1999.07-08 nr. 401

1999.07-08 Levend geloof Nr. 401

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

In ons vorig nummer schreven wij over het ontstaan van Levend Geloof en ook hoe de naam Levend Geloof tot stand kwam. In ons blad keert de oproep om een lévend geloof tot openbaring te brengen dan ook telkens terug. Natuurlijk wordt er niet altijd op directe wijze over het geloof geschreven, maar direct of indirect, het gaat uiteindelijk om de geloofsbeleving die zich in en door elk kind van God behoort te openbaren. Werkelijk geloof behoort niet ver­borgen te blijven, Jakobus formuleert dat op duidelijke wijze door op te merken: “Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder wer­ken dood” Jakobus, 2 vers 26. (Jak. 02:26).

Daarbij gaat het uiteraard om het échte geloof in Jezus Christus, de Zoon van de levende God. Iedere andere vorm van geloof is surrogaat en uit de verkeerde bron afkomstig. Onze doelstelling is dan ook, temidden van een wereld van ongeloof, bijgeloof en verkeerd gericht geloof, dit echte gebofte verwoorden. Daarbij proberen wij rekening te houden met de verschillende categorieën lezers die ons blad heeft. Dat wil zeggen dat sommige artikelen meer bestemd zijn voor degenen die nog in een beginstadium zijn wat betreft hun geloofsbe­leving, terwijl andere artikelen meer gericht zijn op hen die verlangend zijn door te groeien naar het volwassen stadium in Christus. Ook in dit nummer treft u in de verschillende korte en langere artikelen weer een veelzijdige belichting aan hoe ons geloofsleven behoort te functioneren en meer en meer vrucht gaat dragen.

Zo mag Levend Geloof, door Gods genade, meewerken bij de groei van ons geloofsleven. En zo zal, temidden van alle geestelijke verwarring en misleiding, de stabiele, overwinnende gemeente van de grond gaan komen en als een hel­der lichtbaken in het plan van God gaan functioneren.

 

Kom in actie! Door redactie

Hoewel Levend Geloof al bijna 40 jaar bestaat blijkt soms toch nog dat men niets afweet van het bestaan van ons blad. Voor sommi­gen die het blad ‘ontdekken’ blijkt een geheel nieuwe  (geestelijke) wereld open te gaan waarvoor men dan bijzonder dankbaar is. Nu kan men opmerken dat er door reclame te maken, bijvoorbeeld door het plaatsen van advertenties in andere bladen, vanzelf meer aandacht komt voor Levend Geloof. Onze ervaring is echter dat de beste reclame voor ons blad de ‘mond-op-mond reclame’ is. Spreek over ons blad, geef het door aan anderen, kortom: kom in actie! Hier volgen een aantal sug­gesties:

Het opgeven van adressen  (het liefst schriftelijk) waar wij enkele proefnummers naartoe kunnen zenden.

Het eenmalig of meermalig afnemen van extra exemplaren voor gerichte verspreiding aan familie, kennissen of gemeente­leden.

Het overmaken van een extra bijdrage. Lees wat we daarover schrijven in het kader van onze zomeractie.

Het blad, al of niet gratis, verkrijgbaar stellen via de boekentafel van uw gemeente, zoals in verschillende gemeenten al gebeurt.

Het opgeven van iemand voor een geschenk- of adoptieabonne­ment.

Kortom, er zijn mogelijkheden genoeg om ‘in actie te komen’ en meer bekendheid te geven aan het heerlijke en kostbare evangelie, waarvan de uitleg in Levend Geloof zo’n centrale plaats inneemt.

 

De weg naar een zinvol bestaan door Jan W. Companjen

Hoewel de laatste jaren wat minder frequent, is Jan Companjen ongetwij­feld één van de meest productieve schrijver van ons blad geweest. Vrijwel vanaf het begin schreef hij bijna iedere maand een geloofsopbouwend artikel. Zijn getuigenis werd al gepubliceerd in het nummer van juli/augustus 1962! We zijn blij dat we ook in dit nummer weer een arti­kel van hem kunnen publiceren.

“En God schiep de mens naar Zijn beeld… En God zegende hen en zeide tot hen: Weest vruchtbaar, wordt talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar en heers over al het geschapene…” Genesis, 1 vers 27 en 28. (Gen. 01:27-28). “Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie de hemelen openden zich en de Geest Gods daalde op Hem neder als een duif. En zie een stem uit de heme­len zeide: Deze is Mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik een welbehagen heb” Matteüs 3, vers 16 en 17. (Matt. 03:16-17). Nog nooit heeft de mensheid zoveel vragen gesteld betreffende het gees­telijk leven van de mens en de onzienlijke wereld, als nu. Het gaat bij deze vragen, zoals u zult begrij­pen, om het innerlijke van de mens: Waar kom ik vandaan, waar ga ik naar toe, waarvoor leef ik? En er is toch meer tussen hemel en aarde? En waar kan ik daar antwoord op vinden? Kortom, men is wereldwijd op zoek naar de zin van het mense­lijk bestaan.

Het is dan ook onbegrijpelijk dat een groot deel van het Christendom, met een Bijbel vol bewijsmateriaal dat God, de Schepper van hemel en aarde, in gemeenschap met Zijn schepping wil leven, tot op de dag van vandaag geen steekhoudende antwoorden geeft op die vragen. Een en ander heeft wel tot gevolg gehad dat wij, tot in alle godsdienstige gele­deren toe, met allerlei geestelijke uit­wassen zitten. De mens is en blijft zoekende naar iets wat hij mist.

Geschapen met een doel

Het komende millennium, waarvan men verwacht dat het een geestelijke inslag zal hebben, speelt hierin zeker een rol. Ik geloof dan ook dat wij aan de vooravond van dit millennium  (de zevende dag na de schep­ping en de derde dag na de komst van Jezus Christus) ons eens duide­lijk en onomwonden moeten uit­spreken dat de mens voor een doel geschapen is en dat Jezus Christus ons naar dat doel de weg wijst. Laten wij, gelovigen die ons gekocht en betaald weten door Zijn bloed, eens op onze voeten gaan staan en gaan verkondigen dat Jezus Christus de daartoe door God de Vader zelf aangewezen weg is. Hij is de weg tot herstel van alle dingen, Geestelijk en natuurlijk. Ja, zelfs tot herstel van de ganse schepping die door toedoen van duivelse machten en krachten tot een zuchtende schepping is verworden.

Laten we dus beginnen met vast te stellen dat de mens door de Schepper met een doel, met een Goddelijk doel, geschapen is. Dat doel was en is, God vertegenwoordi­gen in Zijn schepping.

Laat dat gegeven nu eens goed tot ons door­dringen en vervolgens, daarop aan­sluitend, dat God de Schepper, met die mens in gemeenschap wil wan­delen. God is Geest en Jezus zei daarvan, in Johannes 4 vers 24 (Joh. 04:24), dat een ieder die Hem wil aanbidden  (met Hem wil omgaan) dat moet doen in geest en waarheid. In de Geest en de Waarheid waarin Hij de mens schiep. “Kom. laat ons men­sen maken” en Hij schiep zich de mens Adam om daarmee samen te werken in Zijn Geest. Daartoe schonk God Adam Zijn Geest.

Kroon der schepping

Die inwonende Geest maakte hem tot kroon der schepping en uit haar zou het verdere nageslacht geboren worden.  (Let op: ook bij Jezus, als tweede Adam, vindt een zelfde ont­wikkeling als nageslacht plaats). Gods doel met de mens stond en staat vast. Hij kreeg een vrije wil en kon zijn Maker gehoorzaam maar ook ongehoorzaam zijn.

De zondeval van de mens bestond en bestaat uit de keus dat de mens zijn eigen weg gaat. God zei tot Adam  (en later tot Eva): Alles mag, van elke boom mag je eten, overal mag je van genieten, maar… wat goed of kwaad is zal je al wandelende met Mij leren. Dat is een leer­proces en daarvoor heb je Mijn leiding nodig’.

Dat wachten en in samenspraak leven met hun Schepper, was kenne­lijk teveel gevraagd. De mens ging zijn eigen weg, werd ondergeschikt en luisterde naar de tegenpartij die al vanaf het begin levensgroot aan­wezig was.

Hemel en aarde waren één. De mens had een dusdanig Geestelijk vermogen dat hij ook in de onzien­lijke wereld kon functioneren. Hij bestond niet alleen uit een lichaam met een ziel, maar bezat ook Gods Geest en kon daardoor in gemeen­schap met Zijn Schepper leven. En toch koos de mens voor een eigen weg met het gevolg dat hij het intie­me Goddelijke leven kwijtraakte. God kan niet wonen in een lichaam dat tot zonde verworden is. De mens die geschapen was om lei­ding te geven ging er onderdoor, door naar een andere stem dan Gods stem te luisteren. De mens ging in de verdediging, gaf God en de duivel de schuld van de ontspo­ring. Adam zei: “De vrouw die Gij mij gegeven hebt” en Eva zei: “De slang heeft mij verleid”.

Menselijk drama

Het menselijk verblijf in een para­dijs én gemeenschap met God werd een drama. Zij raakten Gods Geest kwijt en werden zielige mensen. Zij verstopten zich, voelden zich naakt, onbeschermd en schuldig. Maar God liet ondanks alles, Zijn schepping niet in zijn naaktheid achter. Hij bekleedde ze, niet met vijgenbladeren, zoals vaak wordt afge­beeld, maar met dierenvellen. Is het niet zeer opmerkelijk dat dieren­offer, dat Godsoffer, voor de mens? Verder kondigde Hij een felle strijd aan tussen het ‘zaad van de vrouw’ en het ‘zaad van de slang’. Het zaad van de vrouw zou zich laten verlei­den en kinderen der duisternis voortbrengen.

Maar kreeg ook de belofte dat het zaad van de vrouw, Satan de kop zal vermorzelen.

Vanaf dat moment begon de degene­ratie van de mens, goed en kwaad groeiden naast elkaar op. Aan de ene kant sloeg Kaïn, Abel dood en aan de andere kant wandelde Henoch met God. Gods trouw bleef bestaan. De aartsvaders, Abraham, Isaak en Jakob, mochten Gods nabijheid nog in bijzondere mate ervaren. God sloot een verbond met Noach, met Abraham en het uitverkoren volk Israël en uiteindelijk een nieuw ver­bond voor de gehele mensheid in Christus Jezus.

Bij dit alles ligt het gewicht bij Gods daden. Aan de menselijke kant kre­gen we een degeneratie die tot op de dag van vandaag voortduurt. Ondanks de roeping van Israël om Gods heerlijkheid en almacht te openbaren, verviel dit volk, maar ook het volk dat als nageslacht uit Christus voortkwam en werd tot een volk van overleveringen en vormen­dienst.

Een nieuw begin

In de laatste vier eeuwen voor Christus was de Godsspraak en openbaring bij het volk tot een mini­mum gedaald. Toch heeft het volk Israël naar de belofte het zaad Gods doorgegeven en werd de Christus uit dat volk geboren. Die tweede Adam, door de Geest Gods bij Maria verwekt, gaf ons mensen de mogelijkheid tot een nieuw begin. Herstel van de band tussen God en de mens. Door de gestage achteruitgang was het volk Israël een volslagen natuurlijk volk geworden die verlossing en bevrij­ding verwachtte door middel van een koning die door kracht en geweld hun zou verlossen van hun vijanden. En zie daar komt ineens een onverwachte Messias die boven het natuurlijke leven staat en dat bevestigt met tekenen, wonderen, wijsheid en inzicht die alle verstand te boven gaat.

Let op: God houdt vast aan het doel waarvoor Hij de mens geschapen heeft. Zijn plannen falen niet. Men hoort menigmaal zeggen dat het ver­bond dat God sloot met Israël, die roeping, onberouwelijk is. Nu dat­zelfde geldt ook voor de mens die zich geborgen weet in Jezus Christus. De schepping die een oor­sprong, een bestaansrecht en een doel heeft, werd aan de mens toever­trouwd. De ongehoorzaamheid van Adam en Eva door niet met God te wandelen maar een eigen weg te gaan, werd afgebroken, maar bij de komst van Jezus Christus weer her­steld. Gods Geest vond in Hem een nieuwe beelddrager en uit Hem kwam een nieuw verbondsvolk voort.

Laten wij na tweeduizend jaar Christendom eens tot de erkenning komen, dat wij -christenen- halfweg zijn blijven steken, ja dat wij als christenen zijn meegaan degenere­ren tot een niveau dat overeenkomt met de situatie in Jeruzalem, omschreven in Handelingen 4 vers 24 (Hand. 04:24) e.v. De koningen der aarde en de geestelijke oversten waren daar tezamen vergaderd tegen de Here en zijn Gezalfde, “tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt”  (vs. 27).

Terug naar de bron

Ook nu zien wij hetzelfde gebeuren, de Naam van Jezus moet worden uit­geroeid en Zijn volgelingen moeten monddood worden gemaakt. Zie om u heen en wordt wakker en zie wat kerkelijke en andere geestelijke lei­ders voor onheil aanrichten. Wordt wakker en versterk die­genen die Geestelijk stervende zijn. Terug naar de bron: Jezus Christus. Als wij Hem uit de Bijbel weg­halen, kunnen wij het hele Nieuwe Testament -het Nieuwe Verbond- wel weggooien.

Daar zijn zeer velen, vooral op het kerkelijk terrein, al druk mee bezig. Zij vallen terug op het oudtestamen­tisch geloven, waar voor Geestelijk leven weinig plaats is. Helaas heb­ben veel gelovigen zich al bij die afgang neergelegd. Toch zal er een kentering komen want Jezus zal overwinnaar zijn. Aan Hem is, door God Zijn Vader, alle macht gegeven in hemel en op aarde en Hij is door diezelfde God aangesteld tot Here  (Leidsman)) en tot Christus  (Verlosser). Zie Handelingen 2 vers 36 (Hand. 02:36). Die Jezus werd ons, als een gave van God, geschonken tot heil van ons­zelf, maar ook voor die van de gehe­le wereld. Adam en Eva waren ongehoorzaam, maar Jezus, onze Heer, maakte door Zijn gehoorzaamheid de weg open tot ons heil.

De weg is open

Die weg ligt open voor een ieder die Jezus als Verlosser en Heer in gehoorzaamheid wil aanvaarden. Dat aannemen van Jezus houdt in dat een volgeling van Jezus Christus Zijn Geest aanvaardt. Want wie Hem aanhangt wordt één Geest met Hem. En die Hem aange­nomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen, ja zelfs zonen Gods te worden.

In bepaalde kringen staat men er niet zo op ‘Geestelijk’ te worden. Men wil daar zichzelf blijven. Dat Geestelijke ontmenselijkt de mens zegt men. Die mensen worden zwe­verig en staan niet met beide benen op de grond.

Op dat punt -een geestelijk christen zijn- zullen wij ons moeten gaan concentreren, omdat de mensheid daar juist naar zoekt. Christen zijn zonder Geestelijke gemeenschap met God, de Vader, en Zijn Zoon, Jezus Christus, is een volkomen uit het lood geslagen zaak. Nogmaals, en daar kunnen wij niet omheen, het is Gods bedoeling dat wij als mens tot het doel komen waartoe Hij ons geschapen heeft. In het Hogepriesterlijke gebed komt dat samen uit één Geest leven en werken uitermate duidelijk naar voren.

De volkomen harmonie tussen Schepper, Jezus Christus en Zijn Lichaam -de gemeenschap van Zijn volgelingen- komt daarin tot uiting omdat zij uit één Geest, uit Gods Geest zijn. Dat leven voor de mens is vanaf het begin Gods doel geweest.

Het evangelie van Johannes, het boek Handelingen en de brieven van de apostelen leren ons overduidelijk dat het uitzonderlijke van het Nieuwe Verbond met God de Schepper daarin gelegen is dat wij Zijn gave, Jezus Christus aannemen. Ten eerste tot verzoening van onze zonden, als Lam Gods. En ten twee­de als Leidsman totdat het zal zijn: Christus alles in allen.

Bekleed met Christus

Dat houdt in dat niet alleen Jezus Christus gehoorzaam aan Zijn Vader moest zijn, maar dat ook wij, als Zijn volgelingen, in alles Zijn weg moeten gaan en alle gerechtigheid vervullen. Dan zijn wij een nieuwe schepping; voelen ons niet meer v! zondig of naakt, maar hebben ons bekleed met Christus en hebben onze kleren gewassen in het bloed van het Lam.

Wij mogen met feestkleren de bruiloftszaal binnengaan om daar met lof ons grote God te danken. De liefde Gods, die in ons meer kan doen dan wij bidden of beseffen, kan Zijn werk gaan doen en ons maken tot een zoutend zout en tot een licht op de kandelaar. Het is niet Gods schuld dat het mis gaat in deze wereld. Van Zijn kant is alles in orde. Jezus riep uit: Het is volbracht! Ieder mens kan terugke­ren tot God, zijn Schepper en kan vrede, vergeving van zonden ontvan­gen. Want alzo liefhad God, heeft God, deze wereld dat Hij daartoe Zijn eniggeboren Zoon gaf. Indien de hedendaagse mens gaat vragen: ‘Wat moeten wij doen?’, is ook ons  (althans dat behoort het te zijn) antwoord: “Bekeert u uit dit verkeerde geslacht Handelingen 2 vers 40  (Hand. 02:40), en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot ver­geving van uw zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen”. Dan wordt het waarlijk Pinksteren, Christus in u, de hoop der heerlijk­heid. Eén Gemeenschap, samen door één Geest tot één Lichaam gedoopt.

Grote God, wij willen U aanbidden

Voor het heil dat U ons hebt bereid

Door de Geest die U ons hebt gegeven

Prijzen wij U tot in eeuwigheid.

 

U hebt Jezus alle macht gegeven

straks zal alles als herschapen zijn

Ook de Zoon zelf zal zich onderwerpen

God zal alles dan in allen zijn.

Leg uw eigen ik-leven  (‘ik zoek het zelf wel uit wat goed of kwaad is’) af in de dood en sta op tot een nieuw leven en Christus zal over u lichten!

 

Bevrijd uit het diensthuis door Cees Maliepaard

Voorbeeld­functie van de wet Deel 2

“Toen sprak God al deze woorden: Ik ben de Here, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. U zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben” Exodus 20 vers 1 tot en met 3  (Ex. 20:01-03).

Zoals we de vorige maal gezien heb­ben, is het wel zo dat God de wet in het herstelproces van de mens heeft ingezet, maar niet als datgene waar alles om draait. De wet is erbij geko­men – bij de belofte aan Abraham gegeven. En als de wet goed gehan­teerd wordt, leidt deze naar de ver­vuiler van de oorspronkelijke belofte: naar Abrahams zaad, naar Christus Jezus.

Het slavenhuis

Onder het Oude Verbond leidde de Here God een natuurlijk volk uit het natuurlijke diensthuis, uit het land Egypte. Het had daar vele jaren slavendienst verricht. Eenmaal bevrijd, duurde het nog 40 lange jaren eer men er klaar voor was het beloofde land in bezit te nemen. De natuurlijke Israëlieten moesten ste­nen bakken voor het bouwen van de vestingsteden van de vijand. Voor Israël was dat een nutteloze bezig­heid; alleen Egypte had er belang bij, want mede daardoor kon de farao z’n machtspositie continueren. Nu, in het Nieuwe Verbond, op basis van het volbrachte werk van Jezus Christus, leidt onze Heer een geeste­lijk volk uit het gééstelijke Egypte, uit geestelijke slavernij. De mens die Christus Jezus toebehoort, maar in slavernij aan de boze verkeert, bouwt  (zonder dat dat z’n bedoeling is) aan het rijk van Satan. Hij bouwt mee aan geestelijke vestingsteden in het duistere deel van de hemelse gewes­ten. Hij wordt daartoe geprest. Hij kan geen kant meer op, alleen de richting die de boze hem uitdrijft.

Het volk van God

Was het Israëlitische slavenvolk ook tijdens de slavernij in Egypte al het volk van God? Dat zou ik denken; de farao hield Gods volk immers gevan­gen! Daarom zegt de Here God: ‘Laat mijn volk gaan!’ Het was gewoon zijn volk. Aanvankelijk was het Gods volk in slavernij en daarom ging Hij het bevrijden. Maar al of niet gevangen in Egypte, Hij erkende hen als zijn mensen. Slaaf of vrije – God zag hen als men­sen die Hij zich had uitgekozen om samen zijn volk te wezen. En altijd was Hij bedacht op zijn plan met het natuurlijke volk Israël, op de Christus die uit hen voort zou komen… want daar draaide het om in het Oude Verbond. Ook heden ten dage hangt Gods trouw niet af van ons al of niet vrij zijn van Satans beïnvloedingen. Net zomin als het Israël werd aangere­kend dat het tegen z’n wil in Egyptische slavernij verkeerde, net zomin wordt het op ons conto bijge­schreven als we op bepaalde levens­terreinen door Satan zijn vastgezet. Een slaaf van de boze kan tegelijkertijd een geliefde van de Heer wezen, zeker weten! Iemand die in geestelij­ke ballingschap verkeert – uiteraard. Maar dat tast Gods liefde niet aan of de betrokkenheid van de Meester bij de mens. Echt niet!

Als vóór de Schelfzee…

Er kan verdriet in je leven zijn, écht verdriet waardoor Satan je klemzet als destijds de Israëlieten tegen de Schelfzee. Dan zul je niet altijd een stralend gezicht hebben. Rouw over dierbaren die hier beneden niet meer zijn, vereist een compleet ver­werkingsproces. Dat lukt niet van de ene dag op de andere en iets zal er trouwens altijd wel van blijven zit­ten, want als je een geliefde ontvallen is, is er eigenlijk wat van jezelf weggenomen. Zo ervaar je dat, als een leegte. Daar zul je ook nooit omheen kunnen, maar daar zul je altijd doorheen moeten. Samen met de Heer zal dat kunnen lukken, mits je toestaat dat Hij je troost in je verdriet en Satan er dus niet in slaagt een dierbare overlede­ne tussen de Here God en jou in te zetten.

Het is een onhaalbare zaak, reëel verdriet weg te stoppen of opzij te schuiven. Bij de Vader mag je het leren verwerken. Bij Hem kun je rustig uithuilen. Hij heeft alle tijd voor je, en die néémt Hij ook werke­lijk. Samen met Jezus mag je in de liefde Gods bezig zijn, zodat elk levensprobleem tot op de bodem opgelost zal worden. En daarin zal de één voor de ander tot een schou­der kunnen wezen. Maar verdriet dat je door levenden wordt aangedaan, kan soms nog die­per ingrijpen in je leven. Zeker als het mensen zijn waar je veel van houdt en die in de slavernij van Satan terecht zijn gekomen. Als zij jou in je innerlijk bezeren, kan dat ontzettend veel zielenpijn geven. Temeer als ze dat opzettelijk doen, veelal zonder zich bewust te zijn van de infiltraties van satanische mach­ten in hun leven. Zulke zaken komen doorgaans harder aan, omdat een overledene uitsluitend slacht­offer van de boze is, terwijl de leven­de geliefde  (naast slachtoffer) ook mede-bedrijver kan wezen. En daar heb je zomaar geen oplossing voor.

Geen andere goden

Iets anders wordt het als iemand er  (naast de Here God) nog een ande­re god op na zou houden. En dan bedoel ik niet dat iemand misschien een afgodsbeeldje in huis heeft… als curiositeit bijvoorbeeld of uit cultu­rele overwegingen. Voor alle duide­lijkheid wil ik daar wel bij aanteke­nen, dat ik zo’n ding helemaal niet in huis wil hebben, zo’n gruwel in Gods ogen. Ik snap natuurlijk ook wel dat niemand van ons er in aan­bidding voor op de knieën zal vallen, maar toch! Ik zal het instrumentari­um van Satan  (in wat voor vorm dan ook) op geen enkele manier als ver­zamelobject willen hebben. Tussen twee haakjes: zou u er ooit over denken een hakenkruis bij u in de kamer aan de muur te hangen als souvenir of zo? Dat zou u vast niet doen, want dat roept associaties op aan Adolf Hitlers nazidom. Daar wil­len we als goede Nederlanders niets mee te maken hebben, en terecht! Een crucifix zie ik ook niet zo gauw bij een van ons aan de muur han­gen. En kruis met een zogenaamde Jezusfiguur eraan roept sowieso ver­velende vrome bijwerkingen op. Waarom zou iemand dan wel een afgodsbeeld in huis halen? Dat legt immers een link naar occulte gruwe­len in de geestelijke, zowel als in de natuurlijke wereld. Adolf Hitlers swastika verfoeien we en religieuze attributen roepen al gauw weerstan­den op. Zouden we dan voor Oosters-occulte uitbeeldingen ande­re maatstaven aan moeten leggen?

Voor Gods aangezicht

Maar het gaat me eigenlijk niet zozeer om voorwerpen uit allerlei

religieuze culturen. Die vallen immers eerder onder het twééde vak de tien woorden  (of zoals ze meestal genoemd worden: de tien geboden). Geen andere god naast de Here God hebben, betekent veel meer niets in je leven hebben, dat naast God je hart vervult. Je hart mag natuurlijk best betrok­ken wezen bij mensen die je nu een­maal na aan het hart liggen, zoals familie of speciale vrienden, en bij zaken die een belangrijke rol in je leven spelen, maar altijd zal de lief­de tot de Vader en tot Jezus daar bovenuit gaan.

Is er iets in de materiële of in de geestelijke wereld dat een grotere plaats in je hart inneemt dan de Here God. of is het een mens die je boven Hem stelt. Dan is dat of die daarmee je idool, je afgod geworden. Dan heb je een god naast de Allerhoogste gekregen, en volgens Exodus 20 staat zo’n afgod altijd vóór Gods aangezicht. Dat wil zeggen dat zo’n idool tussen God en de mens in gaat staan, met alle gevolgen van dien. Je geestelijke blik wordt troebel en je onderschei­dingsvermogen in de hemel daar­door beperkt. Want de Satan doet door middel van het idool een aan­slag op je relatie met de Heer. God kan nog wel het één en ander aan je kwijt, maar het wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een afgod, een Baal. En Baal betekent Heer. Alleen is het wel duidelijk een andere Heer!

Weg met de afgoden!

Afgodsbeelden geven niet veel pro­blemen als je er niet vanaf wilt. Hak ze in stukken en deponeer ze in de vuilnisbak; ze worden vanzelf afge­voerd! Maar met ménsen is dat niet aan te bevelen, naar duidelijk wezen mag. En ook voor heel wat materiële dingen zal een andere oplossing gevonden moeten worden. Wat te doen als je huis je afgod is of je werk, je kinderen, de familie, je vriendenkring of de plaatselijke gemeente? Moet je jezelf dwingen wat minder gemotiveerd naar je werk te gaan? Maar de Schrift zegt, dat wat je ook doet, je het ‘als voor de Heer’ dient te doen. Dat is dus met alle motivatie! Moet je je huis in de fik steken als dat je afgod is? Maar je zult toch ergens moeten wonen… en dat wordt dan je nieuwe afgod. Moet je de gemeente in de steek laten? Maar daar heeft de Heer je een taak gege­ven en bovendien geborgenheid. Moet je breken met de mensen waarvoor de Heer liefde in je hart gelegd heeft en die ook van jou hou­den? Moet je je kinderen gaan verwaarlozen en je familie links laten liggen? Ik denk dat het allemaal retorische vragen zijn. De vraag stellen, is haar beantwoorden: natuurlijk moet het zo niet! Maar hoe dan wel? Moet je gaan proberen de afgoden in je

leven wat minder afgoden laten zijn? Dat lukt net zomin als het een ver­slaafde lukt minder te gaan gebrui­ken. Ook al slaag je er aanvankelijk in, binnen de kortste tijd verval je weer in je oude leefpatroon.

Wandel in het licht

Naast een rigoureuze breek in je denken met wat tot nog toe wellicht een afgod in je leven was, is het meestal nodig de stille omgang met de Heer op te voeren. Ik bedoel niet dat we langer moeten gaan bidden of vaker, maar ik wil hiermee zeggen dat de relatie met de Heer zich nog wel wat mag verdiepen. Daardoor zal onze liefde tot God en tot Jezus zeker toenemen en zal de breuk met het afgodische volledig worden. We zullen geen andere goden naast God hebben, omdat we ze nooit naast God kunnen hebben, ze zullen altijd voor zijn aangezicht staan. En aangezien Gods aange­zicht constant op de mens gericht is, zal een idool of afgod altijd tussen de Here God en ons instaan. Voor God is dat geen belemmering: Hij kijkt er dwars doorheen. Maar als wij onze geestelijke blik op Hem proberen te richten, zullen we aller­eerst tegen onze Baäls oplopen. Daarom is het belangrijk de afgoden uit je leven weg te doen. Zullen we elkaar daarin ondersteunen? God trekt met ons mee, zoals Hij dat tij­dens de exodus in de vuurkolom deed. Altijd goed zichtbaar! Nu is Hij in de wolk  (in de gemeente), die in het duister van de wereld tot een lichtbaak wezen mag. Je mag van binnenuit een licht zijn in de gemeente en bij de mensen die door God op je weg gebracht worden: met Jezus wandel je in het licht en in de Christus ingevoegd is dat blijvend de realiteit.

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. Zei zeiden dat tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft” Johannes 6 vers 27 tot en met 29  (Joh. 06:27-29).

Een nieuwe theologie?

Door de maandkrant Uitdaging, een uitgave van de stichting Agapè. kan men behoorlijk op de hoogte blijven van alles wat er in de evangelische wereld gebeurt, ook al gaat men soms wat selectief te werk. Op de eerste pagina staat altijd de column onder de titel ‘Roeper’. We lezen het vaak met instemming al vinden we het jammer dat de schrijver  (één van de redacteuren?) anoniem blijft. Hieronder volgt het stukje dat we aantroffen in het laatste nummer en waarbij verder commentaar overbo­dig is.

“Alwéér voor niets de Bijbel meege­nomen. Gebeurt steeds vaker. Ooit geneerde ik mij ’n beetje als ik hem eens niet bij me had. Nu voel ik mij er soms wat ouderwets mee. Op menig evangelisch evenement hoor ik wel in de verte óver, maar niet uit Gods Woord praten. Bij zo’n reli- match krijgt de Bijbel dan hooguit een plaats op de reservebank. Feelings, weet je wel. Jesus is cool, man. Wow. Enzovoort. Dat treintje van de vier geestelijke wetten, met de heilsfeiten als loco­motief en gevoel als laatste wagon, lijkt nu omgedraaid. Ervaringen staan hoog genoteerd. In alles wat in dit tijdperk spiritueel heet. De bijbelschool in Heverlee heeft een cursus ingevoerd om eerste­jaarsstudenten de Bijbelkennis bij te brengen die men vroeger in gemeenten opdeed. Maar zij kennen veel liedjes. En ze spelen gitaar. Weten dus meer van het akkoord dan van het Woord.

‘Opwekkingsbundeltheologie’, zei de directeur. Nieuwe tijd?”

Scheiding der geesten

Paulus geeft in zijn tweede brief aan zijn ‘medewerker in opleiding’, Timotheüs, een duidelijke beschrij­ving van de mensen die in de ‘laat­ste dagen’ zullen leven. Hij schrijft  (vrij vertaald): ‘Wees je ervan bewust met welke negatieve eigenschappen de mensen, onder inspiratie van de vorst der duisternis, behept zullen zijn’. En dan schrijft hij dat de men­sen zelfzuchtig zullen zijn, geldgie­rig, pochers, vermetel, kwaadspre­kers, aan hun ouders ongehoor­zaam, ondankbaar, onheilig, liefde­loos, trouweloos, lasteraars, onma­tig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opge­blazen, met meer liefde voor genot dan voor God. Zij hebben met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend 2 Timoteüs 3 vers 1 tot en met 5

 (2 Tim. 03:01-05). Ieder rechtgeaard christen, die in deze tijd leeft, zal zich vrijwel dage­lijks realiseren hoe waar deze woorden van de apostel zijn. Ik moest er weer eens aan denken toen ik een interview las in De Telegraaf met dr. A. Honig, hoofd van de afde­ling stemmingsstoornissen bij het Academisch ziekenhuis Maastricht. Dit interview vond plaats naar aan­leiding van een familiedrama, het zoveelste in een lange rij, waarbij een vader eerst zijn twee kinderen vermoordde en daarna de hand aan zichzelf sloeg.

Afbrokkelend geloof

Dr. Honig merkt op: “Dergelijke dra­ma’s zijn ook een signaal van sociale afkalving in de gemeenschap, onder meer door het almaar verder afbrokkelende geloof. Er is een zichtbaar toenemend gebrek aan zingeving van het leven. Sommigen vragen zich af: wat doe ik hier nog?! Zij nemen dan weliswaar een fataal besluit, soms geïnspireerd door de gruwelijkheden op televisie of misdaad-computerspelletjes”. Mensen in onze westerse samenleving, zo vervolgt, dr. Honig, worden temidden van velen steeds eenzamer. Dat proces verergert de laatste jaren in ernstige mate. “Mensen communiceren steeds minder met elkaar. Niet voor niets voorziet het wereldwijde computernetwerk Internet in een geweldige behoefte

aan onderling contact. Want als je je buren al kent – en velen hebben geen idee wie er naast hen woont – dan weet je tegenwoordig meestal niet welke hun problemen zijn”. De motieven van ouders die hun kinderen en/of zichzelf doden blij­ken buitengewoon divers: huwelijks­problemen, een ernstig minderwaar­digheidscomplex, financiële moei­lijkheden, weinig geloof in eigen ouderschap, of verwikkeld zijn in een rechtszaak. Dr. Honig merkt op: “Dikwijls gaat het om mensen die niet onder behandeling zijn, maar ineens worden overvallen door een psychose, plotseling hevig in de war raken en de opdracht krijgen – van een god of van wie dan ook – iets te doen, iets te ondernemen, bijvoor­beeld tegen het eigen gezin”. Waarachtige christenen hoeven zich niet af te vragen wie de ‘opdrachtge­ver’ is welke mensen aanzet om zo iets gruwelijks te doen als moord. Ook worden we door dergelijke berichten nog eens weer bepaald hoe belangrijk onze opdracht is om een levend getuige van Christus te zijn, juist in de gewone alledaagse dingen, ten aanzien van onze buren, mensen op ons werk, enz. Hoe gaan wij met hen om? Bemerken ze dat het nieuwe leven wat in ons is, wer­kelijk een dagelijkse realiteit is?

Vrucht van de Geest

Natuurlijk is niet iedereen even slecht, en zijn er ook buiten de gemeente van Christus mensen die graag op positieve wijze in het leven willen staan. Daaraan moesten we denken toen we, op dezelfde bladzij­de waarop het interview met de psy­chiater dr. Honig werd gepubliceerd, lazen over een drieweekse campagne die in Deventer wordt georganiseerd door de Welzijnsgroep Raster. Het gaat daarbij om een van de meest simpele dingen die men bedenken kan, namelijk het stimuleren om elkaar te groeten. Ogenschijnlijk een ludieke actie, maar het wordt wel gesteund door het bedrijfsleven en de gemeente.

Eén van de initiatiefnemers, Lucas Lambers, zegt: “Ik kom zelf oor­spronkelijk van het platteland en daar is het normaal dat je iedereen groet. De man op de trekker steekt automatisch zijn hand op, net zoals motorrijders dat onderweg onder­ling doen. Het wij-gevoel, wij delen iets. In Deventer mogen we nog lang niet mopperen maar ook hier wordt het grimmiger in bijvoorbeeld het uitgaansleven. Ook hier zijn por­tiekwoningen waar de buren een voordeur delen maar elkaar niet ken­nen, niet groeten en zelfs negeren. Ikzelf zwaai weleens de deur van de volle bakkerswinkel open en zeg dan hardop ‘goedemorgen allemaal’. Mensen kijken dan wel vreemd op, maar je krijgt gegarandeerd respon­se”.

Karin Denekamp, mede-initiatief­neemster van deze actie, groette ooit twee jaar lang een buurman aller­hartelijkst: “Hij zei nooit wat terug. Keek me niet eens aan. Maar ik bleef stug volhouden. Hij trouwens ook”. Even joviaal wuiven, een klein gebaar: “Onze Koningin geeft het goede voorbeeld al jaren!” Als christenen hebben we ook in deze gewone dingen een geweldige taak. Ook Paulus was zich daar ter­dege van bewust. De onderscheiding van geesten functioneerde bij hem volop. Hij wist van de diepe kloof die er bestond tussen het rijk der duisternis en het Koninkrijk van Jezus Christus. Maar Paulus sprak niet alleen over bevrijding en gene­zing, maar wist ook hoe belangrijk het was juist in het gewone alledaag­se leven openbaar te worden als wer­kelijke christen. Vandaar ook zijn ‘gewone’ adviezen, bijvoorbeeld: “Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend…” Filippenzen 4 vers 5  (Filip. 04:05). De gemeente van deze  (eind)tijd is daarom niet alleen geroepen de gaven van de Geest te openbaren, maar ook de vrucht! En de kenmer­ken van deze vrucht zijn, zoals Paulus deze vermeldt in Galaten 5 vers 22  (Gal. 05:22): “liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid en zelfbeheersing”.

 

Het oorkussen van de duivel

Het bekende spreekwoord ‘Ledigheid is des duivels oorkussen’ werd in Elseviers magazine als slot­regel geciteerd in een artikel over geestelijke en lichamelijke gezond­heid. Het blad schrijft: ‘Het eerste wat mensen die overspannen zijn te horen krijgen, is: blijf een tijdje thuis. Dat is ook meteen het slecht­ste advies dat er te geven is. Werken is gezond, het geeft een mens waar­dering, sociale contacten en zelf ver­trouwen.

Bijna alle mensen die aan telewer­ken doen -die vanuit hun eigen huis via telefoon, fax en e-mail met het kantoor communiceren-, melden dat dit tegenvalt. Het is weliswaar heer­lijk om tussen het werk door af en toe een was te kunnen draaien of de kinderen van school te halen, maar na een tijdje beginnen de meeste mensen toch het geleuter bij het kof­fieapparaat, de schouderklopjes en zelfs dat oeverloze vergaderen te missen. Prof. dr. Frank van Dijk, hoogleraar bedrijfsgezondheidszorg van de Universiteit van Amsterdam, volgt gedurende drie jaar tiendui­zend werknemers om een beeld te krijgen van de werkomstandigheden die tot oververmoeidheid en verzuim leiden. Nu al staat voor hem vast dat thuis blijven het aller slechtste is wat mensen met oververmoeidheid en overspannenheid kunnen doen. In het blad Mediator zei hij dat ’thuis­blijven het probleem verergert: de drempel om weer terug naar de werkvloer te keren, wordt almaar hoger’.

Mijd de hangmat

De oplossing voor mensen die het even niet meer zien zitten, is ’thera­peutisch werken’. Een aangepast werkritme onder het motto; ‘Kom eens langs en kijk naar wat je kunt doen’. Alles is beter dan thuis in een hangmat liggen. Ledigheid is des duivels oorkussen’. Ook bij het ouder worden is het actief blijven van het allergrootste belang. De 68-jarige Frans Cleton, voormalig hoogleraar oncologie in Leiden en oud-directeur van het Nederlands Kanker Instituut, deed na zijn pensionering een jaar lang heel weinig. Dat beviel niet. ‘Ik had het gevoel dat ik intellectueel achter­uit ging. Slomer werd’. Daarna zocht hij weer werk op. Ter bewa­king van zijn geestelijke gezondheid. ‘Ik ben bang om niets te doen’. Ook voor christenen is het uiteraard van het allergrootste belang om zowel lichamelijk als geestelijk gezond te blijven, ook bij het ouder worden. Meer beweging  (sport) en gezonde voeding  (minder vet en sui­ker) zijn essentiële voorwaarden daartoe. Daarbij is gezonde geestelij­ke voeding natuurlijk primair van levensbelang. Het evangelie van het Koninkrijk, zoals Jezus en de aposte­len dat brachten, behoort de centrale basis van ons  (geloofs)denken en handelen te zijn. Oververmoeidheid, stress, overspannenheid, komt bij christenen evenveel voor dan bij niet-christenen. Sommigen creëren zelfs voor zichzelf een sabbatsjaar… Maar wie stabiliteit in zijn geloofsle­ven heeft ontwikkeld, zal op normale wijze af en toe rust nodig hebben, maar zich niet laten uitschakelen door de vijand. Hij blijft op actieve wijze betrokken bij het ‘getuige van Christus’ zijn en ten volle func­tioneren in dienst van Gods Koninkrijk.

 

Zomeractie 1999

Dit nummer verschijnt in hartje zomer. Mogelijk gaat u nog op vakantie en dan wensen wij u een fijne tijd van ontspanning toe. Maar misschien bent u al weer thuis en bent u weer vol nieuw elan aan het werk. Hoe het ook zij, de zomer is nog niet voorbij en daarom gaat ook onze financiële zomeractie nog even door.

Als u nog geen bijdrage hebt overgemaakt verzoeken wij u vriendelijk dit alsnog te doen. U kunt gebruik maken van de banknummers zoals deze in de colofon van bladzijde 2 staan vermeld. Uiteraard geheel op vrijwillige basis, want ons blad leest men door abonnee te zijn of ontvangt men gratis via een geschenk- of adoptieabonnement.

Zoals we echter vorige keer al schreven is de opbrengst van de abonne­mentsgelden onvoldoende om alle kosten te dekken. Bovendien heeft ons blad geen inkomsten uit advertenties. Dit heeft ook een voordeel want nu zijn immers de bladzijden die anders ‘verloren’ gaan door de advertenties ook gevuld met geloofsopbouwende artikelen.

Vele van onze lezers en lezeressen zijn dankbaar voor de rijke en geschakeerde inhoud die ieder nummer weer biedt. Zij hebben met ons het verlangen dat zoveel mogelijk anderen ook in aanraking komen met het evangelie van het Koninkrijk zoals deze in Levend Geloof op duidelijke wijze en vanuit verschillende invalshoeken wordt belicht.

Van ieder nummer worden daarom ook vele nummers gratis toegezon­den aan hen die proefnummers aanvragen en andere belangstellenden. Een reden temeer dus om een extra bijdrage over te maken voor ons werk waarvoor we u al bij voorbaat hartelijk willen bedanken!

 

Oog voor overdracht door Ada Karst

Wie heeft daar ‘oog’ voor? Oog voor overdracht? Zodat ook de volgende generatie de Bijbel naar behoren kan lezen?

Om aan goede overdracht toe te komen zal de Gemeente eerst zélf ‘het een’ én ‘het ander’ moeten onderscheiden.

‘Het één’

Volgens het eeuwig voornemen van de Vader, heeft God in Christus de overdracht naar de Geest ingezet. Daarom moeten de Schriften ver­klaard worden. Dat deed Jezus ook! Tot de scharen sprak hij slechts in gelijkenissen. Maar “afzonderlijk aan Zijn discipelen verklaarde Hij alles” Markus 4 vers 33 en 34  (Mark. 04:33-34). Zo is Zijn onderwijzing uitgegaan. Hij -de Dag- heeft Zijn sprake doen uitgaan naar hen die de dag toebe­horen. Een eindeloze, eeuwige stroom, afkomstig van Jezus Christus, de levendmakende Geest. Als de ‘Boom des Levens’ predikt hij kennis aan hen die de dag toebeho­ren. Zó hoort Hij het van de Vader, en zó draagt Hij het over aan Zijn gemeente. Tot verzadiging toe! wat de eeuwige Vader zich in Christus Jezus heeft voorgenomen, ligt als een eeuw in ons hart. In Prediker 3 vers 11 (Pred. 03:11) lijkt het alsof Salomo dat even tussen neus en lip­pen door meedeelt als hij zegt: “Ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd”.

Wat voor Salomo nog de toekomen­de eeuw was, is voor de Gemeente van Christus werkelijkheid gewor­den: opgenomen zijnde in ‘de Eeuw’, in Christus, kan de Gemeente de Bijbel lézen!

Laten we eens lézen wat er staat in Job 42 vers 16 en 17 (Job 42:16-17):”… Daarna leef­de Job nog 140 jaar; hij zag zijn kinderen en kindskinderen, vier geslachten. En Job stierf oud en van het leven verzadigd”. Job had óók de eeuw in zijn hart. De ontwikkelin­gen die zich afspelen binnen vier geslachten zijn hem gegeven. Hij zag het. Hij had er oog voor. Er staat in Job 42 vers 16 (Job 42:16):”… daar­na”. Er is dus heel wat aan vooraf gegaan. Er is een ‘niet willen prijsge­ven’ aan vooraf gegaan. Job zelf zegt daarover: “Totdat ik de geest geef, zal ik mijn onschuld niet prijsgeven” Job 27 vers 5  (Job 27:05).

Wat een heerlijke vervulling van deze uitspraak in ‘de eeuw van Christus’ die in ons hart ligt. Want het is Jezus Christus die de Géést heeft gegeven! Daardoor is de satan als een bliksem uit de hemel van onze geloofsontwikkeling gevallen! Jezus, de Heer van de Gemeente zag het!  (Luc. 10:18). En het is Zijn gemeente die het óók ziet! Daardoor spreekt ze in geloof uit: ‘Ik zal mijn ontwikkeling niet prijsgeven!’ Dat vraagt volharding. “… Gij hebt van de volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde dat de Heer deed volgen…” Het einde werd voor Job: het uur van zijn overdracht, En we hébben “gezien dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontfer­ming” Jakobus 5 vers 11  (Jak. 05:11). Dat is ‘het één’.

En dan nu ‘het ander’

“Toen de satan zag dat hij op de aarde gevallen was…’ Openbaring 12 vers 13  (Openb. 12:13). Ja, wat toen!? Toen begon hij aan zijn overdracht. Als de boom der kennis van goed en kwaad predikt hij kennis aan hen die oog en oor daarvoor hebben, dat is een ‘bezoe­king’. Oók tot in het derde en vierde geslacht. De stroom van bijbelletters zónder Geest bewerkt een besnijde­nis door ménsenhanden. “Er zijn immers gesnedenen die zo uit de moederschoot geboren zijn, en er zijn gesnedenen die door mensen gesneden zijn, en er zijn gesnede­nen die zichzelf gesneden hebben, terwille van het Koninkrijk der hemelen” Matteüs 19 vers 12  (Matt. 19:12). De Gemeente heeft wéét van ‘het een’ én ‘het ander’. Ze beschikt ero­ver doordat Jézus erover beschikt. Hij heeft aan de Gemeente de ’twee vleugels van de grote Arend’ gege­ven. En Hij laat de gemeente beschikken over het gegons van de twee vleugels van die andere arend. Dat ‘beschikken’ betekent dat de Gemeente ‘het een’ en ‘het ander’ ziet! Daardoor kan ze de Bijbel lezen, al wandelend in het Paradijs Gods. We wandelen niet ‘onschul­dig’ rond in de zin van ‘onwetend’. “Opdat alle bomen des velds zullen weten, dat Ik de Here, de hoge boom vernederd en de nederige ver­hoogd heb, de sappige boom heb doen uitspruiten” Ezechiël 17 vers 24  (Ez. 17:24). Dat is nou juist de les uit het ‘Hof van Eden’-verhaal. De beide bomen van overdracht staan daar niet als een onschuldig, argeloos begin van een scheppingsverhaal. Er is heel wat aan vooraf gegaan. En als er iets gebeurd is, praat je anders en léés je anders. En omdat de satan, de dood, de letter, uit de geloofsontwikkeling is verdwénen, kan de gemeente rustig lezen. Ze hoeft immers haar gelijk niet te halen. Het lezen van de Schriften is door Jezus in verdubbelde heerlijkheid gebracht! Wat een goed einde! Ten behoeve van de overdracht naar de Geest, volgens het eeuwig voornemen!  

 

Wat is het belang van de gemeente? Door Cees Maliepaard

 

Ja, waar heeft de gemeente werkelijk belang bij? Bij het zo comfortabel mogelijk bij elkaar komen op de zondag, of is dat maar een onderge­schikt gegeven? Er mag best van alles en nog wat zijn geregeld om de samenkomsten zo prettig mogelijk te laten verlopen – daar behoeven we helemaal niet moeilijk over te doen. Maar het zou een slechte zaak zijn als dat het doel was waar we met z’n allen naar streven.

Het grote belang

Het is van groot belang dat elke gemeente als gemeente zichtbaar wordt, als uitdrukking van het lichaam van Christus. Een plaatselij­ke gemeente  (of een streekgemeente) kan natuurlijk nooit het lichaam van Christus in z’n totaliteit zijn, want dan zouden alle andere gemeenten daarmee uit de boot val­len. De gedachte dat iedereen toch eigenlijk wel bij de gemeente moet behoren waarvan men zélf deel uit­maakt, is puur sektarisch. Maar als het goed is zal elke gemeente een zo getrouw mogelijke weergave van het lichaam van Christus zijn. Overal dient dezelfde geestelijke structuur aanwezig te zijn: Christus als het hoofd in de absolute leiders­positie en een ieder die Hem volgt en zich in het gemeentelichaam heeft ingevoegd, als de met het hoofd verbonden lichaamsleden. Zo geef je samen vorm aan de zicht­bare gemeente, daar heb je de Heer voor nodig en daar kan je ook elkaar niet bij missen. Het principe van de universele gemeente, die wereldwijd is en in alle tijden van het Nieuwe Verbond gevonden wordt, dient ook in elke met het natuurlijke oog te onderscheiden gemeente aanwezig  ( te zijn. Wie geen persoonlijke band met onze Meester heeft, kan  (zolang die ontbreekt) onmogelijk tot Jezus’ lichaam behoren. Want elke cel van dat lichaam heeft een regelrechte verbinding met Jezus, precies zoals elke cel van het menselijke lichaam een rechtstreekse verbinding met het daarbij behorende hoofd zal heb­ben. Elke gemeente in de zichtbare wereld dient dezelfde voorganger te hebben: de door de eeuwige God daartoe aangestelde eerste Zoon, Jezus Christus.

Net zo belangrijk!

