1992.10 nr. 341

1992.10 nr. 341

De macht die God ons heeft toevertrouwd door Gert Jan Doornink

Lees vooraf: (Luc. 03:21-22 en Luc. 04:01-13).

In dit artikel willen wij het hebben over macht. Hoe gaan wij als kinderen Gods om met macht? Waarom is er zoveel strijd om de macht? Hoe gingen Jezus en de apostelen om met macht? Op deze en andere vragen willen wij proberen in dit artikel een antwoord te vinden.

De strijd tussen de machten

We kunnen spreken van een ‘positieve macht’ die van God afkomstig is en een ‘negatieve macht’ die van de duivel afkomstig is. Met beide hebben we te maken, maar het spreekt vanzelf dat wij als kinderen Gods ons natuurlijk in de eerste plaats betrokken weten bij de positieve macht van God.

In Lukas 4 vers 1 tot 13 (Luc. 04:01-13) lezen we over de strijd tussen deze twee mach­ten. We lezen hoe de duivel op een gegeven moment tot Jezus zegt, als Hem de koninkrijken van deze wereld in een flits getoond worden: “U zal ik al deze macht geven en hun heerlijkheid, want zij is mij overgegeven, en ik geef haar wie ik wil. Indien Gij mij dan aanbidt, zal zij geheel van u zijn” (Luc. 04:06-07).

We zien echter ook hoe Jezus niet ingaat op dit aanbod, deze verzoeking van de duivel, die tot driemaal toe probeert Jezus ten val te brengen. De positieve macht van God was in dit geval sterker dan de negatieve macht van de duivel. In feite is deze natuurlijk altijd sterker.

Jezus liet Zijn afscheidswoorden, waarbij Hij tot Zijn discipelen sprak: “Gaat dan heen en maakt al de volken tot Mijn discipelen…”, voorafgaan door de belangrijke opmerking: “Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde” (Matt. 28:18b).

Eerder al had Hij er geen twijfel over laten bestaan dat Zijn discipelen óók konden delen in die macht.

Toen Hij op een gegeven moment 72 discipelen twee aan twee uitzond, sprak Hij: “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” (Luc. 10:19).

Geen automatisme

Maar hoe werkt dat ‘delen in de macht van Jezus’ nu in ons praktische, dagelijkse leven? Wij zullen in de eerste plaats moeten bedenken dat het delen in de macht van Jezus geen automatisme is, net zo min als dat bij Jezus het geval was. Er zijn een aantal voorwaarden waaraan wij moeten voldoen, evenals Jezus dat ook moest.

Ten eerste werd Jezus gedoopt. In Lukas 3 wordt dat even summier genoemd en in Markus 1 staat het nog korter vermeld, maar Matthéüs gaat er uitvoeriger op in (Matt. 03:13-17). Het eerste wat duidelijk naar voren komt is, dat Jezus toen Hij op aarde was, volkomen mens was.

Als Johannes tegensputtert om Jezus te dopen, is het duidelijke antwoord van Jezus: “Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen” (vs.15). Prof. Brouwer vertaalt: “Laat het thans toe; want aldus betaamt het ons, Gods wil geheel te volbrengen”. Met andere woorden: Het is Gods wil dat dit zo gebeurt. Als Jezus van Zijn Goddelijke volmacht gebruik zou maken, zou het niet eens nodig zijn geweest, maar Jezus wilde een voorbeeld stellen, opdat de mens, die geroepen is Zijn weg te gaan, dit ook zal doen.

Het doet ons ook denken aan wat Paulus later in zijn brief aan de Filippenzen opmerkt over Jezus: “Hij heeft het Gode gelijk zijn niet als een roof geacht, maar heeft Zichzelf ontledigd, en heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen, en is aan de mensen gelijk geworden” (Filip. 02:06-07).

Jezus was volkomen mens toen Hij op aarde was, maar Zijn volledige gehoorzaamheid aan de Vader deed Hem triomferen, gaf Hem de machtspositie zoals God dat bedoeld had. Daardoor is Hij ons grote voor­beeld om na te volgen, zoals Petrus dat ook onder woorden brengt in zijn eerste brief, hoofdstuk 2 vers 21 (1 Petr. 02:21).

Daarom laten wij, om te beginnen, ons dopen of hebben ons laten dopen. De doop is als het ware het beginteken van onze rechtvaar­digheid. Paulus zegt: “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus” (Rom. 05:01). In Romeinen 6 vers 4 (Rom. 06:04) legt Paulus dan ook uit wat de doop inhoudt: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen”.

De doop is dus een begin. Nu komt het er op aan in ‘nieuwheid des levens te wandelen’. Wij zijn gerechtvaardigd, maar dat moet bewezen worden uit ons leven… “Wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid” (Openb. 22:11). Een andere vertaling zegt: “Hij doe nog meer goede werken”.

Nu weer terug naar Jezus. Ook bij Hem was de doop een begin. Want wat gebeurde er meer? Lukas vertelt het ons: Terwijl Jezus in gebed was, opende de hemel zich, en de heilige Geest daalde in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neer, en er kwam een stem uit de hemel: ‘Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen’ (Luc. 03:21b-22).

Een eenmalige gebeurtenis zonder verdere betekenis? Ik geloof het niet, want juist uit het vervolg blijkt hoe Jezus vol van Gods Geest was geworden. We lezen namelijk in

Lukas 4 vers 1 en 2 (Luc. 04:01-02): “Jezus nu, vol van de heilige Geest, keerde terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel”.

Stel dat er gestaan had: ‘Jezus nu keerde terug van de Jordaan en ging de woestijn in, waar Hij veertig dagen verzocht werd door de duivel’. Ik denk dat Hij dan al heel gauw het loodje zou hebben gelegd! Conclusie: Willen wij delen in de macht van Jezus dan is dus de eerste voorwaarde, na onze doop, vol te zijn van de Geest van God.

Vol zijn van Gods Geest; wat houdt dat in?

Dat vol zijn van de Geest van God, wat begint met de doop in de Geest, is geen oppervlakkige aangelegen­heid. Net zo goed als de doop door onderdompeling bewezen moet worden door in ‘nieuwheid des levens’ te wandelen, zo moet ook de doop met de Geest ‘bewezen’ worden door een leven van overwinning. Bij Jezus was dit het geval, maar ook door ons leven behoort dat tot openbaring te komen.

Het eerste wat in het leven van Jezus gebeurde na de doop met de Geest van de Vader, was dat Hij door de Geest in de woestijn geleid werd. Een merkwaardig gebeuren, zou je zo denken, maar wel met een geweldige betekenis! De Geest leidde Jezus in de woestijn…

Hoe moeten we ons dat voorstellen? Heel eenvoudig, zoals het er staat. Jezus kreeg het in gedachten en Hij deed het, Hij was gehoorzaam…

De leiding van Gods Geest in ons leven is geen dwangmatige aangelegenheid. Dat is bij boze geesten wel het geval. Die dwingen, pressen, commanderen, onderdruk­ken de mens, geheel naar de aard van de duivel.

Maar Gods Geest is weliswaar een Geest van kracht, maar die kracht geldt alleen ten aanzien van de werken der duisternis, van de boze geesten. En daar hebben we uiteraard’ als kinderen Gods voortdurend mee te maken. De positieve macht van God ten opzichte van de negatieve macht van de vijand.

Maar ten aanzien van de medemens kunnen wij van Jezus leren dat Hij zachtmoedig was en nederig van hart (Matt. 11:29). Hij was vol liefde en bewogenheid voor de door satan geknechte medemens. Hij openbaarde in ieder opzicht het karakter, het wezen van God. Paulus noemt later, als hij het heeft over de vrucht van de Geest, zachtmoedigheid één van de ken­merken (Gal. 05:22).

Er is nog iets dat opgemerkt moet worden: Het is een verkeerde gedachte te denken dat bij het ‘vol zijn van de Geest’, ónze geest is uitgeschakeld. We komen niet in een soort narcose terecht, een verdoving, waardoor we niet meer weten wat we doen. Dat zou een typische invalshoek van de boze kunnen zijn. U kent wel de uitdrukking: Het verstand op nul en de blik op oneindig… Alleen al om die reden wijzen wij het zogenaamde ‘vallen door de Geest’ af. We hebben er meermalen over geschreven. (Lees in dit verband ook wat Rianne van der Smitte in haar nieuwe boek ‘Twee heren’ daarover schrijft).

Onze geest wordt niet uitgeschakeld, maar juist op optimale wijze ingeschakeld, zoals dat ook bij Jezus het geval was. Tot driemaal toe probeert de duivel Jezus ten val te brengen en Hij doet dat op uiterst geraffineerde wijze, onder andere door te speculeren op de macht van Jezus en door in te spelen op het geschreven woord.

In alle gevallen weerstaat Jezus de aanvallen van satan, ten eerste omdat Hij vol is van de Geest en ook doordat Hij zich beroept op het geschreven woord. En wat dit laatste betreft, het is natuurlijk een groot verschil of de duivel dat doet of Jezus.

Wat gaf Jezus gezag en macht?

Jezus’ verbondenheid met de Vader gaf Hem gezag en autoriteit. Je zou kunnen zeggen dat de verzoeking in de woestijn een test, een examen was voor Zijn verdere bediening. Toen Jezus nog maar pas met het uitvoeren van Zijn taak was begonnen en Zijn grote rede op de berg had gehouden, rapporteerde Matthéüs daarover met de woorden: “En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen versteld stonden over zijn leer, want Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun Schriftgeleerden” (Matt. 07:28-29). Jezus ‘leerde’ niet alleen, maar bracht ook in praktijk wat Hij leerde! Dat was het grote verschil met de Farizeeën en Schriftgeleerden. Woord en daad waren één bij Hem. Jezus had gezag, macht, kracht en autoriteit, maar dan ook over alles wat uit het rijk der duisternis tot Hem kwam.

En nu het geweldige! Datzelfde gezag, diezelfde kracht, diezelfde autoriteit en macht bezitten ook wij! Maar het spreekt vanzelf dat wij er dan ook op de juiste wijze mee behoren om te gaan. Zijn wij al zo afges­temd op de levende Heer, zo vol van Zijn Woord en Geest, dat dit al ten volle functioneert in en door ons leven…?

Toch is dat uiteindelijk Gods bedoeling. En denk nu niet dat dit iets is wat toch nooit bereikt zal worden. Ik geloof met heel mijn hart dat we een tijd zijn binnengegaan waarop de strijd tussen de ‘machten van het goede’ en de ‘machten van het kwade’ zich hoe langer hoe meer gaat toespitsen. Billy Graham voorspelde het veertig jaar geleden al.

Wie zal het winnen: de ‘positieve macht van God’ of de ‘negatieve macht van de satan’? Wij weten gelukkig het antwoord! Maar het is wel aan ons daaraan gestalte te geven! Het is onze taak, onze opdracht!

Veel van wat we thans soms nog in de gemeenten en in ons eigen leven meemaken aan nederlaag, falen, mislukking, machteloosheid of macht uit de verkeerde hoek, moet nog opgeruimd worden. Maar dat zal ook gebeuren naarmate we meer en meer gaan leven in het ‘klimaat van Gods Koninkrijk’. Een uitdrukking die wel is wat te gemakkelijk wordt gebruikt, zonder er bij na te denken wat dat inhoudt.

Want bij een vakantiereisje naar de Canarische eilanden genietje een paar weken van een warm klimaat, maar je komt weer terug in ons eigen kille en natte klimaat. Maar het is Gods bedoeling dat we continu in Zijn (geestelijk) klimaat gaan leven! Jezus maakte duidelijk wat dat inhoudt: geloof, overgave, toewijding, gehoor­zaamheid, leiding door Woord en Geest. Wij zijn persoonlijk verantwoordelijk dat dit gaat functioneren.

Daarbij mogen we er zeker van zijn dat de Heer ons daarbij zal helpen. Dat blijkt ook telkens weer als we Gods Woord lezen. Als we nieuwe kracht putten uit dat Woord. En als we vol zijn van Gods Geest. Dan gaan de mensen ook meer en meer het beeld van Jezus in ons zien. En begrijpen wij dat het verlangen en de wens die Paulus had ten aanzien van de gemeente te Thessaloniki ook op ons van toepassing is: “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn” (1 Thess. 05:23).

En weet u, wat zo geweldig is? Dat erop volgt: “Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen”. En dat geldt ook met het op de juiste wijze omgaan met de macht die God ons heeft toevertrouwd!

 

Van welke Adam zijn wij beelddragers? door Wim te Dorsthorst

In het bekende hoofdstuk 15 van de eerste brief aan de Korinthiërs stelt Paulus dat de mens in wezen het beeld draagt van een ander.

Wij lezen in de verzen 47 tot en met 49 (1 Kor. 15:47-49): “De eerste mens is uit de aarde stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen”.

En de scheppingsproclamatie van God is: “Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis” (Gen. 01:26a).

De mens wil zichzelf zijn

Het hoogste wat de mens schijnbaar bereiken kan is zichzelf zijn. Je hoort, ziet en leest het dagelijks. In de reclame wordt met dit gegeven gemanipuleerd: ‘Wees heerlijk jezelf, leef blij en ontspannen met en door … en dan volgen allerhande zaken, waarvan de fabrikant vindt, datje die op zijn minst nodig hebt. Zelfs onder christenen schijnt het een modewoord te worden. Door het evangelie vrij jezelf zijn! Ontdek het oorspronkelijke weer in jezelf! In het nieuwe tijds denken (New Age) heet het: ‘Ontdek dat jezelf een eigen innerlijke God hebt’.

In het paradijs maakte de duivel al reclame voor zijn product -de leugen- om de mens los te maken van God, zijn Maker, om dan zichzelf te kunnen zijn. ‘Je zult als God zijn!’, is zijn verdraaiing, terwijl God tevoren bepaald had dat de mens aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig zou worden (Rom. 08:29).

Heel typerend voor de ‘geest’ van deze tijd is dat de mens zelf wil bepalen hoe en welke weg hij wil gaan en niet afhankelijk wil zijn van een ander. Individualisme en ik- gerichtheid bepalen de huidige maatschappij, overeenkomstig de overste van deze wereld, de duivel.

De mens is beelddrager van een ander

Het eerste wat opvalt in de woorden van Paulus is dat de mens nooit alleen zichzelf kan zijn, want hij draagt het beeld van een ander. Daar is hij uit voortgekomen, uit geboren. Daar lijkt hij op, daar wordt zijn bestaan in grote mate door bepaald. Die ander draagt hij als een kleed (Gen. 05:03; Gal. 03:27). De ander, waaruit hij voortgekomen is, bepaalt zijn mogelijkheden en on­mogelijkheden, zijn ruimte en zijn begrenzing. Paulus stelt dat de mens of in Adam of in Christus is. Duidelijk spreekt Paulus over twee wezens, twee typen, een eerste en een laatste, die beiden een groep mensen vertegenwoordigen. In onze teksten (47-49) is de tegenstelling: stoffelijk-hemels, maar hij spreekt ook over dood- leven; vergankelijk-onvergankelijk; natuurlijk-geestelijk; levende ziel- levendmakende geest, enz.

Je kunt dus als mens deelhebben aan twee belevingswerelden van verschil­lend niveau, afhankelijk van of je in Adam of in Christus bent. Blijkbaar kun je niet in de ene zijn en deelhebben aan de bestaanswijze van de ander. Ook kan één niet beiden vertegenwoordigen.

Paulus is op dit punt heel duidelijk. In Romeinen 5 vers 14 (Rom. 05:14) stelt hij dat Adam niet de werkelijkheid is, maar dat hij een beeld is van de komende of van Hem die komen moest. Zo was de tabernakel die Mozes bouwde niet de werkelijkheid, maar was nauwgezet naar het beeld van de hemelse, die later komen zou in Jezus Christus (Heb. 08:05; Ex. 25:40).

De laatste, geestelijke of hemelse zaken, zijn er dus bij God voor de tijdelijke, stoffelijke, over­eenkomstig Gods eeuwige raadsbesluiten. Alles wat God geschapen heeft is goed, zegt het woord (1 Tim. 04:04a). Het eerste is dus niet verwerpelijk in vergelijking met het laatste, maar heeft een door God gewilde plaats en functie. Het behoort echter wel bij de door God geschapen wankele dingen als van iets, dat slechts geschapen is, opdat blijve, wat niet wankel is (Heb. 12:27).

De tegenstelling: stoffelijk – geestelijk

Ee eerste Adam is door God geschapen als een levende ziel, natuurlijk, stoffelijk (Gen. 02:07; 1 Kor. 15:45a). En allen die uit Adam voortkomen, dragen zijn beeld (Gen. 05:03; 1 Kor. 15:49a).

Nogmaals, dat is niet slecht, verwerpelijk of zondig, maar dat is naar Gods ordening en wil. De zondeval is er wel bijgekomen, waardoor er een scheiding kwam tussen God en mens (Jes. 59:02), maar dat doet niets af aan Gods eeuwig voornemen. Handelingen 17 vers 26 (Hand. 17:26) zegt: “God heeft uit één enkele (Adam) het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen”.

Adam kan echter geen hoger leven doorgeven dan waartoe hij geschapen is door God (Gen. 01:28a). We zien dan ook dat Adam nooit geestelijk leven verwekt heeft en dat de laatste Adam, Jezus Christus, ook nooit natuurlijk leven heeft verwekt.

In Adam zijn wij, buiten onze wil om, door onze natuurlijke geboorte uit onze ouders. Dat is uit vlees en bloed.

Inde laatste Adam, Jezus Christus, komen we juist wel door een wilsbeschikking. Wij komen in Hem door het geloof. “Een ieder die gelooft, dat Jezus de Christus is, is uit God geboren. God heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon” (1 Joh. 05:01; 1 Joh. 05:11). Zelf zegt Jezus: “Wat uit het vlees geboren is, is vlees. En wat uit de Geest geboren is, is geest” (Joh. 03:06).

Adam zoekt een hulp die bij hem past op aarde en God formeert uit Adam zijn vrouw, been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. Eva is de moeder geworden van alle (natuurlijk) levenden (Gen. 02:20-23; Gen. 03:20).

De laatste Adam, Jezus Christus, zoekt een hulp die bij hem past in de hemel, in de geestelijke wereld. Zo wordt de gemeente geformeerd uit Hem, Geest van Zijn Geest, het hemelse Jeruzalem, de moeder van alle geestelijke verwekkingen (Jes. 66:10-11; Gal. 04:26). Uit Hem zal, als één enkele, het gehele geestelijke geslacht voortkomen als hemelbewoners (Filip. 03:20).

Verschillend koningschap

Het koningschap wat Adam van God ontving, was voor de aarde (Gen. 01:28b; Ps. 08:07-09). Hij verloor dat bij de zondeval. Zo heeft de laatste Adam, Jezus Christus, alle macht in hemel en op aarde. Een eeuwig geestelijk koningschap naar het eeuwige voornemen van God (Dan. 07:13-14; Ef. 01:09-10).

Het gaat dus duidelijk niet over twee ideeën of twee vormen van leven alleen. Ook niet om een ‘Christusidee’ of ‘Christus-functie’ die iemand zou kunnen vervullen. Neen, het gaat heel concreet over twee wezens, die elk een ander leefgebied vertegenwoordigen, Adam of Christus, aards of hemels. Paulus spreekt in dit Bijbelgedeelte over de meest fundamentele pijlers van Gods schepping: de eerste en de laatste Adam. De diepste gedachten van God met de mens, worden hier in enkele verzen ontvouwd.

Paulus en de geheimenissen Gods

Paulus was een geroepen apostel door Jezus Christus en God de Vader (Gal. 01:01). Hij had het evangelie, door rechtstreekse openbaring van Jezus Christus ontvangen en wist dus wat hij schreef en verkondigde (Gal. 01:11-12). Dat geldt zeker ook voor 1 Korinthiërs 15 vers 47 tot en met 49 (1 Kor. 15:47-49).

Ook heeft hij in een visioen mogen zien (2 Kor. 12:01-04) wat het zeggen wil dat God ‘alles zal zijn in allen’, waar hij ook over schrijft in 1 Korinthiërs 15 vers 28. (1 Kor. 15:28) Hem is het einddoel getoond, een mensheid die, in en door Jezus Christus, het beeld van de hemelse draagt. Maar ook het begin in Adam, de stoffelijke en hoe allen uit hem datzelfde beeld dragen, werd hem getoond.

Hij is ook de apostel die spreekt van de openbaring van de geheimenissen Gods in Jezus Christus. Wij kunnen daarvan onder andere lezen in

Romeinen 16 vers 25 (Rom. 16:25); Efeziërs 1 vers 3 tot 14  (Ef. 01:03); Kolossenzen 1 vers 16 (Kol. 01:16); (Kol. 02:02-03; 2 Tim. 01:09-10 en Titus 01:02).

In Efeziërs 3 vers 8 tot en met 11 (Ef. 03:08-11) vat hij de eeuwige gedachten van God in Jezus Christus aldus samen: “Mij is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het evangelie de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en allen te verlichten dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in de hemel de veelvuldige wijsheid Gods, naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onze Here” (Statenvert.).

De onnaspeurlijke rijkdom van Christus

Paulus spreekt hier duidelijk over de onnaspeurlijke rijkdom van Christus; over het eeuwige voornemen dat God gemaakt heeft in Christus Jezus en dat deze geheimenissen van alle eeuwigheden af verborgen zijn geweest in God. Niemand heeft hier ooit van geweten dat God zelf. Ook de engelen en de boze geesten niet (vs.10 en 1 Petr.1- 12).

Met de openbaring (1 Petr. 01:20) of de verschijning (2 Tim. 01:09) van zijn Zoon, Jezus Christus, die in God was, zijn ook de eeuwige bedoelingen van God met de mens in Jezus Christus geopenbaard. Het geheimenis Gods is immers “Christus in wie alle schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” (Kol. 02:02b-03) En dit dus voor de mens, de eerste Adam en allen uit hem geboren.

Het is dit evangelie, van de onnaspeurlijke rijkdom van Jezus Christus, wat Paulus ook, anderhalf jaarlang (Hand.l8:ll), aan de Korinthiërs verkondigd, uitgelegd en toegelicht heeft. Hij wijst hen er op dat ze dit machtige evangelie zó vast dienen te houden als hij, Paulus, het verkondigd heeft (1 Kor. 15:01).

In de laatste Adam wordt de eerste niet vervangen of afgedaan, maar komt juist tot de door God tevoren bepaalde bestemming, namelijk aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig (Rom. 08:29). “God heeft ons immers vóór de grondlegging der wereld in Zijn Zoon, Jezus Christus, de laatste Adam, uitverkoren, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht.

“In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil” (Ef. 01:04-05).

Het beeld van de hemelse

“En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen”. Dat is niet alleen een vaststelling van een feit, maar een enorme heilsverkondiging. Paulus stelt het als een zekerheid: ‘gelijk wij’. Iedere vorm van twijfel wordt uitgesloten: ‘Zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen’.

Nu al mag en zal de mens in Christus deze metamorfose, deze gedaanteverwisseling, ervaren als is het nog niet volkomen. Immers: “wij allen, die met een aangezicht, waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, veranderen naar hetzelfde beeld van heer­lijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die Geest is” (2 Kor. 03:18). Halleluja!

 

‘De mens, heerlijkheid van God’ door redactie

Over enkele weken verschijnt de nieuwe brochure van Hessel Hoefnagel getiteld: ‘De mens, heerlijkheid van God’. De brochure, die in twee delen wordt uitgegeven, heeft als ondertitel: “Het plan van God in schaduw en werkelijkheid’. In het voorwoord schrijft broeder Hoefnagel:

‘Over de verhouding tussen God en mens is en wordt veel geschreven en gesproken, met als uitgangspunt de Bijbel. De Bijbel is een verzameling van boeken en geschriften, waarin deze verhouding centraal staat. Het is echter een gegeven, dat er zeer uiteenlopend wordt geïnterpreteerd, waar het over dit belangrijke thema gaat. Belangrijk omdat het te maken heeft met de eeuwige bestem­ming van de mens. Belangrijk ook, omdat wij als christenen midden in een wereld staan, waarin steeds meer openlijk te zien en te horen valt, hoe de geestelijke wereld maatgevend wordt voor het denken en handelen van de mens, ondanks toenemende materiële kennis en mogelijkheden.

Deze brochure is niet alleen bedoeld om als boekje te lezen, maar meer nog om te dienen als leidraad bij persoonlijke en gezamenlijke Bijbelstudie.

In dat opzicht hoop ik, dat het in een behoefte zal voorzien. Het is een noodzaak voor de christen, om weet te hebben van het plan van God met de mens en de hele schepping. Om daartoe voor zich persoonlijk tot de juiste, mogelijk radicale keuzes te komen en in gezamen­lijk verband elkaar te stimuleren tot het bezig zijn met de ‘dingen van de Vader in de hemel’, zoals de Heer al op zeer jeugdige leeftijd deed. Het is mijn verlangen, dat de inhoud van deze brochure zal bijdragen aan het méér en beter leren kennen van de Vader in de hemel en van Jezus Christus, die Hij daartoe in de wereld gezonden heeft. Deze heeft de ‘zonde der wereld’, dat is de onmogelijkheid voor de schepping met de mens voorop, om tot het doel van God te kunnen komen, weggenomen door de duivel en de dood te overwinnen. Daardoor kan de schepping weer uitgroeien en ontwikkelen tot haar verheven bestemming’.

Tot zover broeder Hoefnagel. En wat hij schrijft kunnen wij volledig beamen. Onze eigen conclusie na het lezen was dat het een belangwekkende en waardevolle studie is, waarvan wij hopen dat deze door velen aangeschaft zal worden.

‘De mens, heerlijkheid van God’. Twee delen. De prijs is, evenals van onze andere brochures, f 5,- per deel. Bij afname van 10 exemplaren en meer, f 4,- per deel. Exclusief porto. De boekjes verschijnen eind-oktober, maar u kunt ze eventueel nu reeds bestellen.

 

Geweld of gerechtigheid? door Klaas Goverts

Wat is het kenmerk van geestelijke volwassenheid? Paulus zegt tot de Korinthiërs: ‘Jullie zijn nog onmondig. Nog onrijp. Je gedraagt je nog als kinderen’.

Het geestelijke kind denkt in beloning en straf. Zo denkt het ook over God. Het heeft een god die prijzen uitdeelt, die beloont en straffen toedient en zo de mensen behandelt als eeuwige kinderen. Het goede wordt beloond en het kwade bestraft. Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.

En vaak denkt men dat de beloning komt in de vorm van een prettig gevoel. Dan heb ik het gevoel dat het goed gaat, dat er zalving is, dat er zegen op rust.

Wat zoekt de volwassen mens?

Maar nu wordt die mens volwassen. Dan spreekt de Bijbel over geestelijke vaders. Een vader leeft niet meer voor beloning; hij laat zich niet meer leiden door de gedachte: als ik dit of dat niet doe, dan zwaait er wat.

De volwassen mens zoekt gerechtigheid. Hij doet iets omdat het rechtvaardig is. Hij weigert een weg te gaan omdat die weg besmet is met onrecht.

Dat is de basis. De grondslag. Waar we dit vergeten of enigszins uit het oog verliezen, daar gaan we zweven. Dan zeggen we: we hebben toch zo fijn gebeden. En zo gauw wordt dat een grond waar we ons huis op bouwen.

Het volk van God heeft altijd geleefd met één basis: dat is het kennen van de wil van God. Opheffing van heilige handen. Wanneer mijn handen niet zuiver zijn, dan is het beter dat ik ze niet ophef. Want dan is het een leugen.

Er zit een gevaar in: we kunnen zo bezig zijn met lofprijzing, met God (zogenaamd), dat we de gerech­tigheid voorbij lopen.

De ander komt niet tot zijn recht. Een mens raakt tussen de wal en het schip.

Wat zoeken we? Ervaring? Dat we kunnen zeggen: o, het geeft me zo’n kick. Ik voelde me zo dicht bij de Heer.

Dan maken we van die ervaring weer een doel; of een geruststellend idee: als ik een warm gevoel heb van binnen, dan weet ik dat het goed zit. Soms valt het me op hoe vaak we het woord ‘fijn’ hanteren: we hebben fijn gezongen, we hadden een fijne aanbidding, fijne liederen. Wordt het dan toch niet weer een doel in zichzelf? We hebben een fijn gevoel en concluderen: er is zo’n zalving.

God openbaart zich in onderwijzing

De Joodse denker Yossel ben Yossel zegt: ‘De God van de Schriften openbaart zich niet in een gevoel, maar in een woord’. Een onderwijzing. Een Thora en dat betekent immers onderwijzing.

Een mens kan inmiddels een station gepasseerd zijn. Van de mensen in Ninevé staat geschreven dat ze omkeerden van het geweld dat in hun handpalmen was.

Geweld dat is in het Bijbelse denken altijd datgene wat de ander wordt aangedaan.

Er is een tijd geweest dat veelvuldig de tekst werd aangehaald: ‘Gij zult de meerderheid in het kwade niet volgen’ (Ex. 23:02). Helaas is het verband van dit Schriftwoord zelden of nooit aan de orde gekomen. Want onmiddellijk eraan vooraf staat: ‘Gij zult geen vals gerucht verbreiden; ge moogt de schuldige niet helpen als misdadig getuige’. Een getuige van geweld, staat er als we nauwkeurig lezen.

Slachtoffers van het geweld

Geweld, dat is dat een mens niet meer gehoord wordt. De karavaan trekt verder. En daar ligt die gewonde man, langs de kant van de weg. Maar priester en Leviet lopen door. Waarom? Misschien uit onmacht. Onmacht om te horen, om zich in te leven in die ander.

Hun diepste nood was dat ze -net als die gewonde- slachtoffer waren van het geweld. Ze durven niet meer een stap rechts of links te doen; ze lopen geprogrammeerd, in hun vaste patroon; angst beheerst hun bestaan.

Een gedicht van W. Barnard zegt het zo treffend waar het om gaat:

Liefde mag het leven heten en de tijd is niet meer boos. Angst en argwaan zijn vergeten; al wat leeft, leeft argeloos

Vaak zijn dat de twee fundamentele bedreigingen waardoor een mens wordt afgeremd: angst en argwaan.

Wat zullen ze zeggen? Wat zal ‘men’ ervan vinden als ik dit of dat doe of als mijn mening geef?

Mensen zijn zo schuw geworden en gesloten. Ik laat me niet meer kennen.

Er was een kleine stad, er woonden maar weinig mensen. Toen kwam er een grote koning, die omsingelde de stad en bouwde grote bolwerken tegen haar. Nu bevond zich in dat stadje een man, hij was arm, hij was ook wijs. Een man met inzicht. Die heeft met zijn wijsheid de stad gered.

Maar toen het onheil voorbij was, dacht niemand meer aan die arme man. Ze vierden feest, we zijn bevrijd, de vijand is weg, maar de arme man werd vergeten.

Dit verhaal staat in de Bijbel, in het boek Prediker. Maar is het niet vaak ons verhaal? Mensen worden zo gemakkelijk vergeten. Ook dat is een vorm van onrecht, van geweld.

Een Bijbelse opdracht

Gedenken is een Bijbelse opdracht. Gedenkt degenen die u gediend hebben. Die gebouwd hebben aan het huis des Heren, misschien met hun tekort en hun gebreken, maar ook met hun toewijding en inzet.

In de dagen van Amos werd er veel gezongen. En zingen is toch niet verkeerd?

Maar een lied kan ook vals klinken. Het kan tot een holle klank worden. Of tot een soort statussymbool: als een soort legitimatiebewijs. Ik heb er geen welgevallen aan, zegt de Here God. Ik wil het niet horen.

‘Doe van mij weg het getier (er staat: het tumult, het rumoer) van uw liederen. Het snarenspel van uw harpen wil Ik niet horen’ (Amos 05:23). In het volgende gedeelte (Amos 06:05): ‘Gij die joelt bij het geluid van de harp, als David dachten ze zich muziekinstrumenten uit’.

Maar één ding ontbrak: ze bekommerden zich niet om de verbreking van Jozef. Daar wordt een heel diepgaand woord gebruikt: ‘ze werden niet ziek vanwege de breuk van Jozef.

Mensen zijn breekbaar

Klaagliederen spreekt vijf keer over de breuk van het volk, van de dochter mijns volks. ‘Groot als de zee is uw breuk: wie kan u genezing brengen?’ (Klaagl. 02:13).

Een mens is zo breekbaar. En ook Jeremia spreekt ervan: ‘Om de breuk van de dochter mijns volk ben ik gebroken’ (Jer. 08:21). De rabbijnen hebben vanouds dit woord betrokken op God: Hij is gebroken vanwege de breuk van zijn mensen. Jozef is gebroken. Jozef staat hier voor de tien stammen; maar er is meer. In de Schrift is Jozef ook altijd symbool van de verworpen broeder. Die in de put wordt geduwd, die niet meer mee mag doen. De mens voor wie geen plaats is. En zonder hem gaan we gewoon verder.

Een opengevallen plaats wordt zo gauw opgevuld. Want het werk moet doorgaan.

Maar dat is geen gerechtigheid.

Amos zegt: ‘Laat het recht als water golven. Laat er een golfslag zijn van recht, en gerechtigheid als een immer vloeiende beek’ (Amos 05:24). Een oeroude beek, staat er eigenlijk.

Dat is een beek die er in wezen altijd al was, want zo is het begonnen. Die beek mag nooit uitdrogen, nimmer ophouden.

En gerechtigheid, dat is bij Amos, zoals steeds in de Schrift, heel concreet. Want wat was het probleem? Ze haten in de poort wie opkomt voor het recht, die terechtwijst, die correctie wil aanbrengen. ‘De geringe wordt vertrapt’, zegt hoofdstuk 5 vers 11 (Amos 05:11); ‘gij benauwt de rechtvaardige, de arme wordt in de poort terzijde gedrongen’.

De poort: dat is nu precies de plaats waar een mens recht kon vinden. De plaats waar oudsten zitting hadden, rechters. Waar tenminste iemand was die naar je luisterde.

Het denken van Emmanuel Levinas kan ons op dit punt wellicht verder helpen. Hij heeft intens nagedacht over ‘het aangezicht’. God heeft een gezicht. Mensen hebben ook een gezicht. Maar vaak is dat aangezicht van die mens zo verborgen.

In het begin was er het gezicht van de ander. Dat gezicht kijkt je aan. Dat gezicht is zo kwetsbaar, want wat is er kwetsbaarder dan een gezicht.

Dat gezicht is een vraag. Of eigenlijk: een gebod. Als ik dat gezicht van die ander gezien heb, kan ik niet meer doen alsof het er niet geweest is.

Dan is daar die vraag: wat doe ik met dat gezicht van die ander? Wend ik me af? Benader ik dat gezicht van die mens met ontferming of met geweld?

Dat kan ook heel subtiel: de ander negeren, de ander een etiket opplakken. O, ja dat is er zo een! We weten al wat die gaat zeggen. Bij voorbaat al veroordeeld.

Bij God krijgen mensen weer een gezicht!

De Egyptische slavin Hagar komt in de woestijn tot een verrassende ontdekking: ‘Gij zijt een God des aanziens’ (Gen. 16:13). Hagar, een van de minste der mensen, slavin en dan ook nog Egyptisch. Maar zij krijgt een moment in haar leven dat ze iets gaat verstaan wat voor velen verborgen bleef. Gij zijt een God die mij aanziet. Een God met een gezicht.

Bij Hem krijgen mensen -die soms zo naamloos en gezichtsloos zijn gemaakt, zo verduisterd, ze mochten er niet zijn, geen ruimte om te leven- weer een gezicht.

En wat is het kostbaar als het gebeurt onder ons: dat de ene mens de andere aanziet. Ogen, misschien met pijn en verdriet, kijken je aan. En daar is een blik van ontferming. Van aanvaarding. Mens, het is goed dat je er bent. Ik nodig je uit om te leven.

Om water voor de zee te zijn, om anderman een woord te zijn, om niemand weet hoe groot en klein,

-gezocht, gekend, verloren­

om avond- en morgenland,

om hier te zijn en overkant,

om hand in een and’re hand,

om niet te zijn verloren.

 

Om mens voor een mens te zijn

wordt alleman geboren.

 

Jaargetijden door Tea Keuper Dijk

“Zolang de aarde blijft bestaan, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en warmte, winter en zomer, dag en nacht niet ophouden” (Gen. 08:22, Het Boek).

We zijn de herfst weer ingegaan en mochten genieten van heerlijk nazomerweer. Volop kleuren in de tuinen en parken, geuren in het vochtige klimaat. Ik zocht naar een tekst over de jaargetijden en vond bovenstaande. God zegt deze woorden ‘bij Zichzelf nadat Noach met zijn familie in de ark is gered uit de zondvloed met vele dieren.

God maakte een nieuw begin met mens en dier, bloemen, planten en bomen, met Zijn schepping. En Hij belooft het voortgaan van de getijden.

Hierin zitten ook prachtige beelden, hoe God het leven van een mens tot ontplooiing wil brengen, geschikt en bestemd voor Zijn Koninkrijk. Laten we een en ander eens nagaan.

Winter:

Alles lijkt dood. Een mens die tot geloof komt sterft aan zichzelf. Hij aanvaardt de woorden van Jezus, zijn Verlosser. Zijn oude begeerten, die het oorspronkelijke beeld van God in hem misvormden, legde hij af:

“Wat Ik Jullie zeg, is de waarheid: Een tar­wekorrel moet in de aarde vallen en sterven; anders blaft het een tarwekorrel zonder meer. Als zij sterft, brengt zij veel vrucht voort” (Joh. 12:24-25, Het Boek).

Lente:

Deze mens wordt opnieuw geboren. Verwekt door Gods Geest, wordt zijn denken vernieuwd.

Hij neemt Gods gedachten over, wordt ‘van boven’ geboren! Alles wordt jong en fris in hem, het komt tot nieuw leven! “Door geloof in Zijn Naam worden zij opnieuw geboren, natuurlijk niet als mens, maar geestelijk, uit God!” (Joh. 01:13, Het Boek).

Zomer:

Hierin komt de mens tot bloei. De veelkleurige wijsheid van God wordt in hem openbaar. Daarvoor is levend water en goed voedsel nodig: gemeenschap met God, lezen uit Zijn Woord. Zonder dit water en voedsel, wat de Landman geeft, komt geen groei en bloei tot stand!

