze te noemen. Ze zijn van essentiële betekenis voor elk gemeentelid en gemeente in ontwikkeling! Daarom gaat het er in deze studies ook om: wie een oor heeft, die hore wat de geest tot de gemeenten zegt!

Wat kunnen we leren uit de aanhef van Openbaring?

Zalig hij die voorleest, en zij die horen de woorden der profetie, en bewaren hetgeen daarin geschreven staat, want de tijd is nabij (Openb. 01:03). De oproep is duidelijk: wees met Zijn plan bezig, overdenk het, probeer het te doorgronden. De Heer geeft ons kennis waarin we door de heilige Geest inzicht mogen verkrijgen en wijsheid om het ten uitvoer te brengen.

In Matthéüs 24 en 25 staat het weer anders, maar het komt op hetzelfde neer: Waakt dan, opdat de eindtijd met zijn ontwikkelingen u niet onverwachts overvalt, en u toebereid zal blijken te zijn.

In onze tijd gaat er een verlokking uit van onder andere ‘feesten voor de Heer’ en lofprijzing en vooral niet te moeilijk doen. Dat lofprijzing en aanbidding belangrijk zijn, hebben we gezien in deel 5 en staat naast het overdenken van de kennis des Heren bij dag en bij nacht’ (Ps. 001:002).

Is Openbaring moeilijk te verstaan? Door leraars die de Heer aan de gemeente en broeders en zusters met profetische openbaringsgaven mag het plan van God voor alle gemeenteleden steeds helderder worden, maar vooral ook de toegang met Christus: het is Zijn openbaring, Hij wil het met verborgen houden maar juist duidelijk maken! Denk hierbij ook nog aan de twee sleutels uit de inleiding, punt 4.

Hoe corrigeert en bemoedigt de Heer de gemeenten?

De kenner van de plaatselijke situatie. Hij geeft er blijk van die goed te kennen. Zo komt Hij tot bemoedigingen en correcties, gevolgd door een oproep die ertoe moet leiden dat de gemeenten deel hebben en houden aan het herstelplan van God.

Van Jezus’ bemoeienis valt onder andere het volgende op:

Hij begint altijd met het positieve, hoe ‘erg’ het met betrokkenen intussen ook al is.

Hij windt geen doekjes om de problemen maar is daarin radicaal: veran­deren… of anders is het afgelopen. Ook dit is een uiting van liefde, want in de geestelijke wereld valt niet te schipperen, het is licht of duisternis. Kortom, de les die we al hebben kunnen leren uit Openbaring: de voortgang van Gods plan loopt gelijk op met de scheiding die aangebracht moet worden.

Aan ‘bekering’ oftewel ingaan op de correctie koppelt Jezus een belofte van geestelijke strekking: gehoorzaamheid wordt beloond (in de onzienlijke wereld).

De wijze waarop Jezus zich aan de gemeenten openbaart heeft te maken met de problemen die Hij in de betreffende gemeenten signaleert of met de belofte die hij doet.

Wat zijn de sterke en zwakke punten van de gemeenten?

De Heer prijst de eerste drie gemeenten om de volgende aspecten:

Het doen van werken met inspanning en volharding.

Het niet verdragen van de ‘kwaden’ of hen die de waarheid verdraaien en het ontmaskeren van de leugen.

Het doorstaan van verdrukking onder behoeftige omstandigheden. En van laster door met name hen die zeggen te geloven.

Het niet verloochenen van Christus en het vasthouden van het geloof ondanks verdrukking.

Op de volgende punten volgt vermaning:

Het verzaken van de eerste liefde: ‘uit de hoogte gevallen’ (dit is niet meer leven vanuit de realiteit van de onzienlijke wereld en vanuit de directe gemeenschap met de Heer).

Het niet optreden tegen gemeenteleden die vasthouden aan leringen en werken die ingaan tegen het evangelie van het Koninkrijk en die leiden tot (geestelijke) ontrouw en vermenging (dit is niet volledig breken met de ongerechtigheid, met de wereld of met zondige gewoonten, of met leringen waardoor men in contact komt met, respectievelijk gebonden raakt door demonen).

Waartoe roept Jezus op?

Het valt op dat Jezus de correctie in sommige gevallen laat volgen door een bekeringsoproep. Dat komt ‘zwaar’ over, Hij heeft het immers tegen gelovigen die ook veel goeds doen!

Opnieuw een blijk van de ernst van de zaak: als het roer niet helemaal omgaat, dan kun je het wel vergeten. Het is Zijn liefde tot de gemeenten die Hem hiertoe brengt.

De eerste drie gemeenten worden opgeroepen tot:

– de (geloofs-)werken van weleer te doen, ofwel weer te gaan leven uit de onzienlijke realiteit en onder leiding van of geïnspireerd door de heilige Geest; – niet bevreesd te zijn voor het lijden, zelfs niet als het nog toe zou nemen, ja, zelfs getrouw te zijn tot de dood;

– in de gemeente op te treden tegen hen die leugenleringen vasthouden of zelfs vrijuit verkondigen.

En voor alle gemeenten geldt:

– te horen wat de Geest tot de gemeenten zegt.

Welke beloften geeft de Heer?

Aan diegenen die gehoor geven aan de oproep en de correctie van de Heer en daarnaar handelen -dat is dus ook een manier van overwinnen- worden beloften gegeven.

Elke gemeente ontvangt weer een andere belofte, één die bij hen past en die te maken heeft met hun talenten en bekwaamheden, zoals:

te eten van de boom des levens die in het paradijs Gods is (dit is deel hebben aan Christus tot in der eeuwigheid en ingewijd worden in al de verborgen waarheden van het Koninkrijk der hemelen);

van de tweede dood geen schade lijden (dus in plaats van eeuwige dood deel hebben aan het eeuwige leven);

verborgen manna ontvangen (dit is geestelijk altijd overvloed hebben ter versterking van de innerlijke mens);

een witte steen met een nieuwe naam ontvangen (witte steen is bewijs van de rechtvaardiging, de nieuwe naam duidt op de geestelijke positie of functie waartoe men geroepen is krachtens zijn talenten en het omgaan daarmee).

 

Zoekt de dingen die boven zijn door Wim te Dorsthorst

 

Belofte en vervulling

Zoals iedereen weet staan er in de Bijbel teksten die geweldige beloften inhouden. Ze prijken dan ook op vele wenskaarten die in grote verscheidenheid te koop zijn. Toch staan deze woorden Gods nooit of bijna nooit op zichzelf. In de context lezen we dan voorwaarden of opdrachten waardoor die beloften vervuld kunnen worden.

Als Paulus schrijft: “zoekt de dingen die boven zijn”, dan is dat een opdracht, niet om de gelovige aangenaam bezig te houden, maar opdat een grootse, heerlijke belofte aan ons vervuld zal worden.

Hij schrijft aan de gemeente te Kolosse: “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heer­lijkheid” (Kol. 03:01-04).

Het geheimenis Gods

Vers 4 spreekt van de grote belofte en de hoop van het evangelie, de blijde boodschap: het deel krijgen aan het leven en de heerlijkheid van Gods Zoon, Jezus Christus (zie Rom. 08:29 en 1 Kor. 02:06-09).

Eigenlijk is dit het hoofdthema van de hele evangelieverkondiging, het einddoel des geloofs, de zaligheid der zielen.

In het eerste hoofdstuk noemt Paulus het “de hoop die voor u is weggelegd in de hemelen”. Het is tot de Kolossenzen gekomen in de prediking van de waarheid, het evangelie (Kol. 01:04-05). En in vers 27 (Kol. 01:27)zegt hij: “Het geheimenis van God is: Christus in u, de hoop der heerlijkheid”.

Dat is de blijde boodschap die het hele Nieuwe Testament beheerst. De prediking van het Koninkrijk Gods in de mens. Petrus omschrijft het in zijn eerste brief als: “De onver­gankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd” (1 Petr. 01:04-05).

De Zoon van Gods liefde

Paulus begint daarom het derde hoofdstuk van de Kolossenzenbrief met een “indien gij dan”. In de eerste twee hoofdstukken beschrijft hij het wezen en de plaats van de Zoon van Gods liefde, Jezus Christus. Hij is het beeld van de on­zichtbare God en de eerstgeborene der ganse schepping. Alle dingen hebben hun bestaan in Hem, door Hem en tot Hem. Hij is vóór alles. En door het bloed Zijns kruises heeft God alle dingen in de hemelen en op de aarde weer met Zichzelf verzoend (zie ook 2 Kor. 05:18-19). Hij is het geheimenis Gods, in wie alle schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn; en het is: Christus in u, de hoop der heerlijkheid.

De gelovige heeft Christus aanvaard, is verlost door Hem, is met Hem gestorven in de doop, is met Hem opgewekt, is geworteld in Hem, wandelt in Hem, ontvangt de goddelijke wasdom door Hem, komt tot de rechte en volle kennis van God door Hem, enz. Er is niets boven dit alles wat men zou kunnen begeren en dat is ook de waarschuwing van Paulus in deze brief aan de Kolossenzen (zie hoofdstuk 2 vers 4 tot 23).

En daarom ook: “Indien gij dan met Christus gestorven en opgewekt zijt, zoekt de dingen die boven zijn waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God”.

Het eeuwige leven

Om nu beter te kunnen begrijpen wat er boven te zoeken en te bedenken is, is het belangrijk vers 3 nauwkeurig te lezen. Paulus begint met ‘want’, als redengevend voegwoord waarmee hij het voorgaande aan vers 3 verbindt. Je doet het voorgaande…, aangezien je leven met Christus verborgen is in God.

Verder zegt hij; ‘uw leven’. Hier wordt nogal eens de fout gemaakt door te lezen: ‘u bent verborgen…’; of: ‘wij zijn verborgen…’ Paulus die ook zegt, dat wij -in het lichaam zijnde- ver van de Heer in de vreemde zijn en wandelen in geloof (2 Kor. 05:06); bedoelt dus niet dat ‘wij’ op één of andere wijze met Christus verborgen zouden zijn in God.

In de grondtekst staat letterlijk: ‘het leven van u’ is verborgen met Christus in God’. Het gaat om het ‘leven’ van de gelovige. Voor ‘leven’ wordt hier het Griekse woordje ‘zoe’ gebruikt. En ‘zoe’ is het goddelijke eeuwige leven, waarvan God getuigd heeft dat het is in Zijn Zoon.

“Wie de Zoon heeft, heeft het leven (‘zoe’); wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven (‘zoe’) niet (1 Joh. 05:11-12).

De Bijbel maakt dus duidelijk onderscheid -ook in woordgebruik- tussen het door God geschapen natuurlijke, menselijke leven, ‘psuche’, (zie bijv. Gen. 02:07 en 1 Kor. 15:45a) en het eeuwige goddelijke leven, ‘zoe’, dat in Jezus Christus is en dat Hij is komen brengen (Joh. 10:10). In Hem (het Woord) was leven (‘zoe’) en het leven (‘zoe’) was het licht der mensen, zegt Johannes (Joh. 01:04). Dat ‘leven’ (het leven van u) is dus met Christus verborgen in God, want Jezus Christus is het waarachtige licht voor de mensen (Joh. 01:09). Het licht waarbij de mens dient te wandelen.

In de Waarachtige zijn

De oproep van Paulus is dus om dat eeuwige goddelijke leven te zoeken en te bedenken. Het leven dat Jezus is komen brengen, dat Hij in ons brengt, waarvan Hij ons deelgenoot maakt. Het is Zijn leven wat het leven van God is.

Hij is niet alleen maar gekomen om als het Lam Gods de zondeschuld weg te doen, maar om ons deelgenoot te maken van het eeuwige leven Gods door de heilige Geest die in ons werkt. Zelf zegt Hij in Johannes 17 vers 3 (Joh. 17:03): “Dit nu is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de ene waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt”.

En Johannes schrijft in zijn eerste brief: “Doch wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarach­tige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven” (1 Joh. 05:20). Hij, Jezus, heeft ons het inzicht gegeven. Andere vertalingen zeggen: ‘het verstand gegeven’, om de Waarachtige te kennen, omdat Hijzelf de Waarachtige is. Bovendien heeft Hij ons verstand geopend, zodat we de Schriften kunnen begrijpen (Luc. 24:32 en Luc. 24:45).

Want gij zijt gestorven

Zoekt dan de dingen die boven zijn en bedenkt de dingen die boven zijn, met een geopend en verlicht verstand. En dan zegt Paulus er nog nadrukkelijk bij in vers 2(Kol. 03:02): “Niet de dingen die op aarde zijn, want gij zijt gestorven!”. Je bent dood voor de wereld, met Christus  gestorven, waarom dan nog doen alsof je in die wereld leeft? (Kol. 02:20). Wat schreeuwen de dingen van de wereld om aandacht. Hoe indringend en opdringerig komt het naar ons toe in de media. Hoe duidelijk zien we dat de woorden van Jezus bewaarheid worden, als Hij zegt dat het zal zijn als in de dagen van Noach: enkel vleselijk bezig zijn (Matt. 24:37-38). Mogen we het dan niet opmerken? Jawel, Jezus zegt immers dat, als we die dingen zien gebeuren, dan weten we dat het einde nabij is (Matt. 24:33).

Maar ga het niet bedenken, wees er niet mee bezig en laat het je leven niet bepalen, want gij zijt gestorven voor deze wereld. Dat is de geestelijke werkelijkheid voor de gelovige. De wereld ligt in het boze (1 Joh. 05:19) en alles gaat overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, zegt Paulus (Ef. 02:02).

“Maar gij, geheel anders: Gij hebt Christus leren kennen” (Ef. 04:20). “God heeft ons verlost uit de macht van de overste van deze wereld, van de duisternis, en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde” (Kol. 01:13). Wij zijn niet langer van deze wereld om op te gaan in alles wat de wereld biedt en bezig houdt. Ook niet als het een schijn van godsvrucht heeft, zoals dat bij de Kolossenzen het geval was, waar valse leringen de mensen op aarde bezig wilden houden. Paulus zegt: het is zonder enige waarde en dient slechts tot bevrediging van het vlees (Kol. 2).

Wij zijn hemelburgers

Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, toebereid voor het erfdeel der heiligen in het licht (Filip. 03:20a; Ef. 02:19b; Kol. 01:12). En de consequentie is dan dat we vreemdelingen en bijwoners op aarde zijn. (Heb. 11:13b).

En als dat dan zo is, vermaant Petrus, onthoudt u dan van vleselijke begeerten, die strijd voeren tegen uw ziel (1 Petr. 02:11).

De hele rest van de brief aan de Kolossenzen handelt dan ook over het leven als een waarachtige christen in deze wereld, die weet met Christus gestorven te zijn in de doop (Kol. 03:05; Kol. 04:06).

Duidelijk is daarom dus de plaats waar ons zoeken en bedenken naar uit moet gaan: “Boven, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods”. Daar is ons leven, ons waarachtige leven.

De heerlijkheid van de wet

Voor de Israëliet was het leven in de wet. Als Mozes al de woorden van de wet nog eens voor hun oren herhaald heeft, zegt hij: “Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven; door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen” (Deut. 32:47).

En voor iedere Israëliet gold wat de Heer tegen Jozua zegt: “Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is. Want dan zult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn” (Joz. 01:08).

Het ‘leven’ was voor de Israëliet een gezegend, lang, gelukkig en voorspoedig leven op aarde.

De heerlijkheid in Christus

Wat is dan de belofte aan ons onuitsprekelijk en onvoorstelbaar veel rijker en verhevener. “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid” (Kol. 03:04).

Ons leven, ons waarachtige leven wat in Hem is, zal zich ontwikkelen in ons binnenste, wanneer we dit zoeken en overpeinzen. Dan zal het geopenbaard worden als onze Heer verschijnt in heerlijkheid. Paulus zegt: “Om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn” (2 Thess. 01:10).

Het is nu nog met Christus verborgen in God. Het is nog niet zichtbaar, het is nog niet geopen­baard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is, zegt Johannes (1 Joh. 03:02).

Die Hem liefhebben

Nu is het nog in geloof en niet in aanschouwen en het zal het deel zijn van Zijn heiligen of, zoals 1 Korinthiërs 2 vers 9 (1 Kor. 02:09) het zegt: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben”.

Laat het ons enige levensdoel zijn, onze grootste liefde en vreugde, om te zoeken en te bedenken wat boven is, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods, om deel te hebben aan het waarachtige eeuwige leven.

 

 

 

 

1993.01 nr. 344

  1. 01 Levend geloof nr. 344

Kracht om te overwinnen door Gert Jan Doornink

“God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren”

(2 Kor. 02:14).

Kunnen wij altijd overwinnaars zijn?

Op ons ‘geestelijk verlanglijstje’ voor 1993 komt zonder twijfel het woord ‘overwinning’ voor. Want wie wil nu niet graag overwin­nen? Overwinnen in de geestelijke strijd, overwinnen tijdens allerlei moeilijke omstandigheden, overwinnen gewoon tijdens het leven van elke dag.

Het is een ingeboren verlangen van elk kind van God. Een verlangen echter dat nog maar al te vaak niet vervuld wordt en waarbij wij dan onze vraagtekens zetten en ons afvragen waar we gefaald hebben. Hoe is satan er toch nog weer in geslaagd ons de nederlaag toe te brengen, terwijl wij toch belijden en geloven dat ‘overwinning’ een wezenlijk onderdeel van ons ‘nieuwe leven in Christus’ is?

Nu is satan er altijd weer op uit om te proberen bij ons te in­filtreren. Dikwijls lukt het hem niet, maar die keren dat hij er wèl in slaagt, grijpt hij ogenblikkelijk aan om ons dat later, bij andere ‘aanvallen’, weer voor de voeten te werpen. En wanneer wij dan weer gehoor geven aan zijn stem is het opnieuw mis. . .

Gelukkig leren wij als waarachtige kinderen Gods hoe ‘overwin­ning’ hoe langer hoe meer een werkelijk onderdeel van ons geloofsleven gaat worden. En uiteindelijk, als het zoonschap er helemaal uitkomt, zal er geen enkele plaats voor nederlaag meer zijn.

Er wordt van ons volledige inzet gevraagd

Maar in de ‘overgangstijd’ waarin we nu leven, nadat de eerste Zoon van God zich reeds ten volle als overwinnaar heeft geopenbaard, is het nodig waakzaam te zijn, te leven met de wil om te geloven en te gehoorzamen, het verlangen hebben om geestelijk te groeien, kortom we behoren ons volledig in te zetten, opdat het nieuwe leven, wat in ons is, zich hoe langer hoe meer gaat openbaren.

Dit is geen wettische aangelegenheid, geen krampachtig pogen van onszelf uit er iets van te maken. Dwang, pressie, prestatiedrang, etc. komen altijd van de verkeerde kant! Van Jezus kunnen we leren dat Hij “zachtmoedig was en nederig van hart” (Matt. 11:29). Paulus beschrijft in (Gal. 05:22) wat de vrucht van de Geest (in en door ons) is: “liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheer­sing”.

Stuk voor stuk eigenschappen die door een waarachtig kind van God, een werkelijke zoon van God, hoe langer hoe meer geopen­baard zullen worden. Als je hierover nadenkt, kun je alleen maar heel erg blij en dankbaar zijn dat je in deze tijd -terwijl de duisternis van allen die buiten Gods Koninkrijk leven hoe langer hoe meer naar buiten komt- mag leven en het mag ‘beleven en doorgeven’.

De levende God wil ons kracht schenken

Doet u mee in dit nieuwe jaar om het nieuwe leven in Christus meer en meer tot werkelijkheid te maken? Daarvoor wil de levende God die, wij dienen, ons kracht schenken. Kracht om te overwinnen. Kracht om het vol te houden tijdens de strijd. Kracht die wij mogen putten uit Zijn Woord en door Zijn Geest. Kracht door een doorgaande vernieuwing van denken, waardoor we steeds meer en steeds beter de positieve eigenschappen van Gods Koninkrijk leren kennen.

Wees niet ontmoedigd als het allemaal nog niet ten volle is gerealiseerd. Bedenk dat we betrokken zijn bij een proces, een ontwikkeling, die absoluut doorgaat, zolang het verlangen daartoe bij ons aanwezig blijft.

Twijfel niet, wees niet bang, laat je niet van het doel -de volle openbaring van het zoonschap- afbrengen. Verwacht dat de levende Heer in wie wij ons vertrouwen hebben gesteld, in staat is oneindig veel méér te doen dan wij bidden of beseffen! Het is Zijn werk en Zijn plan, dus het is honderd procent gegarandeerd dat het voltooid zal worden!

 

Monster door Duurt Sikkens

“. . . niet is hoewel het er is” (Openb. 17:08).

Wat steekt daar de kop op in de onzienlijke wereld? Wat voor okkulte beweging beroert het oppervlak van het dodenrijk en komt daar boven water? Hoe heet deze beweging, die alles uit de weg ruimt aan schijnbare zekerheden in kerk en wereld en zichzelf God noemt? Uit zijn bek komt een vurige storm die alles verbrandt. Die alle politieke en geestelijke macht naar zich toe trekt en mensen zoekt om hen tot valse Christussen te promoveren?

Welke samenzwering ontspint zich onder leiding van deze gruwelijke geest die het offer van Jezus ontkent en tevens ontkent dat de Christus van God in Zijn mensen geopenbaard wordt? Die het Koninkrijk Gods, dat van de hemel is, naar de aarde verplaatst en beweert dat de mens van nature God in zich heeft? Die in zijn paladijnen mensen vindt die anderen dopen met een verkeerde geest?

Die onder het mom van vrede en rust de mensen in een versierd koncentratiekamp stopt en zichzelf laat aanbidden door zich voor God uit te geven? Die beweert het begin te zijn van een nieuw tijdperk, terwijl de jongste dag met Jezus’ opstanding is begonnen? Die liegt en liegt en liegt over God, over de mensheid, over hemzelf naar zijn aard.

Er komt geen eind aan de regering van dit monster dan door de adem van God die in de Zijnen is. Kies en je zult zien. Wil je een lam volgen of een reptiel?

 

Het geheim van de godsvrucht Door Hessel Hoefnagel

In een tweetal artikelen wil ik graag wat nader ingaan op bovenstaand thema, naar aanleiding van wat Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timótheüs, (1 Tim. 03:15-16).

Deze artikelen kunnen als een op zichzelf staand geheel gelezen worden, maar ook als een vervolg op de eerder bij “Levend Geloof’ verschenen brochure “Het geheim van God”. Ging het daarin met name over de openbaring van Gods bedoeling met de mens, in dit verband wil ik nader ingaan op de vrucht, welke zich in en door de mens openbaart als gevolg van een diepe, persoonlijke relatie met God.

De apostel Paulus noemt deze vrucht een groot geheim. Dit woord betekent in de Bijbel niet een onbereikbare verborgenheid, maar wel iets wat voor ‘wijzen en verstandigen’ verborgen blijft, maar aan ‘kinderkens’ geopenbaard, naar het welbehagen van God (Matt. 11:25-26).

Zoals binnen de reine huwelijksband de vrouw de vrucht voortbrengt, welke door de man in harmonie is verwekt, zo is het naar de bedoeling van de Schepper, dat de mens de ‘vrucht’ van God voortbrengt. Het ‘zaad’ van God, dat is Zijn Woord, bewerkt in en door de mens vanuit een ontvankelijk en daadwerkelijk geloof een resultaat, wat we vanuit de Bijbel kennen als een ‘nieuwe schepping’, welke uit de oude tevoorschijn komt. Deze nieuwe schepping ontstaat in het proces van de ‘wedergeboorte’ door het onvergankelijke zaad, het levende en blijvende Woord van God (1 Petr. 01:23).

Het is mijn verlangen dat deze artikelen er toe zullen bijdragen dat deze ‘mens Gods’ in veelvoud tevoorschijn zal komen, zodat het doel van de Schepper mede daardoor wordt bereikt in het herstel en het volmaken van Zijn totale schepping.

De uitgangstekst

Het in de aanhef genoemde bijbelgedeelte wordt in de NBG- vertaling als volgt weergegeven: “. . . dan weet gij, hoe men zich behoort te gedragen in het huis Gods, dat is de gemeente van de levende God, een pijler en fundament der waarheid. En buiten twijfel, groot is het geheimenis der godsvrucht: Die Zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid”.

