1990.07-08 nr. 316

Levend geloof 1990. 07-08 nr. 316

De trouw van God en onze trouwdoor Gert Jan Doornink

Gods trouw is onveranderlijk en eeuwig

Eén van de karaktereigenschappen van God is trouw. Dat is iets wat verankerd is in Zijn wezen, evenals andere eigenschappen zoals goedheid, barmhartigheid, etc. Trouw hoort bij God. Het is een wezenlijk onderdeel van Zijn bestaan. En dat verandert niet. Hij was trouw, is trouw en blijft tot in eeuwigheid trouw.

Maar wat is trouw? Als we in een woordenboek de betekenis van het woord ’trouw’ opzoeken, komen we daar de woorden ‘gehechtheid’, ‘verbondenheid’ en ‘standvastigheid’ tegen. En ook ‘eerlijkheid’ en ‘betrouwbaarheid’. Alleen maar positieve eigenschappen dus, waaruit ook blijkt dat trouw niet op zichzelf staat, maar dat het naar buiten treedt, zich openbaart, zoals trouwens met alle eigenschappen van God.

God is trouw aan Zijn schepping, waarvoor we dus ook kunnen lezen: God is gehecht aan Zijn schepping, ermee verbonden en natuurlijk ook aan de hoogste vorm van Zijn schepping: de mens. God schiep de mens naar Zijn beeld, naar Zijn gelijkenis, op een goede, volmaakte wijze, lezen wij in Genesis 1. Daarom is God gehecht aan de mens en verbonden met de mens.

Dit komt wel het duidelijkst tot openbaring in Zijn Zoon, Jezus Christus. Een prachtig voorbeeld van de trouw van God en van Jezus Christusvinden we door Paulus beschreven in 2 Korinthiërs 1 vers 18 en 19 (2 Kor. 01:18-19): “Bij de trouw van God: ons spreken tot u is niet: ja en neen! Immers, de Zoon van God, Christus Jezus, was niet: ja en neen, maar in Hem was het: Ja. Want hoeveel beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja. In onze tijd wordt vaak de uitdrukking ‘zeker weten’ te pas en te onpas gebruikt. Het ‘zekere weten’ van Paulus was verankerd in de rotsvaste zekerheid: de trouw van God.

Is de mens ook trouw aan God?

De trouw van God is een zekerheid die door niets en niemand is aan te tasten. Maar nu de mens. Is de mens ook gehecht aan God? Is de mens ook verbonden met God? Van oorsprong is dit wel het geval. We weten wie in dit opzicht de spelbreker is geweest, het is de satan, de mensenmoordenaar vanaf het begin. Maar ik ben zo blij dat ik het ook in dit artikel weer met nadruk mag stellen: De duivel heeft niet het laatste woord! Want zodra de mens een nieuwe schepping in Christus wordt, is daar de mogelijkheid geschapen om ’trouw’ te openbaren. Maar daarvoor behoren we ons wel in te zetten. Want voor de mens blijft altijd de mogelijkheid aanwezig om ontrouw te zijn of te worden, omdat we nog leven op ‘vijandelijk terrein’. We leven nog in een wereld waarvan satan de overste is. Vandaar dat Paulus ook met deze mogelijkheid rekening houdt door te schrijven: “Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet” (2 Tim. 01:13).

Nu moeten we oppassen en niet denken: Ziezo, ik hoef me dus verder niet druk te maken of ik altijd wel ’trouw’ tot openbaring breng. Het zal bij mij toch altijd wel afwisselend zijn: de éne keer trouw en dan weer ontrouw… Als we zo redeneren blijven we als nieuwe scheppingen in een beginstadium steken. Als er geen geestelijke groei is, gaat het absoluut fout met onze openbaring van trouw.

In Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22)wordt trouw een vrucht van de Geest genoemd. Hieruit blijkt ook weer hoe belangrijk de doop met de Heilige Geest is. Zonder de Heilige Geest kunnen we geen trouw openbaren. Dan kunnen we misschien wel thuis zijn in de Bijbel en op een wettische manier christen proberen te zijn, maar dan is het net als bij de Schriftgeleerden en Farizeeën, waartegen Jezus op een gegeven moment zegt: “Gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de trouw” (Matth. 23: 23).

Voorbeelden van trouw in de Bijbel

De Bijbel kent vele voorbeelden van trouw. Wij willen ons beperken tot enkele uitspraken van de apostelen. Zo schrijft Paulus aan Filémon: “Ik dank mijn God te allen tijde, als ik u in mijn gebeden gedenk, daar ik hoor van uw liefde en van uw trouw, die gij hebt jegens de Here Jezus en al de heiligen… ” (Filemon 01:04-05).

Timotheüs wordt door Paulus een geliefd en trouw kind in de Here genoemd (1 Kor. 04:17). En in Filippenzen 2 vers 22 (Filip. 02:22) schrijft hij over Timotheüs: “Zijn beproefde trouw kent gij echter, dat hij, gelijk een kind zijn vader, mij in de dienst van het evangelie heeft geholpen”. Paulus spreekt hier over ‘beproefde trouw’, met andere woorden: zijn trouw is op de proef gesteld. Het is geen oppervlakkige aangelegenheid. Een andere vertaling zegt: “Gij weet dat zijn trouw is beproefd”.

In 1 Korinthiërs 7 vers 25 (1 Kor. 07:25) noemt Paulus zichzelf “iemand die door de ontferming des Heren trouw is”. Paulus slaat zichzelf dus niet op de borst door te zeggen: ‘Ik ben zo trouw… ‘, maar hij is het door de genade van God, met andere woorden: hij geeft de eer aan God.

Er zijn nog veel meer voorbeelden uit de Bijbel aan te halen. Wij willen er nog één noemen. Dat betreft Johannes, die in zijn derde brief over Gajus schrijft: “Geliefde, gij handelt trouw in alles wat gij aan de broeders doet” (3 Joh. 01:05).

Waaraan behoren wij trouw te blijven?

Wij willen nu een aantal punten noemen waarbij van ons trouw verlangt wordt. Waaraan moeten wij trouw blijven?

Aan God. Als God bewezen heeft – en nog dagelijks bewijst – dat Hij trouw is aan ons, behoort het voor ons een vanzelfsprekende zaak te zijn dat wij trouw behoren te zijn aan Hem. Vandaar de Bijbelse voorbeelden die wij aanhaalden en die ons duidelijk laten zien hoe de eerste christenen het begrip ’trouw’ hoog in hun vaandel hadden geschreven.

Aan Jezus Christus. De trouw die van ons gevraagd wordt ten aanzien van de Zoon van God is een logisch gevolg van onze trouw aan God. In Hem is immers het wezen van God tot openbaring gebracht. Hebreeën 1 vers 3 (Heb. 01:06) zegt over Jezus dat Hij de afstraling is van Gods heerlijkheid en de af druk van Zijn wezen.

Aan de boodschap die Hij bracht. Het evangelie van Jezus Christus is DE boodschap voor alle tijden en alle plaatsen. Het is de boodschap van het geestelijk Koninkrijk die ons bewust maakt dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten, om van daaruit te strijden en te overwinnen. In Matthéüs 24 vers 14 (Matt. 24:14) zegt Jezus dat “dit evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt zal worden, tot een getuigenis voor alle volken”.

Aan onze medebroeders en zusters. In 2 Timotheüs 2 vers 22 (2 Tim. 02:22) schrijft Paulus: “Jaag naar gerechtigheid, naar trouw, naar liefde en vrede met allen, die de Here aanroepen uit een rein hart”. Eerder haalden we reeds aan wat Paulus schreef over Filemons trouw ten aanzien van de Here Jezus en al de heiligen. De trouw aan onze medebroeders en zusters kunnen wij praktisch beleven in de gemeente waar de Heer ons geplaatst heeft.

Aan de opdracht die Hij ons gaf. Deze opdracht is tweevoudig. In de eerste plaats worden wij opgeroepen om ‘anderen voor Christus te winnen’ (Matt. 28:19). En het tweede deel van de opdracht is het einddoel des geloofs – de volkomenheid in Christus – te bereiken. Het is niet zo, zoals hier en daar geleerd wordt, dat we pas uit kunnen gaan om het evangelie aan anderen te brengen, als we eerst een bepaalde graad van ‘heiligheid en onberispelijkheid’ hebben bereikt. Maar wel is het natuurlijk waar dat naarmate we geestelijk groeien en het volwassen stadium in Christus bereiken, ons getuigenis effectiever zal zijn.

Waarom God trouw blijft aan de mens

Het leven van God, het bestaan van God, Zijn scheppings- en voltooiingsplan is ondenkbaar zonder de trouw die Hij heeft ten aanzien van de mens. En ook al is God soms hevig teleurgesteld in de mens – en zeker als het de nieuwe mens in Christus betreft – God blijft getrouw. In Romeinen 3 vers 3 schrijft Paulus: “Als sommigen ontrouw geworden zijn, zal dan hun ontrouw de trouw Gods tenietdoen? Volstrekt niet!” God geeft de 100% garantie dat Zijn trouw onveranderlijk en onverbrekelijk is!

Als God ons trouw blijft, wat is dan ons antwoord daarop? U moet het zelf maar invullen. Ik kan alleen maar voor mijzelf spreken als ik zeg: Ik wil proberen Hem tot in eeuwigheid trouw te blijven. Dat is mijn verlangen, daar strek ik mij naar uit. En ik laat me niet voortdurend door de duivel aanklagen met de woorden: Ja maar je bent zo vaak ontrouw geweest… Ik laat liever Gods Woord spreken waar we lezen dat Jezus zegt: “Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen” (Matt. 25:21-23). Jezus wil als het ware zeggen: Je hebt vaak gefaald. Maar je bent óók trouw geweest. Je hebt de talenten (bekwaamheden) die Ik je hebt toevertrouwd, niet misbruikt of ongebruikt gelaten. En dat is voor Mij zoveel waard dat het veelvuldig gehonoreerd wordt! Wat doen wij met de talenten die de Heer ons heeft toevertrouwd ?

Het is het verlangen van God dat wij een zelfde instelling zullen hebben als de gelovigen in Antiochië. Toen Barnabas daar aankwam “en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven” (Hand. 11:23). Dat wil God ook in ons leven door Zijn Woord en Geest bewerken. Als dit ‘voornemen’ ook in ons hart aanwezig is, kunnen wij dat bewijzen door ons geloof en onze gehoorzaamheid. Dan is het niet meer: ‘Gods trouw en onze ontrouw’, maar dan gaan we

meer en meer Zijn doelstelling voor ons leven waarmaken: Gods trouw èn onze trouw!

 

Macht om te dienen door Ron Gast

 

‘Macht om te dienen’, een uitzonderlijke kombinatie. Macht is immers om te heersen! Dienen doen de machtelozen!

Hoevelen zullen alleen al bij het horen van het woord ‘macht’ met emotie reageren. Hetzij omdat zij tot de categorie der machthebbers behoren; hetzij dat zij tot de groep van de machtelozen gere­kend moeten worden.

Het begrip ‘macht’ roept zeker emoties op. In de wereld spelen macht, machtsblokken, machts­verhoudingen en machts- evenwichten een grote rol. De kranten staan er boor­devol van.

Maar wat is macht nu eigenlijk? Niet wat de bo­ze er op aarde van ge­maakt heeft, maar hoe God macht geschapen heeft.

Gods macht schept orde

God creëerde gezagsver­houdingen. Uit de chaos schiep hij orde. In Gene­sis 1 vers 2 (Gen. 01:02) staat: “De aarde nu was woest en ledig en duisternis lag op de vloed”. In de He­breeuwse tekst staat het woord chaos. “En God zeide… ” (Gen. 01:03). Vanaf dat moment schept God orde in de chaos, licht in de duisternis. God spreekt, verordineert en het ge­schiedt !

Waar God verschijnt, komt orde en gezag. Waarom? Opdat alles op z’n plaats komt! Als iedereen en al­les chaotisch door elkaar , ligt, dan kan je er zeker * van zijn dat er niets op z’n plaats is. (Al eens geprobeerd iets te vinden op je bureau als alles kris kras door elkaar ligt?).

Goddelijke macht schept dus orde. Dan komen de mensen op hun plaats en tot hun recht. Om dat te bewerken heeft God zelf macht. “Gij zult weten dat Ik de Here uw Redder ben en uw Verlosser, de Mach­tige Jacobs” (Jes. 60:16).

God deelt Zijn macht uit

Nu is het onnavolgbare van God dat Hij deze macht niet exclusief voor Zichzelf houdt, maar dat Hij Zijn macht uitdeelt aan allen die Hem aanhangen. In Hebreeën 2 vers 4 (Heb. 02:04) staat daarover: “… ter­wijl ook God getuigenis geeft door tekenen en wonderen en velerlei wer­ken van kracht en door de Heilige Geest uit te de­len, in overeenstemming met Zijn wil”.

Door de Heilige Geest wordt er een geheiligde, heilzame en helende kracht verleend aan de kinderen

Gods.. Jezus spreekt daar­van al® Hij zegt: “Mij is gegeven alle macht in he­mel en op aarde” (Matt. 28:18). En Jezus geeft op Zijn beurt weer door van die Goddelijke macht: “Zie, Ik heb u macht gegeven.. ” ‘ (Luc. 10:19).

Maar waarom deelt God Zijn macht uit? Omdat God het heil van ieder mens op het oog heeft. Door de ene mens macht te verle­nen, kan deze voor de ander tot heil worden.

Iets wat ik bijvoorbeeld niet kan en mijn naaste wel, kan mij ten goede komen. Ik hoef niet alles in eigen kracht; God geeft mij een broeder of zuster die mij helpt, over mij waakt, over mij ‘heerst’! Heersen in de zin van: de aan jou verleende kracht inzetten tot heil van je naaste.

Daarmee horen ‘heersen’ en ‘dienen’ onlosmakelijk bij elkaar. Het zijn twee machtsbegrippen die in Gods visie op hetzelfde doel gericht zijn: namelijk Goddelijke orde onder mensen.

Het machtsspel van de boze

De Bijbel bevat veel ver­halen over machtige koningen, overheersers, geweldenaars zoals Egyptische farao’s. Koningen zoals David en Salomo waren aanmerkelijk schaarser. Omgaan met macht is blijk­baar moeilijk Al gauw stijgt de macht naar het hoofd. Denk aan Nebukadnezar (Dan. 04:30)!

Dat gevaar ligt steeds op de loer. De boze zit niet stil. Altijd weer probeert hij zijn machtsspel te spe­len. Als Jezus aan het be­gin van Zijn bediening staat, komt satan en zegt: “Ik zal U alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid geven… , als Gij u neerwerpt en mij aanbidt”.

De macht die de boze ver­leent, is gericht op ver­sterking van zijn eigen positie. Met een machts- principe van verdeel en heers, van baas-boven- baas. Het is macht-met- voorwaarden en dan is altijd de boze erbij be­trokken.

Jezus waarschuwt de dis­cipelen dan ook voor de boze: “Evenwel verheugt u niet hierover (over uw macht), maar verheugt u dat uw namen staan opgetekend in de hemel”. Verheug je niet dat je macht hebt (gekregen), maar dat je bij God mag horen!

Gods macht is om te dienen

Het gaat niet om macht op aarde, maar het gaat om het gezag van God in de geestelijke wereld. Daar ligt het wezenlijke verschil: in de hemel! Jezus legt dat als volgt uit: “Gij weet dat zij die regeerders der volken heten, heerschappij over hen voeren, en hun rijks – groten oefenen macht over hen. Zo is het onder u niet. Maar wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mark. 10:42-45).

De maatstaf van de wereld is dat regeerders macht uitoefenen over de volkeren , maar de maatstaf van God is dat ‘groten’ in het Koninkrijk van God dienen. Waar het heel concreet over de gemeente gaat, schrijft Paulus: “… opdat er geen verdeeldheid in het lichaam (van Christus) zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen” (1 Kor. 12:25).

Zo dienen broers en zus­sen in de gemeente elkaar. De hand helpt de voet, de voet draagt het been, het been de romp. Ieder voor zijn deel dient in het lichaam, en Christus aan het hoofd! Dienen, Gods visie op macht!

 

Gods woord (gedicht) door Piet Snaphaan

“Ik verblijd mij over Uw Woord

als iemand die rijke buit vindt” (Psalm 119:162).

Niets maakt ons rijker dan Gods Woord,

een schat van grote waarde.

Wie arm is zegge: ‘k ben toch rijk,

‘k mag leven in Gods Koninkrijk,

reeds hier op deze aarde.

 

Niets maakt ons blijder dan Gods Woord,

dat nimmer toch kan falen.

Wie zwak is zegge: toch ben ‘k sterk,

ja zelfs bekwaam voor al Gods werk,

door Hem die ons doet stralen.

 

Niets maakt ons sterker dan Gods Woord,

waardoor we ons laten leiden.

God leert ons strijden, geen beklag,

omdat je in Hem alles vermag,

waardoor we ons zeer verblijden.

 

Voltooiing en voleinding door Evert van de Kamp

 

“Wanneer alles Hem onder­worpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem al­les onderworpen heeft, opdat God zij alles in al­len” (1 Kor. 15:28).

Door een ongeval liet hij zijn leven, nog maar 31 jaar oud. Zijn (Gerefor­meerde) familie schreef: ‘Voor ons was zijn leven veel te kort, maar wij ge­loven dat, nu wij hem los moeten laten, God toch verder met Hem gaat en zijn leven voltooit’.

Die laatste woorden: ‘En zijn leven voltooit’ en ‘God gaat met hem ver­der’ , bleven bij mij han­gen. Temeer omdat ik in een gesprek merkte hoe ongenuanceerd er toch over deze dingen wordt gedacht. Zo in de trant van: ‘De bijl ligt aan de wortel van de boom. Zoals die valt, blijft hij liggen. Wie zich niet bekeert, is voor eeuwig verloren. Voltooiing later, een vraagteken’. In Matteüs 3 vers 10 (Matt. 03:10) wordt wel wat anders bedoeld.

We willen vooral het laat­ste woord van een mens horen, want met het ster­ven is voor immer alles beslist. Er valt niets meer te veranderen, is de ge­dachte.

De mensen van de geci­teerde advertentie dachten in hun verdriet en troost er kennelijk anders over en naar ik meen terecht.

Alverzoening?

Maar gaat dat dan niet erg ver, zo in de richting van een algemene verzoe­ning? Maak je niet druk, het komt met ieder mens wel terecht.

Zo is het uiteraard zeker niet. De Bijbel geeft mijns inziens geen enkele grond voor een leer van alverzoening. Maar het is even­min waar wat veel christe­nen denken, dat alle men­sen die niet in Christus geloven, voor eeuwig ver­loren gaan. Gelukkig is er ook in dat opzicht meer tussen hemel en aarde dan menigeen denkt.

Dat moet ons daarom tot grote voorzichtigheid ma­nen. Vooral als het gaat om het geven van een eindoordeel over een mens. Bijvoorbeeld bij zelfdoding, waarbij het mensen betreft die door duistere machten de dood worden ingedreven, zon­der dat zij dat ten diep­ste zelf willen.

Veel beter is het te ont­dekken wat het plan van God is als Hij spreekt over de voltooiing en vol­einding van de mens. Ten eerste geeft God niet zo maar een mens prijs aan de tegenstander, aan de duivel. En ten tweede creëert God door zijn Woord en zijn Geest de volmaakte mens. Zijn doel is de volmaakte mens. De mens die tot zijn volein­ding in God komt. Daar is God op uit.

En dit Goddelijke werk is vaak bij het sterven van een mens nog (lang) niet voltooid. Ik geloof dat onze geweldige Heer we­gen heeft, die nu dikwijls nog verborgen zijn voor ons, om na de biologische dood, zijn volledig doel met de mens te bereiken. Ik denk in dit verband ondermeer aan hetgeen geschreven staat in He­breeën 11 vers 39 en 40 (Heb. 11:39-40). Van de geloofsgetuigen in deze geloofsgalerij wordt dan gezegd: “Ook deze allen, hoewel door het geloof een getuigenis aan hen gegeven is, hebben het beloofde niet verkre­gen, daar God iets beters met ons voor had, zodat zij niet zonder ons tot de volmaaktheid konden ko­men”.

Daar proef ik in een ver­dergaande geestelijke ont­wikkeling. Geen tweede kans, maar God maakt in zijn trouw af wat Hij be­gon. Nogmaals, God werkt altijd aan voltooiing en voleinding.

Onderscheiden oordeel

De Bijbel brengt niet alle mensen onder dezelfde ne­gatieve of positieve noe­mer. Bij God is sprake van een onderscheiden oordeel. In Matteüs 11 vers 20 tot 24 (Matt. 11:20-24)bijvoorbeeld vergelijkt Jezus de plaat­sen Chórazin en Bethsaïda met Tyrus en Sidon, Kapernaüm met Sodom. Hij zegt: “In de dag des oor­deels zal het voor Tyrus en Sidon en Sodom draaglijker zijn dan voor die steden”.

En het is ook niet zo dat God ons aangaande deze dingen helemaal in het on­gewisse laat. In zijn Woord tekent God verschillende categorieën mensen. Het Woord spreekt over men­sen die wel of niet in het dodenrijk zijn of komen. Bij de opstanding van Je­zus zijn vele rechtvaardi­gen uit het oude verbond overgezet van het doden­rijk naar het hemelse pa­radijs (Matt. 27:52-53; Ef. 04:08). Mensen als Abraham, Izak en Jakob en de profeten, die zich toen al in hun leven had­den bezig gehouden met de hemelse zaken (Heb. 12:23).

Na de opstanding van Je­zus komen de zijnen even­min in het dodenrijk. Zij zien de dood niet (Joh. 08:51) en hebben deel aan de eerste opstanding (Openb. 20:06). Het zijn allen bewoners van het hemelse paradijs. Hun na­men staan opgetekend in het ‘boek des levens van het Lam’ (Openb. 13:08; Openb. 21:27), niet te verwarren met het ‘boek des levens’ in Openbaring 20 vers 12 (Openb. 20:12). Daarentegen zijn of komen andere categorieën ge­storvenen in het doden­rijk. Allereerst noemt de Bijbel die mensen die wel­bewust de zijde van de duivel kiezen (Joh. 03:19). Zij hebben zich verbonden met boze geesten en willen zich nimmer laten bevrij­den. In de dag des oor­deels storten zij zich met die boze geesten in de poel des vuurs, ook ge­noemd de buitenste duis­ternis. Door hun keuze zijn ze niet opgeschreven in het ‘boek des levens’. Ik schreef al: ‘Er is geen alverzoening’ (Openb. 20:15).

In het dodenrijk zijn ook degenen uit het oude verbond die wel God dienden, maar die zich nooit met de onzienlijke wereld be­zig hielden. Bij de op­standing van Christus gingen zij niet mee naar het hemels paradijs. Na het openen van het ‘boek des levens’ (Openb. 20:12) begint voor hen toch het feest van de voleinding. In Exodus 32 vers 32 (Ex. 32:32) wordt al over het ‘boek des levens’ gesproken. Het betreft ook de mensen die nooit kennis hebben kunnen maken met de enig ware levende God en die het evangelie van Jezus Christus nooit hebben ge­hoord. In Romeinen 2 vers 14 (Rom. 02:12) heeft Paulus het over een categorie ‘heide­nen’, die van nature doen wat de wet gebiedt.

Een bijzondere groep vor­men de (kleine) kinderen, die hun levensjaren niet vol hebben kunnen maken. Van hen zei de Heer Je­zus: “Voor zodanigen is het koninkrijk Gods” (Luc. 18:16).

De beker koud water

Een aantal jaren geleden zei een in Gods Geest ge­doopte Indische Nederlan­der van Chinese afkomst mij het volgende: Men had hem gevraagd de begrafenisdienst te leiden van een man die met hem in het Jappenkamp had geze­ten. Hij vond dat moeilijk, omdat hij niet wist of de­ze man wel een christen was. Hij vroeg de Heer om antwoord. En de Heer sprak: ‘Ga, want dit is de man van de beker koud water uit Matteüs 10 vers 42’ (Matt. 10:42). In het Jappenkamp had de man on­baatzuchtig velen gehol­pen. U ziet, zoiets ver­geet de Heer nimmer.

“Barmhartigheid roemt tegen het oordeel”, schrijft Jakobus. De ver­taling Brouwer zegt het wel heel mooi: “Maar de barmhartigheid behaalt de zege over het oordeel” (Jak. 02:13).

Dit soort mensen sloot geen verbond met de de­monen, die geen barmhartigheid kennen. In het laatste oordeel worden deze mensen niet prijs gegeven aan de poel des vuurs. Het ingeschapen beeld van God ging in hen niet totaal verloren en zij handelden daarnaar. Hun gedachten werkten zuiver. Hun geweten was niet toe geschroeid. In Matthéüs 25 vers 35 tot 40 (Matt. 25:35-40) wordt ondermeer over deze mensen gesproken. Naar hun ‘werken’ worden ze geoordeeld, zegt de Heer (Openb. 20:12).

Zo leert de Heer ons niet voorbarig en ongenuan­ceerd te oordelen. Het rechtvaardig oordeel is bij Hem in de allerbeste han­den.

God alles in allen

Wij worden opgeroepen in de lijn van Gods gedach­ten en plannen te denken. Dat behoedt voor elke vorm van doemdenken. In Hebreeën 12 vers 2  (Heb. 12:02) wordt Jezus de ‘voleinder des geloofs’ genoemd. Zijn be­diening is het bewerken dat God alles in allen zal worden, zal zijn. Dat be­tekent dat Jezus bezig is zijn gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet (Ef. 05:27). Christus brengt alles tot volheid (Ef. 04:10).

Wij zijn genaderd tot de geesten der rechtvaardi­gen, die de voleinding – het doel van God met de mens – bereikt hebben (Heb. 12:23). Naar dit doel, die voltooiing, zijn wij op weg, de gelijkvor­migheid aan het beeld van Jezus. We jagen naar de volmaaktheid in Christus (Filip. 03:10-14). We verlan­gen er naar en willen dat God alles in ons zal zijn. Nu en hier en bij de eerste opstanding (Openb. 22:02).

Er wacht nog veel werk. Want evenzeer is het Gods bedoeling dat heel zijn schepping de vrijheid van de heerlijkheid der kinde­ren Gods zal bereiken (Rom. 08:21). Alle machten delven het onderspit. God zoekt zijn woning in een totaal verloste, herstelde en verheerlijkte mensheid.

“Sta op, o God, richt de aarde, want Gij bezit alle volken” (Ps. 082:008).

God doet wat Hij kan en Hij bereikt zijn doel, nu en straks.

 

 

Intermezzo door Gerry Velema

Als water in een regenton

U kent allemaal wel die houten regentonnen. Bekend van het kinderliedje: ‘Jan Huigen in de ton, met een hoepeltje erom’. Een ton bestaat uit duigen: houten planken die de wand van de ton vormen..

Een kapotte ton valt in ‘duigen’, als de hoepels breken. Je hebt dan niet meer één geheel maar losse ‘duigen’ (planken). Overigens een mooi beeld van de eenheid.

Het was tot twee keer toe dat God mij bij zo’n regenton bepaalde, in verband met de liefde binnen de gemeente. Het was alsof ik zo’n regenton voor me zag. Hij was niet heel, laten we zeggen: hij was in reparatie.

Aan de ene kant van de ton waren mooie gave duigen te zien. Planken die keurig aaneengesmeed naast elkaar waren ópgetrokken als een wand, één geheel. Maar er waren ook duigen die veel kleiner waren dan de rest. Of die maar tot de helft kwamen.

Hoeveel water kan deze regenton bevatten? Zover als de kleinste duigen reiken. Zoveel tot de rand van de kleinste duig. Als liefde het water is binnen de regenton dan kunnen we de boodschap misschien begrijpen. Soms lijkt het al alsof we samen één wand vormen, waar heel veel water in kan. Het is maar van welke kant je tegen de ton aankijkt. De eenheid is bijzonder groot tussen deze duigen. Maar van boven af heb je pas goed zicht. Dan zie je dat het water niet verder kan of dat het verloren wegsijpelt daar waar de hiaten zijn, bij de kleine duigen.

Ik denk niet dat duigen mensen voorstellen, maar relaties! Er zijn makkelijk, snel gevormde relaties. Het klikken tussen mensen. Maar er zijn ook relaties die meer moeite kosten om omhoog te komen. Die dreigen te klein te blijven. Hier dreigen de hiaten te vallen. Deze duigen verdienen onze aandacht en hebben de aandacht van onze God, die is een hersteller van bressen!

 

Zomeractie 1990 door Gert Jan Doornink

Voor de tweede en laatste maal vragen wij uw aandacht voor onze financiële zomeractie tot ondersteuning en instandhouding van het werk van “Levend Geloof”. Daar zijn twee redenen voor.

In de eerste plaats willen wij iedereen hartelijk bedanken voor de giften die wij reeds ontvingen naar aanleiding van onze eerste oproep. Direct na het verschijnen van ons vorige nummer kwamen reeds de eerste spontane reacties binnen. Het heeft ons verblijd en bemoedigd hoe “Levend Geloof” ‘leeft’ onder onze lezers en lezeressen!

De tweede reden, dat wij nog een keer attenderen op onze zomeractie, is dat echter ook verschillende lezers en lezeressen, waarvan wij weten dat zij onze geloofsarbeid een warm hart toedragen, nog niet gereageerd hebben. Op hun doen wij thans een beroep ook te reageren door een extra bijdrage over te maken. Wij vertrouwen erop dat in de komende weken nog velen zullen reageren en willen daarvoor reeds bij voorbaat iedereen bedanken.   