“Ik ben de ware wijnstok en Mijn Vader is de Landman… Blijft in Mij, gelijk Ik in u”(Joh. 15:01-04)

Herfst:

De tijd van de vruchten, de druiven aan de rank, vruchten aan de bomen. In veelvoud worden ze geoogst. Alleen de mens, die voorjaar en zomer doorleeft (geestelijk), nadat hij de winterse dood heeft aanvaard, komt tot zijn doel: vruchtdragen in Gods Koninkrijk!

“Ik ben de wijnstok en gij zijt de ranken. Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt gij niets doen” (wat vrucht voortbrengt) (Joh. 15:5).

Als u in deze herfst wandelt, fietst of rijdt door de natuur, is het goed het bovenstaande eens te overdenken en u te verheugen in Hem, die ons eeuwig leven op het oog heeft!

 

De werkelijkheid van de geestelijke wereld door Evert van de Kamp

Het sociaal en cultureel rapport 1992 van het ‘Sociaal en cultureel planbureau’ is verschenen. Het vermeldt dat slechts de helft van de kerkleden in Nederland nog in het bestaan van een duivel, beter gezegd de duivel, gelooft. In 1966 was dat nog driekwart.

Een tweede bericht: De krant laat weten dat het Volle Evangelie in Suriname als nooit tevoren bloeit. Een Nederlandse predikant aldaar erkent dal volmondig. Maar als het over ‘duiveluitdrijving’ gaat, is zijn commentaar kort en bondig; ‘Volkomen belachelijk’.

Twee voorbeelden die aantonen dat het aantal kerkleden in ons land, bekend met de geestelijke wereld en dat vooral bijbels gezien, gering is.

Onherkenbaar kwaad

Vooral in onze westerse samen­leving is veel kwaad (de bron daarvan is altijd het rijk der duisternis van de duivel) onherken­baar geworden. Hierover uitte Gerard Broekhuizen in ‘Trouw’ zich met een verrassend stukje. Hij schrijft: ‘Wij spreken in onze moderne tijd eigenlijk nooit meer over de duivel. Die is in onze tech­nologische wereld verwezen naar het rijk der sprookjes. In de middeleeuwen was dat nog wat anders. De duivel speelde in het leven van de mensen een grote rol. Overal op kathedralen zag je afbeeldingen van de duivel. Soms afschrikwekkend, soms ook voor ons meer komisch. Maar steeds was

het om mensen er eindeloos aan te herinneren dat het kwaad altijd en overal aanwezig was’.

Langzamerhand verandert dit beeld. In de Bijbel ligt alles, althans voor hen die inzicht hebben, heel duidelijk. Maar in de samenleving vervaagt het beeld van satan. Hij wil graag onherkenbaar opgaan in volledige anonimiteit. Dat is een ontwikkeling.

Van Broekhuizen vervolgt: ‘Als je de duivel volgt in zijn gang door de geschiedenis dan zie je een opmerkelijke ontwikkeling. In oude tijden stelde men zich de duivel voor als een dier. Als slang bijvoorbeeld in het verhaal van de zondeval in het boek Genesis (Gen. 03:01-24). Maar het hoeft niet per se een slang te zijn. In de eerste Petrusbrief lezen we dat hij rondgaat als een briesende leeuw (Gen. 05:08). En in het boek Openbaring wordt hij beschreven als een monsterlijke draak (Openb. 12:01-08; Openb. 13:01-11; Openb. 16:13; Openb. 20:02, etc.).

Maar dan gebeurt er iets opvallends: de slang als beeld van de duivel krijgt in de kunst van de twaalfde eeuw menselijke trekken. Eerst krijgt ze een mensenhoofd en vervolgens ook een vrouwelijk (!) bovenlichaam. Het begin van een ontwikkeling, want later wordt de duivel zelfs afgebeeld als volledig mens. Tenslotte schijnt de duivel volledig uit ons leven te verdwij­nen’.

De schrijver stelt vervolgens de vraag: ‘Is dat zo? Is hij totaal onherkenbaar? Is dat misschien nou juist de situatie waarin wij verkeren?’

Zijn conclusie is: ‘Er is kwaad in de wereld, maar het is soms nauwelijks nog als zodanig herkenbaar. Goed verpakt als ideologie waarin het kwaad verhuld en het kromme recht gesproken wordt. Machten die ons bepalen, die we mogelijk zelf in het leven geroepen hebben, maar die we niet meer beheersen. Onherkenbaar kwaad’.

Versluiering

Satan slaagt er meesterlijk in zijn ware identiteit te verbergen. Hij doet zich graag voor als een engel des lichts.

Will Baron (onlangs op de TV) vertelt in zijn boek ‘Misleid door de New Age’, dat hij oog in oog stond met de sluwste misleiding waarmee de mensheid ooit te maken heeft gehad, een duivelse geest die zich voordoet als Jezus Christus zelf (Matt. 24:24).

Zelfs de IKON-radiopastor ziet nu in dat er gevallen engelen zijn. Eerder schreef hij het boek ‘Nu de engelen zijn teruggekeerd’. Hij wil, volgens het blad ‘Uitdaging’, dat zijn boek niet wordt herdrukt.

In onze dagen kom je tot de conclusie dat de christenheid in het algemeen zich voor een groot deel in slaap heeft laten sussen. Zelfs ondanks het feit dat velen toch wel het bestaan en het functioneren van de machten der duisternis erkennen. Er is vaak weinig zicht op de gees­telijke werkelijkheid, het werkelijk functioneren van het rijk der duisternis.

Dat ligt niet aan het Woord van God. De Bijbel is duidelijk genoeg. Het ligt nog minder aan de werking van de heilige Geest. Je raakt diep onder de indruk van de vele Bijbelse gegevens over de geestelijke wereld. Het bijbels getuigenis en de werken van Jezus en de apostelen zijn onloochenbaar. Zij hebben de geestelijke wereld zo voor ons ontsloten dat je eigenlijk wel geestelijk volstrekt blind moet zijn als je dit niet ziet.

Ik herinner u, uit al die overvloed van Bijbelwoorden, aan het woord van de apostel Johannes: “Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou” (1 Joh. 03:08). En aan Petrus’ getuigenis over Jezus: “Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met hem” (Hand. 10:38).

Jezus kende de mensen en hun nood. Voor Jezus was het niet nodig dat iemand Hem daarom zelfs maar informeerde. Door de heilige Geest beschikte Hij (ons ten voorbeeld) over een volledig inzicht in het reilen en zeilen van de geestelijke wereld.

Jezus onderscheidde de geestelijke werkelijkheid van alle dingen.

Johannes schrijft van Jezus: “Hij wist zelf wat in de mens was” (Joh. 02:25). En dat missen veel christenen juist nu.

Laten we niet denken dat er in de geestelijke wereld iets veranderd is. Satan, de zoon des verderfs, de tegenstander, verheft zich (hoe versluierd ook) nog altijd tegen al wat God of voorwerp van verering heet. Om zich in de tempel Gods (de mens) te zetten, om aan zich te laten zien dat hij een god is (2 Thess. 02:04). Velen hebben zich, zie de geschiedenis van de kerk, de kennis en de sleutels van het Koninkrijk der hemelen laten ontfutselen (Matt. 16:19; Luc. 11:52). De doop in de heilige Geest en het gebruik van de Geestesgaven (o.a. 1 Kor. 12:04-11) vindt men van geen belang of men heeft er een eigen visie over.

Het gevolg is dat men eigenlijk geen raad weet met de geestelijke wereld en de werkelijkheid daarvan kan men niet aan.

Maar ook al ontvangen wij en hebben wij kennis van deze geestelijke zaken, toch is het nodig heel alert te blijven. De beïnvloeding van het rijk der duisternis is soms zo listig en subtiel dat het je makkelijk verblinden en misleiden kan. Je geregeld heel ootmoedig laten ‘doorlichten’ door de heilige Geest is voor niemand een overbodige luxe. De gedachte in alle dingen altijd onfeilbaar te zijn is niet juist. De praktijk leert dat bepaalde gedachten, waarvan je werkelijk meende dat ze van de Heer waren, dat niet altijd blijken te zijn. Dat maant ons tot voorzichtigheid en be­scheidenheid. Toetsing is nodig. Net zo noodzakelijk als bij de profetische gaven. Dat vraagt van ons dat we open staan voor correctie. Wie niet voortdurend scheiding aanbrengt in zijn (gedachten)leven verliest de strijd. Ook hier geldt dat zonder heiliging niemand de Heer zal zien (Heb. 12:14).

Niet voor niets waarschuwt de Bijbel tegen het volgen van dwaalgeesten en leringen van boze geesten en dat je je niet moet laten meeslepen door allerlei vreemde leringen. Wat vandaag nog een stukje versluiering is, kan morgen een wezenlijke bedekking vormen. En die ben je niet zomaar kwijt.

Verslagen vijanden

Onder deze titel schreef de evangeliste Corrie ten Boom in de jaren zestig een heel klein boekje. Ik vind het nog altijd een juweeltje. Op de eerste bladzij schrijft zij: ‘Ik heb veel mensen ontmoet, zelfs trouwe dienaren van de Heer, die de machten der duisternis, de duivel en de demonen, die hen omringden, niet onderkenden en ook niet wisten hoe deze tegemoet getreden dienen te worden. Deze mensen hebben wel alles gegeven, maar niet alles genomen’.

Jezus heeft een opdracht gegeven. Hij zei: “Drijft boze geesten uit. Om niet heb je het ontvangen, geef het om niet” (Matt. 10:8).

Hij geeft macht en gezag over alle boze geesten (Luc. 09:01). In Zijn naam zal Gods volk de boze geesten uitdrijven (Mark. 16:17).

De vrees om dat te doen neemt Hij weg, want Hij zei ook: “Zie, Ik heb u macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” (Luc. 10:19).

Rein door het bloed van Jezus en verzegeld met de heilige Geest, staan wij in Hem sterk. Door geloof onwrikbaar. Gods vijanden zijn onze vijanden. Het zijn bij voorbaat verslagen vijanden. De apostel Paulus vertelt ons dat Jezus de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoonges­teld en zo over hen gezegevierd heeft (Kol. 02:05).

Bovendien reikt de Heer ons een complete en afdoende wapenrusting aan, uitvoerig beschreven in Efeziërs 6 vers 10 tot 18 (Ef. 06:10-18).

We kunnen de boze overwinnen in ons eigen leven, maar ook anderen naar de overwinning leiden. Door het bloed van het Lam en het woord van ons getuigenis (Openb. 12:11). Eigenlijk kunnen we maar twee fouten maken. Corrie ten Boom noemt dat de twee tegengestelde dwalingen. De ene is het niet geloven aan het bestaan der boze machten, de andere is er wel aan te geloven en er een ongezonde belangstelling voor koesteren.

Waar het op aankomt is het te weten in Christus overwinnaar te zijn (Rom. 08:31-39), en de geestelijke werkelijkheid van Zijn Koninkrijk te beleven. Want: “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde” (Kol. 01:13) en: “Hij heeft ons een plaats gegeven in de hemelse gewesten in Christus Jezus”.

 

Jaargetijden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Nog éven nagenieten van de late zomer,
de geuren van de aarde en ’t gewas.
Een warme dag maakt mij tot dankend dromer,
die in natuur Uw scheppend leven las.

 

Hoe rijk, hoe goddelijk zijn de getijden:
Uw plan ten léven wordt geopenbaard,
Het sterven, weergeboorte, leven, lijden,
wordt niemand, die wil leven ooit bespaard.

 

Maar in dit alles zegt de grote Maker
van al wat eeuwig leeft en zal bestaan:
‘Ik ben de alfa en omega, de Bewaker,
wie Mij vertrouwt loopt op de eeuw’ge baan’.

Tea Keuper-Dijk

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (9)

De gemeente, de dood en het oordeel (1)

(Openb. 11:07-12; Openb. 20:04-06. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari).

Deze maand maken we een begin met ‘het oordeel’ en welk principe daarachter schuil gaat, en hoe de dood overwonnen kan worden. Volgende maand gaan we daarmee door om het tot een goed einde te brengen!

Waarom gaat er een oordeel over de wereld?

Uit Openbaring blijkt steeds weer dat er scheiding komt tussen licht en dui­sternis, tussen goed en kwaad. Bij de schepping sprak God: ‘Zie, het is zeer goed!’ Maar zo is het niet gebleven. Door de zonde van de mens is satan als overste van deze wereld gaan heersen. Alles verloor zijn gratie, zijn schoon­heid, zijn onschuld.

Maar God gelooft in Zijn schepping: zoals het was, zal het ook weer worden: ‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw!’

God haat vermenging. Met minder dan het gave, het schone, het volmaakte neemt hij geen genoegen. God zal zich nimmer met de duisternis verzoenen. Daarom gaat er een oordeel over deze wereld: Er moet definitief scheiding aangebracht worden. Maar de scheiding moet wel duidelijk zijn. Daarom heeft God gekozen voor de weg van de ontwikkeling. Lees eventueel nog eens wat wij hierover schreven in deel 1 van deze serie.

Wie worden geoordeeld?

Als we het hebben over het oordeel, dan doelen we op de mensheid -of men nog leeft of reeds overleden is, doet er niet toe- en op de geestenwereld: satan met zijn demonen, en de macht van de dood met zijn doodsmachten. Maar ook de schepping zelf -de bezielde schepping, de dode materie en de natuurwetten- moet gescheiden worden van alle destructieve en wetteloze invloeden en be­schadigingen. Hier komen we later op terug.

In de afleveringen over Babylon en de antichrist hebben we gezien dat er scheiding komt in de ‘geloofswerelden’. Alleen de waarheid houdt stand en de Gemeente is daar de oorzaak van. Ze is het oordeel voor de tegenpartij. In dit verband spreekt Openbaring ook over de oogst (Openb. 14:14-20).

Wie komen niet in het oordeel? “Wie mijn woord hoort en Hem gelooft die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven” (Joh. 05:24). De keuze voor Jezus Christus is doorslaggevend. Maar dat is aan velen niet gegeven. Denk aan allen die nooit van hem gehoord hebben door alle eeuwen heen. Ook zij worden geoordeeld; dat vindt plaats tijdens het laatste oordeel.

Zo voltrekt het oordeel zich aan levenden, aan overledenen, engelen en schep­ping. Voordat er gesproken kan worden van ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ moet het oordeel geheel voltrokken zijn. Daarin heeft de Gemeente een belangrijke taak: “En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop en het oordeel werd hun gegeven” (Openb. 20:04; zie ook 1 Kor. 06:02-03). De Gemeente van Jezus Christus zal samen met Hem het oordeel voltrekken waardoor de schepping, en allen die daarvoor kozen, weer aan hun oorspronkelijke bestemming kunnen beantwoorden.

Maar op hun weg komen ze nog een geweldige vijand tegen die dit proces blokkeert: de dood. Daarvoor is het nodig dat de Gemeente macht heeft over de dood, de laatste vijand die overwonnen zal worden.

Wat of wie is ‘de dood’?

In de geestelijke wereld gelden wetten zoals: wie zondigt, die sterft (Ez. 18:04), en: het loon van de zonde is de dood (Rom. 06:23).

Dat sterven heeft dan niet direct effect op het lichaam, maar wel op de inner­lijke mens. Die wordt gescheiden van God. Geestelijk gezien raakt hij dus los van de levensbron.

De dood is allereerst dus een (geestelijke) situatie. Maar wie houdt hem daarin? Dat zijn de doodsmachten, de ‘bewaarengelen’ uit het rijk van satan. Deze doodsmachten brengen niet tot zonde, dat doen de satanische demonen­legers, maar zij bewaren wat door de zonde in hun macht komt. Dat gebeurt dus al tijdens het leven van de mens op aarde. In natuurlijk opzicht leeft hij verder, maar geestelijk gezien is hij reeds ‘gestorven’. Sterft deze mens ook in natuurlijke zin, dan blijft hij wat hij al was: dood, gescheiden van God. Hij komt dan in het ‘dodenrijk’, een geestelijke situatie waarin geen ontwikkeling meer mogelijk is.

De overste van dit dodenrijk wordt zelf met ‘de dood’ betiteld. Een macht die iedereen bewaart die in zijn ‘domein’ wordt gebracht, ook de demonen die eventueel inwoning in de mens hadden en ook alle machten die door de gelovigen ‘in de afgrond’ geworpen zijn. Zo is zijn aard, zo is zijn opdracht: bewaar!

De dood heerst ook op aarde: een zodanige inwerking op het lichaam dat er een onomkeerbaar vervalproces plaatsvindt waardoor het tenslotte sterft. Hoe geestelijk een gelovige ook is: in de onzienlijke wereld ligt een blokkade die voorkomt dat de innerlijke mens het aardse lichaam optimaal in stand kan houden. Dit is de vloek tegen het leven die als een geestelijke wetmatigheid na de zondeval is gaan functioneren. Die vloek wordt in stand gehouden door de macht van de dood.

Hoe wordt de dood zijn macht ontnomen?

De macht van de dood is dus op twee manieren gaan heersen: over de innerlijke mens en over het lichaam. Maar God heeft voorzien! Hij gaf Zijn Zoon tot redding van de verloren mensheid. Een ieder die in Hem gelooft, zal in der eeuwigheid de dood niet zien (Joh. 08:51). Het bloed van Jezus reinigt van alle zonden (1 Joh. 01:07). De doodsmachten moeten dan wijken. De mens staat dan naar de innerlijke mens tijdens zijn aardse bestaan op uit de dood en krijgt deel aan het eeuwige leven (en komt dus niet meer in het oordeel).

Maar daarmee is nog niet de vloek over de aardse lichamen verbroken. In die zin heerst de dood nog altijd, ook na Jezus’ triomf over het rijk van satan. Dat geldt ook voor de zonen Gods in de eindtijd. Ook zij hebben nog een ‘gewoon’ sterfelijk lichaam.

Alleen over Jezus heeft de dood geen macht meer. Hij stond op uit het graf.

Hoe kon dat? Hij kon pas onsterfelijkheid aandoen nadat Hij de dood op eigen terrein had overwonnen. Nu bezit Hij een ‘verheerlijkt’ lichaam dat niet meer onderworpen is aan de wetten van deze aarde en waar de dood niet meer ‘aan kan komen’.

Is dit het geheimenis van de zeven donderslagen waarvan in hoofdstuk 10 gesproken wordt en dat bij het blazen van de zevende bazuin geopenbaard zal worden: zonen Gods overwinnen de dood -zijn heerschappij over het lichaam- door hem ‘op eigen erf op te zoeken en onsterfelijkheid voor de Gemeente van Jezus Christus als het ware op te eisen? Hiervan is sprake als zij hun taak op aarde voleindigd hebben en zich overgeven om gedood te worden (Openb. 11:07). Johannes zegt hiervan: ‘in mijn mond was het zoet als honing’, maar in de praktijk moet het wel ondergaan worden (hij kreeg er pijn van in zijn buik!; zie Openb. 10:09-10). Met Paulus zeggen zij: Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden (Filip. 03:10).

Jezus openbaart zich in hoofdstuk 1 vers 17 als de bezitter van de sleutels van dood en dodenrijk. Deze sleutels (= kennis) dienen niet om af te sluiten, om het maar niet meer over de dood te hebben (uit angst misschien?), maar om ermee te openen! De Gemeente durft die sleutels te hanteren met een glorieuze overwinning als gevolg!

Nog even voor alle duidelijkheid: het sterven van de twee getuigen, als ver­tegenwoordiging van de Gemeente, is niet om de zonde van de wereld weg te nemen, daarvoor is door Christus eens en voor altijd het volmaakte offer gebracht, maar om voor de Gemeente de blokkade van de dood te slechten die voorkomt dat het sterfelijke de onsterfelijkheid kan aandoen (1 Kor. 15:54). Pas dan kunnen zij in alle delen, naar geest, ziel en lichaam dus, het einddoel bereiken.

In alles zijn ze gehoorzaam gebleven, ze hebben stand gehouden ‘in de boze dag’, de dood is overwonnen, ze hebben hun taak ‘in het vlees zijnde’ geheel volbracht. Nu is het moment van hun verheerlijking als zonen Gods aan­gebroken!

Wat is de ‘eerste opstanding’?

De mens heeft een innerlijke mens -geest en ziel- en een aards (natuurlijk) lichaam. Tijdens zijn leven op aarde kan de mens door geloof en door goede werken ook een geestelijk lichaam ontwikkelen. De Bijbel spreekt ook in beelden van een (geestelijke) woning of van een kleed waarmee hij zich in geestelijk opzicht bekleedt (“als wij maar bekleed, en niet naakt bevonden worden”; 2 Kor. 05:03). Deze bekleding is de geestelijke verschijningsvorm in de hemel. De mate van ontwikkeling bepaalt zijn geestelijke statuur. Dit lichaam is eeuwig.

Nu is het altijd Gods bedoeling geweest dat dit geestelijke lichaam zich ook op aarde kan gaan openbaren en ‘stof kan aannemen’. Het aardse, natuurlijke lichaam is altijd bedoeld als een ’tijdelijke woning’ om het geestelijke lichaam te kunnen ontwikkelen. De dood heeft deze ontwikkelingen dus geblokkeerd. Maar hij wordt overwonnen door de Gemeente. Daardoor wordt het mogelijk dat het geestelijke lichaam zich in een aardse verschijningsvorm openbaart. Dit verheerlijkte lichaam is op dat moment wel van vlees en bloed, maar is niet onderworpen aan de wetten van de aarde. Het kan zich manifesteren, maar ook weer aan de zichtbare wereld onttrekken. Deel hebben aan dit gebeuren wordt de eerste opstanding genoemd.

Voor overledenen die hierin delen gaat het dus in deze vorm. Maar wat gebeurt er met de ‘sterfelijke’ lichamen van hen die nog op aarde zijn en met de dode lichamen van de vertegenwoordigers van de Gemeente die vermoord zijn? Die lichamen worden als het ware geabsorbeerd in hun geestelijke lichamen; zo zal “dit vergankelijke onvergankelijkheid aandoen, en dit sterfelijke onster­felijkheid”. Lees in dit verband 1 Korinthiërs 15 vers 35 tot 54 (1 Kor. 15:35-54) maar eens door.

Wie hebben deel aan de eerste opstanding?

Allen die tijdens hun leven op aarde de boze hebben overwonnen, hebben deel aan de eerste opstanding, zowel levenden als diegenen die reeds hun intrek bij de Heer genomen hebben (Openb. 03:21; Openb. 20:04). En de boze overwinnen kan op verschillende manieren: de boze weerstaan of uitdrijven, de rechtvaardiging door het bloed van het Lam blijven vasthouden, barmhartige daden doen, etc. Het betreft allen die in hun leven naar de woorden van Jezus gehandeld hebben (bijv. Mark. 16:15-18), het einddoel van het geloof nagestreefd hebben en stand hebben gehouden tot het einde (2 Tim. 02:12). Uitzondering wordt gemaakt voor de martelaren. Tijdens de behandeling van het vijfde zegel (Openb. 06:10-11; aflevering 2) is daarover reeds geschreven.

Gelet op de taak die nog wacht (de confrontatie met de antichrist moet nog plaatsvinden, de bevrijding en het herstel van mens en schepping), is het begrijpelijk dat niet allen die ‘behouden’ zijn, aan de eerste opstanding deel hebben. Zalig hij die deel heeft aan de eerste opstanding! Dan behoor je tot de uitverkorenen die een begin mogen maken met het herstel aller dingen en het oordeel zullen voltrekken over satan en de dood.

1992.09 nr. 340

1992.09 nr. 340

Hebben wij de staf Gods in onze hand? door Hessel Hoefnagel

“Wat hebt gij daar in uw hand? … Een staf!” (Ex. 04:02).

In de Bijbel is meermalen sprake van een staf als gebruiksvoorwerp, vooral bekend bij de herders, maar ook wel bij reizende mensen als teken van waardigheid. Ook de profeten spraken in overdrachtelijke zin over de ‘staf des broods’ en de ‘staf der heerlijkheid’. In het boek Openbaring lezen we over de ‘ijzeren knots of staf, waarmee de ‘heidenen’ gehoed zouden worden.

Bij de koningen was ook de scepter in gebruik als teken van koninklijke waardigheid. Deze scepter zou “van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo (Jezus Christus) zou komen en

Hem zouden de volken gehoorzaam zijn” (Gen. 49:10).

Beeld van gezag en autoriteit

De staf is dus het symbool van gezag, heerschappij, waardigheid (scepter), bescherming en leiding (herdersstaf) en zekerheid (‘staf des broods’). In geestelijke zin kunnen we eigenlijk maar één ding zeggen, namelijk dat de staf het beeld is van het gezaghebbende, leidende en zekerheid gevende Woord van God.

De engel des Heren gaf bij de ‘brandende braambos’ opdracht aan Mozes om naar Egypte te gaan en het volk Israël uit te leiden. Toen Mozes onder deze opdracht dacht uit te komen met argumenten als: ‘Wie ben ik…? Wat moet ik zeggen als…? Als ze me niet geloven, wat dan…? Ik ben zwaar van tong en woord…’, zei de engel tegen hem: ‘Wat hebt gij daar in uw hand?’. Het antwoord van Mozes was: ‘Een staf!’

Als we dan bemerken welke zinnebeeldige waarde de engel des Heren gaat geven aan deze staf, dan is het zinvol na te gaan wat de ‘staf Gods’, zoals hij later genoemd wordt, ook nu nog voor ons betekent.

De engel sprak: ‘Deze staf, waarmee gij de tekenen voor Farao zult doen, moet gij in uw hand nemen’ (Ex. 04:17). Wanneer Mozes dan met zijn gezin vanuit Midian naar Egypte vertrekt, staat er treffend bij: ‘Ook nam hij de staf Gods in zijn hand’ (Ex. 04:20).

Meermalen stelde God zichtbare voorwerpen en handelingen tot een symbool van geestelijke zaken. Denk maar aan de regenboog bij Noach, de besnijdenis bij Abraham en de tabernakeldienst bij het volk Israël.

Hier wordt de staf van Mozes tot een ‘staf Gods’ gemaakt, waarmee de tekenen in Egypte en later in de woestijn, verricht worden. Voortaan zijn Mozes en Aaron niet meer los te denken van deze staf Gods in hun hand, als beeld van het gezag en de autoriteit, welke zijn in hun bediening van God hadden ontvangen.

Waarom wij de staf Gods nodig hebben

Ook nu is het voor de christen, die bewust wil wandelen in de geestelijke wereld en dienstbaar wil zijn in het Koninkrijk van God, een noodzaak om de ‘staf Gods’ in de ‘hand’ te hebben, dat wil zeggen om voortdurend met zijn geest verbonden te zijn met het woord en de gedachten van God. Meermalen komt hij in moeilijke situaties, waarin het gemakkelijker lijkt om het maar af te laten weten of net als Mozes te argumenteren over eigen onkunde of zwakheid. Juist dan is het echter zo belangrijk om zichzelf de vraag te stellen: ‘Wat heb je eigenlijk in je hand? Waar is je staf?’

Ook in gemeenteverband wordt zo gemakkelijk gezegd: ‘Ik kan dat niet, ik durf dat niet, ik ben daar niet rijp genoeg voor, er zijn anderen die het veel beter kunnen, ik ben onbespraakt, enzovoort’. Alsof de roeping van de Heer afhankelijk is van menselijke kwaliteiten. Het is juist zo, dat God het zwakke der wereld heeft uitverkoren om het sterke te beschamen. Paulus wist zichzelf ook zwak, maar de Heer maakte hem duidelijk dat de kracht Gods in zwakheid wordt volbracht. ‘Onze bekwaamheid is Gods werk’, zei hij met betrekking tot zijn bediening der verzoening.

Door de staf Gods kunnen wij overwinnen

Zonder de ‘staf Gods’ is de christen niet in staat te overwinnen in de geestelijke worsteling tegen de demonen, welke hem in velerlei ver­zoekingen belagen. En zoals aan Mozes de Leviet Aaron werd gegeven tot een hulp naast hem, zo is aan ons de heilige Geest gegeven om ons innerlijk te bevestigen in het Woord Gods.

In de hemelse gewesten geldt: ‘Door middel van de ‘staf Gods’ heb Ik u macht gegeven om op ‘slangen en schorpioenen’ te treden en over de gehele legermacht van de vijand en niet zal u enig kwaad doen’ (Luc. 10:19).

Het is opmerkelijk dat het eerste teken dat Mozes met de staf moet uitvoeren, is dat zij op de grond geworpen wordt en verandert in een slang. Daarna wordt deze slang weer tot staf in de hand van Mozes (Ex. 04:03-04). Dit teken herhaalt zich later voor Farao en hoewel de Egyptische tovenaars hetzelfde doen, worden hun tot slangen gemaakte staven niet meer verheven tot staf, maar verslonden door de staf Gods in de hand van Mozes en Aaron.

Het eerste teken in de geestelijke wereld

‘De staf Gods tot slang gemaakt’ is het eerste teken in de geestelijke wereld tot redding en bevrijding van de door satan overweldigde en geknechte mens. Het in Jezus Christus vleesgeworden Woord Gods, dat nimmer zonde gekend heeft, werd tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem (2 Kor. 05:21).

De staf Gods werd vernederd tot slang, beeld van de zonde, maar na deze vernedering werd Hij weer tot de staf der heerschappij aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op aarde.

Toen in de woestijn de Israëlieten voor de zoveelste keer ongeduldig werden, kwamen er vurige slangen die het volk beten, zodat er velen stierven. Mozes moest toen een afbeelding van zo’n vurige slang maken en op een staak verhogen. Ieder die dan op deze verhoogde slang zag, werd genezen en bleef in leven (Num. 21:04-09).

Ten onrechte wordt wel gedacht dat de koperen slang zonder meer een beeld van de Heer Jezus zou zijn, omdat deze later sprak: Want gelijk (op dezelfde wijze) Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden’ (Joh. 03:14). Het moet echter duidelijk zijn dat de Zoon des mensen, als het vleesgeworden Woord Gods, tot zonde gemaakt werd. In Hem werd de ‘slang’ (zondemacht) verhoogd, want Hij heeft in Zijn lichaam onze zonden (en die van de gehele wereld) op het hout gebracht, opdat wij, aan de zonde afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven (1 Petr. 02:24).

Ook werd het vleesgeworden Woord tot ziekte gemaakt, zodat wij genezing zouden hebben in Zijn striemen (Jes.53, 1 Petr. 02:24). De ‘overheden en machten’ werden door Jezus alzo openlijk tentoonges­teld en ontmaskerd, evenals weleer de slang in de woestijn.

Hanteren wij het Woord Gods als staf?

In de geestelijke wereld is het Woord Gods de ‘staf of de ‘bazuin’, waarmee de ’tekenen in de hemel’ worden ingeluid en de   oordelen over de valse kerk voltrokken, zoals door middel van de staf van Mozes en Aaron de plagen in Egypte werden ingeluid. Door de ‘staf Gods’ omhoog te houden op de heuveltop, legde Mozes, ondersteund door Aaron en Hur, de ‘hand op de troon des Heren, zodat de overwinning op Amalek werd behaald (Exodus 17). De herdersknaap David nam niet alleen zijn natuurlijke staf in de hand om de reus Goliath te verslaan, maar hij trad deze tegemoet in de naam van de Here der  heerscharen, de God der slagorden van Israël (1 Sam. 17).

Door het hanteren van het Woord Gods worden de geestelijke reuzen van het rijk der duisternis geveld. Dit kunnen wij in onze geestelijke strijd ter harte nemen. David wist zich troost te verschaffen door de Here God zich als herder voor te stellen, die met zijn ‘stok en staf hem beschermde (Psalm 23), zoals hijzelf zijn schapen tegen de roofdieren beschermde.

Zo kunnen ook wij, als wij in geestelijke strijd, gewikkeld zijn, beseffen, dat wij een staf Gods in de hand hebben. Als we die tot het einde onverwrikt vasthouden, geldt ook voor ons, dat we macht hebben gekregen over de ‘heidenen’ (boze geesten), om hen te hoeden met een ijzeren staf; als aardewerk worden zij verbrijzeld. Evenals Jezus hebben ook wij deze macht van de Vader ontvangen! (Openb. 02:26-27). Daarom is ons antwoord op de vraag wat wij in onze hand hebben: de staf Gods!

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

De zomer is weer bijna voorbij en dit betekent dat bepaalde activiteiten, die in de meeste gemeenten tijdens de afgelopen maanden op een laag pitje stonden, weer volop van start zijn gegaan. Wat “Levend Geloof’ betreft ging het werk tijdens de zomermaanden gewoon door, terwijl ook de respons aanhield. We konden weer verschillende nieuwe abonnees inschrijven, terwijl het aantal brochures en bladen dat werd afgenomen groter was dan ooit tevoren.

Daar zijn we uiteraard erg dankbaar voor, want het is voor ons een bewijs en bemoediging dat het “Levend Geloof’-werk vrucht draagt. En daar gaat het uiteindelijk om. De kostbare, rijke boodschap van het volle evangelie is het waard om op zo groot mogelijke schaal bekend te worden. En “Levend Geloof’ mag daarbij één van de middelen zijn om dat te realiseren.

Daar willen we mee doorgaan zolang we daarbij op duidelijke wijze door Gods Geest geleid worden. We stellen dan ook ieder nummer weer met grote blijdschap en inzet samen. Als eindredacteur hebben we mede een – coördinerende taak, waarbij wij er op toezien dat de inhoud van ons blad zo gevarieerd mogelijk blijft. Dit houdt in dat wij proberen dat zoveel mogelijk lezers en lezeressen iets kunnen vinden dat opbouwend en/of corrigerend voor hun geloofsleven kan zijn. Daarom zijn sommige artikelen meer gericht op hen die verder op de weg zijn, terwijl andere artikelen meer bestemd zijn voor pasbekeerden, terwijl ook onbekeerden ze kunnen begrijpen.

In de afgelopen tijd hebben we nogal het accent gelegd op geestelijke groei en ontwikkeling. Daar zullen we ook in de komende tijd zeker mee doorgaan. Het is namelijk zeer belangrijk dat wij ons openbaren als volwassen christenen, zonen Gods, werkelijke beelddragers van Christus. En dit geloofsstadium kan alleen maar door een verdere geestelijke ontwikkeling en groei tot stand komen.

Bij deze groei naar de volle openbaring van het zoonschap mogen we dankbaar gebruik maken van alles wat God ons door Zijn Woord en Geest aanreikt. En dat is heel veel! Gods schatkamers zijn onuitputtelijk.

Daarom is het evangelie wat wij hebben leren kennen ook een onbegrensd evangelie, een evangelie zonder plafond, een evangelie waardoor Gods volle heerlijkheid :openbaring komt. Over dit evangelie willen wij in Levend Geloof blijven schrijven en over dit evangelie kunt u in “Levend Geloof’ blijven lezen.

 

Wordt als de kinderen (Matt. 18:03) (gedicht) door Piet Snaphaan

Al zijn we volwassen
wat leeftijd betreft,
toch moeten we ook leren
datgeen te begeren
wat Jezus ons zegt.

 

Te worden als de kinderen
die gelovend, spontaan
nog jong zijn ten dele,
doch een voorbeeld voor vele
om Gods wegen te gaan.

 

Want in ’t Koninkrijk Gods
gelden regels als deze:
Wie de grootste wil zijn
moet op aarde juist klein
als een kind kunnen wezen.

Piet Snaphaan

 

Hemellichamen door Duurt Sikkens

“… thans zijt gij licht in de Heer” (Ef. 05:07).

Het woord is vlees geworden. Welk woord? Het eerste woord van God: Er zij licht. Vlees geworden betekent dat het in een mens ontstoken is en is gaan schijnen, de mens Jezus. Hij zegt zelf dat Hij het licht van de wereld is. Hij was een lamp die het licht droeg van de aanwezigheid van God in Hem. Hij was de eerste kandelaar en in Hem zagen de mensen Gods vriendelijk aangezicht vrolijkheid en licht geven.

Het is dus de bedoeling dat de heerlijkheid van God, Zijn wezen, dat vol leven en liefde is, gestalte krijgt in de mens. Kan dat? Jezus zegt tegen Zijn volgelingen: ‘En nou jullie. Jullie zijn het licht der wereld’. God wordt in Jakobus 1 ‘de Vader der lichten’ genoemd; meervoud. Jezus was het eerste, het grootste licht vergelijkbaar met de maan die het licht van de zon de duister­nis inzendt. Maar er zijn ook nog sterren die Gods licht de duisternis in doen schijnen (Gen. 01:16). Dat zijn de volgelingen die boven wonen en vanuit hun hemelse positie de mensen beschijnen die zich in duisternis, in zonde, leugen en haat bevinden.

Wanneer je dus een licht uit het ware Licht bent, afstammend van God, dan ben je iemand die liefheeft, die scheiding maakt tussen goed en kwaad en de mensen wijst op Jezus en Zijn Vader. Dan is in jou ook het licht vlees geworden.

 

Wandelen in waarheid door Folkert Pool

Johannes schrijft in zijn korte brieven dat het hem zeer verblijdt dat er mensen zijn, die in de waarheid wandelen. Ja, groter blijdschap kent hij niet, dan dat hij hoort, dat zijn kinderen in de waarheid wandelen. Wat betekent het begrip ‘in de waarheid wandelen’? Wat is waarheid? Het tegenovergestelde van leugen?

In ons westers denken is waarheid concreet: het is waar of het is niet waar. Twee plus twee is vier en geen zeven. Vorige week bracht ik een bezoek aan Amsterdam. Ik was daar wel of niet, ja of nee.

In Openbaring 22 vers 15 (Openb. 22:15) lezen we over mensen die de leugen liefhebben en doen. De leugen doen is dan een levensstijl. In de filosofie verandert waarheid per generatie of eeuw in een leugen. Niets is dan zo veranderlijk als die waarheid.

Alleen God is in waarheid absoluut. De Bijbel is al bijna tweeduizend jaar hetzelfde waardevolle boek, het boek vol waarheid. De vreze des Heren brengt waarheid in wijsheid aan het licht. Deze waarheid is een weg ten leven.

Waarheid tegenover leugen

Is waarheid het ontkennen van de leugen? Petrus verloochent de Here Jezus door te zeggen: ‘Ik ken Hem niet’. Judas verraadt zijn Heer door een kus en zegt daarmee: ‘Ik ken Hem wel’. Beide werden gedreven door zelfbehoud, ze zochten zichzelf en gingen ten onder.

Petrus vroeg Jezus: “Wat is ons deel, omdat we alles hebben prijsgegeven?’ Hij was op voordeel, op winst uit en had zichzelf, zijn eigen belang niet opgegeven, dus had hij niets opgegeven, over gegeven!

Judas was van dezelfde gezindheid , en had liever de kostbare mirre verkocht om zichzelf te bevoordelen en allen stemden met hem in.