In deze tekst, en zo ook in andere gangbare vertalingen (onder andere de Statenvertaling), hebben de vertalers het akcent gelegd op de persoonsvorm ‘God’. In vers 16 wordt dan gesteld dat God zich heeft geopenbaard in het vlees, Die (met hoofdletter), Zich (met hoofdletter), enz. Bij het juist en in verband lezen is echter duidelijk, dat het hier specifiek gaat om de openbaring van godsvrucht.

Godsvrucht is de vrucht die door God bewerkt wordt vanuit Zijn oorspronkelijk verlangen. Het voortbrengen van deze vrucht is in diepste zin het doel van de hele schepping en met name van de mens als ‘hoofd’ en verantwoordelijk daarin.

De gegeven omschrijving van dit bijbelgedeelte betreft de door­werking en openbaring van de godsvrucht in de mens(en) als individu en als gemeente. Deze doorwerking noemt de apostel een groot geheim.

Een groot geheim

Het begrip ‘geheimenis’ wordt door hem wel vaker gebruikt als hij in zijn brieven spreekt over de verhouding tussen God en mens, individueel, als gemeente en als totale mensheid.

De individuele mens, de gemeente als lichaam van Christus en de totale mensheid zijn van oorsprong bedoeld als de belichaming van het wezen en de bedoeling van de eeuwige God, Die enkel Geest is.

Godsvrucht is datgene wat de mens, vanuit gemeenschap met en betrekking tot God, naar buiten brengt. De mens staat centraal in de openbaring van God. De mens is de gestalte of het lichaam van God, die enkel Géést en onzichtbaar is, maar bezig is Zich te openbaren in het zichtbare ‘vlees’.

Zoals de vrucht van de menselijke geest zich openbaart en manifesteert in en door het menselijk lichaam, zo is het naar Gods bedoeling, dat de mens(heid) zich openbaart als het ‘lichaam’ van God. Een bijbels begrip van gelijke strekking als ‘lichaam’ is de aanduiding ‘vrouw’. De mens brengt vanuit de ware en intieme gemeenschap met God Zijn ‘vrucht’ voort.

Deze vrucht is allereerst de ‘nieuwe mens in Christus’, welke vanaf de wedergeboorte gevoed wordt door en ontwikkelt uit het Woord van God, dat reeds in onze Heer en Heiland, Jezus (de) Christus, volkomen ‘vlees en bloed’ geworden is.

Dit gegeven is de kern van het evangelie van Jezus Christus en van het Koninkrijk der hemelen. Toch is dit voor vele (godsdienstige) wijzen en verstandigen verborgen, hoewel het reeds volop wordt geopenbaard aan ‘kinderen’, zoals onze Heer het al stelde in Zijn dankzegging naar de Vader toe (Matt. 11:25).

Het evangelie van Jezus Christus herbergt het plan van God vanaf de eeuwigheid. Het is de ‘schat in de akker’, waarvan onze Heer al sprak in woorden en gelijkenissen (onder andere in Matt. 06:19-21 en Matt. 12:35 en Matt. 13:44). Deze schat moet niet verborgen blijven, maar juist ontdekt (door persoonlijke inzet!) en geopenbaard worden in woord en daad. Met dit vooropgezette doel heeft God de mens geschapen en bestemd.

De bedoeling van de genoemde tekst moet daarom als volgt worden geïn­terpreteerd:

“. . . En buiten twijfel, groot is het geheim van de godsvrucht:

die zich heeft (en wordt) geopenbaard in vlees,

die is (en wordt) gerechtvaardigd in geest,

die is (en wordt) gezien en erkend door engelen,

die is (en wordt) geproklameerd onder de volken,

die is (en wordt) geloofd in de wereld,

die is (en wordt) verheerlijkt”.

Het gaat in dit bijbelgedeelte dus niet direkt over het feit dat Göd Zich heeft geopenbaard in het vlees van de ware méns Jezus, de Christus, zoals de in verschillende vertalingen toegevoegde hoofdletter Z(ich) suggereert. Deze waarheid is wel bekend. Uit het tekstverband blijkt echter duidelijk dat hier de godsvrucht het onderwerp is.

De aanduiding ‘godsvrucht’ of ‘godvruchtig’ wordt wel gehanteerd om iemands levensstijl met betrekking tot God aan te duiden. Soms terecht, maar ook vaak vanuit een vrome teneur.

In de ware betekenis is godsvrucht echter de vrücht, het resultaat van de gemeenschap en bedoeling van God met de mens, zoals Hij die heeft gezocht vanaf het begin.

In den beginne

In den beginne sprak God (Gen. 01:26-27): “Laat ons mensen maken, naar ons beeld, als onze gelijkenis. . . En God schiep de mens. . . “:

naar zijn beeld, dus diens eigen beeld, als een zelfstandige persoon­lijkheid, met een eigen keuzemogelijkheid (èn) naar Gods beeld, dus met Goddelijke eigenschappen.

Er wordt dan toegevoegd, dat God de mens als man en vrouw schiep.

Te gemakkelijk wordt er van uitgegaan, dat God de mens alleen maar schiep naar het beeld van God. Te gemakkelijk ook wordt deze tekst als een absoluut bewijs gehanteerd, als zouden er meerdere personen in de Godheid worden bedoeld. Het woordje ‘ons’ wordt dan al bij voorbaat op de zo aangeduide ‘drieëenheid’ van toepassing geacht en vaak om die reden met een hoofdletter ‘O’ geschreven.

We weten uit het gegeven in (Gen. 02:07), dat God de mens in zichtbare zin formeerde van ‘stof uit de aardbodem’ tot het lichaam van vlees en bloed, met daarin de mogelijkheid tot schier oneindige vermenigvuldiging.

In dat lichaam ‘blies’ de Schepper ‘levensadem’, hetgeen een aanduiding is voor het geestelijk en zieleleven, dat in feite de persoon­lijkheid van de mens karakteriseert. Vanwege deze innerlijke mens of ‘mens des harten’ kan het lichaam funktioneel zijn binnen het kader van de gehele schepping.

God en mens

Uit de openbaring van de Bijbel weten we, dat God één is en enkel Géést, met onbegrensde en ongekende potenties. In een aantal bijbelplaatsen wordt dat duidelijk weergegeven. Ik noem er enkele:

Hij is de onzienlijke en enige God (1 Tim. 01:17).

Hij bezit alleen (enkel) onster­felijkheid.

Hij bewoont een ontoegankelijk licht.

Geen mens heeft Hem ooit gezien.

Hij kan door geen mens gezien worden (1 Tim. 06:16).

Alle dingen zijn door Hem geschapen, met Zijn Woord als drijvende kracht (Joh. 01:03 en ; Rom. 11:36 en 1 Kor. 08:06 en Heb. 02:10).

Als er daarom sprake is van de mens als ‘beeld’ van God, dan mag dit niet omgekeerd worden door aan de eeuwige en onzienlijke God een individuele menselijke gestalte toe te denken.

Ook is de mens niet in zijn uiterlijk, als natuurlijk mens, het beeld van God. Vanuit deze gedachte wordt immers onbewust vaak terug geredeneerd en wordt aan de eeuwige God een verheven menselijke gestalte toegedacht, die ergens te lokaliseren is in het heelal. De eeuwige Schepper wordt door deze wijze van denken onbedoeld plaatsgebonden gemaakt, omdat Hij immers ‘gezeten’ is op een grote, witte troon in de hemel, een lokatie ergens ver ‘boven de starren’. Hier verkeert dan sinds Zijn opstanding en hemelvaart ook onze Heer Jezus, want ook Deze is toch ‘gezeten’ in de troon van de Vader.

De komst van de Heer

Ook over de zogenoemde ‘wederkomst’ van onze Heer Jezus bestaat onder ‘christenen’ nog steeds veel verwarring en onduidelijkheid, terwijl deze naar het woord van de apostelen en vanuit de ’tekenen der tijden’ aanstaande is en er dus geen verwarring mag zijn over dit aktuele gegeven.

De Heer zelf maakte al in woorden en gelijkenissen duidelijk, dat we waakzaam en werkzaam moeten zijn met betrekking tot deze komst (Matt. 24:46 en Luc. 12:37). Ook de apostelen spreken in dat opzicht dui­delijke taal

(o. a. 2 Petr. 03:12).

Het is niet juist om de komst of openbaring van de Heer zó voor te stellen, alsof Hij zich uitsluitend als individu zal openbaren in een bepaalde menselijke gedaante, welke zich naar veler gedachte ergens in de atmosfeer zal vertonen, omgeven door wolken van waterdamp, terwijl toch aller oog Hem zal zien.

Eén van de vragen daarbij is immers, op welk menselijk ras zal de Heer dan lijken? Zal Hij zich bijvoorbeeld als blanke, of als neger, of als eskimo laten zien, of zal Hij er voor iedereen weer anders uitzien?

De vragen, welke ten aanzien van de ‘komst des Heren’ bestaan, zijn echter zeker te beantwoorden vanuit het bijbelse perspektief en de kennis van het plan van God. Noodzakelijk daarbij is openbaring door de heilige Geest, welke onze God geeft aan elk, die Hem daarom bidt vanuit een waar verlangen en zonder een door menselijke leringen gestuurd (voor)oordeel.

Met het oog op de tijd waarin we leven is het zeer noodzakelijk, dat er ten aanzien van deze zo belangrijke gebeurtenis, welke een centrale plaats heeft in de openbaring van de ‘dag Gods’, een helder en duidelijk geluid weerklinkt.

Ook worden wij door de Geest van God, bij monde van het woord van de apostelen, opgewekt om ‘in heilige wandel en godsvrucht’ vol verwachting de komst van deze ‘dag’ te bespoedigen (2 Petr. 03:11-12).

De vrucht van God

De vrucht van God is de openbaring van de ware mens. Deze van oorsprong bedoelde ‘vrucht’, is begonnen zich te openbaren in de verschijning van de Christus. De ‘Christus’ is de ware mens, vervuld met de Geest en het wezen van de ware God.

Van deze nieuwe mens is onze Heer Jezus de ‘eersteling’ en ook door God aangesteld als ‘Hoofd’ van dit ‘lichaam’, waarin de eeuwige en onzienlijke God bezig is Zichzelf te openbaren.

In het schaduwbeeld onder de wet van Mozes werd de eerstelingsgarve van de gersteoogst voor het aangezicht des Heren bewogen bij de bereiding van het brandoffer en het spijsoffer. Daarna werd de totale oogst binnen­gehaald, welke werd afgebeeld in de offers op de ‘Pinksterdag’, precies vijftig dagen na het bewegen van de ‘eerstelingsgarve’ (Lev. 23:10).

Degenen, die ‘in Christus’ zijn, vormen als ‘lichaam van Christus’, samen met het Hoofd, het begin van de overvloedige en totale oogst ofwel het totale ‘lichaam’, waarin God Zich openbaart. Dit uiteindelijke ‘lichaam van God’ bestaat uit mensen van alle tijden en alle plaatsen sinds de openbaring van Jezus Christus. De ‘wederkomst’ van de Heer of de ‘dag des Heren’ betreft daarom de openbaring en verheerlijking van Jezus Christus in Zijn heiligen, waarin Hij met verbazing zal worden aanschouwd. Aller oog zal Hem in deze ‘wolkenformaties’ zien, want deze openbaring zal zich wereldwijd manifesteren (2 Thes. 01:10 en Openb. 01:07). Godsvrucht is daarom datgene, wat de mens naar buiten brengt met betrekking tot het eeuwige voornemen van God. De mens staat centraal in de openbaring van dit voornemen of ‘plan’ van God en is de gestalte of het lichaam van God, die Geest is.

Openbaring van vele zonen

Als de eerste ‘Zoon Gods’ en ‘Zoon des mensen’, in deze totaal nieuwe en verheerlijkte schepping, wordt onze Heer gevolgd door véle zonen, welke als de ‘wolken’, waarmee Hij verschijnt, aan dezelfde heerlijkheid deelhebben.

Samen met de Heer geven deze ‘zonen’, waarop de zuchtende schepping met reikhalzend verlangen wacht, verder gestalte aan het eeuwig voornemen van de Schepper tot herstel van alle dingen (Rom. 08:19 e.v. en Heb. 02:10).

Voor ons geldt derhalve dat wij in ons lichaam het heilige en reine leven van Jezus moeten openbaren, zodat ook in ons lichaam het sterfelijke door het leven zal worden verslonden en onze ‘woonstede uit de hemel’, zich zal openbaren ( 2 Kor. 05:01-10).

(In het tweede en slotartikel over dit onderwerp, welke volgende maand wordt gepubliceerd, gaat broeder Hoefnagel verder in op een aantal kenmerken van de godsvrucht).

 

Vruchten door Duurt

Vergelijk geen vruchten met elkaar: elke boom, elke struik

draagt z’n eigen vrucht met z’n eigen kleur en smaak

 

Persoonlijk. . . door Gert Jan Doornink

Een jaar geleden spraken wij de verwachting uit dat 1992 een vruchtbaar jaar zou worden in dienst van Gods Koninkrijk en dat “Levend Geloof’ daarbij één van de middelen mocht zijn. Deze verwachting is wat ons blad betreft volledig gerealiseerd, waarvoor we bijzonder dankbaar zijn.

Uit de talrijke reakties welke we in het afgelopen jaar ontvingen, blijkt dat ons blad duidelijk in een behoefte voorziet. Daarom gaan we vol vertrouwen 1993 binnen en inmiddels hebt u het eerste nummer van dit jaar al weer onder ogen.

Nu hopen we dat niemand zal denken dat de samenstel­ling en uitgave van een nieuw nummer altijd van een leien dakje gaat. De duivel heeft een ontzettende hekel aan een blad als “Levend Geloof’ wat als doelstelling heeft de verkondiging en uitleg van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen in al zijn facetten. We staan dan ook heel vaak onder zware geestelijke druk, maar altijd weer mogen we ervaren dat we er niet onderdoor gaan. Wat dat betreft kunnen we heel goed Paulus begrijpen als hij bijvoorbeeld schrijft dat “wij in alles in de druk zijn, maar niet in het nauw” (2 Kor. 04:08).

Met blijdschap en toewijding willen wij ook dit jaar als volle evangelieblad funktioneren, waarbij wij uiteraard rekenen op de steun van onze lezers en lezeressen, die ook in hetzelfde evangelie geloven en met ons verlangend zijn het te beleven. Door onze gezamenlijke inzet kunnen wij een duidelijk geluid laten horen temidden van alle verwarring en verslapping waarmee de duivel probeert zijn slag te kunnen slaan.

Anders dan een plaatselijke gemeente hebben we als blad tevens de taak opinievormend te werken. Dat houdt ook in dat men niet alles wat men leest als een soort wet van Meden en Perzen behoeft over te nemen. Wèl vragen wij u er over na te denken en het te toetsen. We willen gezamenlijk de volle betekenis van het evangelie van Jezus Christus gaan ontdekken, die als een geestelijke schat voor de waarachtige gemeente van Jezus Christus bedoeld is, maar waarbij soms op onderdelen nog verschillend gedacht wordt. Zoals iedere lezer en lezeres zijn ook alle schrijvers van “Levend Geloof’ in een bepaald stadium van hun geestelijke ontwikkeling. Dit vindt zijn weerslag in de verschillende artikelen.

Het is echter een heerlijke en hoopgevende gedachte dat we, op de hoge weg die wij bewandelen, niet verdwalen kunnen, maar vast en zeker het einddoel zullen bereiken. Wij wensen u en onszelf veel geloofsmoed en overwin­ning toe voor dit nieuwe jaar en mogen er zeker van zijn dat Jesaja 40 vers 31 (Jes. 40:31) tot realiteit gaat worden in ons leven, want “wie de Here verwachten, putten nieuwe kracht; zij varen op met vleugelen als arenden; zij lopen, maar worden niet moede; zij wandelen, maar worden niet mat”. Halleluja!

 

Ruimte om te geven (gedicht) door Anjo Luhukay-Kampmans

We vragen God zo vaak:

‘Heer, doet U dit,

Heer, doet U dat’

En denk je soms:

‘Hij hoort me niet’

weet dan dat je ‘m onderschat

’t ligt meestal aan jezelf en niet aan Hem

Hij hoort jou altijd

¿Hoor je Hem ook, herken je wel Zijn stem?

Je kan jezelf ongelukkig maken

door teleurgesteld te zijn

je wordt maar al te gauw verbitterd

je doet jezelf onnodig pijn

je vraagt je af waarom satan dit toch doet

maar weet je, al die aandacht verdient hij toch zeker niet

richt je op God, want Hij is goed!

 

Misschien bid je elke dag

omdat je iets

heel erg graag wilt

maar heb jij wel eens beseft

dat God pas praat

wanneer jij zelf verstilt

Gun Hem ook eens de tijd

om jou te zeggen: ‘”k heb een plan

maar jij zult eerst op moeten ruimen

voordat Ik jou iets geven kan”

 

Al het klagen eerst eruit

ook de verbittering

hè, hè, eindelijk ruimte

nu kan Mijn plan erin

nu kan Ik geven, nu kan Ik vullen

met Mijn liefdevolle Geest

weet je kind, ‘k heb je al die tijd gehoord

maar er is in jouw hart

nooit ruimte voor Mijn plan geweest

Weet heel vast in je hart

‘k wil alles voor je zijn

en je mag Mij alles vragen

of het nu groot is of heel klein

Jij hoeft alleen geduld te hebben

vertrouw met heel je hart op Mij

en richt je énkel op de góede dingen

want dan pas ben je waarlijk vrij!

 

De vermeerdering van de kennis door Wim te Dorsthorst

Velen zullen onderzoek doen

De grote godsman Daniël heeft indrukwekkende en tegelijk beangstigende gezichten gezien over de tijd van het einde, daar waar het in het einde der tijden op uit zal lopen. De volheid van Gods volk, het heilige volk, en de volheid van de antichrist met zijn volk. Daniël 12 vers 1 (Dan. 12:01)spreekt over een tijd van grote benauwdheid voor het volk van God. Geweldig vertroostend en bemoedigend is het dan dat de grote engelvorst Michaël zal opstaan, met zijn engelen: zie (Openb. 12:07) om het volk van God bij te staan. En ook is er de belofte dat het volk dat opgetekend staat in het boek des levens van het Lam ontkomen zal en behouden zal worden.

Daniël krijgt de opdracht om alles wat hij gezien en opgeschreven heeft in een boek te verzegelen tot de eindtijd. De engel zegt: “Velen zullen onderzoek doen en de kennis zal vermeerderen” (Dan. 12:04).

En in vers 9 horen we nogmaals dat de dingen die Daniël in de voorgaande elf hoofdstukken beschreven heeft, verborgen en verzegeld blijven tot de eindtijd. De tijd dat de kennis zal vermeerderen.

Het begin van de eindtijd is niet duidelijk aanwijsbaar, maar het is een tijd die zich aankondigt, waar alles naar toe ontwikkelt en zo zichtbaar wordt.

Bij de vele kenmerken kunnen we nu in ieder geval al duidelijk zien wat Daniël zegt: “Velen zullen onderzoek doen en de kennis zal vermeerderen”. Dit is een geweldig belangrijk aspekt van de eindtijd wat reeds duidelijk in werking is.

Valse profeten en leraren

Een geweldige tijd om in te leven, maar tevens een gevaarlijke tijd voor het volk van God. Daniël noemt het een tijd van grote benauwdheid (Dan. 12:01). Vele slachtoffers zullen gemaakt worden daar waar geen duidelijk onderscheid is uit welke geest de kennis en de leringen voortkomen.

Jezus zelf zegt over deze tijd: “En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden” (Matt. 24:11).

Johannes waarschuwt en zegt: “Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan” (1 Joh. 04:01).

Jezus, maar ook alle bijbelschrij­vers, waarschuwen voor het gevaar van valse profeten, valse leraren, verleiders, enz. Zie hiervoor bijvoorbeeld: (2 Petr. 02:01 en 1 Tim. 04:01 en 1 Tim. 06:20-21 en Titus 01:14 en Judas 01:03-04).

Het zou wel dwaas zijn te denken dat het de gemeenten in deze tijd voorbij zal gaan, want het is de duivel juist om de ondergang van Gods volk te doen. Wee hen die hun vastheid niet vinden in het Woord van God, maar o zo gemakkelijk achter boodschap­pers met iets nieuws aanlopen. “Zie toe” -zegt Jezus- “dat niemand u verleide. Want velen zullenkomen onder Mijn Naam en zeggen: ‘Ik ben de Christus’ en zij zullenvelen verleiden” (Matt. 24:14). En in vers 23 nogmaals: “Zie hier is de Christus of: Hier, gelooft het niet”, is de waarschuwing van de Heer.

Nu geloof ik niet zozeer dat iemand, wijzend op zichzelf, zal zeggen: ‘Ik ben de Christus’, want daar zullen niet veel kinderen Gods in meegaan. Het zal veel meer gaan om de leringen en dat ‘In Mijn Naam’, zegt Jezus.

Paulus zegt: “Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstem­ming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten, en niet met Christus” (Kol. 02:08). Hierin schuilt het gevaar en hierdoor kunnen niet alleen, maar zullen helaas ook vele kinderen Gods verleid worden, zegt Jezus.

Gods Woord is de maatstaf

Als er onderzoek gedaan wordt en als de kennis vermeerdert, dan zal de enige bron hiervoor dienen te zijn de Bijbel, het Woord van God. Dit zal ook de enige toetssteen dienen te zijn voor de juistheid van alle leringen die gebracht worden. Op vele plaatsen wordt het duidelijk gemaakt dat de Bijbel onder de inspiratie van de heilige Geest geschreven is. Petrus bijvoorbeeld. zegt dat de Geest van Christus in de profeten sprak (1 Petr. 01:11). Daarom schrijft hij ook met grote overtuiging: “Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken” (2 Petr. 01:20-21).

De 66 boeken van de Bijbel, ook wel ‘de Canon’ genoemd, is zo het geïnspireerde Woord van God, welke alleen maar op de juiste wijze te verstaan is door diezelfde heilige Geest, die ons van de hemel gezonden is (1 Petr. 01:12). Het woord ‘Canon’ betekent eigenlijk ‘maatstaf of ‘richtsnoer’. Als zodanig is het ons door God gegeven en heeft Hij erover gewaakt, het is nog even betrouw­baar als toen het geschreven werd, ongeacht wat mensen ervan zeggen.

Alleen wat gebouwd is volgens Gods Woord en onder de leiding van Gods Geest, zal bestemd blijken te zijn tegen de stortvloeden van de eindtijd, zoals Daniël die beschrijft.

Bijbelkritiek en moderne theologie

De grote verleider en misleider, de aartsleugenaar, de duivel, is juist zeer aktief als er onderzoek wordt gedaan en de kennis vermeerdert. Het is juist hier dat hij komt als een engel des lichts (2 Kor. 11:14) en als een roofgierige wolf in schapevacht (Matt. 07:15).

Toen Luther in de zestiende eeuw een geweldige beroering teweegbracht in de geestelijke wereld door het Woord van God weer te laten spreken, kwam daar vanuit het rijk van satan een heftige reaktie op.

Er kwam een stroom van bijbelkritiek en leringen op gang die van de Bijbel en van de persoon Jezus Christus niet veel overlieten. De antichristelijke geest trok ten strijde tegen het Woord dat uitging zoals we dat ook duidelijk beschreven zien in Openbaring 6.

Het is doorgewoekerd tot in onze dagen, want iedere christen heeft wel gehoord of in aanraking gekomen met de zogenaamde moderne theologie. Een uitdrukking die aangeeft dat men de Bijbel anders wil bezien en meer vanuit moderne denkpatronen, zonder leiding van Gods Geest, de inhoud wil benaderen. Het ‘geloof moet meer en meer plaats maken voor het verstand, de rede. De vermaning van Judas “tot het uiterste te strijden voor het geloof dat eenmaal. de heiligen overgeleverd is” (vs. 3) is dan ook zeker op zijn plaats.

Het menselijke verstand wordt opgeworpen als de absolute maatstaf, waaraan het geloof onderworpen moet worden. De logika is meer maatstaf dan het geloof in het Woord van God.