De cellen van ons natuurlijke lichaam hebben allemaal wel een eigen verbintenis met het centrale zenuwstelsel in het eigen hoofd, maar dat wil uiteraard niet zeggen dat de cellen onderling maar als los zand aan elkaar hangen. Er is daar­entegen een hechte band met de omringende cellen. Dat blijkt bij­voorbeeld bij verwondingen en kwetsuren; de ene cel zal de andere dan stimuleren in een heilzaam genezingsproces, een groot aantal menselijke cellen vormen zonder onderling verband echt geen geza­menlijk functionerende eenheid. Net zo min zullen zelfstandig opere­rende discipelen van Jezus automatisch een gemeente vormen. Daar zullen ze bewust voor moeten kiezen! En als iedereen zich daarbij realiseert dat het nodig is als een hechte eenheid met elkaar bezig te zijn, ligt de mogelijkheid om als een afbeelding van het wereldwijde lichaam van onze Heer zichtbaar te worden, levensgroot open.

Met onderling respect

In een naar hemels model gevormde gemeente zal er geen onderlinge wedijver of concurrentiezucht zijn. Ieder zal er de haar of hem van Godswege toebedachte plaats in kunnen nemen. Maar dat zal alleen dan met instemming van de Heer wezen, als dat gebeurt in een gezindheid van liefde en aanvaarding. Zo gauw iemand de neiging heeft in een bediening op z’n stre­pen te gaan staan, kan onze Heer zich er niet meer in vinden. Want niet de betrokken mens zélf zal z’n bezig zijn in Gods wijngaard dienen te onderstrepen, maar de Heer zal dat  (waar nodig) stellig bevestigen. Veelal komt dat tot uiting door ande­ren in de gemeente heen. Vanzelfsprekend heeft een ieder van ons respect voor Christus Jezus, het hoofd van de gemeente. Ook Hij heeft dat voor de mens waar Hij mee verbonden is, en de leden onderling zullen elkaar precies zo met het nodige respect behandelen. Dat geldt in dezelfde mate wanneer sommige van hen het onderling oneens zijn, want iemand respecte­ren is van een totaal andere orde­ning dan het met een ander over allerlei zaken hartroerend eens zijn.

Een hechte eenheid

“Dat zij allen één zijn gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één…” bad Jezus volgens Johannes 17 vers 22 en 23 (Joh. 17:22-23). Dat sloeg op zijn discipelen en op een ieder die door hun woord in Hem zouden gaan geloven. Dezelfde eenheid die er tussen de Vader en zijn eerste Zoon is, zal ook onder ons onderling gestalte mogen krijgen. Als er onder Gods kinderen geestelijke verwanten zijn die ons niet zo bijster liggen, en we geven daaraan toe… hebben we een pro­bleem. Want dan functioneert het lichaam in elk geval in óns denken niet zoals het Gods bedoeling is. Liefde zonder aanvaarding is een onmogelijk begrip. Als de ene cel de andere afstoot, zal dat tot ontwrich­ting van het lichaam leiden. Want de verstoten cel is immers óók regel­recht met ons gemeenschappelijk Hoofd verbonden. En Jezus heeft geen voorkeur voor de één en ach­terstelling voor de ander in petto. Het lichaam van de Heer vormen we altijd samen. Zodra een gedeelte ervan afgesneden wordt, is er sprake van een geestelijke amputatie.

leder gelijkwaardig!

Elke cel mag aanspraak maken op geborgenheid en zal ook door God een functionele bediening aangewe­zen krijgen. Dat geldt voor de oud­sten van een gemeente, maar net zo goed voor hen die nog maar pas meedraaien. Wanneer we ons dat realiseren, voorkomt het zelfver­heffing en het door anderen op een voetstuk zetten van hen die een stukje door de Heer gedelegeerde leiding mogen geven. De gemeente is immers het huisgezin Gods en dus allerminst een semimilitair trai­ningskamp. Wanneer iemand op een bepaald gebied goede leiding geeft, is dat een geestelijk of wel een natuurlijk stukje Goddelijke genade dat vrijmoedig gepraktiseerd mag worden.

Sterren en strepen op denkbeeldige uniformen kunnen gevoeglijk naar het rijk der fabelen verwezen wor­den. Met zulk soort luchtfietserij behoeven we ons gelukkig niet bezig te houden. Maar we zouden ons ver­bazen over de verkapte afgoderij die op een dergelijke wijze hier en daar de kop opsteekt! Laten we ons maar houden aan Jezus’ woorden in Matteüs 23 vers 10 en 11 (Matt. 23:10-11), waar staat: “Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw leidsman, de Christus. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn”. Zullen we het erop aansturen, dat er vele ‘grootsten’ onder ons zullen zijn?

 

Het functioneren van de bedieningen door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente Deel 11

Nadat in de voorgaande nummers de vijf bedieningen uit Efeze 4  (apostel, herder, profeet, leraar en evangelist) successievelijk besproken zijn, volgen nu in een tweetal slotartikelen nog enkele algemene opmerkingen.

Door de Heer ingesteld

We leven in een tijd waarin de mens zich nog maar moeilijk aan gezag kan onderwerpen. Wat in de wereld heerst wil ook altijd de gemeente binnendringen. Mensen die de Heer zelf wil geven ten dienste van de gemeente, en ook geestelijk gezag van Hem ontvangen, dienen door de gemeente herkend en erkend te wor­den. Zo niet, dan kunnen de bedie­ningen niet functioneren en tot zegen zijn.

Een redenering zou kunnen zijn dat de bedieningen misschien in de begintijd wel nodig zijn geweest, maar nu we de Bijbel hebben en de mens zoveel mondiger is geworden, zou het niet meer zo nodig zijn.  (Dit volgens commentaren). Zou het trouwens wel van de Heer zijn? Is het niet een latere Paulinische ontwikkeling, zoals wel door de moderne theologie beweerd wordt?

In Handelingen 13 vers 1 tot en met 3 (Hand. 13:01-03), waar geschreven wordt hoe Paulus tot de bediening van apostel geroe­pen werd, lezen we in vers 1: “Nu waren er te Antiochië in de gemeen­te aldaar profeten en leraars”, die dan vervolgens bij name genoemd worden.

Er waren dus al profeten en leraren vóór Paulus tot apostel geroepen werd.

De bedieningen zijn dus niet door Paulus ingesteld, maar door de Heer zelf, waarbij de heilige Geest duidelijk leiding gaf  (vs. 2). Van de gemeente te Jeruzalem lezen we van ‘profeten’, genaamd Judas en Silas Handelingen 15 vers 22 tot en met 23  (Hand. 15:22-32). Ongetwijfeld zullen daar de andere bedieningen ook gefunctioneerd hebben. Als Paulus de brieven schrijft aan de Korinthiërs en de Efeziërs en daarin schrijft over de bedieningen, dan schrijft hij niet iets nieuws wat die gemeenten moesten in gaan voeren, maar over iets wat vanaf het begin zo geweest is omdat het een instel­ling van de Heer zelf is en overeen­komstig Zijn wil is. De Heer geeft, nu Hij gezeten is aan de rechterhand Gods, de bedienin­gen als een gave in de gemeenten. ‘v Hij gaat alles tot volheid brengen, maar werkt met en door mensen die Hij geeft en door genade bekwaam maakt. Het zijn Zijn helpers, Zijn ‘medearbeiders’. Paulus zegt in 1 Korinthe 3 vers 9 (1 Kor. 03:09): “Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij”.

Meerdere bedieningen

Het is ook mogelijk dat één persoon van de Heer meerdere bedieningen ontvangt. Een bijbels voorbeeld is Timotheüs. Hij had de bediening van evangelist ontvangen, waaraan Paulus hem in zijn schrijven herinnert. Wij lezen in 2 Timoteüs 4 vers 5 (2 Tim. 04:05): “Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle”.

Uit beide brieven blijkt echter duide­lijk dat Timotheüs ook als leraar functioneerde in de gemeente van Efeze, waar hij krachtig op moest treden tegen dwaalleringen die som­migen de gemeente binnen wilden brengen.

In 1 Timoteüs 4 vers 11 tot en met 16 (1 Tim. 04:11-16) schrijft de apostel: “Beveel en leer dit. Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof , in reinheid. In afwachting van mijn komst moet gij u toeleggen op het voorlezen, het vermanen en het leren. Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profeten­woord geschonken is onder handop­legging van de gezamenlijke oud­sten.

Behartig deze dingen, leef erin, opdat aan allen blijke, dat gij voor­uitgaat. Zie toe op uzelf en op de leer, volhard in deze dingen; want door dit te doen zult gij zowel uzelf als hen, die u horen, behouden”. In de brieven van Paulus zien we ook duidelijk dat hij, naast geroepen apostel, ook leraar was. Bij apostelen en evangelisten zien we tekenen die de bediening bevesti­gen  (zie bijv. 2 Korinthe 12 vers 12 en Romeinen 15 vers 18 en 19 en Handelingen 8 vers 4 tot en met 13 (2 Kor. 12:12 en Rom. 15:18-19 en Hand. 08:04-13). Dit zijn de grondleggers van de gemeenten, waarbij de Heer de belofte heeft gegeven dat Hij met tekenen en wonderen zal meewerken om het gepredikte woord te bevestigen. Markus 16 vers 20 en Handelingen 4 vers 29 en 30  (Mark. 16:20 en

Hand. 04:29-30). Bij de bedieningen van profeten, herders en leraren wordt dit niet zo duidelijk als een belofte gegeven. Ik geloof echter, dat door de kracht van de heilige Geest die door hen heen werkt, bevrijdingen en genezingen plaats kunnen vinden, hoofdzakelijk van de innerlijke mens.

Samengaan is ook mogelijk

Wij hebben gezien dat de geestelijke leiding van een gemeente berust bij een oudstenraad, die aangesteld wordt  (zie afl. 4, mei/juni 1998). Het is heel goed mogelijk dat een bediening samengaat met het oud­sten schap. Vaak zie je dit bij de bedie­ning van herders. In 1 Timoteüs 5 vers 17 (1 Tim. 05:17) schrijft Paulus: “De oudsten, die goede lei­ding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht”. Hieruit zien we dat oudsten schap en leraarsbediening samen kunnen gaan.

Het allerbelangrijkste is dat bij alles goed gelet en geluisterd wordt naar de leiding van de heilige Geest. Dit dient de gemeente zich bewust te zijn en door gebed heen de Geest de kans geven te spreken. In Handelingen 13 vers 2 (Hand. 13:02) hebben we gezien dat er gebeden en gevast werd bij de dienst des Heren en dat de heilige Geest toen sprak: “Zondert Mij nu af…”, enz.

Enkel dienstbaarheid

Welke dienst of bediening iemand ook verricht er zal altijd onderwer­ping aan anderen dienen te zijn. In de gemeente van Jezus Christus past geen enkele vorm van heerschappij. Alles zal hecht samen dienen te wer­ken om het doel van God met Zijn volk te bereiken. Ook dient er te allen tijde openheid en bereidheid te zijn tot Korrectie. De één mag zich nooit boven de ander verheffen.

Voor de leiding en de bedieningen geldt wel heel bijzonder het woord uit Filippenzen 2 vers 3 en 4 (Filip. 02:03-04): “Zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid acht de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen”. Alles in de gemeente kan alleen maar gedaan worden door de genade die de Heer verleent. De apostel Petrus schrijft hierover: “Dient elkander, een ieder naar de genade­gave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen” 1 Petrus 4 vers 10 en 11  (1 Petr. 04:10-11).

Voortgaande ontwikkeling

Hebben we nu alles gezegd over de bedieningen? Hebben we alles gezegd over het herstel van de gemeente?

Neen, dat zou ook niet kunnen want dat is een voortgaande ontwikkeling tot de grote dag van Jezus Christus als het geheimenis Gods, de gemeente, voltooid zal zijn Openbaring 10 vers 7 en 2 Thessalonicenzen 1 vers 10  (Openb. 10:07 en 2 Thess. 01:10). We hebben hooguit geprobeerd te laten zien wat Gods woord er van zegt. Dat weer onder het stof van 20 eeuwen kerkgeschiedenis vandaan trachten te halen. Wel vanuit het geloof dat, wil de gemeente tot eenheid en tot volheid komen, deze Bijbelse principes en fundamenten in de eindtijd zeker zo nodig zijn als in de begintijd. Zullen dan de vijf genoemde bedie­ningen in iedere gemeente weer aanwezig gaan zijn, ongeacht hoe groot of hoe klein de gemeente is? Ik geloof dat de Heer dat wil geven en dat zal geven aan de gemeente, wat nodig is om het doel te berei­ken. En als het niet aanwezig is dan zal er van buitenaf in voorzien wor­den. Dat zal ook door gemeenten verstaan moeten worden. Uit bijna alle brieven kunnen we lezen dat er in de begintijd ook rondreizende apostelen, profeten en leraren waren die door de gemeen­ten van de Heer als gezanten van Hem ontvangen werden. Johannes schrijft in dat verband over het beproeven van de geesten of ze wel uit God zijn 1 Johannes 4 vers 1  (1 Joh. 04:01). Dat is zeker ook in deze tijd van groot belang. Ook nu zijn niet alle mensen die zich aandienen uit God. De apostelen moesten vaak ten strij­de trekken tegen dat wat door valse dienstknechten was binnen gebracht  (zie de brieven).

Op Bijbelse gronden kunnen we ech­ter ook zeggen dat in grote gemeen­ten meerdere mensen met dezelfde bediening aanwezig waren, die uit­gingen om anderen te dienen. We hebben dat gezien bij de gemeente te Jeruzalem en te Antiochië.

Het laatste der dagen

In de voorgaande tien afleveringen hebben we stil gestaan bij de ont­wikkeling van de gemeente van Jezus Christus in deze eeuw, die z’n weerga niet kent in de kerkgeschie­denis. Het begon maar heel klein, toen enkele mensen in Amerika op gebed weer gedoopt werden met de heilige Geest en in nieuwe tongen spraken, maar het is uitgegroeid tot een wereldwijde uitstorting van de heilige Geest op alle rassen, volken, natiën en talen.

De grote belofte Gods is: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees” Handelingen 2 vers 17a   (Hand. 02:17a). De toename van het aantal pinkster­christenen is groter dan van welke andere geloofsrichting. De Bijbel is het meest verkochte boek ter wereld; liefst vierenveertig miljoen exemplaren per jaar. Paulus schrijft over de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk Gods in zijn tijd en zegt: “Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden” Romeinen 10 vers 18b  (Rom. 10:18b).

En in Kolossenzen 1 vers 6a (Kol. 01:06a) zegt hij: “Immers in de gehele wereld draagt het vrucht”.

Dat is bezig zich op wonderlijke wijze te herhalen in deze tijd. Nu zal het evangelie gepredikt worden aan circa zes miljard mensen. En overal

vandaan lees je en hoor je van de tekenen en wonderen waarmee de Heer ook nu het gepredikte woord bevestigt  (naar Markus 16 vers 20 (Mark. 16:20).

Wij zijn deze serie begonnen met de woorden uit de profetie van Zacharia, waarbij hij de opdracht krijgt van de Here om te prediken: “Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand. Daarom, zo zegt de Here: Ik keer in erbarming tot Jeruzalem weder; mijn huis zal daarin gebouwd worden, luidt het woord van de Here der heerscharen en het meetsnoer zal over Jeruzalem gespannen worden. Predik verder: Zo zegt de Here der heerscharen: Wederom zullen mijn steden over­vloeien van het goede; nog zal de Here Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen” Zacharia 1 vers 14b en Zacharia 1 vers 16 en 17  (Zach. 01:14b en Zach. 01:16-17). Deze woorden zijn gesproken met het oog op de gemeente van Jezus Christus in de eindtijd. Immers het gehele boek Zacharia spreekt over het laatst der dagen en over de gena­de voor de gemeente 1 Petrus 1 vers 10 tot en met 12  (1 Petr. 01:10-12).

God staat op voor Zijn volk

We willen hier ter aanvulling nog noemen het woord uit Psalm 102, wat ook spreekt over de eindtijd, door de Psalmist genoemd, ‘de bepaalde tijd’: “Maar Gij, o Here, troont voor eeuwig, uw naam blijft van geslacht tot geslacht. Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen” Psalm 102 vers 13 en 14  (Ps. 102:013-014).

Deze verzen zeggen dat God voor eeuwig troont en dat Hij op de bepaalde tijd opstaat ten gunste van Zijn volk. En als God opstaat dan gebeuren er geweldige dingen; dan komt hemel en aarde in beweging. Psalm 68 vers 2 (Ps. 068:002) zegt: “God staat op zijn vijanden worden verstrooid, zijn haters vluchten voor zijn aange­zicht”.

En Jesaja 33 vers 3 (Jes. 33:03) schrijft: “Voor daverend rumoer vluchten natiën weg; als Gij U verheft, stuiven vol­ken uiteen”. Als God in actie komt weet de duivel en z’n rijk dat hun einde gekomen is. We zien deze reacties in het rijk van Satan in de dagen van de Heer Jezus letterlijk in vervulling gaan. Er brak oorlog uit in de geestelijke wereld. De boze geesten, de vijanden van God en mens, werden aangewezen als de grote boosdoeners. Ze werden openlijk tentoongesteld en we lezen, in de evangeliën dat ze vaak schreeuwend van angst de mensen verlieten. Een legioen boze geesten, die zich in een mens hadden geves­tigd, vluchtte in paniek in een kudde zwijnen. De Heer Jezus werd gehaat door de duivel en z’n rijk, wat tot uiting kwam door de religieuze lei­ders van die tijd, die Hem voortdu­rend zochten te doden. In het boek Handelingen lezen we soortgelijke toestanden als apostelen en andere dienstknechten het evan­gelie van het Koninkrijk Gods ver­kondigen. Vele dienstknechten Gods moesten het met hun leven betalen.  (Slot volgt)

 

Onder de boom door Duurt Sikkens

De bedoeling van deze vaste rubriek is alleen maar dat ik wil proberen wat gedachten te noteren die een zoekend mens op een spoor kunnen brengen. Zelf ben ik ook een zoeker; ik hou van zoektochten, in de hoop iets te vinden wat goed voor me is. ’t Gaat me er echt niet om allerlei leer­stelligheden te formuleren, dat doen anderen in dit blad. Liever hou ik me hier bezig met gewone, praktische, geestelijke dingen voor het leven van alledag. Ik bedoel bijvoorbeeld dit: Vroeger kreeg ik allerlei normen en waarden opgelegd en deze verzameling heette: ‘De christelijke levenswandel’. Een saai boeket voorschriften hoe ik me moest gedragen in de wereld. Afijn, om

kort samen te vatten: Het boeket verlepte snel, de leefregels hielden mij niet overeind. Logisch, ze waren aan de aarde ontleend, niet aan de hemel.

Wat zou ons commentaar geweest zijn op de gebeurtenis in het land der Gerasenen waar Jezus een krank­zinnige man bevrijdt van boze gees­ten en even later de inwoners van dat land ‘berooft’ van hun broodwinning doordat er 2000 varkens verdrinken? Hoezo ontwikkelingshulp? En wat te zeggen van de vervloeking van de vijgenboom? Milieuvriendelijk? Boze geesten aanspreken… shocking?

En de rel op het tempelplein waar geld werd gewisseld? Hoeveel men­sen hebben toen naar hun hoofd gewezen? Vonden de discipelen het misschien ook een gênante verto­ning? Was het Jezus soms een beetje in zijn bol geslagen? Er zijn meer voorbeelden aan te halen. Ik wil er alleen maar mee zeg­gen dat je er heel anders tegenaan kunt kijken dan ‘men’ doet. En vele godsdienstige volksstammen zijn heel veel bezig, met een heilig ver­klaard boek in de hand, medemen­sen van alles op te leggen. Lasten waaronder ze haast bezwijken. Daarbij komt dan ook nog de opwek­kende gedachte ‘dat je het toch nooit goed doet’, met alle depressieve gevolgen van dien. De schuldgevoe­lens stapelen zich op, je wordt ver­drietig over jezelf, over je medemens die met jou zit opgescheept.

Religie

‘Religie’ heeft al heel wat oorlogen veroorzaakt, heeft veel ellende bewerkstelligd en heel veel vrijheid ontnomen. ‘Religie’ komt uit ’t Latijn. Het werkwoord ‘religare’ betekent ‘ (vast)binden’. Da’s niet zo aanlokke­lijk en staat haaks op de uitspraken en werken van Jezus. Als er iets is wat de mens z’n werke­lijke vrijheid en liefde tot God ont­neemt is het wel religie. Een boude uitspraak? Nou, kijk dan maar eens om je heen. Hoevelen lopen gebukt onder voorschriften, onder een slecht geweten, onder schuldgevoelens, onder zware lasten van verantwoor­delijkheden?

“Kom maar naar Mij toe als je belast en beladen bent”, zegt Jezus, “en ik zal je rust geven”. Rust? In deze tijd? Kan dat? We moeten toch nog zoveel doen? Hierover is nog heel veel te zeggen, maar dat doe ik nu niet. het heeft er namelijk mee te maken wat voor beeld je van God hebt. Hoe beter beeld je hèbt, hoe beter beeld je wórdt. Velen preken een God naar hun beeld en gelijkenis, terwijl Hij zelf zo graag een mens ziet die op Hem lijkt.

En foute, valse beelden van God zijn ook ‘afgoden’. Als je daarvoor buigt en hen dient zijn er ‘andere afgoden voor Zijn aangezicht’. Als ik mezelf naga, merk ik dat het beeld, dat ik had van Hem in mijn jeugd, niet goed was. In de loop der jaren is dat steeds bijgesteld, geluk­kig. Want ik werd er gelukkig door!

Barmhartigheid

Eén eigenschap van Hem die me diep raakte en mij weer overeind bracht  (daarmee bedoel ik dat die mijn persoonlijkheid herstelde, wie ik ben als mens) is Zijn barmhartig­heid. In Jezus kreeg deze eigenschap gestalte, en ook in mensen van God om mij heen. En zo kreeg ik mijn wezen weer terug, ik kreeg mijn naam weer terug die ik verloren was. Dat ontroert mij nog steeds. Ik geloof wat Hij over me zegt want ik merk dat Hij van een mens houdt. Dat kon ik zien aan Jezus en toen ik Hem zag, zag ik m’n echte Vader achter Hem.

“Barmhartigheid wil ik, geen bran­doffers” oftewel mededogen en geen Burned Out christenen. Sommige mensen zijn zoveel met anderen bezig dat ze niet aan zich­zelf toekomen. Sommige mensen zijn zó met zichzelf bezig, dat ze niet aan anderen toekomen. Velen zijn zó bezig dat ze niet aan de Ene toeko­men.

Wie de Zoon gelooft heeft leven en heeft religie en godsdienstige syste­men  (Egypte) achter zich gelaten omdat God hem daaruit geleid heeft. Het beloofde land van vrijheid en rust? Dat ben je zelf, want God woont in je. U wordt van harte geluk­gewenst!

 

Hoe overwinnen wij angst door Gert Jan Doornink

Het spreekwoord ‘Angst is een slechte raadgever’ maakt al duidelijk dat ‘angst’ niet iets is wat een rol in ons leven mag spelen. Het is uit de ver­keerde bron afkomstig en hoort zeker niet thuis hij de nieuwe mens in Christus. Toch zijn er velen die moei­te hebben angst in hun leven te over­winnen. Dit artikel is een poging de materie ‘angst’ geestelijk te belichten met ah doel dat ons leven er niet meer negatief door beïnvloed kan worden.

“God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, van liefde en van bezonnenheid” 2 Timoteüs 1 vers 7  (2 Tim. 01:07).

Wat is angst?

Wat is eigenlijk angst? Hoe kun je angst het beste omschrijven? Angst is als je ergens bang voor bent, dat er iets zou kunnen gebeuren wat een negatieve uitwerking in je leven heeft.

In de Grote van Dale wordt het omschreven met: ‘Gevoel van beklemming en vrees, veroorzaakt door een  (wezenlijk of vermeend) dreigend onheil of gevaar’. Het woord ‘vrees’ is nauw verwant met het woord ‘angst’ en is mogelijk ook afkomstig van een basis die ver­want is met die van gevaar. Het is een ‘angstig gevoel voor iets drei­gends’. Vrees wordt van angst onder­scheiden doordat zij met een object verbonden is.

Het woord ‘vrees’ kan echter ook de betekenis hebben van ‘ontzag, eer­bied’. Bijvoorbeeld als er in Spreuken 9 vers 10 (Spr. 09:10) staat dat de ‘vreze des Heren het beginsel der wijsheid’ is, wordt hiermee niet bedoeld dat we daardoor in een soort angsttoestand ten aanzien van God behoren te leven.

Vormen van angst

Angst komt voor in allerlei gradaties en vormen. Je kunt bang zijn dat iets je kan overkomen en je neemt maatregelen daartegen. Angst hoort bij het leven, je moet ermee leren omgaan.

Bij de meeste vormen van angst sta je niet eens verder bij stil. Bijvoorbeeld als je een drukke straat oversteekt, kijk je eerst naar links en rechts, want je wilt niet graag overre­den worden. Dat is een normale gang van zaken, je doet het in een reflex, zonder dat je op dat moment werkelijk bang bent. Zo kun je talrijke kleine vormen van ‘bang zijn voor iets’ opnoemen, maar eigenlijk heeft dat niet werke­lijk met angst te maken. Het zijn de, wat wij dan omschrijven met, de normale risico’s van het leven, waar ieder mens mee te maken heeft.

Geest van angst

Iets anders is het om dat voorbeeld nog even aan te houden- als je zo’n angst hebt om een straat over te ste­ken, dat je het helemaal niet meer durft. Dan is de angst overgegaan in een, wat wij in onze dagen noemen, een fobie, een allesoverheersend angstgevoel, die totaal beklemmend en verlammend werkt en je in feité buiten het normaal functionerende leven plaatst.

Je hebt allerlei vormen van fobie  (het woord is afgeleid van het Griekse phobos, wat angst betekent). Bijvoorbeeld claustrofobie, wat een ziekelijke vrees is om in een afgeslo­ten ruimte te vertoeven. Agoriefobie is als men ruimte-, plein- of straat­vrees heeft. Acrofobie is hoogte­vrees. Hydrofobie is watervrees, enz. Veel mensen hebben te maken met een of andere vorm van fobie, een erge vorm van angst dus. Je kunt dan rustig spreken van een ‘geest van angst’ die je leven voortdurend beheerst en afremt. Waar komt deze geest weg? Laten we het duidelijk stellen: Niet van God! Paulus schrijft dat God ons niet een geest van lafhartigheid  (Vert. NBG; alle andere vertalingen hebben vrees of geest van vreesach­tigheid) heeft gegeven 2 Timoteüs 1 vers 7  (2 Tim. 01:07).

De oorsprong van angst

Het is duidelijk dat de oorsprong van de angst bij de duivel ligt, dus afkomstig is uit het rijk der duister­nis. In het begin van de schepping, toen de mens nog leefde in volko­men harmonie met Zijn Schepper,’ lezen we op geen enkele wijze over angst of vrees. Pas nadat het eerste mensenpaar gefaald had en zich hadden verleiden door de vorst der duisternis, gingen zij zich uit angst voor God, verbergen Genesis 3 vers 8  (Gen. 03:08). En we lezen dan ook dat toen God de mens riep om tevoorschijn te komen, Adam zei: “Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd…” Genesis 3 vers 9  (Gen. 03:09). Als een mens niet meer vrij voor God kan staan, slaat de angst toe. Pas als de mens door te geloven in het volbrachte verlossingswerk van Jezus Christus, van een zondaar een kind van God is geworden, kan hij weer vrij voor God staan. Hij is een nieuwe schepping met een blanco strafblad.

Maar omdat de duivel nog overste van deze wereld is, zal hij er alles aan doen het functioneren van deze nieuwe mens te belemmeren en, zo mogelijk, geheel uit te schakelen. Het kan hem daarbij niet schelen hoe hij zijn doel kan bereiken en hij zet dan ook alles daarvoor in, onder andere gebruikt hij angst en vrees als afremmende factoren. Dus wij moeten op onze hoede zijn ons niet te laten afremmen door angst of vrees.

Hoe overwinnen wij fobies?

1 – Bevrijding

We hebben straks al gezegd dat één van de ergste vormen van angst een fobie is. Het is duidelijk dat hiervoor maar één remedie is: bevrijding in de naam van Jezus, waarna een periode van herstel kan beginnen, want deze geest probeert uiteraard terug te komen en de geest van de mens kan zodanig verzwakt zijn door deze verkeerde geest dat soms begeleiding van medechristenen nodig is om in de nieuwe fase, na de bevrijding van de fobie, tot onder­steuning en positieve stimulering te kunnen helpen.

2 – Vervulling met Gods Geest Belangrijk is ook -maar dat geldt voor alle christenen- dat er besef is van de kracht van Gods Geest die in ons werkzaam is. “God heeft ons geen geest van angst gegeven, maar van kracht”. Dit te belijden geeft op zich al kracht en overwinning. Want al is er bij de meeste christenen dus geen sprake van een of andere fobie, allemaal hebben we met aanvallen van angst te maken. Het is belang­rijk dit te onderkennen en vooral ook te weten wat de oorzaak is, zodat we de oorzaak aan kunnen pakken.

Dit is van levensbelang voor de eind­tijdgemeente, want die mag niet bestaan uit bange, vreesachtige christenen die met het minste of geringste zuchtje tegenwind van de kaart zijn, maar uit overwinnende, onbevreesde christenen. Het spreekt vanzelf dat we dit moeten leren en dat we ook in dit opzicht kunnen spreken van een ontwikkeling, een groeiproces.

Oorzaken van angst

1.Luiheid en gemakzucht

Eén van de oorzaken van vreesach­tigheid is ongetwijfeld luiheid en gemakzucht! Dat kweekt een situatie waarin angst gemakkelijk kan toe­slaan. In deze welvaartstijd is het heel gemakkelijk niet actief te zijn, tegenslagen uit de weg te gaan, de weg van de minste weerstand te kie­zen, kortom een non-productieve getuige te zijn. Het woord ‘getuige’ is dan niet eens meer van toepas­sing, laat staan dat er nog iets terecht komt van de openbaring van het zoonschap.

Luiheid kan ook bestaan in het feit dat we dingen die we fout gedaan hebben niet weer goed gaan maken. We willen geen gezichtsverlies lij­den, dus laten we het maar zo. We zijn bang dan anderen ons dan ver­keerd gaan beoordelen en in ons teleurgesteld zijn.

– Angst voor de dood

Als wedergeboren christenen weten we dat de dood is overwonnen door Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. Er hoeft dus geen enkele vorm van angst voor de dood meer te bestaan bij ons, maar de praktijk is vaak anders. We willen er liever niet aan denken, en dat hoeft ook niet, want we zijn midden in het leven  (en als christenen mogen we spreken van het nieuwe leven) geplaatst, maar we hoeven het niet weg te drukken want we krijgen er allemaal mee te maken. Maar ’t heerlijke is dat iemand die zich bewust is dat hij een nieuwe schepping in Christus is, toch niet overheerst wordt door angst voor de dood. Integendeel, daarvan zijn we volkomen bevrijd!

Lees de omschrijving daarover maar eens in de brief aan de Hebreeën. Daar wordt over Jezus gezegd: “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft Hij  (Jezus) op gelijke wijze daaraan deel gekre­gen,.. opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren” Hebreeën 2 vers 14 en 15  (Heb. 02:14-15).

Angst voor de toekomst

Angst kan ook de kop opsteken als we bijvoorbeeld denken aan de opvoeding van onze kinderen en het soms heel anders gaat dan wij ons hadden voorgesteld. Wat moet er van mijn kind terechtkomen? Ik ben bang dat het helemaal verkeerd afloopt…

Of als we denken aan onze zaak, of aan onze baan…

Altijd weer dat woordje ‘bang’ en als we daaraan toegeven komen we op het hellende vlak terecht waar de duivel ons zo graag wil hebben. Denken we echter tegelijkertijd aan het feit dat Jezus gezegd heeft: “Vrees niet, geloof alleen!” dan krij­gen we hiermee meteen de sleutel aangereikt om angst te overwinnen: geloof, vertrouwen, overgave aan de levende Heer die gezegd heeft: “Ik ben met je, al de dagen tot aan de voleinding der wereld!”. Let speciaal ook op deze laatste woorden: ’tot aan de voleinding der wereld’. Zoveel christenen hebben angst voor de toekomst, wat zal er van deze wereld terechtkomen nu elk besef van normen en waarden hoe langer hoe meer door de duivel wordt uitgewist. Dat doet de mens uiteraard zelf onder inspiratie van de vorst der duisternis. Dat de wereld het niet meer zien zit­ten, kunnen we nog begrijpen, maar christenen hoeven geen enkele vorm van angst voor de toekomst te heb­ben, ook al weten wij dat de laatste tijd een zware tijd zal zijn. In Lucas 21 vers 25 (Luc 21:25) spreekt Jezus over het feit dat er “angst zal zijn onder de volken, vanwege het bulde­ren van zee en branding”. En in het volgende vers staat zelfs dat “de mensen bezwijmen zullen van vrees en angst”.

De geest van de antichrist

Hierover schreven we al eerder in Levend Geloof nummer 394, maar we willen er in het kader van ons onderwerp nog even op terugkomen. In de brieven van Johannes wordt gesproken over de komst van de antichrist. Sommige leraars bouwen hier hele theorieën en leringen omheen. Maar weet u wat Johannes zegt, en wat zien we dat gemakkelijk over het hoofd, dat er ook nu al vele antichristen zijn opgestaan 1 Johannes 2 vers 18  (1 Joh. 02:18).

Daar hebben we dagelijks mee te maken. Maar daar hoeft geen angst voor te bestaan, want wij hebben een ‘zalving van de Heilige’ ontvangen 1 Johannes 2 vers 2  (1 Joh. 02:02). Die zalving, dat vervuld zijn met Gods Geest, maakt dat we ons niet laten verleiden, dat we niet bang zijn, maar weten dat we met Christus overwinnaars zijn.

In 1 Johannes 4, waar als titel boven staat ‘het beproeven der geesten’,  schrijft Johannes ook nog even over de geest van de antichrist, en dan maakt hij deze prachtige opmerking: “Iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en  (let op!) hij is nu reeds in de wereld. Gij zijt uit God, kinderkens, en gij hebt hen overwonnen; want  (let weer goed op!) Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is” vs. 3-4). Dat is het geheim! Daarom hoeven wij niet bang te zijn. Daarom gaan we onbe­vreesd verder! Daarom helpen we elkaar om elke vorm van vrees te overwinnen! Daarom gaat de over­winning over de angst ook in de gewone alledaagse dingen meer en meer de overhand krijgen. Daardoor wordt ons leven meer en meer een blij en ontspannen geloofsleven, zonder spanning of stress, zonder voortdurend rond te lopen met angstgevoelens of depres­sieve gedachten.

Geloof en vertrouwen

Geloof en vertrouwen is de basis van ons functioneren in Gods plan, gevoed door positieve gedachten uit het Woord en door de heilige Geest. Wat dat betreft zijn we als gelovigen bijzonder bevoorrecht. We leven in een wereld waarin spanning en stress steeds meer de overhand krij­gen. En ook de daarbij behorende negatieve verschijnselen, zoals angst en vrees.

Maar als men dan ziet en ervaart hoe de mensen zonder Christus die angst en vrees proberen te overwin­nen, kun je alleen maar zeggen, wat een genade dat wij het anders mogen doen. Allerlei occulte vor­men van therapie worden in de hulpverlening gehanteerd. Om nog maar niet te spreken over het geweld, de overheersing en brutali­teit in het taalgebruik, waarmee mensen hun angstcomplexen probe­ren te maskeren en te overwinnen. Het geloof en vertrouwen dat in ons is, behoort uiteraard te groeien. Als Paulus in Filippenzen 2 vers 12 (Filip. 02:12) de opmerking maakt dat we onze behoudenis moeten bewerken met vreze en beven, wordt hier natuur­lijk niet bedoeld dat we in een soort angsttoestand moeten leven als christenen. Maar wel dat we er 100% ernst mee behoren te maken dat we het einddoel zullen bereiken en meer en meer openbaar zullen worden als werkelijke zonen van God.

Blijft de verdere gezonde groei van ons geloofsleven achterwege dan kan de duivel nog gemakkelijk bres- schieten met zijn angstpijlen in ons leven als nieuwe schepping. Als het geloof, het vertrouwen onvol­doende aanwezig is ontstaat boven­dien de voedingsbodem voor vrees en angst.

Geen vrees in de liefde

Als we echter met een oprecht hart de Heer volgen krijgt de duivel geen enkele kans ons angst aan te jagen. Ik vind het altijd weer, prachtig en bemoedigend omschreven door Johannes, als hij in zijn eerste brief de opmerking maakt dat er in de liefde geen vrees is… 1 Johannes 4 vers 18  (1 Joh. 04:18). Wie de Heer werkelijk liefheeft, wie zijn plaats met Hem heeft ingeno­men in de hemelse gewesten, en van daaruit leeft, ervaart een onaan­tastbaarheid, een immuniteit voor de aanvallen van angst en vrees. Hij kan ze pareren, weerstaan en over­winnen.

Dan functioneert in en door ons leven de volmaakte liefde van Christus. En daar gaat het om! Voor onszelf en voor de ander! Want iemand die de Heer volmaakt lief heeft, heeft ook zijn medemens lief. Dat werkt aanstekelijk, daardoor maken we onze hoge roeping van het getuige zijn van Christus, van de openbaring van het zoonschap ten- volle waar.

Daarom en om het niet weer te ver­geten, maar waar te maken in ons leven: “Er is in de liefde geen vrees, want vrees houdt verband met straf en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde… maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit”. “Want God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven, maar een geest van kracht, van liefde en van bezonnenheid”.

 

Korte gedachten door diverse auteurs

Persoonlijkheid en karakter door Gert Jan Doornink

Wie in Christus is, is een nieuwe schepping, schrijft Paulus in zijn brief aan de gemeen­te te Korinthe. Zijn totale persoonlijkheid is vernieuwd. Nu komt het er op aan dat deze nieuwe persoonlijkheid helemaal tevoorschijn gaat komen. Omdat de persoonlijkheid van elk individu wordt gevormd door de som van iemands hoedanighe­den, eigenschappen en karaktertrekken is gezonde geestelijke groei noodzakelijk willen we beantwoorden aan het doel wat God met ons heeft: de openbaring van Christus in elk facet van ons leven. Deze groei vormt ook ons karakter als onderdeel van onze persoonlijkheid. Van iemand zonder geestelijke ruggengraat zeggen we: dat is iemand zonder karakter. Werkelijke christenen zijn mensen met karakter, het valt van hun gezichten af te lezen.  

Vruchtdragen door Truus van Kaam

In de zomer zien we dat in de natuur de bloei overgaat in vrucht. Dat zien we bijvoorbeeld heel duidelijk bij de fruitbomen. God heeft ons ook gaven gegeven. Als we deze ontwikkelen komt er vrucht, waarvan we ook kunnen uit­delen aan anderen. “Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uw rekening” Filippenzen 4 vers 17 Statenvertaling  (Filip. 04:17). Deze tekst spreekt zelfs van overvloedige vrucht. De gaven die God in ons gelegd heeft zijn voor de mens, zowel innerlijk als lichamelijk. We hebben allen verschillende gaven maar ze hebben alle een gemeenschappelijk doel, dit is: vrucht voortbrengen. In en door Hem is de groei, de bloei, de vrucht, zo is het ook tot Hem. Prijst God, want er komt een geweldige oogst.  

Geen dode letter door E. Stanley Jones

De Mohammedanen vergissen zich, als zij ons ‘Ahlekitab’ – het volk van het boek’ noemen. Wij zijn in de eerste plaats ‘het volk van de Persoonlijkheid’. Er staat niet geschreven: ‘Het Woord is drukinkt geworden’. Er staat geschreven: ‘Het Woord werd Vlees’. Als het Woord drukinkt geworden was, zouden wij een wetboek moeten opvolgen. Maar ons wetboek is een Wegbereider. Wij volgen een levende Geest, geen dode letter.

Ons doel ligt in het verschiet, het is onuitputtelijk. Ons doel blijft steeds lokken uit de verte, het raakt nooit uitgeput. Een letter kan worden uitgeput, een leven nimmer. Wij hebben eerbied voor de letters van het Boek, omdat het Boek de geïns­pireerde verkondiging is van de Openbaring, maar het gelaat van Christus is de eigenlijke openbaring. Dat Leven was er voor de letter geschreven werd, het is in de letter en gaat uit boven de letter. Het is niet anders dan de letter, maar het is méér.  

 

Zoekt eerst Gods Koninkrijk door Wim te Dorsthorst  

Dit zijn overbekende woorden van de Heer Jezus uit de zogenaamde Bergrede, opgeschreven in Matteüs 5 tot en met 7. We zingen er zelfs een lied van: “Zoekt toch eerst Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid”. Woorden die in het hart van iedere gelovige gegrift dienen te staan. Waarschijnlijk heeft de Heer deze rede aan het begin van Zijn bedie­ning uitgesproken. De Bergrede staat boordevol fundamenteel onder­wijs voor de gelovigen. Deze uit­spraak van de Heer: “Zoekt toch eerst Gods Koninkrijk”, staat aan het slot van een onderwijzing over schatten verzamelen op aarde of in de hemel, over het dienen van God of de Mammon en over zorgen heb­ben voor het levensonderhoud Matteüs 6 vers 19 tot en met 34  (Matt. 06:19-34).

Voor wedergeborenen

Lees vooraf Matteüs 6 vers 19 tot en met 34 (Matt. 06:19-34).

De Bergrede is veelal beschouwd als niet uitvoerbaar in de tegenwoordige tijd en zou meer bestemd zijn voor het komende vrederijk. Een uit­spraak van dé Heer Jezus als: “Gij dan zult volmaakt zijn, gelijk uw hemelse Vader volmaakt is” Matteüs 5 vers 48  (Matt. 05:48), wordt in de meeste kerken als onmogelijk verondersteld. Wel kunnen we stellen dat voor iemand die niet wederom  (dat is ‘van boven’ of ‘geestelijk’) geboren is, het een onmogelijkheid is de geestelijke waarde en betekenis er van te verstaan. Bovendien mist men dan de kracht van de heilige Geest om het te kunnen volbrengen.

Maar voor wie zich heeft bekeerd, gedoopt is in water door onderdom­peling en de heilige Geest ontvan­gen heeft en naar Bijbelse maatsta­ven ‘een wedergeborene’ is,  (zie Johannes 3 vers 3 tot en met 8 en Handelingen 2 vers 38 (Joh. 03:03-08 en Hand. 02:38), is het kostbare en onmisbare onderwijzing ten leven.

Je zou de Bergrede kunnen zien als de grondwet van het Koninkrijk Gods, zoals iedere natie of Koninkrijk een grondwet heeft. De grondwet bevat de meest fundamen­tele zaken voor een land en beschermd de rechten en de plich­ten van de burger. Alle verdere wet­geving en regelgeving moet toets­baar zijn aan deze grondwet. Zo spreekt ook de Bergrede over de meest fundamentele zaken voor het leven van een gelovige voor alle dag.

Geestelijk horen en verstaan

De rede begint in Mattéüs 5 versla met de woorden: “Toen Hij nu de scharen zag, ging Hij de berg op en nadat Hij Zich had nedergezet, kwa­men zijn discipelen tot Hem. En Hij opende Zijn mond en leerde hen”. ‘De berg’ is in de Bijbel heel vaak een symbolisch begrip voor de berg Sion. Wil je als ware discipel de woorden van de Heer Jezus verstaan, dan is dit de sleutel. Dan zul je vervuld met de heilige Geest op moeten stijgen, de berg Sion beklimmen, het aardse denken achter je moeten laten en naar de Heer willen luisteren. De Heer is helder en duidelijk, kort en krachtig in Zijn uitspraken. Soms zwart-wit als Hij bijvoorbeeld zegt: “Wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in z’n hart al echtbreuk met haar gepleegd” Matteüs 5 vers 28  (Matt. 05:28), of “Je kunt geen twee heren dienen, God en de Mammon” Matteüs 6 vers 24  (Matt. 06:24), of “Waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn” Matteüs 6 vers 21  (Matt. 06:21), of “Als u de mensen niet vergeeft, dan vergeeft uw Vader u ook niet” Matteüs 6 vers 15  (Matt. 06:15), enz. De Heer Jezus is geen gewichtig religieus persoon die weer een nieu­we religie wil invoeren, uitgewerkt in een of andere kerkleer. Ook niet iemand die met veel omhaal van woorden de scharen lasten oplegt met onuitvoerbare eisen en dog- Zelf zegt Hij: “Mijn juk is zacht en Mijn last is licht” Matteüs 11 vers 30  (Matt. 11:30), en: “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed” Johannes 10 vers 10  (Joh. 10:10).

Het onderricht van Hem, ook in de Bergrede, is er steeds op gericht de mens juist los te maken uit het web van religieuze denksystemen en het denken en handelen om te buigen van de aarde naar de hemel, over­eenkomstig Gods denken en hande­len. Hij komt dan tot de uitspraak: “Er is gezegd, maar Ik zeg u”, waar­mee Hij niet wil zeggen dat al het voorgaande fout is geweest, maar Hij voegt er voor de nieuwe tijd een dimensie aan toe. Dan blijkt dat Mis wat als een wet is verstaan, of als een religieuze handeling, of als een religieus gebruik, een diepe geestelijke betekenis heeft. En bovendien, dat bijna alles van het leven gestuurd wordt vanuit de gees­telijke wereld, hetzij vanuit het licht, hetzij vanuit de duisternis. Alle woorden van de Heer Jezus zijn ook de woorden van God en zijn niet zomaar woorden, maar ze wijzen de enige weg naar vrijheid en waarach­tig leven.

“Mijn woorden zijn Geest en leven”, zegt Hij in Johannes 6 vers 63 (Joh. 06:63).

Als de scharen Hem allen de rug toekeren, omdat ze Hem alleen maar volgen om het brood dat Hij hun te eten heeft gegeven, dan komt Petrus tot die geweldige uitspraak: “Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven” Johannes 6 vers 68  (Joh. 06:68).

De rijke jongeling als voorbeeld

Wie vanuit deze gedachte de Bergrede leest zal er zeker door gezegend worden, al kan ons uitgangsbijbelge­deelte best confronterend overko­men in ons welvarende, rijke wes­ten. Wij hebben immers allemaal een bepaalde rijkdom op aarde in onze leefwereld.

Toen de Heer Jezus tegen de ‘rijke jongeling’ zei: “Indien gij volmaakt wilt zijn, ga heen, verkoop uw bezit en geef het aan de armen, en gij zult een schat in de hemelen hebben, en kom hier, volg Mij”, lezen we als reactie dat hij bedroefd heenging, want hij bezat vele goederen”. Matteüs 19 vers 21 en 22  (Matt. 19:21-22). Lucas 18 vers 23 (Luc. 18:23) zegt: “Toen hij dat hoorde, werd hij diep bedroefd, want hij was zeer rijk”. En toch gaf de Heer met deze woor­den precies aan waar het in een mensenleven op aan komt. Hij zegt: schatten verzamelen op aarde heeft geen enkele waarde voor de eeuwig­heid Lucas 18 vers 19 en 20  (Luc. 18:19-20). Paulus neemt het woord van de wijze Prediker over als hij zegt: “Want wij hebben niets op de wereld medegebracht; wij kunnen er ook niets uit medenemen” 1 Timoteüs 6 vers 7  (1 Tim. 06:07). Letterlijk zegt Prediker: “Zoals hij uit de schoot zijner moeder geko­men is, zo gaat hij weer heen, naakt zoals hij gekomen is, en hij verkrijgt niets door zijn zwoegen” Prediker 5 vers 14  (Pred. 05:14). De rijke jongeling was heus wel van goede wil, wat blijkt uit Matteüs 19 vers 16 tot en met 20 (Matt. 19:16-20), maar het woord van de Heer Jezus kwam bij hem binnen als onredelijk en misschien wel als onbarmhartig.

We zouden ons afkunnen vragen wat onze reactie zou zijn als de Heer deze woorden ook rechtstreeks zo tot ons zou spreken? Zouden wij wél gelijk alles verkopen en het uitdelen aan de armen?

Wel is duidelijk dat achter de Mammon een sterke, verblindende en betoverende demon schuil gaat. Paulus is nuchter en schrijft aan Timotheüs: “Als wij echter onder­houd en onderdak hebben, dan moet ons dat genoeg zijn”. Dat is geen makkelijk woord in een wereld waar alles schreeuwt om meer en meer. Dan schrijft de apostel verder: “Maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in ver­derf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord” 1 Timoteüs 6 vers 8 tot en met 10  (1 Tim. 06:08-10).

Dat gebeurde in de dagen van Paulus en dat gebeurt helaas nog altijd; christenen die het vergaan als de rijke jongeling. Want, zegt de Heer Jezus: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”  (vs. 21). Een woord om eens diep over na te den­ken en je eerlijk af te vragen: waar is mijn hart?

Schatten in de hemel

Mogen we dan niets hebben op deze wereld? O, jawel! Het kan zelfs wel zijn dat je op de een of andere manier rijk bent. Er zijn ook heus wel rijke christenen. Aan hen geeft Gods woord het volgende advies: “Hun, die rijk zijn in de tegenwoor­dige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun hoop gevestigd te houden niet op onzeke­re rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wel te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam, waardoor zij zich een vaste grond­slag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen” 1 Timoteüs 6 vers 17 tot en met 19  (1 Tim. 06:17-19).

De apostel zegt hiermee: heb je rijk­dom, stel daar dan niet je vertrou­wen op; maar blijf je vertrouwen stellen op God en besef dat God het is die je alles rijkelijk ten gebruike geeft. Er is immers niets op deze wereld van wat wij denken te heb­ben, wat van onszelf is. In zekere zin zijn wij allemaal rentmeesters over wat God ons heeft toever­trouwd.

En dan zegt hij verder: doe wel met die rijkdom, en verzamel daarmee schatten in de hemel die nut hebben voor je eeuwige leven. Schatten, die over de grens van de dood heen hun waarde blijven behouden. Dat zijn de goede werken die een vaste grondslag vormen voor de eeuwig­heid  (zie ook Openbaring 14 vers 13 en Openbaring 19 vers 18 (Openb. 14:13 en Openb. 19:18).