Na het verraad en de verloochening hebben beiden berouw. Ook Judas van wie we in Matthéüs lezen: ‘Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden’ en hij verhing zich. Judas zoekt en vindt de dood en Petrus ontvangt nog een geweldige opdracht. Beide hebben berouw, maar er is een verschil van leven en dood.

Bepalend is: waar ga je heen in je nood? Judas ging naar de overpriesters en oudsten terug, maar vond geen genade, enkel afwijzing en veroordeling: ‘Wat gaat ons dit aan? Je moet zelf maar zien wat er van komt’. Dit is demonisch, dit is door satan geïnspireerd. Deze uitspraak komt overeen met het antwoord van Kaïn aan God: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’

Petrus gaat naar zijn broeders, ontvangt begrip, steun en bemoediging en hij behoudt het leven. Zo is de gemeente de weg ten leven. Daar kun je niet omheen. Klaas Goverts zei eens: ‘Er zijn geen omwegen, alle andere wegen zijn omwegen’. Het zijn dood­lopende wegen.

Jezus is een doorgaande weg. Gods weg loopt niet dood, maar brengt door middel van de gemeente het leven. Zijn plannen worden waarheid in mensen, die tot alle goed werk volkomen zijn toegerust. ‘Wie Mij volgt’, sprak Jezus, ‘zal nooit in duisternis, in onwaarheid, wandelen’. Hij raakt de weg niet kwijt. Daarom is er geen midden­weg, geen compromis. De Here onze God is één! Er is slechts één evangelie en Paulus schrijft aan de Galaten dat wie een ander evangelie predikt, vervloekt is. Daarom gaat hij niet-waarheid-predikers niet uit de weg opdat de waarheid van het evangelie bij hen zou blijven (Gal. 02:05).

Paulus wil de rechte weg bewandelen naar de waarheid van het evangelie, zodat de vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, ons niet ontnomen wordt en wij tot slavernij gebracht zouden worden. De wet -het evangelie- in handen van satan brengt veroordeling, straf en schuld, maar de wet in Gods handen geeft onderwijzing tot bevrijding. Dan kan men in waarheid wandelen doordat men God kent.

Zo wordt God, de onzichtbare, in waarheid zichtbaar in de mens: de bevrijde mens, de mens in waarheid, de mens in waardigheid, de mens in het evangelie waardig. Jezus, het lam als geslacht, is waardig de boekrol te openen. Hij is waardig. Hij is de waarheid. Hij legt het meeste gewicht in de weegschaal door zijn wezen, zijn karakter, door zijn omgang met de Vader. De weegschaal slaat door. Goud, zilver en edelgesteente blijken zwaarder te zijn als hout, hooi en stro.

Jezus is de waarheid en vertegen­woordigt echtheid, hechtheid en betrouwbaarheid. Het Griekse woord voor ‘waarheid’ kan vertaald worden door ‘de ware aard, de werkelijkheid, de waarachtigheid’ en zelfs door ‘rechtvaardigheid’. Jezus is de waarheid. Hij is alle moeite waard.

Deelhebben aan de waarheid

Wie heeft het meeste deel aan deze waarheid, aan Zijn ware aard? Het gaat om het wezen der dingen. Het woord ‘waarheid’ komt in de grondtekst niet in het meervoud voor. Het gaat niet om de vraag: ‘Wie heeft de meeste waarheden?’. Het is ook niet mogelijk van het woord ‘waarheid’ een werkwoord te maken. We hebben deel aan de waarheid, we zijn in de waarheid, we zijn gerechtvaardigd en gevrij­waard van de leugen. Wij ontvingen in Christus een vrijwaringsbewijs. Daarom gaan wij, wat er ook gebeurt, wat de tegenstander ons ook aan wil doen, vrij uit! Jezus stelt ons in de waarheid en vrijwaart ons van zonde, schuld en veroordeling. Wij volgen Jezus en rijden evenals Hij op witte paarden. ‘En in hun mond is geen leugen gevonden, ze zijn onberispelijk’.

Hoe gaan wij om met wat ons waar lijkt? Wat houden we voor waar? Hoeveel mensen zijn er door de eeuwen heen gedood, terwijl de moordenaars dachten de waarheid te dienen, maar Jezus in zijn ware aard niet werd gezien?

De Schriftgeleerden en oudsten hebben de Christus gedood om wat in hun ogen de waarheid was. Is het misschien mogelijk dat ik mijn broeder doodt, veroordeel, afstoot om de door mij zo hoog geschatte waarheden?

De Joden trekken de conclusie dat Jezus God heeft gelasterd en in Leviticus 24 vers 16 staat geschreven: ‘Wie de Naam des Heren lastert, zal zeker ter dood gebracht worden”. Ze kwamen voor God op en doden de Zoon. Met de Bijbel in de hand, kruisigen ze Jezus. Ze hadden niet door dat de beheersers van deze eeuw, de machten der duisternis, door hen hun plan uitvoerden (1 Kor. 01:08).

Geen wettische waarheid

De waarheid van het evangelie mag nooit wettisch worden in ons leven, want dan houdt het evangelie op blijde boodschap te zijn. Waar waarheid als wet wordt toegepast, verdwijnt genade. Barmhartigheid roemt tegen elk oordeel. Jezus haalt de profeet Hosea aan en zegt: ‘Barmhartigheid wil Ik en geen offerande’. De Farizeeën passen de wet toe wanneer de discipelen aren plukken op sabbat, maar Jezus kent zijn Vader en stelt alles onder de wet der liefde.

Betekent de vraag: ‘Wat is waarheid?’, dat er een antwoord gevonden moet worden op de vraag: “Wat mag wel of wat mag niet?’ Volgens de wet mocht een Jood in het Oude Verbond nimmer trouwen met een vrouw uit de heidenvolken. Was dit toch gebeurd dan moest er steniging volgen!

Jezus wordt genoemd de Zone Davids, de man Gods. David was de zoon van Isaï, de zoon van Obed, de zoon van Boaz en Ruth, de Moabitische! Boaz was de zoon van Salmon en Rachab, de Kanaänietische uit Jericho! In het voorgeslacht van David en van Jezus komt dus tweemaal een vrouw voor uit de heidenvolken.

Ruth en Rachab heffen de wet op door zich te verenigen met het volk van God en God past de wet niet wettisch toe. De gerechtigheid van de Farizeeën en Schriftgeleerden brengen Jezus om het leven terwille van hun waarheid, hun begrip van wat waarheid is.

De waarde van de waarheden is verschillend voor een klein kind met zijn fantasie en voor iemand die op het sterfbed ligt en misschien eindelijk in staat is alle leugens af te leggen. Wanneer door de radio vermeld wordt dat het een prachtige zomerdag is, heeft deze waarheid voor een gevangene in zijn cel, die dit beluistert, weinig waarde, weinig werkelijkheid. Welke waarde heeft een preek over de drie-eenheid -wel of niet-, wanneer je vrouw overspannen is en de vader vier kleintjes over de vloer heeft? Hoe moet je verder als je gemeente door midden scheurt terwille van één der waarheden? Wat beleef je als je voorganger overspel heeft gepleegd?

Hoe beleven we alle dingen om ons heen? Een auto is een auto, dat is waar. Maar hoe ver kom je met een auto zonder benzine of zonder accu of zonder contactsleutel? Wat kunnen we met een evangelie zonder bevrijding of zonder de doop met de heilige Geest of zonder geloof in het zoonschap?

Wees een boodschap!

Wij hebben de boodschap! Zeker weten, tenminste voor zover ik het weet, anders zou ik het anders weten. De boodschap werkt, brengt goede vruchten voort. Prijs de Heer! Maar maak haar niet tot onze boodschap, mijn boodschap. Wees veeleer een boodschap! Een boodschap is immers altijd bestemd voor de ander. Wanneer we de boodschap voor onszelf gaan reserveren, is het gevaar groot dat we de ander buiten sluiten of zelfs gaan veroordelen. ‘Ik heb de waarheid, de boodschap en de ander moet luisteren. Wie niet luistert, wordt veroordeeld’. Wie oordeelt, denkt de splinter te zien in het oog van zijn broeder, maar zie de balk in eigen oog.

Wie oordeelt stuurt zijn broeder weg en blijft alleen over.

Jezus zoekt daarentegen zijn broeders en bidt voor hen in plaats van te veroordelen. Hij werd zelf veroordeeld tot de dood maar blijft bidden: ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat waarheid is’. Geen oordeel over hen en over mij maar een gebed werd de waarheid. Een gebed om de nood van de ander, de broeder, opdat deze niet omkomt, niet te kort komt aan waarheid.

Maar wie is dan wel mijn broeder? Wie de wil doet van de hemelse Vader! Hij gaat het Koninkrijk Gods binnen. ‘Wie in Mijn woord blijft is in waarheid Mijn discipel en hij zal de waarheid verstaan en de waarheid zal hem vrijmaken’ (Joh. 08:32). Waarvan? Van dood en verderf en alles wat daarmee verbonden is. Wie Gods woord bewaart, waarheid doet zijn, zal de dood in eeuwigheid niet zien. Hij is beschermd en geborgen. Hij komt veilig thuis. Buiten het ‘Vaderhuis’ is de put van eenzaamheid en verlatenheid. Daar is alleen de waarheid van haat, honger en dood.

Wie gemeentevisie heeft, heeft kijk op de thuiskomst. Daar kom je om te herstellen. Daar is shalom, echte vrede als volkomen bevrijding van aanklacht, schuld, verwerping, demonie en leugen. Jezus bidt: ‘Heilig hen in uw waarheid, uw woord is de waarheid’ (Joh. 17:17). In het Woord ligt onze bevrijding en waarheid. Wanneer de Zoon, het vleesgeworden Woord, ons heeft vrijgemaakt, dan zijn we werkelijk vrij, dan kun je gaan nadenken over de waarheid. Niet in de gevangenis, niet in de duisternis, maar in Gods tegenwoordigheid is overvloed van vreugde omdat er vrijheid is. Waar de Geest des Heren is, is volkomen verlossing, daar komt het zoonschap tot openbaring. Waar de Geest des Heren de leiding heeft, daar zijn de zonen Gods.

Zo is Jezus de Zoon van God. Hij is één met zijn Vader. Zoals Hij spreekt, is Hij in waarheid. Wat Hij belooft, doet Hij in waarheid. Woord en daad zijn één. Alle beloften Gods zijn in Hem: ja, waar gemaakt, amen. Ons geloof in Zijn woord, maakt dat woord tot werkelijkheid, tot waarheid. Ons geloof is het bewijs van de dingen die we nog niet zien. Wie, gelooft, ervaart het beloofde.

De waarheid van het Woord

Jezus heiligt zichzelf voor ons, gaf zichzelf volkomen voor ons, opdat ook wij geheiligd mogen zijn in waarheid (Joh. 17:19). In welke waarheid? De waarheid van het Woord.

Zo lezen wij onder andere in 1 Johannes 1 vers 9 (1 Joh. 01:09) dat indien wij onze zonden belijden, Hij getrouw en rechtvaardig is om ons de zonden te vergeven. En in Hebreeën 2 vers 15 (Heb. 02:15) staat dat Jezus de duivel onttroond heeft, opdat Hij allen zou bevrijden van de angst voor de dood. In Romeinen 8 vers 1 (Rom. 08:01) schrijft Paulus dat er geen veroordeling is voor hen die in Christus Jezus zijn. Ook is er genezing door geloof in Gods woord. In Psalm 107 lezen wij dat Hij zijn woord zond en hen genas. En in Filippenzen 4 vers 6 (Filip. 04:06) schrijft Paulus dat we in geen ding bezorgd behoeven te zijn. Het zijn maar enkele voorbeelden die duidelijk maken hoe belangrijk het Woord is.

Hoe breng ik dit alles nu in praktijk? Hoe wandel ik in waarheid? In mijn eigen leven, in mijn gezin, in de gemeente, overal elders? Hoe bewaren wij de woorden Gods? Adam en Eva mochten de hof bewaren en bewerken (Gen. 02:15). Wanneer ze Gods woord bewaard hadden, dan hadden ze de hof bewaard, tot waarde gebracht. Zij zouden zenen Gods zijn en de heerlijkheid van God gezien hebben. Jezus sprak bij de opwekking van Lazarus: ‘Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heer­lijkheid Gods zult zien?’ (Joh. 11:40). De heerlijkheid van God heeft eeuwigheidswaarde. Het is het enige wat blijft in eeuwigheid. Daar hebben de zonen Gods, die in waarheid wandelen, kennis van genomen. Zij worden door God geleerd.

Velen zullen tot de Heer zeggen: ‘In Uw naam hebben we geprofeteerd en in Uw naam boze geesten uitgedreven en in Uw naam vele krachten gedaan…’ Maar Hij antwoordt: ‘Ik heb u nooit gekend’.

Van de dwaze maagden zegt de bruidegom: ‘Voorwaar, Ik ken u niet, Ik weet niet vanwaar gij zijt’ (Matteüs 25 en Luc. 13:25). Dat wil zeggen, hun oorsprong is niet bekend, ze zijn niet uit God geboren. ‘Ik ken je niet, Ik herken je niet, Ik zie in jou niet de kenmerken Gods’.

Jezus vertelt een verhaal over een rijke en een arme man. De arme man heeft een naam: Lazarus = ‘God helpt’. De rijke is een naamloze. Hij heeft geen naam, geen karakter. Gods karakter wordt niet herkend. Zorg datje een naam hebt. Zorg dat je naam, je wezen, in waarheid staat opgetekend in de hemel (Luc. 10:20). Dan is er reden tot blijdschap!

Gods naam is liefde en ontferming. God is liefde. Wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem. Dat bewerkt waarheid en vrijheid. Wie in de liefde blijft, is vrij van mensen, om mensen te kunnen dienen.

Jezus was volkomen vrij en geeft ons een voorbeeld door de voeten van de discipelen te wassen. Hij was volmaakt in vrijheid, wanneer Hij aan het kruis blijft hangen en bidt: ‘Vader, vergeeft het hen, ze weten niet wat waarheid is’.

Wees ook herkenbaar voor God. Laat de Zoon herkenbaar zijn in je leven voor God. De Zoon van wie de Vader zei: ‘Dit is Mijn geliefde Zoon, van wie Ik houd’. Dat is echte waarheid. Dat helpt je er doorheen. ‘God houd van mij, van jou’. Dit aan de mensen bekendmaken, laten voelen, laten beleven, is gemeentebouw.

Dat is de vervulling van de wet, die ook Jezus heeft vervuld. Dan kun je aanbidden in geest en in waarheid.

De Schriftgeleerden aanbaden niet in waarheid. Ze waren niet vrij, niet vrij van zelfzucht en daarom gold hun aanbidding henzelf en werd zij een leugen.

De aanbidding van Jezus aan het kruis betrof ons. Zijn liefde weerstond zelfs de dood, want wie liefheeft, blijft niet in de dood. Ook wij zijn overgegaan uit de dood in het leven, omdat we de broeders liefhebben (1 Joh. 03:14; een tekst om over na te denken).

Satan wil de bevrijding van onbarmhartigheid tegenhouden. Maar Gods liefde werkt in ons en wij groeien, ons aan de waarheid houdende, in liefde, naar Hem toe. Wij groeien zelfs van de waarheid naar de volle waarheid of wel naar alle waarheid.

Zo wordt het beeld Gods in ons openbaar. De mens Gods in volkomenheid, tot alle goed werk volkomen toegerust. Gods werk, Gods plan gaat door, het einddoel wordt bereikt. Kom tot het besef van deze waarheid: God is liefde, Jezus is het bewijs.

 

De blauwe kamer door Ron Gast

Langs een rivier, ergens in het midden van ons land, ligt een verlaten steenfabriek. Tientallen jaren hebben mensen hier dakpannen en stenen gemaakt. Vele huizen in het land zijn zo de afgelopen decennia opgetrokken met bouwmaterialen uit het rivierengebied.

De rivier bracht eeuwenlang vruchtbare klei vanuit het bovenstroomse gebied naar het laagland. Op de klei werd naar verhouding weinig ‘geboerd’: de rivier overstroomde te vaak de laag liggende uiterwaarden. Daarom bleef de land- en tuinbouw hoofdzakelijk binnendijks; buitendijks heerste de rivier. Toch wisten ondernemende mensen hun voordeel te doen met dit ogenschijnlijke nadeel.

Deze mensen kwamen er achter dat de klei ook prima geschikt was voor de steen- en pannenbakkerijen. Ter weerszijden van de grote rivieren van Nederland vinden we ze: de steenfabrieken. In de directe omgeving werd de klei gewonnen; overal zijn de vergraven terreinen waarneembaar. Onregelmatig afgegraven, soms nog gras, vaak dras of moeras. Niet meer geschikt voor nuttig gebruik.

Niet meer geschikt? Welzeker geschikt! De schepping heeft haar schoonheid niet verloren. Een nieuwe natuur is aan het ontstaan, de natuur herstelt zich! Waar vroeger rond de steenfabriek ‘De Blauwe Kamer’ de machines groeven en de fabriek een zwarte walm uitblies, is nu een oase voor plant en dier in ontwikkeling. En om de natuurlijke processen een handje te helpen, begeleiden biologen (kenners!) deze natuurontwikkeling.

Soms zijn mensen(-levens) als afgegraven terreinen: ze dragen de sporen van langdurig en zwaar gebruik. ‘Afgeschreven’ voor de wereld. Ieder laat zulke mensen links liggen; niets meer te halen, niets meer mee te beginnen.

En dan komt God. Hij ziet nieuwe mogelijkheden. Hij kent het herstellingsvermogen van Zijn schepping, van Zijn schepselen. En omdat Hij er in gelooft, stuurt Hij Zijn ‘levensdeskundlge’ om een handje te helpen.

God zelf geeft het vergraven leven vernieuwde kracht; Zijn eeuwig stromende rivier met levend water zorgt daarvoor.

En wij? Wij mogen er van genieten. Genieten dat God niet ophoudt met mensen te herstellen en te vernieuwen, met u, met mij.

 

Helden grijpen ernaar door Evert van de Kamp

“Sinds de dagen van Johannes de Doper tot nu toe breekt het Koninkrijk der hemelen zich baan met geweld en geweldenaars grijpen ernaar” (Matt. 11:12).

Er zijn van die Bijbelteksten die je om de een of andere reden danig kunnen intrigeren. Bovenstaande tekst, in die vorm althans, is er voor mij zo één. Ik heb altijd al het gevoel gehad: hier (met deze NBG- vertaling) klopt iets niet. Ik kan niet voldoende uit de voeten met de woorden ‘geweld en geweldenaars’. Tenminste niet in de context, de samenhang, van dit verhaal. Het woord van de Heer tot Zerubbabel luidde al: “Niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest!” (Zach. 04:06). De woorden in de Griekse grondtekst kunnen mij in de gegeven letterlijke vertaling al evenmin helpen. Die woorden zijn: “Het Koninkrijk der hemelen wordt geweld aangedaan en geweldenaars rukken het weg”. Nu vinden alle bijbelvertalers dat de vertaling erg moeilijk is. Iedere vertaler vraagt zich in gemoede af: wat bedoelt de bijbelschrijver nu precies? Dan komt het er heel erg op aan: versta je watje leest? De uitleg kan de vertaling behoorlijk beïnvloeden. En dan kun je lelijk de mist ingaan.

Versta je werkelijk wat je leest?

Dat blijkt in de praktijk soms best moeilijk te zijn, ondanks alle goede bedoelingen. De ene vertaling is de andere niet. Soms spreken de verschillende vertalingen elkaar tegen.

Het is niet doenlijk al die vertalingen in een paar zinnen met elkaar te vergelijken. Een enkel voorbeeld verduidelijkt hopelijk wel wat.

Zo zeggen de Statenvertalers: “Het Koninkrijk der hemelen wordt ? geweld aangedaan en de gewel­denaars nemen hetzelve met geweld”.

In datzelfde spoor zit de populaire Goed Nieuws Bijbel met: “Het hemelse Koninkrijk heeft het zwaar te verduren; geweldige machten proberen het te nemen”. Deze vertalers suggereren in het eerste vers deel dat de tegenstander, de duivel met zijn trawanten, een geweldige druk uitoefenen op het Koninkrijk van God en in het tweede vers deel dat de vijandige geweldenaars het wegroven. En inderdaad, die strijd in de hemelse gewesten of de onzienlijke wereld kennen we.

Maar de vraag is of deze uitleg, gezien het gehele verband, hier wel juist is. Het tekstverband spreekt namelijk ten eerste niet van zo’n gewelddadig optreden en ten tweede is de gedachte van een wegroven van het Koninkrijk moeilijk aanvaardbaar. De meeste commentatoren kunnen zich in deze opvatting vinden en dat terecht, denk ik.

De Leidse vertaling komt al wat dichterbij. Die zegt: “Op het Koninkrijk der hemelen wordt storm gelopen, en bestormers grijpen er met geweld naar”. Beide tekstdelen zeggen hier echter hetzelfde en dan gaat er toch een stuk verloren van de wezenlijke inhoud.

Ik vond een veel bevredigender vertaling, mooi en duidelijk. Hij is van Herman Ridderbos en luidt: “Het Koninkrijk der hemelen breekt zich krachtig baan en die met kracht te werk gaan, nemen het als buit”. In het eerste deel valt het volle accent op het Koninkrijk van God dat ‘krachtig’ baan breekt en in het tweede deel wordt verteld hoe wij met ‘kracht’ te werk kunnen gaan om het te verkrijgen.

Het Koninkrijk breekt krachtig baan

Vanaf de dagen van Johannes de Doper is de strijd in het Koninkrijk der hemelen ontbrand. Het is de strijd tussen het Koninkrijk van God en het rijk van de duivel, kortweg de geestelijke strijd. Johannes is de voorloper tot die strijd. Met Jezus ontbrandt de strijd ten volle. ‘Tot nu toe’, staat er. Dit ‘proces’ is dus nog niet afgelopen. In zijn kielzog volgen de Geest gedoopten de Heer Jezus Christus, de Zoon des mensen, de Zoon van God.

Johannes is voor Jezus meer dan een profeet. Letterlijk staat er in het Grieks: ‘Een voortreffelijker man dan een profeet’.

Waarom groter dan een profeet? Omdat zijn bediening (veel) meer inhield dan die van louter profeet alleen. Het is de bediening van Johannes de voorloper van de Messias, de Heer Jezus Christus, te zijn. Voor Jezus is Johannes meer dan de stem die roept in de woestijn!

Vervolgens zegt de Heer iets dat nog opmerkelijker is: “Maar de kleinste in het Koninkrijk der hemelen is groter dan hij” (Matt. 11:11). Waarom groter dan de heraut Johannes? Omdat de kleinste in het Koninkrijk der hemelen een nog groter bediening ontvangt dan Johannes de Doper ontving, namelijk dezelfde bediening als Jezus.

Die bediening staat beschreven in Matteüs 10 vers 7 en 8 (Matt. 10:08): “Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet”.

In de Openbaring van Johannes lezen we in hoofdstuk 19 vers 11 tot 16 (Openb. 19:11-16) van die geestelijke strijders in het Koninkrijk der hemelen. De ruiter (Jezus) op het witte paard (beeld van de heilige Geest) velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. Hij wordt gevolgd door de heerscharen, die in de hemelen (hemelse gewesten) zijn, op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. De zonen Gods worden openbaar.

Met kracht, de kracht van Gods Geest, als een storm, wordt steeds weer een geweldige slag toegebracht aan de heerschappij van de satan. Er is sprake van een enorme geestelijke worsteling. Hoe is dat?, vraagt Johannes zich af. Op zijn vraag hoe het met die strijd staat, krijgt Johannes ten antwoord: “Blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie”. Niet ten overvloede voegt Jezus er aan toe: “En zalig is wie aan Mij geen aanstoot neemt”. Want er zijn er die zich ergeren en zelfs afhaken. Laten wij bidden, niet definitief.

De enorme realiteit van dit alles wordt in Matteüs 12 vers 28 (Matt. 12:28) in één zin samengevat: “Indien Ik (Jezus) door de Geest Gods de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk Gods over u gekomen”.

Het is niet tegen te houden. De heilige Geest is de baanbreker aller tijden. In onze tijd zelfs meer dan ooit. Jezus, de eerste Geest gedoopte, zette dit proces in gang. Hij bracht de satan slag op slag toe (Hand. 10:38).

En Jezus sprak: “Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze” (Joh. 14:12).

Ieder dringt zich erin

Lucas 16 vers 16 (Luc. 16:16): “Sinds de tijd van Johannes wordt het evangelie gepredikt van het Koninkrijk Gods en ieder dringt zich erin”, is een prachtige aanvulling. Het sluit welhaast naadloos aan bij de vertaling “die met kracht te werk gaan nemen het als buit”.

Dat zijn geen mensen die er moeiteloos bij willen horen. Integendeel, het zijn gedreven mensen die alles op alles zetten om doelbewust en vol ijver de kans te grijpen het Koninkrijk van God binnen te gaan.

In Jezus’ dagen waren dat, naast zijn discipelen, onder andere tollenaars en hoeren. Indringers, zonder recht of aanspraak op dat Koninkrijk, verschaffen zich met ‘geweld’ toegang. Toen ze het Koninkrijk eenmaal zagen, kon niets hen weerhouden de ‘buit’ te nemen. De poorten staan immers open voor hen die het in bezit willen en kunnen nemen. Elk die wil mag komen! Het zijn de geestelijke ‘krakers’ die komen. Alles hebben ze er voor over om dat Koninkrijk te winnen.

Het woord ‘geweld’ drukt de kracht uit en de Vurige, felle begeerte om het doel te bereiken. Voor gemakzucht is geen plaats. Omdat er ook tegenstand is, moet er gestreden worden (Matt. 07:13-14).

Er is sprake van een geestelijke bestorming. Die beeldspraak herinnert aan iemand die een burcht of een stad bestormt (kraakt) en die geen moeite schuwt zijn poging te laten gelukken.

Met kracht te werk gaan, is mogelijk geworden door de doop in de heilige Geest. De Geestesgaven zijn gegeven om zonen Gods in staat te stellen volledig te overwinnen. Het Koninkrijk van God breekt zich krachtig baan en zonen Gods zetten alles op alles om de volle buit op satan binnen te halen.

Helden grijpen ernaar

Van een Spaanstalige Nederlandse zendeling hoorde ik dat er een Spaanse vertaling is die spreekt van: ‘Helden grijpen ernaar’. Naar mijn ‘gevoel’ is het dat helemaal. Dit komt heel dicht bij de bedoeling van de grondtekst.

Maar wat is een held? Wie is een held? De volksmond zegt wel: ‘Helden worden niet geboren, helden worden gemaakt’. Terecht, in bijzondere vaak zeer moeilijke en zelfs bizarre omstandigheden en toestanden, schiet als het ware ineens een ‘held’ naar voren. We kunnen het best naar Bijbelse voorbeelden zoeken.

In ons Bijbelgedeelte, Matteüs 11:2-15 (Matt. 11:02-15), ziet Jezus de baanbreker Johan- nes de Doper niet als een min of meer zielige twijfelaar, maar als een waardige bondgenoot, een held Gods. Dat blijkt uit de drie vragen die Jezus de omstanders stelt: ‘Wat zijn jullie gaan zien?

Een riet, door de wind bewogen? Een wispelturig mens? Dat absoluut niet.

Een mens, in weelderige (Grieks: zachte) kleding? Een slappeling, een lafaard misschien? Hij zat gevangen omdat hij Herodes Antipas verweet de vrouw van zijn broer te hebben afgenomen.

Een profeet dan? Inderdaad, maar meer dan een profeet’.

Van Jezus zingen wij: ‘Geen graf hield Davids Zoon omkneld,

Hij overwon, die sterke Held’.

Ik denk aan de ‘stotteraar’ Mozes: “Ik ben geen man van het woord, ik ben zwaar van mond en zwaar van tong” (Ex. 04:10). Hij werd een man Gods, een held.

Voor mij is Gideon ook zo’n man. Weggekropen vanwege het gevaar der Midianieten, zoekt de engel des Heren hem op en zegt: “De Heer is met u, gij dappere held!” (Richt. 06:07-17). God had een geheel andere kijk op hem, dan Gideon zelf.

De helden Gods, er waren en er zijn er heel veel, zijn bepaald geen krachtpatsers. Dat wordt trouwens ook niet van hen verwacht.

In zijn proefschrift ‘Het Lied van de Doortocht’, geeft dr. Klaas Goverts een treffende typering. Hij zegt: ‘De strijder Gods is niet de tarzanfiguur, niet de krachtpatser, maar de man of vrouw met een ‘andere geest’ (zoals van Kaleb gezegd wordt), vaak in gevaar, soms ‘dodelijk moe’, doch juist dan dragend het ‘stigma van uw aanwezigheid’, hun enige wapen is maar al te dikwijls dat ze wakker liggen in de nacht der tijden’.

En dan verwijst Goverts naar een versregel uit de strijdzang der Tabonieten (radicale Hussieten): ‘Het heidendom heeft zijn helden, maar de God van Israël heeft zijn mensen. Er is geen groter held dan hij of zij die waarachtig mens is’.

In Hebreeën 11 vindt u een bijna complete lijst van deze mensen, van geloofshelden. Gods monument. Stuk voor stuk mensen die zichzelf zwak noemen, maar die sterk waren in hun God.

Mensen als de apostel Paulus die van zichzelf getuigde: “Als ik zwak ben, dan ben ik machtig” (2 Kor. 13:10). Terwille van Christus was hij een held. Een godslasteraar, een vervolger, een geweldenaar promoveerde tot ‘lam’ (1 Tim. 01:13). Een held Gods is voor mij de gelovige man of vrouw in de straat die het Woord van God onvervalst vasthoudt, die te allen tijde zijn of haar geloof in de Heer bewaart en de helper is van zijn of haar naaste. Met een groot woord: de mens Gods in Christus. De held die zich in het Koninkrijk Gods dringt en dat nooit meer loslaat.

 

Strijd en aanbidding door Margreet Gast

Het lijkt zo’n tegenstelling: strijd en aanbidding. Bij aanbidding denken we aan: vrede en liefelijkheid, aan zingen en spreken tot Gods hart, aan een klimaat van intense, heilige toewijding.

Bij strijd komt eerder het beeld op van moeite en zuchten, van verbeten vasthoudendheid, van roepen tot God in benauwdheid.

Toch hebben strijd en aanbidding alles met elkaar te maken: een aanbid­der die de geestelijke strijd niet voert, bestaat niet. En evenzo kan een strijder in Gods leger niet anders dan een aanbidder van God zijn.

Het Woord in ons

Strijd en aanbidding worden aan elkaar gekoppeld in het leven van een kind van God, door de doorleefde, in geloof aanvaarde waarheid in en over hemzelf. Een christen leeft vanuit de waarheid geopenbaard in de Zoon. Gods woord, we zullen het moeten kennen, heel gewoon door ons erin te verdiepen, de Bijbel te lezen, de studies en spreekbeurten in de gemeente goed te volgen.

Maar we zullen nog meer met het Woord moeten doen: het aanvaarden als gezaghebbend. In gehoor­zaamheid laten we Gods Woord het laatste woord hebben in ons leven. Dan wordt het: ‘Elk van God ingegeven Schriftwoord is voor mij persoonlijk neergeschreven. Het is van toepassing op mijn persoonlijk leven’.

En dan gaat het zijn werk doen: als een scherp tweesnijdend zwaard gaat het scheiding brengen in ons denken. Want God zal met ons spreken over onszelf. Hij maakt ons duidelijk wie we zijn in Hem. Ons eigen-’wijze’ denken en de leugens van satan -ook in ons gevoelsleven­ worden aan het licht gebracht… En de strijd is een feit! Geleid door de Geest der waarheid worden ons onze onzienlijke vijanden feilloos bekend gemaakt.

Relatie met God

Het gesprek met onze hemelse Vader, daar ligt de kern van ons bestaan. Daar wordt de aanbidding geboren. Want wie heeft ooit zulke liefdevolle, herstellende, heilvolle gedachten over ons gekoesterd dan alleen onze God? En wie heeft ons meer hoop voor ons leven gegeven dan Hij? En wie is ons meer tot Leidsman en Leraar geweest dan Jezus Christus? Niemand! Deze Heer aanbidden spreekt dan ook vanzelf!

Iedereen die deze liefde tot de waarheid heeft, zal dan ook elke leugen haten. Ook de leugen en zonde in eigen leven. Er is enorme geesteskracht in het liefhebben van dit evangelie van bevrijding.

Diezelfde kracht zal zich keren tegen de satan, de leugenaar en zondaar vanaf het begin.

Wie gekozen heeft voor Jezus wil niets liever dan helemaal bekwaam worden Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid. En als zonde, gebondenheid, verkeerd denken, ons afhouden van die dienstbaar­heid, is het duidelijk: de strijd zal gestreden worden, met de overwinning in Jezus Christus voor ogen.

Het gesprek met de hemelse Vader, daar ligt ons bestaan. We laten ons door Hem openbaren hoe het in ons leven is gesteld. We laten ons Zijn plan voor ons leven en de gemeente ontvouwen. Een schare die niemand tellen kan, zo velen zullen Zijn aanbidders zijn! En diezelfde schare zal Zijn leger vormen, dat, onder aanvoering van Jezus, de satan zal overwinnen. Wie dit hoort, wil er deel aan hebben!

God steeds meer kennen, houdt onafwendbaar in: Hem meer liefhebben, meer eren en roemen. De liefde voor de Vader houdt in dat het verlangen Hem gehoorzaam te zijn steeds sterker wordt.

Je toewenden naar het licht is: je afwenden van de duisternis.

Je laten grondvesten in de waarheid is: je losrukken uit de leugen.

Je laten bekleden met de mantel der gerechtigheid is: de zonde afleggen. Je hart geven in liefde en gehoor­zaamheid aan God is: onaantastbaar willen worden voor satan.

De Heer der heerlijkheid aanbidden is: elke macht der duisternis maken tot een voetbank voor Zijn voeten. De Geest van God heeft een vuur in ons hart doen ontbranden, dat ons intens toegewijd doet zijn aan God en ons met goddelijke kracht vervult om elke vorm van duisternis te overwinnen.

Aanbidding en strijd, twee uitersten in een christenleven? Aanbidding en strijd: onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze komen vanuit dezelfde bron: een mensenhart, gevonden, gereinigd, bemind en hoog verheven door zijn God. Want de waarheid van God is: ‘De lof verheffingen Gods zijn in hun keel, en tweesnijdend zwaard is in hun hand’ (Psalm 149:006).

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God (8)

De gemeente en de antichrist (2)

(Openb. 11:03, Openb. 11:7-13; Openb. 16:01-18; Openb. 19:19-21. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari).

Opnieuw gaan we ons bezig houden met de gebeurtenissen, aangekondigd door de vierde tot en met de zesde bazuin. Daarover is al eerder verwezen naar Openbaring 8 vanaf vers 12 (Openb. 08:12) en Openbaring 9. We maken nu een begin met de zevende bazuin.

Dit keer behandelen we hoe de antichrist zijn gemeente vormt, de confrontatie met de Gemeente en de zeven plagen. Daarvan heeft de laatste betrekking op de slag van Harmagedon. Daarbij gaat het ons niet om de details, maar om de essentie.

De antichrist; wat is de aard van zijn werk?

Lijkt de woordverkondiging van de antichrist ogenschijnlijk aantrekkelijk en oogsten zijn wonderen veel waardering, al snel zal blijken dat het allemaal minder vrijblijvend is dan het in eerste instantie leek. Diegenen die direct helemaal voor hem kiezen, zullen zelf nog geen-last hebben van de occulte inwoning van de geest uit de afgrond, hoewel ze wezenlijk daardoor veranderen. Maar diegenen uit Babel die niet direct kiezen of meelopers zijn, komen al snel onder een grote geestelijke druk te staan, veroorzaakt door horden occulte geesten die uit de afgrond worden opgeroepen. Dit is een bewuste daad van de antichrist en zijn volgelingen om door geestelijke pijniging tot een keuze te dwingen. De gebeurtenissen na de vijfde bazuin getuigen daarvan.

Door het ‘verbond’ met Apollyon, de vorst over de afgrond, is het voor de antichrist nog maar een koud kunstje om de geesten die gebonden waren in de afgrond, los te maken en in te zetten in zijn sinistere plan. Dat betreffen geesten die onder andere door de gelovigen in de voorbije eeuwen in de afgrond waren geworpen! Die worden er nu weer uitgehaald. Na een periode van inactief-zijn en vernedering gaan ze, onder de meedogenloze leiding van de antichrist, er vele malen actiever tegenaan. Het gevolg is dat de wereld bijna bezwijkt onder de horden duistere occulte machten uit de afgrond. Als rook stijgen ze op, ook worden ze vergeleken met sprinkhanen, schorpioenen en paarden met leeuwentanden.

Het geestelijke klimaat op aarde verandert daardoor. De pressie zoals die nu ervaren wordt is er nog nooit geweest (Matt. 24:21). Iedereen krijgt er mee te maken, inzonderheid hen die in geestelijk opzicht in Babylon vertoeven. Gepijnigd tot het uiterste worden ze tot een keuze voor de antichrist gedwongen. Hij biedt ze verlossing aan. Maar door gebrek aan geestelijk inzicht wordt de oorzaak van de geestelijke pressie niet duidelijk en van echte verlossing is al helemaal geen sprake.

De wijze waarop de antichrist met mensen omgaat is te typeren met: manipuleren, intimideren en overheersen. Wordt men niet goedschiks -door verleiding- volgeling van hem, dan maar kwaadschiks, door middel van geestelijke pressie. Zo bouwt de antichrist zijn gemeente.

Hoe ondergaat de Gemeente deze periode?

Uiteraard gaat deze periode niet ongemerkt aan de Gemeente voorbij! Er heerst een grote geestelijke verdrukking in de wereld. Maar het treft haar niet! Ze leeft in geestelijk opzicht immers in de woestijn, buiten het gezicht van de slang (zie deel 5).

De Gemeente is te vergelijken met de ark van Noach: de rechtvaardige zonen Gods bouwen de ark en het zwakke vindt er bescherming in (zie bijvoorbeeld Openbaring 9 vers 5 (Openb. 09:05). De zonen Gods kunnen volmaakt heiligen hen, die zich daaraan onderwerpen. Pasbekeerden worden ingevoegd. Zij die onder grote geestelijke druk uit Babylon gevlucht zijn, vinden onderdak, bevrijding en vernieuwing.