 

Kennen door Duurt Sikkens

“… kennen, zoals ik zelf gekend ben” (1 Kor. 13:12).

Laat je niet kennen! Dat wordt je in bepaalde situaties nogal es toegevoegd. Je moet je groot houden en flink en stoer (dat geldt dan speciaal voor jongens) en meisjes worden weer in een ander patroon geduwd. Wanneer je dat tot je levensprincipe hebt gemaakt heb je een heleboel in je eentje te verstouwen.

Zou God jou willen leren kennen? En Jezus? Mag Hij weten wie je werkelijk bent? Het punt is niet of je de Bijbel kent of dat je je uit de naad slooft voor de gemeente waar toe je behoort, moor of God jou kent.

Heb je je aan Hem laten kennen? Of verschuil je je achter je activiteiten, je lange gebeden, je theologische weetjes of wat al niet?

Kom eens tot rust in Zijn nabijheid. Een huwelijk waarin de vrouw de ganse dag loopt te sloven en te zwoegen, en geen moment voor zichzelf heeft, is geen huwelijk.

Jezus zou zeggen: “Hou es op, ga es zitten, naast me. En doe dat horloge weg.

‘k Wil eens met je praten, want in plaats van zelf te leven, wórd je geleefd. Of ben je vergeten dat Ik van je houd om jouw karakter. Als Ik zeg: Ik ben met je, betekent dat dat Ik liever niet zonder je ben. Haal diep adem, adem Mijn Geest, want Ik wil dat we samen gelukkig zijn. Zo ken Ik je weer”.

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief door Klaas Goverts -2-

Bijbelstudie Hebreeënbrief -2-

  1. Zonen. Er is niet alleen sprake van ‘een die zoon is’, maar ook van zonen (meervoud). Kerntekst is (Heb. 02:10): om vele zonen tot heerlijkheid (of gewicht, of lichtglans) te brengen. Hierbij sluiten onmiddellijk weer enkele andere grondmotieven aan, namelijk:
  2. deelgenoten. De zonen zijn deelgenoten van die ene die zoon is (was). Het woord ‘deelgenoten (chaberim) horen we vijf keer in de Hebreeënbrief:

(Heb. 01:09 gezalfd met vreugdeolie boven uw deelgenoten;

deelgenoten van de (een) hemelse roeping;

want deelgenoten van de Messias (de Christus) zijn wij geworden… ;

deelgenoten geworden van de heilige Geest;

de paideia (opvoeding) waarvan allen deelgenoten zijn geworden.

In deze verzen tekent zich een bepaalde weg, een zekere gang van dit deelgenootschap af; het krijgt contouren. Het gaat hier over de chaberim (de gabbers van de Messias, zijn bondgenoten, zijn lotgenoten, de met Hem verbondenen). Ze delen in zijn roeping – ze delen in zijn messiaans bestaan (dat wil zeggen: ze worden als zaad uitgestrooid; ze zijn er voor de ander; ze delen in zijn ruach (geest) – ze delen’ in zijn paideia (zijn training, zijn leerschool).

  1. broeders. Meteen na de tekst over de zonen klinkt een woord over broeders: (Heb. 02:11). We brengen ook dit thema even in kaart:

(Heb. 02:11) Hij schaamt zich niet hen broeders te noemen (roepen);

(Heb. 02:12 vertellen zal ik uw naam aan mijn broeders (citaat uit Psalm 22);

(Heb. 02:17 Hij moest in alle opzichten de broeders gelijk worden;

(Heb. 03:01) heilige broeders, deelgenoten…

(Heb. 08:11 ze zullen geenszins onderwijzen (… ) ieder zijn broeder;

Zie verder nog (Heb. 10:19 en Heb. 13:22).

In het gedeelte vanaf (Heb. 02:11 derhalve komen we de term ‘broeders’ maar liefst viermaal tegen; we mogen het daar als sleutelwoord beschouwen. Schematisch loopt de lijn als volgt:

zonen = broeders = deelgenoten.

Het thema van de broederband kennen we al vanuit de Thora (Genesis onder andere); reeds daar gaat het over zonen die broeders worden, en broeders die elkaars lotgenoten en bondgenoten worden. Met de aanduiding ‘broeder’ bevinden we ons in het taalveld van de solidariteit. Broeder is degene die solidair is ’tot het uiterste’. Vandaar het motief van het: gelijk worden aan de broeders in alles, in alle aspecten, op alle terreinen van het bestaan. Psalm 22 (waarbij de Hebreeënschrijver aanknoopt via het verbindingswoord ‘broeder’) onderstreept deze gedachte. Hier is immers een mens aan het woord die inderdaad in alles lotgenoot is van de minste zijner broeders, en die daarom dan ook recht van spreken, recht van vertellen heeft. Zelfs de minste broeder, ja de diepst vertrapte en verschopte broeder kan zich in hem herkennen.

Conclusie: centraal motief in de brief aan de Hebreeën is: de Messias als broeder, in Zijn lotsverbondenheid tot het einde. Het uiterste der dagen draagt het stempel van de mens die tot het uiterste ging. Jezus de broeder tot het einde toe.

“gij zijt de broeder die wij ten offer hebben gebracht”.

Deze broeder keert ons bestaan binnenste buiten, hij licht ons door tot op onze diepste kern, hij wiens weg van begin tot het eind getekend is door dat wonderlijke woord:

Hij schaamt zich voor hen niet…

Bereid met hen in één adem genoemd te worden

draagt hij hun naam,

geeft hij zijn naam aan hen,

deelt hij met hen zijn brood, gaat met hen in hun dood, hij treedt hun pad en op zijn weg neemt hij hen mee, hij draagt hun last, hij brengt hen naar zijn huis.

Hij is de broeder die wij ter dood verwezen en zonder wie wij niet kunnen leven. Aan Hem lezen wij af wat broeder-zijn inhoudt.

 

Welke wet is in ons binnenste door Wim te Dorsthorst

Een weinig begrepen belofte

“Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven” , was de belofte van God in de meest donkere tijd van het volk Israël. Er klonk als het ware een juich­kreet van God door in deze belofte.

Wat is, tot in deze tijd, deze belofte maar weinig begrepen. De wet die God in ons hart schrijft en in ons verstand legt, is zijn Heilige Geest, die Hij in. ons binnenste geeft (1 Thess. 04:08). Het is niet een uitgeschreven wet die je kunt bestuderen en trachten te vervullen, maar het zijn de levens­wetten van God en Jezus Christus. Het is het eeu­wige goddelijke leven door de eeuwige Geest in ons binnenste.

Dat is het levende water wat de innerlijke mens doorstroomt en tot gewel­dig vrucht dragen brengt. Jesaja 32 vers 15 en 16 (Jes. 32:15-16)zegt: “totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit den hoge. Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijkt een woud; dan woont het recht in de woestijn en de gerechtigheid verblijft in de gaarde”. Gods ge­rechtigheid verblijft in de gaarde, in het inner­lijk van de mens, door de Heilige Geest.

De Schrift staat vol van deze woorden die allemaal te maken hebben met de eeuwige gedachte en be­lofte van de Vader: “Ik zal Mijn Geest uitstorten op al wat leeft” (Joël 02:28a). “Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven”.

Wij vormen de ware tabernakel

God schiep het hart van de mens om daar Zelf in te kunnen wonen. Door de zonde is het hart ver­ontreinigd, maar God zelf voorzag in het Lam, zijn eigen Zoon, en reinigde de tempel met Zijn bloed. Paulus zegt: “Die Hij Zich door het bloed van Zijn Eigene verworven heeft” (Hand. 20:28b).

Als beeld van deze ware tempel bouwde Mozes de tabernakel waar in het heilige der heilige de ark van het verbond stond met daarin de ste­nen tafelen, beeld van de ingeschapen wetten Gods. Deze ark werd be­sprenkeld met het bloed op grote verzoendag.

Zo is in ons diepste bin­nenste het verborgen heiligdom gereinigd met het bloed van het Lam en door de inwonende Geest is de wet van God met eeuwig levend schrift ge­schreven in ons hart en is door de Geest de Va­der en de Zoon in ons tegenwoordig.

En het is de Heilige Geest zelf die in ons getuigt dat deze dingen waar zijn (Heb. 10:15-16) en dat we kinderen van God zijn (Rom. 08:16).

Bedekking en onwetendheid

Als er door de duivel iets bedekt en weggeredeneerd is dan zijn dat wel deze geweldige waarheden. Er zijn vele boeken geschre­ven over de Heilige Geest, over Zijn persoon, over het ontvangen, over het werk, over de gaven, enz. en dat is goed want er is een ontstellend gebrek aan kennis op dit gebied. Maar ik ben er zeker van dat het nooit beter gefunctioneerd heeft als toen er nog geen enkel boek over geschreven was. Toen het nog gewoon in het geloof aanvaard werd en de Geest zelf op een geweldige wijze Zijn aanwezigheid in de mens bevestigde.

Paulus ontmoet de eerste gelovigen van de gemeen­te te Efeze. Zijn eerste vraag is: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen toen gij tot geloof kwam? Dat is geen bijzaak, maar hoofdzaak. Dan is het antwoord: “Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige Geest is” (Hand. 19:01-02). Hoeveel ‘gelovigen’ zullen er van­daag de dag zijn die met de Efeziërs kunnen zeg­gen: “Wij hebben zelfs niet gehoord dat er een Heilige. Geest is”. Mis­schien hebben ze er wel een vage beschouwing of theologische uiteenzetting over, maar geen zuiver besef van die hele per­soonlijke inwoning van de Geest van God.

Als Paulus dan deze men­sen uitleg geeft en ze doopt in water (door on­derdompeling) in de Naam van de Here Jezus en ze vervolgens de handen op­legt, ontvangen ze de belofte van de Vader: “Mijn Geest zal Ik in uw binnenste geven”. En de Heilige Geest geeft spon­taan getuigenis van zijn aanwezigheid, want wij lezen dan: “En zij spra­ken in tongen en profe­teerden” (Hand. 19:03-06). Dat is de spontane wer­king van het goddelijke leven in de mens. Daar is geen studie voor nodig maar dat is er en dat functioneert. Zo heeft God de mens geschapen. Het goddelijke en het menselijke passen bij el­kaar en horen bij elkaar.

Wie is de Heilige Geest?

De Schrift zegt dus – niet alleen in Handelingen 19, maar op vele plaatsen – dat er een ‘Heilige Geest’ is. Hoe moet dat dan verstaan worden? Als de mensen niet weten wie en wat de Heilige Geest is, hoe moeten zij dan be­grijpen wat die Geest in hun leven komt doen?

Wat is de bedoeling van God geweest (de belofte des Vaders) om Zijn Geest in ons binnenste te ge­ven ?

Het is niet verwonderlijk dat in het nieuwe testa­ment ongeveer 240 maal over de Heilige Geest ge­sproken wordt. Daaruit blijkt de grote plaats die de Geest inneemt, maar ook de onderwijzing die de Schrift erover geven wil. Wat in ieder geval uit de hele Schrift (oud en nieuw) blijkt is, dat de Heilige Geest niet als een onpersoonlijke dyna­mische kracht wordt voor­gesteld. Op vele plaatsen wordt Hij samen genoemd met de Vader en de Zoon, maar wel als te onderschei­den van de Vader en de Zoon. Heel duidelijk zegt Jezus dat de mens gedoopt dient te worden in de Naam van de Vader, in Naam van de Zoon en in Naam van de Heilige Geest (Matt. 28:19; zie ook 2 Kor. 13:13; 1 Kor. 12:04-06).

De Heilige Geest wordt in de Schrift niet voorgesteld als een derde persoon, maar wel heel nadrukkelijk als een persoonlijkheid (zie o. a. Joh. 16:05-15). Er wordt niet gezegd: de Geest is God of de Geest is de Here, dus als per­soon, maar wel: “God is Geest” (Joh. 04:24) en: “Weet gij niet, dat de Geest Gods in u woont?” (1 Kor. 03:16; 1 Kor. 06:19). En: “De Here nu is de Geest en waar de Geest des Heren is… “(2 Kor. 03:17). Dus: “God is Geest” en “De Here nu is de Geest”.

De Heilige Geest is dus de Geest van God en de Geest van de Here, Jezus Christus. Ook genoemd: de Geest van Christus (Rom. 08:09); de Geest van het zoonschap (Rom. 08:15); de Geest van Jezus (Hand. 16:07); de Geest van Gods Zoon (Gal. 04:06); de Geest der genade (Heb. 10:29) ; de eeuwige Geest (Heb. 09:14); enz. Het zal duidelijk zijn dat het hier steeds gaat over dezelfde Heilige Geest.

Onze geest en de Heilige Geest

De Heilige Geest is de Geest van het persoonlijke leven van God en van Je­zus Christus. Die Geest komt in ons wonen, ver­enigt zich met onze geest en wordt tot één geest. Paulus zegt: “Maar die zich aan de Here hecht, is één geest” (1 Kor. 06:17). Mijn eigen levensgeest is mijn innerlijk wezen. Door die geest ben ik de leven­de ziel die God geschapen heeft (Gen. 02:07), ben ik mens en leef en functioneer ik als mens. Zonder die geest kan de mens niet leven. Psalm 104 vers 29 (Ps. 104:029) zegt: “Neemt gij hun adem weg, zij sterven en keren weder tot hun stof (zie ook Job 34:14).

Zo is door de Heilige Geest God wie Hij is en Jezus Christus wie Hij is, als afzonderlijke personen maar volmaakt één door dezelfde (levens)Geest. De Heilige Geest vormt de goddelijke persoonlijkheid binnen in de Vader en in de Zoon, zoals de mense­lijke levensgeest de men­selijke persoonlijkheid vormt binnen in de mens. De apostel Paulus zegt hiervan: “Ook onder ons mensen wordt iemands we­zen alleen gekend door zijn eigen geest. Zo kent alleen de Geest van God het wezen van God”

(1 Kor. 02:11, Willibr. vert. ).

In de geest van de mens is, wat des mensen is en in de Geest van God is wat Godes is. In Jezus Christus, Gods Zoon en Zoon des mensen, zien wij hoe dat volmaakt één kan zijn.

De Geest gaat van de Vader uit

Kan deze Geest dan van God uitgaan en in ieder mens individueel, heel persoonlijk wonen? De Schrift geeft daar een overtuigend ‘ja’ als ant­woord op. Het blijkt dat dat van alle eeuwigheid af Gods bedoeling is ge­weest met de mens. Jezus zegt hiervan: “Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest der waarheid, die van de Vader uitgaat, zal de­ze van Mij getuigen” (Joh. 15:26).

Het is door Jezus Chris­tus dat de mens de Heilige Geest ontvangt. Dat zegt Hij hier zelf en dat zegt Petrus ook in Handelingen 2 vers 33. Alles is Hem in handen gegeven door de Vader, maar de Vader zelf is niet aan de Zoon onderworpen (1 Kor. 15:27). Jezus deelt dus niet de Vader mee, maar de Geest van de Vader.

De scheppingsorde van God

Wij hebben al gezien hoe God de eerste mens Adam formeert. De ordening van God is, dat uit die ene het hele menselijke ge­slacht zou voortkomen. Dat lezen we in Handelin­gen 17 vers 26 (Hand. 17:26), waar staat: “Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen en Hij heeft de hun toegemeten tijden en gren­zen van hun woonplaats bepaald”.

Ieder mensenkind dat ooit geboren is en nog gebo­ren wordt, heeft weer de­zelfde levensgeest als Adam. Dat is niet meer maar ook niet minder. En deze levensgeest wordt doorgegeven in de ver­wekking en geboorte (Gen. 01:28a; Gen. 08:07). De hele natuurlijke mensheid is zo in Adam geschapen en draagt zijn beeld als le­vende ziel (Gen. 05:03; 1 Kor. 15:45a; 1 Kor. 15:48a; 1 Kor. 15:49a).

Zo is het goddelijke leven in Jezus Christus (Filip. 02:06; Kol. 02:09), de Zoon van God als de laatste Adam (1 Kor. 15:45b), de eerste van de nieuwe schepping, de geestelijke schepping. Hij is niet geformeerd van stof uit de aardbodem, niet verwekt door vlees en bloed, maar Hij is ver­wekt door God zijn Vader (Luc. 01:35). Wat in Maria verwekt is, is uit de Hei­lige Geest (Matt. 01:20b). Wat uit de Geest geboren is, is geest (Joh. 03:06) en Hij is dan ook een leven­wekkend geesteswezen (1 Kor. 15:45b, vert. prof. Brouwer).

Uit deze Ene, Gods Zoon, zal een ieder van boven geboren worden om in de hemel te wonen, om als hemelburgers tot het huis­gezin Gods te behoren tot in alle eeuwigheden (zie tegenstelling met Handelin­gen 17 vers 26) (Hand. 17:26).

Naar Gods beeld geschapen

In het proces van de we­dergeboorte (geestelijke verwekking, bekering, doop in water, doop met de Heilige Geest) krijgt de mens deel aan de (le­vens) Geest van de laatste Adam, maar het gaat nu om een geestelijke be­vruchting, een geestelijk geboren worden van de natuurlijke mens. Dat is dan iemand die geboren is uit vlees en bloed én uit water en Geest (Joh. 03:05-07). Zo krijgt de mens deel aan het eeuwige leven uit de Vader en de Zoon door de Heilige Geest. Dus door geestelijke ver­wekking en geboorte uit de laatste Adam.

Dat is de nieuwe mens (voortgekomen uit de eerste) naar Gods beeld geschapen in waarachtige heiligheid en gerechtigheid (Ef. 04:24) De nieuwe mens is dus geschapen naar Gods beeld en is de vervulling van Genesis 1 vers 26 (Gen. 01:26).

“Want Gods maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, op­dat wij daarin zouden wan­delen” (Ef. 02:20; zie ook Ef. 04:24; 2 Kor. 05:17; Gal. 06:15).

Zoals de gehele natuurlijke mensheid geschapen is in de eerste Adam, zo wordt de gehele geestelijke mens­heid geschapen in de laat­ste Adam, die het beeld is van de onzichtbare God (Kol. 01:15; 2 Kor. 04:04b).

De eeuwige Geest uit God

Ik heb Paulus al geciteerd waar hij spreekt over de geest en het wezen van de mens en de Geest en het wezen van God in 1 Korinthiërs 2 vers 11 (1 Kor. 02:11). Hij ver­volgt daar met: “Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, op­dat wij zouden weten, wat ons in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met de woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn” (1 Kor. 02:12-13).

Het is de Heilige Geest, die het diepste van het wezen van God is en kent, die ons dit geheimenis openbaart. Niet in leer­stukken, maar door de in­nerlijke openbaring van het leven van de Vader en de Zoon.

Dat is de eeuwige gedach­te en genade van God ge­weest voor de mens.

Daartoe zijn wij, de ge­roepenen, tevoren door God bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te worden (Rom. 08:29). Dat wil dus zeggen: deel hebben aan de god­delijke natuur (2 Petr. 01:04), zodat de gelovige in­dividueel en als gemeente, goddelijke wasdom ont­vangt door Jezus Christus, onze Here (Kol. 02:19). Door de Heilige Geest wordt in ons de Zoon ge­openbaard en door de Zoon de Vader. En als in allen het beeld van de Zoon volledig geopenbaard is, dan zal God zijn alles in allen en dan draagt de Zoon de voltooide schepping over aan de Vader (1 Kor. 15:24-28) ,

Dit is de heerlijkheid van het nieuwe verbond waar van God zegt: “Mijn wet­ten zal Ik in hun harten schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn”. Zijn leven wordt ons leven!

“Wat geen oog heeft ge­zien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, alles wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben, is aan ons ge­openbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diep­ten Gods” (1 Kor. 02:09-10).

(Dit was het tweede en laatste deel over dit on­derwerp. Het eerste deel verscheen in “Levend Ge­loof” van juni).

1990.06 nr. 315

Levend geloof 1990.06 nr. 315

Het geheim van Christus en de gemeente door Gert Jan Doornink

“Dit geheimenis is groot, doch ik spreek met het oog op Christus en op de gemeente” (Ef. 05:32; lees ook Ef. 05:22-33).

Paulus was een praktisch man. Hij was weliswaar ongetrouwd, maar uit zijn brieven – die zo’n rijke geestelijke inhoud hebben en zo belangrijk zijn voor de opbouw en correctie van ons geloofsleven – blijkt telkens weer dat zijn beschouwingen over het geestelijk leven geen theorie zijn, maar er op gericht zijn dat ze ook praktisch beleefd kunnen worden. In het vijfde hoofdstuk van zijn brief aan de gemeente te Efeze bijvoorbeeld spreekt Paulus over de verhouding man-vrouw in het huwelijk. Nu is er geen enkel onderwerp denk ik dat zo ter discussie staat als dit en de moderne mens die Christus niet kent zal, als hij geconfronteerd wordt met dit gedeelte, deze woorden van Paulus als ‘hopeloos ouderwets’ van zich afschuiven. Nu hoeven we ons daar als wedergeboren christenen niet zo druk over te maken, want we weten dat de mens zonder Christus sowieso niets te maken wil hebben met alles wat met God en godsdienst te maken heeft.

Maar er zijn ook vele oprechte christénen die de woorden die Paulus hier schrijft, vaak verkeerd interpreteren, zo in de trant van: De vrouw moet te allen zodanig onderdanig zijn aan de man, dat zij precies doet wat hij zegt. In bepaalde godsdienstige kringen komt dit ook vandaag aan de dag nog voor.

Maar dan heeft men zo’n tekst als vers 22 “Vrouwen, weest aan uw man onderdanig als aan de Here… wel totaal uit zijn verband gerukt, want als er een ding duidelijk is in dit hoofdstuk dan is het wel de gelijkheid, de eenheid die er behoort te bestaan tussen man en vrouw. Weliswaar heeft ieder zijn eigen geaardheid de vrouw is anders geschapen dan de man maar dit betreft het vlees, het natuurlijke, datgene wat van voorbijgaande aard is.

“Het natuurlijke komt eerst en daarna het geestelijke”. Door ons geloof in Christus is er een geheel nieuwe situatie ontstaan. Paulus schrijft daar op duidelijke wijze over in Galaten 3: Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof in Christus Jezus. Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus” (vs,26 28),

Dat het toekomstige perspectief voor ons als gelovigen ook niet meer met aardse maatstaven gemeten kan worden, blijkt wel uit de woorden van Jezus in Matteüs 22. De Sadduceeën stellen daar aan Jezus de vraag met wie iemand getrouwd is ‘in de opstanding’, als hij of zij meerdere malen getrouwd is geweest. Het antwoord van Jezus is duidelijk: “Gij dwaalt, want gij kent de Schriften niet noch de kracht Gods. Immers, in de opstanding huwen zij niet en worden niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel” (vs.29-30) .

Met het oog op Christus en de gemeente

Aan het begin van dit artikel schreven we reeds dat Paulus een praktisch man was. Hij was geestelijk, maar wel praktijkgericht. In Efeziërs 5 gaat het ook weer om beide. Paulus spreekt daar met het oog op Christus en de gemeente. Daarvoor gebruikt hij de beelden ‘man’ en vrouw’ als voorbeeld.

Het eerste wat opvalt is de bijzondere plaats die Paulus toekent aan de gemeente. Geen ondergeschikte, mindere rol, maar Paulus stelt als het ware Christus en de gemeente op één lijn. Het is belangrijk dit goed te onderkennen. Jarenlang heeft de gemeente een soort minderwaardigheidscomplex gekend. Er hing over de gemeente een soort versluiering die niet van God afkomstig was, maar uit het rijk der duisternis. Er werd een soort afstand gecreëerd tussen Christus en de gemeente, zoals deze ook bestond tussen God en de mens. Men sprak van de ‘grote, almachtige God’ en de ‘kleine, nietige mens’. Dit was beslist niet naar de wil van God. Psalm 8 vers 6 (Ps. 008:006) bijvoorbeeld, zegt dat de mens bijna goddelijk is gemaakt en met heerlijkheid en luister is gekroond. Dat een christen ‘zondaar’ werd genoemd vond men heel gewoon, maar dat iemand, omdat hij geloofde in het volbrachte werk van Jezus Christus, zich ‘kind van God’ noemde was iets ongewoons. Alles werd precies andersom voorgesteld. Het is altijd weer de duivel die er een handje van heeft de feiten te verdraaien. Jezus noemt satan niet voor niets ‘de leugenaar vanaf het begin’.

Ik denk bijvoorbeeld ook aan het ten onrechte en verkeerd citeren van Jesaja 55 vers 8 en 9 (Jes. 55:08-09), waar wij lezen: “Want mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. Want zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dam uw wegen en mijn gedachten dan uw gedachten” . Het gaat hier echter niet over gelovigen, maar over ongelovigen, wat blijkt uit vers 7: “De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Here, dan zal Hij zich over hem ontfermen…” God schept geen afstand, maar heeft de afstand juist opgeheven door het zenden van Zijn Zoon, Jezus Christus.

Het doel van Christus komst.

Christus heeft zijn gemeente liefgehad en Zich voor haar overgegeven, zegt Paulus zo mooi in Efeziërs 5 vers 25 (Ef. 05:25). En daarbij had Hij als doel voor ogen “om haar te heiligen, haar reinigende door het waterbad  met het woord, en zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet” (vs. 26-27).

En laten we niet vergeten dat zoals Christus gezonden was door de Vader, ook wij door Hem zijn gezonden! Hoe meer wij er aan meewerken dat Zijn beeld in ons zichtbaar wordt, hoe meer dat gerealiseerd gaat worden. Het ’tot één vlees zijn’ van man en vrouw In de natuurlijke wereld, heeft daarom ook een veel diepere geestelijke betekenis.

Christus wil dat we volkomen één met Hem zijn en dal we in elk opzicht onze plaats in Zijn lichaam, de gemeente, hebben ingenomen opdat Hij ons gebruiken kan in Zijn dienst. We zijn leden van Zijn lichaam, zegt Paulus in vers 30. Er is een geweldige taak voor ons weggelegd. De werkelijke gemeente van Jezus Christus waartoe allen behoren die wedergeboren zijn en ook verder het verlangen hebben geestelijk te groeien, waardoor het volwassen stadium in Christus bereikt wordt zal in deze eindtijd een steeds belangrijker plaats innemen. Deze ‘eindtijdgemeente’ zal een overwinnende gemeente zijn.

De gemeente wordt in de Bijbel ook de bruid genoemd (en Christus de Bruidegom). Als Johannes in Openbaring een visionaire beschrijving geeft van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde en het nieuwe Jeruzalem, spreekt hij op een gegeven moment over de bruid die voor haar man versierd is (Openb. 21:02) .

De gemeente zal vol worden van de heerlijkheid Gods en zo verder meewerken aan het herstel en de eindvoltooiing van Gods schepping. Dit is geen utopie, geen fata morgana, maar vandaag mogen we daaraan reeds ten volle meewerken. Dat is het grote geheim waarvan Paulus spreekt met het oog op Christus en de gemeente!

 

Zomeractie 1990 door Gert Jan Doornink

Ook dit jaar doen wij aan het begin van de zomer weer een oproep aan onze lezers en lezeressen het werk van “Levend Geloof” met een extra financiële bijdrage te ondersteunen. Tijdens de zomermaanden lopen de inkomsten uit giften, etc. meestal zodanig terug dat er een achterstand ontstaat, die in het najaar moeilijk in te halen is. Dit is uiteraard jammer en werkt belemmerend ten aanzien van ons geloofswerk dat voor zovelen tot grote zegen is.

Dat is ook de laatste maanden weer gebleken. Kort achter elkaar ontvingen we van drie voorgangers van volle evangelie gemeenten – geheel onafhankelijk van elkaar – zeer positieve reacties op de inhoud van “Levend Geloof” . Daar zijn we erg blij mee en het betekent voor ons een bemoediging en stimulans om door te gaan met de compromisloze verkondiging van het volle evangelie van Jezus Christus.

De uitleg en belichting van de vele facetten van de boodschap van het koninkrijk der hemelen, blijft ook in de toekomst de doelstelling van ons blad. Een lezer die ons een gift stuurde, schreef erbij: “Blij met koers” . Wij vertrouwen erop dat vele van onze lezers en lezeressen, die óók blij zijn met de koers die wij varen, dit voorbeeld zullen volgen en ons verblijden met een “zomergift”.

 

Evangelie door Duurt Sikkens

“Sta op mijn liefste, mijn schone, kom!” (Hoogl. 02:13).

Hoeveel mensen hebben zich afgewend van een zogenaamd evangelie? Velen. Omdat er een evangelie werd verteld dat een geest ademde van angst en dreiging met hel en verdoemenis. Daar gaat geen enkele aantrekkingskracht van uit en heeft met de term ‘evangelie’ dal letterlijk ‘blijde tijding’ betekent, niets te maken. Van zoiets wordt je niet blij.

Maar het staat toch ergens dat “niemand tol de Vader komt dan dat de Vader hem trekt?” Wel, dal betekent dat er van Jezus aantrekkingskracht uitging. Hij was de mens zoals God de mens – jou dus ook bedoelt. Daarom had Jezus het ook altijd over z’n Vader die Hem had opgevoed en begeleid zodat Jezus was geworden wat Hij zou zijn: De échte mens die vol was van genade en mededogen met de mens.