Deze geestesstroming is niet nieuw maar heeft mede geleid tot de Franse revolutie. Dr. H. J. Honders schrijft in ‘De geschiedenis van de kerk’: ‘Zo zette de Franse revolutie in met de alles omkerende geest: ‘Geen God en geen meester’. Het was een strijd der geesten geworden, die heel ons werelddeel teisterde’. In die tijd van ‘de verlichting’ werden de fundamenten van het geestelijke leven omvergehaald. Niet meer het Woord van God was maatgevend voor het leven, maar wijsgerige ideeën gingen steeds meer de Schrift verdringen’.

Dr. W. H. van Zuylen zegt (eveneens in ‘De geschiedenis van de kerk’): ‘Nog heden ten dage wordt de wereld beheerst door de machten die toen omhoog gekomen zijn’.

Een uitspraak die haarscherp aangeeft met wat voor duivelse listen wij hier te maken hebben. En ook juist nu, nu de kennis vermeerderd wordt, hebben wij met die machten te maken die toen omhoog gekomen zijn.

De hoofdkenmerken van deze geestelijke verschuiving zijn:

Het gezag van de openbaring Gods in Zijn Woord wordt in twijfel getrokken en opzij gezet voor het door het verstand begrijpelijke, ‘de rede’.

Jezus Christus is niet langer iemand, waarin men gelooft, zoals men in God gelooft. Jezus zelf zegt: “Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij” (Joh. 14:01). Jezus is niet langer iemand die door openbaring van Gods Geest gekend wordt, maar Hij is beredeneerbaar geworden en staat voortdurend ter diskussie.

Alleen in Christus verdwijnt de bedekking

Vele vormen van schriftkritiek, van waaruit de Bijbel benaderd wordt, hebben elkaar opgevolgd. Om enkele te noemen: Historische kritiek, literaire kritiek, vorm­kritiek, redaktie-kritiek, enz.

Daar is in deze tijd nog bijgekomen de ‘nieuwe Joodse visie op Jezus en het Nieuwe Testament’, die in vele boeken van Joodse schrijvers onder christenen verwarring zaait. Een verontruste dominee merkte op: ‘Er gaat op het moment een golf van Joods denken door de Nederlandse christengemeenschap’. Openlijk wordt gepropageerd dat de christenen moeten leren de Bijbel te verstaan vanuit het Joodse denken. Wat een enorme misleiding komt hier om de hoek.

De tragiek is dat de Joodse theo1ogen, die zich opwerpen als leraren van de christenen en door velen als zodanig worden erkend, Jezus Christus als de Zoon van God en de Messias ontkennen en hun eigen Schrift niet eens kunnen verstaan. Paulus leert toch dat de bedekking alleen in Christus verdwijnt. Hij zegt: “Want tot heden toe blijft dezelfde bedekking over de voorlezing van het Oude Verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in Christus verdwijnt. Ja, tot heden toe ligt telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen” ( 2 Kor. 03:14-16).

Wat zeer bekende Joodse geleerden als D. Flüsser, P. Lapide en andere, gemeen hebben, is dat ze Jezus niet erkennen als de Messias die gekomen is. Hij kan niet degene zijn die in de Schrift als de knecht Gods getekend wordt, want hij heeft geen vrede gebracht op aarde. Deze geleerden benaderen de evangeliën vanuit taal en letterkunde (literair onderzoek). Van tevoren staat bij hen reeds vast dat de tekst in de evangeliën terug vertaald moet worden naar het oorspronkelijke Aramees om er achter te komen wat de oorspronkelijke versie is geweest. Vandaaruit komt men dan tot wat dan heet: ‘oorspronkelijke teksten’, waar dan vaak dat uit is wat voor de Joden aanstotelijk is, maar voor de christenen juist fundamentele waarheden zijn.

Dit lijkt allemaal geleerd en indrukwekkend en voor de menselijke wijsheid is het dat misschien ook wel, maar het brengt veel verwarring onder de christenen. Helaas zijn er vele theologen en leraren die het overnemen en er ‘dankbaar’ gebruik van maken. Maar men heeft niet in de gaten dat men zo een evangelie krijgt waar het hart van het christendom, namelijk de persoon Jezus Christus, Gods Zoon, wordt ondermijnd en van zijn waardigheid wordt ontdaan.

Wij behoren nuchter en waakzaam te zijn

De apostel Johannes stelde het al zeer scherp en duidelijk: “Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon be1ijdt, heeft ook de Vader” (1 Joh. 02:22-23). Maar daar tegenover stelt hij dan ook: “Iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God” (1 Joh. 04:02).

Wat belangrijk om nuchter en waakzaam te zijn, want het is de duivel die het volk van God op een dwaalspoor wil leiden. Hij is het die de naam van Jezus tot verdeeldheid maakt onder het volk van God, zoals de oude Simeon reeds profeteerde. Juist nu alles wankelt is Jezus Christus opnieuw een teken dat weersproken wordt en voor velen een steen des aanstoots en een rots der ergernis (Luc. 02:34-35 en 1 Petr. 02:07b).

Kennis door openbaring van de Geest

Meer dan ooit tevoren gelden al die ernstige waarschuwingen in de Bijbel, het volk van God die, nu de kennis vermeerdert, het volle zoonschap zal gaan bereiken. Steeds klinkt het: Zie toe!

Er ligt dus een stuk persoonlijke verantwoordelijkheid. Wie staande wil blijven in deze tijd, zal onverwrikt vast dienen te houden aan de betrouwbaarheid van de Bijbel, ‘Gods Woord’, en aan Jezus Christus, zoals de Schrift Hem ons openbaart.

Alle kennis zal door openbaring van de heilige Geest tot stand dienen te komen. Alleen de Geest, onder wiens leiding de Bijbel geschreven is, kan ons de diepte van de waarheden openbaren. Paulus zegt, wanneer hij spreekt over de onbeschrijfelijke heerlijkheid voor de mensen in Jezus Christus, de mensen die God liefhebben: “Want ons heeft God het geopen­baard door de Geest”

(1 Kor. 02:10).

Dat is het geheim van waarachtige kennis. Het zal verkregen zijn door openbaring van Gods Geest en zal nooit in tegenspraak zijn met wat in de Bijbel is opgetekend.

Daarom zegt Paulus ook verder: “Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleid zijn” (1 Kor. 02:12-13).

Zelf zegt Jezus dat de Geest der waarheid ons de weg zal wijzen naar de volle waarheid en dat Hij ons de toekomst zal verkondigen. En dan weer zo’n kenmerk hierbij is, dat de Geest het uit Jezus neemt en Hem verheerlijkt (Joh. 16:13-15).

Tot zevenmaal. toe is de oproep van de Heer in Openbaring: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt”. En dan roept Hij ons als het ware toe als een bemoediging, maar ook als een waarschuwing voor deze tijd: “Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme” (Openb. 03:11).

 

Kan God Zijn doel met ons bereiken? Door Gert Jan Doornink

In het plan van God met Zijn schepping, neemt de Gemeente van Jezus Christus een unieke en belangrijke plaats in. Het is het uitvoeringsorgaan waarvan God gebruik wil maken om Zijn verlossings èn voltooiingswerk verder voort te zetten. Het is -om in termen van deze tijd te spreken- de geestelijke luchtmobiele brigade, berekend voor zijn taak. En wat dat laatste betreft daarvoor is voortdurend training en opleiding nodig. Want we zijn pas optimaal bruikbaar als we geestelijk volgroeid zijn, volwassenen in het geloof, zoals de Bijbel op vele plaatsen duidelijk aangeeft.

Paulus spreekt zelfs over een gemeente “stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet” (Ef. 06:27). Daar is elk lid van de gemeente, elk kind van God, ten volle bij betrokken. Van ons wordt gevraagd bereid en gewillig te zijn daaraan volledig mee te werken, zodat God Zijn doel met ons leven -en daardoor (via ons!) met de levens van anderen­ kan bereiken. Punten die daarbij van belang zijn, zijn onder andere:

  1. Geloof in het evangelie zoals Jezus dat bracht

Er is maar één werkelijk evangelie, dat is het ‘volle evangelie’, het evan­geie van het Koninkrijk der hemelen. Ons geloof in de levende God mag nooit losgemaakt worden van de boodschap die Hij bracht. Dit is maar al te vaak gebeurd en gebeurt nog op grote schaal. Maar dan houd je een evangelie over, wat geen werkelijk evangelie meer is, maar een flauw aftreksel, een surrogaat. Het gaat om het échte evangelie. Wie dat heeft leren kennen zal ook niet anders meer willen dan dat evangelie nog beter leren kennen.

2.Het Koninkrijk Gods waartoe wij behoren is een geestelijk Koninkrijk

Jezus zei -toen Hij voor Pilatus terechtstond- dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld was! (Joh. 18:36). Wij behoren tot het geestelijk Koninkrijk, waarvan Jezus de Koning is! Dit maakt ons ook bewust dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten (Ef. 02:06). Alleen van daaruit kunnen we ook geestelijk strijden en overwinnen en bereiken we het einddoel.

3.Wij behoren ons los te maken van verkeerde leringen

Voor zover we dat nog niet gedaan hebben is het belangrijk dat we radikaal breken met elke lering, elke prediking, die ons van het hoge doel, wat God met ons wil bereiken, wil afhouden. Natuurlijke, aardsgerichte leringen zijn in lijnrechte tegenspraak met het evangelie van het Koninkrijk. Daar moeten we ons niet (langer) mee in laten, ons er van distantiëren of ons er van laten bevrijden.

Hebben we dat gedaan dan komt er volop ruimte voor het werk van Gods Geest. Als bevrijdde en ontspannen levende kinderen Gods laten we ons niet langer opjutten vanuit het rijk der duisternis. Dan gaan we zelf de weg met de Heer ontdekken, ontwikkelen we tot volwaardige individuen waarin God Zijn welbehagen heeft. Op een gezonde wijze komt onze persoonlijkheid dan tot volle ontplooiing. En dat terwijl we vroeger misschien dachten dat we zelf ’totaal uitgeschakeld’ moesten worden. Over verkeerde leringen gesproken!

  1. We zoeken gemeenschap met andere kinderen Gods

Om verder te groeien en te ontwikkelen naar Gods bedoeling, is het ook nodig dat we gemeenschap met andere kinderen Gods zoeken. Daarom is opbouw nodig in een gezonde, plaatselijke gemeente waar het evangelie van het Koninkrijk centraal staat. Het aantal mensen dat er komt is minder belangrijk. Het kunnen er bij wijze van spreken 10, 100 of 1000 zijn. Alle gemeenten, zoals die op het ogenblik bestaan, zijn nog aan veranderingen onderhevig en gaan vaak nog weer op de helling. In vele landen zien we bovendien een ontwikkeling naar meer (kleine) huisgemeenten. Ook moeten we bedenken dat de werkelijke gemeente van Jezus Christus momenteel nog dwars door alle Kerken, kringen en gemeenten heen loopt.

Belangrijk is echter dat we kontakt zoeken en hebben met andere gelovigen en dat het niet oppervlak­kig is. We behoren elkaar te bemoedigen, te korrigeren, te versterken, te helpen, kortom voor elkaar op de bres te staan.

  1. We hebben een taak in de wereld

Hoe meer we elkaar helpen om verder de juiste geloofsweg te bewandelen, hoe meer we ook naar buiten toe vruchtbaar kunnen zijn. Want ook dat hoort bij onze taak! We moeten ons wèl afsluiten voor de ‘wereldgeesten’, maar niet voor de mensen die in de wereld leven. Jezus sprak dat we het ‘licht der wereld’ en het ‘zout der aarde’ zijn.

Hoe zouden we kunnen funktioneren in het plan van God, als we ons terug zouden trekken in een klooster of kommune? Juist in het leven van elke dag, op ons werk, op kantoor, in de fabriek, op school, als zakenman of in de huishouding, zal moeten blijken dat het waar is wat Paulus eens schreef aan de gemeente te Efeze: “Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen” (Ef. 04:20). Dit betekent niet dat we te pas en te onpas de ander met bijbelteksten moeten bombarderen, maar wèl dat door onze houding, onze relaties, onze kontakten, we openbaar maken dat we een nieuwe schepping zijn, waardoor het leven van Het Koninkrijk Gods geopenbaard wordt.

En dit leven zal steeds meer en steeds beter geopenbaard worden in allen die zich bewust daarvoor openstellen en instellen. Ook in 1993 zal deze ‘groei naar de volkomenheid’ verder doorgaan, want één ding is zeker: God zal Zijn volle doel met ons leven bereiken!

 

Het wonder van het leven door Gert Jan Doornink

Eén van onze meest gevraagde brochures van het afgelopen jaar was “Het wonder van het leven”. Een boekje dat in het kort vertelt over de oorsprong van het leven, de beschadiging, het nieuwe leven in Christus, de rijkdom en ontwikkeling van het nieuwe leven, de laatste vijand en het grote toekomstperspektief. Wanneer u dit boekje nog niet hebt gelezen, raden wij aan het aan te schaffen. Het is fraai geïllustreerd met tekeningen van Duurt Sikkens en leent zich ook uitstekend voor verspreiding. Het is op verschillende boekentafels in de gemeenten verkrijgbaar, maar ook bij ons te bestellen (zie achterpagina).

 

De Gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose.

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (12)

De gemeente en het herstel aller dingen.

(Openb. 20:04-06 en Openb. 21:01-05 en Openb. 21:09-11 en Openb. 21:22-27 en Openb. 22:01-05. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari 1992).

‘Alles wordt nieuw’ is de belofte. Aan de mens hebben we al de nodige aandacht geschonken, evenals aan de zuivering, dat wil zeggen de nieuw- making van de onzienlijke wereld, de hemel dus. Nu zullen we ons vooral koncentreren op het herstel van de aarde: hoe gaat dat plaatsvinden en welke normen worden daarbij gehanteerd? We besluiten met hoe het einde zal zijn.

Hoe zal de aarde worden geregeerd?

Bij de eerste opstanding, dus na het blazen van het zevende bazuin, vindt er een omwenteling van de macht plaats in hemel en op aarde. Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15) zegt daarvan: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Here en aan zijn Gezalfde en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden”. Niet dat op dat moment alle strijd al is gestreden, maar de Gemeente is onoverwinnelijk geworden.

(Christus komt terug! Deze wederkomst des Heren vindt ‘getrapt’ plaats: eerst in de Zijnen (2 Thess. 01:10), dit is de verheerlijking van de Gemeente bij de eerste opstanding. Na de overwinning bij Harmagedon, als het duizendjarige rijk aanbreekt, zal ook Christus zich weer op aarde gaan openbaren (minder spektakulair dan vaak wordt voorgesteld: op aarde heeft Hij een ‘gewone’ mensengedaante!). Tezamen met zijn Gemeente vormt Hij de nieuwe ‘wereldregering’. Daarover staat onder andere: “En ik zag tronen, en zij zetten / zich daarop, en zij heersten als koningen met Christus” (Openb. 20:04). Een theokratie (- God regeert) waarin de principes van Gods koninkrijk ook op aarde zichtbaar/merkbaar zullengaan funktioneren: de grootste zal aller dienaar zijn. Bovendien geldt er maar één wet: die der liefde.

Wat de toenmalige wereldbeheersers niet deden, doet nu de Gemeente. Zij zal de geringe en wees richten, de ellendige en de behoeftige recht doen, de geringe en de arme bevrijden en redden uit goddeloze hand, zowel in geestelijk als in natuurlijk opzicht (Psalm 82).

Het duizendjarige rijk heet ook vrederijk: “Hij zal richten tussen de volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullenzij hun zwaarden in ploegscharen omsmeden. . . en zij zullende oorlog niet meer leren” (Micha 04:03). Dat is het werk van de Godsregering op aarde.

Hoe was het ‘in den beginne’?

Naast het herstel van de mensheid en het zuiveren van de geestelijke wereld, richt de Gemeente zich ook op de natuurlijke wereld, de bezielde schepping, de plantenwereld, de mikro-kosmos, klimaatstelsels, natuurwetten. Kortom, de hele schepping wordt onder handen genomen.

Maar hoe moet alles weer gaan worden (de mens even buiten beschouwing gelaten)? Om dat te weten te komen moeten we naar het begin kijken waarvan God sprak: zie, het is zeer goed. De Bijbel geeft daarover vrij veel informatie.

Wat gebeurde er na de zondeval?

Na de zondeval is de aardbodem vervloekt (Gen. 03:17), dat wil zeggen onder de invloedssfeer van satan gekomen. In Genesis 6 vers 11 (Gen. 06:11) lezen we dan: “En God zag de aarde aan en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven”. De levende schepping -mens, dier en plant- degenereerde, raakte beschadigd en bezet (‘bezeten’) door het rijk der duisternis.

Zo ontwikkelden zich afzichtelijke monsters, ‘draken’ gelijk. Dieren werden agressief, ongeacht hun omvang (van de gigantische tyrannosaurus tot de kleine wesp). Ze vielen elkaar aan en vraten elkaar op. Planten gingen parasiteren, woekeren, dorens dragen. Ziekte deed zijn intrede, doordat onder andere de mikro-kosmos (eencelligen, bakteriën) zich niet meer aan hun taak hielden.

Zo was het in het begin niet geweest! In Genesis 1 staat onder andere dat de dieren het groene kruid tot spijze hadden. En er wordt pas over ‘doornen en distels’ gesproken na de vloek over de aarde (Gen. 03:18).

Wat is de invloed van de zondvloed geweest?

De zondvloed blijkt een wereldramp geweest te zijn waarna er andere klimaatstelsels zijn gaan funktioneren: “Voortaan zullen zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden” (Gen. 08:22).

Dit was nieuw, althans gedeeltelijk. Voor zomer en winter is een ten opzichte van de zon ‘scheve’ aardas nodig die eerst kennelijk recht stond. Daarvóór heerste er over de hele aarde een soort subtropisch klimaat, tevens mogelijk gemaakt door een waterdampkoepel rondom de aarde (Gen. 01:07). Deze zorgde voor een gelijkmatige verwarming van de aarde en temperde het direkte zonlicht. Van seizoenen was toen nog geen sprake.

Twaalf maal. vruchtdragen in een jaar was ook heel gewoon (en nodig aangezien er alleen groenten, fruit en andere gewassen gegeten werden!). Regen was een onbekend verschijnsel; damp of dauw was, naast bevloeiing door rivieren, de wijze van bevochtigen van de aardbodem (Gen. 02:05). Het water daarvoor kwam uit reusachtige onderaardse waterreservoirs. De zeeën waren toen veel kleiner van omvang dan nu het geval is.

Bij de zondvloed zijn de onderaardse reservoirs ‘opengebarsten’ en is de waterdampkoepel in de vorm van geweldige regenbuien op aarde neergestort (Gen. 07:11), waardoor de aardoppervlakte voor ongeveer 70 procent (!) door water werd bedekt en dus onbewoonbaar werd. Van de 30 procent die overbleef zijn grote delen onbewoonbaar geworden onder invloed van het veranderde klimaat (de polen, woestijnen, oerwouden) en door ruig hoogebergte: tijdens deze wereldramp opgestuwde aardoppervlakten. Aardbevingen vinden tevens hun oorsprong in deze verstoringen van de aardkorst, zoals orkanen en andere natuurrampen dat onder andere vinden in de grote klimaatverschillen.

Wat moet er dus gebeuren?

Dat weten we dan: de aardas moet weer rechtgezet worden, de wateren gescheiden als op de tweede scheppingsdag en onherbergzame gebieden weer bewoonbaar gemaakt; de woestijnen zullenweer gaan bloeien en grote delen van de zeebodem bewoond. Het dierenrijk moet bevrijd en genezen worden zodat hun aard weer vriendelijk en verdraagzaam wordt en ze alle weer planteneters worden. Voor planten met dorens en distels mogen andersoortige op gaan schieten met prachtige en geurige bloemen.

Wat zegt de Bijbel over de nieuwe aarde?

Klinkt het u te verwonderlijk in de oren? Sla er de volgende tekstgedeelten maar eens op na. Het zijn bijna alle profetieën met een geestelijke strekking, maar ook profetieën ontlenen hun beelden aan de zichtbare werkelijkheid!

Over het dierenrijk: (Jes. 11:06-09 en Jes. 65:25). Over het plantenrijk en klimaat: (Jes. 55:13 en Ez. 47:12 en Openb. 22:02).

Over woestijnen, onherbergzame streken en de oceanen: (Jes. 32:15 en

Jes. 35:01-07 en Jes. 41:18-20 en Jes. 43:20 en Openb. 21:01).

Hoe zal het herstel plaats gaan vinden?

De aarde wordt hersteld in de periode van het duizendjarige vrederijk. Zoals we hiervoor al hebben gezien zal de Gemeente kennis moeten hebben van de oorsprong. Met betrekking tot het vrederijk zegt Jesaja 11 vers 2 (Jes. 11:02) het als volgt: “Op hem (hen!) zal de Geest des Heren rusten, de geest van wijsheid en verstand, de geest van raad en sterkte, de geest van kennis en vreze des Heren”.

Zij zullen op de juiste wijze en op het juiste moment machtswoorden uitspreken, allereerst tot bevrijding, voor zover nodig en dan tot herstel zoals God in het begin sprak (en het er was). Of het dan plotsklaps verandert of dat er sprake is van een lange periode van herstel? We weten het niet, maar gelet op de wijze waarop de schepping heeft plaatsgevonden lijkt een herstelproces meer voor de hand liggend dan een herstelmoment.

Je kunt je nog afvragen of het herstel alleen op bovennatuurlijke wijze plaatsvindt of dat ook de door de menselijke geesten ontwikkelde technieken en wetenschappen benut worden? De Bijbel geeft daarop geen antwoord. Daar zal de Geest van wijsheid en verstand de Gemeente in bijstaan!

Wat gebeurt er met alles wat de mens heeft voortgebracht?

De huidige beschaving is het produkt van een hoog ontwikkelde menselijke geest (invloeden der duisternis buiten beschouwing gelaten); allerlei takken van wetenschap en techniek, ekonomische en sociale stelsels, etc. Wat moeten we daarmee? Hebben we nog auto’s nodig of vliegtuigen? En steden die uit torenflats zijn opgebouwd? Kunnen we de televisie nog benutten? Wat doen we met al onze medische, biologische, chemische en natuurkundige kennis, om maar wat te noemen? En de ekonomische systemen als kapitalisme en socialisme? Onze maatschappijen drijven op geld! Kunnen we wel zonder? Of moeten de mensen terug naar de natuur, weer een soort bosvolk worden en leven als Adam en Eva? En dan hebben we het nog niet gehad over alle beschadigingen die zijn aangericht aan bijvoorbeeld. het milieu, van een gat in de ozonlaag tot atoomafval op de bodem van de oceaan. Dit zijn maar enkele, en misschien wel rare, vragen maar ze moeten wel beantwoord worden!

Het zal nog heel wat aanpassingsvermogen van de mensheid vergen om zich een geheel andere wijze van leven eigen te maken. Dat zal alleen maar kunnen als de verlokking daarvan het verlangen naar het oude doet vergeten. En dat zal ongetwijfeld zo zijn omdat iedereen de Heer in zijn volheid zal kennen en beleven: “Want allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen” (Jer. 31:34) en: “de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren” (Jes. 11:08). Het duurt niet voor niets ‘duizend jaar’: een aanduiding van een lange periode. Het herstel zal niet geforceerd gaan, iedereen krijgt daardoor tevens de tijd om te wennen!

Hoe zal het einde zijn?

En dan is het in Openbaring 21 vers 1 (Openb. 21:01)zover: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Maar dat is het einde nog niet, want eerst moeten nog allen die uit het dodenrijk gekomen zijn en die in het boek des levens staan, tot de volmaaktheid gebracht worden.

Dat betekent opnieuw een periode van herstel, weer anders dan in de periode van het duizendjarig rijk. Nu is er geen enkele vorm van duisternis meer. Er is volmaakte harmonie en vrede. De bruiloft des Lams, die na de verheerlijking van de Gemeente bij de eerste opstanding begonnen was (Openb. 19:06-09), wordt nu voltooid. De bruiloft des Lams duidt op de voltooiing van de mensheid: naar geest, ziel en lichaam ontwikkeld tot het nivo van God.

Deze laatste schare van allerlei volken, talen en natiën wordt nu ook op dit nivo gebracht. Zo er eerst sprake is van Jeruzalem waarin zich nog een tempel. Ik vindt, eindigt het met Jeruzalem als één grote tempelstad. Nu is er tussen God en de mensheid niet meer een Vader-zoon-, maar man-vrouw- verhouding!