Zo gaat de ontwikkeling van de Gemeente wereldwijd ‘gewoon’ door. De antichrist trekt weliswaar alle aandacht met zijn nieuwe leer voor een betere wereld, gepaard gaande met occulte tekenen en wonderen. Het verschil in optreden tussen de antichrist en de Gemeente is groot: spektakel versus eenvoud. Maar dat wil niet zeggen dat de Gemeente de mindere is, in tegendeel zelfs. De zonen Gods hebben autoriteit ‘om de hemel te sluiten’ (Openb. 11:06), en dat zullen ze in confrontatie met de antichristelijke gemeente vaak doen als het om behoud van mensen gaat die zoekende zijn naar de waarheid. Lees in dit verband ook nog eens wat ik daarover schreef in de delen 4, 5 en 6.

Verliest de Gemeente het dan toch nog van de antichrist?

De haat tegen de Gemeente van Jezus Christus is onbeschrijfelijk groot. Overal waar van confrontatie sprake is tussen de Gemeente en de gemeente van de antichrist, moet de laatste het afleggen. De ontwikkeling van de antichristelijke gemeente vordert zover, dat de antichrist door zijn geest zijn gemeente de opdracht kan geven (dus op bovennatuurlijke wijze) om de Gemeente te vervolgen en te doden.

Dit is het moment waarop satan heeft gewacht en waarvoor hij zijn macht aan de geest van de antichrist heeft overgedragen: de volmaakte Gemeente, (in ieder geval een grote vertegenwoordiging van gemeenten over heel de aarde), wordt vermoord, wat tot een groot feest leidt (Openb. 11:07-10; Openb. 13:07).

Hoe is dat nu toch mogelijk? De Gemeente heeft toch autoriteit in hemel en op aarde? Dit geheimenis is groot. Eén ding is zeker: het past in het plan van God! Het is geen zwakheid van de Gemeente, maar een welbewuste keuze. Ze kiezen ervoor het getal van de martelaren vol te maken (Openb. 06:11). De volgende maand komen we hierop terug!

Let op het resultaat: ze staan op uit de dood met een verheerlijkt lichaam. Vanaf nu zijn ze niet meer gebonden aan de aarde: dit is de wederkomst des Heren in de Zijnen (2 Thess. 01:10). Ook zij die levend achtergebleven zijn veranderen in een punt des tijds. Zie in dit verband ook 1 Korinthiërs 15 vers 51 tot 57 (1 Kor. 15:51-57) en 1 Thessalonicenzen 4 vers 15 tot 17 (1 Thess. 04:15-17).

De Gemeente is nu niet meer gebonden aan de aarde. Ze onttrekt zich aan de zichtbare wereld om zich voor te bereiden op de laatste confrontatie: de slag bij Harmagedon.

Wat is de reactie van de antichrist op de opstanding?

De verbijstering om de opstanding van de zonen Gods leidt in antichristelijke kring tot grote verwarring. Zou de antichrist dan toch ongelijk hebben? Zou Christus geen leugen maar toch de waarheid blijken te zijn? De antichristelijke gemeente schudt op haar grondvesten. Een deel trekt zich terug en erkent dat God machtiger is dan de antichrist (Openb. 11:13).

Maar de antichrist is woest. Door geestelijke intimidatie met behulp van zijn weerzinwekkende geest brengt hij weer orde in zijn gelederen. De plagen in de antichristelijke gemeente zijn voor een deel hierdoor verklaard, maar daarover straks meer.

Hij ontwikkelt een nieuw plan, opnieuw een reactie op wat God bewerkt heeft: als de Gemeente zich in de geestelijke wereld teruggetrokken heeft, dan zal hij haar opzoeken en in de onzichtbare wereld de strijd met haar aangaan. Daarvoor zal op grote schaal uittreding uit het lichaam plaats moeten vinden: een wereldwijde spiritistische seance.

Maar het lukt hem om zijn volgelingen de leugen te laten geloven: ‘Ze zijn gevlucht, we moeten ze achterna! Als wij ze achtervolgen dan is de gemeente van Christus te overwinnen en zijn wij heersers in hemel en op aarde’. Op deze wijze worden ze voorbereid en verzameld tot de oorlog (Openb. 16:13-14).

Hoe moeten we de plagen verstaan?

Als we de plagen behandelen houden we het axioma vast: God is enkel goed en wil dat alle mensen behouden worden!

De zeven plagen herinneren ons aan de plagen uit Egypte. Ook toen was sprake van een geweldige confrontatie tussen Mozes en Farao, of beter gezegd: tussen God en de góden van Egypte van wie de Farao op aarde de vertegenwoordiger was (Ex. 12:12). Door de weerspannigheid van Farao kwam het oordeel over zijn volk. Hoe dat gebeurde kunnen we bijvoorbeeld lezen in Psalm 78 vers 50 (Ps. 078:050): God behoedde hun zielen niet voor de dood maar gaf hun leven prijs…

De straf van God is dat Hij zich terugtrekt. Elke mens leeft in een zekere bescherming. Hij laat de zon opgaan over bozen en goeden (Matt. 05:24), maar bij welbewust verzet tegen God trekt Hij zijn bescherming terug, waarop de boze geesten hun kans grijpen. De plagen waren niets anders dan loon naar werken voor de Egyptenaren: boze geesten kunnen naar hun aard maar op één manier uitbetalen, met onheil en verderf dus. Maar wie gaf het sein? Wie bepaalde het moment dat de bescherming Gods terugweek? Mozes, zijn dienstknecht. Farao mocht kiezen, tot tien keer toe, maar hij wilde niet luisteren. Zo haalde hij het onheil over zijn volk

Eigenlijk gebeurt bij de antichristelijke gemeente niets anders: de haat en het verzet tegen God is zo groot dat de bescherming van zijn volgelingen wordt weggenomen, (deze actie vindt zijn oorsprong in de tempel, (Openb. 16:01) en de gevolgen van de occulte werken in de gemeente van de antichrist zichtbaar worden. De machten der duisternis leven zich helemaal uit in de mens. Naar geest, ziel en lichaam wordt hij aangetast. Zijn aard wordt gelijk aan dat van het beest uit de afgrond en van de antichrist. Zo er nog sprake zou zijn van inkeer, dan is dit de laatste kans.

Maar de respons lijkt nihil, zo verdorven is hun aard geworden dat ze God en de Gemeente lasteren en de schuld geven. De antichrist, de veroorzaker van de plagen, gebruikt deze om zijn volgelingen ’toe te bereiden’, om ze zover te krijgen dat ze hem in blinde haat zullen volgen om strijd te voeren tegen de Gemeente in de hemelse gewesten.

Is de slag bij Harmagedon langdurig en hevig?

De slag bij Harmgedon is de eindstrijd tussen Christus en de antichrist. Alle kracht en macht uit het rijk der duisternis stelt zich op. De gemeente van de antichrist trekt naar de inwendige mens de hemelse gewesten in. Dit is de grootste spiritistische seance ooit gehouden: hun inwendige mens verlaat het lichaam om oorlog te voeren.

Wie zijn hun tegenstanders? De ruiter op het witte paard gevolgd door de heerscharen die in de hemel zijn, ook op witte paarden: Christus en zijn verheerlijkte Gemeente (Openb. 19:11-16).

Is de strijd hevig? ‘Het is geschied’, staat er eenvoudig in hoofdstuk 16 vers 17 (Openb. 16:17). Zo groot is hun heerlijkheid en kracht dat hun machtswoord het duistere leger krachteloos maakt. De antichrist en zijn geest worden gegrepen en in de poel des vuurs geworpen, ook wel de buitenste duisternis of hel genaamd. Dit is de plaats, voor de satan bereid, waaruit terugkeer in der eeuwigheid niet meer mogelijk is. Zijn volgelingen worden met een gezag woord (het zwaard) in de afgrond -het duistere deel van het dodenrijk- geworpen om te wachten op het laatste oordeel (Openb. 19:19-21). Ook satan wordt gegrepen en voor duizend jaar, uiteraard symbolisch bedoeld, gebonden in de afgrond (Openb. 20:01-03).

De overwinning op het rijk der duisternis is zo gigantisch dat op aarde alle (niet christelijke) religieuze systemen hun macht en invloed op de mensheid verliezen (Openb. 16:19-20).

Er breekt een nieuwe tijd aan: de tijd van herstel aller dingen!

1992.07-08 nr. 339

Levend geloof 1992.07-08 nr. 339

Geen plaats voor twijfel door Gert Jan Doornink

“Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden” (Mark. 11:22-24).

Twijfel is een grote vijand

Hoe overwinnen wij twijfel? Is er in ons leven nog plaats voor twijfel? Dat zijn de vragen die wij onder ogen willen zien. Misschien kunt u zich herinneren dat wij ons enige tijd geleden hebben bezig gehouden met het onderwerp: ‘Hoe overwinnen wij angst in ons leven?’ (Levend Geloof nr. 330, oktober 1991). In dit artikel willen wij het hebben over de twijfel. Want ook twijfel is ongetwijfeld (!) een grote barrière bij het functioneren van ons geloofsleven. Ieder kind van God heeft er in feite mee te maken. De vraag is: Hoe gaan wij er mee om? Hebben wij overwinning over de twijfel?

Twijfel is een grote vijand. Het is één van de pijlen die de duivel op zijn boog heeft om ons geloofsleven onvruchtbaar te maken, om ons uit te schakelen in dienst van Gods Koninkrijk. Twijfel veroorzaakt dat we verkeerde beslissingen nemen of helemaal besluiteloos zijn en een zogenaamde ‘uitstel-christen’ worden.

Twijfel veroorzaakt dat de openbaring van het zoonschap achterwege blijft, dat we nederlaag-christenen zijn, terwijl God ons juist heeft opgeroepen om te overwinnen.

Paulus schrijft aan het einde van zijn brief aan de Romeinen: “De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden” (Rom. 16:20). Let wel: onder uw voeten. Met andere woorden, het is onze taak! God doet het, maar Hij gebruikt daartoe de mens, dat wil zeggen de nieuwe mens in Christus.

Als we ons dat bewust zijn, gaan wij alle vijanden aanpakken die dat willen belemmeren en één van die vijanden is de twijfel. Daarvoor is het nodig dat we ons strijdvaardig opstellen. Hebben wij deze strijdvaardigheid nog in ons? Of zijn we een beetje moe, lui en lusteloos geworden?

Wanneer we over ‘strijd’ spreken bedoelen we natuurlijk de geestelijke strijd, waarvan Paulus in zijn brief aan de gemeente te Efeze zegt dat deze is “tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:12). En Salomo zegt dat er geen verlof is tijdens de strijd. Dus ook in deze vakantietijd gaat het door!

Hoe overwinnen wij twijfel?

Hoe gaan we nu vijand twijfel aanpakken en overwinnen? Wij zullen, vóórdat we hem werkelijk kunnen overwinnen, moeten weten hoe hij zich openbaart.

Want hij probeert zich natuurlijk te verbergen. Dat is typisch de tactiek van de duivel. Hij doet geraffineerd en geniepig zijn werk. Niet voor niets ontmaskerde Jezus de duivel op een niet mis te verstane wijze, tijdens Zijn bediening op aarde. In Johannes 10 vers 10 zegt Jezus van satan dat hij een dief is die komt om te stelen, te slachten en te verdelgen. En in Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44) zegt Jezus van de duivel dat hij de mensenmoordenaar vanaf het begin is en dat er in hem geen enkele vorm van waarheid aanwezig is. Hij is één en al leugen, slechtheid en duisternis.

Vroeger leefden wij in de duisternis, thans in het licht, maar dat betekent dus ook dat iedereen die nog niet behoort tot de Gemeente van Jezus Christus, in meerdere of mindere mate leeft in de duisternis en beheerst wordt door de twijfel, vooral als het de geestelijke zaken betreft.

Zodra wij iemand confronteren met het evangelie van Jezus Christus zal daar vijand twijfel de kop opsteken en zal zo iemand zeggen: ‘Dat heb ik niet nodig. Ik geloof niet in God en Jezus Christus. Ik geloof dat met de dood alles uit is’, enz. Of tegenwoordig: ‘Ik geloof in reïncarnatie en dat ik in één of andere vorm terug zal komen’.

Gelukkig zien en weten wij dat Gods Geest sterker is dan alle geesten waarmee de duivel manoeuvreert en opereert. Mensen komen ook in onze dagen vanuit de duisternis in het licht. Zij laten de twijfel achter zich en aanvaarden de zekerheid van het geloof (Heb. 11:01).

Waarom wij geestelijke groei nodig hebben

Maar ook nadat wij een kind van God zijn geworden laat de duivel ons niet met rust, door ons aan te vallen met twijfel. Zelf heb ik dat gekend. In de eerste jaren na mijn bekering twijfelde ik soms of ik wel een kind van God was.

Daarom is het ook zo belangrijk geestelijk te groeien tot we het volwassen stadium in Christus hebben bereikt en ons werkelijk openbaren als volwaardige zonen Gods!

Hoe staat het ervoor met onze geestelijke ontwikkeling? Zijn wij tevreden met het feit dat wij een kind van God zijn of hebben we werkelijk het verlangen geestelijk te groeien en als zonen Gods de vijand onder onze voeten te vertreden?

Weet u waarom er heel wat kinderen Gods weer terugvallen? Omdat ze in een beginstadium van hun geloofsleven zijn blijven steken! Zij rekenen niet radicaal af met de vijand en geven hem kans te infiltreren, onder andere met de twijfel. Zij gaan niet de geestelijke weg van strijd en overwinning en hebben nog nooit met Christus hun plaats ingenomen in de hemelse gewesten om van daaruit te kunnen strijden en overwinnen (Ef. 02:06). Zij klagen dat zij geen antwoord krijgen op het gebed en twijfelen er aan of God Zijn beloften wel waar maakt. Lees eens wat Jakobus daarvan zegt:

“Indien iemand van u in wijsheid (en in alle andere dingen die de Heer geven wil – red.) te kort schiet, dan bidde hij God daarom, die aan allen geeft, eenvoudigweg en zonder verwijt; en zij zal hem gegeven worden. Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen” (Jak. 01:05-08).

De twijfelaars komen nu misschien met de opmerking: ‘Maar God is toch een goede God, dus Hij geeft toch altijd het goede aan de mens’. Dat is 100% waar. Maar Jakobus geeft hier een duidelijk antwoord waarom het bij twijfel toch niet gebeurd. Zo iemand is innerlijk verdeeld, is ongestadig (veranderlijk, onstabiel) op al zijn wegen.

En iemand die zo is geeft daarmee te kennen dat hij zich niet werkelijk openbaart (of openbaren wil) als zoon van God.

God kan doodeenvoudig aan zo iemand niets toevertrouwen. God is een goede God, maar hij zal nooit Zijn goedheid delen met de slechtheid van de duivel. Geen vermenging van goed en kwaad, geen evenwicht tussen het slechte en het goede, zoals bijvoorbeeld in de New Age gedachten naar voren komt.

In feite is het de mens zelf dus, onder inspiratie van de vorst der duisternis, die de vervulling van Gods beloften tegenhoudt: “Zo iemand moet niet menen dat hij iets van de Here zal ontvangen”, zegt Jakobus.

Geloof zonder twijfel

Ook in Markus 11 treffen we een voorbeeld aan van twijfel. Jezus ging op een dag naar een vijgenboom om te zien of er ook vruchten aan zouden zitten. Het was echter de tijd niet om vijgen te oogsten. Dan doet Jezus de uitspraak: “Nooit zal meer iemand vrucht van u eten in eeuwigheid!’. De discipelen horen dat maar zijn toch verwonderd als zij de volgende dag de vijgenboom totaal verdord aantreffen. Blijkbaar hadden ze getwijfeld aan de woorden van Jezus, terwijl ze na alles wat ze al hadden meegemaakt, toch konden weten dat de woorden van Jezus ‘geest en leven’ waren en dus altijd uitwerking zouden hebben.

Dan volgt een belangrijke uitspraak van Jezus. Hij zegt: “Hebt geloof in God. Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden. Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden” (Mark. 11:22-24).

Het is duidelijk wat Jezus bedoelt: Als we niet twijfelen, maar geloven, zal de berg zich verplaat­sen, de moeilijkheid zal verdwij­nen, het probleem zal worden opgelost, de overwinning zal komen. En ik ben er vast van overtuigd dat dit in de komende tijd meer en meer in vervulling zal gaan. De waarachtige eindtijdgemeente zal een overwinnende gemeente zijn!

Tekenen en wonderen

God zal Zijn woord bevestigen door tekenen en wonderen, daar waar werkelijk geloof is en de gemeente functioneert naar de maatstaven van God. En het is de plaatselijke gemeente, waarop gezonde wijze de volle boodschap een centrale plaats inneemt, waar dit gaat gebeuren.

Tot dusver zijn de tekenen en wonderen nog vaak in het spectaculaire vlak getrokken. De duivel heeft daar handig op ingespeeld door allerlei surrogaat wonderen en tekenen te bewerken. Daar zullen we in deze eindtijd nog veel meer van horen. Paulus spreekt over bedrieglijke wonderen (2 Thess. 02:09).

De waarachtige christen laat zich in dit opzicht geen rad voor de ogen draaien. Hij weet dat het niet in de eerste plaats gaat om de wonderen en tekenen. Het verlangen daar naar is vaak een kenmerk van geestelijke onvolwassenheid, van ongeloof en twijfel.

Wie verlangden in de tijd van Jezus naar tekenen? Het waren de Farizeeën en Schriftgeleerden. Een verkeerde geest inspireerde hen , want het ging hen om Jezus te verzoeken (Mark. 08:11). Jezus was echter op Zijn hoede en bracht naar voren dat Hijzelf het grote teken was (Matt. 16:04).

De volle openbaring van Christus in ons leven

Wie Hem verlangt te openbaren, wie een zoon van God wil zijn, een volwassen christen, een beelddrager van Hem, voldoet aan de maatstaven die God aanlegt om Zijn beloften waar te maken.

Daarom noemt Jezus in Markus 11, bij zijn belangrijke uitspraak over geloof zonder twijfel, ook in één adem ‘de vergeving’ als onderdeel van ons christen-zijn (Mark. 11:24).

Het gaat om de volle openbaring van Christus in en door ons leven. Niet alleen de kracht tegenover de duivel, maar ook de liefde ten aanzien van de medemens. Vrucht en gaven van de Geest gaan samen. Daarom zullen wij, zoals Jezus één was met de Vader, ook één behoren te zijn met Hem.

En in zo’n situatie verdwijnt twijfel als sneeuw voor de zon. Dan is ons innerlijk zodanig doortrokken met Zijn wezen, Zijn kenmerken, dat we leven in volkomen in volkomen gemeenschap met Hem en er geen enkele plaats meer is voor twijfel. Er staat ook niet voor niets: “en in zijn hart niet zou twijfelen” (Mark. 11:23). Het gaat om onze hartgesteldheid, om het werkelijke verlangen volkomen te leven in gemeenschap met God, de Vader, en met Zijn Zoon, Jezus Christus.

Heeft ‘wachten’ te maken met twijfel?

We hebben duidelijk gesteld en gezien dat twijfel een grote vijand is van het geloof en bij een waarachtig christen dus niet aanwezig behoort te zijn. We hebben ook gezien dat geloof ‘zekerheid en bewijs’ is (Heb. 11:01).

Allemaal duidelijke zaken en misschien denkt u nu, op het moment dat u dit leest: ‘Ik ga ook radicaal breken met de twijfel en als het toch de kop opsteekt, dan zeg ik: Verdwijn, in de Naam van Jezus!’.

Als dat zo is, dan zeg ik: ‘Gefeliciteerd. Dat is een goede zaak. Houd het vast. Ga er mee door. Gooi alle leugenleringen en aardsgerichte leringen en gedachten overboord en bewandel de geestelijke weg, in alle volharding en ontspanning’.

Dat laatste zijn twee dingen die we beslist nodig hebben: volharding, en ontspanning. Waarom? Omdat God nooit iemand onder druk zet (dat is het werk van de vijand). God vraagt: ‘Wil je Mijn weg gaan? Wil je, evenals Mijn Zoon, Mijn wezen en karakter openbaren?’ Als dat zo is, dan leidt Hij je verder in alle rust en zekerheid, maar ook met toewijding en waakzaamheid. Probeer daarbij de stem van God te verstaan, opdat Hij u Zijn instructies kan geven, wat te doen en niet te doen.

Soms moeten we ‘wachten’. Dat heeft niets te maken met twijfel of onzekerheid, maar eenvoudig omdat de tijd (of wijzelf) nog niet rijp zijn het te doen.

Ik moet denken aan de profeet Samuël. Toen hij door God geroepen werd, meende hij dat de oude Eli hem riep (1 Sam.3). Maar Eli had niet geroepen. Dat herhaalde zich tot driemaal toe. Uiteindelijk moest Eli hem duidelijk maken dat het God was die tot hem sprak. Hij kende Hem nog niet voldoende.

Vandaag zijn er velen die net als Samuël zijn. En ik denk dat niemand nog kan zeggen: Ik versta in alle situaties de stem van God. Maar ik ben er óók van overtuigd dat naarmate we geestelijk verder groeien, we uiteindelijk volkomen één zullen zijn met Hem en het ook met Jezus kunnen zeggen: ‘Hier zijn wij om Uw wil te doen!’

De Heer zal ons daarbij helpen! Op een machtige wijze. Boven ons bidden en denken wil Hij immers alles aan ons schenken! Daarom geen plaats meer voor twijfel, maar geloof, geloof alleen!

En de vier woorden die Jezus sprak: ‘Hebt geloof in God’ gaan ook in ons leven de basis worden van onze geloofsbeleving. Want wij geloven in de levende God en danken Hem voor alles wat Hij ons in Zijn grote liefde en goedheid ons toevertrouwd. Hem komt daarvoor toe onze lof, eer, dank en aanbidding!

 

Gods volle raad door middel van de gemeente Gert Jan Doornink?

Op 28 maart werd in Amersfoort een contactdag gehouden van leidinggevende broeders en zusters uit de volle evangelie beweging. Zoals reeds enkele malen aangekondigd, willen wij in “Levend Geloof’ aandacht besteden aan deze belangrijke dag, speciaal aan de twee inleidingen die broeder Lijzenga hield.

Br. Henk Lijzenga, die voorganger is van de volle evangelie gemeente te Enschede en de initiatiefnemer van deze dag, begon met zijn blijdschap uit te spreken over de grote opkomst van voorgangers en oudsten uit Nederland, terwijl ook België en Duitsland vertegenwoor­digd waren. Na eerst iets van zijn levensloop te hebben verteld en hoe hij de boodschap van het koninkrijk der hemelen had leren kennen, vertelde br. Lijzenga hoe Gods Geest naar deze dag had toe geleid. De laatste jaren waren er steeds duidelijker aanwijzingen om dit contact tot stand te brengen, waarbij br. Lijzenga voorbeelden aanhaalde hoe Gods Geest had gesproken.

Wij geven nu een samenvatting van een aantal uitspraken welke br. Lijzenga in zijn beide inleidingen deed:

Een doorgaand ontwik­kelingsproces

“In het evangelie van het koninkrijk der hemelen hebben we sleutelgedachten ontvangen die belangrijk zijn voor de ontwik­keling van Gods plan in en door mensen. De kennis die tot nu toe verkondigd werd, heeft geleid tot veel herstel in mensen en werkte samenbindend voor mensen en gemeenten.

Maar het ontwikkelingsproces gaat verder en het volle evangelie moet steeds duidelijker werken in het leven van elke dag, zodat theorie praktijk wordt. Want deze leer is bovenal een manier van leven, van menszijn.

Daarbij dienen we er rekening mee te houden dat dit ontwik­kelingsproces wordt tegengewerkt door leringen en manieren van beleving die uiteindelijk niet de vrucht opleveren die God zoekt. Ze vragen veel energie en werken op de duur eerder uithollend dan dat je er geestelijk vol van wordt.

De vraag is steeds hoe deze leer omgezet kan worden in mensen die zonen Gods aan het worden zijn, die het in principe al zijn omdat Jezus hen gedoopt heeft met de Geest van het zoonschap”. Br. Lijzenga heeft juist bij zijn werk in het buitenland geproefd en getoetst wat het volle evangelie is en riep op elkaar op positieve wijze te helpen bij het beleven ervan.

Wat is het wezenlijke van de boodschap?

“We behoren ons af te vragen wat het wezenlijke van de boodschap is. God zoekt vrucht en openbaart zich in zonen Gods, in het

Lichaam van Christus. Wij willen graag dat de hele schepping vol wordt van de heerlijkheid des Heren. Daarom horen we op concrete wijze bezig te zijn met de openbaring van de zonen Gods.

Daarbij behoren we elkaars hart te zoeken in de beleving van het evangelie. De weg die Hij met ons gaat komt uit in de werkelijkheid van de Stad Gods, het hemelse Jeruzalem”.

“Terwijl God bezig is Zijn plan te openbaren, kom je ook de vijand tegen. Deze is echter al door God veroordeeld in Jezus Christus. Het vonnis over hem wordt definitief voltrokken door het lichaam van Christus, dat tot volheid komt, onder leiding van haar Hoofd”. Spreker citeerde Paulus die in Efeziërs 1 vers 10 (Ef. 01:10) erop wees dat ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samengevat werd.

Het management voor de volheid van de tijd is in handen van de Zoon, die dat uitwerkt door middel van Zijn lichaam, de gemeente. Ook kleine gemeenten van 10 ft 15 mensen kunnen daarbij belangrijk zijn. God zoekt mensen die duidelijkheid geven aan deze boodschap”.

“Verhef je boven het geleuter van de duisternis en werk mee aan de groei om volkomen toegerust te worden tot mensen Gods. Dan ga je de waarheid uitleven. Jezus maakte zich vrijwillig één met de Vader en sprak: ‘Ik ben de weg. Zoals Ik ben, is de Vader’. In Openbaring 6 vers 2 (Openb. 06:02) lezen wij: ‘En ik zag, en zie, een wit paard, en die erop zat, had een boog en hem werd een kroon gegeven, en hij trok uit, overwinnende en om te overwinnen’. Jezus was volledig mens zoals God dat bedoelde, vol van de goddelijke natuur en heerlijkheid en volmaakt zelfstandig, maar ook levend in volkomen afhankelijkheid.

Onze weg verbinden met Gods weg

Zo mogen ook wij onze weg verbinden met Gods weg, daarbij levend uit genade, uit de doop door onderdompeling en de Geestesdoop, maar ook met de inzet van je hele wezen. Gods weg geeft ruimte in ons hart. Het bevrijdt. We komen los van geesten die zich richten op onze persoonlijkheid. Verwacht heel veel in je leven van God en gebruik ook wat de Heer je aanreikt. Neem daarbij de tijd om te onderscheiden of het aan­gebodene werkelijk van Hem is. Wij zoeken niet de buitenkant, het uiterlijke, maar het echte, het wezenlijke”.

In de middagsamenkomst begon br. Lijzenga met er op te wijzen dat temidden van alles wat je bezighoudt, er in ons hart vreugde behoort te zijn om alles wat ons al gegeven is. Br. Lijzenga las Haggaï 2 vers 7 tot 10 (Hagg. 02:07-10) en Zacharia 4 vers 8 tot 10 (Zach. 04:08-10). “In de gemeente wil de Heer Zijn heerlijkheid openbaren, niet door kracht of geweld, maar door Zijn Geest”.

De Heer had br. Lijzenga in zijn leven verschillende keren bepaald bij het ‘meten’. “Van tijd tot tijd meet God om te zien hoe ver de ontwikkeling van Zijn plan in mensen is gevorderd. Wat is de maat? Dat is de volheid die in Jezus Christus openbaar werd en deze volheid moeten mensen leren uitleven. De maat van de ongerech­tigheid wordt vol, maar dat geldt ook voor de maat van de gerech­tigheid. Als wij de maat aanleggen, behoren we ons af te vragen: wat is er wel aanwezig, waar kan ik aansluiten, wat kan ik overdragen? Want God past zich ook bij ons niveau aan. Daarom is evangeliseren: kijken wat er al is aan kennis Gods en daarop aansluiten. Dan valt er een stuk ‘dwang’ weg”.

De weg van de waarheid

“De weg van God is de weg van de waarheid. Met die weg behoren we ons bezig te houden en er naar te zoeken. Wij zijn geboren uit een God die enkele leven, goed, licht en liefde is. Door de intieme levensgemeenschap met Hem ga je Hem leren kennen in Zijn wezen (met ons verstand, door Zijn Woord en in Zijn gemeenschap). Zoek de waarheid in relatie met God, vanuit de omgang met Hem. Niet vanuit een theorie. God is goed, maar niet ‘goedig’. Hij is niet de God van de compromissen”.

“Schuldgevoelens blijven soms nog jarenlang door klinken vanuit onze (Calvinistische) achtergrond. God kent geen vermenging van goed en kwaad. Een goed inzicht hierin geeft antwoord op vele vragen. Wij kennen geen God die samenwerkt met de duisternis en straffend bezig is. Wij moeten de sleutels hanteren van Jezus Christus en van daaruit ontvangen wij inzicht hoe te spreken en te handelen”

“Als je zo met God leeft, heb je allang ervaren wie de duivel is. Hij is de vijand van God, van Jezus Christus, van de mens en het zoonschap. Hij is de bron van alle kwaad die totaal teniet gedaan zal worden. De duivel is er op uit goed en kwaad in evenwicht te brengen. Dat werkt door in vele filosofieën, theorieën en religies”.

“Hoe verder ik kom in de volle evangelie beweging, hoe duidelijker ik ga zien hoe bijvoor­beeld de erfzondeleer onheil heeft gebracht. Omdat deze leer totaal geen rekening houdt met de geestelijke werkelijkheid en verhindert dat je een zoon van God wordt”.

Een relatie van hart tot hart

“Als mens ben je bedoeld om een relatie met God te hebben van hart tot hart. Vandaar dat God respect voor ons heeft. God werkt niet als een inbreker. Hij manipuleert niet en werkt niet in een sfeer van magie. Hij wacht, heeft geduld, klopt. God hoeft niet af te dwingen, te persen. Paulus spreekt over een ‘milde gave’ en niet over een afgeperste gift. Dit gegeven kun je op alle terreinen van het leven met de Heer doortrekken. Dit bewerkt echte relatie”.

“De mens is geroepen in hemel en op aarde te leven. Wat je in de hemel bent, ben je op aarde ook. De ruimte die ik in de hemel ervaar, mag ik op aarde uitleven. Sommigen weten alles over de geestelijke wereld, maar zijn er met hun hart nog niet binnen­gegaan. De duivel is er soms op uit het aardse aan de kant te schuiven. Dan wordt je een soort volle evangelie kluizenaar. Als zoon van God hoor je zowel in de hemel als op aarde te functioneren”.

“Ieder mens is uniek. God heeft die ene enkele op het oog. En omdat je uniek bent is ook de reïncarnatie niet waar. Je bent ook geen schakel in een familieketen. Kinderen moeten we daarom ook loslaten en hun eigen ontwikkeling gunnen, want je kind is geen verlengstuk van jezelf. Ook als gemeenten zullen we elkaar de ruimte behoren te geven. Elke gemeente is uniek”.

“De mens wordt geroepen om zich bewust te zijn van zijn verantwoor­delijkheid. Hoe meer je zelf met de Vader leeft, des te blijer je wordt. En als je weet met Christus begraven te zijn ben je ook bereid de onderste weg te gaan”.

Doorgaande vernieuwing is nodig

Ten aanzien van bevrijding van gebondenheden, merkte br. Lijzenga op dat er miskleunen zijn geweest, maar óók veel moois tevoorschijn is gekomen. Er is in ’t geheel een doorgaande ver­nieuwing nodig waarbij wij de strijd tegen allerlei machtsvertoon van de vijand niet uit de weg gaan.

Ik verwacht dat in de toekomst de Heer tot het hart van de gemeente gaat spreken. Een plaatselijke gemeente wordt in de hemel geboren en de leden ervan behoren elkaar op positieve wijze te beïnvloeden. Denk aan Jezus, die aller dienaar was!”.

“De gemeente wordt ingezet om alles tot een hoogtepunt te laten komen. De duivel zal ervaren wat gemeente-zijn betekent als wij consequent daarin zijn en beseffen dat wij als organisme behoren-te functioneren. In de gemeente? wordt je geleerd aller dienaar te zijn. Wij willen elkaar dienen, niet uit betweterigheid of bemoeizucht. Daarbij hebben ook apostelen en profeten een taak, terwijl zending en evangelisatie volwaardige onderdelen behoren te zijn van een gemeente, maar wel vanuit organische ontwik­keling. De Heer zal ons daarbij inzicht geven”.

De erfenis van eeuwen komt tevoorschijn

Br. Lijzenga benadrukte dat de erfenis van eeuwen tevoorschijn gaat komen. De fase waarin alles zuiver wordt en rein en Gods heerlijkheid zich ten volle gaat openbaren. De gemeente, met Christus aan het hoofd, heeft een grote taak. Daarbij hebben we apostelen en profeten nodig die vanuit het hart van de gemeente spreken. Ten aanzien van het profeteren riep spreker op om te onderscheiden wat werkelijk gedachten van God zijn.

Tenslotte haalde br. Lijzenga Habakuk 2 vers 1 (Hab. 02:01) aan als een getuigenis naar alle voorgangers en oudsten en ten aanzien van de contactdagen, waarbij de tweede is gepland in het najaar: “Ik wil gaan staan op mijn wachttoren en mij stellen op de wal, ik wil uitzien naar wat Hij tot mij spreken zal, en wat ik moet antwoorden op mijn klacht”.

Br. Lijzenga riep op om te bidden en om met suggesties bij hem te komen of contact op te nemen.

“Er zijn zoveel mensen die kreunen onder het juk van de duivel. Wat moet ik ze zeggen, wat moet ik ze geven? Onder­tussen zegt de Heer: Als je zo bezig bent, houd dan je geloof vast, leef vanuit je geloof! Dat. gaan we doen en daarmee gaan we verder. Verwacht dat God gaat spreken in de toekomst en de Heer leiding gaat geven hoe we het verder kunnen uitwerken. Belangrijk is dat we niet zomaar wat uitwerken, maar vanuit het leven Gods bezig te zijn en dan zul je zien dat de Heer nog een heleboel gaat geven! Halleluja!” Amen”.

 

‘New Age’ meer dan een nieuwe trend door Evert van de Kamp

In april 1989 (Levend Geloof nr. 302) schreef ik het artikel “New Age: bedreiging of uitdaging?’ Onder dezelfde titel is in 1991 een boekje verschenen van drs. Jan Minderhoud. Hierover straks wat meer. In februari 1992 kwam de tweede druk van de pers. Geen wonder want New Age is volop in opmars en veel christenen willen weten waar ze aan toe zijn. Vandaar de vraag naar goede, duidelijke en betrouwbare lectuur.

De Nijmeegse psycholoog K. Hafkamp vindt dat de New Age-beweging alle eigenschappen vertoond van een trend, maar wel één die wel eens lang kan gaan duren. Ik denk dat hij gelijk heeft.

Gezien de enorme belangstelling voor meditatiecursussen, onder andere Transcendente Meditatie (T.M.), alternatieve geneeswijzen, oosterse religies, etc. is er meer aan de hand dan een trend van voorbijgaande aard. Uit een langlopend onderzoek onder 700 jongvolwassenen, door de psycholoog dr. J. Jansen, blijkt dat het Nieuwe- Tijds-denken niet aanslaat bij positief gelovige jongeren. Hopelijk blijft dat zo.

De jongeren die wél sympathiseren met New Age zijn vooral studenten van hogescholen en universiteiten. Van de jongeren die belangstelling hebben voor New Age stemt 30% op Groen Links, 19% op de PvdA, 16% op de VVD en 5% op het CDA. Bij de kleine christelijke partijen is de interesse voor het Nieuwe-Tijds-denken nihil. New Age beweegt zich op het terrein tussen geloof en ongeloof. Binnen dat gebied neemt de belangstelling voor datgene wat zich tussen hemel en aarde afspeelt zeer toe.

Hoe komt dat, vraagt men zich af. Dr. J. Jansen typeert dat met twee beelden: secularisering (verwereldlijking) en her-tovering. Hij zegt: ‘Secularisering en hertovering van het wereldbeeld gaan hand in hand. Men beweegt zich van de bron af, maar krijgt tegelijker­tijd meer dorst’.

De uitdaging van New Age op kerk en gemeente wordt steeds scherper. Zijn wij in staat die ‘dorst’ te lessen met het levende water van Jezus Christus?

Wat is New Age?

Voor velen is dit nog een vraag. Voor een deel berust dat op onwetendheid. Anderzijds is het New Age- verschijnsel zo omvangrijk, dat het zich al gauw als bijna ongrijpbaar aan je voordoet. Het is geen afgebakend terrein. Het is meer een verzamelnaam van een hele reeks aan trends. Het zijn bewegingen en groeperingen die zich los van elkaar hebben gevormd vanuit één gemeenschappelijke gedachte. Die gedachte is dat er toch ‘iets meer moet zijn’ dan het leven tot nog toe heeft opgeleverd. Daarom is men bezig met allerlei uitingen van een ‘spirituele beweging’

Roel Braam schrijft in Aktie (Youth for Christ): De mensen van New Age willen ons met allerlei ‘spirituele’ technieken en ervaringen helpen het nieuwe tijdperk zo goed mogelijk te betreden, dat gaat namelijk niet zo maar. Mensen moeten leren hun psychische krachten te gebruiken om in harmonie met zichzelf en de wereld om hen heen te gaan leven. Door be­wustwording van de eigen goddelijke oorsprong en transformatie kunnen ze komen tot een hoger bewustzijnsniveau en een allesomvat­tende spiritualiteit’.

Het christendom wordt als een voorbijgaande fase beschouwd, omdat het ‘dat meer’ niet heeft gebracht. Astrologisch gezien, zegt men, gaan we een nieuwe tijd binnen. De aarde staat onder invloed van de dierenriem­tekens. Na 2000 jaar wordt het teken van de vis opgevolgd door dat van de waterman. Na het donkere gewelddadige christelijke tijdperk van de ware ‘vrijmaking van de geest’, van liefde en licht. Elke 2100 jaar verandert de aarde van teken op haar baan langs de sterrenbeelden. We gaan nu over naar het Aquarius-tijdperk. Het christelijk denken moet vervangen worden door het Nieuwe-Tijds-denken.

Niet één terrein wordt ongemoeid gelaten, de New Age-beweging probeert beslag te leggen op de gehele samenleving: de maatschappij, de kerk en het religieuze leven, de media, de literatuur, het onderwijs, de gezondheidszorg, etc.