De lamp van het leven

Met je hart aan de wereld, aan aard­se bezittingen verknocht zijn, geeft slavernij en geestelijke armoede. Dan is er weinig licht van binnenuit. Dat wil de Heer ons leren met de gelijkenis over de lamp, het oog en het lichaam, in de verzen 22 en 23. De lamp van ons leven is de levens­geest. Spreuken 20 vers 27 (Spr. 20:27) zegt: “De geest van een mens is een lamp des Heren; doorzoekende alle schuil­hoeken van het hart”. En de levens­geest wordt verduisterd door zorgen en zucht naar aardse zaken en rijk­dommen. En dan zegt de Heer: “Indien nu wat voor het licht moet zorgen in het leven van de mens, duisternis is geworden, hoe groot is dan de duisternis, waarin geleefd moet worden!”

Wat een ernstige waarschuwing ligt daarin besloten voor iedere christen, want hoe makkelijk kunnen we vast­zitten aan onze aardse bezittingen! “Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan de ene hechten en de andere minach­ten; gij kunt niet God dienen en Mammon”  (vs. 24).

Zorg voor het levensonderhoud

En dan spreekt de Heer over zorgen hebben voor het levensonderhoud: eten, drinken, kleding, enz  (vs. 25- 32). Prachtig zet Hij uiteen hoe de Vader zorgt voor de vogels en voor de bloemen in het gras, en dan zegt Hij: “Gaat gij de vogels niet verre te boven”?  (vs. 26) en: “Zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen”?

 (vs. 30). Het vreemde is nu dat het lijkt of iedereen juist altijd bezig is met- en bezorgd is over eten, drin­ken, kleding, huisvesting, enz. In hoeverre willen wij als christenen hier geheel anders in zijn, omdat wij Christus hebben leren kennen? Durven wij nog te vertrouwen op de zorg van de hemelse Vader voor ons?

Ik geloof dat het leven in het welva­rende westen een grote bedreiging kan zijn voor het geloofsleven en het geestelijk functioneren in de gemeente. Er is een geweldige pres­sie vanuit de wereld, en daar speelt het rijk van Satan op in, om je hele­maal in je werk te storten. Om je steeds verder te bekwamen door cursussen en bijscholing om promotie te kunnen maken of gewoon om bij te blijven in de snel ontwikkelende wereld. De 24-uurs economie, waar zo hoog van opgegeven wordt, eist de werkende mens helemaal op, sommigen zelfs op zondag. Vooral voor de jonge christenen schuilt hierin een groot gevaar, want het is best moeilijk om niet helemaal met de trend van de tijd mee te gaan en opgeslokt te worden door alles van de wereld.

Geen tijd…

Iedere christen zal zich op tijd eens af moeten vragen: heb ik nog wel tijd om het Koninkrijk Gods te zoe­ken en de dingen te bedenken die boven zijn, waar Christus is gezeten aan de rechterhand Gods? Heb ik nog tijd en lust om bij het gemeen­tewerk betrokken te zijn? Verzuim ik misschien steeds makkelijker Bijbelstudie-avonden en samenkomsten omdat ik geen tijd heb? Zou ik als het nodig is, zaken in mijn eigen leven zó willen veranderen of din­gen op willen geven, dat ik hierdoor weer meer tijd zou hebben voor de zaken van de Heer? Iedereen loopt tegenwoordig met een volle agenda. ‘Geen tijd’ is het

codewoord geworden. De Heer Jezus leert ons hierover een belang­rijke les als Hij vertelt over het Koninkrijk Gods, als de bruiloft van het Lam aanstaande is. We kunnen dit lezen in Matteüs 22 vers 1 tot en met 14 en Lucas 14 vers 15 tot en met 24  (Matt. 22:01-14 en Luc. 14:15-24). Ik geloof dat het hier gaat om de tijd waarin we nu leven. De dienaren worden uitgezonden om de genodig­den aan te zeggen dat de bruiloft aanstaande is. “Kom, want alles is gereed”! En dan lezen we: “Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken”. Ineens begint iedereen zich te ver­ontschuldigen. ‘Ze hebben geen tijd’, zó druk zijn ze met hun aardse zaken. Notabene nu het einddoel zó dichtbij is, het ligt voor het grijpen, want de roep gaat: “Alles is gereed, kom naar de bruiloft”! De één heeft een akker gekocht, de ander ossen, weer een ander gaat trouwen, enz. geen tijd! Het is om schaamrood van te worden! Wat een waar woord van de Heer Jezus, als Hij zegt: “Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn”. Een trieste illustratie hoe het zal zijn met het volk van God in de eindtijd, maar ook een ernstige waarschuwing voor de christenen om niet in het patroon te vervallen wat, dat zich hier zo sterk opdringt.

Op vele manieren laat de Heer ons zo in Zijn woord zien, hóe dwaas Zijn volk bezig kan zijn, terwijl de hemelse Vader in Zijn heerlijkheid en macht in alles wil voorzien. Zorgt de hemelse Vader niet voortreffelijk voor al het geschapene? Waarom dan zo kleingelovig en je om van alles en nog wat zorgen maken? Ga je dat alles niet verre te boven? De Heer zegt: “Want naar al deze din­gen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft”  (vs. 32). De Vader wil in alle behoeften rijkelijk voorzien.

Zoekt eerst Zijn Koninkrijk

Er is echter wel een voorwaarde, een ‘maar’! De Heer zegt in vers 33: “Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden”. Eerst Gods Koninkrijk en Gods gerechtigheid zoeken! De tijdsvorm die hier gebruikt is voor ‘zoekt’, moet verstaan worden als: ‘zoekt altijd’, ‘zoekt onophoudelijk’, ‘zoekt voor alles’.

Het is als het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, wat de Heer in het eerste gedeelte ven de Bergrede uitspreekt  (Matt. 05:06). Dat heeft niets te maken met opper­vlakkigheid, maar dat is heel intens waar je hele wezen bij betrokken is. Het verlangen zal uit het diepste binnenste op moeten borrelen. Ik geloof dat de Heer met dit woord komt tot de kern van het gelezen gedeelte Matteüs 6 vers 19 tot en met 34  (Matt. 06:19-34). Misschien wel tot de kern van de hele Bergrede. Hier komt het in het leven van een christen op aan. Onophoudelijk, vóór alles het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtig­heid zoeken. Het zal ons binnen lei­den in een ruimte van onbegrensde, onbeperkte liefdevolle zorg van de hemelse Vader.

Hij zal niet alleen voorzien in alles wat we nodig hebben voor het natuurlijke leven, maar zeker ook wanneer er geestelijke en psychische noden zijn.

Hoe vaak zoekt men niet eerst hulp door het lezen van boeken, het raad­plegen van deskundigen als psycho­logen of psychiaters, het bestrijden van symptomen, enz.? Ja, er wordt ook wel gebeden natuurlijk! Maar hoe vaak gaat men ‘vóór alles’ en ‘zonder ophouden’ eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtig­heid zoeken?

Het kan toch niet anders of dit zal geweldige gevolgen hebben! Zou hier het woord niet van toepas­sing kunnen zijn wat God zelf zegt tot Maleachi: “Beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heer­scharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten” Maleachi 3 vers 10  (Mal. 03:10).

Meer dan schuldvergeving

Gods gerechtigheid is zoveel meer dan schuldvergeving alleen. Zijn gerechtigheid is ook dat Hij onbe­perkt voor Zijn volk wil zorgen. De apostel Paulus schrijft in dit ver­band: “En God is bij machte alle genade in u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed werk overvloedig moogt zijn, gelijk geschreven staat: Hij heeft uitgedeeld, aan de armen gege­ven, zijn gerechtigheid blijft in eeuwigheid” 2 Korinthe 9 vers 8 en 9  (2 Kor. 09:08-09). Een andere vertaling zegt: “Zijn milddadigheid zal immer blij­ven”.

Een woord om uit het hoofd te leren en in voorkomende moeilijke situ­aties, dit vanuit een gelovig hart met de mond te belijden. Ik geloof, dat voor wie dit woord van de Heer serieus neemt, er dingen kunnen gaan veranderen die mis­schien al jaren voortslepen. Dat kan op alle terreinen van het leven zijn. Stoffelijke zaken, maar zeker ook waar het geestelijke en psychische noden betreft.

God verlangt intens naar mensen die Hem willen vertrouwen en met een onverdeeld hart willen toebeho­ren.

Spreuken 23 vers 26 (Spr. 23:26) zegt: “Mijn zoon, geef mij uw hart, laten uw ogen behagen hebben in mijn wegen”.

En één van die wegen is wat de Heer Jezus ons leert in de Bergrede: “Maar zoekt eerst  (vóór alles en voortdurend) het Koninkrijk van God en Gods gerechtigheid  (mildda­digheid) , en al het andere zal u bovendien geschonken worden”.

 

Alleen

Op het terras zitten veel mensen.

In een hoek zit iemand alleen aan

een tafeltje en op zich is daar

niets bijzonders mee. Maar zijn uitstraling valt op, deze

is vriendelijk, open en warm.

En hoewel er aan zijn tafel plaats

vrij is lopen de meesten er

gewoon voorbij.

 

Hebben wij oog voor elkaar?

Of gaat het meeste aan ons voor­bij

door de drukte van het leven van alle dag.

De Bijbel vertelt ons dat er rust te

vinden is bij God, juist voor ons

dagelijks leven.

Door het lezen van de Bijbel en

door het te overdenken gaan

onze ogen zien en onze oren

leren opmerken en verstaan we

wat de wil van God is voor ons

voor elke dag. Jesaja 42 vers 20  (Jes. 42:20) zegt: “Gij hebt

wel veel gezien, maar gij hield het

niet in gedachtenis; gij hebt de

oren wel open gehad, maar gij

hebt niet gehoord”.

 

Laten we deze woorden ter harte

nemen en leren om dat te doen

wat in ons hart leeft en dit uit te

dragen in openheid en warmte.

Truus van Kaam

 

Bevrijding van de controlegeest door Jildert de Boer

God is op zoek naar dienaren in geest en waarheid, naar betrouwbare beheerders 1 Korinthe 4 vers 1  (1 Kor. 04:01). Zij leven een trouw leven in het verborgene Psalm 51 vers 8 en Kolossenzen 3 vers 3  (Ps. 051:008 en Kol. 03:03), voor Gods aangezicht, en daardoor kunnen zij spreken van­uit de Geest van wijsheid en openba­ring Efeze 1 vers 18  (Ef. 01:18). Paulus zegt in verband met het samenkomen van de gemeente: “… hetgeen ik u schrijf, is een gebod des Heren” 1 Korinthe 14 vers 37b  (1 Kor. 14:37b). Er is echter in menige kring veel tra­ditie, liturgie en ritueel binnengeslo­pen. Vaak wordt er een soort stan­daardmodel van samenkomen gehanteerd. Met een aanhaling van een woord van Jezus kunnen we ook in dit opzicht zeggen: “Het gebod Gods stelt gij wel fraai buiten wer­king, om uw overlevering in stand te houden” Markus 7 vers 9  (Mark. 07:09).

Organisatie of organisme?

Waarom is het zo moeilijk om zon­der omwegen en reserves “Telkens als gij samenkomt, heeft ieder iets” 1 Korinthe 14 vers 26  (1 Kor. 14:26) in praktijk te brengen? Omdat de geest van men­selijke en/of demonische controle dit fel tegenstaat!

Nu bedoelen wij geenszins een orga­nisatorische vorm te scheppen, waarin ieder gemeentelid heel democratisch zijn zegje mag doen. De gemeente is Gods creatie. Het is de gemeente van Christus en Hij is het, die aan haar bouwt Matteüs 16 vers 18  (Matt. 16:18) als Hoofd. Uit dien hoofde is de gemeente een theocratie, een

Godsregering. Dat wil zeggen: de leden zullen vanuit God geregeerd worden. Zij zullen zich houden aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt Kolossenzen 2 vers 19  (Kol. 02:19).

Het gaat om een levend organisme, waarbij de inhoud alles bepalend is. Een uiterlijke vorm garandeert nog geen opbouwend samenzijn. De apostel bepleit een vrijheid en orde naar Woord en Geest. “Ik zie met blijdschap de orde, die bij u heerst, en de hechtheid van uw geloof in Christus” Kolossenzen 2 vers 5  (Kol. 02:05). God is geen God van wanorde, maar van vrede 1 Korinthe 14 vers 33 tot en met 40  (1 Kor. 14:33-40). Daarom zal de vrijheid in dienstbetoon er harmonisch aan toe gaan, zoals we lezen: “Gij kunt allen één voor één profeteren, opdat allen lering en. allen opwekking erdoor ontvangen, 1 Korinthe 14 vers 31  (1 Kor. 14:31).

Deze vrijheid mag niet als een aan­leiding voor het vlees gebruikt wor­den Galaten 5 vers 13  (Gal. 05:13). Zo’n valse vrijheid leidt tot wetteloosheid en anarchie in de gemeente. De ware vrijheid van de geestelijke mens aanvaardt het gezag van degenen die God heeft aangesteld en zij die naar de wet der vrijheid leven staan open voor cor­rectie.

Macht of dienstbetoon?

Ware leiders oefenen geen macht uit, maar zij dienen en zij zijn erop uit dat de heiligen tot dienstbetoon komen Efeze 4 vers 11 en 12  (Ef. 04:11-12). Zij voeren heerschappij over het geloof van de broeders en zusters, maar zijn medewerkers aan hun blijd­schap 2 Korinthe 1 vers 24  (2 Kor. 01:24). Op die wijze wordt veel inroosteren voor de samenkomsten overbodig, evenals een sterke regulering vanaf het podium tijdens de samenkom­sten. Daar waar dit wel plaatsvindt is sprake van ‘verkerkeling’, van mense­lijk voorprogrammeren volgens het geijkte patroon. Het gevolg is dat er leden van het lichaam van Christus gekneveld, dan wel gekortwiekt wor­den of in elk geval aan menselijke banden gelegd.

Dit is wat de geest van controle wil: sterke menselijke leiding in de gemeente, die de gelovigen inperkt en onmondig houdt. De leiders, die in deze geest de kudde besturen, voelen zich gauw in hun positie bedreigd. Zij willen graag alles in eigen hand houden en houden er niet van naar anderen te delegeren. Gods doel is evenwel: de gemeente met haar leden tevoorschijn te roe­pen en te brengen tot geestelijke vol­wassenheid! Dat houdt in: gaven te ontwikkelen, talenten te ontplooien, de mogelijkheden van de broeders en zusters uit de verf te laten komen in een rijk geschakeerde veelkleurig­heid. Het zou immers jammer zijn hen in de ‘grondverf’ te laten staan. Wat een heerlijke ontdekking, dat God alle Geest vervulde broeders en zusters wil inschakelen om de gemeente te bouwen en haar tot aanzien te brengen, allereerst in de geestelijke en vervolgens ook in de zichtbare wereld.

Met gebruikmaking van alle lichten in de gemeente neemt haar licht­sterkte, haar geestelijke kracht, toe! Elke lamp, van hoeveel vermogen ook, is nuttig voor het geheel. Elk lid is waardevol!

De controlegeest

De geest van controle wil graag de lampen vol Geestesolie onder de korenmaat houden. Daarom doet deze macht zijn werk om de gelovi­gen op een laag pitje te houden. Hij houdt er helemaal niet van dat er leven Gods tevoorschijn komt! Zijn werk is de christenen ondermaats te houden in hun persoonlijk leven en hen de ruimte in de gemeente te ontnemen.

De geest van controle zegt: laat hen liever jarenlang enkel luisteren naar één of enkele leiders, die de spreek­beurten voor hun rekening nemen. Alsof de gemeenteleden niet inmid­dels zelf in hun opgroeien ook ‘iets’ te geven hebben, dat nuttig is voor de opbouw! Helaas bestaan er lei­ders die zichzelf graag horen en zich niet beijveren, om ook anderen naar voren te krijgen en gelegenheid te geven. Wanneer dit laatste al gebeurt, dan kan dat niet of nauwe­lijks spontaan, maar wordt het op menselijke wijze beheerst en onder controle gehouden. De geest van controle probeert daarmee de vrije werking van de Geest van God via de leden tegen te gaan of te belemme­ren.

Een goede leider verheugt zich er echter enorm over als anderen zich gaan ontwikkelen en mee gaan dra­gen.

Elkaar opbouwen en dienen

De Heer beoogt dat er een heerlijke vrijheid ontstaat. Een vrijheid in gebondenheid aan Gods Woord, in afhankelijkheid van Gods Geest en in een elkaar onderdanig zijn in de vreze van Christus. Dat is een gemeente die elkander iets te geven heeft. Het Woord bewoont de leden rijkelijk, zodat zij elkander leren en terechtwijzen Kolossenzen 3 vers 16  (Kol. 03:16). Goede leiders stimuleren de ande­ren om vooruit te komen en bieden hen volop kansen om zinvol tot opbouw mee te dienen in de gemeente, ook in de Woordverkondiging 1 Petrus 4 vers 10 en 11  (1 Petr. 04:10-11). Natuurlijk zijn er meerderen die naar de tijd gerekend leraars gewor­den zijn  (vgl. Hebreeën 5 vers 12  (Heb. 05:12). Wij hebben geen behoefte aan louter een consumentenbond van luiste­raars. Er is fris, wisselend, door de Geest geleid dienstbetoon nodig in de samenkomsten, waar niemand bij voorbaat wordt uitgerangeerd. Alle leden mogen juist samen sporen teneinde aan de geestelijke opbouw bij te dragen Efeze 4 vers 16  (Ef. 04:16). Dat neemt niet weg en laat onverlet, dat God sommigen in een bepaalde bediening heeft aangesteld, die we hoog zullen respecteren! 1 Korinthe 12 vers 28 en 1 Thessalonicenzen 5 vers 12 en 13 en 1 Timoteüs 5 vers 17  (1 Kor. 12:28 en  1 Thess. 05:12-13; 1 Tim. 05:17).

De leer der Nicolaïeten

In de klassieke, protestantse kerken heeft de predikant een domineren- de positie. Het woord dominee bete­kent nota bene ‘heer’! Van dit Babylonisch-religieuze zuurdesem zijn we helaas maar ten dele bevrijd in  (vol)evangelische kringen. Waar vindt dit zijn oorsprong? In wezen bij de bisschop van de Rooms-katholieke kerk. Dit fenomeen ontstond al heel vroeg tijdens de ontwikkeling van de chris­telijke gemeenten. In de periode vlak na de apostelen schrijft Ignatius reeds over de bisschop van Antiochië. De Bijbelse opzieners  (episcopè) Handelingen 20 vers 28 en 1 Timoteüs 3 vers 1  (Hand. 20:28 en 1 Tim. 03:01) ontwikkelden zich door scheefgroei tot de verschijning van bisschoppen met macht.

In wat de Bijbel aangeeft over de Nicolaieten zien we de eerste ont­wikkeling in deze richting. Niko betekent heersen en laos: volk. Deze samengestelde naam houdt dus in: heersen over het volk. We vinden in Openbaring 2 vers 5  (Openb. 02:05: “Doch dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaieten haat, welke Ik ook haat”. In Efeze was er sprake van werken, die gelukkig nog gehaat werden.

In  (Openbaring 2 vers 15 (Openb. 02:15) is er in Pergamum sprake van de leer der Nicolaieten en die werd daar min of meer gedoogd. We lezen daar: “Zo hebt ook gij sommigen, die op gelij­ke wijze aan de leer der Nicolaïeten vasthouden. Bekeer u dan…”. Er was sprake van een opkomende klasse, die ging heersen over het gewone, gelovige volk. Deze groep ingewijden werden de ‘geestelijken’, die gingen heersen over de zoge­naamde leken. Dit groeide geleide­lijk uit tot een complete priester­stand, een clerus van bisschoppen, aartsbisschoppen, kardinalen, patriarchen tot tenslotte de paus toe. De protestantse kerken hebben maar ten dele met dit Roomse zuurdesem gebroken. Ook daar kennen we de eenzame figuur die alles doet in de dienst, wat aan anderen niet is toe­gestaan in de persoon van de domi­nee  (= heer). Alleen deze heeft de bevoegdheid om te preken. Hier zien we nog steeds de doorwerking van de leer der Nicolaieten. Zij het in afgeslankte en meer subtiele vorm komen we deze overheersende geest van controle ook tegen in  (vol)evangelische kringen.

Allen zijn priesters

Het Nieuwe Verbond leert duidelijk het algemeen priesterschap van de gelovigen. “Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priester­schap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht…”

1 Petrus 2 vers 9  (1 Petr. 02:09). De Nicolaieten dachten dat alleen zij de bediening van het woord hadden en dat het volk alleen maar hoefde te luisteren. Deze leer is actueel. Haar vertegenwoordigers kunnen soms zeggen apostelen te zijn, maar ze zijn het niet Openbaring 2 vers 2  (Openb. 02:02).

Jezus heeft gezegd: “Gij zult u niet rabbi laten noemen, want één is uw Meester en gij zijt allen broeders” Matteüs 23 vers 8  (Matt. 23:08). Er mag geen sprake zijn van hoogwaardigheidsbekleders, superintendenten, weleerwaarden en dergelijke.

Allen in het Nieuwe Verbond mogen de priesterdienst verrichten en zij zijn geroepen tot verzoenen, dienen en zegenen. In de gemeente van de levende God wordt samengewerkt aan de geestelijke opbouw en de inbreng van elk lid op zijn wijze is broodnodig.

Laten wij daarom bevrijd worden van alle restanten van de leer der Nicolaieten en laat de geest van controle geen macht meer uitoefenen in de gemeenten. Dat wordt een heerlijk, gezegend onder­ling dienstbetoon!

 

Onderweg door Duurt Sikkens

Uit nieuwsgierigheid had de kwajongen zich op een verboden terrein begeven aan de rand van het bos. Bij het klimmen over een prikkeldraadhek was hij ongelukkig ten val gekomen. En tot overmaat van ramp in een ellendige, woekerende braamstruik. Hij zat vast, kon niet voor- of achteruit. En als-t-ie probeerde los te komen werd het alleen maar erger en deed-ie zich pijn.

Een man passeerde op de fiets en zag de jongen.

“Zo”, zei hij, “da’s niet zo best. D’r staan borden ‘verboden toegang’. Kun je niet lezen?”

En hij liet de jongen zitten.

Een stel wandelaars hoorde de jongen roepen.

Ze spraken hem bemoedigend toe met de woorden: “Joh, wat beroerd voor je… nou… sterkte hoor!”

Even later kwam een mountain-biker langs en deze riep in ’t voorbijgaan: “Ik zal voor je bidden boor!”

Een poos later kwam op zijn hulpgeroep een voorbijganger naar hem toe, raakte zijn voet aan en zei: “God houdt van je. Dag!”

Het werd later op de middag.

Daar kwam weer iemand op de fiets. Aan z’n kleding kon je zien dat het iemand van de plantsoenendienst was. Hij stapte af en liep naar de jongen toe en keek.

“Jij vastzitten?” vroeg hij in gebroken Nederlands. “Ja”, kreunde de jongen.

De man haalde een snoeischaar uit z’n zak en knipte de jongen los. Bebloed en

geschramd stond hij even later weer op z’n eigen benen.

Hij bedankte zijn weldoener.

Deze zei: “Niet weer doen. Jij nu vrij”.

Hij stapte op z’n fiets, wees op z’n bagagedrager: “Ik jou thuisbrengen” Daar gingen ze samen.

Duurt Sikkens

 

Een ‘Heer’ in het verkeer door Froukje Huis

 

We waren een dagje uit geweest en reden nu huiswaarts op de A4. ’t Was ongeveer 5 uur en dus druk op de weg. Alle mensen haastten zich naar huis na een ingespannen werk­dag. Ik zat ’t met aandacht te bekij­ken. Elke rijbaan had als het ware zijn eigen tempo en het deed me denken aan Madurodam, waar de auto’s op een lopende band staan en elkaar dus nooit ‘in de wielen’ rijden. Er werd ordelijk gereden, ieder hield behoorlijk afstand en er werd weinig van baan verwisseld, omdat de hele weg vol was.

Gelukkig dat er verkeersregels zijn, bedacht ik. Als ieder er zich aan houdt, kunnen er nauwelijks onge­lukken gebeuren.

Maar ja, als er plotseling een wegpiraat opduikt, die iedereen wil passe­ren, andere weggebruikers van de weg toetert en zonodig rechts pas­seert, dan is hij een gevaar op de weg. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor anderen. Zoiets zou ik nooit doen, dacht ik zelfgenoegzaam… En opeens gingen mijn gedachten naar de geestelijke wereld, waarin wij onze wandel mogen hebben. Daar zijn ook ‘ver­keersregels’. Om er enkele te noe­men:

Oordeelt niet, opdat gij niet geoor­deeld wordt Matteüs 7 vers 1  (Matt. 07:01).

Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus Matteüs 7 vers 12  (Matt. 07:12).

Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet  12 vers 14 Romeinen (Rom. 12:14).

Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbou­wing bevordert Romeinen 14 vers 19  (Rom. 14:19).

Verdraagt elkanders moeilijkheden Galaten 6 vers 2  (Gal. 06:02).

Maar gij, geheel anders… Efeze 2 vers 20  (Ef. 02:20).

In ootmoedigheid achtte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ook op dat van anderen Filippenzen 2 vers 3  (Filip. 02:03). Hoe gedraag ik me ten aanzien van deze ‘verkeersregels’, vroeg ik mezelf af. Ben ik bereid de ander ‘voorrang’ te verlenen of moet iedereen maar voor mij opzij gaan? Sta ik nooit met een oordeel klaar als anderen iets doen wat ik nooit zou doen? Behandel ik de mensen, zoals ik zelf graag behandeld wil worden? Ben ik geheel anders?

Heer, bad ik, wat heb ik vaak Uw ver­keersregels overtreden. Ik heb me niet gerealiseerd, dat ik niet alleen mezelf, maar ook U en mijn ‘mede­weggebruikers’ tekort heb gedaan. Dat ik dikwijls in die geestelijke wereld een ‘gevaar’ op de weg was… Wat heerlijk dat de Heer altijd bereid is ons onze zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtig­heid.

En, zusters en broeders, zijn jullie al ‘geheel anders’?

1999.05-06 nr. 400

1999.05-06 Levend geloof nr. 400

Persoonlijk…door Gert Jan Doornink

U heeft thans het 400ste nummer van Levend Geloof onder ogen. Een mijlpaal waar we elders in dit nummer, in een speciaal artikel, nog wat meer aandacht aan geven.

Zowel wat geestelijke inhoud als wat veelzijdigheid betreft hebben we dit num­mer weer met veel vreugde samengesteld. Want wat is er heerlijker dan over de inhoud van het evangelie van Jezus Christus te schrijven en te lezen en daarbij te ontdekken hoe, onder inspiratie van Gods Geest, steeds meer geheimen en kostbaarheden tevoorschijn komen?

We twijfelen er dan ook niet aan dat dit nummer weer veel zegen en geloofsopbouw zal verspreiden. ‘Lezen en ter harte nemen’ is misschien een wat ouder­wetse uitdrukking, maar geldt zeer zeker ook voor de verschillende artikelen van dit nummer.

Behalve de op zich zelf staande korte en langere artikelen, begint Cees Maliepaard met een nieuwe vervolgserie nu de serie over judas is afgerond. De nieuwe serie artikelen behandelt Exodus 20 en heeft als titel ‘Voorbeeldfunctie van de wet’.

Het eerste artikel is gebaseerd op Galaten 3, vers 24 en 25.Gal. 3:24-25, waarin door Paulus betuigd wordt dat we in Christus niet langer met de tuchtmeestersrol van de wet te maken hebben. En bovendien dat de wet in het Oude Verbond eigenlijk een bijrol vervulde, daar onze God de beloften aan Abraham gedaan, een belangrijkere plaats toekende. Voor wie met ons in Christus Jezus is, zal de wet nog slechts een voorbeeldfunctie kunnen vervullen.

In het volgende nummer gaat de nieuwe rubriek ‘Onder de boom’ van start. Deze vaste rubriek wordt verzorgd door Duurt Sikkens die in zijn inleiding schrijft dat hij wil proberen wat gedachten te noteren die een zoekend mens op een spoor kunnen brengen. Daarbij gaat het om gewone, praktische, geestelijke dingen voor het leven van alledag.

 

Bij de voorplaat door Gert Jan Doornink

Dit 400ste nummer van ons blad vraagt om een feestelijk uitziende voorplaat. Vandaar dat we ditmaal gekozen hebben, uit de meer dan 2000 bijbelse illustratie die Gustave Doree gemaakt heeft, voor een ver­haal uit Richt. 11:34 waarin Jefta een gelofte aan God aflegt. Nadat de Ammonieten de nederlaag hebben geleden, lezen we in vers 34: “Toen Jefta naar Mispa, naar zijn huis kwam, zie, zijn dochter ging hem tegemoet met tamboerijnen en rei­dansen”.

 

Zomeraktie 1999

De aankondiging van onze jaarlijk­se financiële zomeraktie valt dit keer samen met de verschijning van het 400ste nummer. Een num­mer dat op grote schaal verspreid zal worden, want we willen uiter­aard zoveel mogelijk bekendheid geven aan ons blad. Het is ons vurig verlangen dat velen de volle boodschap die in Levend Geloof zo’n centrale plaats inneemt leren kennen. Daarvoor is ons blad een uniek instrument. Maar het uitgeven van een profes­sioneel blad als Levend Geloof, is in deze tijd een kostbare aangelegen­heid. De opbrengst van de abonnementsgelden is daarbij onvoldoende. We zijn dan ook dankbaar dat financieel gesteund worden door een belangrijk deel van onze lezers en lezeressen en door een aantal gemeenten. Daarnaast doen wij eenmaal per jaar-aan het begin van de zomer- een oproep aan iedereen die Levend Geloof een warm hart toe­draagt, om een extra gift over te maken voor ons werk. Wij sturen daarvoor geen acceptgiro’s maar rekenen op eigen initiatief. Bedenk dat we door meer financië­le armslag meer mogelijkheden hebben voor de promotie van ons blad. Wij hebben het volste ver­trouwen dat we ook dit jaar niet teleurgesteld worden. Laten we ons gezamenlijk blijven inzetten voor het heerlijke evangelie dat ons is toevertrouwd.. U kunt uw bijdrage overmaken op de in de colofon op bladzijde 2 vermelde nummers, met vermelding ‘zomeraktie 1999’. Bij voorbaat danken wij u voor uw medewerking.

 

Vol van de heilige Geest door Jildert de Boer

Er zijn er onder de kinderen Gods, die vele jaren terug een Geestesdoop – ervaring beleefd hebben. Hoe goed en noodzakelijk het ook is voor het eerst gedoopt te worden in heilige Geest, des te beter is het om zich dagelijks uit te strekken naar de vervulling met de heilige Geest. Daarom zullen we niet (vege)teren op een vroegere erva­ring, maar bezig zijn met het heden. In de praktijk van het dagelijks leven komt het erop aan de volheid van Gods Geest in de situaties niet alleen beschikbaar, maar ook ‘in voorraad’ te hebben. Niet alleen tijdens samen­komsten waar we de werking van de Geest Gods bijna tastbaar ervaren, maar vooral ook in de omstandighe­den van alledag is het een ‘must’ altijd vol te zijn van de Geest van God. Daarom: genoeg stof voor een eerlijk zelfonderzoek.

De waterzak van Hagar

In Genesis 21 lezen we over Hagar en Ismaël in de woestijn. “De vol­gende morgen nam Abraham brood en een zak water en gaf het aan Hagar, dat leggende op haar schou­der, als ook het kind, en hij zond haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba. Toen het water uit de zak op was…” Genesis 21, vers 14 en 15. (Gen. 21:14-15). Op dat moment begon de ellende voor het kind Ismaël. Kan het met ons ook niet zo zijn dat we in de samenkomst als het ware onze ‘zak’ boordevol vullen? Volgepompt door het water des levens komen we vervolgens thuis. Dan kan het zijn dat we ineens in het gewone leven als het ware in de woestijn terechtkomen en dat al heel spoedig het water in onze ‘zak’ schoon op is.

Er staat in een lied: “Maakt de woe­stijn tot een hemelse lusthof… Ja, ’t doet ons zingen, wijzigt de dingen. Alles draait om in ons leven meteen”. In een donkere kamer is er maar één vraag belangrijk: “kan ik het lichtknopje vinden”? In de levenssituaties gaat het erom dat Woord of die gedachte van God paraat te hebben of te vinden, waar­door het licht van de Geest weer volop kan doorbreken in je leven. Op deze wijze verjaag je de duistere machten, de nevels en de mist, die somtijds op je lijken te vallen vanuit de geestelijke wereld. Anders gezegd: kun je in een donke­re kamer (een moeilijke omstandig­heid) de sleutel (de oplossing, het inzicht) vinden naar een vertrek, waar het licht (Gods gedachten en woorden) je tegemoet komt en volop doorbreekt?

Als wij alleen in de samenkomst onze ‘zak’ vullen, die al gauw weer leeg raakt, wat baat ons dit dan? Op die wijze is het slechts een op-en- neer en heen-en-weer christenleven op menselijk, ziels nivo. De ene keer enthousiast in de stromen van de Geest en de andere keer weer droog staan. De bedoeling van God is dat wij verder komen en geestelijk wor­den! Dan krijgen wij een vaste gang. David zegt reeds: “Vernieuw in mijn binnenste een vaste geest” Psalm 51, vers 12b. (Ps. 051:012b).

Geestelijk worden begint met het eerst ontvangen van Gods Geest en daar moeten we van overtuigd zijn. Sommigen worden wat opgepept door een samenkomst en hebben daar een kick gehad. Als wij onze geest willen voeden, dan dienen wij niet te leven van ‘opkikkertjes’, maar zelf verborgen manna in het dage­lijks leven te verzamelen. Wanneer wij dorheid in ons leven ervaren, of op een bepaald gebied daarvan, dan zullen wij de weg leren verstaan hoe wij daar door de heilige Geest een hemelse lusthof van kun­nen maken. Hoe kan ik in mijn situ­atie zo naar de stem van de Geest luisteren dat alles aan gevoelens en gedachten in mijn leven om kan draaien, als ik daar thuis in mijn eentje zit te strijden!? De heerlijk is het als Gods Geest ons kan binnen voeren in een con­stant leven en dat niet alleen: een opgaand leven van heerlijkheid tot heerlijkheid 2 Korinthe 3 vers 18. (2 Kor. 03:18).

De ogen geopend: een waterput

In Genesis 21, vers 19. (Gen. 21:19) staat: “Toen opende God haar ogen…” Daar gaat het ook voor ons om in de (k)nijpende situaties van ons leven, als je niet in de broederkring bent! Wat zag Hagar toen? “Zij zag een waterput; zij ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken”. Met zo’n ‘waterzakje’ alleen te leven is arm. Voor mijn vrouw maak ik wel eens een kruik klaar. Dan vul ik een ,“warmwaterzak met gloeiend heet water. Na een paar uur echter is deze al behoorlijk afgekoeld. Veel heerlij­ker is het te leven bij een (geestelij­ke) waterput waar we voortdurend volop kunnen putten. Nog mooier is het als wij een waterbron voor ande­ren worden, waarvan het water niet teleurstelt Jesaja 58, vers 11. (Jes. 58:11). Eerst zullen we dan toch zelf boorde­vol van de stromen van levend water dienen te zijn, wil het gaan overvloei­en voor anderen. Of, met een ander beeld: niet alleen af en toe menselijk enthousiast zijn, maar altijd in brand staan voor God! Dat wil zeggen: de Here vurig van geest te dienen in de ijver Romeinen 12, vers 11. (Rom. 12:11). Op die manier kom ik niet tot zondi­ge werken en verdwijnen ook de dode werken, maar worden het levende in God verrichte werken! Nooit meer hetzelfde, nooit meer de sleur, maar een sprankelend leven in God! Het leven blijft interessant en boeiend en altijd is er meer heerlijk­heid in God te verkrijgen. Lof en dank zij God voor zijn Geest, waar­door de weg tot alle heerlijkheid Gods binnen bereik komt!

Water op de dorstenden

Hoe kom ik aan zo’n leven? In Jesaja 44 vers 3. (Jes. 44:03) lezen we: “Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge”. In de Staten­vertaling staat: “op de dorstenden”. Hoe kan ik Gods Geest niet karig, maar in volle mate ontvangen, zoals Gods bedoeling is en Hij het immers ook bij Jezus deed? Het antwoord is: als ik dorst heb, als ik een geweldige drang in mijn binnenste ervaar: ik heb daar behoefte aan! Hier kunnen we onszelf toetsen: heb ik een dorst naar levende woorden van God, of denk ik soms: “hè, alweer bijbelstu­die, kunnen ze niet eens wat luchtigers op het programma zetten”? Het gevolg van de vervulling met de heilige Geest bij de (eerste) discipe­len was dat ze voortdurend eendrach­tig in de tempel waren Handelingen, 2 vers 46. (Hand. 02:46). Dat was na Pinksteren. Zo geldt het ook ons: als wij dorst hebben naar God, dan zal Hij zijn Geest uitstor­ten! Zijn wij nog zo gegrepen van Jezus Christus, om zijn leven na te volgen in de kracht des Geestes? In een andere vertaling van Jesaja 44 vers 3. (Jes. 44:03) staat: “op de smachtenden”. Hunker ik werkelijk naar Gods Geest? Dan kan ik tot overwinning komen in die woestijnsituaties thuis of op mijn werk! God giet zijn Geest uit op hen die er intens naar verlan­gen! Het is mogelijk tevens nog half­vol te zitten met andere zaken.

Bijvoorbeeld als ons hart sterk naar een hobby uitgaat, die veel van onze kostbare tijd voor het Koninkrijk Gods rooft. Laten wij vol worden van heilige Geest! Het (geestelijk) ‘water­peil’ mag verhoogd worden. Hoe goed het als ‘mijn dijken’ doorbreken en het water des levens in alle gebie­den van mijn leven kan binnen komen. Ook op die terreinen van mijn leven waar de boze misschien een verzandings- of dichtslibbings- proces heeft bewerkstelligd. Waar heb ik zelf wellicht nog ‘dijkjes’ omheen gezet, waar ik Gods Geest niet toelaat? Van die eigen terreinen, waar een ander mij niet mee mag storen of daarop eens wijzen… Zo van: dat houd ik dus(?) vast… Op zulke afgebakende stukjes van zelf­handhaving of zelfs van (de geest van) weerspannigheid kan Gods Geest dan niet komen. Er is dan een ‘dijkdoorbraak’ in mijn leven nodig, zodat alles bestuurd kan worden door God en ik de kracht ervoor krijg om te doen naar het Woord.

Komt tot de wateren

“O, alle dorstigen, komt tot de wate­ren…” Jesaja 55 vers 1. (Jes. 55:01).

Bij dit meervoud kunnen we denken aan Gods Woord en Gods Geest. We lezen verder onder andere: “ja komt, koopt zonder geld wijn en melk”. Gedoopt te worden in de heilige Geest hoort bij de melk, bij het begin. We zullen dit onderpand (of: handgeld, waarborg, garantie) van onze erfenis Efeze 1 vers 13 en 14. (Ef. 01:13-14) niet ver­onachtzamen of geringschatten. Integendeel, het is een geestelijk ‘startkapitaal’ om mee te werken! Toch willen we ook niet blijven han­gen in een herinnering aan een Geestesdoop van jaren her. Elke dag opnieuw, voortdurend, wil­len we ons uitstrekken naar meer volheid van de Geest in de praktijk. God geeft zijn Geest aan hen, die Hem gehoorzaam zijn Handelingen 5, vers 32. (Hand. 05:32). Zij leren te wandelen in de Geest en de weg van gehoorzaamheid in Jezus’ voetstappen te gaan. Het eind­doel is tenslotte: vervuld te worden tot alle volheid Gods Efeze 3 vers 19. (Ef. 03:19). “Waarom weegt gij geld af voor wat geen brood is en uw vermogen voor wat niet verzadigen kan”? Jesaja 55 vers 2a.(Jes. 55:02a). Onze hobbies en aardse beslomme­ringen kunnen ons niet verzadigen, maar hier is ieder ‘natuurlijk’ vrij om te kiezen. Het gevaar van veel vers­trooiing is dat onze gedachten alle kanten opgaan, maar niet opstijgen naar het hemelse. Voor een christen geldt de verplichting niet te zondi­gen, maar wat het aardse betreft bestaat er vrijwilligheid om dingen al of niet op te geven. Daarbij kan afge­wogen worden wat nuttig en minder nuttig is. Als ik heelhartig God wil dienen, dan zal ik er voor zorgen dat aardse zaken geen sta in de weg wor­den voor mijn geestelijke ontwikke­ling.

“Hoort naar Mij, opdat gij het goed eet en uw ziel zich in overvloed verlustige” Jesaja 55 vers 2b. (Jes. 55:02b). Er staat van Jezus dat Hij is gekomen, opdat zij leven hebben en dat in overvloed (Johannes 10, vers 10b. (Joh. 10:10b, letterlijk). Het is één ding om leven te hebben. Maar als wij daarbij de overvloed van de heilige Geest ervaren, wordt het dan moeilijk om de zonde te over­winnen in eigen leven? Nee, dan wordt het niet zwaar en taai, maar dan ervaren wij de vermeerdering van de kracht van God van binnen­uit. Laten wij er veel meer besef van krijgen welke overweldigend grote kracht God ons heeft toegezegd Efeze, 1 vers 19.(Ef. 01:19).

Het is nodig je daarvan bewust te worden. Als wij het niet ervaren in overvloed, dan is het erg goed om God te bidden om een nieuwe vol­heid van Zijn Geest en daarbij tevens na te gaan waar er nog blokkades vanuit het rijk der duisternis in mijn leven zijn, die belemmerend en stremmend werken.

Geloven zoals de Schrift zegt

“En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeg­gende: “Indien iemand dorst heeft, hij kome tot mij en drinke”! Johannes 7, vers 37. (Joh. 07:37).

Dat zijn drie concrete stappen: 1. dorst, 2. komen, 3. drinken! “Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt (niet wat de traditie of wat gevoelens zeggen), stromen van levend water zullen uit zijn binnen­ste vloeien” Johannes 7, vers 38. (Joh. 07:38). Als ik zelf vol van Geest wordt, dan kan de ander ook geholpen worden! Wanneer bij mij de dorheid, de stugheid en de koppigheid (ik herken die streek- geest van mijn afkomst!) verdwijnt, kunnen er stromen van zegen voor anderen uit mij vloeien. Zo is het niet moeilijk meer om vrijmoedig te zijn naar buitenstaanders. Dat is totaal anders dan een keel als een ‘open graf’ te hebben Romeinen 3, vers 13a. (Rom. 03:13a). Nu wordt het: waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond! Lucas 6, vers 45. (Luc. 06:45).

Het spreken in tongen

Is het dan ingewikkeld om in tongen te spreken? Helemaal niet! Dan is het ook niet meer nodig dat sommi­gen hier reserves blijven houden. Verre daarvan! Tongentaal is een kwestie van je over te geven in die stroom van de heilige Geest. Het functioneert door de combinatie van de menselijke geest verbonden met Gods Geest.

Dat doe je niet door je lippen en je kiezen krampachtig op elkaar te klemmen, want de heilige Geest for­ceert niets door geweld. Zonder de Geest kunnen wij niet in tongen tot God spreken, maar zonder ons wil de Geest niet dat wij in tongen spre­ken. Gods Geest wil het door ons heen doen, nooit zonder ons! Het is de (menselijke) geest, die in tongen bidt 1 Korinthe 14, vers 14 en 15. (1 Kor. 14:14-15), maar de gevormde woorden zijn “zoals de Geest het hun gaf uit te spreken” Handelingen, 2 vers 4b. (Hand. 02:04b).

Het gaat om de open, ontspannen houding: “Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen”. Psalm 81 vers 11c (Ps. 081:011). In geloof doe ik mijn mond wijd open om God groot te maken in het Nederlands en in nieuwe tongen, waartoe God de inspiratie geeft. Als je in het Nederlands God wilt prij­zen, dan ben je beperkt en kom je vrij snel aan het eind van je ‘latijn’ en mag je overgaan in geestestalen Een Korinthe 13 vers 1. En 1 Korinthe, 14, vers 15.(1 Kor. 13:01 en

 1 Kor. 14:15). Als Gods Woord spreekt over je ver­heugen met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde Een Petrus, 1 vers 8b. (1 Petr. 01:08b), dan kun je niet meer toe met je Nederlands alleen. Bij tongentaal staat je verstand over het algemeen heel nuchter toe te kijken, snapt het niet 1 Korinthe 14, vers 14. (1 Kor. 14:14), maar je spreekt geheimenissen door de Geest en je merkt: ik word opgebouwd! Een Korinthe, 14 vers 2 tot en met 4 a. (1 Kor. 14:02-04a).

Als je het druk hebt op je werk en je gaat in tongen spreken, dan komt er een rust en verademing over je Jesaja 28, vers 11 en 12. (Jes. 28:11-12). Het is niet de bedoeling dat we geleefd worden door stress op ons werk en de bewuste toepassing van de tongentaai is nuttig in zulke omstandigheden. Zo kan het ook voorkomen dat je alleen thuis bent en de aanklager komt, dat je gaat zitten kniezen, omdat er een ‘wolkendek’ vanuit de geestelijke wereld op je valt. Ken je dan dit geheime wapen om in ton­gen te spreken, dan merk je: dat geeft verademing! Dan kom je er doorheen en kun je zo’n ‘wolkendek’ verdrijven. Er staat niet voor niets in één adem: “in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken” Markus 16, vers 17. (Mark. 16:17).

Het kost strijd om altijd positief te zijn en altijd goede moed te hebben, maar het is voluit mogelijk! Gebruik dus dit middel om jezelf op te bou­wen! Paulus benutte deze mogelijk­heid ten volle en hij drukte dit uit met de woorden: “Ik dank God, dat ik meer dan gij allen in tongen spreek” 1 Korinthe, 14 vers 18.

(1 Kor. 14:18).

Mensenvrees als belemmering

In Spreuken 25, vers 25 en 26. (Spr. 25:25-26) lezen we: “Goede tijding uit verren lande is koel water voor een dorstige ziel. Een troebel gemaakte fontein en een ver­ontreinigde bron, zo is de rechtvaar­dige die voor de goddeloze wankelt”. Vrees voor mensen kan een belem­mering zijn voor de doorwerking van de heilige Geest. Het vormt een hin­dernis voor de stromen van de Geest, voor het levende water dat uit mij zal vloeien. Bijvoorbeeld: bang zijn om overdreven en overgeestelijk gevon­den te worden. Wij zullen eerder een gezonde vrees dienen te hebben om ‘ondergeestelijk’ te zijn, waardoor er geen stromen van levend water uit ons binnenste komen, maar mis­schien slechts druppeltjes… Het zou jammer zijn om de volle zegen van Christus Romeinen 15, vers 29. (Rom. 15:29) voorbij te laten gaan door vrees voor mensen. “Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here ver­trouwt, is onaantastbaar” Spreuken 29, vers 25. (Spr. 29:25).

Dat kan ook zelfs in de gemeente zijn: misschien vinden ze het wel ‘gek’ dat ik hardop in tongen zou gaan spreken en vertolken (hetzij zelf, hetzij door de ander) in de samenkomst. Mogelijk denken ze dat ik mezelf graag wil laten horen… Waarom zou je je echter door Satan de mond laten snoeren als Gods Geest je drijft en je motivatie, je beweegreden, zuiver is?

Wakker de Geest aan!

De gave van de heilige Geest ontvan­gen is de voorwaarde, om binnen te komen in een overwinningsleven. Zonder de Geest lukt het ons niet. Er staat ook enkele keren “in heiliging door de Geest” 1 Petrus, 1 vers 2. En 2, Thessalonicenzen, 2 vers 13. (1 Petr. 01:02 en 2 Thess. 02:13; zie ook

1 Thessalonicenzen 4, vers 7 en 8. (1 Thess. 04:07-08). Als u niet zeker weet of u de doop in de Geest hebt ontvangen, bid erom, of laat u zo nodig daartoe de handen opleggen door vertrouwde mensen in een gezonde gemeente. Dat is niet iets om op te dringen, maar laat het komen vanuit een dor­stend, verlangend hart bij u! Als de tongentaal niet zo erg wil vlotten, is het fijn om hulp en raad te vragen, zodat er een verdere doorbraak, uit­bouw en opbouw in uw leven komt! Wakker de Geest aan (vgl. 2 Timoteüs, 1 vers 6. (2 Tim. 01:06) door met het Woord bezig te zijn en het gebed te zoeken! Een persoonlij­ke verbinding met Jezus Christus is onontbeerlijk. Wij hoeven niet van samenkomst naar samenkomst te leven met daar tussenin van die droge perioden, maar wij mogen een stabiele, toenemende wandel in de Geest hebben zeven dagen per week! Laat u aansporen en kom mee in dit heerlijke overwinningsleven!

 

Onder de tuchtmeester vandaan door Cees Maliepaard

Voorbeeld­functie van de wet Deel 1 “De wet is een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester” Galaten 3, vers 24 en 25. (Gal. 03:24-25)

De wet… wat moeten we er mee; hebben we daar eigenlijk nog wel een bood­schap aan? Jezus heeft haar immers vervuld. En dat deed Hij niet omdat Hij dat voor zichzelf nodig had, maar omdat Hij dat voor Gods mensen over had en vooral om daarmee het vol­maakte plan van de Here God te ver­wezenlijken.

Het begint met een belofte

Gods heilsboodschap voor de mens die Hem toebehoort, neemt een aan­vang met het geven van rijke belof­ten. Hij gaat er niet toe over, de gevallen mens onder een streng wet­tisch stelsel te brengen, maar Hij begint met het doen van toezeggin­gen aan Abrahams en diens zaad Galaten 3, vers 16. (Gal. 03:16). Uitdrukkelijk wordt er bij vermeld dat dat zaad in het enkel­voud staat en dat daarmee gedoeld wordt op de Christus. Vaak wordt gedacht dat het meest kenmerkende van het Oude Testament in de wet gelegen is. Men zegt dan wel: de wet heeft in Christus Jezus haar vervulling gevonden, en dus heeft het Oude Testament ons niet veel meer te zeg­gen. Maar dat vindt z’n grond in een misvatting. Want niet de Mozaïsche wet is de kern van het Oude Verbond, maar deze wordt gevormd door Gods beloften aan Abraham Galaten 3, vers 17 en 18. (Gal. 03:17-18). De wet kwam pas na 430 jaar nadat het testament door God in de belofte aan Abraham gege­ven was.