Christus heeft Gods plan tot een goed einde gebracht. Het moment is aangebroken dat Hij (en zijn Gemeente!) zijn macht weer afstaat aan God. Vanaf nu geldt dat God zal zijn alles in allen (1 Kor. 15:28). Is dit al te vatten? Nauwelijks. En hoe het daarna zal zijn is al helemaal. onuitsprekelijk (2 Kor. 12:02).

 

Ik antwoord (gedicht) door Astrid Poldervaart

Spreek, m’n kind

je woorden

wat Ik hoor je.

Spreek, m’n kind

je woorden

want Ik hoor ze.

Elke zin, elke gedachte.

Ik ken je stem.

Ik wil jouw ontvanger wezen

Ik wil jouw zender zijn

Ik zal je antwoord geven

altijd.

 

Spreek, m’n kind

Ik antwoord

Ik ben er altijd voor jou

Ik heb mezelf gegeven

omdat Ik van je hou.

En als jij blijft komen

zal Ik er altijd voor je zijn

want Ik wil jouw Helper,

Ik wil jouw Raadsman,

Ik wil jouw Vader zijn.

 

1992.12 nr. 343

Levend geloof 1992.12 nr. 343

De geboorte door Gert Jan Doornink

De geboorte van Jezus was ongetwijfeld de meest unieke geboorte aller tijden. Niet vanwege de moeilijke omstandigheden waaron­der Jezus geboren werd in een stal van een herberg te Bethlehem. Er zijn heel wat landen in deze wereld, denk bijvoorbeeld aan het voormalige Joegoslavië en Somalië, waar de omstandigheden op dit moment vele malen moeilijker zijn. Maar wel vanwege het feit dat Jezus geboren werd èn als Zoon van de levende God èn als zoon van de mens Maria! Jezus groeide immers op in de schoot van Maria en kwam, zoals bij iedere andere geboorte, als baby ter wereld.

God heeft de mens niet afgeschreven

Als er ooit een bewijs geleverd werd dat God de mens niet had af­geschreven, ondanks het feit dat de mens, onder inspiratie van de vorst der duisternis, zich van Hem had afgewend, dan was het wel door de geboorte van Jezus. Jezus was ‘mens onder de mensen’, maar wel van Goddelijke oorsprong en juist dit bijzondere feit toonde in al zijn heerlijkheid Gods grote liefde (Joh. 03:16).

In het plan van God kreeg Jezus, na Zijn groei naar de volwassen­heid en na de doop door onderdompeling en de vervulling met de Geest van de Vader, de bijzondere taak de duivel te ontmaskeren en te overwinnen en de zonde van de gehele wereld weg te nemen. Aan het kruis van Golgotha betaalde Hij de prijs voor onze zonde en bracht Hij een volkomen verlossing teweeg.

Dit aspect van Gods verlossingswerk wordt door het naam- christendom en de moderne theologen afgewezen, maar gelukkig door de werkelijke gemeente van Jezus Christus beleefd en beleden.

Toch is dit niet de volledige doelstelling die God met de geboorte van Zijn eniggeboren Zoon op het oog had. De Bijbel spreekt ook over het feit dat Jezus de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen. Wat houdt dit in?

Waarom Jezus ons voorbeeld is

Zoals ieder mens had Jezus de volledige keuze te gehoorzamen of ongehoorzaam te zijn. Jezus bleef echter tot het einde toe gehoorzaam en juist daarom is Hij voor ons ook het grote voorbeeld om na te volgen. Petrus schrijft: “Want hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden” (1 Petr. 02:21).

Jezus was de eerste mens die volledig gehoorzaam was aan de Vader. Wij kunnen dit niet afdoen door te zeggen: ja, dat kwam omdat Hij van Goddelijke oorsprong was. Neen, Hij is in alle dingen op gelijke wijze als wij verzocht geweest (Heb. 04:15). Maar Hij gaf niet toe aan de verzoekingen.

Wij worden niet boven vermogen verzocht

Ook wij zullen, naarmate wij geestelijk groeien, meer en meer gaan leren niet toe geven aan de aanvallen uit het rijk der duisternis. Bovendien weten wij dat wij geen bovenmenselijke verzoeking hebben te doorstaan. En dat God getrouw is, die niet zal gedogen, dat wij boven vermogen verzocht worden, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat wij ertegen bestand zijn (1 Kor. 10:13).

Zo worden wij steeds meer omgevormd naar het beeld van Christus, waarvan Paulus trouwens in Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29) ook zegt dat wij bestemd zijn tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon. En dan schrijft hij er nog bij “opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen”.

Een nieuwe wereld gaat voor ons open

Ik geloof met heel mijn hart dat in de komende tijd dit aspect bij de werkelijke gelovigen veel meer aandacht zal krijgen dan tot dusver. Zodra wij hier visie en inzicht voor ontvangen -en daarvoor moeten wij onszelf openstellen- gaat er een geheel nieuwe wereld voor ons open!

We gaan ontdekken en beleven dat wij, als leden van de waarach­tige eindtijdgemeente, het geestelijk volwassen stadium gaan bereiken en ons als zonen Gods gaan openbaren. En dat is iets wat volledig in overeenstemming is met de wil van God en in Zijn plan vastgelegd.

Het is allemaal begonnen met de geboorte van Jezus in Bethlehem ‘s stal. Maar wie het eindresultaat onder ogen ziet, mag zeker spreken van de geboorte . En zal ongetwijfeld het komende kerstfeest met grote blijdschap kunnen vieren.

Zoals eens de engelen God hulde brachten in het veld van Efratha, zo willen ook wij de levende God loven en prijzen. En Hem danken en aanbidden dat Zijn Zoon geboren werd en dat wij, in Zijn voetstappen gaande, ons ook als zonen Gods gaan openbaren.

 

De volheid van de tijd door Evert van de Kamp

 

De apostel Paulus vertelt in Galaten 4 vers 4 (Gal. 04:04) dat met de komst van Jezus de ‘volheid des tijds’ is aangebro­ken. Hij schrijft: “God heeft zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen”. En in Efeziërs 1 vers 10 (Ef. 01:10) spreekt hij over de voorbereiding der tijden, om al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten. God is getrouw, Zijn plannen falen niet.

Tijden van herstel

Wij leven in de volheid der tijden. In tijden van herstel, op weg naar de wederoprichting aller dingen (Hand. 03:21). Er is dus meer dan één bepaalde en afgeronde ‘volheid des tijds’.

In zijn uitleg van de brief aan de Efeziërs heeft de auteur J. E. van den Brink dit als volgt samengevat: ‘Het herstel gaat niet ineens, maar kent perioden en gelegenheden. In een eerder tijdsdeel vindt iets anders plaats dan in een volgend. Elke bedéling (tijdperk) heeft haar volheid. Jezus werd geboren aan het einde van de bedéling der wet in de volheid des tijds. God heeft het herstelplan gemaakt om de volheid der tijden voor te bereiden. Daarna zal God zijn alles in allen, wanneer dus al deze bedélingen van herstel voorbij zijn gegaan en Jezus Christus alles zal overgegeven hebben aan de Vader’

(1 Kor. 15:28).

De Griekse grondtekst spreekt van het plan (oikonomian) van de volheid der tijden. Dat is Gods heilsplan, maar ook de uitvoering van dit plan.

De tijd voor de komst van Jezus is een enorme voorbereidingstijd geweest. In het laatste der dagen spreekt God tot ons in de Zoon, ver­haalt de schrijver der Hebreeën. Daarvoor sprak God vele malen en op vele wijzen tot de vaderen in de profeten (Heb. 01:01-02).

Nauwelijks heeft Adam de hele schepping, overigens tegen haar wil, uitgeleverd aan de duivel (Rom. 08:20) of God is er al meteen bij met woorden van belofte voor herstel.

De schrijver P.A. de Rover heeft dat destijds, in zijn werk ‘Naar ’t heilig blad’, onvergelijkelijk mooi beschreven: ‘Op een stralende dag is de volslagen licht loze nacht gevolgd. Door de volkomen duisternis, deze absolute wanhoop, komt het aarzelende licht van de eerste aankondiging van de Heiland, Jezus Christus, die miljoenen eens zaligen zal. Deze eerste aankon­diging, deze eerste profetie van zijn komst is het woord: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen u (satan) en tussen deze vrouw (Eva)’. De strijd op aarde is ontbrand. De strijd tussen God en satan. God kan niet gedogen, dat zijn volk door satan vernietigd wordt. Satan mag niet zegevieren. Gods volk mag niet ondergaan, omdat uit dat oude volk Israël de Christus geboren moet worden naar Gods raad. Het gehele eerste bijbeldeel is voorbereiding voor Jezus’ komst. Het licht der profetie, dat schemerig schijnt door het wanhoop-donker na de zondeval, wordt gaandeweg helder­der tot de volle dag’.

Wij prijzen de Vader der lichten (Jak. 01:17) die deze ‘dag’ deed aanbreken.

Aanvankelijk hebben de eerste christenen de komst van Jezus in het vlees nauwelijks of niet gevierd. En in de loop van de geschiedenis der kerk is er dikwijls veel geharrewar over geweest. Soms door de enorme wereldse poppenkast rondom het Christusfeest. Fel afkerig van deze verwereldlijking besloot de synode van Dordrecht in 1574 daarom alleen de zondag te vieren en het volk tot afschaffing van het Kerstfeest te vermanen. Over Christus’ geboorte zou dan op de zondag voor de 25e december worden gesproken. Later is dit besluit, terecht, weer ingetrokken. Dat Jehovah’s Getuigen deze viering boycotten valt wel te begrijpen. Zij belijden Christus nu eenmaal niet als de volstrekt enige en unieke Verlos­ser. Van christenen is een boycot moeilijk te aanvaarden, gezien het onloochenbaar heerlijke feit in de heilsgeschiedenis van het herstel aller dingen.

Christenen moeten in staat zijn om de enig juiste inhoud aan het geheim van Jezus’ bevruchting van de heilige Geest, de geboorte uit de maagd Maria, te geven. Jezus zelf heeft de andere feesten en vieringen door zijn werken een volkomen nieuwe inhoud gegeven.

Het is groot feest, want de tijden van herstel zijn gekomen. Kerst , wordt gevolgd door Golgotha en Pasen, door Hemelvaart en Pinksteren, door Wederkomst en Voleinding.

De tijd is vervuld

In Markus 1 vers 15 (Mark. 01:15) lezen we: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie”.

Voor ’tijd’ staat hier het Griekse woord ’kairos’. Dat is: het beslissende ogenblik, het meest gunstige moment.

De volheid van de tijd, dit heilshandelen, is door God, die niet aan de tijd en de wisseling der tijden onder­worpen is, toch nauwkeurig bepaald.

In zijn ‘Bijbelse woorden en hun geheim’ merkt de theoloog F.J. Pop op: ‘De tijd (kairos) is vervuld = de kairos, waarin de oud­testamentische profetie vervuld wordt en die gekenmerkt wordt door de verschijning van de Messias en de nabijheid van het Koninkrijk Gods. Daarom is huiveringwekkend ernstig. Nu moeten de juiste beslissingen genomen en de passende daden gedaan worden. Het enige dat adequaat is aan het karakter van deze tijd, is de bekering (het geloof)’.

Een tijdperk is vol geworden. Wat daarin moest geschieden, is gebeurd. £)p het moment waarop het ‘vol’ was, zond God zijn Zoon Jezus Christus. Met Jezus’ komst vangt een compleet nieuwe tijd aan. In geloof kun je daarop reageren.

In het onlangs verschenen boek ‘De kern van het christelijk geloof typeert dr. Joh. Verkuyl dit heel treffend als hij zegt: ‘De geboorte uit de maagd Maria is een betrouwbaar teken dat God bij de uitwerking van zijn voornemen tot redding en verlossing aan Jezus de centrale plaats toekent en dat Hij in Hem iets absoluut nieuws begint te midden van de mensen. Het Woord, de ‘Logos’, dat bij God was en zelf God is, is vlees geworden (vgl. Joh. 01:14). Jezus is de drager van de Logos en in Hem komt God zelf bij ons in een voluit menselijke bestaanswijze om zijn bedoelingen en plannen te verwerkelijken.

Hij is ‘vlees’, door en door mens ten voeten uit. Johannes’ woord heeft de diepte die reikt tot in het hart van God en verwijst naar een scheppingsdaad van God in de maagd Maria. Het gaat om en nieuwe creatie en niet om een nieuwe generatie. Het gaat om een schepping in de maagd Maria en een geboorte uit haar.

Het onvergetelijke verhaal van Lukas 2 is niet alleen symbolisch waar, maar ook waar gebeurd en het feest daarvan wordt ieder jaar van geslacht tot geslacht terecht gevierd in de volkerenwereld’.

Er zijn er die met dit deel van de Bijbelse boodschap moeite hebben. Zij kunnen onder andere met een ‘maagdelijke geboorte’ niet uit de voeten.

Uiteindelijk zullen wij echter moeten erkennen dat het diepe mysterie van Jezus’ geboorte, zijn persoon en zijn werk, althans voor een deel, mysterie blijft. Menselijke woorden en begrippen zullen altijd te kort schieten om dat grote geheimenis geheel te kunnen bevatten.

De oudchristelijke kerk analyseerde het niet, rafelde het niet uiteen, maar aanbad het in een loflied.

Vermoedelijk is het de oudste hymne van de christelijke kerk. Het staat opgetekend in 1 Timótheüs 3 vers 16 (1 Tim. 03:16) en wordt ingeleid met de woorden: ‘Groot is het geheimenis (het mysterie) der godsvrucht’ (de christelijke religie).

‘Die zich geopenbaard heeft in het vlees, is gerechtvaardigd door de Geest, is verschenen aan de engelen, is verkondigd onder de heidenen, geloofd in de wereld, opgenomen in heerlijkheid’.

De tijd raakt vol

Jezus heeft de bedéling der wet tot volheid gebracht. De wet en de profeten legde Hij geestelijk uit. Hij maakte de profetieën los uit de natuurlijke wereld en zette ze over in de geestelijke wereld. Met woord en daad verkondigde Hij het evangelie. Door wonderen en tekenen liet Hij zien dat het Koninkrijk van God is gericht op het herstel van de mens naar lichaam, ziel en geest.

Jezus heeft ons de hemelse werkelijkheid geopenbaard. Het werk dat de Vader Hem had opgedragen voleindigde Hij (Joh. 17:04). Aan het kruis nam Hij in de onzienlijke wereld de zondes­chuld weg, de scheiding tussen God en mens. Hij schonk de heilige Geest. Door de doop in de Heilige Geest kunnen we het ‘recht van zonen’ uitoefenen.

Zo zijn wij in onze tijd in staat om de ‘volheid des tijds’ tot de komst van Jezus te realiseren.

De tijd loopt snel.

Met grote kracht ontwikkelt de valse kerk zich. Heel de occulte wereld probeert in een laatste poging met verdraaiing van de Woorden Gods de geestelijke macht te grijpen.

Maar ook de tijd van de volle open­baring van de zonen Gods, die door de Heilige Geest voor Jezus op aarde het werk voltooien, breekt aan. Jezus zelf gaat ons voor. Hij is opgevaren om alles tot volheid te brengen (Ef. 04:10).

Na elke bedéling voltrekt zich steeds een definitieve scheiding. Die tijden of gelegenheden zijn in Gods hand (Hand. 01:07). Jezus zegt: ‘Het Koninkrijk Gods komt niet zó, dat het te berekenen is; ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar! Want zie, het Koninkrijk Gods is bij u”.

Toch is het een goede zaakje daarover te bezinnen (1 Thess. 05:01-11). We mogen wel degelijk ons afvragen wat gaat er nog gebeuren? Het is ons geraden oog te hebben voor wat er zich op dit moment afspeelt in de geestelijke wereld. Om te onderscheiden waar het op aan komt!

In 1 Korinthiërs 15 vers 52 (1 Kor. 15:52) spreekt de Bijbel over een volgende bedéling in de volheid des tijds. Bij de laatste bazuin, de eerste opstanding (Openb. 20:06), wordt de gemeente van Jezus omgezet voor een nieuwe taak. Het is tegelijkertijd de val van de verbasterde kerk, het grote Babylon (Openb. 18:02).

In een ’tijdperk van duizend jaar’ herstellen de zonen Gods onder leiding van de Heer vervolgens de hele schepping (Rom. 08:19). Bij de tweede opstanding (Openb. 20:11- 15) loopt dat uit op de definitieve scheiding tussen de doden. Weer wordt een stuk volheid des tijds afgesloten.

In de laatste ‘eeuw’ (aion) wordt het herstel voltooid (Openb. 22:02, Heb. 11:40). De stad Gods beantwoordt nu geheel aan de gedachte van de grote ‘Ontwerper en Bouwmeester’ (Heb. 11:10).

De tijd is vol!

In de tijd tot de eerste opstanding roept de gemeente: ‘Kom, Heer Jezus’ (Openb. 22:20).

Met verlangen zien wij uit om in een ondeelbaar ogenblik te worden veranderd (1 Kor. 15:52, 1 Thess. 04:15-17).

We mogen echter niet een deel van Gods plan overslaan. Dat zou trouwens niet eens kunnen. De Geest en de bruid roepen namelijk in de tijd voor die ‘gemeenteopname’ om de inwoning van Jezus Christus door de heilige Geest in allen, die het evangelie nog zullen aannemen (Openb. 22:17).

De heilige Geest zal eerst zijn werk van herstel en opbouw verrichten met het doel om de gemeente klaar te maken voor de zichtbare wederkomst van de Heer en voor de taak die de gemeente wacht.

In ‘onze’ volheid des tijds valt er dus nog wel wat te doen.

Tot het doel is bereikt, mogen wij de Heer verder laten werken aan de voltooiing van ons leven en ons inzetten om overal herstel te be­werken.

Het verlangen van Jezus is zijn gemeente voor zich te plaatsen, zonder vlek of rimpel (Ef. 05:27). Hij, Jezus, is de grote Voleinder!

En wij?

Wij zijn Zijn medearbeiders, Gods akker, Gods bouwwerk (1 Kor. 03:09).

 

Het evangelie en de leer van de uitverkiezing door Duurt Sikkens

 

Een tijdje geleden kwamen in de gemeente vragen naar boven over de leer van de uitverkiezing. Veel broeders en zusters komen uit die kerken waar die leer verkondigd wordt. Hoewel je die leer graag inruilt voor een nieuwe, het werkelijke evangelie, blijkt datje gedachten vaak nog door die oude leer vertroebeld kunnen worden, zodat je het volle licht niet kunt onderscheiden.

Een reden te meer om de waarheid duidelijk tegenover de leugen te zetten, dan ga je weer heel duidelijk zien dat onze God geen God van willekeur is, die je eigenlijk niet kunt begrijpen en die ver van je afstaat. Zijn eniggeboren Zoon Jezus Christus heeft Hem ons doen kennen.

In 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05) staat: “De verkondiging die wij van Hem gehoord hebben is: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”! Als ook wij ons aan die gedachte vasthouden, worden waarheid en leugen steeds duidelijker. Zó kun je standhouden en je gedachten volledig laten ver­nieuwen.

In het kort komt de leer der uitverkiezing hierop neer: Alles ligt van tevoren vast. God kiest wie behouden worden en wie verloren gaan.

De Bijbel leert echter: Het plan van God ligt van tevoren vast en de méns kiest of hij daarin wil zijn of niet.

Het plan van God

In Spreuken 15 vers 22 (Spr. 15:22) staat: “Plannen mislukken bij gebrek aan overleg”.

God had een plan gemaakt. Hij wilde iemand aan wie Hij Zijn gedachten helemaal kwijt kon, aan wie Hij zich helemaal kwijt kon, aan wie Hij zich helemaal kon geven. Hij wilde een vrouw.

Daartoe schiep Hij hemel en aarde. En als kroon op Zijn werk: de mens, Zijn toekomstige vrouw!

God handelde met overleg en Hij zag dat de mens bedreigd werd door de duivel. Daarom had Hij ook al een plan gereed dat in werking zou treden als de mens zich van hem af zou keren. Een weg terug, zodat Zijn hele schepping niet verloren zou gaan. Dat plan was: een Lam dat geslacht zou moeten worden als offer voor de zonde. In Openbaring 13 vers 8 (Openb. 13:08) lezen we: “Het Lam dat geslacht is sedert de grondlegging der wereld”. (In een andere vertaling staat: “Sedert de neerwerping der wereld”). Jezus was toen nog niet geslacht, maar de Vader hield rekening met de mogelijkheid.

In de Bijbel is nergens een aanwijzing te vinden dat God van tevoren wist dat Adam zou zondigen. Hij had Zijn schepping immers niet zo gemaakt dat het op een nederlaag móest uitlopen. God zag dat het zéér goed was en daarom durfde Hij een risico te nemen. Hij gaf de mens een vrije wil waarmee hij kiezen kon wie hij dienen wilde. God is een God van vrijheid. En Hij wil ook dat wij hem vrijwillig dienen. Niet uit angst voor straf, maar omdat we weten en ervaren dat Hij goed is.

Helaas bezweek Adam voor de verleiding. Hij koos de duisternis in plaats van het licht. Een onmiddel­lijk begint God van Zijn alternatieve plan te spreken (Gen. 03:15). Het Lam zou geslacht moeten worden. Zó alleen kon de mens weer in gemeenschap met God komen.

Was God het die zo’n offer vroeg? Volgens Psalm 40 vers 7 (Ps. 049:007) heeft Gód geen zondoffer gevraagd. “Hij heeft geen lust in slachtoffers en spijsoffers”. En helemaal niet in het offer van Zijn Zoon, Zijn Geliefde.

De Vader moet het vreselijk gevonden hebben om te zien dat Zijn Zoon vermoord werd! Vermoord door de machten der duisternis. Want de duivel is het die offers eist. God wil maar één offer, dat wij ons leven in dienst van de gerechtigheid stellen. In zulke offers heeft God een welgevallen (Heb. 03:15-16). Adam verbrak het verbond dat God met hem gesloten had (Hos. 06:07). Daarom sloot God een nieuw verbond.

God kiest

Om Zijn plannen te realiseren heeft God medewerkers nodig. Die kiest Hij zelf. Evenals een architect die bekwame medewerkers kiest, let God ook op bekwaamheden. Gééstelijke bekwaamheden.

Hij kiest Noach om de ark toe te bereiden. Was dat een willekeurige keus? Nee, want Hij vond in Noach iets waar Hij op aan kon sluiten.

Van Noach staat namelijk in Genesis 6 vers 9 (Gen. 06:09): “Hij was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en on­berispelijk man. Hij wandelde met God”. Daarom kon God hem gebruiken.

De zondvloed was niet iets dat moést gebeuren, omdat God het van tevoren bepaald had. Als de mensen zich bekeerd hadden op de prediking van Noach, zou de catastrofe nooit hebben plaats gevonden. Ninevé bleef immers ook gespaard omdat de inwoners zich bekeerden.

Dan kiest God Abraham. Om stamvader te worden van Zijn volk. God zag dat Abraham geloof had (Gal. 03:07) en daar kon Hij op aansluiten. Abraham wilde God gehoorzamen. Uit vrije wil. Hij had ook kunnen weigeren. Dan had God een ander moeten zoeken.

God kiest Jakob. Omdat hij er alles voor over had om de zegen van God in bezit te krijgen. In tegenstelling tot Ezau, die er zeer nonchalant mee omsprong.

Dan kiest God Mozes, die liever met het volk van God kwaad verdroeg

dan tijdelijk van de zonde te genieten (Heb. 11:25).

Zo zien we het hele Oude Testament door dat God kiest. Niet om de een voor te trekken en de ander achteruit te zetten, maar om mee te werken aan de voortgang van Zijn plan. Want dat plan moet gerealiseerd worden. En wil iemand die God uitgekozen heeft niet? Johannes zegt tegen de Joden: “Beeldt u niet in dat gij bij uzelf kunt zeggen: wij hebben Abraham tot vader. God is bij machte uit deze stenen Abrahams kinderen te verwekken” (Matt. 03:09).

God weet niet alles. God weet niet van tevoren of de mens op Zijn keus
in wil gaan. De mens is vrij om zélf te kiezen. Als God alles van tevoren» wist, bleef er voor de mens niets te kiezen over.

Weten betekent eigenlijk: kennis hebben van. God weet niets van het kwade. Ook Jezus wist niet alles van te voren, want er staat dat Hij zich verwonderde over iemands geloof. Als je alles van te voren weet hoef je je ook niet te verwonderen.