Naast de zogenaamde Vrije Scholen en de Antroposofische scholen, verrijzen nu de New-Age-scholen. Hilversum heeft een New Age-basisschool, Rotterdam de Integrale Yogaschool en het T.M.-centrum in Lelystad beschikt over een school waar kinderen leren mediteren. De Stichting Integrale School tracht in Doetinchem een tweede yogaschool te realiseren. Wettelijk is dit schooltype door het ministerie van onderwijs erkend.

New Age is een wereldwijde beweging, een samenzwering van de machten der duisternis, om een nieuw bewustzijn op aarde te manifesteren.

Zo meen ik althans dit fenomeen te moeten omschrijven.

De beïnvloeding vanuit New Age is vaak heel subtiel. Men valt Jezus Christus heus niet openlijk aan. Het Jezusbeeld wordt echter omgevormd en zo brengt men toch een ander evangelie.

Op een studiedag zei iemand: ‘Als ik zie dat New Age heilzaam bevrijdend voor mensen kan zijn, dan is voor mij op die momenten de God van Jezus werkzaam’.

New Age heeft zich de termen van het christelijk geloof toegeëigend zoals: zegen, zonde, spiritualiteit, helen, ziel, wedergeboorte, heilig, etc. Maar doorgaans worden aan deze woorden een totaal andere inhoud gegeven. Steeds moet je je afvragen: wat bedoelt men.

Een blad als de Koorddanser is daar vol van. Sinds 1 april wordt een nieuw New Age-maandblad ‘De Pendel’ uit­gegeven, oplage 25.000 exemplaren. Voor dit blad is werkelijk niets te gek. Alle aspecten van het occulte New Age komen aan bod. De apostolische vermaning: “Beproeft de geesten of zij uit God zijn” (1 Joh. 04:01), heeft nog niets aan waarde ingeboet.

De Christus-geest

Op vele manieren kan de naam van (Jezus) Christus opduiken in de wereld van New Age. In geneeswijzen, therapieën, allerlei verbanden kan bijvoorbeeld worden gesproken over: – het Christus-bewustzijn – het Christus-principe – het Christus-gebeuren – de Christus-impuls – de Christus.

Zo zegt” de New Ager Jacob Slavenburg, (hij studeerde (kerk)geschiedenis): ‘In het vroege christendom had men nog volop weet van het onderscheid tussen Jezus en Christus. Jezus van Nazareth was een mens van vlees en bloed, geboren uit de liefdesgemeenschap van Jozef en moeder Maria. Deze mens Jezus ontving tijdens de doop in de Jordaan de Christus-geest. de Christus-geest, ook wel aangeduid met Christus- bewustzijn, is niet anders dan goddelijk bewustzijn. In andere culturen spreekt men bijvoorbeeld van Krishna(bewustzijn) of Boeddha(bewustzijn), want het goddelijke bewustzijn is nimmer voorbehouden aan christenen alleen. Het is de Chris­tus-geest, waarvan Jezus de drager was, die in ieder mens tot opstanding kan komen en wil komen. Zoals Paulus reeds zei: niet ik, maar Christus in mij (Gal. 02:20). Mogen diverse volkeren dit een andere naam geven, van alle religies (religie = de verbinding herstellen) is dit de diepste kern: het opnieuw ervaren van de eenheid met God’.

Als je dit leest (en je vindt dit heus niet alleen bij Slavenburg), dan komt wel de vraag bij je op: over welke Jezus heeft hij het nu. Is dit nog wel de Jezus Christus van de Bijbel? En kan deze Christus de mens wel verlossen, bevrijden, genezen en dopen in Gods Geest?

Ook de Jezuïetenpater Karel Douwen maakt, evenals Slavenburg en vele anderen, verschil tussen Jezus van Nazareth en de Christus. Voor Douwen is Jezus slechts één van de vele Meesters van de Nieuwe Tijd’.

Men praat over de kosmische Christus, de ‘innerlijke Christus’, die volgens New Age in ieder mens verborgen zit. Bekering, wedergeboorte en doop in de heilige Geest zijn dan overbodig, niet meer nodig.

Binnen New Age heb je buiten jezelf geen verlosser nodig. De mens is zelf zijn eigen verlosser. In New Age heeft verlossing niet met zonde te maken, maar met onwetendheid en gebrek aan inzicht. Je moet ontdekken dat je zelf een eigen innerlijke God hebt.

De Christus van New Age is een totaal andere persoon dan Jezus Christus uit de evangeliën. En de Christus-geest is heel iets anders dan de heilige Geest in de Bijbel. In New Age is de heilige Geest slechts een kracht, een impuls, een principe, die zich kan manifesteren in allerlei religies, mensen en verlichte figuren.

Maar de Bijbel zegt dat alleen Jezus de weg, de waarheid en het leven is (Joh. 14:06) en dat de wereld de Geest van God niet kan ontvangen (Joh. 14:17).

New Age zit vol met frustratie en kritiek op het christendom en lost geen enkel probleem op.

Wij moeten goed weten dat wij niemand anders (nodig) hebben dan de Christus der Schriften, de in ons vlees gekomene, die ons (gelukkig) werkelijk kan verlossen (1 Joh. 04:03).

In onze tijd moeten we ons opnieuw afvragen: wie is Jezus? Zoals Hij het zijn discipelen vroeg: “Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?” (Matth.l6:13). De vraag is: wie is Jezus voor mij? Welke Jezus is mijn werkelijke Verlosser?

New Age en occultisme

Binnen New Age willen velen het woord ‘occultisme’ niet meer horen. Daarom spreekt men tegenwoordig dikwijls over ‘esoterie’. In wezen gaat het echter om hetzelfde.

‘Occult’ betekent verborgen en ‘esoterisch’ wil zeggen: geheim, alleen bestemd voor ingewijden. In ‘occultisme’ en ‘esoterie’ gaat het om de verborgen werkelijkheid. Er is meer dan wat we kunnen zien, horen, voelen en beredeneren. Het is het terrein van de paranormale begaafdheden. Maar, let wel, dat zijn niets anders dan nabootsingen van de bovennatuurlijke gaven van de heilige Geest.

Men heeft contact met buitenaardse wezens en (boze) geesten.

Niet alle New Agers zijn daar even blij mee, want, zeggen ze, het god­delijke in deze wereld en in jezelf, moetje zelf zien te ontdekken en niet door tussenkomst van wezens uit een andere wereld.

Maar de praktijk leert dat de New Age- centra tal van (vaak totaal verschil­lende) occulte activiteiten aanbieden zoals yoga- en meditatietechnieken, regressietherapieën, hypnose, psychosynthese, astrologie, hekserij, etc.

Ook is New Age bijzonder druk in de weer met vele vormen van alternatieve geneeswijzen met een occulte oorsprong zoals acupunctuur, yoga- therapie, magnetisme, homeopathie, voet reflexologie, iriskopie.

Geloof in reïncarnatie en spiritisme komen binnen New Age veel voor. Velen (ook christenen) raadplegen alternatieve genezers. Er is sprake van een enorme vermenging. We noemen dat syncretisme.

Over al deze zaken is de Bijbel meer dan duidelijk. In alle eeuwen werkten in wezen al dezelfde principes (Deut. 18:09-15; Jes. 08:19-22; Hand. 08:04-24).

In 1 Korinthiërs 10 vers 21 en 22 (1 Kor. 10:21-22) stelt de apostel Paulus kort en bondig dat het voor een christen absoluut onmogelijk is om tegelijkertijd te drinken uit de beker des Heren en de beker van de boze geesten. Je kunt in het Koninkrijk van God niet deel hebben aan de tafel des Heren en die van de boze geesten.

En wie besmet is, moet zich laten bevrijden. Verbindingen met het rijk der duisternis moeten in de Naam van Jezus Christus worden verbroken.

Sommige christenen (zelfs theologen) denken dat er nog enig neutraal terrein is. Dat is volstrekt een illusie. Voor de mens is het een pertinent verboden gebied. Het is zo satanisch van aard dat je onmiddellijk gevaar loopt (Hand. 16:16-18). Zelfs langs de grenzen ervan moet je je niet ophouden. Door de gaven van de onderscheiding der geesten kun je die grenzen haarscherp markeren (1 Joh. 04:02-03). Openbaring 18 vers 2 (Openb. 18:92) vertelt dat de antichristelijke kerk een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte gaat worden. Een slechter onderdak is er niet. Ga uit van haar (Openb. 18:04).

Op zoek naar het verloren paradijs

Met opzet heb ik het onderdeel occultisme extra aandacht gegeven. Omdat het occulte meer dan wat ook invloed op de mens heeft. En New Age is er vol van. Het oefent zeker ook op de westerse moderne mens een kracht uit waarvan de reikwijdte in geen enkel opzicht te overzien is.

Tal van New Age-aspecten kunnen nog voor het voetlicht gehaald worden zoals het oosterse denken en de moderne theologie, het feminisme, de antimissiologie (geen zending bedrijven), engelen en meesters, holistische geneeswijzen en zo meer. De lijst is lang en wordt steeds langer.

De mens is wanhopig op zoek naar het ‘meer’ waarvan hij weet dat het er is, het verloren paradijs.

Listiger dan ooit speelt de satan met vele bedrieglijke tekenen en wonderen daar op in (2 Thess. 02:09). Het is ‘wonderlijk’ dat de bovennatuurlijke wereld van de satan zo gemakkelijk wordt betreden, terwijl het boven­natuurlijke leven door de (gaven van de) heilige Geest zo licht(vaardig) aan de kant wordt geschoven. Het komt wellicht ook doordat nog zoveel (positieve) christenen de doop in de heilige Geest (nog) afwijzen. Een groot deel van het ‘paradijs’ blijft dan gesloten.

Inzicht in de onzienlijke, geestelijke wereld door Gods Geest stelt ons in staat de gedachten van de satan te doorgronden (2 Kor. 02:11).

Daardoor kunnen wij onszelf bewaren voor veel duivelse verleiding en anderen bemoedigen met de kennis van God en hen niet de imitatie maar het werkelijke paradijs doen vinden. Wij hoeven geen angst (meer) te hebben voor satan en zijn demonen. Jezus heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd (Kol. 02:15).

Door Jezus is een heerlijk ontspannen geestelijk en natuurlijk leven in het Koninkrijk van God mogelijk gewor­den, vrij van de demonie.

Een tweetal boekjes die uw inzicht zeer kunnen verdiepen, wil ik ter lezing en bestudering aanbevelen. Het eerste is van drs. Martie Dieperink die zelf jarenlang in de ban van het New Age-denken heeft geleefd. Zij studeerde theologie en godsdienst­wetenschap en verbleef tijdens haar studie ook een jaar in Zuid-India vlak bij het New Age Centrum Auroville om de wereld van de New Age en het hindoeïsme te beleven. Helder en duidelijk analyseert zij in haar boek de geest die achter het New Age-denken schuilgaat. Het boek heet: ‘New Age en het christelijk geloof en is een uitgave van J. N. Voorhoeve.

Het tweede is: Nieuw Age: bedreiging of uitdaging?’, geschreven door drs. Jan Minderhoud. Uitgever: Merweboek in Sliedrecht. Iemand die het beoordeelde, noemt het een bijna te goed boek. De schrijver studeerde theologie in Utrecht. Hij benadert New Age vanuit bijbels standpunt. New Age ziet hij als een ’tegencultuur’ en hij vindt het, naast een uitdaging voor christenen, toch meer een bedreiging voor bijbels geloven en denken.

New Age is meer dan een nieuwe trend. Dat is overduidelijk. Het heeft zijn wortels in oeroude godsdiensten. Daardoor is het voor velen heel aantrek­kelijk. Het wijst niets af, voegt wel interessante elementen uit diverse religies en ook uit het christendom samen. Je kunt er ‘zo maar’ aan meedoen.

Het is onze opdracht naar de goede antwoorden op New Age te zoeken. Want Jezus’ antwoord aan ons is nog steeds: “Geef gij hun te eten” (Matth.l4:16). Zeker het Volle Evangelie, waar velen tegenwoordig ‘meer’ weten, mag en kan aan die uitdaging niet voorbijgaan.

Sommigen vragen zich af of New Age de religie van de eindtijd is. Niemand kan dat precies zeggen, denk ik. Maar dat het de kenmerken van Babylon draagt, valt nauwelijks te betwisten. En die stad valt vast en zeker. En het Nieuwe Jeruzalem? Dat overwint, het is komende. Daar woont en heerst de mens als koning tot in alle eeuwigheden (Openb. 22:05).

 

Lofprijzing en aanbidding door Wim te Dorsthorst

In het gebedsleven van een gelovige zal het niet alleen draaien om vragend bidden en voorbede doen, maar zal lofprijzing en aanbidding zeker niet mogen ontbreken.

Jesaja profeteerde al: “Het volk dat Ik Mij geformeerd heb, zal mijn lof verkondigen” (Jes. 43:21). En de apostel Petrus spreekt van een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om Gods grote daden te verkondigen en geestelijke offers te brengen, die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus (1 Petr. 02:09).

De lofzangen en de gebeden der heiligen zijn geestelijke offers en zijn voor de troon van God als een reukwerk dat geofferd wordt op gouden schalen (Openb. 05:08; Openb. 08:03-04).

De schrijver van de Hebreeënbrief spreekt over voortdurend een lofoffer brengen als de vrucht van onze lippen, die Zijn Naam belijden (Heb. 13:15).

God troont op de lofzangen

Als de Schepper niet door Zijn schepping geëerd wordt, is en blijft Hij onveranderlijk de Schepper van hemel en aarde, maar dan zonder erkenning en koningschap. Dat is precies wat de boze geesten, die geen enkele eerbied voor God hebben, willen bereiken.

Ze willen de mens in wrede slavernij neerdrukken, laten kreunen en klagen en maken dat de mens tot God gaat roepen: ‘Wat maakt U nu? Waarom doet u niets? U bent toch de Almachtige!’ Maar het volk dat Jezus voor Zijn God en Vader gereinigd heeft met Zijn bloed en gemaakt heeft tot ? een koninkrijk van priesters (Openb. 01:06), zal Hem lofoffers brengen en aanbidden in geest en in waarheid.

De psalmist David zegt: “Nochtans zijt gij de Heilige die troont op de lofzangen Israëls”. ‘Tronen’ wil zeggen ‘regeren’. Dan kan God met recht en met gezag heerschappij oefenen. Dan wordt Hij erkend door zijn volk als de grote Koning.

Die lofzang stemt dan samen met de hemelse vertegenwoordiging van de schepping in Openbaring 4 vers 11 (Openb. 04:11), die dag en nacht ((Openb. 04:08), dat is voortdurend, zeggen: “Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht; want Gij hebt alles geschapen, en om Uw wil was het en werd het geschapen”.

De strijd van God

Vele voorbeelden hiervan zijn tot onze lering opgetekend in de Bijbel. Zeer de moeite waard is het verhaal in 2 Kronieken 20 vers 1 tot 30 (2 Kron. 20:01-30). Het beschrijft de strijd van Josafat tegen de vijanden van Israël. Niet het volk verslaat de vijand, maar door de lofzang en aanbidding treedt Gods koningschap in werking en wordt het de strijd van God (2 Kron. 20:15). En om het geweldige belang van de lofprijzing te accentueren lezen we dan nog in vers 26 (2 Kron. 20:26): “Op de vierde dag kwamen zij in het Dal der lofprijzing; daar prezen zij de Here, hierom noemt men die plaats tot op heden Dal der lofprijzing”. Een schitterend voorbeeld hoe God troont op de lofzang van zijn volk.

In het nieuwe testament vinden we een even bekend voorbeeld, namelijk in Handelingen 16 vers 19 tot 40. (Hand. 16:19-40) We zien hoe Paulus en Silas, om de verkondiging van het evangelie, onder barre omstan­digheden opgesloten zitten in de gevangenis. En dan lezen we: “Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der gevangenis schudden; en terstond gingen alle deuren open en de boeien van allen raakten los” (Hand. 16:25-26).

Dat is het heerlijke gevolg als God kan regeren op de lofzang van zijn volk. Niet voor niets zegt Asaf: “Wie lof offert, eert Mij en baant de weg, dat Ik Hem Gods heil doe zien” (Ps. 050:023). Paulus en Silas en de gevangenen te Filippi hebben het gezien!

Dankbaarheid en af­hankelijkheid

Lofprijs komt voort uit diepe dankbaarheid en totale af­hankelijkheid. In de lofprijzing wordt God geprezen om zijn grote daden als Schepper van hemel en aarde, om zijn macht en heerlijkheid (zie bijv. Hand. 04:23-31). Als dankbaarheid gaat ontbreken zal ook de echte lofprijzing verdwijnen.

Paulus begint zijn brieven altijd met dankzegging aan God en Jezus Christus (zie ook 1 Petr. 01:01-03). Hij dringt er bij de gelovigen op aan om zelfs overvloeiende te zijn in dankzegging (Kol. 02:07). Je voelt dat dit niet oppervlakkig kan zijn, maar uit het diepste binnenste voort moet komen. Het motief van werkelijke lofprijzing en aanbidding is God en Jezus Christus zelf. Andere motieven maken het onwaarach­tig.

Wat is aanbidding?

Lofprijzing en aanbidding worden meestal in één adem genoemd. Je kunt het ook moeilijk van elkaar scheiden terwijl er wel on­derscheid op te merken is. De kracht van de lofprijzing is meer gericht op wat God doet en kan doen en al gedaan heeft, terwijl de kracht van de aanbidding veel meer gericht is op wie God in Zijn wezen is.

De oorsprong van de aanbidding is de geest van de mens verbonden met de heilige Geest. God is Geest en Hij begeert de geest van de mens met jaloersheid (Jak. 04:05). Daar in het diepste binnenste, in het hart, is de gemeenschap met God.

Het Griekse woord voor aanbidden is ‘proskuneo’ en komt ongeveer 60 maal in het nieuwe testament voor. Het is een samenvoeging van het woord ‘pros’, dat ‘naar toe’ of ‘in de richting van’ betekent, en het woord ‘kuneo’, wat ‘kussen’ betekent. Letterlijk betekent ‘proskuneo’ dan: ’toekussen’. Aanbidding is dus geen afstan­delijk gebeuren, maar een zeer intieme aangelegenheid in de Vader-kind verhouding.

In het gesprek met de Samaritaanse vrouw in Johannes 4, waar dit woord 10 maal voorkomt, zegt Jezus: “Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden; maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders; God is Geest en wie Hem aanbidden, moeten aanbidden in geest en in waarheid” (Joh. 04:21-24).

Het is de wil van God in Christus Jezus dat de gelovige zich te allen tijde verblijdt, dat hij bidt zonder ophouden, dat hij onder alles dankt (1 Thess. 05:16-18), dat hij voortdurend lof offert als een vrucht van zijn lippen (Hebr. 13:15), maar wat God speciaal zoekt zijn aanbidders.

In de Waarachtige zijn

De plaats van aanbidding was daar waar Gods Naam gevestigd was. “Maar de plaats die de Here, uw God, uit het gebied van alle stammen verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, om daar te wonen, die zult gij zoeken en daarheen zult gij gaan” (Deut. 12:5).

Nu het Woord vlees geworden is (Joh. 01:14) woont God niet meer in Jeruzalem, niet meer in een gebouw met handen gemaakt (Hand. 07:48). Hij is de Christus die verwacht werd. “Ik, die met u spreek, ben het”, zegt Jezus (Joh. 04:25-26).

Hij is de waarachtige tempel. De volheid Gods woonde lichamelijk in Hem (Kol. 01:19; Kol. 02:09).

God is maar op één plaats te kennen en te aanbidden en dat is in Zijn Zoon, die van Hem is uitgegaan. Er is geen waarachtige aanbidding van God mogelijk buiten Jezus Christus om. Hij is de openbaring van de Naam van God in alle volheid.

De waarachtige aanbidding is gebonden aan Hem die de Waarachtige is. In zijn eerste brief schrijft Johannes: “Doch wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven” (1 Joh. 05:20).

Wij kunnen God dus alleen maar in waarachtigheid zien (Joh. 14:09) en kennen (Matt. 11:27) in Zijn Zoon. En dat is nu in deze tijd alleen maar mogelijk door de heilige Geest, want de Here nu is de Geest, zegt Paulus (2 Kor. 03:17). En die Geest leidt ons in de volle waarheid. Hij neemt het daarbij niet uit God maar uit Jezus, die de Waarachtige is, en verheerlijkt Hem daarmee (Joh. 16:13-15). En waar de Zoon verheerlijkt wordt, daar wordt de Vader op zijn hoogst verheerlijkt.

Kennen met het hart

God kennen is veel meer dan van alles van en over God weten. Met vele woorden heeft Jezus over de Vader gesproken tot zijn discipelen (Joh. 17:06), maar Hijzelf is het beeld van de onzichtbare God (Kol. 01:15; Heb. 01:03a).

De woorden die Hij gesproken heeft en nog altijd spreekt, moeten levend gemaakt worden in het hart door Zijn Geest. Alleen daardoor ontstaat er, door gemeenschap met Hem, een zuiver kennen van God.

Waarachtige aanbidding in geest en in waarheid kan dus niet zonder de heilige Geest, de Geest der gebeden, die ons ook in deze vorm te hulp komt (Zach. 12:10a; Rom. 08:26).

In de tempel vond de aanbidding plaats in het heilige bij het brengen van het reukwerk op het reukofferaltaar. Reukwerk en vuur moesten voor honderd procent heilig en zuiver zijn. Zo zal de waarachtige aanbidder heilig dienen te zijn om voor God te verschijnen (1 Petr. 01:15-16). De oude mens zal radicaal afgelegd moeten worden en de nieuwe aangedaan. Alles wat nog uit het vlees is, vormt een blokkade om tot waarachtige aanbidding te komen (Rom. 08:07-08; Filip. 03:03).

De hele levenshouding en levenswandel zullen aanbidding uit moeten stralen. Dan kan men met de psalmist zeggen: “Laat mijn gebed mogen stijgen als wierook omhoog tot uw aanschijn; moge het, als mijn handen ik ophef, tot een avondoffer voor u zijn” (Ps. 141:002, vert. Gerhardt).

Zulke aanbidders zoekt God, ja daar wacht God op, evenals de zuchtende schepping wacht op het openbaar worden van de zonen Gods (Rom. 08:19). Deze twee verwachtingen lopen parallel, want naarmate de volwassenheid in Christus vordert, zal de aanbidding in waarachtigheid en waarheid toenemen. Dan gaat hemel en aarde samenstemmen, evenals bij de lofzang, en gebeuren er geweldige nieuwe dingen.

Waar we in Openbaring 4 lezen van de vier wezens, de vertegen­woordiging van de levende schepping, en van de 24 oudsten, die de gelovigen van het oude en het nieuwe verbond vertegen­woordigen en die dag en nacht roepen en aanbidden, lezen we in Openbaring 8 dat er stilte komt in de hemel.

Waar de gemeente van Jezus Christus gaat bidden in geest en in waarheid, gaat de hemelse vertegenwoordiging stil worden en luisteren. Hemel en aarde stemmen dan samen in heiligheid en zuiverheid.

Aanbidding vervult de schepping

Wij zien dan hoe alles in gereedheid wordt gebracht voor de troon van God en de laatste fase in Gods plan begint (Openb. 08:01-04).

De gebeden van alle heiligen stijgen dan op en komen ook werkelijk voor Gods aangezicht als bewijs van de zuiverheid en heiligheid daarvan. Hier heeft God op gewacht, nu komt de definitieve omkeer en de glorieuze overwin­ning, door de oordelen, op het rijk van satan. Nu zal spoedig Gods koningschap openbaar komen.

Johannes ziet de overwinnaars staan aan de glazen zee, met de citers Gods. “En zij zingen het lied van Mozes, de knecht Gods, en het lied van het Lam, zeggende: Groot en wonderbaar zijn uw werken, Here God.

Almachtige; rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, Gij, koning der volkeren! Wie zou niet vrezen, Here, en uw naam niet »* verheerlijken? Immers, Gij alleen zijt heilig. Want alle volken zullen komen en zullen voor U neervallen in aanbidding, omdat uw gerichten openbaar zijn geworden” (Openb. 15:03-04).

Iedere gelovige die, evenals de discipelen, serieus tot de Heer komt met de vraag: ‘Heer, leer mij bidden’, zal uiteindelijk bij die schare gaan behoren van waarachtige aanbidders die de Vader aanbidden in geest en in waarheid en die Hij zoekt met een verlangend hart. Deze aanbidding van de Vader en de Zoon zal tot in alle eeuwigheden hemel en aarde, ja, de hele schepping blijven vervullen. Halleluja!

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God. – 7 –

De gemeente en de antichrist (1)

(Openb. 13:01-18; Openb. 08:10-12. Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari).

Deze keer gaan we ons bezig houden met de openbaring van de antichrist, uitvoerig in beelden beschreven in het 13e hoofdstuk en in de parallelgedeelten uit het 8e hoofdstuk. In het septembernummer gaan we onder andere in op de confrontatie tussen de antichrist en de Gemeente. Het is aan te bevelen om daarover zelf eens wat na te lezen omdat we niet op alle beelden kunnen ingaan.

Is de antichrist een mens?

Van antichristelijke geesten hebben we al vaker gehoord, maar daarmee wordt niet de antichrist bedoeld. De antichrist is het tegenbeeld van Jezus Christus (= Jezus de Gezalfde), een mens dus, ook gedoopt in geest.

In hoofdstuk 13 hebben we van beiden gelezen: het afzichtelijke beest uit de zee is de geest van de antichrist (in hoofdstuk 9 vers 11 (Openb. 09:11) gedefinieerd als de geest uit de afgrond) en het beest uit de aarde is beeld van de antichrist. Deze twee zijn een twee-eenheid, zoals Christus dat is met de heilige Geest.

Als we het hebben over de antichrist, bedoelen we dus een méns, die één is met de geest uit de afgrond. Vorige maand hebben we al behandeld dat satan aan deze geest al zijn kracht, zijn troon en grote macht afstaat. De antichrist is daardoor de representant op aarde van het satanische rijk der duisternis, zoals Christus dat was van de Vader en van zijn Koninkrijk.

Wie is de antichrist en waar komt hij vandaan?

Wie is de antichrist? Na het blazen van de derde bazuin (Openb. 08:10-11) is sprake van een grote ster, die brandend als een fakkel uit de hemel valt. Dat is hem: een blinkende ster die uit de hemel -het Koninkrijk van God- tuimelt. (Dit beeld geeft de geestelijke doorbraak aan, het beeld van het beest duidt op zijn aard). Nauwelijks te vatten misschien: die blinkende ster is een tot ontwikkeling gekomen zoon Gods die zich keert tegen God omdat hij zich kennelijk niet schaart in zijn herstelplan.

Daarmee lijkt hij op Lucifer! In Ezechiël 28 vanaf vers 12 (Ez. 28:12 vv)staat daarover: “Volmaakt van gestalte zijt gij, vol van wijsheid, volkomen schoon…, onberispelijk was gij in uw wandel… totdat er onrecht in u werd gevonden. Trots was uw hart op uw schoonheid, ter aarde wierp Ik u neer”. Zo werd Lucifer satan, de tegenstander van God. En zo wordt een zoon Gods de antichrist, die zich gaat keren tegen de Gemeente van Jezus Christus.

De antichrist is gedoopt geweest in de heilige Geest, kent de geheimenis­sen van het koninkrijk der hemelen, heeft het evangelie verkondigd, heeft gemeenten gebouwd, heeft geprofeteerd, heeft mensen in Jezus’ naam genezen, heeft boze geesten uitgeworpen…, zie Hebreeën 6 vers 4 tot 6 (Heb. 06:04-06) in dit verband. Zich opnieuw bekeren zal hij niet meer, er is geen verlangen om terug te keren, hij is bitter (alsem) geworden. Hij heeft een beter evangelie ‘bedacht’, dat kennelijk aanslaat bij medegelovigen (= afval der heiligen, lees in dit verband 2 Thessalonicenzen 2 vanaf vers 3 (2 Thess. 02:03).

De antichrist komt dus uit de Gemeente van Jezus Christus. (Dat komt overeen met wat in 1 Johannes 2 vers 19 (1 Joh. 02:19) staat: de antichristen zijn van ons uitgegaan). Dat is de waarheid van de derde bazuin. Hoe is het mogelijk!?

Kan een volmaakt mens dan nog zondigen en afvallen?

Ook een volmaakt mens kan zondigen en in verzet komen. In plaats van over ‘volmaaktheid’ is het wellicht duidelijker om over geestelijke volwassenheid te spreken. Want volmaaktheid is niet ‘af zijn: de ontwikkeling gaat door, zoals dat ook geldt voor elk volwassen mens. Satan heeft altijd getracht en vaak met succes om kinderen Gods te verleiden tot zonden te verlokken met gedachten die niet corresponderen met die van God. Ook zonen Gods ontkomen daar niet aan. En hij verleidt op voor hen aansprekende terreinen. Zoals hij dat bij Jezus deed na zijn doop in water en in heilige Geest: “Indien gij Gods Zoon zijt…”, zie bijvoorbeeld Lucas 4 vanaf vers 1 (Luc. 04:01 vv). Jezus weerstond de satan omdat Hij doordrenkt was van het denken van zijn Vader: de Christus moet de ges­talte van een dienstknecht aannemen en veel lijden (Filip. 02:07; Luc. 24:26). Niet zijn eigen wil doen maar die van zijn Vader. Hij had de gehoorzaam­heid geleerd, Hij had als een leerling leren luisteren en was niet weerspannig geworden (Jes. 50:05). Dan heeft Hij dingen gehoord die voor Hem niet altijd aantrekkelijk waren! Maar had Jezus kunnen falen? Dat had Hij! Als er sprake is van verzoeking kan er gekozen worden, dus ook het verkeerde.

Zo zal een geopenbaarde zoon Gods ingaan op de leugenachtige inspiraties van satan. Wat kunnen we daarbij bedenken? Het zal op hetzelfde vlak liggen als waarop Jezus verleid werd: heersen of dienen, aanzien of verwerping, spektakel of eenvoud, aanbidding of lijden! En dit is toch ook niet zo’n vreemde verzoeking: de weg naar het zoonschap is er één geweest van volharding, van veel strijd en lijden, dan wil je wel eens wat anders!

Hoe past de gevallen zoon Gods in ‘het plan van satan’?

Satan heeft geen van te voren bedacht plan zoals God. Zoals we al eerder hebben gezien reageert hij op de Goddelijke initiatieven en ontwikkelin­gen. Het openbaar komen van de zonen Gods heeft hij niet kunnen voorkomen. Dat openbaar worden was een gebeurtenis die hij niet had verwacht, omdat hij stellig geloofde in het effect van zijn drie grootvorsten die hij achter de ruiter op het witte paard aan zond (zie deel 2). Sterker nog: hij wordt uit de hemel geworpen, wat voor hem een vernederende ervaring is omdat hij meende alle macht te bezitten!

Vervuld van haat zoekt hij naar nieuwe wegen om te voorkomen dat nog meer zonen worden geboren en om alsnog af te rekenen met de Gemeente van Jezus. Daarvoor heeft hij nodig:

  1. een geestelijke volwassen mens die ’thuis’ is in de hemelse gewesten, die zijn geestelijke begaafdheden ontwikkeld heeft en die op de hoogte is van Gods plan. En
  2. een geest, die volgens hem in staat is het tegen zonen Gods op te kunnen nemen (hijzelf kon het niet!).

Een geestelijk volmaakt mens doen ontwikkelen kan hij niet, die zal hij moeten zoeken onder de zonen Gods. Zijn wapen, leugen en verlokking, brengt hem weer succes. Hij wil een zoon, één die in staat is zijn plan uit te voeren. De geest zoekt hij in het dodenrijk: hij doet een beroep op Apollyon, de heerser over de afgrond, rechterhand van de (macht van) de dood. De ruiter op het vale paard vond zijn oorsprong in zijn rijk, maar dat is een kleintje vergeleken bij deze vorst. Het wezen van Apollyon is één en al verderf. Hij heerst met een autoriteit waarvoor zijn eigen ‘onderges­chikten’ sidderen; genade is een onbekend begrip in het rijk der duisternis. Zijn klimaat is huiveringwekkend.

Met deze twee, de antichrist en de geest uit de afgrond, zet satan alles op alles om alsnog zijn gram te halen.

Hoe gaat de antichrist te werk?

De antichrist komt uit de Gemeente van Jezus Christus, zijn leer is afgewezen, er is een scheiding van geesten gekomen. In geestelijke zin is hij gevallen. Zijn haat richt zich daarom tegen de Gemeente. Hij zal bewijzen dat hij gelijk heeft! Hij zal haar willen bestrijden, vervolgen en uitroeien. Maar daarvoor moet hij eerst volgelingen hebben, een gemeente die in staat is het tegen de Gemeente van Jezus Christus op te nemen, die dus kan functioneren in de hemelse gewesten en tevens wereldwijd is.

Hij richt zich daarom allereerst op Babylon, gelovigen met een geringe onderscheiding van geesten, die weinig weet hebben van een wandel in de hemel, maar anderszins wel verlangend uitzien naar bijvoorbeeld de wederkomst des Heren en naar geestelijke beleving; een groep die in geestelijk opzicht gemakkelijk is te manipuleren. En hij vindt gehoor omdat zijn prediking met grote tekenen en wonderen gepaard gaat; die macht heeft hij immers.

Wat is de boodschap van de antichrist?

De antichrist presenteert zich niet als Jezus Christus, maar als de nieuwe heilprofeet, de betere Messias met een boodschap voor de gehele aarde. Om gehoor te vinden zal zijn boodschap aanvankelijk in woorden nog gelijkenis vertonen met het evangelie. Maar zodra hij ingang heeft gevon­den zal zijn boodschap al snel veranderen. Hij wil immers geen chris­telijke kerk, maar een antichristelijke!

Wat moeten we ons daarbij voorstellen? Een voorzichtige poging daartoe: De antichrist kent het evangelie van het koninkrijk. Het eerste wat hij gaat doen is dat verdraaien. Het lijden wordt er ongetwijfeld uitgehaald. Evenals de betekenis van het kruis toch altijd al een dwaasheid van het christendom (1 Kor. 01:18) dat gebracht wordt als een gepasseerd station. Over vergeving van schulden wordt niet meer gesproken -het bloed van het Lam is voor hem een gruwel- men moet zijn eigen heil bewerken: je kunt hel zeil, je mag zelf bepalen wat goed is!

Het resultaat daarvan is wetteloosheid. Gods plan wordt aangepast: het leven op aarde wordt een paradijs, alle volken mogen met elkaar in vrede leven (de nieuwe wereldorde!), de opstanding uit de doden en het gelijk zijn aan Christus wordt ontkend: na een ‘geestelijke’ ontwikkeling verlost te zijn van het stoffelijke is het na te streven ideaal. God als Vader en schepper van hemel en aarde verdwijnt; God is een universele kracht voor alle mensen. In deze kracht vindt alles zijn evenwicht: licht en duisternis, positieve en negatieve krachten, goed en kwaad.

Deze god wordt aanbeden, maar het is de draak (Openb. 13:04)! En de Gemeente van Jezus Christus wordt er van beschuldigd het nieuwe tegen te willen houden. De haat tegen de Gemeente zal steeds sterker doorklinken. Het juiste zicht op God, Christus en zijn Gemeente wordt weggenomen. Dit is de periode van de vierde bazuin (Openb. 08:12) waarin de geestelijke duisternis sterk zal toenemen.

Wat wordt met het ‘beeld van de antichrist’ bedoeld?

Vele kinderen Gods worden verleid en volgen de antichrist. Voor hen die zich niet verdiept hebben in het plan van God klinkt het aantrekkelijk en toch ook bekend in de oren. Ook vele ongelovigen of gelovigen uit andere religies worden aangetrokken. Alle aandacht is nu gericht op de nieuwe leider, die macht heeft in hemel en op aarde. Wie is aan hem gelijk (Openb. 13:04)? Zoals de Gemeente van Christus de aanbidding kent (zie deel V), zo weet de antichrist de aanbidding van zijn volgelingen op zich te richten.

En daarmee is de tijd rijp voor een nieuwe fase: de doop in de geest. In de geest van de afgrond wel te verstaan! Zoals de 144.000 uit (geestelijk) Israël verzegeld werden aan hun voorhoofd, zo worden de volgelingen van de antichrist ook verzegeld (Openb. 13:06; zie ook 2 Thess. 02:04). Voortaan is de antichrist hun inspirator. Vervuld van zijn geest, gaan ze denken, spreken (of ‘profeteren’) en handelen als hun leider. Zo worden zij een afspiegeling van hem. Zij worden zijn beelddragers. Het sprekende beeld van de an­tichrist, uit hoofdstuk 13 vers 15(Openb. 13:15), is dus zijn wereldgemeente, een gemeente gevormd door ‘zonen des verderfs’.

1992.06 nr. 338

Levend geloof 1992.06 nr. 338

Wat er gebeurt als wij geestelijk groeien door Gert Jan Doornink

“De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en ver­staat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd-, deels zestig-, deels dertigvoudig”.

(Uit de gelijkenis van de zaaier; Matt. 13:01-09; Matt. 13:18-23).

De gelijkenis van de zaaier is één van de meest bekende gelijkenis­sen die Jezus vertelde toen Hij op aarde was. Het is een gelijkenis die ons op indringende wijze in contact brengt met de noodzaak van geestelijke groei. En op de vraag wat er gebeurt als wij geestelijk groeien, krijgen wij via deze gelijkenis een zeer duidelijk antwoord. Wat is dat antwoord? Dan dragen wij vrucht voor Gods Koninkrijk! Geestelijke groei is dus een ‘must’ voor ieder kind van God.

Wat is geestelijke groei?

In de natuurlijke wereld groeien wij op van baby tot peuter, van peuter tot kleuter. Dan volgt de schoolgaande periode en via de puber- en tienerleeftijd groeien wij verder en worden een jonge vrouw of jonge man. En dan breekt de volwassen leeftijd aan. Er zijn dus verschillende fasen in ons leven. Hetzelfde geldt voor de gees­telijke wereld waarin we door wedergeboorte zijn terechtgekomen.

Er is echter een groot verschil tussen de groei in de natuurlijke wereld en de groei in de geestelijke wereld. Aan het eerste komt een einde. Geleidelijk aan  komt er een aftakeling van het lichaam. Maar aan de groei in de geestelijke wereld komt geen eind. Paulus zegt: “Maar al vervalt ook de uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd” (2 Kor. 04:16).

