1990.12 nr. 320

1990.12 Levend Geloof nr. 320

De Zoon en de zonen door Gert Jan Doornink

“Toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen, opdat wij het recht van zonen zouden verkrijgen” (Gal. 04:04-05).

Deze maand gedenken wij weer de komst van de Zoon van God naar deze wereld. Het Kerstfeest is voor een waarachtig christen veel meer dan een oppervlakkige aangelegenheid met veel zoetigheid en glamour. Wij weten dat door de komst van Christus de duivel de eerste grote nederlaag werd toegebracht. Paulus brengt het in zijn brief aan de Kolossenzen op duidelijke wijze onder woorden door te schrijven: “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd” (Kol. 02:15). De bediening van Jezus vormde een alles omvattend getuigenis van de wil van God ten aanzien van de mensheid: “het goede, welgevallige en volkomene” (Rom. 12:02b).

Maar de bediening van Jezus was niet het einde en was niet een soort afronding van Gods bedoeling met Zijn schepping. Integendeel, het vormde één van de vele schakels in Gods totale verlossings- en herstelplan met Zijn schepping. Nu zijn de zonen – dat wil zeggen allen die oprecht geloven in de Zoon – aan de beurt om het werk wat Jezus deed ook te doen en dus voort te zetten.

Sprak Jezus niet reeds tot Zijn discipelen: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader” (Joh. 14:12). Met andere woorden: Aan Mijn bediening is nu een einde gekomen, nu zijn jullie aan de beurt! “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u…” (Joh. 20:21). Maar hoe gaat dat nu in zijn werk? Hoe openbaren wij ons als zonen Gods?

Wij hebben het recht van zonen ontvangen

In de eerste plaats behoren wij ons bewust te zijn dat wij het recht van zonen hebben gekregen. Paulus schrijft daar op duidelijke wijze over in Galaten 4. Wat heeft ons tot zonen gemaakt? Het geloof in Jezus Christus. “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Jezus Christus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus” (Gal. 03:26-28) .

Wat betreft de brief van Paulus aan de Galaten een kleine toelichting. Paulus heeft deze brief geschreven aan de gemeenten te Galatië een landstreek in Klein-Azië, waar velen op de eerste zendingsreis van Paulus tot bekering waren gekomen en verschillende gemeenten werden gesticht. Bij de opbouw van de gelovigen ging er echter wat fout. Onder invloed van Judaistische leraars hadden vele gelovigen zich weer wetten laten opleggen, ondanks het feit dat ze door geloof in Christus de volmaakte vrijheid hadden leren kennen. Paulus brengt nog eens nadrukkelijk naar voren dat ze met de wet niets meer te maken hebben.

Trouwens als gelovigen uit de heidenen hadden ze daar ook nooit mee te maken gehad, maar de Galaten hadden wel onder invloed gestaan van allerlei goden en wereldgeesten.

Paulus verbaast zich over het feit dat de Galaten de werkelijke vrijheid die ze in Christus ontvangen hadden, ingeruild hadden voor de wet. Hij noemt hen onverstandig en schrijft: “Hebt gij de Geest ontvangen ten gevolge van werken der wet, of van de prediking van het geloof?” (Gal. 03:03). Het zou te ver voeren om daar nu verder op in te gaan, maar duidelijk is dat Paulus hen opwekt weer terug te keren tot de werkelijke vrijheid in Christus en hen oproept te beseffen dat zij zonen Gods zijn.

Wij hebben de geest van het zoonschap

Een tweede kenmerk van de zonen Gods is dat zij de ‘Geest van het zoonschap’ hebben ontvangen. Paulus schrijft aan de Galaten dat de Geest zijn Zoons uitgezonden is in onze harten (Gal. 04:06). Heel duidelijk schrijf hij er ook over aan de Romeinen: “Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. Die Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen (zonen) Gods zijn” (Rom. 08:14-16) .

Jezus zelf sprak tijdens Zijn bediening ook veel over de Heilige Geest, die na Hem zou komen om de gelovigen bekwaam te maken om hetzelfde leven openbaar te maken wat Hij deed: “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn” (Joh. 14:16-17). Jezus noemde de Heilige Geest de Geest der waarheid, die ons de weg zal wijzen naar de volle waarheid (Joh. 16:13). Geen enkele zoon van God kan dus zonder de doop en vervulling met de Heilige Geest optimaal funktioneren naar de wil van God.

God behandelt ons als zonen

Een ander belangrijk punt is het feit dat wij als zonen Gods door God behandelt worden als zonen. Er zijn kinderen Gods die bij het minste of geringste zuchtje

wind van de kaart zijn. Het zijn die kinderen Gods die niet geestelijk gegroeid zijn, die het volwassen stadium niet bereikt hebben. Zij laten zich altijd maar weer voeden met ‘melkvoeding’ en kunnen de ‘vaste spijs’ niet verdragen (Heb. 05:12-14) .

Volwassen christenen – zonen Gods dus – zijn stabiele christenen, ze staan bij wijze van spreken als een rots in de branding. Maar ze moeten er dan wel rekening mee houden dat hun geloof getest zal worden op echtheid.

In (Heb. 12:07) lezen wij: “Als tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen”. Lees ook vers 8 en 9.  (Heb. 12:08-09) tuchtiging die wij als zonen ondergaan heeft dus niets te maken met ‘lichamelijke kastijding’ of iets dergelijks. Het Griekse woord voor tucht (padeia) betekent letterlijk ‘opvoeding’. God voedt ons op, Hij wil niet dat wij bastaarden zijn maar echte zonen.

Wij functioneren in het plan van God

Als zonen Gods funtioneren wij ten volle in het plan van God. Wij zijn als het ware de plaatsvervangers van Jezus, met dezelfde visie en dezelfde volmacht die Hij had. Hij is ons grote Voorbeeld en in Zijn voetstappen willen wij gaan. Hij is het Hoofd; wij zijn de leden. “Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt” (1 Kor. 12:13). Wij vormen samen het lichaam van Christus: “Gij nu zijt het lichaam van Christus en ieder voor zijn deel leden”

(1 Kor. 12:27).

Wat is het een heerlijke gedachte dat wij zo mogen funktioneren in het plan van God. Hij zegt als het ware: ‘Zoals Ik Mijn Zoon kon gebruiken, zo wil Ik ook jullie gebruiken’. Duurt Sikkens heeft dat in zijn tekening op duidelijke wijze onder woorden gebracht: ‘Zo lief heeft God de wereld, dat Hij ook Zijn zonen geeft, opdat een ieder die hen gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’. Het is Gods bedoeling dat wij zo geloofwaardig overkomen dat de woorden die wij spreken en de werken die wij doen, in overeenstemming zijn met het werk en de woorden van Jezus. Daar ziet de schepping met reikhalzend verlangen naar uit!

God brengt zijn zonen tot heerlijkheid

Er is nog een punt wat wij niet over het hoofd mogen zien. Dat is de zekerheid dat God Zijn Zonen tot heerlijkheid brengt. In (Heb. 02:10) lezen wij daarover: “Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken. Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit één: daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen” . Hier komt weer de eenheid naar voren tussen de Zoon en de zonen. Maar wat betekent het nog meer?

Wij kennen allemaal de uitdrukking: ‘door lijden tot heerlijkheid. Die weg ging Jezus; die weg zullen ook wij gaan. Het zal vaak niet gemakkelijk zijn. Maar Paulus zegt, vlak voordat hij spreekt over het openbaar worden van de zonen Gods waar de schepping op wacht: “Want ik ben er zeker van, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen, de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden” (Rom. 08:18).

Verderop zegt hij: “Wij zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam” (Rom. 08:23). Nu moeten we ons niet achter deze tekst verschuilen door te zeggen: Zie je wel, zolang we nog te maken hebben met ons vergankelijke lichaam, kunnen we ons niet ten volle als zonen Gods openbaren. Paulus legt echter verder uit dat juist het feit dat wij eens het ‘volkomen eindstadium1 zullen bereiken de grote stimulans is, om ons nu reeds (terwijl we nog te maken hebben met ongemakken van ons lichaam bij het ouder worden, met aanvallen uit het rijk der duisternis, etc.) voor de volle honderd procent in te zetten voor Gods Koninkrijk, want “als God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn?” (Rom. 08:31b) .

Nog een paar slotopmerkingen:

  1. God had bij het zenden van Zijn Zoon direkt al voor ogen dat het niet alleen zou gaan om ‘de Zoon’, maar óók om ‘de zonen’: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil” (Ef. 01:04-05) .
  2. De schepping wacht niet op de zonen Gods (die zijn er al!), maar op het openbaar worden van de zonen Gods. En daaraan invulling te geven is onze taak en opdracht in de komende tijd.

 

Maria: beeld van de gemeente door Tea Keuper-Dijk

 

We lezen in Lukas 1 uit ‘Het Boek: “Maria ant­woordde: Ik prijs de Heer met mijn hele hart. Ik kan mijn blijdschap niet op! God, mijn Redder, heeft aan mij gedacht. En ik ben maar een gewone vrouw. Nu zullen de mensen altijd en overal zeggen, dat ik bevoorrecht ben, want de machtige, heilige God heeft grote dingen gedaan. Hij is altijd goed voor mensen, die ontzag voor Hem heb­ben. Hij heeft laten zien, hoe groot en machtig Hij is. Hij heeft hoogmoedige mensen in verwarring ge­bracht en vorsten van hun troon gestoten. Maar ge­wone mensen zijn door Hem op een voetstuk gezet… Hij is Zijn belofte niet vergeten, want Hij had Abra­ham en zijn kinderen be­loofd altijd goed voor hen te zijn…”

Een begenadigde vrouw

Maria was een begenadigde vrouw. Dit had wel een reden. Zij wist van het heilsplan van God, had zich verdiept in de Schrif­ten, de geschiedenis van Gods volk en de profeten. Een eenvoudige vrouw, verloofd met een timmer­man. Misschien las zij haar voor uit de boekrollen en overdacht ze dan de woor­den, die ze hoorde. God zou Maria nooit hebben uit­verkoren Jezus’ moeder te mogen worden, als ze langs de geschiedenis van Gods volk en Zijn handelen had voorbij geleefd. Ze be­greep de geestelijke wet van gehoorzaamheid aan God, waardoor het een mens wèl gaat. Ze wist dat hoogmoed een grote zonde is en nederigheid een voorwaarde, om goddelijk leven voort te brengen. Maria had zich verdiept in Gods plan.

Later, na de geboorte van Jezus en bij het opgroeien, ontmoet ze dingen die heel moeilijk voor haar zijn, als aardse moeder. Ook zij krijgt te maken met groot verdriet: haar eigen Zoon, van God gegeven, wordt vermoord! Door haar ziel gaat een zwaard. Simeon, de oude profeet, die Jezus voor zijn sterven nog mocht zien, profeteerde hier al over, terwijl hij het goddelijk Kind in zijn armen hield (Luc. 01:34-35). Simeon noemde hen ‘be­voorrechte mensen’. “Maar”, waarschuwde hij Maria, “er zal een zwaard door uw ziel gaan. Want velen in Israël zullen zich aan dit Kind ergeren, tot hun eigen ongeluk, maar vele anderen zal Hij de grootste vreugde geven. Hij zal de diepste gedach­ten van de mensen aan het licht brengen” .

Toch heeft Maria de ‘ver­heerlijkte’ Zoon gezien, na Zijn opstanding, samen met hen, die Jezus drie jaren waren gevolgd (Luc. 24:33-53: Jezus verschij­ning aan hen, die bij el­kaar waren in Jeruzalem, na de begrafenis van hun rabbi) .

Aan het eind van het Lucas-evangelie staat: “Ze bleven voortdurend in de tempel om God te eren en te danken” . Die houding had ook Maria, haar leven lang. Ondanks aanvallen van niet begrijpen en ver­driet, hield ze vast, ge­steund door haar broeders en zusters in Christus!

Beeld van de gemeente

Dat is ook het beeld van de gemeente. Zij is, even­als Maria, ook begenadigd. Zij brengt ook zonen Gods voort. Jezus was de eers­te onder vele broeders (Rom. 08:29). Volgelingen van de grote Zoon! De gemeente gaat, evenals Maria, ook door diepten, doordat de aardsvijand van God het heilsplan tracht af te remmen en te vernietigen. Maar satan is overwonnen en Jezus’ overwinning zal uiteinde­lijk openbaar worden in de gemeente, Gods volk, de heilige natie.

Dit gebeurt als er hemels leven, wandelen in de he­melse gewesten, openbaar, gezien wordt in het volk van God, zodat de wereld vol zal worden met hemelse blijdschap, met herstel en groei in Gods Konink­rijk.

De God en Vader van on­ze Heer Jezus Christus, Hem zij de lof, dank en aanbidding toegebracht! Zijn Koninkrijk komt!

Mijn Heiland, Zoon van God, geboren op de aar­de,

Die al de werken van Uw Vader openbaarde, geprezen zij Uw Naam, door mens en engelen saam,

Uw wil is mijn gebod!

 

Eeuwig leven (gedicht) door Piet Snaphaan

“Grijp het eeuwige leven, waartoe gij geroepen zijt” (1 Tim. 6:12).

Gods Woord spreekt duidelijke taal,

geroepen zijn we allemaal;

te grijpen wat ons oog niet ziet,

het eeuwig leven dat God biedt.

 

Die ’t vat wat uitverkoren zijn,

dat geldt voor ieder, groot of klein.

Wie ’t nog niet ziet of kan verstaan,

mag met z’n vraag naar Jezus gaan.

 

Hij roept nog steeds van: ‘Kom tot Mij,

het is voor allen, Ik maak vrij

en schenk u wijsheid bovendien,

zodat u ’t geestelijk gaat zien’.

 

Geven wij hen te eten? door Jan Companjen

“Jezus zeide tot hen: Zij behoeven niet weg te gaan (om eten te kopen), geeft gij hen te eten” (Mark. 06:36-37).

Om te leven moet de mens eten en drinken. Dit is een noodzaak dat bij ieder schepsel aanwezig is. Je hoeft het niet te leren, het is een ingeboren zaak. Het is wat anders of je alles lekker vindt, maar sommige dingen zijn nood­zakelijk. Om gezond te zijn en te blijven heb je gezond voedsel nodig. Dat is voor een natuurlij­ke lichamelijke gezondheid nodig, maar eveneens voor een goede, blijvende geestelijke gezondheid. In dat verband zegt Jezus dan ook dat Hij het brood des levens is. Ten aan­zien van dit brood wordt er in het nieuwe testament, het nieuwe verbond in Jezus Chris­tus, nog al wat opgemerkt, met als hoofdthema: het heilig avondmaal.

Jezus is het brood des levens

De mens wil leven, ja zelfs eeuwig leven. Dat is óók een ingeschapen ge­geven. De mens wordt ge­boren om te léven. Hij wil van het leven genieten en bij dat genieten speelt het brood, dat als symbool van verzadiging wordt ge­bruikt, een grote rol. Zo­als aardse honger wordt verzadigd kan ook gees­telijke honger verzadigd worden.

Om die honger naar het ware leven te stillen zegt Jezus dat Hij hét brood is dat echt leven geeft. Wie bij Hem komt zal nim­mermeer hongeren en wie in Hem gelooft zal nimmer­meer dorst hebben (Joh. 06:35). Het is een geweldig beeld dat hier wordt ge­bezigd. Brood moet je op­eten, moet je innerlijk verwerken wil het tot zijn doel komen. Bij het tot je nemen, het aannemen van Jezus, geldt hetzelfde. Het leven zoals Hij het bracht, in opdracht van Zijn Vader, is het ware leven.

Zoals Jezus, als eerste Adam van een nieuw ver­bond, zich openbaarde als Zoon Gods, heeft de Schepper aller dingen, ook u en mij gedacht. Bij iede­re verwekking, bij iedere geboorte klinkt nog steeds de goddelijke gedachte: “Komt laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen zullen; beheerders zullen zijn over alles wat Ik geschapen heb… En God zag dat het goed was, zeer goed” (Gen. 01:26-31) .

God, de Schepper, schiep ons voor dat doel. Voor dat ware leven, waarin wij kunnen genieten van alles wat die wereld biedt, heeft God ons geschapen. Dat is de Goddelijke roeping van de mens waarin de mens zelfs een tranendal kan ombouwen tot een dal van bronnen.

Het is echter een leven dat de mens niet zelf, al­leen, kan beërven. Als hij zichzelf wil handhaven loopt hij dit leven mis, dan gaat het aan hem of haar voorbij. Jezus zegt als het ware: je moet mijn leven aanvaarden, je moet mijn leven je toeëigenen, aan­nemen, tot je nemen, op­eten, en tot een deel van jezelf maken. Zoals brood in je hele lichaam wordt opgenomen en via je bloed tot in je vingertoppen wordt gebracht, zo wil Je­zus ook ons wezen vervul­len .

¿Hoe bereiken wij Gods doel?

Indien je werkelijk naar dit leven verlangt, zal zeker de vraag in je op­komen: Maar hoe zal dat dan gebeuren? Hoe kan ik dat geschenk ontvangen zodat ik altijd en voor eeuwig bevredigd ben en tot een Goddelijk doel zal komen. Dat ik het zoon­schap Gods uit mijn we­zen tevoorschijn zie ko­men?

Het is opmerkelijk dat Maria, bij de aankondiging van de geboorte van Je­zus uit haar, ook dezelfde vraag stelde (Luc. 01:34). Het antwoord van de engel Gods was: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Al­lerhoogste zal u overscha­duwen en daarom zal het Heilige dat in u verwekt wordt Zoon Gods genoemd worden.

Het is voor ons dezelfde boodschap: Geef u over aan een leven in gemeen­schap met Jezus. In ge­meenschap met Hem zal het leven Gods in u openbaar worden. Jezus is door God de Vader aan­gesteld tot dat doel. Zie (Hand. 02:32) waarin staat dat God de Vader, Jezus Christus tot Heer en Christus heeft gemaakt, dat wil zeggen aangesteld om het nieuwe volk van God te verlossen van hun zonden door het volmaakte offer als Lam Gods en tot Leidsman om ons te leiden naar de vol­le waarheid.

Toen op de Pinksterdag, deze eerste toespraak van Petrus tot het volk gesproken werd, vroegen zij: Wat moeten wij doen? En Petrus antwoordde: “Bekeert u (A) en een ieder van u late zich do­pen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden (B), en gij zult de gave des Hei­ligen Geestes ontvangen” (C). Zie hier het ABC van het geloof dat tot op deze dag nog voor hon­derd procent van kracht is.

De kern die ook nu nog in elke boodschap moet doorklinken is: De opwek­king van Jezus, dat Hij door God is aangesteld tot Leidsman en dat Hij daartoe de beloofde Heili­ge Geest schenkt aan hen die zo met Hem op weg gaan. Het als het ware Maria nazeggen: Mij ge­schiede naar dit woord.

De Heilige Geest zal ook het volk Gods, de gemeen­te, het lichaam van Jezus Christus, overschaduwen, haar binnentrekken en gemeenschap met haar hebben. En vanuit die gemeenschap zullen ook uit dat volk de zonen Gods geboren worden.

(Het tweede deel van dit artikel verschijnt in “Le­vend Geloof” van volgen­de maand).

 

1990-1991

Het jaar 1990 is bijna voorbij; 1991 staat voor de deur. Wat zal het nieuwe jaar ons brengen? Wij weten het niet, maar als waarachtige christenen hoeven wij het nieuwe jaar niet met angst en bezorgdheid tegemoet te zien! Het is de Heilige Geest die ons zal leiden in alle waarheid. En anders dan de door satan geihspireerde okkulte voorspellers, zal die Geest ons de toekomst voorspellen: een toekomst van hoop en overwinning, van blijdschap en zekerheid. Met Paulus zijn wij verzekerd dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here (Rom. 08:38-39). Wij wensen u een rijk gezegend Kerstfeest en een voorspoedig 1991 toe!

 

Kom eens tevoorschijn… door Duurt Sikkens

Kom es tevoorschijn… als je durft.

Deze woorden klinken me nog in de oren wanneer ik, bangerik die ik was, zat weggedoken in ’t schuurtje van m’n ouderlijke huis. Mijn achtervolgers hadden niet veel goeds in de zin, dat was wel te horen. Maar thuis voelde ik me veilig, want als ze me te na kwamen kregen ze het vanzelf met mijn moeder aan de stok.

Ik verstopte me trouwens wel vaker. Wanneer ik wat uitgehaald had dat niet door de beugel kon, kroop ik weg in een klerenkast of verstopte me op zolder. Dan was ik bang voor mijn vader. Gek eigenlijk, want hij sloeg me nooit. Als hij zei: “Waar zit je?” klonk dat ook beslist niet dreigend, maar toch. . . Kwam ik dan, wat bedremmeld, tevoorschijn, dan keek hij me aan met een twinkeling in zijn ogen en zei simpelweg: “Niet weer doen”.

Toen ik wat ouder werd en de puberteit binnenzeilde werd ik wat geraffineerder in het ‘me-verstoppen’. Waarom ik dat deed? Omdat ik, diep in mijn hart, ervan overtuigd was dat ik niet deugde. Dat mijn innerlijk zo banaal was dat ik vreesde dat ik diep gekwetst zou worden wanneer dit aan het daglicht zou komen. Ik zou dan misschien voor gek worden verklaard. Ik vond mezelf een … en op de plaats van de stippeltjes kon een eindeloze variatie aan scheldwoorden worden ingevuld, ‘k Had namelijk het idee in gebrand gekregen dat alles wat ik deed of dacht toch nooit goed was en ik voelde me machteloos en nutteloos, terwijl ik het zo goed bedoeld. Zelfs wanneer ik iets goeds deed voor een ander werd dat nog uitgelegd als ‘egoïstisch’ en ‘dat er wel weer wat achter zou zitten. Soms was dat ook wèl het geval.

De rottigste gedachten speelden dus door je hoofd wanneer je het hopeloze van de toestand bekeek, ‘k Geloofde weliswaar dat er een God of een Jezus bestond, maar aangezien ik me waardeloos voelde zouden zij ook wel wat op me aan te merken hebben. Ik stelde me hen dan ook zo’n beetje voor als een paar enge schoolmeesters die met borende blikken observeerden en altijd wel ergens een fout konden ontdekken. Het gevolg hiervan was dat ik me altijd zo leeg voelde en dat kan heel diep zitten. Dat kan je hele doen en laten zo beheersen dat je er hartstikke hopeloos van wordt. Altijd dat verdrietige idee dat je het eigenlijk nooit goed doet, zit dan als een brandmerk in je ziel en ik dacht zelfs dat je dan net zo goed niet zou kunnen bestaan. De enige troost die sommige gelovigen me nog toevoegden was dat het na je dood allemaal anders zou worden… Nou, daar baalde ik goed van.

Meestal zei je: Dood is dood, en dat was het dan… Dat vrat aan me en gaandeweg gaf ik het op ooit nog zinvol en echt te kunnen leven; samengevat: Ik was een zielig hoopje mens.

Wel had ik als gezegd, heel wat muren gemetseld om me achter te verstoppen, opdat niemand erachter zou komen wie ik werkelijk was; ik zou dan nooit voor schut staan. Dat werd veel lachen, vaak sarcastisch zijn, uit de hoogte doen of met een harde opmerking de deur in de grendel gooien wanneer iemand wérkelijk naar me vroeg. Ik dook in de kunst, groef me in mijn werk, verloor me in gedichten, kortom, ik verstopte me en bleef “zitten waar ik zat en verroerde me niet”, hoewel ik eigenlijk wanhopig zocht naar… ja naar wat? Iets wezenlijks, iets dat echt was.

Mijn vrouw, toen mijn meisje, heeft me gedeeltelijk tevoorschijn weten te roepen omdat ze mijn diepste wezen niet zag. Maar dat zag ze nou juist wèl. Hoe ze dat deed? Omdat ze liefhad.

En haar liefde deed vele harde doppen die om me heen zaten, kraken. En toch miste ik wat. Bovendien groeide mijn machteloosheid omdat ik merkte dat zij wel van mij hield, maar dat ik vond dat ik haar liefde niet echt beantwoordde. Dat kon ik toch niet? Nou, wanneer je in zo’n vicieuze cirkel (vicieus betekent ‘kwaadaardig’) terechtkomt kom je er niet meer uit.

Ken je dat? Dat het zo diep zit tot in het merg, dat je je eigen leven zinloos vindt? Dat je zo es om je heen kijkt en zegt: “Is dit nou alles?” Ondanks je pogingen om er nog wat van te maken. Je ziet het niet meer zitten en het hoeft allemaal voor jou niet meer zo nodig. En wanneer je in je leven blessures hebt opgelopen, teleurgesteld bent in mensen, in jezelf of wanneer je wordt beheerst door wraakgevoelens of de gekste afleidingen zoekt, dan kun je soms zo hunkeren naar iets wezenlijks, iets dat werkelijk zin heeft en dat je gelukkig maakt. Een leven leiden dat een hogere waarde heeft en dat de moeite waard is om te leven. Enfin, om dit verhaal wat korter te maken, toen kwam ik God tegen in de gedaante van Jezus Christus. Ik zat ergens, achter al mijn muren met vergrendelde deuren toen ineens, via een toespraak van iemand die God wèl kende, ik de stem van Jezus hoorde: “Waar ben

totaal geen dreiging van uit. Die stem klonk als van iemand die zocht wat hij verloren had, die mij kwijt was! Voorzichtig zette ik mijn deur op een kier. Toen zei Hij: “Kom eens tevoorschijn. Ik heb je zo gemist”. Van alles dwarrelde door mijn hoofd. Al mijn voorstellingen en waanideeën over God en Jezus smolten weg als sneeuw voor de zon. De muren waarachter ik me verborgen had brokkelden af en daar stond ik en ik zag hoe ik was en de hopeloosheid die als een vuile mantel om me heen hing.

“Heer, ik voel me zo waardeloos en er zitten zulke diepe wonden in mijn ziel” .

“Kom maar hier met je hopeloosheid en je schuld. Die heb Ik voor je gedragen. En Ik genees je”. Ik vroeg: “Bent U het echt?”. Hij zei: “Ja”. “Ik wil zo graag een ander leven leiden; ik wil zo graag echt leven” . “Ik heb er alles voor overgehad om jou weer bij me terug te halen. Ik heb je gekocht met mijn leven, want

Ik ben doodgegaan maar ook weer opgestaan. Als jij opstaat uit je zinloosheid, je doodse bestaan, kun je opnieuw leven, maar nu echt”.

Ik zweeg een poosje. “Waarom deed U dat?”

“Omdat Ik je liefheb”. “Waarom?”

“Omdat jij het bent. . .”

Ik kon heel lang niks zeggen, zo ontroerd was ik. En ik hoefde niet meer bang te zijn en al mijn schuld en alles wat ik fout gedaan had was in één keer vergeven, weg. Het geluk dat me toen doorstroomde kan ik niet beschrijven. Eén ding wist ik zeker: Ik ben van Hem. Een diepe, ongekende rust daalde in mij neer.

Nu wil ik jou ook, namens Hem, vragen: “Waar ben je? Kom eens tevoorschijn!”

Durf je dat? Durf je je toe te vertrouwen met je hele hebben en houwen aan Hem die enkel goed is voor je? En zo niet, wat houdt je dan nog tegen? Er gaat een nieuwe wereld voor je open: de wereld van God. Hij verwoest deze wereld niet, maar stelt alles in het werk om, door Zijn Zoon Jezus, de oude schepping weer nieuw leven in te blazen. Waar Hij aan begonnen is laat-ie nooit meer los en dat ben jij, nu! Daarom zoekt Hij jou. Wil je hem een hand geven? Kom achter je muren, je leleurstellingen, je remmingen, je spot en je ongeloof vandaan en zie en hoor dat Hij intens veel van jou houdt, zoals je echt bent. Kom tevoorschijn, dan zul je tot rust komen in de sterke en veilige liefde van Hem die jou zoekt. Hij gaf alles om jou maar bij zich te hebben. Kom je?

Dan ben je, samen met Hem, in staat om echt te leven en jezelf te zijn. Een kind van het licht, om met je lichtende visie de mens te beschijnen en te voorschijn te roepen degenen die in de duisternis zitten, om de kromgeslotene te ontboeien. Om degenen die in leugens zijn gevangen met de waarheid los te maken en de vrijheid te geven en zó de gestalte te geven aan de Zoon des mensen.

Roep God gestalte in elkaar tevoorschijn.

 

Gods wil (gedicht) door Piet Snaphaan

Het leven dat de wereld biedt,

is niet uit God, let op en ziet,

vergankelijk is ’t voor allemaal,

het houdt geen stand, het is fataal.

 

Alleen een leven door de Geest

is waardevol voor God nog steeds.

Hij legt Zijn wil in ons verstand, s

chrijft ’t in ons hart in dat verband.

 

Daar wordt je dankbaar van en stil,

om juist zo te leven naar Gods wil,

zo’n leven biedt ons zekerheid,

’t is blijvend tot in eeuwigheid.

 

 

De genade Gods is verschenen door Wim te Dorsthorst

Het doet bijna vreemd aan als je bedenkt dat in deze wereld nog kerstfeest gevierd wordt. Kerst, waar­op de genade van God glorieus en wonderbaar verschijnt, terwijl het begrip ‘genade1 nog nau­welijks wordt gekend in deze wereld. Het is een bijna dood-gevierd feest en heeft voor de grote massa nog nauwelijks enige geestelijke waarde.

Ingevallen duisternis

In de eerste eeuwen na Christus was er onder de christenen geen sprake van kerstviering. Volgens de overleveringen blijkt het voor het eerst gevierd te zijn in Rome zo rond het jaar 350. Merkwaardig is ook dat dit feest van de geboorte van Jezus Christus ontstaat in de tijd dat de diskussie over de goddelijke en menselij­ke natuur van Jezus be­gint. Zelfs op de markten was het rond die tijd on­derwerp van gesprek. Van de leer van Jezus zelf en Zijn apostelen – dus een werkelijke gemeentebouw op het funda­ment van de apostelen en de profeten, terwijl Chris­tus Jezus zelf de hoek­steen is (Ef. 02:20) – is rond die tijd al niet veel meer over.

De kerkvader Chrysostomos (344-407) – die al een kommentaar schreef op de brieven van Paulus – ver­meldt dat het hele gebied van de Heilige Geest en de gaven van de Geest in die tijd al zeer duister is geworden. De doop in de Heilige Geest is niet dui­delijk meer aanwezig, waardoor er ook geen ge­tuigenis meer in het hart van de gelovigen is over Jezus Christus (Matt. 16:16-17 en Joh. 15:26).

Juist in die tijd voert men een feest in voor de ge­boorte van Jezus Christus. Als het geestelijk ver­dwijnt, komt er behoefte aan iets vleselijks, iets zichtbaars. Terwijl Paulus zegt: “Indien wij al Chris­tus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer” (2 Kor. 05:16b), ontstaat er toch dat geboortefeest, wat in de loop van de eeu­wen met veel vrome zoetig­heid omhangen is.

Hij zond Zijn woord

Men zou zich nu, met het jaar 2000 in zicht, af kun­nen vragen: ‘Heeft Zijn komst enige zin gehad?’ Het lijkt of de hele schep­ping de ondergang tege­moet holt. Vooraanstaande geleerden waarschuwen bijna dagelijks voor het gevaar van zelfvernieti­ging. De wereld is ziek, dodelijk ziek!