Maar God weet wél alles van de waarheid. Hij heeft kennis van alle dingen (ook de verborgen dingen die wij soms nog niet zien). En Hij weet ook zeker dat Zijn plan gestalte krijgt. En een ieder die daaraan mee wil werken is welkom. Hij gelooft in Zijn Woord.

Gods laatste keuze

Tenslotte heeft God nog één keus: Jezus. Het Lam dat geslacht moest worden. Maar ook Jezus mocht zélf kiezen. In Gethsémané heeft Hij het er moeilijk mee. Maar Hij ziet dat de wil van Zijn Vader beter is dan Zijn wil. Want door Zijn offer zullen er vele zonen tot heerlijkheid kunnen komen.

God kiest Jezus en als je in Hem bent, ben je ook uitverkoren (Ef. 01:03). Dat gold in het oude verbond ook al. Wie zich voegde bij de uitverkorene, deelde in diens zegen (Ruth, Rachab).

Het offer van Jezus was voldoende voor de zonde van de gehele wereld (1 Joh. 02:02). Daarom zou niemand verloren behoeven te gaan. God heeft niet de één voor het eeuwige leven en de ander voor de eeuwige dood bestemd. Hij wil zelfs niet dat iemand verloren gaat, maar dat iederéén tot erkentenis der waarheid komt (1 Tim. 02:04). De duivel wil dat de mensen de duisternis grijpen in plaats van het licht. Daarom moet de mens kiezen.

In Romeinen 9 vers 18 (Rom. 09:18) staat: “God ontfermt zich over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil”. God wil zich graag over iedereen ontfermen, maar Hij kan dat alleen over degenen die op Zijn beloften ingaan. En wie dat niet doet, daar kan God niets aan kwijt. Die zal zich steeds meer afsluiten voor de liefde Gods. God dringt zich niet op. Jezus staat aan de deur en vraagt of Hij binnen mag komen. De méns moet de deur openen. Een God die iemand verhardt zou iets gruwelijks zijn. Dat is het werk van de duisternis.

Volgens 2 Korinthiërs 2 vers 14 tot 16 (2 Kor. 02:14-16) zijn wij voor God een geur van Christus. Voor de één een geur ten leven, voor de ander een doodslucht ten dode. Bepalen wij wie de levensgeur bereikt of wie de doodslucht? Natuurlijk niet. Dat wordt bepaald door de mens, die reageert op de prediking van het evangelie. Wie er op ingaat vindt het leven en wie het afwijst blijft in de dood en de stank.

Zo zijn er nog veel meer teksten die in verband met de uitverkiezingsleer aangehaald kunnen worden. Het zou te ver voeren om ze hier allemaal te bespreken.

Als je vasthoudt dat er in God alleen maar licht is en geen duisternis is, krijg je een heel nieuw licht over verschillende Bijbelgedeelten, die tot dusver duister waren.

Ook als de duivel je wil aanvallen met gedachten als; ‘Voor mij is het evangelie toch niet’, ‘God mag me niet’, ‘Ik hoor er niet bij’, ‘De volkomenheid is voor mij onbereikbaar’, dan weet je uit welke koker die leugens komen.

De waarheid is beter en voor honderd procent betrouwbaar. In Hem zijn wij immers uitverkoren opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn. Wij zijn bestemd om zonen Gods te worden.

God gelooft in Zijn Woord. U ook? Hij gelooft in Zijn eigen schepping. Hij gelooft ook jou die Hem gelooft.

 

 

 

Kerstfeest (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Er is zoveel geschreven en gedicht,
gezongen en gesproken
over het Kerstfeest: herders, stralend licht,
een roze, fris ontloken…

 

Maar als de romantiek voorbij is gegaan,
de boom naar buiten gezet,
wat is er in ons hart blijven bestaan,
beseffen we dat Jezus redt?

 

Dat God de mens niet afgeschreven heeft,
misvormd door duizend zonden,
dat Jezus overvloed van leven geeft
aan allen, die Hem vonden?

 

U bent geboren om te dienen. Heer!
Uw losprijs geldt zovelen.

Ik kniel aanbiddend aan uw voeten neer:
U mag mijn leven hélen.

Tea Keuper-Dijk

 

Raadsbesluiten uit een ver verleden door Wim te Dorsthorst

 

Gods eeuwige raadsbesluiten

De eerste regel van een lied zegt: ‘Het heil begon in Bethlehem’. Dit zal ongetwijfeld weer veel gezongen worden in de kerstvieringen en terecht. Het heil, waar al de Schriften van hebben gesproken, begon in Bethlehem in vervulling te gaan. Gods eeuwige raadsbesluiten gaan volvoerd worden.

Jesaja profeteerde: “Ik -God- die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al mijn welbehagen doen; die uit het oosten een roofvogel roep, uit een ver land de man van mijn raadsbesluit; Ik heb gesproken, Ik doe het ook komen; Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering. Hoort naar Mij, gij trotse van hart, die ver van gerechtigheid zijt. Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israël mijn luister” (Jes. 46:10-13; zie ook Ef. 01:04-05, Ef. 01:09-11).

Dat is onze God. Trouw aan zijn eeuwige raadsbesluiten, die alle zijn naar het welbehagen van Zijn wil, zonder enige verandering of zweem van ommekeer.

Geen verandering

God heeft na de val in de engelenwereld en na de zondeval van de mens, zijn raadsbesluiten niet gewijzigd om er alsnog het beste van te maken. Neen, Hij zegt: ‘Ik heb het ontworpen, Ik breng het ook tot uitvoering’.

En als het dan moet dan zweert God, om aan de mens de onveranderlijkheid van zijn raad te doen blijken (zie Heb. 06:13-18). Dat is onze vastheid, onze rots en de zekerheid van onze hoop. De Spreuken-dichter zegt: “Vele zijn de overleggingen in het hart des mensen, maar de raad des Heren, die zal bestaan” (Spr. 19:21).

De christenheid wordt overal in verwarring gebracht door leringen die uit de overleggingen van het mensenhart voortkomen. En wij weten hoe dwaalgeesten en leugengeesten hierin werken en inspireren (1 Tim. 04:01). Men neigt soms meer daar naar te luisteren dan vanuit een eenvoudig en toegewijd hart Gods woord te geloven. Hoeveel die overleggingen echter ook zijn, de raad des Heren zal onveranderlijk bestaan en volvoerd worden en de trotse van hart zullen beschaamd staan (Jes. 25:01; Jes. 46:12).

‘En Hij zal vrede zijn’

Zo is de geboorte en de geboor­teplaats van ‘de man van Gods raadsbesluit’ zijn Zoon Jezus Christus, al ongeveer 800 jaar tevoren aangekondigd door de profeet Micha als deze zegt: “En gij Bethlehem Efratha, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid” (Micha 05:01).

En om er geen misverstand over te laten bestaan dat dit woord de geboorte van de Messias betreft, vervolgt Micha: “Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht des Heren, in de majesteit van de naam des Heren, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde en Hij zal vrede zijn” (Micha 05:02-03).

Wat een profetisch woord! Dat ziet op de geboorte van Jezus Christus, maar ook op zijn koningschap over de gehele aarde. En dan die slotzin; “En Hij zal vrede zijn”. Een andere vertaling zegt: “Hij zal de man van de vrede zijn”. De man van Gods raadsbesluiten is de ‘Vredevorst’, Jezus Christus.

Als we deze woorden lezen, dan horen we Jezus zeggen: “Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u” (Joh. 14:27).

Tekenen der tijden

Vrede, wat is die nu nog ver te zoeken op deze aarde. Oorlog, geweld, bloed, tranen, honger, het stroomt met al het nieuws de huiskamer binnen. Niet te bevatten is het leed wat mensen elkaar aandoen. Zeker nu we zien hoe volk tegen volk opstaat om elkaar uit te , moorden (Matt. 24:07).

Maar ook nog nooit is de roep naar een nieuwe wereldorde zo groot geweest. Er wordt gepraat over de mensheid als één grote familie, waarin alle verschillen van ras, stand, godsdienst, taal, enz. niet meer voor zullen komen. De wereld moet één grote stad worden!

Velen klinkt dit als muziek in de oren, omdat men niet begrijpt hoe hier de geest van de antichrist voorbereidend werk verricht voor zijn imitatie vrederijk. Er wordt gepraat over de herstructurering van de wereld, maar men begrijpt niet, dat dit voortkomt uit de herstructurering in de geestelijke wereld.

Daar -in de hemelse gewesten­moeten de overheden, de machten en de wereldbeheersers, de groten maar ook de kleinen, onder één hoofd samen gebracht worden. En dat ene hoofd zal de antichrist zijn als tegenbeeld van Jezus Christus, onder wie alles in hemel en op aarde samengevat zal worden in overeenstemming met Gods welbehagen (Ef. 01:09-10). Daarom woelen de volken en de natiën en is er grote angst. Jezus zegt: “En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen” (Luk. 21:25-26). Als volken elkaar afslachten dan is dat omdat de machten in de geestelijke wereld wankelen en strijden om nog machtsgebied over te houden.

De antichristelijke geest die in hoofdstuk 8 van het boek Daniël be­schreven wordt, duldt echter geen enkele andere macht naast zich. Alles wordt neergestoten. Voor Daniël, die uitgeput en ziek was door het zien van dit gezicht, was dit nog verre toekomst (Dan. 08:26-27).

Voor ons wordt het echter steeds meer realiteit. De christen die zijn wandel heeft in de geestelijke wereld, zal het zien en verstaan. Christenen zullen gehaat gaan worden, want in de nieuwe wereldorde past geen absolute waarheid. Dus Jezus Christus zoals Hij in de Schriften geopenbaard wordt, die de weg, de waarheid en het leven is, vormt -door de gemeente- een struikelblok voor de eenheidsdrang van de nieuwe-tijd- denkers.

De volheid van de tijd

Gods woord is duidelijk en toont een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop vrede zal zijn juist door Jezus Christus, Gods Zoon. Hij is de alfa en de omega, het begin der schepping Gods (Openb. 03:14), maar ook de voleinder, de voltooier (Heb. 01:10-12).

De schepping wacht niet op de vrede van de New Age denkers, maar op de zonen Gods, die Jezus Christus als hun Koning en Heer belijden (Rom. 08:19). Die Jezus, waar de gehele Schrift van spreekt en die in de volheid des tijds gekomen is, zoals God het gesproken had. Paulus zegt het zo duidelijk in Galaten 4 vers 4 en 5 (Gal. 04:04-05): “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen”.

Het Woord is vlees geworden

Op indrukwekkende wijze beschrijft Lukas, in de eerste hoofdstukken van zijn evangelie, hoe hemel en aarde er aan meewerkten “dat zij die baren zou, zou gaan baren” (Micha 05:02). Het grote wonder ging geschieden, dat het Woord vlees werd in de schoot van Maria om zo te wonen onder de mensen (Joh. 01:14). God bereidde zijn Zoon een lichaam (Heb. 10:05), waarin Hij onze zonden op het kruis zou brengen (1 Petr. 02:24), waardoor de gerechtigheid en het heil Gods nabij kwam voor een ieder die gelooft (Jes. 46:13).

De boodschap van Gabriël aan Maria was: “En gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als Koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid en zijn koningschap zal geen einde nemen. De heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genoemd worden” (Luc. 01:31- 35)

Er ontstaat geweldige lofzang, aanbidding en profetie door de heilige Geest. En hele en­gelenscharen, die zingende God loven en heil verkondigen aan de hele schepping: “U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David”, is hun boodschap aan de eenvoudige herders (Luc. 02:11).

Gods raadsbesluiten worden volvoerd op de juiste tijd en de duivel, de grote tegenstander van God en mensen, die eeuwenlang de komst van het zaad (Gen. 03:15) heeft trachten te verhinderen, kan alleen maar toekijken, want als God werkt, wie zal het keren? (Jes. 43:13).

Zonen worden geboren

Opnieuw leven wij naar een volheid des tijds toe. Nu gaat het echter om de geboorte van zonen, die uit de ene, Jezus Christus, geboren worden. Jesaja noemt Hem ook: ‘Eeuwige Vader’. Zoals Adam de vader is van alle natuurlijk levenden (Hand. 17:26), zo is Gods Zoon -het Woord- de Vader van alle geestelijk, levenden.

Zoals er in de dagen van Jezus een sterke Messias verwachting was bij een rest in Israël, zo ziet de zuchtende schepping met reikhalzend verlangen uit naar het openbaar worden van de zonen Gods (Rom. 08:19). En zoals met grote zekerheid al de profetische woorden aangaande de geboorte van Jezus vervuld werden, zo zal dat ook nu geschieden, wat betreft de geboorte van de zonen Gods. Opnieuw tracht de duivel dit te verhinderen en staat hij als de rossige draak met zeven koppen en tien horens voor de gemeente die baren zal. Hij wil zelfs de zonen verslinden, maar het zal juist zijn ondergang worden (Openb. 12:01-05).

Het hemelse Jeruzalem

In Jesaja lezen we al de belofte: “Ik breng mijn gerechtigheid nabij, zij is niet ver, en mijn heil zal niet vertoeven; Ik geef in Sion heil, aan Israël mijn luister” (Jes. 46:13).

Simeon profeteert: “Het heil dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heer­lijkheid voor uw volk Israël” (Luc. 02:30-32).

Ook de profetes Anna profeteerde over de verlossing van

Jeruzalem door Jezus Christus (Luc. 02:37).

Nu is het niet zo dat christenen hun geld moeten beleggen in Israël om het land tot ontwikkeling te brengen en al biddende uit moeten zien naar de herbouw van de tempel in Jeruzalem, zoals ik onlangs hoorde in een radiopraatje. Nee, het aardse Jeruzalem met de tempel was slechts een beeld van het hemelse Jeruzalem, van de berg Sion, de stad van de grote koning, Jezus Christus.

De schrijver van de brief aan de Hebreeën zegt het heel duidelijk: “Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem” (Heb. 12:22).

Het is een grote misleiding van boze geesten om goedwillende christenen bezig te houden met het volk Israël en met het Jeruzalem in het Midden-Oosten. De zonen Gods zullen geboren worden uit het hemelse Jeruzalem waar Jezus Christus Heer en Koning is. Daar -in de hemel- ziet Johannes het gebeuren!

De Zoon is gegeven

Al de Schriftplaatsen, die spreken over de verlossing en de bouw van Jeruzalem, over Sion en al het heil en de heerlijkheid, wat daar openbaar gaat komen, spreken van de voor de gemeente bestemde genade, zegt Petrus (1 Petr. 01:10-12).

Daarmee is er geen verwerping van het volk Israël, maar een liefde en bewogenheid zoals met de gehele zuchtende schepping. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door hem behouden worde” (Joh. 03:16-17).

Dit is het ‘meerdere’ wat niet aan Kerst mag ontbreken. Een kind is geboren, jawel, maar de Zoon is gegeven, ja, ‘overgegeven’ in onze plaats, in de plaats van een ieder die dit in geloof aanneemt.

God sprak tot Jesaja: “Ik breng mijn gerechtigheid nabij” (Jes. 46:13).

Voor een ieder is de gerechtigheid Gods in Jezus Christus heel dicht nabij. Door het geloof, uw eigen geloof, is het uw deel en daarbij is geen onderscheid van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: in Christus zijn allen één, zegt Paulus (Gal. 03:28).

Alles spoedt zich naar het einde. Hemel en aarde zijn in barensweeën en de schepping staat aan de vooravond van een nieuwe volheid des tijds.

Er zal door Jezus Christus heil tevoorschijn treden. Eerst in Sion, de gemeente. En van daaruit voor de volkeren. Zullen wij er acht op slaan en niet verslappen? Hemel en aarde wachten op ons!

 

 

 

Een Vriend (gedicht) door Duurt Sikkens

Weliswaar ben ik nu zonder zonde,

-daar ben ‘k mijn Vader altijd dankbaar voor­

maar ’k heb nog altijd zulke diepe wonden

en ‘k ga er dan wel eens haast onderdoor.

 

Mijn levend huis bestaat uit vele kamers,

de meeste daarvan zijn ook mooi hersteld,

maar ik hoor nog het slopen van de hamers

die indertijd mijn binnenste hebben geveld.

 

Misbruikt werd toen(het allermooist verlangen

-het liefste dat ik nauw’lijks wist dat ik bezat-:

Ik kon geen lieflijkheid van anderen ontvangen,

had slechts een gapend gat in mijn verbijsterd hart.

 

’t Leek ongeneeslijk: zóveel vernielde stukken,

die ‘k zelf met surrogaat maar wat had opgevuld.

‘k Bewoog me voort op onzichtbare krukken

die ik achter schijnaanpassing had verhuld.

 

Tot, op een goede dag -en ‘k had dit nooit gedacht-

er zeer bescheiden aan mijn tuindeur werd geklopt.

Daar stond God zelf, de laatste die ik had verwacht.

De anderen had ik altijd van de stoep geschopt…

 

Hij stond daar maar, in de gedaante van een mens

zó mooi, eenvoudig en zó echt naar mij te kijken.

En nóg zei ik, zeer arrogant: “U wenst?”

(‘k Mocht mijn onzekerheid immers niet laten blijken…)

 

Hij keek mij aan, ’t was Iemand die mij mocht

en zei: “Ik ben eens langs gekomen

en kom vervullen wat je altijd hebt gezocht.

Die vrijheid heb Ik zelf voor jou genomen.

 

En eind’lijk heb Ik je dan toch gevonden,

je was ver weg, geloofde er niet meer in.

In je verdriet zó muurvast opgesloten

vond je jezelf voor iedereen te min”.

 

Nóg aarzelde ik, maar ook sloeg het verlangen

hoog door mijn ziel. Ik zag, Hij had me lief!

Zonder verwijt en ook zó onbevangen

dat ik de deur ontsloot en Hem bij mij binnenliet.

 

Ik ben gelukkig, want God heeft me gevonden

in de gedaante van een mens die voor mij vocht.

Nou ben ik vrij en ben met hem verbonden:

Een ware Vriend, die mij heeft opgezocht.

 

Wat doen wij met onze verantwoordelijkheid? door Annotee Tineke

 

Ons hele leven dragen wij verantwoordelijkheid voor iets of iemand. Soms maakt het mensen moe omdat het veel energie kost. Soms geeft het mensen juist plezier omdat ze ervaren dat liefde (je leven inzetten) niet zomaar een gevoel is, maar een daad van hun wil. De vraag hierbij is: hoever gaat verantwoording en wat zijn onze beperkingen? Kunnen wij de wereld hervormen terwijl wij toch beperkt zijn? Of moeten we de wereld maar buiten sluiten?

Wie is verantwoordelijk?

In eerste instantie is God verantwoordelijk voor wat Hij geschapen heeft. Boven God is er niemand om verantwoording aan af te leggen. God is alleen verantwoording schuldig aan zichzelf.

God heeft verantwoordelijkheid op zich genomen door ons te maken naar Zijn beeld en gelijkenis opdat wij -net als Hij- persoonlijkheden zouden zijn. En omdat Hij verantwoordelijkheid kent, kennen wij dat ook, door middel van opdrachten aan ons gegeven (Gen. 01:27-28). Wij ontvingen verantwoordelijkheid voor de schepping en dus ook voor onszelf.

Door een verkeerde keuze faalt de mens en kan zich niet meer verantwoorden tegenover God. Doordat satan dan de ‘macht’ overneemt, kan de mens zijn oorspronkelijke opdracht niet meer uitvoeren. Hij is beschadigd geraakt en dus beperkt in zijn vermogen. ?

De wederopstanding van de mens begint dan ook bij zijn bekering, want alleen die mens die kan leven vanuit de kracht van de heilige Geest is instaat om zijn verantwoor­delijkheid te dragen op een juiste wijze. Die is dus ook verantwoordelijk!

Jezus begreep als geen ander, hoe Zijn Vader zich verantwoordelijk wist voor de gevallen mens, en omdat Hij, Jezus, het eerste gebod kon vervullen: ‘Heb God lief boven alles!’, kon Hij meegaan in die liefde voor de verloren mens. Hij begreep Zijn Vader en kende Hem.

Ook wist Jezus wat er in het boek Ezechiël stond: “Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden” (Ez. 22:30).

God zocht maar vond niemand die Zijn plan kende en zijn leven wilde inzetten. Toen kwam de Zoon van God om overoude puinhopen te herbouwen en de grondvesten van vorige geslachten te herstellen.

Jezus wilde dus zelf verantwoor­delijk gesteld worden en een ieder die Hem volgt wil dat ook.

Voor wie zijn wij verantwoordelijk?

‘Ben ik soms mijn broeders hoeder?’, riep Kaïn boos toen God naar Abel vroeg. ‘Ben ik soms verantwoordelijk voor het leven van mijn broeder?’, had hij bijvoorbeeld ook kunnen zeggen.

In principe is onze liefde voor alle mensen, zoals ook Gods liefde uitgaat naar iedereen, maar wij zijn als mensen wel gehouden aan een bepaalde plaats op aarde (wij kunnen niet overal zijn) en daarom zijn wij toch beperkt.

Christenen zullen daarom in de eerste plaats hun liefde laten zien in het huisgezin van God, de gemeente! Jezus zei eens heel duidelijk voor wie Hij zich verantwoordelijk voelde: “Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en moeder” (Mark. 03:35)!

En dat Jezus in zijn liefde ook oog had voor natuurlijke zaken blijkt uit wat wij lezen in Johannes 19 vers 25 tot 27 (Joh. 19:25-27): “En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande, zeide Hij tot zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon. Daarna zeide Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis”.

Als wij Jezus willen volgen dan mogen wij deel hebben aan dezelfde verantwoording als Hij. Ons verantwoordelijk weten voor onze broeder en zuster en -niet te vergeten- velen die nog buiten staan.

Waar zal het uiteindelijk toe leiden?

Jakobus zegt dat als een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en dagelijks voedsel, wij dat moeten verstrekken. Wie heeft dat nog in Nederland en België? Daarom leeft er, in de praktijk van ons gemeenteleven, veel meer een andere nood die wij te lenigen hebben. Dat is de geestelijke nood van de mens. Mensen die geprest worden tot dingen die ze niet willen en toch moeten doen. In zo’n leven is nood. Voor zo iemand mogen wij vechten, bidden en strijden, tot er overwin­ning komt op de geestelijke vijanden van de mens. Op de bres staan, noemen wij dat.

Lang geleden werden steden aangevallen door ze eerst te omsingelen met manschappen en daarna breuken (bressen) te maken in de stadsmuur(wal). Wanneer deze aanvallers verdreven werden, waren er moedige mannen nodig die op de bressen gingen staan. De tegenstander kreeg dan geen kans meer om terug te komen. Intussen kon er puin geruimd worden en ook de muren werden dan hersteld.

Als wij ons dus verantwoordelijk weten, zal het leven van onze zuster of broeder tot herstel kunnen komen. En deze houding zal uiteindelijk leiden tot de val van satan, in ons leven en in dat van onze naaste. Wat grandioos en heerlijk is het dat God ons bekwaam gemaakt heeft om verantwoordelijk te willen zijn tot het einde toe!

 

Goede werken als bewijs van ons geloof door Gert Jan Doornink

“Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood” (Jak. 02:26; lees ook vs. Jak. 02:12-25).

God is een goede God

God is een goede God. Geloven wij dat? Een overbodige vraag misschien, maar toch waard om er nog eens over na te denken. Zeker nu wij ons bezig willen houden met het onderwerp ‘Goede werken als bewijs van ons geloof.

Wanneer wij twijfelen aan de goedheid van God, ondergraven wij daarmee één van de fundamenten van ons geloofsleven en komt er ook van de goede werken, die van ons gevraagd worden, niets of weinig terecht.

Nu is de uitdrukking ‘God is een goede God’ niet iets waar wij oppervlakkig mee om moeten gaan. Dan wordt het alleen maar een holle kreet zonder verdere inhoud. Dan maken we van God een soort goedige figuur, een slappeling. Iemand die alles door de vingers ziet, dat wil zeggen iemand die een compromis zou sluiten met de zonde, met het kwade, met de duivel… En -u begrijpt het al wel- dat soort goedheid is geen werkelijke goedheid, maar een vermenging van goedheid en slechtheid.

