1988.05 nr. 292

Levend geloof 1988.05 nr. 292

Tot aan de voleinding der wereld door Gert Jan Doornink

Jezus sprak: “Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” Matteüs 28 vers 20 (Matt. 28:20).

Het grote gebeuren op de Pinksterdag

Deze maand vieren wij, als gemeente van Christus, weer het Pinksterfeest, waarbij het grote gebeuren van de uitstorting van de Heilige Geest weer centraal zal staan. Uiteraard worden de lijnen daarbij doorgetrokken naar de tijd waarin wij leven, want het functioneren van de waarachtige gemeente in deze tijd, is ondenkbaar zonder de werkelijke betekenis te weten (en te beleven!) van wat er op de Pinksterdag te Jeruzalem gebeurde.

Het Pinksterfeest is van oorsprong een Joods feest. Aan God werd dank gebracht voor de oogst. Ook was het een feest waarop de wetgeving op de Sinaï’ werd herdacht. Zeer veel mensen trokken dan op naar Jeruzalem om het Pinksterfeest, dat ook wel Wekenfeest werd genoemd, te vieren. Juist op dit feest was daar de geweldige gebeurtenis zoals die in Handelingen 2 beschreven wordt. De discipelen van Jezus waren bijeen en wachtten op de uitstorting van de Heilige Geest, geheel volgens de instructies zoals Jezus die aan hem gegeven had. Hij had hun geboden Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, de Heilige Geest, waarover Hij verschillende malen gesproken had Handelingen 1 vers 4 (Hand. 01:04).

Het ‘vertrek’ van Jezus van deze wereld betekende niet dat er aan Zijn werk een einde was gekomen. Integendeel, nu ging het pas echt beginnen! Aan de opleiding van de discipelen voor de taak die zij hadden, om dezelfde dingen te doen die ook Jezus deed, was nu een einde gekomen. Nu konden ze – vol van de Heilige Geest – zelf aan de arbeid gaan. Nu waren ze medearbeiders Gods geworden en ingeschakeld in Gods plan om, in de Naam van Jezus, mensen te bevrijden uit satans macht en te brengen in het Koninkrijk van God. De grote opdracht van Jezus: “Predik het evangelie aan de gehele schepping”, kon nu in praktijk gebracht worden. En Handelingen 2 beschrijft ons hoe reeds op de eerste dag, na de toespraak van Petrus., drieduizend mensen een nieuw leven begonnen. Een leven dat niet langer beheerst zou worden door de vorst der duisternis, maar waarin de volheid van Christus tot openbaring zou komen.

De eindtijdgemeente heeft een grote taak

Zoals het op de Pinksterdag te Jeruzalem begon, zo gaat het door tot op de dag van vandaag. Al is in de loop der eeuwen het echte evangelie, zoals Jezus dat bracht en bedoelde, heel vaak niet meer verkondigd, omdat de duivel kon infiltreren vanwege het niet waakzaam zijn van de gemeente van Christus. Maar onveranderlijk blijft van kracht dat dit evangelie (van het Koninkrijk) in de gehele wereld gepredikt zal worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het ‘einde’ gekomen zijn Matteüs 24 vers 14 (Matt. 24:14).

Wat we ons als gelovigen van deze tijd vooral moeten realiseren is dat dit einde nog niet gekomen is!

Weliswaar leven we, sinds de eerste Pinksterdag, in de eindtijd, maar we moeten oppassen dat de duivel er niet in slaagt ons van de ‘eenvoudige en loutere toewijding aan Christus’ af te trekken, zoals de apostel ons waarschuwt in 2 Korinthiërs 11 vers 3 (2 Kor. 11:03). We kunnen zo in beslag genomen worden door speculaties over allerlei gebeurtenissen in de natuurlijke wereld, die dan in verband met het ‘einde’ worden gebracht, dat de functionering van ons geloof er door in het gedrang kan komen. De regel uit het lied: “Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw…”, is maar ten dele waar. Inderdaad wordt alles nieuw, maar niet als wij een afwachtende houding aannemen en niets doen. God werkt niet buiten ons (de waarachtige gemeente) om. Wij zijn ten volle ingeschakeld in Zijn plan. Daarom liet Jezus Zijn opdracht om ‘al de volken tot Zijn discipelen te maken’, vergezeld gaan van de belofte dat Hij met ons zou zijn, al de dagen tot aan de voleinding der wereld Matteüs 28 vers 20 (Matt. 28:20).

Wij kunnen niet zonder de Heilige Geest

Hoe is Jezus nu met ons, nu Hij niet meer lichamelijk in deze wereld is? Door ons vol te maken met de Heilige Geest! Het is de Geest van God die ons leidt en inspireert, die ons doet overwinnen, die de talenten en bekwaamheden die in ons zijn, tot ontwikkeling brengt, zodat wij vruchtbaar zijn in dienst van Gods Koninkrijk.

Geen enkel kind van God kan daarom zonder de doop en dagelijkse vervulling met de Heilige Geest. Daarin is ook de werkelijke betekenis van Pinksteren gelegen. Alleen door vol te zijn met Gods Geest kunnen wij beelddragers van Christus zijn. Dan heeft ons geloofsleven uitwerking. Wanneer we in Hebreeën 12 vers 2 (Heb. 12:02) worden opgewekt om ons oog alléén gericht te houden op Jezus, staat erbij dat Hij de Leidsman en Voleinder van ons geloof is. Met andere woorden: Hij maakt ons geloof effectief en vruchtdragend. De ‘voleinding van de wereld’ is ondenkbaar zonder de ‘voleinding van ons geloof’. Iedere waarachtige christen zal daarvoor een duidelijke visie moeten hebben.- Pinksteren is geen oppervlakkige aangelegenheid, het raakt de diepste kern van heel Gods scheppingswerk, want de ‘voleinding’ (het einddoel) wordt niet bereikt als de Heilige Geest wordt belemmerd of afgeremd.

Dat geldt voor de gemeente als geheel, maar begint uiteraard bij de individuele gelovige. U en ik dragen de verantwoording dat Gods Geest in ons ten volle kan doorwerken en God Zijn doel met ons (en door ons) kan bereiken. Op de Pinksterdag begon, vanuit Jeruzalem, de zegetocht van de overwinnende gemeente. En ook wij als gelovigen van 1988 zijn daarbij ingeschakeld. Want Zijn werk gaat door tot aan de voleinding der wereld en de volle heerlijkheid van Zijn Koninkrijk de ganse schepping zal hebben vervuld!

 

„Dit is het.” (getuigenis) door Teunis Fox

“Ongeveer acht jaar geleden heb ik mijn hart aan God mijn Vader gegeven, om Jezus Christus te aanvaarden en te volgen.

Maar ik heb vanaf het eerste moment het gevoel gehad, er is nog meer wat de Heer me wil geven, en dat is de Heilige Geest. Ik was namelijk na mijn bekering niet gedoopt in de Heilige Geest. Ik bemerkte, dat ik er nog al eens naast viste, als ik iets ondernam.

Totdat ik in het voorjaar van 1987 door andere mensen het Volle Evangelie ging zien en vanaf die dag dacht ik, dit is het, laat het niet aan je voorbijgaan.

Vanaf dat moment ben ik langzaam aan de Heilige Geest gaan verstaan en wat nog geweldiger is, op 17 januari 1988 ben ik, in een samenkomst van de volle evangelie gemeente te Zaltbommel, gedoopt in water en in de Heilige Geest.

Na deze dag ben ik zo vol van Zijn Heerlijkheid, dat ik er wel met iedereen over zou willen praten…”

 

Innerlijke schoonheid door Klaas Goverts – 2 –

Zit onze ziel nog in de kelder?

De vorige maand hebben we gezien dat God onze persoonlijkheid wil terugbrengen. In deze aflevering willen wij daar nog wat verder op ingaan. We beginnen met het leven van een mens te vergelijken met een huis. De bewoner van dat huis is de ziel. Die bepaalt hoe het huis eruit ziet. Die kleedt het aan en richt het in. Als je ergens een huis binnenkomt weet je al meteen wat voor soort mensen er wonen. Je weet of het er gezellig is, of er een fijne sfeer is, of dat het er kaal is en kil. Dan denk je: hier wil ik zijn of… hier kom ik nooit meer. Die ziel bepaalt de hele atmosfeer van het huis.

Wat gebeurt er nu met dat huis als de zonde binnenkomt en daar gaat wonen? Wat doet de zonde met de persoonlijkheid van de mens? De zonde zegt tegen die ziel: Ga jij maar in de kelder zitten, ga jij maar naar beneden. Dus wat is het gevolg? De zonde bepaalt helemaal het gezicht van het huis en die ziel zit daar ergens in het souterrain. Die zit daar helemaal beneden. Dus de persoonlijkheid van de mens wordt helemaal weggedrukt. Vandaar dat je ook van zoveel mensen die je tegenkomt en hen vraagt: “Wie ben je nu eigenlijk?” als antwoord krijgt: “Dat weet ik niet”. “Wat voor beeld heb je van jezelf?” En het antwoord is: “Ja… eh… dat weet ik eigenlijk niet zo goed”.

Welk beeld hebben wij van onszelf?

Toch heeft elk mens een bepaald beeld van wie hij is. Alleen hoe kom je aan dat beeld? Dat wordt vaak opgebouwd vanuit je ervaringen. Het begint al in de kinderjaren en al die ervaringen stapelen zich op. Steeds wordt daar weer een steentje aan bijgedragen en op het laatst is die mens volwassen en zegt dan: Nu weet ik wie ik ben, zo ben ik. Stel je nu voor dat iemand ouders heeft die hem altijd afkraken. Zo van: “Nee joh, jij hoeft niet te helpen met de afwas, mamma kan het zelf vijf keer zo vlug, ga jij maar buiten spelen”. Of: “Jij gooit toch altijd de kopjes kapot, straks heb ik helemaal geen servies meer, jij hoeft niets te doen”. Of vader zegt: “Nee hoor, jij hoeft geen piano te leren spelen, daar heb je geen aanleg voor. Hoef je niet te proberen”. Dan wordt dat kind groot en hij krijgt het idee: ik kan het toch niet, dat weet ik bij voorbaat al.

Of wat ook heel vaak een rol speelt is: liefde op voorwaarde. Hoe vaak kom je dat niet tegen? Zo van: “Joh…, we houden van je als je met een goed cijfer thuiskomt”. En als Jantje dan met een acht thuiskomt, zegt pappa: “Je bent mijn jongen, ja ik ben trots op je”. Maar steeds heeft hij het gevoel: ik moet het verdienen. Ik moet het waarmaken. Het kan best zijn dat hij met een acht thuiskomt en vader zegt: “Je had best een negen kunnen halen”. Het is nooit goed genoeg. Volgende keer komt hij met een negen thuis en vader zegt: “Ja maar dat is ook niets bijzonders hoor, want die leraren bij jou geven zulke hoge cijfers, daar heb je zó een negen”. Altijd het gevoel: Ja maar het kan beter. Je moet toch eens wat meer je best doen. Dat is liefde op voorwaarde en de ziel van die mens wordt steeds verder weggedrukt. Hij krijgt zo een bepaald beeld van zichzelf, van: ja; ik doe het toch nooit goed, zo ben ik nu eenmaal.

God is bezig met onze menswording

Nu komt zo iemand tot geloof, wordt een kind van God. Wat gebeurt er dan verder? Dan kom je heel vaak tegen dat daar nog een manco is, dat iemand wel een kind van God is, maar de ziel blijft nog in de kelder zitten. “O ja, broeder, God houdt van me”, maar diep in je hart denk je: ook op voorwaarde. Want dat werkt door. En ergens heb je het gevoel: ja, God houdt van me… als ik een goede stille tijd gehouden heb of als ik een flinke gift heb gegeven of als ik tegen iemand getuigd heb. En dat God dan zegt: “Ik ben trots op je, je bent een goeie”. Maar als het nu eens een dag mislukt, wat dan? Dan ontstaat het gevoel van: nu hoef ik bij God niet aan te komen. Die ziel blijft dan toch ergens beneden zitten.

Ik denk wel eens: het is een geweldige stap als een zondaar christen wordt, maar het is op zijn minst nog zo’n groot wonder als een christen mens wordt. God is bezig ons totaal te herstellen, Hij werkt aan onze menswording. Hij wil dat we ons bewust zijn wie wij zijn. Soms wordt mensen geleerd dat je niets bent. Dat is dan het toppunt van vroomheid. Héél onopvallend zijn. Bijvoorbeeld: je bent ergens op een avond temidden van een kring mensen en op het eind van de avond zeggen ze: hé was die en die er nou ook? Niemand weet of je er was, want je was héél onopvallend. Je hebt niets gezegd en je hebt ook geen mening. Dat is dan een soort ideaal, dat als je aan iemand vraagt: wat vindt je nu fijn?, het antwoord is: dat weet ik niet. Wat zou je nu graag willen…? Och, dat weet ik eigenlijk niet zo goed. Ik vind alles goed… Dan heb je te maken met de tragiek van dat gedichtje, ik geloof dat het van Nicolaas Beets is: “‘Wees uzelf’, zei ik tot iemand, maar hij kon niet, want hij was niemand”.

En dan zegt God: Ik wil dat je je weer bewust wordt wié je bent. Ik wil jouw ziel weer tevoorschijn gaan halen. Ik wil jouw persoonlijkheid weer uit de verf laten komen met alle schoonheid die daarin ligt, ook met alle creativiteit die daarin verborgen is.

God wil onze creativiteit voor de dag halen

Ik las onlangs een boek dat ging over het creatieve kind. Onze dochter is nu bijna twee jaar en dan wordt het tijd om je daar eens in te gaan verdiepen. Want je gaat je afvragen: wat zal ze allemaal voor talenten en mogelijkheden hebben? Dus daar moet je toch wel het een en ander van weten. Het trof mij in dat boek – en ik dacht: ja dat is waar – dat elk kind van huis uit creatief is. Dat kunnen we ook tegen elkaar zeggen. Elk mens is creatief. Er zitten veel meer talenten in ons dan dat wij ons bewust zijn. Soms kennen we onszelf maar half. Er zit veel meer in ons dan dat we denken.

Elk kind is creatief en daar komt nog iets bij, behalve als het er uitgetraind wordt. Kun je het begrijpen, dat zoiets gebeurt? Dat er ouders of opvoeders zijn die de creativiteit van een kind doden? Bijvoorbeeld: Jantje komt bij zijn moeder en heeft een tekening gemaakt. “Laat maar eens kijken”, zegt moeder. Ze pakt de tekening, kijkt er eens naar en zegt: “Ik kan niet zien wat het is”. Eerste domper. Jantje kijkt al iets minder enthousiast en met een beteuterd gezicht zegt hij: “Mamma, het is een hond”. Moeder kijkt nog eens en zegt: “Hij heeft niet eens een staart”. Tweede domper.. Moeder kijkt nog een keer en zegt: “En zijn poten zijn veel te lang”. Derde dreun. Wat gebeurt hier? Hier wordt heel diep de ziel van dit kind gekraakt. Hier wordt zijn ziel de kelder ingedrukt.

Wat is het gevolg? De volgende keer loopt Jantje niet meer zo hard naar zijn moeder. Waarschijnlijk tekent hij ook niet zo hard meer. En als dat nog een paar keer gebeurt dan komt Jantje straks op school en zegt de meester: “Houdt jij niet van tekenen?” “Nee meester, want dat kan ik toch niet, ik vind dat een akelig vak”. Hij weet bij voorbaat dat hij met tekenen niet meer zal halen dan een vier, want daar heeft hij geen aanleg voor. Zie je wat daar gebeurt? Op die manier ga je de creativiteit in een kind afbreken.

De plaats waar je veilig bent

Weet je wat ik zo mooi vind? Dat God nooit iemand uitlacht. Bij Hem ben je veilig. Ik geloof dat dat het begin is van alle herstel. Want als je nu de vraag stelt: Waar begint nu de zaligheid van de ziel? Dan is het antwoord: Dat begint waar je je veilig gaat voelen bij God en dat je je ook veilig gaat voelen in de gemeente. Daarom heeft God ook de gemeente gegeven, juist als een plaats waar je je veilig kunt voelen. Een gemeente moet een plaats zijn waar niemand de ander uitlacht, daar mag je jezelf zijn. Daar mag je leren jezelf te uiten zonder dat je je bedreigd voelt en denkt: wat zullen ze ervan zeggen?

Want om nu nog even terug te komen op die moeder: wat was nu het punt, wat was de fout? Ze begon die tekening te beoordelen en ze gaat meteen een vooroordeel leggen op wat dat kind heeft gemaakt. Is dat rechtvaardig? Moet je eens even doordenken. Moet een tekening precies op een foto lijken, dat hoeft toch niet? Mag dat kind in die tekening iets van zichzelf leggen? Het is veel beter te vragen: “Waarom heb je die hond zo getekend?”, en: “Wat is het, wat heb je ermee bedoeld? Wat zie je er zelf in, waarom heb je het zó gedaan?” Mag zo’n tekening subjectief zijn? Mag dat kind daar iets van zijn eigen gevoelens inleggen? Ja natuurlijk, dat doen kunstenaars toch ook! Als je een schilderij van een groot kunstenaar ziet dan weet je soms ook niet direct wat het is. Moet je er dan om gaan lachen? Dat is wel eens gebeurd. Dan vonden mensen zichzelf héél grappig of ze zeiden: “Ja, ik ben in een museum geweest en dat schilderij, ik kon niet eens zien of het op de kop hing of gewoon”.

Denk erom: als ik iemand anders uitlach, zegt dat nooit iets van die ander. Dat moet je even goed vasthouden. Als ik iemand anders uitlach zegt dat alleen iets over mijzelf. Dat ik geen verstand heb van schilderkunst en dat ik niet de moeite neem om die ander te leren kennen.

Uitlachen is altijd een teken van domheid. Moet je nooit doen. Dat is gebrek aan wijsheid. Een wijze lacht niemand uit, maar zal altijd eerst gaan vragen van: “Wat bedoel je?” en: “Waarom doe je het zó?” en op die manier proberen die ander te leren ontdekken. En ook het anders zijn van die ander te leren waarderen, want waarom moet die ander precies zo doen als ik? Waarom mag die ander zich niet uiten op zijn manier? Wij leggen toch ook onze gevoelens in wat we zeggen en doen?

Vraag bijvoorbeeld aan tien mensen: “Hoe was de samenkomst?” De één zal zeggen: “Ik vond het zingen zo heerlijk”. De ander zal zeggen: “Er was een lied en dat heeft mij zo aangesproken, daar kan ik de hele week op leven”. Nummer drie zegt misschien: “Ik heb vanmorgen voor het eerst hardop gebeden en dat vond ik zo’n overwinning”. Nummer vier zegt: “Er was een tekst en die heeft tot mijn hart gesproken, die had ik nog nooit zo gezien”. En nummer vijf zegt: “Ik heb me stierlijk verveeld”. Moet je dan zeggen: “Er heeft er één de waarheid gesproken en de rest heeft staan liegen”? Nee, natuurlijk niet. Alle tien hebben ze iets uitgesproken wat waar was, maar ieder vanuit zijn eigen beleving.

God maakt ons niet allemaal naar één model. Want anders krijgen we weer zo’n toestand van: “Eén, twee, in de maat, anders wordt de juffrouw kwaad”. God zegt: Ik heb jouw gemaakt, je bent creatief en dat ga Ik eruit halen, Ik ga het tevoorschijn roepen en je mag je veilig voelen bij Mij.

(wordt vervolgd).

 

Mededelingen School van woord en daad – door redactie

Broeder Folkert Pool, voorganger van de volle evangelie gemeente ‘Perspectief’ te Leeuwarden, informeerde ons over de oprichting van een avondbijbelschool te Leeuwarden. De school is opgezet door enkele pinkster- en volle evangelie gemeenten in het noorden van het land, met de stimulerende medewerking van broeder Bronsveld Sr., de stichter van de ‘Berea’-Bijbelschool te Santpoort. De opzet is christenen toerusting te geven tot een goed functioneren in Gods Koninkrijk. Uiteraard juichen wij dit initiatief van harte toe! Elders in dit nummer treft u in een ‘ingezonden mededeling’ het contactadres aan voor nadere informatie en aanmelding.

België onze naaste – De actie ‘België onze naaste’, die thans is beëindigd, heeft totaal f 1285,- opgebracht. Alle gevers en geefsters, die nog afzonderlijk bericht ontvangen, hartelijk dank namens de volle evangelie gemeente te Aalst, waarvoor de opbrengst bestemd was.

De volledige mens – Nu het zomer ( vakantie )seizoen weer voor de deur staat, vestigen wij nog eens de aandacht op de brochure ‘De volledige mens’ van Klaas Goverts, over geest, ziel en lichaam. Deze brochure is namelijk, behalve in het Nederlands, ook in het Duits, Frans en Italiaans (verkorte uitgave) verkrijgbaar. Te bestellen bij de administratie van “Levend Geloof”.

Levend geloof financieel – Ook deze maand willen wij iedereen hartelijk bedanken die ons verblijdde met een extra bijdrage. Onze opdracht is consequent vast te houden aan de volle evangelie boodschap en daarvan zoveel mogelijk facetten te belichten. Daarbij proberen wij zoveel mogelijk ‘praktijkgericht’ te schrijven, dat wil zeggen’ in een taal die iedereen begrijpen kan. Wij zijn dankbaar dat velen dit weten te waarderen en dit ook in financieel opzicht laten merken. Deze maand willen wij speciaal ook onze ‘sponsors’ bedanken. (Sponsors zijn zij die regelmatig – meestal één keer per maand – een vast bedrag overmaken voor onze arbeid).

 

Ons huis in de hemelen door Evert van de Kamp

 

“Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een ge­bouw van God hebben, in de hemelen, niet met han­den gemaakt, een eeuwig huis” 2 Korinthe 5 vers 1 (2 Kor. 05:01).

Een eeuwig huis

Voor de ingang van de begraafplaats ligt een grote steen, een echte zwerfkei. In gebeiteld de woorden van Prediker 12 vers 5 (Pred. 12:05): “De mens gaat naar zijn eeuwig huis”. Menige voorbijganger zal wellicht herinnerd worden aan zijn eeuwige bestem­ming. Of aan het woord van Hebreeën 9 vers 27 (Heb. 09:27): “Het is de mensen be­schikt eenmaal te sterven en daarna het oordeel”.

In de televisie-uitzending ‘Het hart op de tong”, was het antwoord, op vragen gesteld in die richting, menigmaal: ‘We zullen wel zien’. Eén man antwoordde op alle vragen stereotiep: ‘Ik denk van niet’. Voor hem was er, zo meende hij, absoluut niets meer na dit leven.

Zo reageren velen in onze tijd.

Tal van christenen zijn trouwens geneigd om dat ‘eeuwige huis’ maar naar de toekomst te verschui­ven. Het straks, het tijd­stip van het heengaan.

Dat gebeurt met meer Bijbelwoorden. Ik denk hierbij aan Johannes 14 vers 1 tot en met 4 (Joh. 14:01), een woord uit dezelfde sfeer. Hier stelt men veelal dat de Heer heengaat om voor ‘straks’ een hemelse wo­ning toe te bereiden, op­dat de gelovige bij zijn verscheiden mag zijn waar Hij is.

Dit is (gelukkig) wel waar, maar wie wat dieper graaft in dit prachtige hoofdstuk (in het Volle Evangelie doen wij dat per definitie toch graag?), ontdekt wat anders. Namelijk, dat de Heer Jezus heengaat om ons in de geestelijke wereld een plaats, een woning te bereiden door de doop met de Heilige Geest voor zijn volk te verwerven. Jezus wordt de Doper met of in de Heilige Geest, opdat de met Gods Geest gedoopte nu al zal zijn waar Hij is. Zie de verzen 15 tot en met 20, 23 en 28 van Johannes 14. (Joh. 14:15-28) De christen is nu al met Christus op­gewekt in de hemelse ge­westen geplaatst Efeze 2 vers 6 (Ef. 02:06).

Zijn huis zijn wij

En zo is het ook gesteld met het ‘eeuwig huis’. In Hebreeën 3 vers 6 (Heb. 03:06) zegt de apostel zonder omwegen: ”Zijn huis zijn wij (nu), indien wij de vrijmoedig­heid en de hoop, waarin wij roemen, tot het einde on ver wrikt vasthouden”. Heerlijk toch? Levende stenen van een geestelijk huis, een eeuwig huis.

De Heer leert ons in 2 Korinthiërs 5 vers 1 (2 Kor. 05:01) en in 1 Korinthiërs 15 vers 44 (1 Kor. 15:44) door de apostel dat hoewel wij nu nog in onze aardse tent wonen, wij een ge­bouw hebben, in de he­melen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Is er een natuurlijk lichaam (het huis waarin wij wonen), dan bestaat er ook een geestelijk lichaam (huis).

Uiteraard dringt zich de vraag nu op: Hoe ontstaat dat geestelijke lichaam, dat eeuwige, geestelijke huis dan? Het begin en de ont­wikkeling gaan gelijk op met die van het natuurlijk lichaam. Door bekering en wedergeboorte, de geest van de natuurlijke mens wordt bevrucht door het zaad van het Woord Gods, begint de nieuwe mens te leven. Hij laat zich dopen in water en strekt zich uit naar de Geestesdoop. Dit is de eerste fase van het opstandingsproces.

De ontwikkeling van een volkomen nieuw leven in denken en handelen is begonnen, op weg naar de volwassen mens in Christus. Dat is zo heerlijk dat ook het natuurlijk lichaam daarin deelt. “In­dien de Geest van God, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont” Romeinen 8 vers 11 (Rom. 08:11).

Deze zienswijze van de Heer is uitermate bemoe­digend en heeft verstrek­kende en gezegende ge­volgen. Satan brengt de mens tot zonde, met uit­eindelijk gevolg de dood Romeinen 5 vers 12 (Rom. 05:12). De boze is vanaf het begin gericht op de ondergang van ons natuurlijk en geestelijk huis. Daarentegen richt de Heer ons uitsluitend op een overwinningsleven met Hem over zonde en dood.

“Indien door de overtre­ding van de ene de dood als koning is gaan heer­sen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerech­tigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Chris­tus” Romeinen 5 vers 17 (Rom. 05:17).

De woorden van Jezus

De Heer Jezus maakt een eind aan het getob van mensen over hun natuurlijk huis en de dood. Dat is voor een ieder die horen wil naar Hem. Het is nu de tijd om een geestelijk huis te zijn. Om te zijn als Hij is. Om nu je gees­telijk huis heel bewust te bewonen. Ronduit koste­lijk is zijn Woord: “Voor­waar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij ge­zonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven. Voorwaar, voorwaar, IK zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven” Johannes 5 vers 24 en 25 (Joh. 05:24-25).

Wij zingen graag: ”Glorie voor Jezus, zijn liefde is zo groot, ‘k ben met de Heiland op reis. Dwars door het leven en over de dood, voert Hij ons naar het hemels Paradijs’. En niet meer: ‘dwars door de dood’, want… de Heer zegt: “Voorwaar, voor­waar, Ik zeg u, indien iemand mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen” Johannes 8 vers 51 (Joh. 08:51).

De Heer jubelt het uit: “Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij ge­looft, zal leven, ook al is hij gestorven, en een ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven; ge­looft gij dat?” Johannes 11 vers 25 en 26 (Joh. 11:25-26).

De woorden van Paulus

Wij hebben er al enige van hem gehoord. De apostel baseert zich in alles wat hij schrijft op de woorden van de Heer Jezus en op datgene wat Hij door open­baring ontvangt. Zo schrijft hij: “Ik heb het niet van een mens ontvan­gen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus” Galaten 1 vers 12 (Gal. 01:12).

Daarom kunnen ook wij volledig vertrouwen op de woorden van Jezus, zijn apostelen en profeten. Ze bouwen ons op. Ze ver­troosten en bewaren ons. En alles is gericht op het leven met Jezus. Wij dra­gen het sterven van Jezus in ons, opdat ook het le­ven van Jezus zich in ons openbare 2 Korinthe 4 vers 10 (2 Kor. 04:10).

En mocht het moment aan­gebroken zijn dat wij voor goed ons natuurlijk huis inwisselen voor ons eeuwig huis, dan… ja, dan zijn wij vol goede moed en wij begeren (dan) te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Heer onze intrek te nemen 2 Korinthe 5 vers 8 (2 Kor. 05:08).

Beleef je identiteit

Velen zijn op zoek naar hun aardse, natuurlijke identiteit. Wie ben ik? Gods volk is op zoek naar zijn hemelse, geestelijke identiteit. Het is van rijke betekenis te weten waar je vandaan komt, waar je oorsprong ligt, en waar je naar toe gaat.

Abraham wist dat! Hij wist zich een geroepene uit Ur der Chaldeeën, vertoefde in het land der belofte en verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmees­ter is Hebreeën 11 vers 8 tot en met 10 (Heb. 11:08-10).

En Jezus sprak: “Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga. Ik ben van God uit ge gaan en ge­komen” Johannes 8 vers 14 en Johannes 8 vers 42 (Joh. 08:14 en Joh. 08:42).

En wij weten (ja toch?), dat wij genaderd zijn tot de berg Sion, de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, tot tien- duizendtallen van engelen, tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond Hebreeën 12 vers 22 tot en met 24 (Heb. 12:22-24).

Jubel en juich

Daarom kunnen wij jubelen en juichen, want wij zijn met Christus opgewekt en de dood voert geen heer­schappij meer over ons (Romeinen 6). Christus heeft ons bevrijd van de angst voor de dood Hebreeën 2 vers 14 en 15 en 2 Timoteüs 1 vers 10 (Heb. 02:14-15; 2 Tim. 01:10). In Chris­tus worden allen levend gemaakt 1 Korinthe 15 vers 22 (1 Kor. 15:22).

De laatste vijand, de dood wordt onttroond. “Dood, waar is uw overwinning? Dood, waar is uw prikkel?” 1 Korinthe 15 vers 26 en 1 Korinthe 15 vers 54 (1 Kor. 15:26 en 1 Kor. 15:54). Nu al beschikt Jezus over de sleutels van de dood en het dodenrijk Openbaring 1 vers 18 (Openb. 01:18). De dood gaat naar zijn eind. Dood en dodenrijk worden in de poel des vuurs geworpen. De dood zal niet meer zijn Openbaring 20 vers 14 en Openbaring 21 vers 3 en 4 (Openb. 20:14; Openb. 21:03-04).

 

 

 

Intermezzo

De brug die van één kant kwam door Gerry Velema

Haar huis was in die tijd gevuld met opgroeiende jongens. En een van die jongens leek volkomen te zijn vast gelopen. Wat een problemen. Het kind was zo opstandig en vol agressie. Om hem tot bezinning te brengen mocht hij niet meer aan de gezinstafel eten. Hij at op z’n kamer, tot hij excuus zou maken… Alleen dat excuus kwam niet. Zo gingen voor haar moederhart schrijnende weken voorbij.

Midden in die crisis van haar gezin kwamen een stel tienermeisjes logeren. Heel gezellig, maar het gezinsprobleem kon natuurlijk niet verstopt worden. Op een middag komt een van de meisjes bij haar, serieus en jong oprecht: “Tante let, u moet Wim helpen, u moet hem vergeven wat hij heeft gedaan, en een brug slaan naar hem toe. U bent toch de enige in dit huis die dat kan doen en doet u het ook? God zegt dat we vergeven moeten… “

“Maar hij vraagt helemaal geen vergeving”, probeert ze nog.

Toch moet u het hem vergeven, daar begint het goedkomen mee. De brug wordt soms van één kant gebouwd.

Wat moest ze hier nu van vinden? Een meisje dat zelf amper met het grote leven begon zou haar wel even vertellen (inclusief een opgeheven vingertje) wat zij zou moeten doen?! Maar wat ze er mee deed, was zo veel beter dan zich trots boven het ‘bemoei zuchtige schepseltje’ verheffen. Ze ging ermee naar haar Heer.

En Hij bevestigde al deze woorden in haar hart. Dagen had ze niet geweten wat ze met haar zoon moest doen.

Ze had God  gesmeekt om een antwoord. Hij gaf het haar op Zijn manier.

“De brug wordt soms van één kant gebouwd… beginnend met vergeving… “

Vergeving vroeg ze eerst voor haar eigen hart, wat zich toegesloten en gepantserd had voor haar eigen kind. En toen kon ze bouwen. . .

Ze ging naar haar zoon, ze zocht hem op in de eenzaamheid van zijn kamer. “Ik wil je alles vergeven, Wim. Voor mij is het verleden voorbij en afgedaan”.

Verbouwereerd keek hij haar aan: “Maar, ik heb helemaal geen excuus gemaakt, u helemaal niet om vergeving gevraagd”.