Maar prijst God, Hij zond Zijn woord, nu bijna 2000 jaar geleden en dat Woord zal dat volbrengen waar­toe God het gezonden heeft. Hij, Jezus Christus, is de Heiland der wereld, de genade Gods die ver­schenen is, heilbrengend voor alle mensen (Titus 02:11) . Hij is het Woord dat God zond, dat zal genezen, oprichten en voltooien.

Gij zult een Zoon baren

Bij het lezen van de eerste hoofdstukken van het Lucas-evangelie kom ik altijd weer onder de indruk van de grootheid van God en al de gebeurtenissen bij de geboorte van Zijn Zoon Jezus Christus. Lucas voert ons een wereld bin­nen waar de grenzen van het menselijk mogelijke doorbroken worden omdat God zelf Zijn eeuwige raadsbesluiten en welbeha­gen gaat volvoeren (Jes. 46:10). Oude mensen, zo­als Zacharias en Elisabeth die een zoon ter wereld brengen, waarvan de en­gel zegt: “Hij zal Johan- nes genoemd worden. Hij zal groot zijn voor de He- re en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, en velen der kinde­ren Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God” (Luc. 01:13-16).

Engelen dalen neer en stijgen op met geweldige boodschappen van God: En zie gij zult zwanger worden en een Zoon baren, en gij zult Hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden en de Here God zal Hem de troon van Zijn vader David geven en Hij zal als Koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en Zijn koningschap zal geen ein­de nemen. De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoog­sten zal u overschaduwen, daarom zal ook het Heilige, dat verwekt wordt Zoon Gods genoemd worden” (Luc. 01:31-35).

De Heilige wordt geboren

Dit is de boodschap die door de engel Gabriël aan het eenvoudige dorpsmeisje Maria gebracht wordt. Ma­ria, verloofd met Jozef, kan het allemaal niet bevatten, maar ze trotseert de roddel die ongetwijfeld op gang zal komen in dat kleine dorpje Nazareth en ze zegt: “Zie de dienst­maagd des Heren, mij geschiede naar uw woord” (Luc. 01:38).

De engel zegt: “daarom zal ook het Heilige, dat verwekt wordt, Zoon Gods genaamd worden” . De Sta­tenvertaling heeft hier: “daarom ook, dat heilige, dat uit u geboren zal worden zal Gods Zoon genaamd worden” . Wat hier verwekt en geboren gaat worden is heilig, niet in de zin van geheiligd, afgezonderd, maar heilig in Zijn wezen, evenals God, Zijn Vader, heilig is.

“Naar het vlees is deze Jezus uit het zaad van David, maar naar de Geest der heiligheid is Hij Gods Zoon in kracht” , schrijft Paulus later als hij spreekt over Zijn opstanding” (Rom. 01:03-04). In Zijn we­zen is deze Jezus aan God gelijk. In Filippenzen zegt Paulus: “Want hoewel Hij Gods gestalte bezat en Zijn gelijkheid met God geen roof hoefde te ach­ten, heeft Hij toch er Zich van ontdaan, door de ge­stalte aan te nemen van een slaaf en gelijk te wor­den aan de mensen” (Filip. 2:6-7, vert. Petrus Canisius). Jezus Christus, die in Zijn diepste innerlijk volmaakt aan God gelijk was, heeft zich daar nooit op voor laten staan, maar Hij was aller dienaar en Hij is in alle dingen op gelijke wijze als wij ver­zocht geweest, maar zon­der te zondigen” (Heb. 04:15).

God geopenbaard in het vlees

In (Rom. 08:03) zegt Paulus: “dat God Zijn eigen Zoon heeft gezonden in een vlees, aan dat der zonde gelijk” . De vertaling van professor Brouwer zegt: “in de gedaante van door de zonde overheerst vlees”. Dat wil zeggen dat Jezus niet een bijzonder lichaam had, maar een li­chaam zoals wij dat ook kennen; een lichaam wat aangetast is en zwakheden kent sinds de zondeval.

God zelf heeft Zijn eigen Zoon zó gezonden. Dat dat een duidelijke reden had, blijkt uit wat de Hebreeën-schrijver zegt. Wij lezen daar: “Daar nu (omdat) de kinderen (zie Heb. 02:13b) aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daar aan deelgekregen” . Dit is een geheimenis Gods. Paulus zegt dat ook als Hij spreekt over Jezus Chris­tus en de gemeente in (1 Tim. 03:16). Hij zegt: “En buiten alle twij­fel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is ge­loofd in de wereld, is op­genomen in heerlijkheid” (Statenvertaling) .

Zo was het de wil van de Vader in de hemel dat Zijn eigen Zoon het lichamelijke bestaan van de mens zou delen, zodat Hij die geen zonde gekend had, door God tot zonde gemaakt kon worden en in dat lichaam onze zonden aan het kruis kon brengen” (2 Kor. 05:21 en 1 Petr. 02:24).

Daarom zegt Jezus ook: “Slachtoffers en offergave hebt Gij niet gewild, maar  Gij hebt Mij een lichaam bereid, om Uw wil, o God, te doen” (Heb. 10:05b-07b). En dat lichaam heeft God Zijn Zoon bereid in de schoot van Maria. “Het Woord is waarlijk vlees geworden en het heeft onder ons gewoond” (Joh. 01:14). Wat een genade, wat een groot­heid en liefde van God komt hierin tot openbaring!

De Heilige Geest getuigt

Maria gaat op bezoek bij Elisabeth die reeds zes maanden zwanger is van Johannes de Doper. “En toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, ge­schiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot en Elisabeth werd vervuld met de Heilige Geest. En zij riep uit met luider stem en sprak: Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. En waar­aan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot mij komt? Want zie toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot” (Luc. 01:41-44) .

Hier zijn we getuige van de twee vrouwen waar God wel op een heel bijzondere manier in werkzaam is. De Heilige Geest getuigt hier al van de grootheid van Jezus Christus. Hij is de Heer en Hij is gezegend of geprezen. En zelfs Johannes de Doper, de wegbe­reider voor de Heer, springt op van vreugde in de schoot van zijn moeder. Het is of hij al de stem van de bruidegom hoort en zich verblijdt (Joh. 03:29). Hier zien we al, wat Jezus later ook zegt: “De Heili­ge Geest zal van Mij ge­tuigen en Mij verheerlij­ken” (Joh. 15:26 en Joh. 16:14).

De eeuwige Koning

Als dan de geboorte aan­breekt, dan lijkt het mis­schien toeval, dat juist in die dagen keizer Augus­tus een volkstelling gaat houden. De overste van de toenmalige wereld wil­de al zijn onderdanen in zijn boeken inschrijven. Maar wat Augustus niet wist, dat was dat hij pre­cies meewerkte in Gods plan.

Dat de ware overste van deze wereld, die een eeuwig koningschap zou bekleden (Luc. 01:33), – in wie en door wie en tot wie alle dingen geschapen zijn, zichtbare en onzicht­bare, tronen, heerschap­pijen, overheden en mach­ten (Kol. 01:13-17) – hier­door geboren zou worden op de door God bepaalde tijd, wijze en plaats. Een­maal zal de hele schepping geschreven staan in het boek van deze ware Ko­ning, deze ware Overste van hemel en aarde. En dan zal niemand ontbreken behalve hen die de duis­ternis liever hebben dan het licht.

Vanaf Zijn geboorte is er voor deze Koning geen plaats op deze wereld en legt Maria Hem in doeken gewikkeld in de voederbak van de beesten (Luc. 02:01-07) . En dan zijn het niet de grote en vrome leids­lieden aan wie de geboor­te aangezegd wordt, maar de herders die waken over de schapen. De meest eenvoudige lieden wiens stem bij de recht­bank geen enkele waarde had. Deze zijn het tot wie opnieuw de engel Gabriël van God wordt gezonden. Zijn boodschap is kort maar krachtig en duidelijk: “U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Here, in de stad van David” .

Een grote hemelse legermacht voegt zich bij Gabriël en God wordt geloofd en ge­prezen (Luc. 02:08-20) .

“De genade Gods, die God naar Zijn eigen voornemen en genade ons in Christus Jezus gegeven heeft vóór eeuwige tijden, die is nu geopenbaard door de ver­schijning van onze Heiland Christus Jezus” (2 Tim. 01:09).

De Christus des Heren

Dan is daar nog de oude Simeon. Door de Heilige Geest naar de tempel ge­leid en vervuld met de Heilige Geest, neemt hij het kind in de armen en hij looft God en zegt: “Nu laat Gij, Here, uw dienst­knecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren; licht tot open­baring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël” (Luc. 02:29-32) .

Nu heb ik ‘de Christus des Heren’ gezien (Luc. 02:26), nu heb ik de ‘Zoon van de Allerhoogste’ ge­zien, waar Jesaja van profeteerde: “Want een kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouders en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vrede­vorst” . Simeon had de Christus Gods, het heil van God voor alle mensen, gezien en letterlijk in de armen gesloten.

De evangelist Lukas heeft deze dingen niet zomaar geschreven. Uit de aanhef (Luc. 01:01-04) blijkt dat hij kennis heeft aan een zeke­re ‘hoogedele Theófilus’ die tot bekering is geko­men en het eerste onder­wijs ontvangen heeft. En dan is de opmerking van Lucas dat hij, na alles nauwkeurig te hebben na­gegaan, alles op Schrift heeft gesteld: “Opdat gij de betrouwbaarheid zoudt erkennen der zaken, waar­van gij onderricht zijt” .

Misschien is de vraag van Theófilus – waarschijnlijk een Romeins edelman – wel geweest: ‘Wie is dan die Jezus, waar ik mijn ver­trouwen op moet stellen om behouden te worden? Wie is Hij die in het midden staat; in wie de hele geschiedenis samenvalt, die de tijd vóór Hem en de tijd na Hem insluit, die het begin is van de jaar­telling, het begin en het einde?’

Een vraag die ook nu ge­steld kan worden door de christenen die onderricht zijn in de beginselen van het evangelie der heerlijk­heid van Christus? (2 Kor. 04:04)

Door de Heilige Geest ge­leid schrijft Lukas dan die eerste hoofdstukken alsof hij persoonlijk aanwezig was en een oog- en oorge­tuige verslag geeft.

Als wij Kerstfeest ontdoen van alle religieuze franje, van alle vroomheid en theologische afbraak en even­als Theófilus gedaan zal hebben: ‘overwegen en overdenken onder de lei­ding van de Heilige Geest’, wat Lukas hem maar ook ons schreef, dan zullen twee kerstdagen wellicht niet voldoende zijn. Maar zeker zal het dan een gezegend Kerstfeest wor­den wat ik alle lezers en lezeressen toewens.

 

 

Bouwstenen

Je bent of oud of nieuw. Oud èn nieuw bestaat niet.

Een christen staat buiten de aantrekkingskracht van de aarde.

Wie in de waarheid wandelt heeft de schijn tegen zich.

Heb je naaste lief zoals je zelf bemind wordt.

Beter een handvol rust, dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.

Als jij tot je recht komt, kom Ik tot mijn recht.

Doe iets aan een ander, doe een ander niet iets aan.

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief. Bijbelstudie door Klaas Goverts (5)

  1. Hij is de afstraling geworden van Gods lichtglans en de afdruk (charakter) van Gods wezen (Heb. 01:03). Hoe? Door de weg die Hij ging; want Gods lichtglans wordt zichtbaar in een weg. Om die weg aan te duiden gebruikt de Hebreeënschrijver het woord: prosphora, in de NBG-vertaling weergegeven met: offer, offerande, doch letterlijk is het: toebrenging, het woord dat in Leviticus staat voor: toenadering.

Hier klopt het hart van de Hebreeënbrief. Leviticus en Hebreeën vormen stem en tegenstem. Ze reiken elkaar de hand. Beide zijn gebouwd op of rondom de Verzoendag.

Kerntekst over de prosphora is (Heb. 10:10):

In deze wil zijn wij geheiligd door de teobrenging (of toewijding) van het lichaam van Jezus Messias eens voor altijd.

Let ook op vers 14:

Want in één toewijding heeft hij de geheiligden voleindigd duurzaam voor immer.

Hier vertale men niet met: offer, want daarvoor heeft het grieks een ander woord: thusia (dat horen we in vers 12: maar deze heeft één offer toegebracht vanwege de zonden) . Wij hebben met onze machtswil de Meester gemaakt tot ons offer; Hij zelf was alleen maar ons ten zeerste toegewijd. De toewijding van zijn lichaam, zegt vers 10, dat is de toewijding van zijn hele bestaan.

De toewijding van de Messias vormt de kracht van het vernieuwde verbond. Dat is zijn prosphora: toegewijd ten einde toe.

Zo is Hij de hemelse liturg. Hij is gezeten aan de rechterhand van de troon in de hemelen (Heb. 08:01).

de dienst verrichtende in het heiligdom, in de ware tabernakel (NBG).

dienaar van het heiligdom, en wel van de ware tent, die de Here heeft opgericht, niet een mens.

Vanuit de hemel gaat er iets geschieden op de aarde. Zo is van meet af aan de grondgedachte der Schriften geweest. De messias dient het heiligdom; dat is de eredienst van de bevrijding. Vanuit dit heiligdom (in de hemel) zal de bevrijding komen over heel de aarde. Daar staat deze liturg garant voor; deze dienstknecht verricht zijn dienst ten volle, totdat alles is geschied.

Psalm 110. We kunnen de brief aan de Hebreeën ook lezen als een kommentaar op Psalm 110.

Zet u aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden maak tot een voetbank van uw voeten.

en: gij zijt priester voor heel de eeuw

volgens de aanspraak van Melchizedek.

Hij is koning van Salem (sjalom, heelheid), koning van de gerechtigheid (tsèdeq), en blijft priester tot in duurzaamheid (Heb. 07:02-03). Vooral dat duurzame heeft de Hebreeënschrijver gefascineerd; steeds komt hij daarop terug. Daarmee verbindt hij de gedachte dat de Messias afmaakt wat hij begon.

Voltooien. Maar liefst 23 keer horen we in deze brief woorden van de stam: telos, teleios, etc,! einde, einddoel, voleindigen, voleinder, en dergelijke. De messias heeft het einde bereikt (Heb. 05:9); daarom is hij dan ook bij machte om de voleinder, de voltooier te zijn (Heb. 12:02). Dit geeft ons moed en grond onder de voeten om door te gaan, en vast te houden.

  1. Gij die bevrijding wilt zeg ons

in uw heiligdom

hoezeer gij ons ontlast

 

Heer, wij danken u

omdat gij zelf

de Wet van uw bevrijding

hebt gedragen vóór ons uit.

 

Dit is het laatste nummer van de 29-ste jaargang van ons blad. Volgende maand beginnen we dus aan onze 30-ste jaargang. Wij hopen en geloven dat u ook in het nieuwe jaar weer veel zegen en geloofsopbouw zult ontvangen door de verschillende artikelen, zoals dit ook in het afgelopen jaar – getuige de vele positieve reakties – het geval was. Sommigen lezen “Levend Geloof” reeds 20 of 25 jaar, anderen zijn pas enkele jaren of sinds kort abonnee. Maar… bent u reeds abonnee? Wanneer dat nog niet het geval is vragen wij u thans abonnee te worden. U kunt daarbij gebruik maken van de eventuele antwoordkaart of door zelf te schrijven naar: “Levend Geloof”, Postbus 101, 8180 AC Heerde. U mist dan voortaan geen enkel nummer meer. Mogen we spoedig iets van u horen?

1990.11 nr. 319

Levend geloof 1990. 11 nr. 319

Zijn wij volwassen christenen? Door Gert Jan Doornink

Wie aan een wedergeboren kind van God vraagt of hij een christen is, zal daarop natuurlijk als positief antwoord ‘ja’ te horen krijgen. Maar lang niet iedereen die zich christen noemt of zich voor christen uitgeeft, zal ‘ja’ zeggen als hem gevraagd wordt of hij weet een kind van God te zijn. . . Jezus zei in zijn gesprek met Nicodemus: “Tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan” (Joh. 03:05). Door geloof in het volbrachte werk van Jezus Christus is het nieuwe leven van Christus in ons gekomen en zijn wij overgebracht (overgezet, zeggen sommige vertalingen) in het Koninkrijk van Jezus Christus (Kol. 01:13).

Wanneer ons nu als kinderen Gods gevraagd wordt of wij weten dat wij ‘volwassen christenen’ zijn en dat door ons leven openbaar wordt dat wij ‘zonen Gods’ zijn, is het antwoord vaak veel minder positief. Maar weinigen durven dan met een positief ‘ja’ te antwoorden. . . Toch is dit Gods bedoeling en zolang kinderen Gods nog niet het volwassen stadium hebben bereikt, zijn zij een gemakkelijke speelbal in handen van de vijand.

Nu bereiken wij het volwassen stadium niet automatisch, maar alleen door de weg van geloof en gehoorzaamheid te gaan. En deze weg is een geestelijke weg. Wie zich niet bewust is dat zijn plaats met Christus is in de hemelse gewesten, zal aards, natuurlijk, ongeestelijk (bezig) blijven en nooit het hoge doel bereiken wat God met ons leven voor heeft: de gelijkvormigheid aan het beeld van Jezus (Rom. 08:29).

Wij zullen de weg moeten zoeken en gaan die verder omhoog voert! De weg die ook Jezus ging! Als Jezus die weg niet was gegaan zou Hij nooit de duivel hebben kunnen ontmaskeren en overwinnen. Hij zou dan reeds bij het begin van Zijn bediening, bij de verzoeking in de woestijn, door de duivel gevloerd zijn en later door allerlei vrome geesten, zoals de Farizeeën en Schriftgeleerden die in zich hadden, de nederlaag hebben geleden. Maar dat gebeurde niet! Terwijl de eerste Adam faalde, was de laatste Adam overwinnaar! En wij behoren bij die laatste Adam.

De groei naar geestelijke volwassenheid

Van ons wordt de bereidheid gevraagd om ook – en ’t liefst zo spoedig mogelijk – door te groeien naar geestelijke volwassenheid. Vaak horen we, vooral de laatste tijd, nog al eens de opmerking: ‘Wij moeten terugkeren naar onze eerste liefde’. En soms is dit inderdaad nodig, zoals dat ook met de gemeente te Efeze het geval was (Openb. 02:04). Maar in heel veel gevallen wordt deze opmerking gemaakt om aan te geven hoe men niet tevreden is met het (on) geestelijk niveau waarop men zich bevindt. Er is iets wat niet goed is, een manco, er hapert wat aan. Het geloofsleven staat op een laag pitje; men wéét: dat moet veranderen, maar het blijft bij het uitspreken van een Bijbeltekst, zoals de zoeven geciteerde, of men denkt met weemoed terug aan ‘betere tijden’. . .

Maar men ziet over het hoofd dat het vandaag Gods tijd is, zoals Paulus onder woorden brengt in zijn brief aan de Korinthiërs: “Nu is het de tijd des welbehagens, nu is het de dag des heils” (2 Kor. 06:02).

Volwassen christenen hebben geen behoefte om terug te i verlangen naar positieve dingen uit het verleden, (ook al mogen we daar dankbaar voor zijn), maar leven in het heden, dat wil zeggen: iedere dag is er het sprankelende, nieuwe leven in Christus met al zijn verrassende en blij makende dingen. Natuurlijk zijn daar de aanvallen uit het rijk der duisternis, waardoor het soms net lijkt of de wolken de zon definitief verduisterd hebben, maar altijd weer is er de nieuwe doorbraak, de overwinning, de beleving van Gods heerlijkheid, die elke crisis tot een goed einde brengt, want de duivel heeft niet het laatste woord!

De belangrijke taak van volwassen christenen

Volwassen christenen zijn zich ook bewust hoe zij dit stadium bereikt hebben, namelijk door geestelijke groei, het afleggen of bevrijd worden van allerlei verkeerde leringen, geesten, gedachten, etc. , zodat uiteindelijk de verbinding Heilige Geest met onze geest compleet gaat worden.

Volwassen christenen staan ook altijd open voor nieuwe aanwijzingen van de Heilige Geest en vanuit het Woord. Zij slaan zichzelf niet op de borst door te zeggen: ‘nu zijn we er’ of ‘we zijn beter dan de andere christenen’, dat zijn influisteringen die uit de verkeerde hoek komen – maar zij weten: nu zijn we geroepen en in staat om anderen, die nog niet leven vanuit de ‘volheid van Christus’, te helpen, te bemoedigen en hen op de goede (geestelijke) weg te brengen!

Er is dus een belangrijke taak weggelegd voor volwassen christenen. Zij vormen als het ware de commandotroepen van Het Koninkrijk Gods, de voorvechters, de pioniers. Zij geven het voorbeeld hoe God Zijn kinderen (Zijn zonen!) graag wil zien! En onze slotvraag is daarom dan ook: ‘Bent u een volwassen christen?’

 

Licht door Duurt Sikkens

“. . . de Vader der lichten. . . (Jak. 01:17).

God is licht en wat uit Hem voortkomt is licht, is goed. Hij heeft niet alleen de zichtbare hemellichamen geschapen als zon, maan en sterren, maar daarvoor de onzichtbare, lichtgevende dingen (Gen. 01:14: . ‘ma’ór’ = lichtgevend ).

De dingen die we zien zijn afbeeldingen van de dingen die we niét zien. Uit God komen deze lichten. Het grootste licht is Jezus Christus. Hij was de eerste gave God die neerdaalde uit Hem om degenen die in de duisternis zaten, de mensen, te verlichten. Hij was het waarachtige licht. Want Hij was uit God.

Wanneer je Jezus volgt, dat wil zeggen: begrijpt, gelooft, ben je ook een eersteling die uit God is geboren. Dan ben je óók een licht. Dat zijn die mensen die zich van hun originele afkomst bewust zijn geworden. Je bent geen kaarsje ergens in een klein hoekje meer, maar een hemellichaam, bekleed met de heerlijkheid van je Vader, vol van genade en waarheid om daarmee de mensheid van dienst te zijn, samen met de heilige engelen.

Beschenen wórden is één ding, zélf schijnen is heerlijker. Het is zaliger (je bent gelukkiger) licht te géven dan licht te ontvangen. Openbaar door de Geest van zijn liefde, Gods heerlijke wezen, door je te ontfermen over de mensen van de aarde. Wees licht, verdrijf de nevels van schijn en bedrog. Zo bén je een licht van de Vader.

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Ook de samenstelling en opmaak van dit nummer – alweer het voorlaatste van dit jaar – werd weer met blijdschap en toewijding gedaan. Hoe kan het ook anders, want de rijke, volle boodschap zoals wij die hebben leren kennen en uitdragen via “Levend Geloof” , is het waard om op een zo duidelijk mogelijke en begrijpelijke wijze verkondigd te worden. En een onafhankelijk blad zoals “Levend Geloof” heeft daarbij unieke mogelijkheden, omdat we ook velen bereiken die ‘zoekende’ zijn en de vaste geloofskoers nog niet gevonden hebben. Daarom proberen we in ieder nummer veelzijdig te zijn, dat wil zeggen zowel te schrijven voor de onbekeerden en pas-bekeerden, als ook voor hen die verder geestelijk gegroeid zijn. Dit komt ook tot uitdrukking in de variatie van en in de verschillende artikelen, waarbij wij dankbaar zijn dat zovelen meewerken aan ons blad.

Daarbij blijft ons centrale uitgangspunt: de verkondiging van het volle evangelie, (de boodschap van het koninkrijk der hemelen). Daarvan willen wij beslist niet afwijken. Zouden wij dat wel doen dan zouden we ongehoorzaam zijn aan onze opdracht en ook niet meer functioneel zijn in dienst van Gods koninkrijk.

Het gevolg is wel dat wij ontzettend gehaat worden door het rijk der duisternis en de ‘blijdschap en toewijding’ waarover wij in het begin van dit artikel schreven, wordt vaak op allerlei wijze aangevallen. Maar altijd weer mogen we ervaren dat we aan de overwinnende kant met Jezus staan!

Een ander gevolg van de specifieke boodschap die wij via “Levend Geloof” uitdragen is uiteraard dat wij geen ‘massablad’ zijn, maar een blad met een relatief kleine oplage, wat kostenverhogend werkt. Zelf zijn we als fulltimer bij wijze van spreken ‘dag en nacht’ betrokken bij de uitgave van het blad, maar het werkt wel eens ontmoedigend als het moeilijk is de zaak financieel gezond te houden.

Toch willen wij ook dit jaar vertrouwen dat we het jaar niet met een financieel tekort behoeven af te sluiten. Maar we hebben daarvoor wel de hulp nodig van die lezers en lezeressen van ons blad die gemotiveerd zijn ten aanzien van de boodschap die wij verkondigen! Mogen wij op uw medewerking rekenen door nog deze maand een extra bijdrage over te maken voor onze geloofsarbeid? U kunt hiervoor gebruik maken van de rekeningnummers zoals die op pagina 2 staan vermeld. Bij voorbaat willen wij u reeds hartelijk bedanken voor uw inzet om samen met ons op de bres te blijven staan voor de verkondiging van het volle evangelie!

 

Bouwstenen door redactie

*Een ster hoort in de hemel

*Als je je isoleert van de mensen, hoe kun je dan goed voor ze zijn?

*Gods huis is niet te klein.

* Heb je ’t compleet of ben je compleet?

*In het koninkrijk van God is geen vuiltje aan de lucht

*Als je tegen moeite opziet zul je nooit iets krijgen wat de moeite waard is.

*Heb je de waarheid of ben je waar?

*Christenen staan met beide benen op de rots.

 

Een koninklijk priesterschap door Wim te Dorsthorst

 

De gemeente van Jezus Christus heeft in de Bijbel vele namen. Zo is er spra­ke van: ‘Het lichaam van Christus’ (1 Kor. 12:27); ‘Het Israël Gods’ (Gal. 06:16); ‘De gemeente Gods’ (1 Kor. 01:02); ‘De vrouw des Lams’ (Openb. 21:09); ‘De heilige stad Jeruzalem – of het hemelse Jeruzalem’ (Openb. 21:09-10) en nog verschillende andere be­namingen .

De apostel Petrus spreekt van ‘een heilig priester­schap’, ‘een uitverkoren geslacht’, ‘een heilige na­tie’ en ‘een volk Gode ten eigendom’. Al deze bena­mingen perst Petrus als het ware samen in enkele verzen om iets heel wezenlijks van de gemeente van Jezus Christus te zeggen.

Hij schrijft: “En laat u ook zelf als levende ste­nen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig pries­terschap te vormen, tot het brengen van geeste­lijke offers, die Gode wel­gevallig zijn door Jezus Christus” .

“Gij echter zijt een uitver­koren geslacht, een ko­ninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Go­de ten eigendom, om de grote daden te verkondi­gen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht” (1 Petr. 02:05 en 1 Petr. 02:09).

Het eeuwige priesterschap

Nu is het niet zo dat Petrus vele mooie etiketten wil plakken op de gemeente, waaraan hij schrijft. Nee, maar door de Heilige Geest geleid, schrijft hij hoe de gemeente – die be­staat uit Joden en heide­nen – de geestelijke ver­vulling is van de natuur­lijke zichtbare plaats en taak van het volk Israël. En dan bepaalt hij zich in het bijzonder tot het cen­trum, waar de tabernakel stond opgesteld en waarin de stam der Levieten de priesterdienst voor het volk verrichtte onder de hogepriester Aaron.

Nu is het priesterschap niet een uitvinding van mensen en ook niet voortgekomen uit de zondeval van de mens. Bij God wa­ren immers alle dingen gereed toen hij op de ze­vende dag rustte van al zijn werken (Gen. 02:01-02; Heb. 04:03c-04) .

Zo is er bij God een eeu­wig priesterschap. In Ge­nesis 14 vers 18 tot en met 20 (Gen. 14:18-20) lezen we van Melchisedek, de koning van Salem: “Hij nu was een priester van God, de Al­lerhoogste. En hij zegen­de Abram en zeide: Geze­gend zij Abram door God, de Allerhoogste, de Schepper van hemel en aarde. , en geprezen zij God die Allerhoogste, die uw vijanden, in uw macht heeft overgeleverd” .

Maar al eerder zien we dat er priesterschap is, namelijk als Adam en Eva gezondigd hebben. Ze worden bekleed met die­renhuiden (Gen. 03:21, Leidse vert. ) . Ook hier zal de hemelse priester Melchisedek, op grond van een eeuwig bloedverbond (Heb. 13:20), zijn taak als priester van de allerhoogste God verricht hebben.

De grote Hogepriester

De Hebreeënschrijver leert ons dat Jezus Chris­tus nu Hogepriester is naar de ordening (gelij­kend op, op de wijze van) Melchisedek (Heb. 05:06; Ps. 110:004). Deze Melchisedek was dus een hemelse hoge­priester en een type van Jezus Christus, de ware Hogepriester, die in de volheid des tijds komen zou.

Er staat van hem: “Hij is koning van Salem, dat is koning des vredes; zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsregisters, zonder begin van dagen of einde des levens en aan de Zoon van God gelijk gesteld, blijft hij priester voor altoos” (Heb. 07:03). Duidelijk stelt de schrijver van de Hebreeënbrief dat niet Jezus gelijk gesteld is aan Melchisedek, maar dat Melchisedek gelijk ge­steld is aan Jezus Chris­tus, de Zoon van God.

Ook dit priesterschap zal aan Mozes getoond zijn op de berg, want de hele tempel- en priesterdienst was slechts een schaduw en een afbeelding van het hemelse (Ex. 25:08-09; Heb. 08:05) .

Als Petrus dan tot de ge­meente spreekt in die ge­weldige bewoordingen, die hij bijna letterlijk uit de Schrift citeert, dan is de gemeente niet opnieuw een afbeelding of een schaduw, maar de gemeente is de vervulling van de eeuwige gedachten en raadsbesluiten Gods (Hand. 15:14-18; Jes. 46:10; Jak. 01:18).

God is niet veranderlijk in zijn wil of raadsbeslui­ten (Jak. 01:17). Hij werkt alles naar zijn voornemen, naar zijn raad en naar het welbehagen van zijn wil (Ef. 01:05b en Ef. 01:11b). Het oude, de schaduw en af­beelding , is definitief voorbij. Daarom zegt de Hebreeënschrijver: “Maar nu is Christus gekomen, de Hogepriester van het waarachtige heil. De tent van zijn priesterschap is groter en volmaakter dan de vorige; ze is niet ge­maakt door mensenhand, dat wil zeggen, ze behoort niet tot onze geschapen wereld. Het bloed van zijn offer is zijn eigen bloed, niet dat van bokken en kalveren. Zo is Hij het heiligdom binnengegaan, eens voor altijd, en Hij heeft een eeuwige verlos­sing verworven” (Heb. 09:11-12, Willibr. vert. ).

De gemeente op hemelse hoogte

Met deze geweldige om­schrijving plaats de schrij­ver van de brief aan de Hebreeën de gemeente op een hemelse hoogte. Niet tot onze geschapen wereld, niet van deze schepping, zeggen andere vertalingen. Zo wordt de gemeente ook voorgesteld in de Schrift. Paulus schrijft in Filippenzen 3 vers 20: (Filip. 03:20) “Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen” .