Dat is een aantrekkelijk evangelie dat de mens losmaakt van zonde en dood en dat niet alleen. Je krijgt een nieuw leven in de hemel waar je met God omgaat als je Vader, waar je gehuwd bent met Jezus door de Heilige Geest, waar je verschijnt aan engelen en vecht tegen boze geesten. Die laatsten zijn de echte tegenstanders van God en wat die uitgedacht hebben voor de mens – vooral op godsdienstig gebied – dat moet met de grond gelijk gemaakt worden. Die vrouw wordt beschreven in Hooglied 6 vers 10 (Hoogl. 06:10).

 

Verdrukking, vrede en overwinning door Tea Keuper Dijk

 

Verdrukking – vrede – overwinning. Je zou zeg­gen: Dat zijn dingen, die niet bij elkaar behoren. Want als je in verdrukking bent, vindt je dat niet bepaald prettig. Het kan je beroven van je vrede en dan is de overwinning vaak ver te zoeken.

En toch, als we in de Bij­bel lezen, maar ook in deze tijd en in ons eigen leven, kan de vrede van God, Zijn kracht en Zijn genade, er wel juist zijn!

Je kunt je ‘gedragen’ we­ten en voelen door gebe­den van anderen, wanneer er beproevingen zijn. Je kunt je sterk weten en voelen door de aanwezig­heid van Gods Geest en de bescherming van Gods engelen. Hoe kan dit?

Ten eerste, omdat je je richt op Jezus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof.

Ten tweede, omdat je weet dat je volkomen af­hankelijk bent van God de Vader.

Ten derde, omdat je je bewust wordt van wat het betékent, Gods Geest toegelaten te hebben in je leven.

Wat Jakobus zegt en adviseert

Jakobus zegt zelfs: “Bes­te broeders (zusters), is uw leven vol moeilijkheden en verleidingen? Wees dan maar blij; want als de weg ruw is, kan uw geduld groeien. Laat uw geduld dus toenemen en probeer niet de problemen te ont­lopen. Als uw geduld vol­groeid is, zult u alles aan­kunnen en een sterk en zuiver karakter hebben. Als u wilt weten wat God van u verwacht, vraag het Hem en Hij zal het u graag willen vertellen.

Want Hij staat altijd klaar om ieder, die Hem daarom vraagt, voldoende wijsheid te geven. Hij zal het u niet kwalijk nemen” (vert. ‘Het Boek’) .

Wanneer we plotseling het verlies van iemand , die ons heel lief was, te ver­werken krijgen, dan is God een Helper, groot van kracht. Jezus is De­gene, Die voor ons bidt en de Heilige Geest is on­ze Trooster. Alleen, we moeten ons dit goed be­wust zijn, als kinderen van God! Ons oude den­ken moet veranderd wor­den, vernieuwd. Onze re­latie met God, Zijn Zoon Jezus Christus met de Heilige Geest, moet een waarachtige, levende relatie zijn. Een Vader kind, broeder – broeder, trooster-bedroefde relatie!

Dan kunnen er tranen zijn, ons gevoel kan heen en weer bewogen worden, maar de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, blijft, omdat die in je hart vast geworteld zit.

Verdrukkingen in de eindtijd

We zullen door grote ver­drukkingen gaan in de eindtijd en velen hebben dit, juist om hun geloof, ervaren en zijn er nog middenin. Maar God zal al die mensen, die voor Hem leven, door de verdruk­kingen heen leiden. Dat hebben we ook in de le­vens van de profeten, Jezus en de apostelen ge­zien en dat zal ook in Gods ontelbare schare ge­zien worden! Dat komt omdat ze ‘verzegeld’ zijn, met God verbonden door de Heilige Geest! In Open­baring 7 vers 9 tot 17 (Openb. 07:09-17) wordt dit op een heerlijke manier beloofd. En alleen het wéten en geloven ervan  kan ons vrede geven, óók in verdrukkingen.

Jezus zag op de vreugde die vóór Hem lag en was het toonbeeld van vrede en ons grote voorbeeld in verdrukking en lijden. Hij heeft de machten open­lijk tentoongesteld en sa­tan verslagen.  “Wat kan ons ooit van de liefde van Christus scheiden? Im­mers, onder alle omstan­digheden hebben wij, dankzij Hem, die zoveel van ons houdt, de over­winning!” (Rom. 08:31-39) .

Dank God voor Zijn Woord, Zijn beloften, Zijn Geest, Zijn Zoon, Zijn volmaakte liefde voor u en mij persoonlijk. Door be­wustwording van wie- en wat we zijn in Christus en God en Zijn Geest, kunnen wij bouwers zijn van het Koninkrijk van God!

Ondanks strijd, verdruk­king, lijden, komt uw vrede in mijn hart. – Diep in mij geworteld ’t ’t wéten: ‘k overwin als satan tart! –

Vrêe, gerechtigheid en blijdschap, in Uw Konink­rijk voor mij, – God, ik dank U voor het zoonschap: U verlost en U maakt vrij!

 

God heeft gesproken… door Piet Snaphaan (gedicht)

“God heeft eenmaal gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: de sterkte is Godes” (Ps. 062:012).

Wat heerlijk dat God heeft gesproken,

en dat ik ’t zelf ook heb gehoord,

de schaduwgang heeft Hij doorbroken,

voor mij het ware licht ontstoken,

in Jezus ’t vleesgeworden Woord.

 

Hij plaatst mij midden in die dingen

die geestelijk zijn, ook in deez’ tijd

zal Hij mij met Zijn glans omringen,

en door Zijn kracht doen overwinnen

reeds nu en tot in eeuwigheid.

 

Welke wet is in ons binnenste? door Wim te Dorsthorst

Bij het lezen van de ge­weldige belofte betreffen­de het nieuwe verbond in Jeremia 31 vers 31 tot 34 (Jer. 31:31-34) en Hebreeën 8 vers 8 tot 12 (Heb. 08:08-12) (zie “Levend Geloof van mei 1990: ‘Een nieuw en beter verbond’), is het goed eens even stil te staan bij de wet die in ons binnenste geschreven wordt.

De belofte luidt immers: “Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn” .

Het verbond van de Sinaï

God leidt zijn volk uit Egypte en aangekomen bij de Sinaï’ sluit God een verbond met het volk. Alle initiatief is van God. In zekere zin is het een opgelegd verbond, maar het volk geeft als ant­woord: “Al de woorden die de Here gesproken heeft, zullen wij doen” (Ex. 24:03b-07b) . Dat is dus de vrijwillige toezeg­ging ven het volk, waar­op Mozes het verbond be­vestigde: “Toen nam Mo­zes het bloed, en sprengde het op het volk en zeide: Zie, het bloed van het verbond dat de Here met u sluit, op grond van al deze woorden” (vs.8).

Hiermee werd het verbond bezegeld en had rechts­kracht voor beide partijen. Het was als een huwelijks­sluiting en was een voor­afschaduwing van wat in de volheid des tijds wer­kelijkheid zou worden: een nieuw verbond in het bloed van het Lam.

Voor het volk Israël was het iets heel bijzonders een verbond te hebben met de allerhoogste God die bij de uitleiding uit Egypte had bewezen boven alle góden verheven te zijn. Bovendien was het een verbond wat gedragen werd door de liefde van God. Door zijn goedertie­renheid, trouw, erbarming, genade, enz.

Zo zou God zijn ten op­zichte van zijn bruid. Goedertierenheid en trouw waren de pijlers van het verbond. Daarmee ver­plichtte God zich om als man voor zijn vrouw, het volk, te zorgen. Voor de vrouw, voor het volk, gold: “Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luis­tert en mijn verbond be­waart, dan zult gij uit al­le volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij” (Ex. 19:05).

Dat was het deel van het volk, dat ze niet in eigen overleggingen mochten wandelen (Jes. 65:02), maar nauwgezet in God:, wegen zouden gaan (Deut. 11:22) en bij Zijn naam zouden zweren (Deut. 10:20) , Daarin lag voor het volk Israël een grote zegen besloten. Voor Mozes heengaat, bindt hij hel volk nogmaals op het hart en zegt: “Neemt al de woorden ter harte, waar­mee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauw­gezet te onderhouden. Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult ne­men” (Deut. 32:46-47) .

Van buitenaf en opgelegd

Zo was dit volk Israël het meest bevoorrechte volk dat op de hele aarde bestond. Alles behoort aan God toe, maar met dit volk had God, de Schep­per van hemel en aarde, de ‘Ik ben die Ik ben’, persoonlijk een verbond gesloten. Kenmerk van dit verbond was dat het van buitenaf en opgelegd was (Deut. 06:17) .

Dat God niet alleen be­doelde: als een slaaf doen wat er gezegd werd, is duidelijk en blijkt ook uit de woorden die God tot Mozes spreekt als Hij zegt dat de wet en het gebod op de stenen tafelen, zijn om hen te onderwijzen (Ex. 24:12) .

Ook wilde God aan het volk kracht geven om vermogen te verwerven teneinde het verbond ge­stand te doen (Deut. 08:18). Dat de duivel met zijn hele legermacht, uitge­drukt en uitgebeeld in de zeven vijandige volkeren, gewerkt heeft om dit volk van God af te trekken, is duidelijk. Hij is een dief, een slachter en een ver­delger, zegt Jezus in Johannes 10 vers 10a (Joh. 10:10a).

Altijd gedroeg het volk zich weerspannig tegen God waardoor de heerlijk­heid van het oude ver­bond hooguit in een enke­ling gewerkt heeft. Aan het einde zien we deze enkelingen in Maria en Jozef, Zacharias en Elisabeth, Simeon en Anna en iemand als Nicodémus.

Het verschil tussen de twee verbonden

Zoals het kenmerk van het oude verbond was: van buitenaf, buiten de mens op tafelen van steen, nauwgezet alle voorschrif­ten vervullen, uiterlijke godsdienst; zo is het ken­merk van het nieuwe en betere verbond: ‘binnen in u’, in het verstand ge­legd, in het hart geschre­ven, “Mijn Geest zal Ik IN UW BINNENSTE geven” .

In het oude verbond ging de mens naar de tempel om God te dienen en te ontmoeten. In het nieuwe verbond is de mens zelf een tempel en woont Gods heilige Geest in zijn bin­nenste (1 Kor. 03:16; 1 Kor. 06:19). In het oude was het gods­dienst, maar in het nieu­we is het godsvrucht (Jes.32:15; Gal. 05:22). Geen geboden en inzettin­gen van buitenaf, maar leven – goddelijk leven – van binnenuit.

De wet die in het binnen­ste geschreven wordt, is niet de oudtestamentische wet of de tien geboden (woorden), die op de tafelen gegrift waren, maar God zegt: “Mijn wetten”. Als wij de hele wetgeving beschouwen en in het bij­zonder de ’tien geboden’ of ‘woorden’ (Ex. 20:01-17), dan is duidelijk dat dit menselijke wetten zijn door God aan de mens gegeven. Het zijn geen wetten van God, waardoor God leeft, maar wetten bedoeld voor de mens om te leven (Deut. 32:47). Als God de mens schept, formeert van stof uit de aardbodem, dan blaast God de levensadem in zijn neus en alzo wordt de mens een levende ziel (Gen. 02:07; 1 Kor. 15:45) .

In die levensgeest van de mens is alles wat de mens tot mens maakt. Dat is ook zo bij planten en dieren, maar de mens is heel bij­zonder omdat hij beeld­drager Gods zal zijn. De planten zijn naar hun soort en de dieren naar hun aard, maar de mens is naar Gods beeld ge­schapen. De geest is de drager van de scheppings- wetten Gods voor de mens. Hierdoor, een heel scala aan begeerten, is de mens tot de levende ziel gewor­den, waardoor hij in staat is, daar waar hij voor geschapen is, te volvoeren in volkomen harmonie met al het geschapene en met God, zijn Schepper

De levenswetten in het hart

In het ‘paradijs verhaal’ laat God ons zien hoe de duivel op sluwe wijze de mens verleidt en aan zich onderwerpt. De mens komt in de geestelijke dood en hierdoor treedt een ver­duistering op in de mens, waardoor de ingeschapen wetten niet goed meer kunnen functioneren . Zo spelen de boze geesten ook in op de begeerten van de mens, om hem tot zonde te brengen (Gen. 03:06; Jak. 01:14-15).

Maar het levenslicht – wat de dichter van Spreuken noemt: “De geest van de mens is een lamp des He­ren” (Spr. 20:27) – is nooit helemaal uitgedoofd. Zolang dat licht nog schijnt, functioneert het geweten nog en is nog bepalend voor de beslis­singen op de overleggingen van het hart (Rom. 01:21; Matt. 15:18-19).

Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen: “Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben (bedoeld wordt: de wet en de geboden die de Jo­den wel hadden) van na­ture doen wat de wet ge­biedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zich­zelf tot wet; immers zij tonen dat het werk der wet in hun hart geschre­ven is, terwijl hun gewe­ten mee getuigt en hun gedachten elkander onder­ling aanklagen of ook ver­ontschuldigen” (Rom. 02:14-15).

Oorspronkelijk is in ieder mensenhart de wet ge­schreven en wanneer deze ingeschapen wetten nog functioneren, werkt het geweten en is betrokken bij de beslissingen die volgen op de overleggin­gen, gedachten, redene­ringen des harten. Dan is het nog niet volkomen duister geworden in hun hart (Rom. 01:21; Ef. 04:17-18).

De verzoening door Christus

Opnieuw is het God zelf die het initiatief neemt om de mens te verlossen uit de toestand, waarin hij sinds de zondeval ver­keert. Het is weer de apostel Paulus die dit op een wijze beschrijft, die tot nadenken en tot diepe dankbaarheid stemt. Hij schrijft in 2 Korinthiërs 5: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbij­gegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich ver­zoend heeft. . . , dat God in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was, door hun hun over­tredingen niet toe te reke­nen. Hem die geen zonden gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde ge­maakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem ” (2 Kor. 05:17-18a-21).

Dit zijn woorden die je met je hart moet leren verstaan, want dan proef je daarin pas ten volle de liefde en de genade van God en Jezus Christus voor de mensheid. De mens is met God verzoend als vaststaande genade­gave van God. God heeft ons met zichzelf ver­zoend en rekent ons de overtredingen niet toe, maar heeft het op Zijn eigen Zoon gelegd.

Levend door Gods gerechtigheid

In tegenstelling met het oude verbond, wat opge­legd was aan een heel volk, is het nu een per­soonlijke toetreding tot Gods volk – het Israël Gods – op grond van ge­loof. En bij dat geheel van verzoening en ver­lossing uit de macht van satan, en gerechtigheid Gods in Jezus Christus, hoort ook een reiniging van het geweten.

De menselijke levensgeest is weer levend door die gerechtigheid Gods (Rom. 08:10b) en van het geweten zegt de Hebreeënschrijver: “Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, ons bewustzijn (‘uw geweten’, Statenvert.) reinigen van dode werken, om de leven­de God te dienen” (Heb. 09:14). Het geweten zal weer goed gaan functioneren en eveneens de inge­schapen levenswetten in de geest. De wedergeboren mens gaat weer van nature doen wat de wet gebied, zonder die wet van buiten­af te hebben of te over­peinzen .

Maar dit is niet op zichzelf staand of een doel op zich, want Hebreeënschrijver vervolgt met: “En daarom is Jezus Christus de mid­delaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden” (Heb. 09:15).

Dat is het doel van God. Er gaat iets totaal nieuws gebeuren. Dat is volgens Zijn eeuwige raadsbeslui­ten, waaraan God werkt naar de raad van Zijn wil en welbehagen.

De mens is geschapen om een woonstede Gods, om een tempel van de Heilige Geest te kunnen zijn. En Jezus zegt dat de Heilige Geest de belofte van de Vader is, “die tot in eeu­wigheid bij u zal zijn” (Joh. 14:17). Dat is de belofte van de eeuwige erfenis.

(Er komt nog een artikel over dit onderwerp. Dit vervolgartikel wordt gepubliceerd in “Levend Ge­loof” van volgende maand).

 

Intermezzo door Gerry Velema

Spelender wijs

Daar zit ze achter de piano. Zo heen en weer te draaien op haar pianokruk! Lekker achteloos, bijna nonchalant zit ze haar melodietjes te oefenen. En het klinkt nog leuk ook! Tegelijk houdt ze haar grote zus achter zich wat in de gaten. Dus zo half een blik op het pianoboek en de andere aandacht voor haar omgeving.

Ze gaat met sprongen vooruit. Het gaat heerlijk spelenderwijs. Heel anders dan haar vader, die zelfs al wat meer jaren pianoles volgt. Het is een serieuze man die er echt werk van maakt. Dagelijks minstens een half uur studie! Maar inmiddels is dochterlief hem allang voorbij gegaan, met haar vlindervingertjes.

Als pa studeert dat zit hij er ook echt helemaal achter. Vrouw en kinderen kunnen beter maar niet in de buurt komen, want vader moet zich concentreren. Voortdurend zoekt en kijkt hij naar de noten. De juiste noten!

Wat staat daar op het papier en hoe breng ik dat over in mijn handen op de toetsen van de piano!

Vader heeft wel veel meer verstand van de piano en van allerlei soorten muziek dan zijn dochtertje. Maar als het om pianospelen gaat. .. helpt die kennis niet veel!

Ineens realiseerde ik me het verschil tussen vader en dochter. Vader wil de letter, de noten zo precies mogelijk navolgen. Het liefst zonder vergissingen.

Dochterlief speelt piano midden in haar omgeving. Gewoon spelenderwijs corrigeert ze zich.

‘Oh, heden een foutje! Dat doe ik even over!’

Binnen het christelijk leven kennen we dit verschil ook. Wat een kramp en onnatuurlijkheid komt er niet boven wanneer er precies volgens ‘de noten’ moet worden gespeeld. Zoals het beschreven is, zo moet het. Zo hoort het, zo is het bijbels!

Het past soms ook helemaal niet meer in onze omgeving. Maar misschien heet het gespeelde liedje: geen gelijkvormigheid!

Toch zijn er ook anderen te vinden. Net als dat meisje leren ze spelenderwijs. Ze oefenen, verbeteren zich, ze kijken en lezen en leven toch open!

Gewoon ontspannen met hun omgeving. Het gaat gewoon minder ‘letterlijk’. Minder noot-gericht en meer melodie-gericht!

In Bijbelse termen: Niet de letter alleen, maar door de Geest verstaan wat er gezegd wordt. De letter maakt alleen maar gesloten mensen. Die zeker niet gelijkvormig zijn aan deze wereld, maar ook geen stralend licht voor mensen!

Laten we vanuit de genade willen leven! Niet vanuit het volbrengen van nieuwe wetten en regels en letters en noten! Leer van dit meisje om het spelenderwijs te leren en wordt zo spelende wijs!

 

Psalm 73:17 door Piet Snaphaan (gedicht)

“Totdat ik in Gods heiligdommen inging…” (Psalm 73: 17).

Ook kinderen Gods stellen vaak vragen

van waarom dit, of waarom dat?

Waarom heeft de één toch tegenslagen,

vindt de ander voorspoed op z’n pad?

 

Soms is het moeilijk te begrijpen,

totdat je door problemen heen,

al zoekende geestelijk gaat rijpen,

God zelf geeft inzicht, Hij alleen!

 

Broederliefde door Margreet Gast

 

De mens kan niet alleen leven

De mens is een sociaal wezen, zegt men. Hiermee wordt bedoeld dat de mens ervoor bestemd is, om met andere mensen samen te leven, om relaties te heb­ben met medemensen. Een mens alleen, zonder kon­takten, heeft geen leven. Ook de Bijbel spreekt er­van dat de mens (‘adam’) iemand naast zich nodig heeft. “Het is niet goed dat de mens alleen zij” (Gen. 04:09). Een mens kiest zelf zijn vrienden. Men ontmoet leuke, aardige en minder leuke, minder aar­dige mensen. Met diegenen met wie het ‘klikt’, kan men een vriendschappelijke relatie aangaan.

Wie tot bekering komt en gaat geloven in Jezus, zal een gemeente willen vinden om zich daar in te voegen. Daar komt men in contact met broeders en zusters in de Heer. Hij of zij zoekt dus een gemeente, allereerst uit gehoorzaam­heid aan het Woord. Maar daarnaast komt dit ook voort uit het verlangen met andere kinderen Gods samen te zijn. Het is een vanzelfsprekende zaak dat men broederliefde wil ont­vangen en uitdelen. Geloven-in-je-eentje is in strijd met het Woord en de Geest van God (1 Joh. 02:09; 1 Joh. 03:14).

God bouwt aan Zijn ge­meente. Hij is het die le­den toevoegt (Hand. 02:47). En dus kiest een kind van God niet zelf zijn broeders en zusters uit. Dat bete­kent dat men gemeentele­den kan ontmoeten, die men nooit zelf voor een relatie zou hebben uitge­kozen! Is het wellicht daarom dat de Heer Jezus – en ook de nieuwtestamentische brievenschrijvers – zo nadrukkelijk en .vaak oproepen tot ware, oprechte broederliefde? (Joh. 15:09-17; Rom. 12:09; Heb. 13:01).

Broederliefde is meer dan menselijke vriendschap. Ze komt voort uit de lief­de Gods die in onze har­ten is uitgestort door de Heilige Geest (Rom. 05:05).

Broederliefde moet men leren

Hoe waar het ook is, dat de liefde van God door Zijn Geest in ons woont, toch is broederliefde niet iets ‘wat er dus is’. Het is onze verantwoordelijk­heid de Heilige Geest te laten werken in ons hart. God wil ons leren van de broeders en zusters te houden (1 Thess. 04:09). En we zijn nog lang niet uit­geleerd, we kennen Gods wezen nog lang niet ten volle, en dus ook de (broeder)liefde niet. We zijn er naar op weg, die – samen met alle heiligen – te vatten (Ef. 03:18).

Ook in 1 Petrus 1 vers 22 (1 Petr. 01:22) worden we ertoe opge­roepen om toe te werken naar ongeveinsde broeder­liefde. Ongeveinsd houdt in: vrij van alle huichela­rij en onechtheid. In deze tekst lezen wij verder dat we onszelf moeten reinigen van alle ‘vervuiling’ van­uit het rijk der duister­nis. We zullen de waar­heid in gehoorzaamheid moeten aannemen, om in­nerlijk schoon en zuiver te worden. En op deze wijze zullen we toewerken naar de ware broeder­liefde .

Tedere toegenegenheid

Het is een gebod des He­ren de broeders lief te hebben. Dit betekent ech­ter niet dat het een ‘op­gelegde’ liefde is. Dan zouden we het gebod gaan vervullen door in het zichtbare het ‘vereiste gedrag’ te gaan vertonen. Ware broederliefde komt uit het hart. Het gevoel is er volledig bij betrok­ken. We zullen in broeder­liefde elkaar genegen zijn (Rom. 12:10), en dus zachtmoedig en barmhartig met elkaar omgaan. Door de broederliefde zullen we betrokken zijn bij het le­ven van de broeder of zuster. We zullen de volle aandacht voor hem of haar hebben.

Aanvaarding en hoogachting

De broeder en zuster in de gemeente liefhebben betekent: hem of haar volledig aanvaard hebben en hoogachten (Rom. 14:10). In de gemeente is openheid naar elkaar toe. Heeft men strijd, proble­men, dan wordt dit de broeders en zusters open­hartig verteld. De voor­beden kunnen immers pas echt functioneren dankzij dat vertrouwen, wat men in elkaar stelt. Zo komen we in de gemeente veel van elkaar te weten. Ech­te broederliefde kan hier­mee omgaan.

Maar het gevaar is reëel aanwezig dat de een de ander gaat minachten om zijn zwakheden of gebondenheden. Of men gaat elkaar hierom veroordelen. We worden hiervoor te­recht gewaarschuwd! Het in elkaar gestelde ver­trouwen zullen we niet beschamen, maar juist koesteren als iets kost­baars .

Broederliefde is een die­nende liefde (Gal. 05:13). Door deze liefde verdra­gen we elkaar (Ef. 04:02b). Ons streven is één te zijn in liefdebetoon (Filip. 02:02). Broederliefde ver­bindt broeders en zusters aan elkaar en verrijkt zo het geestelijk inzicht (Kol. 02:02). Door de broeder­liefde bouwen we de liefde tot allen op (2 Petr. 01:07). Door de broederliefde zijn we blij met elkaar.

Jezus schaamde zich niet ons broeders te noemen (Heb. 02:11b). In navol­ging van Hem, zullen wij ons er niet voor schamen elkaar broeders te noemen, integendeel: we zijn trots op elke broeder en zuster.

 

“Niet dat wij uit onszelf bekwaam zijn iets als óns werk In rekening te brengen, maar onze bekwaamheid is Gods werk, die ons ook bekwaam gemaakt heeft om dienaren te zijn van een nieuw verbond, niet der letter, maar des Geestes, want de letter doodt, maar de Geest maakt levend” (2 Kor. 03:05-06).

 

De schepping door Piet Snaphaan (gedicht)

Het was in den beginne,

nog niets was er in ’t zicht,

totdat de Schepper zeide,

al scheppend, er zij licht.

 

Hoe wonderbaar Gods schepping,

leven ging er ontstaan,

het licht was reeds geschapen,

al ’t andere kwam er aan.

 

De zee en gans de aarde,

de sterren, zon en maan,

de vogels en de dieren,

God schiep het al te zaam.

 

De flora en de fauna,

vol kleuren en vol pracht,

in wijsheid had de Schepper,

het alles uitgedacht.

 

Als kroon over de schepping,

had God de mens bedacht,

die moest daar over heersen

dat werd van Hem verwacht.

 

O Heer, aan U de eer en glorie,

als Schepper had U alle moed,

vol wijsheid waren al Uw werken,

U zag het zelf, het was zeer goed!

 

Inleiding tot de Hebreeënbrief -1-

Bijbelstudie door Klaas Goverts

De Hebreeënbrief kan gemakkelijk verkeerd geïnterpreteerd worden en soms maakt men misbruik van dit geschrift om bepaalde vooroordelen te versterken. We dienen derhalve behoedzaam te wandelen wanneer we deze grond betreden en we houden vast aan ons uitgangspunt: het Oude Testament is niet oud en het is geen testament. Nimmer zal dus een bijbelschrijver het zogenaamde Oude Testament degraderen of als achterhaald betitelen. De Schrift (Tenakh en Evangelie) vormt een onverbrekelijke eenheid.

Diverse kern- of motiefwoorden kunnen ons een entree geven om deze brief binnen te treden.

Het spreken Gods. Dit is meteen de inzet van het hele betoog: Op vele wijzen en vele malen heeft God tot de vaderen gesproken in de profeten; op het uiterste van deze dagen heeft Hij tot ons gesproken in een zoon (of: in één die zoon is).

Ditzelfde woord ‘spreken’ komt nog twaalf keer in de Hebreeënbrief voor:

een zaligheid (bevrijding) waarover om te beginnen gesproken is door de Here;

de komende bewoonde wereld’ waarover wij spreken; de dingen waarover gesproken zou worden;

zou hij niet gesproken hebben over een andere latere dag (een dag daarna);

Hij die tot Hem sprak; ook al spreken wij zo; ten aanzien van welke stam Mozes niets gesproken heeft over priesters; Want nadat elk gebod overeenkomstig de Thora was gesproken door Mozes tot al het volk; hierdoor (namelijk door dit geloof c.q. vertrouwen), gestorven zijnde, spreekt hij nog; (Abraham) tot wie gesproken werd…;

En dan als hoogtepunt de verzen 24 en 25 van hoofdstuk 12: – het bloed dat ‘beter’ spreekt dan Abel; – zie dan toe dat ge niet afwijst Hem die spreekt.

Hier vindt de serie teksten over het spreken een afsluiting; samenvattend kunnen we stellen dat het een van de centrale thema’s is in het betoog van Hebreeën, waarbij het er de auteur kennelijk om gaat: hoe reageert de mens (het godsvolk) op het spreken Gods.

De teksten aan het begin (1,1-2) en aan het eind ( 12,24-25) vormen daarbij een soort inclusio (omsluiting, omlijsting): de brief zet in bij het spreken Gods door de tijden heen, om dan tenslotte terecht te komen bij het spreken van het bloed van de Messias en de dringende oproep om degene die spreekt niet af te wijzen, een appèl dat herinnert aan (teruggrijpt op) 2,3.

  1. Zoon. In de eerste verzen van hoofdstuk 1, die we beschouwen als de toonzetting van de hele brief, klinkt meteen al de kern-uitspraak: God heeft op het uiterste der dagen gesproken in een zoon. Opmerkelijk is hier dat het bepaald lidwoord in de grondtekst ontbreekt; daarom vertale men: een zoon, of een die zoon is, dat wil zeggen iemand die de kenmerken, kwaliteiten van zoon vertoont. Daarbij dienen we ons ervoor te hoeden dat we het begrip ‘zoon’ niet al te haastig invullen vanuit een (voor ons wellicht vanzelfsprekende) beeldvorming. Laat de Hebreeënschrijver de ruimte om zijn eigen beeld van wat een zoon is, voor ons te schilderen.

In 1,5 gaat hij inderdaad het thema ‘zoon’ verder uitwerken en wel aan de hand van twee schriftteksten:

zoon van mij zijt gij

ik heb u deze dag verwekt (Psalm 2,7) .

ik zal voor hem worden tot een vader

en hij zal voor mij worden tot een zoon (2 Sam.7,14).