Het is in dit verband begrijpelijk dat in Galaten 3, vers 19. (Gal. 03:19) verduidelijkt wordt, dat de wet erbij gekomen is. Het doel dat God met de wet voor ogen stond, is nooit het vastleggen van een overeenkomst geweest. Gods plan met de mens was vervat in de beloften aan Abraham. De wet is erbij gekomen om als het ware te onderstrepen dat de mens tekort­schoot en derhalve een verlosser nodig zou hebben. Die Verlosser kwam niet op grond van verdiensten van de mens op basis van enigerlei wetsvervulling, maar uitsluitend vanwege Gods genaderijke beloften aan Abraham. De aanleiding tot vrijmaking van de mens uit de strik van de boze, kan dus nimmer in de wet gevonden worden, maar altijd in wat God beloofd heeft in Zijn woord.

De wet als tuchtmeester

God heeft de wet er niet bijgesleept om de mens voor eens en voor altijd duidelijk te maken dat het eigenlijk niets met hem voorstelt, maar om hem met des te meer verlangen uit te laten zien naar de vervulling van de beloften. Het heil zou openbaar komen, niet omdat dat nu eenmaal van meet af aan Gods bedoeling is geweest. De wet stelt de mens als het ware in verzekerde bewaring Galaten 3, vers 23. (Gal. 03:23) God gebruikt de wet niet om (als een laatste poging) weer wat con­trole over de mens te krijgen, maar om deze met verlangen uit te laten zien naar de tegenwoordigheid van de beloofde Zoon, het zaad (aan Abraham in het vooruitzicht gesteld). De wet bracht de mens onder de tucht. Niet onder de roede, niet onder ‘de slaande hand Gods’, zoals door de religieuze mens wel gedacht wordt. Dat zou trouwens niet eens kunnen, want onze God hééft geen slaande handen! Wie God verlaat kan wel van alles te vrezen hebben, maar niet van God: van de Satan! De wet als tuchtmeester is nooit een goddelijk middel tot kastijding is geweest, maar veeleer een leermees­ter, een trainer in het omgaan met Gods gedachten voor de mens – gedachten die van het begin af op de Christus gerecht waren.

Uitzien naar de Verlosser

Alle eeuwen dat Gods volk onder de wet in verzekerde bewaring gehou­den werd, zagen ze uit naar de beloofde Messias. In tijden van vrij­heid en welvaart in het hun door God toegezegde land, leefde dat min­der dan in de jaren van de diverse ballingschappen.

Maar ook in gevangenschap kwam men minder gauw tot een uitspraak als: ‘Morgen zal de Messias komen!’ Het behoorde daarentegen tot het dagelijks ritueel elkaar te bemoedi­gen met gezegden als: ‘Morgen in Jeruzalem!’

Het neemt niet weg dat er de eeu­wen door getrouwen geweest zijn, die zich op Gods beloften beriepen. Zij waren vol verwachting van wat de komende Gezalfde zou gaan doen, zonder dat ze daarvoor een juist inzicht hadden. Vandaar dat toen Jezus geboren werd, twee oude getrouwen (Simeon en Anna) de tij­den waarnamen en het kind Jezus als de beloofde Messias onderkenden Lucas 2 vers 22 tot en met 38. (Luc. 02:22-38).

Zij beseften dat men naar dit kind eeuwenlang uitgekeken had, dat Hij degene was naar wie de wet hen toe- leidde. “Mijn ogen hebben uw heil gezien, dat U bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren”, zei Simeon.

Overeenkomstig de belofte

Het heil begon in Bethlehem; daar kreeg de belofte aan Abraham gestal­te. De wet benadrukte de tekorten van de mens die God toebehoort; zij verwees naar de Verlosser om die manco’s op te heffen. De wet werd soms als met ijzeren knoet gehan­teerd, maar zo heeft onze Vader haar nooit bedoeld. Het van elke verdien­ste gespeende feit van afstamming van de aartsvaders, werd maar al te graag door de geestelijke leiders van het volk benadrukt. Maar hoeveel inzet de vaders uit de oudheid ook voor God en de goede zaak gehad hebben: het is niet aan de stamboom te danken dat mensen deel hebben gekregen aan het godde­lijke heilsplan. Het is puur het gevolg van Gods genade op grond van zijn onberouwelijke beloften, ooit aan zijn vriend Abraham gedaan.

Voor alle duidelijkheid: die beloften gelden slechts voor het nageslacht van Abraham. Echt voor niemand anders!

En wie zijn de nakomelingen van Abraham dan wel? Niet die volgens de natuurlijke lijn van hem afstam­men – het heeft zelfs helemaal niets met een stamboom te maken! In Galaten 3, vers 7 tot en met 9. (Gal. 03:07-09) staat: “U bemerkt dus, dat zij die uit het geloof zijn, kinderen van Abraham zijn. En de Schrift die tevoren zag dat God de heidenen uit geloof recht­vaardigt, heeft tevoren aan Abraham het evangelie verkondigd: In u zullen alle volken gezegend worden. Zij die uit het geloof zijn worden dus teza­men gezegend met de gelovige Abraham”.

Het mag duidelijk zijn dat Gods beloften over Abrahams nakomeling­schap, dat immers ontelbaar zou zijn als de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan het zeestrand, op zijn gééstelijke nageslacht heeft geslagen.

Vrij van de wet

Niemand zal ons nog met de wet om de oren kunnen slaan, hoewel het verbijsterend is hoe gemakkelijk sommigen zich een oordeel menen te kunnen aanmatigen over medege­lovigen… en dat vaak op punten die goed beschouwd in het wettische vlak liggen. Terwijl het God notabene nooit om de wet te doen geweest is, maar om de mens die in Hem gelooft en openstaat voor een relatie met Hem. Mensen die op een wet­matige wijze bezig zijn in de gemeente, doen hetzelfde als echte­lieden die elkaar het trouwboekje onder de neus wrijven en zeggen: ‘je hebt beloofd dat je altijd voor me zorgen zult!’ Het gelijk zou natuur­lijk wel aan hun kant zijn, maar als je zoiets af moet dwingen, is je huwelijk gedegradeerd tot een ver­standelijke overeenkomst. Het men­selijke hart is er dan niet meer bij betrokken. In een huwelijksrelatie is men er immers voor elkaar omdat dat in beider harten leeft, niet omdat het moet.

Zo ook zullen we elkaar in de gemeente de wet niet voorschrijven, waar onze God immers ook niet meer met de wet rekent. Althans niet voor hen die in de Christus zijn. Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden Galaten 3, vers 13. (Gal. 03:13). Dat deed Hij op Golgotha, eenmaal voor altijd.

Daardoor zijn we losgekomen van de vloek van de wet en is de belofte aan Abraham daarmee ons deel gewor­den, namelijk de belofte van de Geest. De Geest van God werkt niet met wettische elementen, maar geeft de mens mogelijkheden om zich te ontplooien naar Gods oorspronkelij­ke bedoeling.

Vrije zonen en dochters

Vaders eerste Zoon -Jezus- is werke­lijk vrij van belemmeringen. Geen enkele duivelse macht maakt kans op een invalsmogelijheid bij Hem. In de Christus ingevoegd staan we in een zelfde relatie tot de Vader, die ons immers met dat doel voor ogen geschapen heeft.

In al die delen van ons leven waarin we het beeld van de Christus getrouw weergeven, zijn we dus ook op precies dezelfde wijze vrije zonen en dochters van de hemelse Vader. Naar analogie van Jezus’ zoonschap, worden al Gods kinderen zonen van God genoemd.

En waar we op weg zijn naar de vol­ledige doorwerking van dit mateloos gave gegeven, zijn we bezig ons te ontwikkelen naar het volle zoon­schap.

Vrij recent werd door iemand opge­merkt: ‘Jezus zei eens dat wie Hém zag, de Vader gezien had. Durven wij het aan, te zeggen dat wie óns gezien heeft, derhalve de Christus is tegen­gekomen?’

Toch is dat de realiteit van vandaag, want de Christus kwam in Gods eer­ste Zoon openbaar door een perfect samengaan van de menselijke geest van Jezus en de bij Hem inwonende Geest van God. Precies zo wordt de Christus in ons leven zichtbaar door een samengaan van ónze geest met die waarin wij bij onze Geestesdoop gedoopt zijn.

Onbelemmerd veranderen

“Waar de Geest van de Heer is, daar is vrijheid”, merkt Paulus op in 2 Korinthe 3, vers 17. (2 Kor. 03:17). Als het over vrij­heid gaat, is de beslissende factor in het leven van wie de Heer toebe­hoort: we mogen onbelemmerd ver­anderen naar hetzelfde beeld dat Jezus in zich draagt. Dat is een fijne ontwikkeling, die je in je innerlijke mens niet behoeft te ervaren als een voortslepen van de ene wetmatige ellende naar de ande­re, maar als een ontplooiing van heerlijkheid tot heerlijkheid! Jezus is de Vredevorst en Hij is onze koning. Onder zijn heerschappij leven we in vrede met Hem, met God en (voor zover het van ons afhangt) met de mensen. Gods vrede is in onze harten. In ieders geestelij­ke hart worden ook de relatiepunten met de Vader en met Koning Jezus gevonden.

De duivel wil de ons gegeven inner­lijke harmonie graag roven, bijvoor­beeld door ons onder druk te zetten door wettische geesten. Maar ook daarvoor gelden Gods beloften: in Christus Jezus is ons mede daarover overwinning gegeven.

 

Waardevol door Astrid Poldervaart

Als je ziet,

hoeveel mensen om je heen

in hun wanhoop en verdriet

zijn verstrikt.

 

Als je hoort,

dat relaties zijn verstoord

doordat een stem niet werd

gehoord;

als je dat hoort.

 

Ben jij het dan die spreekt

met alles wat je weet.

Dat ondanks nood en pijn

er een weg terug kan zijn?

Ben jij het dan die zegt

er is een toekomst weggelegd?

En waar je nog doorheen moet gaan

reikt Jezus zijn handen aan.

Hoe goed ook therapieën zijn

Hij is de beste medicijn.

 

Als je merkt,

dat je telkens maar weer faalt

en datje daar zo erg van baalt

als je dat merkt.

 

Als je weet,

dat geen vijand is bestand

tegen Zijn sterke rechterhand

als je dat weet.

 

Dan weet je dat het werkt

al ben je zelf beperkt.

Hij komt je tegemoet

en geeft je kracht en moed.

Laatje strijdvaardigheid

niet roven in de strijd.

Op jouw stem wordt gewacht

door mensen die in de nacht

de weg zijn kwijtgeraakt

Je bent toch zoveel waard.

Astrid Poldervaart

 

Vierhonderd keer Levend geloof door Gert-Jan Doornink

Bij de verschijning van dit vierhon­derdste nummer van ons blad kan een kleine terugblik en evaluatie niet achterwege blijven. Daarbij is het niet de bedoeling een soort chronolosche terugblik te werpen op de nu bijna veertig jaar dat Levend Geloof verschijnt, maar we willen toch enke­le dingen memoreren die duidelijk maken waarom Levend Geloof een belangrijke en verantwoordelijke taak in dienst van Gods Koninkrijk vervult. Het eerste woord waar wij aan denken bij dit jubileum’ is het woord ‘dankbaarheid’. Dankbaarheid jegens Hem die het ons mogelijk maakte het blad uit te geven en ons door Zijn Woord en Geest inspireerde om in getrouwheid en volharding hiermee door te gaan.

Het begin

Hoe komt iemand ertoe een blad uit te geven? Daarvoor moet ik iets ver­tellen uit mijn leven. Ik ben als enig kind opgegroeid op een boerderij in een dorpje aan de Gelderse IJssel. Toen ik een jaar of negen was begon ik zelf een krantje te maken met daar­in het nieuws wat er op de boerderij gebeurde. Het krantje bestond uit een dubbel gevouwen velletje uit een schoolschrift. Met pen of potlood (balpennen waren er in die tijd nog niet) werd met drukletters het blad gevuld. Het grote voorbeeld was daarbij de krant die mijn ouders lazen. Eigenlijk was ik toen al gefasci­neerd door alles wat met kranten en tijdschriften te maken had, en dat is mijn hele leven zo gebleven. Toen ik wat ouder was geworden werd ik ook korrespondent van een paar kranten. Maar alles als hobby, want ik groeide op met alles wat er op de boerderij gebeurde. Ik kreeg ook mijn opleiding op de land- en tuinbouwschool, want het was uiter­aard de bedoeling dat ik later de boerderij over zou nemen. Mijn ouders waren Nederlands Hervormd en uit traditie ging ik mee naar de kerk en was ook lid van de jongerenvereniging en Jonge Kerk, waar ik later ook actief in was. Toen ik 19 jaar was volgde ik, zoals dat genoemd werd, belijdeniscatechisatie en werd als lid van de kerk aangeno­men, zoals dat met iedereen op het dorp gebeurde. Ik had echter geen enkel innerlijk besef dat ik behoorde bij de gemeente van Christus. De predikant van die tijd was echter een ‘bekeerde dominee’ met vrij evangeli­sche achtergrond.

De verandering

Eenmaal per maand was er ook een Jonge Kerk-avond waar dan gespro­ken werd over een bepaald onder­werp. Zo sprak op 17 november 1952 Ds. W. A. Plug van het pastoraal cen­trum ‘De Hezenberg’ uit Hattem. Het onderwerp van die avond was ‘Geloof, gebed en genezing’. Dat gebeurde naar aanleiding van het tournee wat de Duitse evangelist Hermann Zaiss in die tijd in Nederland hield. Hij had ook op De Hezenberg gesproken. Wat Ds. Plug die avond allemaal vertelde weet ik niet meer, maar wel dat ik die avond ‘gegrepen’ werd door de prediking. Het was alsof God Zijn hand op mijn leven legde. Ik herinner mij verder dat ik enige tijd later thuis op mijn slaapkamer op mijn knieën ben gegaan, mijn zonden heb beleden en Jezus aannam als mijn Zaligmaker.

Ik wist nu dat ik een kind van God was geworden, waarbij ik de zekerheid had van Johannes 1 vers 12. (Joh. 01:12), waar staat dat “allen, die Hem aangeno­men hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te wor­den”. Er was een grote verandering in mijn leven gekomen, die zich vooral uitte om nog actiever te worden in de kerk. Doordat ik zelf secretaris van de Jonge Kerk was geworden, en ook nog enkele anderen tot bekering waren gekomen, nodigden wij ‘positieve’ predikanten en evangelisten uit om te spreken. Zo kwam onder ande­re broeder Stroethoff, die ook Hermann Zaiss naar ons land had uitgenodigd, spreken op een evange­lisatieavond in de kerk. Terwijl bijvoorbeeld ook Leo Pasman op een Youth for Christ-rally in de kerk sprak.

Opwekkingstijd

Door bladen als Het Zoeklicht, Kracht van Omhoog en De Oogst las ik uiteraard ook over opwekkingen in allerlei landen. We gingen naar de Billy Graham campagnes in Amsterdam en Rotterdam in 1954 en 1955. En toen kwam 1958. De Amerikaanse evangelist Osborn zou naar Nederland komen. Samen met enkele anderen organiseerden wij bustochten daar naartoe. Onze dominee stond ook op het Malieveld enthousiast mee te zingen met de handen omhoog. In het najaar organiseerden wij in de kerk een grote ‘opwekkingssamenkomst’ waar broeder Zwier Hilbrink uit Vroomshoop in een stampvolle kerk sprak over Jezus de volkomen Verlosser. Ook werd broeder Johan Maasbach, de tolk van Osborn, uitge­nodigd voor een campagne. Maar de vijand zat ondertussen niet stil. Vooral niet toen we in de daarop­volgende winter in een evangelische samenkomst ons lieten dopen door onderdompeling. De dominee kwam nu met een paar ouderlingen op bezoek. Zij hadden een brief van het ‘classicaal bestuur’ bij zich waarin ons de toegang tot het Avondmaal werd ontzegd.

Dit werd onze breuk met de kerk. Maar ook betekende dat een komen in de werkelijke vrijheid zoals God die voor al Zijn kinderen bedoeld heeft. Wie door het oude leven af te leggen in het watergraf met Christus opstaat tot een nieuw leven, komt los uit welk godsdienstig of religieus systeem ook en gaat behoren tot de werkelijke gemeente van Christus. Dan is het etiket wat men verder draagt van minder belang. Ik werd nu actief in allerlei evangelisatiewerk, verspreidde positieve lectuur zoals het blad Kracht van Omhoog, enz.

De oprichting

Natuurlijk was daar ook het ‘zelf schrijven’ nog, wat al in de kerk ver­der ontwikkeld was door het houden van inleidingen voor de jeugd. Maar het begon steeds meer duidelijk te worden dat ik misschien zelf wel een blad uit zou kunnen geven, vooral toen ik een keer las in een evangelisa­tiefolder dat de beste manier van lec­tuur verspreiden was het eerst zelf te schrijven, zodat men wat in eigen hart leeft het meest duidelijk kan overbrengen.

Zo werd op 1 november 1961 Levend Geloof opgericht. Aanvankelijk was het de bedoeling het blad Nieuw Leven te noemen. Maar in die opwek­kingstijd tijd ontstonden er ook andere bladen, zoals Opwekking van Ben Hoekendijk, terwijl Johan Maasbach zijn blad Nieuw Leven ging noemen. Na veel nadenken werd het me duide­lijk dat ‘Levend Geloof’ wel een aan­sprekende titel zou kunnen worden voor het blaadje dat ik zou gaan uit­geven. Daarbij moest ik ook denken aan het blad van broeder Osborn wat ‘Faith Digest’ heette. In januari 1962 verscheen dan het eerste nummer in een heel beschei­den oplage, gestencild op A5-formaat. Deze verschijningsvorm is vele jaren zo gebleven, zelfs was er een jaar dat het eens per week uitkwam. Maar hoewel als maandblad bedoeld, kwam het ook wel eens een enkele keer om de twee maanden uit. Al heel spoedig schafte ik zelf een drukpers aan. Gedurende vele jaren deed ik min of meer alles zelf, zoals het schrijven, samenstellen, drukken, vouwen, nieten en verzenden, alles handmatig.

Bekwame schrijvers

In de begintijd vertaalde ik nog wel eens artikelen uit Engelse of Duitse Opwekkingsbladen, maar al heel spoedig werd ’t me duidelijk zo min mogelijk uit buitenlandse bladen over te nemen, maar artikelen zelf te schrijven. Een principe dat we, in tegenstelling tot verschillende andere bladen, tot op de dag van vandaag hebben gehandhaafd. Niet dat er uit het buitenland niet iets goeds kan komen, maar wel omdat er in het Nederlandse taalgebied vele bekwa­me schrijvers zijn. Al spoedig werd het blad dan ook opengesteld voor andere schrijvers. Vrijwel vanaf het begin heb ik als eindredacteur mijn taak ook vooral gezien als coördinerend. Dit voor­komt dat er een soort eenmans- bediening ontstaat, want het gaat om het gezamenlijk ontdekken en door­geven van de ‘volle waarheid’, het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Hetzelfde evangelie dat ook Jezus en de apostelen brachten en dat in Levend Geloof altijd een centrale plaats heeft ingenomen en zolang het blad blijft bestaan zal blij­ven innemen. De laatste jaren hebben de artikelen uiteraard aan diepgang gewonnen, want ook allen die in het blad schrijven zijn betrokken bij de geestelijke groei die God zo graag bij al Zijn kinderen wil zien. Het gaat erom dat we, zoals Paulus dat formu­leert, de mannelijke rijpheid zullen bereiken, de maat van de wasdom der volheid van Christus.

Geen doel, maar middel

Ook willen we nog eens accentueren dat Levend Geloof geen ‘doel’ op zichzelf is, maar een ‘middel’, één van de vele middelen die de Heer wil gebruiken om Zijn doel te bereiken. Daarom bestaan er ook geen Levend Geloof-gemeenten en organiseren we geen andere activiteiten zoals confe­renties. Wél hebben de verschillende schrijvers in het blad en de eindre­dacteur een taak in de verschillende gemeenten of in dienst van de gemeenten. Zelf mag ik al vele jaren het evangelie verkondigen in vele gemeenten en groepen. Zo wil Levend Geloof de gemeenten en de individuele gelovigen dienen en opwekken een lévend geloof tot open­baring te brengen. Gezien de vele positieve reacties wordt dit door velen gewaardeerd. Zolang het blad een duidelijke functie vervult, gaan we daarom ook na dit 400ste num­mer rustig door, met de verkondiging en uitleg van het enige evangelie dat waardevol en waardevast blijft tot in alle eeuwigheid.

 

Korte gedachten diverse auteurs

Stromend water door Truus van Kaam

Als we de kraan openzetten komt er water uit en als we het niet opvangen stroomt het weg. Jammer. In de Bijbel wordt gesproken over het ‘waterbad met het woord’, dat wil zeggen dat het een reinigende functie heeft. Alles wat onbruikbaar en vuil is verdwijnt en zo worden we gezuiverd. Met de waterdoop als basis zijn we in staat het oude leven achter ons te laten. Door de werking Gods zijn we met Jezus opgewekt tot een nieuw leven Kolossenen 2 vers 12. (Kol. 02:12). Door deze werking Gods in ons leven verder toe te laten kunnen we groeien en geheiligd worden naar geest, ziel en lichaam. Al scheiding aanbrengend gaat dit proces verder en dieper. Dan worden we één van binnen, de innerlijke verdeeldheid wordt opgeheven. Daartoe vestigen we onze aandacht alleen op Jezus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof.

Pinksterfeest door Cees Maliepaard

Pinksteren, het minst begrepen feest van de christelijke gemeente, is in wezen de climax van de jaarlijkse kringloop der festiviteiten. Wat is er dan voor feestelijks aan een herdenking van iets dat een kleine 20 eeuwen geleden plaats­vond en wat bij het gros van de christelijke goegemeente niet of nauwelijks een aktieve rol speelt?

De praktijk is in vele kerken en kringen, dat men als natuurlijke mensen die veelal niet wederom geboren zijn, geen flauwe notie kan hebben van geestelijke zaken. In het beste geval zal men weet hebben van het historische feit van Pinksteren – wat dat dan ook voor associaties bij hen op kan roepen. Pinksteren kan slechts dan een feestelijke aangelegenheid zijn, als men zelf deel heeft aan de Geest van Pinksteren. Daarom is de persoonlijke doop in Gods Geest voor het beleven van Pinksteren een vereiste. Het is zonder meer nodig dat kinderen Gods met de Geest gezalfd worden. En dat niet alleen om mee feest te kunnen vieren, maar vooral om in het Lichaam van Christus ingevoegd te kunnen zijn. Om samen met Jezus en al Gods andere zonen naar het eeuwige plan van de Vader te kunnen functioneren. Dat is een feest! Eindeloos! Daarom komt er ook geen einde aan Pinksteren; het feest gaat door!

Het werkelijke geluk door Gert Jan Doornink

‘De wereld verdeelt zich in rijke mensen die niet gelukkig zijn en in arme mensen die gelukkig zouden zijn als zij maar rijk waren’. Deze opmerking werd eens gemaakt door de bekende Vlaamse schrijver Gerard Walschap. Maar is het in overeenstemming met de werkelijkheid? In ieder geval geldt dit niet voor hen die een nieuwe schepping in Christus zijn. Zij voelen zich niet meer ongelukkig want zij hebben het werkelijke geluk al gevonden. Een geluk dat tot in eeu­wigheid blijft bestaan en niet bepaald wordt door aardse rijkdom of wat dan ook. Het is zelfs aanwezig als alle omstandigheden tegen zijn, omdat het zijn basis vindt in het onwankelbare Koninkrijk van de levende God.

Verbreking door Gert Jan Doornink

Het is een groot misverstand te denken dat God de mens wil verbreken, zoals hier en daar geleerd wordt. God verbreekt de mens niet. Integendeel, de mens is een persoonlijkheid die God volledig tot herstel wil brengen. Wel verbreekt God in ons (of beter kunnen we zeggen: God maakt ons los van) de werken van Satan.

Maar daarvoor moeten we zelf het initiatief nemen. Je kunt het zo stellen: God maakt ons er attent op, maar wij moeten het doen: “Leg dan af de werken der duisternis…” Romeinen 13, vers 12. Openbaring 21, vers 22 tot en met 27. (Rom. 13:12; Openb. 21:22-27). Zijn we hiertoe (nog) niet in staat dan is de hulp van medebroeders en zusters noodzakelijk. Een bediening in de naam van Jezus voor bevrijding is dan een essentiële voorwaarde op de weg naar volledig herstel.

 

Het inbrengen van heerlijkheid door Hans Bulthuis

In Openbaring 21, vers 22 tot en met 27. (Openb. 21:22-27) wordt in ’t kort beschreven op welke wijze de voor eeuwig geredde mensheid in haar voortbestaan wordt onderhouden. Die mensheid wordt uitgebeeld als de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. De door God ingestelde aanpak om haar te onder­houden is die van ‘inbrengen in heerlijkheid’. De volgorde waarin die benadering in dit bijbelgedeelte wordt weergegeven is: God verlicht met zijn heerlijkheid zijn volk en het Lam is de lamp Openbaring 21, vers 23b (Openb. 21:23b), de konin­gen brengen er hun heerlijkheid bin­nen Openbaring 21, vers 24b (Openb. 21:24b) en de volken eveneens Openbaring 21, vers 26. (Openb. 21:26).

Om niets aan onduidelijkheid over te laten dat het echt de bedoeling is dat er alléén heerlijkheid mag worden ingebracht, wordt er tenslotte in Openbaring 21, vers 27. (Openb. 21:27) uitdrukkelijk bijgezegd dat er niets onreins, gruwelijks en leugen­achtigs mag binnenkomen, noch in woord noch in daad. De omschrijving van deze met God zelf doortrokken maatschappij die in de toekomst de enige, eeuwig blij­vende werkelijkheid zal worden, is niet alleen als troost bedoeld, maar geeft tevens weer hoe God zelf is en hoe het binnen zijn volk eraan toe dient te gaan.

Voor nu en voor later is en blijft zijn goddelijke werkwijze het ‘alleen maar inbrengen van heerlijlcheid’. Voor ons ligt er dus in deze verzen een belangrijke boodschap en opdracht besloten die om een nadere bestudering vraagt.

God

Er is slechts één God. Hij bestaat van eeuwigheid af, zonder begin. Hij is het eeuwige, konstante basisgegeven van de onzienlijke en de zienlijke wereld. Hij is de Schepper. Alle andere wezens die er zijn -engelen, mensen, dieren- zijn ten aanzien van Hem (slechts) schepsels. God staat boven alles en allen. Hij is enkel heilig en liefde. Hij is onuit­puttelijk rijk aan vermogen en kracht, aan wijsheid en kunnen. Hij is als een bron die eeuwig van zich­zelf laat uitstromen zonder ooit zelf te kort te komen of er minder van te worden. Hij is in alles overvloedig. Hij is rijk aan genade, aan barmhar­tigheid, aan hulp en aan sterkte. Hij is goed en goeddoende, leven en overvloed schenkend. Dit alles houdt nooit op.

Vanuit zijn wezen beschijnt Hij zijn schepping met heerlijkheid. Hij laa, het regenen over goeden en slechten. Hij is zonder aanzien des persoons. Nooit komt er enig kwaad uit Hem voort. Hij is ongedeeld; Hij is slechts liefde en goedheid. Voor zichzelf heeft Hij niets van anderen nodig om meer of beter God te kunnen zijn. Hij behoeft geen aanvulling, geen giften, geen verrijking van buitenaf. Hij is al compleet en volmaakt. Hij bezit en kan alles al. Hij is volledig selfsup­porting.

Het is zijn oneindige liefde en rijk­dom die Hem drijft om alleen maar te geven. Het is zijn aard dat geven zaliger is dan ontvangen. Als Hij geeft, dan is dat met een goed geschudde, gedrukte en overlopende maat. Met een goddelijke gulheid, vanuit ruimhartigheid en in onbe­krompenheid. Hij deelt van zijn zegeningen uit zonder verwijt, zon­der bijbedoelingen en zonder bet­aling. Geprezen zij onze God!

Jezus

Deze God van mensenliefde wil zich door ons laten kennen. Hij wil uit het verborgene en onbekende komen. Hij zoekt ons om zich te kunnen openbaren en om ons goed te doen. Hij heeft ervoor gekozen om dat in en door zijn eniggeboren zoon Jezus te realiseren. Door heilige Geest heeft Hij in Hem woning gemaakt, met zijn hele goddelijke volheid. Daardoor kon onze Heer in de gestalte Gods zijn en de Vader tonen. In woord en werk, in gezind­heid en gedrag lezen wij de onzien­lijke God in zijn Zoon af. Omdat Jezus zich vereenzelvigde met de Vader en Hem door en door kende, kon Hij God openbaren. Wie Mij ziet, ziet de Vader. De Zoon des mensen leefde door God en leefde daarom als God. Hij sprak woorden als van God en deed de werken Gods. Vandaar zijn getuigenis in Johannes 3 dat Hij levend water geeft aan wie ernaar dorst. Daartoe was Hij in staat, omdat Hij deel had aan de goddelijke natuur door zijn inner­lijke hechting aan God in heilige Geest. Hij was aangesloten op de bron, het wezen en de heerlijkheid van God.

In staat zijn om zo te handelen is één, het ook daadwerkelijk doen is twee. In het doen blijkt dat de Christus geheel op zijn hemelse Vader gelijkt: geven, geven en geven. Hij is rondgegaan, goeddoende en genezende. De schare was buiten zichzelf van verbazing en zei: Hij heeft alles wèl gemaakt. Hij ging zover dat Hij zelfs zijn eigen leven opofferde, opdat de wereld gered zou kunnen worden. Niets was Hem teveel of te zwaar. Hij zette zijn leven in voor zijn scha­pen. Niemand heeft grotere liefde dan wie dit doet. Jezus gaf slechts. Hij liet stromen van levend water uit zijn binnenste vloeien naar wie daar om vroeg. Zo bracht Hij Gods heer­lijkheid de wereld binnen. Alleen maar heerlijkheid en geen veroorde­ling, geen straf, geen beschuldiging, geen ziekte of verderf. Als een lamp Gods bescheen Hij de mens. En dat doet Hij nu nog! Hij is en blijft dezelfde. Tevens heeft Hij dit schijnende, gevende, dienende en verlichtende als enige leefwijze voor ons nagelaten. Aangezien Hij echter nooit dwingt, roept Hij op wie Hem daarin wil navolgen.

De koningen

Het evangelie leert ons dat er volge­lingen van de Christus zullen komen die gelijkvormig zijn geworden aan het beeld van de Zoon. Deze zonen Gods zullen als koningen heersen. Heersen door middel van dienstbe­toon en voorbeeld. Heersen in recht en gerechtigheid. Heersen met de volmacht om heerlijkheid in te bren­gen in het volk van God en in de van ellende zuchtende schepping. Zij volgen hun grote Meester Jezus nauwgezet in zijn voetsporen. Zij denken, spreken en werken op dezelfde wijze als Hij dat destijds op aarde deed. Terwijl zij voor zichzelf het levende water bij de Heer weg­drinken, leven zij slechts gevend en inbrengend naar de ander toe. Zij gaan niet voor zichzelf vragend en opeisend rond. Noch voor stoffelijke noch voor geestelijke goederen. God voorziet en zij delen uit. Zij brengen de heerlijkheid van God de gemeente en de wereld in. Zij laten zich niet dienen, maar dienen hun naasten. Zij redden, bevrijden, helen, zorgen en waken.

Uit hen komt geen kritiek, geen geweld, geen roddel, geen klacht en geen leugen voort. Zij breken niet af, maar bouwen te allen tijde op. Zij verdragen, ondersteunen, versterken en richten op. Enkel positief, enkel liefde, enkel goedheid. Zij hebben tijdens de jaren van hun vorming de levensles van de zelfver­loochening begrepen en toegepast. Zij hebben in voor- en tegenspoed geleerd om in al hun eigen behoef­ten bij God aan te kloppen. Zij heb­ben zich door Hem laten verzadigen in hun honger naar zijn gerechtig­heid. Als vrucht van de Geest wande­len zij in ootmoed, eenvoud en onbaatzuchtigheid. Zij zijn verlost en genezen van iedere vorm van ik gerichtheid, egoïsme en zelfmeelij. Zij zijn inbrengers van heerlijkheid geworden.

De volken

De heilzame inwerking van de Christus en zijn koningen heeft een heerlijke uitwerking in de behouden volken. De redding en het herstel hen aangebracht, heeft hen in staat gesteld om zó te groeien naar de goddelijke norm voor menselijk leven, dat zij eveneens zijn gaan geven. Na alle ontvangst van heil om op orde te komen en verzadigd te worden met Gods heerlijkheid, zijn ze toegekomen aan het eeuwige inbrengen van heerlijkheid in Gods geredde en vernieuwde wereld, de stad Gods.

Hierdoor wordt er voortaan alleen maar goed gedaan, heil bewerkt, gebouwd en verrijkt. Wat een onvoorstelbare heerlijke situatie zal dat zijn. Enerzijds het totaal ontbre­ken van het negatieve, van de kritiek, van het afwijzende, van het veront­reinigende en verleugende. Anderzijds zullen alleen waarheid, zuiverheid, liefde en leven ervaren worden.

Niemand zal zich ooit meer laten gebruiken voor welke vorm van duis­ternis dan ook. Gods eeuwige maat­schappij is er één van gerechtigheid, vrede en blijdschap. Het is zijn eeu­wige liefderijk waar allen die de waarheid hebben liefgehad, een waardige, ruime en veilige plaats zul­len hebben om, in God zijnde en door Hem levende, eeuwig te existe­ren en zijn heerlijkheid te openba­ren. Allen die dan in zijn Koninkrijk zullen zijn, brengen slechts heerlijk­heid en eer naar binnen. Dit is eeu­wig leven.

Eeuwig leven

Eeuwig leven houdt ondermeer in: eeuwig functioneren, eeuwige activi­teit, beweging, voortgang en ontwik­keling. De grote verveling, de passivi­teit, de stilstand daarentegen is het kenmerkende van het dodenrijk. Door het eeuwig doorgaan met het inbrengen van heerlijkheid zal nooit een verzadigingspunt worden bereikt. Steeds zullen er uit de grote levensbron God, die dan alles in allen is, nieuwe impulsen, gedachten en plannen voortkomen die om uit­werking vragen. God is niet saai, eenzelvig, stationair, maar dyna­misch, creatief en verrassend. Het deelhebben aan eeuwig leven is daar­om een eindeloos en verrukkelijk feest voor alle betrokkenen in zijn Koninkrijk.

Allen zullen op geheel eigen en per­soonlijke wijze vorm geven aan wat Hij in hen initieert. In een ongeken­de veelkleurigheid en veelzijdigheid manifesteert de goede Schepper zich door allen heen. Wat in geen men­senhart is opgekomen, heeft Hij bereid voor wie Hem liefhebben. Geliefde lezer, treed toe tot dit heil. Gods armen staan wijd voor u open in Jezus Christus. Een warm welkom wacht u. Zijn grenzeloze liefde en genade zien naar u uit. Kom zijn rijk binnen door de deur Jezus. Er is door Hem ook voor u plaats bereid. God wil u tot een woning zijn. Met Christus wil Hij ook u bergen in zichzelf. Nu is het uw tijd om zijn uitgestoken hand vast te pakken en ingeschreven te worden in het boek des levens van het Lam.

Heerlijkheid

De heerlijkheid van God bestaat uit alle aspecten en mogelijkheden van

zijn goddelijke natuur. De gelovige mag daaraan deelhebben. De vrucht en de gaven van de Geest vormen daarin een essentieel onderdeel. Deze twee kenmerken van zijn wezen, zijn geaardheid en zijn ver­mogens, mogen door zijn kinderen gekend en gebruikt worden. Allereerst de vrucht van de Geest, ook wel de gezindheid van Christus genoemd, de tooi van de mens Gods. De gelovige mag samengroeien met Gods karakter en er eeuwig in Wie door de Geest wandelt, zal gaan­deweg in zijn opstelling en gedrag Jezus’ leefwijze kunnen evenaren. Die heeft eem zekere uitstraling naar de naasten en funktioneert als een licht dat duisternis verdrijft. Barmhartigheid, liefde en vrede doeW de mensen goed. De gezindheid van Christus is weldadig, veilig, zorg­zaam en rustgevend. Zowel de gemeente als de wereld snakt daar­naar.

Wie zo bekleed is met Christus en Hem niet in het openbaar verloo­chent, zal door zijn manier van doen al heerlijkheid inbrengen. Het is de perste, de eenvoudigste en meest voor de hand liggende mogelijkheid om te doen.

Vervolgens maken de gaven van de Geest het direct handelen in het bovennatuurlijke mogelijk. Door ze te hanteren wordt het heil van God door woord en daad tot de mens gebracht. Het belijden en prediken van het woord Gods, het getuigen, het profeteren, de woorden van ken­nis en wijsheid, het gebed en het altijd positieve spreken zijn verbale vormen van inbreng van heerlijk­heid. Jezus’ woorden zijn geest en leven. Wie gelooft in wat Hij zegt, zal zien geschieden wat Hij zegt. Wonderen en tekenen, bevrijdingen en genezingen, krachten en werkin­gen van de Geest verwerkelijken het woord. Zij completeren de heerlijk­heid in de mens. Zij vormen de krachten der toekomende eeuw, waardoor tenslotte de hele schepping hersteld zal gaan worden. Het Koninkrijk van God bestaat immers in kracht.

Tenslotte wendt God zijn heerlijk­heid ook aan omwille van de ver­heffing van de mens. Hij brengt hem tot ere. Hij geeft hem een machtspo­sitie met het daarbij behorend gezag en de bevoegdheid tot handelen als koning. Hij doopt hem in zijn Geest. Hij verbergt de mens samen met Ahristus in zichzelf. In die geestelij­ke situatie kan de mens gedijen en uitgroeien tot een volwassen zoon van God.

Inbrengers van heerlijkheid

Indien christenen het navolgen van God en Christus serieus nemen, zul­len zij eveneens vanuit liefde inbren­gers van heil willen zijn. Alleen inbrengen, geven, dienen. En dat alles om niet. Wat zij tot nu toe zelf verzameld hebben aan geestelijke zegeningen in Christus, aan schatten van boven, aan rijkdommen in God, mogen zij inbrengen in hun sociale kring. Die omvat hun eigen gezin,

hun collega’s, hun vrienden, hun buren, en zeker hun gemeente. Inplaats van alleen maar halen, komen zij brengen. Deze instelling, deze leefwijze heeft de gemeente en deze arme wereld echt iets te bieden. Het wordt zelfs hoog tijd dat er massaal wordt inge­bracht door de ware volgelingen van Jezus. Er heerst verschraling in Gods volk en geestelijke armoede in de wereld. Wie wil gaan? Wie laat stro­men van levend water uit zijn bin­nenste vloeien? Wie brengt hoop, verkwikking en goede raad? De heerlijkheid die kan worden inge­bracht, omvat de eenvoudigste daad van goedheid tot en met de grote geestelijke werken van de Heer. Zonder een handeling te verrichten kan de aanwezigheid van een zuivere christen al heilzaam werken. Daar gaat een kracht vanuit die de ande­ren en de sfeer ten goede beïnvloedt. De positieve houding, het vredevolle gedrag en de blijmoedige wandel zijn al op zich een constructieve inbreng van heerlijkheid. Het verrichten van werken van barm­hartigheid is een stap verder. De naaste helpen, ondersteunen en goeddoen, getuigt van een liefdevolle en dienende handelwijze. Zegenen rondgaan, van vriend en tot vijand, evenaart de gezindheid van de altijd goede God.

Het getuigen en uitdragen van het evangelie naar de buitenstaanders, het profeteren, het spreken van woorden als van God, brengt redden­de en genezende mogelijkheden tot onze medemens. Het laten functio­neren van de geestelijke gaven brengt rechtstreeks het bovennatuur­lijke leven van onze Heer tot openba­ring, zodat er heil kan worden bewerkt. De werkingen en krachten van de heilige Geest, de wonderen en tekenen tot herstel van een verloren en kapotte mensheid, doen Gods lief­de ervaren.

Al deze zaken behoren tot de geeste­lijke inbreng van heerlijkheid. Naar de mate van groei en getalenteerd­heid kunnen gelovigen dus op aller­lei wijzen heerlijkheid inbrengen. Dit is de grondwet van God voor zijn maatschappij, zijn Koninkrijk.

Geen gruwel

Wij zijn geroepen om de heerlijkheid van Jezus Christus te verkrijgen én om haar door te geven aan de men­sen om ons heen. Nogmaals: alléén heerlijkheid inbrengen. Niets anders. Dit betekent een wacht voor onze lip­pen plaatsen, opdat er nooit roddel, leugen, negatieve kritiek, geklets en gezwets door ons wordt ingebracht in deze wereld en in de gemeente. Waakzaamheid ten aanzien van onze wandel, opdat nooit zonden, boze geesten, slechte voorbeelden en duis­ternis door ons worden geïnjecteerd. Dat is alles gruwel. Dat breekt het werk Gods af en tevens de mens. Met een heilig respect voor onze God en voor onze medemens zullen wij slechts opbouwend en heilbrengend actief zijn.

De gemeente van Christus, maar ook deze gevallen wereld, wordt door God zó liefgehad dat Hij zijn enigge­boren zoon heeft gegeven om alles tot volheid en heelheid te voeren. Wij zullen zijn volgelingen, zijn slaven, zijn uitvoerders daarin zijn. Geliefde lezer, kunt u zich erin her­kennen? Zullen wij allen de nieuwe, hemelse mens aandoen, ja ons bekle­den met de Christus? Hij bracht ons de heerlijkheid van God, tot ons heil. Dan zullen ook wij in zijn voetspo­ren treden en het beeld van de hemelse mens dragen om voortaan alleen heerlijkheid te gaan inbren­gen. In ons zal nooit meer iets ver- vloeks gevonden mogen worden noch uit ons mogen voortkomen, ten nadele van de gemeente en de wereld. Zij hebben beide onze totale inzet nodig om terecht te komen naar Gods bedoeling in Christus Jezus. U bent het licht der wereld en het zout der aarde in en door Hem. Wees het daadwerkelijk.

 

 

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik, bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tij­delijk, maar het onzichtbare is eeu­wig” 2 Korinthe, 4 vers 16 tot en met 18. Paulus in (2 Kor. 04:16-18).

In de voetstap­pen van Jezus

De apostel Petrus doet in één van zijn brieven een duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare uit­spraak door te schrijven: “Hiertoe zijt gij geroepen, daar ook Christus voor u geleden heeft en u een voor­beeld heeft nagelaten, opdat gij in zijn voetstappen zoudt treden” 1 Petrus, 1 vers 21. (1 Petr. 02:21). Het is duidelijk dat Petrus hier een oproep doet om ‘in de voet­stappen van Jezus te gaan’. Met andere woorden hetzelfde leven als Jezus te openbaren. Uiteraard is dat niet van de ene op de andere dag gerealiseerd, maar Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal het ook in ons volbrengen… mits wij de weg van geloof en gehoorzaamheid blij­ven gaan. Daarbij is Jezus zelf ons grote voorbeeld, zegt Petrus. En elk rechtgeaarde christen zal daarom ook het verlangen hebben dit waar te maken.

De duivel probeert natuurlijk dit te verhinderen of belachelijk te maken of in te fluisteren dat dit toch niet mogelijk is, maar werkelijke christe­nen laten zich niet door hem dirige­ren.

Hoe Satan in onze dagen ook in dit opzicht bezig is van alles een karika­tuur te maken, blijkt nog weer eens uit het bericht uit Jeruzalem, dat vanaf augustus iedereen die Israël bezoekt Jezus’ wonderbaarlijke wan­deling over het water kan nabeleven door in het Meer van Galilea over een brug onder het wateroppervlak te lopen. De Israëlische Autoriteit voor Nationale Parken gaf een privé- onderneming toestemming voor de bouw.

De brug komt te liggen bij Kapernaüm, vlak bij de plaats waar Jezus over het water liep, en krijgt de vorm van een halve maan, vier meter breed en honderd meter lang. Hij drijft vijf centimeter onder het wateroppervlak en kan vijftig mensen tegelijk dragen.

Er komen uiteraard geen leuningen aan, maar er zullen speciale oppas­sers in bootjes rondvaren om men­sen op te pikken die het water inglij­den…

Geen geestelijke waarde

Hoewel het voor toeristen natuurlijk weer een attractie meer betekent, heeft een en ander voor christenen natuurlijk geen enkele geestelijke waarde. Maar dat spreekt toch van­zelf, zal iemand opmerken. Maar zo vanzelfsprekend is het niet als we bedenken hoeveel christenen Israël bezoeken omdat men daardoor meent een bijzondere ervaring te gaan meemaken. Bijvoorbeeld door evenals Jezus zich te laten dopen in de Jordaan, alsof het zou gaan om het soort water of de plaats van han­deling. Wie Jezus werkelijk volgt zal zijn of haar leven niet laten beïnvloe­den door allerlei sentimentele gevoe­lens die geen geestelijke zoden aan de dijk zetten. Petrus is heel duidelijk als hij schrijft over het werkelijk gaan in de voetstappen van Jezus. Lees wat hij daarover schrijft in het tweede hoofdstuk van zijn eerste brief. Hij brengt het daar ook in ver­band met het lijden wat wij als chris­tenen mee moeten maken en hij wijst daarbij op ons grote voorbeeld, Christus, “die geen zonde gedaan heeft en in wiens mond geen bedrog is gevonden, die, als Hij gescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt; die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft… opdat wij, aan de zonden afgestorven, door de gerechtigheid zouden leven…” Dat is gaan in de voetstap­pen van Jezus!

 

Welke talen spreken wij?

Tegenwoordig wordt het als een ‘must’ beschouwd één of meer vreemde talen te kennen naast het Nederlands als moedertaal. Er zijn zelfs taalgeleerden die een verdere afgang van de talen met een beperkt taalgebied, zoals het Nederlands, vanzelfsprekend achten. Het gaat alleen nog om de kennis van de voor­naamste talen (Engels, Spaans, Portugees, Frans, Italiaans en Duits) wordt er dan gezegd. Daarbij wordt het Engels veruit als de voornaamste taal gezien. Wie deze taal niet beheerst hoort er eigenlijk niet meer bij…

Ook zien we hoe in het Nederlands hoe langer hoe meer woorden ver­vangen worden door Engelse woor­den en uitdrukkingen. Denk alleen maar aan het veelvuldig gebruik van het Engels in de reclame. Ondanks protesten van hen die het Nederlands willen beschermen is het een ontwikkeling die feitelijk niet valt tegen te houden. Eén en ander wordt natuurlijk mede veroorzaakt door de voortgaande ontwikkeling van de moderne communicatiemid­delen.

Ook als christenen zijn we hier natuurlijk ten volle bij betrokken. En niemand zal ontkennen dat het ken­nen van één of meer moderne talen niet noodzakelijk is om goed te kun­nen functioneren in de natuurlijke wereld.

Maar als christenen hebben we ook nog met iets anders te maken, name­lijk ons functioneren in de geestelij­ke wereld. Deze ‘geestelijke wereld’ staat zelfs voorop. Het is de wereld waar wij als nieuwe scheppingen onze plaats met Christus hebben ver­kregen.

Nóg een taal!

In deze nieuwe (geestelijke) wereld is ons ook een ‘nieuwe taal’ ter beschikking gesteld: de tongentaal. Een exclusieve taal die alleen voorbe­houden is aan degenen die behoren tot de werkelijke gemeente van Jezus Christus. Een taal die voor allen die nog geen kind van God zijn ‘verbor­gen’ is, maar ons het functioneren in en vanuit onze geestelijke plaats in de hemelse gewesten mogelijk maakt.

Een taal die ook in de geestelijke strijd zeer belangrijk is, want Satan en het rijk der duisternis kunnen er geen gebruik van maken, al probeert de duivel ook in dit opzicht soms deze taal te imiteren. Laten we in de tijd waarin wij leven ook meer en meer gebruik gaan maken van déze taal. Ook in dit opzicht is Paulus ons ten voorbeeld. Ooit schreef hij aan verschillende gemeenten om zijn voorbeeld te vol­gen, zoals hij Christus navolgde. En over de tongentaai schreef hij onder andere dat het zijn verlangen was dat iedereen in tongen zou gaan spreken 1 Korinthe 14, vers 5.(1 Kor. 14:05), al gaf hij bepaalde richt­lijnen voor het gebruik in de samen­komsten van de gemeenten. Denk ook aan wat er op de Pinksterdag te Jeruzalem gebeurde toen de heilige Geest werd uitgestort en als eerste teken het spreken met andere tongen wordt genoemd Handelingen, 2 vers 4. (Hand. 02:04).

Over namen gesproken…

Ieder mens heeft een eigen naam. Het geeft ons een eigen identiteit en is persoonsgebonden. In het gewone dagelijkse leven kunnen we niet zon­der het gebruik van onze naam. Toen in de vorige eeuw in opdracht van de overheid iedereen een eigen naam moest hebben, werd er soms inge­haakt op het beroep wat men had, bijvoorbeeld wie bakker was kreeg Bakker als naam. Of als men van een andere streek of plaats kwam werd dat gebruikt bij de naamgeving, zoals Van Amsterdam, Van Amersfoort, enz. Zo zijn de huidige namen ontstaan al geeft de huidige wet, als daar gegronde redenen voor zijn, de mogelijkheid van naam te veran­deren.

Daarnaast zijn er de voornamen… Jan, Gerrit, Piet, Klaas en noem ver­der maar op. Al naar gelang de tijd waarin men leefde ging men soms de namen gebruiken van bekende personen, of men ging bij de geboor­te van een kind traditioneel de namen van de grootouders gebrui­ken.