Als er in de natuurlijke wereld om één of andere reden geen groei meer is, doen we er alles aan om dit te verhelpen. In erge gevallen gaan we naar de dokter of psychiater. De groei moet weer op gang gebracht worden anders gaat het mis… Jonge vrouwen en meisjes die op extreme wijze af willen vallen om maar een mooi figuur te krijgen, komen soms terecht in een toestand waardoor men de groei niet meer op gang kan krijgen. Men spreekt dan van ‘anorexia nervosa’.

Soms denk ik wel eens dat er in de geestelijke wereld heel wat gevallen zijn van anorexia nervosa. In ieder geval zien wij dat er vaak nonchalant wordt omgesprongen met het begrip ‘geestelijke groei’, terwijl het toch zo uitermate belangrijk is. Dan wordt er al gauw geredeneerd van: ‘Als je maar weet een kind van God te zijn. Daar gaat het om en wat je dan verder ook van visie hebt, is minder belangrijk’.

In eerste instantie gaat het natuurlijk om het feit of men weet een kind wan God te zijn, maar dan moet ook de geestelijke groei beginnen! Want de visie die wij hebben houdt juist verband met deze geestelijke groei.

Waarom wij geestelijke groei nodig hebben

De eerste reden waarom geestelijke groei noodzakelijk is om de duivel te kunnen ontmas­keren en overwinnen. Satan haat geestelijke groei. Daarom houdt hij er een politiek van nivellering en terug schakeling op na. Als wij altijd verliezer zijn geweest in de geestelijke strijd en we hebben het verlangen overwinnaar te worden, zal hij met alle macht proberen dat te verhinderen.

Toch behoort het verlangen om overwinnaar te zijn een doelstel­ling in ons leven te zijn. Niet voor niets worden wij daartoe door de apostelen opgeroepen en zien wij bijvoorbeeld hoe de overwinning in het leven van Paulus te midden van alle omstandigheden functioneerde. Wanneer hij deze opsomt in Romeinen 8, schrijft hij: “Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad” (Rom. 08:37). Johannes schrijft: “Al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof’ (1 Joh. 05:04).

De tweede reden waarom wij geestelijk behoren te groeien is om mondige christenen te worden en ons als zonen Gods te openbaren. In zijn brief aan de Efeziërs spreekt Paulus over het bereiken van “de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” (Ef. 04:13). Hij schrijft dan verder: “Dan zijn wij niet meer onmondig, op en neer, heen en weer geslingerd onder invloed van allerlei wind van leer, door het valse spel der mensen, in hun sluwheid, die tot dwaling verleidt, maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus” (Ef. 04:14-15). Dan gaan wij ons dus als beelddragers van Christus openbaren.

Onmondige christenen worden heen en weer geslingerd door allerlei wind van leer en zijn daardoor gemakkelijk te beïnvloeden door de duivel. Onmondige christenen laten zich voeden met melkvoeding en kunnen de vaste spijs niet verdragen (Heb. 05:12-14).

Onmondige christenen zijn zich ook niet bewust dat hun plaats met Christus in de hemelse gewesten om van daaruit te strijden en te overwinnen is.

Omdat het Gods wil is, is ook een belangrijke reden waarom wij geestelijk behoren te groeien. In Hebreeën 3 wordt het oud­testamentische volk van God als voorbeeld aangehaald . Dit volk was onder Mozes uit Egypte getrokken om via de woestijn naar het beloofde land te gaan. Maar door ongeloof en ongehoor­zaamheid kwam het gehele volk om in de woestijn. Pas onder Jozua trok een geheel nieuwe generatie het beloofde land , binnen. Dan vervolgt Hebreeën 4: “Laten wij daarom op onze hoede zijn, dat niemand van u, terwijl nog een belofte van tot zijn rust in te gaan bestaat, de indruk zou wekken achter te blijven”. Het gezegde ‘stilstand is ach­teruitgang’ geldt zeer zeker ook in geestelijk opzicht.

In Hebreeën 12 vers 15 (Heb. 12:15) lezen wij: “Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods…” Het woord ‘verachteren’ betekent: achterop faken, achteruitgaan. Iemand die geestelijk achterop raakt heeft bovendien een negatieve invloed op de anderen. De Hebreërschrijver spreekt in dit verband over het opschieten van een gif wortel, waardoor de meerderheid aangetast wordt.

Er is nog een belangrijke reden waarom geestelijke groei beslist nodig is. Dat is omdat we de taak die we van God ontvangen hebben, alleen maar optimaal kunnen vervullen als we geestelijk uitgegroeid, dus volwassen christenen zijn. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat een pas-bekeerde niet van veel betekenis is in zijn getuigenis, maar lang niet iedere pas-bekeerde houdt zijn en­thousiasme vast, zeker niet als er geen geestelijk groei volgt.

Wanneer zien de mensen het beeld van Jezus in ons? Niet als we ‘verachterd zijn in de genade’. Niet als we ‘nederlaag-christenen’ zijn. Niet als we ons bezig houden met allerlei verkeerde leringen en anderen daarmee proberen op te zadelen.

Het gaat erom dat wij niet alleen anderen, wat wij dan noemen, ‘winnen voor Christus’. Maar daarna hen leren, begeleiden en stimuleren om volwassen christenen te worden, zodat ook zij weer optimaal inzetbaar zijn in dienst van Gods Koninkrijk.

Geestelijke groei en voeding

Geestelijke groei hangt ook ten nauwste samen met de voeding die wij krijgen, geestelijke voeding uiteraard. Zoals in de natuurlijke wereld goede en juiste voeding van levensbelang is, geldt dit ook voor de nieuwe geestelijke wereld waarin we, sinds onze weder­geboorte, leven. Welke gees­telijke voeding ontvangen wij en van wie?

In de gelijkenis van de zaaier is het ‘zaad’ waar Jezus over spreekt het ‘woord van het Koninkrijk’ (Matt. 13:19). Een zeer belangrijk gegeven. Niet ieder zaad is dus het juiste zaad. Er kan verkeerd zaad gebruikt worden. En de duivel ligt op de loer om het verkeerde zaad te hanteren.

Onder het ‘woord van het koninkrijk’ mogen wij het evangelie verstaan, zoals Jezus dat bracht en later de apostelen. Het evangelie wat bevestigd wordt door tekenen en wonderen, dat wil zeggen: mensen worden werkelijk bevrijd uit satans macht en leren het echte, nieuwe leven kennen zoals God dat oorspronkelijk voor ieder mens had bedoeld.

Juist daarom is het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, het volle evangelie, zoals wij dat hebben leren kennen, zo belangrijk. Dat zeggen we niet om ons hoogmoedig en exclusief op te stellen ten aanzien van andere christenen, maar gewoon omdat iedereen die het heeft leren kennen, ontdekt heeft dat dit het werkelijke evangelie is. En waarom zouden we het evangelie wat geen surrogaat is, maar ons werkelijk gelukkig en rijk heeft gemaakt, niet gaan delen met anderen? Jezus sprak niet voor niets: “Predik het evangelie aan de gehele schepping”.

Wij willen niet ‘de dood in de pot’, maar ‘leven in de brouwerij’ en met leven bedoel ik dan het echte Goddelijke leven, wat door geloof^ in Jezus in ons is. Wat de uitdrukking ‘de dood in de pot’ betreft: wist u dat dit ontleend is aan een oudtestamentische geschiedenis?

In 2 Koningen 4 vers 3 (2 Kon. 04:03) lezen we over de profeet Elisa die in Gilgal kwam, waar hongersnood was. Op een dag roept hij zijn knecht bij zich en zegt: ‘Zet maar een grote pot op en kook moes voor de profeten’. Dan worden er groenten geplukt in het veld (wilde kolokwinten van een wilde slingerplant) en in stukjes gesneden in een pot gedaan en tot moes gekookt. Maar zodra ze daarvan gaan eten, schreeuwen ze het uit: ‘De dood is in de pot, man Gods!’ Ze konden het niet eten. Wat doet nu Elisa? Elisa raakt niet in paniek. Zoals ook wij nooit in paniek behoeven te raken. Want wie op God vertrouwt, zal nooit beschaamd uitkomen! Elisa zegt: ‘Haal dan meel’. Als dat in de pot is gedaan en bereid is, zegt hij: ‘Schep op voor het volk, opdat zij eten’. Dan zien wij dat er ‘niets kwaads meer in de pot’ is.

Een prachtig voorbeeld ten aanzien van onze taak! Meel is gemalen graan waarvan brood gemaakt wordt. En zegt Jezus niet dat Hij het brood des levens is? In Johannes 6 vers 35 (Joh. 06:35) lezen wij daarover: “Ik ben het brood des levens; wie tol Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten”. En in vers 51 zegt Hij: “Ik ben het levende brood, dat uit de hemel nedergedaald is. Indien iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid leven; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld”. Als wij Zijn evangelie brengen, brengen wij datgene waardoor de (geestelijk) hongerige mens werkelijk gevoed wordt! Geen surrogaat-voeding, maar échte voeding!

Maar uit de gelijkenis van de zaaier blijkt dat als wij het echte evangelie verkondigen, het goede zaad uitstrooien, de duivel nog steeds op de loer ligt om te verhinderen dat het aanvaard wordt.

Sommigen ‘verstaan’ het niet. Daarom is de doop met de heilige Geest zo belangrijk. Daardoor leren we de betekenis van het woord van God werkelijk verstaan.

Sommigen aanvaarden het, maar het blijft oppervlakkig. Zoals in allerlei groepen en gemeenten het geval is: veel tamtam, maar geen diepgang, geen geestelijke groei.

Weer anderen laten zich zo in beslag nemen door alles wat uit de natuurlijke wereld op hen afkomt, dat het ook helemaal misgaat. Matteüs 13 vers 22 (Matt. 13:22) zegt dat zij wel het woord horen, maar “de zorg van de wereld en
het bedrog van de rijkdom verstikt het woord en hij wordt onvruchtbaar”.

Wanneer dragen wij vrucht?

Maar -prijst God- vers 23 zegt: “De in goede aarde gezaaide is hij, die het woord hoort en verstaat, die dan ook vrucht draagt en oplevert, deels honderd- deels zestig-, deels dertigvoudig”. Wij dragen dus vrucht als wij het woord Gods, het woord van het Koninkrijk, horen èn verstaan. Als we geestelijk groeien. Als we weten waarom het werkelijk gaat. Als we ons laten leiden door Gods Geest waarvan wij vol behoren te zijn. Als we luisteren naar wat apostelen, herders, leraars, profeten en evangelisten ons te zeggen hebben.

In Matteüs 13 staat het zo mooi: “… die dan ook vrucht draagt”.

Met andere woorden: dan is het ook een vanzelfsprekende zaak dat het gaat gebeuren. Weet u wat Paulus zegt?: “Wat een mens zaait, zal hij ook oogsten. Want wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest, zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten. Laten wij niet moe worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij niet verslappen” (Gal. 06:07-09).

Er gebeurt dus heel wal als wij geestelijk groeien. Het komt in het kort hierop neer dat we dan volledig Gods wil doen en dat Hij ons daardoor ten volle kan gebruiken in Zijn dienst. En is er iets heerlijkers denkbaar dan de woorden die Jezus sprak na te zeggen en in praktijk te brengen: “Vader, hier zijn wij, om Uw wil te doen!”.

 

 

Kan God ons verzoeken? door Herm Robbertz

“En leid ons niet in verzoeking…” (Matt. 06:13).

Een ‘onmogelijke’ tekst

Deze Bijbeltekst heeft al menig mens in verwarring gebracht. Immers, Jezus spoort ons aan om deze bede te richten tot onze (volmaakt goede!) hemelse Vader. Maar hoe kan dat nu, als Gods Geest toch duidelijk zegt: “Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Gódswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden, en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking”! (Jak. 01:13).

Dit is toch klare taal. Jakobus voegt er nog aan toe, dat de zonde een vrucht is. En wel het resultaat van de gemeenschap van een goddeloze begeerte in een mens met een goddeloze boze geest. Daarom ook zegt hij: Dwaalt niet: God is de Vader der lichten en alles wat uit Hem voortkomt is enkel waar en goed en volmaakt en heeft niets van doen met enige duisternis of verleiding tot het kwade.

Zie ook 1 Johannes 1 vers 5 (1 Joh. 01:05) (“God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis”) en 2 Korinthiërs 6 vers 14 (2 Kor. 06:14) (“Welke gemeenschap heeft het licht met de duister­nis?”).

Door de duivel verzocht

Over deze dingen spreekt Matteüs 4 vers 1 (Matt. 04:01) veel duidelijker taal dan bovenstaande tekst uit ‘het Onze Vader’. Hier staat glashelder wie het is, die de mens verzoekt: “Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid, om verzocht te worden door de duivel”.

De oude slang is het, die de mens tracht te verleiden om het Woord van God los te laten, en om vervolgens ‘zijn eigen weg’ te gaan (Jes. 53:06). De vader van alle wetteloosheid was zelfs het alleréérste schepsel van God, dat zijn eigen vrije wil en begeerte misbruikte om zich van zijn goede Schepper los te maken, om zijn eigen weg te gaan en zijn eigen koninkrijk te stichten, dat onafwendbaar in botsing moest komen met Gods plan en Gods Koninkrijk. De duivel was de vader (de oorsprong) van dc wetteloosheid, die ook Eva verzocht om hetzelfde te doen als hij gedaan had!

De boom der kennis van goed en kwaad

Eva moest volgens de verzoeker gaan geloven dat het beter was voor haar om niet langer afhankelijk te zijn van God (en dus van Zijn Woord). Deze afhankelijkheid van God werd uitgebeeld door het eten van de boom des levens. En Eva schonk geloof aan de leugen dat zij voortaan ónafhankelijk van God haar eigen gang kon gaan en dat zij -evenals God- zélf zou kunnen bepalen wat goed is en wat kwaad is, naar eigen (vleselijke) begeerte en goeddunken. Zij zou deze keuze openbaar maken door te eten van de boom der kennis van goed en kwaad… Eva en Adam werden verzocht om God en

Zijn Woord te vergeten en hun Schepper en Vader en Aller­hoogste te verloochenen, om voortaan zélf hun eigen ‘aller­hoogste’ te zijn.

De nieuwe Adam

Toen Jezus vervuld werd met Gods Geest werd Hij door dezelfde oude slang verzocht om dezelfde verkeerde keuze te maken die ook Eva en Adam hadden gemaakt. Jezus, de nieuwe Adam, bleef echter standvastig als ziende de Onzienlijke Vader (Heb. 11:27b). Hij kende de weg tot het hart van de Vader, die tevens de weg is tot dc troon van God, namelijk deze: “Onderwerpt u dus (van ganser harte ) aan God, maar biedt weerstand aan de duivel (de verzoeker), en hij zal van u vlieden” (Jak. 04:07).

Foute tekst of foute interpretatie?

Maar wat moeten wij dan nu met onze tekst uit het Onze Vader? Is deze tekst dan wellicht verkeerd vertaald vanuit het Grieks? Bij nader onderzoek blijkt dat de Griekse tekst hier precies dezelfde woorden gebruikt als onze Nederlandse tekst. Dus zo komen we niet verder. Maar wat nu?

De Studiebijbel (een uitgave van ‘In de Ruimte’) zegt terecht: ‘Leid ons niet in verzoeking’ is niet ‘Verzoek ons niet’, maar ‘Lever ons niet over aan de verzoeking’ wat zal leiden tot afval; met andere woorden: ‘Houd ons vast’. Tot zover de Studiebijbel.

Overgeven aan… overlaten aan…

Vergelijk dit eens met teksten als Romeinen 1 vers 24, 26 en 28 (Rom. 01:24-28) en vele andere teksten die spreken over het overgeven van mensen aan de vijand, als het onaf­wendbare gevolg van het feit dat mensen zich van God en Zijn Woord afkeren en zich wenden tot (en zichzelf overgeven aan)… de vijanden van God. Denk bijvoorbeeld maar eens aan het boek Richteren en aan het volk Israël kort voor de Babylonische ballingschap.

Schaap en wolf

Wanneer het schaap de keuze maakt om de Goede Herder te verwerpen en om zogenaamd ‘zijn eigen weg’ te gaan, dan komt dit schaap los van God te staan en is hierdoor niet langer beschermd tegen de aanvallen van de wolven! Deze geestelijke wet van oorzaak en gevolg heeft God juist aan de eerste mensen (en ook aan ons!) bekend gemaakt: de vrije keuze tussen Gods leiding met Gods zegen als gevolg, of duivelse mis­leiding met vloek en ellende als gevolg.

In feite is het niet God die ons overgeeft aan de vijand, maar de mens zélf die zich overgeeft aan de misleider.

Gods Geest weerstaan, in plaats van de boze weerstaan…

In Matteüs 23 vers 28 (Matt. 23:28) moet de nieuwe Adam, Jezus Christus, constateren dat het merendeel van de vleselijke nakomelingen van Abraham, niet alleen aan God ongehoorzaam zijn geworden, maar dat zij zelfs (ondanks hun uiterlijke godsdienst) zich zodanig verhard hebben, dat zij Gods Geest voortdurend weerstaan, in plaats van de boze te weerstaan (zie Hand. 07:51). En dan is zijn conclusie: “Zie, uw huis wordt aan u (zelf) overgelaten…” Zoals jullie ’t zelf gewild hebben.

God respecteert de keuze van de mens

Zo is het ook gegaan met de verloren zoon. Als je weg wilt lopen van God, dan zal Hij je niet met geweld dwingen om bij Hem te blijven. Hij stelt je eigen keuze voorop! Hij dwingt je niet om zalig te worden. Maar Hij doet je een vurig ‘aanzoek’: “Mijn zoon, geef Mij je hart” (Spr. 23:26).

Hier is slechts plaats voor de keuze van het hart, voor geloof, hoop en liefde. En voor trouw uiteindelijk. Pas dan is er ook Gods tegenwoordigheid en Gods bescherming.

Lezen wat er staat, maar , vooral: verstaan wat bedoeld wordt!

Altijd weer dienen wij ons (en de Heer!) te vragen: Versta ik, wat ik lees? (Hand. 08:31). Versta ik niet de letter en de komma, maar de geest en de bedoeling van Gods Geest? Denk hierbij bijvoorbeeld eens aan een tekst uit Lukas 14 vers 26 (Luc. 14:26): “Indien iemand tol Mij komt, en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen… die kan mijn discipel niet zijn!” Niet de letter, maar de geest maakt de bedoeling duidelijk.

De verleider is de vijand!

Door Gods Geest en door Gods Woord zijn wij overtuigd van hetgeen Heinz Zahrnt schrijft in zijn boekje: ‘Hoe kan God dat toelaten?’ (Overigens een boek waar wij ook de nodige kritiek op moeten hebben, helaas): ‘God heeft beslist vele namen, maar Hij kan nooit betiteld worden als ‘verleider’. De verleider is altijd de ander, de vijand van de mensen. Daarom zou ik ook blij zijn als die nieuwtestamentisch gelijk zouden hebben, die beweren dat de zesde bede van het Onze Vader volgens de Aramese oertekst, in vertaling zou moeten luiden: “… en red ons uit de verzoeking”. Tot zover H. Zahrnt.

“Houdt vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme”

Zelf zou ik kiezen voor: “Bewaar ons gedurende de verzoeking!” Hoewel ik weet dat zelfs deze woorden verkeerd verstaan kunnen worden. Immers God kan ons alleen bewaren, als wij Zijn Woord bewaren! (Openb. 03:08b-11). Dan zal de boze ons moeten loslaten en ons als overwinnaars en zonen van God moeten erkennen! Want de ogen van de Heer zijn op ons om krachtig bij te staan, als ons hart volkomen naar Hem uitgaat! (2 Kron. 16:09).

 

Ulbe en Vera Slim door redactie

In het maartnummer berichtten wij uitvoerig over de ‘zendingsroeping’ van Ulbe en Vera Slim voor de Indianen. Inmiddels zijn de laatste barrières, die het vertrek nog tegenhielden, opgeruimd. Het huis is verkocht en er is toestemming ontvangen voor een verblijf van minimaal vijf jaar. Op 28 juni wordt er een speciale uitzenddienst gehouden in het Almère-college te Kampen om tien uur. De vertrekdatum is 25 juli.

 

Onze opdracht door Duurt Sikkens

In de wereld worden allerlei evangeliën verkondigd, velen bekeren zich, maar worden deze zuigelingen onvervalst gezoogd? Waar opgevoed? Welke moeder is werkelijk vrij van leugen, van systeem­denken, vol van innerlijke ontferming voor de mensen die God hebben verloren? Hoe vele evangeliën worden toch aan de mensen verkondigd? Hoeveel afleidingsmanoeuvres zijn er verzonnen om maar ‘bezig’ te zijn? Hoeveel dingen worden ‘voor de Heer’ gedaan, die eigenlijk van de aarde zijn? Hoe ‘vol’ is ons evangelie? Is het daarom niet heerlijk om het evangelie van Jezus, dat van het Koninkrijk van God, te vertellen?

Het evangelie van boven, waar wij wonen met onze Vader en zijn eerste Zoon, omringd door de heilige engelen. Dat is de opdracht om op deze unieke weg te wijzen en aldus overvloedig te zijn in het werk des Heren, door de mensen weer van hun afkomst bewust te maken, door de wereld te overtuigen van Gods gerechtigheid in vergeving van zonden. Door de duivel te veroordelen en de mensen door ons woord opnieuw geboren te doen worden en de werken te doen, die van vóór de grondlegging der wereld door God al zijn bedacht.

Onze Vader werkt en wij doen ook deze werken. Voorzichtig stappen we verder en zó zal langzamerhand duidelijk worden hoe het werkt en hoe God werkt.

Laten we vooral blijven zoeken, want er moet nog veel worden gevonden. Zelf weet ik vaak ook nog niet wat ik moet zeggen of doen. Maar laten we voortgaan met de verkondiging van dat Koninkrijk, dat niet van deze wereld is, niet berustend op religieuze macht, invloed en (verbaal) geweld, maar dat de ware mens Gods weer tevoorschijn roept.

(Ver)dwaalt niet! “Dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele kosmos gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde (eindelijk) gekomen zijn” (Matt. 24:14).

Laten we, heel gewoon en helder, de werkelijkheid van Christus vertellen. Houd van mensen en wees zó een stem van de hemel. Wees goed!

 

De rechtvaardige (gedicht) door Piet Snaphaan

“De mond van de rechtvaardige
gewaagt van wijsheid,
zijn tong spreekt het recht;

de wet van zijn God is in zijn hart,
zijn schreden wankelen niet”
(Ps. 037:030-031).

 

Veel mensen denken vaak aan hoogmoed,
als je een rechtvaardige zegt te zijn.
Ze denken vaag; wijzen op ootmoed,
alsof je alleen daardoor Gods wil doet,
het is hun denken, niet de mijn.

 

Want ik ben wat God zegt dat ik ben:
rechtvaardig in zijn ogen.

Juist door ’t geloof versta ik Gods stem,
ook ’t recht te spreken namens Hem,
Zijn Naam aldoor verhogen.

 

Mijn mond wil ‘k geven om te spreken,
wat in Gods Woord wordt uitgezegd.
Zijn waarheid is voor mij een teken,
mijn schreden wankelen niet door kreten,
Gods weg is in mijn hart gelegd.

 

De functie van de voorbede in de gemeente door Wim te Dorsthorst

Wij hebben gezien hoe belangrijk het gebed is in het persoonlijke leven en dat het naar de wil van God en naar Zijn gebod is. Een heel belangrijke voorwaarde voor gebedsverhoring vinden wij in Johannes 15 vers 7(Joh. 15:07), waar Jezus zegt: “Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraagt wat gij maar wilt, en het zal u geworden”.

In deze paar woorden geeft de Heer een hele nauwgezette en intieme levenswandel met Hem weer. Het gaat erom dat wij in Hem blijven en Zijn woorden in ons hart bewaren. Als dit niet aanwezig is, niet goed functioneert, dan zal er weinig gebedsverhoring zijn.

Voorts is het belangrijk te beseffen dat alle gebeden, in welke vorm dan ook, dienen te geschieden in Zijn Naam, in de Naam van Jezus Christus (Joh. 14:13-14). Dat is Gode welgevallig en naar Zijn wil.

Functie en plaats van de voorbede

Een hele bijzondere en duidelijke plaats wordt ingenomen door de voorbede. In het gehele werk van God heeft de voorbede van de gemeente een hele belangrijke functie en plaats.

In de dienst van de voorbede gaat het om een priester-functie. Het is de (scheppings)orde van God dat al Zijn goede geestelijke gaven door priesterdienst vervuld zullen worden in de schepping. God zelf is geen priester, maar Zijn Zoon Jezus Christus is de eeuwige Hogepriester en Hij maakt de gemeente tot een Koninkrijk van priesters voor God Zijn Vader (Openb. 01:06; 1 Petr. 02:09).

De priester is tot zijn heilige dienst geroepen om tussenbeide te treden voor de ander bij God. In Deuteronomium 10 vers 8 (Deut. 10:08) lezen wij daarover: “Toen zonderde de Here de stam der Levieten af om de ark van het verbond des Heren te dragen, vóór de Here te staan om Hem te dienen, en in Zijn Naam te zegenen tot op deze dag” (zie ook Num. 03:05-08).

Op deze wijze werkt God nog altijd in deze wereld door de voorbede van Zijn priestervolk. De belofte aan Abraham gedaan: “En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden” (Gen. 22:18), wordt zo door het volk van God, de Gemeente van Jezus Christus, vervuld (Gal. 03:16; Gal. 03:26-29).

Jezus Christus is de grote Hogepriester

Alle priesterdienst in de voorbede geschiedt in gemeenschap met en in Naam van de grote Hogepriester Jezus Christus. Hijzelf verricht, nu Hij gezeten is aan de rechterhand Gods, ook nog voortdurend die bijzondere dienst van de Hogepriester in het heiligdom.

Paulus zegt daarvan in Romeinen 8 vers 34 (Rom. 08:34): “Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit”. De grote aanklager van de broeders, de duivel, die hen dag en nacht aanklaagt voor onze God (Openb. 12:10b), komt altijd onze pleitbezorger tegen, Jezus Christus, ‘die tussenbeide treedt, om ons recht in Hem te ver­dedigen. Hebreeën 7 vers 25 (Heb. 07:25) zegt: “Daarom kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem (in Zijn Naam) tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten”.

Wij leven en wonen in de wereld waar de troon van satan is, daar waar de satan woont, zegt Jezus (Openb. 02:13). Er is dus altijd besmetting mogelijk, al zijn het ook symbolisch alleen de voeten (Joh. 13:06-10).

Maar Johannes zegt ook: “Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven en om ons te reinigen van alle ongerech­tigheid” (1 Joh. 01:09).

De weg tot God is dus altijd via Hem die voor ons bidt en pleit en ons reinigt van alle ongerech­tigheid.

Voorbede gaat samen met geestelijke strijd

Voorbede is niet los te denken van de strijd in de hemelse gewesten tegen de satan en zijn rijk. Jezus zegt tegen Petrus: “Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken” (Luc. 22:31-32a). Dat is voorbede en strijd.

De hele bediening van Jezus werd gedragen door Zijn gebed en was een voortdurende strijd tegen het hele rijk van satan. Dit vond zijn hoogtepunt op Golgotha waar Hij een totale en blijvende overwin­ning heeft behaald voor ons (Kol. 02:13-15).

Met zijn gebeden schiep Jezus openingen in de geestelijke wereld. Iedere genezing, bevrijding, opwekking van doden, was een overwinning op de machten van zonde, ziekte en dood (zie Hand. 10:38). Hij deed voorbede voor allen die bij Zijn terechtstelling betrokken waren (Luc. 23:34). Hij leert ons met dezelfde gezindheid onze vijanden tegemoet te treden, voor ze te bidden en ze lief te hebben (Matt. 05:44).

In Johannes 17 bidt Hij als Hogepriester tot Zijn Vader voor Zijn discipelen van alle tijden. Hij zegt: “Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun Woord in Mij geloven” (Joh. 17:20).

Zo is Jezus, als de grote Hogepriester, met al Zijn discipelen, waar ook ter wereld, tot aan de voleinding (Matt. 28:20).

Wat Paulus schrijft over de voorbede

In de voorbede van de Gemeente, het Lichaam van Christus, zet Jezus Zijn heilswerk voort op aarde, door de verhoringen en de krachten die Hij eraan verleent (bijv. Hand. 04:29-30; Hand. 05:12).

Vooral in de brieven van Paulus, die het juiste functioneren van de gemeente zo duidelijk belichten, wordt heel veel over de voorbede en de daarmee gepaard gaande strijd in de hemelse gewesten geschreven. De geweldige verbondenheid tussen Paulus en de gemeenten in zijn dagen concretiseerde zich in de wederzijdse voorbede. Indringend doet hij steeds weer een beroep om voor hem en voor elkaar te bidden, om zo als Lichaam van Christus over de gehele wereld in liefde aan elkaar verbonden te zijn.

Paulus, die zich een geroepen apostel en dienstknecht wist van Jezus Christus (Rom. 01:01), begreep hoe afhankelijk hij was van de voorbede van de gemeenten.

In Romeinen 15 vers 30 en 31 (Rom. 15:30-31) schrijft hij: “Maar, broeders, ik vermaan u bij onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes, om samen met mij te worstelen in de gebeden voor mij tot God, opdat ik behoed worde voor de weerspannigen in Judea, en dat mijn dienstbetoon voor Jeruzalem gunstig worde opgenomen door de heiligen”. Paulus kent deze gemeente in Rome niet persoonlijk en toch verzekert hij zich van haar voorbeden. Het is niet vrijblijvend want hij doet het met een beroep op ‘onze Here Jezus Christus en bij de liefde des Geestes’, dat is het hoogste waar men zich op kan beroepen.

Dat voorbede wat kost van hen, die aan de oproep van de Heer in deze gehoorzamen, blijkt wel uit de woorden: “Om samen met mij te worstelen in dc gebeden tot God”.

Van Epafras schrijft Paulus: een dienstknecht van Christus Jezus, altijd in zijn gebeden voor u ‘worstelende’, dat gij moogt staan, volmaakt en verzekerd bij alles wat God wil” (Kol. 04:12).

In het zesde hoofdstuk van zijn brief aan de Efeziërs tekent Paulus de strijd die de gelovigen te voeren hebben tegen dc verleidingen des duivels. Het is geen worsteling tegen vlees en bloed, maar tegen dc overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 06:10-12)

En hij besluit dan met deze woorden: “En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen; ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken” (Ef. 06:18-20).

Paulus roept hier op om wakende en met alle volharding en smeking voorbede te doen voor alle heiligen. Heel de gemeente van Jezus Christus op aarde hoort bij elkaar. Zij is door één Geest tot één lichaam gedoopt en Jezus zelf bidt voor de eenheid van die gemeente (1 Kor. 12:13; Rom. 08:09; Joh. 17:20-23).

Alle heiligen zijn dagelijks betrokken bij de strijd tegen de overheden en machten. Er is nog nooit zo’n verleiding van de duivel geweest als juist nu in de eindtijd. De moderne theologie, die een andere Jezus en een ander evangelie en dus ook een andere geest predikt (2 Kor. 11:04), maakt vele slachtoffers. En wat te denken van dc New Age gedachten die als een zuurdesem juist ook het denken van christenen wil vergiftigen.

Hij zegt verder: “Bid ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken” (Ef. 06:19).

Ook in deze tijd gaan dienstknechten Gods, evangelis­ten en apostelen, in de hele wereld uit om het geheimenis van het evangelie te verkondigen.

Velen moeten dat doen onder zware geestelijke verdrukking. Maar niet minder zijn vaak de armoedige omstandigheden, waaronder deze dienstknechten hun roeping vervullen. Alleen financiële ondersteuning is echter niet voldoende, zegt Paulus. Bidt voor alle heiligen en zeker ook voor deze werkers in Gods Koninkrijk.

Op zijn beurt bidt en strijdt en lijdt Paulus voor de gemeenten. Hij schrijft hierover in zijn brief aan de Kolossenzen: “Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in het vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. Want ik stel er prijs op, dat gij weet, hoe zware strijd ik te voeren heb voor u, en voor hen, die te Laodicéa zijn en voor allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zij hebben het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, in wie alle schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn” (Kol. 01:24; Kol. 02:01-03).

Hij zou te ver voeren om dit helemaal uit te werken en ook om alle Schriftplaatsen te citeren die op het voorbede doen en strijd voeren betrekking hebben.

Voorbede doen is zonder beperking

Voorbede doen heeft geen beperking. Zeker, hel zal in de eerste plaats voor je broeders en zusters en de werkers in eigen plaatselijke gemeente dienen te geschieden.

In 2 Timotheüs 2 vers 1 (2 Tim. 02:01) zegt de apostel echter: “Ik vermaan u dan allereerst smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en alle hoog- geplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid”.

Voeg daarbij: “Alle werkers in het Koninkrijk Gods, opdat het woord des Heren snelle voortgang hebbe en verheerlijkt worde” (2 Thess. 03:01).

En: voorbede voor “alle heiligen” en “voor zieken” (Jak. 05:14-15), zelfs voor broeders en zusters “die je ziet zondigen” (1 Joh. 05:16a), voor “vijanden en wie u vervolgen” (Matt. 05:43-44), dan zie je dat er van de Heer uit geen enkele beperking gegeven is, want Hij heeft alle mensen lief en Hij wil dat Zijn zegen naar alle mensen uitgaat.

Voorbede is geen formaliteit

Evenals bij het bidden is bij het doen van voorbede alle on­waarachtigheid en nonchalance uit de boze. De motieven moeten altijd zuiver zijn. Bidden in heiligheid zonder zonde. Geen persoonlijke eer najagen. Er mag nooit bitterheid, veroordeling of verwijt zijn naar degene waarvoor men bidt. Voorbede mag geen formaliteit zijn of uit automatisme gedaan worden en behoort ook niet met een omhaal en schittering van woorden te gebeuren.

Wij behoren te geloven waarvoor we bidden. Geloof in liefde werkende (Gal.5:6), geldt wel heel in het bijzonder bij de voorbede. Zonder geloof en bewogenheid is het voor de vorm en dus zinloos. Daarom behoren we geen voorbede te doen als niet de wil aanwezig is om daad­werkelijk mee te lijden en te strijden en waar nodig ook te voorzien in materiële nood (Jak. 02:14-17).

Heel ons wezen dient bij voorbede betrokken te zijn alsof het onze eigen nood betreft. Aan het gebed van een rechtvaardige wordt kracht verleend!

En als we niet weten, wat we bidden zullen? Ook dan is het weer de Geest der gebeden (Zach. 12:10a) die ons te hulp komt. Paulus zegt hiervan: “En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat gij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor alle heiligen pleit”.

Dit geweldige gegeven neemt ieder excuus om voorbede te doen weg en ook elke persoonlijke eer of roem. Alles is uit God, zodat het is: wie roemt, roeme in de Here (2 Kor. 10:17).

Ook dit hele terrein van de voorbede wil de Heer, door de heilige Geest, aan een ieder persoonlijk en aan de gemeente in zijn totaliteit, leren.

Als gelovigen binnen een gemeente hun krachten bundelen in voorbede, dan zal dat in de geestelijke wereld grote gevolgen hebben.

Hoeveel te meer als gelovigen van vele gemeenten, ja, van alle gemeenten, in eenheid voorbede gaan doen! Dan zal dit een geweldige uitwerking hebben en zal een nieuwe tijd doorbreken waar de Heer en de zuchtende schepping op wacht.

(Dit is het vijfde en voorlaatste artikel over het gebedsleven. In “Levend Geloof” van volgende maand volgt het slotartikel waarbij de lofprijzing en aanbidding aan de orde komen).

 

Zalig die treuren door Margreet Gast

Jezus Christus is de Heer.

Hem belijden we als onze Verlosser en Zaligmaker. Door Hem zijn wij verzoend met de Vader. Door Zijn bloed is de scheidsmuur van zonde afgebroken.

Deze belijdenis kunnen we op de lippen nemen, maar beseffen we eigen­lijk wel echt, hoe overvloedig de rijkdom van zijn genade is aan ons? (Ef. 01:07). Daarvoor moeten we ook zicht krijgen op de bevrijding die ons deel is geworden, en op de gevangenis, waar we bezig zijn uit te trekken.

We waren (zijn nog?)

We waren (zijn nog?) slaven in Egypte, en vooruit kijkend, die hoopvolle toekomst in, zien we onszelf leven in de vrijheid van het Koninkrijk van God. Als dat ten volle werkelijkheid is geworden, komt God eindelijk aan Zijn recht. Hem zal recht worden gedaan, als de mensheid is bevrijd tot een leven naar Zijn wil.

Maar nu is ons hart nog in gevangenschap.

Maar nu is ons hart nog in gevangenschap. We zijn nog steeds ten dele slaven in Egypte, ver van het beloofde land. Realiseren we ons dat? Beseffen we onze gevangenschap? En, hoe zijn we eronder…? Want: aan gevangenen, zieken, zwakken wordt het evangelie verkondigd.

Er zijn er die zich met …

Er zijn er die zich met oprechte verbazing afvragen wat er toch wordt bedoeld met ‘vrij-worden’. Ze denken: ‘Is er dan iets mis met mij? Hoezo, tekortkomingen? Heb ik die dan? Ik doe gewoon mijn best, en alles loopt wel… Moet ik veranderen? ben ik gebonden? Ik snap er niks van, waar hebben jullie het toch over? Over het evangelie? Ik leef juist zo rustig met de Heer…’

Er zijn er die zich niet laten kisten,

Er zijn er die zich niet laten kisten, de doordouwers. Zij zijn in hun Egypte op hun voeten gaan staan. Hun cel is geveegd en op orde. Gezicht en gordijnen zijn keurig in de plooi. De bloemen staan op tafel. Ook zichzelf hebben ze getooid. Ze dragen de kroon van de sterken… Er valt verpletterend weinig meer te zeggen. Armoe? Die hebben ze toch niet meer! Zwakte? Daar hebben ze geen last meer van, ze staan immers fier op hun voeten. Gevoelens van minderwaardigheid, die hen knechten? Welnu, voorbij!, ze dragen nu immers een kroon…

Er zijn er die hun oorsprong nog niet …

Er zijn er die hun oorsprong nog niet zijn kwijtgeraakt. Zij zitten er mee, dat hun hart gekooid is, dat hun handen gebonden zijn. Ze beseffen dat ze nog zo vaak verkeerd denken, doen en zijn. Dat ze moeten toezien dat er nog ongerechtigheid door hen heen gebeurt. En ze treuren erom, ze lijden eronder: ‘Mijn God, wat een onrecht… dat U door mij wordt aangedaan!’