“En toch vergeef ik je. Laten we samen eens kijken hoe we nu alles verder kunnen oplossen”.

Een terechtwijzing van de Heer, via dat tienermeisje. Wie oren heeft, die hore! Het werd een brug die van één kant kwam, maar die de ander zo heel erg nodig had, om over te gaan!

 

Bijbelschool Leeuwarden

Een school, waar door het Woord uw of jouw leven daadwerkelijk kan veranderen. Laat Gods Woord tot leven komen en krachtig worden, door het te gaan toepassen op alle dagelijkse gebeurtenissen in dat leven.

De school van Woord en Daad wil daar concreet bij helpen. Een school voor de praktijk van het leven, – uw leven – jouw leven – maar ook het leven van de buur­man, dichtbij en veraf.

De cursusperiode loopt van oktober t/m april en omvat 30 maandagavonden en 7 zaterdagen.

De school verzorgt ook fundamentencursussen n.a.v. Hebreeen 6 vers 2 (Heb. 06:02), die in een aantal plaatsen in het Noorden gegeven zullen worden als een goede ondergrond voor het volgen van de avondbijbelschool.

Opgave voor deelname aan de bijbelschool of aan de fundamentencursus graag vóór 15 juni.

Verdere inlichtingen bij het secretariaat: Tietjerk.

Wij sturen u op aanvraag graag een overzicht toe van de lessen die gegeven zullen worden en wie deze lessen gaan verzorgen.

redactie

 

Dit is het, zoals Joël sprak door Wim te Dorsthorst

 

“Gij zult kracht ontvan­gen, wanneer de Heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterste der aarde. En nadat Hij dit gespro­ken had, werd Hij opge­nomen, terwijl zij het zagen, en een wolk ont­trok Hem aan hun ogen” Handelingen 1 vers 8 en 9 (Hand. 01:08-09).

Het verstand geopend

De discipelen staren naar de hemel, ze zien hun Heer en Meester heengaan en een wolk onttrekt Hem aan hun ogen, Dit is de tweede keer in korte tijd dat de Heer van hen heengaat. De eerste keer zijn ze diep verslagen en ontgoocheld. Hij is dood’ Als een misdadiger ge­kruisigd en in het graf gelegd. Maar nu, bij de hemelvaart, is dat geheel anders. Ze zijn in een feeststemming en in verwachting van de dingen die spoedig gebeuren zullen.

In het Lucas-evangelie lezen we dan ook van de hemelvaart: “En het ge­schiedde , terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde. En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God” Lucas 24 vers 51 tot en met 53 (Luc. 24:51-53).

Er hebben grote ver­schuivingen plaatsgevon­den in hun denken in de veertig dagen dat de Heer hun verscheen en hen onderrichtte over al­les wat het Koninkrijk Gods betreft. Er is meer aan hen gebeurd in die veertig dagen dan in de voorafgaande drie en een half jaar. Alles wat de Heer hen in die tijd ge­leerd en getoond heeft en gedaan heeft, begint nu op zijn plaats te komen en ze gaan zien hoe de Schriften in alles van Hem spreken en in Hem ver­vuld worden.

Zelfs voor de twaalven gold dat pas na zijn lijden, sterven en opstanding, Jezus hen het verstand kon openen, zodat zij de Schriften begrepen, ver­meldt Lucas 24 vers 45 (Luc. 24:24-25). De apostel Johannes ver­meldt waarschijnlijk het­zelfde feit met de woorden: “En na dit gezegd te heb­ben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest” Johannes 20 vers 22 (Joh. 20:22).

De belofte van de Vader

Nu weten zij wat het zeg­gen wil ‘de belofte van de Vader’ te zullen ontvan­gen. Nu verstaan zij wat Jezus allemaal verteld heeft over het huis van zijn Vader, over de weg, de waarheid en het leven en de Trooster, die de Heilige Geest is (Johannes 14). Zij begrijpen nu de woor­den: “Doch Ik zeg u de waarheid: Het is beter voor u, dat Ik heenga. Want indien Ik niet heen­ga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden” Johannes 16 vers 7 (Joh. 16:07).

Toen Jezus deze woorden sprak, droeg de draagwijdte ervan nog niet tot hen door. Hoe kon het nu beter zijn, dat Hij weg­ging? Hij had alles in zich om van Israël weer een welvarend Koninkrijk te maken. Nu is hun ver­stand geopend en ver­wachten ze de Trooster.

Daarom zijn ze zo verblijd en volhardend en een­drachtig in gebed bijeen. De oogst van het werk van Jezus, honderd en twintig mensen, zijn bij elkaar in de ‘schuur’ ver­zameld. Pinksteren is het oogstfeest, het weken­feest, vijftig dagen na – Pasen.

Als de Pinksterdag dan aanbreekt worden ze niet overrompeld, maar zijn ze volkomen voorbereid op de komst van de Heilige Geest en wat dat in hun leven teweeg zal brengen.

 

De Heer had immers ge­zegd: “Gij zult met de Heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze”. En: “Gij zult kracht ontvangen, wan­neer de Heilige Geest over u komt” Handelingen 1 vers 5 en Handelingen 1 vers 8 (Hand. 01:05 en Hand. 01:08).

Het wonder van Pinksteren

“En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen te­zamen bijeen. En eens­klaps kwam er uit de he­mel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waai’ zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de Heili­ge Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken” Handelingen 2 vers 1 tot en met 4 (Hand. 02:01-04).

Er is plotseling een geluid als van een hevige wind­vlaag. In Handelingen 17 vers 25 (Hand. 17:25) wordt ditzelfde woord vertaald met ‘Adem’. De Adem des Heren, de Geest Gods, daalt van de hemel neer en vult het gehele huis. Er vertonen zich tongen als van vuur die zich verdelen en zich op een ieder van hen zet. Het is niet een collectief gebeuren, maar zo worden ze allen heel persoonlijk, vervuld met de Heilige Geest en daardoor worden, zij tot één lichaam Efeze 4 vers 3b (Ef. 04:03b). Wat een geweldige gebeurtenis!

Wat ze allemaal gevoeld en ervaren hebben, hoe ook hun emoties een rol gespeeld hebben, staat niet beschreven. Maar wel blijkt dat alle angst en vrees weg is en ze met grote vrijmoedigheid naar buiten treden en ze voor iedereen luid en duidelijk in andere talen spreken, zoals de Geest het hun geeft uit te spreken.

Voor de menigte, die op het geluid van de wind maar zeker ook op het geluid van hen die in tongen spreken, afkomen, lijkt het op het eerste gezicht wat wanordelijk. Honderdtwintig mensen die daar allemaal in ande­re talen staan te spreken. Maar het is geen wanorde, maar Gods orde. Het is als een symfonieorkest wat volmaakt harmonisch speelt.

De Heer heeft alles in de hand en leidt de mensen, door dat geluid, precies daarheen waar ze zijn moeten. En de Heer zorgt voor het wonder dat een ieder in zijn eigen taal hoort spreken over de grote daden Gods. Jesaja had het al geprofeteerd: “Voorwaar, door mensen die een onverstaanbare taal spreken en in een vreemde tongval zal tot dit volk spreken, Hij, die tot hen gezegd heeft: Dit is de rust, en dit is de verademing, maar zij wil­den niet horen” Jesaja 28 vers 11 en 12 (Jes. 28:11-12).

De vervulling van de profetie

Letterlijk gaat deze pro­fetie in vervulling. De toehoorders zijn buiten zichzelf van verwondering en geheel met de zaak verlegen, want door die vreemde talen hoort een ieder in zijn eigen taal wat de Heilige Geest tot hen wil spreken. De nieu­we tijd, het nieuwe ver­bond in Jezus Christus, wat de mens binnen brengt in de rust, wordt verkon­digd op een bovennatuur­lijke wijze.

Jesaja zegt door de Heilige Geest: “Maar zij wilden niet horen”. O ja, ‘een deel heeft gehoor gegeven, drieduizend op die eerste dag Handelingen 2 vers 41 (Hand. 02:41), maar het overgrote deel heeft inderdaad niet willen ho­ren. Al heel spoedig slaat de verwondering en goede gezindheid (Hand. 02:47) om in haat en vóór Stefanus gestenigd wordt, zegt hij: “Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u al­tijd tegen de Heilige Geest, gelijk uw vaderen, zo ook gij” Handelingen 7 vers 51 (Hand. 07:51).

Ook zijn er op die eerste Pinksterdag al spotters die dit wonderbaarlijke spreken van de Heilige Geest afdoen met: ’dronkenman gepraat’ Handelingen 2 vers 13 (Hand. 02:13). Zij die niet willen horen. verstaan er niets van en worden niet diep getroffen in hun hart door dit grote wonder. Zij verstaan niets van de gro­te daden Gods die door de Heilige Geest verkondigd worden.

Wie mag zich christen noemen?

Het hele Pinkstergebeuren is al heel spoedig verdwe­nen en is nu voor velen geworden tot een theolo­gisch vraagstuk. Hoeveel boeken zouden er al geschreven zijn over dit Pinkstergebeuren door mensen die zelf niet eens de Heilige Geest hebben ontvangen? Hoeveel predi­kanten zullen op de Pinksterdag spreken over Pinksteren en zelf niet eens weten wat het zeggen wil door de Geest in ande­re talen te spreken?

Wat heeft de vader der leugen, de duivel, het de mensen ingepeperd dat het alleen was voor toen en niet voor nu! Theologen vinden het al moeilijk te verklaren dat het ook nog in Handelingen 8, 10 en 19 voorkomt. Hoeveel christenen beginnen niet te steigeren als je iets van Pinksteren zegt? En het spreken in nieuwe tongen of talen wordt helaas door velen als iets duivels gekenmerkt. Dronkenman gepraat!

Op grond waarvan noemen mensen zich dan toch christenen? Wij kennen: rooms-katholieke christe­nen, protestantse christe­nen, evangelische christe­nen, charismatische chris­tenen, pinksterchristenen, volle evangelie christenen, enzovoort. Met Paulus zou ik willen zeggen: “Is Christus dan gedeeld?” 1 Korinthe 2 vers 13 (1 Kor. 02:13). In de Bijbel lezen we dat een man, Barnabas ge­naamd, in Antiochië men­sen tot discipelen van Jezus Christus maakt. Er staat van hem: “Hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van ge­loof” Handelingen 11 vers 24 (Hand. 11:24).

De mensen van die ge­meente werden voor het eerst ‘christenen’ genoemd Handelingen 11 vers 26 (Hand. 11:26, omdat ze van Christus waren, ge­doopt in de Heilige Geest. Paulus leert, dat iemand die de Heilige Geest niet heeft, niet aan Christus toebehoort Romeinen 8 vers 9 (Rom. 08:09).

Hij zegt hier dus niet – en dat zeg ik ook niet – dat mensen die niet ge­doopt zijn in de Heilige Geest verloren gaan, maar het is de enige Bijbelse grond, waarop men zich christen kan noemen. Er is maar één soort christenen en dat zijn de wedergeborenen, die ver­zegeld zijn met de Heilige Geest der belofte. De be­lofte des Vaders waar Je­zus van sprak Handelingen 1 vers 4 en 5; Efeze 1 vers 13 en 14; Efeze 4 vers 3 tot en met 6 (Hand. 01:04-05, Ef. 01:13-14; Ef. 04:03-06).

De eeuwige woning van God

Wat zijn er helaas ook ve­len die kijken naar Israël en naar het Jeruzalem in het Midden-Oosten. Vanaf Pinksteren gaat het niet langer om een land, een stad, een tempel op aar­de, maar in de hemel.

In Psalm 68 vers 17 en 18 (Ps. 068:017-018) lezen wij: “Waarom ziet gij afgunstig, gij veel toppige bergen, naar de berg die God zich ter woning begeerde?

Waarlijk, de Here zal er voor eeuwig wonen. Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, duizenden bij duizenden; De Here is van de Sinaï het heiligdom binnengegaan”.

De Heer is niet langer in de schaduwbedeling. “De Allerhoogste echter woont niet in wat men met han­den maakt”, zegt Stefanus Handelingen 7 vers 48 en Handelingen 17 vers 24 en 25 (Hand. 07:48; Hand. 17:24-25).

De berg Gods is niet meer de berg Sinaï’ of de berg Sion op aarde, maar in de hemel. Het is een geeste­lijk volk dat God dient met zijn geest in het evangelie van zijn Zoon Romeinen 1 vers 9 (Rom. 01:09). In de harten van die men­sen woont God. Dat is het Heiligdom waar Hij voor eeuwig zal wonen.

De Sinaï’ was het verbond op aarde op tafelen van steen, maar Jezus Christus, God eniggeboren, heeft door zijn éne offer voor altijd hen volmaakt gerei­nigd die geheiligd worden. En dan in de verkondiging door de Heilige Geest:

“Dit is het verbond, waar­mede Ik Mij aan hen ver binden zal na die dagen, zegt de Here: Ik zal mijn wetten in hun harten leg­gen en die ook in hun verstand schrijven en hun zonden en ongerechtighe­den zal Ik niet meer ge­denken” Hebreeën 10 vers 16 en 17 en Jeremia 31 vers 33 en 34 (Heb. 10:16-17; Jer. 31:33-34).

Dit is het nieuwe en enige en eeuwige verbond wat voor God rechtskracht heeft. En dan legt de Heer niet de oudtestamentische wetgeving in ons hart maar de wet van de Geest, “dat is de volmaakte wet, die der vrijheid”, zegt Jakobus 1 vers 25 (Jak. 01:25). Het is de existentiële wet van God en Jezus Christus zelf, hun bestaanswetten, hun wezen, het eeuwige leven 1 Johannes 1 vers 2; 1 Johannes 5 vers 20 (1 Joh. 01:02; 1 Joh. 05:20). Jezus sprak: “Indien iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn Vader zal hem lief­hebben en Wij zullen tot hem komen en bij hem wo­nen” Johannes 14 vers 23 (Joh. 14:23).

Waar de profeet Joël over sprak

Dit is Pinksteren! De mens is de tempel van God ge­worden.

Zijn huis zijn wij! 1 Korinthe 3 vers 16; Hebreeën 3 vers 6 (1 Kor. 03:16; Heb. 03:06). God is thuis gekomen in zijn woning, in zijn heilig­dom , die door zijn Zoon, Jezus Christus, daarvoor is toebereid. Hij zal daar voor eeuwig wonen!

Daarom zegt Petrus in Handelingen 2 vers 16 tot en met 18 (Hand. 02:16-18): “Dit is het waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezich­ten zien, en uw ouden zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknech­ten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren”. Glorie voor God en Jezus Christus!

 

 

 

Hoe heiligen wij Gods naam? door Tea Keuper-Dijk

 

Heilig is volmaakt

Wat is heilig? Heilig is volmaakt! God is een vol­maakt God, die volmaakte dingen geschapen heeft, die Hij eerst met volmaak­te gedachten bedacht. Dit is iets om eens rustig op je in te laten werken.

Na de zondeval, door on­gehoorzaamheid en hoog­moed tot stand gekomen, heerste de overste dezer wereld, satan, die macht kreeg op aarde, doordat hij mensen verleidde tot zonde, het ongehoorzaam zijn aan God, de Schep­per.

Maar God bleef en blijft de Almachtige. In hemel en op aarde, prijst Zijn Naam! Als wij onze keuze hebben gemaakt en Hem willen dienen, dan gaan we ook, net als Jezus eens bad, Zijn Naam heiligen. Wij belijden daar­mee: U bent volmaakt. Wij schrijven u niets ongerijmds toe, U hebt het goede met Uw schep­ping voor, U wilt het Le­ven en het Licht voor de mensen.

Door de eeuwen heen heb­ben volkeren Gods Naam ontheiligd. Zij hebben individueel of in groepen de Naam van God en ook van Zijn Zoon gelasterd en besmeurd. God dingen toegeschreven, die Hij niet deed, maar die Zijn vijand teweeg bracht, als loon voor de zonde, die de mensen deden. Ook viel Gods vijand de schep­ping wetteloos aan, zon­der reden.

Kennis van God

Het is zo belangrijk dat we door Gods Woord te lezen dit (her)ontdekken. Juist de christenheid. Er is zo weinig échte kennis van God. In de gemeente waartoe ik behoor werden we enige tijd geleden be­paald bij Ezechiël 36 en ook aangespoord dit hele Bijbelboek eens door te lezen in verband met de profetische gaven van Ezechiël, die hij in veel creatieve beelden aan het volk bracht. En we hoor­den een opbouwend woord over de verzen 33 tot en met 38.

Ikzelf werd bepaald bij de laatste verzen, waarin God Ezechiël laat zeggen dat God herbouwd en be­plant heeft, dat Hij het volk talrijk maakt en dat de verwoeste steden weer vol mensen zullen zijn. En zij zullen weten dat Ik de Heer ben. God herstelt het verwoes­te, God herbouwt de puinhopen, God geeft een hof van Eden!

Als we dit weer gaan le­zen en ontdekken, als we bemerken dat er een smaad op Gods Naam heeft gelegen, doordat mensen God niet kennen uit Zijn

Woord en Zijn werken, dan moeten wij het vol­gende doen: Bidden om mensen, die de waarheid willen horen, bidden dat onze voeten geschoeid zijn met de bereidvaardig­heid van het evangelie des vredes.

Gods daden doen

Wij zullen moeten opkomen voor Zijn heilige naam. We behoeven Hem niet te verdedigen, maar we zul­len de leugens, die zo vaak over Hem worden verteld, zelfs door chris­tenen (!) moeten ontmas­keren. In 2 Timotheüs 2 vers 24 (2 Tim. 02:24) staat het zo: “Een dienstknecht des Heren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens al­len, bekwaam om te on­derwijzen, geduldig, met zachtmoedigheid de dwars­drijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren en, ontnuchterd, zich te wen­den tot de wil van Hem, los gekomen uit de strik des duivels, die hen ge­vangen hield” .

Waar we kunnen, waar de Geest ons mogelijkheden geeft, zullen we als Gods kinderen de Naam van onze God heiligen. We zullen Hem de eer geven, die  Hem toekomt; uit de rech­te kennis van Hem (en die moeten we verwerven door Zijn Woord te lezen! ) zullen we, net als onze Voorganger, Jezus Chris­tus, de daden doen, die Hij deed en Jezus belooft ons zelfs: nog grotere! Geen wonder dat de aartsleugenaar gezorgd heeft, dat Gods Naam werd ontheiligd en uitge­wist onder de mensen. Dat hij het Woord ontoe­gankelijk maakte bij de gewone mens en macht voorstelde en geld, in plaats van de Geest van God!

Jezus geeft ons de sleu­tels van het Koninkrijk der hemelen, waarmee wij in Gods schatkamer mo­gen binnengaan. Vandaar- uit kunnen wij uitdelen aan alle gebrokenen van hart, de treurenden en verbrijzelden! Wie zo ze­genend en helend bezig is heiligt daarmee de Naam van onze God en maakt het waar wat wij zingen in een lied: Mijn God heerst!

 

 

 

Ook voor deze tijd door redactie

Nog steeds zijn er gelovigen die menen dat de doop met (of in) de Heilige Geest een aangelegenheid voor vroeger was. De tijd van Handelingen 2 is definitief voorbij, redeneert men dan, waarbij men vergeet dat het toen juist begon en doorgaat tot op de huidige dag. Toen Jezus op de laatste dag van het Loofhuttenfeest, sprak over de Heilige Geest, die komen zou, zei Hij: “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”. Daarbij had Hij niet alleen de mensen op het oog die in Zijn tijd leefden. Hij blijft immers onveranderlijk Dezelfde. “Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde”, zegt Hebreeën 13 vers 8 (Heb. 13:08). De Heilige Geest is ook vandaag beschikbaar voor allen die werkelijk geloven en door God gebruikt willen worden in Zijn dienst!

 

1988.04 nr. 291

Levend geloof 1988.04 nr. 291

De waarde van het volle evangelie door Gert Jan Doornink

Het evangelie is een kracht Gods

Wanneer Paulus in Romeinen 1 vers 16 (Rom. 01:16) schrijft dat het evangelie een kracht Gods tot behoud is voor ieder die gelooft, is hij er diep van doordrongen hoe waar dat is. Hij heeft het immers in zijn eigen leven op machtige wijze ervaren. Lees het verhaal van zijn bekering in Handelingen 9 er maar op na. Van een vervolger van de gemeente van Christus, werd hij uiteindelijk een toegewijd apostel en tot vandaag toe is datgene wat hij schreef in zijn brieven nog van grote en positieve betekenis voor ieder kind van God.

Nu kan men opmerken: ja, dat was Paulus, hij was een uitzondering…, maar dan gaat men voorbij aan het geweldige feit dat Gods liefde niet beperkt is tot redding en verandering van de enkeling, maar dat Hij alle mensen op het oog heeft Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16). Paulus zelf merkt dit trouwens ook al op, als hij spreekt over het evangelie als de kracht Gods, zegt hij er in niet mis te verstane woorden bij: “voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek”. Petrus drukt het zo uit: “God wil niet dat sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen”  2 Petrus 8 vers 9b (2 Petr. 08:09b). En aan Timotheüs schrijft Paulus dat “God onze Heiland, wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen” 1 Timoteüs 2 vers 4 (1 Tim. 02:04).

Let speciaal ook op deze laatste opmerking. Wie alleen maar weet ‘gered te zijn voor de eeuwigheid’ en de doorwerkende kracht van het evangelie in zijn leven mist, beantwoordt uiteraard niet aan het doel wat God met ieder mens voor ogen heeft: de totale omvorming naar het beeld van Jezus, het openbaar worden als zoon van God, zodat wij, evenals Jezus, het karakter en wezen van de Vader tot openbaring brengen. Daarom is het ook zo belangrijk door welk evangelie we ‘gevoed’ worden, opdat we door gezonde geestelijke groei het volwassen stadium in Christus zullen bereiken.

Door welk evangelie worden wij gevormd?

Er zijn talrijke vormen van evangelieverkondiging. Wij denken nu niet aan de verschillende wijzen waarop het evangelie gebracht wordt, die uiteraard legio zijn, maar vooral aan de inhoud. Wat wordt er gepredikt? Benadert de evangelieprediking de werkelijke bedoeling van God? Of is het een verminking of surrogaat van het oorspronkelijke evangelie?

Reeds in de dagen van de eerste christengemeenten was dit een onderwerp van discussie. Paulus was bijvoorbeeld verbaasd dat de Galaten zich zo vlug lieten overhalen om in een ‘ander evangelie’ te gaan geloven. “Dat is geen evangelie”, schrijft hij zeer resoluut en radicaal Galaten 1 vers 6 (Gal. 01:6). Paulus wist dat er maar één evangelie was: het evangelie dat Jezus bracht en door de apostelen werd overgenomen. Hij had zelf de grote waarde van dit evangelie leren kennen. Hij wist – en ook wij mogen het weten – dat dit evangelie de mens werkelijk verlost uit satans macht en hem het nieuwe leven in Christus leert kennen. Iedereen die consequent op dit evangelie ingaat, wordt geheel omgevormd naar het beeld van Jezus, want het hoofdkenmerk van dit evangelie is dat het niet alleen een beginpunt heeft, maar ook een einddoel: de volkomenheid in Christus.

In onze tijd is er een grote verscheidenheid van evangelieprediking. We durven rustig te stellen dat veel evangelieprediking niet beantwoordt aan de bedoeling van God. Daarbij denken wij aan de vele niet-wedergeboren theologen, die zelfs niet het recht hebben het evangelie te brengen, want hoe kan men prediken zonder gezonden te zijn? Romeinen 10 vers 15a (Rom. 10:15a). Dan zwijgen we nog maar over de inhoud van hun evangelieprediking. Maar ook binnen de werkelijke gemeente van Christus is er een scala van verschillen wat betreft de inhoud. Veel verwarring wordt veroorzaakt door een gedeeltelijke of verminkte prediking van het evangelie. Vandaar dat er zoveel dwalingen binnen de gemeente van Christus voet aan de grond hebben gekregen. Vele gelovigen blijven in een beginstadium steken, leren geen overwinningsleven kennen en vallen soms geheel terug.

De boodschap van het volle evangelie – of zo men wil de boodschap van het koninkrijk der hemelen, de boodschap van het geestelijk Koninkrijk – zoals Jezus die bracht, is de énige boodschap die hierin verandering kan brengen. Het is het evangelie dat de ‘kracht Gods’ in zich heeft. Het haalt de gelovige uit de verwarring en schept duidelijkheid. De aanvaarding en beleving van dit evangelie roept een halt toe aan de infiltraties uit het rijk der duisternis en veroorzaakt geestelijke groei, zodat het volwassen stadium in Christus bereikt wordt en er een einde komt aan het “heen en weer geslingerd worden onder invloed van allerlei wind van leer” Efese 4 vers 14 (Ef. 04:14).

Het beste wat God wil geven!

Wanneer er een werkelijk verlangen aanwezig is om een stabiele, overwinnende christen te worden, zal men deze boodschap niet afwijzen, maar volledig aanvaarden. En dat is wat we in deze (eind)tijd nodig hebben. Met minder kan geen enkele christen toe. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat er nog zovelen binnen de gemeente van Christus zijn die een aversie hebben tegen de volle evangelie boodschap. Waarom zullen we het beste wat God te bieden heeft afwijzen? Waarom genoegen nemen met een ‘half’ of ‘gedeeltelijk’ evangelie, terwijl het ‘volle’ beschikbaar is?

Nu weten wij dat de afwijzing van het echte evangelie soms veroorzaakt wordt door onkunde. Men heeft er nog niet eerder van gehoord. In die gevallen geldt: Aanvaard de volle boodschap, ontdek de waarde van het evangelie van het Koninkrijk! Het is in dit verband duidelijk dat allen die de boodschap van het volle evangelie hebben leren kennen in dit opzicht een geweldige taak hebben. Zij dragen de verantwoordelijkheid dat deze boodschap niet verborgen blijft, maar door woord en daad verkondigd wordt! Dat betreft niet alleen hen die nog in ‘de wereld’ leven, maar geldt ook ten aanzien van die christenen die op een bepaald punt zijn blijven steken en niet doorgegroeid zijn naar geestelijke volwassenheid. Het is Gods wil dat Zijn heerlijkheid in al Zijn kinderen tot openbaring gaat komen. Daarom vraagt Hij aan allen die de waarde van het volle evangelie hebben leren kennen, dat zij dit niet onder stoelen of banken steken, maar vrijmoedig uitdragen. Dit is mogelijk door de doop en vervulling met de Heilige Geest. Dan kunnen wij standhouden tegenover de soms felle tegenstand uit het rijk der duisternis en worden wij niet ontmoedigd als niet iedereen de boodschap die wij uitdragen wil accepteren.

Wie eenmaal de volle rijkdom en heerlijkheid van het evangelie heeft leren kennen, groeit uit tot een christen die ‘volharding, trouw en toewijding’ als hoofdkenmerken in zich heeft. Het evangelie wat hij heeft leren kennen is hem immers meer waard dan alle kostbaarheden van deze wereld. De apostel Johannes schreef: “De wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid” 1 Johannes 2 vers 17 (1 Joh. 02:17). En God heeft Zijn wil geopenbaard in het evangelie zoals Jezus dat bracht, radicaal en zonder compromis. Jezus toonde de grote waarde van dit evangelie aan, door het waardeloze van de schijn-godsdienst aan de kaak te stellen en door te openbaren dat God ’het goede, welgevallige en volkomene’ voor ieder mens wil Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

De discipelen waren de eersten die de werkelijke waarde van het evangelie leerden kennen en in de loop der eeuwen zijn velen in hun voetsporen gevolgd. Nu is het de beurt aan ons om te ontdekken en te beleven hoe waardevol het evangelie van Jezus Christus is. Waardevol voor onszelf, waardevol voor anderen, waardevol voor iedereen die zich daarvoor openstelt, want – zoals Paulus reeds schreef aan Titus – de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen!

 

Mededelingen door redactie

Klaas Goverts is verhuisd

Deze maand vond de verhuizing plaats van de familie Goverts naar Zwaag bij Hoorn in Noord Holland.

Anonieme brief

Wij ontvingen een uitvoerige brief van een zuster die anoniem wenst te blijven en verzocht er in “Levend Geloof” op te reageren. Zoals wij reeds eerder schreven gaan wij niet in op anonieme brieven. Er is geen enkele reden om naam en adres niet te vermelden, want iedere brief wordt door ons vertrouwelijk behandeld.

Het merkteken van het beest

Het artikel onder de titel “Het merkteken van het beest” van Evert van de Kamp, in het maartnummer van “Levend Geloof”, heeft veel aandacht getrokken. Op duidelijke wijze werd uitgelegd hoe de scheiding der geesten zich voltrekt en reeds thans in volle gang is. Er zijn nog een beperkt aantal exemplaren beschikbaar voor hen die het maartnummer met dit artikel willen verspreiden. Bij afname van 10 exemplaren en meer is de prijs slechts f 1,25 per exemplaar (exclusief Portokosten). Deze afnameprijs geldt trouwens voor ieder nummer van Levend Geloof . Bestellingen – ’t liefst schriftelijk – bij de administratie van “Levend Geloof”.

 

Voorjaar (gedicht) door Tea Keuper Dijk

Wanneer begint het, hoe en waar…

Hoe wordt het eig’lijk openbaar?

j’ Ontdekt ineens: Het komt eraan:

De winter is voorbij gegaan!

 

Je ziet het ’t eerste aan de bomen,

waaraan de knoppen kleev’rig komen;

en waar je bollen had gepoot,

daar komen bloemen, blauw, geel rood.

 

De hyacint, de narcis, tulp,

ze kruipen vrolijk uit hun schulp.

De bomen groenen, menig kruid

en heester komen aarz’lend uit.

 

Een blij boeket van bloemen bloeit,

terwijl de wind met wolken stoeit;

en vogels vliegen – en ze fluiten,

je hoort ze ’s morgens al vroeg buiten.

 

Het voorjaar wordt weer blij begroet,

de milde zon doet ieder goed.

Ontdek d’ ontwakende natuur,

pluk dit getij van uur tot uur!

 

Innerlijke schoonheid door Klaas Goverts – 1 –

“De God der góden, de Here, spreekt en roept de aarde, vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat. Uit Sion, de volkomen schoonheid, verschijnt God in lichtglans” Psalm 50 vers 1 en 2 (Ps. 050:001-002).

Schoonheid hoort bij het wezen van God

Dit is een woord dat mij in de afgelopen tijd bijzonder heeft aangesproken en dan speciaal dat tweede vers, waar iets gezegd wordt over Sion. Er wordt daar gesproken over het verschijnen van God in lichtglans. Ik vind het zo mooi dat daar dan staat, wat Sion gaat worden: de volkomen schoonheid. En schoonheid is ook één van de kenmerken van God en een aspect van het evangelie. Want God wil in ons leven werken dat de schoonheid terugkomt en dat we daar oog voor gaan krijgen. We mogen het ook beschouwen als een vrucht van de Geest.

Psalm 50 spreekt over de aarde (“vanwaar de zon opgaat tot waar zij ondergaat”), maar ook over de hemel (“zijn gerechtigheid”, vers 6). Als je kijkt naar de eerste bladzijde van de Bijbel, toen God alles maakte, staat er tot zeven keer toe: “en God zag dat het goed was”. De zevende keer staat er zelfs dat het zéér goed was. En dan kijk je naar die schepping, naar al die werken van God en dan treft het je zo dat het allemaal zo mooi is. God heeft de schepping gemaakt in een fantastische schakering: een veelkleurigheid. God heeft het niet gemaakt in ‘zwart-wit’ omdat dat dan voordeliger zou zijn, maar God heeft Zijn hele hart en Zijn hele wezen in die schepping gelegd.

Als die schepping nu zo mooi is, hoe moet God dan wel zijn!? Dan moet schoonheid ook één van de wezenskenmerken van God zijn, want aan Zijn werken ontdek je hoe Hij is. Uit Zijn werken kunnen we Hem kennen. En als je met God verbonden wordt, ga je daar meer oog voor krijgen. Er was een tijd in mijn leven toen zag ik dat gewoon niet. Dan kon ik door de natuur lopen en als iemand dan zou zeggen: Wat heb je nu gezien?, zou ik gezegd hebben: Ik weet het niet. Maar langzamerhand ga je Gods schoonheid ontdekken en ga je zien hoe prachtig die lente is, hoe schitterend dat voorjaar is en hoe God daar Zijn veelkleurigheid ingelegd heeft.

Wat staat er nu in deze Psalm over Sion? Dat het een volkomen schoonheid gaat worden, dus dat gaat weer terugkomen. Vanuit de volmaakte schoonheid van Sion gaat God dan verschijnen. In het Hebreeuws lijken de woorden ‘schoonheid’ en ‘verschijnen’ ook wat op elkaar, dus dat hangt heel diep met elkaar samen. Als die schoonheid er is, dan kan God ook verschijnen in lichtglans. God werkt er naartoe dat de gehele aarde weer een toonbeeld gaat worden van Zijn schoonheid.