In de tweede Psalm is Israël zoon voor God te midden van de gojim (de volkeren); in Samuël zien we David als de centrale gestalte aan wie afgelezen mag worden wat een zoon is. Die zoon is Gods rechterhand. In Hebreeën 1,8 komt de schrijver op de troon die gegeven wordt aan degene die zoon is. Maar wie is dat die op de troon mag zitten? Hoofdstuk 2 geeft ons de ‘profielschets’ van de ware troonpretendent: van ‘zoon’ verschuift het beeld naar ‘mensenzoon’ (ben ‘adam) : wat is een mens (wat is ‘adam dat Ge hem gedenkt of een mensenzoon dat Ge op hem let? (2,6).

Mensenzoon: dat is hij die het mens-zijn tot het uiterste gestalte heeft gegeven, dat is de mens van de laatste mijl. Zoon is hij die de wil van de Vader tot het einde toe op zich neemt en die zo Vaders rechterhand wordt. En wat is de wil van de Vader? Mens-zijn tot het uiterste. Want de Vader heeft het intense verlangen dat er, wanneer een mens helemaal aan het einde is, dan nog, ja dan nog en juist dan, een mens voor hem zal zijn, die bereid is mens voor hem te zijn tot het uiterste.

Dat is de gestalte van een zoon, een mensenzoon: hij is (hij wordt) mens tot voorbij de laatste grens. Die mensenzoon herkennen we in Jezus. Die mensenzoon herkennen we soms in zijn volgelingen. Zo heeft God de Vader ons bedoeld; dit heeft Hij ons toegedacht.

Eerstgeborene. In de Hebreeënbrief verbinden zich met het basiswoord ‘zoon’ enkele andere kernwoorden (ook hierin staat deze brief geheel in de lijn van Tenakh) . We noemden al ‘mensenzoon’; daarnaast is er ook de term ‘eerstgeborene’

Als Hij echter opnieuw de eerstgeborene binnen brengt in de bewoonde wereld zegt Hij:

aanbidden moeten Hem alle boden (engelen) Gods (1,6).

Maar wat en wie is de eerstgeborene? Dat kan alleen Tenakh ons vertellen. De eerstgeborene (bekor) is degene die instaat voor zijn broeders, die doet wat Kaïn had moeten doen: hij ‘hoedt’, hij bewaart zijn broeder. Zijn broeder is veilig bij hem, want deze mens wil niet leven zonder zijn broeder. Hij is de ene voor allen. Hij is de eerste, maar daarom is hij ook de laatste, want hij wacht tot allen hun plaats gevonden hebben, tot de laatste de finish heeft bereikt, en dan gaat hij naar binnen.

Ook hier reiken hoofdstuk 1 en 12 elkaar de hand: het begin van de brief spreekt over de bekor die in de bewoonde wereld (de oikoumenè) wordt binnengebracht; het eind over de vergadering (gemeente, ekklèsia, qahal/samenroeping in het hebreeuws) van bekorim (eerstgeborenen) 12,23. Bovendien horen we in 12,16 over Esau die in ruil voor één spijze zijn eerstgeboorterecht (bekorah) weggaf. En 12,28 memoreert het Pascha (Pesach) dat gevierd werd (en wordt) opdat de verderver hun eerstgeborenen niet zou aanraken.

Thematisch zijn ‘eerstgeborene’ en ‘uiterste der dagen’ intens en hecht op elkaar betrokken. In 1,2 zegt het NBG: nu in het laatst der dagen. Vanuit de grondtekst lezen we: op het uiterste van deze dagen. Het betreft een term die we onder andere tegenkomen in Genesis 49 vers 1 waar Jakob zijn zonen zegent en dat inleidt met deze woorden: Ik zal u melden wat u ontmoeten zal in het achterste der dagen (Septuagint: op het uiterste der dagen); voorts ook in diverse profetenteksten.

De relatie is dubbel:

De bekor (de Messias/ de messiaanse mens) veroorzaakt het uiterste der dagen: hij zet de dagen op scherp; hij drijft de contrastwerking op tot het uiterste.

Juist wanneer de dagen op hun uiterste lopen (dat is het kritieke uur, het beslissende tijdsgewricht, de finale; de Hebreeuwse mens denkt altijd in dagen; dagen is toegemeten tijd, tijd als gave van Godswege), juist dan is de bekor, de Messias, de rechtvaardige (tsaddiq) daar. Want hij is degene die gaat tot het uiterste; als allen het laten afweten, zal hij er zijn; in de grenssituatie is hij present.

Zo staat heel deze brief in dit teken: het uiterste der dagen, dat bepaalt kleur en toon van alles wat gezegd wordt. De brief aan de Hebreeën is een verhaal over mensen in de grenssituatie van het bestaan. Zoals een leid het zo treffend formuleert:

Nu is de dag van oogsten daar

het hoogste van de tijd;

een koning als een korenaar

staat op in majesteit. (W. Barnard).

Voor de Hebreeuwse mens weegt de tijd het zwaarst, zwaarder dan de ruimte. God is met heel zijn wezen de God van de geschiedenis; daarom gaat de tijd ergens naar toe; daarom, en daarom alleen is er een uiterste der dagen. Als God niet déze God was, zou er helemaal geen uiterste der dagen zijn. Dan was er misschien de kringloop, de eindeloosheid, de ‘eeuwige wederkeer’, kortom de zinloosheid. Maar dank zij deze God is er geschiedenis.

 

Gods plan door Tea Keuper Dijk

“Maar vergeet nooit, dat in het leven met de Here de vrouw niets is zonder haar man en de man niets zonder zijn vrouw. Want hoewel de eerste vrouw uit de man is genomen, wordt iedere man uit een vrouw geboren. En de oorsprong van alles is God” (1 Kor. 11:11-12, Het Boek).

God heeft man en vrouw geschapen op een wonderlijke wijze. Eerst de man en uit hem de vrouw. Uit de vrouw worden later weer zonen geboren, die werden verwekt door de man. Dat was en is Gods bedoeling, die eenheid.

En het zó ontstane huwelijk is een beeld van het ‘huwelijk’ in de geestelijke wereld van Christus en Zijn gemeente. Eerst was Christus er en vanuit Hem ontstond de gemeente, Zijn vrouw. Doordat de gemeente bevrucht wordt door de Heilige Geest (van Christus) baart zij zonen van God. Als de gemeente tot volheid is gekomen brengt het Hoofd (de man), Christus haar naar God, de Vader. Dan is, zou je kunnen zeggen, de cirkel rond. Te ontdekken dat wij in dat plan van God mogen passen! Ik wil me daarnaar uitstrekken en wandelen in Zijn wil.

Heer, ik wil U toebehoren en van Uw gemeente zijn,

Daarin ben ik toch geboren en U maakt mij vlekk’loos rein.

Jezus Christus, Zoon van God, U omvat mijn levenslot!

U volvoert in mij Uw plan, waar ‘k ‘amen’ op zeggen kan.

 

1990.05 nr. 314

Levend geloof 1990.05 nr. 314

Wat de Geest doet met het woord door Gert Jan Doornink

Hoe komt het toch dat er binnen het Christendom zo verschillend wordt gedacht over allerlei geloofszaken, over de inhoud van de Bijbel, over de praktische toepassing ervan? Ik moest er dezer dagen nog eens weer aan denken toen ik in ‘Visie’ een uitgebreid interview las met dr. W. J. Ouweneel, een bekend figuur uit de Vergadering der gelovigen. Het artikel had als titel ‘Een nieuw   reveil in Nederland’. Dr.  Ouweneel noemt de Evangelische Omroep, het Instituut voor Evangelisatie en de Evangelische Hogeschool, belangrijke bewijzen van de opwekking die in Nederland heeft plaatsgevonden, maar gaat totaal voorbij aan ‘Pinksteren’ en ‘Volle Evangelie’. Verder legt hij sterk de nadruk op het begrip ‘bijbelgetrouw’. Hij spreekt over het grote aantal ‘bijbelgetrouwe christenen’.

Maar wat is bijbelgetrouw? En heeft het woord ‘bijbelgetrouw’ de garantie in zich dat men echt gelooft naar de wil van God? Ik geloof dat hier een gevaarlijk addertje onder het gras schuil gaat. Het spreekwoord zegt niet voor niets dat ‘iedere ketter zijn letter’ heeft. Met andere woorden: Wie de Bijbel hanteert als een boek om eigen theorieën te verdedigen, maakt misbruik van dit boek. Bovendien kan er dan een soort ‘bijbelverafgoding ontstaan, zoals bijvoorbeeld de orthodox-katholieken dat nog hebben met Maria en de paus. Dan plaats je de Bijbel op een voetstuk zonder dat het nog een ‘levend boek’ is.; zonder dat Gods Geest er nog door spreken kan.

Dat is natuurlijk nooit Gods bedoeling. Talrijke sekten en dwaalleringen beroepen zich op de Bijbel,, maar zitten er wel flink naast. Er is eigenlijk maar één conclusie mogelijk als we hierover nadenken en wel deze: Je kunt de Bijbel niet lezen en verstaan zonder het licht van de Heilige Geest. De Heilige Geest brengt het Woord tot leven en doet ons Gods Woord op de juiste wijze verstaan. Paulus zegt in 2 Korinthiërs 3 vers 6 (2 Kor. 03:06): “De letter doodt, maar de Geest maakt levend”. En Jezus zegt in Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63): “De Geest is het die levend maakt”. Woord en Geest behoren samen te gaan.

Het verband tussen woord en geest

Ter illustratie van het verband tussen Woord en Geest wil ik als voorbeeld een roeiboot nemen. Om recht vooruit te kunnen gaan moet je beide roeispanen gebruiken. Als je nu op de ene roeispaan ‘Gods Woord zet en op de andere ‘Gods Geest’, begrijpt u wat ik bedoel. Als kind van God functioneren in het plan van God betekent: je bewust zijn dat je èn Gods Woord èn Gods Geest nodig hebt.

Denk ook eens aan wat er gebeurde bij de schepping (Gen. 01:01-03). De Geest zweefde over de wateren… God sprak: Er zij licht… en er was licht. Hier zien we het verband: Geest – woord – resultaat. Zoals Gods Geest samenwerkte met het woord dat Hij sprak; het woord als het ware bevruchtte, zo geeft God ook aan de mens (de hoogste vorm van Zijn scheppingswerk) deze sleutel, opdat de Geest met het Woord Zijn werk kan doen. De mens stelt dus, in samenwerking met de Heilige Geest, Gods Woord in werking. En met ‘de mens’ bedoel ik

uiteraard ‘de nieuwe mens in Christus’.

De mogelijkheden van de nieuwe mens

De nieuwe mens in Christus heeft de unieke mogelijkheden in zich om, samen met Gods Woord en Gods Geest, iets tot stand te brengen. De nieuwe mens heeft, om het zo maar eens te zeggen, scheppende kracht in zich. De Bijbel zegt dat we nieuwe scheppingen in Christus zijn. Gods schepping is niet voltooid zolang niet het einddoel is bereikt: Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont.

De opdracht voor de nieuwe mens is hieraan ten volle mee te werken. Hij heeft Gods Woord ter beschikking. En hij heeft de Heilige Geest ter beschikking. Van beiden moet nu in harmonie en op de juiste wijze gebruik worden gemaakt. Ik sprak over de mogelijkheden die we hebben, maar als je van de mogelijkheden geen gebruik maakt, gebeurt er natuurlijk niets.

Bovendien hebben we rekening te houden met de tegenstander, de vijand, de duivel, die te allen tijde wil verhinderen dat Gods Woord en Gods Geest door ons heen tot openbaring komen.

Wij bezitten dus de mogelijkheden om, samen met Gods Woord en Gods Geest, iets tot stand te brengen, om te scheppen. Dit ’tot stand brengen’ heeft een dubbele uitwerking:

Wij zijn bezig te groeien in Hem zodat we meer en meer het beeld van Jezus openbaren.

Ons getuigenis ten opzichte van hen die nog buiten staan, wordt er effectiever door.

En wie wil nu niet graag geestelijk groeien en een levend getuige van Jezus zijn? Woord en Geest bewerken dit in en door ons.

De zogenaamde ‘Getuigen van Jehova’ beroepen zich op het Woord, zonder de Geest van God te bezitten en velen zijn door hen op een dwaalspoor gebracht. Dat is ook met vele andere sekten het geval en de praktijk wijst uit dat dit ook binnen het zogenaamde ‘orthodoxe christendom’ een grote rol speelt. Hoevelen hanteren het Woord van God, zonder dat ze weten wedergeboren te zijn? Men maakt dan het Woord van God tot een karikatuur. Het wordt verminkt, dood gemaakt. En wat het ergste is: men blijft zelf buiten staan, men komt niet tot doorbraak en men mist de zekerheid van het nieuwe leven in Christus.

Het is net als bij de Farizeeën en Schriftgeleerden, waarvan Jezus zegt in Johannes 5 vers 39 (Joh. 05:39): “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen, en toch wilt gij niet tot Mij komen om leven te hebben”. Feitelijk is dit een grote tragedie, want onder een vrome dekmantel worden velen zo verleid en komen niet tot geestelijke vernieuwing.

Alleen reeds daarom zal ieder waarachtig kind van God zich bewust moeten zijn hoe belangrijk het is dat Gods Woord en Gods Geest samengaan. Want behalve dat de Geest van God het Woord tot leven brengt en ons het Woord op de juiste wijze doet verstaan, ontmaskert en overwint het ook de vijand.

Is de Heilige Geest in ons?

Wij komen tot geloof in Christus door Hem te aanvaarden als onze Verlosser. Wij belijden onze zonden, breken er mee, roepen een halt toe aan het verleden en beginnen een nieuw leven met Christus, nadat eerst de Heilige Geest ons overtuigt heeft dat dit nodig is (Joh. 16:08-10) .

Een volgende fase treedt in als wij heel bewust in het geloof gedoopt worden in de Heilige Geest en dagelijks ons bewust zijn dat die Geest in ons is. Dan pas – en daar behoren wij geleidelijk in te groeien – kan ook het Woord Gods in ons tot leven komen en zijn werk doen. Dan pas kunnen we ook de vijand ontmaskeren en overwinnen, niet eenmalig, maar telkens weer.

De Geest blijft bij wijze van spreken ten aanzien van het Woord passief, totdat wij Hem actief maken. Er zijn heel wat gelovigen die dit over het hoofd zien. Zij willen graag ingeschakeld zijn in het plan van God en Hem gehoorzaam zijn. Maar zij vergeten dat ze dan zelf de sleutel om moeten draaien. Ik denk dat als we dat niet doen we ook daarmee de Heilige Geest bedroeven. En Efeziërs 4 vers 30 (Ef. 04:30) zegt: “Bedroeft de Heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing” . Als je de Heilige Geest kunt bedroeven, kun je daaruit de conclusie trekken dat je hem óók blij kunt maken. Wat willen wij?

De mens Jezus en de Heilige Geest

In de Bijbel komen we talrijke voorbeelden tegen van gelovigen die, in samenwerking met de Heilige Geest, tot machtige dingen in staat waren en dus functioneerden naar de wil en de bedoeling van God. Wij willen ons beperken tot één groot en belangrijk voorbeeld en dat is Jezus.

Nu kunnen we het accent gaan leggen op het feit dat Hij de Zoon van God was en daarvoor talrijke teksten aanhalen en dan daarmee ons verontschuldigen door te zeggen: Ja maar omdat Hij de Zoon van God was kon Hij deze werken allemaal doen, daar kunnen wij toch niet aan voldoen. De duivel haakt hier maar al te graag op in.

Maar dan gaan wij voorbij aan het feit dat Hij door de Vader naar deze wereld is gezonden om Zoon des mensen te zijn. Hij was de Gezondene des Vaders om in alles de mensen gelijk te worden. Paulus beschrijft dat op duidelijke wijze in In Filippenzen 2 vers 5 tot en met 7 (Filip. 02:05-07), waar wij lezen: “Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, (hoewel Hij in Goddelijke gedaante was Lutherse vert.) het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is”.

Daarom zegt 1 Petrus 2 vers 21 (1 Petr. 02:21) ook dat Hij ons voorbeeld is en dat wij geroepen zijn dat voorbeeld na te volgen. En Paulus zegt: “Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was” (Filip. 01:05). Christus als voorbeeld volgen. Zijn gezindheid tot openbaring brengen, dus beelddrager van Christus zijn, is dus alleen maar mogelijk omdat Hij zich als mens openbaarde.

Wat gaan wij dus doen? Wij gaan letten op Zijn leven en dat navolgen. Zoals ook bijvoorbeeld Paulus dat deed met alles wat in hem was en in alle oprechtheid op een gegeven moment zelfs zei: “Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg” (1 Kor. 11:01).

Als wij nu letten op het leven van Jezus als mens, dan is één van de eerste dingen die opvallen dat Jezus wist dat Hij niet kon functioneren in het plan van God, als Hij niet gedoopt was met de Heilige Geest (Matt. 03:13-17; Mark. 01:09; Luc. 03:21-22). Johannes de Doper sputterde eerst tegen toen Hij zich door hem wilde laten dopen, maar Jezus wilde – net als het gewone volk, Hij was immers één van hen – gehoorzaam zijn. En de Vader had een welbehagen in deze gehoorzaamheid en de Geest Gods kwam op Hem. Later lezen wij dat Petrus over Jezus zegt dat Hij met de Heilige Geest en met kracht gezalfd was… en dat God (daardoor) met Hem was! (Hand. 10:38) .

Zo wil God ook met ons zijn als wij – vol van de Heilige Geest – die dingen doen die Hij van ons vraagt. Dan gaan wij ontdekken dat de Geest in samenwerking met het woord ook in en door ons leven tot machtige dingen in staat is en wij volledig gaan beantwoorden aan het doel wat God met ons voor heeft. De openbaring van de ‘eerste Zoon’ is geschied, maar nog vele zonen zullen gaan volgen!

 

PINKSTEREN door Wil Schrijfershof (gedicht)

Pinksteren, een heilig feest,

het VOLLE LICHT breekt door.

Waar eerst een eigen zoeken was

komt klaarheid nu daarvoor.

 

Het spreken in een ‘nieuwe taal’

sticht ieder, die dit doet.

Ontvangen doe je Hem om niet.

O, Heer, wat bent u goed.

 

De bronnen die U opent, Heer

door middel van Uw Geest

zijn onuitputt’lijk en zo mooi

voor wie het hoort en leest.

 

Vervulling met Uw Heil’ge Geest

geeft ons steeds moed en kracht.

Daarom is Pinksteren een feest

voor elk, die daarop wacht.

 

Werkelijkheid door Duurt Sikkens

“… terwijl de werkelijkheid in Christus is” (Kol. 02:17).

Hier worden allerlei soorten Israëlitische feesten en hoogtijdagen genoemd van vóór Christus, zoals sabbatten, Pasen, Pinksteren, enz. Paulus noemt deze ‘dingen’. Zij zijn een voorafbeelding, een voorafschaduwing van de werkelijkheid in de onzichtbare hemel. Jezus heeft de werkelijkheid gedaan en door Gods kracht vervuld. Al deze feesten werden op vaste tijdstippen gevierd, van sabbat tot jubeljaar.

Sabbat, de eendaagse rust, is een beeld van de eeuwige rust. Niet van het doodgaan maar de rust die God geeft van al zijn werken. De rust van een boer die geploegd en gezaaid heeft en gelooft dat het gewas opkomt omdat er leven in het zaad zit.

Pasen, het offer ter verzoening, heeft Jezus verheven tot een eeuwig geldend offer. Elk mens die gelooft dat Jezus’ sterven geldt, heeft deel aan de eeuwige verzoening. Er is dan geen zondemuur meer tussen God en mens.

Pinksteren, de doop met de Heilige Geest, is niet aan een datum gebonden. Als je gelooft dat je boven geboren bent, kun je nu Gods Geest ontvangen die alles in je levend maakt: geest, ziel en lichaam.

Voor het woord ‘werkelijkheid’ staat in de grondtekst: soma, lichaam. Als je dus deel hebt aan het levende lichaam van de Christus, waarvan Jezus het hoofd is, heb je dus deel aan die werkelijkheid en in jou zijn ook alle feesten werkelijk geworden.

 

Een nieuw en beter verbond door Wim te Dorsthorst

Toen God door de midde­laar Mozes met het volk Israël een verbond sloot bij de Sinaï’, wist God – en wist ook Mozes, die bepaald was bij de hemel­se werkelijkheid (Heb. 08:05) – dat dit verbond weer zou verdwijnen.

Door de geweldige belofte van een nieuw verbond in de volheid des tijds, uit­geroepen door de profeet Jeremia, kon dit ook bij het volk Israël bekend zijn.

De Hebreeënschrijver die de vervulling van deze belofte in Jezus Christus beschrijft, citeert dan ook bijna letterlijk de profeet Jeremia. God be­looft een nieuw verbond voor het huis Israël en Juda. Een ander verbond dan gesloten werd met de vaderen bij de uittocht uit het land Egypte. Een verbond dat door het volk met voeten werd getreden; een volk dat God de nek toekeerde en niet het aangezicht (Jer. 02:27).

Maar ondanks dat is de belofte van God: “Want dit is het verbond, waar­mede Ik mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen en Ik zal die in hun har­ten schrijven en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zul­len zij een ieder zijn me­deburger, en een ieder zijn broeder leren, zeg­gende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtighe­den en hun zonden zal Ik niet meer gedenken” (Heb. 08:08-12; Jer.31:31-34).

De raad van Zijn wil

De vraag die hier zou kunnen opkomen is: Kan een enkel goede God iets onvolmaakts scheppen of iets aan de mens opleggen wat nog niet volmaakt is? Wat nog berispelijk is? Laten we om te beginnen vaststellen dat het niet gaat om iets dat verkeerd of slecht is, maar om een nieuw verbond dat beter is en waarvan de rechts­kracht op betere beloften berust (Heb. 08:06).

God is enkel licht en in Hem is in het geheel geen duisternis en Hij is liefde, zegt de apostel Johannes (1 Joh. 01:05; 1 Joh. 04:08). Alles wat uit Hem voortkomt, al het handelen van God, al de oordelen Gods, komt voort uit zijn onpeilbare liefde. Hij over ziet alles van voor het begin tot aan de uiterste voltooiing (Pred. 03:11) en Hij werkt naar de onveranderlijke raad en het welbehagen van Zijn wil (Ef. 01:5-11). Hij is de onverander­lijke betrouwbare God. Er is in Hem geen zweem van ommekeer, zegt Jakobus.

“Ik, zegt God, die van den beginne de afloop verkondig en vanouds wat nog niet geschied is; die zeg: Mijn raadsbesluit zal volbracht worden en Ik zal al Mijn welbehagen doen” (Jes. 46:10).

Wankelbare en onwankelbare dingen

Zo werkt God volgens Zijn eeuwige raadsbeslui­ten. Hij schept de eerste dingen om daar het laat­ste uit voort te laten komen. Hij schept het zaad, zodat wanneer het in de aarde valt en sterft niet op zichzelf blijft maar veel vrucht voort­brengt (Joh. 12:24). Het zaad is wel goed, maar het moet niet op zichzelf blijven. Het moet aan de aarde worden toever­trouwd om vrucht te dra­gen.

God schept de verganke­lijke, de wankelbare din­gen met het doel dat daar het onwankelbare uit voortkomt dat eeuwig zal blijven (Heb. 12:27) .

God gaf het verbond bij de Sinaï’ aan een natuur­lijk volk, opdat uit hen het zaad geboren zou worden van een geestelijk volk dat een onwankel­baar koninkrijk zou ont­vangen (Heb. 12:28). Daarom zegt Paulus: Uit dit natuurlijke volk is “wat het vlees betreft de Christus” (Rom. 09:05), maar naar de geest der heiligheid verklaart Hij, “door Zijn opstanding uit de doden, Gods Zoon te zijn in kracht, Jezus Christus, onze Here” (Rom. 01:04).

Dat was de vrucht van het oude verbond – wat slechts een schaduw was van de toekomende goe­deren – op (Heb. 10:01; Heb. 08:05), om het tweede, – het werkelijke, eeuwige genadeverbond in Zijn Zoon Jezus Christus – te laten gelden (Heb. 10:09; 2 Tim. 01:09-10).

Het volk onder een bedekking

Het volk uit Egypte ver­lossen, was niet voldoen­de, al ging dat ook ge­paard met vele wonderen en tekenen. Daar veran­derde dat volk nog niet wezenlijk door, ze bleven natuurlijk, vleselijk. Als kleine kinderen heeft God ze bij de hand genomen door middel van wetten en geboden.

Mozes komt op dit alles terug in Deuteronomium 29. Hij zegt dan in vers 4 (Deut. 29:04): “Doch de Here heeft u geen hart gegeven om te verstaan of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op de huidige dag” .

Er is dus sprake van een bedekking die niet opge­heven wordt door de wet te hebben en die te on­derhouden. Paulus noemt daarom de oude bedeling de bediening des doods, met letters op stenen ge­grift. En deze bediening van het oude, zegt Pau­lus , ging met zulk een heerlijkheid gepaard, dat de kinderen Israëls de blik niet op het aange­zicht van Mozes konden vestigen om de heerlijk­heid van zijn aangezicht, die toch verdwijnen moest (2 Kor. 03:07).

Het oude verbond was goed voor die tijd en ging gepaard met heerlijkheid, met zegen en beloften, maar het was de schaduw van de werkelijkheid in Christus. En nu die werkelijkheid gekomen is, is het jammer dat zoveel christenen op het natuurlijke volk Israël blij­ven zien, dat niet eens erkent dat het nieuwe gekomen is.

We zagen het al, het heil is uit hen voortgekomen, Jezus Christus, de Here, en in Hem is het nieuwe, het betere verbond opge­richt, wat geldt voor Jo­den en niet-Joden.

Voor God geldt er geen oud én nieuw verbond, geen natuurlijk volk én geestelijk volk, maar het nieuwe verbond in Zijn Zoon, Jezus Christus, voor alle volken. God kan niet met het oude – de schaduw – verder gaan nu de werkelijkheid geko­men is (Heb. 08:13). Hij zou dan zijn eigen Zoon moeten loochenen.

Op de eerste kerkverga­dering, waar gesproken werd over hoe de heide­nen tot bekering en tot geloof kwamen, is het Petrus die tot de geweldi­ge uitspraak komt: “Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij (de Joden dus) behouden te worden op dezelfde wijze als zij (de heidenen)” (Hand.15:11). Zonder het juk van wetten, geboden en inzettingen, die geen Jood ooit heeft kunnen dragen (vers 10) en die Jezus van de mens af­neemt .

Het is God op de proef stellen en het is afgoderij plegen met een natuurlijk volk als men daar, op vaak religieuze wijze, naar op ziet. God heeft het volk Israël net zo lief als alle andere volken en ook voor dat volk is die ene ‘leven­de weg’ in Jezus Christus ontsloten (Heb. 10:20) .

De levende weg is geopend!

De profeet Jeremia zegt: “God zal op deze berg (de hemelse berg Sion) de sluier vernietigen, die alle natiën omsluiert, en de bedekking, waarmede alle volken bedekt zijn” (Jes. 25:07). Het is deze bedekking, waarvan ook in Deuteronomium 29 vers 4 (Deut. 29:04) gesproken wordt, die alleen in Jezus Christus kan verdwijnen. “Want tot heden toe blijft de­zelfde bedekking over de voorlezing van het oude verbond zonder weggenomen te worden, omdat zij slechts in Christus ver­dwijnt. Ja tot heden toe ligt, telkens als Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen” (2 Kor. 03:14-16).

Deze bedekking, maar ook deze geweldige belofte, tot vernietiging hiervan, geldt voor iedere wereld­burger ongeacht ras of nationaliteit.

Deze weg ligt nu open. Het Lam is geslacht voor de zonden van alle men­sen. Hij is opgestaan tot onze rechtvaardiging. Hij heeft zich gezet aan de rechterhand Gods in de hoge en Hij heeft de Hei­lige Geest uitgestort de belofte van de Vader

“Voordat Jezus ten hemel voer, gebood Hij zijn dis­cipelen Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij – zeide Hij – van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze” (Hand. 01:04-05).

De belofte van de Vader is de laatste schakel in de keten van gebeurtenissen waardoor het nieuwe, het betere verbond in werking trad. De belofte waardoor de mensheid tot voltooiing gevoerd zou worden en God eens ‘alles in allen’ zou kunnen zijn (1 Kor. 15:28). In harten die ge­reinigd waren door het bloed van het Lam zou God zijn wetten schrijven en in het verstand leggen. Dit nieuwe verbond is als ‘de belofte van de Vader’ vele malen in de Schrift aangekondigd.

De profeet Ezechiël zegt: “Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe Geest in uw binnenste, het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven. Mijn Geest zal Ik in uw binnenste ge­ven en maken, dat gij naar Mijn inzetting wan­delt en naarstig Mijn ver­ordeningen onderhoudt” (Ez. 36:26-27a).

In deze dubbele zegen die Ezechiël hier uitspreekt, ligt de vervulling van het nieuwe verbond zoals beloofd in Jeremia 31:31-34 (Jer. 31:31-34). De mens die geestelijk dood is, een hart van steen heeft, wordt opge­wekt uit die dood en wordt een nieuwe schep­ping door de wedergeboor­te, de besnijdenis des harten. Hij ontvangt een rein hart en een levende geest door de verzoening met God.