In de zestiger en zeventiger jaren raakte bij de kinderen Gods het gebruik van bijbelse namen meer en meer in zwang. Talrijke dertigers en veertigers heten dan ook Maria, Judith, Benjamin, Ruben, Jonathan, Mirjam, enz. Hoewel deze naamge­ving de laatste jaren hier en daar wat is weggeëbd, werden we toch geat­tendeerd op een berichtje in De Telegraaf waarin de Berlijnse Korre­spondent schreef dat Duitse ouders voor hun kinderen steeds vaker een bijbelse naam kiezen. “In de toptien voor meisjes staat de naam Maria al vier jaar bovenaan. Bij de jongens heeft Lukas het afgelopen jaar voor het eerst Alexander van de eerste plaats in de toptien verdrongen. Sinds een aantal maanden is in Duitsland, na een rechterlijke uit­spraak in Frankfurt am Main, toege­staan een kind Jezus te noemen. Ook deze naam wordt steeds vaker gege­ven, evenals Jozua”. Maar… let op, wat er nu komt: “Volgens het Wiesbadense instituut dat de lijsten heeft vrijgegeven is de motivatie van de ouders om hun kind een bijbelse naam te geven eer­der de mooie klank dan de religieuze achtergrond”.

Het spreekt vanzelf dat het hebben van een bijbelse naam geen enkele garantie geeft voor het geestelijke welzijn van de persoon. Dat gebeurt alleen wanneer we, door opnieuw geboren te worden, een nieuwe naam ontvangen hebt en je naam wordt ‘ingeschreven’ in het Goddelijke Levensboek. Wanneer je van een zondaar een kind van God wordt en het Koninkrijk van de levende God binnengaat.

Deze nieuwe, geestelijke naam heeft ‘eeuwigheidswaarde’, omdat we dan voor altijd verbonden blijven met de werkelijke Levensvorst, waarbij we de onbeperkte garantie van Hem hebben ontvangen dat niemand ze uit Zijn hand zal rukken.

De strijd om de naam van God

Geheel ander nieuws over een naam vinden we momenteel in de felle discussies die er in theologische en ker­kelijke kring gevoerd wordt over de naam van God. “De Eeuwige, de Aanwezige, de Onnoembare, de Barmhartige; een alternatief voor de Godsnaam in de Nieuwe Bijbelvertaling is er nog niet”, schrijft De Telegraaf. “Maar als het aan de drie supervisors van de NBV ligt, is het in ieder geval gedaan met de aanduiding ‘Heer’. Dat roept een beeld op van een mannelijke figuur met autoriteit, Dat past toch niet meer in deze tijd!” Riek Bons-Storm, emeritus hoogle­raar praktische theologie aan de

Rijksuniversiteit Groningen, onder­steunt de hantelceningenactie van Manuela Kalsky, Anneke de Vries en Carolien van der Stiggele. Zij verzoe­ken de begeleidingscommisie van het vertaalproject de discussie over de naamsaanduiding van God zo snel mogelijk te heropenen. Ook het instituut Kerk en Wereld schaart zich achter de initatiefneem- sters. ‘De vertalers zeggen vanwege de traditie aan deze naamsaandui­ding gehecht te zijn. Maar als zij pre­tenderen modern te zijn, moeten ze zich ook realiseren dat veel vrouwen zich niet meer kunnen vinden in deze vertaling’, aldus Martine Heinrichs.

Dat blijkt ook uit een onderzoek dat Riet Bons-Storm onder dertig vrouwen in de leeftijd van 60 tot 89 heeft gehouden. ‘Slechts één dame ziet God letterlijk als heer en vader. De overigen omschrijven een eigen­schap die ze God toekennen, zoals de Naaste, U die mij overstijgt, de Levenskracht of de Nabije. Een zwar­te vrouw spreekt bijvoorbeeld weer van Mama Aisa, de Surinaamse moe­dergodin. Er moet een naamsaandui­ding voor JHWH te vinden zijn, die ook aansluit bij de geloofsbeleving van vrouwen. Een die van deze tijd is, maar eenzelfde gevoel oproept’. Jurjen Procee, hoofd afdeling com­municatie van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG), juicht he, initiatief alleen maar toe. ‘Het getuigt van grote betrokkenheid. De vertaling moet tekst- en taalgetrouw zijn, maar dat neemt absoluut niet weg dat we openstaan voor welke discussie dan ook. Zo ontvangen wij ook brieven uit de orthodox-reforma­torische hoek, waarin wordt gepleit het woord Heere aan te houden, omdat dat meer dan Heer van respect zou getuigen”. Het artikel eindigt met de opmer­king: “In 2004 zullen we weten voor welke naamsaanduiding is gekozen. Want dan moeten de tientallen bij­belboeken zijn vertaald”.

Man/Vrouw

Toen we deze dingen in de afgelopen tijd lazen dachten we nog weer eens: hoe heeft de geestelijke verblinding toegeslagen bij iedereen die zich ero­ver opwindt dat in de Bijbel God als ‘man’ wordt aangeduid. De volgorde is overduidelijk: God schiep eerst de man, daarna de vrouw… In Zijn ogen waren en zijn echter beide even waardevol en belangrijk. In Christus is er geen onderscheid. Paulus schrijft dat er in Christus noch man, noch vrouw is. Er is daarom ook niets mis met het gegeven dat God als ‘Heer’ of’ Heere’ wordt aange­duid. Dit heeft niets met discrimina­tie van de vrouw te maken, integendeel, het is de onaantastbare volgorde die God heeft ingesteld. Natuurlijk is God zelf méér dan onze voorstelling van Hem als man (of vrouw). Maar we zijn naar Zijn beeld geschapen en kunnen door geloof in Zijn Zoon(!) weer aan Hem gelijk­vormig worden. Dat geldt voor alle nieuwe scheppingen, vrouwen zowel als mannen, zonder enig onder­scheid!

En wat de vrouw betreft, in een inge­zonden brief van mevrouw Boxman- Verschoof uit Drachten, als reactie op strijd die theologen voeren over de naam van God, schrijft zij: “Als men goed de Bijbel doorleest, wordt duidelijk dat de positie waarin God vrouw heeft geplaatst, een zeer geëerde en bijzondere is. Het bijbel­boek Spreuken, hoofdstuk 31, is een ware lofzang op de vrouw die een enorme zelfstandigheid heeft, eigen land bezit en verhandelt, koopvrouw is, een grote verantwoordelijkheid heeft, met veel personeel onder zich. God acht de vrouw zeer hoog. Hij is een man die vrouwen heeft gescha­pen en ons heel goed kan aanvoelen. Als dat niet overeenstemt met de geloofsbeleving van diverse vrouwen, dan moet die onder de loep geno­men worden. De Bijbel hoeft niet te worden aangepast aan wat men denkt te moeten denken in de zoge­naamde moderne tijd. De heden­daagse houding heeft alleen maar geleid tot geweld en respectloosheid voor anderen en/of hun eigendom­men en denkwijzen. God verandert niet en Zijn denkwijze ook niet”.

Een nieuwe uitdaging

Volgens de Belgische godsdienstso­cioloog dr. F. Kerkhofs wordt Europa steeds meer een moslimcontinent. In een toespraak voor het Toekomstforum in Brussel wees de oud-hoogleraar uit Leuven op de grote demografische veranderingen. Bovendien worden de kerken steeds kleiner.

Terwijl in de landen van de Europese Unie de bevolking daalt, komen uit het Midden-Oosten en Noord-Afrika steeds meer mensen naar Zuid Europa. In de islamitische landen zijn er veel jonge en weinig oude mensen, terwijl de leeftijdspiramide in de Zuid-Europese landen juist het tegenovergestelde beeld vertoont. De moslims zullen, volgens Kerkhofs in een ANP-bericht, “niet in de Sahara of in de zee verdwijnen”, maar naar Europa emigreren. Hij vergeleek deze ontwikkeling met die in de Verenigde Staten. Daar komen steeds meer immigranten uit Latijns- Amerika en Azië. Kerkhofs waarschuwde voor meer spanningen in Europa. Volgens een onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven wil 15 procent van de EU-burgers geen moslim als buurman. In België, Spanje en Portugal geldt dit zelfs tussen de 25 en 30 procent”.

Wie een dergelijk bericht leest kan op verschillende wijze reageren, bijvoorbeeld op het angstwekkende en bedreigende van deze groei van het aantal moslims, zoals in enkele brochures die we kregen toegezon­den het geval is. Maar hij kan het ook zien als een uitdaging, een opdracht om moslims te winnen voor Christus. Er zijn in Nederland en België al enkele organisaties die zich met zending onder Moslims bezig houden, maar vooral ook denken wij aan ons persoonlijk getuigenis, waarbij het erom gaat of Christus werkelijk een realiteit in ons leven is. Of zijn we ons getuige­nis kwijtgeraakt door onze ver­deeldheid, krachteloosheid en liefde­loosheid?

Gelukkig heeft de waarachtige eind­tijdchristen de zekerheid in zich dat hij, bij de groei naar de volle openba­ring van het zoonschap, meer en meer beelddrager van Christus wordt. Ook in het gewone alledaagse leven zal dat niet verborgen blijven. Dan zijn we niet bang en gaan het ook niet als een bedreiging ervaren als we een moslimgezin als buren krijgen, maar proberen in liefde en genegenheid met hen om te gaan, zoals wij dat ook met onze eigen landgenoten doen. En dan weten wij dat wij, ook in dit opzicht, invulling geven aan het verlangen van Jezus dat wij het zout der aarde en het licht der wereld behoren te zijn.

 

Naar de grote apothese door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem Deel 11 (slot)

Vanuit de ware tempel van God, het verheerlijkte ‘lichaam van Christus’, krijgt het nieuwe Jeruzalem gestalte als de ‘stad Gods’. De macht van de Dood wordt ont­manteld en zijn heerschappij wordt teniet gedaan. De ’tent van God’ is bij de mensen en Hij woont bij hen. Door middel van het lichaam van de Heer worden de ’tranen’ gedroogd. ‘Rouw’ noch ‘geldaag’ noch ‘moeite’ zal meer zijn. Alle dingen worden nieuw gemaakt door Hem, die op de troon zit en de uitvoerder daarvan is niemand minder dan onze Heer en Zijn gezalfde gemeente.

De doden worden geoordeeld op grond van hun werken.

De knechten en profeten, de heili­gen en de godvrezenden, kleinen en groten worden beloond.

De verdervers der aarde worden zelf verdorven, dit is in de poel des vuurs geworpen.

De tempel Gods in de hemel (het lichaam van Christus, waarvan Jezus het Hoofd is), gaat open, dus is vrij toegankelijk voor een ieder. De ‘ark van het verbond van God met de mens’, onze enige Heer en Heiland Jezus Christus, wordt centraal temid­den van de mensheid zichtbaar in al Zijn heerlijkheid, tot schrik en beving van al Zijn vijanden.

Getrouw en waarachtig

Het wezen van de ware God wordt geopenbaard: getrouw en waarachtig Openbaring 11, vers 15 tot en met 19 en Openbaring 21, vers 3 tot en met 5. (Openb. 11:15-19 en Openb. 21:03-05). Dat is het­zelfde wezenskenmerk als van de ‘ruiters op de witte paarden’, welke sinds de overwinning van Jezus Christus zijn uitgetrokken, ‘overwin­nende en om te overwinnen’ Openbaring 6 vers 2 en Openbaring 19 vers 11 tot en met 14. (Openb. 06:02 en Openb. 19:11-14). Zo krijgt het Woord Gods, door de heilige Geest, gestalte in de gehele schepping. De Dood, welke als éérste vijand van de Schepper zijn heimelij­ke invloed in de schepping openbaar­de, wordt als laatste vijand ontman­teld en ten einde met zijn gehele rijk geworpen in de poel des vuurs, ver buiten het kosmosomvattend koninkrijk van God Openbaring 20, vers 14. (Openb. 20:14). De nieuwe mensheid was in haar geheel als ‘zoon des mensen’ al vóór de eerste schepping in de eeuwige gedachten van de Schepper aanwezig Genesis, 1 vers 26. (vgl. Gen. 01:26). In beginsel werd zij als een ‘kind’ geboren en als een ‘zoon’ gegeven. Door de Geest van de Vader rust de heerschappij op haar schouder.

Deze ‘zoon des mensen’ draagt het wezen van de Vader: ‘wonderbare Raadsman, sterke God, eeuwige Vader, Vredevorst’. Groot en eindeloos is de vrede op de ’troon’ van deze ‘zoon van David’ en in zijn koninkrijk. Dit rijk omvat het hele universum en heeft alleen maar ‘recht en gerechtigheid’ als haar grondslag, van nu aan tot in eeuwig­heid. De ijver van de Here der heerscharen (de mensheid met onze Heer Jezus als Hoofd) zal dit bewer­ken Jesaja 9 vers 5 tot en met 6. (Jes. 09:05-06).

Dat is de lang verwachte Vrede van Jeruzalem!

Naar het einddoel

De gemeente van Jezus Chistus gaat een heerlijke toekomst tegemoet. De ontwikkeling naar het einddoel gaat echter dwars door verdrukking en moeite heen. Dit zal met name de uiterlijke verschijningsvorm betref­fen. Zo was het ook in het begin na de opstanding van Jezus, onze Heer. Naar de innerlijke mens echter gaat de gemeente van heerlijkheid tot heerlijkheid door de toenemende bij­stand en vervulling met de heilige Geest van Gods belofte.

Ik hoop dat deze serie artikelen een hulpmiddel is geweest bij het onder- speken en bedenken van de toe­komst van de ‘zoon des mensen’. Dat is de mensheid, die gezien zal worden als het ‘zaad’ van de Eersteling daarvan, vanwege Diens trouw en gehoorzaamheid, maar tegelijk ook als het ‘zaad’, dat reeds door de Schepper aan Mannin, de vrouw van Adam, werd beloofd in de hof van Eden. Haar naam werd toen veranderd in Eva, omdat zij de ‘moe­der van alle levenden’ zou zijn. Aan Hem, onze Heer en Heiland, Jezus Christus en aan God onze Vader zij alle eer en heerlijkheid tot in alle eeuwigheid.

Ik besluit met een lied, dat ik al een aantal jaren geleden maakte vanuit het overdenken van en verlangen naar deze heerlijkheid.

Juichend klinken vreugdetonen uit het hemelse gebied, d’ Overwinning van de zonen wordt verkondigd in een lied. Licht en leven triomferen; duisternis verwon het niet!

Jubel luid, gehele aarde; zing de Here, prijs Zijn naam. Hij, die ’t heil voor u vergaarde, Hem zij lof als ’t eeuwig Lam. Want de Heer is zeer te prijzen; alle knie buigt zich tesaam.

Bij het oordeel van de doden wordt gerechtigheid betracht. Dood en dodenrijk gevloden voor het Lam, dat werd geslacht. Saamgevoegd de ‘stad’ en ’tempel’, flonk’rend in haar grote pracht.

Dan zal heel de schepping zingen

van de Heer der heerlijkheid.

Eng’len zullen ons omringen,

vol van vreugd’ in dienstbaarheid.

Dan zal ’t paradijs volmaakt zijn,

vrede tot in eeuwigheid!

De vrede van Jeruzalem!

 

De bediening van leraar door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente Deel 10

“Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geeste­lijk te beoordelen is” Een Korinthe, 2 vers 12 tot en met 14.

(1 Kor. 02:12-14).

Met bovenstaande woorden in gedachten wil ik wat zeggen over de bediening van leraar, als vijfde genoemd in Efeze 4 vers 11. (Ef. 04:11). De gehele gemeente behoort de Geest uit God ontvangen te hebben, a) wil je bij het lichaam van Christus behoren Romeinen 8, vers 9.(Rom. 08:09), en b) wil je kun­nen verstaan wat ons door God in genade geschonken is. Een ongeestelijk mens, die de Geest van God niet ontvangen heeft, of de Geest bedroeft en uitdooft, kan het niet verstaan en dan kunnen de meest heerlijke waarheden Gods overkomen als dwaasheid. Deze woorden van Paulus bepalen ons er opnieuw bij dat de gemeente van Jezus Christus een geestelijke zaak is en alles wat de gemeente betreft slechts verstaan en begrepen kan worden door de heilige Geest.

Door de Geest geleerd

Het meest belangrijke voor de bedie­ning van leraar is wat Paulus zegt: “Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn”.

Zodra de doop met de heilige Geest verdween, en dat was al heel spoedi” na de dood van de apostelen, verdween ook de bediening van leraar uit de gemeenten. Er ontstond één grote wereldkerk met aan het hoofd de paus, die ook een grote politieke invloed uitoefende. Zonder de heilige Geest echter is het lichaam dood en is de kerk gewor­den tot een wereld-gelijkvormige organisatie met regels, bepalingen en wetboeken. Opleidings-instituten moesten mensen gaan leveren die door veel studie bekwaam zouden zijn gemeenten en kerk te leiden. Dat is tot op de huidige dag nog zo in de gevestigde kerken, waarmee ik geen oordeel uitspreek over mensen die naar het licht wat ze hebben hun leven er voor inzetten. Zo is er door de eeuwen heen een heel vertekend beeld ontstaan van de leraars-bediening. Het ‘leraars-ambt’ was voorbehouden aan mannen met universitaire opleidingen en dure titels.

Dus niet meer een spreken met woorden die door de Geest geleerd zijn, maar veel meer voortkomend uit menselijke wijsheid.

De grote Leraar

In de Heer Jezus zien we de meest waarachtige leraar aller tijden. Als we de evangeliën lezen dan zien we Hem voortdurend als leraar de schapen onderwijzend, of onderricht gevend in de synagogen, of in het bijzonder zijn discipelen onderwijs gevend. Alles wat Hij sprak had wel betrekking op het leven van de men­sen, maar dan wel een leven vanuit de geestelijke wereld, het Koninkrijk Gods. Zijn leer bracht de mens bin­nen in de bovennatuurlijke, de gees­telijke wereld.

Hijzelf was niet van beneden, maar van boven. Niet uit de aarde maar uit de hemel Johannes 3, vers 31 en Johannes 8. vers 23. (Joh. 03:31 en Joh. 08:23). Hij was het ‘Woord’ dat vlees had aangeno­men.

Hij was het waarachtige geestelijke leven van de mensen en de openba­ring van de Vader in de hemel. Wie Hem zag en hoorde, zag en hoorde de Vader. En door de heilige Geest sprak Hij woorden die geest en leven waren voor de toehoorders. Wie het trachtte te verstaan vanuit menselijke wijsheid, daarvoor was het dwaasheid. Hij zegt zelf: “De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut: de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn leven” Johannes 6, vers 63. (Joh. 06:63). In Johannes, 10, vers 10. (Joh. 10:10) zegt Hij: Ik ben gekomen om leven te geven in overvloed”. Dit behoort ook het kenmerk te zijn van de leraars-bediening zoals genoemd in Efeze 4, vers 11. (Ef. 04:11). Het gaat niet om de persoon (het vlees), maar er woorden gesproken worden die geest en leven brengen in mensenle­vens.

Niet zozeer dat die persoon veel weet van de Bijbel, want dat kan een natuurlijke bekwaamheid zijn, maar of de kracht van de heilige Geest zó werkt in z’n woorden dat het de toe­hoorders verlicht, overtuigt en leven geeft. Dat het juk van Satan, in leu­gen en misleiding, verbroken wordt door de waarheid die vrijmaakt.

Onderwijs geven

Er kunnen in de gemeente verschil­lende mensen onderwijs geven. En het is een genade om de gave te heb­ben dingen aan de mensen over te kunnen brengen. Romeinen 12, vers 7. (Rom. 12:07) zegt: “Wij hebben nu gaven, onder­scheiden naar de genade, die ons gegeven is; … wie onderwijst, in het onderwijzen”.

Sommigen kunnen van nature (als een gave) alles goed op een rijtje zet­ten, ook bijbelse zaken, en dit aan anderen leren, maar het is niet de ‘leraars-bediening’ zoals bedoeld in Efeze 4 en 1 Korinthe 12. Aan oudsten wordt ook de voorwaarde gesteld dat ze bekwaam zijn te onderwijzen 1 Timoteüs 3 vers 2. En 2 Timoteüs 2 vers 24. (1 Tim. 03:02 en 2 Tim. 02:24).

In Titus, 1 vers 8 en 9. (Titus 01:08-09) lezen we dat een oudste zich dient te houden aan “het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen”. Dit zijn voorwaarden die mede bepa­lend zijn of iemand als oudste in de gemeente aangesteld mag worden. En die aanstelling geschiedt door mensen die bekwaam zijn deze din­gen te beoordelen. (Zie ook afl. 4 van ‘Herstel van de gemeente’, mei/juni 1998).

God stelt aan

Maar de bediening van leraar gaat daar bovenuit. Het is een gave die door de Heer, zonder tussenkomst van mensen, aan de gemeenten gegeven wordt. Niemand kan zich­zelf de bediening van leraar toeëigenen. De apostel Paulus schrijft van zijn bediening in Galaten 1 vers 1. (Gal. 01:01): “Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader”.

Dat principe geldt voor alle bedienin­gen! In 1 Korinthe 12 vers 28. (1 Kor. 12:28) schrijft de apostel: “En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eer­ste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars…” Ook mensen in de bediening van leraar stelt de Heer zelf aan met het doel als beschreven in Efeze 4, vers 12 tot 16. (Ef. 04:12-160. Het is door de bijzondere genade die de Heer verleent, dat iemand in de bediening van leraar mag dienen in de gemeente. Deze bediening zal er ook toe bijdra­gen dat de eenheid van Gods volk, zoals de Heer dat bad tot de Vader in de hemel Johannes 17, vers 20 tot 23a. (Joh. 17:20-23a), tot stand zal komen.

Efeze 4 begint ook met een uiteen­zetting over de eenheid van de gemeente (vs. 1-6). Efeze vier vers 13. (Ef. 04:13) zegt: “… totdat wij allen de eenheid des geloofs bereikt hebben”

Kenmerken van de leraar

Kenmerkend voor de leraarsbedie­ning zal zijn: een grote liefde en eer­bied voor Gods woord, de Bijbel. Maar niet minder voor de mensen waaraan hij de waarheden Gods tracht over te brengen. 1 Korinthe, 13 vers 2. (1 Kor. 13:02) zegt: “… maar had ik de liefde niet, ik was niets”. Evenals voor de andere bedieningen geldt voor de leraar dat hij een hart dient te heb­ben als de Vader en de Zoon. Voor hem geldt wel heel bijzonder het woord uit Psalm 119, vers 20. (Ps. 119:020): “Mijn ziel wordt verteerd van verlan­gen naar uw verordeningen te allen tijde”.

Belangrijk is dat hij gevoelig is voor de Geest der waarheid die in alle waarheid leidt en de toekomende dingen wil openbaren Johannes, 16, vers 13 en 14. (Joh. 16:13-14). Vanuit een goede gemeente-visie zal hij in staat zijn te verstaan wat de heilige Geest aan de gemeenten wil zeggen.

De ware leraar zal de waarheid van Gods woord verstaan en de vrijheid, het leven en de liefde van God, die daarin verborgen ligt voor de men­sen.

Hij zal het woord van God nooit voor iets anders gebruiken, dan om de mensen dichter bij het doel van God en Jezus te brengen. Nooit mag het woord van God gebruikt worden als een stok om anderen te slaan of om een juk op te leggen. Daarvoor heeft God het niet gegeven en mag het derhalve nooit gebruikt worden. Hij zal nooit mogen proberen z’n recht of z’n gram te halen in wat hij zegt. Op dat zelfde moment is hij meer een spreekbuis van boze gees­ten dan een gave van de Heer aan de gemeente.

Ook als er vermanend of corrigerend gesproken moet worden zal dat voort dienen te komen uit een rein en lief­devol hart en een goed geweten. Naar 1 Timoteüs, 1 vers 5. (1 Tim. 01:05).

De waarheid van Gods Woord dient waarlijk vrij te maken zoals de Heer Jezus zegt Johannes 8, vers 32. (Joh. 08:32). Het zal als een reinigend waterbad dienen te zijn voor de toehoorders. Het is vooral de bediening van lera­ren waardoor de gemeente stabiel wordt in de waarheid en niet meer heen en weer geslingerd wordt door allerlei wind van leer Efeze vier vers 14. (Ef. 04:14). Een leraar zal het geestelijke met het geestelijke kunnen vergelijken met woorden die door de Geest geleerd zijn. (De vertaling van professor Brouwer heeft: “Geestelijke zaken met geestelijke woorden uitleggen” – 1 Korinthe, twee vers 13. (1 Kor. 02:13).

Hoofd en lichaam zijn één

De gemeente is zeer kostbaar voor God en Jezus en alles wat de gemeente betreft dient niet voort te komen uit menselijke wijsheid, maar door de heilige Geest geleerd te zijn 1 Korinthe, 2 ver 12 vers 13. (1 Kor. 12:13). Dat geldt trouwens voor alle vijf genoemde bedieningen. Ook vormt de gemeente een onver­brekelijke eenheid met het Hoofd Jezus Christus. Toen Paulus de gemeente vervolgde sprak de Heer Jezus: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij”?

Alles wat in de gemeente gedaan wordt, hoe wij ons gedragen ten opzichte van elkaar, het is nooit los van Jezus het Hoofd. Je zou kunnen zeggen dat als je een lid vervolgt, pijn doet, kwetst of onteert, doe je dat ook aan het Hoofd, Jezus.

De gemeente is Zijn lichaam. Het zijn Zijn handen, Zijn voeten, Zijn mond, Zijn hulpverlening, maar van­uit het Hoofd is de leiding en de besturing van het gehele lichaam. Hier geldt wel heel bijzonder het woord: “Wees heilig, want Ik ben heilig, zegt de Heer”.

ledereen is kostbaar

Het valt niet mee om los te komen van de oude kerkstructuren waar dat besef van het ‘Lichaam van Christus’ zo goed als helemaal verdwenen is en waar alles door gestudeerde men­sen geregeld wordt van de wieg tot het graf.

Ieder gemeentelid is kostbaar en dient ‘medegebouwd’ te worden tot een woonstede Gods in de Geest” Efeze, 2 vers 22. (Ef. 02:22).

Niet alleen de leiding en de bedie­ningen zijn belangrijk, maar ieder gemeentelid, met z’n specifieke talenten en werkingen is kostbaar voor het functioneren van het lichaam en kan niet gemist worden. Dit besef is al voor een (groot) deel terug in de gemeenten, maar het dient weer te gaan functioneren zoals Efeze 4, vers 16. (Ef. 04:16) zo prachtig zegt: “En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde”.  

 

Vakantietips

Op het water

Ook dit jaar vaart het schip ‘Ut Arkien’ in juli en augustus weer uit voor een aantal vakantieweken op het water, ’s Avonds wordt een onderwerp uit de Bijbel besproken en voor overdag zijn er aantrekkelijke vaarroutes gepland met volop gelegen­heid tot recreatie. Het punt van vertrek op maandagochtend en aankomst op zaterdagmiddag is de haven van Enkhuizen. Deze vakantieweken zijn altijd weer een groot succes. Alle gewenste inlichtingen over data, prijs, enz. worden u gaarne ver­strekt door het leidende echtpaar Jacob en Marry Roosendaal.

Jongerenreis naar Israël

Jan Weerd, mede-oudste en jeudleider van de volle evangelie gemeente te Maassluis, die ook regelmatig in Levend Geloof schrijft, heeft de leiding van een door Beter-Uit reizen georganiseerde vakantierondreis van 15 dagen (10 t/m 24 augstus) door Israël en de Sinaï-woestijn, voor jongeren van 17 tot 35 jaar.

Hij schrijft: Avontuur, uitdaging, bijbelstudie, zingen, samenkomsten, rondkijken in Jeruzalem, varen op het Meer van Galilea, raften op de rivier de Jordaan, zwemmen in de Dode Zee, beklimmen van Massada, duiken bij Eilat, de berg Horeb beklimmen, en nog veel meer! De prijs bedraagt Fl. 2395,- (vliegreis, halfpension in 3sterren hotels, volpension in Sinaï, excursies, Nederlands sprekende gids; exclusief visumkosten, luchthavenbelasting en eventuele fooien). Voor meer informatie kun je kontakt opnemen met Jan Weerd.

 

Het Geestes leven is gekomen door Ada Karst

1 Koningen 8 -1 Korinthiërs 3 “Te dien dage heiligde de koning het midden van de voorhof, vóór het huis des Heren, want daar bereidde hij het brandoffer, het spijsoffer en de vetstukken van de vredeoffers, omdat het kope­ren altaar dat voor het aangezicht des Heren stond, te klein was om het brandoffer, het spijsoffer en de vetstukken van de vredeoffers te bevatten” Een Koningen 8, vers 64. (1 Kon. 08:64).

Te dien dage…

Dat zegt véél! In eerste oogopslag is hier sprake van een oudtestamen­tisch, een zichtbaar gebeuren. Oudtestamentisch omdat dit zichtba­re gebeuren slechts de buitenkant van de waarheid is. Daarom hebben we nóg een ‘oogopslag gekregen om de bedekking van het verhaal wég te schuiven. Want om de buitenkant voor waarheid te laten doorgaan zou een vervalsing zijn. Lezend met het Gééstesoog blijkt dit Oudtestamentische verhaal een Nieuwtestamentisch gebeuren te zijn. Het ’te dien dage’ van Salomo is het ’te dien dage’ van Christus en de gemeente geworden: het blijvende, onwankelbare Geestesleven is geko­men.

Salomo beleefde aan zijn ’te dien dage’ grote vreugde en heerlijkheid: Dit is het waar het spreken van God, door Mozes, uiteindelijk op uitgelo­pen is 1 Koningen, 8 vers 56. (1 Kon. 08:56). Als Salomo deze mijlpaal consta­teert, gaat hij over tot een handeling die nog nooit vóór hem door iemand is uitgevoerd. Op dit moment van zijn ’te dien dage’ gaat hij zelfs bóven de wet uit! Niet om de wet te ontkrachten, maar juist om haar te vervullen.

Zijn daad reikt tot aan Christus en Zijn ’te dien dage’. Vanwege de over­vloed aan offers, wordt de koperen offerplaats te klein bevonden. Een nieuwe altaarplaats wordt in gebruik genomen. Het koperen uiterlijk van wat geschreven staat kan niet het gezonde, merg- en vetrijke voedsel van Christus bevatten, het maakt onbevattelijk.

Tweede oogopslag

“Laat u niet medeslepen door allerlei vreemde leringen; want het is goed, dat het hart zijn vastheid vindt in genade en niet in spijzen; wie het hierin zochten, hebben er geen baat bij gevonden. Wij hebben een altaar, waarvan zij, die de dienst voor de tabernakel verrichten, niet mogen eten” Hebreeën 13, vers 9 en 10. (Heb. 13:09-10). Daarom is het gezond om met de tweede oogopslag het geschrevene te vernieuwen. Welke kant moet het daarmee op?

Het moet de richting op van ‘het land’: het Koninkrijk van God en de richting van ‘de stad’: het Hemelse Jeruzalem en de richting van ‘het huis’: de Gemeente van Christus 1 Koningin 8, vers 40. (1 Kon. 08:40).

Zó te lezen dient het welzijn van eigen geest, ziel én lichaam. En het dient het welzijn van het Lichaam van Christus, de Gemeente van Christus, de Gemeente die in Christus Geest en Leven is. En zo ruilen we wat af! Geheel overeenkomstig het doorkijkje van Jesaja 60, vers 17. (Jes. 60:17) waar staat: “Voor koper zal Ik goud brengen, voor ijzer zilver, voor hout koper, voor stenen ijzer;” Voor hout kóper? Ja, want koper kun je immers weer ruilen voor goud! Voor stenen ijzer? Ja, want ijzer kun je weer inruilen voor zilver!

Vernieuwd lezen

Dit edele proces van ontwikkeling door vernieuwd lezen is het ’te dien dage’ van ónze tijd geworden. Dit proces is ‘buiten’ niet te zien! 1 Koningen 8, vers 8. (1 Kon. 08:08). Nee, want buiten Woord en Geest om is geen ontwikkeling. Buiten Woord en geest om heerst het getwist van de twister, de tegenstan­der van dit heerlijke proces. Hij betwist dit met letters. Hij ‘inspi­reert’ tot het lezen en volgen van wat de eerste oogopslag waarneemt. Dat maakt dat de gemeente weer de ‘beli­chaming van Mozes’ vormt. Cherubs genoeg om zich daarover te ‘ontfer­men’ door de letters te bevestigen. Ook dat is geestes-leven! Wie onderscheidt het ‘vleugelgegons’?

In 1 Koningen 8 vers 6 en 7. (1 Kon. 08:06-07) wordt de ark naar haar plaats gebracht, en wel onder de vleugels van de cherubs. Onder wélke ‘beschuttende vleugels’ wordt de gemeente en haar spreken geplaatst?

Door de werkelijkheid van het Gééstesleven is de Gemeente op haar plaats gebracht, dragende het gehei­menis van het spreken van Christus in haar.

 

Vormendienst is de dood in de pot. Door Cees Maliepaard

Religieuze activiteiten monden altijd uit in een dode vormendienst. Godsdienstigheid is immers niet meer dan een babylonisch bezig zijn, want God heeft het nooit ingesteld. Onder invloed van vrome geesten kwamen er allerlei religieuze belevingen tot stand. In Genesis 4, vers 26. (Gen. 04:26) staat: “Toen begon men de naam des Heren aan te roepen”

Het begin van de religie

De kanttekenaar van de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap geeft bij de hierboven geciteerde tekst aan: ‘Toen ving de openbare Godsverering aan. Natuurlijk had men tevoren ook wel tot God gebe­den, maar thans ving aan wat men gewoon is de cultus, de eredienst te noemen’.

Reeds ten tijde van de geboorte van Adam en Eva’s kleinkinderen ging men religie bedrijven. Dat was een bedroevende ontwikkeling. Het rechtstreekse contact van de meeste mensen met hun God ging verloren, en dus ook de regelrechte verbinding van de Here God met Z’n kinderen. Er kwam een aanroepen van de Here God voor in de plaats, een religieuze beleving van allerlei gods­dienstige gevoelsmatigheden. Het was ook klaarblijkelijk eenrichtings­verkeer, want het bleef bij het aan­roepen van Gods naam. Op dit religieus bezig zijn was geen Goddelijk respons te verwachten. Gemeenschap tussen Gods Geest en de menselijke geest behoorde tot het verleden, behalve bij de mensen die de Herer God vanuit hun hart ble­ven dienen.

Gesprekspartners

Henoch en Noach waren de meest aansprekende voorbeelden daarvan Mozes schrijft in Genesis 5, vers 24. (Gen. 05:24): “En Henoch wandelde met God”. Henoch behoorde kennelijk niet tot degenen die zich beperkten tot het aanroepen van de naam des Heren. Hij ‘wandelde’ met God. Hij stond in een open relatie met de Schepper van hemel en aarde; zij wisselden blijkbaar voortdurend van gedachten met elkaar, wat een intens genoegen moeten zowel Henoch als de Here God hier aan beleefd hebben! Noach behoorde óók niet tot de voor­lopers van het babelse denken. Want hij zou onder invloed van een aards- gerichte vormendienst geen moment aan een zeewaardige ark van zulk een ongekend groot formaat hebben gedacht.

Lamech, Noachs vader, was duidelijk wél besmet met dit verwerpelijke denken dat uit de koker van de religi­euze geesten vandaan kwam. Hij beweerde zonder blikken of blozen volgens Genesis 5 vers 29 (Gen. 05:29) dat de Here God de aardbodem vervloekt heeft.

Aarde vervloekt (Ruurd)

Maar er staat in de geschiedenis van het eerste mensenpaar in Genesis 3, vers 17. (Gen. 03:17) niet beschreven dat onze Gód de aardbodem vervloekt heeft, maar dat die vanwege de een verkeerde keus makende mens vervloekt is. Door wie die vervloeking is uitgesproken, wordt er niet bij vermeld. Het mag echter aannemelijk wezen, dat dat door de verderver van den beginne, door de duivel gedaan is.

Contact met de levende God

Henoch voerde een levendige conver­satie met de Schepper van alle goeds, en Noach had in elk geval geleerd naar Diens stem te luisteren. Hij wist zodoende exact wat de bedoeling van de groots opgezette scheepsbouw was. Zijn jarenlange prediking was derhalve voor die tijd op maat gesne­den. De levenswijze van Henoch, was niet onder te brengen in wat voor godsdienstig kader ook. Zij leef­den in relatie met de Eeuwige, met menig ander mens uit de periode van vóór het Oude Verbond. Ondertussen is dat Oude Verbond gekomen en ook weer gegaan. Het nieuwe is er al wel een kleine 2000 jaar! Eén ding is beslist niet veran­derd: ook vandaag de dag is het dage­lijkse contact met de levende God gewoon een vereiste voor Gods gunstgenoten. Ieder die Jezus aan­vaard heeft en zich in de Christus ingevoegd heeft, kan zich daarmee onder alle omstandigheden met de hemelse Vader in verbinding stellen. Jezus Christus heeft voor ons niet de weg geopend om de naam des Heren aan te gaan roepen, maar om het contact van de mens met de Vader nieuw leven in te blazen! Hij volbracht waar getrouwen als Simeon en Anna hun hele leven naar uitgekeken hadden: Hij opende de weg tot verzoening. Wij mogen weer ‘wandelen’ met God en daardoor kunnen we deelhebben aan Zijn gedachten, eigenlijk op een soortgelijke manier als Henoch dat ervaren heeft. Vanzelfsprekend is het in ons geval bedoeld voor de tijd waar wij in leven.

In alle rust

De term ‘wandelen’ met God geeft aan dat we geen cursus snelwande­len behoeven te volgen. Niet het tempo van ons bezig zijn is bepalend voor onze relatie met de Vader, maar de intensiteit ervan. Wandelen doet een mens niet in marstempo; men pleegt de tijd te nemen tijdens de wandeling alles om zich heen in zich op te nemen. Genieten van het uit­zicht en met volle teugen de frisse lucht inademen behoren tot de nor­male ingrediënten van een wande­ling in de vrije natuur. En als je in groepsverband aan het recreëren bent, kun je je ook nog in eikaars gezelschap verheugen. Precies zo is het gesteld met de wan­delingen van onze God en Zijn men­sen. We genieten van het perspectief dat de Heer ons boven in de hemel biedt, en tegelijkertijd van wat Hij ons beneden op aarde voor mogelijk­heden schenkt. We willen écht alles in ons opnemen: al Gods heerlijkhe­den in de hemelse gewesten en alles wat er voor goeds in de natuurlijke schepping aanwezig is. De Here God heeft het alles gemaakt, het behoort Hem rechtens toe en Hij wil het graag met ons delen. Van elk contact met onze Vader in de hemel, met Christus Jezus en met degenen die Hem op aarde toebehoren, zullen we dan ook ten volle genieten. In alle drukte om ons heen, in elke door Satan gesitueerde situatie, mogen we in een ontspannen relatie met Jezus leren leven. We zullen ons niet langer laten opjutten door aan het evangelie van de Heer wezens­vreemde kenmerken. Ze proberen de mens Gods op allerlei manieren in te palmen: is het niet onder druk van een moordend economisch stelsel, dan is het wel door religieuze pres­sie. De ene keer komt die uit de langzaam maar zeker afkalvende reformatorische hoek, bij een andere gelegenheid juist uit een zich aan ons opdringend modernisme. Elk godsdienstig bezig zijn van de gelovige mens, kan onder ‘het aan­roepen van Gods naam’ gerangschikt worden. Maar onze God ziet niet zozeer uit naar aanroepers – Hij wil gespreks- en werkpartners naast Zich hebben. En door Gods onvoor­stelbare genade mogen we dat wezen, helemaal!

 

Onderscheiden en kennen door Truus van Kaam

“Leer mij goed onderscheiden en kennen, want ik stel vertrouwen in uw geboden” Psalm 119, vers 66. (Ps. 119:066).

God had een groot plan met de mens, de kroon van Zijn schep­ping.

En ondanks de zondeval, die zowel de mens als de schepping heeft beschadigd, is dat plan nog steeds aanwezig.

Onze God is enkel goed en er is geen spoor van duisternis in Hem. Alles wat God geschapen heeft is goed en niets daarvan is verwerpe­lijk.

Ook de mens, door God gescha­pen, is goed. En alles wat wij opmerken aan verwerpelijks is niet uit God.

Wij mogen leren scheiding aan te brengen tussen het goede van God en het verwerpelijke van de vijand!

Wanneer we al het goede met dankzegging aanvaarden, wordt het geheiligd door het woord van God en door gebed 1 Timoteüs 4 vers 4 en 5. (1 Tim. 04:04-05). En alles wat daarbuiten valt, het ondeugdelijke en onreine, is ver­werpelijk.

Als we ons geloof en onze gedach­ten laten opbouwen door het woord van God, vermeerdert ken­nis en inzicht, zodat we steeds beter in staat zijn te onderschei­den waar het op aan komt.

 

Gods verlangen naar samenwerking door Duurt Sikkens

God is iemand die graag samen-werkt. Zonder een ander, de mens, gaat het dan ook niet. Hij zoekt geen huurlingen die loon-eisen stellen, maar mensen die hart hebben voor Zijn zaak, echte lief­hebbers. Hij zoekt ’n wezenlijke relatie met de mens, anders is het niet vrucht­baar. Ik denk dat de grondgedachte van de hele schepping, de onzichtbare din­gen (hemel) en de zichtbare dingen (aarde), alles te maken heeft met liefde. Als je op aarde ziet wat Hij allemaal heeft bedacht, zie je trouwens meteen wat Hij niet heeft bedacht.

Vele mensen schrijven de aantasting van de menselijke natuur, het zinlo­ze geweld, de korruptie, ook aan God toe. Zelfs zijn er gelovigen die dit doen en dat is jammer. Ze kunnen niet zien dat er een sterke tegenstan­der in de hemel is die zich maar al te graag achter het masker ‘God’ ver­schuilt en verschanst. Jezus was eigenlijk de eerste die hem aanwees en ertegen optrad. Hij bevrijdde graag de mensen van de tirannie van de boze en maakte hen van ‘vreemde smetten vrij’. En dat niet alleen. Hij openbaarde vooral de gedachtenwereld van God, leerde de mensen anders te denken over Hem dan ze tot dusverre had­den gedaan. Een God zonder geweld, zonder onberekenbare grillen. Een Vader, goed voor alles wat leeft. Natuurlijk kwam Jezus in conflict met degenen die het oude godsbeeld maar al te graag in stand hielden omdat hun eigen status en religieuze machtspositie daarvan afhing. Misschien hadden ze wel een ‘roe­ping’ of zoiets…

En dan Jezus, de liefhebber in hart en nieren. Met hart en ziel, met z’n volle verstand en al z’n zedelijke kracht, wierp Hij de afgodsbeelden in de gedachten van het volk omver en vertelde van zijn liefhebbende Vader die in het verborgene werkt. Een Vader in wie geen duisternis aanwezig is en uit wie geen duistere praktijken kunnen ontstaan.

Het is toch onmogelijk samen te werken met een god uit wiens hand goede en slechte dingen komen? Daarmee sluit een wel-denkend mens geen overeenkomst in zijn gedachten. Zo’n god (ik gebruik expres een kleine letter) is onver­koopbaar. Zeker aan kapotgeslagenen, gewonden, treurenden of inner­lijk verdeelden.

Stel dat je een huisarts hebt die eerst z’n praktijk langs gaat en de mensen slaat of besmet met allerlei ziekten en ze psychische kwalen aanpraat om maar een wachtkamer vol te krij­gen met biddende patiënten… Een geneesheer met twee gezichten van wiens luimen en grillen je maar ang­stig afhankelijk bent. Zo’n Godsbeeld is krankzinnig, zeg nou zelf. De liefde van God is onvoorwaarde­lijk, voor iedereen, zoals de zon over goede en slechte mensen schijnt. Daar zit geen bedrog in, ze is helder en echt. Wanneer Zijn liefde je beschijnt begin je in je diepste wezen warm te worden, je wordt weer mens, echt mens, zoals je bent bedoeld vanaf het begin. Dank zij het werk van Jezus zijn alle obstakels in dit wordingsproces opgeheven. Zonde wordt graag ver­geven, schuldgevoelens genezen en zelfs de aardse dood hoeft je geen angst meer aan te jagen. Dat is voor­bij. En zo heeft de bruggenbouwer Jezus Christus de weg vrijgemaakt naar de Vader, die altijd zo’n heim­wee heeft gehad naar de mens. De opgejaagde mens komt bij Hem tot rust en God komt tot rust bij de mens, ‘de plaats Mijner rust’. En vanuit die rust, dat alle dingen eens worden zullen zoals ze bedacht zijn door Hem, vanuit dat geloof in elkaar heb je bestaansrecht. Langzaam maar zeker komt de echte mens tevoorschijn. Hoe? Omdat de Vader en de Zoon jou zo liefhebben. Met al m’n beschadigingen, mijn a soms kromme ideeën over Hem en over mezelf?

Ja, juist jij. Want Hij woont graag bij ‘gebrokenen van hart’ om hen te her­stellen en hun oorspronkelijke gezicht terug te geven. Een gezicht dat Hij zo liefheeft, een gedaante waarvoor Zijn Zoon is gevallen en opgestaan.

Zo kunnen we er samen iets heel moois van maken. Vandaar Zijn van verwachting trillende stem toen Hij zei: “Laten we samen mensen maken die op ons lijken”. Die lief­hebben, met de liefde waarmee ze liefgehad worden. Dat geluk is van hun innerlijke gezicht af te lezen, want ze zijn zalig verklaard. ^ Je geneest door werkelijke liefde omdat Hij niet zonder ons wil. Hij houdt zo van je.

Jij mens

voortgejaagd door storm

verraden door gefluister

zó moe, zó leeg

je huilt

en zelfs dat kun je soms niet meer.

 

Kom in de stille morgen

die Ik ben

Ik zal je tooien

met de lazuurstenen van de hemel

met het parelmoer van Mijn

geborgenheid        

met de robijnen van Mijn bloed

geliefde.

 

Bouwen wij luchtkastelen door Froukje Huis

Dat was het onderwerp van één van onze gemeenteweekenden. We heb­ben er allen van genoten en de band in de gemeente is er weer krachtig door versterkt.

Toch zit dat ‘lucht’-kasteel me nog een beetje dwars. Volgens Van Dale is de betekenis van luchtkastelen het zich vleien met ongegronde verwach­tingen…

Verwachting’ is op de toekomst gericht en dat zijn wij ook, want het Woord Gods is de bron waaruit wij onze verwachting putten. En de Bijbel staat vol over onze toekomst. Enkele voorbeelden:

“Onze ziel verwacht de Here, Hij is onze hulp en ons schild” Psalm 33, vers 20. (Ps. 033:020).

“Maar wie de Here verwachten, zij zullen het land beërven” Psalm 37, vers 9. (Ps. 037:009).

“Maar wie de Here verwachten, put­ten nieuwe kracht” Jesaja 40, vers 31. Romeinen 8, vers 29. (Jes. 40:31; Rom. 08:29).

“Wij… zuchten bij onszelf in de ver­wachting van het zoonschap” Romeinen 8 vers 29 (Rom. 08:29).

In (Rom. 08:29) wordt gesproken over de gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons. Met Filippenzen 3 vers 20. (Filip. 03:20) belijden wij dat we burgers zijn van een rijk in de hemelen, waaruit wij Jezus Christus als Verlosser verwachten. Met Abraham verwachten we de stad met fundamenten Hebreeën 11, vers 10. (Heb. 11:10) en 2 Petrus 3, vers 13. (2 Petr. 03:13) omschrijft het als volgt: “Wij verwachten echter naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont”.

Jozua constateerde al dat niet één van alle goede beloften, die de Here aan het huis van Israël had toege­zegd, onvervuld is gebleven.

Wij geloven dat onze Vader eeuwig en onveranderlijk is, daarom ver­wachten wij dat alle beloften in de Bijbel ook voor ons in vervulling zul­len gaan.

Onze verwachtingen zoals: hulp, het land beërven, nieuwe kracht, het zoonschap, verlossing van ons lichaam door Jezus Christus, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, het nieuwe Jeruzalem, zijn dus vast gegrond op het Woord van God en zijn zeker geen luchtkasteel.

De wereld zal ons vragen: Waar bou­wen jullie dan? En ons antwoord zal zijn: In de hemelse gewesten of, zoals de Statenvertaling zegt: in de lucht.

Daar, waar God de Vader is, waar Jezus is en waar Hij ons mede een plaats heeft gegeven Efeze 2 vers 6. (Ef. 02:06). In die onzienlijke wereld is God bezig Zijn plan uit te werken in ons en mét ons.

De mensen die God niet kennen, zeggen misschien: Luchtkastelen bouwen ze!

En wij zullen het beamen: Inderdaad, een ‘lucht’-kasteel, een bouwwerk in de hemelse gewesten, waarvan God de ontwerper en bouw­meester is.

 

 

 

 

 

 

1999.03-04 nr. 399

1999.03-04 Levend geloof nr. 399

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Het aanvaarden en beleven van het evangelie van het Koninkrijk, zoals dat door Jezus en de apostelen werd gebracht, en in onze tijd ‘herontdekt’ wordt, leidt uiteindelijk tot het ontstaan van de volwassen gemeente van Jezus Christus. Deze gemeente zal in deze eindtijd een geweldig lichtbaken zijn temidden van alle duisternis. En hoewel de vorst der duisternis er alles aan zal doen om dit licht uit te schakelen zal hem dat niet lukken. Het  (Goddelijk) licht is nu een­maal sterker dan de  (satanische) duisternis.

God handelt echter niet buiten ons om. Hij schakelt ons als nieuwe scheppin­gen in Christus, volledig in als lichtverspreiders van Zijn Koninkrijk. Nu kennen we allemaal wel momenten van teleurstelling, tegenslagen en soms zelfs nog nederlagen. Toch hoeft ons dat niet te ontmoedigen, want Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal het voortzetten tot de grote dag van Christus Jezus. En ons grote voorbeeld -Jezus Christus- staat aan onze kant! Hij is immers de Eerstgeborene onder vele broeders?           