De aantasting van Gods schoonheid

Aan de andere kant zien wij ook dat daar waar het rijk der duisternis werkt, ook de schoonheid verdwijnt. Ik sprak onlangs met een broeder die een paar weken in Ivoorkust was geweest. Hij zei: we hebben daar een zendeling en we wilden dat werk zelf ook wel eens bekijken. Weet je wat hem het meest getroffen had in dat land? De vuilheid! De mensen geven er ook niet meer om. Al het vuil gooien ze gewoon op straat, voor zover er dan nog een straat is. En dat blijft daar maar liggen in de zon, in de hitte. Het ongedierte loopt erdoor en de geiten en de kippen en niemand vindt dat ongewoon.

Het merkwaardige is dat dat gebrek aan schoonheid doorwerkt in zo’n hele cultuur en zelfs in de gemeente. Niemand komt bijvoorbeeld op tijd. Als het tijd is om de zangdienst te beginnen, zit er anderhalve man in de zaal. Pas tegen het eind van de preek zit de zaal vol. Laten we ons eens voorstellen hoe frustrerend het is om zo te werken. Daar zit een eeuwenlange beïnvloeding van de duisternis. Ze leven slordig en je vindt dat ook weer terug in hun geestelijk leven. Overspel vinden ze ook heel gewoon, dat is niets bijzonders. Ook in de gemeente, het is een heel proces om dat eruit te krijgen. Het is een voortdurende worsteling om de mensen proberen te veranderen en hun ogen te openen voor de schoonheid van God.

We zien dat op het ogenblik in Nederland ook. Het is een kenmerk van het heidendom. Nederland is ook niet meer zo schoon als het vroeger was. Een praktisch voorbeeld: Wij wonen in een flat. Als je daar eens omheen loopt en je kijkt wat mensen daar allemaal neergooien. . . Of kijk eens in de berm van een snelweg. Dan zeg ik: kijk dat is een teken van heidendom, een symptoom van onverschilligheid. Wat kan het ons schelen wat daar ligt, ik gooi het neer, ik loop door en het is van mij af. De mens geeft er niet meer om. Hij is niet betrokken bij de wereld om hem heen. Ik geloof dat als een mens slordig is en het kan hem allemaal niets meer schelen hoe het er om hem heen uitziet, dit ten diepste een teken van zelfverwerping is.

Van zelfverwerping tot innerlijk herstel

Je verwerpt jezelf. Je hebt nog niet de waarde ontdekt wie je bent. Je kunt het zelfs zien op de manier waarop iemand zijn huis heeft ingericht, in hoeverre hij innerlijk hersteld is. Als iemand zijn huis slordig inricht en overal ligt maar troep, dan hoef je zo ’n persoon niets te verwijten, maar je kunt wel denken; die is innerlijk nog niet helemaal genezen. Ik kan nog een stap verder gaan. Je kunt het zelfs zien aan de manier waarop iemand zich kleedt. Als hij zichzelf heeft ontdekt en zichzelf heeft leren waarderen, dan zal dat ook tot uitdrukking komen op de manier waarop hij eruit ziet. Dan heb je respect voor jezelf. Ook dat is één van de fundamenten van het evangelie! Als Jezus tot een mens komt dan gaat Hij hem allereerst leren om weer eerbied te krijgen voor zichzelf.

Ik denk aan die man in Gardara, die bij Jezus komt. Ze hadden alles geprobeerd om hem te binden, om hem weer in het fatsoen te krijgen, maar niets hielp. De ketenen trok hij stuk en – heel typerend – de machten dreven hem naar de graven. Hij kwam in het klimaat van de dood en het dodenrijk terecht. En wat doet Jezus? Hij maakt hem los. Hij haalt hem uit die geestelijke banden. Dan lezen wij dat ze hem zagen zitten, gekleed en goed bij zijn verstand! Dat treft mij bijzonder. Dat is zo belangrijk, want die man wordt niet alleen leeggemaakt van machten – dat is één ding – maar hij wordt ook vervuld met eerbied voor zichzelf! Hij gaat weer ontdekken wie hij is. Hij krijgt zijn waardigheid terug.

Dat is een kernpunt door het evangelie heen. Hij zit daar gekleed, hij heeft weer een mantel aan, je kunt weer met hem voor de dag komen. En dan zegt Jezus: “Ga terug naar de uwen”. Die had hij dus kennelijk. Hij had blijkbaar mensen die bij hem hoorden. Hij wordt teruggeplaatst in de stad, in het verband waarin hij thuishoort. Waarom kan hij dat? Omdat hij weer ontdekt heeft wie hij is. Toen hij nog in de duisternis zat en Jezus hem vroeg: “Hoe is uw naam?”, kon hij dat niet eens zeggen. Daar lag zijn diepste pijn. Hij kon niet eens zijn eigen naam meer zeggen, hij wist niet meer wie hij was. Dan komt het antwoord: “Onze naam is legio (legioen), we zijn met velen”. Maar dat was zijn naam niet, dat was de naam van de krakers, van de bezetters die zijn levenshuis in hun greep hadden. Daar zie je dan de diepste pijn van de mens, dat hij zijn eigen naam niet meer weet.

Het einddoel van het geloof

Daarom gaan we nu naar een tekst uit de eerste brief van Petrus. Van daaruit wil ik dan eens met u nadenken over vers 8 (1 Petr. 01:08), dat gaat dan over de openbaring van Jezus Christus: “Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde”. Maar nu komt het, waarom verheug je je nu? Want ook dat is belangrijk om te weten. In de Bijbel verheug je je altijd met opgave van redenen. Dus niet zomaar: ik ben blij dat ik zo blij ben… Vers 9 (1 Petr. 01:09)vertelt ons de reden: “Daar gij het einddoel des geloofs bereikt”. Dus het geloof heeft een einddoel. Dat is al een hele ontdekking. En dan te bedenken dat Petrus zegt dat je het ook nog bereikt!

Maar wat is dan het einddoel? Dat gaat hij er ook bij vertellen: Dat is de zaligheid der zielen.

Dan zegt vers 10 (1 Petr. 01:10): “want naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten”. Van Mozes af. Dus daar kun je het allemaal in terug vinden, vanaf Genesis, daar zit het al in. Maar wat stellen wij ons nu voor bij die ‘zaligheid der zielen’? Het is iets waar je gemakkelijk over heen leest en dan denk je: ja het zal wel mooi zijn. Onuitsprekelijke vreugde, verheerlijkte vreugde zelfs. En zaligheid zal ook wel fijn zijn! Maar ik denk dat je er toch meer aan hebt als je er op door gaat en je eens gaat afvragen: wat bedoelt Petrus daar nu mee? Wat is je ziel?, daar moeten we dan mee beginnen. De zaligheid van je ziel. Als mensen de Bijbel lezen geeft dat woord ziel nogal wat misverstanden.

De Bijbel ziet de mens als eenheid

Eén van de dingen die ik de laatste tijd steeds meer ben gaan ontdekken is dat de Bijbel de mens zien als een eenheid. Het gaat er om dat wij weer een eenheid worden. Wat het rijk der duisternis doet is de mens uit elkaar halen. Die breekt alles kapot, alle verbanden worden stuk gemaakt en de mens wordt van binnen uit elkaar gehaald. Het is niet voor niets dat de tegenstander ‘duivel’ genoemd wordt, want duivel – diabolos – betekent letterlijk: de uiteenwerper. Dit geeft precies weer wat hij doet: hij gooit de boel uit elkaar, hij gooit de mens van binnen uit elkaar en dat kun je soms heel duidelijk zien.

Ik las een tijd geleden een boek over kinderen die innerlijk verwond waren. Het was niet specifiek een christelijk boek, maar het was helemaal geschreven door iemand vanuit de psychiatrie. Daar kun je soms een hoop van leren. Er was een kind en als dat kind tekeningen maakte dan zeiden ze tegen hem: nu moet je eens een mens tekenen. Dan tekende hij bovenaan het          papier een hoofd, los ervan tekende hij ergens een arm, weer ergens anders een been. Zo         tekende hij een mens.

Waarom deed hij dat? Dat was precies zoals hij zichzelf voelde, hij had ook het gevoel dat hij in stukjes lag. Hier een stukje van me, daar een stukje en hij had zelfs het idee dat iedereen een stukje van hem had. Daar heb je nu precies wat de vijand doet. Die maakt de mens van binnen kapot.

God wil onze persoonlijkheid terugbrengen

Wat wil God nu doen? Hij wil die mens weer één maken. In het verleden hebben we ons dat vaak onvoldoende gerealiseerd en werd teveel de nadruk gelegd op het bestaan van de mens uit een lichaam en een ziel. Maar God ziet de mens als een eenheid en dan kun je ook zeggen dat Hij het volledige herstel van onze persoonlijkheid op het oog heeft. Ik vind het zo mooi dat er direct al aan het begin van Genesis van de eerste mens staat: “Toen formeerde de Here God de mens, stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus” Genesis 2 vers 7 (Gen. 02:07). En dan komt het: “Alzo werd de mens tot een levend wezen”, en letterlijk: “Een levende ziel”. Toen was Adam een levende ziel – niet toen had hij een ziel – een levende persoonlijkheid. Dat vind ik prachtig en dat komt er dan ook helemaal uit in Genesis 2. Hij gaat helemaal meewerken in het plan van God.

Van het begin af aan was Adam bedoeld als persoonlijkheid. Dat is ook de bedoeling van God met ons. In het leven van heel veel mensen, en toch ook vaak nog wel bij heel veel christenen, is dat een achtergebleven gebied. God wil ook onze persoonlijkheid terugbrengen. Wij zullen ons er voor open moeten stellen en er met heel ons wezen aan moeten meewerken dat dit werkelijkheid gaat worden. Dan zal ook in en door ons leven Gods schoonheid zichtbaar worden.

(wordt vervolgd).

 

De psalmen (gedicht) door Piet Snaphaan

Welk een rijkdom van genade,

waarin de Bijbel toch voor ziet.

Zie eens de Psalmen, slaat ze gade,

een morgen- of een avondlied.

 

Woorden van troost, om te ontvangen,

van God, die in ’t verborgen ziet.

Van heimwee en intens verlangen

naar Hem die rust en vrede biedt.

 

Woorden van blijdschap, kracht des Heren,

van wijsheid, sterkte en overvloed.

Ook van vermaning, om te leren,

het bouwt je op en doet je goed.

 

De Psalmen zijn een Bron, gegeven

om uit te putten, aldoor weer.

Ze wijzen naar de weg ten leven,

blijven tot zegen, keer op keer.

 

Intermezzo door Gerry Velema

De zegen

Een gezellig druk verjaardagspartijtje. Tussen de spelletjes door een ’taartje’ en een glas fris. Moeder druk met glazen en hapjes, voor ieder kind iets. Aan het einde van het feestje, ondanks alle hapjes en drankjes die al in de buikjes zijn verdwenen, krijgen de kinderen ook nog een ‘zakje’ mee naar huis, omdat de inhoud een verrassing bevat! Dat krijgen ze dan nog es extra!

Maar wat zouden wij, als moeders, doen wanneer de kinderen in onze spelletjes geen zin zouden hebben en na het taartje zouden zeggen: ‘Geef ons het zakje maar, want die uitgezette speurtocht van u duurt ons veel te lang. Daar hebben we geen zin in met dit weer! ” Kinderen die noodgedwongen eerder weg moeten, krijgen natuurlijk hun zakje mee. Maar kinderen die in mijn voorbereide spelletje geen zin hebben en wel het zakje willen hebben… Ik denk niet dat ik daar zo grootmoedig op zou reageren, door ze het maar te geven.

Boven dit stukje staat: De zegen. In alle eerbied zou ik de zegen willen vergelijken met het feestzakje aan het eind van een kinderpartijtje. Wij ontvangen dan, boven al het goede van de dienst uit, Zijn zegen met de inhoud die verrassend wil uitwerken in ons leven. Halen wij het ook met evenveel gejuich binnen?!

Ik stel me zo voor, dat onze Vader de dienst ook voorbereidt. Hij wil leiding geven aan de zang, de boodschap inspireren, woorden van profetie bedenken. Onze Vader wil er een feestelijke en opbouwende samenkomst van maken! Hij heeft aandacht voor ieder kind dat op Zijn feest wil zijn. God wil geven, uitdelen en dat zie je misschien wel het sterkst, als er in de dienst een oproep wordt gedaan om bij Hem te komen. Bij beslissingen om Jezus te gaan volgen, bij de voorbeden om genezing en bevrijding. Waar mensenkinderen stappen doen in het geloof, om tot doorbraak te komen in hun geestelijk leven, ik denk dat juist (!) daar, onze Vader het druk heeft met ons. Hij wil er zo graag volledig bij betrokken zijn en iedereen wil Hij geven en helpen!

Op dit vitale onderdeel van de dienst, kunnen we soms ook liever het ‘zakje’ willen, dan het door God voorbereidde spel. De dienst loopt zo uit en het wordt toch zo laat! Hoe verdrietig voor onze Vader! Juist dit moment, waarin we als lichaam kunnen functioneren, met Hem als ons Hoofd, horen we er allemaal te zijn en echt mee te doen! Delen in lijden, strijden en delen in de vreugde van de overwinning is het ‘spel’ dat God zelf voor Zijn kinderen heeft bedacht.

Misschien is God wel veel grootmoediger in het uitdelen van de ‘zakjes’ aan het eind van de dienst, maar in alle oprechtheid vraag ik me af, of zegen gevonden wordt in vlug uitgesproken woorden ter afsluiting van de dienst, of daar wordt gevonden, waar onze Vader bezig is met Zijn Geest te werken onder Zijn kinderen. En wie daarbij betrokken is en meedoet gaat zeker (!) met een goed gevuld ‘zakje’ naar huis!

 

Tussen Pasen en Pinksteren door Wim te Dorsthorst

 

“Mijn eerste boek (het evangelie van Lucas) heb ik gemaakt, Theófilus, over al wat Jezus begon­nen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd op genomen, nadat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heili­ge Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft” Handelingen 1 vers 1 tot en met 3 (Hand. 01:01-03).

Deze woorden heeft Lucas op getekend als hij de hoogedele Theófilus op nauwkeurige wijze wil meedelen wat er allemaal is gebeurd met Jezus van Nazareth. Gebeurtenissen rond Zijn komst, Zijn werk, Zijn taak, Zijn lij­den en sterven, Zijn op­standing en hoe dat werk na Zijn hemelvaart voort­gang heeft gevonden en in de hele toenmalige we­reld bekend is geworden. Het doel van zijn eerste boek is: “opdat gij de betrouwbaarheid zoudt er­kennen der zaken, waar­van gij onderricht zijt” Lucas 1 vers 4 (Luc. 01:04).

In zijn tweede boek (de Handelingen der aposte­len) beschrijft hij hoe de apostelen, die door de Heilige Geest de bevelen van de Heer ontvangen, het werk wat de Heer be­gonnen is te doen en te leren, voort zetten. Dit is wat we in de aanhef van het boek Handelingen kunnen lezen.

Wat er dan uitspringt is ‘Het koninkrijk Gods’. Tussen Pasen en Pinksteren, de glorieuze opstan­ding en de uitstorting van de Heilige Geest, is Jezus nog veertig dagen bij de apostelen om hen te onderrichten over “al wat het Koninkrijk Gods betreft” Handelingen 1 vers 4 (Hand. 01:04).

Het eeuwige Koninkrijk

Als we ons afvragen: waar kwam de Heer nu precies voor?, dan is het antwoord: Om het Konink­rijk Gods te openbaren en te vestigen. De pro­feet Jesaja zegt dit al zo duidelijk met de woorden: “Groot zal de heerschap­pij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn Ko­ninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid van nu aan tot in eeuwig­heid” Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06).

Hij zal het ‘Stichten’ en ‘Grondvesten’ van nu aan, zegt Jesaja, en het zal een eeuwig Ko­ninkrijk zijn. De aposte­len, die door de Heer heel speciaal gevormd, onderwezen en opgeleid zijn, zullen het werk dat de Heer begonnen is te doen en te leren, voortzetten.

Dit Koninkrijk Gods is door de profeten op vele wijzen aangekondigd.

Daniël bijvoorbeeld speekt van een steen die, zonder toedoen van mensen, van de berg Gods losraakt en een einde maakt aan alle bestaande koninkrijken. Dat Koninkrijk zal bestaan tot in eeuwigheid Daniël 2 vers 34 en 35 en Daniël 2 vers 44 (Dan. 02:34-35, Dan. 02:44).

Deze steen, die van de berg Gods komt, is de hoeksteen Jezus Christus. Zelf zegt Hij: “Ik ben van de Vader uit ge gaan en in de wereld gekomen” Johannes 16 vers 28 (Joh. 16:28). En in Zijn onder­richt aan de Farizeeën zegt Jezus ook dat deze dingen, die in de Schrif­ten staan, op Hem betrek­king hebben Matteüs 21 vers 42 (Matt. 21:42) Daniël profeteert verder over Jezus Christus en zegt in hoofdstuk 7 vers 13 (Dan. 07:13)  “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon, hij begaf zich tot de Oude van da­gen en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht en alle volken, natiën en talen dienden Hem. Zijn heerschappij is een eeuwi­ge heerschappij, die niet zal vergaan en zijn koningschap is één, dat on­verderfelijk is”.

Het evangelie dat Jezus bracht

Dit Koninkrijk Gods staat geheel in het middelpunt van de prediking van Je­zus. Hij is als het ware zelf dat evangelie, zegt Handelingen 5 vers 42 (Hand. 05:42). Markus begint zijn evan­gelie met de woorden: “Begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God” (Staten­vertaling) . Het woord ‘begin’ is nauw verwant aan Genesis 1, maar hier is dit het begin van een geweldig gebeuren in de tijd, in de geschapen wereld. Een voortgaand handelen van God, waar­van Paulus schrijft: “Maar toen de volheid des tijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uit­gezonden” (Gal. 04:49).

Zelf zegt Jezus: “De tijd is vervuld”. De profeten hebben de komst van de Heer aangekondigd. Johannes de Doper gaat als een heraut, van God ge­zonden, voor het aange­zicht des Heren uit om zijn weg te bereiden (Mark. 01:02-03).

Zijn blijde boodschap is: “Bekeert u, want het Ko­ninkrijk der hemelen is nabijgekomen”. Het woord ‘evangelie’ betekent: ‘blij­de boodschap’ of ‘verblijdende tijding’. God heeft een verblijdende tijding voor de mensheid. Markus zegt dat Jezus het ‘evan­gelie Gods’ predikte. Zijn boodschap was: “De tijd is vervuld en het Konink­rijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” Markus 1 vers 14 en 15 (Mark. 01:14-15).

Letterlijk zegt Jezus: ‘De koningsheerschappij van God is nabij gekomen’.

De vertaling van Voor­hoeve merkt bij het woord ‘gelooft’ nog op: ‘Geloven in’ is hier in het Grieks een zeldzame uitdrukking die duidt op het geloven in de waarheid of inhoud van de zaak. Jezus Christus heeft niet een nieuwe godsdienst geïn­troduceerd, maar Hij ver­kondigde verborgen waarheden, die ten diep­ste het bestaan en het doel van de mens omvat­ten. Hij verkondigde de waarheid.

De eeuwige waarheden

Maar ook deze verborgen waarheden verpakte de Heer weer in gelijkenis­sen , zoals door de pro­feten was voorzegt. “Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der we­reld verborgen gebleven is” Matteüs 13 vers 35 (Matt. 13:35).

Tegen Pilatus zegt Jezus: “Ik ben Koning. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld geko­men, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem” Johannes 18 vers 37 (Joh. 18:37).

Jezus heeft een geweldige heerlijke waarheid ver­kondigd, namelijk dat de Koningsheerschappij van God in het hart van de mens gevestigd kan wor­den. En dit zal geschieden door de Heilige Geest die uitgestort zal worden na de verheerlijking door Je­zus Christus Johannes 7 vers 39 en Handelingen 2 vers 33 (Joh. 07:39; Hand. 02:33).

De Joden, in de dagen van Jezus, verwachtten de Messias en ze wisten dat de Zoon des mensen, de Zoon van God, de Christus was Lucas 22 vers 67 tot en met 70 en Johannes 12 vers 34 (Luc. 22:67-70; Joh. 12:34). Maar hun verwachting was aardsgericht. Ze verwachtten dat de Christus die komen zou, hun verlossen zou van alle (toen Romeinse) overheersers en dat zij op hun beurt juist zouden heersen over alle volken en natiën. Ze geloofden de waarheid niet, die Je­zus openbaarde en ze ge­loofden ook niet in Hem, die zelf de Waarheid was.

Geen woorden, maar kracht

Ook nu treffen we nog aardsgerichte verwachtin­gen aan. Het evangelie is dan middel om het op aar­de beter te krijgen. De verlossing van onze gees­telijke vijanden, de ‘boze geesten’, is dan vaak ge­richt op een meer ont­spannen en beter leven, dan op een diepere door­werking van Gods Konings­heerschappij. De Heer wordt nog al eens voor het aardse karretje gespan­nen : een beter huis, baan, auto, man, vrouw, gezond­heid, enz. Is dat dan fout? Paulus zegt: “Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen” 1 Korinthe 15 vers 19 (1 Kor. 15:19).

Waar het Koninkrijk Gods zich openbaart, zullen als vanzelfsprekend krachten openbaar komen, die ook doorwerken in het natuur­lijke leven. Het is een Ko­ninkrijk, dat begint in het hart van de mens en zó doorwerkt dat er een mens tevoorschijn komt, die onberispelijk zal zijn naar geest, ziel en lichaam 1 Thessalonicenzen (1 Thess. 05:23-24). Ik ge­loof dat, als de volgorde wordt omgekeerd, het al­leen maar leidt tot teleur­stellingen. Het is een geestelijk Koninkrijk en volmaakt nieuw. Om er deel aan te krijgen zal dat alleen maar kunnen via Jezus Christus. In het vorige nummer van “Levend Geloof” hebben we gezien hoe Hij op het kruis van Golgotha daar de basis voor gelegd heeft. Niemand kan het Koninkrijk Gods binnen­gaan zonder ‘gerechtig­heid Gods in Hem’ 2 Korinthe 5 vers 21 zie ook Matteüs 22 vers 11 tot en met 14 (2 Kor. 05:21; Matt. 22:11-14). Het is daarom ook dat Jesaja 9 vers 6 (Jes. 09:06) zegt: “Dat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid”.

Niet uiterlijk maar innerlijk

Al vrij spoedig (na de dood van de apostelen) is de kinderdoop inge­voerd om zo de kinderen binnen te brengen in het Koninkrijk Gods. Eén van de belangrijkste sleutels is hierdoor weggenomen om werkelijk op vrijwillige basis, deelgenoot te wor­den van het Koninkrijk Gods. Tot vandaag is dat een grote hindernis voor mensen om werkelijk in te gaan. Men neemt gewoon aan dat men op grond van de kinderdoop bij het Ko­ninkrijk Gods behoort.

Jezus leerde dat de weg om in te gaan, smal is en dat weinigen hem vinden. Hij leerde ook, dat niet een ieder, die tot Hem zegt: ‘Here, Here’ het Koninkrijk Gods zal bin­nengaan, maar wie doet de wil Zijns Vaders, die in de hemelen is Matteüs 7 vers 13 en 14 en Matteüs 7 vers 21 (Matt. 07:13-14, Matt. 07:21).

Het is niet een zaak van de aarde, maar van de hemel, de geestelijke we­reld. Als de Farizeeën aan Jezus vragen wanneer het Koninkrijk Gods ko­men zal, dan is Zijn ant­woord: “Het rijk Gods komt niet met uiterlijke vertoning; men zal ook niet zeggen: Zie hier, of daar is het. Want zie, het rijk Gods is inwendig in u” Lucas 17 vers 20 en 21 vertaling Luther (Luc. 17:20-21). De apostel Paulus zegt ook dat het niet een uiterlijke zaak is, maar hij zegt: “Het Koninkrijk Gods is gerechtigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest” Romeinen 14 vers 17. (Rom. 14:17).

Na de basis gelegd te hebben voor dit Konink­rijk in de geest, gaat Je­zus met zijn discipelen nog veertig dagen verder in heel bijzonder privéonderwijs. Zoveel is er van te vertellen. Maar voor Hij opvaart naar de hemel om Zijn plaats in te nemen op de troon bij Zijn Vader, zit Hij met hen aan en dan zijn de laatste woor­den van Jezus hier op aarde: “Ik gebied u Jeruzalem niet te verlaten, maar te blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij van Mij gehoord hebt. Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de Heili­ge Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze”.

Dan vragen de apostelen nog aan Jezus: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Is­raël?” Zijn antwoord is: “Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de Heilige Geest over u komt en gij zult mijn getuigen zijn te Je­ruzalem en in geheel Judéa en Samaria en tot het uiterste der aarde” Handelingen 1 vers 4 en 5 en Handelingen 1 vers 6 tot en met 8 (Hand. 01:04-05; Hand. 01:06-08).

Voor ons moet het heel duidelijk zijn hoe belang­rijk het is om vol te zijn van de Heilige Geest, want alleen daardoor kun­nen wij het Koninkrijk Gods tot openbaring bren­gen.

 

 

Nieuwe tongen (gedicht)

Nimmer zullen ze verstommen,

voor dat ’t volkomene is bereikt.

Het is de taal van nieuwe tongen,

 in lof, aanbidding, ook gezongen,

dat je persoonlijk zeer verrijkt.

Piet Snaphaan

 

Werken aan vriendschap door Liesbeth Seepma

“Van iemand houden betekent: hem zien zoals God hem bedoeld had te zijn. Dit is het criterium van ware vriendschap. En ik moet mijn vriend niet alleen zo zién, maar me bovendien zó gedra­gen dat hij – omdat we vrienden zijn – in de praktijk steeds beter uit de verf komt” .

Wat een gave uitspraak vind ik dit. Ik heb hem gelezen in een boekje over vriendschap. Ik dacht: “hij zou zó uit.de bijbel kunnen komen!” Vriendschap. Een ge­schenk om met graagte aan anderen te geven.

Liefde en vriendschap horen bij elkaar

Wat zegt de bijbel eigen­lijk over “vrienden zijn”?

Toen ik daarnaar op zoek ging, kwam ik erachter dat de bijbel vriendschap en liefde op één lijn stelt. “Een vriend heeft te allen tijde lief” , vond ik in Spreuken 17 vers 17 (Spr. 17:17). Fantastisch lijkt ’t me om zo’n vriend te kunnen zijn voor mijn naaste, m’n medemens. Maar hoe speel ik dat klaar?

Als ik vriendschap wil bewijzen naar m’n mede­mens, zal ik eerst moeten weten wat het inhoudt om werkelijk een vriend te zijn. Met andere woor­den: ik zal eerst kennis moeten op doen over wat God, onze Schepper, be­doelt met vriendschap tussen mij en Hem en mij en m’n naaste.

“Een vriend heeft te allen tijde lief” , stond er in Spreuken. Liefde staat op één lijn met vriendschap. Voor God zijn mensen die elkaars vrienden zijn tegelijkertijd mensen die ook van elkaar houden. En mensen die van elkaar houden zullen natuurlijk ook vrienden zijn.

Liefde. Een “schets” daar­van wordt gegeven in 1 Korinthiërs 13 vers 7a tot en met 14 (1 Kor. 13:07a-14):

“De liefde is geduldig;

de liefde is vriendelijk; de liefde is niet jaloers; ze doet niet gewichtig; ze is niet trots;

ze is niet lomp;

ze is niet egoïstisch;

ze voelt zich nooit beledigd;

ze neemt niemand iets kwalijk.

Ze is niet blij met onrecht, maar met de waarheid. De liefde beschermt altijd, heeft altijd vertrouwen” .

Ziehier een schets van vriendschap en liefde. Zullen we deze schets eens iets gedetailleerder gaan bekijken?

Geduld en vriendelijkheid

“De liefde is geduldig; de liefde is vriendelijk” .

Geduld. Een eigenschap van God. Zo is Hij zelf, zo is Zijn wezen. In Matteüs 18 vers 21 (Matt. 18:21)vraagt Petrus aan de Here Jezus: “Heer, als één van mijn broeders mij telkens kwaad doet, hoe vaak moet ik hem dan verge­ven? Zeven keer?” De Here Jezus antwoordt hierop dat Petrus z’n broe­der niet zeven, maar zeven maal zeventig keer moet vergeven. Dat wil zóveel zeggen als: telkens weer opnieuw.

Zó is God. Hij zegt nooit: “Nu heb Ik er genoeg van! Altijd maar weer dat ge­klier met die zonde!” Deze houding ként God niet.

Veel mensen denken nog wél – bewust of onbewust – dat God wel es zo’n (ge- irriteerde) houding tegen­over hen zou kunnen heb­ben. (En dat is dan z’n goed recht ook, den­ken ze dan). Maar deze houding is vreemd aan Zijn wezen. Kén je de gedachte: “Heer, nu heb ik ‘ ’t alwéér fout gedaan! De ‘ zoveelste keer!” Weet je hoe God dan reageert?: “Hoe bedoel je, alweer? ’ Welke zoveelste keer? Ik weet van geen vorige keer af” . Lees hierover maar eens Jesaja 43 vers 25 (Jes. 43:25).

Geduld hoort bij Gods we­zen en ongeduld is Hem vreemd. Zijn wezen heeft God ook in ons mensen gelegd. Dat geduld, die vergevingsgezindheid, dat “niet gedenken” van wat een medemens ons heeft aangedaan, Hij wil dat we dit geestelijk vermogen gaan ontwikkelen. Als wij tegenover onze medemens geduldig zijn, heeft die medemens de ruimte om te leven, ook als hij wel es wat fout doet.

En dan de vriendelijkheid. ‘ Als ik voor m’n medemens ‘ een vriend wil zijn, zal ik ‘ vriendelijk moeten zijn. Nu, dat betekent: hem vriendelijk tegemoet treden. Aardig zijn. Open zijn. Beleefd zijn. Hulpvaardig. Voorkomend. Opgewekt. Enzovoort. In Spreuken 15 vers 30 (Spr. 15:30) staat: “Vriendelijk stralende ogen verheugen het hart” . Met ‘ een vriendelijke houding ‘ kun jij de sfeer in je omgeving positief beïnvloeden!

Gedachtenpatronen die niet uit God zijn

“De liefde is niet jaloers; ze doet niet gewichtig; ze is niet egoïstisch; ze voelt zich nooit beledigd; ze neemt niemand iets kwalijk” .

Hier worden allemaal ne­gatieve eigenschappen genoemd die niet horen bij liefde en vriendschap. Ze komen voort uit een verkeerd denken, een denken dat wordt geïn­spireerd door de duivel.

Hij is degene die ons wil wijsmaken dat we van alles tekort komen, allerlei dingen die de ander nu juist wel heeft. Zijn doel is: ons jaloers te maken, waardoor vriendschap en liefde geen kans krijgen. . .

Hebben we juist wel een goede eigenschap of een bepaald talent, dan fluistert hij ons in dat we toch eigenlijk wel gewéldig zijn, véél be­ter dan die ander die dat (misschien) niet heeft. Hij wil dan ook ’t liefst dat we ons lek­ker gewichtig en trots gedragen, egoïstisch en ongevoelig voor de kwaliteiten van een an­der, waardoor we die ander behoorlijk de put in kunnen trappen door ons lomp en kwetsend te gedragen.

Is er iemand die óók een mooi talent heeft en daarvoor een compliment krijgt, terwijl wij op dat moment misschien wat minder aandacht krijgen, dan maakt de leugenaar ons wijs dat we toch eigenlijk niks waard zijn. En dat talent van ons, nou ja, daar doe je toch eigenlijk ook vrij weinig mee. Nou, dan gaan wij dus de put in, we voelen ons bele­digd. Ons zullen ze niet meer zien of horen met ons talent, ’t Heeft tóch allemaal geen zin…

Zie je hoe de duivel werkt? Hoe je ’t ook wendt of keert, hij probeert je altijd te isoleren van je mede­mens, ófwel door een trot­se houding ófwel door in je schulp te kruipen. Hij zet je altijd aan het ver­gelijken. En meestal val jij in het nadeel. Hij probeert vriendschap tus­sen mensen onmogelijk te maken.