Dan is daar een reine wo­ning, door de gerechtig­heid Gods in Jezus Chris­tus, een heilige tempel voor de inwoning van de Heilige Geest. Dat is het tweede deel van de zegen. “Mijn Geest”, zegt God, ” zal Ik in uw binnenste geven” .

Geest en leven in alle geslachten

Dat is Pinksteren, dat is de voltooiing van het nieuwe verbond. Het oude is nu in Jezus Christus volledig vervuld! Dit brengt hemel en aarde in een geweldige beroering; meer nog dan alle ver­schijnselen bij de berg Sinaï’ tijdens de oude verbondssluiting. Jesaja pro­feteerde van de geweldige ommekeer die dit teweeg zou brengen. Hij zegt: “… totdat over ons uitgestort wordt de Geest uit den hoge. Dan wordt de woestijn een gaarde en de gaarde gelijk een woud” (Jes. 32:15). Geen bediening des doods meer, maar een overvloed aan leven en vruchtbaarheid door de Heilige Geest.

Dit geweldige gebeuren is door de duivel op sluwe wijze van zijn kracht be­roofd. Hij heeft de mens verleugent en doet hem denken dat het alleen ‘voor toen’ was. De Geest zou toen nodig zijn, om­dat de Bijbel nog niet ge­schreven was, nu echter hebben we de Bijbel en is de Geest niet meer no­dig.

Deze en nog vele andere leugens over de inwoning van de Heilige Geest en Zijn werk in de gelovigen zijn door de duivel in de wereld gebracht.

De werkelijkheid voor toen en nu

Jesaja profeteerde: “Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal Mijn Geest uitgieten op uw nakroost en Mijn zegen op uw nakomelingen” (Jes. 44:03).

Ook de apostel Petrus, die eveneens de profeet Jesaja citeert, zegt: “Want voor u is de belof­te en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn” (Hand. 2:39a).

Dat is de waarheid. Dat is de werkelijkheid voor toen en nu! Wie de Heilige Geest niet ontvangen heeft in zijn binnenste, heeft nog geen deel aan het nieuwe verbond. En heeft nog geen deel aan: “een brief van Christus te zijn, niet met inkt ge­schreven, maar met de Geest van de levende God, niet op tafelen van steen, maar op tafelen van vlees in de harten” (2 Kor. 03:03).

Maar voor ieder die deel heeft aan ‘De belofte van de Vader’ geldt: ” Zo is dan wie in Chris­tus is een nieuwe schep­ping : het oude is voorbij gegaan, zie, het nieuwe is gekomen. En dit alles is uit God”. Halle­luja!

 

Intermezzo door Gerry Velema

Als God weer spreken gaat

Sla het begin van de Bijbel open en lees hoe God sprak! Woorden met scheppingskracht: “Er zij licht” en er was licht. En God zag dat het licht goed was.

En alles wat God gemaakt had was goed, zelfs zeer goed.

Dan gaat er iemand anders spreken, een oude leugenaar, een listige slang, een verleider. En alles wordt anders. Hij kan niet scheppen zoals God, maar ‘misschept’ (een wangestalte geven Ruurd) de schepping: Mensen kunnen het wel zonder licht, ik maak ze blind. Ik maak ze doof, benen maak ik werkeloos, lam. En alles werd niet goed; het werd slecht, zodat er zelfs niet één mens meer ‘goed was. Zo slecht!

Dan komt Jezus, het vleesgeworden woord van God! God spreekt weer; halleluja. En wat gebeurt er tijdens Jezus’ rondwandeling op aarde?: Mensen krijgen weer Licht! Blinden genezen, doven gaan horen, lammen gaan weer wandelen, Jezus brengt herstel in een kapotte wereld.

Hij roept door Israël: Ik ben het Licht, Ik ben het Brood, ik ben het Levende Water, Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven!

Maar Jezus gaat weer weg. Hij neemt plaats op de troon van de Almachtige, Zijn Vader!

Een de wereld lijkt weer even duister en kapot! Behalve… voor hen die in Jezus zijn gaan geloven, ook al zien ze Hem niet. Kinderen van God, die door geloof wandelen onder de leiding en zalving van de Heilige Geest die kwam toen Jezus ging. En door de Heilige Geest spreekt God, vandaag zoals alleen Hij spreken kan: scheppend, herstellend, vol van kracht! En kinderen van God mogen, gehoorzaam, deze woorden overnemen en spreken en uitdragen, zodat heel veel mensen herstel gaan vinden! En het Licht schijnt!

Jezus komt weer! Sla de Bijbel open en lees aan het eind van het boek Openbaring. Lees hoe er staat dat God bij de mensen zal komen wonen. En wat gaat God doen als Hij zo dicht bij ons is: Weg alle tranen! Weg met de dood, weg met de nood, het geween en het geklaag, weg met alle moeiten! Het zal er niet meer zijn. Geen ziekte, geen ‘bedoelingen’ met ziekten. God zal het allemaal weg doen!

Want waar God is, spreekt Hij! En Hij geeft zoals het begin was, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde! Prachtig mooi en gaaf!

Nee, er hoeft geen twijfel over te bestaan: Als God spreekt over ons leven is het altijd tot ons herstel!

 

Het zegel van de levende God door Evert van de Kamp

Een Italiaanse voorganger en zijn Nederlandse vrouw schrijven in hun rondschrijfbrief: ‘Sinds gister­avond komt er geen drup­pel water meer uit de kraan. Het is te droog in Italië: de grond barst open, stof wordt niet meer weggespoeld, de na­tuur schreeuwt om water. Ook in geestelijk opzicht zien we een enorme droog­te. De mensen boren bronnen aan: bronnen van magie en dodenver­ering, bronnen van geld en spelen… De duister­nis neemt hand over hand toe. De Heer zegt echter tegen zijn gemeente: Ge­ven jullie hen te drinken’. Wat kan de gemeente hen dan te drinken geven? Het Woord van God geeft daar een duidelijk ant­woord op: het water des levens.

Jezus zegt: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit zei Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvan­gen zouden” (Joh. 07:37-39).

De doop in of met de Hei­lige Geest is het zegel van de levende God (Openb. 07:02). Dat zegel, de Geestesdoop genoemd, drukte God, de Vader, op zijn Zoon Jezus Chris­tus, Gods voorbeeld voor ons (Joh. 06:27).

De actualiteit van Pinksteren

De Charismatische Werk­gemeenschap Nederland ontwikkelt plannen voor een charismatische leer­stoel. Men wil een bijzon­der hoogleraar, een spe­cialist, op het gebied van de gaven van de Geest. Men vraagt aandacht voor charismatische onderwer­pen als ziekenzalving, gebed, het spreken in tongen, etc.

Charisma TV heeft bij het Commissariaat voor de Me­dia een vergunning aan­gevraagd om als kleine zendgemachtigde televisie­programma’s uit te zenden. Het ‘Pinkstergeluid’ moet gehoord worden.

Het zijn mooie en goede initiatieven, eigentijds. Pinksteren blijft. Pinkste­ren is in opmars. De be­lofte in Joel 2 vers 28, (Joël 02:28) overgenomen door Petrus in Handelingen 2 vers 17 (Hand. 02:17), staat nog steeds rechtop in onze wereld: “En het zal geschieden in het laatste der dagen, spreekt God, dat Ik van mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft” (Vert. Brou­wer) .

Lucas schrijft: “Voor u is de belofte (de doop met Gods Geest) en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn” (Hand. 02:38) . De inlossing van de­ze belofte is nooit opge­houden. Dit wordt nog versterkt door wat de Heer zegt in Openbaring 7 vers 1 tot en met 3 (Openb. 07:01-03), dat al de knechten van God, al die mensen die geloven in Christus, aan hun voorhoofd verzegeld moeten worden. Zij moe­ten hetzelfde zegel dra­gen als Jezus.

Het dragen van dit zegel van de levende God houdt in dat je zijn kenmerk draagt. Hij drukt zijn ze­gel, zijn goedkeuring op je. Je bent gewaarmerkt, door God erkend. Het is een teken van bekrachti­ging, ter verzekering van je echtheid in de Heer.

Onderdeel van het fundament

De verzegeling, of de doop met Gods Geest, is één van de belangrijk­ste onderdelen van het Bijbelse fundament bedoeld voor elke christen (Heb. 06:01-03). Jammer dat dit onderdeel zo dikwijls ver­waarloosd is. Satan heeft het verdonkeremaand.

In de kerkelijke wereld wordt al jarenlang ge­klaagd over geestelijke dorheid, kerkverlating (de Hervormde kerk ver­loor in 1989 meer dan 53.000′ leden) en Godsverduistering. Velen dringen aan op verandering. Allerwege is men bezig met de ‘nieuwe tijd’. De New- Agebeweging fascineert. Maar Goddelijke, geeste­lijke ontwikkeling gebeurt echter door niets anders dan door de Heilige Geest (Zach. 04:06). De Geestes- doop zet dat proces in gang. De Geest maakt het Woord van God levend in ons. Woord en Geest ver­anderen een mens totaal.

Wereldwijd zijn miljoenen christenen reeds in Gods Geest gedoopt. In de ko­mende tijd zal die verze­geling optimaal zijn. De tijd dringt. Als nimmer te voren wordt Gods Geest uitgestort op al wat leeft. Bidt daar om! God maakt zijn Woord waar. Ons gebed is dat ons land, ons volk, daar op machtige wijze in zal de­len. Jezus’ bediening gaat door. Hij is (nog altijd) de Doper met de Heilige Geest (Joh. 01:32-34).

God houdt de wereld in Zijn hand

Bij uitgeverij ‘De Banier’ in Utrecht is het boek ‘Opwekking’ verschenen van de hand van Drs. W. van Vlastuin. Wie had dat uit de rechterflank van de gereformeerde ge­zindte verwacht? Maar God werkt overal, als je maar naar Hem luistert. Waar geluisterd en gehoorzaamd wordt, gebeurt wat!

Vlastuin ontdekte in 1984 op het zendingsveld in Zimbabwe (Afrika) dat God nog steeds dezelfde is. Enige uitspraken uit een interview met hem: ‘Ook nu kunnen de stro­men van de Heilige Geest worden uitgestort tot een nieuwe bloei van de kerk en tot verheerlijking van Gods grote Naam’.

‘Ik denk dat het probleem vaak is dat ook Gods kin­deren, nadat ze tot beke­ring gekomen zijn, hun leven in eigen kracht ver­volgen’ .

‘De vroegere christenen bewogen de wereld door hun gebeden’.

De interviewer. Dirk van Genderen, vraagt vervolgens: ‘Er zal worden tegengeworpen dat de Schrift geen aanleiding geeft om te verlangen naar en te bidden om een opwekking. Wordt immers niet duidelijk voorzegt dat het almaar donkerder zal worden naarmate de wederkomst van Christus nadert ?’

Het antwoord is: ‘Dat dacht ik vroeger ook, maar mijn gedachte daar­over is veranderd. De Heer is Dezelfde. Ik meen dat we in Gods Woord grond hebben om te bid­den om een opwekking’. Terecht, de tijd van de verzegeling is nog niet afgesloten, niet voorbij. Het begin van Openbaring 7 vertelt dat vier duivelse grootvorsten nog meer verderf over de aarde zullen brengen. Maar God waakt met zijn Woord over zijn volk. De engel van de opgang der zon, de engel van Jezus, houdt hen tegen. Letterlijk zegt de engel: “Brengt geen schade toe aan de aarde (beeld van het natuurlijke leven van de mens), noch aan de zee (beeld van het geestelijk leven), noch aan de bomen (leiders van het religieuze leven) , voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld heb­ben” .

En in Openbaring 9 vers 4 (Openb. 09:04) zegt de Heer: “En hun (de machten der duister­nis) werd gezegd dat zij aan het gras der aarde (de kinderen der gelovi­gen) geen schade zouden toebrengen, noch aan enig gewas (de nog maar pas gedoopten met Gods Geest), noch aan enige boom (de zonen Gods), maar alleen aan de men­sen, die het zegel van God niet op hun voor­hoofd hadden”.

Gedoopt met Gods Geest en daaruit levend, ge­niet je Gods bescherming en veiligheid. Zo alleen kun je jezelf bewaren voor het geweld van de tegenstander (Judas 01:20) . Dan ben je ertegen bestand.

De Schrift doet daarom een klemmend beroep op de niet verzegelden zich door Jezus te laten dopen met de Heilige Geest, zo­dat er kracht komt om de duisternis te weerstaan en te overwinnen.

En de verzegelden wordt verstaan gegeven meer en meer te leven uit Gods kracht door de Heilige Geest. Je kunt je niet veroorloven te zeggen: Twintig jaar geleden ben ik gedoopt in Gods Geest, terwijl je nu de Heilige Geest niet meer door je heen laat waaien. Dan heb je geen leven (meer)! God houdt jouw wereld in zijn hand door zijn gees­telijke wetten in je hart te leggen en in je ver­stand te schrijven (Heb. 08:10; Heb. 10:16). Dat moet je steeds blijven willen en in je laten bewerken.

De wereld heeft opwek­king nodig, maar de christenen evenzeer. Dat is geestelijke ontwikke­ling!

Geef hen te drinken!

Telkens weer blijkt dat er ook in Nederland en België velen zijn met een diep verlangen naar het ‘meerdere van God’.

In de TV-rubriek ‘Mag ik eens met je praten?’ van Feike te Velde, gaf Prof. Dr. C. Graafland open en eerlijk te kennen in­tens te verlangen naar en open te staan voor de gaven en werkingen van de Heilige Geest. (Dr. Graafland is als theoloog verbonden aan de Rijks­universiteit in Utrecht) .

Zo’n geluid is heerlijk, want God gaat daarin voorzien. Dit soort gelui­den hoor je meer; soms nog vaag, soms heel dui­delijk. Waar we maar de kans krijgen, moeten we daar op ingaan. Elk goed middel aangrijpen om de boodschap van Pinksteren te vertellen, te verduide­lijken. We zullen steeds opnieuw de Bijbel moeten uitleggen, misverstanden uit de weg moeten rui­men. Pinksteren maakt het evangelie compleet! Woord en Geest overtui­gen. Het ‘Volle Evangelie’ is voor iedereen. En hoe ‘vol’ het is, weet nog niemand. Er valt nog heel wat te ontdekken.

Professor Graafland maak­te de opmerking dat hij de gave van het spreken in tongen mogelijkerwijs wel eens (nog) niet ont­vangen zou kunnen heb­ben als wijsheid van God. Wat heerlijk dat we dan kunnen zeggen, op grond van wat de Heer in zijn Woord zegt en in de prak­tijk waarmaakt, dat de doop met de Heilige Geest en het spreken in nieuwe tongen het eerstgeboorterecht is van iedere gelo­vige in het nieuwe ver­bond. David du Plessis zei altijd: ‘Ga er zelf maar achter aan en je zult zien dat het waar is’.

Geloof en je zult de enor­me rijkdom van Gods Geest ontvangen. Niemand geniet een voorkeursbe­handeling. De Heer vraagt slechts geloof. Het is nog precies zo als het staat beschreven in Handelingen 2 vers 4. (Hand. 02:04) “Allen werden vervuld met de Heilige Geest en begonnen met andere ton­gen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken” .

Duizenden mensen in Ne­derland en België kunnen het bevestigen dat dit woord niets in kracht en in waarheid heeft inge­boet. God is Dezelfde.

Voor de Geest gedoopten komt het er op aan dat met het gewone leven van alle dag te laten zien. Zij mogen (een kostelijk voorrecht) te ‘eten’ en te ‘drinken’ geven. Want het is Gods uitgesproken wil dat nu allen die in Chris­tus geloven, worden ver­zegeld met de Heilige Geest.

Pinksteren breekt door! Dat is: De Heer dringt door met zijn heerlijkheid in al zijn volk.

Het getal van de verze­gelden is weldra niet meer te tellen (Openb. 07:09-17) . “Dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Hij ook heengaat. Gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam” (Openb. 14:04).

 

Woorden Gods door Piet Snaphaan (gedicht)

Luisterend naar woorden

die tot mij komen,

in de stilte van alle dag.

Hunkerend naar datgene

wat niet uitgesproken wordt,

maar dat ik toch verstaan mag.

Omdat Hij het is, die tot mij spreekt,

mijn hemelse Vader, met wie

ik mij verbonden weet.

 

Het hemelse Jeruzalem door HESSEL HOEFNAGEL -7-

De laatste week (de tijd van het einde).

In deze drie grote feesten in het oude Israël werd zo een afbeelding gegeven van de werkelijkheid met betrekking tot de ontwikkeling van het plan van God met de mens.

In de profetie van de “zeventig weken”, zoals door de en­gel Gabriël aan Daniël weergegeven, is tenslotte sprake van een (gedeelde) “laatste week”. In deze periode vinden ontknopingen plaats met betrekking tot de eeuwige toe- van het volk van God. Na de ontwikkelingen in de periode van “tweeënzestig weken”, waarin het herstel een volheid heeft bereikt, is er sprake van het uitroeien van een ge­zalfde zonder aanwijsbare oorzaak. Een vorst die zal ko­men, zal de stad en het heiligdom te gronde richten (vs. 26). Er is sprake van “de helft der week”. Dit begrip komt in de profetische delen van de bijbel vaker voor, maar dan in de vorm van “drie-en een halve dag”. Ik denk hierbij aan Openbaring 11, waar sprake is van de twee ge­tuigen, het beeld van Woord en Geest. Deze typering van de gemeente van Jezus Christus, is profetisch terug te brengen op de twee oudtestamentische personen Zerubbabel en Jozua. Zerubbabel was een vorst uit de stam van Juda, terwijl Jozua hogepriester was. Zij leefden in de tijd van de profeten Haggaï en Zacharia. Zij begonnen na de ballingschap, toen koning Darius van Perzië de Joden naar hun land liet terugkeren, met de herbouw van de tempel te Jeruzalem (Ezra 05:01-02).

Zerubbabel en Jozua typeren de gemeente van Jezus Chris­tus als “koninklijk priestergeslacht”, dat vervuld met de Geest van God werkt aan de vorming van het “huis Gods”, dat uiteindelijk de hele schepping zal omvatten. In dit “geestelijk huis” zijn het koninklijk woord en de pries­terlijke geest de bepalende elementen bij het herstel van de eeuwige functie van de schepping.

Deze “twee getuigen” worden ook genoemd de “twee kandela­ren” en de “twee olijfbomen”, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan, ook weer aanduidingen van de krachtige werking van de Heilige Geest in het lichaam van de Heer. We naderen de tijd, waarin deze werking zich naar buiten toe zal openbaren in een krachtig getuigenis. Dit zal tot een voleinding gebracht worden, zodat het li­chaam van de Heer de volkomenheid bereikt, de rijpheid en volwassenheid van de volheid van Christus (Ef. 04:13).

Het beest uit de afgrond.

Nu de gemeente in de eindtijd tot volle openbaring komt door de inwonende Geest van God, ontwikkelt zich een con­frontatie met het “beest uit de afgrond”. Deze machtige geest, die zich in de opkomende “mens der wetteloosheid” (2 Thess. 02:03) zal manifesteren, zal botsen met het “volk der heiligen”. Hij zal bewerken, dat de “heiligen des Allerhoogsten” (Dan. 07:18) in hun uiterlijk voorkomen worden “gedood”, dus geblokkeerd in hun getuigenis in de natuur­lijke wereld. Tegelijk heeft zich een godsdienst ontwik­keld, die door de inwerking van de occulte geesten is ge­worden als “Sodom”, terwijl de mensen die haar hanteren tot slaven en gebondenen zijn gemaakt als “Egypte”. De zonen Gods worden evenals hun Heer door deze valse kerk niet in hun getuigenis geaccepteerd, maar ook voor dit geestelijk lichaam van de Heer geldt het “kruist hem, kruist hem” (Openb. 11:08) Gedurende een periode, die geestelijk overeenkomt met de “drie-en een halve dag”, waarin de Heer Jezus in de in­vloedsfeer van de Dood was, zoals Jona in de buik van de grote vis, en de “helft van de week”, waarin “slachtoffer en spijsoffer is opgehouden (Dan. 09;27), wordt de gemeen­te van Jezus Christus voorbereid op haar massale verheer­lijking. Een “levensgeest uit God” doet hen opstaan en “ten hemel varen” ten aanschouwen van hun vijanden. Zoals eenmaal hun meester als enkeling de “weeën van de Dood” verbrak, zo doen deze zonen van God dat in de tijd, waar wij naar toe leven, massaal.

De vrede van Jeruzalem.

Geleidelijk aan wordt de Dood “verslonden in de overwin­ning” . De kracht van de zonde en daarmee de prikkel van de Dood wordt uitgeschakeld als gevolg van de “wederge­boorte en vernieuwing door de Heilige Geest” (1 Kor. 15:54-57).

Wij worden door de apostel Paulus opgeroepen standvastig en onwankelbaar te zijn, overvloedig in het werk des He­ren. Daarbij mogen we weten, dat onze arbeid niet ver­geefs is in de Here (1 Kor. 15:58).

Door de overwinning op Dood en dodenrijk komt de schep­ping onder het gezag van de herstelde mens, het “lichaam van de Heer”, waarvan Jezus het Hoofd is. (Openb. 02:15). Dit “heersen” betreft het herstel van de hele mensheid, welke in de ware God gelooft. Vanuit deze “tempel” krijgt zo het “nieuwe Jeruzalem” gestalte. Door de verheerlijkte gemeente wordt de macht van de Dood ontmanteld door het te niet doen van zijn heerschappij. Zo is de “tent van God” bij de mensen en Hij woont bij hen. Door middel van dit lichaam van de Heer worden de “tranen” gedroogd en “rouw noch geklaag noch moeite” zal meer zijn. Zo worden alle dingen nieuw gemaakt door Hem, die op de troon geze­ten is. Zijn wezen wordt geopenbaard: getrouw en waarachtig (Openb. 21:03-05). Dit is hetzelfde wezenskenmerk, wat openbaar wordt in de “ruiters op witte paarden”, die sinds de overwinning van Jezus Christus zijn uitgetrokken “overwinnende en om te overwinnen” (Openb. 06:02; Openb. 19:11-14). Zo krijgt het woord Gods door de Heilige Geest gestalte in de ganse schepping.

De Dood, die als eerste vijand van de Schepper zijn hei­melijke invloed in de schepping openbaarde, wordt als laatste vijand ontmanteld en ten einde met zijn gehele rijk geworpen in de poel des vuurs, ver buiten het ko­ninkrijk van God (Openb. 20:14).

De nieuwe mensheid was als “zoon des mensen” al voor de eerste schepping in de eeuwige gedachten van de Vader aanwezig (vgl. Gen. 01:26). In beginsel werd zij in de persoon van de Heer Jezus als een “kind” geboren en als een “zoon” gegeven. Door de verbinding met de Geest van de Vader rust de “heerschappij” op zijn schouder. Hij wordt genoemd “wonderbare Raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst”. Groot en eindeloos is de vrede op de “troon” van deze “zoon van David” en over Zijn koninkrijk. Dit rijk, dat het ganse universum zal omvatten, zal “recht en gerechtigheid” tot haar grondslag hebben, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit bewerken (Jes. 09:05-06).

Dit is de vrede van Jeruzalem !

Tenslotte

De gemeente van Jezus Christus gaat een heerlijke toe­komst tegemoet. De ontwikkeling naar dit einde (einddoel) gaat echter dwars door verdrukking en moeite heen. Dit zal met name de uiterlijke verschijningsvorm betreffen, zoals het ook in het begin was na de opstanding van Je­zus, onze Heer. Naar de innerlijke mens echter gaat de gemeente van heerlijkheid tot heerlijkheid door de toene­mende bijstand en vervulling met de heilige Geest der be­lofte.

Het is mijn verlangen, dat deze serie een hulpmiddel zal zijn bij het onderzoeken en bedenken van de toekomst van de “Zoon des mensen”, de komende en laatste generatie mensen die als “zaad” gezien zullen worden vanwege de ge­hoorzaamheid van de eerste van deze zonen, Jezus onze Heiland. Hem zij eer en heerlijkheid, zoals dat geldt voor onze God en Vader, nu en tot in alle eeuwigheid.

Ik wil deze artikelen besluiten met een lied, dat ik ooit vanuit deze gedachten maakte (wijze: “Eens, als de bazui­nen klinken”):

Juichend klinken vreugdetonen

uit het hemelse gebied,

d’ Overwinning van de zonen

wordt verkondigd in een lied.

Licht en leven triumferen,

duisternis verwon het niet.

 

Jubel luid, gehele aarde,

zing de Here, prijst Zijn Naam.

Hij, Die ’t heil voor u vergaarde,

Hem zij lof als ’t eeuwig Lam.

Want de Heer is zeer te prijzen,

alle knie buigt zich tesaam.

 

Bij het oordeel van de doden

wordt gerechtigheid betracht.

Dood en dodenrijk gevloden

voor het Lam, dat werd geslacht.

Saamgevoegd de “stad” en “tempel”,

flonk’rend in haar grote pracht.

 

Dan zal heel de schepping zingen

van de Heer der heerlijkheid.

Eng’len zullen ons omringen,

vol van vreugd’ in dienstbaarheid.

Dan zal ’t paradijs volmaakt zijn,

vrede tot in eeuwigheid !

 

1990.04 nr. 313

Levend geloof 1990.04 nr. 313

Hoe wordt ons geloof meer productief? Door Gert Jan Doornink

Hoe wordt ons geloof productiever? Hoe intensiveren wij ons geloof? Hoe halen we meer rendement uit ons geloof? Deze vragen roepen natuurlijk de vraag op of je ‘het geloof’ wel op een dergelijke zakelijke manier mag benaderen? Uiteraard is het geloof geen commerciële aangelegenheid, al zijn sommigen op dit punt ontspoord geraakt. Het is dan ook niet de bedoeling het onderwerp ‘geloof’ vanuit die hoek te behandelen.

Geloof hoort echter wel bij ons leven als kind van God. Het is een wezenlijk onderdeel van ons nieuwe leven in Christus, van ons functioneren in dienst van Gods Koninkrijk. Zonder geloof is het zelfs onmogelijk God welgevallig te zijn (Heb. 11:06). Het is daarom ook een goede zaak van tijd tot tijd eens stil te staan bij dat functioneren van ons eigen geloofsleven. Meestal zijn we zo druk bezig met het geloof van de ander (en dat hoeft niet altijd negatief te zijn), of worden we zo opgeslokt door onze activiteiten in dienst van de Heer dat daar weinig tijd voor over blijft. En dat het ‘onderzoek van ons eigen geloof’ toch wel iets is wat heel belangrijk is, blijkt wel uit wat Paulus schrijft in 2 Korinthiërs 13 vers 5 (2 Kor. 13:05): “Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk” .

Paulus komt aan het einde van zijn tweede brief aan de Korinthiërs – met zijn talrijke adviezen, geloofscorrecties, waarschuwingen, bemoedigingen, etc. – nog met deze belangrijke oproep, notabene gericht dus tot gelovigen, tot kinderen Gods, tot mensen die geloven in Jezus Christus. En ik ben er zeker van dat deze oproep ook rustig tot ons gericht mag worden…

De volle betekenis van ons geloof in Christus

Paulus legt in deze woorden als het ware een dubbele nadruk op de belangrijkheid van dit geloofsonderzoek. Eerst zegt hij: “Stelt uzelf op de proef…” En dan herhaalt hij het nog eens weer een keer door te zeggen: “Onderzoekt uzelf…” Wat moeten wij op de proef stellen? Wat moeten wij onderzoeken? Ons geloof; ons geloof in Jezus Christus. Paulus vult dit zelfs aan met de opmerking: “Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is?” Schijnbaar een overbodige vraag, maar in werkelijkheid de spil waar alles om draait.

Ons geloof in Jezus Christus is namelijk veel meer dan alleen maar de zekerheid bezitten eeuwig leven te ontvangen. Ons geloof in Jezus Christus, betekent in Hem geloven als Persoon, dat wil zeggen geloven dat Hij als Zoon van God de prijs voor onze verlossing betaalde. Maar het betekent ook in Hem geloven als Persoon met een boodschap. Zonder dat zou ons geloof niet volledig zijn. We kunnen en mogen de boodschap die Hij bracht nooit losmaken van Zijn persoon, maar ook omgekeerd niet.

Dat was ook wat Paulus bedoelde. Paulus twijfelde uiteraard geen moment aan het geloof van de gemeente te Korinthe, wat betreft de Persoon. Maar hij twijfelde wel aan het feit of het evangelie zoals Jezus dat bracht wel voldoende was doorgewerkt en kon doorwerken in de harten van hen waarin het zaad was gevallen. Dat hield hem voortdurend bezig. Denk ook aan wat hij hierover schrijft in Galaten 1.

Hetzelfde zien we ook in onze dagen. Velen zijn tot geloof gekomen of komen tot geloof. Maar wat gebeurt er dan verder? Is er een aanvaarding en beleving van de boodschap zoals Jezus die bracht, de boodschap van het koninkrijk der hemelen? Is er een verdere geestelijke groei, waardoor we het volwassen stadium in Christus (het zoonschap) bereiken en daardoor niet meer heen en weer geslingerd worden door allerlei ‘wind van leer’? Of hebben we de neiging om mee te zingen in het grote koor van hen, die alles ondergeschikt willen maken aan bijvoorbeeld ‘de eenheid’. Ik vraag mij af welke eenheid dan bedoeld wordt, want een eenheid waarin de werkelijke boodschap van Jezus niet meer centraal staat is een valse eenheid en geen eenheid zoals Jezus die bedoelde. De eenheid die Hij op het oog had was verbonden met de waarheid van het evangelie wat Hij bracht. Lees Johannes 17 er maar op na.