Ons geloof in de goedheid en liefde van God is daarom ook niet los maken van ons geloof in de heiligheid en rechtvaardigheid van God. Alléén dan zullen we ook werkelijk op de juiste wijze Gods goedheid beleven. En -wat ook zeer belangrijk is- het ook bekendmaken aan allen die niet geloven in de goedheid van God.

Wat dat betreft is er nog volop werk aan de winkel. Velen -ook vele christenen- zijn zo geïndoctrineerd door allerlei verkeerde Godsvoorstel­lingen dat er nog heel wat puin te ruimen valt.

Heeft uw wel eens een tekening gezien van een oog in een driehoek? Dat moet een oordelende God voorstellen. Ik las in een interview met prins Rainier van Monaco, hoe hij iedere keer als hij zo’n tekening zag dat weer vreselijk vond. Hij zag veel liever een afbeelding van een glimlachende God… Toch zijn er veel christenen die God alleen maar zo zien en kennen. Zij geloven alleen maar in God als een strenge, veroordelende God.

Gods wezen en werken zijn één

Als wij geloven in de goedheid van God, betekent dit, dat wij geloven dat God honderd procent goed is, zowel in Zijn wezen als in Zijn werken. Ook dat hoort bij de eenheid van God waarvan Jakobus zegt dat het goed is om daarin te geloven (Jak. 02:19a). De duivel weet dit ook drommels goed. Daarom haat satan God en alles wat uit God voortkomt met een intense, niet te beschrijven haat.

De duivel wéét dat God niet alleen in Zijn wezen goed is, maar ook naar buiten toe tot openbaring brengt: in Zijn scheppingswerk en in de mens die Hij formeerde als kroon van Zijn scheppingswerk. Ook toen de eerste mens door zonde faalde, bleef Gods goedheid onaangetast. Ook naar buiten toe!

En dat ‘naar buiten toe’ vond zijn grote openbaring in Zijn Zoon, Jezus Christus.

Als je daarover nadenkt kom je maar tot één conclusie: De eerste Adam faalde, maar de laatste Adam niet!

En omdat Hij niet faalde, moet het ook voor ons mogelijk zijn niet te falen (Matt. 10:48), mits wij daarvoor de Goddelijke principes en richtlijnen in acht nemen.

Deze principes werken niet als een soort wet, een moeten, een krampachtig pogen op Goddelijk niveau te komen. Daarvan komt toch niets terecht. Er zijn echter een aantal aspecten die hierbij van belang zijn en waaraan we niet voorbij kunnen gaan.

Ons geloof behoort één te zijn met onze werken

Jakobus laat er geen enkel misverstand over bestaan dat ons geloof één behoort te zijn met onze werken. Hij zegt immers: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood” (Jak. 02:26). Toch is dat iets waar heel veel christenen moeite mee hebben. Zij menen dat zodra je over ‘werken’ praat, je afbreuk doel( aan het volbrachte verlossingswerk van Jezus Christus. Je kunt aan Gods genade toch niets toevoegen… Inderdaad, maar dan haalt men wel twee dingen door elkaar; a. Gods verlossingswerk in Jezus Christus was een volkomen verlossingswerk, maar b. zoals Gods Zoon één was met de Vader, behoren ook wij één te zijn met Hem. En deze eenheid wordt bewezen door ons geloof dat met werken gepaard gaat. Anders is het geen geloof, zegt Jakobus.

Dacht u dat God alleen in Zijn Zoon ‘geïnvesteerd’ had en niet in ons? Gods investering is totaal, allesomvattend. Voortkomend uit Zijn goedheid heeft Hij slechts één verlangen: dat alle mensen zijn volkomen goedheid (weer) zullen leren kennen.

Daarom is één van Gods principes: vermenigvuldiging. Eerst de Zoon, nu de zonen! En via de zonen weer anderen.

Hoe kunnen nu de mensen Gods goedheid -en alle andere positieve eigenschappen- leren kennen, als we die niet zelf tot openbaring brengen? ‘Die kan men toch lezen in Gods Woord en die heeft Jezus toch getoond’, kan men opmerken. Dat is dan wel een opmerking waarbij we ons er op goedkope wijze van afmaken. Want dat zou betekenen dat het helemaal niet van belang is dat in en door ons leven de goedheid van God tot openbaring komt.

Terwijl juist door die openbaring, door de werken die we doen, we bezig zijn ons op positieve wijze in te zetten om anderen te brengen vanuit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van Jezus Christus! Je zou het ook zo kunnen zeggen: De investering die God in ons heeft gedaan, behoort rente op te brengen. Goede werken doen, als bewijs van ons geloof, doen we daarom ook niet alleen uit ‘dankbaarheid’, zoals wel eens gezegd wordt. Dan krijg je al gauw de gedachte van: God heeft iets gepresteerd, nu moeten wij ook iets presteren!

Wat is goede werken doen dan wel? Het is een opdracht die we bij wijze van spreken automatisch ten uitvoer brengen. Het is een uitdrukking, een openbaring, een bewijs van ons geloof (Heb. 11:01-06). Blijven de goede werken achterwege dan bewijzen we daarmee dat we geen geloof hebben of dat ons geloof op een laag pitje staat.

Jakobus haalt in het tweede hoofdstuk van zijn brief Abraham en Rachab aan als voorbeelden van mensen die hun geloof bewezen door de werken die zij deden. In vers 22 zegt hij dat Abrahams geloof samenwerkte met zijn werken en dat dit geloof volkomen werd uit de werken.

Wat zijn goede werken?

Hoe kunnen we het beste omschrijven wat goede werken zijn?

Dat zijn alle dingen die wij doen in gehoorzaamheid aan datgene wat God van ons vraagt.

Wat waren de goede werken die Jezus deed. Dat was de opdracht van de Vader uitvoeren door Zijn goedheid tot openbaring te brengen (Hand. 10:38).

Als Jezus in de synagoge te Nazareth -de stad waar hij opgroeide- in de synagoge voorleest uit de profeet van Jesaja, leest Hij het gedeelte voor waar staat: “De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren” (Luc. 04:18-20). En als Hij dan de boekrol gesloten heeft, zegt Hij deze bijzondere woorden: “Heden is dit Schriftwoord voor uw oren vervuld” (Luc. 04:21b). Met andere woorden: ‘Wat Ik zo even gelezen heb, dat ga Ik nu in praktijk brengen’. Als je verder hierover nadenkt, betekent dit, dat de goede werken die Jezus deed, en waartoe ook wij worden opgeroepen om die te doen, een rechtstreekse confrontatie met het rijk der duister­nis is. Immers, iemand die gelooft in de goedheid van God, weet dat zonde, ziekte, gebondenheid, enz., niet van God afkomstig zijn, maar van de duivel.

Als wij dat weten dan weten wij ook dat het doen van goede werken betekent: geestelijk bezig zijn. Strijd voeren in de geestelijke wereld om tot overwinning te komen.

Goede werken doen is dus niet (alleen) allerlei goede dingen doen in de natuurlijke wereld -die doen we vanzelfsprekend ook-, maar de gees­telijke strijd aangaan, en dat is lang niet altijd zichtbaar. Als ik bijvoor­beeld voor iemand bidt (in tongen), dan is dat een ‘goed werk’, maar het blijft vaak ‘verborgen’. Dat hoeven we niet aan de grote klok te hangen, zoals in de tijd van Jezus gebeurde bij het vasten (Matt. 16:16-18).

Veel van onze goede werken die wij doen als gevolg of in samenwerking met ons geloof, komen dus niet in de openbaarheid, maar zijn wel heel belangrijk in Gods ogen. Daarom zijn het ook ‘geloofswerken’.

Soms zie je ook niet direct resultaten. Maar dan weten wij dat Paulus zegt: “Laten wij niet moe worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen” (Gal. 06:09).

Wat is nodig om goede werken te doen?

Als Jezus op een keer op sabbat een man die reeds 38 jaar ziek was, geneest (de bekende genezing bij het badwater te Bethesda), krijgt Hij van de Joden het verwijt te horen dat Hij dat op sabbat doet. Het eenvoudige maar duidelijke antwoord van Jezus is: “Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook” (Joh. 05:17). Voor Jezus was het een vanzelfsprekende zaak dat Hij dezelfde dingen deed als Zijn Vader, al krijgt Hij dan het verwijt te horen, dat Hij zich met God gelijkstelde.

Nu van de kant van de wereld (en zeker van de vrome wereld) zullen wij altijd tegenstand, verwijten en beschuldigingen te horen krijgen. Maar het zal ons niet deren. Uiteindelijk worden wij er, net als Jezus, immuun voor.

Belangrijk voor ons is dat we toch in getrouwheid en volharding doorgaan met ons geloof te bewijzen door goede werken te doen!

Wat is er nu nodig om goede werken te doen? In de eerste plaats: geloof. Dit geloof moet echter een beginpunt hebben. Je kunt niet tot iemand die buiten Gods Koninkrijk staat, die nog niet wedergeboren is, zeggen: ‘Doe maar veel goede werken, dan verdien je vanzelf het nieuwe leven in Christus wel…’ Nog afgezien van het feit dat zo iemand -geestelijk gesproken- niet eens weet wat goede werken zijn, kan dit natuurlijk niet.

Ten tijde van Luther werd dit accent wel gelegd. Het gevolg was van de zogenaamde ‘kerkhervorming’. Luther legde uitsluitend nog de nadruk op ‘het geloof. Maar dit werd weer zo overgeaccentueerd dat de goede werken op de achtergrond raakten.

Voor een ongelovige, voor iemand die buiten staat, is het dus in de eerste plaats nodig dat hij tot geloof komt, zoals ook blijkt uit Johannes 6 vers 27 tot 29. (Joh. 06: 27-29) Jezus zegt daar: “Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt”. Dan zeggen de omstan­ders tot Hem: “Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?”. Jezus’ antwoord is duidelijk: “Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft”.

Als we eenmaal tot geloof gekomen zijn is het ook nodig dat onze denkwereld geheel wordt vernieuwd (Rom. 12:02). We kunnen geen goede werken doen, als we zelf niet eerst geloven in de goedheid van God en in het feit dat Hij het goede, welgevallige en volkomene met ons voor heeft (Rom. 12:2b).

In Johannes 9 vers 4, bij de genezing van de blindgeborene, (Joh. 09:04) zegt Jezus: “Wij moeten werken desgenen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand werken kan”. Soms denk ik wel eens: dat kon wel eens spoedig aanbreken. Gevaarlijk is het echter daarover te gaan filosoferen en niets te doen. Het is nu nog dag! Wat is er dan heerlijker dan goede werken openbaar te maken als bewijs dat we geloven in de levende God, de God van liefde en goedheid.

Jezus zelf is ons grote voorbeeld. Hij was de grote lichtverspreider en sprak: “Ik ben het licht der wereld. En een ieder die in Mij gelooft zal nimmer in de duisternis wandelen”.

Maar weet u wat Jezus nog meer zei?:” Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn”.

En dan zegt Jezus -en Hij zegt het ook tot ons-: “Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken” (Matt. 05:14-16). God wordt op een machtige wijze verheerlijkt als wij geloof openbaar maken gepaard gaande met goede werken!

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose (11)

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (11)

De gemeente, de dood en het oordeel (3)

Iets over kinderen

Wellicht is het u opgevallen dat ik met betrekking tot deze onderwerpen nooit over de plaats van de kinderen gesproken heb. En dan doel ik met name op jonge leeftijd overleden kinderen en alle reeds in de moederschoot gestorven of vermoorde kinderen. Waar zijn zij? Wanneer staan zij op? Hoe komen zij tot de volmaking? In dit kader passen zeker ook nog alle gehandicapten (zowel volwassenen als kinderen).

De Bijbel zegt daarover niet veel; in Openbaring is er geen enkele verwijzing naar. Natuurlijk bestaan er wel uitleggingen over de positie van kinderen in het herstelplan, zoals ‘kinderen gaan naar het dodenrijk en komen terug op de nieuwe aarde’, maar die hebben mij niet zo overtuigd.

Reden om er eens ‘hardop’ over na te denken als een aanvulling op deze studie.

Enkele overwegingen

Kleine kinderen hebben nog niet gezondigd zodat de geestelijke dood geen claim zou kunnen doen gelden. Ook weten wij dat ze ingeschreven zijn in het boek des levens. Jezus zegt over kinderen: ‘hunner is het Koninkrijk’ en ‘hun engelen zien voortdurend het aangezicht Gods’. Bij het sterven zullen deze engelen ‘hun’ kinderen natuurlijk niet plotseling verlaten. Hun intrek innemen in het Koninkrijk van God is het meest voor de hand liggende.

Houdt dit dus in dat ze de fase van het dodenrijk overslaan en ‘automatisch’ en voorgoed in het Koninkrijk Gods zullen vertoeven en aldaar naar de geestelijke volmaking geleid zullen worden? Het klinkt aannemelijk, doch doet enigszins geweld aan de gedachte dat iedereen wel zelf gekozen moet hebben of met zijn hart daden te kennen heeft gegeven het licht lief te hebben, en daartoe zijn ze niet in de gelegenheid geweest.

Het is geen automatisme dat iedereen voor het goede kiest, dat hebben we gezien aan de afval der heiligen na het duizendjarig rijk. Als je deze gedachte wel aanneemt, dan kun je in de verleiding komen te bedenken dat het voor elk mens dan maar beter zou zijn op kinderleeftijd te sterven, zodat er geen ‘afval der heiligen’ plaats kan vinden en iedereen de volmaaktheid, zij het niet op de door God bedoelde wijze, al bereiken. Dus ergens klopt er iets niet.

Ook kun je je nog afvragen of er onderscheid bestaat tussen gestorven kinderen die geheiligd zijn in de ouders en zij die dat niet zijn. De eerste categorie zou dan vertoeven in het Koninkrijk Gods en de andere in het dodenrijk, maar is dit ‘rechtvaardig’? Hiermee worden de vragen niet beantwoord, integendeel zelfs.

Meer passend zou zijn als alle gestorven kinderen uit de dood opstaan bij de aanvang van het duizendjarig rijk, om zo in de gelegenheid gesteld te worden om hun aardse ontwikkeling alsnog te kunnen doormaken, om geestelijk tot ontwikkeling te komen en om bewust voor Christus te kunnen kiezen en dat te bewijzen aan het einde van deze periode, als satan nog een keer verleidend rondgaat.

Maar deze gedachte vindt geen steun in de Bijbel. Openbaring 20 vers 4 en 5 (Openb. 20:04-05) spreekt ervan dat bij de eerste opstanding immers alleen de overwinnaars opstaan. De overige doden worden niet meer levend voordat de duizend jaren voleindigd zijn.

Een mogelijke verklaring

Een poging, waarbij ik er enerzijds van uitga dat alle kinderen verblijven in het Koninkrijk Gods (ik maak geen onderscheid tussen ‘geheiligden’ en ‘niet geheiligden’; heiliging is geen garantie van een plekje in de hemel, maar van geestelijke bescherming) en dus ergens hun plaats hebben in het hemelse Jeruzalem (een kinderwijk?), en anderzijds dat elk mens in zijn bestaan een keuze moet maken. Gevolg van eerstgenoemd uitgangspunt is dat gestorven kinderen een geestelijke ontwikkeling doormaken, inherent aan het Koninkrijk Gods (alleen in het dodenrijk vindt geen ontwikkeling plaats).

Als satan aan het eind van het duizendjarig rijk wordt losgelaten, omsingelt hij de heilige stad (Openb. 20:09), beeld van de Gemeente Gods in de hemel (alle gestorvenen die geen deel hadden aan de eerste opstanding) en op aarde: niet alleen de herstelde mensheid op aarde, maar ook de nog niet volmaakte gelovigen in de hemel komen in verleiding, worden dus voor een keuze gesteld.

Het zou kunnen, immers al eerder zijn hemelingen die voor het eerst moesten kiezen, gevallen, denk maar aan Lucifer en alle gevallen engelen. Als dit waar is hebben in ieder geval alle mensen en alle geesten hun keuze gemaakt, voordat sprake is van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dat past mijns inziens geheel in de ontwikkeling zoals Openbaring ons die aanreikt.

Bij de tweede opstanding krijgen deze kinderen een opstandingslichaam en komen zij in de gelegenheid om ook hun aardse talenten te ontplooien en hun geestelijke ontwikkeling, waarmee ze in het hemelse Jeruzalem al een begin hadden gemaakt, af te maken.

(In het kader van deze Bijbelstudie komt in “Levend Geloof’ van januari het onderwerp: ‘De Gemeente en het herstel aller dingen’ aan de orde. Daarbij worden onder andere de volgende vragen beantwoord: Hoe zal de aarde worden geregeerd? Hoe was het in het begin? Wat zegt de Bijbel over de nieuwe aarde? Hoe zal het herstel plaats gaan vinden? Wat gebeurt er met alles wat de mens heeft voortgebracht? Hoe zal het einde zijn?).

 

God is goed (gedicht) door Piet Snaphaan

Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkander,
gerechtigheid en vrede kussen elkaar”
(Ps. 085:011).

Wat zijn ze nauw verbonden
ze horen bij elkaar,
als eenheid ongeschonden
God zelf bevestigt haar

 

Je kunt ze nimmer scheiden
ze zijn als hand en voet
als doel hebben ze beiden
te tonen: God is goed

 

1992.11 nr. 342

Levend geloof 1992.11 nr. 342

De volheid Gods in Christus, maar ook in ons! door Gert Jan Doornink

“In Hem (Christus) woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht” (Kol. 02:09-10; lees ook Kol. 02:4-15).

Scheiding der geesten

We leven in een tijd waarin de scheiding der geesten in volle gang is. Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) gaat voor onze ogen in vervulling. Daar lezen wij: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. En wij zijn er ten volle bij betrokken. Daarbij spreekt het vanzelf dat dit speciaal geldt voor het laatste deel van deze tekst, wij zijn immers ‘heilig’ en ‘rechtvaar­dig’.

Nu is het niet zo dat de zogenaamde ‘scheiding der geesten’ alleen maar in onze tijd plaatsvindt. Weliswaar zien wij thans een toespitsing, die nog verder door zal gaan, maar ook in de tijd van de eerste christen­gemeenten speelde dat al een grote rol.

De gemeente van Kolosse bijvoorbeeld was een gemeente die op een gezonde wijze functioneerde. Paulus maakt in hoofdstuk 2 vers 5 (Kol. 02:05) de opmerking: “Ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus”. Ik denk dat dit lang niet van iedere gemeente in onze tijd gezegd kan worden.

Toch geeft Paulus enkele belangrijke’ adviezen, die -geheel in over­eenstemming met de duidelijke en radicale uitspraken die hij altijd deed- niet voor misverstand vatbaar zijn.

Geloofsadviezen van Paulus

Het eerste advies geeft hij in (Kol. 02:06), door op te roepen te ‘wandelen in Hem’. Hij legt in (Kol. 02:07) uit hoe dat in zijn werk werkt.

Het tweede advies is in feite iets scherper. Het is een waarschuwing zich niet te laten meeslepen door wijsbegeerte en ijdel bedrog “in overeenstemming met de over­levering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus” (Kol. 02:08).

En dan komt Paulus tot die geweldige uitspraak die centraal staat in dit artikel: “Want in Christus woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem”.

Paulus legt dan in vers 11 tot en met 15 verder uit welke geweldige betekenis dit heeft voor ons persoonlijk geloofsleven.

Wat is volheid?

In Christus woont dus als ‘de volheid der godheid’ lichamelijk. Maar wat moeten wij onder ‘volheid’, waar de Bijbel ook op diverse andere plaatsen over spreekt, verstaan?

In het woord ‘volheid’ treffen we het woord ‘vol’ aan. Als je in een woordenboek het woord ‘vol’ opzoekt, kom je een achttal verschillende betekenissen tegen. De voornaamste zijn:

  1. vol, in de betekenis van: er kan niets meer bij, een tot de rand toe gevuld glas met water bijvoorbeeld,
  2. vol zijn van iets: ik ben vol van iets nieuws, mijn gedachten zijn er helemaal mee vervuld.
  3. vol heeft ook de betekenis van: volledig, dat wil zeggen alles is volledig aanwezig, bijvoorbeeld volle melk: niet afgeroomde melk, volkoren brood, het volle evangelie(ï).
  4. vol heeft ook te maken met volgroeid zijn, volwassenheid.

Samengevat: vol zijn, wil zeggen dat alles volledig aanwezig is, het is volgroeid, er ontbreekt niets aan, het is compleet. En… dit heeft óók betrekking op de levende God die wij dienen!

God is een volmaakte God

Aan God mankeert niets. Onze hemelse Vader is volmaakt, is volkomen. Paulus noemt God in Kolossenzen 1 vers 19 (Kol. 01:19): ‘de ganse volheid’. Jezus zegt van God dat Zijn hemelse Vader volmaakt is (Matt. 10:48).

God was niet alleen in Zijn wezen volmaakt, maar ook in Zijn werken. Daarom spreken wij van een volmaakte schepping en lezen wij in Genesis 1 verschillende keren dat God zag dat het goed was.

Niemand hoeft te twijfelen aan de volmaaktheid van God. Net zo min als wij hoeven te twijfelen aan alle andere positieve eigenschappen die in Hem aanwezig zijn.

En het heerlijke is dat wij ons steeds weer mogen realiseren dat God die volmaaktheid en alles wat erbij hoort, niet voor zichzelf gehouden heeft, maar in Zijn totale schep­pingswerk heeft overgedragen. Jakobus 1 vers 17 (Jak. 01:17) zegt: “Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neer, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer”.

Jezus is een volmaakte Jezus

Nadat we tot deze conclusie zijn gekomen denk ik, dat geen van onze lezers en lezeressen bezwaar zal hebben in de opmerking dat Jezus even volmaakt was als de Vader!

Immers: “In Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk”. Paulus is daar zeer duidelijk over. In Hem woont niet een deel van de volheid van God, maar de gehele volheid.

Nu zijn er gelovigen die zeggen: ‘ja, geen wonder, Hij was immers God, God die in het vlees is gekomen, dus je kunt ook niet anders verwachten’.

Ik denk dat, als we zo praten, we ons er wel een beetje goedkoop van afmaken.

Er is de laatste tijd -ook in onze kringen- nogal een felle discussie gaande over het onderwerp: ‘Wie Jezus was en is’. Het is zelfs zo dat sommigen elkaar er te vuur en te zwaard voor aan het bestrijden zijn. En vaak geldt ook hier: ‘Hete hoofden, koude harten’.

Ik geloof dat we in de eerste plaats duidelijk mogen stellen dat Jezus niet God zelf is maar de Zoon van God. Weliswaar noemen de nieuwtestamentische evangelisten hem op enkele plaatsen ‘God’, maar dan altijd in de betekenis van Zijn volmaakte openbaring van het wezen van God.

Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dat Jezus de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van Zijn wezen is.

Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38) zegt over Jezus “hoe God Hem met de Heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”. (Let wel: er staat niet: ‘omdat Hij God was’, maar ‘God was met Hem!).

En wat te denken van het feit dat Jezus gedoopt werd en vervuld met Gods Geest, vóórdat Hij Zijn bediening begon” (Matt. 03:17).

De eerste Zoon van God

Jezus was de Zoon van God. Hij was de eerste Zoon van God die niet zondigde, die zo volkomen leefde in gemeenschap met de Vader, dat Hij later kon getuigen: “De duivel komt en heeft aan Mij niets”.

Jezus was ook de eerste mens die volkomen gehoorzaam was aan de Vader. In tegenstelling met de ‘eerste Adam’, faalde de ‘laatste Adam’ niet!

Van deze Jezus zegt Paulus in Filippenzen 2 vers 8 (Filip. 02:08) dat Hij zich vernederd heeft en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Hij is de volkomen weg gegaan die de Vader in Zijn grote plan had uitgestippeld. En juist daarom heeft Hij ook een volkomen verlossing teweeg gebracht en de zonde van de gehele wereld gedragen.

Nu zou het voor sommige bijbeluitleggers en gelovigen waarschijnlijk wel gemakkelijk zijn als hiermee de kous af was. Ik bedoel als Kolossenzen 2 vers 9 (Kol. 02:09) niet eindigde met een puntkomma, maar met een punt… Maar er staat nog iets achter! Wat?: “Gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht”.

Wij zijn aan heel wat Bijbelwoorden al zo gewend geraakt, dat het ons soms niets meer doet. Maar eigenlijk zou zo’n tekst ons geweldig moeten raken! Want wat betekent dit? Dat dezelfde volheid die in Jezus was, ook in ons is!