Geef de duivel geen schijn van kans

De gedachtenpatronen die ik hierboven heb beschre­ven, zijn niet, nóóit, uit God. Ze komen van de duivel en zijn handlangers. Maar in Efeze 4 vers 27 (Ef. 04:27), Het levende woord, staat: “Geef de duivel geen schijn van kans”. Komt hij met negatieve gedach­ten? Negeer die. Maar dat niet alleen: ontzeg hem de toegang tot jouw “hemel”, tot jouw geestelijke, wereld. Zeg dat tegen hem: “Je bent niet welkom. Maak dat je wegkomt” .

Zeg het in de naam van Jezus. Met Pasen hebben we herdacht dat onze Koning de dood heeft overwonnen. De boze geesten sidderen voor Zijn naam. Voor het gezag dat schuilt achter die naam.

Je bent een vertegenwoordiger van Jezus Christus;

Hij heeft Zijn gezag aan jou overgedragen. Maak daar gebruik van. Neem die verantwoordelijkheid op je.

En als je dat doet, ga je in jouw geestelijke wereld een weg die je zélf kiest, je gaat bewust leven, bewust geestelijk leven, je ontwikkelt gedachten die uit God zijn. Daar is dan ruimte voor. En deze gedachten geven ruimte aan de ander. Die ander mag er zijn. Met z’n talent. Eigenschappen die God al in je had gelegd (op ’t moment dat Hij je schiep, krijgen nu de kans om door jou te worden ontwikkeld. Samen met God ontwikkel je alle eigenschappen die je tot een vriend maken voor je medemens.

Vriendschap is blij met de waarheid

“Ze is niet blij met on­recht, maar met de waar­heid. De liefde beschermt altijd, heeft altijd ver­trouwen” .

In dat boekje over vriend­schap, waar ik het in ’t begin over had, stond ook de volgende uitspraak: “Waarom durf ik jou niet te vertellen wie ik ben? Als ik je vertel wie ik ben, bevalt die persoon je misschien niet. . . en een andere heb ik niet!”

Er is veel onrecht in de wereld om je heen. En mensen lijden onder dat onrecht. Ze worden een karikatuur van de mens die ze eigenlijk bedoeld waren te zijn.

Weet je nog dat we het daarnet hadden over “be­wust geestelijk leven”? Heel veel mensen leven op het geestelijke vlak niet bewust; ze wórden geleefd. In hun leven staat een brullende leeuw aan het roer, zoekende naar een prooi om die te kunnen verslinden.

Datgene wat ik – uiterlijk – zie in en aan mijn me de mens, is dan ook helaas niet altijd waarheid. Het is vaak een masker, een leugenachtig masker dat die mens gedwongen is te dragen. Als ik daarop af­ga, als ik m’n vriendschapskompas afstem op het uiterlijk gedrag van m’n medemens, dan zal dat kompas vaak in tegen­overgestelde richting wij­zen, van hem af. En hij wordt nóg eenzamer dan hij al was. Ten prooi valt hij aan die verslindende leeuw. En dat is onrecht.

Echte vriendschap, echte liefde, is niet blij met dat onrecht. Ze wil zich niet op dat onrecht richten, zich daardoor niet laten leiden. Vriendschap is blij met de waarheid.

Wat is waarheid? In Johannes 14 vers 6 (Joh. 14:06) zegt de Here Jezus: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven”. Daarmee bedoelt Hij ook: zoals Ik ben, zoals Ik leef, zoals Ik overwin, zoals Ik heers over de duivel, zó is het bedoeld voor de mens, dat is de waarheid.

Ik wil voor m’n naaste een vriend zijn door bij die naaste altijd te zoeken naar deze waarheid, altijd rekening te houden met deze waarheid, altijd uit te gaan van deze waar­heid.

M’n vriendschappelijk kom­pas wil ik afstemmen op het mooie, oorspronkelijke in m’n medemens. Hoe erg dat oorspronkelijke mis­schien ook is onderge­sneeuwd, altijd wil ik er geduldig naar zoeken. En als ik het vind – en ik zal het vinden! – dan ben ik er blij mee!

Dan durft de ander ook te vertellen wie hij is. De angst dat hij niet zal be­vallen, die angst die – al­wéér – wordt ingefluisterd door de mensenmoordenaar, die angst wil ik helemaal ontzenuwen. Weet je, ik ga die uitspraak over dat “niet bevallen” eens even veranderen. Volgens mij moet hij ongeveer zó lui­den :

“Ik wil dat je mij vertelt wie je bent.

En als je dat aandurft, dan zal ik ’t echte, ’t oorspronkelijke eruit ziften en alleen daarop m’n vriendschap baseren zodat jij de ruimte hebt om daaraan te werken”.

Zo kan liefde beschermend werken naar de ander toe.

Waarom ik vertrouwen stel in mijn medemens

Als een echte vriend wil ik ook vertrouwen stellen in m’n medemens. Ik ver­trouw erop, ik gelóóf er­in, dat het goede, oor­spronkelijke, de waarheid, in ieder mens zit. Mis­schien is ’t maar een piép- klein pitje, dat bijna niet meer brandt. Maar ’t zit er. Ik gelóóf dat. Ik ver­trouw daarop. Ik houd ’t voor waar dat ieder mens door Gód is gescha­pen. Dat kleine, puike pitje, dat zit er. Aan mij, als vriend, de taak om dat walmende pitje NIET uit te doven. . .

Dat deed onze grote Vriend ook niet. Jezus Christus, onze dienende, heersende en verlossende Vriend, pakte dat heel anders aan. Van Hem zegt God in Matteüs 12 vers 18 tot en met 21 Groot nieuws voor u (Matt. 12:18-21):

“Hier is mijn dienaar, hem heb ik gekozen. Hij is mijn lieveling, de man naar mijn hart.

Ik zal hem mijn Geest geven en hij zal de vol­ken gerechtigheid ver­kondigen .

Hij zal niet twisten en niet schreeuwen. Geen mens zal op straat zijn stem horen klinken. Het geknakte riet zal hij niet breken, de nog rokende pit zal hij niet doven.

Hij zal volhouden totdat het recht heeft gezege­vierd .

Alle volken zullen op hem hun hoop stellen” .

Totdat het recht heeft gezegevierd. . . Net zolang “vriend zijn” totdat het onrecht de wereld uit is en er geen geknakt riet en kleine, rokende pitjes meer zijn. Maar sterke, vrije, gave mensen, die zonder beperking de ruimte hebben om voluit mens te zijn.

Dat gaat gebeuren! Geloof je dat? Jezus heeft ’t mo­gelijk gemaakt. Hij was een Vriend met gezag. Hij zegt: Ik geef ook jou dat gezag, om op slangen en schorpioenen te treden. En niets zal je enig kwaad doen. Gebruik dat gezag. En je zult de dingen doen die Ik doe, en zelfs nog grotere.

1988.03 nr. 290

Levend geloof 1988.03

Het wonder van de opstanding door Gert Jan Doornink

De Bijbel is een zeer veelzijdig boek. Alle facetten van het leven en de levensomstandigheden komen aan de orde, waarbij de relatie tussen God en mens een centrale plaats inneemt. Tot de veelzijdigheid van de dingen die de Bijbel ons beschrijft behoren ook de vele wonderen. Zowel in het oude- als in het nieuwe testament worden talrijke wonderen beschreven. Wij denken daarbij pok aan de wonderen die Jezus zelf deed, terwijl’ Hij ten aanzien van de gelovigen sprak over de tekenen en wonderen die hen zouden volgen Markus 16 vers 17 (Mark. 16:17).

Ongetwijfeld is het grootste wonder wat plaatsvond de opstanding van Jezus uit de dood. Deze gebeurtenis is daarom ook zo’n groot wonder omdat in één klap de duivel daarmee onttroond en ontwapend werd. De vorst der duisternis, die zoveel ellende en narigheid, dood en verderf had gebracht, werd een verpletterende nederlaag toegebracht. Feitelijk was dit reeds gebeurd aan het kruis op Golgotha, toen Jezus het -uitriep: “Het is volbracht!” Maar op Paasmorgen werd het ‘zichtbaar en kwam het in de openbaarheid: Het graf was leeg! De Zoon van God was opgestaan!

Dat de duivel het niet kan verkrompen dat hij zo’n fatale nederlaag leed, blijkt wel uit het feit dat er geen enkel facet van het christelijk geloof zo wordt aangevallen- dan juist de opstanding. Ieder jaar verschijnen er in de weken vóór Pasen verschillende artikelen in kranten en tijdschriften waarin de opstanding van Jezus belachelijk wordt gemaakt. Vooral ook het feit dat er geen ooggetuige aanwezig was bij de opstanding, wordt vaak aangehaald als een ‘bewijs’ dat de opstanding van Jezus een hersenschim is, iets wat nooit gebeurd kan zijn. Men gaat dan geheel voorbij aan de talrijke getuigen, waarover de Bijbel spreekt, die Jezus na Zijn opstanding hebben gezien, toen Hij aan hen verscheen. Maar – en dat is het allerbelangrijkste – vooral ook aan de thans levende getuigen! Ieder waarachtig kind van God wéét immers dat Jezus leeft omdat het nieuwe, Goddelijke leven ook in hem aanwezig is. Hij is overgebracht vanuit het rijk van satan in het Koninkrijk van Jezus Christus; uit de dood in het léven. Een kind’ van God hoeft daarom ook niet te bewijzen dat Jezus leeft, maar is zelf het bewijs! Het wonder van de opstanding heeft ook in zijn leven plaatsgevonden.

Voor de mensen zonder Christus is het niet te begrijpen dat kinderen Gods (allen die persoonlijk geloven in het volbrachte werk van Jezus Christus), de onvoorstelbare heerlijkheid van het nieuwe leven van Christus- in zich hebben. Zoals een oud lied zegt: Neen, de wereld weet het niet, wat Gods grote liefde ons biedt…” Daarom hebben wij ook de opdracht ontvangen dit nieuwe leven te proclameren door woord en daad. Niet door de opstanding van Jezus als een leerstuk of dogma te verdedigen, maar door de ‘beleving en uitleving’ van dit nieuwe leven. Want het wonder van de opstanding is voor ieder kind van God niet een eenmalige gebeurtenis, maar een dag en nacht aanwezige blij makende aangelegenheid. En dan ook nog te bedenken dat daaraan nooit meer een einde komt, want Jezus leeft en wij zullen met Hem leven tot in alle eeuwigheid!

 

Paasmorgen (gedicht) door Piet Snaphaan

Pluk de dag na het ontwaken

en heft terstond een feestlied aan!

Roept het maar uit vanaf de daken:

de Heer is waarlijk opgestaan!

 

Het graf is deeg, de dood verwonnen,

die zich verschool achter een steen.

Doch Jezus heeft hem overwonnen,

God wekte Hem op, de Heer verscheen.

 

Jezus leeft, Hij is verrezen,

en bracht ja ’s mensen lot een keer.

Niemand hoeft er meer te vrezen,

Jezus is Koning, aller Heer!

Piet Snaphaan

 

Verlossing en verzoening door Wim te Dorsthorst

 

De grote verzoendag en het jubeljaar

In de hoofdstukken 25 en 27 van Leviticus lezen we over bepalingen omtrent het lossen van goederen, land en mensen. In het jubeljaar echter kwam er vrijheid voor alle bewo­ners van het land en alle bezittingen kwamen weer terug bij de rechtmatige eigenaar. Dat was het jaar van de grote lossing. “Dan zult gij bazuinge­schal doen rondgaan in de zevende maand op de tiende van de maand; op de verzoendag zult gij de bazuin doen rondgaan door uw ganse land, gij zult het vijftigste jaar heiligen en vrijheid in het land afkondigen voor al zijn bewoners, een jubeljaar zal het voor u zijn, dan zal ieder van u tot zijn bezittingen en tot zijn geslacht terug­keren”, zegt Leviticus 25 vers 9 en 10.

(Lev. 25:09-10) Het jubeljaar werd inge­zet op de grote verzoen­dag met bazuingeschal. Heel deze dag stond in het teken van de zondebok die dan geslacht werd en een tweede bok die in de onvruchtbaarheid van de woestijn werd ge­bracht met de gehele zon­delast van het volk. Leviticus 16 vers 7 tot en met 10 en Leviticus 16 vers 21 en 22 (Lev. 16:07-10; Lev. 16:21-22).

Op deze dag ging de hogepriester het heilige der heiligen, achter het voorhangsel, binnen en sprenkelde van het bloed op de verzoendeksel die de ark bedekte. “De hogepriester zal het heilige der heiligen verzoenen, ook de tent der samen­komst en het altaar zal hij verzoenen en over de priesters en het ganse volk der gemeente zal hij verzoening doen” Leviticus 16 vers 33(Lev. 16:33).

Beeld van de verzoening door Jezus

Dit onderricht is ons door God gegeven om te kun­nen begrijpen wat er ge­beurde op de allergroot­ste verzoendag toen Hij­zelf de losser was van al het geschapene en Jezus Christus het offer was. Uit laatstgenoemde tekst blijkt dat het gaat om verzoening van alle din­gen, de hemelse en de aardse. Ik geloof dat Paulus dit het beste ver­woordt in Kolossenzen 1 vers 19 en 20 (Kol. 01:19-20) als hij zegt: “Want het heeft de ganse volheid behaagd in Hem woning te maken, en door Hem, vrede gemaakt heb­bende door het bloed des kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen, door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is”.

Paulus spreekt over een verzoening van de gehele kosmos, van al het gescha­pene. Niets van het ge­schapene kon er dus voor gebruikt worden, omdat alles verzoening nodig had. Abel was de eerste rechtvaardige die stierf door de hand van een on­rechtvaardige, maar zijn bloed kon geen verzoening, doen Hebreeën 12 vers 24 (Heb. 12:24). Mozes biedt zich aan om met zijn leven verzoening te doen voor het volk, maar ook deze grote vriend van God is hiervoor niet waardig Exodus 32 vers 30 tot en met 32 (Ex. 32:30-32). Abraham verstaat dat hij zijn zoon moet offeren. Hij neemt niet Ismaël, de zoon van Hagar, verwekt naar het vlees, maar hij neemt Isaak, zijn enige, die ver­wekt is door de belofte Genesis 22 vers 1 tot en met 7 en Galaten 4 vers 21 tot en met 23 (Gen. 22:01-07; Gal. 04:21-23). Maar ook deze zoon der belofte was niet toereikend. En dan spreekt Abraham die prachtige woorden met die goddelijke belofte in Genesis 22 vers 8 (Gen. 22:08): “God zal Zichzelf voorzien van een Lam ten brandoffer”.

God voorziet zelf in een Lam

Abraham wordt door God geprezen omdat hij bereid was zijn enige zoon te offeren Genesis 22 vers 12 en Genesis 22 vers 15 tot en met 18 (Gen. 22:12, Gen. 22:15-18). Hij beeldde hiermee uit wat God zal doen met zijn enige Zoon, Jezus Christus. Ook in vers 14 (Gen. 22:14) lezen wij: “Op de berg des He­ren zal er in voorzien worden”. En de vertaling van Reisel zegt: “Op de berg van de Paraat blijkende verschijnt Hij”.

God zal voorzien in het Lam en dat zal niet van deze wereld zijn, maar uit God zelf zijn, zoals Isaak een lijfelijke zoon van Abraham was. “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enig­geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet ver­loren ga, maar eeuwig le­ven hebbe” Johannes 3 vers 16 (Joh. 03:16).

Zelf zegt Jezus om aan te tonen dat Hij van de berg Gods komt: “Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Die van boven komt, is boven al­len; die uit de aarde is voortgekomen, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen” Johannes 8 vers 23 en Johannes 3 vers 31 (Joh. 08:23; Joh. 03:31). Hij, Je­zus Christus, is het Lam Gods, waarmee God zelf de wereld, de gehele schepping, lossen zal Johannes 1 vers 29 (Joh. 01:29). God zelf voor­ziet in een Lam ten brand­offer. Hij is die Ene boven alles en allen die hiervoor waardig is. Dat wat Jezus in zijn diepste wezen is, dé Zoon van God, ‘bepaalt de waarde en de kracht van Zijn verzoenend bloed.

Hemel en aarde aanbidden en getuigen

De evangeliën zijn één machtig getuigenis dat dit Lam van God Zijn eniggeboren Zoon is. Hemel en aarde getuigen ervan. Hij wordt al aangekondigd als “de Heilige, de Zoon van de allerhoogste God” Lucas 1 vers 32 tot en met 35 (Luc. 01:32-35). Er is een grootse profetie en heft kind in de schoot van Elisabeth springt op van vreugde als de stem van Maria, die het heilige in haar schoot draagt, ge­hoord wordt Lucas 1 vers 39 tot en met 55 (Luc. 01:39-55). De engelen verkondi­gen dat de Heiland, de Christus, de Here geboren is Lucas 2 vers 11 (Luc. 02:11). De herders aanbidden, de koningen aanbidden, Simon en Anna profeteren en aanbidden. Hemel en aarde aanbidden deze eniggeboren Zoon van God.

Hemel en aarde – God zelf, de heilige engelen, de bo­ze geesten, de mensen – getuigen ervan dat Jezus Christus de Heilige is, de Christus, de Zoon van de allerhoogste God. En in dat getuigenis ligt de erkenning dat Hij boven alles is en dat Zijn offer rechtsgeldig is in hemel en op aarde.

De koning verte­genwoordigt het hele volk en als de koning sterft, sterft het hele volk. Zo heeft God het in Zijn eeu­wige raadsbesluiten be­paald.

De Koning sterft als het Lam

Als Hij sterft, sterft Hij als Koning en daarmee vertegenwoordigt Hij dan de hele schepping en mensheid, vanaf Adam tot de laatste mens die uit een vrouw geboren zal worden. Hij is de alles omvattende van het begin tot het ein­de. Zo staat ook op het kruis: “Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden” Johannes 19 vers 19 (Joh. 19:19). Pilatus, die het rijk der duisternis vertegenwoordigt, beves­tigt hiermee Zijn hemelse positie. Hij zegt: “Zijt Gij dus tot een Koning?” Het antwoord van Jezus is: “Gij zegt, dat Ik Koning ben” Johannes 18 vers 37 (Joh. 18:37),

Deze uitspraken en alles wat er in die laatste dagen is gebeurd, heeft God op laten schrijven tot lering van ons; opdat wij zouden geloven dat Hij de Christus is, de Zoon van de levende God.

Er wordt goddelijk recht gedaan en de tegenpartij zal het recht van God moeten erkennen. Daarom is ieder woord dat gespro­ken wordt vol van goddelijke waarheden en is het één glorieuze vervulling van de profetieën. Jezus is het smetteloze Lam, zonder enige schuld, en het rijk der duisternis moet erkennen: “Ik vind geen schuld in Hem” Johannes 18 vers 38 (Joh. 18:38). Als Jezus als Ko­ning vernederd, bespot en gegeseld is en met doornen gekroond, dan zegt Pilatus: “Zie de mens”. Niet: “Zie een mens”, maar “Zie de mens”.

Jezus staat daar als Vertegenwoordiger, als Hoofd, als Koning van de mens­heid. In Hem is de gehele mensheid vertegenwoordigd en Hij onderging de vloek van de wet Galaten 3 vers 13 (Gal. 03:13). Hij werd als een uitgestotene, als een diep verworpene, vernederd en mishandeld. “Zoals velen zich over U ontzet hebben – zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestal­te”, zegt Jesaja 52 vers 14. (Jes. 52:14)

“Zie de mens”. Dit is Hij geworden, voor ieder mens persoonlijk. Hij stond daar in onze, in mijn plaats Galaten 2 vers 20 (Gal. 02:20). “De Here heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar Hij liet zich verdrukken en deed zijn mond niet open, als een Lam dat ter slachting geleid wordt en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij zijn mond niet open” Jesaja 53 vers 6b en 7 (Jes. 53:06b-07).

En dan spreekt Pilatus.: “Zie de mens”. Hij in plaats van de mens. En dan opnieuw tot tweemaal toe: “Ik vind geen schuld in Hem” Johannes 19 vers 4 tot en met 6 (Joh. 19:04-06). Ook in het evangelie van Lucas staat vermeld dat Pilatus tot driemaal toe getuigt van de on­schuld van Jezus. De Rechtvaardige, de Heilige, die even heilig is als God, wordt veroordeeld. ”Voor Jezus gekruisigd wordt is er opnieuw de bevesti­ging dat Hij koning is. “Zie uw Koning”, zegt Pilatus Johannes 19 vers 14 tot en met 16 (Joh. 19:14-16).

Hij zal gekruisigd worden en sterven als de absolute Koning die heilig, rechtvaardig en schuldeloos is. “Maar om onze overtredin­gen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die  ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden” Jesaja 53 vers 5 (Jes. 53:05). En als Hij daar hangt, dan wordt Hij door de moorde­naar erkend als Koning van een Koninkrijk Lucas 23 vers 42 en 43 (Luc. 23:42-43).

Onze ‘Levensadem’ sterft…

Hij, waarvan Johannes getuigt dat Hij het leven en het licht der mensen is Johannes 1 vers 4 (Joh. 01:04), wordt door de wereld verworpen, waarvan Hij toch Koning is, en wordt door de duisternis overweldigd. “Banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het doden­rijk hadden mij aangegrepen, ik ondervond benauwdheid en smart” Psalm 116 vers 3 (Ps. 116:003).

Als Jezus Christus gekrui­sigd wordt, dan wordt het leven en het licht der men­sen gekruisigd. Dan wordt de ‘levensadem’ van de mens gedood. Dan sterft in wezen de hele mensheid in Hem. Klaagliederen 4 vers 20 (Klaagl. 04:20) zegt van Hem: “Onze levensadem, de gezalfde des Heren, werd.in hun valkuilen gevangen, hij van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volken” zie ook Genesis 2 vers 7 (Gen. 02:07). De ge­zalfde des Heren die met zoveel aanbidding, enge­lenzang en profetie in de wereld gekomen was, stierf als Koning der koningen, als de Here der Heren. De eniggeboren Zoon van God, die boven alles staat, heeft recht gedaan voor de hele schep­ping. “God zelf heeft zich voorzien van een Lam ten brandoffer” Genesis 22 vers 8 (Gen. 22:08).

Alles is met Hem in de dood als Hij sterft. Drie uur lang komt er duister­nis over het land want onze levensadem – “Hij dié alles draagt door het woord van Zijn kracht” – gaat onder in de zee van de dood Matteüs 27 vers 45 (Matt. 27:45). “Te dien dage zal het ge­schieden, luidt het woord van de Here Here, dat Ik op de middag de zon zal doen schuil gaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. Dan zal Ik uw feesten in rouw verkeren en al uw liederen in klaagzang. Dan zal Ik rouwgewaad brengen op alle heupen en kaalheid op elk hóófd. En ik zal het maken als de rouw over een enig geborene en het einde ervan als een bittere dag” Amos 8 vers 9 en 10 (Amos 08:09-10).

Het enige en laatste offer

Hier schittert de grenzelo­ze liefde van God voor de mensen dat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor ons gegeven heeft. Maar even­goed schittert hier de grenzeloze liefde van de Zoon die in alles aan Zijn Vader gelijk is. Hij is de lijdende knecht, maar zijn goddelijkheid is onaan­tastbaar. Hebreeën 7 vers 16 (Heb. 07:16) zegt dat Hij Lam en Hogepriester is krachtens onvernietigbaar, onver­gankelijk leven. Ogenschijnlijk is Hij een willoos slachtoffer, maar niets is minder waar. Nie­mand dan Hijzelf bepaalt de gebeurtenissen en vol­brengt zo de wil van de Vader. “Niemand ontneemt Mij het leven, maar Ik leg het uit Mijzelf af”, heeft Hij gezegd Johannes 10 vers 18 (Joh. 10:18).

Op het negende uur, dat is om drie uur in de mid­dag, is Zijn taak volbracht. Niemand anders dan Hij bepaalt dat in overeen­stemming met de wil van Zijn Vader. Het is precies het uur waarop het laatste offer van de dag in de tempel op het altaar werd gebracht, het zogenaamde avondoffer of spijsoffer.

Hij ’is het enige en laatste offer wat gebracht wordt voor de oude en de nieu­we bedeling. Hij zegt van Zichzelf: “Want mijn vlees is ware spijs en mijn bloed is ware drank” Johannes 6 vers 14 (Joh. 06:14).

In Hem is het ‘altijdduren­de offer’ bestendig en het oude geheel vervuld. Hij gaf de geest. Jezus stierf niet op grote verzoendag, maar op de dag dat de Joden hun paaslam slacht­ten, in Hem is echter al­les volbracht. Hij is de Verzoener voor de hele schepping.

Hij brengt geen offer aan de duivel, maar er staat geschreven “dat Christus Zichzelf, door de eeuwige Geest, als een smetteloos offer aan God gebracht heeft” Hebreeën 9 vers 14 (Heb. 09:14). Het is een zaak van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest en het enige wat de duivel kan doen, is getuigen dat Hij onschul­dig is en dat Hij de Koning is. De duivel voert Hem niet in de dood, maar Hijzelf geeft Zijn geest. Niet in handen van de duivel en de dood, maar in handen van de Vader. Lucas vermeldt: “En Jezus riep met luider stem: Vader in Uw handen beveel Ik mijn Geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest” Lucas 23 vers 46 (Luc. 23:46). Zo sterft de grote Koning! En zo heeft Hij Zijn leven vrijwillig afgelegd.

En als Koning daalt Hij neer in het dodenrijk om ook daar als ‘de Gezonde­ne van de Vader’, het evangelie van het Konink­rijk Gods te prediken wat in Hem en door Hem een aan vang heeft genomen 1 Petrus 3 vers 19 (1 Petr. 03:19). Machteloos moet de duivel en de dood toezien dat Hij bij Zijn opstanding krijgsgevange­nen meevoert als buit naar Zijn Koninkrijk Matteüs 27 vers 52 en 53 en Efeze 4 vers 8 (Matt. 27:52-53; Ef. 04:08).

De nieuwe weg is geopend

Alles is volbracht. Er is rechtgedaan door onze goede God en Vader. Hij heeft de schepping gelost en de prijs betaald. Het voorhangsel in de tempel scheurt als teken van de nieuwe weg, die Hij ge­opend heeft.

“Hem, die geen zonde ge­kend heeft, heeft God voor ons tot zonde ge­maakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid Gods in Hem” 2 Korinthe 5 vers 21 (2 Kor. 05:21).

Het jubeljaar is begonnen met het grote offer – op de allergrootste verzoen­dag – van het heilige, smetteloze Lam Gods en het zal eindigen met een schepping waarin God zal zijn alles en in allen  1 Korinthe 15 vers 28b (1 Kor. 15:28b).

Nog een slotopmerking. Het hele lijdensgebeuren is door de evangelisten niet op getekend om senti­menten en medelijden of beklag op te wekken, maar – zoals Johannes het zo treffend schrijft – opdat wij geloven, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat wij gelovende, het leven hebben in Zijn Naam’ Johannes 20 vers 31 (Joh. 20:31).

 

Geestelijke mensen door Piet Snaphaan

Ze leven in twee werelden,

in beiden tegelijk,

als nuchtere mensen

hier op aard’,

en in Gods Koninkrijk!

 

Wat lezers schrijven door redactie

“Het blad “Levend Geloof” blijft een blad wat het geloof levend houdt. De inhoud is eenvoudig en heerlijk om te lezen. Ik word er erg door bemoedigd. Juist wanneer er veel strijd is, vanwege mijn handicap, is het iedere, keer weer “Levend Geloof” wat mij bepaalt bij het Woord van God”.

(T. d. W. te Rijswijk).

“Bij deze wil ik graag mijn abonne­ment op uw blad “Levend Geloof” opzeggen. Ik heb een tijd lang de inhoud van uw blad gele­zen en heb dit ook als positief ervaren. Ik be­grijp dat uw blad een echt studieblad is en daarmee de geheimenissen van het Koninkrijk Gods wil verkondigen en ook vooral het geloof en de positie van de gelovige in Christus wil versterken, ga zo door. Voor mijzelf denk ik dat er een aantal praktische alledaagse ele­menten van het christen- zijn in ontbreken die ik direct zou kunnen toepas­sen” . (R. N. B. te Sint Pieters-Leeuw) .

“Graag zou ik mij willen abonneren op uw maandblad “Levend Geloof” . Ik vind het krachtig geestelijk eten, waardoor ik versterk word. Het bouwt mij op, het geeft je rust, vrede en blijdschap en ik vind er gerechtigheid in. De drie punten van het Ko­ninkrijk der hemelen en in dat Koninkrijk wil ik leven” .

(J. M. v. H. te Genk) .

“Mijn vurige wens is dat uw blad door­drenkt mag blijven van Gods Geest, zodat wij die het lezen zo mogen opwassen tot echte zonen Gods” .

(L. D. te Kortrijk).

 

Het teken van Gods liefde door Jan W. Companjen

“Wij prediken een gekrui­sigde Christus, voor Jo­den een aanstoot, voor heidenen een dwaasheid, maar voor hen, die ge­roepen zijn, Joden zowel als Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods. Want het dwaze van God is/wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen” 1 Korinthe 1 vers 23 tot en met 25 (1 Kor. 01:23-25).

De openbaring van Gods liefde

In 1 Korinthiërs 1 vers 18 tot en met 25 (1 Kor. 01:18-25) wordt het teken van Gods macht omschreven. Dat teken is het kruis. Op dat kruis is de liefde Gods geopenbaard en langs die weg van Gods liefde, zal God ook steeds de wereld en alles wat daarin is, vasthouden en tot over­winning brengen. Wie tot de gemeente van Chris­tus, het lichaam van Christus, van de eindtijd wil behoren, moet dat kruis, die liefde Gods, steeds voor ogen houden. Dit wat betreft zijn eigen vragen en wensen, maar ook en vooral ten opzichte van het op de juiste wijze volbrengen van de grote eindopdracht. Die op­dracht wordt alleen maar correct en doeltreffend uit gevoerd indien zij in het teken van Gods macht, het kruis, staat. In dat teken zal de grote eind­overwinning plaats vin­den. Niet door kracht of geweld, maar door de Geest van God, die liefde is, zal het geschieden.

Met de ganse schepping Gods kijken ook wij gelo­vigen, uit naar de open­baring van de zonen Gods. Heel de schepping zucht en verlangt hier­naar en daar horen wij toch ook bij. Wel is er het grote verschil dat wij, als lichaam van Christus, er direct bij betrokken zijn. God de Vader heeft ons samen met Christus levend gemaakt Kolossenzen 2 vers 13 (Kol. 02:13 vv). Hij heeft van ons een nieuwe schepping gemaakt en door Zijn Geest tot Zijn lichaam gedoopt. Wij (Hoofd en li­chaam) trekken op dis wolkkolom Gods naar het beloofde land. Wij hebben de nieuwe mens aangedaan en die mens wordt ver­nieuwd tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper. En dit zal ge­schieden omdat daartoe alles volbracht is. Verbonden met ons Hoofd, Jezus Christus, van waar­uit het gehele lichaam, door pezen en banden on­dersteunt en samengebon­den, Zijn Goddelijke was­dom ontvangt. Laat u daarbij niet opnieuw gebo­den opleggen, maar zoek de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want wij zijn gestorven aan ons aardse leven en opgewekt tot een nieuw leven dat geborgen dé met Christus in God. Christus heeft ons een nieuwe weg geopenbaard: de wet Gods in ons hart en een zuiver geweten.

Bij het verder optrekken als ‘wolkkolom Gods’ is het noodzakelijk dat wij een juiste visie voor de eindtijd hebben. Ons niet druk maken over zijwegen, wat God met die ander, onder andere Israël, een andere gemeente of kerk, wil doen, maar terugkeren naar de weg die Christus ons geopenbaard heeft. Hij wil in de eerste plaats dat wij Hem liefhebben, met alles wat in ons is en dat wij dat juichend en jubelend belijden. Zijn Koninkrijk bestaat niet uit eten en drinken (dit moet u ook geestelijk ver­staan), maar uit recht­vaardigheid, vrede en blijdschap door de Heilige Geest.

Laten wij dan ook als he­dendaags volk van God, samen in al onze variaties, om Jericho trekken en daarbij in het geloof gaan juichen en jubelen voor dat de muur valt. De hemel kent geen grens, de mens perkt hem in en maakt hem zo dat hij hem kan overzien. Het is bij wijze van spreken een ‘gesloten boek, geworden, maar – prijs de Heer! – onze Leidsman gaat dat boek openen. Hij gaat ons de toekomst openbaren en een geopende hemel ge­ven.

De ruiter op het witte paard

Bij die opening in Open­baring 6, zien wij die stoet ruiters met rode, zwarte en vale paarden. Oorlog, honger en pest daveren over de aarde voort. Het is allemaal een angstwekkend gebeuren en het is allemaal door de mens zelf losgemaakt en veroorzaakt. Beginnende bij het paradijs en het al­lemaal overziende tot nu toe, zien wij waartoe de mens, onder inspiratie van de vorst der duister­nis, in staat is.