U mag het gerust weten: er gaat bij mij altijd een rood lampje branden als ik de opmerking hoor: ‘De leer is niet belangrijk, het gaat alleen om het leven’. Natuurlijk gaat het om het leven, maar het werkelijke leven met Christus is ondenkbaar zonder de aanvaarding van Zijn leer. Ik wil er alle begrip voor hebben dat evangelisten in hun ijver om anderen voor Christus te winnen, daar vaak weinig begrip voor op kunnen brengen, maar de Bijbel spreekt óók over apostelen, herders, leraars en profeten. En dat zijn alleen nog maar de bedieningen. Het gaat om het geheel, om de totale gemeente van Christus, om de bouw van het geestelijk Huis van God (Ef. 04:11-16).

Paulus was – en daar zullen we het allemaal over eens zijn – een ijveraar voor de zaak van Christus. Maar hij streed op twee fronten:

  1. Het was zijn verlangen dat zoveel mogelijk mensen tot geloof in Christus zouden komen,
  2. Het was óók zijn verlangen dat zoveel mogelijk mensen die tot geloof in Christus gekomen waren, volwassen christenen zouden worden en niet in een beginstadium van hun geloofsgroei zouden blijven steken. Daarom komt hij aan het einde van zijn brieven tot de vraag om onszelf op de proef te stellen en te onderzoeken of wij wel ‘in het geloof’ zijn.

Is Paulus’ verlangen ook ons verlangen?

We mogen ons niet verschuilen achter de gedachte: ja, maar Paulus was een apostel, misschien stond hij wel ver van de werkelijkheid af. Het tegenovergestelde is waar. Paulus was een praktisch man en stond midden in het volle leven. Hij wist hoe het leven van een christen reilde en zeilde… en soms op een laag pitje stond. Vandaar zijn op roep! En deze oproep is ook gericht tot u en mij. Zijn wij in het geloof? Woont Jezus Christus met Zijn volheid in ons? Paulus spreekt op verschillende plaatsen over deze volheid Gods (Kol. 01:19; Kol. 02:9; Ef. 03:19).

Is het ook ons verlangen om “vervuld te worden tot alle volheid Gods” (Ef. 3:19)? Dit behoort de doelstelling van ons leven te zijn. Met minder kunnen we in deze eindtijd beslist niet toe. Willen wij een productief geloofsleven hebben, dan zal dit ons leven moeten beheersen. Dan verdwijnt ook de behoefte om het te zoeken in allerlei spectaculaire gebeurtenissen, die dan als ‘bewijs’ moeten dienen dat de Geest van God werkzaam is. Het werkelijke bewijs van de werking van Gods Geest door ons heen, wordt alleen geleverd als we ‘in het geloof’ zijn, dat wil zeggen als we geloven in Jezus èn in Zijn boodschap. Resultaten (genezingen, bevrijdingen) zijn geen bewijzen op zich, maar gevolgen van het bewijs.

In Matthéüs 17 wordt ons het verhaal verteld van iemand die met zijn maanzieke zoon, naar de discipelen ging voor genezing. Maar zij konden hem niet genezen. Dan lezen wij in vers 18 hoe Jezus de boze geest uitdrijft. De jongeman is vanaf dat moment volkomen genezen. Dat roept de vraag bij de discipelen op: Waarom konden wij dat niet? Het antwoord van Jezus is duidelijk: “Vanwege uw klein geloof”. Let wel: Jezus zegt niet: Jullie hebben géén geloof, maar hun geloof was te ‘klein’, het functioneerde niet, het was niet productief. Jezus vervolgt dan door te zeggen: “Indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn” (vers 20).

Werkelijk geloof kan ‘bergen’ verplaatsen, wat deze ook mogen zijn. Werkelijk geloof maakt het onmogelijke mogelijk! Werkelijk geloof, gefundeerd in Jezus en Zijn boodschap, maakt openbaar dat de volheid Gods in ons is en dat wij zonen Gods zijn. Dit productieve geloof gaat hoe langer hoe meer het kenmerk worden van de waarachtige gelovigen die zich richten op het einddoel: de volkomenheid in Christus. Laten we onszelf onderzoeken en op de proef stellen of dit geloof in ons is!

 

Geen punt door Gert Jan Doornink

 

Na enkele maanden onder­breking treft u in dit nummer weer een ‘Inter­mezzo’ aan geschreven door Gerry Velema. Zij werkt zoals bekend reeds verschillende jaren mee aan ons blad en haar stukjes trekken grote aan­dacht door de frisse, ori­ginele benadering van ge­wone, alledaagse beleve­nissen in ‘ geloofsverpakking’ .

Twee jaar geleden werden verschillende van haar stukjes gebundeld en door Kok/Voorhoeve uitgegeven als paperback onder de titel ‘De schoot van God’. Inmiddels is enkele maan­den geleden weer een boekje van haar versche­nen, nu onder de titel ‘Geen punt’. Gerry Velema schrijft ons daarover: “Geen punt waar God een komma plaatst omdat Hij een ander verhaal voor je heeft met een beter slot!

Ik ben God heel erg dankbaar dat in anderhalf jaar tijd twee boekjes van me zijn verschenen…”

We willen graag delen in deze dankbaarheid en on­ze gelukwensen uitspreken voor deze nieuwe uitgave die ook weer bij Kok/ Voorhoeve is verschenen. Het boekje van 90 bladzij­den ziet er fraai verzorgd uit en is uitstekend ge­schikt om als attentie te geven aan zieken, bejaar­den, bij verjaardagen, etc. , maar ook om zelf aan te ‘schaffen of ‘zomaar’ iemand blij te maken.

Verschillende stukjes wer­den eerder gepubliceerd als ‘Intermezzo’ in “Levend

Geloof”, maar er staan ook nog niet eerder gepubli­ceerde stukjes in en enke­le gedichten. Nieuw zijn ook een aantal tekeningen bij de diverse on­derwerpen, gemaakt door Helma Poort uit Gronin­gen. Zij werkt ook mee aan het kinderblad “Sproeier”.

Eén van de te­keningen is hierbij afge­drukt . Het hoort bij het hoofdstukje ‘Schorten aan op de kleu­terschool’, destijds ook gepubliceerd als ‘Inter­mezzo’ in “Levend Geloof” .

Tenslotte – om misverstan­den daarover te voorkomen – het boekje is niet bij ons verkrijgbaar, maar via de boekhandel of boe­kentafel verkrijgbaar of te bestellen.

 

Levensbomen door Duurt Sikkens

“… boom des levens, die in het paradijs Gods is” (Openb. 02:07).

Het paradijs – waarover gesproken wordt in het eerste Bijbelboek – is een zichtbare afbeelding, een maquette, van het ware paradijs, de tuin van God, die zich in het koninkrijk van het licht bevindt. Het woord ‘paradijs’ stamt uit het Perzisch en betekent ‘lusthof’. De boom des levens is een afbeelding van de ware mens, Jezus Christus. Het betekent dat het echte leven blijvend binnen in hem is, want de Geest van God maakt uit of iemand eeuwig is of niet.

Wie nu van die boom eet, van de vrucht daarvan, proeft en smaakt dat God goed is om van te eten. In elke vrucht zit een pit en in de pit zit in beginsel de mogelijkheid om weer een boom te worden. Zó kan iemand de pit eten, zich identificeren met het levensbeginsel van de Christus en zelf ook een boom van leven worden want in Spreuken 11 vers 30 staat dat de vrucht van een rechtvaardige een boom des levens is. (Spr. 11:30) Gooi dus nooit het klokhuis weg.

Zo plant Jezus Christus zich voort in de hémel, in het paradijs van de Vader. Vandaar dat we geroepen zijn om vruchtbaar te zijn en ons te vermenigvuldigen in de onzichtbare wereld zodat we een heel bos met levensbomen worden. In Openbaring wordt dit het geboomte des levens genoemd en het is geoorloofd om van deze bomen te eten. Er zit eeuwigheidsleven in, in vrijheid genietend van de liefde van God. Neem en eet van deze vruchten want hierin is de Vader verheerlijkt dat zijn bomen veel vruchten dragen. Neem een vrucht, geloof de pit, laat je zaaien en je staat daar je eigen heerlijke bestemming te wezen.

 

Echte liefde kwetst niet door Tea Keuper Dijk

 

“De liefde is geduldig, de liefde is vriendelijk, de liefde is niet jaloers. Zij doet niet gewichtig en is niet trots. Zij kwetst niet, is niet egoïstisch en voelt zich nooit beledigd. Zij neemt niemand iets kwa­lijk, zij is niet blij met on­recht maar juist met de waarheid. De liefde be­schermt altijd, heeft altijd vertrouwen, verwacht het altijd van God en houdt stand. Aan de liefde (die Goddelijke liefde!) komt nóóit een eind” (1 Kor. 13:04-08, “Het Boek” ) .

Wat is liefde?

Dit overbekende stuk uit de bijbel vertelt ons, hoe de waarachtige liefde is. De liefde die van God komt en door Gods Geest in een mens kan worden uitgestort. In principe, zou je kunnen zeggen, heeft ieder chris­ten, die zich bewust heeft laten dopen met Gods Geest, deze Godsliefde ontvangen.

Hoe komt het dan dat we vaak nog zoveel tekort schieten in onze van-God- ontvangen liefde? Als je iets ontvangt (ik heb zelf pas een nieuwe naai­machine gekregen) dien je je wel te verdiepen in de werking en de hoeda­nigheden van dat nieuwe, wat je zo graag wilde hebben. En. . . je moet je oefenen. (Ik heb een heel boekje met allerlei functies van m’n naaimachine, wat ik voortdurend moet raadplegen). In 1 Timotheüs 4 vers 7 (1 Tim. 04:07)staat: “Oefen u in de gods­vrucht” .

Liefde is een vrucht, die ontstaat door gemeen­schap met God. Als je onzorgvuldig te werk gaat met je ‘cadeau’ gaat het niet goed. Er loopt iets vast. Je moet je ver­diepen in hoe iets werkt, de handleiding erbij halen, niet één keer, maar her­haaldelijk. Gods Woord is onze handleiding, waarin we kunnen lezen hoe lief­de wel werkt en hoe niet. De bijbel is een eerlijk boek en beschrijft situa­ties van mensen, waaruit wij lering kunnen trekken. En vooral het volmaakte leven van Jezus Christus, Gods Zoon en Zoon des mensen, is een heldere bron, waaruit we kunnen putten.

Dit ter inleiding. Waar ik verder met u over wil na­denken is het vijfde vers van de eerste brief aan de Korinthiërs hoofdstuk 13: “De liefde kwetst niet”. Hoe kwets je nie­mand?

Ongeveinsde liefde

Allereerst dienen we ons af te vragen: Heb ik Goddelijke liefde voor de medemens? Bewogenheid van God, ongeveinsde liefde? Dit was oorspron­kelijk door God in de mens gelegd. Door de jaren heen is dit vaak zo be­schadigd en misvormd in deze onvolmaakt geworden wereld, dat er verbittering en verdediging voor in de plaats zijn gekomen. Door het gemanipuleer van de boze, door onszelf en onze medemens heen. Onze meest belangrijke bede, vraag aan God is: ‘Geef mij uw liefde, Uw bewo­genheid’ .

Vervolgens onderzoeken we onszelf hierop: Ben ik positief-kritisch ingesteld in de verhouding tot God, mezelf en mijn naaste. Hoe luister ik naar iemand en laat ik me door Gods Geest leiden in beoordeling of gesprek, benadering van iets of iemand? Laat ik er­gernis toe, onverschillig­heid, of kan ik iemand los zien van onvolmaaktheden met liefde voor de persoon en visie voor de groei van het goede en verlossing van het kwaad.

Kan ik de ander. . . uitnemender achten dan mezelf? Hier is geloofsvertrouwen voor nodig en dat is een gave van de Heilige Geest, die we bij de Geestesdoop ontvangen.

Kan ik geduld opbrengen, Godsgeduld, ook als ik word teleurgesteld in me­zelf of de ander? Er zijn positieve voorbeelden in de bijbel: Abraham, Jozef, Mozes, David, profeten, Jezus, de apostelen, ge­meenteleden van het eers­te uur.

Kan ik wachten op het juiste moment, de juiste gesteldheid van mezelf, de juiste toon – dus wach­ten op de Héér – als ik iemand benader. Ben ik er heel zeker van, dat ik iemand iets moet zeggen, laat ik niets onzuivers toe, wat niet uit God komt ?

In de verzen 4 tot en met 6 staat wat de liefde wel en wat ze niet is:

Wel: vriendelijk, geduldig, blij met de waarheid, zich niet beledigd voelend, niemand iets kwalijks nemend. Niet: jaloers, gewichtig doen, trots, kwetsend, blij met onrecht. . .

Onderscheiding

Als men iemand kwetst in het gevoel kan dit komen doordat we geen goede voorbereidingen hebben getroffen voor een ge­sprek, waardoor Gods vijand een ‘vinger in de pap’ heeft gekregen. We kunnen geen rekening ge­houden hebben met een situatie, waarin de ander zit. Vaak moet je in iemands schoenen gaan staan om zijn of haar ge­voelens te kunnen besef­fen. Dit laatste is nodig, willen we Goddelijk bezig kunnen zijn.

Wanneer er, door diverse oorzaken, overgevoelig­heden zijn in een broeder of zuster, of andere naas­te, hoe ga je dan daarmee om? Dit dienen we eerst duidelijk te onderscheiden (gave van de Geest). Dan dit bestrijden in de geestelijke wereld, een bepaal­de macht in stilte bestraf­fen, soms zelfs openlijk.

(Jezus bestrafte satan, die Petrus liet spreken, terwijl hij dacht het goede te zeggen tegen Jezus. Petrus bracht Jezus ech­ter in verzoeking (Matt. 16:23). Let op dat Jezus zich omkeert en satan be­straft. In ‘Het Boek’ lezen wij: “Petrus nam Hem apart om Hem terecht te wijzen. ‘Dat mag niet, He­re’, zei hij, ‘God zal er­voor zorgen, dat U zoiets niet overkomt’. Jezus keerde hem de rug toe en zei: ‘Maak dat je wegkomt satan, je bent een valstrik voor mij1“). Overgevoelig­heid is namelijk ook niet van God, maar van Zijn vijand.

Al overdenkend en schrij­vend liet God me zo duide­lijk zien, waarom in 1 Korinthiërs 13 vers 1 tot en met 8 (1 Kor. 13:01-08) de liefde in verband wordt gebracht, of liever: gezet wordt, tegenover alle onvolkomenheden van de mens. Als wij niet Gods liefde, zijn ook alles ver­gevende liefde, laten wo­nen en werken in onze harten kunnen we géén bouwers zijn van de stad, waar Zijn volk, beschermd, zal wonen.

Wat betreft de vergévende (lees ook eens: vergevende liefde): Jezus zei dat we zeventig maal zeven maal moeten vergeven, dit is altijd opnieuw weer ver­geven! Deze liefde kwetst niet en voelt zich niet ge­kwetst. Deze liefde is he­lend en wij ontvangen haar van onze hemelse Vader om bouwend bezig te zijn!

 

Liefde van God door Tea Keuper Dijk (gedicht)

Liefde van God is onbeschrijflijk teer,

Zij koestert – zoekt de ander te vergeven,

Voor ieder gaf de Heer Zijn kostbaar leven

en – nóóit gedenkt Hij onze zonden meer!

 

Die liefde is vol goedheid en vol trouw.

Zij kwetst niet en zij laat zich ook niet kwetsen;

zij wist de wrok uit, wat in ’t hart nog restte

verdwijnt geheel – warmte in plaats van kou!

 

Liefde van God: ik kan niet zonder haar,

om aan het hemels Koninkrijk te bouwen.

Waar Christus mij de plannen gaat ontvouwen

en maakt Gods eeuwig werk voor ieder openbaar!

 

Hoe blij is de boodschap? door Wim te Dorsthorst

Volgens de evangelist Markus waren de eerste woorden die Jezus sprak bij zijn openbare optre­den: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evange­lie” (Mark. 01:15). En in vers 14 (Mark. 01:14) staat dat Hij naar Galilea ging “om het evan­gelie Gods te prediken”. Het eerste vers van Mar­kus luidt: “Begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God” (Statenvert. ) .

Wat Markus duidelijk stelt is dat hij een evangelie gaat schrijven dat van God en Jezus Chris­tus is en welke Jezus zelf ook als eerste ver­kondigd heeft. De beteke­nis van het Griekse woord ‘euangelion’ is ‘goede boodschap, blijde tijding, heugelijke mededeling’.

Het is de blijde boodschap van de genade Gods (Hand. 20:24). En in de Griekse taal hangt het woord ‘genade’ samen met het woord dat ‘blijdschap’ betekent.

Het evangelie van de ge­nade Gods behoort dus ‘blijdschap op blijdschap’ te zijn, zoals het ook ‘ge­nade op genade’ is (Joh. 01:16). God is niet de God van ernstige, lange gezichten, maar Hij gunt zijn volk blijdschap in het leven. Hijzelf is de bron van alle vreugde. Hoe zou zijn evangelie dan zwaar en vreugdeloos kunnen zijn?

Een voorschrift voor Israël

Er wordt in de hele Schrift veel gesproken over blijdschap en vreugde. Zelfs de oud­testamentische dienst des Heren was een blijde dienst, waarin de feesten centraal stonden. Bij de tabernakel- en tempel­dienst was nauwgezetheid overeenkomstig de voor­schriften van God, maar dat betekende niet dat daar geen blijdschap was. Er werd op vele muziek­instrumenten gespeeld en er werd gedanst en gesprongen van vreugde. Grote groepen zangers dankten en loofden de Heer onder begeleiding van complete muziekge­zelschappen. Er waren leerlingen en ook volleer­den die in ploegendienst zo de eredienst verzorg­den (1 Kron. 16:40-42; 1 Kron. 25:06-07).

Dit alles was overeenkom­stig de wil van de Heer.

Door Mozes gaf Hij daar­toe bevel aan Israël. In Deuteronomium 12 vers 11 en 12 (Deut. 12:11-12) lezen wij hiervan: “Dan zult gij naar de plaats die de Here, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te doen wonen, alles brengen, wat ik u gebied: uw brandoffers en slachtof­fers, uw tienden en wij­geschenken en de gehele keur der geloften, die gij de Here doen zult; gij zult u verheugen voor het aangezicht van de Here, uw God, gij uw zonen, uw doch­ters, uw dienstknechten en dienstmaagden, en de Leviet die binnen uw poorten woont, want hij heeft bezit noch erfdeel met u” .

Als het volk zich zo ver­heugde, kwam dat omdat Gods aangezicht op hen rustte en dan verblijdde God zich met het volk zoals een bruidegom zich over zijn bruid verblijdt (Jes. 62:05).

Ik verkondig u grote blijdschap

Als nu het oude – wat toch eens verdwijnen zou – al met zoveel blijdschap gepaard ging, hoe­veel temeer het nieuwe! Het oude was slechts een schaduw van de werkelijk­heid en het volk zag im­mers uit naar de komst van de Messias die het nieuwe zou brengen.

Daarvan spreekt de hele Schrift.

Als het nieuwe in Jezus Christus, in de volheid des tijds, komen gaat, dan is de verkondiging van de engel des Heren: “Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen” (Luc. 02:10).

En als Jezus aan het ein­de van zijn bediening ge­komen is, dan zegt Hij tot zijn discipelen: “Dit heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld (volko­men) worde” (Joh.15:11). En de bede van onze Heer tot zijn Vader in de hemel is: “Opdat zij ten volle Mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben” (Joh. 17:13).

Het in contact komen met het evangelie van het Koninkrijk Gods houdt dus in: deel krijgen aan de blijdschap van de Koning zelf, Jezus Christus.

Vervuld met blijdschap

Toen de apostelen dan ook uittrokken om dat evangelie van Gods gena­de in Jezus Christus te verkondigen, ging dat gepaard met grote blijdschap. De eerste discipelen praktiseerden hun christen-zijn met blijdschap en eenvoud des harten en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk (Hand. 02:46) .

Als Filippus in Samaria het evangelie verkondigt dan komt er grote blijdschap in die stad, want van velen die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden gene­zen (Hand. 08:07-08) .

Al spoedig kwam er ver­volging en haat en ver­drukking, maar de blijd­schap was niet te roven. Jezus had het al voor­zegt: “Niemand ontneemt u uw blijdschap” (Joh. 16:22b). Als zich dan zo’n situatie voordoet lezen wij: “En de discipelen* werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest” (Hand. 13:52).

Het werk van de dief

Maar waar is dan de blijdschap gebleven in het christendom? Mis­schien zouden we ook kunnen vragen: waar is het christendom gebleven dat zich in alle omstan­digheden kan verblijden? Paulus zegt immers: “Verblijdt u in de Here te allen tijde” (Filip. 04:04). In Openbaring 6 lezen wij hoe het Woord Gods, ge­dragen door de Heilige Geest, uittrekt overwin­nende en om te overwinnen (Openb. 06:02) .

Dat is wat we in het boek Handelingen ook zien ge­schieden. Vanaf de uitstorting van de Heilige Geest wordt met grote kracht het evangelie verkondigd. Maar wat we ook in het boek Handelingen – en zeker ook in de vele brieven – kunnen lezen is wat de gevolgen zijn van het uittrekken van nog drie paarden – symbolen voor machten der duister­nis – in Openbaring 6. Het innerlijke wat geroofd wordt is de vrede (Openb. 06:04). Innerlijke vrede vanuit het geloof wel te verstaan. Het is de weg des vredes die versluierd wordt. Het betreft de God des vredes – Jezus Chris­tus, die onze vrede is – en die de vijandschap te­niet heeft gedaan (Ef. 02:14).

Vijandschap, die altijd ontstaat door de wet – in welke vorm dan ook – weer op te richten, door leerverschillen en haar­kloverijen. Dan verdwijnt de vrede en dus ook de blijdschap. Waar de ge­loofszekerheid verdwijnt, verdwijnt ook de blijd­schap van het geloof. Want waar het werkelijke geloof in Jezus Christus gaat ontbreken daar gaat ook de werkelijke blijdschap – die alleen maar gefundeerd kan zijn in Hem – ten onder.

De brieven van Paulus zijn getuigen van de strijd tegen het christendom door wettische geesten, vrome geesten, leugen­geesten, dwaalgeesten, enzovoort. Steeds opnieuw trekt Paulus fel ten strij­de om deze tegenwerkende krachten te ontmaskeren.

Er is uiteindelijk een droog en dor christendom overgebleven, waar (bijna) elke vreugde ontbreekt, omdat het werkelijke leven in Jezus Christus ont­breekt. Figuurlijk – maar soms ook letterlijk – heeft men elkaar afgeslacht in de achter ons liggende eeuwen (Openb. 06:04). Geestelijke hongersnood, occultisme en spiritisme zijn kenmerken geworden in het christendom (Openb. 06:05-08) . Het evan­gelie is in de afgelopen 19 eeuwen beslist geen blijde boodschap meer geweest.

De tijd van de late regen

Maar – prijst God! – er is een keer gekomen. De tijd van de late regen is aangebroken.

Opnieuw is aan het begin van deze eeuw de Heilige Geest uitgestort en is het Woord weer uitgegaan overwin­nende en om te overwin­nen. De op roep klinkt: Trekt uit Babel en trekt op naar Sion. Opnieuw klinkt: ” Het Koninkrijk Gods is nabijgekomen, bekeert u en gelooft het evangelie”. De Heer verzamelt zo over de gehele aarde een volk dat de blijdschap weer ten volle zal gaan beleven. De kern van het evange­lie, de kern van de blijdschap van een christen, is dat hij begrijpt wat het zeggen wil: “Het Koninkrijk Gods is nabij gekomen” . Dat be­tekent letterlijk: ‘De koningsheerschappij van God is nabijgekomen’. En die heerschappij is niet buiten de mens, maar is in het hart van de mens. Jezus Christus is de Koning die dit Rijk kwam brengen, stichtten en grondvestten (Jes. 09:06; Hand. 28:23) .

Leven in vrijheid en uit genade

Door de Heilige Geest komt de gelovige binnen in een wereld waar de wet van de volmaakte vrij­heid heerst (Jak. 01:25). Dat is geen wetteloosheid maar werkelijke vrijheid. De gemeente van Jezus Christus moet uit de do­delijke ernst verlost wor­den, die het christendom eeuwenlang getekend heeft en waarin geen blijdschap was.

De gemeente moet genezen van de angst om blij te zijn. Er is angst en schroom gekweekt om voor Gods aangezicht te komen met vreugde en blijdschap. Door de pre­diking zal de gelovige zich bewust mogen wor­den wat God hem in grenzeloze liefde, in genade, geschonken heeft en nog schenken wil.

Maar ook nu zal de boze proberen de blijdschap te roven. Allereerst door zonde, want waar zonde blijft bestaan is geen blijdschap mogelijk. Zeker zal hij ook proberen weer een wet te creëren die als een juk kan drukken. Dan ontstaat er een situ­atie waarin men te kramp­achtig en te gespannen met het evangelie bezig is. En worden er hoog- opgeschroefde normen ge­steld waaraan voldaan moet worden om door de Heer waardig gekeurd te worden. Dat systeem hadden de Farizeeën ook heel fijntjes uitgewerkt in een niet uit te voeren lijst van geboden en ver­boden. Wat dan overblijft is een uiterlijke blijdschap zoals de perfecte tempel­dienst .

Wat de gelovige moet leren is te leven uit de genade en zich niet opnieuw een juk laten opleggen van vele voorschriften. De woorden van Paulus zijn nog steeds actueel als hij schrijft: “Opdat wij waar­lijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrij­gemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen” (Gal. 05:01).

Blijdschap door de Heilige Geest

Het gaat dus wezenlijk om de blijdschap des harten door de Heilige Geest. De vrucht van de Geest is onder andere liefde, blijdschap en vrede, zegt Paulus in Galaten 5 vers 22 (Gal. 05:22). Ook zegt hij: “Want het Ko­ninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vre­de en blijdschap door de Heilige Geest” (Luc. 10:21) . Alleen als we de Heilige Geest in ons hart hebben, kan de bede van Jezus verwerkelijkt wor­den, waar Hij zegt: “Op­dat zij ten volle Mijn blijdschap in zichzelf mogen hebben” (Joh. 17:13).

Alleen zo zal de blijde boodschap blij zijn en de geestelijke – de hemelse blijdschap en vreugde – te voorschijn brengen. En een volk dat vrij is, dat bevrijd is en vervuld met de Heilige Geest, daarvan zegt God: “Maar gij zult u verblijden en juichen voor eeuwig over hetgeen Ik schep. want zie, Ik schep Jeru­zalem tot jubel en zijn volk tot blijdschap.

En Ik (zegt God) zal juichen over Jeruzalem en Mij verblijden over mijn volk. En daarin zal niet meer gehoord worden het geluid van geween of van geschreeuw” (Jes. 65:17-18). Halleluja!

 

Intermezzo

Stoer hoor met Jezus!

Hij had het leven met Jezus eerst wat jaartjes van de buitenkant beschouwd. Familieleden om hem heen leefden en wandelden in hun geloof.

Gevraagd – en ook veel ongevraagd – gaf hij daar zijn kom ment aar op. “Toevallig”, “Dat is sterk”, “Ik zal ook eens wat vragen… “

Maar er kwam een dag dat hij overstag ging en zijn knieën boog voor Jezus Christus, ook zijn Heer!

Toen ging ook hij wandelen in geloof. En het bleek dat hij vaak veel meer geloofde, dan al die ‘wandelende’ familieleden om hem heen.

De eenvoud van het simpel geloven dat aan Gods almacht werkelijk geen grenzen zijn, heeft ook mij dikwijls bemoedigd.

Geloven is zoiets kinderlijks. Vertrouwen hebben in de sterkte, de liefde en het oneindige verstand van God.

Op een dag komt hij opgeruimd de huiskamer binnen en zegt zo terloops tegen zijn vrouw en kinderen: “De Heer die doet zoveel voor me, geweldig gewoon. Ik vraag het Hem en Hij antwoordt soms verbluffend. Ik vind het mooi hoor met Jezus te wandelen, moet je maar eens horen. . . ” Maar één van zijn tienerdochters herinnert zich nog maar al te goed het andere commentaar op getuigenissen en pareert haar vader met: “Ja, pap, nou kun je wel hè? Lekker stoer lopen doen met Jezus! Nou wel een hele verandering hoor! “

Heerlijk dat vaders weer ‘lekker stoer’ mogen doen! Dat we in Christus mannen vinden die bidden en ontvangen! Die relatie hebben met Jezus, hun beste vriend. Laat ze maar ‘lekker stoer’ zijn met Jezus. Trots op de eindeloze vriendschap en kracht van Jezus!

Geloven… stoer; wandelen met Jezus!

 

Even uit de knoop halen door Ada Karst

Wat doe je als je ‘gevoel’ in de knoop zit? Je weet wel, iemand zegt iets of doet iets en van binnen ervaar je een onbestemd gevoel. Nu kun je daar wel overheen fietsen na­tuurlijk. Als je dat maar vaak genoeg doet kost het steeds minder moeite om die ‘hobbel’ te nemen. Want iets kan slijten door gebruik.