En in de brief aan de Efeziërs zegt Paulus dat de gemeente een woonstede Gods is in de Geest: ” Zo,’ zijt gij dan geen vreemde­lingen en bijwoners meer (in de hemel) maar mede­burgers der heiligen en huisgenoten Gods, ge­bouwd op het fundament van de apostelen en de profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is. In Hem wast elk bouw­werk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here, in wie ook gij meegebouwd wordt tot een woonstede Gods in de Geest” (Ef. 02:19-22).

In de dagen van Jezus was in Jeruzalem een ge­zegde in omloop: “Er zijn evenveel priesters en Le­vieten in de tempel als stenen in zijn muur”. Dit sloeg op het grote aantal, dat volgens schattingen tussen de 18.000 en 25.000 moet hebben gelegen, die de dienst in de tempel verrichtten.

Nu zegt Petrus: “Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis” . Ieder gemeentelid behoort een koning, priester te zijn, maar is tevens een levende steen in het huis Gods, in de ware ta­bernakel, die de Here op­gericht heeft, en niet een mens. (Heb. 08:02a) .

Iedere priester wordt door God zelf geroepen. Jezus zegt: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Va­der, die Mij gezonden heeft, hem trekke” (Joh. 06:44a). Hij wordt ontzondigd door de Hogepriester Jezus Christus met zijn eigen bloed en zijn klede­ren worden in hét bloed van het Lam wit gewassen (Openb. 07:14b) .

In de doop legt hij zijn leven af in de dood van Hem die hem kocht en hij behoort nu niet meer aan zichzelf toe, maar aan Hem die hem gekocht en betaald heeft. En zijn li­chaam is een tempel van de Heilige Geest (Rom. 06:02-10; Kol. 02:11-12; 1 Kor. 06:19-20).

Een heilige en hemelse roeping

In Openbaring 5 vers 9 en 10 (Openb. 05:09-10) lezen we in een lof­zang aan het Lam: “Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt ge­slacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie; en Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een ko­ninkrijk en tot priesters en zij zullen als koningen heersen op de aarde”. Zo­als het priesterschap in de schaduw-bedeling een dui­delijk doel diende, zo ook de koningen-priesters van Jezus Christus en van God.

Het volk Israël behoorde als volk, Gode ten eigen­dom, een koninkrijk van priesters te zijn en een heilig volk temidden van alle volken (Ex. 19:05-06) . Na de gruwelijke verafgo­ding van het gouden kalf aan de voet van de berg, wordt de stam der Levie­ten door God gesteld als de priesters die alle ande­re stammen van Israël vertegenwoordigen bij God.

De gemeente van Jezus Christus, zagen we in Openbaring 5 vers 10, is door het bloed van Hem voor God gekocht uit elke stam en taal en volk en natie. De gemeente vertegenwoordigt dus de hele wereldbevol­king als koningen-pries­ters bij God. Maar een priester vertegenwoordigt ook God bij de mensen. Van deze geweldige roe­ping en taak, die genoemd wordt: een heilige roeping en een hemelse roeping (2 Tim. 01:09; Heb. 03:01), moet de gemeente van Je­zus Christus zich in deze tijd diep bewust worden.

De priesterlijke taak van de gemeente

De priesterlijke taak dient geleerd te worden in de gemeente. Alleen daar vindt de heiliging van ieder persoonlijk plaats, door bevrijding, door ge­nezing, door vernieuwing van denken, door de rei­niging met het waterbad van het Woord, door de vorming naar het beeld van de Zoon.

Dit proces voert de Heer uit aan alle ‘uitgeroepenen’ over de gehele wereld door middel van apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars die Hij aan de gemeente geeft (Ef. 04:11). Van de Levie­ten lezen we in Deuteronomium 10 vers 8 (Deut. 10:08): “Toen zonderde de Here de stam der Levieten af om de ark van het verbond des He­ren te dragen, vóór de Here te staan om Hem te dienen en in zijn naam te zegenen”. Ziehier de taak van de gemeente! Daar wacht de schepping met reikhalzend verlangen op, zegt Paulus in Romeinen vers 19.

Steeds duidelijker over­tuigt de Heilige Geest dat het einde aller dingen na­bij gekomen is. Jesaja pro­feteert: “Doch het zal ge­schieden, wanneer de Here Zijn ganse werk op de berg Sion en in Jeruzalem (lees: de gemeente van Jezus Christus) voleindigd heeft, dat Ik de vrucht der hooghartigheid van de koning van Assur bezoeken zal en de trots van zijn hovaardige ogen, omdat hij gedacht heeft: Door de kracht van mijn hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; daarom wis ik de grenzen der volken uit, plunder hun voorraden en stoot als een stier de inwoner neer” (Jes. 10:12-13).

Wat er allemaal ook woelt en in beweging is onder de volken en natiën, on­der leiding van de satan zelf, Jesaja zegt: “Wan­neer de koningen en priesters, als vertegen­woordigers van de volken, onberispelijk en heilig zullen staan voor het aan­gezicht van de Zoon des mensen, dan, ja dan zal er een keer komen en zal er heil en zegen uitgaan van het hemelse Jeruzalem naar volken, stammen, talen en natiën”.

 

Een visioen over de eindtijdgemeente door Gert Jan Doornink

We leven in een tijd waarin de ‘scheiding der geesten’ in volle gang is. Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) gaat voor onze ogen in vervulling: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. Als leden van de waarachtige gemeente van Jezus Christus zijn wij rechtvaardig en heilig. . . maar dit behoort uiteraard tot openbaring te komen. Daarom houdt de prediking in de gemeenten zich – als het goed is – ook veel bezig met geestelijke groei opdat wij het ‘einddoel des geloofs’: de volkomenheid in Christus zullen bereiken en wij ons als zonen Gods gaan openbaren.

Niet alleen via de prediking, maar de Heilige Geest legt ook het accent hierop in profetieën, openbaringen, gezichten, visioenen, etc. Veelal gebeurt dit in de samenkomsten van de plaatselijke gemeenten, waarin ze ‘getoetst’ kunnen worden op hun echtheid. Verschillende gemeentebladen nemen dan ook terecht profetieën, etc. op. Een algemeen blad als “Levend Geloof” is hiervoor minder geschikt. Maar deze keer maken we een uitzondering. Het gaat om een visioen met uitleg, onlangs ontvangen en uitgesproken in de volle evangelie gemeente ‘De Wijngaard’ te Zwolle door de voorganger broeder Jan Holthuis. Wij achten deze openbaring van de Geest van meer dan plaatselijke betekenis en voegen er alleen dit commentaar aan toe: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt” (Openb. 02:29; Openb. 03:06; Openb. 03:13).

 

Visioen door Jan Holthuis

Enige tijd geleden kreeg ik een visioen. Om-de boodschap die de Heer hiermee doorgeeft heel goed te begrijpen, zou ik graag met u uit Jesaja 28 willen lezen.

“Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede. Ploegt de ploeger de gehele dag om te zaaien? Opent en egt hij zijn land de gehele dag? Is het niet alzo wanneer hij het bovenste van hetzelve effen gemaakt heeft, dan strooit hij wikken en spreidt komijn of hij werpt er van de beste tarwe in of uitgelezen gerst of spelt. Elk aan zijn plaats.

En zijn God onderricht hem van de wijze. Hij leert hem.

Want men dorst de wikken niet met de dorswagen en men laat het wagenrad niet rondom over de komijn gaan, maar de wikken slaat men met een staf en de komijn met een stok. Het broodkoren moet verbrijzeld worden.

Maar hij dorst het niet geduriglijk dorsende, noch hij breekt het met het wiel zijns wagens, noch hij verbrijzeld het met zijn paarden. Zulks komt ook voort van de Here der Heerscharen, Hij is wonderlijk van raad en Hij is groot van daad” (Jes. 28:23-29, Statenvert. ).

Ik zag een heel oud huis, het stond midden in het land en het moest helemaal opgeknapt worden. Bij dat huis waren allerlei mensen. Ze waren bezig het huis op te knappen, afschuren en afbranden van het hout en toen ze helemaal klaar waren wilden ze beginnen met verven.

Het huis leek op een boerderij. Het had een rieten dak en aan de voorkant stak het rieten dak over en onder die overstekende rieten kap waren allemaal planken aangebracht. Een breed uitsteeksel met allemaal planken.

Het was mooi glad geschuurd, helemaal blank. Ik liep er naar toe en de Heer liep naast mij en zei: “Jan, het is niet schoon genoeg, zo kan het niet geverfd worden”.

Toen zei ik: “Heer wat moet er dan aan veranderen?

Het is zo mooi geschuurd.”

En toen zei de Heer tegen mij: “Van buiten is het heel mooi, maar van binnen is het nog vies”.

En ik kon niets, maar dan ook helemaal niets zien. Van binnen hebben zich nog allerlei vuilheden verstopt.

En toen gaf de Heer mij een spuitbus. Ik pakte de bus aan en Hij zei tegen mij: “Maak het daar maar schoon mee”.

Ik drukte op de knop en er kwam een geweldige straal uit dat busje en die spoot tegen die planken aan met zo’n geweldige kracht dat het dwars door de planken heen ging. Ik stond versteld van de krachtige straal die voortkwam uit de spuitbus. En tot mijn stomme verbazing kwam er dwars door de planken heen allerlei ongedierte, torren en spinnen.

En terwijl ik door bleef spuiten kwam er ook allerlei vuil naar voren, bladeren van bomen die er al jaren ingezeten hadden. Kortom, er kwam van alles tevoorschijn. Op het laatst leek het of er niets meer kwam, maar ik bleef doorspuiten en toen kwam er nog één spin uit. En die kwam aan een draad naar beneden zakken. Hij was hardnekkig blijven zitten. Terwijl de spin aan de draad naar beneden zakte, zag ik dat hij helemaal uitgeteld was en zich kronkelde als in een soort doodsangst. Op dat moment kwam er een heel helder licht en die scheen op het huis, belichtte de planken en de spin. En de spin kronkelde hoe langer hoe meer en werd geweldig bang voor het licht. En toen zei de Heer tegen mij: “Het is een nachtspin”.

Toen zag ik een zwarte hand en die had een blad en reikte dat blad aan de spin. De spin pakte dat blad en hij kreeg een mond en kuste dat blad en ging achter het blad zitten. Zo werd hij aan het oog onttrokken. Het was net alsof hij blij was dat hij ontsnapt was aan het licht.

En toen zei de Heer tegen mij: “Kom eens mee”.

Hij liet mij achter dat blad kijken en toen zag ik dat de spin niet dood was, maar dat hij martelde en kronkelde.

Toen sprak de Heer tegen mij: “Zie, Ik zal mijn huis reinigen, Ik zal het reinigen van allerlei ongedierte en van allerlei demonische machten. En zij zullen gepijnigd worden tot in alle eeuwigheden. Maar het zal aan jullie oog onttrokken zijn. Het geschiedde achter dat blad”.

“En vaak”, zei de Heer, “zitten er ook, al lijkt het nog zo mooi aan de buitenkant, vele demonische machten in de mensen. Maar Ik zal Mijn huis volkomen reinigen. En Ik zal het zuiveren van allerlei ongedierte en Ik zal het zuiveren van verslaving en onreinheid. En Ik zal het zuiveren van geldgierigheid en occultisme en alles wat erin verstopt is, Ik zal het reinigen.

En wie zich niet wil laten reinigen zal uit uw midden verdwijnen. Want Mijn huis zal een heilig en rein huis zijn”.

Toen werd mijn oog naar een groot rood raam getrokken. Het leek wel een glas in lood raam. Ik zag daarbij een muur en een grote diepe vensterbank. En in die vensterbank lagen allemaal gedroogde bladeren van bomen. Deze waren van mensen die ze wilden bewaren. En ik zag een man aankomen en hij ging naar de bladeren toe en hij werd heel erg kwaad.

“Is het dan nooit genoeg?”, zei hij.

Wat was er namelijk gebeurd? Het water wat uit de spuitbus was gekomen, was ook op de bladeren gevallen en het water had de bladeren verteerd.

Ik keek de Heer aan, en ik vroeg Hem de betekenis van deze dingen.

“Zie”, zei de Heer: “deze gedroogde bladeren zijn een beeld van alle oude leringen, oude dogma’s, tradities, uiterlijkheden en van allerlei dingen die mensen angstvallig willen bewaren en niet los willen laten. En zij die niet vernieuwd van denken willen worden en tradities en dogma’s en kuituren willen vasthouden, zij zullen merken dat zij niet stand kunnen houden in de tijd die voor hun ligt. En Mijn Geest en de kracht van Mijn Woord zal elke traditie en elke dogma verteren. Mijn Geest zal door het levende woord elke dogma doen verdwijnen.

En hij of zei die bouwt op zichtbare dingen, op dingen uit het verleden, zal merken dat het geen stand zat houden. Want alleen zij die door Mijn Geest dagelijks vernieuwd worden, zullen onwankelbaar vast staan.

Want Ik zal iets nieuws maken, een volk dat Mij helemaal toebehoort. Traditie en uiterlijke vroomheid zijn koppen van satan”.

En toen kreeg ik een nieuw gezicht.

De Heer gaf mij een pot verf en zei: “Schilder nu dat huis”.

En ik pakte de pot verf aan en ik keek er in en zag dat het vuurrode verf was. Ik begon met het verven van de planken onder het afdak. Ik stond verbaasd, want toen ik de rode verf erop smeerde werden de planken wit. En ik keek de Heer aan en Hij zei: “Ja, Mijn zoon, zo zal het leven Gods elk mens, elke plank van Mijn tabernakel helder wit maken door het bloed van het Lam. En Ik zal mijn kinderen reinigen door hun getuigenis van het bloed. En als ze zich dagelijks wassen zullen ze helder wit worden; ze zullen zijn als pas gevallen sneeuw op de hoogste bergtoppen, zuiver en rein. Maar wie zich blijft houden aan die oude dingen, wie ook maar het kleinste ongedierte wil vasthouden, het kleinste spinnetje, die zal merken dat het hen niet zal baten. En zij die gereinigd zijn zullen Mij volkomen gelijk zijn”.

Op dat moment kwamen er vier mensen aanlopen. Ze hebben elk een brood in hun hand. Een heel zuiver helder wit brood, wat op die akker gezaaid was zoals er staat van het beste tarwe dat er was. Ze eten van het brood en zeggen tegen elkaar: “Wat is dit brood lekker, zoiets hebben we nog nooit gehad”.

De vier broden zijn het beeld van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in de Gemeente. De vierde, het beeld van de Gemeente, de volmaakte gemeente, helder, zuiver en rein. En terwijl ze aan het eten waren werd er op hetzelfde moment door een onzichtbare hand kaas op het brood gelegd. En toen zeiden ze tegen elkaar: “Nu smaakt het nog lekkerder”. En ik keek naar de Vader en toen zei Hij: “Ja, Mijn zoon, het hemelse manna en de volheid van Mijn Geest zal die vrouw vruchtbaar maken. En ze zal een zoon baren”.

En op datzelfde moment zag ik op het land een kind van anderhalf jaar. Een zoon van ongeveer anderhalf jaar oud. De vrouw had een zoon gebaard, geen baby, maar een zoon. Ze baarde deze temidden van de wereld en toen kregen die vier mensen de opdracht: Zorg voor dat kind, bescherm het, stel het veilig en afgezonderd van de wereld. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest en de Gemeente zullen die zoon moeten beschermen.

“Ja, Mijn zoon, zo zal Openbaring 12 in deze tijd vervuld worden en Ik zal van het beste graan geven. Ik werp er de beste tarwe in of uitgelezen gerst of spelt, elk aan zijn plaats. Ik werp geen theologie of dogma in de akker, maar Ik werp er het zuivere Woord van God in en deze zal de zoon openbaren. Het zal heerlijk levensbrood zijn voor hen die er naar verlangen. Het zal voor hen die vast willen houden aan die oude bladeren of aan geldgierigheid of verslaving een afschuw zijn.

Mijn volk die Mijn wil doet zal dwars door alle strijd heen naar de volkomenheid toe groeien. Ze zullen volmaakt worden, smetteloos, heilig en rein. Want hij die rein is zal steeds reiner worden. Ja, zij zullen genoemd worden de gezegenden Mijns Vaders en voor altijd zullen zij juichend voor Mijn aangezicht zijn”.

Nadat ik dit visioen had gehad kreeg ik het woord uit Joel:

“En de Here zal uit Sion brullen (Sion is de plaats, de gemeente die vol is van de Heilige Geest, de stad des vredes) en uit Jeruzalem Zijn stem geven dat hemel en aarde beven zullen. (Alle machten zullen beven en alle dogma’s zullen weggaan, al die oude boombladeren zullen verdwijnen, ze kunnen zich verstoppen, maar als God uit Sion gaat brullen door de kracht van de Heilige Geest, dan zal alles moeten vluchten) . Maar de Here zal de toevlucht Zijns volks en de sterkte der kinderen Israëls zijn. En gijlieden zult weten dat Ik de Here uw God ben wonende op Sion, de berg Mijner heiligheid. En Jeruzalem zal een heiligheid zijn en vreemden zullen niet meer daardoor gaan” (Joël 03:16-17, Statenvert. ).

Zij die zich niet willen losmaken en bevrijden en gaan leven uit de kracht van de Heilige Geest zullen niet meer gevonden worden.

En de laatste vijand, de spin, de dood zal vernietigd worden. Al verzet hij zich nog zo hardnekkig, hij zal er niet meer zijn.

En Hij zal voor de mensen die op Hem vertrouwen een schuilplaats zijn in alle gevaren.

 

Horen en doen door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Uw stem is mild en zacht, Uw Geest vol mededogen

U spreekt tot mij als ‘k open oren heb

U maakt mij los uit een verwarrend web

en heft mij op: Uw Naam mag ik verhogen!

 

In Uw nabijheid Heer, heel dicht bij U, mijn Vader

ontvang ‘k Uw orders, leer ik u verstaan.

Soms twijfel ik: Heb ik Uw wil gedaan. . . ?

Maak van goed hoorder m’ ook waarachtig dader.

 

Pinksteren, wel of geen herhaling? door Evert van de Kamp

 

In het einde der tijden is er geen vraag zo actueel en van belang als deze: ‘Bent u gedoopt met de Heilige Geest?’ De doop met de Heilige Geest is één van de be­langrijkste onderdelen van het Bijbelse funda­ment opgetekend in Hebreeën 6 vers 1 en 2 (Heb. 06:01-02). De apostel spreekt over een leer van dopen (meer­voud): doop in water en doop in of met de Heilige Geest.

Daarom blijft deze vraag actueel tot de laatste Christengelovige verzegeld zal zijn met de Heilige Geest (Openb. 07:01-04).

Pinksteren, een vergeten hoofdstuk?

Pinksteren dreigt steeds weer een vergeten hoofd­stuk te worden. In Handelingen 19 vers 2 (Hand. 19:02) moest Paulus aan de Efeziërs al de vraag stellen: “Heb­ben jullie de Heilige Geest ontvangen, toen je tot het geloof kwam?” En de twaalf mannen daar aanwezig konden maar één antwoord geven: “Wij heb­ben zelfs niet gehoord, dat er een Heilige Geest is” .

In zijn column in Trouw schreef Eduard Pijlman onlangs:

‘Tegen Pinksteren kunnen gelovige mensen nog wel eens zenuwachtig worden. Ze herinneren zich wel eens gehoord te hebben dat de Heilige Geest, die op de eerste Pinksterdag over de leerlingen van Jezus werd uitgestort, bij de chris­tenen vandaag een soort vergeten hoofdstuk is’.

Pijlman houdt een vurig pleidooi voor Pinksteren:

’De betekenis van Pinksteren is dat de Geest van God zich mengt in het gesprek dat ons leven is. Niet als één van de vele stemmen, maar als een beslissende stem, om zo te zeggen: het laatste woord over ons leven en voor ons leven. De Geest spreekt het grote woord dat God tot mensen richt . Woord on Geest zijn onverbrekelijk ver­bonden . Er zijn geen twee wegen, een geheimzinnige van de Geest en een klare van het Woord.

Het is een weg van Geest en Woord. Het geheim van ons bestaan is dat er Eén is die op die wijze met ons in gesprek wil zijn. En door dat gesprek echt menselijk doet leven. Pinksteren betekent opwekking door Woord en Geest.

De Heer zegt tegen zijn discipelen dat ze de Geest ontvangen moeten: ontvangt de Heilige Geest. En dan niet zuinigjes als een gast die eigenlijk niet zo gelegen komt. Het woord ‘ontvangt’ komt in de buurt van ’neemt’. Neemt Hem op, laat Hem binnen. Dat is tegen de ge­meente en de leden persoonlijk gezegd, liet is een serieuze zaak. Geen bijkomstigheid. Van levens­belang. Zonder de Geest kan een mens niet leven’.

Pinksteren kan geen ver­geten hoofdstuk zijn.

Verheugend is dat zelfs de Wereldraad van Kerken de zevende Assemblee gaat wijden aan het the­ma: ‘Kom Heilige Geest, vernieuw de hele schep­ping. Dat zal zijn tussen 7 en 20 februari 1991 in Cahberra (Australië) .

Nu niet meteen reageren met: daar komt toch niets van terecht. Ik hoop dat de Assemblee een duidelijk antwoord zal hebben op de culturele beweging van New Age, die vanuit de mens in grote ver­scheidenheid oplossingen wil aandragen tot ver­nieuwing en heel making van de schepping. Daar­naast hoop ik dat er een groeiende en toenemende aandacht komt voor de werking van de Heilige Geest in het leven van de gemeenten en in het bestaan van de enkeling. Bid daarvoor!

Want dat kan alleen als men voluit bereid is om Jezus Christus als de Doper met de Heilige Geest centraal te stellen. Jezus is de eerste ge­weest die de Geestesdoop ontving en die vervolgens door de Vader aangewe­zen en gemachtigd is om kinderen Gods onder te dompelen in de Geest Gods (Luc. 03:21-22; Joh. 01:32-34). Als de Gezalfde des Heren het middelpunt is, kan er iets moois geboren worden, een nieuw stukje opwek­king. En dat is hard no­dig!

Pinksteren, geen herhaling?

In Terdege, reformato­risch gezinsblad, heeft Ds . J. P . Boiten uit Schiedam in de rubriek ‘Pastoraal Bekeken’ zich ook bezig gehouden met de vraag: Bent u gedoopt met de Heilige Geest? Zijn conclusie is echter dat Pinksteren niet herhaald kan worden en niet herhaald hoeft te worden. Letterlijk schrijft hij:

’ln sommige Pinksterkringen en groepen van de Charismatische be­weging stelt men zich soms op het standpunt dat de komst van de Heilige Geest wel opnieuw plaats heeft. Men spreekt over een tweeërlei ontvangen van de Heilige Geest in het leven van de christen. De Heilige Geest wordt ontvangen in de wedergeboorte, en daarnaast, op een rijkere wijze, in de doop met de Heilige Geest.

Het is dan mogelijk om wedergebo­ren te zijn zonder met de Heilige Geest gedoopt te zijn. Zij die de tweede ervaring met de Heilige Geest missen, worden dan wel eens als halve of tweederangs christenen beschouwd’.

Boiten ontkent niet dat Jezus de Doper met de Heilige Geest is:

‘De Geestesdoop wordt alleen door Christus bediend. Mensen kunnen niet beschikken over de Heilige Geest. Christus die zelf met de Heilige Geest wordt gedoopt, is De­gene die zijn kerk met de Heilige Geest doopt. Dat kan en mag Jezus doen op grond van zijn volbrachte borgwerk. Hij is gekruisigd en op­gestaan om met de Heilige Geest te dopen’.

Maar dan vervolgt hij: ‘Bij de uitstorting van de Heilige Geest gaat het om de schenking van het nieuwe leven op grond van de verzoening die door Het Lam Gods is aangebracht. Dit Pinkster­gebeuren wordt een ‘doop’ genoemd vanwege de overvloed aan heil en de reiniging door het bloed. De doop met de Heilige Geest moet dus gezien worden als iets extra’s, dat een bevoorrechte, bezielde groep christenen ten deel zou vallen. Bij de Geestesdoop gaat het evenmin om het ontvangen van de charismata, de bijzondere gaven van de Geest’.

Het is duidelijk dat Ds. Boiten met de Bijbelse pinksterervaring als de ‘second blessing’ (de tweede zegen) – hij noemt het zelf de leer van de zogenaamde ’tweede gena­de – niet uit de voeten kan. Voor hem is de Gees­tesdoop de krachtdadige toepassing van het door Christus verworven heil nodig voor onze zaligheid. In de weg van wederge­boorte en bekering worden zondaren in het Koninkrijk van Christus geleid en on­der zijn heerschappij ge­bracht. Van een herhaling van het pinksterfeit in Jeruzalem, zoals beschre­ven in Handelingen 8, het verhaal van Samaria, de doop met de Heilige Geest van Cornelius en de zijnen in Handelingen 10 en het pinksterfeest in Efeze in Handelingen 19, wil hij niet weten. Boiten noemt deze gebeurtenissen voort­zetting en uitbreiding van Pinksteren in Handelingen 2, maar niet een bijkomend werk Gods naast het werk der bekering.

Ik kan mij niet onttrekken aan het gevoel dat hier de gegevens van de Bijbel worden overheerst door de kerkleer en de eigen op­vattingen over deze gees­telijk zo uitermate belang­rijke, fundamenteel God­delijke waarheden. Waar is het onbevangen, zonder enig vooroordeel, luisteren naar de Schriften? Dat mis ik heel sterk!

Naast de vele reformatori­sche christenen zijn er ook veel evangelisch ge­oriënteerde gelovigen die de denkbeelden van Ds. Boiten delen. Dat valt te betreuren, want je sluit zo de weg van een doorgaand Pinksteren af. Zonder de werkelijke toe­rusting met de Heilige Geest loop je vast.

Je veroordeelt jezelf tot een geestelijke handicap die de Heer nooit heeft gewild. In het begin van de geschiedenis van de kerk was het zo niet. Wat zijn we ver afgeraakt van de gemeentepraktijk van de eerste christenen. En nu! Waarom zouden we de late regen toch tegenhou­den (Jak. 05:07)?

Het nieuwtestamentische patroon is zo eenvoudig en door en door betrouw­baar om gevolgd te wor­den. Wat zeiden die eerste christenen nu toch? Ze zeiden: “Bekeert u en een ieder van u late zich do­pen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en u zult de gave des Heiligen Gees- tes ontvangen” (Hand. 02:38).

Mogelijk vinden sommigen het wel te eenvoudig, te gemakkelijk. Je hoort het nog wel eens zeggen: ‘Denk maar niet dat het zo gemakkelijk gaat. Daar is nog wel wat anders voor nodig’. Toch zijn de­ze woorden, precies zo als ze er staan, waar en be­trouwbaar. Ze willen ge­loofd en opgevolgd worg­den. Ze zijn Geest en waarheid.

Pinksteren herhaalt zich nog iedere dag. Miljoenen christenen, verspreid over de hele wereld, kennen de ervaring van de doop met de Heilige Geest en praktiseren de bovennatuur­lijke Geestesgaven net als eertijds in alle gemeenten (1 Kor. 12:01-08). Christus is nog steeds de Doper, met de Heilige Geest. Dat houdt in dat er elke dag nog gelovigen gedoopt worden in de Geest van God.

Een voortdurend misverstand

Ds. Botten stelt zelf de vraag: ‘Bent u gedoopt met de Heilige Geest?’ Je denkt dan: geweldig, nu gaat de deur toch ein­delijk open. Uit zijn ant­woord blijkt echter dat de deur naar de Bijbelse Geestesdoop dicht blijft. Dat is triest, want elke Geest gedoopte christen (prediker) kan een rijke aanwinst zijn voor de gemeente van Christus.

Door wel de Bijbelse woor­den te gebruiken en ze toch niet op te volgen, misleid je jezelf en ande­ren. Dit klinkt scherp. Dat is het ook, maar ik bedoel het niet cynisch. Daarvoor is dit alles van veel te groot belang en te ernstig. Want in Romei­nen 8 vers 9 (Rom. 08:09) zegt de apostel Paulus: “Indien iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe” .

De tegenstelling in deze tekst is niet dat je gelovig of ongelovig bent, serieus of wat minder ernstig, maar vleselijk of geestelijk. Of je je alleen beweegt in de zichtbare wereld of ook in de onzichtbare wereld.

Om als nieuwe schepping te kunnen functioneren en om in de hemelse gewesten te kunnen wande­len, heb je de doop in de Heilige Geest nodig. De Geest van God moet in je wonen en door je kunnen werken. De Geestesdoop opent de weg naar een geestelijk gebruik van al de Geestesgaven, nodig voor de opbouw van het Lichaam van Christus. De Geest van Christus is de levensgeest van het Lichaam des Heren, de gemeente. Als deze Geest in je woont, behoor je in de onzienlijke wereld tot ‘de vrouw des Lams’.

In 1 Korinthiërs 12 vers 13 (1 Kor. 12:13) lezen wij: “Door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, het­zij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrij­en, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt” . De Canissiusvertaling zegt: “Wij zijn allen in één Geest gedoopt”.

Het ontvangen van de Geestesdoop

De vraag is nu: wanneer ontvangt een gelovige de doop met de Heilige Geest?

Veel christenen menen dat zij bij hun bekering en wedergeboorte automatisch de Heilige Geest hebben ontvangen. Als je hen echter op de man af vraagt, ben je gedoopt met Gods Geest en wat is je getuigenis daarvan, ontstaat er vaak grote verlegenheid. Men weet het kennelijk toch niet zo precies.

Dat begrijpen we. Want bekering en wedergeboor­te is wel een werk van de Heilige Geest, maar het is niet ook Geestesdoop. De doop met de Heilige Geest . is wel het ‘eerstgeboorte­recht’ van allen die tot het geloof in Christus zijn gekomen of dat nog zullen. Dit is in de Bijbel na te gaan. Allen in het Nieuwe Testament die de Geestes­doop ontvingen, waren al eerder tot geloof in Chris­tus gekomen. Jezus sprak: “De wereld kan de Geest der waarheid niet ontvan­gen” (Joh. 14:17). Aan ge­lovigen wordt de belofte van de Geest gegeven

(Luc. 24:49; Hand. 01:04 en Hand. 02:38).

Het is een hardnekkig misverstaan van de Bijbel wanneer men blijft denken dat wedergeboorte en Geestesdoop samenvallen. Zelfs Jezus ontving de Geestesdoop niet automa­tisch. Ook Hij moest ge­hoorzamen, dat is gehoor geven aan de stem van God, zijn Vader. Toen Jezus dat deed, sprak Hij tot Johannes: “Laat Mij thans geworden, want al­dus betaamt het alle ge­rechtigheid te vervullen” (Matt. 03:15) . Terstond na de doop in water wordt Jezus door de Vader ver­zegeld met de Heilige Geest.

Sinds deze ‘hemelse’ ge­beurtenis kunnen wij al­leen nog maar in de voet­stappen van Jezus treden en zijn ‘opvattingen’ delen. Hem volgen. Dat haalt een streep door elk automatis­me, elke eigen uitleg. De oproep is: bekeer je en laat je dopen. En wie zo tot geloof gekomen is, mag zich wenden tot Jezus, de enige Doper met de Heilige Geest, en de onderdompe­ling in de Geest ontvan­gen. Dat vraagt, na de vergiffenis van zijn zonden te hebben verkregen, dus om een bewuste gerichtheid, een zich in geloof uitstrekken naar de Geestesdoop. Er staat ge­schreven: “Uw Vader uit de hemel zal de Heilige Geest geven aan hen, die Hem daarom bidden” (Luc. 11:13). En de Heer stelt nimmer teleur.