Maar, halleluja, bij de ope­ning van het boek zien wij dat Jezus Christus, op het witte paard, alles op sleep­touw genomen heeft. Hij heeft het roer in handen genomen. Hij heeft het leiderschap, samen met zijn lichaam, aanvaard. Hij neemt alles wat de mens in zijn razernij teweeg heeft gebracht in Zijn liefde op. Het doem doen en denken is voorbij, de mens Gods is in Zijn spoor gekomen en voert de wereld naar het doel Gods: een nieuwe hemel en een nieuwe aar­de .

U begrijpt bij dit alles toch zeer zeker wel dat het pinkstergebeuren van de gemeente van Christus in dit alles geen zijrivier­tje is. Het hoort er fundamenteel bij en is geheel naar Zijn wil. De mens is geroepen deelnemer te zijn in de uitvoering van het plan Gods. Jezus gaf het Koninkrijk Gods ge­stalte en waar Hij komt wordt het licht en breekt de dageraad aan.

De scheidsmuur is weggebroken

Zijn kruis werd hét kruis­punt in de geschiedenis van de mens. Na Zijn prijsbetaling kwam de Geest Gods terug in de mens opdat de mens Gods volkomen zou zijn. Op de Pinksterdag zag Petrus als eerste dat het oude testament, als profetie, in vervulling ging. De Scheidsmuur tussen de volken, tussen Jood en heiden, maar ook tussen meester en dienstknecht, man en vrouw, bruin, wit of zwart, werd weggebro­ken. Wij zijn een in Christus.

Petrus zei bij zijn eerste toespraak, zo heet van de naald: ‘Dit is het wat de profeet Joël gezegd heeft. Nu gaat het komen, alles wat de kaalvreter vernield heeft, wordt ver­goed en hersteld’. Dat is heel wat anders dan in evangelische kring geleerd wordt, namelijk dat de Geest is uit gestort, men weet kind van God te zijn, maar meer is er niet. De toerusting voor de ‘grote eindopdracht ontbreekt. Het tot ontplooiing komen tot zonen Gods wordt on­mogelijk geacht en gezien als een utopie, als een hersenschim. Maar Petrus zegt: Dit is het! Wij zijn van nu af aan indien wij gedoopt zijn in de Hei­lige Geest, de tempel van die Heilige Geest. De Geest die in Jezus woonde en die nu in ons woont, maakt ons tot één. Maakt ons één met de Vader om Zijn plan te volbrengen. Hij heeft beloofd dat de Trooster, de Heilige Geest, met ons zou zijn tot- het einde en dat die Geest ons zou leiden naar de volle waarheid.

Nu, in dat laatste, in die laagste fase, zitten wij. Wij zitten er midden in. Nog nooit zijn er zoveel gelovigen geweest die zoe­ken naar het eindplan Gods. De één zoekt het in lofprijzing (juichende naar de overwinning, want God hééft het gedaan). De an­der zoekt het in een steeds diepere studie van Gods Woord. (Daar geldt: kennis is macht en wij moeten krachtig en sterk in de Heer zijn). Op zich allemaal waar, maar voor het eerste is de lagere school goed, bij het laat­ste is gymnasium vereist.

De weg die verder omhoog voert

Er is echter een weg die veel verder omhoog voert en dat is de weg der lief­de. Liefde geeft gemeen­schap, het huwelijk is daar een beeld van, ge­liefden gaan in elkaar op en geven zich aan elkaar over in het vaste vertrou­wen dat die ander steeds het allerbeste met je voor heeft. Hij heeft die ander lief, zoals hij of zij zich­zelf liefheeft. Weet u wat ons het meest in de weg zit? Dat is ons machtsden­ken, de sterkste is het meest waard en het zwakkere is aan hem onderge­schikt . Maar ook, kennis is macht, de macht ligt bij diegenen die de meeste kennis hebben. Alles om ons heen is doordrongen van dit machtsdenken.

In ons tekstgedeelte zien wij de overwinning via de liefde omschreven. Er staat meteen al bij dat het de Joden een aanstoot en voor de heidenen zelfs dwaasheid is. Maar het dwaze van God en het zwakke van God is wijzer en sterker dan de mensen. Gods weg is volmaakt. De eerste christenen hadden dat begrepen. Zij hadden zuivere gewetens en waren er niet op uit machtig en sterk te zijn op wereldse wijze. Jezus wees zo’n ko­ningschap af bij de verzoeking in de woestijn en Hij werd door het volk af­gewezen omdat Hij niet voor hun aardse maar voor een hemels koninkrijk gekomen was.

Gods macht geeft vrijheid. Ons machtsdenken is er de oorzaak van dat de schepping aan de vruchteloosheid onderworpen is, het geeft doornen en dis­tels. Zijn liefde verwekt echter overal leven. Hij houdt van Zijn bruid en reeds aan Petrus vroeg Hij: ‘Petrus, hebt gij Mij lief?’ Hij vroeg het drie­maal en waarom? Omdat Hij zo graag hoorde dat Petrus Hem lief had. Hé, Petrus (en Jan, Piet, Klaas, Corrie, Maria…) zeg dat nog eens een keer, en nog eens, en nog eens.

Als voorbeeld, hoe Hij ons ons bemint, las ik eens het volgende verhaaltje: “Een rijke sjeik kan zijn vrouwen alles geven.

Geld, goederen, paleizen, enz. Hij kan haar zelfs pressen zijn bezit te zijn en hem te gehoorzamen. Maar één ding kan hij niet: haar dwingen hem lief te hebben. Werkelijke liefde geeft keus te gaan of te komen of te blijven. Door te moeten (blijven) wordt het mooiste paleis een gevangenis. In Gods paradijs, nog mooier dan een paleis, hangt de sleutel voor iedereen klaar. Men mag komen en gaan”. Tot zover dit prachtige voorbeeld van Gods liefde en vrijheid.

Toen Gods bruid weg liep moest Hij haar laten gaan, maar Zijn liefde hield niet op. Hij bleef haar bemin­nen en die liefde zal be­antwoord worden, want Hij zal het zien tot ver­zadiging toe. Het teken van de liefde Gods, het kruis, is na de bloei van, de eerste christengemeen­ten, toen in één genera­tie het Woord Gods in de toen bekende wereld be­kend werd, omgekeerd. En een omgekeerd kruis is een zwaard. Het laten vallen van de grondtekst van het Koninkrijk der Liefde: “Niet door kracht of geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden”, werd en is in wezen de zondeval van het Chris­tendom. Het kruis van Christus als liefde teken Gods moet voor ons overeind blijven staan.,

Het visioen van keizer Constantijn

Ongeveer 300 jaar na Christus kreeg keizer Constantijn de Grote, toen hij op het punt stond een grote beslissende veldslag te beginnen, een visioen. Hij zag aan de hemel een kruisteken met daar om­heen geschreven: ‘Overwin in dit teken’. Blijkens ons tekstgedeelte zou dit dus moeten geschieden via de weg van de liefde. Con­stantijn nam het kruis aan, maar draaide het om tot een zwaard en maakte er een machtsmiddel van om zijn rivaal naar de wereldmacht (Maxentius) te vernietigen..

Het bracht een grote omme­keer teweeg. Het Christen­dom werd door Constantijn erkend. Hij riep de synode van Nicéa bijeen, een concilie waarbij de hele kerk vertegenwoordigd was. Hij stelde zijn rijk onder be­scherming van de God van de christenen, gaf de bis­schoppen privileges, vrij­stelling van belastingen en erkenning tot recht­spraak. Zijn wereldse macht werd aan de kerk overgedragen. De mens, de gelovige mens, viel terug in het oude, oerheiden zijn van de macht van de sterkste. Constantijn wordt dan ook in de beel­dende kunst afgebeeld als de keizer met in de ene hand het gevest van het zwaard en in de andere hand (rechts) een lans met labarum. Een vaandel van het Romeinse leger met kruis en Christusmo­nogram.

Tot op de dag van van­daag ziet de mens nog steeds (veel c.q. veel te veel) door de bril van Constantijn. God is macht, Hij is iets groots, iets sterks en machtigs. Hoe meer Hij kan, hoe groter Hij is. Dat heeft Constantijn ook gedacht en zo’n God wilde hij eren en die­nen. Macht en nog eens macht en die van Hem zijn krijgen die macht. Maar onze God is één, enkel liefde. Vanuit die liefde is Hij krachtig en machtig en wijzer dan de mensen. De opdracht aan de mens was: Ga lijken op de God die liefde is en die zich in Christus heeft geopen­baard. Het werd: de mens wil aan God gelijk zijn, die macht is. Hij wil heer­sen en heerschappij voeren over datgene wat zwakker is, zowel naar lichaam als geest. Dit gegeven zit er na eeuwen kerkelijke heer­schappij in gebakken en op die wijze wordt de we­reld beheerst. Efeziërs 6 vers 12 (Ef. 06:12) spreekt in dit verband over de ‘wereld- beheersers dezer duister­nis’. Hoe meer macht, hoe v meer mens, en zo hebben wij ons góden gemaakt naar ons beeld. De meest machtige moet ons be­schermen en behoeden.

De omvorming naar het beeld van Jezus

Jezus kwam om ons een nieuwe weg te wijzen. De eerste christenen hebben dat goed begrepen. En wij? Wij zullen ook weer dit licht gaan zien, want de sluier zal worden weg­genomen en wij worden omgevormd naar het beeld van Christus 2 Korinthe 3 vers 14 tot en met 18 (2 Kor. 03:14-18). Wij worden door Zijn Geest mensen zoals God „dat bij de schepping be­doeld heeft. Alles zit er al op en aan en Hij heeft, om tot dat doel te komen, alles volbracht. Voor alles staat vast dat God liefde is en dat Hij door die liefde heen alles zal vol­brengen.

Jezus zit aan de rechter­hand van de Vader en Hij zal Zijn gemeente onberispelijk bouwen. Laten wij ons dan uitstrekken naar dat goede en volmaakte wat komende is. De schep­ping zucht niet naar Christelijke beschaving, maar ziet uit naar mensen waarin de God der liefde te erkennen is. Geen le­ken of andere discriminerende namen, maar wij zijn door God geleerde mensen die (samen) op weg zijn om het beeld van Christus te openbaren.

Want Hij is de blauwdruk Gods zoals Hij zich de mens gedacht heeft.

 

Intermezzo ons vermogen door Gerry Velema

Opgetogen kwamen ze thuis. Nu moest mamma toch eens horen. Je kon in de cadeauwinkel van het dorp een indianen-pakket kopen voor maar vijf gulden. Een pijl en boog, een pijlkoker, een mes, een hoofdtooi, te veel om waar te zijn! Zo’n koopje zou mamma laten gaan? Samen met een vriendje, die al de gelukkige bezitter ‘van een dergelijk voordeelpakket was, stonden ze bij me. Het ene argument na het andere werd over me heen gegooid. Maar ik zag het allemaal nog niet zo zitten. Tot het vriendje, de wanhoop van m’n zoontjes proevend, nog een argument probeerde:     “En u krijgt er natuurlijk ook nog zegels bij, die u kunt sparen… en daarvoor krijgt u dan weer geld!”

Dat was het! Ik had nog een stapel zegels liggen die nog in geplakt moesten worden. Als de jongens dat in orde wilden maken, hadden ze misschien net genoeg voor een pakket, dat ze dan maar samen moesten delen. Na het nodige geplak, ging het drietal op weg, met de volle spaarkaarten.

Maar daar blijkt de prijs net vijf en zeventig cent hoger te zijn. Sneu kwamen ze bij mé terug. Vijf gulden was net te weinig- voor dat mooie indianen-pakket. Ze konden het net niet kopen, tenzij… tenzij mamma. .., nou ja, dat wou mamma nog wel doen. Samen kregen we het pakket binnen ons bereik en de jongens hebben er dagen mee gespeeld.

Hoe vaak komen wij niet net tekort of soms heel veel tekort! Aan geloof, of aan wilskracht. Aan volharding of aan zekerheid en moed. Toch wil onze Vader dat we aan niets tekort hebben. Hij wil zo graag bijspringen. Hij gaf Jezus, Zijn Zoon, als leidsman en voleinder van ons geloof en met Hem gaf Hij ons alles.

Net als de meeste kinderen, krijgen ook wij van onze Vader een deel van ons vermogen. Noem het zakgeld, net als de volle spaarkaarten van de jongens. Dat krijgt ieder mens. Je eigen wil om te kiezen, je leven in te richten zoals je dat zelf wilt. Ieder mens krijgt talenten, die je naar eigen inzichten zo goed mogelijk mag gaan besteden, investeren in dit leven. Totdat blijkt, dat je net tekort komt! Net als mijn jongens met hun indianen-pakket merken we, vaak bij herhaling, dat we toch net niet genoeg hebben om zo te leven als we eigenlijk wel zouden willen.

Weet je wat nu zo mooi van God is? Hij spreekt niet over ‘een beetje zakgeld voor jou’ en de rest is allemaal van Mij. In de gelijkenis van de verloren zoon spreekt de Vader van ‘ons vermogen’, met de nadruk op ons.

Of over: “Al het mijne is immers het uwe”. Zo’n Vader is God. Het is een goede zaak, als je ‘eigen zakgeld’ weer terugbrengt in het familiekapitaal van God. Je tijd om te leven, je vrije wil weer onderwerpt aan die van je Vader. Je talenten weer in dienst zet van Zijn Rijk. Wie zichzelf zo teruggeeft aan zijn Vader, wordt beslist niet armer, maar alleen veel rijker. Rijk in de erfenis van God. Dan komen we niet net iets tekort, want wat we alleen niet kunnen, zal samen met Zijn Grote Rijkdom vast lukken!

 

Het merkteken van het beest door Evert van de Kamp

“En het maakt, dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, en dat nie­mand kan kopen of ver­kopen, dan wie het merk­teken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft” Openbaring 13 vers 16 en 17 (Openb. 13:16-17).

In Openbaring 13 vers 11 tot en met 18 (Openb. 13:11-18) is sprake van het beest uit de aar­de, de antichrist. Hij is de mond van de duivel die spreekt door het beest uit de afgrond, de wetteloze mens 2 Thessalonicenzen 2 vers 3 (2 Thess. 02:03). Ontelbaren ontvangen van hem zijn merkteken op rechterhand of voorhoofd. Wie dat merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn naam niet bezit, zal niet meer, kunnen kopen of verkopen.

In de film ‘Als een dief in de nacht’ wordt een impe­rium, een wereldregering, getekend waar iedereen een registratienummer moet hebben. Anders is hij een vijand van het ‘systeem’ en wordt buiten spel gezet, uit de maat­schappij gestoten. Hij kan niets meer kopen of ver­kopen. Over deze materie zijn al verschillende boek­jes verschenen, die on­dermeer weten te vertel­len dat de streepjescodes op allerlei handelsartikelen een voorbode zijn van een iets als het merkteken van het beest.

Deze en andere zienswijzen zijn allemaal verklaringen in de natuurlijke, mense­lijke sfeer die slechts angstaanjagende beelden oproepen. De Bijbel – Gods woord dus – is een geestelijk boek, alleen te verstaan door mensen die hebben leren lezen met geestelijke ogen en zijn gaan luisteren met geeste­lijke oren. Wie zulke oren heeft, hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt, roept de apostel Johannes ons toe.

Wat is het merkteken van het beest?

Dat teken is geen registra­tienummer, identiteitskaart, een bepaalde pas, een computer code of iets der­gelijks. Het is een geeste­lijk, zo u wilt een ongeestelijk, teken. Het is het teken van de wetteloze, de absolute wetteloosheid. Het is het teken van de mens der zonde. Deze mens is een beelddrager van de ‘ antichrist en is of wordt als zodanig in de tijd dui­delijk herkenbaar.

Over dit merkteken van het beest dat in de eind­tijd op het voorhoofd of op de rechterhand van de mens komt, lezen we in Openbaring 13 vers 16 en 17 en Openbaring 14 vers 9 en Openbaring 17 vers 5 en Openbaring 20 vers 4  (Openb. 13:16-17; Openb. 14:09; Openb. 17:05; en Openb. 20:04; Openb. 14:09; Openb. 17;05 en Openb. 20:04). Het betekent dat het totale denken (het voorhoofd) en handelen (de hand) regelrecht on­der invloed van het rijk der duisternis staan.

Deze mens wordt volkomen in bezit genomen door de geest der dwaling. Die geest probeert als een en­gel des lichts heel subtiel of soms met bruut geweld de gemeente van Christus binnen te dringen.

De Bijbel spreekt van het getal van de mens: 666. Dit getal omvat de onzichtbare, geestelijke en de zichtbare, natuurlijke we­reld. Met beiden krijgen wij steeds te maken. Want de mens wordt of is totaal slaaf van de ongerechtigheid, of volgt meer en meer het Lam.

Het niet meer kunnen ko­pen of verkopen betekent voor de christen dat hij niet meer mee kan doen met steeds meer dingen en zaken zonder met de zon­de in aanraking te korden.

In onze tijd noemt men het kwade goed en het goede al te gemakkelijk kwaad Jesaja 5 vers 20 (Jes. 05:20). Daarom moet hij het getal van het beest berekenen. En dat heeft God mogelijk ge­maakt. De Heer waar­schuwt niet alleen ernstig het teken van het beest niet te aanvaarden Openbaring 14 vers 9 tot en met 12 (Openb. 14:09-12), maar biedt ons in de allereerste plaats zijn teken van absolute bescherming aan, de Geestesdoop, die een totaal om­vattend vernieuwend geestelijk denken op gang wil brengen Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

De tegenhanger van het merkteken

Als tegenhanger van het merkteken van satan gaf God al eerder Zijn teken van het Nieuwe Verbond. Dit is het zegel van de levende God Openbaring 7 vers 2 en 3 (Openb. 07:02-03), de doop met de Heilige Geest. Het teken van het beest is daarvan een gruwelijke imitatie.

De Heer Jezus zelf is de eerste geweest die deze verzegeling van de Vader ontving. In Lucas 3 vers 21 en 22 (Luc. 03:21-22)lezen wij van Gods voorbeeld voor alle mensen en alle tijden, het aanbod van de volheid van zijn Geest, om bij het einde der tijden staande te kunnen blijven en de duivel te kunnen overwin­nen. We lezen daar: “En het geschiedde, terwijl al het volk gedoopt werd, dat, toen ook Jezus ge­doopt werd en in gebed was, de hemel zich opende, en de Heilige Geest in lichamelijke gedaante als een duif op Hem neerdaalde, en dat er een stem kwam uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, de geliefde, in U heb Ik mijn welbehagen”.

Hoe belangrijk de doop met de Heilige Geest is, blijkt meer dan duidelijk uit de volgende aanhalin­gen: Openbaring 7 vers 3; Openbaring 9 vers 4; Openbaring 14 vers 1 en Openbaring 22 vers 4. (Openb. 07:03; Openb. 09:04; Openb. 14:01; Openb. 22:04) De Bijbel spreekt onmiskenbaar hel­der over onze redding door het bad der weder­geboorte en der vernieu­wing door de Heilige Geest, die God rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus, onze Heiland Titus 3 vers 6 en 7 (Titus 03:06-07), Niemand kan er omheen dat Jezus Christus de Doper is met de Heilige Geest. Christus doopt nog dagelijks velen met de onmisbare Geest van God. Veel christenen menen het (nog) zonder die verzegeling van God te kunnen stellen. Eigen­lijk onbegrijpelijk omdat God in zijn Woord over deze ervaring zo duidelijk is. Maar ook omdat de Geestesdoop ons denken totaal vernieuwt, zodat we met deze verzegeling ons werkelijk kunnen me­ten met de verzegeling door het merkteken van het beest op hand of voorhoofd.

Anderzijds is de onwetend­heid van deze fundamente­le zaken (nog) heel groot. De tijd van de verzegeling met Gods Geest is echter nog niet afgesloten Openbaring 7 vers 3 (Openb. 07:03). Een ieder die de Heer Jezus lief heeft, mag en kan deze doop van Hem ontvangen. De Heer zelf nodigt daar­toe uit. De enige voor­waarde is te geloven dat Jezus de Doper is met de Heilige Geest.

Jezus is de doper met de Heilige Geest “Bidt en u zal gegeven worden”, is de belofte Lucas 11 vers 13 (Luc. 11:13). En in Han­delingen 2 vers 17 (Hand. 02:17) wordt de Joëls belofte her­haald : “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees”. Ik geloof daar ten volle in. De late regen valt en de komst des He­ren is nabij Jacobus 5 vers 7 en 8 (Jak. 05:07-08).

Heel de wereld moet het nu weten: Jezus Christus is de doper met de Heilige Geest. Satan drukt dag in dag- uit zijn vals merkteken op de tienduizenden. Daarom willen wij luidkeels in de zienlijke en de onzienlijke wereld de Naam des Heren uitroepen over al wat leeft. Het is de Heer zelf die roept: “Wordt vervuld met de Geest!” Efeze 5 vers 19 (Ef. 05:19).

Kopen en verkopen; Wat houdt het in?

Wij begrijpen nu wel wat het betekent niet meer te kunnen kopen of verkopen. Het houdt niet in dat wij geen brood of suiker zou­den kunnen krijgen in de supermarkt, tenzij wij het merkteken op onze rech­terhand tonen. Nee, de ware christen kan en wil niet meer meedoen aan tal van zaken in het maatschappelijke, politieke en culturele leven. Het door de Heilige Geest vernieuw­de denken wijst daarin steeds meer de weg. Ik geef een paar recente voorbeelden uit de zien­lijke en onzienlijke wereld . . . hoe alles in beweging is.

Voor mij ligt een folder: ‘Touch for Health’ (‘Aan­raken voor gezondheid’). Deze beweging organiseert cursussen voor een occulte wijze van genezen voor onder andere onderwijs­gevenden.’ Schooladvies- diensten en bepaalde (ook christelijke) scholen spo­ren de leerkrachten aan hieraan deel te nemen. Er zijn scholen waar leerlin­gen met bepaalde moeilijk­heden een meer of minder occulte begeleiding krij­gen.

Een ander chapiter zijn de media. Ze zitten vol occulte zaken of besmettin­gen. Het occulte is in. Er is veel vraag naar. Al­tijd goed voor de kijkcij­fers. Daarom zijn er veel opzettelijk gerichte occulte ’uitzendingen. Al jaren­lang wemelen verschillende kinderprogramma’s er van. De knoppen van radio en tv moeten steeds vaker worden omgedraaid.

Ook in de literatuur is het paranormale enorm in trek. Het levert vele bestsellers op. Het begint al met de kinderboeken. Het kinderboek ‘De Inwijding’ van de schrijfster Margaret Mahy is er een schoolvoorbeeld van. Het werd in ‘Trouw’ jubelend besproken en warm aan­bevolen voor kinderen van ongeveer 12 a 13 jaar. Het boekje staat bol van allerlei paranormale ge­beurtenissen. Het viel mij op dat er in de krant weinig tegenreacties zijn gekomen. Toch reageerde een ouder: “De Bijbel zegt dat deze dingen (de paranormale gebeurtenis­sen) de Heer een gruwel zijn Deuteronomium 18 vers 9 tot en met 15 (Deut. 18:09-15). En voor zover onze kinderen niet in staat zijn zichzelf te beschermen, laten wij het dan doen. En dat kan door boeken als ‘De In­wijding’ niet te propage­ren aan onze kinderen”.

Enige tijd geleden werd ik geconfronteerd met één van de kindertijd­schriften van de uitgever Malmberg, vaak mede ver­spreid door scholen. Er was een volledige hand­leiding in opgenomen hoe je het best bepaalde occulte spelletjes kon gaan doen.

Zo zullen zich steeds meer zaken voordoen, op elk terrein, waaraan een christen niet (meer) mee kan doen. Soms is dat heel moeilijk. Wat doe je als je baas je verplicht deel te nemen aan een cursus waarvan je weet dat die regelrecht in strijd is met het Woord van God? Of als je aan sensitivity training mee moet doen, wat onder an­dere in het zakenleven nog al eens voorkomt.

Een occulte kerk kun je achter je laten, de bioskoop en het theater kun je voorbij lopen, maar er zijn moeilijker situaties denkbaar. Dus, dan maar niet meer ‘kopen en ver­kopen’.

Hoe staan wij tegenover politieke partijen die kie­zen voor het compromis in strijd met het wezen van onze Heer? En ook op het gebied van de bijbel­uitleg is er veel ’te koop’ wat niet goed is. Zo ge­makkelijk wordt er iets omgebogen, iets afgedaan van de heerlijke boodschap van het Koninkrijk der hemelen. De letter wint het nog dikwijls van de Geest. De goede raad van de apostel Paulus aan zijn volgeling Timotheüs: “Zie toe op uzelf en op de leer”, is bepaald nog niet overbodig 1 Timoteüs 4 vers 16 (1 Tim. 04:16).

Bereken het getal van het beest

In vers 11 van Openbaring 14 (Openb. 14:11)wordt gesproken over het merkteken van de naam van het beest. Het is de geest der dwaling van de antichrist, van de wetteloosheid. We zien dat overal om ons heen. Vooral allerlei invloeden uit het oosten spelen daarin- een grote rol.. In de jaren, zes­tig maakte ik eens een bidstond mee waarin de Heer door een beeld ons er op wees dat dit zou komen. Toen waren wij daar eigenlijk heel ver­baasd over. Nu worden wij er door overspeeld. Wie echter verzegeld is met de Heilige Geest hoeft daar niet bang voor te zijn. In Openbaring 9 vers 4 (Openb. 09:04)staat duidelijk dat de verzegelden van Gods­wege geen schade mag worden aangedaan. De in­nerlijke mens wordt bewaard. Dat betekent na­tuurlijk niet dat een christen of de gemeente van Christus het met de waakzaamheid op een ak­koordje kan gooien of geen tegenstand of ver­volging zal ondervinden. Dat allerminst. Wij worden juist aangesproken’ het getal van het beest te berekenen. Daar is wijs­heid en verstand voor no­dig, geestelijk inzicht en kennis.

We moeten oppassen voor kreten als ‘de paus is de antichrist’ (de Statenvertalers hebben dat gedaan) en voor het maken van cijfermatige berekeningen. Nee, het bijbehorende ge­tal 666 moet verklaard worden. We zagen dat het beest uit de onzienlijke wereld komt en dat het getal van het beest dat van de mens is. Er komt een absolute scheiding. De wetteloze mens zal rechtstreeks paranormaal contact hebben met de geest van de afgrond. Dit proces is volop in werking. Daarop moeten wij letten, op elke tendens in die richting. Dit is de grote lijn, de ontwikke­ling in de eindtijd. Hier zet de duivel alles op al­les.

Daartegenover staat de mens Gods in Christus. De geest van die mens staat in directe gemeen­schap met de Heilige Geest. Gods Geest maakt die mens tot een volkomen heilige tempel waarin God woont. Het getal berekenen is waakzaam zijn, want satan probeert zich in die tempel Gods te zetten, om aan zich te laten zien, dat hij een God is 2 Thessalonicenzen 2 vers 4 (2 Thess. 02:04).

Dit weten wij: “Het Lam overwint, want Hij is de Heer der heren en de Koning der koningen en zij, die met Hem zijn, de geroepenen, de uitverkorenen en gelovigen” Openbaring 17 vers 14 (Openb. 17:14) .

 

 

 

1988.02 nr. 289

Levend geloof 1988.02

De volledige kennis van Gods wil door Gert Jan Doornink

“Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van Zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op de wassen in de rechte kennis van God” Kolossenzen 1 vers 9 en 10 (Kol. 01:09-10).

Wie wil de wil van God doen?

In een oud lied komen de woorden voor:

“In het doen van Gods wil ligt mijn kracht,

Hem te volgen bij tegenspoed en nacht!

Ja, ‘k wil gaan, waar zijn Geest mijn schreên geleidt…”

Nu kun je zo’n lied gemakkelijker zingen dan praktisch beleven. Want we weten dat het te allen tijde doen van de wil van God (zowel in de grote als in de kleine dingen) vaak niet gemakkelijk is en dat we nog wel eens falen…

Toch is het Gods bedoeling dat we zó volledig om gevormd worden naar het beeld van Christus, dat we zó één met Hem worden, dat we echt voor de volle 100% instrumenten in Zijn hand zijn. En laten we dit ook nooit vergeten: God vraagt nooit iets onmogelijks van ons. Als Hij iets van ons vraagt, dan ..geeft Hij ook de mogelijkheden om het waar te kunnen maken.

Laten we eens onder ogen zien welke mogelijkheden God ons geeft om Zijn wil te doen. In de eerste plaats zullen we ons altijd weer moeten realiseren dat we overgeplaatst zijn vanuit het rijk der duisternis in het Koninkrijk van Jezus Christus. Iemand die niet behoort tot dat Koninkrijk, kan ook niet Gods wil doen. Dan kunnen we wel proberen goed te leven, ieder het zijne te geven, enz., maar we staan buiten de werkelijkheid van de beleving van het nieuwe leven in Christus. Toch denk ik dat we ons vaak nog onvoldoende realiseren wat deze over gang (dit over gebracht zijn, Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13), inhoudt. Deze overgang is namelijk zo radicaal en totaal dat alle andere ‘overgangen’, die er in ons leven plaats vinden, daarbij in het niet vallen.

Scheiding in de geestelijke wereld

Wat gebeurt er namelijk als we overgebracht worden in Gods Koninkrijk? Dan maken we scheiding in de geestelijke wereld. We gaan ontdekken wat licht is en wat duisternis is; wat dood is en wat leven is. Vóór die tijd waren we ons dat niet bewust. Leest u maar eens wat Paulus daarover schrijft in zijn brief aan de Efeziërs in het tweede hoofdstuk vers 1 tot 10 (Ef. 02:01-10). Duidelijk laat Paulus ons hier zien hoe ons vroegere leven beheerst werd door ‘de overste van de macht der lucht’, dezelfde geest die thans nog werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid, dus in allen die het nieuwe leven in Christus niet kennen.

Iedere zonde, iedere daad van ongehoorzaamheid, iedere verkeerde handeling, heeft dus een geestelijke achtergrond. Een verkeerde geest is de inspirator. De duivel is nog de overste van deze wereld en heeft als het ware een netwerk van alle mogelijke trawanten over deze aardbol gespannen om de mensen op de verkeerde wijze te beïnvloeden. Dat is de tragedie van het leven op aarde jen Het -zou nog veel erger zijn, als God er niet was en als Zijn Zoon niet was gekomen om de duivel te ontmaskeren en te overwinnen. Want dat is het geweldige van de boodschap van het evangelie: Geen mens hoeft onder de invloedssfeer van de duivel te blijven. Het evangelie is er voor alle mensen Titus 2 vers 11 (Titus 02:11). Ieder mens kan verlost, hersteld., vernieuwd en veranderd worden door geloof en aanvaarding van Jezus Christus!

Daarna mag hij het zeker weten: Ik ben verlost; mijn zonden zijn vergeven; het nieuwe leven is gekomen Kolossenzen 1 vers 13 (Kol. 01:13). Wij behoren dan tot het ‘Koninkrijk van Jezus Christus’. Dat is onze thuisbasis, van daaruit gaan wij ‘handelen en wandelen’, gaan we geestelijk strijden en overwinnen. Want nu behoren we verder te functioneren in het plan van God. Niet voor een klein beetje, maar geheel en al. Laat dit ons gebed zijn: ‘Heer, ik wil ten volle in Uw plan functioneren; Heer, ik wil graag een instrument in Uw Hand zijn, Heer, ik wil zo graag door U gebruikt worden om anderen te bevrijden uit satans macht, om ze te brengen vanuit de duisternis in het licht. Heer, ik dank U dat U dat bewerken zult door Uw Woord en Geest’!

Adviezen van de apostel Paulus

Als wij zo op oprechte wijze de Heer willen dienen, vindt er als het ware automatisch een geestelijke groei plaats, die veroorzaakt dat onze wil hoe langer hoe meer een eenheid gaat vormen met de wil van God en daardoor zijn we hoe langer hoe meer bruikbaar in Zijn dienst. Wat dat betreft kunnen we veel leren van wat de apostel Paulus schrijft aan de Kolossenzen. Hij begint met een dankgebed! De apostel had gehoord’ van het geloof en de liefde van de gemeenteleden. Het is duidelijk dat de gemeente te Kolosse een ‘levende gemeente’ was. Dat was echter niet zomaar uit de lucht komen vallen. Wat was er aan voorafgegaan? De prediking der waarheid! Kolossenzen 1 vers 5  (Kol. 01:05). Paulus was daar heel secuur in. Hij schakelde beslist niet alle evangelieprediking over één kam. Lees maar eens wat hij daarover aan ‘de Galaten schrijft in Galaten 1 vers 6 tot en met 9 (Gal. 01:06-09). In onze dagen is er een tendens  ontstaan om toch vooral één te zijn met alle anderen die ook geloven. Laten we in dit opzicht voorzichtig zijn.