Beter is het om de knoop te ontwarren. Even na­gaan dus waar al die ge­voelens , die zo plotseling zijn opgewekt, thuishoren. Daar hebben we het Woord van God voor nodig. Het Woord van God kan de innerlijke orde weer her­stellen! Dat Woord wijst alle gevoelens hun juiste plaats weer aan. Dat Woord laat ons niet on­kundig als domkoppen zitten! Het maakt ons ‘kundig’. Het leert ons toetsen!

Vlees of Geest

Als iets voor je gevoel niet lekker ‘zit’, of niet lekker ‘valt’, mag je na­gaan of het te maken heeft met je ‘vlees’. En met ‘vlees’ duiden we de Bijbelse tegenstelling aan tot ‘Geest’.

Om een voorbeeld hiervan te noemen lezen we Ro­meinen 8 vers 5 tot en met 9 (Rom. 08:05-09): “Want zij die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees. en zij die naar de Geest zijn hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de ge­zindheid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God, want het on­derwerpt zich niet aan de wet Gods. Trouwens het kan dat ook niet: zij die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. Gij daarentegen zijt niet in het vlees maar in de Geest, althans indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe” .

De tegenstelling tussen de gezindheid van het vlees en de gezindheid van de Geest is groot. Levens­groot! De gevoelens zijn door Jezus Christus uit de knoop gehaald. “Want wie Jezus Christus toebe­horen hebben (de gezind­heid van) het vlees met zijn hartstochten en be­geerten gekruisigd!” (Gal. 05:24).

Voel je je geraakt als ge­volg van je ‘gezindheid van het vlees’? Geloof dan het werk van Jezus Chris­tus, de gekruisigde. Hij wijst onze gevoelens te­recht !

Geloof of ongeloof

‘Ik voel me niet zeker’, ‘ik ervaar de vrede van God niet’, ‘ik voel me ge­spannen’. Wat een knopen in het gevoel! En ze ver­dwijnen niet eens vanzelf! Zelfs bidden ervoor helpt niet meer! ‘Zie je wel, ’t is niet goed met me’, is dan de eindconclusie.

Nee, bidden ervoor helpt niet, elkaars handen vasthouden helpt niet meer, lofprijzen helpt niet meer… Wat moeten we dan! ?

Er moet gewoon – geloofs- nuchter – iets ingeruild worden. Heel wat knopen worden ontward als in plaats van  ongeloof, geloof wordt ingezet. Geloof schept orde en wijst de gevoelens die door onge­loof wanorde brengen, de deur. “Thomas”, zegt Je­zus in Johannes 20 vers 27(Joh. 20:27), “wees niet ongelovig, maar gelovig” . Je mag gerust eens tegen jezelf zeggen: ‘Is Jezus opge­staan of niet! Nou dan!’

Zuiver gevoel

God heeft de mens geze­gend met actieve ver­mogens. En daar hoort het gevoel ook bij. Als een antenne mag ook het gevoel de situatie die zich ineens voordoet, proeven. ‘Gevoel’ wordt vaak zo passief gebruikt. Alsof alles zomaar over je stil­liggend gevoel heen rolt. Je gevoelsleven kan dan ook niet anders dan ver­harden of beschadigen. Zo hoeft het in Christus niet langer meer. We mo­gen ons gevoel mee laten doen en met de andere vermogens zoals verstand en wil, mag het gevoel voor de volle 100% worden ingezet in dienst van het Koninkrijk van God!

Knopen? Laat er niet één­tje zitten! Als ze ontze­nuwd worden door het Woord van God, is de door hen veroorzaakte pijn (in je gevoelsleven) weg! Dat betekent: her­stel voor je ziel, voor je geest en voor je lichaam! “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Heer Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is getrouw, Hij zal het ook doen!” (1 Thess. 05:23-24).

 

Het hemelse Jeruzalem door Hessel Hoefnagel – 6 –

De feesten In het oude Israël.

Het oude volk Israël moest in een drietal oogstfeesten uitdrukking geven aan de toekomstige bedoeling van God met betrekking tot het herstel van de hele schepping.

Het feest van de ongezuurde broden (Paasfeest).

Dit feest werd voor het eerst gevierd in het begin van het jaar van de uittocht uit Egypte, namelijk in de eer­ste maand. Het feest duurde zeven dagen. Er werd onge­zuurd brood gegeten vanaf de avond van de 14e tot aan de avond van de 21e dag. Er mocht tijdens deze periode niets in huis wezen, wat gezuurd was (vergelijk het gist in ons brood). Op de avond van de eerste dag van deze week van ongezuurde broden werd het Paaslam geslacht en gegeten. Bij de eerste keer in Egypte vlak voor de uittocht werd het bloed van dit lam gestreken aan de bovendorpel en de deurposten van de hulzen. In diezelfde nacht ging de “verderfengel” door Egypte en stierven alle eerstgebore­nen van mens en dier, behalve in de huizen van de Israë­lieten (Ex. 12; Heb. 11:28).

Bij het feest van het Paaslam en de ongezuurde broden werd ook de “eerstelingsgarve” voor het aangezicht des Heren bewogen, daags na de eerste sabbat van het Pascha (Lev. 23:09-11). Deze eerstelingsgarve van de komende gerstoogst was een heenwijzen naar de Heer Jezus, Die op de dag na de sabbat opstond uit het graf. Zo betoonde Hij zich de eersteling van de nieuwe schepping (1 Kor. 15:23).

Op deze wijze moest het schaduwvolk Israël jaarlijks uit­drukking geven aan de betekenis van het lijden en sterven van de komende Messias. Zijn bloed (leven) werd uitgego­ten in de dood omwille van de zonde der wereld (Joh. 01:29;

1 Joh. 02:02). Hierdoor werd de macht van de Dood (verderf­engel) verbroken. Naar het eeuwig voornemen van de Schep­per werd het Lam geslacht (Openb. 13:08).

Wie door geloof het vlees van dit offerlam zou eten en Zijn bloed drinken, zou deel hebben aan het eeuwige leven (1 Joh. 06:53-58). Dit geldt nu nog onverkort. Wie het eeu­wige leven wil beërven, moet breken met de zonde en het oude “zuurdeeg” uit zijn leven wegdoen. Zo zal een onge­zuurd vers deeg ontstaan, dat deel heeft aan Jezus Chris­tus als Zijn geestelijk lichaam (1 Kor. 05:06-08).

Het “feest der weken” (Pinksterfeest).

Precies zeven volle weken na de eerstelingsgarve werd aan het eind van de gerstoogst het Pinksterfeest gevierd. De gerstoogst is een beeld van de gemeente, het lichaam van Jezus Christus. Deze gemeente wordt gevormd door de ver­vulling met de Heilige Geest, die de Heer vanuit Zijn po­sitie aan de rechterzijde van de Majesteit in den hoge (Heb. 01:03) uitstort in de harten van degenen, die geloven. Naar het openbaar worden van deze “zonen Gods” verlangt de hele schepping. Zij zucht en is in barensnood vanwege de onderworpenheid aan de vergankelijkheid. De schepping zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid van Gods kinderen, omdat zij haar hoop gevestigd heeft op de openbaring van de zonen Gods. Deze zonen in de moeder­schoot van de nieuwe schepping zuchten zelf nog mee in dezelfde verwachting van het zoonschap (Rom. 08:19-23).

Zoals het kind zich bij de geboorte losmaakt van de moe­derschoot om een zelfstandig leven te beginnen, zo zal de gemeente van de eindtijd zich in zelfstandigheid openba­ren .

Tussen Paasfeest en Pinksterfeest lag dus in het beeld het rijp worden van de gerstoogst. In de werkelijkheid overgezet leven wij nu In deze tijd. Na de eerstelings- garve, onze Heer Jezus Christus, is de Heilige Geest be­zig velen te vervullen om deel te hebben aan Zijn li­chaam. Wanneer dit lichaam volgroeid is in de moeder­schoot, zal de volgende fase in het herstelplan van God ingaan. Dit betreft dan de inzameling van de volle oogst, dat werd uitgebeeld in de viering van

Het “feest van de inzameling” (Loofhuttenfeest).

Het Loofhuttenfeest werd gevierd in de zevende maand van het jaar.

Het getal zeven geeft in de bijbel altijd een volheid aan. De hele zevende maand stond in Israël in het teken van dit omvangrijke oogstfeest.

In geestelijke zin betreft het hier de uitbeelding van de volheid der tijden, waarin alles tot volheid gebracht wordt, dus tot volmaakte functie naar het doel van de Schepper. Voor dit grootse doel is Jezus Christus neder­gedaald, zelfs tot in het rijk van de Dood. Hij is echter ook opgevaren, ver boven alle hemelen, om alles tot vol­heid te brengen (Ef. 04:10).

De zevende maand in het oude Israël is daarom het beeld van de “tijd van het einde”, waarin door middel van de gemeente het evangelie van God aan de hele mensheid van alle tijden en alle plaatsen wordt bekend gemaakt.

Na de opstanding van Jezus Christus als Eersteling zullen degenen die van Christus zijn met Hem worden opgewekt tot de opstanding uit de doden, om met Hem te verschijnen in heerlijkheid (Kol. 03:04).

Daarna zal het “einde” gezien worden, namelijk de inzame­ling van de volle oogst.

De tiende dag van de zevende maand was voor de Israëlie­ten de “grote verzoendag”. Deze is de aanduiding van de totale verzoening tussen de grote Schepper en zijn hele schepping. De grote verzoendag werd ingeluid door het blazen op de trompetten op de eerste dag van de zevende maand.

Zowel de eerste als de tiende dag van de maand werden als sabbat gevierd (Lev. 23:24-33).

Het blazen op de trompetten was een aanduiding van de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus, dat de aanleiding vormt van de verzoening tussen de Schepper en “alle dingen” (Kol. 01:20). Verzoening houdt in, dat er geen schuld meer is, want deze is kwijtgescholden. De zonde van de hele wereld is weggenomen door de overwin­ning van de volmaakte mens Jezus Christus (1 Joh. 02:02).

De “zonde van de hele wereld” blokkeerde de schepping in het bereiken van het doel van de Schepper. Deze blokkade is door de duivel bewerkt door de verleiding en verleugening van de eerste mensheid, maar is door de overwinning van Jezus Christus tenietgedaan.

Met deze overwinning is het herstel ingetreden. De open­baring van de nieuwe schepping is reeds volop bezig, al lijkt dit er uiterlijk nog niet op.

Sinds het “zaad” (Jezus Christus) in de “grond” (doden­rijk) is gegaan, ontwikkelt zich daaruit de nieuwe plant als het lichaam van dit zaad. Eerst “ondergronds”, daarna uiterlijk wel zichtbaar, maar nog onduidelijk als de “halm”. Geleidelijk wordt in deze halm de “aar” gevormd om tenslotte het “volle koren” te openbaren. Deze rijpe korrels zijn het beeld van de eerste korrel, die in de grond ging, gelijkvormig geworden. Zo worden de “zonen Gods” openbaar (vgl. Mark. 04:26-29).

Doordat Jezus Christus door Zijn dood en opstanding de claim van de Dood over de hele schepping heeft doorbro­ken, kan deze zich weer oprichten om aan haar potenties invulling te geven. Voor de mens betekent dit eeuwig le­ven zonder beperkingen, mits hij gelooft en breekt met de zonde.

Zoals een vlinder uit de verpopte rups tevoorschijn komt, openbaart zich de nieuwe schepping uit de oude. Een rups is gebonden aan de aarde. Zo is de eerste schepping als gevolg van de zonde beperkt en onderworpen aan de vergan­kelijkheid (Rom. 08:21). De nieuwe schepping is niet be­perkt en is als de vlinder, die zich vrij in de lucht be­weegt. De nieuwe schepping heeft haar wortels in de hemel en vandaaruit komt zij tevoorschijn. Zij is “van boven”, vanwaar iedere gave die goed is en elk geschenk dat vol­maakt is, neerdaalt van de Vader der lichten (Jak. 01:17).

Midden in de zevende maand, op de vijftiende dag, begon het zeven dagen durende Loofhuttenfeest.

Vanuit de rust van de Schepper openbaart zich de volheid van de ganse nieuwe schepping. De grote Landman heeft ge­duld en wacht op deze kostelijke vrucht, die het “land” zal opbrengen. Hij heeft het zaad in de grond gebracht en heeft geloof, dat het zijn vrucht zal opleveren.

Zo moeten ook wij geduld oefenen en onze innerlijke mens versterken, want het plan van onze God is bezig zich te voltrekken (vgl. Jak. 05:07-08).

 

 

 

 

 

1990.03 nr. 312

Levend geloof 1990.03 nr. 312

De proclamatie van Pasen door Gert Jan Doornink

Er is waarschijnlijk in de Bijbel geen enkele andere plaats aan te wijzen, waarin de betekenis van Goede Vrijdag en Pasen zo duidelijk wordt omschreven als in 1 Korinthiërs 15 vers 54 (1 Kor. 15:54), waar Paulus schrijft: “De dood is verzwolgen in de overwinning”. Deze uitspraak vindt zijn grondslag in Jesaja 25, (Jes. 25:08) waar we lezen dat God voor eeuwig de dood zal vernietigen.

Jesaja en Paulus hebben het over een gebeurtenis die nog komen gaat, maar die zijn ‘voorvervulling’ reeds heeft gehad in de overwinning van Jezus, de Zoon van God, aan het kruis van Golgotha en zijn opstanding uit de doden op Paasmorgen. Voor een kind van God, dat gelooft in het volbrachte werk van Jezus, is daarom de ‘overwinning over de dood’ reeds nu een realiteit geworden.

De Zoon van God heeft, als eerste van een nieuwe mensheid, de dood overwonnen! Hij heeft een totale verlossing teweeg gebracht. Toen Hij aan het kruis van Golgotha het uitriep: “Het is volbracht”, was daarmee de macht van de duivel – en dus ook van de dood – gebroken. Paulus schrijft dan ook in Kolossenzen 2 vers 15 (Kol. 02:15): “Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd” .

God wil dat ook wij zullen overwinnen

Nu is het Gods bedoeling dat, zoals Christus overwon, ook zijn volgelingen zullen overwinnen. Daarom komen we in verband met de opstanding van Christus, vaak de woorden ‘eerst, eersteling, eerstgeborene, etc. tegen. Enkele voorbeelden: In 1 Korinthiërs 15 vers 20 (1 Kor. 15:20) schrijft Paulus: “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn”. En in Kolossenzen 1 vers 18b (Kol. 01:18b) lezen wij: “Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is” .

Het begon met de overwinning van Christus (Hij was de Eerste), en nu is de gemeente van Hem geroepen Hem te volgen met dezelfde pretentie, d.it wil zeggen: ook al is de duivel nog een realiteit, en al is de laatste vijand ‘de dood’ nog iets waar iedereen mee te maken heeft, het is niet meer iets wat een waarachtig kind van God nog schade kan berokkenen. In Christus is hij immers onaantastbaar. Het nieuwe, eeuwige leven is in hem. Het is, zoals een oude gospel het onder woorden brengt: ‘Wie in ’t geloof op Jezus ziet, die vreest voor dood en helle niet’. (Broeder Evert van de Kamp gaat elders in dit nummer uitvoerig in over de materie ‘angst voor de dood’).

Wie in de overwinning van Jezus gelooft heeft de zekerheid in zich dat hij uit de dood overgegaan is in het leven. Hij zal de dood niet meer ‘zien’, dat wil zeggen meemaken, ervaren. Het dodenrijk is een gepasseerd station en heeft plaats gemaakt voor het eeuwige Koninkrijk van God, waarvan hij nu deel uitmaakt. Paulus komt in 1 Korinthiërs 15, het bekende hoofdstuk dat op zo’n sublieme wijze de opstanding van Christus, de betekenis van zijn opstanding en het opstandingslichaam beschrijft, tot de slotconclusie: “De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw prikkel?… Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus” .

Wat het paasgebeuren betekent voor ons

De gemeente van Jezus Christus neemt ten aanzien van het Paasgebeuren geen passieve houding aan. Zij viert het Paasfeest niet als de herdenking van een historisch gebeuren, zoals met de viering van het Pascha wel het geval is. Pasen betekent: actief betrokken zijn bij het nieuwe leven wat wij door geloof in Christus bezitten, door dit te proclameren door woord en daad.

Daardoor onderscheidt zich het waarachtige christendom ook van elke andere godsdienst. Het antwoord op de dood is gegeven, het nieuwe leven komt tot groei en volkomenheid in elk kind van God dat zich daarvoor heeft opengesteld en het verlangen heeft het einddoel te bereiken. En waar dit leven ten volle is doorgebroken kan de duivel niets meer uitrichten. Evenmin als waarheid en leugen samen kunnen gaan, en ook licht en duisternis niet, zo is ook de kombinatie dood-leven ondenkbaar. Wij mogen het zéker weten: “De dood is verzwolgen in de overwinning”! Een gezegend Paasfeest!

 

Opstanding door Duurt Sikkens

“… heeft ons mee opgewekt. . . ” (Ef. 01:06).

Als je gestorven bent, ga je dan naar de hemel? Is er leven na de dood? Of reïncarneren we? Als iemand iets voor je doet, hoef je het zelf niet meer te doen. Jezus is gestorven voor ieder mens. Wie dat gelooft heeft de dood achter de rug en gaat dus niet naar het dodenrijk, een gevangenis in de onzichtbare wereld.

Als je dood bent geweest tijdens je leven op aarde dan ben je ook met Jezus opgestaan. Geestelijk ben je in het koninkrijk van het licht overgeplant, want opstaan is tot leven komen uit een bewusteloze slaaptoestand. Met Jezus ben je ook ’ten hemel opgevaren’ en iedereen die dit gelooft en van Zijn Geest heeft ontvangen, behoort tot Zijn lichaam, het geestelijk lichaam van Christus.

Het betekent dat je onvergankelijk leven in jezelf hebt gekregen en dat duurt eeuwig. De angst voor de dood is als ijs voor de zon verdwenen en het is dus nu mogelijk voor een mens om in de hemel te gaan wandelen en te werken. Wat is het heerlijk om tijdens je aardse bestaan die geestelijke werkelijkheid van God te tonen aan de mensen die Hem ook zoeken. Dat is pas leven. Niet wat je om je heen ziet is waar, dat is een zichtbaar beeld van wat er onzichtbaar aan de hand is. Maar wat je niet ziet, Gods wezen, Gods gebied, dat is waar en wie boven woont, bij Hem, is zelf waar geworden en wandelt in die werkelijkheid.

 

Leven door de Geest door Gert van de Kamp

Door de doop in de Heilige Geest zijn mensen in staat om een leven te leiden, dat staat in het teken van de altoosdurende relatie met zijn Schepper, de God van hemel en aarde. God en de mens. Het is een stel apart. Al zijn liefde, al zijn creativiteit heeft de Schepper in de mens gestoken. Juist door zijn Geest aan de menselijke geest te verbinden, weet God zijn veelkleurigheid gewaarborgd.

Het leven door de Geest is het leven van alledag. Het beperkt zich niet tot een moment van de dag of van de week, maar is er altijd. Dit betekent dat de inspiratie van de Geest Gods mag inwerken op alle facetten van het menselijk bestaan. Dat heet dan: leven naar het beeld van God.

Uitgaande van de verzen 1 tot en met 17 van Ro­meinen 8 (Rom. 17:01-17), is veel over het leven door de Geest te zeggen. Terecht staat in de NBG-vertaling boven dit Schriftgedeelte: Het leven door de Geest.

Geen veroordeling

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. Want de wet van de Geest des levens heeft u in Christus Jezus vrijge­maakt van de wet der zonde en des doods” (Rom. 08:01-02).

Leven door de Geest houdt ondermeer in dat er geen veroordeling is voor de mens die in Jezus, Christus is. Vanuit de gedachte van de grond­tekst kan het ook zo ge­zegd worden: Wie in Jezus Christus is, wordt niet verworpen of afgewezen. Bij God de Vader is nooit sprake van afwijzing. In­tegendeel, bij God is sprake van erkenning van de mens. God wil van de mens weten, zodat wij bestaansrecht hebben.

Dat bestaansrecht wordt bevestigd in het vijftiende vers van Romeinen 8 (Rom. 08:15): “Want gij hebt niet ont­vangen een geest van sla­vernij om opnieuw te vre­zen, maar gij hebt ont­vangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader”.

Het bestaansrecht van de mens wordt verzilverd in het zoonschap. Ook Gala­ten 4 vers 5 (Gal. 04:05) en Efeziërs 1 vers 5 (Ef. 01:05) spreken over dat zoonschap. Doordat de Goddelijke Geest zich aan de menselijke geest hecht, worden zonen van mensen zonen van God. Vanuit de grondtekst kun je spreken van adoptie, van aanneming tot zoon. Ook mag je spreken van ‘een afstammeling van God zijn’, en kun je de term

‘Geest’ van het zoonschap’ interpreteren als: de mens mag op zijn Vader lijken, hij toont overeen­komst, hij heeft deel aan het karakter van de Va­der. Vanuit die intieme relatie, ontstaan door het leven door de Geest, mo­gen mensen God aanspre­ken met ‘Abba, Vader’. Dit is afkomstig uit het Aramees en betekent eigenlijk ‘papa’. Heel in­tiem dus.

Slavernij

Tegenover de Geest van het zoonschap wordt de geest van slavernij ge­steld. Wie een slaaf is, is het eigendom van een an­der, die onbeperkt het beschikkingsrecht over jou heeft. De wil wordt gedicteerd door de wil van een ander. We spre­ken van onderworpenheid, vanuit volledige afhanke­lijkheid .

Vanuit de geschiedenis is slavernij geen onbekend verschijnsel. Dikwijls was sprake van schuldslavernij. In de Middeleeuwen werden wel slaven gewon­nen doordat de slavernij als straf voor misdaad en ongeloof werd opgelegd. In de nieuwe tijd hadden met name de Hollanders een flinke vinger in de pap bij de slavenhandel van Afrika naar Noord- Amerika. Miljoenen Afri­kanen werden gedepor­teerd. Mede onder invloed van piëtistische groeperin­gen werd de slavernij in de negentiende eeuw afge­schaft .

Kenden we in de natuur­lijke wereld slavernij, ook in de geestelijke wereld is dit geen onbekend be­grip. Jezus zei: “Een ie­der die de zonde doet, is een slaaf van de zonde” . Schuldslavernij. De satan – ook wel genoemd de mensenmoorder – bezit ve­le slaven. Door zijn (boze) geest worden mensen ver­leid om vervolgens ingelijfd te worden als slaven. Deze satan maakt mensen willoze werktuigen die zich niet los kunnen maken van neigingen, gewoonten of verplichtingen.

Bevrijding

Gelukkig is de Geest van God een bevrijdende Geest (Rom. 08:02). Romeinen 6 vers 18 (Rom. 06:18) spreekt van vrij­making van de zonde en van het in dienst komen van de gerechtigheid. Dit is de grote verdienste van Jezus Christus, die met zijn leven betaald heeft om mensen vrij te kopen. Door de doop in de Heilige Geest kunnen mensen in het alledaagse leven de bevrijding uit­werken en continueren. Slaven worden zonen!

“De gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede” (Rom. 08:06). De Geest van God bewerkt een innerlijke houding. Leven, vrede, gerechtigheid, rechtscha­penheid, oprechtheid, het komt voort uit die inner­lijke houding die de Hei­lige Geest kweekt. Dat is dan ‘in dienst zijn van de gerechtigheid’.

Ondermeer is de gezind­heid van de Geest vrede. Een actueel woord in een tijd waarin muren vallen. Positieve ontwikkelingen in de geschiedenis van de mensen. Het is te hopen dat de Bijbelse vrede, voortkomend uit de ver­zoening met God, voor hen daarnaast wezenlijke inhoud krijgt. Deze vrede, die in het Engels vertaald is als ‘a perfekt well-beïng’ (een volmaakt wel­zijn), is de vrede van God voor alle mensen die in Christus Jezus zijn.

 

Ken uw rijkdom en leef! door Wim te Dorsthorst

Een enkele keer kom je in de wereld mensen tegen die rijk zijn en toch als armen leven. Misschien zijn ze te zuinig of zijn er andere oorzaken waar­om ze niet leven overeen­komstig hun rijkdom. Het is natuurlijk ook nog mo­gelijk, dat iemand niet eens weet wat hem toebe­hoort .

Als we dit betrekken op het leven van de christe­nen, dan geloof ik dat er ook velen zijn die niet le­ven overeenkomstig hun rijkdom. Welke christen, welk kind van God, leeft werkelijk uit de rijkdom die hij of zij bezit? Velen leiden zo te zien en te horen maar een armetierig bestaantje.

Toch zegt Jezus dat Hij gekomen is om Zijn scha­pen leven te geven, ja zelfs leven in overvloed (Joh. 10:10b). En de apos­tel Paulus zegt: “Gij zijt in elk opzicht rijk gewor­den” (1 Kor. 01:05). Wat is er aan de hand? Daar het hier duidelijk niet gaat om zuinigheid, geloof ik dat veel christenen niet weten wat hen toebehoort, wat God hen in genade geschonken heeft en nog schenken wil.

Zeker is ook dat de grote tegenstander van God en mensen, de duivel, alles in het werk stelt om te voorkomen dat de gelovige zijn positie in Christus gaat beseffen. Paulus spreekt niet voor niets over de god dezer eeuw die met blindheid slaat, zodat het evangelie van de heerlijkheid van Chris­tus niet gezien kan worden (2 Kor. 04:04).

De duivel zal altijd pro­beren de aandacht te ves­tigen op de problemen op aarde die hij zelf maar al te vaak in scène zet. Nu ben ik christen, ik heb alles gedaan wat de Heer van me vroeg en nu moet je eens zien. Hoe kan dat nou? Waarom voorziet Hij nou’ niet? Wat moet ik met al die beloften? Enz.

Wij zijn rijk in Christus

Ik citeerde Paulus al als hij zegt: “Gij zijt in elk opzicht rijk geworden” . Daar volgt echter onmid­dellijk op: “In Hem”, in Jezus Christus.

Onze rijkdom is geen rijkdom op aarde maar in de he­melen, zoals ook Paulus zegt in Efeziërs 1 vers 2 (Ef. 01:02): “Gezegend (geprezen) zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei gees­telijke zegen in de hemelse gewesten geze­gend heeft in Christus”. Alle rijkdom die een chris­ten bezit is een geestelijke rijkdom in Jezus Christus.

Nu is er een groot ver­schil tussen de aardse rijkdom en de geestelijke rijkdom. De aardse rijk­dom moet verdiend worden, daar moet (meestal) hard voor gewerkt worden, al­vorens men er van kan genieten. De geestelijke rijkdommen daarentegen zijn niet te verdienen, maar worden ons allen in genade geschonken.

Zo heeft God Zijn Zoon voor ons gegeven (Joh. 03:16).

Wij hebben de gerechtig­heid van God als een gave ontvangen (Rom. 05:17).

De Heilige Geest wordt ons als een gave gegeven (Hand. 02:38; Rom. 05:05).

Het eeuwige leven is ons als een genadegave van God geschonken (Rom. 06:23; 1 Joh. 05:11).

De gaven van de Geest worden ons in genade geschonken of toebedeeld (1 Petr. 04:10; Ef. 03:07; 1 Kor. 12:04-11).

God wil ons met Zijn Zoon alle dingen schenken (Rom. 08:32) .

Ik kan niet één geestelijke rijkdom opnoemen, waar­van te zeggen is: Ziezo, daar ga ik nu eens van genieten, dat heb ik met moeite en arbeid verdiend.

Niet vanuit de wet maar door het geloof

Naar ik meen worden hier­in ook veel christenen misleidt. De mens is zó gewend prestaties te moe­ten leveren dat het hem heel wat moeite kost te aanvaarden, dat dat in het geestelijke nu juist niet werkt. Voor de mens onder de wet gold en geldt ook nu nog: “Doe dat en gij zult daardoor leven” (Lev. 18:05; Gal. 03:12).

Voor een kind van God is het echter van groot belang niet meer te leven vanuit wetten, geen verboden, maar de Schrift zegt: “De rechtvaardige zal uit geloof leven” (Gal. 03:11; Hab. 02:04) . Als de Joden aan Jezus vra­gen: “Heer, wat moeten we allemaal doen?”, is het antwoord van Jezus: “Het enige werk dat God van u verlangt is: geloven in Hem die Hij gezonden heeft” .

Dat is de kern van het evangelie waarin onze rijkdom besloten ligt. Een groot deel van de brieven van Paulus is juist daar­aan gewijd, dat de gelo­vige zich weer een slaven­juk laat opleggen en niet meer leeft vanuit de rijk­dom van het geloof en de genade, maar in de ar­moede van de wet. Paulus voert hier strijd tegen, want hij weet dat dat het werk is van boze geesten.

In Galaten 5 vers 1 (Gal. 05:01) zegt Paulus: “Opdat wij waar­lijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrij­gemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen”. Als je deze woorden leest in de context waarin Paulus ze schrijft, dan zie je dat wetten en geboden: je mag dit niet of dat niet en je moet en je zult, an­ders . . . , de gelovige be­rooft van de vrijheid in Christus en hem opnieuw maakt tot een slaaf.

Het zal duidelijk zijn dat de boze geesten ook dit gegeven gebruiken om een kind van God het zicht op de rijkdom, die hij heeft in Christus, te ontnemen. Dat is vandaag niet anders dan in de dagen van Pau­lus .