Wél vraagt Hij van ons geloof. Geloof dat God aan al Zijn kinderen geschonken heeft, het is immers een ‘gave van God’, zoals Paulus schrijft in Efeze 2 vers 8.  (Ef. 02:08). Dit geloof behoren we echter ‘in werking’ te stellen. Het mag niet op de plank blijven liggen. Dat is ook de bedoeling weer van dit nummer. De inhoud van de verschillende artikelen zijn weer geloofsopbouwend en hebben de intentie ons geloofsleven te stimuleren en te activeren. Want ook voor de eindtijdgemeente geldt dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn. God heeft geloof in ons, laten wij dat beantwoorden met dagelijks een levend geloof in Hem te openbaren. We willen ons daarom niet laten afremmen door welke omstandigheden ook, want het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt, en het bewijs van de dingen die men niet ziet!

 

‘Ut Arkien’ vaart weer uit!

Goed nieuws voor degenen die in juli of augustus er weer een weekje tussenuit willen met het vakantie­schip ‘Ut Arkien’. Ook dit jaar wor­den er een aantal weken georgani­seerd, waarbij in sommige weken s’ avonds een bijbelinleiding wordt gehouden. Het vertrekpunt op maandagochtend is de haven van Enkhuizen, waar men ook op zater­dagmiddag weer aankomt. Iedere dag is er een andere aan­trekkelijke vaarroute gepland, waarbij allerlei steden en dorpen de revue passeren en gelegenheid wordt geboden in de plaatsen rond te wandelen voor museumbezoek, winkelen, enz. De sfeer op dit ver­bouwde binnenvaartschip is altijd gemoedelijk en ontspannen, mede door de prettige wijze waarop het ‘schippersechtpaar’ Roosendaal deze weken leidt. Alle gewenste inlichtingen kunt u bij hen verkrij­gen:

 

Proefnummers

Dat Levend Geloof ‘leeft’ bij onze lezers en lezeressen blijkt wel uit het feit dat we steeds meer adres­sen toegezonden krijgen om het blad op proef naar toe te sturen, leder opgegeven adres ontvangt minimaal twee nummers gratis op proef, waarna hen gevraagd wordt of ze het blad willen blijven ont­vangen door abonnee te worden. Maak ook gebruik van de mogelijk­heid adressen op te geven. We vra­gen u de adressen schielijk aan ons door te geven. Bij voorbaat dank voor uw medewerking.

 

De realiteit van Jezus’ opstanding door Gert-Jan Doornink

“God heeft Hem  (Jezus) uit de doden opgewekt; en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opge­gaan waren, die thans getuigen van Hem zijn hij het volk. En wij verkondi­gen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kin­deren, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb u heden verwekt” Handelingen 13 vers 30 tot en met 32.  (Hand. 13:30-32).

Geloven wij nog in de opstanding? Een beetje overbodige vraag wellicht voor ons die kinderen Gods zijn, die behoren tot de gemeente van Jezus Christus, die zelf opgestaan zijn tot een nieuw leven en de zekerheid in ons hart hebben eeuwig leven te heb­ben ontvangen.

Toch is deze vraag minder overbodig dan ze lijkt. Misschien wel voor ons­zelf, maar niet voor de mensen waar­mee we in aanraking komen en waarvoor wij de verantwoordelijk­heid dragen dat ze in contact komen met het evangelie van Jezus Christus.

We zijn immers geroepen Zijn getuigen te zijn?

De mens die leeft zonder Christus, en dus ook zonder het geloof in de opstanding, wordt steeds geraffineer­der in het bedenken van afwijzingen ten aanzien van het evangelie. Vooral vanuit het naam-christendom wordt een lawine van twijfel rondge­strooid ten aanzien van het geloof in de levende God, geopenbaard in Jezus Christus. Paulus spreekt over hen die met een schijn van gods­dienst de kracht daarvan verloochend hebben.

Vandaag aan de dag wemelt het van naamchristenen die het werkelijke geloof in het lijden, sterven en de opstanding van Jezus belachelijk maken. Ik zou verschillende voor­beelden kunnen aanhalen van wat ik bijvoorbeeld in de afgelopen dagen weer las in allerlei  (ook ‘christelijke’) bladen. Ik laat ze maar achterwege. Waarom zouden we de duivel eer geven, want het is duidelijk uit welke koker deze twijfel en afwijzing, van alles wat met geloof in een levende God en Zijn opgestane Zoon te maken heeft, weg komt: het is Satan, de vorst der duisternis, die een onge­kende haat openbaart tegenover alles wat met het Goddelijke, eeuwige leven te maken heeft.

Leven en overvloed

Jezus sprak: “De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te ver­delgen; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed” Johannes 10 vers 10.  (Joh. 10:10).

Jezus bracht leven en overvloed.  (Een andere vertaling zegt: leven in over­vloed. De Engelse vertaling zegt: abundant live, overvloedig leven). Jezus zegt van de duivel dat hij met geen ander doel komt dan om te ste­len, te slachten en te verdelgen. Let wel: Hij heeft geen ander doel voor ogen.

Gelukkig weten wij dat Hij door Jezus al ontmaskerd en overwonnen

Alleen zijn verdere eindafgang moet nog plaats vinden. Wij hebben er dus in onze tijd volop mee te maken, dat ook wij hem weerstaan en overwinnen. Daar moeten we niet te lichtvaardig over denken. Niet op de wijze van: ‘Het komt toch allemaal wel goed…’ Naarmate zijn tijd korter wordt, wor­den zijn aanvallen gemener en geraf­fineerder. En wie niet op zijn hoede is gaat er gemakkelijk onderdoor. Paulus zegt in 2 Timotheüs 3 dat er in de laatste dagen zware tijden zul­len komen. En dan noemt hij een aantal negatieve eigenschappen op, waar de mensen dan, onder invloed van de vorst der duisternis, mee behept zullen zijn 2 Timoteüs 3 vers 1 tot en met 4.  (2 Tim. 03:01-04).

Gods alternatief

Als Paulus het heeft over deze ‘laat­ste dagen’, dan is het goed ons te realiseren dat deze al begonnen op de Pinksterdag, toen Gods Geest op de discipelen werd uitgestort en de pinksterprofetie van Joel in vervul­ling ging.

En hier geef ik meteen al de enige en voor 100% werkende remedie aan tegenover alles wat het rijk der duis­ternis, op welk terrein ook, veroor­zaakt: de Geest van God, die sterker is dan alle satanische infiltratiepogin­gen om ons kinderen Gods angst aan te jagen, in welke vorm ook. Daarom is een kind van God, als hij dit zich bewust is, altijd sterker  (geestelijk gesproken) dan een niet- kind van God. Het is wel eens goed daar even over na te denken. “Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is” Een Johannes 4 vers 4. (1 Joh. 04:04). Zijn wij ons dit bewust? Zouden wij niet ster­ker zijn  (om deze vergelijking nog even aan te houden) dan zouden we voortdurend de nederlaag lijden en de ander ook niet kunnen helpen. Satan is nog de overste van deze wereld. Maar NIET van de gemeente van Jezus Christus. Hun Hoofd, hun Leider, hun Leidsman is Jezus Christus, de opgestane Zoon van God.

Daarom roept de Hebreeënbrief ons ook op ons oog alleen gericht te hou­den op Jezus Christus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof. Willen we stand houden in deze tijd, willen we het einddoel des geloofs bereiken, willen we bruikbaar zijn in dienst van de Meester, willen we als zonen God openbaar worden?

Dan is er maar één weg, een duide­lijk baken temidden van de huizen­hoge golven van deze tijd. Dat is Jezus Christus, de Zoon van God.

Pasen én Pinksteren

Hoe kunnen we zien op Jezus? Door de heilige Geest. Hier worden we geconfronteerd met het belang­rijke gegeven, dat ‘Pasen’ ondenk­baar is zonder ‘Pinksteren’. Het is de Geest van God die ons ster­ker maakt dan de vijand. Het is dezelfde Geest die ons het leven heeft gegeven en, wat belangrijk is  (in verband met ons getuige zijn) levend houdt. Jezus zelf zegt: “De Geest is het, die levend maakt” Johannes 6 vers 63. Handelingen 13 vers 13.  (Joh. 06:63; Hand. 13:13).

Dat was ook het geheim van bijvoor­beeld de prediking van Paulus. We kunnen dat onder andere lezen in Handelingen 13 vers 13 e.v. , als Paulus in Antiochië het evangelie verkondigt. Misschien denkt u nu wel: Nou ja, Paulus, dat was zo’n bij­zondere figuur in Gods Koninkrijk. Dan zien wij over het hoofd dat alle mensen die in de Bijbel beschreven worden, mensen waren zoals u en ik. Paulus had weliswaar een bijzondere taak, hij was zich bewust dat hij tot apostel geroepen was, maar alleen de Geest van God in hem, maakte hem onbevreesd.

Je zult daar maar staan in de synago­ge, temidden van de mensen die opgegroeid waren bij de wet en zich alleen beriepen op die wet. Hij pro­beerde hen te overtuigen dat juist de ‘heilsboodschap van de opgestane Heer’ in de eerste plaats voor hen bedoeld was.

In eerste instantie zijn er dan velen die luisteren naar de woorden van Paulus en Barnabas. Het is goed om op te merken dat het verzet altijd weer uit de vrome hoek komt. Of beter kan ik zeggen: uit de schijnvrome hoek. Vandaag is het niet anders. Paulus ging echter door en vele heidenen kwamen tot geloof, zegt vers 48.

Maar ook de duivel zit niet stil. Er ontstaat een vervolging. Maar het laat­ste vers van Handelingen 13 zegt: “En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest”.

Een belangrijk kenmerk

Ik geloof dat dit ook een belangrijk kenmerk van de eindtijdgemeente zal zijn. Ondanks alles, ondanks ver­volging, ondanks bespotting met bij­voorbeeld de opmerking: “Geloof jij nog in de opstanding?”, zal de inwo­nende kracht van de heilige Geest altijd sterker zijn dan alle demonen uit het rijk der duisternis. De eindtijdgemeente, waartoe u en ik behoren, zal zegevieren. Zo zeker als Jezus de dood overwon. Zo zeker als het nieuwe leven in ons is en zo zeker als ook wij zijn opgestaan tot een nieuw leven, zo zeker zullen ook wij overwinnen.

De uitdrukking ‘Jezus leeft en wij met Hem’, die we misschien wel eens te gemakkelijk en te oppervlak­kig hebben gebruikt, is werkelijk­heid.

We willen die werkelijkheid niet ver­borgen houden. We zijn ons bewust dat wij de mensen die niet geloven, niet kunnen overtuigen, maar de Geest die in ons woont kan dat wel. Want het is die Geest waarvan Jezus zei dat Hij de wereld zal overtuigen van zonde Johannes 16 vers 8. (Joh. 16:08). En na de overtuiging komt de veran­dering, van zondaar tot kind van God. Zoals dat bij ons gebeurd is, kan dat ook bij die ander  (dat fami­lielid, die goede kennis, die kame­raad op het werk) gebeuren. Daarom gaan wij vol vertrouwen door om door woord en daad een getuige te zijn van onze levende, opgestane Heer.

Doorwerkende verandering

Over die ‘verandering’ wil ik nog een paar opmerkingen maken. Want we kunnen wel zeggen dat Gods Geest het via ons moet doen, en dat is

100% waar, maar de heilige Geest verandert ook ons eigen leven meer en meer. We gaan als het goed is hoe langer hoe meer op Jezus lijken. Dat is belangrijk want de wereld let op ons. Als wij ‘in zonde leven’, heb­ben we geen getuigenis in ons en bedroeven we Gods Geest. En we openbaren niet het beeld van Jezus, maar het beeld van de tegenstander. Dit is natuurlijk nooit Gods bedoe­ling. Het is Zijn wil dat we meer en meer één worden met Hem, zoals Jezus zelf één was met de Vader. Jezus zelf was tijdens Zijn leven op aarde voortdurend bezig Zijn disci­pelen op te voeden en te onderrich­ten, zodat ze werkelijk bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk zouden zijn.

Zelfs na Zijn opstanding ging dat door! Want we lezen we in Handelingen 1 vers 3. (Hand. 01:03) dat Hij Zich “na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft”.

Jezus wilde ‘optimale getuigen’ van Zijn discipelen maken. Zoals Hij dat ook met ons wil doen. Je kunt daar­om ook concluderen dat het werk van Gods Geest tweeledig is. Het is een werk in ons, het vormt ons om naar het beeld van Jezus). En het is een werk door ons, want door het werk in ons, wordt ons getuigenis naar de ander toe effectief en productief.

Zo wordt de beleving van de opstan­ding van Jezus meer en meer een  dagelijkse realiteit in ons leven en gaat het échte leven, zoals God dat bedoelt, er helemaal uitkomen.

 

Wie zoekt zal vinden door Duurt Sikkens

“Uw wil geschiedde…” Matteüs 6 vers 10a. (Matt. 06:10a).

Als er één uitspraak is die bezwangerd is van onheil en fatalisme dan is het deze wel. Wat er ook gebeurt, watje ook overkomt, overal zit Gods regie ach­ter. Wie zó denkt kent God niet en dwaalt rond in een nevelig en schemerig land en bouwt daar op de tast een scheve hut die hij tooit met de naam “Je weet maar nooit”. Binnen is geen warmte en veiligheid want de kille wind heeft er vrij spel. Na een poosje verzakken de fundamenten, waarop nog net te lezen was: Uitverkiezing.

Wat die vervloekte leer al niet aangericht heeft in de geest van de mensen die hebben moeten geloven dat God van te voren al weet wie de zaligheid beërven en wie niet. De menselijke wil schijnt niet te bestaan, want de mens is kennelijk al geprogrammeerd. In die leer kun je zo rondtollen datje er gek van wordt. Gelukkig is God barmhartig en met voorbijzien aan de tijden der religieuze onkunde, strekt Hij, door middel van Zijn volgelingen, Zijn handen uit naar deze mensen, want het evangelie is voor elk mens. Die mag zelf kiezen voor het licht. Misschien kruip je erheen, misschien heb je vrienden die je er naar toedragen, maar wie het licht liefheeft kan nu komen. Stap uit de godsdienstige leugenkooien en ga de vrijheid in. Leve Gods keuze voor jou. ‘Wie zoekt zal vinden’ en zoeken is een wilsdaad van de mens. Dan laat God zich graag vinden.

 

Vrije heerlijkheid door Hans Bulthuis

De apostel Paulus schrijft in Romeinen 8 vers 18 tot en met 30. (Rom. 08:18-30) dat er heerlijkheid over ons geopenbaard zal worden. Hij is daar zeer verzekerd van ondanks alle lijden van de tegenwoordige tijd. De hele schepping snakt naar Gods heerlijk­heid en wacht met reikhalzend ver­langen naar het openbaar worden van de zonen Gods. Zij zullen die heerlijkheid inbrengen. De heerlijkheid is het goddelijke, het bovennatuurlijke van Gods wezen, het tijdloze leven van de Schepper, het eigene van onze hemelse Vader. Zij kenmerkt zich in een alles weten­de wijsheid, in een overweldigende geestelijke kracht, in een alles aan­kunnend vermogen, in een onaan­tastbaar heilige existentie, in een alles doordringende liefde. De grootste zoon van God, Jezus Christus, heeft die heerlijkheid het eerst ontvangen en uitgewerkt. In zijn handel en wandel zien we namelijk ten volle de goddelijke natuur met al haar mogelijkheden, gaven en werkingen gemanifesteerd. Het geheimenis Gods, zijn geopen­baarde leven in de mens  (in het vlees), is in Jezus voltooid 1 Timoteüs 3 vers 16. (1 Tim. 03:16). Hij werkt er nu naar toe om vele zonen tot diezelfde heerlijk­heid te brengen Hebreeën, 2 vers 10. (Heb. 02:10). Deze zonen zijn die christenen die de Geest van zijn Zoon ontvangen hebben en het Lam volgen waar Het ook heengaat Galaten 4, vers 6 en 7. (Gal. 04:06-07). Zich aan de waarheid, het evangelie van heer­lijkheid, houdende, groeien zij in liefde naar Christus toe.

Tevoren door God bestemd tot gelijkvormig­heid aan het beeld van zijn Zoon, heeft Hij hen door dat evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van Jezus 2, Thessalonicenzen, 2 vers 14. (2 Thess. 02:14). Dit voornemen zal absoluut gereali­seerd worden in allen die daarin geloven en zich gehoorzaam toebe­reiden.

De krachtigste aansporing daartoe zijn de woorden in 2 Petrus, 2 vers 3 en 4 (2 Petr. 01:03-04: “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht; door deze zijn wij met kost­bare en zeer grote beloften begiftigd, opdat wij daardoor deel zouden heb­ben aan de goddelijke natuur”. God heeft de zijnen in een uitgangs­positie geplaatst die het voor hen haalbaar maakt om deel te hebben aan zijn goddelijke natuur met al haar uitnemende kwaliteiten en mogelijkheden. Dat is bij uitstek de heerlijkheid die Hij in zijn oneindige liefde voor ons heeft bereid.

De vrijheid van de heerlijkheid

In dit verband schrijft Paulus over het bevrijd worden tot “de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods”  (vs. 21b). De heerlijkheid is namelijk geheel vrij. Het goddelijke leven zelf, in al haar aspecten, is in zich autonoom. Het kan nooit door beïnvloeding van buitenaf door wie of wat dan ook ingeperkt, geremd, beknot, bevoogd of gedirigeerd wor­den. Niemand kan de heerlijkheid eventjes naar z’n hand zetten of haar manipuleren. Gods heerlijkheid laat zich niet reguleren of de wet voor­schrijven. Zij is nooit in te passen in een religieus systeem. Zij is daar­door de grote tegenpool van slaver­nij, onderwerping, gebondenheid, beperking en ondergeschiktheid. Zij is vrij zoals God vrij is, zelfstandig en onafhankelijk.

De vrijheid van de heerlijkheid houdt eveneens in dat zij onbesmet, onge­deeld en onvermengd is. Zij is tot één. Zij is puur, echt en zuiver. Zij is niet te verbinden met het onechte en het bezoedelde. Een compromis daarmee is door haar nimmer te sluiten. Zij is waarheid, heiligheid en leven.

De geest van de godheid, waarin zijn heerlijkheid gelegen is, heet niet voor niets Heilige Geest. Hij wordt derhalve de Geest der heerlijkheid genoemd die geheel zaligmakend is 1 Petrus 4, vers 14b. (1 Petr. 04:14b).

De vrijheid van de heerlijkheid is zo sterk, dat zij nimmer aanleiding geeft tot bandeloosheid, wanorde of verwarring 1 Korinthe  14 vers 33. (1 Kor. 14:33). Waar zulke werkingen zich wel doen gelden, is dat een teken van gebrek aan kennis en inzicht. Boze geesten maken daar misbruik van om zodoende het christelijke leven van de gelovige en de gemeente te ontregelen. Het zal toch duidelijk zijn dat dit niet uit God is en te allen tijde voor­komen dient te worden. Jezus’ eigen leven, dat Hij als voorbeeld ons in de Bijbel naliet, zal richtinggevend moe­ten blijven. Aan zijn beeld gelijkvor­mig, en nooit anders.

Hechten

De heerlijkheid die onze hemelse Vader voor ons in Christus heeft bereid, wordt ons deel als wij ons aan de Heer hechten. Wie dat doet, is één geest met Hem 1 Korinthe  6 vers 17. (1 Kor. 06:17). Gods volheid van heerlijkheid is immers in Christus lichamelijk aan­wezig Kolossenzen, twee vers 9 en 10 a. (Kol. 02:09-10a. We worden opgeroepen om gemeenschap te heb­ben met Gods Zoon Een Korinthe  een vers 9. (1 Kor. 01:09). De gemeente is de vrouw van het Lam en vormt, net als in een huwelijk, één geheel met Hem. Deze hechting aan de Heer geldt zowel voor de gelovige enkeling als voor de groep, bijvoorbeeld de plaat­selijke gemeente. Waar die eenheid met Hem tot stand komt en onder­houden wordt, zal de heerlijkheid meer en meer toenemen en zich manifesteren 2 Korinthe 3, vers 18. (2 Kor. 03:18). Hiervan kunnen we in geloof in alle zeker­heid uitgaan.

Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de goede God dat zijn heerlijk­heid in ons toeneemt en zijn heerlijk leven ons allen geheel zal vervullen en doortrekken. Hij zoekt Zich geheel te verenen met de mens in Christus. Ons leven door en in zijn vrije, goddelijke heerlijkheid wordt dan uiteindelijk onze eeuwige bestaansvorm en leefwijze. Dit is het eeuwige leven. En dat leven is in de Zoon.

Als eindtijdchristenen zullen wij onszelf en elkaar moeten blijven aan­vuren om, koste wat het kost, onze eenheid met Jezus Christus te com­pleteren en te intensiveren. Zonder Hem kunnen we niets Johannes 15, vers 5b. (Joh. 15:05b). De volheid is in Hém, en wij ontvan­gen de volheid indien wij deelhebben aan Hem. Niets mag ons er nog lan­ger van weerhouden om die eenheid met Hem aan te gaan Romeinen 8, vers 9b. (Rom. 08:09b). Wij zullen ons volledig dopen in Christus en samengroeien met zijn opstandingsleven in heerlijkheid  (Romeinen 6).

Wat deze ontwikkeling wil tegenhou­den of afremmen, zal verwijderd moeten worden. Vandaar dat Paulus in Romeinen 8 schrijft over een “bevrijd worden van de dienstbaar­heid aan de vergankelijkheid”  (vs. 21a). Bevrijding ‘van’ slavernij en bevrijding ’tot’ de vrijheid der heer­lijkheid. Dit gaat hand in hand en kan niet anders.

Bevrijding

De mens en zijn bestaansvorm zijn door God bestemd tot heerlijkheid. Door het wetteloze werk van het rijk der duisternis is er helaas nog wei­nig van terecht gekomen. Satan en zijn demonen hebben de mens vanaf de zondeval aan zich onderworpen door de misleiding van de leugen en de zonde Johannes 8, vers 44. (Joh. 08:44). Het gevolg was dat er niets blijvends, niets van eeuwigheidswaarde kon worden ontwikkeld. Het loon van de zonde is immers de dood. Allen wer­den slaaf van de boze, en daardoor dienstbaar aan de vergankelijkheid. Destructie, ontbinding en dood heer­sen op allerlei wijze in de mensheid. De ganse schepping zucht onder dik juk. De gevallen mens kan zelf niet’- uit deze gevangenis ontsnappen. De enige oplossing is een verlosser van buitenaf. Die werd door God Zelf verwekt: Jezus Christus. Wel een mens, maar niet gevallen en dus ook geen slaaf van de vijand. Hij werd door God gezalfd met heilige Geest en kracht. Heerlijkheid was zijn deel. Door zijn heilswerken, door zijn offer als Lam Gods, door zijn overwinning over duivel en dood, is Hij de redder, heiland en zaligmaker der mensheid geworden. Allen die Hem aannemen, krijgen macht om een kind van God te wor­den. Zij worden door persoonlijk geloof in zijn verzoenend bloed en plaatsvervangend lijden verlost uit hun zonden en uit de macht der duisternis Kolossenzen, 1 vers 13 en 14. (Kol. 1:13-14). Zij worden in de hemelse gewesten overgezet van het rijk der duisternis in het rijk Gods. In Christus worden zij met allerlei geestelijke zegen door de Vader gezegend Efeze, 1 vers 3 tot en met 14. (Ef. 01:03-14). Eén van die zegeningen is de vrijma­king uit de hand van alle vijanden. In de geestelijke tegenstanders is namelijk alle zonde, leugen, ziekte en wetteloosheid gelokaliseerd. In en door Jezus Christus is het mogelijk om totaal bevrijd te worden van elke gebondenheid aan deze boze geesten.

 

Ook overwinning over hun ver­koelingen en infiltraties is geheel haalbaar door onze Heer,  Efeze 6 vers 11 en Jacobus, 4 vers 7. (Ef. 06:11 en Jak. 04:07). Dit alles leidt tot algehele vrijheid van de mens Gods. Een absolute noodzaak om de heerlijk­heid gaandeweg eigen te maken.

Vrije mensen

De heerlijkheid zelf is vrij. Zij functioneert echter optimaal in vrije mensen. Indien de Geest Gods bedroefd of geblust wordt door onge­loof, zonden, ongehoorzaamheid en dergelijke, wijkt de heerlijkheid van de gelovige en zelfs van de gemeente  (bijv. 1 Samuel 16, vers 14. Openbaring, 2 vers 5. En Openbaring 3, vers 16. (1 Sam. 16:14 en Openb. 02:05 en Openb. 03:16). En waar de heerlijk­heid verdwijnt, daar komt de vergan­kelijkheid weer op. Geestelijke, innerlijke vrijheid is een voorwaarde voor de volle maat van heerlijkheid. De vrijheid komt tot stand door daadwerkelijke bevrijding van de demonen, gevolgd door een vernieu­wing van denken door Gods woord. Beide zijn nodig. Zodra er enige ruimte is veroverd op de vijand, is het zaak om niet in het oude denk­en gewenningspatroon te blijven doordenken en handelen. De christen dient zijn dagelijkse levenswijze aan te passen aan die van Jezus. “Doe de Here Jezus Christus aan”, schrijft Paulus Romeinen 13, vers 14. (Rom. 13:14). Vrijheid is pas ware vrijheid als  zij daadwerkelijk wordt uitge­werkt in de persoonlijke levenswan­del, 1 Johannes, 2 vers 6. (1 Joh. 02:06).

De mens in Christus zal er eveneens scherp op moeten toezien, dat hij vrij wordt van het religieuze, het Babelse, het traditionele en het uiterlijke. Zonen Gods die de heerlijkheid zoe­ken te beërven, behoren te wandelen in geest en in waarheid alleen. Gelijk de Heer Zelf dat deed. Vrome gees­ten misleiden de gelovige en bieden slechts godsdienstige schijn zonder enige kracht, 2 Timoteüs  3 vers 5a. (2 Tim. 03:05a). Helaas is het christendom eeuwenlang ermee verontreinigd en de christenheid erdoor verzwakt.

De Heilige Geest verbindt zich nooit met leugen, onechtheid, namaak, met de werken van het vlees en de duisternis. De demonische overhe­den van het grote Babylon, waaron­der de ‘koningin des hemels’ een belangrijke plaats inneemt, manipu­leren en controleren vele christenen om hen in hun greep te houden, zodat de verbastering van het chris­tendom in stand wordt gehouden  (o.a. Openbaring 18, vers 7b. (Openb. 18:07b). Deze valse en subtiel werkende vij­anden van de waarheid en het leven Gods dienen ontmaskerd en over­wonnen te worden om de weg vrij te maken voor de komst van Jezus door heilige Geest IN ons. Vrije heerlijk­heid heeft vrije mensen nodig om zich in alle zuiverheid en directheid te manifesteren. Ongekunsteld, ongehinderd en onvermengd. De valse schaamte, de vreesachtig­heid, de geremdheid maar ook de zelfverheerlijking hinderen eveneens de openbaring van de vrije heerlijk­heid. Eigenlijk zijn ze een zekere vorm van verloochening van de Christus. Deze verkeerde werkingen zullen afgelegd moeten worden. Van belang daarbij is het onderhouden van een onbesmet geweten en een onbaatzuchtige instelling. Zonen Gods zullen te allen tijde waar en onberispelijk zijn. Geliefde lezer, zoek met allen die oprecht en zonder bijbedoelingen de vrije heerlijkheid begeren te verwer­ven, deze ware vrijheid en zuiverheid van leven. De Heer wil èn zal allen die Hem in geest en in waarheid navolgen zeker totaal bevrijden van de dienstbaarheid aan de verganke­lijkheid en bevrijden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.

Leven

In het eerste hoofdstuk van de brief aan de gemeente te Efeze wordt onomwonden over Gods bedoeling met de mens geschreven: heiligheid, onberispelijkheid en de aanneming tot zonen. Daarom wil Hij allen die in geloof tot zijn Zoon komen, ver­vullen met de vrije heerlijkheid. De gelovigen beërven hierin het hoogste goed van God Zelf, Romeinen 8, vers 17. (Rom. 08:17). Zij mogen als eersten door Christus deelhebben aan Gods eigen heerlijk­heid. Zij genieten als eersten van de voordelen en mogelijkheden, de vrede, kracht en vreugde die erin gelegen zijn. Zó komen zij toe aan echt leven, aan een leven in de gestalte Gods. Het is eeuwig leven. Toch beoogt God meer ermee te bereiken dan alleen het persoonlijke heil van iedere christen. Door de ver­lorenheid en gebrokenheid van de schepping, de mensheid in het bij­zonder, is ons de ‘grote opdracht’ gegeven. “Gaat dan henen en maakt alle volken tot mijn discipelen” Matteüs, 28, vers 19a. (Matt. 28:19a). De vrije heerlijkheid dient tevens ingezet te worden voor die taak. Het einde komt niet voordat het evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt is Matteüs, 24, vers 14. (Matt. 24:14).

Dit omvangrijke werk zal gepaard gaan met grote kracht en volheid van de Heilige Geest, dus met de open­baring van de heerlijkheid. Met ver­bazing zal de heerlijkheid van de Zoon des mensen in zijn heiligen aanschouwd worden

2 Thessalonicenzen 1 vers 10. (2 Thess. 01:10). Niet ter bevestiging van henzelf, want dat heeft hun geloof reeds bewerkstelligd Hebreeën 11 vers 1a. (Heb. 11:01a). Maar het gebeurt tot redding en heil van de verlorenen en ter verheerlijking van Jezus.

De zonen leven zelf door Hem en brengen daardoor leven aan de doden die willen luisteren naar de stem van de Zoon Gods. Zij zijn zonen der heerlijkheid en brengen hun heerlijkheid de schepping in  (naar Openbaring 21, vers 24b (Openb. 21:24b).

Realisering in vrijheid

De realisering van Gods voornemen met de afzonderlijke gelovige èn met de gehele schepping, vraagt om vrij­heid.

Allereerst vrijheid voor de Vader en de Zoon om alles wat Zij noodzake­lijk achten om te doen, ook werkelijk te kunnen doen. Waar Zij worden beperkt, stagneert de uitvoering van Gods plan.

Vervolgens vraagt de heerlijkheid om vrijheid om zich in de gelovige te kunnen laten gelden tot diens zalig­heid.

En tenslotte is vrijheid de voorwaar­de om het wereldomvattende red­dingswerk te kunnen uitvoeren in heerlijkheid, in de kracht van God. Om deze redenen bidden, strijden, geloven en oefenen wij om die vrij­heid tot stand te laten komen en om de heerlijkheid in toenemende mate te laten ontwikkelen. Wij willen met elkaar in een groter wordende vrij­heid ontwikkelen van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Vrij zijn om in heiligheid te wande­len en om in liefde te handelen. Vrij zijn om te werken met woord en gaven. Vrij zijn om onbeperkt te geloven. Vrij zijn om met de gezind­heid van Christus getooid te zijn. Vrij zijn om Jezus’ verschijnings­vorm te evenaren Romeinen 8, vers 29. (Rom. 08:29). Vrij zijn in dienst van de vrije heerlijk­heid. Vrij zijn om verlossers en koningen te worden tot lof van de Eeuwige en tot heil van zijn schep­ping Obadja 1 vers 21a en Openbaring 22, vers 5c; Efeze, 1 vers 12a. (Obadja 01:21a en Openb. 22:05c en Ef. 01:12a).

Gaat u mee op deze hoge weg?

 

Leven in Gods heerlijkheid Wijsheid van Judas door Cees Maliepaard

Deel 12  (slot)

“Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor Zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, én nu én in alle eeuwigheden! Amen” Judas, 1 vers 24 en 25. (Judas 01:24-25).

God kan ons voor struikelen behoe­den, zeker weten! Maar hoe komt het dan dat kinderen Gods toch soms in overdrachtelijke zin onderuit gaan? Elke buiteling van de mens in de geestelijke wereld is onnodig; de eeuwige God kan die voorkomen – maar alleen als de betrokken mens daar zélf ook op gericht is.

Nooit meer in de fout?

Wie van ons kan naar waarheid zeg­gen nooit in woorden te struikelen? Ook al hebben we onszelf doorgaans aardig in de hand, een wegglijder behoort altijd tot de mogelijkheden. Eén moment van onbedachtzaam­heid kan heel wat negatieve gevolgen hebben. Maar als we voor Gods aan­gezicht staan, op Hem gericht zijn en ons heil van Hem verwachten, is daarmee een situatie geschapen waarin de eeuwige God ons voor struikelen zal kunnen behoeden. Heel wat strubbelingen krijgen gewoon geen kans te ontstaan, als we gewend zijn naar Gods stem te luisteren en te doen wat Hij ons zegt. Iemand die naar de ingevingen van het eigen hart of naar de influis­teringen van een vreemde overheer­ser luistert, zal door onze God niet voor struikelen behoed kunnen wor­den. Want de Here God dwingt geen mens; gehoor geven aan Gods boodschap gebeurt altijd op basis van vrijwilligheid.

Maar als een mens zich oefent in het onderscheiden van Gods wil met betrekking tot z’n leven  (en daar ook naar handelt) zal struikelen en vallen voorkomen kunnen worden en gaat een onberispelijk leven tot de mogelijkheden behoren. Alle aanklacht en verwerping valt hiermee weg, want deze verachtelijke wapens van de boze machten treffen niet langer doel.

We kunnen daarvoor in de plaats Gods glorie gaan dragen. Zijn heerlijkheid wordt gevormd door een feilloos functioneren van de mens die God toebehoort. Dat zal zich in grote vreugde gaan ontplooi­en. En wie heeft die vreugde: de Here God of de mens? Ieder zal het antwoord daarop zelf wel kunnen geven: Beiden natuurlijk! Zoals goede ouders zich zullen verheugen over een geslaagd leven van hun kin­deren, minstens zoveel als hun kroost daar zelf blij mee zal wezen.

De énige God

De Here God is een enig God, Hij is uniek, schrijft Judas. Elk mens is óók enig, ook uniek, want van ieder is er maar één. Maar dat betekent wel dat er vele unieke mensen moe­ten zijn – miljarden zelfs! Er is echter in het geheel slechts één God, want buiten Hem is er geen. De vele goden, waar de apostel Paulus over schrijft in 1 Korinthe 8, vers 5 en 6. (1 Kor. 08:05-06), vormen de menigte aan afgoden die een mens tegenkomen kan. Die worden vooral gevormd door idolen die de mensen zich in gedachten maken en waarmee Satan en zijn demonen zich maar al te graag vereenzelvigen. Paulus noemt hen dan ook terecht zogenaamde goden. Er zijn goden in menigte, geeft hij aan. Maar voor ons  (nog steeds volgens Paulus) is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wiens glorie wij zijn. Er is maar één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en door wie ook wij er werkelijk wezen kunnen!

De vele goden zijn in werkelijkheid anti-goden. Ze proberen de mens in heilloze situaties te manoeuvreren, maar de Here God is onze Heiland en Hij is de Schepper van alles wat goed is. Hij heeft een plan waar Hij Zijn welbehagen in kwijt kan, juist omdat Hij de mens daarmee intens gelukkig  (ofwel: zalig) maakt. Wanneer iemand zich ontvankelijk opstelt, laat de Vader zich niet onbe­tuigd in het aandragen van alles wat nodig is voor het leven als een zoon van Hem. Samen met Jezus, de eer­ste Zoon, die ons óók tot een Heiland geworden is.

Door Jezus Christus

De enige God bewijzen we alle eer, want van Hem is de majesteit, de kracht en de macht. Onze God écht eer betonen kan alleen maar vanuit onze relatie met de Here Jezus. Want Hij is onze Héér: Hij heeft het voor het zeggen in ons leven. Dat is immers onze vrije keus geweest! Jezus Christus vormt de enige brug tussen ons en “Hem die ons voor struikelen kan behoeden”. Elke ande­re weg is door Satan geblokkeerd, zonder mankeren. Alleen de weg door Jezus gevormd, is open. En wel voor een ieder die via die weg het doel bereiken wil.

Het volgen van deze weg heeft echter wel consequenties. Je kunt je daar nu eenmaal niet naar believen voor- of achteruit op bewegen. Jezus zei immers: “Ik ben de weg, de waar­heid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” Johannes, 14, vers 6.  (Joh. 14:06). Als iemand een eenmaal afgelegd stuk weg weer terug gaat lopen, zal hij bemerken dat om het doel van God dichter te benaderen, hij zich op dat vlak opnieuw zal moeten omkeren. Want Gods doel met de mens ligt nooit in een verkeerd verleden, maar altijd in het realistische heden van het Koninkrijk van God. Iemand die op God gericht is, heeft het Godsrijk vóór zich liggen. Alleen wanneer een mens zich van de HERE God heeft afgekeerd, is het zinnig zich om te draaien – en daar heeft men Jezus voor nodig!

Goddelijke glorie in de mens

Is het slot van Judas’ brief niets meer dan de uiting van wat vrome wensen? De eeuwige God zij de heerlijkheid, de majesteit, de kracht en de macht.

Bedoelt Judas hiermee aan te gevend- dat we dat dan maar zullen hopen? Zo van: wie weet gebeurt het nog wel eens! Nee, wat hij onder onze aan­dacht brengt is de stellige zekerheid die in ons leven openbaar zal komen, mits er aan één voorwaarde wordt voldaan: als we leven in gemeen­schap met onze Here Jezus Christus. Buiten de eniggeboren zoon van God om, is het niet mogelijk aan het plan van de Vader te beantwoorden, en dus ook niet aan deze omschrijving van Judas.

God heeft alle heerlijkheid die maar denkbaar is, in zich. En vanuit onze relatie met Jezus in het lichaam van de Christus, zal de heerlijkheid van de Vader ook in onze levens er dui­delijk uitspringen. Waar wij naar ons innerlijk goddelijke glans vertonen, zal Gods glorie door ons heen naar buiten zichtbaar wezen. Dat kan gewoon niet missen! Gods luister zal in de wereld om ons heen aan ONS af te lezen zijn.

De majesteit waar de Schepper van hemel en aarde mee bekleed is, is werkelijk weergaloos! Daarmee ver­geleken valt de majesteitelijke status van aardse vorsten volkomen in het niet.

Toch valt veel van de majestueuze schittering van de Schepper in Zijn schepping waar te nemen. Het patroon van de Bouwmeester vind je terug in wat uitgewerkt is. En Gods woorden tijdens de schepping aan de engelen gericht: “Laat ons mensen maken, naar ons beeld en gelijke­nis…”, droegen van de aanvang af voldoende daadkracht in zich om Gods majesteit met nadruk in de kroon op Zijn schepping te leggen.

Met macht en kracht bekleed

God heeft alle macht in de hemel en op de aarde om Zijn plannen te verwezenlijken. Het ontbreekt Hem ook niet aan kracht om zich boven de tegenpartij  (uit het duistere deel van de hemel) te stellen. Van Hem is “immers alle goede macht en kracht, zowel in de hemel als op de aarde. “Vóór alle eeuwigheid”, wil de NBG- vertaling ons doen geloven. Maar zo is het natuurlijk niet, want de eeu­wigheid heeft geen begin, er kan der­halve nooit iets vóór de eeuwigheid geweest zijn! DE TIJD heeft ooit een aanvang genomen, en terecht geven sommige vertalingen deze tekst dan ook weer met: “vóór alle tijden”. Vóór alle tijden heeft God Zijn maje­stueuze plan, in originele heerlijk­heid bedacht. Nu, in de tijd, is dat plan door Jezus Christus uitgewerkt. En dat ondanks tegenwerkingen van­uit het rijk van duisternis en dood. Op basis van wat de eerstgeboren Zoon van de Vader volbracht heeft, mogen wij medewerken aan de vol­tooiing van Gods plan in ons, tot ver­wezenlijking in onze hemel en tot een getuigenis voor de wereld rond­om ons. Alle denkbare heerlijkheid, majesteit, kracht en macht horen bij de Here God, van vóór de oor­sprong van alle dingen via de realisa­tie van Gods bedoelingen  (ook in onze dagen) en tot in alle eeuwighe­den na deze tijden. Aan het einde van deze korte brief, laat Judas hierop zijn ‘amen’ horen. En ik denk dat wij dit alles op onze beurt ook met grote stelligheid zou­den kunnen beamen.

Hoe nu verder?

Wat is onze taak in wat Judas ons allemaal laat zien? Het gaat immers over de eeuwige God en Zijn plan, en over Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer. Het is nog wel in te denken dat we met elkaar in het spoor van Jezus kunnen staan, want tenslotte behoort Hij -evenals wij- tot het menselijke geslacht. Ook al is Hij dan de door God reeds aan Adam en Eva beloofde Zoon. Maar met de eeuwige God zal niemand zich ooit kunnen meten, in de hemel niet en op de aarde al evenmin. Toch heeft de Schepper ons naar Zijn beeld geschapen. Naar onze innerlijke statuur lijken we dus op de Vader. Hij heeft de mens net zo gaaf in het leven geroepen als Hij zelf is: zonder enig mankement, een beelddrager naar het innerlijk, écht goed!

Wij willen graag  (net als Jezus) over­eenkomstig het plan van de Vader bezig zijn. Dat betekent dat we ons te allen tijde bewust zullen zijn van onze volledige afhankelijkheid van Hem die ons voor struikelen kan behoeden. Want zonder Hem zullen we niets van dat plan in de hemel of op de aarde kunnen uitwerken. Dat we uit kunnen voeren wat de Vader ons heeft laten zien, komt uit­sluitend doordat we ons op de enige weg naar het Vaderhart bevinden. Die weg is Jezus. En deze unieke weg voert, afgestemd op Gods waar­heid, naar het leven in onverganke­lijkheid, zoals de Eeuwige zich dat van het begin af gedacht heeft. Dat nu is onze vreugde. Het is logisch dat zulk een blijd­schap door Judas groot genoemd kan worden, want naar de maatstaven van een aards, natuurlijk denken is het een nooit te bereiken aangele­genheid. Maar onze God denkt niet aards of natuurlijk. Ook niet van mensen zoals u en ik. Zijn plan is voor ons op maat gesneden. HIJ heeft het immers uitgedacht! Dus is het door ons stellig te realiseren.

 

Wijsheid en inzicht  (gedicht) Tea Keuper

“God kent de weg tot haar  (de wijs­heid), Hij weet haar verblijfplaats. Want Hij schouwt tot de einden der aarde, wat onder de ganse hemel is, ziet Hij…, maar tot de mens zei Hij: Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade wijken is inzicht” Job 28, vers 23 tot en met 28. (Job 28:23-28).

 

Wat is het Woord een kostbaar goed!

Het is het Woord dat leven doet,

met wijsheid opgeschreven.

U zélf bent goed, vol liefde en wijs,

Mijn Vader, Leidsman op mijn reis,

door heel mijn aardse leven!

 

Uw Zoon heeft het voor mij vol­bracht,

Uw Geest geeft inzicht, sterkt’ en kracht,

een mens kan daar niet zonder.

Brengt hij iets buiten U tot stand,

dan bouwt hij op het rulle zand,

ervaart hij niet Uw wonder!

 

Mijn wijze, liefdevolle Heer,

ik buig mij aanbiddend voor U neer:

schrijft U in mij Uw wetten,

die leiden tot de vrijheid toch,

zonder des satans boos bedrog,

U wilt mij vrij gaan zetten!

 

Zo kome Heer, Uw Koninkrijk,

waarin ik, aan Uw beeld gelijk,

voor eeuwig toch mag wonen!

En heersen met U op de troon,

o Vader, Geest en Mensenzoon,

zó wilt U mij belonen!

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

 

“Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar…

tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten… Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bie­den in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden” (Paulus in zijn brief aan de Efeziërs, Efeze 6. Vers 12 en 13. (Ef. 06:12-13).

De genen en ons karakter

Bepalen de genen  (de erfelijke facto­ren die we van onze ouders meekrij­gen) ons karakter? In wetenschappe­lijke kringen zijn de opvattingen hierover sterk verschillend en aan voortdurende veranderingen onder­hevig. Het magazine Elsevier besteedde er onlangs in een hoofdar­tikel weer eens uitgebreid aandacht aan. Onder de kop: ‘Wie bent u? Nieuwe wetenschappelijke inzichten over de invloed van de genen op het karakter’ schrijft Simon Rozendal, de samensteller van het artikel: “Een eeuw lang hebben psychologen en psychiaters ons wijsgemaakt dat we om onszelf te begrijpen, in onze her­inneringen dienden te wroeten. En gewroet hebben we. Massaal. Een eeuw lang. In opdracht van Freud, Jung, B. F. Skinner en de Riagg. Miljoenen mensen die niet helemaal lekker in hun vel zaten, was het wal­halla beloofd als ze maar eenmaal zouden ontdekken wie vroeger hun rammelaar had gepikt. De uitkomst was niet zelden dat het allemaal de schuld van de moeder was. Psycholoog Bruno Bettelheim begon ermee door te zeggen dat kin­deren autistisch werden als ze een fridge-mom hadden en sindsdien is ma een koelkast in de wachtstand die stoornissen op bestelling kan leveren. Zoonlief homoseksueel? Moeder was te dominant. Schizo­frenie, verlegenheid, bedplassen, nagelbijten, een paar maanden mopperen op moeder bij de psycho­therapeut en je voelde je herboren. Nog steeds zijn er legioenen mannen en vrouwen, volwassen, soms zelfs van middelbare leeftijd, redelijk verstandig, die oprecht menen dat ze slechts tot affectieve relaties in staat zijn, niet in staat zijn met hun diep­ste ik, enz. omdat hun vader alleen maar thuis was om het vlees te snij­den dan wel hun moeder ‘altijd van die dubbel signalen gaf. Voor al die stakkers en tobbers  (schrijft Rozendal) is er nieuws. Het was een vergissing. De psychologie keert met rasse schreden terug van de opvatting dat de kindertijd zo belangrijk zou zijn. In plaats daarvan groeit een wezenlijk beeld van de persoonlijkheid van een mens. Die wordt voor minstens de helft bepaal^ door de genen, de erffactoren die we van onze ouders meekrijgen”. Rozendal komt tot de conclusie dat “het inzicht dat het karakter van de mens voor een belangrijk deel in de genen wortelt, een omwenteling is met Copernicaanse allure. Het staat volslagen haaks op wat er in grote delen van de samenleving gedurende vele decennia is gedacht.

Adoptiestudies

Genen zijn belangrijker voor het karakter dan de opvoeding. Dat had al lang geleden kunnen worden inge­zien, als de psychologie er maar voor had opengestaan. Zo zijn er halver­wege deze eeuw intrigerende adop­tiestudies gedaan in Zweden, bij­voorbeeld naar de relatie tussen genen, opvoeding en criminaliteit. Als een kind zowel biologische als adoptieouders zonder strafregister heeft, is de kans dat het kind het slechte pad opgaat drie procent. Heeft het kind goede biologische ouders, maar komt het in een ver­keerd adoptiegezin terecht, dan stijgt de kans op misdadig gedrag licht, tot zeven procent. Foute biologische ouders en een goed adoptiegezin leiden tot een kans van twaalf procent, verkeerd biologische ouders én adoptieouders verhogen de kans op misdadig gedrag tot veertig procent. Vergelijkbare bevindingen gelden voor andere eigenschappen. Adoptiekinderen van wie een van de biologische ouders alcoholist is, heb­ben een viermaal zo hoge kans om later zelf verslaafd te raken. Kinderen van wie de biologische ouders niet verslaafd zijn, worden daarentegen vrijwel nooit alcoholist – hoe ruimhartig er in het adoptiege­zin ook wordt geschonken. Mat andere woorden, de invloed van de biologische ouders  (lees: de genen) is een stuk groter dan van de opvoeding. Zit het op beide vlakken tegen, dan gaat overigens de meer­derheid van de kinderen niet het misdadige pad op of wordt alcoholist. Er is genoeg ruimte voor eigen inbreng: een mens is noch een slaaf van zijn opvoeding noch van zijn genen. Net zomin als het destijds terecht was dat iemand zich vrij pleitte door aan te voeren dat zijn rammelaar vroeger was gepikt, vol­staat het nu om tot rechtvaardiging van je daden en feilen te stellen dat je gehoorzaamt aan het dictaat van je genen. Genen geven een richting aan maar het individu zelf bepaalt waar de weg uitmondt”.

De mens bepaalt

Tot zover Rozendal in Elsevier. Want hier vinden we als christenen een belangrijk punt om op in te haken. De mens zelf bepaalt! God heeft ieder mens geschapen met een vrije wil. De eerste mensen namen helaas al een verkeerde beslissing door aan de stem van de Satan gehoor te geven met alle negatieve gevolgen van dien.

Maar als christenen weten we dat Satan niet het laatste woord heeft! Jezus, de Zoon van God, overwon hem aan het kruis van Golgotha en voortaan was het voor ieder mens mogelijk, door te geloven in Hem, totaal nieuw te worden. Paulus for­muleert dat op duidelijke wijze door te schrijven: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” 2 Korinthe 5, vers 17. (2 Kor. 05:17). In Christus wordt de mens een nieu­we schepping. Meer nog dan de genen en onze opvoeding wordt nu ons leven gekenmerkt door de plaats die wij aan dit nieuwe leven geven. En daarvoor dragen we zelf de ver­antwoordelijkheid. Want ook na onze bekering blijft onze wil een allesover­heersende rol spelen. Belangrijk voor elke nieuwe schepping is daarom ook dat hij gedoopt en vervuld is met de Geest van God. Deze Geest wil zich graag ‘aansluiten’ bij de positie­ve eigenschappen van onze genen en vanuit onze opvoeding. Maar deze Geest zal nooit en te nimmer gemeenschap willen hebben met negatieve eigenschappen vanuit onze genen en opvoeding. Het is van grote betekenis dit goed te onderkennen, want gebrek aan geestelijke groei, wat we bij heel veel gelovigen aantreffen, wordt veelal veroorzaakt doordat er restanten van­uit het door Satan beheerste negatie­ve verleden niet zijn opgeruimd. Als men als nieuwe schepping zelf niet in staat is schoon schip te maken met deze ‘restanten’  (gebondenhe­den) is een bevrijdingsbediening noodzakelijk, soms ook een bevrij­ding van machten uit het voorge­slacht.