Zo hebben de eerste chris­tenen gehandeld. Zij om­klemden de belofte: “Jullie zullen met de Heilige Geest gedoopt worden” (Hand. 01:05). Ze bleven allen een­drachtig volharden in het gebed om de Geest te mo­gen ontvangen. En op de vijftigste dag na Pasen, de opstanding van de Heer, gebeurde het voor de eers­te keer. Allen die tot ge­loof gekomen waren, wer­den vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken (Hand. 02:04).

Dit patroon van de Heer is nooit veranderd. Het is zo goed dat het ook geen enkele verandering behoeft. In alle Bijbelverhalen treffen we nagenoeg hetzelfde aan. Logisch, want het is steeds dezelfde Doper, Jezus Christus, die de tot geloof in Hem geko­menen zalft met de Geest van Zijn en onze Vader.

Het is de misleider, de sa­tan, die het misverstand in stand houdt dat het an­ders is. Door die misleiding missen velen helaas de zo nodige Geestesdoop. Maar de aartsleugenaar wordt ontmaskerd en te kijk gesteld als een volge­ling van Jezus gehoorzaam wordt en de doop met de Heilige Geest ontvangt.

Het bevel uit Gods woord

Uit het evangelisatieblad ‘De Stem in de Woestijn’ citeer ik van het artikel: ‘Wordt vol van de Heilige Geest!’ het volgende:

“Wordt vervuld met de Geest” (Ef. 05:18). ‘Dit bevel uit het Woord van God geldt voor iedere geredde mens hier en nu! Als niet ieder mo­ment van ons leven vervuld is met de Heilige Geest, zondigen wij tegen God’ Wij wandelen niet in het licht van zijn Woord. We stellen God te­leur.

Ieder kind van God kan met de Hei­lige Geest gedoopt worden. Maar het moet elke dag, elk uur, elk ogen­blik met de Heilige Geest vervuld blijven. Dat is buitengewoon belang­rijk en God bindt een ieder van ons dit gebod van zijn heilige wil op het hart. ‘Wordt vervuld met de Geest’ betekent voortdurend met de Heilige Geest vervuld zijn.

Het directe bevel uit het Woord van God voor iedere christen: ‘Wordt vol van de Geest’ is geen onuitvoer­baar bevel. Of willen wij soms bewe­ren dat de Hoer teveel van ons ver­langt? Natuurlijk niet! God verlangt niet iets onmogelijks, wanneer Hij verlangt dat iedere christen met de Heilige Geest vervuld wordt. De bruidsmeisjes die bereid waren, gin­gen met de Bruidegom naar binnen. Een ieder had olie (beeld van de Heilige Geest -red. ) voor haar lamp bij zich (Matt. 25:01-13)’.

De Heer vraagt of wij mee willen doen met de ont­plooiing van zijn Konink­rijk en het herstel van de schepping. De toerusting met de Heilige Geest is daarvoor toereikend. God heeft weinig aan meelopers zoals de ‘dwaze’ meisjes waren. Ik hoorde in de TV-rubriek ‘God verandert mensen’ een Christelijk Gereformeerde broeder zeggen: ‘Ik was zo’n mee­loper, maar nu is het an­ders. Dagelijks maak ik de Heer groot in nieuwe tongen. Ik ben nu gemo­tiveerd’. Zo getuigde deze broeder van zijn Geestes­doop .

Nog steeds staat deze weg open voor iedereen die honger heeft naar ‘meer’ van God. Ik ken geen mooier ‘bevel’ dan de op­roep van Jezus verwoord in Johannes 7 vers 37 tot en met 39 (Joh. 07:37-39), waar de Mees­ter roept: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn bin­nenste vloeien.

Dit zei Hij van de Geest, die zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden”. Gezegend is Hij, de Heili­ge Geest, die komt in de naam des Heren (Matt. 23:39). Is Hij welkom, de Geest?

 

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief -5- door Klaas Goverts

Bijbelstudie Hebreeën -5-

Lijden. In Hebreeën 2, 5 en 13 lezen wij over het lij­den van Jezus:

het lijden van de dood (Heb. 02:09)

Jezus werd door lijden heen voleindigd (Heb. 02:10) omdat hij zelf geleden heeft in aanvechting, kan hij de aangevochtenen helpen (Heb. 02:18) uit het lijden leerde hij horen (Heb. 05:08) hij heeft buiten de poort geleden (Heb. 13:12).

De lezers van de brief hebben ook het een en ander meegemaakt:

gij hebt veel worsteling doorstaan (of verduurd) van lijden (Heb. 10:32).

Zo is deze brief een hart onder de riem voor mensen in de druk, in de benauwdheid, in de pressie van de tijden.

Archègos. Hier hebben we een van die markante termen die de Hebreeënbrief hanteert om de Messias te typeren: de Leidsman hunner behoudenis (Heb. 02:10, NBG) de Leidsman des geloofs (Heb. 12:02, NBG).

De archègos is de aarts-leider, de oer-leider; een heel goede vertaling is: de pionier. Thematisch is het begrip verwant met: prodromos, voorloper, in (Heb. 06:20). Jezus is als voorloper ten behoeve van ons binnengegaan in het binnenste heiligdom. Jezus als Messias is de pionier van de messiaanse bevrijding (Heb. 02:10) geworden, de pionier van de ‘emunah (Heb. 12:02), de trouw, de betrouwbaarheid, het vertrouwen, het geloof). Hij is degene die de wedloop geheel en al ten einde heeft gebracht. Daarom wordt Jezus ook genoemd de voleinder van de ‘emunah (12,2). Hij is de weg van de trouw tot het einde toe gegaan.

Sootèria. Dit woord komt (met het stamverwante werkwoord) negen keer in de Hebreeënbrief voor. Het NBG geeft het weer met: heil, redding, behouden, etc. De voorkeur verdient mijns inziens een consequente vertaling met: bevrijden, bevrijding, omdat het teruggaat op het Hebreeuwse jasja’, dat ook bevrijden, in de ruimte zetten betekent.

de engelen worden uitgezonden als dienende (litur­gische) geesten, tot diaconia (dienstwerk) ter wil­le van hen die de (messiaanse) bevrijding zullen beërven (Heb. 01:14)

als wij een zo grote bevrijding verachten (Heb. 02:03) de pionier van hun bevrijding (Heb. 02:10) die Hem kon bevrijden uit de dood (Heb. 05:07) een oorzaak geworden van eeuwige bevrijding (Heb. 05:09)

wij zijn overtuigd (. . . ) van het betere (de bete­re dingen), die ook bevrijding(en) inhouden (om­vatten) (Heb. 06:09)

vandaar dat Hij ook volkomen kan bevrijden wie door Hem tot God gaan (Heb. 07:25)

die Hem verwachten tot bevrijding (Heb. 09:28)

de ark, tot bevrijding van zijn huis (Heb. 11:07)

De messiaanse bevrijding houdt in dat heel de aarde vrijkomt. De engelen (boden) werken daaraan mee; zij zijn vurige, kosmische en zelfs historische krachten (Heb. 01:07) ten dienste van de Messias en het messiaanse volk. Maar de engelen zijn geen erfgenamen; de erfgenaam is de messiaanse mens (dat is Jezus met de zijnen). Jezus is de pionier, de baanbreker van deze bevrijding (in het Hebreeuws: Jesju’ah of tesju’ah) .

De schrijver van de Hebreeënbrief tekent de Messias vooral als de priester-voorspreker. Hij is het die altijd leeft om voor hen in te treden (Heb. 07:25). Daarom gaat de geschiedenis door, omdat er een voorspreker is. Die vraagt voor hen die niets vragen. Die spreekt namens hen die monddood zijn gemaakt. Een voorspreker die te allen tijde leeft, en dat is meer dan biologisch bestaan. Dat houdt in: als niemand meer verder kan, heeft Hij nog adem. Adem om te roepen, adem om stem te zijn, opdat niemand alleen zal zijn in de nacht.

Oude verbond – nieuwe verbond. Wat is het verschil? De schrijver van de brief aan de Hebreeën citeert Jeremia, die profeet op de grens van de ballingschap. Jeremia zegt het zo:

Welaan, dagen komen, luidt het woord des Heren dan sluit Ik met het huis Israël en met het huis Juda een nieuw verbond.

Niet zoals het verbond

dat Ik met hun vaderen gesloten heb

op de dag dat Ik hen bij de hand greep

om hen uit het land Egypte te voeren dat ze zelf mijn verbond konden breken terwijl Ik het toch was die meester was geworden over hen

luidt het woord des Heren, want dit is het verbond dat Ik met het huis Israël sluit na deze dagen

luidt het woord des HEREN

Ik geef mijn onderwijzing (Thora) in hun binnenste op hun hart zal Ik ze schrijven zo word Ik hun tot een God

en zij, ze worden mijn volk. . . (Jer. 31:31-33)

Hier wordt het verschil helder: bij het oude verbond was het zo dat de mens de mogelijkheid had, het verbond te breken; nu is echter het verbond onbreekbaar, het ligt geheel en al verankerd in God. Het gaat om een vernieuwd verbond, net zoals met de nieuwe aarde een vernieuwde aarde bedoeld wordt en niet een andere planeet. Nieuw zou betekenen een ander verbond dan het oude. Vernieuwd betekent dat het oude tot mensen komt in een vernieuwde uitstraling.

Nu komt eindelijk de Thora waar zij wezen moet: in het binnenste, in de kern van de mens. De Thora komt thuis.        (slot volgt)

1990.10 nr. 318

Levend geloof 1990.10 nr. 318

Het doel van de uitverkiezing door Gert Jan Doornink

De uitverkiezing! Ik denk dat er geen onderwerp is waarover binnen de gemeente van Christus in de loop der eeuwen zoveel strijd is gevoerd en zo verschillend is gedacht dan over de uitverkiezing. (Oftewel: predestinatie, afgeleid van het Latijnse woord predestinatie, wat ook voorbestemming of voorbeschikking betekent). De meest gangbare gedachte over de uitverkiezing is dat de mensheid in twee delen is gesplitst: de van eeuwigheid door God uitverkorenen die behouden worden, en de verworpenen die verloren gaan. Tot op de dag van vandaag zien we hoe vooral in zwaar orthodoxe kringen dit geloof geïndoctrineerd is. En dan durf ik rustig te stellen dat het de duivel is die dit gedaan heeft. Daarom gebruikte ik ook het woord ‘indoctrinatie’. Maar daarover verder in dit artikel meer. Eerst willen we – uitsluitend ter informatie – een kleine blik in de geschiedenis van de kerk werpen.

De uitverkiezing in de kerkgeschiedenis

In de vroege kerk (de eerste gemeente van Christus die op de Pinksterdag ontstond) was er beslist geen strijd over de uitverkiezing. Men wist dat men als gelovige in Christus geroepen en uitverkoren was. Maar al spoedig – je zou kunnen zeggen: toen de Geest wegebde en niet meer de eerste plaats innam – ontstond er verdeeldheid, strijd en felle meningsverschillen. Van de kerkvader Origenes (185-254). leider van een catechetenschool in Alexandrië, een geweldig Bijbelkenner en onderzoeker, is bekend dat hij geloofde dat God uiteindelijk alles weer tot zich brengt, dat wil zeggen alles en iedereen, zelfs de duivel, zal gered worden door Gods goedheid. Deze leer, de zogenaamde ‘Apokatastasis’, waaronder verstaan wordt dat alles tot God terug zal keren en de hel een einde zal nemen, werd gebaseerd op Handelingen 3 vers 21 (Hand. 03:21), waar gesproken wordt over de wederoprichting aller dingen. Deze leer werd door de kerk van die tijd afgewezen.

Calvijn, die in de zestiende eeuw leefde, leerde zowel de uitverkiezing als de verwerping. Hij leerde dat God de verwerping toelaat, omdat Hij het zo wil, dat wil zeggen het ligt in de verborgenheid van zijn machtig wilsbesluit, dat het kwaad is toegelaten. Calvijn spreekt in dit verband wel over een ‘verschrikkelijk decreet’ (decretum horrible) van God, wat blijkbaar buiten Christus om tot stand kwam. Uit de zeventiende eeuw is bekend het conflict tussen de Remonstranten en Contraremonstranten. De Remonstranten brachten de leer van de uitverkiezing omdat de mens gelooft; en bij de Contraremonstranten ging het opdracht de mens gelooft. De synode van Dordrecht van 1618-1619 veroordeelde de leer van de Remonstranten.

In deze eeuw is vooral de opvatting bekend geraakt van de Zwitserse theoloog Karl Barth die leerde dat Jezus Christus de Uitverkorene èn Verworpene was. In Hem is een nieuw volk geroepen tot leven en dienst, aldus dat de eigen verantwoordelijkheid inbegrepen is in de wil van God. ‘God alles en de mens niets’, werd door Barth afgewezen, maar sommigen vonden dat hij te ver ging en dicht in de buurt kwam van de zogenaamde Apokatastasis waarover wij het al gehad hebben.

Wat is de uitverkiezing?

Om te beginnen zou ik antwoord willen geven op de vraag wat de uitverkiezing niet is. Het is beslist niet zo dat God een deel van de mensen bestemd heeft om behouden te worden en een deel om verloren te gaan. Dit zou geheel in strijd zijn met zijn wezen. God is de onveranderlijke en eeuwige God die de mens volmaakt en goed geschapen heeft naar zijn beeld. En God wil dat, ondanks het feit dat de duivel Gods scheppingswerk op negatieve wijze heeft beschadigd, de mens weer deelgenoot wordt van zijn goedheid en volmaaktheid en die tot openbaring brengt.

Dit is mogelijk door de komst van zijn Zoon Jezus Christus. Johannes 3 vers 16 zegt: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe” . Paulus schrijft aan Titus dat de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen (Titus 02:11). En in 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09) lezen wij: “God wil niet dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” .

Gods wil ten aanzien van de mens is zeer duidelijk: bekering, geestelijke groei, het einddoel bereikend: de volkomenheid in Christus. Beelddrager van God zijn. Eén zijn met de Vader, enz. Paulus schrijft daar ook op duidelijke wijze over. Bijvoorbeeld in Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29): “Hij heeft ons bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons”. Je kunt ook zeggen: “Hij heeft ons uitverkoren tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons”. En in Efeziërs 1 vers 4 (Ef. 01:04) lezen wij: “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht”. Zo heeft Hij het in gedachten gehad; zo heeft Hij het gewild.

Het doel van de uitverkiezing

De uitverkiezing heeft dus een doel. God heeft ons in Christus uitverkoren om dat grote doel na te streven en te bereiken. De uitverkiezing wil ons als gelovigen ook bewust maken dat we geroepen zijn in dienst van God. Daarvan moeten we ons goed- bewust zijn, want als de mens niets doet met deze uitverkiezing is dat niet de schuld van God. Het gaat om onze betrokkenheid bij het bereiken van het doel. De fout die velen in de gemeente van Christus in de loop der eeuwen gemaakt hebben, is dat men de uitverkiezing los heeft gemaakt van het doel. Maar ze horen uitdrukkelijk bij elkaar. Het is zoals een bekend bijbelleraar eens schreef: ‘Het lichaam van Christus is door God bestemd of uitverkoren tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon’.

Daar moeten we dus zelf aan werken, daar moeten we mee bezig zijn. Een prachtige tekst in dit verband is 2 Petrus 1 vers 10 (2 Petr. 01:10): “Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen. Want zó zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus”. Met andere woorden: dan horen we er hélemaal bij, dan voldoen wij aan de maatstaven die God ten aanzien van ons leven aanlegt en zijn wij uitvoerders van het grote plan van God tot herstel en voltooiing van Zijn schepping.

De uitverkiezing in de Bijbel

Door de gehele Bijbel loopt de lijn van de uitverkiezing. In het Oude Testament lezen wij over de uitverkiezing van het volk Israël. Het werd uitgeleid uit het land Egypte en onder leiding van Mozes door de woestijn geleid naar het beloofde land. Weliswaar ging een geheel nieuwe generatie, onder leiding van Jozua, het beloofde land binnen, want de eerste generatie was door ongehoorzaamheid en ongeloof omgekomen in de woestijn. Maar dat neemt niet weg dat God dit volk uitverkoren had om een voorbeeldfunctie te vervullen. Zij zouden dan zelf gezegend worden en voor anderen (voor de andere volkeren) ten zegen zijn.

In het Nieuwe Testament gaat het om een ander volk van God. Christus is de Uitverkorene en daardoor ook allen die in Hem geloven. Zij vormen het nieuwe Israël het geestelijk Israël, de gemeente van Christus. En ook onze taak is een voorbeeldfunctie te vervullen. Dan worden we zelf gezegend en zullen anderen ten zegen zijn. Want God heeft alle mensen op het oog. Was het ten tijde van het oudtestamentische volk van God de ‘natuurlijke zegen’ waarom het ging, bij het nieuwtestamentische volk van God gaat het in de eerste plaats om de ‘geestelijke zegen’. Paulus spreekt dan ook over God “die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus” (Ef. 01:03b).

Het is beslist noodzakelijk dat wij dit verschil goed onderkennen. Als wij ons niet bewsut zijn dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten, kunnen we ook niet geestelijk strijden en overwinnen. Wij mogen ons met dankbaarheid realiseren dat we weer een stap verder zijn met de voltooiing van Gods heilsplan. De strijd die Jezus reeds heeft gewonnen op satan, was een geestelijke strijd. En door de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag is het ook voor de gemeente mogelijk om te overwinnen. Daarvoor zijn we geroepen en uitverkoren!

Het verschil tussen roeping en verkiezing.

Wat is nu het verschil tussen roeping en verkiezing? Tussen geroepen zijn en uitverkoren zijn? In 2 Petrus 1 vers 10 (2 Petr. 01:10) worden ‘roeping en verkiezing’ in één adem genoemd. Ik denk dat we het ook zo mogen zien: roeping en verkiezing (bestemming) horen bij elkaar, zoals trouwens ook blijkt uit wat Paulus “daarover schrijft in Romeinen 8. Je kunt het zo stellen: Eerst worden we ‘geroepen’ en dan komt het besef dat we ‘uitverkoren’ zijn (bestemd om het doel wat God met ons leven voor heeft waar te maken) . Het ‘uitverkoren zijn’ geeft als het ware invulling aan ons ‘geroepen zijn’.

Nu kunnen we ook wat beter uit de voeten met teksten als: “Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren”. Met andere woorden: de oproep tot bekering geldt voor alle mensen, maar niet iedereen die tot bekering komt gaat het waarmaken in zijn leven dat het nieuwe leven van Christus in Hem is gekomen, groeit en uiteindelijk het volwassen stadium bereikt. Jezus zei: “Die volhardt tot het einde, die zal zalig worden” (die zal het einddoel bereiken).

En waarom zullen we niet volharden tot het einde? In de eerste christengemeente was er geen strijd of verschil van inzicht over de uitverkiezing. Men was zich bewust waarvoor men uitverkoren was. De Geest kon werken in en door de gelovigen heen, omdat men met Christus zijn plaats had ingenomen in de hemelse gewesten, om van daaruit te strijden en te overwinnen. Men had geestelijke kennis en inzicht en deed er wat mee. Men was zich bewust te behoren tot het geestelijk Koninkrijk en te functioneren in de geestelijke wereld.

In de laatste christengemeente zal dit weer – en in nog grotere mate – het geval zijn, want Gods Geest zal het weer volledig voor het zeggen krijgen in alle levens die zich daarvoor openstellen. Dat is Gods diepste verlangen. Het is onze taak dit verlangen door geloof en gehoorzaamheid te beantwoorden. Dan gaan we ook meer en meer beseffen en beleven hoe onvoorstelbaar heerlijk het is te weten dat God ons geroepen èn uitverkoren heeft!

 

Brood door Duurt Sikkens

“… brood dat uit de hemel neerdaalt” (Joh. 06:50).

Op water en brood? Dat is toch gevangeniskost? Merkwaardig dat Jezus juist deze twee voedende bestanddelen gebruikt om zijn wezen en werken aan te duiden. Hij heeft het over levend water en levend brood. Wat leeft raakt nooit op. Water uit een bron en brood dat zich vermenigvuldigt.

Vele voorgangers, predikanten, pastoors en andere sprekers proberen hun boodschap zogenaamd verteerbaarder te maken door er kleurstoffen en smaakstoffen aan toe te voegen en het brood wordt belegd met de meest aantrekkelijke dingen of vervangen door andere eetwaren om het allemaal maar zo smakelijk mogelijk op te dienen. Waarom moet dat nou? Het gaat toch om de voedingswaarde? Wie levend water drinkt wil zelf bron worden dat hetzelfde heldere water geeft. Wie levend brood heeft gegeten wil zelf ook een levend brood worden om de zuchtende schepping te sterken.

Jezus was eenvoudig, ongecompliceerd in zijn boodschap en zijn werken. Hij hoefde het niet smeuïg te maken of te versieren. Hij was en is altijd dezelfde. Hongerigen en dorstigen gaf Hij de duidelijke boodschap dat zijn Vader goed is en de duivel slecht en dat Hij graag vergeeft en van mensen houdt. Zo simpel, zo helder, zo voedzaam. De waarheid is zo gewoon als water en brood.

 

Het verbond van de vijand door Wim te Dorsthorst

“O God, houdt U niet stil, zwijg niet en blijf niet werkeloos, o God.

Want zie, uw vijanden tieren, uw haters steken het hoofd op;

zij smeden een listige aan­slag tegen uw volk en beraadslagen tegen uw beschermelingen.

Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt ge­dacht .

Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een verbond gesloten: de tenten van Edom en de Ismaëlieten, Moab en de Hagrieten, Gebal, Ammon en Amalek, Filistia met de inwoners van Tyrus; zelfs Assur heeft zich bij hen gevoegd, zij zijn de zonen van Lot tot steun” (Ps. 083:002-009) .

Wij willen met de apostel Petrus geloven dat deze woorden van Asaf verder reiken dan het toenmalige volk Israël (1 Petr. 01:10-11). Hij zegt, dat de profeten met de woorden die ze opschreven ‘niet zich­zelf’ maar de gemeente van Jezus Christus dien­den (1 Petr. 01:12a), waar­aan hij ook zijn brief richt.

Deze Psalm geldt dus het uitverkoren volk (1 Petr. 02:09a), dat niet ergens in het midden-oosten – maar als hemelburgers in de hemel – woont (Filip. 03:20) Op aarde zijn ze echter als vreemdelingen en bijwoners, waar ter wereld dat ook is (1 Petr. 02:11; Heb. 11:13). En dit uit­verkoren volk is het, dat door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, de tijd verstaat.      

De verborgenen van God

Zo heeft de Geest van Christus Asaf geïnspireerd woorden op te schrijven die nu als hulpgeroep tot God geroepen worden door zijn beschermelingen, die de tijd verstaan en ook ervaren. Letterlijk staat er in vers 4: Uw verborgenen” . Het ware volk van God wordt gevormd door ‘verborgenen’. Een volk dat door God onder­houden en verzorgd wordt in de verborgenheid. Als een geheimenis groeien ze op in de plaatselijke ge­meenten over de gehele wereld in grote eenvoud, zonder uiterlijk vertoon.

Het is dit volk wat door de duivel en zijn rijk ge­haat wordt. Ten diepste zijn het de vijanden en haters van God, zegt vers 3. “Zij smeden een listige aanslag tegen Gods volk en beraadslagen hoe ze dit volk ten onder kunnen brengen” . In Psalm 37 vers 12 (Ps. 032:012) zegt David het zo: “De goddeloze smeedt boze plannen tegen de recht­vaardige en knarst de tanden tegen hem” .

“Zij zeggen: Komt, laten wij hen als volk verdelgen, zodat aan de naam van Israël niet meer wordt ge­dacht. Want zij hebben eensgezind beraadslaagd, tegen U een verbond gesloten” (vs.5-6)

De profeet Asaf onthult hier ten diepste de be­doelingen van de vijand. Hoe verdeeld het rijk van satan ook is, hierin zijn ze één. Het volk van God moet zo totaal verdelgd worden dat aan de naam van het Israël Gods niet eens meer gedacht zal worden. Alles wat met Jezus Christus en de ge­meente te maken heeft, wordt gehaat door de vij­and en tegen die gemeen­te is hun verbond opge­richt. De duivel heeft met zijn val ook zijn wijsheid verloren (Ez. 28:17) maar hij weet, en dat weet hij helaas veel beter dan vele christenen, dat het uitroeien van een volk op aarde nu geen enkele zin heeft.

Oorlog in de hemelse gewesten

De tien vijanden die Asaf noemt in vers 7 tot en met 9, waren in die dagen heel concreet de vijanden van Israël. Voortdurend hebben ze tegen Israël gestreden om hen inder­daad uit te roeien. Hierin waren ze eensgezind en sloten met elkaar een ver­bond tegen God en zijn volk (vers 6). De grote wereldmacht Assyrië on­dersteunde al die kleint­jes en was hun tot arm, zegt vers 9.

De volken die hier ge­noemd worden, waren om­wonende volken en voor een deel waren het zelfs broedervolken. Zij staan model voor geestelijke machten die in de geeste­lijke wereld bepaalde prin­cipes vertegenwoordigen waardoor ze eensgezind trachten het volk Gods uit te roeien.

De werkelijke strijd is niet op aarde, maar in de geestelijke wereld. Paulus zegt daarom: “Doe de wa­penrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten” (Ef. 06:11-12) .

Daar, in de hemelse ge­westen, wordt het volk van God, dat in de hemel woont, omringd door Assur en Edom en Amalek en alles wat Asaf nog meer noemt. Als alle christenen dit toch eens mochten gaan verstaan. Al het re­ligieus bezig zijn met het volk Israël in het Midden-Oosten is een gemene ver­leiding en misleiding van de duivel. Het verblindt de christenen voor de werkelijke strijd die woedt rondom en in het ware geestelijke Israël van God. Al het aardsgerichte bezig zijn, in welke vorm dan ook, is een afleiding en misleiding door de grote vijand van God en mensen.

Tegen de kennis van God

In 2 Korinthiërs 10 vers 3 tot en met 5 (2 Kor. 10:03-05) omschrijft Paulus hoe de ware strijd van een christen gestre­den dient te worden en waarom het de vijand te doen is. Hij zegt: “Want al leven wij in het vlees, wij trekken niet ten strij­de naar het vlees, want de wapenen van onze veldtocht zijn niet vlese­lijk, maar krachtig voor God tot het slechten van bolwerken, zodat wij de redeneringen en elke , schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God slechten, en elk bedenksel als krijgsgevan­gene brengen onder de gehoorzaamheid aan Chris­tus” . Wat beoogt de vijand dus? Dat er geen kennis van God zal zijn!

De profeet Habakuk zegt dat de aarde vol zal wor­den van de kennis van des Heren heerlijkheid (Hab. 02:14a). Dat is de belofte, dat is het doel van God. Een volk dat zijn God niet kent, gaat verloren (Hos. 04:01-06) en is door vleierijen tot afval te bewegen, maar het volk dat zijn God kent, zal sterk zijn en daden doen (Dan. 11:32). En daarom richt de vijand met grote list bolwerken en schan­sen op en komt hij met redeneringen en bedenk­sels tegen de kennis van God.

Eensgezindheid van de vijand

Paulus verstaat door de Heilige Geest dat in latere tijden mensen afvallen van het geloof doordat zij zich begeven tot verleidende geesten en leringen van duivelen (1 Tim. 01:04, Statenvert.). En die ‘latere tijden’ zijn nu wel zeer actueel.

Hiertoe gaat de satan zijn gehele rijk mobiliseren en organiseren. “Want zij hebben eensgezind be­raadslaagd – in het He­breeuws staat er ‘met één hart’ – om Gods volk te verdelgen”. Iedere afde­ling zal naar eigen aard, rangorde en vermogen samenwerken met het ge­heel om Gods bescherme­lingen te verdelgen. Daartoe hebben ze een verbond gesloten.

De duivel gaat hierbij zo­ver dat hij aan de anti­christ – het beest uit de aarde, als tegenbeeld van Jezus Christus, die niet uit de aarde maar uit de hemel is – zijn kracht en zijn troon en zijn grote macht geeft (Openb. 13:2) .

Een mens die de mond is van de satan door de geest van het beeld uit         <

de afgrond. Dit als tegen­beeld van de gemeente die de mond van Jezus Christus door de Heilige Geest.

List, bedrog en verleiding

De oorlog die tegen de gemeente van Jezus Chris­tus gevoerd zal worden, is er niet een van bruut geweld, maar Asaf zegt: “zij smeden een listige aanslag tegen Uw volk” . De duivel gaat met list te werk. In Genesis 3 vers lezen we al dat hij de lis- tigste van alle boze gees­ten is. In bruut geweld (waar het uiteindelijk wel op uit zal lopen) zit geen verleiding voor het volk van God. Waar de gemeen­te van Jezus Christus zich tegen wapenen moet met de gehele  Gods is juist tegen de bedrieglijkheid.

Paulus zegt dat “de komst van de wetteloze, de anti­christ, is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. (2 Thess. 02:09). Het is bedrieglijk omdat het zo­veel lijkt op het echte! Alleen diegenen die zich geheel los hébben gemaakt van de aarde en hun ver­wachtingen ook niet meer stellen op de aarde en voor dit leven, zullen het zien en niet bezwijken. Hierbij zal het zwakke in het lichaam van Christus – de zuigelingen en het verwoeste – door het sterke ondersteund en beschermd dienen te wor­den .

Ook Jezus spreekt van deze georganiseerde ver­leiding. Hij zegt: “Zie dan toe dat niemand u verleide, want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden. Indien dan iemand tot u zegt: Zie hier is de Chris­tus of: Hier, gelooft het niet, want er zullen valse Christussen en valse pro­feten opstaan en zij zul­len grote tekenen en won­deren doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden” (Matt. 24:05 en Matt. 24:23-24).

De weideplaatsen van God

In vers 13 van Psalm 83 lezen we dan nog dat de overheden en machten zeggen: “Wij willen in be­zit nemen de woonsteden Gods”. Ziehier wat de vij­and beoogt: “Zij willen zich zetten in de tempel Gods om aan zichzelf te laten zien dat ze een god zijn” (2 Thess. 02:04). Hiermee willen ze God zijn woning ontroven en de mens meeslepen in hun verderf.

Maar vers 13 wordt ook nog anders vertaald. Meer letterlijk staat er: “Zij riepen: Wij trekken aan óns de weidegebieden van God” (vert. Gerhardt v. d. Zeyde) . Dat is de uitkomst van hun eensge­zinde beraadslagingen. Ze willen de weideplaatsen, de oasen van God in de woestijn, in bezit nemen. Daar waar het volk van God geweid wordt, waar het geestelijk voedsel ont­vangt, dat zijn de plaat­selijke gemeenten over de gehele aarde!

De hele wereld is, gees­telijk gezien, één grote woestijn waar het volk van God in onderhouden wordt (Openb. 12:14). In de woestijn is voor de ge­meente geen enkel leven meer. Als deze oasen door verleidende geesten en leugengeesten in bezit ge­nomen worden dan is dat onherroepelijk de geeste­lijke ondergang van het volk.