Kom hier en volg Mij

Nog een duidelijke mislei­ding is dat het kindschap Gods als vanzelf een welvarend bestaan in de natuurlijke wereld garan­deert. De geestelijke sta­tuur zou dan af te meten zijn aan de bezitting en de welstand in de natuur­lijke wereld.

Ik geloof dat de Bijbel deze gedachte nogal zeer overtuigend afwijst en juist de aardse rijkdom aanmerkt als een gevaar voor de geestelijke rijkdom en dat het zelfs het woord Gods kan verstikken (Matt. 13:22) .

Illustrerend is wel het verhaal van de rijke jon­geling, wat in drie van de vier evangeliën is opgete­kend. Jezus zegt: “Als je een schat wilt hebben in de hemelen, als je rijk wilt zijn in geestelijke za­ken, verkoopt dan wat je hebt en geef het aan de armen en kom hier en volg Mij” .

En dan vervolgt Lucas met: “Toen hij dat hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk. En Jezus zag hem aan en zeide: Hoe moeilijk kunnen zij, die geld hebben, in het Koninkrijk Gods in­gaan” (Luc. 18:22-24) .

Niet bedoeld is natuurlijk dat iemand die wel rijk is nooit “een goed christen zou kunnen zijn of dat een rijke het Koninkrijk Gods binnen kan gaan door alles te verkopen en aan de armen uit te de­len. Het gaat om een prin­cipe. De Heer zei: “Kom hier en volg Mij” , en Hij had geen enkel bezit op aarde, ja zelfs geen plaats om het hoofd neer te leg­gen (Luc. 09:58) .

Volgen we Hem uit liefde?

Hem werkelijk volgen is alleen maar mogelijk als je Hem van harte en onge­deeld liefhebt en Zijn ar­moede op aarde zonodig met Hem delen wilt. Jako­bus, die zo’n prachtige brief schrijft, zegt: “Hoort, mijn geliefde broe­ders! Heeft God niet de armen naar de wereld uit­verkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenaam van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?” (Jak. 02:05).

Dat is het geheim van on­ze rijkdom, hoe arm we misschien op aarde ook zijn. “Rijk te zijn in het geloof en erfgenaam van het Koninkrijk voor dege­nen die Hem liefhebben”, proclameert Jakobus. Paulus zegt hiervan: “Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen die Hem liefhebben” (1 Kor. 02:09).

Als we Hem niet volgen omdat we in Hem geloven en Hem werkelijk liefheb­ben, loopt het uit op frustratie. Maar al te vaak gaat dan de vinger be­schuldigend naar God die wel veel beloofd heeft, maar het niet waar maakt.

Rijk zijn in alle omstandigheden

God heeft ons gezegend met allerlei geestelijke ze­gen in de hemelse gewes­ten in Christus, hebben we gezien. “In Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verbor­gen zijn” (Kol. 02:03).

Daar bij Hem en in Hem zullen wij moeten zijn om­dat wij Hem liefhebben met heel ons hart. Dag en nacht, of we arm zijn of rijk, of het nu moeilijk gaat of gemakkelijk, of we nu ziek zijn of gezond: “Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem (Jezus Christus) is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons” (2 Kor. 01:20).

Wie zo zijn rijkdom ont­dekt heeft, kan met Pau­lus zeggen onder alle om­standigheden vast te staan en rijk te zijn: “Onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht, als stervend en zie, wij leven; als getuch­tigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar ve­len rijk makend; als niets hebbend en toch alles be­zittend” (2 Kor. 06:08-10).

 

Het hemelse Jeruzalem door Hessel Hoefnagel -3-

De “zeven weken”.

Deze periode heeft haar begin bij “het woord dat uitgaat om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen” (Dan. 09:25). Dit woord kreeg allereerst in Jezus Christus gestalte. Het was al in het begin, toen de Schepper de werelden tot aanzijn riep, bij God en het was God. Door de uitwerking van dit woord zijn alle dingen ontstaan. In dit woord was leven en dit leven was het licht van de mensen (Joh. 01:01-05).

Toen de mens zich van dit woord afwendde en naar de stem van een vreemde luisterde, werden het licht en de heer­lijkheid in hem verduisterd en kwam hij onder de macht van de Dood ( = sterven). De mens ervoer dit als naakt­heid, omdat het “kleed van de gerechtigheid” van hem was weggenomen (Gen. 03:01-07).

De periode van zeven weken geeft een volheid van tijd aan, die doorgaat “tot op een gezalfde, een vorst”. De eerste mens, die gezalfd werd met de Heilige Geest en met kracht (Hand. 10:38) was onze Heer Jezus. Sinds Zijn he­melvaart, terwijl Hij gezeten is aan de rechterhand van de Vader, heeft Hij de Geest van Zijn Vader uitgestort op talloze gelovigen, die door wedergeboorte en vernieuwing door de Heilige Geest (Titus 03:05-06) Zijn lichaam vormen. Dit geestelijk lichaam is het huis waarin God woning maakt en Zichzelf zal manifesteren in heerlijkheid (vgl. Heb. 03:05). Dit geestelijk huis wordt als een heilig priesterschap “in Sion” gebouwd op de uitverkoren en kostbare hoeksteen tot het brengen van geestelijke of­fers, die God welgevallig zijn door Jezus Christus. Dit huis is een door God uitverkoren geslacht en een konink­lijk priesterschap. Het wordt een heilige natie, een volk van God genoemd, in staat om middels hun gehele voorkomen Zijn grote daden te laten zien.

De grote daden van God naar de mens toe zijn allereerst vervat in het Evangelie van Jezus Christus. Hierdoor roept Hij de mens, die nog onder de macht van Dood en duisternis is, om daar onderuit te komen in de sfeer van het wonderbare licht, dat het leven is voor de mens (1 Petr. 02:05-10).

Het machtsgebied van de Dood betreft het in de bijbel ge­noemde “dodenrijk”. Niet wedergeboren mensen, ook gods­dienstige, “leven” nog in dit machtsgebied, omdat ze nog niet radicaal gebroken hebben met de zonde, maar integen­deel deze beschouwen als onlosmakelijk verbonden met de mens.

Door de claim van de Dood op de mens te doorbreken, ont­troonde onze Heer de duivel, die door zijn leugen en mis­leiding de mens onder de invloed van dood en vruchteloos­heid brengt (Heb. 02:14). Door Zijn dood wiste Hij het bewijsstuk uit, dat door zijn inzettingen tegen ons ge­tuigde en ons bedreigde, en nagelde dit aan het kruis. Zo ontwapende Hij de overheden en de machten der duisternis en stelde ze openlijk ten toon (Kol. 02:14-15).

Wat in (Heb. 02:14) staat, wordt in een aantal vertalingen zo geïnterpreteerd, als zou de duivel te gebieden hebben over de dood.

In andere vertalingen, die meer letterlijk vanuit de grondtekst vertalen (o.a. de Statenvertaling) komt duide­lijk tot uitdrukking, dat de duivel werkt met het geweld van de Dood.

Dit komt op meerdere plaatsen in de bijbel tot uitdruk­king. Dat de Dood een sterkere macht dan de Duivel is, wordt duidelijk door het gegeven in de bijbel, dat de Dood en zijn machtsgebied (het zogenaamde dodenrijk) nog geoordeeld moeten worden, als de duivel al in de “poel des vuurs” geworpen is (Openb. 20:10-14).

De poel des vuurs” is de eeuwige verwerping van alles wat niet in de schepping van God thuis hoort. Het is de eeuwige sfeer van dood en verderf, ook genaamd de “tweede dood”.

Opmerkelijk is, dat de Dood de laatste vijand wordt ge­noemd, wiens macht moet worden tenietgedaan (1 Kor. 15:26). In de chronologie van de bijbel vinden we het vol­gende:

De invloed van de Dood

De invloed van de dood wordt al aangegeven voor de zon­deval van de mens. Deze werd door God gewaarschuwd om niet van de boom van kennis van goed en kwaad” te eten. “Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven”, dus onder het gezag en de macht van de Dood komen (Gen. 02:17). De Dood is dus de eerste vijand van God. Deze wordt het laatst ontmanteld.

De duivel en satan (tegenstander)

De duivel en satan (tegenstander) is de gevallen engel door wiens invloed en verleiding de innerlijke mens werd gescheiden van het wezen van God (Gen. 03:01-07). Hij ge­bruikte hiervoor als medium” de kronkelende slang, die het listigste dier op aarde genoemd wordt. Door middel van dit dier richtte hij de aandacht van de mens op de begeerlijk uitziende vrucht van de “boom van kennis van goed en kwaad”.

De boom van kennis van goed en kwaad

De boom van kennis van goed en kwaad stond in het cen­trum van de hof van Eden direct naast de “boom van het leven . Zoals deze laatste een profetische typering is van de ware mens, die zich als eerste in Jezus Christus openbaarde, zo is de “boom van kennis van goed en kwaad” een profetische typering van de mens der zonde en wette­loosheid, die de Antichristus wordt genoemd en de “zoon van Verderf”, die zich openbaart in de afval. Deze heet ook tegenstander”, die zich verzet tegen al wat God ge­noemd of als God geëerd wordt. Hij doet dit, terwijl hij zich indringt in de mens, die in feite bedoeld is als een tempel van God, waarin Deze zich wil openbaren. De open­baring van de Antichristus is naar dezelfde werking als van de duivel. Deze inspirator werkt met veelsoortige ui­tingen, op zich stuk voor stuk verleidelijk om op in te gaan, maar in feite zitten ze vol ongerechtigheid en scheiden ze de mens van het doel van God (2 Thess. 2).

Als we Jezus Christus zien als “de hoeksteen” of “de le­vende steen”, waarop de gemeente als een geestelijk huis gebouwd wordt in de hemel, dan is dit geheel een “wel saamgevoegde” woning van God. Dit is de ware tempel, waarvan de profetieën in het Oude Verbond al spraken (Ps. 118:015-022; Jes. 28:16). In de periode van “zeven weken” wordt de gemeente als tempel van God in de geest openbaar (Ef. 02:22). Zij is een “gezalfde” vanwege de volheid van de Heilige Geest. Deze gemeente van Jezus Christus is dan de verbindende schakel in het herstel, dat de grote Schepper bewerkt, de herschepping aller dingen. De eerst­volgende fase is dan het herstel van de stad Gods, het hemelse Jeruzalem.

De “twee-en-zestig weken”.

De heilige stad, een nieuw Jeruzalem wordt zichtbaar in het neerdalen uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is (Openb. 21:02). De volheid der tijden is dan ingegaan, want de gemeente, die als “vrouw” van Jezus Christus het centrum van deze hemelstad vormt, brengt haar tot volheid, zodat uiteinde­lijk geen tempel in haar gezien wordt, “want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam”. Van binnenuit verlicht de heerlijkheid van God haar en “haar Lamp is het Lam” (Openb. 21:22-23).

Dit nieuwe Jeruzalem, waarvan de aardse stad slechts een voorbijgaand schaduwbeeld is, staat in het centrum van de volken en koningen der aarde. Zij wandelen bij haar licht, omdat God Zelf Zich in haar openbaart in goedheid, liefde en levenskracht.

Binnen deze stad wordt slechts heerlijkheid gebracht, terwijl alles wat onrein is en wie gruwel en leugen doet, niet in haar kan komen, maar alleen zij, die geschreven zij in het boek des levens van het Lam (Openb. 21:24-27).

Bij de vorming en voltooiing van deze tempelstad in de geestelijke wereld willen we even stilstaan bij een op­eenvolgende reeks van drie jaarlijkse feesten, die het oude Israël moest vieren. Deze feesten vormen een profe­tische heenwijzing naar de vervulling in geestelijk op­zicht, welke begonnen is bij de openbaring van Jezus Christus en welke doorgaat totdat de gehele schepping functioneert naar Gods bedoeling.

 

Paasfeest (gedicht) door Piet Snaphaan

Pasen vieren is beleven

wat ons door Jezus is gegeven,

de overwinning op de dood.

Richt je hart op dat gebeuren,

Jezus opende ons deuren,

die de boze eertijds sloot.

 

Pasen vieren, God beminnen,

die ook ons leert overwinnen.

Door Hem, die ons is voorgegaan

en de dood heeft overwonnen,

waardoor ons leven is begonnen:

Hij geeft weer glans aan ons bestaan.

 

Vruchten van de bekering door Margreet Gast

Mensen die het evangelie van Jezus Christus horen en aannemen, zullen ant­woord aan God de Vader geven: ze zullen zich be­keren. Na hun bekering zal het leven anders zijn dan voorheen. Dat is ge­heel bijbels. Er staat im­mers in Efeziërs 4 vers 20 (Ef. 04:20): “Maar gij geheel an­ders, gij hebt Christus leren kennen” .

Er mag dus verwacht wor­den dat in het leven van een kind van God vruch­ten van de bekering te zien zijn. Johannes de Doper riep dit ook al toe aan degenen die zich door hem wilden laten dopen: “Brengt dan vrucht voort die aan de bekering be­antwoordt” (Matt. 03:08). En Jezus zegt: “Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slech­te vruchten voort” (Matt. 03:08) .

Wat zijn zoal vruchten van de bekering?

Vergeven

Bekeerde mensen zijn in staat om de dingen die een ander hun heeft aan­gedaan, te vergeven (Matt. 06:12; Matt. 18:22). De kinderen van God hebben immers zelf die enorme genade van de hemelse Vader ontvangen. Zomaar, onverdiend, kregen ze het mooiste cadeau wat er is: vergeving van zonden! Hoe geweldig die gave van God aan mensen is, beseffen diegenen die echt berouw hadden over hun zonden. En dan wil je als kind van God toch graag een ander vergeven. Wat is er meer vanzelfspre­kend dan te doen als de Vader? (Joh. 05:19).

Graag willen geven

Niet alleen wil een bekeer­de vergeving uitdelen, hij wil graag nog meer geven: zijn materiële bezit bij­voorbeeld. Heel nuchter betekent dat: hij heeft geen problemen met het geven van de tienden aan de gemeente. Zijn schat verzamelt hij toch niet op aarde? (Matt. 06:19 en Matt. 06:24). En de Enige die hij als Heer dient is toch God, en niet de mammon! Graag willen geven, met hart en ziel de zaak van de Heer zijn toegedaan, dat is een levenshouding van degene die zich tot de levende God heeft bekeerd. En daar heeft hij vanzelf­sprekend zijn geld, tijd en inzet voor over!

Honger naar het woord

Het verlangen om (nog) meer te leren uit het Woord, hoort ook bij het leven van een kind van God: de Bijbel wordt ge­lezen, de Bijbelstudies worden bezocht. Het Woord is immers het voed­sel, waarvan men leeft. Voor Jezus was het van­zelfsprekend dat Hij leef­de van en voor de wil van God (Joh. 04:34). Dan beseffen Zijn discipelen dus ook, dat zij niet zon­der het levende brood kunnen. Zoals dagelijks het gewone voedsel nodig is voor het lichaam, zo is het Woord nodig als voedsel voor de innerlijke mens.

Liefde voor de broeders en zusters

Wie zich heeft bekeerd, zal ontdekken dat hij of zij graag met andere kin­deren Gods omgaat. Hij zal een gemeente zoeken: daar zijn immers de broe­ders en zusters te vinden. En het gaat nog verder: er is een oprechte liefde in het hart ontstaan voor de broeders en zusters- in-de-Heer. Die liefde uit zich in het trouw bezoe­ken van de samenkomst van de gemeente, in het oprecht meeleven met de anderen en in het zoeken naar hetgeen de ander opbouwt. Het is onmogelijk dat iemand die zich heeft bekeerd, niet zijn broe­ders liefheeft (1 Joh. 02:09).

Liefde maakt sterk

Van een kind van God mag verwacht worden dat hij een totaal veranderd leven leidt. Vroeger was het: “Ik doe wat ik wil, ik doe waar ik zin in heb” . Nu is het: “Hier ben ik om Uw wil te doen” (Heb. 10:07). Iemand kan zich tot God bekeerd hebben omdat er een nood was in zijn leven: verdriet, ziek­te, wanhoop. In die nood wil en zal God voorzien: Hij geeft troost, Hij geeft genezing, Hij geeft hoop. Maar wie Hem dan leert kennen, als een liefdevol- gevende God, zal uitein­delijk getuigen, dat hij God gehoorzaamt om wie hij is. En dan staat de mens sterk in zijn keus: hij wil de levende God uit vrije wil en met liefde dienen. Er is geen plaats meer voor weerspannig­heid. In zijn leven zullen vruchten, die aan de be­kering beantwoorden, te vinden zijn.

Natuurlijk wordt een kind van God aangevallen, want de tegenstander wil niet dat God zich kan openbaren door een mens heen. En een kind van God is ook niet meteen na zijn bekering volkomen vrij van zwakheden en gebondenheden. Maar het is geen vraag meer, waar hij voor kiest en wat hij wil.

Vanzelfsprekend houden de kinderen Gods met een sterke, onvernietigbare liefde van God en Zijn plan! Vanzelfsprekend haten zij elke zonde, alle kwaad. En dan houdt geen macht der duisternis meer tegen dat het licht gaat overwinnen in hun leven. Alle eer aan de Vader hiervoor!

 

Angst voor de dood door Evert van de Kamp

Je zou het niet verwach­ten, maar het is gebleken dat zelfs menig christen bang is voor de dood. En dat ondanks dat er in Hebreeën 2 vers 14 en 15 (Heb. 02:14-15) staat dat Christus door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door de angst voor de dood tot slavernij ge­doemd waren.

En ondanks dat Paulus in 2 Timotheüs 1 vers 10 (2 Tim. 01:10) zegt: “Jezus heeft de dood van zijn kracht beroofd en onvergankelijk leven aan het licht gebracht door het evange­lie” .

In een enquête uitgevoerd door het NIPO in opdracht van de NCRV en het ochtendblad “Trouw”, geeft een vierde van de mensen die regelmatig aan de dood denken, te kennen bang te zijn voor de dood.

De dood is de laatste vijand

De dood wordt wel de ‘koning der verschrikking’ genoemd. De Bijbel spreekt over de ‘laatste vijand’ (1 Kor. 15:26). Veel christenen zijn des­ondanks (nog) de mening toegedaan dat de dood door God in de wereld is gekomen. Zij spreken over de Heer van ‘dood en le­ven’ . Men leest dan bij­voorbeeld: ‘Door een noodlottig ongeval nam de Heer van dood en leven uit ons midden weg…’

Eigenlijk onbegrijpelijk want God heeft juist de mens gewaarschuwd voor de dood en niet de kant van de dood op te gaan.

Overduidelijk sprak God tot Adam en Eva: “Eet niet van de boom der ken­nis van goed en kwaad want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voor­zeker sterven” (Gen. 02:17). De mens zelf, Adam, bracht de schepping on­der de zonde en onder de dood, onder de heerschap­pij van de duivel. “De dood is er door een mens” (1 Kor. 15:21) .

Jezus noemt de duivel de ‘mensenmoorder van den beginne’ (Joh. 08:44). Vanaf het begin heeft de sa­tan naar de dood toege­werkt. De mens ging naar de stem des doods luiste­ren, opende zelf de poort naar het dodenrijk. Daar heerst de duivel. Hij heeft de heerschappij over het dodenrijk en over de doodsmachten. In dat do­denrijk, waar de dood alle gezag heeft, regeert satan onder de naam Apollyon of verderver.

De dood is Gods vijand, Gods laatste vijand. Dus ook onze vijand, een vij­and die wij tot het einde, de poel des vuurs (Openb. 20:14), moeten haten en vervolgen. Omdat de dood een bittere vijand is, is er angst voor de dood. Een vijand moet je echter recht in de ogen kijken en per definitie niet vre­zen. Jezus sprak: “Vreest hen niet, die het lichaam doden” (Luc. 12:04).

In zijn boek ‘De dood in zijn ware gedaante’, schrijft Okke Jager: ‘We moeten het niet van de mens verwachten. De mens is geneigd de dood en zijn handlangers onvoldoende te haten. Een ander moet ons op andere ge­dachten brengen’.

En Schillebeeckx schreef: ‘Een theoloog zal onge­merkt de dood vanuit christelijke vooronderstel­lingen boven zijn reële gestalte uittillen en zo vooraf verchristelijken’.

Wij mogen de dood niet verchristelijken, moeten hem ook niet vrezen, maar haten. Haten zoals Chris­tus de dood haatte en overwon. Hij markeert de enig juiste weg voor ons als Hij zegt: “Wees niet bevreesd, Ik ben de eers­te en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwig­heden, en Ik heb de sleu­tels van de dood en het dodenrijk” (Openb. 01:18) .

Zijn wij ‘dood voor de dood’?

Ik las: ‘Het enige positie­ve van de dood is: de dood voor de dood’. Wan­neer er (nog) iets van angst voor de dood in ons is, eren wij daarmee de dood en niet de overwinnaar over de dood, Jezus Christus. Zit die angst bij ons er nog in, dan zijn wij eigenlijk nog niet dood voor de dood. Dan is de vraag gewettigd of wij de dood wel afdoende hebben begraven in de doop (Rom. 06:03-04). Want zo ze­ker als het voor ons moet vast staan dat wij dood zijn voor de zonde, beho­ren wij even zeker dood te zijn voor de dood (Rom. 06:11).

De dood voert geen heer­schappij meer over Chris­tus (Rom. 06:09). Daarom moet een christen de dood ook niet (langer) over zich laten heersen. Chris­tus is eens voor altijd voor de zonde, en dus ook voor de dood, gestor­ven en wat zijn leven be­treft, leeft Hij voor God Door de doop in de Heilige Geest zijn wij en blijven wij ook na het sterven even ‘levend’ voor God in Christus Jezus. Een chris­ten heeft de geestelijke dood (door zonden en mis­daden) achter zich en het dodenrijk zal hij niet zien (Joh. 08:51). En steekt er­gens in ons leven een doodsmacht zijn gevelde kop toch omhoog, dan zijn wij door Gods Geest in staat die te vellen.

Het land der levenden

Het land der levenden wordt nogal eens overschaduwd door het land van de dood. Van de le­venden worden velen op allerlei manieren angstig gemaakt door de overste van de dood en zijn sla­ven. Daarin spelen wij zelf vaak een niet onbe­duidende rol door soms al te gemakkelijk toe te ge­ven aan die verwekkers van angst en vrees. En dit ondanks dat Zacharias profeteerde dat de Heer hen zal beschijnen, die gezeten zijn in de duister­nis en schaduw van de dood (Luc. 01:79).

Ik volsta met één voor­beeld. Ik heb gemerkt dat veel levens worden ‘ge­plaagd’ door een teveel aan eigenliefde. Dat blijkt heel duidelijk wanneer men plotseling, door ziekte of zwakte bijvoorbeeld, wordt geconfronteerd met de dood. Dan uit zich het ongecontroleerde zelfmedelij­den, de sentimentele eigenliefde. Alsof er niets anders bestaat dan dit aardse leven (waaraan we op een verkeerde manier blijken vast te zitten), terwijl wij voor eeuwig leven zijn geschapen. Wij zijn voor eeuwig leven bedoeld. Op zo’n moment worden wij zo op de aarde vastgepind dat wij wel heel ver van het hemelse af zijn. Wat kun je jezelf dan toch zielig en tragisch vinden.

In de rubriek ‘Kostgan­gers’ in “Trouw” gaf Nico ter Linden onlangs voor­treffelijk weer hoe dat voelt. Geveld door een ordinaire griep schreef hij: ‘Ik ben nooit ziek. Ik bezoek zieken. Het is een taakverdeling die ik ook graag zo wil houden. Naast het bed en niet er­in. Maar toen dus, onver­hoeds en ongewoon: in het bed, geveld. Op een gege­ven moment werd ik door droefheid overvallen.

Waarom? Daar was toch waarachtig geen reden voor. Ik liet het verdriet komen en moest huilen. Zelfmedelijden? Narcisti­sche krenking (ziekelijke liefde voor zichzelf -red.)? Geringe frustratietolerantie? Ongetwijfeld.

Maar er was meer aan de hand: duidelijker dan ooit te voren werd ik mij mijn sterfelijkheid bewust. Dat je lichaam niet wil wat je wilt, dat je kracht maar gering is en je van de ene op de andere dag kan wor­den ontnomen. Ik had dat in lang niet zo ervaren. Ik dacht: zo zal ik eens liggen, weer geveld, maar dan niet door zo’n onnozel griepje en ik zal niet meer opstaan. Het vooruitzicht beangstigde me, droefheid omving me en ik was blij dat er niemand de kamer binnenkwam, want dat ik hier een potje zat te grie­nen, was natuurlijk vol­strekt belachelijk’.

Ik denk dat dit voor velen herkenbaar is. O wee, als je je eigen gedachten en vervolgens je tranen de ‘vrije’ loop laat. Dan ben je wel weer helemaal terug op de aarde.

Je moet je leven niet lief­hebben tot de dood (Openb. 12:11). Dan gaan de sentimenten over je heersen. Een christen doet bewust, innerlijk af­stand van macht, geld, aanzien, cultuur, traditie, eer van mensen, etc. Christus had ter wille van het Koninkrijk Gods zijn uit­wendige leven niet lief tot de dood.

Integendeel, Hij gaf het in de dood. Maar het land der levenden gaf Hij niet prijs.

Verlaat het land van de dood!

Doodsmachten kunnen lelijk toeslaan. Zij maken best bang en wat doe je dan met je angs­ten? Jezus was woedend op de dood (Joh. 11:33), maar zijn eigen lijden en dood be­klemde Hem. Ook Hij ver­zuchtte: “Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is’ (Luc. 12:50; Mark. 10:38). Hij werd verhoord uit zijn angst (Heb. 05:07). Hij riep tot God. Het fantastische van Jezus was, dat de overste der wereld niets aan Hem had en geen enkele ongerijmdheid in Hem kon vinden (Joh. 14:30). De Heer was on­grijpbaar en onaantastbaar voor de doodsmachten.

Veel mensen zijn helaas niet onaantastbaar, omdat ze onderworpen zijn aan één of meer boze geesten. Een bijbels voorbeeld is de rijke man uit Lukas 16. Hij had zijn vertrouwen op zijn bezit en zijn rijk­dom gesteld. Zo raakte hij verbonden met de demon van bezit en rijkdom, de mammon. Bij zijn sterven had hij zich vastgeklemd aan die demon.

Een christen moet er voor zorgen dat hij vrij is en vrij blijft en zich zo nodig laten bevrijden. Geen en­kele duistere macht moet over hem kunnen heersen. Ik heb mensen gezien vlak voor hun sterven, volko­men vrij of losgemaakt. Heerlijk, helemaal gereed om de intrek bij de Heer te nemen. Hun overgave en eenswillendheid met de Heer was ontroerend en vertroostend. Ze verlang­den naar Hem en zagen meer dan ooit naar Hem uit.

Maar ik weet ook van christenen met een felle doodsstrijd. De verklaring daarvan is, denk ik, dat ze gebonden waren door één of meer machten der duisternis die ze zelfs bij hun sterven niet los wilden laten. Christus sprak terecht: “Laat los en je zult losgelaten wor­den” (Luc. 06:37). Een be­tere raad had Hij ons niet kunnen geven.

Een  kracht Gods tot behoud

Velen laten zich te gemak­kelijk intimideren door de machten en ook door ge­woon aardse zaken. De dingen van de aarde krij­gen een overwaarde die Christus nooit heeft be­doeld (Matt. 10:37-39) . Wat mij dan zo tegen valt, is dat men zich niet ge­heel en al baseert op het Woord van God, dat Woord aangrijpt. Dat Woord dat werkelijk een kracht Gods tot behoud is voor een ieder die gelooft (Rom. 01:16) . Door de Heilige Geest in ons is het zo sterk, dat het de angsten voor de dood best aankan. Laat de leugen niet toe! Buskes zei eens: ‘Ik ben zo dwaas om te geloven dat het kerkhof een leu­gen is’.

Jezus sprak: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn Woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven” (Joh. 05:24).

Het geloof in het Woord van de Heer is de enige realiteit en volledig be­stand tegen elke vorm van de dood. Opnieuw de Heer zelf aan het woord: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen” (Joh. 08:51).

Kan het duidelijker? Het is ontroerend en vertroos­tend hoe de Heer ons steeds weer bemoedigt. Alleen 1 Korinthiërs 15 is al een goddelijk juweel. Paulus was niet bang voor de dood. Zijn geloofsoog gericht op Jezus heeft hij slechts één verlangen: “Om Christus te kennen en de kracht van zijn op­standing en de gemeen­schap van Christus’ lijden, om aan Jezus dood gelijk­vormig te worden en te mogen komen tot de op­standing uit de doden” (Filip. 03:10-11) .

Daar jaagde hij naar. Daarom kon hij ook schrij­ven: “Wij zijn vol goede moed en wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen” (1 Kor. 04:16-05:08) .

De evangelist John Wesley getuigde op zijn sterfbed: ‘Het beste van alles is, dat God mij nabij is’. En het Woord zegt: “De Heer is nabij. Weest in geen ding bezorgd” (Filip. 04:05).

De hemelse Vader heeft ons door de opstanding van zijn Zoon Jezus Chris­tus, uit de doden doen wedergeboren worden tot een levende hoop (1 Petr. 01:03). Gelooft u dat? Maranatha! De Heer komt! (1 Kor. 16:22).