In een artikel zoals we citeerden uit Elsevier komen we uiteraard deze adviezen niet tegen. In een van onze vorige nummers schreven we al hoe het overgrote deel van de weten­schappelijke wereld niets van het werkelijke geloof wil weten. Des te meer zullen wij als gelovigen ons geen rad voor de ogen laten draaien, maar wetende dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn, dagelijks invulling geven aan het verlangen de geloofsweg te gaan. Zo wordt ons karakter meer en meer omgevormd naar de wil van God en openbaren we ons als werkelijke beelddragers van Christus.

Theologie- opleiding op de helling

De laatste tijd is in kerkelijke kring nog al wat commotie ontstaan door de opheffing van enkele theologische faculteiten  (Leiden, Kampen). Deze opheffing is een logisch gevolg van het nu al vele jaren teruglopend ledenbestand van de, vooral grotere, kerken, waardoor een reorganisatie van de theologische opleidings­mogelijkheden noodzakelijk werd. Maar is zo’n opleiding eigenlijk wel nodig? Feitelijk vinden we in de Bijbel daar geen enkele aanwijzing voor. In de eerste christengemeenten vinden we daar in ieder geval niets van terug. Wel waren er bepaalde gaven, bedieningen, etc. Paulus schrijft bijvoorbeeld, in zijn brief aan de Efeziërs, hoe sommigen aange­steld werden tot apostel, herder, evangelist, profeet of leraar. Maar niet dat daarvoor eerst een of andere wetenschappelijke vooropleiding noodzakelijk was.

Opvallend is in dit verband wat Paul van der Haar schrijft in zijn column in het HN-magazine. Van der Haar studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vervol­gens aan de Universiteit van Amsterdam  (UvA) en tenslotte aan die van Groningen. Hij schrijft: “Godsdienst, geloven is geen individuele zaak maar per definitie gezellig, een zaak van de kudde  (gemeente), de maatschappij. Wie als gelovige gaat studeren, krijgt het wat dat betreft flink voor z’n kie­zen. Hij of zij wordt uit de groep gesleurd en moet zich in de ivoren toren maar zien te redden met de brokstukken van zijn of haar geloof die resten na een rondgang door de wetenschap. Want ik kan u verzeke­ren:  (kerk- en dogma)geschiedenis, sociologie, psychologie, ethiek en filosofie laten niet veel van het kin­derlijk geloof heel.

Opheffen die boel!

Mijn conclusie is dan ook: hef alle studies theologie op. Per slot van rekening maakt Theo de logie tot een innerlijke tegenstrijdigheid. God kun je niet meten of wegen. En dat maakt dus dat elk werk over ‘hem’ vastloopt op X-onbekend. Studie en studieboeken zijn of drijfzand gebouwd.

Laat mensen gewoon vier jaar stude­ren wat er te  (be) studeren valt  (geschiedenis, sociologie, ethiek, filo­sofie, Grieks, Latijn, Hebreeuws). Aan de daarvoor geëigende facultei­ten. En laat degenen die dan nog predikant of godsdienstleraar willen worden, doorstromen naar een prak­tische beroepsopleiding van de kerk waartoe hij of zij zich aangetrokken voelt.

Een opleiding waar de kloof tussen de wetenschap en de vertaling naar het geloofsbewustzijn aan de basis overbrugd kan worden”. Wat Van der Haar hier naar voren brengt laat niet alleen aan duidelijk­heid niets te wensen over. Juist in het in het gewone maatschappelijke leven van elke dag -op het werk, kan­toor, fabriek en school-, is grote behoefte te tonen dat het christen­zijn een levende realiteit is.

 

Doelen door Truus van Kaam

Op velerlei manieren zij we hiermee bezig: in de maatschappij, in ons huwelijk, in onze gemeente. Hoe gaan we om met onze ver­wachtingen?

Er zijn vele herkenbare problemen en vaak is het roeien tegen de stroom op. Hoe doen we dat? Natuurlijk praten we er met onze Heer over, maar het over te geven aan Hem gaat verder. Als we dat doen zullen de resulta­ten zichtbaar worden in ons leven en tegelijkertijd zal onze relatie met de Heer zich verdiepen.          

Toch worstelen velen met de vraag hoe het leven Gods zich in hen kan ontwikkelen.

Het antwoord is, bijbels gezien, heel eenvoudig en dat is: een dage­lijks ons overgeven, toevertrouwen aan de wil van de Heer en leren omgaan met Zijn gedachten – en dat zijn levende gedachten. Lucas 12, vers 24. (Luc. 12:24) zegt: “Let op de raven, zij zaaien niet, ze hebben geen voorraadkamer of schuur, en toch voedt God ze”.

Truus van Kaam

 

De bediening van herder door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente deel 9

Als we nadenken over de bediening van ‘herder’ dan gaan de gedachten als vanzelf uit naar God en Jezus Christus. Het is moeilijk te zeggen welke bediening het belangrijkste is, maar als de herder ontbreekt kan de gemeente niet naar Gods wil en orde functioneren. Dan komt de gemeen­te een stuk liefdevolle zorg en lei­ding tekort. De herder is degene die ten nauwste betrokken is bij het hele wel en wee van de mensen in de gemeente.

Alle bedieningen zien wij functione­ren in de Heer Jezus, maar juist in het herderschap komt het diepste wezen van God naar voren, namelijk Zijn liefde en bewogenheid. Lucas schrijft dat God omziet naar de mens met “innerlijke barmhartig­heid” Lucas, 1 vers 78. (Luc. 01:78). En die liefde en die barmhartigheid omvat alles wat scha­pen nodig hebben. Zorg, aandacht, warmte, vertroosting, losmaking of bevrijding, heling, zachtmoedigheid, geduld,…

Maar ook voor verzorging in de ruimste zin van het woord. Kundigheid om het juiste voedsel aan te reiken, de weg te wijzen, lei­den naar het doel, vermanen en dat in liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof  (naar 1 Timoteüs 1 vers 5. (1 Tim. 01:05).

God zelf de goede Herder

In het prachtige hoofdstuk 34 van Ezechiël, over God zelf als ‘de goede Herder’, verwijt Hij de leiders van Israël dat ze alleen maar aan hun eigen belangen denken. In Ezechiël 4, vers 4. (Ez. 04:04) zegt God: “Het zwakke versterkt gij niet, ziekte geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij”. Dit gaat God ontzettend ter harte en Hij trekt dan ook fel van leer tegen de zogenaamde herders. In Ezechiël 4, vers 11 en 12. (Ez. 04:11-12) zegt Hij: “Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te mid­den van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis”. In Ezechiël 4, vers 23 en 24. (Ez. 04:23-24) lezen we hóe God zelf naar de schapen zal omzien, als Hij zegt: “Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen wei­den, die zal hun herder zijn. Ik, de Here, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Here, heb het gesproken”.

Jezus de goede Herder

In Jezus Christus, Zijn Zoon, heeft God inderdaad zelf omgezien naar Zijn schapen, naar Zijn mensen  (vs. 31). Hij, Jezus, is de knecht David. Hij is de Herder en Hij is Koning in het midden van Gods volk, die God al aankondigde in Ezechiël 34. In Johannes, 10, vers 11. (Joh. 10:11) zegt de Heer Jezus: “Ik ben de goede Herder. De goede Herder zet Zijn leven in voor Zijn schapen”.

En als we de Heer Jezus zien staan temidden van het volk Israël, wenen­de en met ontferming bewogen, dan zien we God zelf staan temidden van Zijn volk en de wereld, want Gods Zoon is het zichtbare beeld van de onzichtbare Vader in de hemel Kolossenzen, 1 vers 15. (Kol. 01:15).

Als je aan Gods schapen  (mensen) komt, dan kom je aan God zelf. Dan komt God in beweging zoals Ezechiël 34 duidelijk laat zien.

Herders naar Gods hart

God zelf en Jezus Christus zijn hét grote voorbeeld voor de herders­bediening. Voor de hele periode van de gemeente, en zeker ook voor de eindtijd, “de tijd van wolken en duis­ternis” Ezechiël, 34, vers 12. (Ez. 34:12) is Gods belofte: “En Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met ken­nis en verstand” Jeremia 3. vers 15. (Jer. 03:15). De herders die de Heer als gave geeft aan de gemeente, ‘herders naar Gods hart’, zullen door de bijzondere genade deelgenoot zijn van het herdershart van de Heer zelf. Ze zullen toegerust zijn met goddelijke kennis en verstand om de gemeente te lei­den en te weiden. Iedere bediening is een kanaal van de Heer waardoor Zijn bijzondere genade stroomt, maar bij de herder zal het wezen van de Heer zelf het duidelijkst naar buiten treden. De herder zal op een bijzondere wijze de schapen bij elkaar weten te houden en direct opmerken als er wat broeit in de gemeente of dat sommigen afdwalen of geïsoleerd dreigen te raken van de kudde. Individualisme in een kudde kan absoluut niet. Dat kan iedere schaap­herder u vertellen, zo’n schaap is ten dode opgeschreven. Zoals de herder bij een kudde scha­pen altijd direct herkenbaar is, leu­nend op zijn staf, de kudde scherp in de gaten houdend of in actie bij een kuddedier in nood, zo is ook de her­der in de gemeente herkenbaar voor de kudde. En zoals schapen al van verre de stem van de herder kennen, zo zal dat ook bij de gemeenteleden het geval dienen te zijn met hun her­der of herders. Voor de nieuw bin­nenkomende in de gemeente is de herder wel de eerste om hem op te vangen en te verzorgen.

Mensen met een herdershart

Wat de wereld nodig heeft, zijn men­sen met een herdershart. Iemand zou kunnen zeggen, nee, de schep­ping wacht op de zonen Gods. Dat is helemaal waar, maar deze zonen Gods zullen toch in hart en nieren ‘herders’ moeten zijn, zoals de Opperherder Jezus Christus 1 Petrus 5, vers 4. (1 Petr. 05:04)

Een herder is iemand die als het ware in de huid van het schaap kruipt om te voelen en te beleven wat het schaap voelt en beleeft. Dat is precies wat God heeft gedaan in Zijn Zoon Jezus Christus. En dat is ook precies wat de Heer Jezus heeft gedaan.

Er staat dat Hij het aan God gelijk zijn met alle heerlijkheid, heeft afge­legd en in alles aan de mensen gelijk geworden is Filippenzen 2 vers 5 tot en met 7. (Filip. 02:05-07). En waar­om? Waarom wilde God dat zo? Hebreeën, 2 vers 10. (Heb. 02:10). “Opdat Hij een barm­hartig en getrouw Hogepriester zou kunnen zijn”.

Om lijfelijk te ervaren wat de men­sen lijden en ondervinden, om daar­door de mensen nu te hulp te kun­nen komen. Hij kan in alles met ons meevoelen, in onze zwakheden, ver­zoekingen en lijden. Want daartoe is Hij juist arm en zwak geworden 2 Korinthe 8, vers 9. En Hebreeën, 2 vers 17 en 18. En Hebreeën 4, vers 14 en 15. (2 Kor. 08:09 en Heb. 02:17-18 en Heb. 04:14-15). Zo is Hij de Opperherder naar Gods hart, de knecht David, de Koning van Gods volk. Dit is ten diepste de gezindheid van Christus voor alle gelovigen, maar in het bijzonder voor de herders-bediening. Zij zullen immers mee dienen te werken om juist ook het aspect van dienstbetoon in de gelovigen tot ontplooiing te brengen Efeze 4 vers 12.  (Ef. 04:12). De herders-bediening roept over he’ algemeen weinig vragen op bij de gemeenteleden en wordt makkelijker als nuttig en nodig onderkend dan de andere bedieningen.

Mensen als schapen

Het is eigenlijk wel typerend dat God zelf het beeld van schapen en herder over Zijn volk heeft ingevoerd. Daar is aan de hand van de Bijbel, en ook vanuit lectuur wat daarover is, heel wat van te zeggen. Uit alles blijkt dat het schaap het meest hulpbehoevende dier is als het gaat om het vinden van voedsel en goede verzorging. Als een schaap niet geleid wordt, blijft het op het­zelfde gebied lopen en maakt diepe sporen in het terrein waar ze steeds maar door blijven lopen. Ze zien er dan op den duur onverzorgd en ver­waarloosd uit.

Vandaar ook dat Psalm 23, vers 3. (Ps. 023:003) zegt: “Hij leidt mij in de rechte spo­ren om Zijns Naams wil”. Ik geloof dat God ons met deze beel­den duidelijk wil maken dat de mens, wat zijn geestelijk leven betreft, niet buiten goede leiding en verzorging kan.

Dat kan in gemeenten nog weleens op verzet stuiten omdat de geest van individualisme rondom de gemeen­te, in de wereld, hoogtij viert. Je raakt dan echter los van de kudde en wordt dwalende als schapen en ieder gaat zijn eigen weg, zegt Jesaja 53 vers 6. (Jes. 53:06). En mijn eigen weg gaan betekent in goed Nederlands: “Doen wat ik zelf wil en goed vind”. Daarom zit in het geven van de ‘her­ders-bediening’ al een diepe les voor Gods volk. Wie het ziet, ziet het! Ook de prachtige herders-bediening moet ontdaan worden van het verte­kende beeld wat ontstaan is in twin­tig eeuwen kerkgeschiedenis. Zeker in deze en de nog komende tijd, waar de problemen en psychische noden alleen maar groter dreigen te worden, mag deze bediening krachtig functioneren in de gemeente. Maar ook deze bediening zal mee­werken: “Om de heiligen toe te rus­ten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” Efeze 4, vers 12 en 13. (Ef. 04:12-13).

 

Korte gedachten door diverse schrijvers

Volharden in de gebeden door Cees Maliepaard

Soms houden mensen op met bidden voor een bepaalde zaak, omdat het gewenste resul­taat uitblijft. In het Woord van God worden we opgeroepen tot volhardend gebed, en dat betekent dat we dus niet af zullen haken tot Gods doelstellingen in de mens volkomen verwezenlijkt zijn.

Desalniettemin zullen we niet doordrammen om ónze verlangens er door te drukken. Bepalend is altijd nog wat Gód er van vindt. Maar als de wil van de Heer ons duidelijk voor ogen staat, zullen we niet verslappen in de geestelijke strijd voor ons­zelf en voor elkaar. Eensgezind bezig zijn in de hemelse gewesten, is zinvol voor de onderlinge bemoediging. En het geeft zekerheid voor een goed eindresultaat.

Zelfbewustheid door Gert Jan Doornink

Zelfbewustheid behoort een positieve eigenschap te zijn van elk kind van God. Toch wordt het maar zelden als zodanig gezien. Men denkt dat men, door zelfbewust te zijn, zichzelf op een voetstuk plaatst, hoogmoedig is, etc. Het tegendeel is het geval.

Op welke wijze is een christen zelfbewust? Door de zekerheid van zijn geloof! Wanneer Paulus zegt, dat wie in Christus is, een nieuwe schepping is, en dat het oude leven voorbij is en het nieuwe is gekomen, dan is dat voor hem een zekerheid. Hij is zich dat bewust. En doet er uiteraard alles aan, dat dit geen verborgen aangelegenheid is, maar tot openbaring komt in het leven van elke dag.

Gezonden door Gert Jan Doornink

Jezus was de Gezondene des Vaders. Niet meer en niet minder. De Vader openbaarde Zijn wil in de Zoon. Hij bracht op een volkomen wijze tot uitdrukking wat de bedoeling van de Vader was. Hebreeën, 1 vers 3. (Heb. 01:03) zegt dan ook dat Hij ‘de afstraling van Gods heerlijkheid’ en ‘de afdruk van Gods wezen’ is. En dan te bedenken dat deze Jezus sprak tot Zijn discipelen  (en dus ook tot ons): “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u…”

Een onmogelijke opgave? Helemaal niet, als we leren radicaal af te rekenen met de influisteringen van de duivel en ons openstellen voor wat Gods woord en Geest ons aanreiken. En ook als we ons realiseren dat Jezus aan dezelfde verzoekingen blootstond als wij, maar niet toegaf, moet het ook voor ons mogelijk zijn stand te houden. Laten we afrekenen met allerlei vrome theorieën die beweren dat dit niet mogelijk is. ‘Je bent en je blijft een zondaar’, wordt er dan gezegd. Dat zijn vaak dezelfde mensen die te vuur en te zwaard de letterlijke interpretatie van de Bijbel verdedigen, maar tegelijkertijd de werkelijke en geestelijke betekenis van de Bijbel ontkrachten en bijvoorbeeld hun twijfel hebben over de woorden van Paulus als hij aan de Korinthiërs schrijft: “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt” Een Korinthe 10, vers 13. (1 Kor. 10:13).

Niet naar de mens… door Gert Jan Doornink

Wanneer Paulus in zijn brief aan de gemeenten te Galatië, schrijft dat het evangelie niet is naar de mens Galaten, 1 vers 11. (Gal. 01:11), bedoelt hij hiermee niet te zeggen dat het evangelie niet vóór de mens is. Het evangelie is anders, mooier en rijker dan de mens zonder Christus ooit zou kunnen bedenken. Die zit immers ‘gevangen’ in het rijk der duisternis. De Leidse en de Petrus Canisius-vertaling hebben de opmerking van de apostel zo weergegeven: het evangelie is niet van men­selijke oorsprong. Duidelijk is dus de Goddelijke oorsprong van het evangelie; het is van God afkomstig maar bestemd voor de door Hem geschapen mens.  

De hoge weg door Gert Jan Doornink

‘Wandelen op de hoge weg’ is niet een soort geestelijk experiment, waarbij we maar af moeten wachten hoe het afloopt, het is een spannend, blij makend avontuur waarbij we iedere dag weer ontdekken hoe groot Gods liefde is en hoe de heerlijkheid des Heren meer en meer deel van ons leven gaat uitmaken.  

 

De oudste zoon in de gelijkenis door Jildert de Boer

In de zogenaamde gelijkenis van de verloren zoon Lucas 15, vers 25 tot en met 32. (Luc. 15:25-32) valt vrij­wel altijd het accent op de jongste zoon, die de erfenis verkwanselde en tenslotte bij een varkenshouder – beeld van de duivel- terecht kwam. Daar bij de lege schillen kwam hij tot inkeer en besloot om op te staan en naar zijn vader te gaan. De vader stond altijd in geloof op de uitkijk. Toen hij terugkwam, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewo­gen. De Vader -onze goede God- ver­wierp hem niet, verweet hem niets, maar heette hem ‘welkom thuis’ in grote barmhartigheid! De jongste zoon erkende: “ik heb gezondigd”. Voor de Vader was hij nog steeds zoon en geen varken! Hij vroeg geen verklaringen, maar bood hem een aanvaarding zonder grenzen, zonder terughoudendheid, want hij richtte een feestmaal aan. Wat een warm onthaal voor de verloren, maar terug­gevonden zoon!

Over de oudste zoon in de gelijkenis wordt doorgaans veel minder gezegd. Daarom willen we in dit arti­kel eens stilstaan bij het leven van de thuisgebleven oudste zoon. Probeer er iets van jezelf in te herkennen.

De zwoeger

De oudste zoon was nooit echt in de wereld geweest. Hij was nog op het land te vinden toen alle knechten al thuis waren. Wat een energie zette hij in voor het bedrijf! Een noeste werker en een ijverige doordouwer was hij. Hij vond het geen probleem om over te werken. Ook hij was een slaaf, namelijk van zijn werk! Je werk kan een vlucht zijn, een zoeken naar compensatie, een drang naar voldoening, naar prestaties, naar je bewijzen. Zoiets van: ik kan dat dan toch allemaal maar… Voor het werk in de gemeente zou hij een goede, een actieve broeder kunnen zijn. Hij is er dan toch maar altijd… Je kunt op hem rekenen met de zichtbare activiteiten, die gedaan moeten worden.

Is echter ons werk voor de Heer ook het werk van de Heer? “Als de Here het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan” Psalm 127 vers een? (Ps. 127:001). “De zegen des Heren, die maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe”  (let wel, er staat niet “doet er niets toe”!) Spreuken 10, vers 22. (Spr. 10:22). Inzet voor de gemeente is goed, maar wat is onze gezindheid en hoe zijn onze innerlijke motieven? Denk ook eens aan Kaïn. Hij ploeter­de hard voor de vruchten van de aarde, de vruchten van zijn eigen werk en inspanning. Hij was even­eens afgunstig op zijn broer Abel. Die offerde het bloed van een lam en God sloeg acht op dat offer. De oudste zoon was jaloers op het feest met al die tamtam voor zijn jongere broer. Het woord ‘genade’ kende hij niet. Hij was niet dankbaar en verheugde zich er niet over dat zijn broer levend geworden was, opnieuw gevonden en gezond en wel terug. Blijkbaar had hij hem nooit gemist. Hij werd kwaad. Hij was zo boos, omdat hij zich geringgeschat achteruit gesteld voelde. Hem werd nu tekort gedaan. De geest van verwerping en afwijzing had postge­vat in zijn denken. Waarom nu zo’n hoop ‘kouwe drukte’ met muziek en dans voor die ‘doorbrenger’? Het was echter koud geworden in zijn eigen hart.

Arbeiders in de wijngaard

Het is net als met die arbeiders in de wijngaard Mattheüs, 20, vers 1 tot en met 16. (Matt. 20:01-16). De eer­sten morden tegen de heer des hui­zes over de laatsten, die hetzelfde loon kregen. Zij waren verongelijkt en een verongelijkte broeder is ontoegankelijker dan een sterke stad Spreuken 18, vers 19. (Spr. 18:19). Ze konden het niet zetten dat de heer goed is en er was geen sprake van dankbaarheid over de laatsten. Integendeel, ze voelden zich onredelijk behandeld, terwijl de heer billijk volgens afspraak uitbe­taalde. Toch meenden zij dat ze benadeeld waren. De conclusie van deze gelijkenis was: “Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn”. Met een variant daar­op zouden we ook kunnen zeggen bij de jongste en de oudste zoon: “de jongste de eerste en de oudste de laatste”.

De oudste zoon morde en wilde niet naar binnen waar het feest in volle gang was. Vrome mensen en religieuze geesten hebben een hekel aan het feest dat de vader aanricht. Zij houden niet van de vreugde van God. De engelen weten wel van die blijdschap! Die zijn enthousiast, als een zondaar zich bekeert Lucas 15, vers 10. (Luc. 15:10) en ze zijn blij dat ze weer iemand kunnen gaan dienen! Ook bij de oudste zoon kon je het ‘geknor’ van de varkens  (beeld van de machten der duisternis) horen. Hij was bevangen door jaloersheid en misschien beducht voor concur­rentie. Wellicht dacht hij in na-ijver: nu begint mijn broer ook nog van mijn deel van de erfenis mee te eten, terwijl hij eerst zijn deel erdoor gebracht heeft.

Toen het volk juichte “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden” ontstak hij in woede en werd door jaloezie ver­teerd. In plaats van deze verliezende concurrentieslag aan te gaan, had hij ook aanvullend op elkaar kunnen denken: 1000 + 10.000 is samen 11.000! Samen hebben we er elfdui­zend verslagen!

Evenzo had de oudste zoon kunnen denken: met de hulp van mijn vader heb ik me in mogen zetten, ons bedrijf is meer waard geworden en samen met mijn broer die terug is, gaan we er nu voor! Maar toen hij aan een knecht vroeg wat er te doen was en deze hem ant­woordde: “Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft” Lucas 15, vers 26 en 27. (Luc. 15:26-27) versteende zijn hart en werd hij boos van jaloezie. Toen de oudste zoon niet wilde komen, stuurde de vader niet één van de knechts om hem te roepen. Hij ging zelf naar zijn zoon toe. Hij hield net zoveel van de oudste als van de jongste zoon. Hij drong aan, sprak hem vriendelijk toe en ver­zocht hem om binnen te komen. Hij probeerde een scheiding aan te bren­gen: de zoon naar binnen en het gemor en geknor van de machten der duisternis buiten.

Tegenwerpingen

In Lucas 15, vers 2. (Luc. 15:02) lezen we: “En de Farizeeën en de Schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen”. Dit beeld zien we duidelijk in de oudste zoon terug. De oudste zoon komt met zijn ‘maar’, in een aantal argumenten vervat.

Hij beroept zich op “zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst”  (vs. 29a). Hij was trouw, al jaren op zijn stekje en voldeed aan zijn verplichtingen. Wij zouden zeggen: lang niet het slecht­ste gemeentelid. Trouw is een goed

iets, maar dient wel een hartenzaak te zijn!

“En nooit heb ik uw gebod overtre­den”  (vs. 29b). Hij liet op en top ‘inzet’ zien en nam de wet uiterlijk stipt in acht. Hij leefde volgens de regels met een groot plichtsbesef. Je kon geen vinger op hem leggen naar de buitenkant gerekend. Hij had het goed met zichzelf geschoten. Hij had het ver geschopt met het houden van de geboden voor het aangezicht van mensen, in de zichtbare wereld. Het grote probleem was echter dat dit alles niet vanuit liefde, van bin­nenuit het hart kwam. Hij leefde niet frank en vrij voor het aangezicht van de vader, maar was innerlijk in wezen van diens positiviteit en liefde houding verwijderd. Toen de situatie daar was, dat zijn verloren broer terugkwam, bleek wat er binnen in hem leefde. Hij kon het niet verdragen dat die zo uitbundig werd onthaald. Had de vader hem ooit wel eens uitvoerig bedankt voor alles wat hij gepresteerd had? Hij kon geen uiterlijke ontferming opbrengen en van een innerlijke ont­ferming was al helemaal geen spra­ke. Hij kende dus het wezen van de vader evenmin.

Daarom rolden de verwijten uit zijn mond. “Maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven, om met mijn vrienden feest te vieren”  (vs. 29c). Hier proef je de zelfzucht. Heimelijk van binnen had hij wellicht ook wel eens, zoals zijn jongste broer de bloemetjes buiten willen zetten, maar nee, daar was hij te fatsoenlijk voor. Voor het oog leefde hij netjes en oppassend.

Nu voelt hij zich overgeslagen, gepasseerd en afgewezen. In het “nooit hebt gij mij” ligt een eis, een stuk zelfbehagen en zelfrechtvaardi­ging. In Lucas 15 vers 7. (Luc. 15:07) lees je over die 99 rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. Dat zowel hij als zijn broer het van genade moeten hebben, heeft hij niet in de gaten. Hij geeft immers een harde reactie en misgunt zijn broer het nieuwe geluk. Hij reageert gebelgd en beledigd. Hij is gepikeerd, koes­tert zelfmedelijden en klaagt de vader aan.

Geest van afgunst

Ondanks zijn keurige, wettische onberispelijkheid wordt hij nu wre­velig, boos en bitter. Hij is niet recht­vaardig behandeld, meent hij. De geest van afgunst staat in hem op. Hij heeft het over “mijn vrienden”. Wie waren dat dan? Blijkbaar had hij daar de vader liever niet bij, anders had hij over “onze vrienden” gespro­ken. Hij was wel uiterlijk gehoor­zaam aan de vader, maar had geen relatie met Hem. Hij leefde in dode werken en hield er vrienden buiten de vader om op na. Eigenlijk wilde hij wel onder diens gezag uit. Innerlijk was hij hard en onveran­derd. In zovele jaren was hij niet innerlijk gegroeid, had hij geen leven gekregen in zichzelf  (goddelijke natuur in liefde, goedheid, enz.). Ondanks de schone schijn stond hij direct klaar met veroordeling, in plaats van de innerlijke ontferming, die de vader toonde. De uitdrukking “nu die zoon van u gekomen is”  (vs. 30a), die hij gebruikt, in plaats van “mijn broer” demonstreert een cynische minach­ting. In de zin, die hij uitspreekt: “hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten” (vs. 30c) zit wrange kritiek op de vader. Hij was als oud­ste immers altijd thuisgebleven en had steeds ijverig meegeholpen. Hij had zich geweldig uitgesloofd en had het zoveel beter gedaan. Hij voelde zich ver verheven boven die andere zoon. Aan de buitenkant leek hij wel op zijn vader, maar aan de binnen­kant niet. Hij had aan zelfverlooche­ning gedaan  (dat wil zeggen: hij had zich allerlei dingen ontzegd), maar had nooit zichzelf echt overgege­ven of helemaal uitgeleverd aan de vader. Het ontbrak hem aan echt contact met de vader. Hij stond niet in een levende verbinding met zijn vader.

Vrouwelijk schoon

Hij verwijt zijn broer tegenover zijn vader dat “die uw bezit heeft opge­maakt met slechte vrouwen”  (vs. 30b). Deze beschuldiging kan niet vanuit het verhaal over de jongste zoon bewezen worden. Wanneer dit op zichzelf genomen juist is, klopt het zeker, dat we waakzaam moeten zijn voor bepaalde meisjes en vrou­wen, die weliswaar niet naar varkens ruiken, maar toch onrein zijn. Hier geldt de waarschuwing: “als een gou­den ring in een varkenssnuit (l) is een schone vrouw zonder verstand”  Spreuken 11 vers 22. (Spr. 11:22). Met als heerlijke tegen­pool: “bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de Here vreest, die is te prijzen” Spreuken 31, vers 30. (Spr. 31:30). In onze jeugdtijd is flirten en voort­durend maar bezig zijn met het andere geslacht een geweldig gevaar, dat ons van het zoeken naar een die­pere relatie met God de Vader afkan houden. Als het dienen in de gemeente je gevormd heeft, geeft de Heer je wel op tijd je man of vrouw.

Ook in dit opzicht geldt: “Schuw de begeerten der jeugd…” 2 Timotheüs, 2 vers 22a. (2 Tim. 02:22a). Bedachtzaamheid is hier belangrijk, want er staat zelfs: “bijna was ik in alle kwaad geraakt te mid­den van de gemeente en de vergade­ring” Spreuken 5 vers 2 en Spreuken 5 vers 14. (Spr. 05:02; Spr. 05:14). De hoofdstukken 5 tot en met 7 van Spreuken geven veel waarschuwingen voor de vreem­de vrouw en uitglijders op seksueel gebied.

Zure wrok of zoete vrucht?

De oudste zoon verbrak in wezen de gemeenschap met de vader, al liep hij uiterlijk in het gareel. Er was geen volkomen toewijding vanuit het hart. Hij voelde zich tekort gedaan, terwijl de vader ook hem hartelijk benaderde en hem toeriep: “Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe”  (vs. 31).

Dit voorrecht kan ook voor ons in de gemeente zo gewoon worden, dat de heerlijkheid ervan niet meer zien. Al lopen we dan mee in het gemeen­tepatroon en doen niets onbehoor­lijks, toch kan alles zo kleur-, geur­ en fleurloos zijn geworden. In Johannes 15, vers 9 tot en met 11. (Joh. 15:09-11) lezen we: “Gelijk de Vader Mij heeft liefge­had, heb Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blij­ven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde”. Deze instelling ondervindt de testen van het dagelijks leven in de omgang met anderen.

De oudste zoon bleef niet in de lief­de tegenover zijn vader en hij kon zijn broer niet vergeven. Hij trok de pruillip op en werd een zuurpruim, vol bittere na-ijver en wrok. Met zo iemand is het kwaad kersen eten, laat staan zoete druiven. Hij had mee kunnen profiteren van de erfenis, bestaande in de goede vrucht van liefde, vergeving, vreugde en vrede. De vader was ook naar hem toe vol van ontferming! Hij wilde aan de oudste, evenals aan de jongste zoon, eenvoudigweg zonder verwijt geven Jakobus, 1 vers 5 B. (Jak. 01:05b). God is liefde!

Relatie met de Vader

Heb je jezelf herkend? Deze keer legden we niet de nadruk op de oppervlakkige jongste zoon, die in een roes en in valse vrijheid leefde. De klemtoon lag ditmaal op de ern­stige, maar wettische en plichtsge­trouwe oudste zoon. Misschien doe je wel keurig mee in de gemeente en in het christelijke gezin, maar waar het om gaat is dat je innerlijk gegrepen raakt van een relatie hebben met God!

Het kan best zijn, dat er iemand van de jeugd, die een paar jaar wegge­weest is en diep in de zondige wereld heeft gezeten, zich bekeert en terugkomt in de gemeente. Hij geeft een klinkend getuigenis en de gemeenteleiding en de ouders van de jongen zijn laaiend enthousiast en blij. Dan kan het in je opkomen om te denken: “zo bont heb ik het toch niet gemaakt, want ik heb steeds goed meegedaan in de gemeente en waarom nu zoveel aandacht voor…” Zie je hoe dichtbij je dan bij de oud­ste zoon zit? Of kun je van harte dankbaar zijn voor die ander die uit de modder van de zonde is gekomen en een nieuw leven met Jezus is begonnen? Of, je kent vast wel iemand, die helaas nog leeft in dienst van de varkensboer, de duivel. Neem die persoon dan op je hart, voor te bidden! Ken je zelf, persoonlijk de Vader, die een liefdehart voor je heeft en die je nodigt voor zijn feest? Wil je Hem intenser leren kennen via zijn Woord? Of laat je het Woord van God alleen maar uiterlijk over je heen komen in de samenkomst? Dan is het wijs om een concrete beslissing te nemen, om zelf die Bijbel ter hand te gaan nemen voor je innerlijk voedsel! Ken je een thuis, een gemeente, een warm nest dat veiligheid biedt en waarbinnen jij ook mee tot opbouw mag zijn? Of ben je dan wel geen varken, maar geestelijk in feite een zwerfkat?  (van de ene praise-kick naar de volgende conferentie-happe­ning…, terwijl je mogelijk een taak in de plaatselijke gemeente of het sim­pele dienen thuis er maar een beetje bij laat hangen?). Laat je christelijke leven thuis en in je eigen gemeente

maar eerst tevoorschijn komen. Dan valt er daarnaast elders ook nog wel eens te genieten in groter verband.

Het feest van God

“Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw (!) broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden”  (vs. 32).

Weet je dat God de Vader van harte al je zondeschuld wil vergeven? Heb je ook al geleerd jezelf te vergeven? Of loop je nog rond met de ‘varkens- lucht’ van de schuld en de aanklacht, die de boze je wil aansmeren? Geef je dan van harte helemaal aan zo’n goede God, die het allerbeste met je voor heeft! God wil nog altijd het feest! Jubel jij al met heel je hart mee?

 

Bijbelse chronologie door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem Deel 10

In de chronologie van de Bijbel vin­den we onderstaande volgorde: De invloed van de Dood wordt al aangegeven vóór de zondeval van het eerste mensenpaar. Adam en Mannin werden door God gewaar­schuwd om niet van de ‘boom der kennis van goed en kwaad’ te eten. De Schepper waarschuwde hen: “Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven’ Genesis 2 vers 17. (Gen. 02:17). De dood sterven is onder het gezag en de macht van de Dood komen. De Dood is dus de éérste vijand van God en deze wordt het laatst ontmanteld. Het machtsgebied van de Dood betreft het in de Bijbel zo genoemde ‘dodenrijk’. Niet wedergeboren men­sen, ook godsdienstige, ‘leven’ nog onder deze claim en verkeren nog in deze sfeer, zolang ze niet radicaal gebroken hebben met de zonde of deze zien als onlosmakelijk met de mens verbonden. De zonde is de leugen en daarmee het ‘geweld van de Dood’. Door leu­gen en  (vaak vrome) misleiding brengt de duivel de mens onder de invloed van de Dood en maakt hem daardoor vruchteloos voor God.

Leven tegenover Dood

Lijnrecht tegenover deze leugen staat het ‘geweld’ van God, dat is de waar­heid. De Heer Jezus hanteerde deze zo nauwkeurig, dat Hijzelf ook de ‘waarheid’ wordt genoemd. Door deze waarheid is Hij de exclusieve ‘weg’ tot het doel van de Schepper. Dat doel houdt enkel ‘leven’ in.

De Heer doorbrak door de waarheid de claim van de Dood. Hij beroofde deze van zijn kracht en bracht onver­gankelijk leven aan het licht.

Hij ont­troonde daarmee ook de duivel, die werkt met het geweld van de Dood Hebreeën, 2 vers 14 Statenvertaling. (Heb. 02:14). Wat in Hebreeën, 2 vers 14. (Heb. 02:14 staat, wordt in een aantal Bijbelvertalingen zo geïnterpreteerd, als zou de duivel te gebieden hebben over de Dood. In andere vertalingen, die meer letter­lijk vanuit de grondtekst vertalen  (zoals onze Statenvertaling), komt duidelijk tot uitdrukking, dat de duivel werkt met het geweld van de Dood. Dit komt op meerdere plaat­sen in de Bijbel tot uitdrukking. Dat de Dood een sterkere macht is dan de duivel, wordt wel bewezen door het feit, dat ook de meest onbe­rispelijke rechtvaardigen toch gestor­ven zijn, ondanks dat ze nooit naar de duivel hebben geluisterd.

De poel des vuurs

Ook is het een gegeven in de Bijbel, dat de Dood en diens machtsgebied  (het dodenrijk) nog geoordeeld moe­ten worden, als de duivel en zijn engelen al in de zo genoemde ‘poel des vuurs’ zijn geworpen. Het is een belangrijk principe in de Bijbelse openbaring, dat datgene, wat zich in de openbaring van zonde en dood het éérst manifesteert, het laatst wordt uitgeworpen. Van de invloed van de Dood is al sprake vóór de zondeval van de mens, want de Schepper waarschuwde deze al van te voren voor de ellende  (Reisel), de dood sterven  (Statenvert.), sterven  (NBG), welke hem te wachten stond in geval van ongehoorzaamheid aan het gebod Genesis, 2 vers 17. (Gen. 02:17). Tegelijk is de Dood ook de laatste vijand, die teniet gedaan wordt 1 Korinthe 15, vers 26. (1 Kor. 15:26). De poel des vuurs is de eeuwige, onomkeerbare verwerping van alles, wat niet thuis hoort in de schepping van God. Het is de eeuwige sfeer van dood en verderf, ook genoemd de ’tweede dood’. Hier knaagt voor de mens, die daarin terecht komt, onop­houdelijk en zonder verzadiging de worm van de wroeging, terwijl het verterende vuur niet ophoudt te branden, Openbaring 20, vers 10 tot en met 14. (Openb. 20:10-14).

Opmerkelijke typeringen

In het gegeven van de Hof van Eden komen enkele opmerkelijke typerin­gen voor:

1.De duivel en satan  (tegenstander)

Dit is de gevallen engel, door wiens invloed en verleiding de innerlijke mens werd gescheiden van het wezen van God Genesis 3, vers 7. (Gen. 03:07).

Hij gebruikte hiervoor als ‘medium’ de kronkelende slang, welke listiger was dan alle andere velddieren. Door middel van dit dier richtte hij de aan­dacht van de mens op de begeerlijk uitziende vrucht van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’.

2.De boom van kennis van goed en kwaad

Deze stond in het centrum van de Hof, direct naast de ‘boom van het leven’. Zoals de laatstgenoemde een profetische typering is van de ware mens, die zich als eerste in Jezus de Christus openbaarde, zo is de ‘boom van kennis van goed en kwaad’ een typering van de mens der zonde en wetteloosheid, waarvan de komende Antichrist een exponent is. Deze ‘zoon van Verderf  (= Dood!) zal zich openbaren in de tijd van afval, waarvan de profetieën in de Bijbel spreken. Hij is de tegenstan­der, die zich verzet tegen al wat God genoemd of als God geëerd wordt. Hij pleegt dit verzet, terwijl hij zich indringt in de mens, die in feite bedoeld is als een ‘woning’ of ‘lichaam’ voor God, die enkel Geest is. De openbaring van de Antichristus is naar dezelfde werking als die van de duivel. Deze inspirator werkt met veelsoortige uitingen, op zich stuk voor stuk verleidelijk om op in te gaan, maar in feite zitten ze vol ongerechtigheid en scheiden ze de mens van het doel van God  (2 Thessalonicenzen 2).

3.De boom des levens

De grote daden van God naar de mens toe zijn vervat in het genoem­de evangelie van Jezus Christus. Door dit evangelie roept God de mens, welke nog onder de macht van de Dood is, om daar onderuit te komen in de sfeer van het wonderba­re licht, dat het leven is voor de mens. Dit is mogelijk, sinds de Heer Jezus de Dood heeft overwonnen. Door Zijn dood wiste onze Heer al onze overtredingen uit en daarmee het bewijsstuk, dat door zijn inzettin­gen tegen ons getuigde en ons bedreigde. De duivel kan sindsdien namelijk de wet van God niet meer gebruiken om ons te beschuldigen voor God. De Heer nagelde dit bewijsstuk aan het kruis der vervloe­king, toen Hij daar lijfelijk in de zichtbare wereld aan hing. Zo ontwa­pende Hij de overheden en machten der duisternis en stelde ze openlijk ten toon Kolossenzen, 2 vers, 14 en 15. (Kol. 02:14-15).

Het ware leven

De Heer Jezus is vanwege Zijn over­winning over Dood en duivel de ware overste van de wereld. Hij is dit als mens! Hij regeert tezamen met Zijn heiligen, die samen met Hem het ‘lichaam van Christus’ vormen. Onder Zijn leiding wordt het ware leven geopenbaard. Dit is bestand tegen het geweld van de Dood en wordt terecht ook ‘eeuwig leven’ genoemd. Onze Heer wordt daarom al direct aan het begin van de Bijbel aangeduid in het schaduwbeeld van de ‘boom des levens’. Dan nog in de Hof van Eden, een beeld van de hemelse gewesten, waar nog volop strijd gevoerd wordt tussen ‘waar­heid en leugen’.

Aan het eind van de Bijbel wordt de Boom des levens echter aangeduid als staande centraal in het paradijs Gods  (een prachtig beeld van het Koninkrijk Gods), temidden van het geboomte des levens aan weerszij­den van en midden in de ‘rivier van het water des levens’. Dit laatste is een prachtige uitdruk­king voor het levende woord Gods, dat door de kracht van de Geest van God uit het heiligdom stroomt tot genezing en herstel van de hele schepping.

 

Wie gelooft er nog? Door Wim te Dorsthorst

In november vorig jaar werd de wereld geconfronteerd met de ver­schrikkelijke gevolgen van de tropi­sche orkaan ‘Mitch’. Deze raasde over Midden-Amerika, een spoor van dood en vernieling trekkend door verschillende landen. Dagelijks waren de schokkende beelden op de televisie te zien.

Een grote inzamelingsactie via de televisie bracht -Goddank- weer vele miljoenen op.

Maar al heel spoedig kreeg het ‘gewone nieuws’ weer de overhand. De economische crises in Azië, stij­gende en dalende beursindexen, dreigende economische recessie in Nederland, de zieke Jeltsin, enz.. In een tijd dat de hele wereld één grote stad lijkt te worden, is het des te schrijnender hoe snel iedereen weer terugvalt in individualistisch bezig zijn. Het lijkt wel of alles wat er gebeurt alleen maar aan de opper­vlakte mag binnendringen. De mens lijkt immuun te worden voor wat er om hem heen gebeurt.

Is God de schuldige?

Een gezegde luidt: “Ieder voor zich, God voor ons allen”!

God??… Ja, zo af en toe wordt God er ook nog bijgehaald.

In een uitzending op onze meest christelijke televisiezender kwam de

orkaan ‘Mitch’ ter sprake en toen werd er van God gesproken. En hoe!

Hoe kan God deze verschrikkelijke dingen laten gebeuren? Hij heerst

immers over wind en zee!

Waarom doet Hij… Waarom laat Hij toe… Hij had toch zeker wel… In vele toonaarden kwam het er uit: God is de schuldige van alle ellende. Niemand nam het op voor God, ook de christelijke leider van het programma niet. Je denkt dan toch: Heb je dan nooit gelezen dat er geschre­ven staat: “En God zag alles wat Hij gemaakt had, zie het was zeer goed” Genesis, 1 vers 31. (Gen. 01:31).

Daar hoorden kennelijk geen tropi­sche orkanen met vernietigende krachten bij. En men weet blijkbaar ook niet meer: dat er een zondeval is geweest met catastrofale gevolgen voor mens en schepping; dat de mens door de zonde het koningschap uit handen heeft gegeven aan de listige slang, de duivel, de grote tegenstander van God en mensen; dat God tot de eerste mens moest zeggen : ” Door uw zonde is de aardbodem om uwentwil vervloekt” Genesis 3, vers 17. (Gen. 03:17);

dat de schepping dientengevolge is onderworpen aan de vruchteloosheid, niet vrijwillig, maar om de mens die haar daaraan onder­worpen heeft  Romeinen 8 vers 20 (Rom. 08:20); dat de duivel de overste is gewor­den van deze wereld en voor een groot deel de gang van zaken op aarde bepaalt Efeze, 2 vers 2. Efeze 6, vers 11 en 12. (Ef. 02:02 en Ef. 06:11-12);

dat Jezus Christus, Gods Zoon is gekomen die ons de Vader heeft leren kennen Johannes, 1 vers 18. (Joh. 01:18); dat Hij verkondigd heeft: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” 1 Johannes, 1 vers 5. (1 Joh. 01:05) dat Hij in heel Zijn handel en wandel heeft getoond dat de Vader een enkel goede God is.

Onderscheiding ontbreekt

Is er dan helemaal geen kennis meer van Gods Woord? Wat doen die mensen als ze het ‘Onze Vader’ bid­den? De Heer Jezus leert toch bid­den: “Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd” Matteüs 6, vers 9. (Matt. 06:09). Dat wil zeggen: Gods Naam niet verbinden met welke vorm van kwaad, duisternis, geweld, dood, verderf, enz. Waarom zijn het dan christenen die de Vader hiervan zo vaak beschuldigen? De Heer Jezus leerde toch dat “de Vader, die in de hemelen is, Zijn zon laat opgaan over bozen en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” Matteüs 5, vers 45.  (Matt. 05:45)? En dat “Hij goed is jegens ondank­baren en bozen” Lucas 6, vers 35. (Luc. 6:35). Hoe Hem dan beschuldigen van ver­schrikkelijke natuurrampen, oorlo­gen, dood en verderf? Als je dan naar zo’n programma kijkt, dan denk je: Is er dan ook nie­mand die het voor God opneemt en de Naam van de Vader in de hemel, heiligt? Het is blijkbaar nogal mak­kelijk om God de schuld te geven de duivel en de mens buiten schot blijven.

Weet U wat Jesaja al profeteerde over die arme aarde in het laatst der dagen?: “De aarde wordt volkomen ontledigd en geheel leeggeroofd, want de Here heeft dit woord gespro­ken. De aarde treurt, verwelkt; de wereld kwijnt weg, verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwij­nen weg. Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken.

Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewo­ners boeten; daarom worden de bewoners der aarde door een gloed verteerd en blijven er weinig sterve­lingen over Jesaja 24 vers 3 tot en met 6. (Jes. 24:03-06). Dit is toch wel duidelijke taal! Niet God is de schuldige, maar de afgedwaalde en door de duivel mis­leide mens. God rooft de aarde niet leeg, waardoor natuurrampen kun­nen ontstaan, maar de mens die met dollartekens in de ogen kijkt naar wat hij gebruiken kan om zich te verrijken.

Wetten en inzettingen Gods, om alles goed te laten functioneren op aarde, worden met voeten getreden en zo wordt het eeuwig verbond voor de aarde verbroken.

Gods grote liefde

En God? Zegt God eigen schuld, dikke bult? Nee, Hij heeft van Zijn kant alles gedaan en alles gegeven wat Hij had, Zijn eigen en enige Zoon, om aan dit alles een definitief einde te maken.

In Hem heeft God de hele schep­ping, de ganse kosmos, weer met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn Zoon aan het kruis Kolossenzen, 1 vers 20 en 2 Korinthe 5, vers 18. (Kol. 01:20; 2 Kor. 05:18).

En hiermee heeft God het funda­ment gelegd voor een totale vernieu­wing van hemel en aarde. Door Jezus is de overste van deze wereld, de duivel reeds buiten gewor­pen Johannes, 12, vers 31. Romeinen 8, vers 19. (Joh. 12:31).

Het wachten is nu op?… Mensen! “De schepping wacht op het open­baar worden van de zonen Gods”  Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19).

Wat zijn dat voor mensen? Dat zijn mensen… die nog geloven dat de Bijbel het Woord van God is en waarachtig is, waardoor de mens Gods volkomen kan worden tot alle goed werk vol komen toegerust 2 Timoteus, 3, vers 16 en 17. (2 Tim. 03:16-17);

die nog geloven dat Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God Matteüs, 16, vers 16. (Matt. 16:16) die nog geloven dat Jezus Christus gestorven is als een verzoening

voor de zonden van alle mensen en de hele schepping die hun leven er voor inzetten om aan het beeld van “de Zoon” gelijk vormig te worden Romeinen 8, vers 29 en Efeze 4. vers 13. (Rom. 08:29 en Ef. 04:13) die zoeken hun roeping en verkiezing dagelijks te bevestigen 2 Petrus, 1 vers 10. (2 Petr. 01:10) die de Heer Jezus van de hemel verwachten, waarna Hij zal regeren met de zonen Gods in het duizend­jarig vrederijk Openbaring 20, vers 6. (Openb. 20:06).

Het grote perspectief

Dat zal dan uitlopen op wat we lezen in Openbaring 21 vers 1 tot en met 7. (Openb. 21:01-07): “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijge­gaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwis­sen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eer­ste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.

En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie over­wint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn”.

De Heer Jezus zegt: “Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde”? Lucas 18 vers 8. (Luc. 18:08). Laten we hopen en bid­den van wel!

 

Inspiratie of manipulatie?  Door Gert Jan Doornink

Het verhaal van Kaïn en Abel, zoals we dat kunnen vinden in Genesis 4, en in het Nieuwe Testament enkele malen wordt aangehaald, is een van de meest bekende verhalen uit de Bijbel. Tenminste als we wat thuis zijn in de Bijbel, want in onze dagen neemt de Bijbelkennis sterk af, zeker bij de grote massa, die niet alleen weinig weet meer heeft van het christelijk geloof, maar ook -en mede daardoor- alle godsdiensten op één lijn gaat stellen. Het is toch allemaal één pot nat. En waarom zouden andere godsdiensten ook niet waar kunnen zijn?, wordt er dan gerede­neerd. Nu is kennis van de Bijbel op zich natuurlijk geen garantie dat men ook werkelijk gelooft. Bovendien kan iemand die wél gelooft zijn kennis van de Bijbel ook op de verkeerde wijze gebruiken. Zonder het licht van Gods Geest kunnen wij onmogelijk de Bijbel op de juiste wijze verstaan. Dan kan men gemakkelijk een ‘letterknecht’ worden, terwijl Paulus juist waar­schuwt dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt 2 Korinthe 3, vers 6. (2 Kor. 3:6).