Dat is de grote list die de duivel toepast en waar Gods volk oog voor moet krijgen. Hij tracht van binnenuit te werken. Hij wil de leer en de hele uit­werking in de gemeente mede gaan bepalen. En dat zal zich dan manifes­teren in bedrieglijke en verleidende en zelfs grote tekenen en wonderen, zegt Jezus en ook Paulus. Waar hij de leiding van de ge­meente kan beïnvloeden en bevruchten daar is de uit­roeiing al voor een groot deel geslaagd.

Bij het verbond om Israël te vernietigen in de dagen van Asaf waren het vooral de broedervolken die het meest vijandig gezind wa­ren en de wereldmacht Assyrië ondersteunde hen.

De vijand zal ook nu trachten verdeeldheid te zaaien in de gemeenten onderling. Verheffing van de één tegen de ander, veroordeling van andere broeders, verdachtmakin­gen, verheffing van zich­zelf om een betere visie, meer genezingen, meer blijdschap, meer liefde, enz. De vijand zal alles aangrijpen om te verdelen, te verzwakken en te ver­delgen. Dit is een niet te onderschatten kwaad, wat de gemeenten bedreigt en wat het vijandelijke leger met grote eensgezindheid tracht uit te voeren. Zijn tactiek is altijd: ‘Verdeel en heers!’ Alle gemeente­leden dragen verantwoor­delijkheid door hun per­soonlijke leven te heiligen in de waarheid en zich te laten leiden door de Hei­lige Geest der waarheid.

De Allerhoogste over de hele aarde

De vijand zal in zijn plan uiteindelijk toch niet sla­gen. Het volk van God, dat in Sion woont, roept tot God en zegt: “Laat vuur van U uitgaan en verdelg de vijand en doe hun als Midian en Sisera en Jabin, Oreb en Zeëb, als Zebah en Zalmuna en al hun vorsten” (Ps. 083:010-016).

Dan is het antwoord van de Here der heer­scharen: “Vreest niet, o mijn volk, dat in Sion woont, voor de Assyriërs, wanneer zij u met de stok slaan en hun staf tegen u opheffen, zoals Egypte deed. Want nog een korte wijle, dan is de gramschap ten einde en mijn toorn richt zich op hun vernie­tiging. Dan zwaait de He­re der heerscharen de gesel over hen, zoals Mi­dian geslagen werd bij de rots Oreb en Hij zwaait zijn staf over de zee en heft die op, zoals in Egypte. En het zal te dien dage geschieden, dat hun last van uw schouders af­glijden zal en het juk van uw hals, ja het juk zal vernietigd worden op uw schouder” (Jes. 10:24-27) .

En dan eindigt Asaf zijn Psalm met: “Opdat zij we­ten, dat alleen uw naam is: HERE, de Allerhoog­ste over de ganse aarde”.

 

 

 

Bouwstenen door Duurt Sikkens

* Hoe word je wijs? Door God of door schade en schande.

* Het is gemakkelijker een christen te heten dan er één te zijn.

* Vecht je niet dood, vecht voor je leven. X

* Welke God staat er eigenlijk op de rand van de gulden?

 

Eenheid (gedicht) door Piet Snaphaan

Eensgezind zijn zij ons streven,

zoals God de Vader met Zijn Zoon,

Hem volgen ondanks spot en hoon.

God heeft Zijn Geest immers gegeven,

om Zijn gezindheid te beleven.

 

Eenheid door ’t geloof, één doop,

door Gods gedachten op één lijn,

op dat niveau steeds bezig zijn.

Geroepen zijnde in die hoop,

Vanuit Gods Woord dat Hij ons bood.

 

’t Is zaak om eenheid te bewaren,

steeds waar de één de ander vindt,

ontstaat een band die samen bindt!

Waar eenheid is, zal men ervaren,

dat God Zijn kracht kan openbaren.

 

Intermezzo door Gerry Velema (geschonden)

Wat was ik gisteren ook al weer?

Ze is peuter-af. Eindelijk is het dan zover: Ze mag naar de kleuterschool toe. Het is echt een feestdag. Op school het feestvarkentje zijn met een mooie versierde verjaardagsmuts. Hoog op de stoel klinkt het voor haar: Lang zal ze leven. Ze mag de kinderen trakteren en s ‘middags een feestje geven.

En voor de jarige allemaal. . . kadootjes!

Het snoetje straalde. Ze kon van al het moois geen genoeg krijgen. Maar tegen de middag zocht ze me even op in de keuken met een vraag: ‘Mam, wat was ik gisteren ook alweer?’

Ze was dat andere woord vergeten. Nu was ze een (uitgeknipt gedeelte)

 

 

kadootjes als: reinheid, blijdschap, \rede, rechtvaardige kleren, kronen van troost en heil.

Het kon maar niet op. Wat een feestvarkentjes waren we. En wat waren we niet meer? Zondaars, ver van het Koninkrijk van de Vader.

Zomaar verandering van naam, verandering van ‘schooltje’. We zitten nu bij Hém in de leerschool.

Mam, wat was ik vroeger ook alweer? Toen mijn kleine meid me dat vroeg, bedacht ik, hoe goed het zou zijn om zo eenvoudig als een kind, te geloven in die feestdag van je bekering.

Moesten we niet als kinderen zijn om binnen te komen in Cods Koninkrijk? Zo eenvoudig, zo simpel de waarheid aan nemen en dat hele moeilijke woord van je verleden vergeten? Vergeet het maar, wat je ‘gisteren’ was.

En als je het Vader vraagt: Wat was ik gisteren ook alweer?, dan krijg je ZIJN antwoord op die vraag: ‘Kind, Ik ben het ook helemaal vergeten!’

Mijn zonden gedenkt Hij niet meer! (Hebr. 8:12).

 

De nieuwe weg door Tea Keuper Dijk

 

Als je geregeld van het westen naar het oosten van ons land rijdt, en omgekeerd, ontdek je herstel- en vernieuwings- werkzaamheden aan onze Nederlandse autowegen. Om en nabij mijn geboor­testad Oldenzaal is er ook heel wat veranderd. En er verandert nog meer in de nabije toekomst, om het verkeer sneller en veiliger om de steden heen te leiden.

Verandering en doel

Er worden eerst plannen gemaakt, besprekingen gevoerd, overleg ge­pleegd, berekeningen ge­maakt, grond en gebou­wen onteigend. Dan ko­men de praktische zicht­bare veranderingen in het landschap. Hier en daar zie je bulldozers graven; er verrijzen zandbergen, er ontstaan zogenaamde ‘kunstwerken’ zoals viaducten, bruggen, opritten, alles tot voor­bereiding van de aanleg van de bewuste snelweg. Het duurt vaak jaren en dan komt de uiteindelijke realisering van het doel.

Toen ik dezer dagen weer van west naar oost en omgekeerd reed, zag ik ineens een beeld, een gelijkenis vanuit dit ge­geven, die slaat op het leven van een kind van God, die zijn voetstappen gezet heeft in het Ko­ninkrijk van Hem en een bewuste keuze heeft ge­maakt voor Zijn plan, Zijn weg.

Hij/zij verzamelt kennis, treedt in nauw contact met de hemel­se Bouwkundige / Schepper, spreekt met Hem en… luis­tert vooral naar Hem!

Hij/zij onteigent land, eist het op. De prijs is vaak hoog. Ik denk hierbij ook aan de prijs die Jezus heeft betaald voor de we­reld .

Het oude beeld(leven) verandert volkomen. Obstakels, soms prach­tige bouw (bol!) werken gaan tegen de grond… Er komt een heel nieuw landschap, uit­zicht en… op een gegeven moment weet je de oude situatie niet eens meer.

Er ontstaan bergen en dalen; er wordt ge­schud, gegraven, maar ook: vlak en recht ge­maakt. Bruggen naar God en je broeder/zus­ter /naaste . . .

God geeft nieuwe wegen

Ziet u met mij de beelden? En dan komen de opritten tot dé nieuwe weg. God effent de baan. Hij baan­de weg door Jezus’ komst naar deze wereld!

Dan wordt de nieuwe weg geopend. Hij werd lang geleden door Jezus Chris­tus geopend! Hij knipte als het ware het lint door en wij mogen juichend de nieuwe weg betreden! En jagen naar het doel, ge­nietend van het landschap om ons heen, biddend en alert in storm en regen, de wegbewijzering goed volgend. Genietend van de wolken aan de lucht, (wolken van getuigen – gemeenten Gods) en… och, bedenkt u zélf nog maar meer beelden wat betreft de nieuwe weg: uw voertuig, de weers­omstandigheden, de me­dereizigers, enz. ’t Is de moeite van het overden­ken waard.

Maar de hoofdgedachte is: God geeft nieuwe we­gen, nieuwe gedachten vanuit Zijn eeuwenoude principes over de weg, de waarheid en het waar­achtige, eeuwigdurende leven voor de mens, die het Koninkrijk van Hem is binnengegaan.

 

De Geest van kracht, liefde,  bezonnenheid door Margreet Gast

In 2 Timoteüs 1 vers 7 lezen we een typering van de Heilige Geest, waaruit we iets kunnen leren over het wezen van God. Tegenover de ‘geest van lafhartigheid’ stelt Paulus de geest/Geest van kracht, liefde en bezonnenheid, die God geeft.

Een Geest van kracht

In het Grieks staat er: ‘dunamis’, dat houdt Tn een energie, een bron van sterkte die in de geestelijke wereld dingen in beweging zet. Een kracht ook, die tégenkrachten kan doorstaan, welke vanuit het rijk der duisternis op ons af komen.

Een Geest van liefde

– Liefde is óók een kenmerk van de Heilige Geest die God ons in de geestesdoop schenkt. Liefde is ook een kracht! Het is niet zo maar een gevoel dat over je komt, maar goddelijke liefde is een actieve, gerichte, bewust aangevende energiebron in ons. ‘Jezus liefhebben’ en ‘Zijn geboden bewaren’ gaan samen! Een sterke liefde voor het Woord, maakt dat we Gods geboden doen (Joh. 14:21-23).

Een Geest van bezonnenheid

– Bezonnenheid is: bedachtzaamheid, standvastigheid. Het houdt in: niet snel in paniek gebracht kunnen worden; niet van je stuk gebracht kunnen worden^ Bezonnen mensen staan dus vast in het geloof. Zij houden stevig vast aan wat God hen zegt, zonder aan het twijfelen of wanhoop gebracht te worden bij het ‘zien’ van de werken van de boze.

Deze geest van kracht, liefde en bezonnenheid wordt gesteld tegenover: lafhartigheid. Wat houdt lafhartigheid in? Het woord, dat in de grondtekst staat, kan vertaald worden met:

  1. vreesachtigheid;
  2. zwak-van-geloof zijn;
  3. het hebben van een gevoel van weerloosheid tegenover het lot dat je overkomt.

De geest van lafhartigheid werkt in een kind van God uiteraard niets goeds uit. Vrees voor wat de boze kan doen, is dan het gevolg. Maar er zal ook een laffe houding zijn als het erop aankomt de strijd aan te gaan. Door de geest van lafhartigheid wordt men tot knecht van de boze. Intimideren en de mens ten onder houden doet deze slechte meester.

God verheft de mens. God geeft zijn kinderen hun waarde terug. God respecteert ons, acht ons zéér hoog. Zijn liefde voor ons willen we dan ook beantwoorden met liefde, geloof, en standvastig-blijven-in-Hém.

Redactie

-Wie liefheeft wordt liever.

-God is niet zo’n prater.

Als ik struikel over het verkeerde is het geloof in het goede een reden om weer op te staan.

Jezus zegt: Ga uit. Niet: Blijf binnen.

De kracht van de sterke ligt hierin dat hij de zwakkere ondersteunt.

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief door Klaas Goverts 4

Bijbelstudie Hebreeën 4

Beter. Het nieuwe verbond is beter dan het oude. Dit betekent niet: het Nieuwe Testament is beter dan het Oude; dat zou een noodlottig misverstand zijn. Niet het Oude Testament is verouderd en verjaard. De gedachte van een nieuw verbond vinden we juist in het Oude Testament (bij Jeremia). Dus wie het Oude Testament af schaft of minderwaardig acht, heeft ook geen nieuw verbond meer.

Hier komen we tot de kernvraag. Wat is er nu beter? De eerste keer dat het woord ‘beter’ in de Hebreeënbrief voorkomt, kan ons wellicht op het spoor helpen. Dat is (Heb. 01:04); het NBG vertaalt daar met: machtiger; zóveel machtiger geworden dan de engelen. (Zoveel beter geworden dan de engelen (boden) als Hij een meer onderscheiden naam boven hen beërfd heeft).

Ten aanzien van het thema ‘beter’ in de Hebreeënbrief dreigt een misverstand. Men meent dan dat het in deze brief gaat om de ‘verhevenheid van Gods Zoon, boven heel de oude bedeling’. Hij is verheven boven de profeten, boven de engelen, boven Mozes, boven Aaron, boven de wetgeving, boven de offercultus, etc. Op die manier zouden we toch weer terecht komen in een

bedelingenleer. De opschriften in de NBG-vertaling werken deze gedachte mogelijk enigszins in de hand: De Zoon boven de engelen. Jezus boven Mozes verheven. Christus hoger priester dan Aaron.

Maar waarom en waarin is Jezus de ‘betere’? Hij is beproefd gebleken, in de proef overeind gebleven, Hij heeft voor ons allen als mens stand gehouden. Zijn kracht is niet een geheimzinnig soort verhevenheid, de Hem weer weg plaatst, op een grote afstand van Mozes en Aaron en ons, neen, zijn majesteit bestaat juist hierin dat Hij nergens de condition humaine (het menselijk bestaan met alle begrenzingen die daaraan verbonden zijn) is ontlopen.

Voor de schrijver van de Hebreeënbrief bestaat er niets hogers dan de mens. En Jezus is juist daarin groots, dat Hij nooit iets anders heeft willen zijn dan puur, louter, enkel mens, Hij heeft niet getracht te vluchten in een engelen-bestaan. Hij heeft zich niet verheven boven Mozes, maar in plaats daarvan ging Hij de weg van Mozes tot het einde toe. Zo is Hij het definitieve (voor)beeld geworden van Gods bedoeling met de mens, van Gods verbonden zijn met de mens.

Er is een uitleg die de Hebreeënbrief dood maakt: dan wordt Jezus helemaal geïsoleerd:

Hij wordt losgesneden van de Thora (en van Tenakh).

Hij wordt losgesneden van ons.

Dan staat Jezus op een eenzame hoogte; dan wordt Hij geplaatst in het isolement dat Hij nu juist kwam opheffen! Want we moeten niet vergeten dat de Hebreeënbrief begint met: In de mens Jezus spreekt God tot ons. Let wel: tot ons! Jezus was er niet voor zichzelf. Toen God tot Jezus zei: een zoon van mij ben jij, toen zei Hij dat tot ons. En toen God tot Jezus zei: zet je aan mijn rechterhand, toen zei Hij dat tot ons. Tot wie van de engelen heeft Hij ooit zoiets gezegd? Maar wel tot ons!

Het woord ‘beter’ (kreittoon) betekent eigenlijk: sterker. Jezus is sterker dan de engelen; waarom? Hij is tot het einde op zijn post gebleven. Hij heeft juist geweigerd verheven te worden boven zijn mensen. Hij wilde geen ivoren toren, Hij wilde daar zijn waar zijn broeders waren. Wie Jezus in een verheven isolement plaatst, maakt het hele evangelie steriel. Jezus wilde zaad zijn en Hij ging de weg van het zaad; Hij liet zich verstrooien. Engelen kunnen geen zaad worden; dat is alleen gegeven aan de mens.

Een Bijbelboek is altijd geschreven vanuit een bepaalde problematiek, nooit vanuit een theoretische beschouwing. De Bijbel geeft ons geen ‘wereldbeschouwing’. Wat is dan de problematiek waar de lezers van de Hebreeënbrief mee worstelden? Dat was de angst voor de begrenzing en voor de vergankelijkheid van hun bestaan. Ze voelden zich maar kleine mensen. Ze kwamen uit een eeuwenlange lijden ervaring. Als ze achterom keken, zagen ze een eeuwenlange nacht achter zich, en als ze vooruit blikten, was daar voor hun besef een eeuwenlange nacht voor hen. Voor hen was het mens-zijn getypeerd met de woorden van de Hebreeënschrijver in (Heb. 02:15):

zovelen als er door doodsangst heel het leven lang waren vervallen tot slavernij.

Of: ze zaten in de greep van de dienstbaarheid. Bij alles wat je doet, die schaduw. Die nooit aflatende somberheid: je begint ergens aan, maar morgen kan het afgelopen zijn. Je weent om bloemen, in de knop gebroken. Lijden, maar niet alleen als een zwaarmoedige deken die zich over je uitspreidt, doch ook als een onontkoombare realiteit, gegeven met je bestaan als mens, als volk. Wat zeg je dan? Is er dan een woord, een antwoord?

Psalm 8. De Hebreeënschrijver grijpt voor zijn mensen naar een Psalm:

Wat is een enosj (mensje) dat Ge hem gedenkt? een mensenkind dat Ge op hem let?

Ge hebt hem een weinig onder de engelen vernederd met lichtglans en eer hebt Ge hem bekranst alles hebt Ge ondergeschikt gemaakt onder zijn voeten.

Dit oude lied heeft een hele geschiedenis doorgemaakt. Je zou haast zeggen: dit lied is met de mensen meegegaan dagen en nachten, vele geslachten. Het is met de mensen oud geworden en toch was het weer nieuw. Het heeft in hen gezongen en als ze niet meer zingen konden dan droeg het hen als in dagen van ouds. Het stond aan hun sterfbed, het zong zacht aan hun graf. Samen met hen trok het mee in hun ballingschap. Het wachtte op hen als ze naar huis kwamen.

Psalm 8 heeft op zijn minst een vijftal fasen doorlopen:

Het was het lied van David, waarin hij zich bezint op het wezen van de mens en zijn plaats in de schepping.

In de ballingschap is dit lied op een nieuwe wijze gaan spreken. De ballingen voelden zichzelf als die kinderen en zuigelingen, machteloos en beroofd van hun moeder, hun moederstad, ontheemd en onmondig te midden van het machtige Babel. Voor hen werd die vraag nijpender dan ooit: wat is een ‘enosj, want ‘enosj betekent mens in zijn sterfelijkheid, in zijn broosheid en zwakheid, mensje, zou je kunnen vertalen. Zo werd Psalm 8 hun lied want ze herkenden zichzelf en ze konden in elk geval de vraag meezingen: wat is ‘enosj? en dat is al heel wat. Soms begon het bij hen te dagen en ze dachten: Dus toch! Uitgerekend uit de mond van onmondigen zal Adonai weerbaarheid grondvesten en zo zullen vijand en wraakgierige ophouden.

Dan komt het verhaal van Job, volgens sommigen geschreven als verwerking van de vragen die door de ballingschap waren opgeroepen. In Job 7 horen we precies dezelfde vraag als in onze Psalm opklinken:

Wat is (een) ‘enosj dat Gij hem zo groot acht dat Ge uw hart op hem zet hem bezoekt elke morgen elk moment hem toetst?

Aan deze vraag wordt het hele boek Job gewijd. Voor de schrijver is er nog maar één vorm van menselijke grootheid en dat is de tsaddiq, de rechtvaardige. Of beter: de beproefde, de mens die in de proef overeind gebleven is, de mens die het goed-zijn, het waar-zijn, het schoon-zijn van het leven, tegen alle schijn van het tegendeel in, staande houdt en die zo zelf staande gehouden wordt. Psalm 8 tekent de mens als middelpunt; Job 7 de mens als mikpunt.

Ook na de ballingschap is Psalm 8 door blijven klinken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit Nehemia 10,30:

om te bewaren, om te doen al de geboden van de Here, onze Here

J…., onze Adon (Meester).

Deze specifieke uitdrukking (J…. Adoneenu) komt in Tenakh in deze vorm alleen op deze twee plaatsen voor: in Nehemia 10 en als omraming van Psalm 8 (vers 2 en 10) . Zo leefde ook in de dagen van Nehemia het gebed van de achtste Psalm voort.

Hebreeën 2. De Hebreeënschrijver richt zich tot mensen die gebukt gaan onder het ‘Sein zum Tode’, het zijn tot de dood, onder de doem van hun tijd. Hij wijst hen op de grote Jobsgestalte van zijn dagen: Jezus de Messias. Hij knoopt aan bij die oude Psalm die nog steeds geschiedenis maakte:

Maar nu zien wij nog niet ‘alles aan hem ondergeschikt’ maar de ‘een weinig onder de engelen vernederde’ zien we wel: Jezus, om het lijden van de dood

met lichtglans en eer bekranst,”

opdat Hij door de genade van God voor ieder zou proeven wat sterven is (Heb. 02:09).

Mozes pleitte voor de mensen bij God. Jezus was: Mozes- tot-het uiterste. Hij ging verder dan allen die voor Hem gegaan waren. Alleen daarin is Hij ‘verheven boven Mozes’. (Als men maar bedenkt dat deze formulering zéér vatbaar is voor misverstanden) . De priesters stonden voor de mensen bij God. Jezus werd: priester tot het uiterste.

Zo komt de Hebreeënschrijver tot zijn hoofdthema: de hoofdzaak is…

dat wij zulk een hogepriester hebben (Heb. 08:01).

Elke hogepriester die uit mensen genomen wordt, kan dat, want hij is ook zelf “met zwakheid omvangen” (Heb. 05:01-02). Er staat: met zwakheid omhangen, of met zwakheid omkleed. De priester ontvangt zijn priesterkleed, dat is zijn investituur; het ambstkleed wordt hem aangedaan. En het kleed dat bij hem hoort, is de mantel van de zwakheid. Hij is een ‘enosj.

Jezus was dat niet minder, maar nog veel méér! Hij heeft veel meer geleden dan de doorsnee-burger, omdat zijn maatstaf van humaniteit zoveel gevoeliger en kritischer is geworden dan die van de massa.

Van Hem wordt gezegd:

die in de dagen van zijn vlees beden en smekingen heeft toegebracht tot Hem die hem kon bevrijden uit de dood met sterke schreeuw en tranen en verhoord werd uit zijn angst ((Heb. 05:07).

Zo zwak werd Hij en ook dat werd Hij ten einde toe.

Zo werd Hij gelijk aan de minste van zijn broeders.

Hoewel hij zoon was

heeft hij geleerd (als een leerling) uit <le dingen die hij geleden heeft te. horen

en daarin voleindigd, is hij geworden voor allen die naar hem horen

oorzaak van eeuwige bevrijding (Heb. 05:08-09).

 

Herkenning door Tea Keuper Dijk (gedicht)

’t Is goed om kind’ren Gods t’ontmoeten,

Soms in een winkel of op straat.

’t Herkennen in een simpel groeten

Je weet het, als je samen praat.

 

En zómaar kun je samen delen

wat in je leeft, waarvóór ie leeft,

Luisteren, waar je dan mag helen,

Ook: wat die ander jóu weer geeft.

 

Zó heeft de Schepper ons geschapen

tot ’t loven van Zijn heerlijkheid;

Die lof ligt klaar om op te rapen

en saam kun je ’t aan Vader kwijt!

 

Dank U, mijn Vader, voor dit wonder

Kennis des Heren óveral.

Ééns wordt dit helemaal bijzonder:

Als d’aard vol van U wezen zal.

 

Levend Geloof – 251

1984 september nr. 251

Er is maar een evangelie door Gert Jan Doornink

“En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken dan zal het einde gekomen zijn” Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

De grote opdracht voor de gemeente

Matteüs 24 is een veel geciteerd hoofdstuk uit de bijbel. Vooral schrijvers over de eindtijd nemen dit hoofdstuk vaak zeer uitvoerig onder de loep. Opvallend daarbij is dat de uitspraak van Jezus over de prediking van het evangelie van het Koninkrijk vaak weinig of geen aandacht krijgt. Terwijl dit juist de grote en aller belangrijkste opdracht is van de eindtijdgemeente. Want temidden van alle duisternis, destructie en verwarring blijft God zijn grote liefde jegens de mens de kroon   der schepping – betonen. God wil niet “dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen” 2 Petrus 3 vers 9 (2 Petr. 03:09).

Onze God is een goede God en zoals Hij eens zijn Volmaakte goedheid tot openbaring bracht in zijn Zoon, die is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren” Handelingen 10 vers 38 (Hand. 10:38), zo doet Hij thans via de gemeente. Maar deze gemeente is  dan ook geroepen hetzelfde evangelie openbaar te maken wat Jezus deed: het evangelie van het Koninkrijk; het volle evangelie.

Een andere evangelieverkondiging is nooit Gods bedoeling geweest. Er is maar één werkelijk, Gode welgevallig evangelie: het evangelie, dat de mens die er op ingaat, werkelijk verlost uit satans macht en hem overplaatst in Gods Koninkrijk.

Het brengen van dit evangelie brengt als consequentie mee dat verdrukking en vervolging ons niet bespaard zullen blijven, want de duivel haat de verkondiging en beleving van dit evangelie. Daarbij zullen we er rekening mee moeten houden dat deze verdrukking niet alleen komt vanuit de wereld en het naam-christendom, maar ook via christenen die het volle evangelie afwijzen. Immers zolang we het echte evangelie afwijzen zitten we nog in verkeerd vaarwater en heeft satan een vinger in de pap.

Het evangelie zonder compromis

Jezus was altijd bezig op radicale en compromisloze wijze het evangelie te verkondigen. Voor Hem bestond er geen halfslachtigheid of vaagheid. Hij wist hoe geraffineerd en listig satan de mensen gebonden probeerde te houden. Maar in gehoorzaamheid aan de opdracht van de Vader was Hij ten alle tijde bezig satan te ontmaskeren en te overwinnen.

Het evangelie van het Koninkrijk is een geestelijk evangelie, daarom kan het nooit op één lijn gesteld worden met veel hedendaags evangelie, wat horizontalistisch is of allerlei theorieën naar voren brengt van wat er op deze aarde kan gaan gebeuren. Jezus sprak: “Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld” Johannes 18 vers 36 (Joh. 18:36). Het volle evangelie maakt ons juist los van deze wereld. Het bindt ons aan de Vader, dat wil zeggen maakt ons één met Hem. Johannes schrijft: “Onze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus” 1 Johannes 1 vers 3b (1 Joh. 01:03b).

Het bewerkt dat we de dingen gaan zoeken, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods en dat we de dingen bedenken die boven zijn, niet die op de aarde zijn” Kolossenzen 3 vers 1 (Kol. 03:01). Het maakt ons bewust dat we hemelburgers zijn die, vanuit onze plaats in de hemelse gewesten, leren strijden en overwinnen.

Het is een heerlijke zaak betrokken te zijn bij de verkondiging van dit evangelie. Daarbij wordt niet van ons gevraagd of wij een speciale bediening of ambt hebben, maar ieder kind van God, dat door Gods Woord en Geest de ogen voor dit evangelie geopend zijn, is geroepen dit evangelie door woord en daad openbaar te maken. Wie trouwens eenmaal dit evangelie heeft leren kennen zal ook niet anders meer kunnen en willen. God heeft zo’n grote liefde jegens ons gehad dat Hij zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen overgegeven heeft, en heeft ons met en in Hem alle dingen geschonken Romeinen 8 vers 32 (Rom. 08:32).

Deze liefde zal bij een waarachtig kind van God nooit onbeantwoord blijven. Hij heeft zijn liefde in onze harten uitgestort door de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Daarom zullen wij als eindtijdchristen niet zwijgen, maar het volle heil proclameren, dwars tegen alle tegenstand in. God zal ons er voor bewaren dat de vijand ons er toe zal brengen een ander evangelie te verkondigen, want er maar één evangelie! Aan dat evangelie willen wij trouw blijven! En al worden wij dan door allen gehaat om zijns naams wil, het is als een rotsvaste zekerheid gegrift in onze harten dat wie volhardt tot het einde behouden zal worden!

 

De mens Gods wordt voltooid door Jan W. Companjen

 

Lezen: Jesaja 11 vers 1 tot en met 10 (Jes. 11:01-10). Vanaf Jesaja 11 vers 9 (Jes. 11:09) staat daar: “Men zal geen kwaad doen noch ver­derf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedek­ken. En het zal te dien da­ge geschieden, dat de vol­ken de wortel van Isaï’ zul­len zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn”.

De groei naar de volwassenheid

Opwassen tot het zoonschap houdt in dat wij de manne­lijke volwassenheid zullen bereiken. Dat wij geestelijk volwassen zullen worden is een geweldig perspectief. In 1 Korinthiërs 13 (het hooglied van de liefde) staat: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, dacht ik als een kind en re­deneerde ik als een kind; eenmaal man geworden legde ik mijn kinderlijke manier van doen af.

Wat we nu nog zien zijn de vage beelden in een spiegel, maar dan (als we volwassen zijn) staan we oog in oog. Nu is mijn kennis beperkt, maar dan zal ik kennen zo­als God mij kent”.

Paulus doelt hier op de gro­te gave van het nieuwe ver­bond in Jezus Christus, dat wij God leren kennen zoals Hij in werkelijkheid is en dat wij de Zoon Gods gelijk­vormig zullen worden.

Het Woord Gods zal ook in het lichaam van Christus, de gemeente, vlees worden. Dat wil zeggen dat wij als gemeente van Christus tot één Geest zullen gaan samengroeien met de Vader en de Zoon opdat wij één zijn zoals de Vader en de Zoon reeds een samen ge­smolten eenheid is. Deze eenheid van God en Jezus is het voorbeeld voor de eenheid van de gemeente en die eenheid komt voort en wordt mogelijk gemaakt door de doop in de Heilige Geest. Christus in ons, de hoop der heerlijkheid is daarbij ons devies. Gods Geest moet en zal aldus gestalte krijgen in ons vlees en le­ven. Alles wat daarvoor no­dig is, is volbracht op het kruis van Golgotha. De ak­ker is de wereld, daarop speelt zich alles af. Die ak­ker, de wereld dus, is ge­kocht en betaald met het leven van Jezus Christus. Hij heeft ons gekocht voor God met zijn bloed uit elke stam, taal, volk en natie Openbaring 5 vers 9 (Openb. 05:09).

Vermeerdering van de geestelijke kennis

Het opwassen tot het zoon­schap houdt in dat onze Geestelijke kennis vermeerderd wordt. Er zijn zo in de loop der jaren nogal wat leerstukken ontstaan die zeer belemmerend werken op het goed verstaan van Gods Woord en daardoor de groei van de kennis Gods in de weg staan. Het is de duivel gelukt om dusdanige barricades op te bouwen dat het zuivere uitzicht vol­komen verloren is gegaan.

Eén daarvan is het leerstuk van de drie-eenheid. Het geloven in een eenheid die bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Wie Jezus wil gaan volgen en zich wil gaan uitstrekken naar zijn beeld, zal bij het leerstuk van de drie-eenheid al spoedig merken dat dit leerstuk een geweldig ob­stakel is naar de ‘volheid Gods’. Uit dit dogma komt toch immers naar voren dat Jezus toch eigenlijk God zelf is/was, en geen mens van vlees en bloed zoals u en ik. Hij wordt boven het algemeen menselijke gesteld en zijn inspirerend voorbeeld, wat Gods Geest in een mens van vlees en bloed vermag, gaat volkomen verloren. Hij was God, handelde Goddelijk, maar wij, wij zijn maar mensen. Mensen van vlees en bloed, weliswaar ge­doopt met de Heilige Geest, maar toch… ergens zon­daars en mensen met een mankement die niet geheel de weg Gods kunnen gaan.