Natuurlijk kunnen we allen die wedergeboren zijn erkennen en liefhebben als medebroeders en -zusters in Christus, maar als de Heer ons de ogen geopend heeft voor ‘het meerdere’ zijn wij er verantwoordelijk voor dat wij dit niet onder stoelen of banken steken. Het gaat om hetzelfde evangelie wat Jezus bracht en de apostelen: het volle evangelie, het evangelie van het geestelijk Koninkrijk. Dat is het evangelie zoals God dat bedoeld heeft en de mens werkelijk volkomen bevrijd uit de macht van satan en omvormt naar het beeld van Jezus.

Om dit ‘evangelie der waarheid’ ten volle te kunnen beleven en uit te / dragen is het allereerst noodzakelijk dat wij vervuld worden met de rechte kennis van  Gods wil Kolossenzen 1 vers 9b (Kol. 01:09b). Er zijn drie Nederlandse vertalingen die spreken zelfs van de volledige kennis van Gods wil. Zo lezen wij in de Petrus Canisiusvertaling: “… dat gij, in het bezit van allerlei wijsheid en geestelijk inzicht, tot de volledige kennis van Zijn wil moogt geraken”. Wijsheid en geestelijk inzicht, waar komen die weg, waar halen we die vandaan? U begrijpt het al wel: wie de wil van God wil doen, kan dat onmogelijk zonder de dagelijkse vervulling met de Heilige Geest.

Gods wil doen heeft positieve gevolgen

Wat zijn de mogelijkheden en gevolgen van het vervuld zijn met de volledige kennis van Gods wil? Paulus omschrijft het als volgt: “… om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God” Kolossenzen 1 vers 10 (Kol. 01:10). Ons geloofsleven gaat zich dus op een gezonde en positieve wijze ontwikkelen. Laten we de woorden van Paulus nog eens op een rijtje zetten: Wij wandelen waardig de Here. De Bijbel spreekt heel vaak over een-reine en onberispelijke wandel. De Leidse vertaling formuleert het zo: “… waardoor gij u gedraagt de Here waardig”. De eindtijdgemeente zal uiteindelijk een gemeente worden “zonder vlek of rimpel, heilig en onbesmet” Efeze 5 vers 27 (Ef. 05:27). De duivel krijgt geen kans meer, op welke wijze dan ook, te infiltreren.

Wij behagen Hem in alles. Dit heeft te maken met ons geloof. Is ons geloof een levend, functionerend geloof, want zonder geloof is het onmogelijk God welgevallig- te zijn Hebreeën 11 vers 6a (Heb. 11:6a).

Wij dragen vrucht in alle goed werk. “Vruchtbaar zijn in alle goede werken”, zegt een andere vertaling. Dit heeft dus te maken met ons getuige zijn in deze wereld. Jezus sprak: “Wie in Mij blijft, gelijk Ik in hem, die draagt veel vrucht” Johannes 15 vers 5 (Joh. 15:05).

Wij wassen op in de rechte kennis van God. Hoe meer wij de wil van God doen, hoe meer wij geestelijk groeien en gaan beleven dat de wil van God ‘het goede, welgevallige en volkomene’ is Romeinen 12 vers 2 (Rom. 12:02).

Een waarachtig kind van God heeft het verlangen in zich de wil van God te doen, één te worden met Zijn wil. Daarbij is onze eigen wil niet uit geschakeld, zoals wel eens geleerd wordt, maar op de juiste wijze ingeschakeld. Er ontstaat een hechte éénheid tussen Gods wil en onze wil, waar de duivel geen speld tussen meer kan krijgen. En dan die positieve gevolgen die wij zoéven bespraken. Paulus vult dit nog aan met de woorden: “Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht” Kolossenzen 1 vers 11 en 12 (Kol. 01:11-12). ‘Volharding’ en ‘geduld’ hebben we nodig. Het gaat niet altijd van een leien dakje. Alleen wie volhardt tot het’ einde zal het einddoel bereiken Matteüs 24 vers 13 (Matt. 24:13)., Maar de beloften die God eraan verbindt zijn dan ook onvoorstelbaar heerlijk:

  1. Wij worden bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid. Hij is onze sterkte en de kracht van Zijn Geest doet ons overwinnen.
  2. Wij zijn toebereid voor het erfdeel der heiligen in het licht. Een ‘voorschot’ van deze heerlijkheid is nu reeds in ons. Daardoor stralen we, Zijn heerlijkheid uit en kunnen wij de volheid van Christus tot openbaring brengen.

Het vol zijn van de volledige kennis van de wil van God is dus niet zomaar iets, wat er ook bij hoort, maar is een hoofdvoorwaarde om te kunnen functioneren in het plan van God. En de Heer helpt ons dat het tot realisatie gaat komen in ons leven, want ook in dit opzicht zijn de woorden van Paulus in Filippenzen 1 vers 6 (Filip. 01:06) waar, namelijk dat Hij die in ons een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus.

 

¿Kennen wij God als Vader? door Evert van de Kamp

“Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots van mijn heil” (Psalm 89 vers 27 (Ps. 089:027).

Jaren geleden meende een predikant een stel serieuze onderwijsmensen ernstig te moeten waarschuwen tegen een lichtvaardig ge­bruik van de Vadernaam van God. Hij was de me­ning toegedaan dat je te­genover de leerlingen in het onderwijs uiterst voor­zichtig met de naam ‘Va­der’ moest omgaan. Immers niemand kon toch zo maar zeggen: ‘mijn Vader, mijn God’. Evenals de Joden in Jezus’ dagen vond hij dat ongepast. Het was bepaald geen stimulans om God als Vader te leren kennen.

Na het optreden en heen­gaan van de apostelen is het accent op ‘God is on­ze Vader’ al spoedig min­der en minder geworden. Ook na de reformatie zijn er maar weinig gelovigen gefeest die God welbe­wust ‘Vader’ hebben ge­noemd. En dat terwijl het nu juist de bediening van Jezus was Zichzelf en ons God te leren kennen als Vader. Jezus spreekt altijd over: ‘onze Vader’.

 

Jezus doet de Vader kennen

Johannes getuigde: “Nie­mand heeft ooit God ge­zien; de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die heeft Hem doen kennen” Johannes 1 vers 18 (Joh. 01:18).

Iemand vertaalde dat eens met het moderne woord,: “Hij heeft Hem geïntroduceerd”. Christus introdu­ceerde God, de Elohim (de Hoogste), als zijn Vader.

Al heel jong leerde Jezus zijn hemelse Vader als Va­der kennen. Twaalf jaar oud antwoordt Hij Jozef en Maria en een horde ‘schriftkenners’: “Wist gij niet dat Ik bezig moet zijn met de dingen des Va­ders?” Lucas 2 vers 50 (Luc. 02:50). En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak, staat erbij.

Jezus ontdekte dat God zijn Vader was. Dat wilde Hij de mensen voortaan vertellen en laten zien door zijn leven Johannes 6 vers 57 (Joh. 06:57). Hij ontdekte dat de pro­feet Jesaja in hoofdstuk 50 van Hem schreef: “De Here, Here heeft Mij als leerling leren spreken, om met het Woord de moe­de te kunnen ondersteu­nen. Hij wekt elke mor­gen, Hij wekt Mij het oor, opdat Ik hore, zoals leer­lingen doen”.

In Psalm 89 vers 27 (Ps. 089:027) wordt profetisch over de Heer gezegd: “Hij zal tot Mij  zeggen (Avi ata): Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots Van mijn heil”. In het ‘Hebreeuws komt dit ‘mijn Vader’ (Avi) maar één keer voor. Ech­ter vele keren in het Grieks van het Nieuwe Testament.

Toen Jezus het in absolu­te zin wist: Ik ben de Messias en God is mijn Vader, was dat woord ‘Vader’ niet meer uit zijn leven weg te denken. Hij sprak: “Ik en de Vader zijn één” Johannes 10 vers 30 (Joh. 10:30).

Die naam heeft Jezus ver­heerlijkt en geheiligd tot het einddoel, de volledige verlossing van de mens­heid was bereikt. Chris­tus heeft zich volkomen met de Vader geïdentifi­ceerd. Hij openbaarde de Vader volmaakt en dat kostte Hem zijn leven. Dat Jezus zich met God gelijkstelde, accepteerde men niet. Aan het kruis zo één! Johannes 5 vers 17 en 18 (Joh. 05:17-18).

Het is diep ontroerend de levende relatie te zien en mee te beleven die er tussen Jezus en de Vader is. De evangeliën‘ zijn daar vol van. Vooral het lezen van het -evangelie van Johannes is een open­baring. Door algehele toe­wijding en gehoorzaamheid is Jezus voor ons het vol­komen beeld van de Vader geworden. Hij had en heeft een diep verlangen dat wij God net zoals Hij als onze Vader (Avinu) leren kennen. Ook dat wil het volle evangelie ons leren.

Het kennen van onze Vader

Onlangs hoorde ik een echt heel fijne christen zeggen: “Ik heb pas de laatste jaren God helemaal echt als mijn Vader leren kennen’. Deze uitspraak raakte mij wel. Veel Christenen blijken inder­daad God niet werkelijk als Vader te kennen. Zo met Hem te leven. Zonder achterdocht, zonder restricties in een echte Vader-Zoon relatie, zoals Jezus ons dat met zijn Vader toont. Jezus toont ons het volmaakte Vader­beeld met de bedoeling dat wij hetzelfde Vader­beeld zullen hebben en dat de wereld zullen to­nen.

Van Hem komt het onge­schonden Vaderbeeld naar ons toe. Hij heeft het uitgeschilderd met zijn le­ven. Een schitterende il­lustratie daarvan is de prachtige gelijkenis van de ontfermende en barmhartige Vader voor Zijn beide zonen in Lucas 15. Het is geweldig dat wij voluit worden uitgenodigd dat beeld, en geen ander, te dragen. Paulus zegt in 2 Korinthiërs 6 vers 18 (2 Kor. 06:18): “Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn”.

Wie mogen het beeld van de Vader dragen?

Wie mogen nu het beeld van de Vader dragen en wie mogen ‘Vader’ zeggen? Het antwoord is eenvoudig: Een ieder die dat van Je­zus wil leren. Hij is de enige die ons de Vader­naam kan leren uit spreken. Omdat niemand de Vader kent dan de Zoon. Letter­lijk staat er in Matthéüs 11 vers 27 (Matt. 11:27): “Niemand kent de Vader dan de Zoon en wie de Zoon het wil open­baren”. In de grondtekst staat eigenlijk het woord­je ‘precies’ er nog bij. Dat is heel mooi en nog duidelijker. Alle dingen zijn Jezus door de Vader in handen gegeven, zegt de Willibrord vertaling.

Jezus is de enige die ons de Vader werkelijk kan leren kennen. Johannes

14 vers 6 (Joh. 14:06)zegt: “Niemand komt tot de Vader dan. door Mij”-. Hij is de weg en door één Geest hebben wij de toegang tot de Va­der Efeze 2 vers 18 (Ef. 02:18).

Het verminkte Vaderbeeld

Hoewel de weg duidelijk is, hebben velen toch veel moeite om tot het Vaderbeeld van Jezus te komen. In het natuurlijke leven kreeg menigeen een volstrekt negatief vader­beeld mee. Hoe zou je ook een goed vaderbeeld kunnen opbouwen als je bloedeigen natuurlijke va­der incest met je pleegde, je als kind veelvuldig mishandelde, je moeder sloeg, door de alcohol het gezinsleven jarenlang tiranniseerde, etc. De frustraties zijn dan legio. Alleen de gedachte aan, of het horen van het woord ‘vader’ doet je in­een krimpen en je tot op het bot verkillen. Ontelbaren hebben een vader gehad die zich enkel liet gelden als een despoot, een tiran, een wetteloze.

En welk beeld van de he­melse Vader heeft de the­ologie hier en daar niet aangebracht? Velen kennen alleen het beeld van de God der wrakende straffende. Van wié je goed, maar vooral ook kwaad te duchten hebt. Hij is immers het verterende vuur, de ongenaakbare. Je weet met Hem nooit waar je aan toe bent. Wat Hij met de ene hand geeft, pakt Hij met de andere weer terug. God een Vader, laat staan voor jou? Kom nou! Het levert je alleen maar angstcomplexen op. Wat heb je nu aan een God die je ziek maakt, of je een ongeluk bezorgt! Zo’n God alstublieft niet en nooit weer.

Het is afschuwelijk dat het de duivel zo goed ge­lukt is om wereldwijd een dergelijk beeld van de Vader van Jezus, onze Vader dus, te scheppen. Een klein Islamitisch meis­je zei op school eens te­gen haar juf: “Juf, ik vind jouw God veel liever, de onze is altijd boos”.

Welk Vaderbeeld hanteren wij?

Alle volkeren kenden de vaderfiguur. Voor de zen­delingen bijvoorbeeld op Soemba kwamen, hadden de mensen daar ook hun voorstellingen van God als Vader. Zo las ik: “Ze noemden Hem de Vader,  die niet genoemd mag worden. Een figuur met grote oren, zodat Hij goed kon luisteren naar het klagen van de mensen en met scherpe ogen, zodat Hij hun verdriet goed kon zien”.

Ook las ik van vrouwen die allerlei bezwaren aan­voeren tegen het manne­lijk beeld dat de Bijbel van God zou geven. Zij spreken tegenwoordig daarom graag van de ‘Sterke Moeder-God’.

Wat zijn er veel demoni­sche vertekeningen.

Maar wat heerlijk dat wij het Vaderbeeld van Jezus mogen oppakken. Dat is het beeld dat de Heilige Geest puur en zuiver in ons uitwerkt. Het beeld van de Vader der barm­hartigheden en van alle vertroosting 2 Korinthe 1 vers 3 (2 Kor. 01:03). Want zegt de apostel Paulus in Romeinen 8 vers 15 (Rom. 08:15): “Gij hebt ont­vangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen : Abba, Vader”. Roep Hem dan aan als Vader 1 Petrus 1 vers 17 (1 Petr. 01:17)!

‘Wij hebben geleerd en er­varen dat het hemelse Je­ruzalem onze moeder is Efeze 4 vers 27 (Ef. 04:27). De veiligheid en geborgenheid van die Moeder beleven we allereerst met elkaar in de plaatselijke gemeente. En met Jezus, onze oudste broer in het huisgezin van God, zeggen wij: God is onze Vader. Jezus had het altijd over: Uw Vader… “Uw Vader weet, wat gij van node hebt” Matteüs 6 vers 8 (Matt. 06:08). “Uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden” Matteüs 6 vers 4 (Matt. 06:04).

Zijn boodschap was altijd en onder alle omstandig­heden: God is je Vader. Omdat Hij mijn Vader is, is Hij jouw Vader. Jezus was zo doortrokken van’ het feit dat God zijn Va­der was, dat Hij als zijn Vader – die volmacht had Hij – rondging, weldoende en genezende allen die door de duivel waren overweldigd. De profeet Jesaja noemde Hem al de Eeuwige Vader Jesaja 9 vers 5 (Jes. 09:05).

Onze kinderen hebben goede vaders nodig, die net als Jezus een voor­treffelijk beeld geven van de hemelse Vader. De we­reld ziet uit naar christe­nen die vaders in de Heer zijn. De wereld is kapot, omdat de mensheid geen Vader en geen Moeder meer heeft. Door het volle evangelie van Jezus Christus hebben wij, dat is het grootste geheim van ons leven – daar wel weet van. Wij mogen het alle mensen vertellen: God is je Vader en Hij is op zoek naar jou.

God is op zoek naar, zo­als iemand het zo duidelijk uitdrukte, thuisloze ‘geestelijke wezens’. Zij hebben geestelijke vaders en moeders nodig. Bent u zo’n geestelijke vader of moeder in de Heer voor anderen? Of misschien wilt u zo’n volwassen vers te worden? De apostel Paulus was in de gemeente als een moeder en een va­der die hun eigen kinderen koesteren, bemoedigen en stimuleren 1 Thessalonicenzen 2 vers 7 en 1 Thessalonicenzen 2 vers 11 en 12 (1 Thess. 02:07; 1 Thess. 02:11-12). In 1 Johannes 2 vers 14 (1 Joh. 02:14) is sprake van vaders in het geloof, men­sen die anderen geestelijk kunnen (voort)helpen.

Met Jezus als voorbeeld, confronteert de Vader ons met één van de mooiste uitdagingen die Hij ons heeft aan te bieden. We moeten er maar eens over nadenken wat een godde­lijke perspectieven dat biedt. Een scala van mogelijkheden opent zich. U zult het zeggen, ja uit- roepen: Gij zijt mijn Va­der, mijn God, de rots van mijn heil!

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (15)

De zonen van Noach

“De zonen van Noach, die uit de ark gegaan waren waren Sem, Cham en Jafeth; Cham was de vader van Kanaän. Deze drie waren de zonen van Noach, en uit dezen is de gehele aarde bevolkt” Genesis 9 vers 18 en 19 (Gen. 09:18-19). Uit gaan is hetzelfde grondwoord wat voor de ‘uittocht” gebruikt wordt. Het is merkwaardig dat er in vers 18 meteen bij vermeld wordt: “Cham was de vader van Kanaän . We moeten dit heel goed begrijpen, als we ook de rest willen verstaan. In wezen gaat het hier niet over Cham, maar is het een verhaal over Kanaän. Het gaat om het zaad dat straks in Kanaän gezaaid zal worden: het zaad van Abraham.

Het land waar alles om draait is Kanaän. Het komt nu al aan de orde. Als in vers 19 staat: “… en uit dezen is de gehele aarde bevolkt”, is de letterlijke vertaling: “.. en uit deze is de hele aardé verstrooid”. Het wijst al vooruit naar de torenbouw van Babel in Genesis 11, waar het motiefwoord ‘verstrooien’ driemaal voorkomt. Het woord ‘verstrooien’ komt ook nog voor in Genesis 10 vers 18b, (Gen. 10:18b) waar wij lezen …daarna verstrooiden zich de geslachten van de Kanaäniet”. Het ‘verstrooien’ wijst speciaal op Kanaän en op de toren van Babel.

“En Noach werd een landman en’ plantte een wijngaard” Genesis 9 vers 20 (Gen. 09:20). Letterlijk staat er: “Èn Noach begon als man van de akker”. Eindelijk is er weer een man op de akker! De wijngaard is een heerlijk beeld van de gemeente. God plant óók een wijngaard.

“Toen hij van de wijn gedronken had, werd hij dronken en hij ontblootte zich in zijn tent. Toen zag Cham, de Vader van Kanaän, zijns vaders naaktheid en hij vertelde het aan zijn beide broeders buiten” Genesis 9 vers 21 en 22 (Gen. 09:21-22). Er staat: “hij meldde het”. ‘Melden’ is in de Schrift iets ‘anders dan ‘vertellen’. Het zijn twee aparte gedachten. In de eerste plaats betekent het dat de daden van God verteld worden. En in de tweede plaats betekent iets melden aan een ander letterlijk: iets hoog doen oprijzen, zodat de ander het goed kan zien.

Cham, de vader van Kanaän, vermeldt het aan zijn broeders. Hij zegt:  “Ik heb de naaktheid van mijn vader gezien”. Dan lezen wij in vers 23 (Gen. 09:23): “Daarop namen Sem en Jafeth een mantel, legden die op hun beider schouders, liepen achterwaarts en bedekten huns vaders naaktheid, terwijl hun aangezicht afgewend was, zodat zij huns vaders naaktheid niet zagen”. Het motiefwoord is hier: ‘de naaktheid van hun vader’.

De betekenis van de naaktheid van Noach

Wat is nu de sleutel van dit verhaal? Bijbelhoofdstukken leggen vaak een link met andere hoofdstukken. Er is één gedeelte in de Schrift waarin ‘de naaktheid van de vader’ telkens terugkomt. Dat is Leviticus 18, waar we er ongeveer 23 keer over lezen. Het woord ‘naaktheid’ is hier vertaald met ‘schaamte’. Vers 3 staat als opschrift boven dit hoofdstuk: “Gij zult niet doen zoals men doet in het land Egypte, waar gij gewoond hebt; gij zult niet doen, zoals men ‘doet in het land Kanaän, waarheen Ik u breng; naar hun inzettingen zult gij niet wandelen”.

Telkens lezen we: “De naaktheid (schaamte) zul je niet zien”. Het heeft te maken met de vruchtbaarheidscultus van de Baal. God waarschuwt de Israëlieten, om er niet aan mee te doen, als ze in Kanaän komen, en niet op die manier het geheimenis onthullen zoals Nóach zich onthulde. ‘Het is niet het openbaar worden zoals Gód het bedoelt. ‘Je zult anders zijn dan Kanaän’, zegt God. Het gaat om het geestelijke principe waar Kanaän uit leefde: de potentie, de vruchtbaarheidscultus, de naaktheid van de vader.

Als Noach ontwaakt, staat er in vers 25 (Gen. 09:25), dat hij zegt: “Vervloekt zij Kanaän, een knecht der knechten zij hij voor zijn broeders. (Er staat niet: ‘Vervloekt zij Cham’). Gezegend (niet: geprezen) zij de Gód van Sem” (niet: van Sém). Sem leeft uit Gód; Gód is de Vader van Sem. De ware onthulling is niet de naaktheid van de vader, maar het wezen van de Vader.

“Hij ontblootte zich”, zegt vers 21. Voor ‘ontbloten’ wordt hetzelfde woord gebruikt als ‘openbaren’ (GALAH). Wat van Cham afstamt heeft niets met de negers te maken. De Kanaänieten waren in elk geval geen negers. Het heeft te maken met het geestelijk principe: het verafgoden van de vruchtbaarheid.

Dan lezen we in vers 27 dat God de tenten van Jafeth uitbreidde. In Jafeth zit het woord JAPHT. Het betekent: ‘Hij breide uit’. Het is een woordspeling. Het is de bedoeling dat Jafeth gaat wonen in de tenten van Sem (vers 27b). Uit Sem komt Israël, het uitverkoren volk, tevoorschijn. Met‘ Jafeth worden de kustlanden bedoeld: de verre volkeren. De volkeren mogen wonen in de tenten van Israël. ‘Sem’ is het volk dat een God heeft. De God van Sem spreidt ook zijn tent uit over de volkeren, want ‘de tent van God is bij de mensen’ Openbaring 21 vers 3 (Openb. 21:03). “En Kanaän zij hem tot knecht” zegt Genesis 9 vers 27 (Gen. 09:27) verder. Hier komt het principe naar voren dat Kanaän onderworpen moet worden.

Wat zit er achter de naaktheid van de vader? 1 Samuël 2 vers 9 (1 Sam. 02:09) zegt dat niet door kracht een man sterk is. Je bent niet een man door je natuurlijke kracht, door je vruchtbaarheid, maar je bent een man door Gód, die zegt: “Niet door kracht of geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden”!

 

Intermezzo door Gerry Velema

Alles kwijt?

Met vrienden waren we eens uit eten. De kinderen mee, wat naast heel gezellig ook we! wat drukker en luidruchtiger was. De kinderen vonden het erg leuk om tijdens het wachten op ons eten wat rond te kijken in het restaurant. Er was een bijzonder mooie vijver aanwezig, waar de kinderen hun ogen uitkeken. Maar bij het terug willen vinden van ons, verdwaalde een dochtertje van onze ‘vrienden. Dat wil zeggen, we zagen haar een verkeerd pad ‘inlopen.

Toen het kleine meisje zich bewust werd, en dat was al heel gauw, dat ze pappa en mamma kwijt was, begon ze heel hard te huilen. Maar haar vader was al naar haar onderweg. Het leed duurde maar even; daar waren de sterke armen al, die haar omhoog tilden en haar troostten.

Toen ze weer tussen ons in zat, vroeg ik haar: “Was je pappa en mamma kwijt?” En tussen haar snikken door, gaf ze met een wijds gebaar als antwoord: “Ik was alles kwijt!”

Natuurlijk moest ik wel even in mezelf lachen om dit dramatische gevoel van het kleine meisje, die niet een moment werkelijk ook maar iets kwijt was geweest! Alleen maar in haar beleving was dit zo geweest.

Later was ik ook ‘alles’ kwijt. Zo beleefde ik het althans. Waar was nu m’n blijdschap in de Heer? (Van mezelf ben ik wel blijmoedig, maar blij in God is iets meer). Wat geloofde ik nu eigenlijk? Waar was ik mee bezig? Ik had ook het gevoel een verkeerd pad te zijn ingegaan. Gauw weer terug ‘ en- weer een ander pad in, maar ook daar was ik nog ‘alles’ kwijt.

Tot het moment, dat ik me dit herinnerde. Het was of Vader God liet zien: je bent niet alles kwijt, maar je bent alleen Mij kwijt! Wie de Heer heeft, ontbreekt niets. Ik geloofde ook dat Hij me zag, zoals mijn vriend z’n dochtertje zag. En voor wij om hulp roepen, antwoordt God ons.

Het allerbelangrijkste in het leven, en zeker in ieder leven van een kind van God, van welke kring, groepering of richting dan ook, is je relatie met God. Als je denkt dat je ‘alles’ kwijt bent, als je moe bent van piekeren wat je toch geloven moet, weet dan, dat er een grote kans is, dat je slechts je Vader mist. In Zijn veilige armen, vallen vraagstukken van je af. Hij geeft vrede, boven bidden en denken uit. In die rust kun je verder!

 

Sproeier door redactie

Na een jaar van hard werken is het zover. “Sproeier” is uitgekomen met de langverwachte muziekbundel “Hé, zing je mee?”. Het bundeltje telt maar liefst 48 pagina’s (A-4 formaat) en bij praktisch elk liedje een spelletje, knutseltje, puzzel, dansje, kleurplaat of quiz. Kortom een muziek-doe-boekje.

De bundel is schitterend geïllustreerd door Helma Poort uit Groningen, een eervolle vermelding waard. (Helma is een vaste medewerker van het kinderblad “Sproeier”. Dit blad werd enkele jaren geleden opgericht door een aantal enthousiaste leden van de volle evangelie gemeente te Aalten ).

Bij het muziekbundeltje hoort ook een soundmixcassette. Deze is stond gekomen in spontane samenwerking met het Aaltense kinderkoor “De Muzieksleuteltjes” (70 kinderen). Toen de orkestband klaar was en het koor een aantal maanden flink gerepeteerd had, werd een professionele studioopname gemaakt met als resultaat een heerlijk frisse muziekcassette.

De cassette heeft een speelduur van 96 minuten en is van een goede kwaliteit. Dat zijn dus in feite 2 cassettes in 1. De prijs is laag gehouden. Bundel en cassette kosten slechts 25,- (exclusief verzendkosten).

 

Vader ik wil Uw naam heiligen door Liesbet Seepma

“Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede” (Matt. 06:09b-10) .

Vier regeltjes uit het ‘Onze Vader’, het. gebed waarmee de Here Jezus de discipelen duidelijk wil maken, waar ’t eigenlijk om gaat als je bidt. Jezus maakt ze met dit gebed duidelijk, dat bid­den veel méér is dan al­leen maar praten, ’t Is namelijk een actief bezig zijn in de geestelijke we­reld, met God communiceren. Hem tonen welk ver­langen, welke gezindheid, welke gevoelens er in je leven zijn. Zo kun je uit deze vier regeltjes proe­ven wat er leefde in ’t innerlijk van de eerste volmaakte Zoon van God, namelijk het verlangen – maar ook ’t vaste voorne­men – om Gods Koninkrijk op aarde te vestigen.

De lijfspreuk van Jezus

“Vader, Ik wil Uw Naam heiligen!” Je zou kunnen zeggen dat het Jezus’ lijfspreuk was, die Hij boven Zijn leven geschreven had. Want dat wilde Hij: de naam, het wezen van Zijn machtige, heerlijke, enkel goede Vader volledig en zuiver uit de verf laten komen! Want ’ dat is heiligen: zuiveren van alle blaam. Zoveel eeuwen lang was het wezen van God immers maar gedeeltelijk of helemaal niet uit de verf gekomen. (Zoveel eeuwen lang had (er een sluier gelegen over ’t inzicht van de mens in wie God nu werkelijk was. Dat was ook wat satan, de vijand van de mens, wilde. Want zó kon immers worden voorkomen dat de mens van (God ging houden, iets dat onvermijdelijk zou gebeuren als de mens Gods wezen wérkelijk zou kennen, namelijk: als zijnde énkel goed, vol van licht en leven, ’t Kon niet anders of dat zou leiden tot een hechte liefdesrelatie tussen die twee. De Schepper en Zijn schepping waren immers van ’t zelfde ‘materiaal’! Eeuwenlang had de Vader van de leugen – zoals Jezus de duivel noemt in Johannes 8 vers 44 (Joh. 08:44)- de mens dom  weten te houden met’ de overtuiging dat zowel goed als kwaad van God afkomstig waren.

En nu was daar de Here ‘ Jezus, de volmaakte eerstgeboren Zoon, die de Vader in Zijn échte wezen toonde, die de naam en ’t wezen van Zijn Schepper heiligde, in vol­le heerlijkheid ten toon spreidde. Hoe deed Jezus dat dan? Hoe kon Hij die dat anders doen dan door middel van Zijn eigen leven? Met Zijn manier van leven, Zijn manier van denken, Zijn functioneren, Zijn regeren, zowel in de zichtbare als in de on­zichtbare wereld, maakte Hij Zijn Vader groot, liet Hij zien wie Zijn Vader wérkelijk was.

Jezus, het zuivere beeld van God

Een zuiver beeld van God, de enkel goede God, de God van licht en leven, krijgen we als we kijken naar de handel en wandel van de Here Jezus. Lees daarover bijvoorbeeld eens Johannes 12 vers 49 en 50, (Joh. 12:49-50) waar de Here Jezus spreekt over Zijn zending, Zijn roeping:

“Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, heeft zelf Mij een gebod ge­geven, wat Ik zeggen en spreken moet. En Ik weet, dat Zijn, gebod ‘eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zo als de Vader Mij ge­zegd heeft” .

Nou, God stond daar hé­lemaal achter, en Hij stak Zijn vreugde en instem­ming niet onder stoelen of banken. In Matthéüs 17 vers 2 tot en met 5 (Matt. 17:02-05) bijvoorbeeld wordt de Here Jezus door God ver­heerlijkt met de woorden:

“Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in Wie Ik Mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!” (vers 5).

“Vader, Ik wil Uw Naam heiligen!” Jezus had ’t begrépen: dit was de bestemming van Zijn leven: nu eens eindelijk laten zien wie Zijn Vader wer­kelijk was en tot over de dood heen – de dood had geen vat op Hem! – hééft Hij laten zien dat God de God van eeuwig leven is, dat Zijn gebod eeuwig leven is.

Zo heeft Jezus ’t leven mogelijk gemaakt voor ieder mens, jong- en oud. Duivel en dood hadden immers geen recht meer op die mens! Het leven, zoals God dat vanaf ’t begin al had bedoeld, lag voor ’t grijpen! Ieder mens kan en mag nu bid­den: “Vader, ik wil Uw Naam heiligen”. Ieder mens kan nu de daad bij -’t woord voegen.

Ook jij en ik! Ook wij kunnen door middel van ons leven, Gods naam, Zijn wezen, Zijn plan, Zijn woord, tot hun volle recht laten komen! (Lees Kolossenzen 1 vers 25 tot en met 28 (Kol. 01:25-28) hierover eens na). En réken maar dat dat gevolgen gaat hebben. Dan wordt namelijk het’ volgende zinnetje uit Je­zus’ gebed meer en meer werkelijkheid: “Uw Ko­ninkrijk kome!”

Gods koninkrijk breekt baan

“Vader, ik wil Uw Naam heiligen, zodat Uw Ko­ninkrijk zich kan baan- breken!” Wat is dat mach­tig, dat in jou en mij ’t vermogen ligt om Gods Koninkrijk te gaan vesti­gen! Allereerst in ons eigen leven, onze eigen hemel, onze eigen wereld. Vervolgens in het leven van onze broeders en zusters, de leden van jouw jeugdgroep, de kin­deren van de crèche over wie jij de verantwoordelijkheid hebt. Zo gaat Gods Koninkrijk in de gemeente gestalte krij­gen. En vervolgens – maar tevens tegelijkertijd – in de wereld om ons heen. Je school, je klas, je werkkring, je buur­vrouwtje die bij jou wel eens een bakkie -haalt. “Vader, ik wil Uw Naam heiligen, zodat Uw Ko­ninkrijk gestalte krijgt!” Gods wezen zuiver tonen uit ons leven: dat is onze opdracht! Lees maar eens Efeziërs 2 vers 7 (Ef. 02:07): “Om in de komende eeuwen dé overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen naar (zijn) goedertieren­heid over ons in Christus Jezus”.