 

De profeet sprak al eeuwen tevoren:

De profeet sprak al eeuwen tevoren: God wil genezen, bevrijden, lei­ding geven, vertroostingen schenken… (Jes. 57:18). Wordt het begrepen door allen die in Egypte leven?

Jezus kwam en sprak van vertroosting

Jezus kwam en sprak van vertroosting (Matt. 05:04), van vergeving en overwinning. Wordt die boodschap begrepen door allen die in gevangenschap zijn? Zalig ben jij die treurt…, want de profeet sprak tot jou.

 

Mededelingen door redactie

Bijbelschool Leeuwarden

Broeder Folkert Pool, voorgan­ger van de volle evangelie gemeente “Perspectief’ te Leeuwarden, schrijft ons: ‘Na vier zeer goed bezochte studiejaren, gaat de avondbijbelschool (‘School van Woord en Daad’) te Leeuwarden in sep­tember haar vijfde jaar beginnen. Bekwame docenten geven les over zeer uiteenlopende onderwerpen, zoals het herstelplan van God, de hemelse gewesten, pastoraat, predikkunde, zang en muziek, de gemeente en zelfs een introductie over openbaringen. We starten 12 september met een studie over het boek Hooglied, waarbij Dr. Klaas Goverts de docent is.

Advertentiefonds

In het aprilnummer schreven wij over het initiatief van broeder Delhaas een advertentiecampagne te starten in enkele evangelische bladen. Inmiddels heeft de oproep in “Levend Geloof” om deze actie financieel te steunen, verschillende positieve reacties opgeleverd. Wij willen iedereen die een bijdrage heeft overgemaakt, daarvoor heel hartelijk bedanken! Het is de bedoeling in de periode september tot december van dit jaar de advertenties te plaatsen.

Vakantie-opbouwweken

Bij het ter perse gaan van dit nummer waren er nog enkele plaatsen vrij voor de vakantie- opbouwweken met het motorschip ‘Ut Arkien’ vanuit Enkhuizen. Wanneer u zich spoedig opgeeft kunt u misschien nog mee. U dient hiervoor contact op te nemen met Jakob en Marry Roosendaal

 

Blind door Duurt Sikkens

“… indien een blinde een blinde leidt” (Matt. 15:14).

Iemand die niet boven geboren is, is blind, geestelijk blind, want die ziet niks van het Koninkrijk van God. Zelfs niet na jaren­lange studie waarbij de Bijbel kapot-geïnterpreteerd wordt: (Als je een plant helemaal ontleedt is het leven er wel uit). Maar wie gelooft in de plaatsvervangende dood van Jezus Christus en zijn aardse leven achter zich gelaten heeft én weer met Hem is opgestaan, is een nieuw leven begonnen. Gratis gekregen van God, omdat Hij je zo liefheeft.

Waarom wordt dit eenvoudige leven met Hem zo tegengewerkt, waarom wordt er zoveel geouwehoerd (de valse kerk is zo’n hoer) over God en Jezus en de Heilige Geest? Omdat vele blinden niet weten waarover ze het hebben, al dragen ze wel de pretentie van het allemaal te weten. Ze weten niks van het wezen van de Vader. Kent Vader hen? Als nou zulke leiders zeggen dat ze ‘de weg’ weten dan kan een luisterende blinde dat niet zien want die denkt, omdat hij zelf blind is, dat die ander wel kan zien. De laatste beweert dat immers. En zo strompelen ze samen naar de put die geen van beiden ziet.

Wat zegt Jezus van zulke lieden? ‘Laat ze gaan’. En ergens anders: “Mijn schapen zullen de stem van een vreemde niet volgen’.

Laat je ogen openen door de Vader en je zult niet alleen zien hoe het is, maar je zult de Vader zien.

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God. – 6-

De gemeente en Babel

(Openb. 17:1-6, Openb. 17:16-18; Openb. 18:01-08; Openb. 18:20-23; Openb. 19:01-02. Zie ook het algemeen over­zicht in “Levend Geloof’ van januari).

Wat of wie is Babel?

In de vorige aflevering zijn beelden van de Gemeente behandeld, één daarvan was de vrouw. En nu komen we opnieuw een vrouw tegen, die in een ander beeld de grote stad Babylon wordt genoemd. Deze vrouw is het tegenbeeld van de ware gemeente van Jezus Christus. Gaat het bij de vrouw van Christus om zuiverheid, heiligheid, een houding van overgave met uitsluiting van heerszucht en eer, de vrouw die met Babylon wordt vergeleken presenteert zich geheel anders: ze pronkt, verleidt, oefent macht uit en ruimt iedereen uit de weg die haar op haar levenswijze aanspreekt of niet naar haar wil luisteren. Ze noemt zichzelf koningin. Ze wordt echter vergeleken met een hoer; ze heeft dus gemeenschap met mannen (= geesten) door wie ze wordt bevrucht.

De naam Babylon of Babel roept associaties op met leugen, occultisme, spraakverwarring, ballingschap. Elke leer en denkwijze met betrekking tot het geloof die een kind van God afbrengt van ‘de hoge weg’ behoort tot Babylon. Of het nu ascese of wereldgezindheid is, uiterlijke vroomheid of het kennen van de diepten van satan, de wet of bandeloosheid, een aardsgericht denken of het overtrekken van deelwaarheden van het evan­gelie van het Koninkrijk, vormen van lofprijzing of het zingen op hele noten, manieren van bidden ‘in de binnenkamer’ of massahysterie, occulte gebedsgenezing of het aanvaarden van ziekte uit Gods hand, om maar eens wat tegenstellingen te noemen, -Babylon is een grote stad, het past er allemaal in- ze hebben allemaal hetzelfde resultaat.

Babylon zouden we kortweg kunnen typeren met verleugening en vermen­ging van het christelijke geloof, waardoor men vervreemd raakt van het ware leven Gods, zodat men het doel van God in zijn leven nooit zal kunnen bereiken.

Is Babel een kerkgenootschap?

De neiging heeft altijd bestaan om andere christelijke kerken en groepen tot Babel te bestempelen en de eigen kring als de bezitter van de waar­heid. Maar Babel is geen kerkgenootschap. Babel is een vermengd geloof, in het denken van mensen dus.

Het is natuurlijk niet vreemd dat diegenen die dezelfde overtuiging bezitten zich verenigen. Zo ontstaan gemeenten. Allerlei soorten. Vele hebben Christus als fundament. Andere zeggen Christus als fundament te hebben, maar zitten geestelijk gezien in Babel, omdat ze zich niet uitstrekken naar de volle waarheid. Maar het gaat uiteindelijk om ieders persoonlijke denken. Dat iemand tot een volle evangelie gemeente behoort is nog geen garantie dat hij ook tot de Gemeente van Christus behoort. Immers, als zijn denken niet vernieuwd wordt en hij over­tuigingen blijft koesteren die niet corresponderen met het denken van God, dan zit hij, geestelijk gezien, in Babel.

Waar ligt de oorsprong van Babel?

Na de zondvloed, als God een nieuw begin maakt met de mensheid, is sprake van de torenbouw van Babel. Men wilde op occulte wijze doordrin­gen in de geestelijke wereld en zich een naam maken (Gen. 11:04).

Occultisme bedrijven was en is geen vrijblijvende bezigheid. Vorsten der duisternis koppelden zich aan mensen en zagen hun kans schoon te gaan heersen wat tot (spraak-)verwarring leidde. Hetzelfde proces hebben we gezien bij het openen van de eerste vier zegels: de waarheid gevolgd door de leugen en het occultisme met als resultaat verdeeldheid, strijd, vervolgingen , macht en overheersing. Maar satan bereikt er zijn doel mee: de mensheid raakt vervreemd van het denken van God, van zijn plan met de mens.

De oorsprong van Babel ligt in de ongehoorzaamheid aan God: Hij had de hemel voor de mens voor zijn eigen bestwil gesloten tot de openbaring van Christus. En toch wilden ze indringen. Ze wilden macht uitoefenen met de krachten van de onzienlijke wereld. Ze wilden zichzelf een naam maken. Hoe strijdig met Gods denken: gehoorzame kinderen krijgen een naam van Hem (vgl. met Gen. 12:02; zie ook Openb. 02:07b).

De inspirator van Babel is satan zelf. In het paradijs komen wc hem al tegen, waar hij Adam en Eva verleidt met een verdraaiing van de waar­heid: worden als God was de waarheid, maar de ontwikkeling daar naar toe die hij hen voorspiegelde, was de leugen.

Zo werkt satan, mengen in wat god bedacht en gemaakt heeft. Hij mengt licht en duisternis, waarheid en leugen, goed en kwaad, natuurlijk en gees­telijk. De boom van kennis van goed en kwaad, daar mee is hij getypeerd. Hij heeft kennis van de waarheid, maar bezit het leven niet. Maar kennis is o zo verleidelijk!

Waarom moeten de gelovigen uit Babel wegtrekken?

Babel is een vermenging en is dus niet te genezen, de gelovigen moeten terug naar de oorsprong, terug naar het Leven. De enige oplossing is: wegtrekken (Openb. 18:04). Dat betekent dus breken met de geestelijke tradities en overleveringen, breken met de dwaalleringen, ook al hebben ze iets goeds in zich. Vasthouden daaraan is een invalspoort voor de boze. Gemeenschap met gelovigen ‘uit Babel’ is geen vrijblijvende bezigheid in de eindtijd. Het leidt tot gemeenschap met occulte geesten -Babel wordt immers een schuilplaats van alle onreine geesten genoemd- waarvan de uitwerkingen verschrikkelijk zijn.

Gelukkig geldt: voor de oprechten gaat het licht op, en: wie zoekt die zal vinden. We mogen erop vertrouwen dat nog velen aan de oproep: “Gaat uit van haar, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden” gehoor zullen geven.

Opmerkelijk gegeven: waar komt de Gemeente vandaan? Uit Babel. Dat zal ook de praktijk voor de meesten van ons zijn: overal vandaan getrok­ken, overal gezocht naar de waarheid. En de leer van het Koninkrijk gevonden. Die wordt nu waarheid in ons. Vernieuwd worden in ons denken, de nieuwe mens aandoen (Rom. 12:02; Ef. 04:23), daar komt het nu op aan om Babel volledig achter ons te laten.

Heeft de Gemeente een taak met betrekking tot Babel?

In de eindtijd zijn het de ’twee getuigen’ -beeld van de volmaakte gemeente- die de oproep van ’trekt uit’ nog vaak in Babel zullen laten horen. Voor velen zal het alsnog redding betekenen en ingevoegd worden in het Lichaam van Christus. Anderen zullen niet willen luisteren. Voor hen is de woordverkondiging van de zonen Gods een kwelling.

De Gemeente neemt Babel in zekere zin nog in bescherming: zolang er nog oprechte kinderen Gods in Babel vertoeven die nog aan de oproep gehoor kunnen geven, krijgen de boze geesten niet de gelegenheid hun verwoestende werk volledig uit te voeren. Pas als de Gemeente daar het sein voor geeft, pas als ze er zeker van is dat de laatste rechtvaardigen uitgetrokken zijn, geven ze Babel over aan de verterende machten. Dit is de fase van de zesde bazuin, zie Openbaring 9 vanaf vers 13 (Openb. 09:13).

Waaraan gaat Babel ten onder?

Vanaf de zondeval heeft satan, met zijn verdraaiing en verleugening van de waarheid, de mens verre weten te houden van God. Totdat Christus kwam. Op Hem had hij geen vat. Christus is het begin van zijn einde. Want hoewel het er spoedig na Jezus’ hemelvaart al weer op leek dat hij opnieuw de mensheid kon verleiden door nu in het evangelie van het Koninkrijk te gaan mengen, toch komen de zonen Gods openbaar. Want Christus bouwt zijn Gemeente. De waarde van de zondevergeving, de kracht van de heilige Geest, daar kan satan niet tegenop.

Eigenlijk is dit zijn ondergang al: wat hij altijd heeft willen voorkomen, de mens op de troon, is mislukt. Maar in plaats van zich daar bij neer te leggen gaat hij er des te furieuzer tegen aan, maar nu op een andere manier. Met mengen komt hij er niet, anders kan hij ook niet, daarom gooit hij het over een andere boeg: hij roept de hulp in van de geest uit de afgrond, dit is de geest van de antichrist. Hij geeft hem zijn kracht, zijn troon en grote macht (Openb. 13:02b): voortaan heeft deze macht het voor het zeggen in het rijk der duisternis. Wat satan niet is gelukt, moet deze verderver gaan proberen.

Dat heeft direct gevolgen! Een deel van de inwoners van Babylon laat zich inspireren door deze geest en gaat over op massaal bedrijven van spiritistische seances met als gevolg een stortvloed van geesten uit de afgrond die zich op de mensheid werpen. In hoofdstuk 9 staat dat be­schreven.

Maar wie treffen zij? Niet de Gemeente van Jezus Christus, niet hen die verzegeld zijn aan hun voorhoofd (Openb. 09:04b). want zij zijn in geestelijk opzicht onaantastbaar geworden. De horden demonische machten treffen allen die ‘aards’ zijn, die geen wandel of strijd in de hemel kennen of willen.

Nu zal blijken waarmee ieder in geestelijk opzicht gebouwd heeft: edel­metalen en -gesteente zijn vuurbestendig. Maar alles wat met hout, stro en stoppelen gebouwd is -en in Babel worden geen andere materialen gebruikt- zal verbranden (1 Kor. 03:12-15).

Babylon gaat te gronde aan haar eigen vermenging en verdeeldheid: wat een gedeelte van haar stadsbewoners oproept, treft de gehele stad. Dit is de tijd van het oordeel over Babel, wat begint tijdens hel blazen op de vierde bazuin en is voleindigd in het zesde bazuin.

Er moet gekozen worden: of de antichrist volgen als de nieuwe verlosser, of afhaken van de geloofsweg vanwege de grote pressie, of alsnog invoegen in de Gemeente van Jezus Christus. Daarmee houdt Babel op te bestaan, naam- of schijnchristendom bestaat niet meer.

Waarom is er vreugde over de ondergang van Babel?

Er is vreugde in de hemel omdat de eerste scheiding is voltrokken. Er is alleen nog maar ‘wit en zwart’, grijs als beeld van vermenging die er vanaf de zondeval geweest is, bestaat niet meer.

God haat vermenging. God zelf is enkel licht. Maar juist het grijze pronkte met de naam van de Vader of van de Zoon: Babel of de hoer noemde zichzelf koningin en dat was voor Hem een gruwel. Die fase is nu afgesloten, aan alle onduidelijkheid en verwarring is een einde gekomen. Daarom is er feest.

1992.05 nr. 337

Levend geloof 1992.05 nr. 337

Leiding of misleiding? door Gert Jan Doornink

“Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons; wie uit God niet is, hoort naar ons niet. Hieraan on­derkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling” (1 Joh. 04:06).

Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zoals Jezus dat verkondigde en in praktijk bracht, is een evangelie dat ons tot mondige, volwassen christenen maakt. Tenminste als wij erin geloven en het accepteren als het éne ware evangelie. Wij mogen rustig stellen dat ieder ander evan­gelie beneden de maat is en niet in overeenstemming met de wil van God.

Paulus had er geen moeite mee dit met grote nadruk naar voren te brengen. Denk aan wat hij daarover schrijft aan de gemeen­ten van Galatië. Daar was het echte evangelie gebracht en aanvaard. Maar Paulus is verbaasd dat men niet vasthoudt aan dat evangelie maar in een ‘ander evangelie’ gaat geloven. Hij stelt het heel duidelijk: “Dat is geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkon­digen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” (Gal. 01:07-08).

Scherp en radicaal brengt Paulus zijn verbazing onder woorden over deze misleiding van zijn medebroeders en zusters. En als er één recht van spreken had dan was hij het wel; hij was immers voor zijn bekering een fel bestrijder geweest van de gemeente van Jezus Christus. Daar maakt hij de gelovigen in

Galatië ook nog eens weer op attent (Gal. 01:13).

In onze dagen is het weinig anders. Aan de ene kant zien wij dat kinderen Gods die één keer het werkelijke evangelie hebben ontdekt, het voortdurende verlangen hebben verder te groeien en steeds meer gaan ontdekken van de volle rijkdom ervan.

Maar aan de andere kant zien we ook dat sommigen afhaken en niet verder gehoorzaam willen zijn aan de oproep die Paulus oorspronkelijk schreef aan de gemeente te Filippi, maar die ook vandaag nog ten volle rechtsgeldig is: “Hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!” (Filip. 03:16).

Nieuwe dingen

Eén van de redenen waarom sommigen het volle evangelie de rug toekeren is dat men ‘nieuwe dingen’ hoort en deze direct als misleidend verwerpt. De deur wordt dan gemakkelijk opengezet voor de vijand, die ook ten aanzien van andere geloofszekerheden die men heeft leren kennen, het zaad van de twijfel gaat zaaien. Men raakt daardoor op een hellend vlak en uiteindelijk kan men geheel verward raken in de strikken van de vijand.

Nu hoeven we alles wat we ‘nieuw’ horen niet direct klakkeloos te accepteren. Laten we het rustig met andere (betrouwbare) broeders en zusters bespreken en onder­zoeken, maar altijd weer mogen we bedenken dat God het goede met ons voor heeft. Hij geeft geen stenen voor brood! Hij wil ons leven en overvloed geven! En zoals de koningin van Sheba eens zei ten aanzien van de rijkdom en wijsheid van Salomo, mogen ook wij het zeggen: de helft is ons nog niet aangezegd!

Natuurlijk gebeurt het wel eens dat bepaalde waarheden, die eeuwenlang onder het stof verborgen zijn geweest, bij herontdekking over geaccentueerd worden. Dit is echter veel minder gevaarlijk dan afzwakking, terug schakeling en nivellering, die ons de weg terug doen gaan.

Geestelijke groei

Wat is het een onvoorstelbaar heerlijke gedachte en waarheid dat het evangelie, wat wij hebben leren kennen, een evangelie is ‘zonder plafond’. Wie op een gegeven moment zou zeggen: ‘Ziezo, nu weet ik alles wel, nu hoef ik geen enkele aanvulling meer, ik ben gearriveerd’, beseft op dat moment niet dat hij bezig is de verkeerde knop om te draaien. Hij schakelt zichzelf uit om gees­telijk verder te groeien.

En juist geestelijke groei is de basis om het doel wat God met ons voor ogen heeft, te bereiken: de mannelijke rijpheid, het volwassen christen-zijn, de openbaring van het zoonschap. Vanzelfsprekend is geestelijke groei geen doel op zichzelf, maar wel de weg om het doel te bereiken.

Door ons te richten op dit doel gaan we ook steeds meer en beter functioneren in dienst van Gods Koninkrijk. Want dit mogen we nooit vergeten: het gaat er niet alleen om dat we zélf het einddoel bereiken, maar ook dat we déérdoor anderen ervan deelgenoot maken.

En met die ‘anderen’ bedoelen we niet alleen onbekeerden, maar ook hen die wél weten een kind van God te zijn maar in een beginstadium van hun geestelijke groei zijn blijven steken. Zij weten ‘behouden te zijn voor de eeuwigheid’, wat zij daarbij dan ook voorstellen, maar voor de rest is er een ontstellend gebrek aan geestelijke kennis en inzicht. Het gevolg is dat allerlei hele en halve dwalingen vanuit het rijk der duisternis konden infiltreren, het ontbreekt hen ten enen male aan juiste leiding.

De Geest der waarheid

Maar wat is leiding? En wanneer is er sprake van misleiding? Dat is iets wat voor elk kind van God uiteraard belangrijk is, ongeacht in welk stadium van zijn geestelijke ontwikkeling hij zich ook bevindt. Gelukkig hoeft een waarachtig kind van God zich op dit punt geen zorgen te maken, als hij maar waakzaam is en vol van Gods Geest.

En wat dit laatste betreft: dit is ongetwijfeld de sleutel om niet misleid te worden, maar te onderkennen wat van de ‘goede’ en wat van de ‘verkeerde’ kant komt. Paulus zegt: “Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden” (Gal. 05:25). En Jezus zegt dat de Geest der waarheid ons de weg zal wijzen naar de volle waarheid (Joh. 16:13).

Geen enkel kind van God kan leven en functioneren in en vanuit Gods Koninkrijk zonder vol te zijn van de Geest van God. Na de doop met heilige Geest zullen we ons dan ook voortdurend daarvoor open moeten stellen. Dit is dus primair een bewuste daad van de gelovige, maar God zal dit steeds op positieve wijze beantwoorden door er ‘invulling’ aan te geven. Hij wil immers niets liever dan dat wij vol zullen zijn van Zijn Geest opdat de ‘vrucht’ van de Geest gaat doorwerken in ons leven en ook de ‘gaven’ zich gaan manifesteren.

Bij het vol zijn met Gods Geest wordt onze eigen geest ook ten volle ingeschakeld. Het is een mis­leidende gedachte dat onze geest uitgeschakeld zou zijn. Satan zou niets liever willen, zo in de trant ( van: ‘Het verstand op nul en de blik op oneindig…’ Maar juist door de optimale inschakeling van onze eigen geest -in samenwerking met Gods Geest- kunnen ook de ’talenten’ die in ons aanwezig zijn, ten volle tot ontplooiing komen en worden we daardoor volledig ‘bruikbaar’ voor Zijn Koninkrijk.

Het Woord van God

Een ander belangrijk gegeven om niet misleid te worden, is het op de juiste wijze ‘verstaan’ van het Woord van God. Als er één terrein is waarop de satan op grandioze wijze succes heeft geboekt, dan is het wel de uitleg van Gods Woord. Op geen enkel gebied is er zoveel misleiding, onkunde en verdraaiing. De vele dwaallerin­gen baseren zich vrijwel allemaal op gedeelten en teksten uit de Bijbel.

Nu is de Bijbel uiteraard voor ieder kind van God gezaghebbend, maar dan wel onder de leiding’ van de heilige Geest. Anders gaan we Gods Woord als een soort wetboek hanteren met allerlei op­gelegde regels en voorschriften, terwijl juist in Gods Woord zelf er duidelijk op wordt geattendeerd dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt (2 Kor. 03:06b).

Ons grote voorbeeld

Jezus was de eerste volmaakte mens die zich niet liet misleiden door de duivel en is daarom ons grote voorbeeld om na te volgen Niet voor niets wordt Hij in het Nieuwe Testament minstens zeven keer ‘Leidsman’ genoemd. De schrijver van de Hebreeënbrief brengt het op deze wijze onder woorden: “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder van ons geloof’ (Heb. 12:02).

Daarbij behoren we ook altijd bewust te zijn dat Jezus onlosmakelijk verbonden is met de boodschap die Hij bracht: het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Wie deze twee gaat scheiden speelt de duivel in de kaart. We zien hoe ook op dit punt in onze dagen velen misleid worden door wel te spreken over ‘eenheid in Jezus’, maar tegelijker­tijd het evangelie van het Koninkrijk niet aanvaarden.

We hebben enkele voorbeelden van misleiding aangehaald, die nog met andere aan te vullen zijn. Gelukkig hoeven we, als we werkelijk de geestelijke weg bewandelen, niet bang te zijn op welke wijze dan ook misleid te worden. Met Johannes weten wij dat “onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” (1 Joh. 01:03b). En die gemeenschap wordt een steeds hechtere gemeenschap van waaruit de volle heerlijkheid van God tot openbaring komt.

 

In de Geest van Christus door Jan W. Companjen

“Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt” (1 Kor. 12:13).

“Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?” (1 Kor. 03:16).

“Want Hij, die heiligt, en zij die geheiligd worden, zijn allen uit één” (Heb. 02:11a).

Bovenstaande teksten hebben allen betrekking op het geweldige gegeven dat wij, in Christus zijnde, Zijn lichaam zijn. Dat is dé tempel Gods waarvan Hijzelf de bouwmeester is. Steeds meer worden wij doordrongen van het feit dat er zoveel dingen onbegrepen zijn blijven liggen. In de loop van 6000 jaar Bijbelse geschiedenis is de fakkel doorgegeven, het licht is blijven branden, maar tot een volle doorbraak is het nog steeds niet gekomen. Nog wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods. Maar, houdt goede moed, die doorbraak is komende! Wereldwijd ziet men de tekenen dat de Gemeente Van Jezus Chris­tus gestalte krijgt. Samen opwassen tot alle volheid Gods, wordt overal gehoord.

Verantwoordelijkheid

In de afgelopen jaren is de mens op zichzelf teruggeworpen. De eigen verantwoording breekt zich overal baan. De kerk, de voorganger, de pastoor, de dominee, de baas op het werk, hebben niet meer altijd gelijk, maar men wil zelf oordelen wat goed of kwaad is, wat zinvol of niet zinvol is. Alles en iedereen, spreekt mee als men erbij betrokken is en dat is een heel goede zaak.

Verantwoordelijkheid is er voor nodig om tot de doorbraak van het Koninkrijk Gods te komen. De mens behoort persoonlijke beslissingen te nemen en tot een persoonlijk contact met Jezus Christus te komen. Zonen Gods worden door dat persoonlijke contact tot de volle waarheid geleid.

Maar daartoe is het nodig dat wij open komen te staan voor alles wat de Heer, ons Hoofd, heden doen wil. Nog nooit is het woord: ‘Heden, als gij Zijn stem hoort, verhardt u dan niet’, zó actueel geweest.

Jezus Christus, onze Heer, zoekt arbeiders voor Zijn wijngaard. Hij zoekt mensen met inzicht die weten dat zij in de Geest van Christus zijn. Jarenlang is het Lichaam van Christus machteloos geweest doordat het opgesloten was in kerkers. Denk in dit verband eens aan de geschiedenis van Jozef die ook opgesloten was en alleen zijn medegevangenen dienen kon. Maar -prijs de Heer- de kerkers zijn opengegaan. Jozef, een beeld van Jezus Christus en de gemeente, is vrij en kan de wereld dienen op een wijze dat zelfs zijn broeders tot hem terug­keren.

Dienstbaarheid

In dit nieuwe leven geldt slechts één voorwaarde: De Geest van Christus bezitten, want anders ben je verwerpelijk, dat wil zeggen niet in staat om tot volle dienstbaarheid te komen. God liefhebben boven alles en je naaste als jezelf.

Onze kennis zal vermeerderd worden en wij zullen gaan begrijpen wie wij zijn in Christus. Dat wij uit de Geest zijn en dat wij net als Hij zullen kunnen zeggen dat wij er al waren vanaf het begin.

Bij de schepping sprak God uit wat Hij reeds lang gedacht had: ‘Komt laat ons mensen maken zoals wij’. Vanaf dat moment ging God Zijn Geest delen met de mens die Hem op aarde zou vertegenwoordigen. Adam kreeg heerschappij over alles wat God geschapen had en Hij zou, als gezalfde Gods, gaan opwassen tot alle volheid Gods. God vroeg slechts gehoorzaamheid, dat wil zeggen kameraadschap, afspraak is afspraak, weten wat je aan elkaar hebt en eigen verantwoor­delijkheid.

Omweg

De zondeval, het kiezen van een eigen weg, gaf een geweldige omweg door hete woestijnen, enz. Maar bij de geboorte van Christus werd de weg terug gevonden. Hij werd de laatste Adam van een oud verbond en de eerste in een nieuw verbond. Een mens van vlees en bloed, geboren uit de maagd Maria, verwekt door het Woord Gods.

Wat maakte Jezus Gods Zoon? De Geest die in Hem woonde. Hij werd de Messias (de Gezalfde) doordat Hij de Geest Gods, die ook al voor de eerste Adam bestemd was geweest, in zijn hele volheid ontving. Hij kon ons daardoor God laten kennen zoals Hij werkelijk is, namelijk vol liefde en trouw aan alles wat hij geschapen heeft.

Invulling

God heeft de wereld lief. Niet alleen de Gemeente, dat is Zijn Lichaam met Jezus als Hoofd. Dat Lichaam zal Zijn liefde en trouw bekend moeten gaan maken op een wijze zoals Jezus dat begonnen is te doen. (Zie Handelingen 1 vers 1; Hand. 01:01).

Indien wij Jezus alleen maar zien als Zoon Gods, doen wij tekort aan Gods scheppingswerk. Hij, de grote Schepper aller dingen, heeft zich u en mij gedacht zoals Christus was en is en blijven zal. Hij wist die invulling en leefde, wandelde en handelde op gezag van die Geest die Hem daartoe gegeven was.

Die Geest heeft de mens steeds begeleid, onder andere zijn daarvan Henoch, de aartsvaders, het volk Israël, enz. de voor­beelden. Denk bijvoorbeeld aan de rots in de woestijn die met het volk Israël meetrok en van water voorzag.

Roeping

Dat deze dingen uitermate belangrijk zijn is niet alleen nodig voor een goed inzicht in onze eindtijd, maar is ook nodig voor onze roeping Christus gelijkvor­mig te zijn. Wij moeten volkomen open komen te staan voor het Woord, dat die Geest van Chris­tus ook ons tot gezalfden heeft gemaakt. Dat die Geest ook in ons zal doen, meer dan wij kunnen beseffen.

Dan gaan wij er om bidden en zullen wij het Maria na zeggen: ‘Ons geschiede, grote Schepper, alles naar uw Woord’. Dan staan wij, broeders en zusters, open voor het grote wonder dat Hij ons voor dat doel -zonen Gods zijn- geschapen en geroepen heeft. Jezus Christus heeft, als eerste Adam van dit nieuwe volk van God, alles volbracht. Het voor­hangsel is gescheurd, de deur staat open. Geef u over aan al dat heil en ontvang die Geest die alles in u zal volmaken. Is dat niet de volheid der heidenen?

Samenkomst

Ik was één dezer dagen in Thessaloniki. In een samenkomst aldaar sprak een zwarte broeder uit Nigeria. Niet belast met, allerlei leringen, zei hij: ‘In het oude verbond waren wij mensen na de zondeval niets meer en niets minder dan schepselen Gods. Met het volk Israël had Hij een bijzondere binding en via dat volk gaf Hij de fakkel door. Maar nu, in het nieuwe verbond in Jezus Christus, zijn wij zonen Gods. Vanuit dat laatste gaf hij zijn boodschap door.

Hetzelfde overkwam ons verleden jaar in Oostenrijk waar een rondreizend spreker zijn toehoorders opriep zich uit te strekken naar gelijkvormigheid aan het beeld van Christus waartoe wij geroepen zijn.

Is het op zich al geen wonder dat overal dergelijke gemeenten zijn ontstaan en gaan ontstaan?

God werkt door Zijn Geest, maar Hij heeft u en mij daarbij nodig als Zijn Lichaam. Hij bouwt Zijn Gemeente en dat is een volk tot Zijn dienst bereid. Jezus komt ons tegemoet. Hij is met Zijn Geest volop aan het werk. Zijn Lichaam komt tot leven.

Een Lichaam dat zoveel eeuwen gebonden ter aarde lag zal opstaan en gaan verkondigen dat God goed is. Komende is een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Die nieuwe hemel zullen wij binnengaan en steeds duidelij­ker gaan verstaan dat Hij alles nieuw maakt en dat wij daarin werkzaam mogen en kunnen zijn.

God, hoe groot bent U,

hoe groot Uw zorg,

Uw liefde voor de mens.

Hoe geweldig is Uw trouw

aan uw eigen scheppingswerk.

O God, hoe groot bent U.

 

God, U legt in mij

de schatten van uw heerlijk Koninkrijk.

Het verlangen om te zijn

als Uw eerstgeboren Zoon,

O Heer, wat ben ik rijk.

 

God, als wij in geloof

de weg blijven gaan die U ons hebt bereid,

Wordt verwezenlijkt in ons

wat U hebt bedoeld:

Uw beeld vol heerlijkheid.

 

O God, mijn wezen juicht,

mijn hart is blij, verheugd in U, mijn Heer.

De schepping zal het zien

en zingen U ter eer,

O God, wat bent U groot!

 

De komst van de Zoon des mensen door Hessel Hoefnagel

Wat is de basis van onze verwachting?

Het belangrijkste heilsfeit, dat ons als christenen staat te wachten, betreft de komst of openbaring van Jezus Christus. Niet als ‘kind in de kribbe’, maar in en met Zijn ‘heiligen’. Deze komst betreft de hele schepping, met centraal daarin de mens.

Niet iedereen, ook niet het gros van de christenen, is zich daarvan ten volle bewust, al moet dit eigenlijk wel voor de hand liggen. In de loop van de vele eeuwen christendom is ten aanzien van de komst van de Heer een ontstel­lend gebrek aan inzicht op­getreden. Voornamelijk is dit het gevolg van de misleidingen door de duivel, die de uitstrooier is van het veelsoortige onkruid tussen het goede zaad, zodat dit niet optimaal tot ontwikkeling komt (Matt. 13:24 e.v.).

Veel, doorgaans, goedwillende en oprechte mensen, zitten gevangen in één van de vele systemen van godsdienst, de noodzaak van persoonlijke bekering, weder­geboorte, vervulling met en leiding door de Geest van God, worden daarin niet benadrukt of als onmogelijkheid weergegeven.

Het is een grote noodzaak, dat iedere christen weet wat de uitgangspunten en het doel van het leven zijn. Het is eveneens noodzakelijk, dat men persoonlijk zuiver gebaseerd is op deze uitgangspunten en gericht op de , juiste doelstelling. Het gaat niet om het ‘gelijk’ tegenover het ‘ongelijk’, zoals dat in een wederzijdse discussie naar voren kan komen, maar het gaat er om dat de ‘mens Gods’, dus de mens, zoals de Schepper die van oorsprong af bedoelt en waarvan onze Heer Jezus het ‘prototype’ is, openbaar komt.

De mens naar Gods beeld

De best bedachte benaming van kerk of groep dekt niet als vanzelfsprekend de hoogte van het geestelijke peil van de persoonlijke gelovige daarin. Het is een absolute noodzaak, dat de mens een radicale, persoon­lijke beslissing neemt ten aanzien van zijn godsdienstig leven. Deze beslissing moet erop gericht zijn, dat er een ontwikkeling plaatsvindt naar het niveau waarop God de mens wil hebben. Het begin van deze ontwikkeling ligt bij de reeds genoemde wedergeboorte, welke een innerlijke verandering betekent, een totale ‘vernieuwing van denkpatroon’.

De Bijbel noemt als aanduiding van deze verandering tegenges­telde uitersten als dood en leven, duisternis en licht. Een bekende tekst die de noodzaak van weder­geboorte aangeeft, is Efeziërs 5 vers 14 (Ef. 05:14); “Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden (letterlijk: van tussen de doden uit!) en Christus zal over u lichten”. Dit geeft de mens weer, die na de bekering in het proces van de wedergeboorte wordt ‘vernieuwd’ door de Geest van Christus. Een andere weg om het ‘beeld van de Zoon’ gelijkvormig te worden is er niet.

‘Ontwaken uit de slaap’ doet de mens op het horen van ‘het Woord van Christus’. Dat is niet zo maar één van de vele interpretaties van de Bijbelse boodschap, maar de verkondiging van datgene waar de innerlijke mens naar hunkert, namelijk ‘vrede met God’, dat wil zeggen: komen en blijven in de lijn van de ontwikkeling die de ‘eeuwige Schepper’ voor de mens heeft bedacht.

Het wezen van de mens is ‘van nature’ gericht op het tot ontplooiing komen van kind tot volwassene met de mogelijkheden die het leven te bieden heeft. Dit geldt niet slechts het uiterlijke leven, maar veel meer het innerlijke, dat de grenzen van het waarneembare en tastbare overschrijdt. De mens is een geestelijk wezen en hierin afgestemd op het doel van zijn Schepper, wiens beeld hij draagt. ‘Beeld van God’ zijn houdt in dat de mens uitdrukking geeft aan het wezen van God, die zelf geest is en een ‘lichaam’ zoekt in de mens.

Deze waarheid is bij vele gelovigen nog geheel of gedeel­telijk bedekt, vanwege ongeïn­teresseerdheid of verblinding door de vele zorgen van het aardse leven en het bedrog van aardse rijkdom (vgl. Matt. 13:22 en Luc. 21:34).

Het doel van de Schepper

Het doel van de Schepper is dat de mens volkomen zal zijn en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim. 03:17). ‘Alle goed werk’ is invulling geven aan de onbegrensde potenties van God. Dat begint in het persoonlijke leven, maar zet zich voort in het volkomen ‘medearbeider Gods’ zijn in het tot ontwikkeling en volheid brengen van de totale schepping, inclusief alles wat nog tot openbaring moet komen. Dit geldt niet slechts de gelovige, maar is feitelijk de bestemming van ieder mens. Deze bestemming kan de mens echter alleen bereiken door vrij te komen uit de klemmende greep van innerlijke dood en onvruchtbaarheid. Dit kan alleen het evangelie van (niet slechts óver) Jezus Christus be­werken. Daarom is het nood­zakelijk dat dit gepredikt wordt, op wat voor manier dan ook.

Wanneer de mens ingaat op de roep van dit evangelie, zal hij opstaan van tussen de doden uit. Net als een pasgeboren kind zal hij intuïtief honger krijgen naar het geschikte voedsel om te groeien. Naar de mate waarin hij dit vindt, zal hij ontwikkelen tot het mens­zijn, zoals de Schepper dat voor ogen heeft. Over deze mens zal ‘Christus’ gaan ‘lichten’, dat wil zeggen: hij wordt als gevolg van geloof en gebed vervuld met het wezen van God. Hij is dan ‘mens Gods’ en bruikbaar voor het doel van God.

Enkele belangrijke aanwijzingen uit de Bijbel die in dit verband gelden, zijn:

Romeinen 5 vers 14 (Rom. 05:14): De eerste Adam (mens) is een beeld van de komende.

Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29): Wie God liefhebben, zijn tevoren bestemd om het beeld van de Zoon gelijkvormig te zijn, om samen met Hem één lichaam te vormen, waarin God kan ‘wonen’.

1 Korinthiërs 15 vers 49 (1 Kor. 15:49): Zoals de mens in natuurlijke zin het ‘beeld van de stoffelijke’ Adam draagt, zo zal deze door het proces van wedergeboorte het ‘beeld van de hemelse’ Adam dragen.

1 Korinthiërs 11 vers 7 (1 Kor. 11:07): In het beeld van het huwelijk is de man (mens) het ‘beeld van de heerlijkheid’ van God en de vrouw het ‘beeld en de heerlijkheid’ van de ware mens, zoals God bedoelt, Kolossenzen 3 vers 10(Kol. 03:10) : De nieuwe mens (vanwege de wedergeboorte) moet ‘aangedaan’ worden (verantwoordelijkheid van de mens) en ‘wordt vernieuwd’ (verantwoordelijkheid van God) tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper.