Nu, geliefde broeders en zusters, ik kan u verzeke­ren dat, als u zo denkt, uw denken nog kinderlijk is en/of door de duivel gebeten bent. (Drie-eenheid)De slang, die hielenbijter, is er de oorzaak van dat uw gang op het geestelijke pad nog niet vast en zeker is.

God is Geest en Hij open­baarde zich in Christus. Hij schiep na de eerste Adam een nieuwe Adam en zijn Woord, dat gesproken was voor het gehele menselijke geslacht, werd vlees, werd zichtbaar in deze wereld. Hij werd aldus de eerstgeborene van een nieuw menselijk ge­slacht waarmee God de Va­der van al het Geestelijke leven, contact kon onder­houden. Dé Heilige Geest is de Geest van God en die Geest van kracht, liefde, volheid en oneindige goed­heid, die alles wat door de duivel overweldigd is, weer wil herstellen, wil wonen in mensen, waarvan Jezus Christus de eerste was. Zo­als reeds eerder gezegd kunnen wij dit het beste vergelijken met het menselij­ke lichaam, dat ook een drie-eenheid is, namelijk geest, ziel en lichaam. Die drie zijn ook één en niet te scheiden.

Jezus koos bewust voor de weg Gods

Jezus, in wie het Woord Gods als eerste gestalte kreeg, was een mens zoals u en ik. Hij had een eigen vrije wil. Hij kon wel en ook niet naar Golgotha gaan. Hij wist dat God zijn Vader was en koos bewust voor de weg Gods. Hij kocht ons aldus vrij uit de macht van satan. Hij be­dacht de dingen die boven zijn. Hij was de eerste met een volkomen geestelijk le­ven die kon zeggen: Ik doe geen ding of de Vader heeft het mij gezegd, ge­leerd. Zijn kennis was vol­komen. Hij wist dat Gods Geest alles in Hem was en daarom kon Hij zeggen: Voor de wereld er was, was Ik. Zoals Ik, Jezus, ben zo heeft God, de Vader van de ganse schepping, zich de mens vanaf de schep­ping gedacht.

Wij zijn, door geloof in Hem, mede opgenomen in dat grote plan Gods en met Christus mede gezet in de hemelse gewesten om daar het plan Gods te gaan uit­voeren. Daarvoor is ken­nis, Goddelijke kennis no­dig. Door de eeuwen heen is er steeds een strijd ge­weest tussen de mens die de zintuigen (hetgeen je zag, voelde, hoorde, enz.) lieten meewerken bij hun inzicht betreffende de ‘wa­re kennis’ en hen die het werk van de zintuigen op een laag pitje hielden. Menigmaal is in de geschie­denis gebleken dat bepaal­de kennis radicaal omver werd gegooid. Onder andere vond dit plaats door de steeds verdere ontwikkeling van de techniek. Na alle onderzoek kwam men uitein­delijk tot de Bijbelse conclusie dat ons kennen als mens, ten dele is. Ware kennis, zowel in het Geeste­lijke als in het natuurlijke, is slechts mogelijk door communicatie met God de Vader en Schepper van al­les waarover wij als mens, als kroon der schepping, gesteld zijn. Zijn Geest zal ons leiden naar het juiste inzicht en daardoor tot de ware kennis, namelijk Gods plan met deze wereld.

In 2 Korinthe 2 vers 6 tot en met 16 (2 Kor. 02:06-16) lezen wij een duide­lijke uiteenzetting betreffen­de deze Goddelijke wijsheid. Het geweldige plan Gods, waarbij het gehele volk Gods dat door Christus gered is, betrokken is. Paulus zegt daarvan in het genoemde Schriftgedeelte dat het een wijsheid is bedoeld voor in­gewijden. Het is niet een wijsheid van deze wereld of van de machtigen van deze wereld, want aan hun macht komt een einde. Nee, wat wij verkondigen is Goddelij­ke wijsheid die zal dienen tot glorie van de ganse schepping. Zouden de anti- goddelijke machten die de kruisiging van Jezus uitein­delijk hebben bewerkstel­ligd, van dit plan op de hoogte zijn geweest, dan hadden zij Christus niet la­ten kruisigen. Zij hebben zich namelijk aldus zelf van hun macht beroofd.

God zelf wijst ons de weg

Het is daarom dan ook zo’n harde noodzaak dat wij in deze eindtijd door God zelf geleerd worden. Wij zullen er voor moeten komen open te staan dat Hij ons ook heden, vandaag, iets te zeggen heeft op de weg naar het herstel van alle dingen. Daarvoor is het openbaar worden van de zonen Gods noodzakelijk en dat de gaven van de Geest weer goed gaan functioneren. Ook is het belangrijk dat wij door profeten en leraars weer op het juiste pad, de hoge weg, worden gezet.

Voor een ieder die geloof heeft en met ons belijdt dat de toekomst, ook van deze wereld, des Heren is, gaan de deuren open, gaat de hemel open en wordt de boekrol geopend. Een rol tot de eindtijd bewaard voor hen die daartoe zijn opgeklommen.

In dat Messiaanse vrederijk zal men geen kwaad doen, noch verderf stichten, want de aarde zal vol wor­den van de kennis des He­ren. En het zal te dien dage geschieden dat de volken de wortel van Isaï (Jezus Christus) zullen zoeken. Dan zal Jezus in het middel­punt staan, als een banier van de natiën en zijn rustplaats zal heerlijk zijn.

Jezus komt alle eer toe, Hem het hoogste eerbetoon. Hij vervult Gods raads­besluit.

De mens Gods wordt in ons voltooid!

 

 

 

Het nieuwe Jeruzalem (gedicht) Piet Snaphaan

Een Stad onwankelbaar gebouwd.

Met kostbare talenten,

Als Gods stad werd zij eens ontvouwd,

Johannes had haar reeds aanschouwd,

Als Stad met fundamenten.

 

Een Stad van ruimte, levend Licht,

Versierd met edele soorten,

Jeruzalem door God gesticht,

Zij krijgt gestalte, komt in ’t zicht,

Als stad met open poorten.

 

Jeruzalem gij Stad in wien,

Geen zon zich hoeft te tonen,

Waar ook geen tempel is te zien,

God is haar Licht, en bovendien,

Is zij als Stad volkomen.

 

O, heil’ge Stad, die vol zal zijn,

Van heerlijkheid en luister,

Met hemelburgers, groot en klein,

Die door het bloed gereinigd zijn,

Ontkomen aan het duister.

 

De profeet Zacharia door Klaas Goverts – 6 –

Het gesprek wordt hersteld

Het thema van Zacharia 3 zouden we als volgt kunnen formuleren: het herstel van het gesprek. “Vervolgens deed Hij de hogepriester Jozua zien, staande voor de Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). De gestalte die hier in het middelpunt staat, is de hogepriester; hij vertegenwoordigt het priesterschap. Zijn naam is veelbetekenend: Jozua wil zeggen: de Here bevrijdt. Dit is God op het hart geschreven; zo is zijn wezen: Hij doet niets liever dan bevrijden, in de ruimte zetten, zoals de oorspronkelijke zin van het woord is. Maar in welke ruimte zet God de mens? In de ruimte van het gesprek. Mens zijn is aangesproken zijn. Mens zijn is antwoord geven, nog dieper, nog intenser: antwoord worden aan God. God wil dat we onszelf leren zien: jij bent antwoord, waar Hij op wacht.

Er is nog een gedachte die door de naam Jozua wordt opgeroepen: de herinnering aan de oeroude daden van bevrijding ten tijde van de intocht in Kanaän wordt erdoor wakker gemaakt. Eenmaal was daar een Jozua die het volk voorging en die ruimte maakte in het land. Derhalve, wanneer hier opnieuw de naam Jozua klinkt, dan gaat er een heimwee leven, een diep verlangen, een hunkering naar die daden Gods van het begin, Jozua, die zoete naam met zijn verborgen schatten: zou die naam nog eens opnieuw door de hemelen gaan ruisen, zou die naam nog weer de geestelijke wereld in beweging kunnen zetten, zou de Here nog weer eens als in de dagen van de oertijd, als in de dagen van het begin, als in de morgenstond van de geschiedenis, een God van bevrijding kunnen worden?

De heenwijzing naar de volkomen mens

Jozua, naam die oertijd en eindtijd verbindt, want tegelijk is deze naam een heenwijzing naar de naam Jezus, de volkomen mens, de laatste Adam, dat wil zeggen de laatste Mens, of wel de mens van het eindstadium, de mens in wie alle bevrijdende daden van God hun concentratiepunt, hun realisering, hun eindvervulling vinden.

Zo staat daar deze Jozua, gestalte van priesterschap en bevrijding. Een priester is een oprichter, want het Hebreeuwse woord ‘cohen’ hangt samen met een werkwoord dat op richten betekent. Een heel diep verband, want daarin ontdekken we dat een priester in wezen betrokken is bij de wederoprichting van alle dingen. Zoals God oprichter is, wederoprichter, zo zal de ware mens daarin deelgenoot zijn; een priester is iemand die het gevallene opricht, het neergebogene opheft, het verdrukte doet opstaan, opdat het weer mens zal zijn.

De aangetaste identiteit

Zo zien we deze Jozua daar staan, maar er is iets met hem aan de hand, het beeld wordt verduisterd, zijn gestalte is niet helder, zijn identiteit is aangetast, zijn oog omfloerst. Er staat een aanklager aan zijn rechterhand; niet Jozua is degene die spreekt, maar die aanklager heeft het woord. Zo is er geen gesprek, datgene waar de hele geschiedenis op gebouwd is, het gesprek tussen God en mens, dat is geblokkeerd. We komen hier tot het hart van de zaak, het hart van de wereldhistorie: als er geen priesterschap is, staat de geschiedenis stil. Dan is er geen heling van de tijd. Zo priester, zo volk: dat wil ook zeggen: als de priester verstomt, als de priester faalt, geremd is, met beschaamd gelaat staat, dan is er geen hoop voor het volk, geen hoop voor de schepping, geen uitkomst voor de geschiedenis, dan is de historie niets anders dan een langzaam doodbloeden van de tijd, een sterven van volkeren.

Herkennen we hierin niet het beeld van de gemeente door vele eeuwen heen, in het verleden en nu nog? De aanklager staat aan haar rechterhand. In naam van God zijn heel vaak geen daden van bevrijding verricht, maar integendeel, juist daden van knechting. Zo lezen we bijvoorbeeld: ‘Geregeld doken er karavanen met witte vlaggen uit de woestijn op. De kamelen zwaar bepakt met ivoor en gom, en gevolgd door troepen aan elkaar gebonden negers. Een neger kostte een halve schepel tarwe en bracht in Portugal in onze waarde twee a drie duizend gulden op. De Portugezen vonden dat het fortuin hun zo langzamerhand wel toekwam. In een reisverslag staat ronduit: Eindelijk behaagde het God, de Beloner van alle goede daden, voor de menigvuldige in zijn dienst geleden tegenspoeden, hun roem voor hun moeiten en vergoeding voor de onkosten te geven, want aan mannen, vrouwen en kinderen werden tezamen 165 stuks gevangen’.

Zo werd het priesterschap verdonkerd; de bevrijding bleef uit. Aanklacht na aanklacht stapelde zich op. Wat gemeente moest heten, werkte niet mee met de Bevrijder, doch maakte gemene zaak met de slavendrijver. Zo staat de gemeente daar, met vuile klederen, een gestalte, belast en besmet, niet meer in staat tot gesprek, want de aanklager heeft gelijk.

Wie kan het gesprek herstellen

Is er dan nog een wending mogelijk? Kan priesterschap hersteld worden? Alleen als God een brandhout uit het vuur rukt. Het vuur woedt, het vuur spaart niets en niemand, het vuur kent geen mededogen; zo is de grimmigheid van de boze. De priesters hadden hun positie verspeeld en ballingschap was het resultaat, als een vuur had Babel het heiligdom en de dienst des Heren verteerd, de dienaren ontluisterd. De wegen naar Sion treuren, haar priesters zuchten, zo horen we in Klaagliederen.

Alleen God kan de aanklacht tot zwijgen brengen en het gesprek herstellen. “De Here echter zeide tot de satan: De Here bestrafte u, satan, ja, de Here, die Jeruzalem verkiest, bestraffe u” Zacharia 3 vers 2 (Zach. 03:02). Heel sterk komt in de wijze van formuleren naar voren: de vrijspraak gaat van God zelf uit. De Here, dat is zijn exodus- naam, Hij is de God van de vrijspraak, de God die er immer weer op uit is, het gesprek weer op gang te brengen. Door vrijspraak wordt het gesprek weer geopend. Het woord ‘bestraffen’ betekent eigenlijk: schelden. God scheldt de satan, dat is de hinderaar, de dwarsligger.

Dan gaat er iets veranderen. Dan is het niet meer: de satan aan mijn rechterhand, maar: de Here is aan mijn rechterhand, en daarom wankel ik niet Psalm 16 vers 8 (Ps. 016:008). Eerst zou de mens wankelen en vallen, hij kon niet staande blijven in het gericht, maar nu wankelt hij niet langer, hij kan staan te midden van de gerichten. Zo werd Jezus de eerste mens die stand hield in het gericht, zodat van Hem gezegd kon worden: “Want Hij (de Vader) is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou” Handelingen 2 vers 25 (Hand. 02:25), waar Petrus de genoemde psalm citeert en toepast op Jezus) .

De verwrongenheid gaat verdwijnen

Jozua was met vuile klederen bekleed, terwijl hij voor de Engel stond. Toen nam deze het woord en zeide tot hen die voor Hem stonden: Doet hem de vuile klederen uit” Zacharia 3 vers 3 en 4a (Zach. 03:03-04a). Er staan dienstengelen gereed en zij worden ingeschakeld om Jozua te ontdoen van de oude klederen. Dan komt het woord tot hem: “Zie, Ik neem uw ongerechtigheid van u weg, Ik trek u feestkleren aan” Zacharia 3 vers 4b (Zach. 03:04b). Het begrip ‘ongerechtigheid’ heeft als grondbetekenis: verwrongenheid. Zonde maakt het wezen van de mens verwrongen. Hij kan zichzelf niet meer zijn. Letterlijk staat er: Ik doe uw verwrongenheid van boven u overtrekken. Zoals een nevel boven het hoofd van een mens wegtrekt. De verwrongenheid moet plaats maken voor feestdracht. Het hier gebezigde woord voor feestkleren komt slechts tweemaal in Tenakh voor en duidt, vanuit het Arabisch afgeleid, op geschonken erekledij.

Nu is het frappant dat we in vers 5 lezen: “Ik nu zeide” . We bemerken dat de profeet hier zelf een aandeel krijgt in het restaureren van het priesterschap. Hij raakt betrokken in het gesprek. Hij geeft aan wat er nodig is om Jozua in zijn ambt te herstellen. God wil niet dat de mens maar gelaten alles over zich heen laat komen, maar dat hij bewust en met inschakeling van zijn denkvermogen meedoet. Van Zacharia als profetisch mens wordt verwacht dat hij gedachten aandraagt die in het herstelplan van God passen. God zoekt de mens die met Hem meedenkt, met Hem meeleeft, met Hem meevoelt. Die mens zal meer en meer gaan aanvoelen wat er nodig is voor de realisering van Gods bedoelingen.

“Ik nu zeide: Laat ze een reine tulband op zijn hoofd zetten” Zacharia 3 vers 5a (Zach. 03:05a). Met de tulband wordt aangeduid een doek die meermalen om het hoofd gewikkeld wordt, het teken van de hogepriesterlijke waardigheid. Toen Jozua daar stond voor God, was hij derhalve ook zijn waardigheid kwijt. Wat Zacharia hier naar voren brengt, is dus van de hoogste importantie; hij beseft dat er één ding urgent is: het herstel van de waardigheid. “Toen zetten zij een reine tulband op zijn hoofd en trokken hem een staatsiegewaad aan, terwijl de Engel des Heren erbij stond” Zacharia 3 vers 5b (Zach. 03:05b). Letterlijk staat er: ze bekleedden hem met gewaden. Speciaal wordt erbij vermeld dat de engel of bode des Heren tijdens deze plechtigheid stond, dat houdt dus in dat hij van zijn zetel opgestaan was. Staan duidt op een strijdbare houding. Het is een strategisch moment. Wanneer het priesterschap hersteld wordt, staan de engelen op. We bespeuren hier een geestelijke wet: wanneer de priesters weer tot waardigheid komen, heeft dat zijn uitwerking in de geestelijke wereld; de engelen verheffen zich dan om tot actie over te gaan.

De bewaring des Heren

“Hierop vermaande de Engel des Heren Jozua: Zo zegt de Here der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan” Zacharia 3 vers 6 en 7 (Zach. 03:06-07) . Nauwkeurig vertaald staat er niet: hij vermaande Jozua, maar hij betuigde Jozua.

Vervolgens is er sprake van twee voorwaarden en drie beloften. De voorwaarden zijn: in mijn wegen gaan, en de opgedragen taak waarnemen, letterlijk staat er een uitdrukking die met name in Numeri nogal een rol speelt: mijn bewaring bewaren. Dit mogen we niet zomaar slordig vertalen; dan gaat de kracht eruit. Van Abraham zegt God in Genesis 26: “hij heeft bewaard mijn bewaringen” . In Leviticus 8 klinkt de oproep tot Aaron en zijn zonen: “bewaart de bewaring des Heren” Leviticus 8 vers 35 (Lev. 08:35) . Dat gaat dieper dan wat het NBG noteert: “gij zult het u door de Here gegeven voorschrift in acht nemen” . Het gaat hier om de bewaring des Heren. Dat wil zeggen: het gaat erom, wat God bewaart. Hij is principieel degene die bewaart. Wat bewaart Hij? Hij is de bewaarder Israëls, Hij bewaart de mens, de schepping die Hij gemaakt heeft. Nu ontvangt de mens de opdracht, te bewaren de bewaring Gods, anders gezegd: hij moet bewaren wat God bewaart. Hij is dus geroepen om navolger van God te zijn. Juist tegen de achtergrond van de ballingschap, waar immers zovele kostbare waarden verloren gingen, krijgt deze opdracht die Jozua ontvangt, zijn bijzondere reliëf.

Zo ook nu, in onze dagen: God plaatst ook ons als priesters voor de taak, te bewaren wat Hij bewaart. De gemeente heeft de roeping, te bewaren; wat zal zij bewaren? Het waarachtige mens zijn, de waarde van het bestaan, zo aangevochten in deze tijd waarin de mens gelijk gesteld wordt met een machine, een onpersoonlijk voorwerp. De gemeente zal bewaren de waarde van God, in een tijd waarin zovelen het kwade aan Hem toeschrijven. De gemeente zal bewaren de waarde van de schepping, in een tijd waarin zovelen zeggen: alles, hoe schoon ook, zal eenmaal vergaan; in een tijd waarin velen de aarde afschrijven als ‘wijlen de planeet aarde’ (the late planet earth) . De gemeente zal bewaren alles wat haar Meester bewaart.

De mannen van het wonderteken

Dan zijn er drie beloften: ten eerste, gij zult mijn huis richten, ten tweede, ge zult mijn voorhoven bewaren (weer dat woord ‘bewaren’), en ten derde, Ik zal u doen verkeren, letterlijk: Ik zal u toegangen geven tussen hen die hier staan. Dus hem wordt toegezegd de entree in de geestelijke wereld, de toegangen tussen de hemelse heerscharen zullen voor hem openliggen.

“Hoor toch, Jozua, hogepriester, gij en uw gezellen die voor u zitten – zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen – ”            Zacharia 3 vers 8a (Zach. 03:08a). Nu wordt hij aangesproken met zijn gezellen, er staat eigenlijk: uw genoten, dat wil zeggen uw deelgenoten, uw lotgenoten, uw reisgenoten of volksgenoten. Een mens is nooit alleen; hij is er altijd samen met zijn genoten, hij staat altijd in een gesprek. De mannen die hier met Jozua verbonden optreden, zijn de priesters. Zij zijn mannen van het wonderteken, dat houdt in dat zij zelf door hun aanwezigheid een teken vormen, een teken dat naar Gods toekomst wijst, teken van een nieuwe tijd, keerpunt in de geschiedenis.

De genezer van de eenzaamheid

“Voorwaar, zie. Ik zal mijn knecht, de Spruit doen komen” Zacharia 3 vers 8b (Zach. 03:08b).

We hebben hier te maken met een naam van de Messias; ook Jeremia sprak reeds over de Spruit: “Zie, dagen komen, is de uitspraak des Heren, dat Ik zal doen opstaan voor David een rechtvaardige (eigenlijk waarachtige) Spruit” Jeremia 23 vers 5 (Jer. 23:05). Trouwens we kunnen nog verder teruggaan: Jesaja heeft al een dergelijke gedachte doorgegeven: “Te dien dage zal wat de Here doet uitspruiten (letterlijk: de Spruit des Heren) tot sieraad en tot heerlijkheid zijn” Jesaja 4 vers 2 (Jes. 04:02). Een uitermate verkwikkend woord, juist tegen de achtergrond van de doorstane ballingschap. Na de dorheid en doodsheid, de jaren van onvruchtbare aarde, van vruchteloze moeite, van zinloosheid, eindelijk weer een sprietje boven de grond. Wat een vreugde na een lange barre winter, als er op de wijde kale vlakte weer iets groens opschiet.

Wanneer Jesaja het herstel van de ballingschap wil typeren, gebruikt hij maar liefst negen keer de woorden spruit of uitspruiten. Zo bijvoorbeeld in dat prachtige slotvers van Jesaja 61, dat letterlijk vertaald aldus luidt: Want zoals de aarde haar spruit doet uitgaan, en zoals een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here Here waarachtigheid en lof doen uitspruiten ten overstaan van alle volken.

Wat is die Spruit? Een mens, een knecht van God; een mens in gesprek met de hemel en in gesprek met de aarde. Zacharia ziet hem komen. Zo zal Jezus straks zijn; hij wordt de mens die volledig staat in het gesprek met zijn Vader, en die daarom het gesprek met de aarde aankan. Zo is Hij knecht, Hij dient de hemel en de aarde. Zo geneest Hij de eenzaamheid van de geschiedenis.     (wordt vervolgd) .

 

In de voetstappen van Jezus door G. J. R. Doornink

 

“Want hiertoe zijt gij geroe­pen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voorbeeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden”

1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21).

Als gemeente van de eindtijd zijn wij geroepen de volheid van Jezus te openbaren. Soms lijkt het wel dat we hiervan nog ver verwijderd zijn, als we zien op de ver­deeldheid , krachteloosheid en liefdeloosheid, die zich in de gemeente vaak nog openbaart, in plaats van de overwinning van Jezus.

Toch mogen we er zeker van zijn dat God die in ons een goed werk is begonnen dit ook zal voortzetten! Alle op­rechte kinderen Gods die het verlangen hebben meer en meer de heerlijkheid van God door hun leven heen tot openbaring te brengen, zullen ervaren dat God dit door zijn Geest ook be­werkt. Wie de weg met Je­zus in geloof en gehoor­zaamheid bewandelt, gaat ook steeds meer het beeld van Jezus openbaren. Hij laat zich niet afremmen door welke tegenwerkende macht uit het rijk der duis­ternis ook, maar heeft slechts één doel voor ogen: Gods wil te doen. En Gods wil is “het goede, welge­vallige en volkomene” Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02). Gods Geest is de grote inspiratiebron in zijn leven. En daardoor is het mogelijk ten volle Jezus als voorbeeld te volgen, daardoor is het iedere dag opnieuw mogelijk in zijn voetstappen te treden.

Vijf redenen om Jezus te volgen

Wij willen nu vijf redenen bespreken waarom wij in de voetstappen van Jezus behoren te treden.

– Omdat God liefde is.

God zond het allerliefste wat Hij bezat, zijn eniggeboren Zoon, naar deze wereld. Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16) zegt: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verlo­ren ga, maar eeuwig leven hebbe”. Toen Jezus op aarde was openbaarde Hij in ieder opzicht wat Goddelijke liefde was. Hij vergaf de zondaren hun zonde, Hij genas de zieken en bevrijdde de gebondenen. Hij toonde wat er leefde in het vaderhart van God. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:03) zegt dan ook van Hem dat Hij de afstraling van Gods heerlijk­heid was en de afdruk van zijn wezen. Niet alleen in het doen van wonderen en tekenen bewees Hij Gods liefde jegens de mensen, maar het kwam door heel zijn leven tot openbaring. Petrus schrijft dat als Hij gescholden werd, niet te­rugschold en als Hij leed niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaar­dig oordeelt 1 Petrus 2 vers 23 (1 Petr. 02:23).

Nu Jezus niet meer lichame­lijk op aarde is, heeft de gemeente tot taak deze God­delijke liefde te openbaren. Wij zijn nu het lichaam van Christus. Wij mogen dezelf­de dingen doen die Hij deed, maar ook zullen we er rekening mee moeten houden, dat ook wij veel onrecht zullen moeten ver­duren. Maar een waarachtig kind van God weet dat niets en niemand hem kan scheiden van de liefde Gods geopenbaard in Jezus Christus. Hij brengt niet alleen de gaven maar ook de vrucht van de Geest tot openbaring, want zóu dat niet het geval zijn, dan zou de wereld niets kunnen bemerken van het feit dat God een God van liefde is. Daarom willen wij treden in de voetstappen van Jezus!

– Omdat Christus een volkomen Verlosser is.

Jezus is de Verlosser naar lichaam, ziel en geest. Pe­trus schrijft van Hem dat Hij onze zonden in zijn li­chaam op het hout ge­bracht heeft, opdat wij aan de zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zou­den leven; en door zijn striemen zijt gij genezen” 1 Petrus 2 vers 24 (1 Petr. 02:24). Dit werd reeds door de profeet Jesaja geprofeteerd en later ook door Matthéüs aan ge­haald als Jezus zieken ge­neest en boze geesten uit­drijft Matteüs 8 vers 16 en 17

(Matt. 08:16-17).

De gemeente van Jezus Christus zal daarom ook op dit punt nooit water in de wijn mogen doen, zoals he­laas hier en daar is gebeurd. We kunnen ons daarbij niet verschuilen achter fouten en fanatieke handelingen die door sommigen gemaakt zijn in het verleden. De gene­zing en bevrijding behoort altijd een wezenlijk onder­deel van de prediking van het evangelie te blijven.

Ook in dit opzicht mogen wij het nooit anders doen dan Jezus deed.

– Omdat Hij ons voorbeeld is .

Petrus zegt dat Hij ons een voorbeeld heeft nagelaten. Dat spreekt helemaal voor zichzelf. Hij deed voor, zo­als wij het ook behoren te doen. Zoals een onderwij­zer op school de kinderen voorbeelden geeft, die zij moeten navolgen, zo is Je­zus ons grote geestelijke voorbeeld. Van Hem zegt Hand. 10:38 dat Hij is rondgegaan, weldoen­de (goeddoende) en gene­zende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem”.

Zo zal God ook met ons zijn als we dit levende voor­beeld volgen. Zoals satan aan Jezus niets had, zal hij ook aan ons niets hebben, als we door het voorbeeld van Jezus te volgen, wan­delen in zijn voetstappen.

– Omdat wij door geloof moeten leven.

Paulus schrijft in 2 Korinthe 5 vers 17 (2 Kor. 05:17) dat wie in Christus is een nieuwe schepping is, en dat het oude voorbij is. Het nieuwe leven van Jezus is in ons. We leven nu door het ge­loof, zoals we ook door het geloof een kind van God zijn geworden. In Galaten 2 beschrijft Paulus dat op zo’n duidelijke wijze: “Ik leef, dat is niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu nog in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God”.

Wij behoren ons veel meer te realiseren dat wij door het geloof moeten leven. Niet op de omstandigheden zien, niet vertrouwen op de zintuigen, geestelijk gesproken uiteraard, maar alleen zien en vertrouwen op Gods beloften geopen­baard in Jezus Christus. 1 Johannes 5 vers 4 (1 Joh. 05:04) zegt: “Dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof”. In de voetstappen van Jezus gaan is alleen maar moge­lijk als we de geloofsweg willen bewandelen.

– Omdat wij er toe geroepen zijn

Met dit facet begint onze aanvangstekst. Feitelijk is deze reden de meest belang­rijke. In het natuurlijke le­ven is het een vanzelfspre­kende zaak dat wanneer ie­mand door een autoriteit geroepen wordt om bijvoor­beeld bij hem te komen voor een bespreking of opdracht, hij ook daaraan gevolg geeft. Hoeveel te meer zullen wij gevolg moeten geven als God ons roept om in de voetstappen van Jezus te treden!

Daarom mag geen enkel kind van God deze oproep van Petrus naast zich neerleg­gen en voor kennisgeving aannemen. Wij zijn geroepen om in de voetstappen van Jezus te treden. Hij heeft voor ons geleden, Hij heeft de volle prijs voor on­ze verlossing betaald. Hij heeft ons een voorbeeld nagelaten, opdat…

Het gaat in deze eindtijd om de waarachtige navolging van Jezus. Ieder compromis, iedere halfslachtigheid is uit de boze. Wie deelgenoot wil zijn van Gods grote her­stelplan met zijn schepping behoort zich volledig te la­ten inschakelen. God zoekt in deze tijd naar oprechte arbeiders. Het enige wat waardevol is in deze materialistische en occulte wereld is ingeschakeld zijn in dit grote plan van God.

Daarbij mogen we bedenken dat God niet iets van ons vraagt wat wij niet zouden kunnen verwezenlijken. Als Hij iets van ons vraagt geeft Hij ons ook de moge­lijkheden en de middelen om het te kunnen doen. Dat geldt ook ten opzichte van het gaan in de voet­stappen van Jezus. Hij heeft ons zijn Woord gege­ven en niet te vergeten de Heilige Geest. Zij bepalen de weg die wij hebben te gaan.

En deze weg, dit treden in de voetstappen van Jezus, is een geestelijke aangele­genheid, maar waarvan de resultaten op aarde zicht­baar worden. Onze plaats is met Jezus in de hemelse gewesten. Van daaruit opereren wij als vertegenwoordigers van Gods Ko­ninkrijk .

Wie in eigen kracht of door eigen inspanning in de voetstappen van Jezus wil treden zal al spoedig falen. Maar wie zich door Gods Woord en Geest laat leiden, zal ontdekken dat er niets heerlijkers denk­baar is dan Jezus als voorbeeld te volgen en in zijn voetstappen te gaan. Want hij is daardoor voor anderen een levende wegwijzer naar het Konink­rijk van God.

 

Geestelijk licht op de eindtijd door Wim te Dorsthorst – 6 –

De vervulling van Daniël 2

Bij de opening van het zevende zegel gebeurt er niet plotseling iets, maar alles wat in de vorige zegels op gang is gekomen, zal ten tijde van het zevende zegel voltooid worden. Het zal tot volheid komen. Het zevende zegel wordt onderverdeeld in de zeven bazuinen, de drie weeën en de zeven schalen. Deze periode wordt beschreven in Openbaring 8 tot en met 19. Al de profeten spreken er van. Ook Jezus heeft vaak over deze dingen gesproken. In het bijzonder in Matthéüs 24 en 25, wat daar genoemd wordt: ‘Rede over de laatste dingen’ (zie ook Markus 13 en Lucas 21).