Dat kan toch niet waar zijn? Maar het is wel waar! Dacht u dat God in Zijn grote liefde de volheid die in Zijn Zoon was, niet aan ons zou schenken? Wij zouden Hem zwaar beledigen als we dat zouden denken. Want dat zou dan betekenen dat God de liefde die Hij in Zijn Zoon legde, toch voor Zichzelf hield, dat wil zeggen slechts deelde met Zijn Zoon Jezus. Maar God houdt niets achter!

Natuurlijk weten wij dat Christus het Hoofd is van Zijn gemeente en wij zijn de leden. Maar dat is een onderwerp apart. Het gaat er nu om dat ook wij gaan inzien dat wij ten volle mogen delen in de volheid Gods. Laten wij maar eens op een rijtje gaan zetten wat die volheid voor ons betekent.

Wat Gods volheid voor ons betekent

Wij hebben genade ontvangen. 1.

We zijn vrijgesproken van de ‘straf, want “de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem” (Jes. 53:05). Johannes 1 vers 16 (Joh. 01:16) zegt: “Immers uit Zijn volheid hebben wij ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen”. Daar begint het mee. Ons geloof in Jezus, de Zoon van God, is geen eindstation, maar nu beginnen ook wij te functioneren en evenals Jezus zijn wij geroepen dezelfde dingen te doen die Hij deed. Hetzelfde leven dus te openbaren. Daarbij mogen we geen misbruik maken van de genade die ons geschonken is (Rom. 06:01).

Wij hebben de volheid van Gods Geest ontvangen. 2.

Van Jezus staat geschreven dat Hij vol van de Geest was. Dacht u dat wij met minder kunnen volstaan? Johannes 16 vers 13 zegt: “Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen naar de volle waarheid”.

Zonder Gods Geest zouden wij onmogelijk Gods volheid kunnen beleven. Zonder Gods Geest geven we de duivel kans te infiltreren en kunnen we gemakkelijk misleid worden.

De volheid maakt ons volwassen. 3.

Geestelijke groei is een ‘must’ voor ieder kind van God. Iemand die niet geestelijk groeit zal ook nooit de volheid van God in en door zijn leven beleven. In zijn brief aan de Efeziërs spreekt Paulus over het bereiken van de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon van God (Ef. 04:13). Weet u hoe Paulus dit noemt? “De mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus”.

Jezus zelf spreekt in één van zijn gelijkenissen ook over deze groei naar de volwassenheid (Mark. 04:26-29). Het gaat uiteindelijk om het volle koren in de aar.

Volheid ontstaat door gemeenschap. 4.

Er zijn verschillende teksten die spreken over de gemeenschap die wij hebben met God en met Zijn Zoon. Zo schrijft Paulus in 1 Korinthiërs 1 vers 9 (1 Kor. 01:09): “God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus, onze Here”. En Johannes schrijft dat onze gemeenschap is met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus (1 Joh. 01:03).

Zijn wij ons bewust dat het leven in gemeenschap een belangrijk facet is van het functioneren van Gods volheid in en door ons?

Zoals Jezus leefde in volkomen gemeenschap met Zijn Vader, gaan ook wij dat meer en meer beleven in de komende tijd. En zoals Jezus als eerste volmaakte Zoon van God die niet faalde, de volheid Gods openbaarde, gaan ook wij dat doen. We zijn immers geroepen in Zijn voetstappen te treden en ons óók als zonen Gods te openbaren!

Het is duidelijk tot welke slotconclusie wij kunnen komen: God was één met Zijn Zoon. En Zijn Zoon was en bleef één met de Vader. Diezelfde eenheid gaat ook in ons leven hoe langer hoe meer gestalte krijgen. En vanuit die eenheid, die gemeenschap, die volheid, gaat Gods heerlijkheid en overwinning, in al zijn facetten, in en door ons leven tot openbaring komen!

 

Sion (gedicht) door Piet Snaphaan

“Zijn stichting ligt op heilige bergen”
(Ps. 087:001)

Een stad, een volk, een geestelijk volk
allen uit God geboren,
in ’t hemelse Jeruzalem
daar is hun thuis, voorgoed bij Hem
voor eeuwig uitverkoren.

 

Herstel en geestelijke strijd door Ron Gast

Herstel van de gehele mens is een zaak waarnaar ongetwijfeld ieder mens uitziet. Elk mens verlangt naar een ‘compleet’ leven, ook al zal menigeen een ander idee hebben van die volledigheid.

Een gezond lichaam (gezondheid is wens nummer één van de gemiddelde Nederlander), natuurlijke voorspoed (zoals het huisje-boompje-beestje-verlangen of bijvoorbeeld het streven naar rijkdom), vrede en harmonie, zijn zaken waaraan zo gedacht wordt. Ook christenen zullen vaak geneigd zijn niet verder te denken dan deze wereldse invulling.

De volkomen mens

Een wedergeboren christen zal echter een andere compleetheid op het oog moeten hebben: de volko­menheid waarover de Bijbel spreekt. De mens die volledig naar Gods beeld en gelijkenis functioneert.

De volledige mens: geest, ziel en lichaam, functionerend in en voor Gods Koninkrijk. Dat is een volstrekt andere visie op de mens. Niet (meer) de mens die centraal staat, maar God die centraal (dat wil zeggen in het midden van ons leven) staat. En omdat God Geest is, zoekt Hij via de heilige Geest met de geest van ieder mens contact. Jakobus 4 vers 5 (Jak. 04:05) zegt: “De geest die Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid”.

Een hechte relatie

Om een (h)echte relatie tussen God en de mens mogelijk te maken zal de geest van de mens daarom ‘centrale meet- en regelkamer’ moeten worden. Dus geen overheersende positie meer voor het menselijke verstand (met zijn denkpatronen en gefilosofeer), het menselijk gevoel (gevoelens zoals angst of leed kunnen mensen helemaal verscheuren) of het lichamelijke (allerlei verslavingsvormen van ( zwaar tot licht, bijvoorbeeld van drugs tot snoepzucht).

De relatie die God met de mens wil en die de wedergeboren christen zo graag met Zijn hemelse Vader wil, kan alleen via de geest van de mens tot stand komen. Via de geestelijke weg zal dan het denken van de mens en het functioneren van het menselijk lichaam gaandeweg (soms vlug, soms langzaam) worden vernieuwd en hersteld. De heilige Geest geeft via de geest van de mens leiding aan dit herstelproces.

Geestelijke strijd

Herstel, dat klinkt geweldig! Wie wil dit nu niet? Elke christen toch immers! O, zeker. Maar de duivel niet, en de boze geesten ook niet. Zo ontstaat er strijd, geestelijke oorlog. Herstel van de gehele mens vergt geestelijke strijd. Strijd in de mens, strijd om de mens.

Een voorbeeld: wat de geest van een mens wil, dat wil het gevoel (nog) niet altijd. Uitspraken als ‘dat voel ik niet zo’ en ‘dat beleef ik anders’, geven dat aan.

Een ander voorbeeld: het lichaam verzet zich: ‘dat kan ik niet’ of ‘ik heb dat absoluut nodig’.

Kortom waar de Geest van God via de menselijke geest gaat regeren, zal de tegenstand van het eigen menselijke IK vaak blijken. Als het gevoelsleven bijvoorbeeld al jarenlang op sommige terreinen van iemands leven de baas is, dan zal dat gevoel (de ziel van de mens) niet gauw accepteren ondergeschikt te worden aan de geestelijke leiding in die mens, aan datgene wat wordt geloofd, wat wordt beleden, aan datgene wat God zegt.

(De) moeite (waard)

Verandering van denken kost moeite, verandering van gevoel ook. De vraag is: wil je dat? Wil je moeilijkheden opzoeken? Wil je de strijd aangaan?

Herstellen? ja! Herstellen hoe? ‘Graag liefdevol en vooral zachtjes (en s.v.p. een beetje achteraf)’, zal menigeen zeggen.

Maar zo gaat dat niet. Herstel gaat door middel van een proces van pijn en moeite. Wie wil dat werkelijk? Is het de moeite waard (voor jezelf)? Is God het waard?

Volledig naar Gods beeld en gelijkenis worden, betekent net zoveel van je Vader houden als Hij van Zijn kind. En alles uit de weg ruimen wat jou van Hem afhoudt. God heeft er recht op. En jij ook, zegt Hij.

Au? ja, maar niet als pijnkreet maar als aanduiding (Aurum = goud) van wat er dan ontstaat: kostbaar goud. Volkomen zuiver, gelouterd.

Geschikt voor het edelste doel: bouwmateriaal te zijn van Gods tempel.

 

Het plan van God in schaduw en werkelijkheid door Hessel Hoefnagel

Het zaad van de eerste mens

Het aardse volk Israël kende meerdere perioden van slavernij als gevolg van ongehoorzaamheid aan de geboden van God. Uiteindelijk kwam het volk daardoor onder de macht van respectievelijk het Griekse en het Romeinse rijk. Deze natuurlijke slavernij duidde in schaduwbeeld op de geestelijke ‘slavernij’ onder de macht van de Dood.

Aan deze slavernij komt voor het ware volk van God (uit alle volken, stammen en natiën) een eind, wanneer in de ‘volheid van de tijd’ de ‘Christus’ wordt geopenbaard in het veelvoud van de ‘zonen Gods’, waarvan Jezus Christus de eersteling is. Deze Zoon van God, de uit een vrouw en onder de Wet geboren méns Jezus (Gal. 04:04), werd verbonden met de Geest van God en tot ‘Here en Christus’ gemaakt.

In ‘Christus’, dat wil zeggen door de vervulling met de Geest van Jezus Christus werd (wordt) het ‘zaad’, dat reeds aan Adam en Mannin werd beloofd, genoemd (Rom. 09:07; Gal. 04:04-07; Heb. 11:18).

Zó is het ware nageslacht van de eerste mens bezig vorm en gestalte te krijgen. Deze laatste ‘mens in Christus’ is de levendmakende geest ‘uit de hemel’, waarin Jezus Christus centraal staat en voor eeuwig zichtbaar is als ‘het Lam, dat geslacht is’ (Openb. 13:08). Dit ‘nageslacht in Christus’ is niet te identificeren op aarde. Het is een geestelijk volk, dat haar plaats en taak heeft in de ‘hemel’, waar Christus is en van waaruit hij Zich in en met de Zijnen zal openbaren op aarde.

Wat is onze opdracht?

Voor ons geldt dezelfde opdracht als aan de ouden, namelijk dat we ons bezig moeten houden met deze werkelijkheid van Christus. Dit geldt temeer omdat ook nu nog (of misschien wel juist nu!) het gevaar groot is, dat de blik gericht wordt op de schaduw, die echter altijd van ‘beneden’ is en op het uiterlijke gericht.

Het is namelijk een gegeven, dat er heden ten dage, terwijl de onzienlijke werkelijkheid van Christus bezig is zich te openbaren, zeer veel christenen zijn, die deze werkelijkheid nog niet zien, maar daarentegen volop gericht zijn op een terugkeer van de schaduw. Velen verwachten namelijk ten opzichte van de openbaring van Jezus Christus en in de ontwik­kelingen betreffende het plan van God een speciale plaats voor een aards volk Israël daarin.

Evenals de eerste mens(heid) is en blijft het eerste (aardse) volk Israël echter een schaduwbeeld, in dit geval van het ware (hemelse) volk Israël.

Dit volk, waarin uiterlijke afstamming geen enkele rol speelt

(Gal. 03:26-29), is bezig zich in de ‘hemel’ te vormen en zal zich te zijner tijd samen met haar Hoofd, Jezus Christus, manifesteren op aarde. Door middel van dit volk van God zal de geknechte mensheid van alle tijden en alle plaatsen tot herstel gebracht worden. De ‘veelkleurige wijsheid’ van onze God zal door middel van de gemeente gezien worden in de zichtbare schepping, zoals ze reeds nu geproclameerd wordt aan de ‘overheden en de machten in de hemelse gewesten naar het eeuwig voornemen in Christus Jezus’ (Ef. 03:10-11).

Van de schaduw in de ontwikkeling van het plan van God mogen we nooit werkelijkheid maken, omdat in dat geval een zuiver beeld op dit eeuwige voornemen wordt vertroebeld. Net als de eerste mens is het eerste volk Israël bewust door de Schepper geformeerd om uiteindelijk het ‘zaad’ voort te brengen, waarover Hij profeteerde aan Adam en Mannin (Gen. 03:15). Het volk Israël is voortgekomen uit de belofte aan Abraham. Deze belofte hield in en is ook zo bevestigd, dat hij tot een menigte van volken zou uitgroeien (Gen. 15,17,28; Rom.4).

Schaduw gaat uiteindelijk over in verdwijning, omdat ze behoort bij het oude, dat plaats moet maken voor het nieuwe (Heb. 08:13). De werkelijkheid gaat daarentegen door tot het bereiken van de volheid van God.

De schaduw en werkelijkheid van Christus

De eerste mens, waartoe ook het eerste volk van God behoort, is geroepen om op aarde gestalte te geven aan de ‘schaduw’ van het plan van God. De nieuwe mens-in- Christus heeft een hemelse roeping, namelijk om gestalte te geven aan de werkelijkheid, die van Christus is (Kol. 02:16-17).

Uit de reeds aangehaalde ges­chiedenis van de Bijbel weten we, dat de lijfelijke zoon van Abraham, Izaäk, toen deze door Abraham geofferd zou worden (Gen.22), een schaduwbeeld was van Jezus Christus. Deze werd als enige en eigen Zóón van God door de Vader niet gespaard, maar vanwege Diens grote mensenliefde voor ons allen overgegeven (Rom. 08:32). Evenals Izaäk in de schaduw stelde de Heer Jezus zich in de werkelijkheid be­schikbaar aan de wil van God de Vader. Zijn zondeloos leven gaf Hij tot verzoening van de zonde der wereld.

In zijn bereidheid om zijn enige zoon op te offeren, werd Abraham een schaduwbeeld van de Vilder in de hemel. Vanwege zijn groot geloof in de Almachtige werd hij niet slechts de natuurlijke vader van het aardse volk Israël en haar broedervolken’, maar hij is ook de geestelijke ‘vader’ van degenen, die door geloof ‘in Christus’ zijn (o.a. Gal. 3 en 4).

Zoals uit Izaäk het aardse volk Israël is voortgekomen, zo is uit de ware ‘Zoon’ van Abraham, Jezus Christus het ware Israël, de gemeente, voortkomende en tot volheid uitgroeiende.

Waarom de schaduw gaat verdwijnen

Het is heel belangrijk voor de christenen vandaag, om deze dingen goed te onderscheiden. Velen richten wat dit betreft, hun oog op de schaduw en verwachten ten onrechte een opleving daarvan, als zijnde de bedoelde ontsluiering van de gedachten van de Vader. Nimmer zal echter de schaduw, dus de aardse verhouding, zoals die in de ‘bedeling der schaduwen’ gold, herhaald of voortgezet worden in zichtbare vormen en ‘rituelen’. Integendeel, de schaduw zal met het toenemen van de ‘dag’ steeds meer vervagen en zelfs geheel verdwij­nen. Daarentegen zal de werkelijkheid van Christus steeds meer duidelijk en helder worden (vgl. Spr. 04:18).

De werkelijkheid van Christus betreft een volk, ‘Gode ten eigendom’, dat de grote daden van de Schepper zal verkondigen’ in de komende heerlijkheid van de nieuwe schepping. Deze heilige natie’ zal zich tezamen met haar ‘Hoofd’ als ‘lichaam van Christus’ open­baren tot herstel van de zuchtende schepping, die met ‘reikhalzend verlangen’ naar deze openbaring uitziet (Rom. 08:19-23).

Er is in de christenwereld zoals gezegd nog veel onbegrip inzake het onderscheiden van schaduw en werkelijkheid met betrekking tot de bedoeling van God. Het is voor velen moeilijk om bijvoorbeeld bij de begrippen ‘huis’ en ’tempel’ te denken aan de afbeelding van een levend lichaam, dat is opgebouwd uit levende stenen.

Hetzelfde geldt bij de voorstelling van het ware volk van God, waarvan het aardse volk Israël het schaduwbeeld is.

Door veel christenen wordt aan het aardse volk Israël in de tijd van het einde weer een centrale rol toegedacht, waarbij men zich vanuit gemis aan inzicht meent te kunnen beroepen op de Bijbel.

Het zichtbare, wat ooit als schaduw gediend heeft, zal echter nooit tot werkelijkheid worden, evenmin als bijvoorbeeld het offerlam ooit weer tastbare werkelijkheid zal worden, omdat Jezus Christus als het ware eeuwige ‘offerlam’ is geopenbaard. Hij is (en blijft ook tot in eeuwigheid) het Hoofd van de ware mensheid, de éérsteling van de nieuwe schepping, waarin de levende God bezig is Zich te openbaren.

Bovenstaand artikel werd overgenomen uit de nieuwe brochure: ‘De mens, heerlijkheid van God’, door Hessel Hoefnagel. Deze tweedelige brochure is zojuist bij ons verschenen. Op pagina 31 treft u een overzicht aan van de inhoud.

 

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

In ieder nummer van “Levend Geloof’ -dus ook in dit nummer- proberen wij in de verschillende artikelen weer in te haken op het feit dat ieder kind van God zich bevindt in een bepaald stadium van geestelijke ontwik­keling. Na onze geestelijke (weder)geboorte groeien wij op van baby’s in het geloof tot geestelijke volwassenen. De Bijbel maakt ons dit op verschillende plaatsen duidelijk.

Wie in eigen leven een terugblik werpt, zal deze ontwikkeling kunnen constateren. Sommigen hebben daar geen oog voor, maar dit wordt dan meestal veroorzaakt doordat men in een bepaald stadium van geestelijke groei is blijven steken. Dit is niet iets van de laatste tijd alleen, maar deed zich in de eerste christen­gemeenten ook al voor.

Maar wie werkelijk het einddoel des geloofs -de volkomenheid in Christus- wil bereiken, heeft ook het verlangen geestelijk te groeien en wil op een hoger niveau van geloofsbeleving komen. Niet om een soort ‘hoogmoed-christen’ te worden, maar wel uit gehoor­zaamheid met als resultaat: meer en meer openbaring van het beeld van Christus.

Naarmate ons geloof innerlijk groeit wordt de uitstraling naar buiten toe ook effectiever en voldoen we dus meer aan de grote opdracht een getuige van Christus te zijn en anderen te winnen voor Zijn Koninkrijk. Ook op dit aspect zullen we in “Levend Geloof’ steeds weer de nadruk leggen.

Maar primair is het dus belangrijk dat onze geestelijke ontwikkeling niet tot stilstand is gekomen of door gebondenheden wordt afgeremd. Als ergens het gezegde ‘stilstand is achteruitgang’ van toepassing is, dan is het wel in geestelijk opzicht.

In welk stadium van uw geloofsleven u zich ook bevindt: Ga de weg verder omhoog en ontdek de volle rijkdom en heerlijkheid van alles wat God ons in Zijn grote liefde wil geven!

 

De hoop der heerlijkheid (gedicht) door Piet Snaphaan

“Christus onder u, de hoop der heerlijkheid” (Kol. 01:27)

In Christus zijn is waarlijk leven
door Hem als hoop der heerlijkheid.

Hij is door God aan ons gegeven
tot steun te zijn naar geestelijk streven,
om te groeien tot volkomenheid.

 

In Hem is leven, licht en vrijheid

ontwikkeling tot groei naar meer.

Om te komen tot volmaaktheid
door volharding en bereidheid,
Hij is onze Leidsman aller Heer.

 

Wat zijn we rijk en begenadigd
Christus in ons een vaststaand feit.
In Hem zijn we geheel rechtvaardig,
Hij maakt ons sterk en keurt ons waardig
om Hem te volgen ’t allen tijd.

 

De wedloop in de renbaan door WIM TE DORSTHORST

In een jaar waar het ene grote sportgebeuren volgde op het andere, moest ik denken aan de woorden van Paulus in 1 Korinthiërs 9 vers 24 tot 27 (1 Kor. 09:24-27). Hij schrijft daar: “Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt. En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een ver­gankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke. Ik loop dan ook niet meer in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat. Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden”.

De renbaan

Paulus vergelijkt de weg die de christen dient te gaan met een wedloop in de renbaan, waarbij de winnaar beloond wordt met een erekrans. In onze dagen is dat het eremetaal, de gouden plak. Het is niet de bedoeling van Paulus de gelovigen te ontmoedigen door de weg voor te stellen als een bijna niet te lopen traject. Ook niet om het behalen van de erekrans voor te stellen als een onmogelijke zaak, hooguit weggelegd voor enkele geestelijke krachtpatsers.

Neen, hij wil iedere christen op het hart binden dat het een serieuze zaak betreft. Het is niet maar wat aanhobbelen, maar het is een zaak van leven of dood, van winnen of verliezen, de kroon ontvangen of missen.

Hij zegt in vers 23 dat hij alles doet om ook zelf deel te krijgen aan het evangelie, het einddoel des geloofs dus.

De gemeente van Jezus Christus dient te bestaan uit zulke geestelijke sportlieden die er alles voor over hebben die erekrans te behalen. En de bedoeling is dat een ieder zó loopt dat hij die ook behaalt.

De wedstrijd

Wij hebben geen wedstrijd tegen elkaar in de gemeente. Ook geen wedstrijd tegen andere gemeenten of tegen de Heer om te zien wie het sterkste is. Neen, het gaat voor een ieder om die onvergankelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor ons, zegt Petrus (1 Petr. 01:04).

De strijd die we daarbij te voeren hebben, is tegen de hielenbijter (Gen. 03:15b), de duivel en zijn rijk, die de voortgang bemoeilijkt. Heel duidelijk beschrijft Paulus in Efeziërs 6 dat we niet te strijden en te worstelen hebben tegen vlees en bloed, tegen mensen dus, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (vs.12-13).

Het is de overste van de macht der lucht, de grote verleider (Ef. 02:02; Ef. 06:11b), de aanklager van de broeders en zusters (Openb.l2:10). Jezus noemt hem de mensenmoor­denaar, de vader der leugen, de dief, de slachter en de verdelger (Joh. 08:44; Joh. 10:10a).

De ene keer zal hij als een brullende leeuw en een andere keer als een engel des lichts (1 Petr. 05:08; 2 Kor. 11:14) trachten de gelovigen beentje te lichten in de renbaan of in de ‘worsteling’ ten onder te brengen.

Het is geen wedstrijd wie zal winnen: de duivel of de mens. Maar de mens zal winnen als hij daarbij strijdt tegen de duivel en zijn rijk in de naam van Jezus.

De instelling

In de dagen van Paulus waren er niet alleen de Olympische spelen maar onder andere ook de Istmische spelen die om de twee jaar in Korinthe werden gehouden. De Korinthiërs begrepen dus heel goed wat Paulus bedoelde te zeggen met dit beeld en weer het hem ten diepste om ging, namelijk ‘met wat voor instelling ben je bezig in je leven als uitverkoren heiligen en geliefden’? Hij zegt: “En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles”. Andere vertalingen zeggen: ‘onthouden’ of ‘ontzeggen’ zich alles.

Waarschijnlijk nog meer dan in Paulus’ dagen zien we dat de atleten zich inderdaad alles moeten ontzeggen om het eremetaal te kunnen pakken. Niet alleen op de dag van de grote wedstrijd maar voortdurend in al de jaren van training en voorbereiding.

Dit dient ook de instelling van iedere christen te zijn. Ongeïnteres­seerdheid, lauwheid, onachtzaamheid… het kan niet en is uit de boze, de grote misleider. De Bijbel spreekt in termen van: volijverig, vurig van geest, begerend, worstelend, waakzaam, nuchter, volhardend tot het einde, vasthouden watje hebt, tot bloedens toe weerstand bieden in de worsteling tegen de zonde, enz.

Met die instelling moet een ieder zijn weg gaan en de strijd strijden en dat – heel belangrijk- precies volgens de regels van de kamp, want anders is er geen goud, maar diskwalificatie (2 Tim. 02:05). Niemand kan een eigen methode of strategie uitstippelen.