Vanaf de wedergeboorte moet de innerlijke mens dus als gevolg van een persoonlijke honger naar en regelmatige voeding door het Woord van God (waarbij de Bijbel een richtinggevend hulpmiddel is), opgroeien tot volwassenheid en bruikbaarheid voor het plan van God.

De schepping zucht

De apostel en profeet Paulus van Tarsen heeft een groot deel van het Nieuwe Testament van de Bijbel op zijn naam staan. Hij sprak onder andere over het zuchten en de barensnood van de hele schepping, de mens voorop (Rom.8). Dit al of niet in woorden uitgesproken verlangen naar echte vrede, dat diep verborgen in de mens aanwezig is, is ook na deze constatering door de apostel alleen maar sterker geworden.

In de snel voortgaande tijd waarin we leven is het ‘zuchten’ van de schepping, niet alleen van de mens, maar ook de dieren- en wellicht zelfs de plantenwereld, steeds meer ‘hoorbaar’.

Het ‘lijden van de tegenwoordige tijd’ krijgt, mede door de moderne media zoals radio en televisie, een door ieder te constateren aanzien. Dit geldt niet slechts het door oorlogen, hongersnood, verdrukking en openlijke vernedering geknechte deel van de mensheid, maar ook in de zogenoemde ‘vrije’ en ‘rijke’ wereld met haar ongekende mogelijkheden, wordt het ‘zuchten’ van de schepping steeds meer gehoord. Dit betreft dan niet in de eerste plaats de uiterlijke, maar veel meer de innerlijke mens.

In Lukas 21 onder andere lezen we de voorspelling van de Heer Jezus over de tijd, waarin we steeds sneller terecht komen. Hij sprak over ‘radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding’, ziekten, aardbevingen, hongersnoden en andere vreselijke dingen en grote tekenen van de hemel.

Dit zijn alle aanduidingen van de enorme beroering in de geestelijke wereld vanwege de toenemende invloed van duistere machten op het denken en handelen van de mens.

Omdat de mens echter als ‘hoofd’ van de schepping geldt, gaat deze invloed ook door naar de overige biotische en zelfs de abiotische schepping, want de ‘aardbodem’ is als gevolg van de zondeval van de eerste mens ‘vervloekt’, dat wil zeggen: onder de ‘leugen’- heerschappij van de duivel gekomen en daardoor aan verderf (de claim van de Dood als ‘engel van de afgrond’ – Openb. 09:11) onderhevig (Gen. 03:17-19).

Met betrekking tot de mens sprak de Heer ook over het ‘bezwijmen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen’, omdat de ‘machten der hemelen zullen wankelen’. Dit geldt dan met name de mens, die niet geborgen is in het geloof in Jezus Christus.

De komst van de Zoon des mensen

Direct met deze dingen samen­hangend sprak de Heer Jezus over de Zoon des mensen welke diegenen, die feitelijk geen rekening houden met de Heer, zullen zien komen op, of beter gezegd in, een ‘wolk, met grote macht en heerlijkheid’.

Bij het lezen over de komst van de ‘Zoon des mensen’ denken velen uitsluitend aan de Heer Jezus als individu. Ook denkt men dan doorgaans aan een wolk van waterdamp in de atmosfeer, waarop deze ‘Zoon’ dan zou komen aandrijven, alhoewel men dit niet goed kan verklaren vanwege de strijdigheden met de scheppingsorde. Dit wereldomvat­tend gebeuren zou dan bovendien»’ nog opgemerkt worden door de van angst en radeloosheid verteerde ongelovige mensen, die totaal niet georiënteerd zijn op deze dingen (Luc. 21:27).

De komst of openbaring van de Heer zal inderdaad ‘in een wolk van getuigen’ (vgl. Heb. 12:01) wereldwijd gezien worden, ook door degenen die ‘Hem hebben doorstoken’ en nog ‘doorsteken’ dus als waardeloos voor God en mensen beschouwen. De aan de (ondergaande) aarde gekluisterde mensen bedrijven vreugde over hun dood, omdat deze schijnbaar een einde brengt aan de ‘pijniging’ die hun waarschuwend getuigenis teweeg brengt.

In deze ‘wolk’ zal echter vanwege de weerkaatsing van het licht van de ‘Zon der gerechtigheid’ de veelkleurige ‘regenboog’ gezien worden als een symbool van vrede, harmonie, waarheid en trouw.

Op deze wijze zal ‘aller oog Hem (Jezus Christus als Hoofd van Zijn totale ‘Lichaam’) zien’. Over de hele aarde zal deze openbaring plaatsvinden en de vijanden van God en Jezus Christus zullen haar met grote vrees en schrik zien voltrekken (vgl. Openb. 01:07 en Openb. 11:12).

Tegen de ware gelovigen (en dit geldt zeker voor onze tijd) zei de Heer dat ze bij het zien (= opmerken) van de vreselijke ’tekenen der tijden’, al vanaf het begin, dus wellicht nog niet in details al volop duidelijk, hun hoofden moeten ‘opheffen’, omdat de verlossing dan ‘nabij’ is. Enerzijds lijden de ware gelovigen mee met de medemensen, maar tegelijkertijd verkondigen zij het Evangelie van de verlossing, dat voor alle mensen bereid is.

Als de Heer Jezus, de Christus, dus gezalfd met heilige Geest en met kracht, zich openbaart, is dat nooit los van Zijn Lichaam’. Deze ‘feestelijke en plechtige ver­gadering van eerstgeborenen’, die in de hemelen zijn ‘ingeschreven’ in het ‘Boek des levens’ en ook haar wandel ‘in de hemelen’ heeft, wordt op duidelijke wijze openbaar als het ‘Lichaam’ van God, tegelijkertijd met het Hoofd van dit Lichaam, Jezus Christus (Heb. 12:05-11; Heb. 12:23). In dit ‘Lichaam’ wil de eeuwige God woning maken en Zijn heerlijkheid zal in deze ’tempel’ over de gehele aarde gezien worden.

De meest efficiënte manier om dit geestelijk lichaam te vormen, is de ‘plaatselijke’ gemeentestructuur, waarin de mensen met elkaar optrekken. Ze zijn aan elkaar gegeven tot een ‘hand en een voet’, in staat elkaar te helpen en zo nodig te corrigeren of bij te sturen.

Horen en zien

De innerlijke mens, die door geloof en bekering tot nieuwe geboorte gekomen is, heeft als een pasgeboren kind behoefte aan ‘redelijke, onvervalste melk’ om op te groeien tot het doel van het (geestelijke) leven (1 Petr. 02:02-03). Met deze ‘melk’ wordt het Woord van God bedoeld. Deze is redelijk dat wil zeggen: direct aansluitend bij de innerlijke structuur van de mens en met het verstand (rede) ook als zodanig te onderkennen. Deze ‘melk’ is ook onvervalst, dus zonder enige bijmenging van allerlei geboden en verboden en men­selijke redeneringen, hoe goed ze ook bedoeld zijn.

De innerlijke mens is met zijn ingeschapen verstandelijke vermogens in staat informatie te ontvangen en te onderkennen als al of niet bevorderlijk voor zijn ontwikkeling. De belangrijkste ingangen om deze informatie te ontvangen, zijn het gehoor en het gezicht. Deze beide zintuigen werken sturend in de ‘overleggin­gen van het hart’. ‘Hart’ is een synoniem voor ‘ziel’ en duidt het centrum van het mens-zijn aan. In dit centrum wordt het geloof ontwikkeld. Geloof is daarom een volkomen bij het wezen ‘mens’ passende eigenschap. Deze kan zowel positief als negatief tot uiting komen. In negatieve zin spreken we dan over ‘ongeloof.

Dit kan ook weergegeven worden als geloven, dat iets niet waar is.

Met betrekking tot de zintuigen horen en zien in relatie met geloof lezen we in de Bijbel onder andere:

a.Wie oren heeft, die hore (o.a. Matt. 11:15).

b.Ziende niet zien en horende niet horen (Matt. 13:13).

c.Ziet toe, wat gij hoort (o.a. Mark. 04:24).

d.Het geloof is uit het gehoor en horen door het ‘Woord van Christus’ (Rom. 10:17).

De natuurlijke innerlijke mens, die door de zonde nog in de macht van de Dood is, heeft door deze verstandelijke vermogens dus de fundamentele mogelijkheden om tot het doel van God te komen. Voor deze mens geldt de oproep:

* ‘Bekeert u’, dat wil zeggen: breek radicaal met zonde en ongerechtigheid.

* ‘Geloof in Jezus Christus’, die de macht (claim) van de Dood (ook over uw leven( heeft verbroken.

* ‘Ontwaak, gij die slaapt en sta op van tussen de doden uit’, (zoals Efeziërs 5 vers 14 (Ef. 05:14) gelezen kan worden vanuit de Griekse vertaling).

* ‘Laat u dopen’ als getuigenis van de ‘wedergeboorte’ van uw innerlijke mens.

* Bidt om de vervulling met de Geest van God, die de Vader geeft aan ieder, die Hem daarom vraagt.          ,

Bij al deze van de mens uitgaande activiteiten staat een persoonlijk geloof centraal, terwijl de genoemde zintuigen de nood­zakelijke hulpmiddelen zijn.

Het gevolg van het gelovig gebed zal zijn, dat de innerlijke mens los komt uit de ‘gevangenis’ en gaat leven, zoals hierboven omschreven, dagelijks zich voedend met het ‘Woord van God’. Hierbij is de Bijbel een belangrijk hulpmiddel, maar de Geest van God zal ook op andere manieren tot de ‘nieuwe mens’ kunnen spreken. Hierbij fungeren ‘gehoor’ en ‘gezicht’, als ingangen voor het ‘hart’.

Volharden

Naarmate de tijd en de ontwik­kelingen daarin voortgaan, zal het belang van deze goddelijke opdracht zich meer doen gelden. Om vast te houden aan de uitgangspunten van het evangelie is daarbij allereerst nodig, dat men in het persoonlijk leven deze uitgangspunten terdege kent. Zonder bewuste daadstelling in persoonlijke bekering en breuk met uiterlijke godsdienstpatronen, die als noodzakelijk ceremonieel worden gehanteerd, is het niet mogelijk stand te houden in de ‘hitte van de dag’ of de ‘dreiging van de nacht’.

Slechts het in de Bijbel en boven omschreven ‘fundament’ is de basis, waar vanuit standhouden in de geestelijke strijd mogelijk is. De apostel Paulus benadrukte daarom het belang van dit fundament, zoals dit onder andere beschreven is in zijn brief aan de gemeente te Efeze ( hoofdstuk 5 en 6).

Volharden is vooral van belang in geval van voortdurende tegen­werking bij het wandelen in het goede spoor. De christen zal zich bewust moeten zijn, waar deze tegenwerking vandaan komt. Heel vaak zijn hier namelijk mensen bij betrokken; mensen die soms (vaak) heel dicht bij je ‘in de buurt’ leven. Het kunnen mogelijk mensen zijn die deel uitmaken van je gezin, familie, werkkring of gemeente. We kunnen van onze vijand, de duivel, verwachten, dat hij juist deze mensen tracht in te schakelen voor zijn doelstelling, namelijk het verhinderen van de openbaring van het ‘Lichaam van Jezus Christus’. Niet voor niets waarschuwde de apostel Petrus, dat de duivel rondgaat als een ‘briesende leeuw’, die zoekt om te kunnen ‘verslinden’ (1 Petr. 05:08).

Overwinnen

Overwinnen houdt niet zozeer een prestatie in met betrekking tot de voortdurende strijd tegen de ‘boze geesten in de hemelse gewesten’, als wel het in volharding rekening houden met de belofte van de Heer aan Zijn eerste discipelen gedaan. Hij zei tegen hen alvorens Hij van hen scheidde: ‘Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld’ (Matt. 28:20).

Deze belofte heeft alles te maken met de uitstorting van de heilige Geest in ieder die dat gelooft en daar in vrijmoedigheid om vraagt. Alleen door deze Geest is overwinnen mogelijk. Naarmate de tijd verstrijkt en de ‘voleinding der wereld’ dichterbij komt, wordt ook het geloof op de proef gesteld.

Hoezeer is het nodig, dat de ‘lendenen omgord zijn en de lampen brandende’ ook in de ’tweede en derde nachtwake’ als de Heer schijnbaar vertoeft te komen (Luc. 12:35 e.v.).

De ‘komst des Heren is nabij!’, schreef de apostel Jakobus al (5:8). Dat geldt dus zeker voor ons. En er is alle reden voor om je daarover te verblijden en met des te meer ijver voort te gaan en te overwinnen. Jezus Christus is Heer, tot eer van onze God en Vader!

 

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

In de afgelopen weken hebben wij tientallen boekjes “Het wonder van het leven’ toegestuurd aan allen die hebben meegedaan met onze jubileumactie om nieuwe abonnees te winnen voor “Levend Geloof’. Het resultaat van deze actie heeft onze verwachting ver overtroffen en we heten dan ook de vele nieuwe abonnees hartelijk welkom!

De actie is thans beëindigd, maar dat betekent niet dat nieuwe abonnees niet meer welkom zouden zijn! Integen­deel, wij verwachten dat ook in de komende maanden vele nieuwe lezers en lezeressen zullen toetreden tot onze lezerskring. Daarbij blijven we rekenen op uw medewerking! Laten we ons gezamenlijk blijven inzetten om aan “Levend Geloof’ -het maandblad dat zich duidelijk uitspreekt voor het volle evangelie- op zo groot mogelijke schaal bekendheid te geven. Behalve door het winnen van nieuwe abonnees kunt u natuurlijk ook altijd iemand opgeven voor een geschenkabonnement of uzelf opgeven voor een tweede abonnement.

 

De kwade hoek door Ron Gast

Vandaag ben ik gaan wandelen in een schitterend natuurgebied: ‘de Kwade hoek’. Wat een naam! Waar komt die naargeestige aanduiding vandaan?

In vroegere tijden gebeurde het nogal eens dat de kapitein van een vis­sersschip op weg naar de thuishaven in problemen raakte in dit gebied vol gevaarlijke stromingen en zandbanken. Met de haven in zicht, kon zo’n klein vissersscheepje aan de grond lopen. Menig ongeluk geschiedde in die ‘kwade hoek’, vandaar…

Tegenwoordig is de haven veilig bereikbaar door een speciaal op diepte gehouden vaargeul. De stroming is voor een belangrijk deel beteugeld door de Deltawerken. En de Kwade Hoek is een fantastisch gebied voor natuurliefhebbers en wandelaars.

Toch heeft het gebied nog niets van z’n karakter verloren. De onbekende wandelaar raakt al gauw de precieze weg kwijt in dit stukje wildernis. En voordat hij het weet, staat hij voor een waterpartij. Het wandelspoor houdt hier op en gaat aan de overzijde verder. Dat wordt kiezen uit twee ‘kwaden’: of terugkeren, of met natte voeten verder.

Menig wandelaar voelt zich tegenwoordig als de in de knel geraakte kapitein vroeger.

Toch waren er vroeger al voldoende signalen om uit de moeilijkheden te blijven. Diverse bakens in zee en op het land markeerden de veilige weg.

Wie zijn oog gericht hield op de zorgvuldig aangebrachte bakens, kwam veilig thuis.

Wie zich liet afleiden, niet oplette of niet vertrouwde op de bakens, kwam in problemen.

Ook nu geven allerlei markeringstekens de betrouwbare route aan. Als je daar langs wandelt, kom je -na een prachtige wandeling- weer prima uit. Als je door het leven gaat en Jezus als baken hebt, dan zal je hetzelfde bemerken: je hebt èn een ‘heerlijke’ wandeling met Hem èn je komt goed uit: uit de Kwade Hoek in het Koninkrijk der Hemelen.

 

Hoe wordt ons gebedsleven vruchtbaar? Door Wim te Dorsthorst

God en de afgoden

Als een heiden tot zijn god bidt, tracht hij hem met vele rituelen en offers te beïnvloeden en gunstig te stemmen. Een gelovige echter bidt tot de levende God die Zich onderscheidt doordat Hij hoort en uit liefde antwoord geeft.

Een geweldig voorbeeld hiervan lezen we in het verhaal over Elia die alleen als profeet des Heren staat tegenover 450 profeten van de Baal. Deze roepen van de morgen tot de middag de naam van de Baal aan waarbij ze hinkend om het altaar gaan. Als er dan geen antwoord komt, gaan ze nog luider roepen en maken naar hun gewoonte insnijdingen in hun lichaam totdat ze druipen van het bloed. Ze raken daarbij in geestvervoering, maar er komt geen antwoord van hun god! (1 Kon. 18:26-29).

Heel scherp is dan de tegenstel­ling als Elia bidt tot zijn God, de levende God, die op één roep van zijn knecht antwoordt (1 Kon. 18:36-39).

Zo kan het ook bij christenen, die uit het heidendom of bijvoorbeeld uit het rooms-katholicisme komen, een diep ingewortelde gedachte zijn dat God door gebeden en rituelen te beïnvloeden zou zijn. Dit zijn altijd inspiraties van boze (vrome) geesten. Ook wanneer bij het bidden ineens met een andere stem gesproken wordt.

God heeft de behoefte tot gemeenschap met Hem, in het gebed, ingeschapen en Hij wil de gelovigen leren volgens Zijn wetten te bidden in liefde, in geest en in waarheid. Dat is in Goddelijke waardigheid, heiligheid, eerbied en af­hankelijkheid, zonder allerlei mensonwaardige inspanningen of praktijken.

Jezus leert ons tot God te bidden als Vader

Het eerste wat Jezus ons daarom wil leren in het gebed is om tot God te gaan als Vader. Hij zegt: “Wanneer gij bidt, zegt dan: Vader, Uw naam worde geheiligd” (Luc. 11:02). En in Matteüs 6 vers 9b (Matt. 06:09b)leert de Heer te zeggen: “Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd”.

Als een kind mag de gelovige naderen tot zijn Vader in de hemel. Dat geeft gelijk al een intieme en vertrouwelijke omgang weer. En zoals Jezus zelf het zeer vertrouwelijke Aramese woord ‘Abba’ (wat toen de betekenis had van het kind dat ‘papa’ zei) gebruikte (Mark. 14:36), zo wordt de gelovigen geleerd dat ook te gebruiken.

Het is Gods Geest die te hulp komt en leert te denken en te spreken als kind tot Vader. Zo zegt Paulus in Romeinen 8 vers 15b en 16 (Rom. 08:15b-16): “Gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: ‘Abba, Vader’. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn”.

In Galaten 4 vers 6 (Gal. 04:06) schrijft Paulus: “En dat gij zonen zijt – God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze harten die roept: Abba, Vader”. Zo getuigt, onderwijst en spreekt Gods Geest in de harten van de gelovigen.

In Hem, Jezus Christus, zijn wij door de grote liefde en genade van God als zonen van Hem aangenomen naar Zijn eeuwig voornemen en naar het wel­behagen van Zijn wil (Ef. 01:05). Daarom mogen wij biddend naderen tot die God die in Zijn Zoon als Vader gekend en aangesproken mag worden.

Als we bedenken hoe juist de naam van God gelasterd en ontheiligd is door de vader der leugen, de duivel, dan begrijpen we dat Jezus zegt: “Uw Naam worde geheiligd”. Zeker als je in gebed tot God als Vader komt, zul je die naam moeten heiligen, dat wil zeggen: aan God niets ongerijmds meer toeschrijven. Hij is licht en in Hem is geen enkele duisternis (1 Joh. 01:05).

Jezus wil ons leren vrijmoedig tot de Vader te gaan

Wat de Heer ons ook wil leren, is om met vrijmoedigheid tot de Vader te gaan. Al gauw wordt bij dat woord gedacht aan een gevoel van: ‘durf het maar gerust’. Het is echter veel meer dan dat. De grondbetekenis van het Griekse woord ‘Parresia’, wat over het algemeen met ‘vrijmoedigheid’ vertaald wordt, is: ‘het recht van de vrije burger van een stad om op een volksvergadering zijn mening naar voren te brengen’.

Voor de gelovige wil dat zeggen: ‘een recht ons van Godswege geschonken in zijn Zoon Jezus Christus’. Iedere gelovige mag van dit recht gebruik maken, wat hem dan typeert als een burger van het hemelse Koninkrijk, een inwoner van de heilige stad Jeruzalem. Als hemelburgers en huisgenoten Gods (zie Filip. 03:20 en Ef. 02:19) hebben wij dus burgerrechten en mogen wij tot onze Koning en Heer gaan zonder enige schroom of minderwaardigheidsgevoel.

Hebreeën 4 vers 16 (Heb. 04:16) zegt: “Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvan­gen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd”. Het is een recht ons door God gegeven en steunt nooit op enige vorm van eigen gerechtigheid, maar op de genade Gods in Jezus Christus. “Het is naar het eeuwige voornemen van God dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem” (Ef. 03:11-12).

Bidden zonder geloof is on­mogelijk

De belangrijkste pijler van het gebedsleven is het geloof. Er kan geen gebed zijn zonder geloof. Als er gebeden wordt zonder geloof, en dat gebeurt helaas nog wel eens bijvoorbeeld uit gewoonte of voor de vorm of uit verplichting, dan kan God daar niets mee en is het eigenlijk Gode onwaardig. Hebreeën 11 vers 6 (Heb. 11:06) leert ons dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn. En ook: “Wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken”. Geloven dat Hij bestaat, dat Hij er is, om te helpen, om Zijn beloften te vervullen, om te antwoorden op het gebed.

Dat is dus geloven dat Hij er voor u persoonlijk is, dat Hij hoort als een Vader naar Zijn kind, dat Hij zal geven wat Hij belooft en naar Zijn rijkdom. Ja, dat Hij bij machte is oneindig veel meer te doen en te geven dan wij bidden of beseffen (Ef. 03:20).

Dat is het geloof dat God welgevallig is. Dat is geloof wat het verstand niet uitschakelt maar er ver boven uitstijgt. Dat is het geloof waardoor gebeden verhoord worden.

De man van de praktijk -Jakobus- schrijft als hij het heeft over bidden om wijsheid (maar dat kan evengoed iets anders zijn): “Maar hij moet bidden in geloof, in geen enkel opzicht twijfelende, want wie twijfelt, gelijkt op een golf der zee, die door de wind aangedreven en opgejaagd wordt. Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van de Here zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is, ongestadig op al zijn wegen” (Jak. 01:05-07).

Zo’n woord zou kunnen ontmoedigen, maar daar heeft de Geest het niet voor op laten schrijven. Het roept op om serieus met het gebed bezig te zijn, om na te denken en niet zomaar wat aan te doen en om het -indien nodig- anders te gaan doen.

Het geloof is het kanaal waardoor Gods kracht zich openbaart, waardoor genezing tot stand komt, waardoor God Zijn beloften aan ons kan vervullen, ja, waardoor alle dingen mogelijk worden, omdat alles mogelijk is bij God (Mark. 10:27).

Jezus zegt: “Indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad… niets zal u onmogelijk zijn” (Matt. 17:20).

En in Markus 9 vers 23 (Mark. 09:23): “Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft”.

“Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, gelooft, dat gij het hebt ontvangen, en het zal u geschieden” (Mark. 11:24). “En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen” (Matt. 21:22).

Bidden betekent veel meer dan alleen vragen

De indruk zou gewekt kunnen worden dat het bij het bidden van de gelovigen alleen maar gaat om van alles van God te ontvangen. Het Griekse grondwoord ‘Aiteö’, wat ‘vragen’ betekent, wordt inderdaad in de meeste gevallen gebruikt als er over bidden gesproken wordt. Toch is bidden veel meer.

Bidden is bewust de troonzaal van het hemelse heiligdom binnengaan om gemeenschap te oefenen met de Vader en de Zoon. “Om de liefelijkheid des Heren te aanschouwen en om te onder­zoeken (te overpeinzen) in zijn tempel”, zegt David (Ps. 027:004c). Jezus spreekt over in de binnenkamer gaan (Matt. 06:06; zie ook Jes. 26:20) en over maaltijd houden met Hem en Hij met ons (Openb. 03:20).

In de Bijbel is maaltijd houden een intieme en gelukkige gemeenschap waar een uitwis­seling plaatsvindt van hart tot hart. Wij maken de Heer deelgenoot van alles in ons leven en Hij opent zichzelf voor ons om ons deelgenoot te maken van alles in Hem. Het is een leren kennen van elkaar tot in het diepst van het wezen.

In dit bidden wordt een intieme relatie opgebouwd, waaruit het hele leven geleefd en gekenmerkt wordt, zoals we dat ook zien bij Jezus en een man als Paulus. Dit bidden is geen natuurlijke verrichting maar een puur geestelijke aangelegenheid. God is Geest en Hij begeert onze geest met jaloersheid (Jak.4:5). Het is een gemeenschap hebben in de geest met God en Jezus Christus.

Bidden wij in geest en in waarheid?

Iedere vorm van onwaarachtigheid is bij het bidden uit de boze.

Bidden als een verplichting of omdat het nu eenmaal zo hoort, heeft niets met bidden te maken. Lang bidden om een prestatie te leveren of om gehoord en gezien te worden, heeft geen enkele uitwerking in het Koninkrijk Gods want het is vlees en bloed. (Lees Matt. 06:05-08).

God kent tot in het diepst de hart gesteldheid als iemand bidt. Als daar wat zit bijvoorbeeld met een broeder of zuster, man of vrouw, wat moet God daar dan mee? Hij kan niet mee huichelen. Daarom leert Jezus dat alles vergeven en op orde moet zijn al­vorens men gaat bidden (Matt. 06:14-15; Matt. 05:23-24;

Mark. 11:25-26).

Durf uzelf te onderzoeken of uw / gebeden geen ijdele woorden zijn en of u zich voor God, en misschien ook voor de toehoor­ders, niet mooier voor wilt doen dan u bent. Zo ja, dan reiken die gebeden niet tot in de hemel. Wat moet God met al die nonchalante gebeden die uitgesproken worden? Vandaag al niet meer weten waar gisteren of misschien een uur geleden voor gebeden is. Bidden, maar nauwelijks bewust zijn wat dit zeggen wil.

De Bijbel spreekt over ‘biddende begeren’, ‘ernstig zoeken’, ‘het gelovige gebed’, ‘volharden in het gebed’. Uitspraken die aangeven hoe de hele mens erbij betrokken dient te zijn en hoe er een ontvankelijk hart nodig is om te ontvangen. De Heer vraagt om aanhoudend te bidden en niet te verslappen (Luk. 18:01).

Paulus schrijft over bidden met opheffing van heilige handen (1 Tim. 02:08). Petrus zegt: “Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt zo ook gij zelf heilig in al uw wandel; er staat immers geschreven: Weest heilig, want Ik ben heilig” (1 Petr. 01:15-16); Lev. 11:44-45).

Zo is er nog heel wat aan te voeren wat de Bijbel ons leert om te komen tot waarachtig bidden in geest en in waarheid. Iemand die niet bidt is in wezen on­gehoorzaam aan Gods opdracht, maar openbaart daarmee tevens een fundamentele hart gesteldheid. Misschien zou je zelfs kunnen zeggen: wie niet bidt, gelooft niet maar is bezig een eigen leven te leiden volgens eigen denkbeelden, zienswijzen, enz.

Als Jakobus zegt: “Gij hebt niets, omdat gij niet bidt” (Jak. 04:02c), dan geeft hij daarmee de grote geestelijke armoede weer van zo iemand die het belang van het bidden niet ziet. Het bidden is niet uit de mens, maar het is ons van God gegeven als een kostbaar geschenk.

Alleszins dus de moeite waard het in dank te aanvaarden en er ernst mee te maken om het van Hem te leren en zo te komen tot een vruchtbaar persoonlijk gebedsleven.

 

De gemeente in de eindtijd door Jan Kees Roose

Bijbelstudie, op basis van Openbaring, over plaats en taak van de Gemeente van Jezus Christus in het herstelplan van God. – 5 –

Kenmerken van de eindtijdgemeente

(Openb. 12:01-02, Openb. 12:06; Openb. 12:13-15 (over de vrouw); Openb. 08:03-05; Openb. 11:01-02; Openb. 11:19 (over de tempel). Zie ook het algemeen overzicht in “Levend Geloof’ van januari).

Waarom een vrouw?

De bedoeling van God met de mensheid is: gemeenschap hebben. Het beeld van de vrouw geeft daar op een natuurlijke wijze uitdrukking aan: God zoekt een partner met wie Hij op alle wijzen één kan zijn. Een vrouw, alleen voor Hem, wier begeerte alleen naar Hem uitgaat.

In Hooglied(eren) bezingen ze het verlangen naar elkaar! Elk mens is in principe beelddrager van de vrouw, bestemd tot gemeenschap met haar Heer; ieder voor zich mag een zoon baren!

God begeert de mens (Jak. 04:05), maar er zijn er meer! Satan verlangt eveneens gemeenschap met de mens. In Openbaring treffen we een ’tegenbeeld’ aan van de reine vrouw: de hoer, gezeten aan vele wateren met wie de koningen der aard gehoereerd hebben (Openbaring 17). Deze vrouw zoekt gemeenschap met andere mannen in plaats van met hem voor wie ze bestemd is! Deze afvallige vrouw beeldt Babel uit. Hierop komen we later terug.

De Gemeente als vrouw van …?

In Openbaring 12 is de vrouw beeld van de Gemeente, maar wie is dan haar man -daarover bestaat wel eens spraakverwarring- God of Christus? Uit 1 Korinthiërs 1 vers 9 (1 Kor. 01:09) (“gij zijt geroepen tot gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus”) blijkt dat Christus de man is. Ze zijn onafscheidelijk, één geheel. Tezamen echter vormen ze de bruid van God, daar gaat het plan immers om: dat God en de mensheid een eenheid gaan vormen.

De bruiloft des Lams, waarvan in Openbaring 19 vers 6 tot 10 wordt gesproken, is dus niet de bruiloft tussen Christus en de Gemeente, maar tussen de Gemeente inclusief haar hoofd Jezus Christus, en God.

De vrouw uit dit hoofdstuk is dus de vrouw van Christus. En wat is ze mooi! Ze is bekleed met de zon (beeld van God). Ze is dus een afspiegeling van God geworden. Ze is vol van licht; in haar wordt geen enkele vorm van duisternis meer gevonden. Alle lichtgevende hemel­lichamen vinden we baar terug. Je zou kunnen zeggen: ze is zelf een hemellichaam geworden.

Waarom gaat het baren met zoveel pijn gepaard?

Ook voor de vrouw van Christus geldt nog: “Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren” (Gen. 03:16). Dat is het gevolg van de vloek die door de zondeval in de schepping is gaan werken. Door de inwerking van duistere machten wordt wetteloosheid en afval bewerkt.

De weg terug naar het volmaakte is geen gemakkelijke weg omdat je steeds weer satan tegenkomt. Er wordt heel wat gezucht. Waar doen we het voor? Om de zoon tevoorschijn te doen komen. Geen geboorte zonder weeën. Maar juist dan worden we opgeroepen ons te verblijden om de heerlijkheid die geopenbaard zal worden, zie 1 Petrus 1 vers 7 tot 9. (1 Petr. 01:07-09)

Waarom vlucht de vrouw naar de woestijn?

De vrouw ‘vliegt’ naar de woestijn vanwege de reactie van satan. De woestijn is natuurlijk geen dorre plaats ergens op aarde: het geeft uitdrukking aan een geestelijke situatie. Woestijnleven beeldt een manier van leven uit: volledige afhankelijkheid, het loslaten van alle vastigheid, zekerheden en steunpunten in de wereld. Het betekent ook: gelouterd worden, eenvoud.

De woestijn bereiken kan maar op één manier: gaan vliegen met de vleugels van de arend, beeld van de krachtige werking van de heilige Geest. En het moet ook, want de aarde wordt gedemoniseerd. Alle mach­ten die op de Gemeente worden losgelaten treffen niet haar maar hen die ‘buiten’ zijn. Dat zijn zij die geen weet hebben van of wandel in de hemelse gewesten; zowel gelovigen als ongelovigen. Jezelf rein bewaren is dan je onthouden van het (maatschappelijke of geestelijke) leven dat zij leiden om niet mede “te ontvangen van haar plagen” door de inwerking van demonen (Openb. 19:04b).

Als we het hebben over het functioneren van de Gemeente in de zichtbare wereld, dan is haar uiteindelijke plaats in de wereld. In geestelijke zin ver­toeft de Gemeente voor de troon van God, ook een geestelijke situatie. Zij kennen elkaar van aangezicht tot aangezicht. Wat een perspectief!

Wat beeldt de tempel uit?

De tempel is de plaats waar God woont en troont, van waaruit zijn heerschappij uitgaat. Dan bedoelen we niet een gebouw van stenen gemaakt (Hand. 07:48), maar een woonstede in de hemel, en die woonstede wordt gevormd door wedergeboren mensen. De mens kan een tempel zijn (zie bijvoorbeeld 1 Korinthiërs 3 vers 16 (1 Kor. 03:16) waarin de geest Gods woont, op voorwaarde dat het interieur gereinigd is door het bloed van het Lam. Alle tempeltjes tezamen gaan weer een grote tempel vormen. Zo wordt de geestelijke tempel gebouwd (1 Petr. 02:05).

En de voorhof dan? Waarom wordt die prijsgegeven aan de heidenen? De voorhof behoort wel bij het tempelcomplex, maar God woont er niet. Dat is een beeld van bekeerde maar niet met heilige Geest vervulde chris­tenen. Zij kunnen in de eindtijd geen standhouden tegen de horde boze machten der duisternis. Dat wil echter nog niet zeggen dat ze verloren zijn! Ze lijden schade, maar redding ‘als door vuur heen’ is mogelijk (1 Kor. 03:15).

Waarom wordt de tempel gemeten?

Een bouwwerk wordt gemeten om te controleren of het met het bouwplan overeenkomt. De geestelijke tempel is eeuwenlang een bouwval geweest. Maar nu krijgt Johannes de opdracht: meet! Met welke meetlat wordt gemeten? Er is maar één maat. God heeft de maatstaf nooit aangepast aan de ontwikkeling van de menden. De mensen moeten veranderen om te voldoen aan de maatstaf van God! In Efeziërs 4 vers 13 (Ef. 04:13) lezen we daarover, als Paulus schrijft over de maat van de wasdom der volheid van Christus, de mannelijke rijpheid. De volwassen maat van Christus dus. Tegen die maatstaf wordt het huis Gods gelegd.

Meten is noodzakelijk: eerst moet Gods woning gereed zijn voordat de volgende fase aanvangt! Maar het huis Gods voldoet aan de maat van Christus. Zijn heerlijkheid vervult het huis. Zijn heerschappij is volkomen in de eindtijdgemeente. Dat kunnen we zien aan de volheid van de twee getuigen.

Wat vindt in de tempel plaats?

* In de tempel vindt allereerst verzoening plaats. De eindtijdgemeente leeft uit die genade. En de boze vindt niets in hen! Daarvan lezen we: Ze hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam, en, de aanklager van onze broeders is op aarde geworpen (Openb. 12:11; Openb. 07:14b).

* In de tempel wordt gezongen. De eindtijdgemeente is een gemeente die de lofprijs kent! Niet om te overwinnen, maar wel in de strijd en na de overwinning. Het richt de aandacht op wie het gericht behoort te zijn. Op vele plaatsen in Openbaring kunnen we van de lofprijs van mensen en engelen lezen, bijvoorbeeld in hoofdstuk 5 vanaf vers 9 (Openb. 05:09), in hoofdstuk 14 vers 3 (Openb. 14:03), in hoofdstuk 15 vanaf vers 3 (Openb. 15:03) en in hoofdstuk 19 vanaf vers 1 en 6 (Openb. 19:01-06).

* In de tempel vindt de ware aanbidding plaats, waarvan Jezus al sprak in Johannes 4 vers 24 (Joh. 04:24). De eindtijdgemeente kent de kracht van gebed. Voor God is dit als reukwerk (Openb. 05:08b). Van aanbidding is onder andere sprake in hoofdstuk 5 vers 14 (Openb. 05:14), in hoofdstuk 7 vanaf vers 11 (Openb. 07:11) en in hoofdstuk 11 vanaf vers 16 (Openb. 11:16).

Waar vallen de beslissingen?

De beslissingen vallen in de tempel. En hoe? Onder andere door het gebed. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 8 vers 3 en 4 (Openb. 08:03-04) maar eens: het gebed van de heiligen stijgt op. En dan komen de engelen (van de gemeenten) in actie en beginnen op de bazuinen te blazen. Wie geven het startsein voor de gebeurtenissen na opening van het zevende zegel? De biddende Gemeente.

Openbaring 11 staat helemaal in het teken van de tempel: het begint ermee en het eindigt ermee. De gebeurtenissen in dit hoofdstuk (het functioneren van de twee getuigen, de overwinning over de dood, de proclamatie van het koningschap van de Heer) vinden hun basis in de tempel.

In hoofdstuk 11 vers 19 (Openb. 11:19) zien we in beelden hoe Jezus (de ark des verbonds) zichtbaar wordt in de tempel, dus in mensen. Dit is het moment van hun verheerlijking: volmaakt naar geest, ziel en lichaam. De oor­deelsdag over de antichristelijke kerk is aangebroken, uitgedrukt in bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en zware hagel. Waar vinden die hun oorsprong? In de tempel. De engelen komen ver­volgens in actie.  Zij functioneren vanuit de tempel, zie bijvoorbeeld hoofdstuk 14 vers 15 (Openb. 14:15), hoofdstuk 15 vers 5 (Openb. 15:05) en hoofdstuk 16 vers 1 en 17.

Waar loop het op uit?

In Openbaring 21 vanaf vers 9 (Openb. 21:09), aan het einde van wat is geopenbaard, is sprake van het nieuwe Jeruzalem (ook genoemd de bruid, de vrouw des Lams! – hier komen beide beelden samen), nederdalende uit de hemel, en zij had de heerlijkheid Gods. In vers 12 staat dat daarin geen tempel meer is. Opnieuw wordt gemeten (vers 15), maar nu de hele stad. En ook de stad voldoet aan de maat van Christus. Dat is het einde van het herstelplan van God.

De tempel uit hoofdstuk 11 is dus nog maar een begin. De tempel zal nog veel groter worden. De tempel groeit uit tot een tempelstad. Hoe? Door het functioneren van de Gemeente in de eindtijd onder leiding van haar man Jezus Christus.