Twee zaken komen nu tot volheid. In de eerste plaats de gemeente van Jezus Christus, het geheimenis Gods Openbaring 10 vers 5 tot en met 7 (Openb. 10:05-07) , wat dan uitloopt op het koningschap. In Openbaring 11 vers 15 (Openb. 11:15) wordt de zevende bazuin geblazen en met gejubel in de hemel wordt met luide stem geproclameerd: “Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heer en aan zijn Gezalfde en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” . Hier zien we de vervulling van de profetie in Daniël 2 waar gesproken wordt over de steen, die zonder toedoen van mensenhanden losraakt, het beeld (Babel) verbrijzeld, en wordt tot een grote berg, die de gehele aarde vulde Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . De God des hemels richt een eeuwig Koninkrijk op, dat in eeuwigheid niet onder zal gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan Daniel 2 vers 44 en 45 (Dan. 02:44-45) . Het is een Koninkrijk gegrondvest op waarheid en recht Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06).

Het tweede dat tot volheid komt is ‘Babel’. Ook Babel komt tot volheid, tot vrucht dragen. Die vrucht is ook een koningschap, namelijk de antichrist met zijn gemeente: de zonen des verderfs. Ook dit vindt in het verborgene plaats, tenminste voor de ongeestelijke mensheid. Paulus spreekt ook over “het geheimenis der wetteloosheid, wat reeds in werking is” 2 Thess. 2 vers 7

(2 Thess. 02:07). Hij zegt over de antichrist in 2 Thessalonicenzen 2 vers 4

(2 Thess. 02:04): “De zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een God is”.

Dit is het koningschap wat Babel voortbrengt, gegrondvest op de vader der leugen, de duivel. Het is het beeld uit Daniël 2, groot en indrukwekkend, vol van geweldenarij. Maar het fundament is een vermenging van waarheid en leugen – wat in wezen niet te vermengen is – wat we in het paradijs al zien in de boom van kennis van goed en kwaad Genesis 2 vers 9b (Gen. 02:09b). Het heeft wel altijd een schijn van godsvrucht gehad, maar in de dag des Heren zal blijken, dat het waardeloos is en in diepste wezen altijd antichristelijk is geweest, met als volle vrucht de antichrist.

Het zal ondergaan als het beeld in Daniël 2, wat getroffen wordt door de steen – beeld van Jezus Christus en de gemeente en later de herstelde volkeren – en het zal zijn als kaf op de dorsvloer in de zomer en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was Daniel 2 vers 34 en 35 (Dan. 02:34-35) . Ook in Openb. 18:20-24 lezen we van de totale ondergang van deze grote stad. En weer is er dan gejuich in de hemel en wordt er iets geproclameerd met een luide stem: “halleluja! Het heil en de heerlijkheid en de macht van onze God, want waarachtig en rechtvaardig zijn zijn oordelen, want Hij heeft de grote hoer geoordeeld, die de aarde met haar hoererij verdierf en Hij heeft het bloed zijner knechten van haar hand geëist” Openbaring 19 vers 1 en 2 (Openb. 19:01-02).

Dit is het kerngebeuren in de hele eindtijd: het openbaar komen van de waarheid, de waardigheid en rechtvaardigheid van God in een volk wat Hem toebehoort. Dat is dus de gemeente van Jezus Christus: “Een volk Gode ten eigendom. U eens niet zijn volk, nu echter Gods volk, eens zonder ontferming, nu in zijn ontferming aangenomen”. “Een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie” 1 Petrus 2 vers 9 en 10 (1 Petr. 02:09-10) . Daarnaast het openbaar worden van de zoon en de zonen des verderfs in de gemeente van de antichrist, met als fundament: leugen en verwarring, dus Babylon. Hierin is geen enkele waardigheid, maar volkomen wetteloosheid en duisternis. Het is een volk wat het merkteken van het beest draagt Openbaring 13 vers 17 (Openb. 13:17) .

Het half uur stilte in de hemel

“En toen Hij het zevende zegel opende, kwam er een stilte in de hemel, ongeveer een half uur lang” Openbaring 8 vers 1 (Openb. 08:01). Ten tijde van de stilte gaat de gemeente tot volle wasdom komen. Het is niet een tijd waarin niets gebeurt, maar tarwe en onkruid groeien naast elkaar op. Niemand ziet het, want het vindt plaats in de hemel, in het verborgene. De vrucht begint zich te zetten en dan zal ook het onkruid duidelijk afsteken tegen de steeds helder wordende hemel van de zonen Gods. Jezus tekent dit geheel in Matteus 13 vers 24 tot en met 30 (Matt. 13:24-30).

In Openbaring 22 vers 11 (Openb. 22:11) lezen wij: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. De heiliging van het volk van God gaat door. De Heilige Geest werkt met steeds meer kracht via de geestesgaven. Werkingen van boze geesten worden door de Heilige Geest meer en meer geopenbaard en bij degenen die zich laten bevrijden “komt er een einde aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk” Daniel 12 vers 7b (Dan. 12:07b). De blik in de hemelse gewesten wordt helderder en de enkel goedheid en waardigheid van God wordt steeds dieper verstaan. Van de andere kant trekt de duivel al zijn troepen samen om het volk van God te benauwen en de ontwikkeling van het zoonschap te blokkeren.

De vroege en de late regen

De gemeente die op dit niveau bezig is – dus in de hemelse gewesten – gaat bidden om de late of spade regen. Veel wordt in deze tijd gebeden om opwekkingen: Heer geef ons een Elia! Geef ons een Johannes de Doper! Heel goed bedoeld en voortkomend uit een bewogenheid voor de nood in de wereld, maar met Jezus Christus en de gemeente hebben we zoveel meer dan een Elia of Johannes de Doper. God laat de profeet Zacharia opschrijven: “Vraagt van de Here regen ten tijde van de late – regen. De Here maakt de bliksemschichten, een stortregen zal Hij hun geven, voor ieder gewas op het veld” Zacharia 10 vers 1 (Zach. 10:01) . Opvallend is dat Zacharia hier ook gelijk een groepering noemt, die we in het christendom kunnen typeren met de verontrusten. Ze zoeken het overal, ze letten op alles wat er gebeurt in de wereld, maar ze vinden geen troost. Er is geen herder die hen leidt en vertroost met de woorden Gods. In Zacharia 10 vers 2 (Zach. 10:02) volgt dan ook onmiddellijk: “Want de serafim (huisgoden) spreken ijdelheid, de waarzeggers schouwen leugen, bedrieglijke dromen spreken zij, nietswaardige troost bieden zij. Daarom trekken zij voort als een kudde die in nood is, omdat zij geen herder heeft”.

Deze mensen worden niet afgeschreven, maar ze zullen straks van de zonen Gods het evangelie van verlossing en herstel horen. Jezus was ook vol van ontferming over de schare die zo voortgejaagd werd. Markus 6 vers 34 (Mark. 06:34) zegt: “En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hen vele dingen te leren” . En zo kwam Hij in het leven van deze mensen als de leraar ter gerechtigheid, waarvan de profeet Joël reeds profeteerde.

Het begrip van de vroege en de late regen is in Israël wel bekend. Wij komen het nog al eens tegen vooral in het oude testament. Het heeft dan een diep geestelijke betekenis.

Regen is onontbeerlijk voor leven, ontwikkeling en vrucht dragen. Jezus spreekt dan ook over ‘het levende water’ dat zal gaan stromen uit het binnenste van een gelovige, die vervuld is met de Heilige Geest Johannes 7 vers 38 en 39 (Joh. 07:38-39) .

De profeet Joël geeft zo prachtig de geestelijke betekenis weer. Hij zegt: “En gij kinderen van Sion, juicht en verheugt u in de Here, uw God, want Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen laat Hij voor u nederdalen, vroege en late regen, zoals voorheen” Joël 2 vers 23 (Joël 02:23). Die regenstromen hebben dus te maken met onderwijzing. “Hij geeft u de leraar ter gerechtigheid; ja regenstromen…” Voor wie? Voor de kinderen Sion, die zich verheugen en juichen! Joël profeteert ook hier weer “over de voor ons bestemde genade” en niet zoals vele ongeestelijke christenen zeggen dat de woestijnen, de zandvlakten weer gedrenkt zullen worden met water en zullen veranderen in oases. (Dit komt nog wel eens bij het herstel van de aarde, maar dat is hier niet aan de orde) . God gebruikt dit beeld altijd in dezelfde betekenis. Dat is interessant om daar op te letten. God legt niet alleen de woorden in de mond van de profeet, maar zorgt ook dat een bepaald beeld altijd dezelfde betekenis houdt.

Regen houdt altijd verband met de onderwijzing of de openbaring van Gods woord en heerlijkheid. Deuteronomium 32 vers 1 en 2 (Deut. 32:01-02) zegt dan ook: “Neigt uw oor, gij hemelen, dan wil ik spreken en de aarde hore naar de woorden van mijn mond. Mijn leer druipe als regen, mijn rede druppelt als dauw, als regenbuien op het jonge groen en als regenstromen op het kruit”. Zie ook Deuteronomium 11 vers 10 tot en met 12; Spreuken 16 vers 15; 1 Koningen 8 vers 36 (Deut. 11:10-12; Spr.16:15; 1 Kon. 08:36).

In Joël 1 vers 10 tot en met 12 (Joël 01:10-12) ontbreekt duidelijk de regen en is er dientengevolge kaalheid en dorheid in het leven van de mensen. “Voorwaar, de blijdschap is beschaamd van de mensenkinderen weggevlucht” (12b).

In de landen van het Midden-Oosten valt in oktober en begin november de vroege regen. De grond die hard geworden is, wordt dan week gemaakt, zodat het bewerkt kan worden en het koren gezaaid. Psalm 65 vers 11 (Ps. 065:011) zegt: “Gij drenkt zijn voren. Gij verzadigt zijn kluiten, door regenstromen maakt Gij het week”. Dan volgen de winterregens, waardoor de grond tot diep toe met water verzadigt wordt Hooglied 2 vers 11 (Hoogl. 02:11). In de lente wordt het snel weer warmer en droger en er zou geen oogst komen als de late regen niet zou vallen. Als dit uitblijft, dan verschrompelt het gewas en kan de vrucht zich niet ontwikkelen. Daarom behoort omstreeks april, als de vrucht zich gezet heeft, de late of spade regen te vallen, waardoor het koren dat zich in de aar gezet heeft, tot volle rijpheid komt, waarna de oogst volgt.

Het is nodig dit beeld geestelijk te verstaan. Door de doop in de Heilige Geest krijgt een gelovige deel aan de vroege regen. Zo vaak iemand tot geloof komt en gedoopt wordt in de Heilige Geest valt dus de vroege regen in dat leven. Het is niet zo dat er een bepaalde tijd is, dat de vroege regen valt en dan niet meer. Nee, dat gaat altijd door, zolang mensen tot geloof komen. Door de doop in de Heilige Geest wordt de harde grond weer week gemaakt, zodat het goede zaad, dat is de leer van Jezus Christus over het Koninkrijk der hemelen, kan ontkiemen, opwassen en tot vrucht dragen kan komen. De Heilige Geest leert en onderwijst, zoals Jezus Christus zijn discipelen onderwees. Hij was de leraar ter gerechtigheid. De Vader getuigde van de Zoon en zei: “Hoor naar Hem”.

En Jezus zegt van de leraar ter gerechtigheid die wij ontvangen: “De Geest der waarheid zal u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen” Johannes 16 vers 13 en 14 (Joh. 16:13-14) . En zoals de eerste regen valt in ieders leven, zo behoort ook die late regen te vallen in ieders leven. Dat is dus ook individueel. De volle vrucht, die nu tot stand moet komen is het volle zoonschap. Bij het vallen van de vroege regen geldt Joël 2 vers 19 (Joël 02:19): “Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmee verzadigd wordt”. En bij het vallen van de late regen geldt vers 24: “De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen” .

Voor het volk van God is de tijd van geestelijke hongersnood voorgoed voorbij. Wat gezaaid is, heeft vrucht voortgebracht en er is een overvloedige oogst zodat we uitdelers kunnen zijn van de menigerlei genade Gods! 1 Petrus 4 vers 10 (1 Petr. 04:10). Deuteronomium 28 vers 12 (Deut. 28:12) zegt dan ook: “De Here zal zijn rijke schatkamer, de hemel voor u openen om op zijn tijd de regen voor uw land te geven en al het werk uwer handen te zegenen, zodat gij aan vele volken zult uitlenen zonder zelf te leen te ontvangen” . Wij zullen uitdelen aan de volken als wij het zelf hebben! De profeet Zacharia zei: “Vraag de Here regen ten tijde van de late regen” . Door de Heilige Geest zal verstaan worden: dit is de tijd, en de bede is:’ ‘Heer, geef ons de late regen!’

De mens Gods komt tot openbaring

De late regen zal als een extra krachtige uitstorting – doorwerking – van de Heilige Geest ervaren worden, waardoor in de gemeente de volle vrucht te voorschijn zal komen. Het proces van heiliging en reiniging zal met grote kracht van de Heilige Geest (niet met geweld) voortgang vinden. Alle banden zullen verbroken moeten worden. De heerlijkheid van God kan niet doorbreken als er gebondenheden zijn. Er zal een duidelijk evenwicht moeten zijn tussen vrijheid en openbaring van heerlijkheid en kracht.

In de gemeente zullen mannen en vrouwen Gods openbaar worden. Paulus spreekt in 2 Timoteüs 3 vers 17 (2 Tim. 03:17) over “volmaakte mensen Gods, tot alle goed werk volkomen toegerust”. Het is het begin van de nieuwe dag, een nieuwe fase in het heilsplan van God. De nacht loopt ten einde. Nu is het niet zo dat de nacht zomaar ineens overgaat in de dag. Daar is dan eerst de dageraad.

De dageraad luidt het definitieve einde van de nacht in en het begin van de nieuwe dag Jesaja 52 vers 8 (Jes. 52:08).

Hosea brengt het vallen van de late regen en het aanbreken van de nieuwe dag ook met elkaar in verband. Hij zegt in Hosea 6 vers 3 (Hos. 06:03): “Ja wij willen de Here kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de late regen, als de late regen die het land besproeit”. Het is de tijd van het ochtendgloren, waarin de morgenster schittert. Jezus Christus is de blinkende morgenster Openbaring 22 vers 16 (Openb. 22:16) en Petrus zegt: “totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten” . Het oude is voorbij. Het nieuwe breekt baan. Er moet inderdaad iets doorbroken worden. Het is een fase van geboren worden. David bezingt in Psalm 110 de dageraad en hij zegt in Psalm 110 vers 3 (Ps. 110:003): “Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op” .

In deze fase bevinden wij ons bij de opening van het zevende zegel. Het is inderdaad een fase waar we door moeten trekken de dag tegemoet.   (wordt vervolgd).

 

Bidden (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Bidden is – als je de Heer nog amper kent –

zoals een kind, hulpeloos en klein,

enkel een vragen… met een refrein…

omdat je wéét, dat je bij God veilig bent.

 

Bidden is – als je zijn Rijk bent ingegaan –

ontdekken dat je met de Vader spreekt,

Die naar je luistert, geeft waar ontbreekt,

Die je leert mét Hem vast in ’t leven te staan!

 

Bidden is – als je zélf zijn heling ervaart –

strijden voor and’ren, volhardend gebed,

waar je je leven voor vrienden inzet

door de kracht Gods, die zijn volk redt en bewaart.

 

 

1990.09 nr. 317

Levend geloof 1990.09 nr. 317

In het teken van de overwinning door Gert Jan Doornink

De overwinning van Jezus op het rijk der duisternis was een volkomen overwinning. Geen enkel oprecht kind van God zal daaraan twijfelen. Daarom is de basis van ons geloof ook de overwinning van Jezus. En de uitdrukking ‘Jezus is Overwinnaar’ is één van onze meest gebruikte en geliefde gezegdes geworden. Wij weten het heel zeker, dat Hij – om de woorden van Paulus te gebruiken de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld heeft en zo over hen heeft gezegevierd (Kol. 02:09). In dezelfde brief schrijft Paulus dat Hij ons verlost heeft uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde. In Hem hebben wij de verlossing, de vergeving der zonden (Kol. 01:13).

Daarom maken wij de Heer groot en uiten onze dankbaarheid door onze lofprijzing en aanbidding. En als het goed is denken wij daarbij niet alleen aan alles wat Hij vóór ons gedaan heeft – het zenden van Zijn Zoon naar deze wereld -, maar ook om wie Hij is en wie wij zijn in Hem. God is onveranderlijk en eeuwig, goed eh rechtvaardig. We zijn van Zijn geslacht, want Hij heeft ons naar Zijn beeld geschapen. Wij horen bij Hem en de duivel heeft geen recht meer op ons leven.

Is Jezus overwinning ook onze overwinning

Voor de leden van de waarachtige gemeente van Jezus Christus zijn dit bekende geluiden. Toch zouden wij een grote fout maken als    wij denken dat dit het ‘volledige’ evangelie’ is. Het is weliswaar de basis, het fundament en dus zeer belangrijk. Maar op een  fundament moet gebouwd worden. Dat geldt ook ten aanzien van ons geloof in de overwinning van Jezus. Wie dit geloof los koppelt, of niet vastmaakt aan, onze eigen overwinning, mist het doel wat God met ons leven voorheeft. Hij wil namelijk dat ook wij zullen overwinnen!

Als wij Hem groot maken door Hem te loven en te prijzen, is God daar blij en dankbaar voor, want hij woont in de lofprijzing van zijn volk, met andere woorden: daar heeft hij behagen in, dat is hem welgevallig. Maar God wil graag meer van ons zien! Hij wil dat we ons geestelijke ontwikkelen en ontplooien, zodat wij het volwassen stadium in Christus zullen bereiken. God verlangt naar de openbaring van het zoonschap. Dan ziet Hij de mens weer voor zich, zoals hij die oorspronkelijk bedoelde: volmaakt en goed.

We zijn daarom ook niet klaar door te zeggen: de duivel heeft geen recht meer op ons leven. We zullen het ook waar moeten maken in en door ons leven dat iedere infiltratie poging van hem tot mislukking gedoemd is. Het is Gods uitdrukkelijke bedoeling dat we met Jezus overwinnaars zijn! Dat is geen automatisme, maar behoort wel gerealiseerd te worden in ons leven.

 

Maar hoe gaat het dan in zijn werk? Kan dit praktisch beleefd worden? Zal het werkelijk zo worden in ons leven dat we iedere aanval uit het rijk der duisternis weerstaan? Dat we evenals Paulus in alles meer dan overwinnaar zijn? (Rom. 08:38. Als we deze vragen over denken en er een positief antwoord op willen geven, komen we al spoedig tot de conclusie dat enkele dingen daarbij erg belangrijk zijn.

Alleen zij die geestelijk strijden overwinnen

In de eerste plaats krijgen we te maken met strijd. We kennen allemaal de uitdrukking: Zonder strijd, geen overwinning. Maar zijn we ons ook bewust om welke strijd Het gaat? Wie op een verkeerde wijze bezig is te strijden zal geen deel hebben aan de overwinning, zoals God die bedoelt. In Efeze 6, de wapenrusting, beschrijft Paulus op zeer duidelijke wijze om welke strijd het gaat: Wij hebben niet te worstelen tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse Gewesten (Ef. 06:12). Het is dus een geestelijke strijd. Waarbij de gemeente van Christus betrokken is. En daarvoor is het In de eerste plaats nodig dat wij weten dat onze plaats met Christus is in de hemelse Gewesten, (Ef. 02:06). Te vaak wordt dit nog over het hoofd gezien. En zeker in deze tijd, nu we via de massamedia vrijwel continu overspoeld worden met alles wat er in de natuurlijke wereld gebeurt, behoren we ons meer dan ooit bewust te zijn dat de geestelijke wereld de plaats is waar de werkelijke strijd en veranderingen zich voltrekken.

Het spreekwoord zegt: De eerste klap is een daalder waard, en dat geldt ook in geestelijk opzicht. We brengen de duivel de eerste grote nederlaag toe, als wij een rotsvast geloof hebben ten aanzien van onze geestelijke plaats met Christus in de hemelse gewesten. Anders kunnen we niet geestelijk denken, spreken en handelen. Dan komt er van het principe dat wij met Jezus overwinnaar zijn niets terecht, ook al spreken en zingen we nog zoveel over de overwinning. Hoe belangrijk de doelstelling overwinning is voor de gemeente van Christus, blijkt ook wel uit de brieven gericht aan de 7 gemeenten, waarvan we lezen in Openbaringen, 2 en 3. Al deze brieven eindigen met de woorden: Wie overwint… En aan de overwinning verbindt God geweldige beloften.

De eindtijdgemeente is een gemeente dit; behoort te staan in het teken van de overwinning! Daarvoor is visie nodig! Hoeveel kinderen Gods hebben wel visie voor de ‘afgang’ van de wereld en weinig of geen visie voor de ‘opgang’ van de gemeente van Christus? Zodra wij visie krijgen voor de ‘overwinnende gemeente’ ontstaat er ook het verlangen deze visie tot werkelijkheid te maken. Dan zien wij niet meer met ‘natuurlijke ogen’ naar alles wat de duivel aanricht in de zichtbare wereld, maar zien wij met ‘geestelijke ogen’ naar alles wat God beloofd heeft in Zijn Woord. En daar behoort ook de overwinning van de gemeente bij!

Ons geloof overwint de wereld

Behalve de geestelijke strijd die wij hebben te voeren om te overwinnen, speelt .ook ons geloof een belangrijke rol. Niet voor niets schrijft Johannes: “Al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft: ons geloof. Wie is het, die de wereld overwint, dan wie gelooft, dat Jezus de Zoon van God is?” (1 Joh. 05:04-05). Jezus zelf getuigde: “Ik heb de wereld overwonnen” (Joh. 16:33b) . Hij is ons voorgegaan en is daarom ons grote voorbeeld. Hebreeën 12 vers 2 (Heb. 12:02) zegt: “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs…”

‘Geestelijke strijd’ en ‘geloof’ zijn de fundamentele stelregels die nodig zijn om te overwinnen. Wanneer deze tot dusver onvoldoende of in het geheel niet hebben gefunctioneerd in ons leven, wordt het de hoogste tijd hierin verandering aan te brengen! Satan mag op geen enkele wijze nog profijt uit ons leven kunnen halen. Ons getuigenis zal, evenals het getuigenis van Paulus, moeten zijn: “God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren” (2 Kor. 02:14a). Wij prijzen God dat Hij dat in ons wil bewerken en dat wij daardoor ten volle komen te staan in het teken van de overwinning. God is getrouw, Zijn plannen falen niet. Ook niet Zijn plan dat de gemeente van Hem zal overwinnen!    

 

Wie overwint door Gert Jan Doornink

Aan de gemeente te Efeze:

“Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is” (Openb. 02:07b).

Aan de gemeente te Smyrna:

“Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden” (Openb. 02:11b).

Aan de gemeente te Pergamum:

“Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt (Openb. 02:17b).

Aan de gemeente te Tyatira:

“Wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen; en hij zal hen hoeden met een ijzeren staf als aardewerk worden zij verbrijzeld, gelijk ook Ik van mijn Vader ontvangen heb, en Ik zal hem de morgenster geven (Openb. 02:26-28).

Aan de gemeente te Sardes:

“Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen (Openb. 03:05).

Aan de gemeente te Filadelfia:

“Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam” (Openb. 03:12).

Aan de gemeente te Laodicea:

“Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon” (Openb. 03:21).

 

Onderscheiding door Duurt Sikkens

“… werken des duivels verbreken. .. ” (1 Joh. 03:08).

Wat wordt er in het Oude Testament toch weinig over de duivel gesproken. Helemaal in het begin eventjes en daarna verdwijnt hij achter maskers. Hij, de veroorzaker van dood en verderf, van ziekte en zonde. Heel z’n verpestende klimaat heeft hij over de mensheid uitgestort omdat hij God niet de mens als partner gunt en de mens van Hem heeft gescheiden.

Het is hem ook gelukt om eigenschappen van zichzelf aan God te laten toeschrijven zodat vele mensen, middels door hem verzonnen godsdiensten, zijn gaan geloven dat het goede en het kwade uit één en dezelfde bron komen. De boom van kennis van goed en kwaad is kennelijk nog niet gerooid. Goed en kwaad horen niet bij elkaar en hebben niets met elkaar gemeen.

Maar de schrijver van het boek Job ziet de duivel toch als uitvoerder van Gods bevelen? Ja, wist die schrijver veel. Jezus wist beter. Hij ontmaskerde de boze en dreef boze geesten uit. Hij bond de strijd aan en zei ook: God is goed. Leer dat eerst maar eens geloven. Dan zie je wie de auteur is van het goede en wie van het kwade.

Die werkelijkheid speelt zich in de hemel af en wie daar woont als burger, als ingezetene, onderscheidt dat ook. Dan verandert je hele leven en hoef je nooit meer angst te hebben voor God die in Zijn kinderen en zonen belichaamd wordt en die Hem kennen als enkel licht, enkel goed, enkel leven. De duivel is Gods- en hun tegenstander en dit geloof zal de wereld overwinnen en be vrijden.

 

De leerschool van God door Margreet Gast

 

In Jesaja 50 vanaf vers 4 (Jes. 50:04 vv) wordt gesproken over de knecht des Heren als leerling. Jezus wordt on­derwezen door zijn eigen Vader. En Hij was gewil­lig en had een geopend oor zodat het onderwijs door de Vader -ook door Hem aangehoord en aan­genomen werd. Door de leerschool van God geheel te doorlopen, werd Jezus het levende Woord. Hij ondersteunde de vermoei­den (vs.4b) en ging ge­willig de lijdensweg om de mensenkinderen tot vrijheid te kunnen bren­gen (vs.6).

Maar gelukkig bleef Jezus niet de enige leerling in de leerschool van God! In Jesaja 54 vers 13 (Jes. 54:13) lezen we, dat alle zonen van Sion leerlingen des Heren zullen zijn. Jezus zelf haalt deze woorden aan als Hij uitlegt dat de Va­der en Hij dezelfde bood­schap hebben en allebei evenzeer verlangen dat de mens zowel de Vader als de Zoon als Heer erkent. “Ieder die dit van de Va­der gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij” (Joh. 06:45).

Het doel van Gods leerschool

De leerschool van God is niet bedoeld om van alles uit het hoofd te leren. Het doel waar naar toe gewerkt wordt, is: het evenbeeld van de Zoon worden. Alle kinderen Gods zullen die leerschool doorlopen. Allemaal gaan we ‘in opleiding’, zoals we dat in onze kinder- en jeugdjaren ook waren! Een aanlokkelijk idee? Zouden de lessen van God net zo soepel verlopen als de lessen vroeger?

Wat is er eigenlijk nodig om een goede leerling te zijn? In de eerste plaats denken wij dan aan dagelijks onderricht. In Jesaja 50 vers 4b (Jes. 50:04b) wordt aangegeven dat Jezus elke nieuwe morgen op­stond met ‘gewekte’ oren. Hij werd door de Vader dagelijks opgewekt de oren open te houden en afgestemd te zijn op een goede ontvangst van de les van die dag.

Er is bij de leerlingen van God dus een dagelijkse, voortdurende bereidheid om onderwijs te ontvangen. Er is een constante hartgesteldheid, een erop ge­richt zijn nieuwe dingen te leren. ‘Baaldagen’ of ‘vandaag geen zin’ zijn er niet bij. Dat komt niet eens in het hoofd en hart van deze leerlingen op!

Zij leven met een blijvende leergierigheid.

Ontvangen met geestelijke oren

De leerlingen hebben “oren zodat ze horen, zoals leer­lingen doen” (vs.4c). Het oor van de leerling is in­gesteld op ‘horen’, met heel het hart, heel de ziel en alle kracht. De woorden Gods worden dus niet al­leen maar met het zintuig ‘gehoor’ opgevangen, maar met het geestelijk oor: met een verlangen om de woorden te begrijpen en in de innerlijke mens op te nemen.

De leerling wil door het gehoorde woord gevormd worden, hij wil het eigen verkeerde denken en doen laten vervangen door god­delijk leven. Geen woord dat in deze school gespro­ken wordt, zal ongehoord en onbegrepen zijn: God zelf heeft de oren van de leerlingen geschikt ge­maakt voor het onderwijs.

Wat er door God gezegd en geleerd wordt in de onderwijzing, wordt ook zonder weerstand en zon­der protest aangenomen (vs.5b). Als de Leermees­ter zijn leerlingen totaal nieuwe dingen leert, is er een houding van aanvaarding. Ze zijn van binnen­uit gemotiveerd voor de les. Ook als er opdrach­ten zijn die heel niet ge­makkelijk blijken, haken de leerlingen niet af. Als het moeilijk wordt, weten ze dat ze kunnen vertrou­wen op de hulp van de meester (vs.7).

Leerlingen tot eer van God

Wie nog eens terugdenkt aan zijn eigen schooltijd, zal niet alleen leuke her­inneringen hebben. Denk maar eens aan het maken van repetities of het doen van examens. Velen kon­den dat gestolen worden. Maar: zijn proefwerken – of hoe men dat ook noemt – echt zo erg? Wat is er zo bedreigend aan het af­leggen van een ‘proef’? De leerling krijgt immers de kans om te tonen wie hij is. En hij krijgt zicht op zijn eigen vorderingen. Het is toch fijn, om te weten en te bewijzen dat je weer verder bent dan een poos terug! Wie proef­werken zo bekijkt, laat zich niet afschrikken, maar ziet ze als een gele­genheid te tonen wie hij is geworden in God.

Dagelijks krijgt de chris­ten de mogelijkheid om te laten zien, wat hij waard is in zijn Heer. Licht ver­spreiden en duisternis verdrijven is een prachti­ge opdracht. En de onder­wijzing van de Vader is er ook dagelijks, evenals zijn bemoediging, zijn correctie, zijn lovende woor­den, zijn trots! Zo zijn de leerlingen de eer van de Vader. En geven de zonen van Sion voortdu­rend de eer aan God om Zijn werk.

 

 

Het zalven van zieken met olie door Evert van de Kamp

 

Voor velen is de zalving van zieken met olie een groot vraagteken. Wat moet je daarmee?

In de Bijbel komt de zie­kenzalving echter een tweetal keren nadrukkelijk aan bod. In een missionai­re situatie in Markus 6 vers 7 tot 13 (Mark. 06:07-13) en in Jako­bus 5 vers 14 tot 20 (Jak. 05:14-20) waar sprake is van een gelovige gemeenschap, de gemeente. Van de discipelen lezen we: “Zij dreven vele boze geesten uit en zalfden ve­le zieken met olie en gena­zen hen” (Mark. 06:13). En Jakobus geeft het aanbevelenswaardige advies: “Is iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der ge­meente tot zich roepen, opdat zij over hem een ge­bed uitspreken en hem met olie zalven in de Naam des Heren. En het gelovige gebed zal de lijder gezond maken, en de Here zal hem oprichten” (Jak. 05:14-15).

Dat is heldere taal waar, naar het mij dunkt, nie­mand om heen kan. Het woord van Jakobus is dui­delijk gericht tot de kerk, de gemeente van Jezus Christus. Jakobus is een ‘uitdaging’ voor de ge­meente die zegt te wandelen in het Koninkrijk van God.

Ik beaam graag de uit­spraak van Dr. Van Dam, Hervormd predikant: ‘De kerk die de dienst van de genezing en bevrijding uitvoert, wordt een dyna­mische kerk die mensen zal trekken. Geen kerk van theorie, maar van de krachten van het Konink­rijk’.