De trainer-coach

Veel, zo niet alles, hangt af van de trainer-coach, waarbij de beste diegenen zijn, die zelf de sport beoefend hebben. Zo is onze trainer- coach onze Heer, Jezus Christus. Hij is de weg, de waarheid en het leven. Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden -terwille van ons- ” opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden te hulp komen”, zegt Hebreeën 2 vers 17 en 18 (Heb. 02:17-18).

Hij kan met ons ‘meevoelen’, dat is , veel dieper dan ‘begrijpen’. Het is ‘mede lijden’, als hoofd van het lichaam, met onze zwakheden, want Hij is in alle dingen op gelijke wijze als wij verzocht geweest, doch zonder te zondigen!

Daarom kan Hij ons zo genadig zijn en ons te hulp komen waar wij zouden bezwijken (zie Heb. 04:15-16). Als wij onze ogen allen op Hem -als coach- gericht houden, zullen we de onverwelkelijke krans ontvangen.

De belangrijkste regel

Onvoorwaardelijk geloven in- en gehoorzamen aan alle aanwijzingen die Hij geeft, is wel de belangrijkste regel van deze kamp. Hij alleen is aan de gemeente gegeven als Hoofd om alles in allen te volmaken (Ef. 01:22-23).

Paulus zegt: “Ik loop dan ook niet maar in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat”. Paulus wist de weg die hij gaan moest en hij deelde rake klappen uit onder de leiding van zijn Heer en in Zijn Naam.

Zelf zegt Jezus: “Wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat”. Maar ook: “Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben” (Joh. 12:35c; 08:12).

Wie in Hem gelooft als het licht en het leven van de mensen (Joh. 01:04) en Hem volgt, zal evenals Paulus, niet in den blinde of in het duister lopen. Een wie Hem werkelijk volgt, zal niet alleen zeggen: ‘Here, Here’, maar ook doen wat Hij zegt (Luc. 06:46).

Veronderstel dat sportlui niet zouden doen, wat de coach zegt. Het zou een grote mislukking worden op de grote dag van de wedstrijd, wanneer het er werkelijk op aankomt.

De toerusting

Een ieder die aan deze geestelijke wedloop wil deelnemen, zal volgens de regels van de kamp gekleed en toegerust moeten zijn.

Alleen hij die de gerechtigheid Gods in Jezus Christus draagt (2 Kor. 05:21), het oude leven in de dood gebracht heeft in de waterdoop (Rom. 06:03) en de kracht van omhoog, de heilige Geest, ontvangen heeft (Hand. 01:08), heeft de basisuitrusting om de wedloop te lopen.

Verder wordt de wapenrusting Gods aangereikt, zoals beschreven in Efeziërs 6 vers 14 tot 18 (Ef. 06:14-18). Dit om te kunnen standhouden in de worsteling tegen de verleidingen van de duivel en om weerstand te kunnen bieden in de boze dag (Ef. 06:11-13).

Ziet u al iemand voor u in deze uitmonstering? Ziet u dan ook dat daar niets van hem of haar zelf bij is? Alles, maar dan ook alles, wordt aangereikt door de Heer, de ’trainer-coach’. Het zijn de klederen des heils, de matei der gerechtigheid, het zegel aan het voorhoofd, de schoenen van de bereidvaardigheid aan de voeten en de gehele wapenrusting Gods.

Alleen zó kan een christen krachtig zijn in de Here en in de sterkte zijner macht en met succes de wedloop lopen.

De genade en kracht

Paulus begreep het toen een engel des satans hem met vuisten sloeg (let op dat ook de boze geesten proberen geen slagen in de lucht te slaan!) en toen hij op zijn gebed als antwoord van de Heer kreeg: “Mijn genade is u genoeg, want de kracht (de kracht Gods dus) openbaart zich eerst ten volle in zwakheid”.

Vandaar dat hij zegt: “Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome” (2 Kor. 12:08-09).

Paulus wist wat het was uit genade te leven en te werken. “Door de genade Gods ben ik wat ik ben en door die genade is het dat ik heb gearbeid”, zegt hij (1 Kor. 05:10). Hij was zich hier terdege van bewust. Alleen door genade en in de kracht Gods is de wedloop, volgens de regels van de kamp, te lopen.

Iemand die roemt in eigen kracht en grootheid zal onherroepelijk gediskwalificeerd worden want hij kan de genade en kracht van God niet ervaren. Zo iemand is als de sportmensen die doping gebruiken, waardoor zij op verkeerde krachten steunen.

De heilige weg

Een goede sportman of vrouw zal alles afleggen wat hem of haar zou kunnen hinderen om een topprestatie te leveren. Zo zal ook de goede christen alles afleggen wat hem zou kunnen blokkeren of hinderen op de hoge weg.

Een onheilig volk kan nooit het einddoel des geloofs bereiken via de ene heilige en hoge weg. Jesaja zegt hiervan: “Daar zal een gebaande weg zijn, die de heilige weg genaamd wordt; geen onreine zal die betreden; maar hij zal alleen voor hen zijn (de verlosten des Heren); reizigers noch dwazen zullen er op dolen” (Jes. 35:08).

Daarom is het dat er in de Bijbel zo’n sterke oproep staat om te breken met- en tot onthouding van alle soort van kwaad (1 Thess. 05:22). “Al wie de Naam des Heren aanroept, zal behouden worden”. Maar er staat ook: “Een ieder, die de naam des Heren noemt, breke met de ongerechtigheid” (Rom. 10:13; 2 Tim. 02:19).

(Lees ook wat de Bijbel schrijft over het afleggen, het doden van de leden die op aarde zijn en het aandoen als door God uitverkoren heiligen en geliefden, in bijvoorbeeld Efeziërs 4 vers 17 tot 32 (Ef. 04:17-32) en Kolossenzen 3 vers 5 tot 17). (Kol. 03:05-17)

De Geest der waarheid

Eeuwenlang is het ‘volk Gods’ misleid en is er gepredikt dat de mens tot niets in staat is, armelijk, zwak, zondaar tot de dood, enz. Dat is een blind en doof volk die de basisuitrusting (zoals eerder genoemd) niet heeft. Ze zijn niet van boven geboren, geestelijk geboren, al erkennen ze misschien wel de schuldvergeving door het bloed van Jezus. Ze hebben de heilige Geest niet ontvangen en missen daardoor alles om te kunnen zien in de geestelijke wereld.

Maar de Bijbel spreekt tot waarachtige christenen, die staan op het Bijbelse fundament en die de naam ‘christen’ met recht dragen (Hand. 11:26) en die de taal Gods daarom verstaan. Jesaja zegt: “Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden” (Jes. 35:05).

Wie binnengegaan is via de ene weg, Jezus Christus, hoeft niet meer als een blinde en dove rond te dolen, maar is wedergeboren tot een levende hoop, door de oneindige barmhartigheid van God (Joh. 03:03-05; 1 Petr. 01:03). Deze christenen zijn niet machteloos, maar zijn zelf geheel betrokken bij het proces van heiliging en vernieuwing, van afleggen en aandoen. Wel is het de heilige Geest die dit proces in ons leidt, die zowel het willen als het werken in ons werkt (Filip. 02:13), maar daar de mens bij nodig heeft en niet uitschakelt.

Paulus zegt: “God heeft u als eerstelingen Zich verkoren tot behoudenis in heiliging door de Geest en geloof in de waar­heid” (2 Thess. 02:13). Ook Petrus zegt dat we in heiliging zijn door de Geest (1 Petr. 01:02). Het is de Geest der heiligmaking en de Geest der waarheid, die ons de waarheid doet verstaan en de waarheid zal ons vrijmaken, zegt Jezus (Joh. 08:32).

De geopende hemel

Wat leven wij in een geweldige tijd, waarin de hemel weer geopend is! Zullen we dan niet met volharding de wedloop lopen, die voor ons ligt, zoals de echte sportmensen? En met de instelling dat we de prijs ten koste van alles willen behalen, er alles voor over hebbend, alles ontzeggend en alles afleggend?

De erekrans ligt gereed als een onverwelkelijke, onbevlekte erfenis, een eeuwige heerlijkheid. Dat is in de hemelen -niet op aarde waar gelopen wordt voor het ver­gankelijke- weggelegd voor ons, die in de kracht Gods bewaard worden door het geloof tot de zaligheid, welke gereed ligt om geopenbaard te worden in de laatste tijd.

 

Onderweg Nieuw blad voor jonge mensen door Gert Jan Doornink

Drie jonge echtparen uit de volle evangelie gemeente te Kampen (Edwin en Diana Jonker, Ronald en Anke Bolier, en André en Ina Heuer) namen vorig jaar het initiatief tot oprichting van het christelijk jongerentijdschrift ‘Onderweg’. Inmiddels zijn drie nummers verschenen van dit blad, dat vier keer per jaar wordt uitgegeven en waarvan in december het vierde nummer uitkomt. De uitgave van het blad is ondergebracht in de gelijknamige stichting ‘Onderweg’, die zich ten doel stelt ‘gedachten over God door te geven aan jonge mensen en hen zo aan het denken te zetten en hen te stimuleren met God om te gaan’.

In een verdere toelichting wordt vermeld dat ‘Onderweg’ een blad is speciaal voor jonge mensen die op zoek zijn naar God en die God beter willen leren kennen: ‘We hebben gekozen voor de naam ‘Onderweg”, omdat dit voor ons groeien, zoeken naar en actief zijn symboliseert. Samen met God ben je ‘onderweg’ om je leven inhoud te geven’.

Het blad ziet er eenvoudig maar goed verzorgd uit met enkele foto’s, terwijl Duurt Sikkens en Ina Heuer voor de illustraties zorgen, leder nummer heeft een bepaald thema. Tot dusver zijn de thema’s ‘Wie is God?’, ‘Onschuld’ en ‘Vriendschap’ aan de orde gekomen. Behalve een artikel over het thema-onderwerp heeft het blad de nodige variatie, zoals boek- en plaatrecensies, puzzels, gedichten, korte verhalen, citaten, etc. In ieder nummer komt ook een interview voor onder de titel ‘Onderweg ontmoet’. Anke Bolier, die dit onderdeel voor haar rekening neemt, ontmoette tot dusver de zanggroep ‘Oase’, Henk van Pagée en Elly en Rikkert.

Na het ‘doornemen’ van de tot dusver verschenen bladen, is onze conclusie dat het geheel een frisse en ongecompliceerde indruk maakt en feitelijk door iedere jongere gelezen zou moeten worden. In ieder geval kunnen we het blad van harte aanbevelen. U kunt zich voor ƒ 15 per jaar opgeven als abonnee, maar wilt u eerst een proefnummer ontvangen dan kan dat natuurlijk ook. Adres: Stichting Onderweg, Enkhuizen.

 

Kerstnummer “Levend Geloof”

Het volgende (december)nummer van ons blad wordt alweer de laatste uitgave van dit jaar. Het is een speciaal nummer dat zich bij uitstek ook leent voor verspreiding. Vergeet daarom niet een aantal bladen extra te bestellen (10 exemplaren en meer a f 1,75 per ex. + porto). In verband met het bepalen van de oplage is het noodzakelijk dat u vóór 25 november opgeeft hoeveel exemplaren u wenst te ontvangen.

 

Gelijkwaardig door Duurt Sikkens

“… die bij hem past…” (Gen. 02:18).

Wat is er al een hoop onzin verteld, vooral in alle godsdiensten op aarde, over de verhouding man – vrouw. Mensen die puur natuurlijk denken en wier gedachten niet door religies zijn aangetast, hebben daar vaak veel zuiverder ideeën over. Anders lees je maar eens wat Jezus daarover gezegd heeft. Met de Bijbel in de hand is de vrouw vaak in een slaafse, ondergeschikte onmachtspositie geduwd, maar, zou Jezus zeggen, ‘zo was in het begin niet’.

In de grondtekst staat: ‘hem gelijkwaardig’. De man is geen vrouw, of andersom, maar ze hebben gelijke waarde. Daarin is geen verschil. Beiden uniek en beiden elkaars hulp, om de eigen identiteit tot volle ontplooiing te laten komen, zodat je jezelf ziet zoals je bent.

Man en vrouw is een beeld van het huwelijk tussen Jezus en Zijn gemeente, tussen God en mensheid. Jezus ziet Zijn vrouw als gelijkwaardig zodat de heerlijke gestalte van God, zowel in Hem als in Zijn gemeente, tot lieflijkheid wordt. Paulus zegt dat Jezus Gods heerlijkheid is en de gemeente de heerlijkheid van Jezus (1 Kor. 11:07b).

Wij hebben een Vader in de hemel die elk mens die lieflijke schoonheid wil geven die Hij, al voordat Hij de aarde schiep, in gedachten had. En dat voornemen laat Hij nooit varen. Wie gelooft dit?

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (10)

De gemeente, de dood en het oordeel (2)

(Openb. 20:06-15; Openb. 21:04. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari).

Vorige maand hebben we een begin gemaakt met het principe van het oordeel, daar gaan we nu mee verder. Daarbij gaan we in het kort in op het boek des levens.

Iedereen vindt zijn eindbestemming: satan met zijn demonen, de dood met zijn machten, levenden en overlevenden.

Sterven in het duizendjarig rijk nog mensen?

Het duizendjarig rijk is een aanduiding van een lange periode van herstel.

Aan velen op aarde is de confrontatie tussen de gemeente van Jezus Christus en de gemeente van de antichrist voorbij gegaan; ze hebben het niet opgemerkt of waren niet geïnteresseerd. Wat niet wil zeggen dat ze de geestelijke klimaatsverandering niet hebben gemerkt, velen hebben daaronder geleden. Ook hebben veel machten der duisternis na de confrontatie bij Harmégedon een schuilplaats gezocht in mensen. Vrijuit bewegen in de onzienlijke wereld betekent voor hen direct geworpen te worden in de afgrond; de zonen Gods zijn immers heer en meester in de onzienlijke wereld.

Voor al deze mensen op aarde klinkt de boodschap van redding, bevrijding en herstel. De dood is er nog wel: zowel de geestelijke als de lichamelijke dood. Maar tengevolge van het herstel van de schepping, en door het achterwege blijven van de destructieve werkingen van de satanische legermachten, herwint de mensheid al wel zijn vitaliteit die het bezat voor de zondvloed.

In Jesaja 65 vanaf vers 20 (Jes. 65:20) staat daar onder andere over: “… daar zal niet langer een zuigeling zijn die slechts weinige dagen leeft, noch een grijsaard die zijn dagen niet voleindigt, want de jongeling zal als honderdjarige sterven, zelfs de zondaar zal eerst als honderdjarige door de vloek getroffen worden”.

Er is dus nog een sterven, maar dan op hoge leeftijd waarbij iedereen in de gelegenheid is geweest de ontwikkeling van zijn geestelijke lichaam te voltooien.

Degenen die vroegtijdig sterven of door de vloek getroffen worden zijn zij die niet breken willen met de zonde die wel openbaar gekomen is: in de confrontatie met de zonen Gods worden de inwonende machten der duisternis in de afgrond geworpen en het loon der zonde -de dood- is vervolgens het deel van de zondaar. Met de macht der duisternis die hij liefhad verdwijnt hij in de geestelijke afgrond.

Ook voor deze tijd gaat de uitspraak van Jezus uit Johannes 20 vers 23 (Joh. 20:23) op: “Wie gij hun zonde kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden, wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend”. Dat is: “… en het oordeel werd hun gegeven” (Joh. 20:04). Zo wordt de aarde geoordeeld en gezuiverd.

Hoe wordt de duizendjarige herstelperiode afgesloten?

Deze periode van herstel wordt anders afgesloten dan we zouden verwachten. Er komt ‘opstand’ tegen de Gemeente van Jezus Christus, met name tegen de verheerlijkte zonen Gods. Is het afgunst op de statuur van de ‘eerstelingen’? We zullen ons er in het kader van deze studie niet te veel in verdiepen. Eén ding is wel duidelijk: satan, ‘losgelaten’ (in een laatste poging van de dood om nog te redden wat er te redden valt?), speelt er opnieuw een belangrijke rol in op zijn welbekende wijze. Macht bezit hij niet meer, maar inspireren en verleugenen des te meer, net zoals hij ooit bij Eva deed.

De opstand bewerkt een scheiding tussen de levenden, het is voor of tegen Christus. Opnieuw gaat er een oordeel over deze wereld, die eigenlijk al één grote gemeente geworden is. Voor alle duidelijkheid: er komt geen scheiding tussen verheerlijkte zonen Gods, die zijn één met God en onaantastbaar, maar tussen alle levenden op aarde met nog een sterfelijk lichaam. Hoe het afloopt is enerzijds verdrietig om allen die alsnog de keuze maken voor de duisternis, anderzijds verheugend omdat nu definitief afgerekend zal worden met satan. Hij krijgt zijn loon uitgekeerd: eeuwige verbanning. Daarmee is het oordeel over satans rijk voltrokken. Rest nog één vijand: de dood.

Wie bevinden zich in het dodenrijk?

De dood maakt inactief, belet ontwikkeling en belemmert daarom de voortgang van het herstelplan van God. Maar wie bevinden zich nog in het dodenrijk? Allen die niet in Christus gestorven zijn, die tijdens hun leven op aarde dus geen beroep op het bloed van Jezus gedaan hebben, zodat de macht van de dood vast kon houden wat door zonde in zijn bezit was gekomen.

Dit zijn alle mensen die ten tijde van het oude verbond geleefd hebben, uitgezonderd hen die Jezus bij Zijn opstanding als ‘krijgsgevangenen’ meevoerde in Zijn Koninkrijk (Ef. 04:08) en allen uit de periode van het nieuwe verbond die niet voor Christus gekozen hebben. Redenen genoeg: nooit van Hem gehoord, of wel van hem gehoord maar zich niet bekeerd, een zo’n vertekend beeld van Hem en God voorgeschoteld gekregen dat het afstootte de duisternis liever gehad dan het licht of zonde tegen de heilige Geest. Het gaat dus om miljarden mensen!

Tevens bevinden zich in het dodenrijk alle machten der duisternis die ten tijde van het duizendjarig rijk in de afgrond zijn geworpen. En natuurlijk de doodsmachten, de ‘bewaarengelen’ van satan.

In het dodenrijk vindt dus geen ontwikkeling plaats. Maar er is wel leven in de zin van een bewust bestaan. Leven’ al deze geesten van mensen en demonen nu ‘door elkaar heen’? Dat is niet het geval. In het dodenrijk blijkt een kloof te zijn tussen de ‘lichtzijde’ en de ‘duistere zijde’. De lichtzijde wordt ook wel ‘Abrahams schoot’ genoemd en de duistere zijde ‘de afgrond’ (lees de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus er maar eens op na, (Luc. 16:19-31). De kloof blijkt onoverbrugbaar, hoewel er kennelijk wel communicatie mogelijk is tussen licht- en duistere zijde. Dit valt alleen te begrijpen als we het dodenrijk niet als een plaats’ maar als een geestelijke situatie kunnen zien.

Hoe komt de scheiding in het dodenrijk tot stand?

Maar wie bepaalt nu of je aan de lichtzijde, dan wel aan de duistere zijde terechtkomt? Uit de gelijkenis in Lukas blijkt dat ieders werken (beter gezegd’ ieders hart) doorslaggevend blijken te zijn.         ‘

Tijdens het leven op aarde valt dus de beslissing voor elk mens: hij heeft zelf gekozen. Velen hebben de duisternis liever gehad dan het licht, denk aan de volgelingen van de antichrist en allen die welbewust Christus hebben afgewezen of die de zonden van bijvoorbeeld hebzucht, zelfzucht, onreinheid, macht, schijnheiligheid, afgoderij en occultisme gekoesterd hebben. Anderen echter hebben naar hun hart geluisterd (zie Matt. 25:35-40). Ook zijn er veel ‘heidenen’ geweest die van nature de wet Gods hielden, terwijl hun geweten mede getuigde, dus functioneerde (Rom. 02:14-15).

In het dodenrijk heeft de scheiding tussen licht en duisternis al plaatsgevon­den. Daarom zal het laatste oordeel niets anders zijn dan een bekrachtiging daarvan. Maar om dat mogelijk te maken moet dus de macht van de dood eerst zijn claim op deze gestorven mensheid ontnomen worden: de dood heeft nog nooit vrijwillig iemand teruggegeven! Dit wordt de laatste confrontatie in de hemel.

Hoe wordt de ‘laatste vijand’ overwonnen?

De zonen Gods hebben reeds ervaring opgedaan, ze kunnen de sleutels van dood en dodenrijk hanteren! Nu gaan zij als verheerlijkte zonen Gods het dodenrijk in.

Welk ‘zwaard’ hanteren zij in het dodenrijk? Zie bijvoorbeeld Psalm 82: heb je de geringe en de wees geleid, de ellendige en de behoeftige recht gedaan, de geringe en de arme bevrijd? Hun verschijning is zo overweldigend en hun woord maakt de waarheid zo pijnlijk openbaar, dat er maar één uitweg is: vluchten naar de diepste duisternis, die daarmee een concentratie wordt van alle duistere machten en zondige geesten. Vandaar ook: ‘poel des vuurs’, waar geen enkele liefde en respect tot in der eeuwigheid zal zijn. Dit wordt ‘de tweede dood’ genoemd, de definitieve scheiding.

De grootvorst van de dood, de verderfengel die vanaf den beginne geheerst heeft, moet voordat hijzelf in de poel des vuurs verdwijnt, ook zijn macht over de lichamelijke dood opgeven: allen die overblijven, dus allen die zich aan de lichtzijde bevinden, staan op uit de dood met een nieuw geestelijk lichaam, ook opstandingslichaam genoemd.

Dit is geen ‘verheerlijkt’ lichaam. Zij moeten immers nog met hun geestelijke ontwikkeling beginnen! Dit lichaam is wel onsterfelijk maar (nog) niet gelijk aan dat van de verheerlijkte zonen Gods. Wellicht is in de verschijningsvorm nog wel onderscheid tussen man en vrouw, maar het geslacht heeft geen functie meer, van voortplanting is geen sprake. De maat van de mensheid voor God is vol!

Wie zijn geschreven in het boek des levens?

Diegenen die opstaan worden geoordeeld of beloond naar hun werken. Eén ding is duidelijk: allen hebben gezondigd, daarvan spreken de ‘boeken’ als stille getuigen. Nu heeft de aanklager -de duivel dus- natuurlijk geen boekhouding bijgehouden. De zonden hebben de mens ‘getekend’, ze omhullen hem; de mens draagt zijn boek als het ware mee.

Maar er is nog een ander principe: er is sprake van het ‘boek des levens’. Elk mens hoort in principe aan God toe, elk mens is bestemd voor de eeuwigheid Al vanaf de conceptie is hij gekend (Jer. 01:05). Hij wordt niet in het boek des levens ingeschreven als hij zijn best doet, maar uitgewist als hij de duisternis liever heeft dan het licht (Openb. 03:05)! Zonden zijn geen maatstaf voor veroordeling, maar de hartgesteldheid die aan elke daad ten grondslag lag Het ‘verborgene’ wordt geoordeeld (Rom. 02:16). Met elk goed werk bekrachtigt de mens dat hij God toebehoort. Ondanks de zonden sieren zulke werken hem, ook die worden gezien en beloond!

Wat is het oordeel over gebondenen die met Paulus uitriepen:”… want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, ik ellendig mens” (Rom. 07:15; Rom. 07:24)? Hun wens is hun redding!

Ook staat er: barmhartigheid roemt tegen het oordeel (Jak. 02:13). Door daarnaar te handelen leek de mens op zijn Vader! Velen zullen blij verwonderd zijn, ze zullen God herkennen hoewel ze nooit van Hem gehoord hebben. Voor al dezen geldt: “Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af’ (Matt. 25:34).

Leven we eeuwig door in hemel èn op aarde?

Over de periode die nu aanbreekt staat:”… en God zelf zal bij hen zijn, en de dood zal met meer zijn, want de eerste dingen (!) zijn voorbijgegaan” (Openb. 21:3-4) Er vindt een volmaakte vertroosting plaats, gevolgd door algeheel herstel.

Na het herstel zal de mensheid voor eeuwig de mogelijkheid blijven houden zich zowel in de onzichtbare als de zichtbare schepping te manifesteren. De zichtbare wereld is voor de mens geschapen en dat blijft zo. God zal zich nooit een aards lichaam aanmeten, Hij openbaart zich op aarde alleen in en door mensen.

Wij mogen ernaar uitzien Hem voor eeuwig te blijven verheerlijken in hemel en op aarde!