Als Gods Koninkrijk, vol licht, leven en vrede, wordt gevestigd, dan geschiedt Zijn wil”, zoals Jezus bidt. Oftewel: dan heeft God ’t pas reuze naar Zijn zin, dan geniet Hij. Dan heeft Hij een welbehagen in ons, zoals Hij een welbehagen had in Jezus. Dan kan Hij ook van jou en mij gaan zeggen: “Deze zijn Mijn zo­nen, de geliefden, in wie Ik Mijn welbehagen heb. Hoort naar hen!”

God wil Zichzelf aan ons tonen

Weet je, als ik zo over dit gebed van de Here Jezus nadenk, dan krijg ik er zo’n geweldige zin in om dit in mijn leven te gaan realiseren! Tjonge, ik wil, dat dat gebed ook ’t mijne wordt! Helemaal! Jij ook?

Maar vóórdat we enthou­siast aan de slag gaan, willen we eerst nog eens even stil staan bij een heel mooi en belangrijk stukje uit de Bijbel, waardoor we gaan begrij­pen dat God zichzelf hé­lemaal dóór en dóór, aan ons wil tonen:

“Wat wij zeggen is Gods wijsheid, die tot nu toe verborgen is geweest. Vóór het begin van de wereld had Hij Zijn plan al klaar om ons in de heerlijkheid te brengen. Zoiets staat ook in de boeken:

‘Wat geen mens heeft gezien en gehoord en wat bij geen mens is opgekomen, dat heeft God allemaal in petto voor degenen die Hem liefhebben’. God heeft het voor ons ontsluierd door de Geest. Want voor de Geest is niets verborgen, zelfs het diepste wezen van God niet. Zoals al­leen de geest van een mens weet wat er in een mens is, zo weet ook alleen de Geest van God wat er in God is”- 1 Kor. 2 vers 7 en 1 Kor. 2 vers 9 tot en met 11 uit het Levende Woord (1 Kor. 02:07; 1 Kor. 02:09-11) . Hieruit gaan we begrijpen dat we God door en door kunnen leren kennen als we worden gedoopt in (Zijn) Heilige Geest. Dat maakt dat we ‘in God’ zijn’; ons leven is dan verborgen met Christus in God. Nou, we mogen allemaal, ieder op z’n eigen tempo en z’n eigen leeftijd, ontspannen toegroeien naar die doop -in de Heilige Geest. De Geest van God, waarvan de Here Jezus zegt dat die ons de weg zal wijzen tot de volle waarheid. De volledige kennis over God en Zijn plan met jouw en mijn leven Johannes 16 vers 3 (Joh. 16:13). En wat is dat plan? Dat jij en ik, in alle ontspan­ning, mogen opgroeien tot volwassen zonen van God in wie God helemaal heer­lijk uit de verf kan komen. Daarom wordt de Heilige Geest ook in Romeinen 8 vers 15 en 16 (Rom. 08:15-16) de ‘Geest van het zoonschap’ genoemd, waardoor we onze God vrijmoedig kunnen aanspreken met: “Abba, Vader! U bent onze Va­der, die in de hemelen bent; wij willen Uw Naam heiligen en Uw Koninkrijk vestigen, zodat Uw wil wordt gedaan!”

Ik wens jou een heerlijke tijd toe, waarin je dit gebed zult mogen beleven! Waarin alles wat je in dit opzicht, samen met je God, onderneemt, zal gelukken.

 

Het geloof, dat de ziel behoudt door Wim te Dorsthorst

Wie al enige tijd in het volle evangelie meedraait, zal ongetwijfeld al wel enige boodschappen heb­ben gehoord over de, woorden van Paulus in Romeinen 1 vers 17c (Rom. 01:17c): “De rechtvaardige zal uit ge­loof leven”. Hij citeert hiermee de profeet Habakuk die het leven van de afvallige schildert tegen­over de rechtvaardige die uit zijn geloof leeft.

De rechtvaardige gelovige zal alleen maar voorspoed kennen. Hij legt zijn problemen aan de Heer voor en ‘hij gelooft’ dat de Heer in alles naar Zijn rijkdom heerlijk zal voor­zien. Ben je ziek of drukt duisternis nog op je le­ven? ‘Geloof’ en de Heer zal je genezen, bevrijden en leven en overvloed geven.

Zou Paulus dat bedoelen als hij deze woorden neerschrijft? Hoe waar het ook is dat de Heer in alles voor ziet Filippenzen 4 vers 19 (Filip. 04:19) en dat Hij gekomen is om leven en overvloed te schenken Johannes 10 vers 10 (Joh. 10:10), toch blijkt in de praktijk van het geloofsleven dat het leven van een gelovi­ge lang niet altijd aan bovengeschetst patroon voldoet.

Nog een korte, korte tijd…

De schrijver van de brief aan de Hebreeën citeert ook de profeet Habakuk en plaatst dit dan in het juiste verband. Hij schrijft; “Want nog een korte, korte tijd en Hij die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wach­ten, en mijn rechtvaardi­ge zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan hééft mijn ziel in hem geen welbehagen” Hebreeën 10 vers 37 en 38 en Habakuk 2 vers 3 en 4 (Heb. 10:37-38; Hab. 02:03-04). Het gaat hier dus niet om ge­loven dat alles wat je bidt en begeert je zomaar ontvangt, maar om geloof, geloof dat de ziel behoudt” (vers 39).

De profeet Habakuk pro­feteert over de voor ons bestemde genade (1 Petr. 01:10-12). Hij ziet hoe de Chaldeeën, dat zijn de Babyloniërs, onder Nebukadnezar hun macht uit­breiden en volken ver­slinden en geen enkel respect of eerbied hebben voor gevestigd gezag. Dan opent hij zijn mond en roept tot God: “Hoe­lang Here, roep ik om hulp, en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U: ge­weld! en Gij verlost niet” Habakuk 1 vers 2 (Hab. 01:02)?

In hoofdstuk 2 komt dan het antwoord van de Heer: “Jahwe gaf mij ten antwoord: Schrijf het vi­sioen op, zet het duide­lijk op schrift, zodat men het vlot kan lezen. Want het visioen, al wacht het de vastgestelde ’tijd nog af, hijgt niettemin naar zijn vervulling: het ver­telt geen leugen. Al blijft het ook uit, geef het wachten niet op, want komen doet het beslist en het komt niet te laat. Wie in zijn hart niet deugt, kwijnt weg, de rechtvaar­dige blijft leven door zijn trouw” Habakuk 2 vers 2 tot en met 4 uit de Willibrordvertaling (Hab. 02:02-04).

Dat is het antwoord dat Habakuk krijgt van zijn God als hij zijn wacht­post betrekt om te zien wat God op zijn noodkreet zal antwoorden Habakuk 2 vers 1 (Hab. 02:01). Dit antwoord van de Heer dateert van ongeveer 700 jaar voor Christus. Niet spreekt van Zijn weder­komst.

Niet van Zijn ge­boorte maar van Zijn we­derkomst .

Volharden in het geloof

De schrijver aan de He­breeën pakt het op voor zijn tijd en vermaant de gelovigen er mee stand te houden en te blijven vol­harden in het geloof dat de Heer weer terugkomt. Want dat zal gepaard gaan met de geweldige genade van de verlossing van dit lichaam, de verheerlijking van de gemeente.

Dat schrijft Paulus onder andere aan de Filippenzen, in dezelfde context als de Hebreeënschrijver, en waarin Habakuk het ook van de Heer ontvangt namelijk als vermaning en bemoediging om in dit ge­loof te blijven volharden, als het lijkt of God er niet meer is. Als alles diepe duisternis wordt. Als de gemeente ook de neiging zou krijgen te roepen: “Hoelang, Here, roep ik om hulp en Gij hoort niet; schreeuw ik tot U: geweld! en Gij verlost niet”.

Paulus schrijft dan in Filippenzen 2 vers 20 en 21 (Filip. 02:20-21): “Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt li­chaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen zich kan onderwerpen” Zie ook Efeze 4 vers 30 en Romeinen 8 vers 23 en Romeinen 13 vers 11 en 1 Petrus 1 vers 7 en 1 Petrus 1 vers 13 (Ef. 04:30; Rom. 08:23; Rom. 13:11; 1 Petr. 01:07; 1 Petr. 01:13).

Schrijf het gezicht op

Habakuk profeteert onge­veer 700 jaar voor Chris­tus en de Hebreeënschrij­ver zegt in Hebreeën 10 vers 37 (Heb. 10:37): “Want nog een korte, korte tijd en Hij die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wach­ten”.

We zijn inmiddels 2000 jaar verder en nu klinken die woorden tot de ge­meente van Jezus Christus in deze tijd. Ook voor deze tijd geldt: “Schrijf het gezicht op en zet het duidelijk op tafelen, op­dat men het in het voor­bijlopen zal kunnen lezen”. Wij zullen deze woorden van de Heer, deze belofte die zeker en waar is, in? ons hart en in ons ver­stand moeten schrijven om het geloof niet te verliezen, maar stand te houden in de tijd die voor ons ligt.

De Hebreeënbrief richt zich waarschijnlijk tot christenen die om hun ge­loof verstrooid zijn,- ge­vangen genomen, bespot en verdrukt Hebreeën 10 vers 33. (Heb. 10:33) “Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gij zelf een beter en blijvend bezit hebt”, lezen wij in vers 34. En daarom de troostrijke woorden: “Want nog een korte, kor­te tijd en Hij die komt, zal er zijn en niet op zich laten wachten”.

Ook de apostel Petrus schrijft zijn brief aan ge­lovigen die moeten lijden om Christus’ wil, die ver­strooid zijn en verdrukt worden. Ook hij maant de gelovigen om stand te houden in de verdrukking en het geloof in het werk en de wederkomst van de Heer niet prijs te geven (1 Petr. 01:07-13). Hij spreekt ook van het ge­loof tot de zaligheid: “Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien en gij verheugt u met een onuit­sprekelijke en verheerlijk­te vreugde, daar gij het einddoel des geloofs be­reikt, dat is de zaligheid der zielen” 1 Petrus 1 vers 5 tot en met 9 (1 Petr. 01:05-09).

De gunstige tijd benutten

Wij leven nu nog in een tijd, waarin de aarde ons te hulp komt. Er is nog een ongekende vrijheid voor de gemeenten om sa­men te komen en het ge­loof te beleven. Hoelang dit nog zal duren, weten wij niet. Wel zien wij hoe het antichristelijke rijk – de Chaldeeën van de eindtijd – zich als een olievlek uitbreidt en vol­ken verslindt en onder­werpt . Hoe het spot met ieder gevestigd gezag en de wetteloosheid zich openbaart. Wij weten uit -Gods Woord dat het zich opmaakt juist om oorlog te voeren tegen het Lam en zijn Gezalfde, dat is tegen Jezus Christus en zijn gemeente. Onder an­dere Openbaring 13 vers 7 en Openbaring 17 vers 14 en Daniël 7 vers 21: (Openb. 13:07; Openb. 17:14; Dan. 07:21).

Het geloof van de gemeen­te zal dan zwaar beproefd worden. Het geloof waar de rechtvaardige dan uit leeft en standhoudt, richt zich op dat einddoel. Zo­als Jezus – toen alles duister voor Hem werd – ook over het lijden heen zag naar de vreugde en de heerlijkheid daarna. Zo zal de gemeente ook stand moeten houden.

Daarom zegt Hebreeën 12 vers 2 (Heb. 12:02): “Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des Geloofs, die, om de vreugde, welke voor Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods”.

Nu hebben we de tijd en de gelegenheid om ons te oefenen in dat geloof. Paulus spoort ons daarom aan met de woorden: “Ziet dus nauwlettend toe, hoe gij wandelt, niet als onwijzen, doch als wijzen, u de gelegenheid ten nut­te makende, want de da­gen zijn kwaad. Weest daarom niet onverstandig, maar tracht te verstaan wat de wil des Heren is” Efeze 5 vers 15 tot en met 17 (Ef. 05:15-17).

Nu is het de tijd te bre­ken met alle ongerechtig­heid en zonde die de hei­ligheid blokkeert. 1 Johannes 3 vers 2 tot 4 (1 Joh. 03:02-04)zegt dat zonde wetteloosheid is en wie deel wil hebben aan de heerlijkheid, bij de openbaring van Jezus Christus, zich dient te reinigen, gelijk Hij rein is.

Petrus spreekt er in dat­zelfde verband over en zegt: “Weest heilig, want Ik ben heilig” 1 Petr. 1 vers 14 (1 Petr. 01:14). Er mag niets meer aan ongerechtigheid en zonde in de mens aanwe­zig zijn, want daardoor heeft de duivel vat op hem en dat zal in het ein­de gevolgen hebben.

Daarom de dringende op­roep van Gods Woord, als er gesproken wordt over de openbaring van Jezus Christus, om te breken met alle ongerechtigheid.

De rechtvaardige zal uit geloof leven

Zo zien wij dat de profe­tische uitspraak van Habakuk: “En mijn recht­vaardige zal uit geloof leven”, meer inhoudt dan het geloof voor ons alle­daagse bestaan. Het is het geloof dat de ziel be­houdt. Het is geloof, zo­als Petrus schrijft, dat door vuur beproefd is en tot eer en heerlijkheid blijkt te zijn bij de open­baring van Jezus Christus 1 Petrus 1 vers 7 (1 Petr. 01:07).

De rechtvaardige die zich van zijn enorme voorrecht en positie bewust is, die niet nalatig wordt en zegt: ‘Het zal mijn tijd wel du­ren; wie dan leeft, wie dan zorgt!’, zal zich ver­blijden in het woord van de Heer door de profeet Habakuk uitgesproken.

“Geeft dan uw vrijmoedig­heid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij

(Jezus Christus), die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbeha­gen. Doch wij hebben niets- van doen met nala­tigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt” Hebreeën 10 vers 35 tot en met 39 (Heb. 10:35-39).

1988.01 nr. 288

Levend geloof 1988.01

De volheid van de tijd en de volheid in ons door Gert Jan Doornink

“Maar toen de volheid des tijds gekomen was…” Galaten 4 vers 4a (Gal. 04:04a).

De volheid van de tijd

Wanneer de Bijbel spreekt over de ‘volheid van de tijd’, zoals Paulus hier doet in zijn brief aan de Galaten, kunnen wij ons afvragen: wat moeten wij daar onder verstaan? Het is duidelijk dat het om een bepaalde tijd gaat die God heeft vast gesteld. De Leidse vertaling bijvoorbeeld brengt het op deze wijze onder woorden: “Maar toen de bepaalde tijd verstreken was…” Als die ‘bepaalde tijd’ is aangebroken gaat er iets (bijzonders) gebeuren in het plan van God met Zijn schepping.

Feitelijk kunnen wij van verschillende ‘volheden van de tijd’ spreken. Het is een lijn die door de hele Bijbel heenloopt, ook al wordt dit niet altijd, zoals in Galaten 4, vermeld. Het begint al bij Genesis 1 vers 1 (Gen. 01:01) als God hemel en aarde formeert. God schiep uit de chaos van de kosmos, die er toen was, iets bijzonders, iets moois, met als kroon van zijn scheppingswerk: de mens. Maar een paar bladzijden verder in Genesis, in hoofdstuk 6, lezen we ook over een volheid, maar dan in negatieve zin. De aarde is dan vol geweldenarij niet door God veroorzaakt, maar een gevolg van de verkeerde keuze van het overgrote deel van de mensheid van die tijd.

Positieve volheden worden afgewisseld door negatieve volheden. En altijd zien wij weer hoe God Zijn hand heeft in de ‘positieve volheid’ en de satan in de ‘negatieve volheid’. De mens is daar niet als een willoos instrument bij betrokken. Hij draagt de verantwoordelijkheid het positieve te kiezen en ‘nee’ te zeggen tegen het negatieve. Want God heeft niet een soort planning gemaakt: zo en zo gaat het gebeuren; daar kunnen wij mensen toch niets aan veranderen. Dan zou ons geloof een ‘berustend geloof’ zijn, maar – als het goed is – is het een levend, actief geloof! Je zou het ook zo kunnen verklaren: God handelt niet buiten ons om. We zijn ten volle bij alles wat Hij doet betrokken1‘. Daarvoor zijn wij ook zijn creaties, zijn scheppingen. Wat Hij deed en doet, doet Hij ten dienste en in het belang van de mensen, die Hij zo liefheeft! Johannes 3 vers 16 en Galaten 4 vers 4 (Joh. 03:16; Gal. 04:04).

De groei naar de volheid

God wil iets moois van ieder mens maken. Hij wil dat we weer gaan lijken op Jezus. Dat we Zijn beeld gelijkvormig worden. Hij heeft ons bestémd tot gelijkvormigheid aan het beeld van Zijn Zoon, schrijft Paulus in Romeinen 8 vers 29. (Rom. 08:29) Maar God werkt niet volgens een bepaald drukknopsysteem. Hij ziet ons niet als marionetten, waarbij Hij aan de touwtjes trekt. We functioneren niet als een robot, die alles doet volgens een van te voren ingebouwd computerprogramma.

Het nieuwe leven van Christus in ons komt fase voor fase tot ontwikkeling. Iedere keer gaan we weer een nieuwe etappe afleggen op onze weg met de Heer! Zoals het oudtestamentische volk van God niet in één keer het beloofde land in bezit kon nemen, Exodus 23 vers 20 (Ex. 23:30), zo gaat het ook met de ontwikkeling van de gemeente van Christus. Het is vergelijkbaar niet het tot rijpheid komen van een vrucht. Voordat er geoogst kan worden verloopt’ net groei- en rijpingsproces stap voor stap, totdat de dag aangebroken is dat de vrucht volgroeid en rijp is.

Als een vrucht tot rijpheid is gekomen is het doel bereikt. De vrucht kan geconsumeerd worden. Dan kan het proces weer van voren af aan beginnen. Zo gaat het ook ten aanzien van de volheid der tijden. Zodra er iets gebeurt m de ‘volheid des tijds’ heeft dit tot gevolg dat er iets uit voortvloeit. En dan begint er weer een groei naar een nieuwe volheid des tijds. Zeer duidelijk komt dit naar voren in Galaten 4 vers 1 tot en met 5 (Gal. 04:01-05). Wij die in Hem geloven mogen weten dat wij niet alleen vrijgekocht zijn, maar ook dat wij het recht van zonen hebben ontvangen! Met andere woorden God gebruikt werd om Zijn wil tot openbaring te brengen, zo worden ook wij door Hem gebruikt. Ook wij zijn zonen Gods! Daarom was er op de Pinksterdag, toen de Heilige Geest voor het eerst werd uitgestort, nieuwe volheid des tijds aangebroken. De gemeente functioneren!   De zonen Gods konden zich

openbaren!

De volheid van Christus in ons

Dit is zo iets geweldigs, dat we het vaak nog moeilijk vatten kunnen. Toch is het werkelijkheid! werkelijkheid die we ons moeten realiseren, die we ons ‘eigen’ moeten maken. Want het machtige is dat – terwijl we spreken over de volheid van de tijd – wij ons er tegelijkertijd van bewust mogen zijn dat volheid in onszelf is. Let wel: geen volheid van onszelf, maar verkregen door ons geloof in Hem Kolossenzen 1 vers, 9 (Kol. 01:09)zegt: “In Christus woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt volheid verkregen in Hem”.

Als in de volheid des tijds God Zijn Zoon niet uitgezonden in deze wereld, zou deze ‘openbaring volheid’ in ons nooit hebben kunnen plaatsvinden-. Maar nu gaat het meer en [neer in vervulling! Daarom is de komst van Jezus naar deze wereld pok zo belangrijk, want anders zouden wij ook nooit kunnen delen in’ deze volheid… en zouden wij ook nooit kunnen uitdelen van deze volheid!

In het leven van Jezus zien wij hoe bij Hem alles stap voor stap in vervulling ging: geboorte, groei, bediening, eindoverwinning op Golgotha en opstanding uit de dood. Zo zal ook in ons leven – waarin de volheid van Christus dus in principe reeds aanwezig is – alles tot ‘groei en bloei’ komen. Dat houdt in dat naarmate de eindtijd vordert er een nieuwe volheid in de tijd zal ontstaan, maar deze gaat gelijk op met de groei van de volheid in ons. De volheid in de gelovigen zal zich meer en meer gaan openbaren. Daarom is het volle evangelie ook zo belangrijk. De doorwerking van de volheid van Christus in ons leven is namelijk ondenkbaar zonder groei, maar deze groei blijft achterwege zonder gezonde voeding.  

Wat is gezonde voeding?

De prediking van het volle evangelie is essentieel voor gezonde voeding. Gezonde voeding ontvangen wij door Zijn woord en Geest. Geen enkele evangelieprediking kan het stellen zonder deze twee inspirerende bestanddelen. Dat zijn de fundamenten waarop ons geloofsleven is gebouwd en kan functioneren. Een evangelieprediking die deze fundamenten aantast of niet ten volle accepteert, veroorzaakt dat wij dan bij de ontwikkeling van een verkeerde volheid raken betrokken Openbaring 22 vers 11a  (Openb. 22:11a).

Wat is nu het kenmerkende van de volle evangelie boodschap? Dat het accent – en wij willen dit nog eens met nadruk naar voren brengen – niet alleen ligt op het Woord van God, maar óók op de Heilige Geest, want wij kunnen het Woord van God pas op de juiste wijze verstaan, als wij het geestelijk interpreteren. Dat is alleen mogelijk door de dagelijkse vervulling met de Heilige Geest. En dan zullen wij – van stap tot stap – Zijn Woord gaan begrijpen, beleven en uitleven! Dan komt de volheid van Christus die in ons is er uit! Jezus weet dat zo mooi te verwoorden in Johannes 7 vers 37 (Joh. 07:37), als Hij zegt:

“Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien “.

Laat het de bede van ons hart zijn dat wij in dit nieuwe jaar zijn uitgezonden in deze wereld, met dezelfde opdracht die ook Jezus had. Dat betekent dat we doelbewust en doelgericht gaan leven en dagelijks het verlangen hebben de volheid van Christus tot openbaring te brengen! En dat verlangen zal meer en meer in ons leven in vervulling gaan, want God heeft er Zijn welbehagen in, omdat het geheel is naar Zijn wil.

 

Wat lezers schrijven

Veldtocht tegen het paranormale.

Broeder H. J. Haring te Laren (N.H.) schrijft:

Dikwijls met veel instem­ming lees ik de artikelen in uw blad, hoewel ik hier en daar wel eens een kant­tekening plaats. Deson­danks beschouw ‘ik uw blad als een opbouwend middel voor de gemeenten en ook voor hen die daar nog buiten zijn.

De kanttekening die ik nu wil plaatsen en, gezien mijns inziens de belang­rijkheid daarvan, u wil doen toekomen, is de vol­gende:

Het betreft het artikel Van broeder G. J. R. Doornink getiteld “Veld­tocht tegen het paranormale” in nr. 286 van uw blad (november 1987) .

Met het stukje dat overgenomen werd van Wilkin van de Kamp stem ik vol­ledig in. Ook ik ben een tegenstander van alles wat naar het occulte riekt, juist omdat het in Gods ogen zo bijzonder verwer­pelijk is. En onze strijd daartegen is nodig in de Geest van onze Heer en in Zijn kracht.

Maar juist dat laatste: ‘In Zijn kracht’ heeft mij aan het schrijven gezet. Want in het vervolg van het ar­tikel – de wetenschappe­lijke sceptici – worden, mensen en namen genoemd die niet met geestelijke wapens strijden, maar met menselijke, wetenschappe­lijke. Het lijken vrien­den, maar als het deze groepen zo te pas komt, kunnen zij hun wapenen ook tegen ons, kinderen Gods, gebruiken.

Het is toch immers zo dat de ‘wetenschap’ het schep­pingsverhaal als onmogelijk beschouwd? De ‘big bang’, de evolutieleer is voor een wetenschapper het énig aanvaardbare.

Zo is het mogelijk dat de krachten van God die Zijn Heilige Geest ons wil schenken in het genezen van zieken, in het bevrij­den van demonen, in profetieën en tongentaal,- door hen, als wetenschap­pelijk ónmogelijk, zal worden weerlegd.

Deze medestanders tegen het paranormale worden dan onze tegenstanders, omdat hun werk (de goede niet te na gesproken) niet met gelóóf gepaard gaat. Voor dit gevaar wil ik u waarschuwen. De Bijbel zegt: “Vormt geen onge­lijk span met ongelovigen” 2 Korinthe 6 vers 14  (2 Kor. 06:14 e.v.). Er is met hen geen gemeen-, schappelijke grondslag en voor ons geldt de waarschuwing van Jeremia: “Ook met Egypte zult gij beschaamd uitkomen … ook vandaar zult gij weg­gaan met uw handen op uw hoofd, want de Here verwerpt hen op wie gij vertrouwt en gij zult met hen uw doel niet berei­ken” Jeremia 2 vers 36 en 37 (Jer. 02:36-37).

Ik ben blij dat uw blad de strijd aanbindt tegen de occulte wereld, die steeds toeneemt in ons land en ik bid de Heer dat Hij u daarin zegenen zal. Wilt u echter ook aandacht schenken aan de woorden die ik u uit Gods Woord citeerde?

 

 

België onze naaste door Jan W. Companjen

 

België is onze naaste buur, niet alleen grenzen wij aan elkaar, ook spreekt een groot gedeel­te van België onze ge­meenschappelijke taal, Nederlands. Ik geloof dat het een goede zaak is dat wij eens aandacht beste­den aan deze onze naaste buur, opdat ook daar de boodschap van het Ko­ninkrijk der hemelen voortgang kan vinden. Ook in België heeft name­lijk in de afgelopen 25 a 30 jaar het goede evange­lie van Jezus Christus vrucht gedragen. Velen kwamen tot geloof en in veel grotere en kleinere plaatsen ontstonden ker­nen van gelovigen die elkaar opzochten en tot huisgemeenten kwamen.

Bij die ontwikkeling heeft ons land, hebben onze pinkstergelovigen, niet aan de kant gestaan. Dat was een heel goede zaak. Maar, nu is men in veel Belgische gemeenten op een punt aan gekomen dat men het met een huis- samenkomst niet meer aan­kan. Heden en toekomst vragen om ruimte. Om een onderkomen die bij een groeiende gemeente past en het binnenkomen van zo’n gemeente gemak­kelijker maakt. Eén van die gemeenten is de Volle Evangelie gemeente in Aalst. Op die gemeente willen’ wij eens de schijn­werper laten vallen en ons hart onderzoeken in hoeverre wij die gemeente nu, heden ten dage, bij kunnen staan.

De gemeente Aalst heeft van het begin af een vruchtbare binding met ons land gehad. Het over­grote deel van haar leden en bezoekers leest “Le­vend Geloof” en broeder Klaas Goverts geeft er Bijbelstudies. Het is een regionale gemeente die enige tijd geleden over­stapte van huisgemeente naar een gemeente met een eigen onderkomen. De rea­lisatie daarvan ging met vele wonderen gepaard en men kwam voor een zeer redelijke prijs in het bezit van een heel mooie ‘zaal voor de samenkomst, de winkel en een huis (boven die winkel gelegen) voor een voorganger. Uiteraard is de winkel en de woning nog leeg en de zaal nog lang niet vol, maar alles ligt klaar voor de toekomst.

Klaar voor de toekomst

Uiteraard is de winkel en de woning nog leeg en de zaal nog lang niet vol, maar alles ligt klaar voor de toekomst. Dat is gedaan in het vertrouwen dat het werk van de Heer door­gaat en ook België zal overspoelen. In dat geloof zijn er geloofsstappen ge­daan die .mijns inziens door onze rijke gemeenten en ons persoonlijk als le­zers van “Levend Geloof” ondersteund moeten wor­den. Ook wij allen geloven toch zeker dat het machti­ge evangelie van Jezus Christus zal doorbreken en dat dan het natuurlijke werk van zorg voor een zaal en dergelijke achter de rug moeten zijn?

Maar hoe komen wij met hen samen die toch wel moeilijke tussenliggende tijd door? Deze tijd van investering is voor zo’n kleine groep gelovigen een heel zware opgave. Wij noordelijke Nederlanders, zouden er oog voor moeten krijgen dat hier niet al­leen geestelijk maar ook materiële hulp gegeven moet worden. Daar ligt voor ons een fijne en dankbare taak klaar. Sa­men bouwen, geestelijk en materieel, aan een toe­komst dat het werk van de Heer onbelemmerd voortgang kan vinden.

Ik wil elke lezer en lezer­es van “Levend Geloof” dan ook oproepen om in deze eerste maand van het nieuwe jaar te beginnen met een dankoffer aan de Heer voor alles wat Hij in het afgelopen jaar heeft gedaan en er, dit nieuwe jaar doen zal. Een of­fergave aan onze naaste buur België, toegespitst op de Volle Evangelie ge­meente te Aalst. Een gemeente met een regiona­le functie, onder Belgi­sche leiding en met geloof in de toekomst. Zijn toe­komst is immers onze toe­komst. Hij is het Hoofd en wij mogen en zullen in de toekomst functioneren als Zijn Lichaam, tot lof en eer van Zijn Naam. Jezus leeft en wij met Hem!

 

“Maar doet de Here Jezus Christus aan…” (gedicht) door Piet Snaphaan
Romeinen 13 vers 14a (Rom. 13:14a).

Doet aan de Here Jezus,

Hij ging in alles voor:

in sprekenden in daden,

ga dus bij Hem te rade

en volg dan in Zijn spoor.

 

Doet aan de Here Jezus,

in ootmoed en geduld,

zachtmoedig voor elkander,

vergevend ook die ander,

met liefde steeds vervuld.

 

Doet aan de Here Jezus,

wees onberispelijk en rein,

om saam met Hem te bouwen,

in stilheid en vertrouwen,

Hij zal uw sterkte zijn.

 

Vertrouwen door Tea Keuper-Dijk

“Here, spreek slechts één woord…” Matteüs 8 vers 8 (Matt. 08:08).

De hoofdman heeft geloof in de woorden van Jezus. Zijn woorden wekken leven! In onze dagen is Jezus niet meer zichtbaar aanwezig. Hij werkt door zijn (geschreven) Woord en zijn Geest, die door mensen heen werkt. Maar er is één ding wel nodig en dat is geloof! En ook luisteren. Er kunnen in ons hoofd zoveel gedachten opkomen, zoveel redeneringen zijn. Er kan zoveel negatiefs op ons af komen, ook ongeloof, omdat je dingen ervaart, die nog niet van verlossing spreken. Je ziet bijvoorbeeld in ziekte nog helemaal geen vooruitgang. Je wordt dan behoorlijk onder druk gezet, vooraf je gevoelsleven en voor je ’t weet zit je in een diep dal.

Hebben veel mensen – ook en juist in de Bijbel – dit niet meegemaakt? Maar hoe is hun reactie? Job bijvoorbeeld, die zoveel ellende had meegemaakt, zei: “Maar ik weet dat mijn Verlosser leeft!” O, dat belijden, dat zéggen: en toch! Het aandringen bij de Heer: “Heer spreekt U, Heer treedt voor ons op, Heer verlos, Heer genees!”

En ga dan ook maar danken voor Gods spreken, Gods optreden, Gods verlossing en genezing! Hij is immers een verlossend God, die niets liever WIL dan genezen en bevrijden! Daar moet het naar toe: een kinderlijk vertrouwen in God: Hij zal het doen, Hij is getrouw!

Dank U Heer, dat U ons draagt, dag aan dag!

 

Het boek Genesis door Klaas Goverts (14)

De gehoorzaamheid van Noach

Als we de opbouw van Genesis 6 tot en met 8 bekijken, dan zien we dat dit gedeelte bestaat uit twaalf onderdelen. We komen steeds het refrein tegen: ‘Noach deed geheel zoals God het hem geboden had’. In Genesis 6 vers 22 (Gen. 06:22) lezen we, letterlijk vertaald: “En Noach maakte overeenkomstig alles wat God hem geboden had, zo maakte hij”. Het woord ‘maken’ kennen wij vanuit het Scheppingsverhaal.

“Toen de Here de rustgevende rook (van het offer) rook, zeide de Here bij zichzelf: Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat het voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan” Genesis 8 vers 21 (Gen. 08:21). Er staat dus niet, dat het hart van de mens van zijn geboorte af boos was. De erfzonde wordt hier niet geleerd. Voor ‘voortbrengsel’ staat eigenlijk een woord, dat je zou kunnen vertalen met: ‘datgene wat het hart vórmt’. In de Katholieke kerk heeft het woord ‘vormsel’ een geheel andere inhoud gekregen.