Een vergeten Bijbelgedeelte

Zo betitelt ds. H. G. Fonteyn, predikant te Tricht, de perikoop Jakobus 5:12-20 (Jak. 05:12-20) in ‘Woord en Dienst’, orgaan voor het hervorm­de gemeenteleven. In zijn sympathiek artikel trekt hij open en eerlijk aan de (kerk)bel. Door het stel­len van wezenlijke vragen waagt hij een poging Ja­kobus 5, ook voor zich­zelf, uit de vergetelheid te halen.

Fonteyn heeft heel wat op zijn (open) hart: ‘Over deze perikoop heb ik nog nooit gepreekt. Ik heb in mijn 35-jaar jonge leven er ook nog nooit iemand anders over horen preken Er staat namelijk nogal wat! De apostel confronteert ons hier met iets, dat in de protestantse traditie grofweg gezegd een totaal blinde vlek is. Ik ken althans in onze Betuwe geen enkele kerkeraad, waarin de ouder­lingen ervaring hebben met de ziekenzalving en met de predikanten zal het niet anders gesteld zijn. Ik ken ook geen christenen die mij ooit gevraagd hebben om de ziekenzalving. Aan ziek­bedden bid ik wel, en dat doen ook de ouderlingen, maar slechts zelden met zoveel woorden om gene­zing en zeker niet als de prognose van de dokter het tegendeel van gene­zing impliceert’.

Fonteyn stelt vragen! Vragen als: Is ziekte wel de wil van God, een weg die Hij met een mens gaat? Is ziekte een leer­proces, of een opvoedingsproces? Is ziek-zijn delen in het lijden van Christus dat wij gelovigen geduldig moeten dragen?

Hij vervolgt: ‘Elke ziekte, elke handicap, elke afta­keling, ervaren we als een scheur door het leven en we kunnen eigenlijk niet echt geloven dat de Heer Iemand is die scheuren maakt. Maar de­ze theologische grondslag heeft ons merkwaardiger­wijs niet tot Jakobus 5 gevoerd. Dat is wel ge­beurd in de Pinksterbewe­ging, waar men de consequentie trekt van een be­paalde theologische logica: ‘Jezus genas zieken. Je­zus wilde dus niet dat de mens ziek is. Jezus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde. Jezus wil dus vandaag dat wij gezond zijn’ Daar­om mogen wij ons gelovig tot Hem wenden en om genezing vragen, al dan niet geholpen door ge­neesmiddelen en artsen’.

Nee, zeggen we in de kerk: dat is ons te recht­lijnig. We moeten de ge­brokenheid van de schep­ping in onze geloofsbele­ving integreren. Alles is niet heel en al moet het wel heel worden en al moeten wij het ‘onze’ aan die heel wording doen, ziekte en dood zal er zijn tot de nieuwe schepping glorieus zal aanbreken en God alle tranen van onze ogen afwist. Ik ben het daar wel mee eens. En toch voel ik ook iets voor die rechtlijnige redenering van de Pinksterbeweging. En liever nog kijk ik op­nieuw naar Jakobus 5, waar ik lees over de zie­ke als deel van een he­lende gemeenschap’.

Het wordt wel een lang citaat, maar wat Fonteyn over Jakobus 5 aan voert, is de moeite waard om er kennis van te nemen en het overdenken waard.

In Aalten stelt de Her­vormde kerk in één van haar gebouwen een praktiserend magnetiseur in staat zijn occulte praktij­ken uit te voeren en hier is tenminste een Hervormd predikant aan het woord die wijst op Bijbelse no­ties .

Heelmaking en wederoprichting

Opnieuw Fonteyn aan het woord: ‘Die heel making – het gelovige gebed zal de lijder redden en de Here zal hem oprichten (vers 15) – reikt verder dan een gezond lijf. Het be­treft hier ook heling van innerlijke wonden, heling van bitterheid, heling van schuldgevoel. Op zich za­ken die een fysieke ge­zondheid zeer ten goede komen trouwens. Maar ook lijfelijke genezing ligt in deze woorden van Jakobus besloten. Daarbij zal de geneesheer ook een rol spelen. Maar Jakobus richt onze aandacht toch vooral op de helende gemeenschap der gelovigen.

De oudsten, de ouderlin­gen, de pastorale verte­genwoordigers van de pas­torale gemeenschap die een kerk is of zou moeten zijn, krijgen een taak toegeme­ten. Een biddende taak, bidden om heel making, in geloof dat de Allerhoogste ons léven wil en niet onze voortijdige dood. De ou­derlingen krijgen ook de taak, dit geloof zichtbaar en tastbaar te maken in een rite, namelijk die van de ziekenzalving. En de zieke gelovige mag daar om vragen en zo zijn eigen geloofsverwachting uiten. Ik moet eerlijk zijn: het zou kunnen dat die ver­wachting dan ook weer wreed verstoord wordt als er geen genezing volgt.

Het zou kunnen dat er fy­siek niets verbeterde. En ik huiver voor de geloofscrisis die deze teleurstel­ling teweeg zou kunnen brengen.

Het is daarom wel zaak, dat we die woorden van Jakobus over ‘gezond wor­den’ en over ‘oprichten’ niet van hun diepere betekenis ontdoen. Er is en blijft de verwachting van een heel making en weder­oprichting van ons ge­schonden bestaan, is het niet hier en nu, dan toch in het Rijk dat komt. Maar hiermee wil ik niet onder Jakobus uitkomen, die de gemeente van Christus het pastorale advies geeft met de zieken te bidden en hen te zal­ven met olie, als een te­ken van Gods genezende aanwezigheid en als uiting van ons geloof in Gods helende kracht’.

Ik hoop dat ds. Fonteyn met zijn kerkeraad de dienst der genezing spoe­dig een plaats zal geven in zijn kerkelijke gemeen­te en dat velen daarin zullen volgen.

Nog even een niet onbe­langrijke aanvulling. De nieuwe vertaling spreekt van “Het gelovige gebed zal de lijder gezond ma­ken” . De oude vertaling van: “De zieke”. Dit laat­ste is correct! In onze taal heeft het woord ‘lij­den’ twee betekenissen: lijden om der gerechtig­heid èn ziekte. Het ge­bruikte woord paschoo = lijden betekent nergens ziekte. Lijden aanvaarden we omwille van Gods Koninkrijk, maar ziekte is een vijand die wij in Gods kracht bestrijden. In de brochure ‘Verschil tussen lijden en ziekte’ heeft P. C. van Leeuwen dit destijds overduidelijk uiteen ge zet.

Uit de geschiedenis van de kerk

De dienst der genezing kwam al heel spoedig op een laag pitje te staan. Er zijn uit de eerste eeu­wen van het christendom betrekkelijk weinig gege­vens over de ziekenzalving bekend. Alleen Origenes en Chrysostomus spreken er over. De middeleeuwen zijn een dieptepunt ge­weest en de reformatie bracht daar weinig ver­andering in. Nederland is, merkt Kraan op, in de dienst der genezing een achterlijk land gebleven. Vooral het Nederlandse protestantisme.

Daar zijn een tweetal re­denen voor aan te voeren. Ten eerste de invloed van Calvijn. In zijn ‘Institutie’ wijst de reformator de ziekenzalving als nog no­dig voor deze tijd af. Ten tweede het solisme in de geloofsbeleving. De relatie met God en Chris­tus wordt veelal zo indivi­dueel beleefd dat er min­der behoefte is aan een gemeenschapsgebeuren als ziekenzalving .

Andere kerken gaven en geven een veel beter voor­beeld. In 1549 hadden de Engelse reformatoren al een orde voor ziekenzal­ving. Men zag de zalving als een middel tot genezing (healing) van ziel èn li­chaam . Helaas veranderde men al gauw weer van ge­dachte. In onze tijd geeft men opnieuw gestalte aan ‘healing’. In de Anglicaan­se kerk zijn de ziekenzal­ving en de handoplegging nu geïntegreerde handelin­gen in de kerk.

In de Latijnse traditie, de Rooms Katholieke kerk, had de ziekenzalving aanvankelijk een plaats in het dagelijkse leven met de nadruk op de lichamelijke genezing. In de middel­eeuwen werd het meer en meer ‘sacrament der ster­venden’ . De laatste tijd laat een verschuiving zien. Het ‘laatste oliesel’ wordt weer zalving der zieken.

De oosterse kerken in de byzantijnse traditie (in Nederland zijn er ongeveer 16 orthodoxe parochies) zijn veelal het positiefste geweest. In hun liturgie heeft de zalving met olie altijd een plaats gehad en behouden. In de oosterse kerken beleeft men ziekte en dood meer dan in de westerse kerken als ver­derf. Als een kwaad waar­van de mens bevrijd moet worden. Zalving is middel tot verlossing van het verderf, bescherming te­gen de machten der duis­ternis. Gezonden en zie­ken hebben daaraan be­hoefte .

De grootste verschuiving in het denken is sinds het begin van deze eeuw gekomen door de Pinkster- en Volle Evangeliebeweging. In al hun gemeenten en ook bij de Charismatische beweging heeft de zieken­zalving een duidelijke plaats gekregen.

Ziekenzalving hoort in de gemeente

Handoplegging bij zieken en gebondenen is een bij­belse opdracht. De Heer sprak: “Op zieken zullen ze de handen leggen en zij zullen genezen worden” (Mark. 16:18) . Jezus zelf legde elke zieke afzonder­lijk de handen op en ge­nas deze (Luc. 04:10). De hand van de broeder of zuster is een beeld van de ‘hand des Heren’, de kracht van de Heilige Geest. Zo is in de zieken­zalving de olie ook het symbool van de kracht van Gods Geest in het midden van de gemeente.

Dit is geen magisch, maar een geestelijk gebeuren. Het volle accent valt op het gebed van oudsten en zieke in de Naam van de Heer. Het gebed des geloofs. In de Naam van Je­zus worden in de onzien­lijke wereld – de hemelse gewesten (Ef. 02:06) -, de boze geesten en ziekte- machten bestraft. Wij vra­gen om de manifestatie van Gods kracht tot herstel van de zieke.

Dit bidden en zalven in de Naam van de Heer is handelen in opdracht van Hem, maar vooral een handelen met een beroep op de Heer. Het is de Heer zelf die kracht ver­leent aan het gebed en de zieke opricht (Jak. 05:15-16). Hij, die de ziekte niet wil en nooit heeft ge­wild, geneest. “Ik, de Here, ben uw Heelmeester” (Ex. 15:26) .

Een rapport van de Ang­licaanse kerk vertelt het zó: ‘Het christendom is een gezegende godsdienst. Christus is een genezende Redder. Hij geneest (heelt) elke gebrokenheid: gebro­ken relaties evengoed als gebroken geesten, zowel verscheurde harten als zieke lichamen. In de diep­ste betekenis kwam Hij om de wereld te genezen’.

Uit de context van Jako­bus 5 blijkt dat ziekenzal­ving thuis hoort in de plaatselijke gemeente. Daar is de pastorale zorg en na­zorg te midden van een gelovige gemeenschap. Dit moet in alle gemeenten weer de normale praktijk worden, geïntegreerd in het normale christelijke gemeenteleven. Tot twee­maal toe spreekt de apos­tel Jakobus over ‘onder’ of ‘bij’ u. In het Grieks is dat hetzelfde woord.

Als zieke ben je ook deel, lid van het éne lichaam van de Heer. De zieken­zalving hoort niet thuis in campagnes en op conventies, maar in de ge­meente .

Bij de stichting ‘Vuur’ is een handzaam boekje ver­schenen van ds. Gerkema dat helemaal over zieken­zalving gaat. Hij stelt: ‘ ‘De christelijke zorg voor de zieke mag veel meer zijn dan enkel zielzorg. Heel de gemeente mag we­ten dat genezing een on­derdeel is van Gods heil, en de dienst der genezing derhalve in eerste instan­tie opdracht is voor de gehele gemeente. Ziekte èn gezondheid zijn ervaringen van de hele gemeente’ (1 Kor. 12:12-31).

Ziekenzalving in de samenkomst?

In de meeste gemeenten zal de ziekenzalving plaats hebben bij de zieke thuis of in het ziekenhuis en dergelijke. Op verzoek van de zieke zelf. “Is er ie­mand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der ge­meente tot zich roepen”, zegt Jakobus. De oudsten komen als vertegenwoordi­gers van de gemeente met de zalfolie, teken van de Heilige Geest in de gemeente, naar hem toe. Daarom zou de zalving met olie in de samenkomst overbodig zijn. De gehele gemeente is dan immers met de oud­sten samen bijéén.

In de oosterse kerken vindt de dienst der zalving zowel in de samenkomst als aan huis plaats. Ook dan moet de zieke er zelf om vragen. Voor deze praktijk valt best wat te zeggen als een zieke zelf (nog) naar de samenkomst van de ge­meente kan komen. De zal­ving brengt de zieke in relatie, in gemeenschap met de Gezalfde. Net als bij de handoplegging. Waarom zou de zalving op verzoek van de zieke niet plaats kunnen vinden in de samenkomst van de ge­meente? Het is zonder meer een ‘gemeentelijk’ gebeuren, wellicht het overwegen waard.

Gerkema schrijft: ‘De ge­meenschap van gelovigen zou immers bij uitstek de plaats kunnen zijn waar eenzaamheid doorbroken en ziekte geheeld wordt. De gelovige gemeenschap biedt immers de ruimte waarin de Geest gemeenschap stichtend en heilzaam werkzaam kan zijn’.

In de samenkomst is er tijd voor de verkondiging van het evangelie en is er ruimte voor de inspi­ratie van de Heilige Geest. Samen luisteren! Het Woord is nauw verbonden met de bevrijding van bo­ze machten (demonen) en de genezing van zieken en zwakken. De zieke heeft genezing nodig, maar evenzeer de gehele ge­meente. Samen betrokken bij het ‘bidden voor el­kaar’. In een avondmaal dienst zouden wij voor al deze belangrijke zaken de tijd kunnen nemen. De avondmaalsviering is een versterkend gebeu­ren. Door de Heilige Geest is Christus, de Brenger van Gods Koninkrijk, daar aanwezig.

Ook hierover heeft Gerke­ma ons iets te zeggen: ‘Theologisch gezien vindt de ontmoeting met het heil van Godswege vooral plaats in de viering van de maaltijd van de Heer. Christus is daar present’. Deze ontmoetingsmaaltijd kan worden ervaren als een genezingsgebeuren. Ziekenzalving is moeilijk los te zien van de viering van de maaltijd des Heren. In de zalving dient het handelen van de verhoogde Heer centraal te staan, zoals dat in het avondmaal gevierd wordt’.

Hoort ziekenzalving bij het fundament?

Ik eindig met een vraag. In Hebreeën 6 vers 1 tot en met 3 (Heb. 06:01-03) is sprake van het Bijbelse fundament dat in ons leven gelegd moet worden. Op dit fundament wordt de tempel Gods ge­bouwd. Zonder de daar genoemde grondslagen is een stevige, geestelijke opbouw onmogelijk. Eén van de grondslagen is de oplegging der handen. En nu mijn vraag: Zou daarin de ziekenzalving overeen­komstig Jakobus 5 niet begrepen zijn?

U mag zelf het antwoord geven. In ieder geval blijft de opdracht: “Ge­neest de zieken, die er zijn” (Luc. 10:09). De Heer wil immers dat het ons in alles wel gaat en dat wij gezond zijn (3 Joh. 01:02), De ziekenzalving verdient daarbij een Bijbelse plaats in de gemeente, zoals dat was in de dagen der apos­telen .

 

 

Regen door Tea Keuper Dijk

Vanmorgen viel, na grote droogte,

een volle milde regen neer.

Vanuit de wolken in de hoogte,

en ‘k zei vol vreugde: ‘Dank U, Heer!’

 

Na lange, warme, droge dagen

stond al ’t gewas droog, soms verdord.

Het blad werd bruin aan boom en hagen,

de bloemen bloeiden niet – of kort…

 

Ik denk aan and’re milde regen,

die Vader uitstort, keer op keer

en ‘k bid: ‘O God, kom met die zegen

op deze dorre aarde neer!’

 

Vervul hen, die Uw heil verlangen,

om d’aard’ te dienen in Uw Naam.

Te helen hen, die zijn gevangen,

voor satan zwichtten zij tesaam.

 

Uw Geest vermaant en leert in liefde

Uw volheid en gerechtigheid.

Uw Zoon stierf voor hen, die U griefden

en schold ons alle schulden kwijt!

 

O regen, heerlijk milde regen

kom op de aarde in stromen neer!

We bidden wachtend’ op Uw zegen

Dat d’ aard’ er vol van wordt, o Heer!

 

Weest dankbaar door Wim te Dorsthorst

“Dankt te allen tijde de Vader voor alles” (Ef. 05:20).

“Dankt onder alles, want dat is de wil Gods in Christus Jezus ten op­zichte van u”

(1 Thess. 05:18).

In onze westerse wel­vaartsmaatschappij groeit de mens op in een sfeer waarin alles te verkrijgen is. Het opgroeiende kind in het gezin weet niet beter dan dat het krijgt wat het hebben wil.

Zo is er de laatste decen­nia in de mens iets ge­vormd, dat alle weldadig­heden en al het goede dat genoten wordt, als iets vanzelfsprekends is gaan beschouwen. ‘Daar hebben we toch recht op’, is dan wat je steeds weer hoort. Grote onvrede is het ge­volg. Deze houding ver­stoort niet alleen steeds meer de intermenselijke relaties en verhoudingen, maar zeker ook de ver­houding ten opzichte van God en Jezus Christus.

Een gevaar voor de gemeente

Alles wat in de wereld heerst, bedreigt in wezen ook de gemeente van Je­zus Christus. De oudere generatie weet nog wel wat dankbaarheid zeggen wil, maar de jongere ge­neratie heeft daar, gezien de wereld waarin ze op­groeien, meer moeite mee. De opdracht van Paulus om onder alles te danken, kan dan ook wel eens wat extreem overkomen.

‘Ja, Paulus, maar dan moet je mij zien! Weet je wel in welke omstandig­heden ik verkeer? En dan dankbaar zijn? Kom hou!’ Met dergelijke uitspraken worden we allemaal wel- eens geconfronteerd. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de gemeente en het leven met de Heer in het verlengde gezien wordt met de wereld en ook daar alle wensen zonder al te veel problemen ver­vuld dienen te worden.

Gezindheid en afhankelijkheid

Dankbaarheid heeft te ma­ken met een innerlijke ge­steldheid; maar ondankbaarheid evengoed. Een dankbaar mens is iemand die weet dat hij afhanke­lijk is van een ander. Dat maakt hem nederig en zachtmoedig, dat maakt hem geduldig en vriende­lijk.

Ondankbaarheid heeft een verharding en verbittering tot gevolg. Dat kan wer­ken als banden waarin men gevangen zit. Dat kan hoogmoedigheid aanwakke­ren. Dan stelt men zich zo op alsof men eigenlijk ook niet meer van God en Jezus Christus afhankelijk behoeft te zijn.

Een ondankbaar mens is hardvochtig en veeleisend. Iemand die denkt dat een ander verplicht is hem al­les te geven of alles voor hem te doen, zal nooit dankbaar kunnen zijn. Dat werkt als een inner­lijke blokkade. Hoe zou een ondankbaar mens uit genade kunnen leven?

Het evangelie van het Koninkrijk Gods is niet een evangelie van rechten en hebben en kunnen, maar een evangelie van genade. Dat wil zeggen dat het voortkomt uit de goedertierenheid Gods op basis van schenkingen. Paulus zegt: “Ik heb de bediening van de Here Jezus ontvangen om het evangelie der genade Gods te betuigen” (Hand. 20:24b).

Paulus was een groot Godsman, maar hij was nederig en zachtmoedig en besefte hoe volkomen afhankelijk hij was van de genade Gods. Hij zegt: “Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is” (1 Kor. 15:10).

Het is deze Paulus, die achtervolgd werd door een geest van satan en regel­matig in grote moeilijkhe­den verkeerde (lees 2 Kor. 11:23-29), die juist in al zijn brieven schrijft over dankbaarheid. Hij zegt: “Het is de wil van God in Christus Jezus ten opzichte van u dat u dankt onder alles” (1 Thess. 05:18). Het is niet de wil van Paulus maar de wil van God! En als God het van ons vraagt, komt dat voort uit Zijn liefde voor ons.

Wat geleerd moet worden is, dat dankbaarheid niets te maken heeft met om­standigheden, maar met een hartgesteldheid. Vol­komen afhankelijk willen zijn. Alleen dan is het mogelijk om aan de wil van God te voldoen door Hem onder alles te dan­ken .

Gevolgen van dankbaarheid

Paulus wist wat waarach­tige dankbaarheid teweeg kan brengen. Er gaan geweldige dingen gebeuren als de mens in geloof en gehoorzaamheid gaat danken. Het is een gezind­heid die ons dagelijks in het heiligende klimaat van de Heer brengt. Het werkt een behoefte aan lofprijzing en aanbidding. Iemand die niet kan dan­ken onder alles in zijn dagelijkse leven zal moei­lijk tot lofprijzing en aan­bidding komen in de sa­menkomst van de gemeen­te. De Hebreeënschrijver zegt: “Laten wij dan door Hem, Gode voortdurend een lofoffer brengen, na­melijk de vrucht onzer lippen, die Zijn naam be­lijden” (Heb. 13:15) . Al­leen wanneer het voort­komt vanuit een dankbaar hart is het mogelijk Gode voortdurend een lofoffer te brengen als vrucht,.

Paulus en Silas bevinden zich niet bepaald in een benijdenswaardige positie in de kerker van Filippi. Terwille van het evangelie zijn hun de kleren van het lijf gescheurd, zijn ze gegeseld en geslagen en zorgvuldig opgesloten in de binnenste kerker van de gevangenis. Maar Paulus en Silas weten wat het is God te danken on­der alles, want wij lezen in Handelingen 16 vers 25 en 26 (Hand. 16:25-26): “Maar omstreeks middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gods lof, en de gevangenen luisterden naar hen. Doch plotseling kwam er een zware aardbeving, zodat de grondvesten der ge­vangenis schudden, en terstond gingen alle deu­ren open en de boeien van allen raakten los” . Op een machtige wijze grijpt God in, omdat Pau­lus en Silas van harte ge­hoorzaam zijn aan de wil van God om onder alles te danken. Ze komen niet al­leen zelf vrij, maar ook de gevangenen die naar hen luisterden.

Ik geloof dat er een tijd aanstaande is, waarin het allemaal niet meer zo mak­kelijk zal zijn voor de christenen en dit verhaal van Paulus en Silas weer zeer actueel zal zijn. Laten we daarom ook ernst maken met dit gebod om de Vader in de hemel te allen tijde voor alles te danken (Ef. 05:20).

Eerst danken dan verhoring

Ook onze Heer zelf geeft ons een voorbeeld van dankbaarheid voortkomen­de uit’ een groot geloof en afhankelijkheid van de Vader. Jezus neemt de vijf broden en de twee vissen aan om de vijfdui­zend te eten te geven. Hij richt zich tot Zijn Va­der en dankt voor Hij het uitdeelt (Joh. 06:09-11). Hij leerde ons bidden: Vader geef ons elke dag ons da­gelijks brood (Luc. 11:04a), en Hij geeft ons het voor­beeld om de Vader er dan ook voor te danken en het niet als iets vanzelfspre­kends te beschouwen.

Staande voor het graf van Lazarus sloeg Jezus zijn ogen opwaarts en zei: “Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt” (Joh. 11:41). Lazarus lag nog in het graf, maar de Heer dankt al voor de verhoring door de Vader.

De Bijbel spoort ons aan om ook vanuit dat geloof en vanuit die hartgesteldheid te bidden en te danken. Wij behoren de Heer overal in te betrek­ken en Hem vanuit geloof dank te brengen, nog voor de verhoring gezien wordt. Het leert ons des te vaster in alles op Hem te vertrouwen en van Hem afhankelijk te zijn. Dat schept een grote innerlijke tevredenheid en rust.

Aan de Filippenzen schrijft Paulus: “Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God” (Filip. 04:06). Dit is de wil van God in Christus Jezus ten opzichte van Zijn volk.

Dankbaarheid is de bed­ding waardoor de verho­ring van gebeden en de genade Gods stroomt in een mensenleven.

Aan iemand die de Vader te allen tijde dankt voor alles (Ef. 05:20), – kan Hij alle genade overvloedig schenken (2 Kor. 08:08).

 

In ’t licht van Jezus door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Elkaar belijden: ‘Dit was fout van mij’

‘Ik dacht verkeerd, ik handelde niet vrij’

Er zat een deur op slot;

Omdat het donker was

ben ik gevallen, God,

Ik raakte uit de pas.

Maar ik erken mijn zwakheid en ik stel in ‘ licht

waarvoor ik in het donker ben gezwicht’.

 

‘O God – wat wordt het vredig om me heen!

De zonde vlucht voor ’t licht, dat hem bescheen!

Heer, U verwerpt mij niet,

snoeit wat onbruikbaar is,

zodat de zonde vliedt -‘

Ik zit aan ’s Vaders dis,

Verzadig mij met Goddelijke spijzen

en ik geniet van al Uw gunstbewijzen!

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief door Klaas Goverts

Bijbelstudie Hebreeën -3-

Van deze zoon, deze mensenzoon, wordt in (Heb. 01:02) Hebreeën 1 vers 2 gezegd:

Hij heeft Hem ingezet tot erfgenaam van alles.

Dit motief: erfgenaam – beërven, keert meermalen terug; meteen in het eerste hoofdstuk al tweemaal:

(Heb. 01:04) Hij heeft een meer onderscheiden naam dan zij (namelijk de engelen) beërfd (of geërfd).

(Heb. 01:14) ter wille van hen die de bevrijding zouden beërven.

Verder wijzen we nog op:

(Heb. 06:12) navolgers van hen die door geloof en geduld (of trouw en grootmoedigheid) de beloften beërven.

(Heb. 06:17) de erfgenamen der belofte.

(Heb. 09:15) opdat (…) de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.

(Heb. 11:07) hij (Noach) is een erfgenaam geworden van de gerechtigheid die overeenkomstig het geloof (het vertrouwen) is.

(Heb. 11:08) naar een plaats (maqom) die hij Abram) zou ont­vangen ot erfenis (erfdeel).

(Heb. 12:17) later toen hij (Esau) toch de zegen wilde beërven.

Beërven is een van de fundamentele thema’s in de Thora en ook in het boek Jozua (het eerste boek van de profeten) . Het is iets wezenlijk anders dan bezitten. De mens ontvangt een erfdeel, niet om daar de baas over te spelen, maar om op dat erfdeel recht te verschaffen aan de armen en ellendigen. Zijn erfdeel biedt hem de mogelijkheid om mens te zijn ten behoeve van de ander. Had hij geen erfdeel, hoe moest hij dan gerechtigheid oefenen? Waar moesten dan de hulpelozen heen ?

Jezus wordt ingezet (aangesteld) als erfgenaam van alle dingen, omdat Hij bewezen heeft dat Hij goed is voor de mens en de aarde. De kernvraag is: voor wie is de aarde? En het antwoord daarop is: de aarde is voor wie er goed voor zijn.

Van deze zoon wordt gezegd dat hij (voor een korte tijd, of een weinig) onder de engelen vernederd werd (Heb. 02:07 en Heb. 02:09) .

Hij werd de onterfde. Beneden de engelen (de boden Gods) vernederd.

Hij werd de onterfde, opdat de onterfden een broeder zouden hebben.

In de Hebreeënbrief gaat het derhalve om de mens die nu juist géén engel is. Juist vanwege zijn niet-engel-zijn, vanwege dat solidair zijn met de mensen, met de vertrapten, de vernederden, met alle onterfden van alle tijden, tot in het proeven van de dood, juist daarom is Hij met lichtglans en eer bekranst.

Van deze zoon wordt ook verteld dat hij de beslissende mens is in de geschiedenis. Hebreeën 1 vers 2 (Heb. 01:02) luidt in de NBG-vertaling: door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Hierbij moeten we aantekenen: er staat niet geschapen, maar gemaakt (hebr. niet bara’ maar ‘asah, maken of doen; dat heeft te maken met Gods daden). En in de tweede plaats: er staat het woord aioones, hier weergegeven met wereld, maar dit is oorspronkelijk in Tenakh een tijdsbegrip: ‘olam, meervoud ‘olamim. ‘Olam betekent: eeuw, tijdperk. Onze tekst zegt derhalve: door wie Hij ook de ‘olamim heeft gemaakt. De vertaling kan dan worden: door wie Hij ook de geschiedenis heeft gemaakt.

We hebben reeds eerder gezien dat het Hebreeuwse denken uitgaat van: het primaat van de tijd. De tijd weegt zwaarder dan de ruimte. Door de Messias (de messiaanse mens) maakt God de geschiedenis.

Het woord aioon (‘olam) komen we ook tegen in Heb. 1 vers 8 (Heb. 01:08); daar staat het in verband met de troon van de Messias. En verder treffen we het aan in:

(Heb. 05:06) gij zijt priester voor (heel) de ‘olam.

(Heb. 06:20) hogepriester geworden voor (heel) de ‘olam.

(Heb. 07:17) gij zijt priester voor (heel) de ‘olam.

(Heb. 07:21) gij zijt priester voor (heel) de ‘olam.

(Heb. 07:24) omdat hij blijft (heel) de ‘olam lang.

(Heb. 07:28) een zoon (één die zoon is), die voor (heel) de ‘olam tamim (gaaf) geworden is.

Het meervoud treffen we nog aan in (Heb. 13:08): Jezus Messias is gisteren en heden dezelfde en tot in de aionen (tot in de ‘olamim, de tijdsgewrichten, de tijdperken) .

Het bijvoeglijk naamwoord aioonios:

eeuwig heil, of: een duurzame bevrijding, bevrijding die heel de eeuw verduurt.

een eeuwig oordeel, een recht of gericht, een rechtszitting die heel de eeuw verduurt.

een eeuwige verlossing gevonden hebbende.

die door (de) eeuwige Geest (ruach) zichzelf smetteloos aan God heeft toegebracht.

de eeuwige erfenis.

(Heb. 13:20) in (door) het bloed van een eeuwig verbond.

Zo zien we dat de Hebreeënbrief de nadruk legt op de duurzaamheid van de messiaanse bevrijding.

Nog een tekst moet in dit verband genoemd worden, waar ook aioon (‘olam) in het meervoud voorkomt, name­lijk in hoofdstuk 11 vers 13, waar wij lezen:

Door het geloof verstaan (bedenken) wij dat de aionen (‘olamim) bereid zijn (tot stand gekomen zijn) door het woord (dabar) Gods.

Dit vers herinnert ons weer aan (Heb. 01:03): Hij draagt alle dingen door het woord (dabar) van zijn kracht, of door zijn machtig woord. Het woord van de Messias draagt de geschiedenis, het woord van de Messias brengt de geschiedenis tot stand, het doet de tijdperken op gang komen en zich afwikkelen. Door het geloof verstaan we dat de geschiedenis tot stand komt vanuit het geschiedende woord Gods.

De boze haat geschiedenis; alles moet maar blijven zoals het was. De Messias (de messiaanse mens, de messiaanse gemeente) IS de geschiedenis van God. Eindelijk gebeurt er wat; er komt voortgang; de tijd breekt open.