Genesis 8 vers 22 (Gen. 08:22) is ook een heel belangrijke tekst, die begint met de woorden: “Voortaan zullen al de dagen van de aarde…” (letterlijk vertaald). “Zolang de aarde  bestaat”, staat er niet! Het is toch wel een ernstige zaak, als er bij een vertaling een sleutelwoord uit de Schrift verdwijnt. Het, gaat niet over hoelang de aarde bestaat. Dit klinkt alsof de aarde eens ophoudt te bestaan. Op aarde zijn er dagen.

Vier kernbegrippen van het Bijbelse denken

Het hele Bijbelse denken is uit vier kernbegrippen opgebouwd:

  1. Hemel en aarde; de ruimte.
  2. Dagen: de tijd.
  3. Namen: de gestalten die een rol spelen. (Dabar: woorddaad, daadwoord).
  4. Woorden: wat er geschiedt. Woord en daad zijn in het Hebreeuws één. Als je zegt: ‘Geen woorden, maar daden’, ben je met woorden bezig en niet met daden.

De aarde krijgt dagen van God en de mens ook. ‘Al de dagen van de mens’, dat is de tijd die God aan de mens geeft, om mens te worden. “Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet ophouden” Genesis 8 vers 22 (Gen. 08:22). Letterlijk staat er: ‘zaad en oogst’. Het is de eerste grondwet van God. In de dagen op de aarde zal er altijd zaad en oogst zijn. Verderop in Genesis komt het ‘zaad van Abraham’. Bij het zaad van Abraham hoort de oogst: de volkeren. Het is interessant dat voor ‘ophouden’ het woord sabbat gebruikt wordt! Ons woord ‘sabbat’ komt er vandaan. Zaad en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, zullen nimmer sabbat houden.

‘Zaad en oogst’ is een begrip met een meerwaarde. Ik geloof dat het hier ten diepste gaat over geestelijke principes. ‘Zomer’ is in de Schrift een beeld van de heilstijd. Zo lezen wij bijvoorbeeld in Jeremia 8 vers 20 (Jer. 08:20): “Voorbij is de oogst, ten einde de zomer, en wij zijn niet verlost!” ‘Winter’ is een beeld van de tijd waarin alles doods en afgestorven is. Toen Jezus in de zuilengang van Salomo wandelde, was het winter. ‘Winter’ staat er nadrukkelijk bij Johannes 10 vers 22 en 23 (Joh. 10:22-23). Het had een speciale bedoeling, want het was juist de tijd waarop Jezus op het punt stond om als graankorrel in de aarde te vallen en te sterven. ‘Dag en nacht’ hoeft op zich ook geen negatieve betekenis te hebben. Zij hebben een functie in de hele scheppingsorde. ‘Dag,’ is-de tijd van activiteiten. Nacht is de tijd van rust. Als het donker is kan de mens rustiger slapen en komen de ogen tot rust.

Adam en adama

Wat de mens doet heeft zijn uitwerking op de hele schepping. Mens en akker: adam en adama, horen bij elkaar. In het modelverhaal van Kain zien wij, als Kain zijn broeder Abel vermoord heeft, dat Kain weg moet van het aangezicht van de adama, de akker. De verbinding tussen adam en adama is verbroken. De adama gaat nu schreeuwen om hulp. In Genesis 4 hebben we in wezen al de zuchtende schepping.

Er is nog een interessant punt, dat wij bij de behandeling van Genesis 4 niet genoemd hebben. In Genesis 4 vers 11 (Gen. 04:11) staat, dat de aardbodem zijn mond heeft opengesperd ‘om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen’. Hier ontdekken we een belangrijk principe: De adama opent zijn mond naar de adam: want de mens is dienaar van de aardbodem. De mens staat als dienstknecht op de aardbodem en moet de mond van de adama vullen met zaad. De dienaar van de akker moet gaan zaaien. In plaats dat Kain zaad aan de akker geeft, geeft hij bloed van zijn broer Abel in de open mond van de aardbodem. Vandaar dat er staat dat de aardbodem was ondergraven. Als de mens fout gaat wordt ook de aarde aangetast.

De hele schepping wordt nu aan de vruchteloosheid onderworpen. De Schepping lijdt onder wat de mens doet. Vandaar dat de zuchtende schepping wacht op de onthulling van de zonen Gods: de werkelijke adam. (Zie Romeinen 8). In’ Genesis 3 vers 17 (Gen. 03:17) staat: “Vervloekt is de adama om uwentwil. God stelt hier een feit vast. God zegt eigenlijk:.. ‘Ik heb de adama tenslotte aan jóu gegeven, mens. Als jij de duisternis vrij spel geeft en de boze geesten naar binnen haalt, dan heeft dat gevolgen’. Daarom kan de aardbodem ook alléén door de méns hersteld worden. Het is nog weer een argument waarom de aarde niet kan ondergaan, want de adam hoort bij de adama. De mens is niet bestemd om naar de hemel te gaan en nooit weer een aardbodem onder de voeten te krijgen. De mens zonder aarde is een mens zonder partner. De mens zou bovendien geen oefenterrein meer hebben. Met zijn géést zal de mens in de hemelse gewesten vertoeven. De mens is uit de aardbodem genomen.

Het scheppingsverhaal in Genesis 9

Genesis 9 is als het ware Genesis 1 opnieuw. Genesis 9 vers 1 (Gen. 09:01): “En God zegende Noach en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde”. Dat staat óók in Genesis 1. In Genesis 9 komt ook het punt naar voren dat het bloed niet gegeten mag worden (vers 4).

Dan wil ik speciaal wijzen op het verbond. Zo lezen wij in Genesis 9 vers 9 en 10 (Gen. 09:09-10): “Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw nageslacht, en met alle levende wezens die bij u zijn…” Letterlijk vertaald staat er: ‘ Zie, Ik richt mijn verbond op met u en met uw zaad en met alle levende ziel…” Zowel in vers 9 als in vers 11 wordt gezegd: ‘Ik richt mijn verbond met u op’. Letterlijk staat er heel mooi: ‘Ik zal mijn verbond doen opstaan’. Hier zien we de opstanding van de nieuwe mens. Zowel in Genesis 9 vers 15 als in vers 16 (Gen. 09:15-16) zegt God: ‘Ik zal mijn verbond gedenken’.

‘Opstaan en gedenken’ vormt de omlijsting. Daartussen wordt twee keer het woord ‘geven’ gebruikt: ‘Ik zal mijn verbond geven’. En: ‘Ik geef mijn boog in de wolken’. Het is een gave van God. We zien nu de prachtige opbouw: twee keer ‘doen opstaan’; twee keer ‘gedenken’. Daar tussenin twee keer ‘geven’.

De boog is teken van het verbond en heeft een dubbele betekenis:

  1. regenboog;
  2. strijdboog.

Het Hebreeuws heeft voor beide hetzelfde grondwoord. God zegt: ‘Mijn strijdboog is het teken dat Ik strijd voor mijn schepping’. Als je de regenboog ziet, weet ‘je, dat God het opneemt voor zijn schepping.

En dan in Genesis 9 vers 17 (Gen. 09:17) voor de derde keer de samenvatting: “Dit is het teken van het verbond, dat Ik heb opgericht (letterlijk: ‘heb doen opstaan’) tussen Mij en al wat op de aarde leeft”. In vers 13 staat zo mooi: “Dit is het verbond tussen Mij en de aarde”. God heeft niet alleen een verbond met de méns, maar ook met de aarde.

(wordt vervolgd).

 

Van de redactie door Gert Jan Doornink

Met frisse moed zijn we het nieuwe jaar binnengegaan, in de verwachting en het geloof dat 1988 een productief en vruchtbaar jaar zal worden wat de “Levend geloof’-arbeid betreft. Het jaar dat achter ons ligt was bijzonder gezegend. De talrijke positieve reacties op de inhoud van ons blad, hebben ons bemoedigd en betekenen een stimulans om ons volledig te blijven inzetten voor “Levend Geloof”. En daarmee bedoelen we uiteraard dat we er naar streven in ons blad de volle evangelieboodschap zo duidelijk en veelzijdig mogelijk te belichten. Samen met onze medewerkers willen we afgestemd blijven óp Gods Woord èn de Heilige Geest, die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Uiteraard zijn we ons ervan bewust dat de tegenstand uit het rijk der duisternis groter zal zijn dan ooit tevoren, maar als ‘eindtijdgelovigen’ mogen we er óók zeker van zijn dat het nieuwe leven van Christus in ons groeiende is en uiteindelijk volgroeid zal zijn. Niet de duivel heeft het laatste woord, maar de overwinning van Jezus en de gemeente gaat een realiteit worden!

Wij willen met blijdschap en toewijding daarover blijven schrijven in “Levend Geloof” en geloven dat vele lezers en lezeressen daardoor weer rijk gezegend zullen worden en opgebouwd worden in hun geloof.

 

Intermezzo, een potje kunnen breken… door Gerry Velema

Ze hadden een afspraak gemaakt voor vrijdagavond. De donderdag ervoor kwam er een telefoontje. “Ja hoi, hoor es, zouden jullie het erg vinden een andere keer te komen, want een vriend van ons is jarig en nu wilden we toch liever daar heen gaan. Ja, eigenlijk kunnen we zoiets niet maken, hè? Maar je weet toch… goeie vrienden… moet kunnen… ja toch? Bij elkaar kunnen we immers een potje breken?”

Nou daar zat ze dan. Zeggen dat ze het ontzettend flauw vond, wou ze niet, maar met hetzelfde elan en flair reageren met een: “Ja, natuurlijk begrijp ik het!”, dat kon ze niet.

En dat gebroken potje lag nu in haar schoot. Zij zou de scherven moeten opruimen en het liefst zonder verwijt!

Kunnen ze eigenlijk wel een potje bij haar breken? Nu ze er eens goed over nadenkt, beseft ze hoe makkelijk het klinkt, maar hoe moeilijk het is. Want een rood bloempotje is zo weer te vervangen, maar het gebroken potje kan ook een heel dierbaar potje zijn, iets waar je heel zuinig op bent.

Het ene gebroken potje zal daarom veel meer pijn doen dan het andere. Maar altijd zullen er scherven zijn en het alleen opruimen van de scherven. De vrienden die meenden dat potje bij je te kunnen breken, zijn zo vaak allang weg. Eerlijk gezegd geloof ik dat , we bij elkaar maar niet te gauw potigs moeten breken. Vriendschap kan veel dragen en veel hebben, maar gebroken potjes geeft zoveel te doen achteraf!

Eigenlijk alleen bij Jezus kun je gerust eens een potje breken. Voor al die scherven, al ons falen en voor al onze zonden gaf Hij voor eens en altijd Zijn leven. Dat is de vriendschap van Jezus! Hij zegt van vriendschap:

Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven voor zijn vrienden inzet”. Hier valt dat gebroken potje bij in het niet, wat Jezus doet voor Zijn vrienden, en dat mogen we zijn.

We willen heel graag op de Here Jezus gaan lijken, ook in onze relaties, maar zolang we nog heel veel op onszelf lijken, laten we dan voorzichtig zijn met het breken van potjes. En gebeurt het toch eens, ruim dan samen de scherven op. Ga samen naar Jezus toe met je vriendschap, want waar Hij bij betrokken blijft, is dat drievoudige snoer, wat niet makkelijk stuk te krijgen is ook met scherpe scherven. Onze kracht, ook voor het vrienden zijn, ligt in de omgang met Jezus.

Hij weet raad met gebroken potjes, beter dan wij!

 

Verwachting en opdracht door Jan W. Companjen

“En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de ver­troosting van Israël, en de Heilige Geest was op hem”.

“Ook was daar Anna, zij was weduwe en ongeveer vierentachtig jaar oud. Zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem ver­lossing verwachten”. Lucas 2 vers 25 tot en met 38 (Luc. 02:25-38).

Jezus, de verlosser der mensheid

Jezus wordt op de achtste dag naar de tempel ge­bracht om besneden te worden. Zij noemden Hem Jezus; dat was de naam die de engel genoemd had nog vóór zijn moeder zwanger werd. Onmisken­baar is God de Vader er vanaf het begin bij, wan­neer door over schaduwing van de Heilige Geest, uit de maagd Maria, Jezus wordt geboren.

God zelf trad de mens te­gemoet en verwekte in de mens Maria nieuw leven. Een nieuwe Adam werd geboren, die zeggen kon dat Hij er reeds voor de grondlegging der wereld was. Hij kwam als Gods Zoon, Gods plan volvoeren.

De eerstgeboren zonen van het volk Israël kon­den door elke priester in het land worden ‘gelost’. Maar Jezus werd daarvoor naar de tempel in Jeruzalem

 gebracht. Daar op die plaats, waar het volk Gods vergaderd was, wordt bekend gemaakt door twee gelovige vrome Israëlieten, dat Hij de door God beloofde Messias, de Redder van de mens­heid is. Simeon neemt het kind Jezus in zijn armen, looft God en zegt: “Mijn ogen hebben het heil ge­zien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken. Licht tot open­baring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël” Lucas 2 vers 30-31 (Luc. 02:30-31).

Ook Anna looft mede God en gaat aan het getuigen dat Hij het is die Jeruza­lem verlossen zal. Het sa­menspel van deze eerste samenkomst met Jezus Christus in het midden, is compleet en Goddelijk. Jezus gaat als ‘geloste’ terug naar Galiléa om de grote Losser te worden. Simeon en Anna werden in hun verwachtingen ge­weldig gezegend. Zij zagen het heil Gods met eigen ogen. Het was een nieuw begin tot heil voor alle volken.

De opening van een nieuwe weg

Opnieuw mogen wij dit ge­weldige gebeuren met el­kaar vieren en gedenken. Steeds duidelijker gaan wij zien dat de liefde Gods hierin een geweldige uitdrukking krijgt. God kwam tot de mens Maria, be­vruchtte haar met zijn Geest en uit haar werd Gods eerstgeboren Zoon geboren. Een Zoon geboren door Geestelijke gemeen­schap van God met de mens. De weg werd ge­opend naar een nieuw ge­slacht , een nieuw volk van God, verwekt door Gods Geest.

Op grond van dit feit wordt dan ook in Hebreeën 3 vers 11 (Heb. 03:11) vermeld dat Hij die heiligt en zij die ge­heiligd worden uit één zijn, dat wil zeggen uit één Geest geboren zijn. Daar­om schaamt Hij zich ook niet om ons broeders te noemen.

Die Goddelijke weg is bij de komst van Jezus voor ons geopend. Een hoge weg, die geestelijk is, van begin tot eind. Geestelijk zijn wij verwekt en Gees­telijk zullen wij verder gaan, om te komen tot het volle licht, tot openbaring voor de heidenen en heer­lijkheid voor het volk Is­raël. En wij mogen weten dat alles, wat Gods liefde verwekt en verwekt heeft, tot volle bloei zal komen.

Vaak hebben wij nog vra­gen : Waarom dit en waarom dat? Vinden wij niet hét antwoord in de vraag van God aan de mens: “Waarom, o mens, hebt gij Mij ver­laten? In Mijn liefde wil ik u alles geven: rust, vrede en blijdschap; leven en overvloed, persoonlijk en voor de hele wereld”.

Willen wij geestelijk leven?

Laten wij, broeders en zusters, meelijden met God en met Hem meevoelen hoe het toch mogelijk is dat de mens zo’n raadsel voor Hem blijft. Veel men­sen en veel kerken willen niet anders hun leven in­zetten op godsdienstig terrein dan ze nu doen. Zij houden het maar het liefst op een ‘natuurlijk niveau’. Een Geestelijk le­ven met een doop in de Heilige Geest en een aan­vaarden’ van Jezus als Leidsman is voor hen te onzeker. Je raakt daarbij je menselijke banden, die overal doorheen lopen, kwijt en komt daarmee al­leen te staan. Men vergeet dan dat de innerlijke rijk­dom en de buit aan nieuwe broeders en zusters over het rond der aarde, véél en veel groter is. Mee– leven met broeders en – zusters in België, meehel­pen hun lasten te dragen. Tijdens vakantie in Oos­tenrijk (in Lienz) een ge­meente van Christus ont­dekken waar je je meteen thuis voelt en ervaart dat ook daar Christus centraal staat. Samen met alle ge­lovigen ervaren dat overal het volk Gods op weg is naar het doel: Het tot volle bloei komen van Christus en zijn gemeente, waartoe het zaad als eers­te in Maria gezaaid werd. Wij geloven in en werken aan, het plan Gods dat Hij en wij, ondanks alles wat de mens is en doet, overwinnaars zullen zijn. Als Hij zegt: “Er zij licht”, dan is er licht, dan komt er licht. Eens zal de mens tot de erkenning komen: Wij hebben het niet ge­kund. Wij mensen komen op Geestelijk terrein, buiten U, tekort. Wij heb­ben uw hulp als Leidsman nodig.

Als voorbeeld daarvan wil ik u laten meegenieten van de geschiedenis van de man die blind geboren werd, die niet alleen ge­nezing ontving, maar ook een duidelijke boodschap achter liet Johannes 9 vers 1 tot en met 7 (Joh. 09:01-07). “En voorbijgaande zag Jezus een man, die sedert zijn geboorte blind was. En zijn discipelen vroegen hem en zeiden: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren is?”

Is God een straffende God?

Kent u die vraag niet? Ook nu is zij nog steeds actueel in veel kringen, omdat zij God nog veelal zien als een straffende God. Zij zeggen zelf dat zij op gevoed zijn bij wat ‘Zondag 10’ van de Heidelbergse Catechismus belijdt, namelijk dat niet alleen voorspoed, maar ook tegen­spoed, niet alleen gezond­heid , maar ook ziekte, uit Zijn hand komen.

De discipelen zoeken het ook op dit terrein van oor­zaak en gevolg. Op die weg van zonde en straf komt men veel angst tegen en viert de aanklager hoogtij. Achter alles wat er gebeurt kan de straf­fende hand Gods zitten, redeneert men dan en vele gelovigen vragen zich bij één of ander min of meer ernstig gebeuren af: Wat heb ik verkeerd gedaan?

Ik wil hierbij wel opmerken dat de mens natuurlijk wel zondigen kan. Onder andere ten opzichte van je eigen lichaam en geest met alle gevolgen van dien.

Als eerste geldt dan wel de grote opdracht om te leven in overeenstemming met de wil van God. Indien je er zedelijk maar op los leeft en je niet houdt aan de goddelijke instelling dat één man en één vrouw bij elkaar horen in één vaste relatie, dan loop je kans besmet te worden met een geslachtsziekte of met aids. Roken is slecht voor je lichaam en geeft een zeer grote kans dat je longkanker krijgt en ga zo maar door. De grootste zonde is echter wel, dat de Here God niet voor ons zorgen kan, omdat wij Zijn Koningschap, Zijn leiding in ons leven afwij­zen .

In ons gedeelte uit de Schrift komt dit heel dui­delijk aan het licht. Jezus zegt dan ook: Vraag niet waarom maar waartoe is dit geschied. In deze man – let op’ – komen de werken Gods tot openba­ring. In hem, aan die man kan Ik iets doen! En dan  de grote opdracht: Wij, zie ook Johannes 20 vers 21 tot en met 23 (Joh. 20:21-23) moeten werken de werken desgenen die Mij (ons) ge­zonden heeft.

Jezus zegt ook nu tegen ons allen: Vraag niet steeds waarom dit en waarom dat, maar pak het aan. Ga de werken Gods doen die Ik u geleerd heb. Ik wil dat het de mens goed gaat en dat hij gezond is. Ga op Mijn be­loften staan en ontvang datgene wat beloofd is. Ik ben het Licht der wereld.

En nadat Hij dit gezegd had, maakte Hij van ‘speek­sel uit zijn mond en van aarde, slijk en smeerde dat de man op zijn ogen. Hij verbond hemel en aar­de en maakte een zalf die de mens ziende maakte. Maar het kwam niet alléén van zijn kant. De mens moest uitgaan. Hij kreeg een opdracht. Jezus zei: “Ga heen naar Siloam, hetgeen betekent: ‘uitge­zonden’, en was u daar”. En hit waste zich van top tot teen en kwam als een nieuwe schepping, ziende, terug! Hij zag het licht. Hij zag wie hem genezen had en hij zag waartoe hij geschapen, geboren, was. Hij had een nieuwe toe­komst gekregen en strekte zich vol verwachting uit naar hetgeen in dat licht komende was.

In het vervolg van deze geschiedenis komen er geweldige dingen aan de orde. In een gesprek van de genezen man met de Farizeeën komt naar voren dat de man een volgeling van Jezus is en dat de Farizeeën zich volgelingen van Mozes beschouwen Johannes 7 vers 28 en 29 (Joh. 07:28-29). Wet en ge­boden vieren bij hun hoogtij; herstel van de schepping die gaat zien, is aan wet en verordening ondergeschikt. Aan het eind van het gebeuren rond de blindgeboren man, zegt Jezus: “Tot een oor­deel (tot scheiding) ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden”. En tot de Fari­zeeën zei Hij: “Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; daarom blijft uw zonde” Johannes 9 vers 39 tot en met 41 (Joh. 09:39-41). Wie oren heeft die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt!

Wij, die geloven, mogen vol vertrouwen verder gaan, ook in het jaar dat voor ons ligt. Voor ons  is het Licht opgegaan en in dat licht zullen we steeds meegaan ontdek­ken dat onze God een God van liefde is. Veel mensen vragen om bewijzen dat God bestaat. Zij zitten nog steeds in de fase van: ‘Waarom dit en waarom dat?’ Zij moeten komen tot een bovennatuurlijk ver­langen, zoals Petrus dat bijvoorbeeld had toen hij Jezus zag wandelen op het water. Petrus riep toen: “Here, mag ik tot u komen?” En Jezus zei: “Kom”. Petrus deed het, hij stapte overboord en ging naar Jezus toe. Ik verzeker u dat, als u naar Hem toe­gaat, Hij zich ook in uw leven zal bewijzen!

Laat dat geloof in 1988 in uw leven verder groeien, opdat u werkelijk mens (zoon) van God zult zijn.

 

 

 

De bouw door Gerry Velema

Daar stonden sterke “ solide mannen. Op de steigers in de brandende zon. Zware stenen uit het puin vrij gebikt, werden door samengebun­delde krachten op de muur gebracht. Steen voor steen, met moeite, zweet en wie weet tranen, maar de muur verrees! Sanballat en’ Tobia hoon­den het volk, maar Nehemia bemoedigde de man­nen: ‘niet op letten, ge­woon doorgaan, God is immers voor ons!

En als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Dus bouwen wij ook, de muur van het hemelse Jeruzalem in ons land.

Ieder, voor zijn huis, voor zijn gemeente of werk van de Heer, maar wel samen aan die ene muur, die veiligheid voor Gods volk moet gaan bieden. En voor geestelijke bespot­ters hoeven ook wij niet bang te zijn, de God des hemels zal het ook ons’ doen gelukken.

Maar hoe vreemd zou Nehemia hebben gekeken bij ons geestelijk bouwen aan de muur, als hij zag wat er onder ons gebeurt. Overdag zijn we samen ‘in de bron’ geweest, of op een ‘gebedsconcert’ of in een of ander ‘samen­bindend’ werk, waar we steen voor steen hebben gebouwd aan de muur. Maar ’s nachts – in het verborgene – komen, broeder-bouwers te voor­schijn om het bouwwerk van hun buurman even een flinke schop te ver­kopen, zodat het werk weer van voren af aan hervat moet worden of zwaar beschadigd raakt.

Wat zou Nehemia tegen ons – Nederlandse bouw­lieden – zeggen? Bang voor Sanballat hoeven we niet te zijn, maar hoe bang zijn we soms nog voor elkaar? Voor de bouw geldt wat in Lucas 9 vers 62 (Luc. 9:62)staat: “Wie de hand aan de ploeg slaat, en ziet naar hetgeen ach­ter hem ligt, is niet ge­schikt voor het Konink­rijk van God” . Wie” niet vergeven en vergeten-wil, al waf het verleden aan lasten draagt, is onge­schikt (!) voor de bouw, in het Koninkrijk van God.

Het is tijd, dat er ge­bouwd wordt, aan de muur van veiligheid en rust voor de kinderen van God. Veiligheid bin­nen gezonde, stabiele gemeenten, waar herber­gen zijn voor gewonden, waar speelplaatsen zijn voor op groeiende kinde­ren, waar ruimte om te leven is, en waar de zon van Gods gerechtigheid heerlijk schijnt!

Zullen we bouwen? U en ik, opkomen voor het werk van God? Hij wil dat het lukt. Ook in Ne­derland en België, of waar u ook woont, in uw gemeente en in uw leven, maar dan wel bouwen, bouwen en bouwen!

‘Heer, wat een voorrecht, om in liefde te gaan! schouder aan schouder in uw bouwwerk te staan. Samen te dienen, te zien’ wie U bent, want uw woord maakt Uw wegen bekend! Amen!

 

Het gebod van de liefde door Wim te Dorsthorst

Het kenmerk van de ware gemeente

Een kenmerk van de gemeente van Jezus Chris­tus, maar ook de geloofwaardigheid van de ge­meente voor de wereld, is de onderlinge liefde. In Zijn afscheidswoorden zegt de Heer: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij  elkander liefhebt. Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander” Johannes 13 vers 34 en 35 (Joh. 13:34-35).

Toch wel heel opmerkelijk dat de Heer een gebod geeft om elkaar lief te hebben. Het is alsof de Heer voorzien heeft hoe­veel uitvluchten zelfs een discipel van Hem kan aan­voeren om de ander niet lief te hebben of te hoeven hebben.

Een goed advies van Paulus om lief te kunnen heb­ben is: “Daarom ook be­oordelen we van nu af niemand meer naar het vlees” 2 Korinthe 5 vers 16a in de Canisius vertaling (2 Kor. 05:16a). Dat deze woorden van de Heer ernstig genomen moeten worden, blijkt uit wat Jo- hannes later schrijft in zijn brieven: “Wie niet liefheeft, blijft in de dood. Een ieder die zijn broeder haat is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig le­ven blijvend in zich heeft” 1 Johannes 3 vers 15 (1 Joh. 03:15).

Het zal een kenmerk van ‘de ware gemeente zijn voor de wereld als de leden van die gemeente elkaar lief­hebben, zegt de Heer. Dit legt een verantwoordelijkheid op ieder gemeentelid. Niet om er onder gebukt te gaan, maar om het be­wust te zijn en met blijd­schap op te pakken en het gebod van de Heer serieus te nemen.

De kerken zijn nooit ge­loofwaardig geweest voor de wereld. De ene scheu­ring en afsplitsing na de andere ontstond omdat er onderling geen liefde was. De verschillende richtingen en groeperingen bestreden elkaar en er was vaak meer haat dan liefde.

Liefde kent geen verwerping

Aangezien de gemeente van Jezus Christus door de wereld gezien wordt als weer één of andere kerk of sekte, is het des te belangrijker dat wij ook op dit punt geheel anders zijn, omdat wij Christus hebben leren kennen.

Wat moeten wij dan helaas maar al te vaak constateren dat het de duivel – de grote uit-elkaar-werper – gelukt is de kerkmentaliteit ook weer binnen de gemeente van Jezus Chris­tus te laten functioneren. Hoeveel richtingen en groepen zijn er nu al weer sinds in het begin van deze’ eeuw ‘de Heilige Geest weer wérd uitgestort? Pleit ik dan voor een soort Pinkster oecumene? Wat je gelooft of leert doet er niet toe, als we maar één zijn? Natuurlijk niet!

Maar waar de liefde functioneert is geen verwer­ping van de ander moge­lijk. Geen kleinerende of negatieve uitlatingen om­dat ‘ze daar’ niet denken of doen als wij. Leert de Bijbel niet dat de Heer zijn gemeente bouwt? Matteüs 16 vers 18 (Matt. 16:18). Zouden we – dan negatief af geven op andere gemeenten die toch ook door de Heer gebouwd worden? Zou het niet kun­nen zijn, dat in de gees­telijke wereld machten en krachten die negatieve uitlatingen en beschuldigingen oppakken en bol­werken oprichten tegen de kennis van God in die andere gemeente?

Misschien is het goed u- zelf deze vragen te stellen als het gaat om het vervullen van het gebod van de Heer: elkaar lief te hebben. Liefde is de sterkste positieve kracht die denkbaar is, die wij naar de ander uit kunnen laten gaan. Het is voor de, duivel en zijn rijk absoluut ónmogelijk daar iets aan te doen of daar tussen te komen.

Als wij spreken over elkaar en met elkaar in de gemeente, ook als dat zou gaan over andere gemeen­ten, dan is het advies van Petrus: “Spreekt iemand, ‘laten het woorden zijn als van God” 1 Petrus 4 vers 11 (1 Petr. 04:11).

Als ik zeg dat liefde een kracht is, blijkt al wel dat het niet gaat om een verheven gevoel. Uiteraard brengt liefde een geluks­gevoel voort, dat is duidelijk. Maar het gaat om een kracht die voortkomt uit de geest van de mens.

Ieder mens kan liefhebben. Dat vermogen heeft hij ontvangen van Zijn Schepper, die liefde is. Maar al functioneert de menselijke liefde nog zo volmaakt – en we zien het Goddank in de wereld nog functioneren – kunnen we toch niet zeggen: ‘Kijk dat zijn discipelen van de Heer’.

Het wezen van God is: Liefde

De Heer spreekt ook niet van: “Uw naaste liefheb­ben als uzelf” Leviticus 19 vers 18 (Lev. 19:18), maar Hij zegt: “Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb”. Dit is meer dan de na­tuurlijke liefde. Dit is liefhebben met de liefde van God. Jezus is de waarachtige Zoon van God en is daarom wezens gelijk aan God.

Als de apostel Johannes zegt: “God is liefde” 1 Johannes 4 vers 8 (1 Joh. 04:08) heeft dat ook betrekking op Gods Zoon. Ook Hij is liefde!

Bij de mens is de liefde maar al te vaak afhankelijk van het gedrag van de an­der. Bij God en Jezus Christus is dit ondenk­baar want Zij zijn liefde in hun wezen.

Liefde is het meest funda­mentele van Gods schep­ping en daarom zal in de gemeente DIE liefde moeten functioneren. Dat is de goddelijke liefde die in het hart van de mens is geko­men bij het ontvangen van de Heilige Geest Romeinen 5 vers 5 (Rom. 05:05). Als men deze Geest niet heeft is men geen lid van het lichaam van Christus, geen discipel van Hem en kan die liefde dus ook niet functioneren Romeinen 8 vers 9 en Efeze 4 vers 4 (Rom. 8:9; Ef. 4:4). Er ontwikkelt zich dan geen vrucht van de Heilige Geest in de mens die Paulus noemt in, Galaten 5 vers 22 (Gal. 5:22) en die begint, met ‘de liefde’. De Heer spreekt echter tot Zijn discipelen en ‘dat zijn wij als we gedoopt zijn met de Heilige Geest.

Liefde is verbonden met de waarheid

In 1 Johannes 3 vers 18 (1 Joh. 03:18) lezen wij: “Kinderkens, laten wij liefhebben, niet met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid”. De ver­taling van Willibrord zegt: “Kinderkens wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen, maar met concrete daden. De liefde die in de gemeente functioneert is een liefde van daden, van doen, heel concreet.

En deze liefde is niet los te maken van de waarheid van het evangelie en het gehoorzamen daaraan. De uitspraak die nogal eens gehoord wordt: ‘Jullie hebben de waarheid en wij hebben de liefde’ is onmo­gelijk en niet Bijbels. Dit blijkt wel overduidelijk uit de volgende uitspraken: “Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij Mijn geboden be­waren” Johannes 14 vers 15 (Joh. 14:15).

“Gij zijt Mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u gebied” Johannes 15 vers 14 (Joh. 15:14). “Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren’” 1 Johannes 5 vers 3 (1 Joh. 05:03).

De Heilige Geest, die de liefde Gods in onze harten brengt, is óók de Geest der waarheid Johannes 14 vers 17a (Joh. 14:17a), dat is niet te scheiden.

Vrucht dragen door de liefde

Met deze goddelijke liefde mogen wij in de gemeente oefenen, er mee werken, zodat het veel vrucht zal dragen. Jezus zelf garan­deert dat dat niet verbor­gen zal blijven als Hij zegt: “Hieraan zullen al­len weten, dat gij disci­pelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elk­ander”.

De tijd gaat verder en aan vele tekenen zien wij dat het einde aller dingen nabij gekomen is. Laten we daarom de woorden die de Heilige Geest Petrus heeft laten opschrijven, ter harte nemen: “Het einde aller dingen is nabij gekomen. Komt dus tot bezinning en weest nuch­ter, opdat gij kunt bid­den. Hebt bovenal bestendige liefde jegens elkander, want de liefde bedekt tal van zonden”.