Heenwijzing naar Golgotha

Het eerste wat we uit dit verhaal kunnen concluderen is dat het een duidelijke heenwijzing is naar het volbrachte verlossingswerk van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. En dan denken wij natuurlijk aan Abel, het onschuldige bloed dat vloeide toen hij werd doodgeslagen door zijn broer.

Zoals Jezus op onschuldige wijze stierf, zo was dit ook met Abel het geval. Maar zoals gezegd, het is een heenwijzing. En wij, die geloven in het volbrachte werk van Jezus, mogen door genade weten dat wij, zoals de Hebreeënbrief dat formuleert, genaderd zijn “tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel” Hebreeën 12, vers 24. (Heb. 12:24). Als Nieuwtestamentische christe­nen hebben we niet meer te maken met Mozes, de middelaar van het Oude Verbond, maar met Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Ons oog is daarom alleen gericht op Jezus Hebreeën 12, vers twee. (Heb. 12:02). Door Hem heb­ben wij vrede met God ontvangen. Een bekend bijbelleraar formuleerde het destijds in een van zijn boeken zo: “Abels bloed riep van de aardbo­dem om wraak of vergelding Genesis 4, vers tien. (Gen. 04:10), maar het bloed van Christus roept van de aardbodem om verzoening en leven. Dit bloed spreekt krachtiger en overstemt de roep van Abels bloed om vergelding en straf’.

Abel als voorbeeld

Jezus is echter niet alleen onze Verlosser en Verzoener, maar ook ons grote Voorbeeld om na te vol­gen. Maar voorafgaande aan het wer­kelijke voorbeeld dat Jezus Christus is, is ook Abel al een voorbeeld voor ons.

Want wat was het grote verschil tus­sen Kaïn en Abel, los van het gebeu­ren waarbij Abel zijn broer ver­moordde? Dat was dat Abel gemeenschap met God had door het geloof, maar Kaïn was niet door het geloof met God verbonden. Het Boek for­muleert het zo: “Omdat Abel op God vertrouwde, had zijn offer meer waarde dan dat van Kaïn. Door zijn offer aan te nemen, zei God dat Abel voor Hem rechtvaardig was. En hoe­wel Hij allang dood is, spreekt Abel nog steeds door zijn voorbeeld” Hebreeën 11, vers 4. (Heb. 11:04).

Abel werd door God rechtvaardig verklaard. Hij stond in de juiste ver­houding tot God. Hij kon God recht in de ogen kijken. Jezus zelf spreekt dan ook over ‘Abel, de rechtvaardige’ Matteüs 23, vers 33, tot en met 36. (Matt. 23:33-36).

Zijn voorbeeld laat ons zien hoe het leven van iemand die in de juiste verhouding met God staat uiteindelijk altijd een triomferend leven is! “Wie volhardt tot het einde, die zal behou­den worden”.

En dan speelt in feite de lichamelijke dood geen rol, hoe onbegrijpelijk dit ook klinken mag. Ogenschijnlijk was Abel de verliezer en Kaïn de win­naar. Kaïns leven ging zelfs gewoon door, lees Genesis 4 er maar verder op na…

In de welvaartstijd waarin wij leven is in feite alles gericht op een voor­spoedig, zorgeloos leven en willen we eigenlijk liever niet denken aan de dood, laat staan aan het feit dat de waarachtige gemeente in deze eindtijd een periode van vervolging en verdrukking tegemoet gaat. Van dit laatste ben ik vast overtuigd. En ik schrijf dit niet om u en mij angst aan te praten, maar wel vanwege het feit dat we de werkelijkheid onder ogen dienen te zien. We verlangen terug naar de Handelingentijd en dat is een goed verlangen, maar denken we er ook aan dat die tijd behalve opwekking, tekenen en wonderen, een tijd was van vervolging? Stefanus werd gestenigd, maar tegelijkertijd lezen we van Hem dat bij zijn heengaan de hemel geopend was Handelingen 7, vers 55. (Hand. 07:55). Hij haakte niet af toen hij met de dood geconfronteerd werd. De lichamelijke dood zal ons op geen enkele wijze kunnen scheiden van de liefde Gods, geopenbaard in Jezus Christus. Integendeel, we zijn voor altoos en eeuwig met Hem ver­bonden. We zijn burgers van een Rijk in de hemelen, als we tenminste getrouw blijven aan onze roeping. Gerechtvaardigd zijnde, dienen we ook als rechtvaardigen te leven. Dat is onze taak, onze opdracht.

Verantwoordelijkheid

Abel is het voorbeeld van een recht­vaardig mens, zoals Kaïn dat is van een onrechtvaardig mens. Dit bete­kent niet dat dit al, om een modern woord te gebruiken, door God voor­geprogrammeerd was. Abel was niet alleen de uitverkorene, ook Kaïn was dat! De predestinatieleer heeft al heel wat onheil aangericht. De vrome wereld wil het ons misschien wel anders doen geloven, maar God maakt geen onderscheid. Hij heeft alle mensen lief! “De genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen” Titus, 2 vers 11. (Titus 02:11). Maar de mens moet wel ‘ja’ zeggen op dit aanbod van genade.

En hier komen we bij een ander belangrijk aspect terecht dat we uit deze geschiedenis kunnen leren: ieder mens draagt een eigen verant­woordelijkheid. God heeft ons geschapen met een vrije wil. Wat was de fout van Kaïn? We zei­den het al: hij leefde niet in gemeen­schap met God, en daardoor werd zijn offer niet aangenomen. Maar dat betekende nog niet dat hij daarom ‘verloren’ was. Als Kaïn met een berouwvol hart tot God was geko­men en gevraagd had: ‘Wat is er mis met mij? Waarom neemt U mijn offer niet aan?’ had God hem dat geopenbaard en vergiffenis geschon­ken.

God wil altijd vergeven. Blijven wij echter de weg van het ongeloof, van het niet-vertrouwen bewandelen, dus buiten de gemeenschap met God leven, dan gaan we ons op gevaarlijk terrein begeven: het gebied van de tegenstander, de vorst der duisternis. Dan zijn we op een hellend vlak terechtgekomen en komen we steeds dieper in de duisternis. Zoals we van Kaïn duidelijk kunnen lezen: “Indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”  (vs. 7).  (Lees ook wat Johannes over Kaïn schrijft in zijn eerste brief, 1, Johannes 3, vers 11 en 12. (1 Joh. 03:11-12).

Manipulatie

Kaïn gaf geen gehoor aan de opdracht over de zonde te heersen. Integendeel, hij liet zich inspireren door een verkeerde geest, die hem tot doodslag aanzette. Wat zeg ik: ‘inspireren’, we kunnen beter zeggen: ‘manipuleren’. Want dat doet de vorst der duisternis. Gods Geest inspireert ons om het goede te doen, maar de verkeerde geesten proberen ons te manipuleren.

Ik heb de betekenis van het woord ‘manipuleren’ nog eens opgezocht: manipuleren is een bedrieglijke methode, het is een stuwing in een bepaalde, door de betrokkene eigen­lijk niet gewenste richting. Misschien wilde Kaïn zijn broeder nog wel niet eens vermoorden, maar ’t liep uit de hand, zou je kunnen zeggen, de verkeerde macht in hem zette hem aan die fatale doodklap uit te voeren.

Maar hij was er wel zelf verantwoor­delijk voor dat het gebeurde. Toen God hem ter verantwoording riep en vroeg: “Waar is uw broeder Abel?”, loog hij door te zeggen: “Ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?” Kaïn probeerde zich aan zijn verant­woordelijkheid te onttrekken… Een tragedie uit de begintijd, maar tegelijkertijd een geweldige waar­schuwing voor ons, gelovigen van deze tijd, een halt toe te roepen aan elke infiltratiepoging uit het rijk der duisternis. Lukt ons dat altijd al? Nu als we dat moeten doen in eigen kracht falen we, maar we hoeven het niet alleen te doen. Gods kracht, de heilige Geest is in ons, zoals dat ook bij Stefanus het geval was – Handelingen 7, vers 55. (Hand. 07:55), en Hij doet ons triomferen. Zoals de duivel ons wil manipuleren, zo zal Gods Geest ons inspireren, voorwaarts te gaan in de Naam van Jezus, de weg van geloof te blijven bewandelen, de hoge weg, die uiteindelijk uitmondt in volle heerlijkheid!

Een voortgaand proces

Ik noemde zoeven dit verhaal een tragedie uit de begintijd, maar ik geloof dat we hier ook te maken heb­ben met een belangrijk aspect waar we in deze eindtijd bij betrokken zijn, dat is de scheiding der geesten. Iets wat al in volle gang is. Alles wat onecht, wat surrogaat is, wat niet werkelijk levensvatbaar is, wordt ont­maskerd en alleen wat echt is blijft over. Dat is het voortgaande proces in onze dagen waar u en ik mee te maken hebben. Al zien we het misschien nog niet voor 100% gereali­seerd, het gaat wel door! Dan moet ik denken aan Openbaring 22, vers 11. (Openb. 22:11) waar we lezen: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardig­heid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. Betekent dat nu dat God mensen stimuleert om nog meer onrecht te doen en nog vuiler te worden? Neen, het is een logisch gevolg van het feit als we in de greep van Satan terecht zijn gekomen, het vaak van kwaad tot erger wordt. Zoals het ook een logisch gevolg is, dat als we de Heer werkelijk dienen, door de weg van geloof te blijven bewandelen, we verder geestelijk groeien, totdat we, zoals Paulus dat formuleert in Efeze 4, vers 13. (Ef. 04:13), “de mannelijke rijpheid hebben bereikt, de maat van de wasdom der volheid van Christus”. Dan openbaren we ons werkelijk als zonen Gods, waar­op de gehele schepping met een groot verlangen op wacht.

Scheiding der geesten

De scheiding der geesten is in onze dagen in volle gang. Met daarbij de ‘Kaïn-mensen’ aan de ene kant en de ‘Abel-mensen’ aan de andere kant. Ik was nog eens in de platenbijbel van Gustave Doree aan het bladeren. Verschillende tekeningen van hem zijn misschien wel te simplistisch voorgesteld en soms niet geheel in overeenstemming met de werkelijk­heid, maar toch werd ik opnieuw getroffen door de tekening die hij gemaakt had van de offers die Kaïn en Abel brachten aan God. Je ziet dan de rook van het offer van Kaïn naar beneden slaan en de rook van het offer van Abel in een lange rechte lijn naar boven gaan. Toen dacht ik: wat een duidelijke beelden. Aan de ene kant de schijngodsdienst, het naam-christendom, zon­der inhoud, ondanks alle mooie woorden, vormen en rituelen, neer­slaande rook, verbonden met de aarde, met de overste van deze wereld, de vorst der duisternis. Maar aan de andere kant: de ware gemeente van Jezus Christus, de werkelijke gelovigen, zij die ondanks bespotting en vervolging, uitgroeien tot overwinnaars, zoals ook Jezus overwinnaar was. De zonen Gods, met aan het hoofd dé Zoon van God, Jezus Christus!

Geen neerslaande rook, maar tot in de hemel opstijgende rook. Zij zijn immers verbonden met het werkelij­ke leven en de werkelijke levens- vorst. Hun plaats is met Christus in de hemelse gewesten. Van daaruit strijden en overwinnen zij! Hebben ook wij die plaats met Christus ingenomen? Kiezen wij voor een leven zoals Kaïn dat had, of voor een leven zoals Abel? Nog is het tijd om de goede keuze te doen! Om met Jozua te spreken: Kies dan heden wie u wilt dienen! Laat u niet manipuleren door verkeerde geesten, maar inspireren door de Geest van de levende God!

 

Slooppand? door Froukje Huis

 

Midden in de rechte straat tussen al die huizen met hun zelfde smalle deuren en dezelfde kleine ramen, sta ik. Er is maar één verschil: ik heb een bordje voor het raam: SLOOP­PAND. Gisteren kwam mijn eige­naar D. Uivel binnen, schreeuwend: ’t Is eindelijk voor elkaar! Je wordt gesloopt, ’t Werd tijd ook! Hij plaats­te het bord voor het raam en sloeg de deur met een klap dicht. Pang! Er vloog een steen door de ruit. Hij stak zijn kop erdoor: Haha, je wordt toch gesloopt!

Dus nu ben ik een slooppand. Ik kijk langs mijn plafond. Het brokkelt af en in de brokken lees ik: ‘Je bent waardeloos!”. In de muren zitten scheuren, het lijken woorden: ‘Van jou komt niets terecht!’

De vloer is vochtig en er groeien schimmels bij de ramen, ze zeggen: ‘Deze kwaal kan niet genezen’. Inderdaad: ik kan maar beter ge­sloopt worden. Wie kan mij nu nog gebruiken? Maar… mijn muren zijn hecht en sterk, de vloer is nog stevig…

De deur kiert open. ‘Wat zie ik nu? Is dit een slooppand geworden?’ Een heer komt binnen, betast mijn muren, stampt op mijn vloer! “Je bent zo min nog niet. Ik zou graag wat moois van je maken!” Wat moois van mij maken? Ziet die man nog wat in mij? ‘”t Zal tijd kosten en wat pijnlijk zijn af en toe, maar het lukt vast”. “Maar ik ben het eigendom van de heer Uivel”, stamel ik. “Niet lang meer”, glimlacht de man en ver­dwijnt.

Een uur later is hij terug, zwaaiend met een papier. “Ik heb je gekocht en hier is het koopcontract. Morgen gaan we aan de slag”!” Hij neemt het gehate bordje weg en er komt een nieuwe voor het raam te staan. Ik weet niet wat er op staat. Iemand loopt langs het raam, ziet het bordje en leest hardop: “Renovatiepand”. Renovatie? Wat zou dat zijn?

De volgende dag komen de werklie­den. De schimmels worden verwij­derd, het behang er afgehaald, de plafonds afgestoken en de vloer geëffend. Het is geen pretje en af en toe bepaald pijnlijk, maar ik begrijp best dat de rommel er eerst uit moet voor het mooi kan worden. Soms moeten de muren geschuurd, omdat er inkervingen inzitten die Uivel er in gemaakt heeft. Maar ze worden alle gaaf!

Dan begint het echte werk. De pla­fonds worden gewit: ze ademen gerechtigheid. De muren worden behangen in frisse kleuren: ze maken me blij! De vloeren worden bedekt met zachte tapijten: het geeft vrede en rust.

Mijn nieuwe eigenaar komt binnen. “Het gaat goed, hè?” zegt hij. “Waarom doet u dat alles voor mij?” vraag ik.

“Omdat ik van je houd, ik ben de architect en ik heb je goed gemaakt”. “Het is alles zo mooi en kostbaar”, zeg ik verlegen. “Ja”, zegt de heer, “maar ik heb zelf hier mijn intrek genomen”

Het duizelt me. Wat een eer valt me te beurt!

Er piept een deur. Stampende voe­ten, een harde stem: “Zo, zo, je wordt gerenoveerd, vernieuwd, hè?”, smaalt hij. ’t Is Uivel. Hij mijdt de kamer want die is klaar. Hij doet de rommelkamer, waaraan nog niets is gebeurd, open. “Haha!” schreeuwt hij. “Moet je dat zien, smerig behang, kapotte ramen, nou mooie vernieuwing hoor!” Een windvlaag smijt de deur voor zijn neus dicht. “Lees maar”, zeg ik en wijs op de deur: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw!”. “Dit komt ook nog aan de beurt. Ik weet dat ik nog niet klaar ben, maar…!”

Opeens kom ik tot bezinning: “Zeg, wat doe je hier eigenlijk in huis? Je hebt hier niets meer te maken! Ik ben gekocht en betaald door mijn nieuwe eigenaar en jij hebt hier niets te zoeken!”

  1. Uivel gaat. Natuurlijk probeert hij het weer, maar de deur blijft dicht. Hij staat nu schreeuwend voor de ramen. Hij doet maar.

En als ik straks helemaal klaar ben? Dan durft hij niet eens meer naar me te kijken. Daar zie ik met verlan­gen naar uit.

Kent u mijn eigenaar al? Zijn naam is: Jezus Christus! Hij heeft niet alleen voor mij en hoge prijs betaald, maar ook voor u! Hij gaf zijn leven voor de hele wereld. Voor ieder die in Hem gelooft. En ook u wil Hij nieuw maken!

 

Levend Geloof – 398

  1. 01-02 Levend geloof nr. 398

Persoonlijk. . . door Gert Jan Doornink

 

De samenstelling van ieder nummer -dus ook van dit nummer- is altijd weer een boeiende, maar ook verantwoordelijke aangelegenheid. Boeiend vanwege de inhoud van de verschillende artikelen, want als eindredacteur krijg je uiter­aard alles wat er geschreven is, als eerste onder ogen en ervaar je de zegen en geloofsopbouw die de verschillende medewerkers in hun artikelen verwoord hebben.

Maar de zegen die je op het moment van lezen ontvangt gaat ook gepaard met een besef van verantwoordelijkheid. Je wilt de lezers en lezeressen van Levend Geloof het beste geven wat maar mogelijk is, binnen het kader van onze opdracht: de verkondiging en uitleg van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, zoals Jezus en de apostelen dat ook brachten. We hebben nooit gebrek aan copy, maar het komt aan op de goede copy, die praktisch aansluit bij onze dagelijkse geloofsbeleving. Daaraan proberen wij ook dit jaar weer invulling te geven. En ik twijfel er niet aan of we zijn daarbij, ook wat dit nummer betreft, weer geslaagd. Onder inspiratie van Gods Geest A, hebben de verschillende schrijvers hun creativiteit weer vorm gegeven in de verschillende artkelen. Natuurlijk komen er wel eens onderlinge nuanceverschil­len in bepaalde onderwerpen naar voren, maar deze ruimte moet er zijn. We zijn immers allemaal nog onderweg bij onze groei naar de volkomenheid in Christus?

Deze groei is van levensbelang. Want alleen dan zullen we stand kunnen houden temidden van alle verwarring en misleiding die steeds meer om zich heengrijpt. In de nummers die dit jaar verschijnen zullen we veel over dit ‘standhouden’ schrijven. Maar daarover niet alleen! Standhouden heeft immers te maken met verdediging, en het spreekwoord zegt dat de aanval de beste verdediging is. We zullen dan ook op duidelijke wijze doorgaan met de proklamatie van het volle heil in Christus, het evangelie van het Koninkrijk, waarvan Jezus zei dat het in de gehele wereld gepredikt zal worden, tot een getuigenis voor alle volken.

 

Bij de voorplaat door redactie

Deze keer op de voorpagina de illustratie die Gustave Doree maakte van koning Salomo, destijds één van de bekendste koningen van Israël. Hoewel er veel over hem bekend is, is hij toch vooral de geschiedenis ingegaan om zijn grote wijsheid die hij van God had ontvangen. Maar ondanks al zijn wijsheid is voor ons, als nieuw-testamentische gelovigen, niet Salomo maar Jezus ons grote voorbeeld om na te volgen. Denk bijvoorbeeld aan de uitspraak van Hem: “. . . meer dan Salomo is hier” Matteüs 12 vers 42 (Matt. 12:42).

 

In ons vorig nummer gaven wij in deze kolom een vijftal suggesties door om Levend Geloof te promo­ten, zodat het blad meer bekend­heid krijgt en, ook wat de oplage betreft, verder gaat groeien. We zijn bijzonder dankbaar dat zovelen hierop hebben gere­ageerd, vooral ook door in combi­natie met de betaling van het abonnementsgeld, een extra bij­drage over te maken. Omdat het ons onmogelijk is iedereen daar­voor persoonlijk te bedanken doen we het op deze wijze.

Het heeft ons weer bemoedigd en gestimuleerd om ook in dit nieuwe jaar actief door te blijven gaan met de uitgave van ons blad, in samen­werking met allen die in het blad schrijven en in afhankelijkheid van wat Gods Geest ons aanreikt.

Eén van de vijf aangereikte actie­punten willen we nog even herha­len. Het betreft de opgave van proefadressen. Ga eens na wie er in aanmerking zou kunnen komen om Levend Geloof te gaan lezen. Alle adressen die worden opge­geven (bij voorkeur schriftelijk!) ontvangen twee nummers op proef.

 

Wat God van ons verwacht door Gert Jan Doornink

Opnieuw ligt een jaar voor ons. Het laatste jaar van het tweede millenium na Christus. Vrijwel niemand denkt er nog aan dat in grote delen van de wereld nog steeds gebruik wordt gemaakt van een ‘christelijke jaartelling’. De grote massa heeft immers allang alle godsdiensten op één lijn gezet. Waarom zou het christendom de enige ware gods­dienst zijn, wordt er dan gerede­neerd. Wie het christendom ziet als een religie, naast de andere religies die in de wereld bestaan, zal met deze opvatting ook weinig moeite hebben. Maar als waarachtige chris­tenen weten we dat het christendom totaal anders is. Het is de godsdienst die het ware leven in zich heeft zoals God dat in Zijn Zoon heeft geopen­baard.

“Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven” zegt Jezus zelf Johannes 3 vers 36 (Joh. 03:36).

De proef op de som

Velen zullen geneigd zijn aan deze opmerking van Jezus schouderopha­lend voorbij te gaan, met de gedach­te: ja, dat beweren jullie christenen, maar wie zegt dat het waar is, wie zegt dat dat de enige waarheid is en wat de andere godsdiensten leren niet waar is?

Voor hen hebben wij slechts één advies: Neem de proef op de som! Ga geloven in Jezus als Degene die uw zonden vergeven wil, die alle din­gen in uw leven nieuw wil maken. U zult dan ervaren hoe de Geest van God u overtuigt en het nieuwe leven van Christus in u komt. Dan wordt u opnieuw geboren en ontstaat de zekerheid: ik ben nu een kind van God.

Deze tweede (geestelijke) geboorte is na de eerste (natuurlijke) geboorte dus essentieel om een christen te worden. Wie deze tweede geboorte niet heeft ervaren is geen christen, ook al noemt hij zich misschien wel zo omdat hij traditioneel is opge­groeid in de kerk of gemeenschap waartoe ook zijn of haar ouders behoren. Maar traditie heeft geen enkele waarde als men niet zelf een daadwerkelijke verandering van zon­daar naar kind van God heeft meege­maakt. Corrie ten Boom zei het des­tijds al: ‘God heeft geen kleinkinde­ren, alleen kinderen’.

Scheiding der geesten

We leven in een tijd waarin de schei­ding der geesten in volle gang is. Alles wat onecht, wat surrogaat is, gaat aan het licht komen, maar ook alles wat echt is komt tevoorschijn. Daarvoor is geestelijke groei noodza­kelijk. Zoals in het natuurlijke leven iemand opgroeit van baby tot volwas­sene, geldt dat ook in geestelijk opzicht.

Deze groei is uitermate belangrijk voor de gemeente van Christus. Want deze groei heeft onder andere tot gevolg dat we vrijkomen van ver­keerde leringen, misleidingen die soms onder een vrome dekmantel worden gebracht, en hoe langer hoe meer stabiele, volwassen christenen aan worden die niet met het minste of geringste zuchtje tegenwind van de kaart zijn.

De zo even geschetste ontwikkeling is in onze dagen in volle gang. Het is niet meer mogelijk een compromis- of naamchristen te zijn. Het gaat om het tot ontplooiing komen van de volledige beleving van ons christen­zijn. Dat verwacht God van ons.

Positieve verwachting

Daarvoor is een positieve verwach­ting nodig. Wie niet geestelijk groeit zal in een beginstadium blijven ste­ken en, bewust of onbewust, voortij­dig afhaken. Daarom is de prediking van het ‘niet volmaakt kunnen worden’ van de gemeente (en de gelovi­ge individueel) ook zo funest en afbrekend en geheel in strijd met Gods bedoeling. Het gaat immers om het herstel van Gods schepping totdat uiteindelijk de nieuwe hemel en de nieuwe aarde een feit zal zijn. Waarachtige christenen hebben daar­om slechts één verlangen: mee te werken aan deze grote doelstelling van God door levende getuigen van Christus te zijn, dus als zonen van Hem openbaar te worden. Laat dit verlangen in de rest van dit jaar de eerste prioriteit krijgen. En als u tot dusver de verwachting hebt gekoesterd dat het toch allemaal niks meer wordt met de gemeente van

Christus, gooi dan deze negatieve gedachte van u af en draai de knop van uw verwachtingspatroon radicaal om! Ontdek het geheim om als over­winnend christen te functioneren in het plan van God. Wat de omstandig­heden van ons leven ook mogen zijn, wij zullen dan te allen tijde stand kunnen houden, ook in tijden van verdrukking. De groeiende eenheid tussen Gods Geest en onze geest maakt dat onze gemeenschap met de Vader en de Zoon hecht en onaan­tastbaar wordt. En we worden ons meer en meer bewust wat een heer­lijkheid het is te dat we tot in alle eeuwigheid behoren bij het onwan­kelbare Koninkrijk van God!

 

Roemen in de Heer (gedicht) Piet Snaphaan

Wie roemt, hij roeme in de Here,

in de sterkte Zijner kracht.

Dat te erkennen doet Hem eren,

want Hij alleen heeft alle macht.

 

Wie wijs is, roeme niet zichzelve,

de sterke niet in eigen kracht,

de rijke niet op aardse rijkdom,

alleen in Hem, die ’t al volbracht.

 

Heer, neig ons hart naar Uw gedachten,

nimmer naar eigen winstbejag,

leer ons Uw waarheid te betrachten

en ’t ondekken wat men in U ver­mag.

 

Alleen in U, Heer, willen we roe­men,

in U die waarlijk leven geeft,

U als Overwinnaar noemen,

die voor ons pleit en eeuwig leeft.

Piet Snaphaan

 

Zijn waar Jezus is door Hans Bulthuis

De leer van het evangelie van Koninkrijk Gods en de daaruit afge­leide leefwijze voor mensen is totaal anders dan alle godsdiensten op aarde. Dat bleek meteen al door het optreden van Jezus, die de verper­soonlijking van dat evangelie is. Binnen de kortste keren kwam Hij in botsing met de vertegenwoordigers van de godsdienstige joden uit zijn tijd. De Heer vatte dat grote verschil tussen zijn geloofswereld en die van zijn tijdgenoten samen met de woor­den: “Gij zijt van beneden, Ik ben van boven” Johannes 8 vers 23 (Joh. 08:23). Het ‘van beneden zijn’ is het ken­merk van alle soorten godsdiensten. Met deze uitdrukking wordt aange­duid dat zo ’n religie wordt uitgewerkt in allerlei uiterlijkheden, rituelen, zienlijke vormgevingen, regelgevin­gen, gewoonten en tradities. De hei­dense godsdiensten zijn daar het sterkst in, maar het joodse geloof stond er ook bol van. Helaas is er eveneens het nodige daarvan in de loop der eeuwen de christelijke bele­vingswereld binnengedrongen.

Babylon

De Bijbel benoemt dat verschijnsel met de term ‘Babylon’. Ga je alle christelijke richtingen hierop na, dan kom je dat steeds weer tegen. Bij de één meer dan bij de ander; of bij de één meer verborgen dan bij de ander. Zo ook in onze volle evangelie gemeenschap.

Bij Jezus echter vinden we geen nieuwe uiterlijke vormgeving en regelgeving om godsdienstig te zijn (te doen). Hij heeft daarvoor nooit iets nieuws ingesteld. Integendeel. De tempel in Jeruzalem met al haar verplichte riten had afgedaan. Zo ook de overleveringen en invullingen van mensen inzake religieuze beleving. Te denken valt aan wat Paulus al destijds daarover schreef aan de gemeenten, maar ook wat we tegen­woordig om ons heen zien in het charismatisch christendom: lichaamshoudingen bij gebed en lof­prijs, de cultus van dans, vlaggen en banieren, gestileerde liturgieën, de zogenaamde christelijke feestdagen, nieuwe maan of sabbat (zondag), het wettische, kerkelijke structuren, ver­plichte rituelen, plechtige gewaden, gewijde plaatsen, buiten-gemeentelij- ke activiteiten zoals conferenties, seminars, retraiteoorden en week­ends met ‘bekende’ godsmannen, gospel-entertainment, vrome sfeer­tjes, religieuze podiumshows, geld, eer, heerszucht, macht, politiek en kunst, kortom deze hele christelijke cultus (o. a. Openbaring 18). Het zijn allemaal zaken die de heide­nen ook bedacht en ingevoerd heb­ben in hun godsdienstpraktisering. Zulk godsdienstig gedrag, of dat nu islamitisch, hindoestisch of christe­lijk is, is herkenbaar aan bepaalde voorgeschreven handelingen, traditionele riten en eigentijdse uiterlijk- heden, vormen, plichten en aanwen­sels. Door gemis aan diepgang bij vele christenen hebben zij eveneens dergelijke alternatieven nodig. Maar het volk Gods wordt erdoor misleid en niet tot mondigheid in Christus gebracht. Dit alles is van beneden.

Vernieuwing

De tijd is aangebroken dat de ‘ontbabylonisering’ van de christen en de gemeente ter hand genomen dient te worden. De eindtijdchristen behoort op zijn grote Meester te gaan gelij­ken: in geest en in waarheid alleen. Alle vleselijke en wereldlijke religieu­ze opsmuk zal door ons als een vuil kleed afgelegd moeten worden. Zo’n vormgeving van het evangelie is aards, ongeestelijk, duivels. Het dient slechts tot bevrediging van het vrome en emotionele vlees, van het eerzuchtige en egoïstische vlees, van het eigenzinnige en kortzichtige vlees. Het bevredigt de demonen die de uitvinders ervan zijn en de chris­tenheid ermee verontreinigd hebben. In de vroeg-christelijke gemeenten was het judaïsme de babelse verlei­der. Men leze daarover bijvoorbeeld Filippenzen 3 en Kolossenzen 2 vers 16 tot en met 23 (Kol. 02:16-23). Later waren het de verschillende culturen der volkeren die hun babelse invloeden deden gelden in de christenheid. Wij willen dit alles nu gaan afleggen, zeg afleren, en voortaan alleen nog bezig zijn met het ontwikkelen van de ware geestelijke mens. De vernieuwing van ons christenzijn is een actuele zaak geworden die alle aandacht ver­dient.

Beneden en boven verdragen elkaar immers nooit Galaten 5 vers 17 (Gal. 05:17). Het ‘van boven zijn’ vinden we bij Jezus Christus. In zijn eigen wandel en in zijn openbaar optreden vinden we niets terug van wat hierboven werd omschreven als babels. In zijn geloofsbeleving en -uitwerking kende Hij slechts de verborgen omgang met de Vader en bracht Hij naar buiten wat Die tot Hem sprak en aan Hem toonde Johannes 5 vers 19.

(Joh. 05:19). De Vader reikte in zijn woord zijn denkwereld aan en werkte door zijn Geest de daarbij behorende goddelijke kracht in de Zoon.

Daardoor was onze Heer in staat als een geestelijk mens te wandelen en Gods werken te doen om alle dingen nieuw te maken. Wij zullen ons dus alleen op Hém oriënteren om te weten wat christenzijn is in geest en in waarheid. God had in Hem een welbehagen en is daarom de duide­lijkste aanwijzing voor welgemeende gelovigen om zich op Jezus alleen te verlaten.

Bij Jezus zijn

De plaats waar de verhoogde Heer Zich nu bevindt, is niet een plek ergens. Daar Hij niet meer in het vlees is, hebben de begrippen plaats en tijd geen betekenis meer. De plaatsaanduiding waar Jezus is, doelt op een situatie, een geestelijke toe­stand. Hij is ‘naar de Vader’ gegaan; Hij is ‘in God’. Hij vormt één geest met de eeuwige God en heeft volko­men en onbeperkt deel aan diens goddelijke natuur. Zich in die situ­atie bevindend, is Hij tevens door God zo uitermate verhoogd, dat Hij ‘als God’ mag en kan funktioneren. De Vader heeft Hem immers alles in handen gegeven, alle goddelijke macht en kracht, alle goddelijke mogelijkheden en bevoegdheden, en dat in de hemel en op de aarde Matteüs. 28 vers 18. Filippenzen 2 vers 9. (Matt. 28:18, Filip. 02:09). Vanuit zijn geestelijke situatie kan Hij in ons zijn en met ons werken, Zich openbaren, enz. . . in en door heilige Geest. De Here nu is de Geest 2 Korinthe 3 vers 17a. (2 Kor. 3:17a). De Geestgedoopte gelovige weet dat de Vader en de Zoon op deze wijze voortaan bij hem wonen Johannes, 14 vers 23. (Joh. 14:23).

Andersom geldt het eveneens: de gelovige is ‘in’ de Christus, in de Geest opgenomen. “Dat ook zij in Ons zijn. . . ” Johannes 17 vers 21. (Joh. 17:21). Juist dit wilde de Heer; daar bad Hij voor. Zo wordt zijn gebed vervuld: “Vader, Ik wil, dat, waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, om mijn heerlijkheid te aanschou­wen. . . ” Johannes 17 vers 24a. (Joh. 17:24a). De geestelijke christen wil ten volle bewust worden van deze toestand, van deze geestelijke werkelijkheid. Daarbij wil hij zijn geestelijke rijk­dommen in Christus leren kennen en hanteren, Efeze 1 vers 18 en 19. (Ef. 01:18-19). Het zal duidelijk zijn dat deze geestelijke zaken niets te maken hebben met welke uiterlijke, zienlijke, aardse en vleselijke middelen en manier van doen. Het religieuze vlees doet geen enkel nut voor de geestelijke chris­ten.

De Heer nodigt ons juist uit om de schatten ‘in de hemel’ te gaan verza­melen om zodoende rijk te worden in God Matteüs 6, vers 20. (Matt. 6:20). De verhoogde Heer heeft beloofd om allen tot Zich te trekken, om nü te zijn waar Hij is. In die geestelijke situatie wordt de gelovige in staat gesteld om ook daadwerkelijk rijk te worden en zich te sieren met Gods bezittingen. Met Christus samen, in de Geest, deel te hebben aan de goddelijke natuur met alle zegenrijke en eeuwige gevol­gen vandien, is ‘van boven zijn’.

De goederen Gods

De hemelse schatten zijn hoedanig­heden, mogelijkheden, eigenschap­pen en talenten van de godheid zelve. Zij vormen de erfenis waarvan God wil dat wij ze erven, ze in geloof ons toeëigenen, ermee vertrouwd raken en ze gaan gebruiken. Ze mogen ons zo ‘eigen’ worden, dat ze eeuwig een onafscheidelijk hoofdbe­standdeel zullen vormen van ons menszijn. Dit is een kenmerk van zonen Gods, van hemelburgers. God en mens dienen door Christus tot één gemaakt te worden. God deelt dan in onze menselijke natuur en wij in de Zijne. Hierdoor is voor God en zijn mensen alles mogelijk in de zienlijke èn onzienlijke wereld. Onbeperkt en onbegrensd. Dit is de vrijheid van de heerlijkheid der kin­deren Gods, Romeinen 8 vers 21b. (Rom. 08:21b). Jezus is (was) rijk in God. In Hem woont de volheid van de godheid lichamelijk. Hij is er één mee gewor­den. Hij is daarin ons ten voorbeeld, opdat wij Hem daarin zouden vol­gen. De vrijmoedigheid daartoe is ons door God aangeboden. Daarom blijven wij elkaar oproepen en aanvuren om niet te verslappen, maar om meer dan ooit dit goddelij­ke eeuwige leven in Christus te grij­pen en uit te werken in onze dage­lijkse wandel.

Indien we daar zicht op hebben en de smaak ervan te pakken krijgen, behoeven we geen enkele toegevoeg­de en aangeplakte opsmuk meer. De geestelijke christen heeft genoeg aan hetgeen Jezus openbaarde en vindt dus zijn ware voldoening in een levenswijze die alleen bepaald wordt door het ‘in de gestalte Gods zijn’. Slechts daardoor kenmerkt hij zich. Zo verscheen Jezus. Daarin aan­schouwden zijn volgelingen Gods heerlijkheid. Dit was christenzijn van boven alleen.

Zijn verschijning liefhebben

Wij staan in deze tijd voor de keus in welke verschijning, welke gestalte, welke openbaringsvorm van chris­tenzijn de toekomst, de eindtijd, tegemoet wordt getreden. Het zal een absolute keuze worden. Of in de gestalte van God öf in die van de (religieuze) wereld van het grote Babylon. Een ‘of-of in plaats van een ‘en-en’. Een compromis is onmoge­lijk. Alles wat namelijk niet in geest en in waarheid is, zal verbranden. Dat geldt zowel voor iedere individu­ele gelovige als voor de plaatselijke gemeenten.

Wie Jezus’ verschijningsvorm lief­heeft en uitwerkt, zal zeker de krans, dat is de bekroning, der rechtvaardig­heid van de Here ontvangen 2 Timoteus 4 vers 8 (2 Tim. 04:08). Dat is het volwassen en gezalf­de zoonschap.

Omdat het om een ‘of-of keuze gaat, betekent het bovenstaande dat wij onszelf èn onze gemeenten dienen te ontdoen van alle zogenaamde reli­gieuze maniertjes, sfeertjes, gedra­gingen en gewoonten. Ook niet wat op een zeker moment de trend en de mode is in de wereld. Dat alles levert immers geen kracht en leven. Dat alles is vrome, lege misleiding, vlese­lijke zoethouderij en godsdienstige zelfbevrediging.

In het afleggen daarvan zullen we het bombardement van tegenspraak en -werking moedig moeten dragen: “Behoud wat je hebt, verdedig het erfgoed der eeuwen, alle verandering is nog geen verbetering”, of: “Wees eigentijds, je loopt achter, pas je aan bij de huidige vormgeving der din­gen in deze wereld, zo vind je geen aansluiting bij de jeugd van tegen­woordig, weest klantvriendelijk”, enz. . .

Ook zaken als vleselijke ambities zoals gezien en geëerd willen wor­den, menen iets te zijn in eigen oog, op de voorgrond willen treden, van de show leven, zullen de ontwikke­ling van de geestelijke christen en van een echt geestelijk gemeentezijn in de weg staan.

Door geen van beide echter, door conservatisme noch modernisme, zullen de aanstaande zonen Gods zich laten bepalen. Zij zullen zoeken

en bedenken wat boven is, waar Christus is, gezeten aan de rechter­hand Gods, en niet wat beneden is, wat op en van de religieuze aarde is Kolossenzen 3 vers 1 tot en met 4 (Kol. 03:01-04). In de Geest vinden zij wat ‘echt en puur’ is, wat geestelijke waarde heeft: goddelijke natuur, god­delijke kracht, goddelijke liefde, god­delijke wijsheid, goddelijk leven. In een zuivere en intieme geloofsge­meenschap met Jezus laden zij zich met zijn leven, met zijn waarden, met zijn gestalte. Dat is waarheid! Zij hebben zijn verschijning zó lief, dat zij zich gaandeweg gelijkvormig (laten) maken aan het beeld van de Zoon.

In het gewone leven

En op welke manier, in welke vorm of gestalte komt dat leven bij hen naar buiten? In hun ‘gewone’ dage­lijkse privéwandel. Door ’te zijn en te doen’ in eenvoud, in zachtmoedig­heid, in heiligheid, in echtheid, in liefde, in kracht en heilige Geest, met werken van barmhartigheid en werken van heil.

De gemeentewandel en -handel zal zich eveneens slechts mogen ken­merken door wat van boven is: door samen(!)zang tot lof en aanbidding van God, door woordverkondiging via prediking, getuigenissen en gees­tesuitingen als profetie, wijsheid en kennis, door gebed, door de geestelij­ke strijd, door werkingen van krach­ten tot heling en opbouw voor lichaam, ziel en geest van allen, door onderlinge ontmoeting ter bemoedi­ging en stimulering, door aktiviteiten van dienstbetoon in getuigenis en werving naar de wereld toe. Dit ware leven Gods past bij ieder mens in iedere tijd. Het is immers een eeuwig evangelie, het is van boven waar Jezus is. Het staat dan ook boven elke gril en mode van tijd en plaats, van vlees en duivel, want het is uit God geboren.

Hand aan de ploeg

Hoe staat dit alles in schril kontrast met wat helaas zo veel nog wordt uit­gevonden en gepraktiseerd. Samenkomsten en kerkdiensten wor­den ‘opgeluisterd’ en ‘aangekleed’, waardoor ze verworden tot program­madiensten waarmee de ‘zaal’ wordt beziggehouden; met podiumoptre­dens ter vermaak, zelfs met glitter en glamour, met betaling en applaus. Of het tegendeel: een eindeloos gere- peteer van altijd maar hetzelfde. Alles voorspelbaar en nooit iets nieuws dat verder omhoog voert. Wij zullen erop toezien dat we zowel uit het een als uit het ander wegtrek­ken om binnen te gaan in de leef- en beleefwereld van de Christus zelf. Wakker worden en opstaan, in bewe­ging komen en vernieuwen, het christenzijn in geest en in waarheid ons eigen gaan maken. Wij willen zijn waar Jezus was en is, in de Vader, in het Koninkrijk van God, in de Geest, in de dingen en de houding van boven.

God roept ons daartoe op en wil ons verlichten met de kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus, 2 Korinthe 4 vers 6. (2 Kor. 04:06).

Word ook in deze dingen hervormd door de vernieuwing van denken en door het voorbeeld van onze Meester zelf. Vernieuwing begint in hart en denken. Als het ‘gezien’ wordt, kan men eruit gaan leven en handelen. Dit geldt eveneens voor de plaatselij­ke gemeente. Uit Babel wegtrekken is niet je gemeente verlaten, maar het babelse verwijderen en het hemelse inbrengen. De gemeente wordt zodoende van binnenuit veran­derd door de vernieuwing van haar leden.

Geliefde lezer, sta met ons op, reik elkaar de broederhand, word eensge­zind in het Jezusleven. Geef om Zijnentwil alle vrome verschijnings­vormen en handelingen prijs en houd het voor vuilnis, opdat wij allen de ware Christus moge winnen om ons met Hem te kunnen bekleden Filippenzen 3 vers 8. En Romeinen 13 vers 14. (Filip. 03:08 en Rom. 13:14).

 

Altijd positief Als Jezus zijn Wijsheid van Judas Deel 11 door Cees Maliepaard

 

“En weest ook barmhartig jegens som­migen die twijfelen, redt hen door hen uit het vuur te rukken, maar weest jegens anderen barmhartig in vreze, uit ajkeer zelfs van het kleed dat door het vlees bevlekt is” Judas 1 vers 22 en 23. (Judas 01:22-23).

Er is een bekend lied waarin tot God gezegd wordt:

‘U bent één en enkel positief,

U heb ik als Vader,

mijn God, U heb ik lief.

De Here God is ongetwijfeld één, altijd dezelfde en enkel positief tegenover de mens. God is niet positief in z’n algemeen­heid; begrippen als positieviteit en negativiteit zijn trouwens onmogelij­ke uitdrukkingen, want zodra je je positief tot het ene wendt, keer je je negatief tegenover het tegenoverge­stelde.

God staat positief tot de mens, en derhalve negatief tegenover de boze en het kwaad. Tegen Satan zegt God consequent: nee! Tegen diens wer­ken trouwens ook. Maar de mens heeft nooit enige vorm van afwijzing of verwerping van hem te duchten.

We zijn geschapen om (net als Jezus) Gods beeld te dragen, om te openbaren wat in het karakter van God verankerd is. Om net als God te wezen: liefdevol, geduldig, rechtvaar­dig en barmhartig, en dat alles naar een ieder, zonder aanzien van de persoon. Wil dat zeggen dat je van iedereen even veel moet houden, dat er geen enkel verschil mag wezen tussen je gevoelens voor de één of voor de ander? Ik denk dat het van niet veel realiteitszin getuigt wan­neer kinderen Gods zichzelf dwin­gen om voor ieder mens precies het­zelfde te voelen.

We zullen ook hierin het voorbeeld van Jezus volgen. Tijdens Zijn gesprek met de rijke jongeling lezen we opeens: “En Jezus, hem aanzien­de, kreeg hem lief’ Markus 10 vers 21. (Mark. 10:21). Hield de Heer vóór dat moment dan nog niet van die man? Was Jezus’ liefde afhankelijk van de indruk die Hij tijdens de conversatie opdeed? Natuurlijk niet! De liefde van Gods Zoon tot (elk) mens staat als een paal boven water. Maar het zal zo geweest zijn dat Hij de rijke jonge­ling bovenmatig liefkreeg, zoals Hij ook Z’n discipelen op een bijzondere wijze liefhad, Johannes 15 vers 12. (Joh. 15:12) en onder hen Johannes Zijn speciale liefde had Johannes 19 vers 26 en Johannes 20 vers 2. En Johannes 21 vers 7. (Joh. 19:26 en Joh. 20:02 en Joh. 21:07). Ook vóór die tijd was dat al wel bekend Johannes 13 vers 23. (Joh. 13:23).

Het is ook voor ons normaal je meer betrokken te voelen bij de geestelijke familie waar je nauwe banden mee hebt gekregen. Liefde laat zich niet dwingen – het is derhalve nogal dwaas van je medestrijders in het geloof te verwachten dat zij een ieder in gelijke mate lief zullen hebben. Liefde tot hen die het eigendom van Jezus zijn is een vaststaand gegeven bij ieder die Jezus’ beeltenis draagt.

Maar jegens sommigen kan er zich een bijzondere genegenheid ontwik­kelen, zoals dat bijvoorbeeld tussen David en Jonathan het geval was 2 Samuël 1 vers 26 (2 Sam. 01:26). Het is toch eigenlijk vanzelfsprekend dat je meer liefde ontwikkeld hebt tot degenen die in de geestelijke strijd onmiddellijk naast je staan en waar je gewend mee bent samen in de bres te sprin­gen. Dat heeft niets te maken met menselijke zwakheid of natuurlijke tekortkomingen.

Twijfel nooit aan het Woord

Twijfel maakt een mens onzeker en op de lange termijn ondergraaft het de voortgang in de geestelijke ont­wikkeling. Wanneer je zélf niet twij­felt aan het Woord van God en aan de woorden van Jezus, kun je altijd nog wel te maken krijgen met ande­ren die door twijfel verlamd dreigen te raken. Wat te doen met twijfelaars die kennelijk door de duivel gebruikt worden om je geloof te ondermij­nen? Kun je je daar maar beter van distantiëren?

Judas schrijft dat we jegens hen barmhartig zullen zijn. Doen we dat, dan volgen we daarin het voorbeeld van de Meester. Hij blijft immers ook barmhartig ten einde toe! Jegens sommigen zullen we barm­hartigheid betrachten in vreze, afke­rig van het kwaad waarmee zij zich blijkbaar toch steeds weer inlaten. We zullen hun nooit de idee mogen geven, dat we achter hun kwalijke zaken staan of dat we het op een accoordje met de machten der duis­ternis willen gooien. Onze negatieve benadering zal ech­ter alleen de boze en zijn boze bezig­heden mogen betreffen. Barmhartig zijn voor de boze (en voor het boze) is écht uit de boze! Waar dat nodig is, zullen we de confrontatie met hem dan ook niet uit de weg gaan. Maar onze aan twijfel onderhevig zijnde medegelovigen, bij wie de weegschaal nog wel eens door dreigt te slaan naar de verkeerde kant, zul­len we zeker niet in de kou laten staan. Jegens hem of haar zullen we blijvend barmhartigheid betrachten; onze houding naar de mens zal dus te allen tijde positief wezen. Het oordelen over andermans zwakheden en falen, zullen we aan de Heer overlaten. En die weet er wel raad mee; Hij is niet voor niets voor ons in de bres gesprongen! Het Goddelijke Woord van genade en waarheid blijft onveranderlijk recht overeind staan.

Het vuur van de twijfel

“Redt de twijfelaars, door hen uit het vuur te rukken”, schrijft Judas. Dat klinkt nogal rigoureus, alsof we onze twijfelende medegelovigen, desnoods tegen hun zin, uit het vuur van de twijfel zullen moeten rukken. Maar geweld is nu eenmaal wezensvreemd aan de cultuur van het Koninkrijk van God, zelfs al zou het voor het ” bestwil van de betrolckenen zijn. Twijfel tast de zekerheden uit het Woord van God aan, alsof de mens Gods in een brandende vuurhaard terechtgekomen is. De identiteit van zo’n mens zal er op de duur aan gaan – hij of zij lijkt ten­slotte in de verste verte niet meer op de mens zoals God zich die gedacht heeft. Satan zal zeker proberen van de mens die God toebehoort een karikatuur te maken. Het beeld wat je van zo iemand krijgt lijkt ogen­schijnlijk nog wel te kloppen, maar de ingeslopen twijfelmoedige ken­merken worden door de duivel sterk overtrokken.

Daardoor zal wie eenmaal in het vuur van de twijfel verkeert, nog méér aan zichzelf en aan Gods waar­heden gaan twijfelen. Twijfel die je gewoon geworden laat, gaat dus steeds grotere vormen aannemen. Dat komt doordat je gaat denken dat de twijfel waarmee je behept bent, deel uitmaakt van jouw wezen. Alsof je van nature zó in elkaar zou zitten. Je behoeft er echter in het geheel niet aan te twijfelen, dat de HE RE God ook jóu oorspronkelijk met een sterk geloof geschapen heeft. Want dat zit van origine in élk mens. Wie zich vastklampt aan z’n twijfels, moet zich daar niet ruw van los proberen te rukken. Dat werkt immers alleen maar averechts. Wat kun je dan wel doen? Je zult altijd moeten beginnen om te trachten het geloof van de twijfelmoedige op te bouwen. Dat is eigenlijk de enige mogelijk­heid die écht kans van slagen heeft. Want wanneer je de twijfel aan probeert te pakken, ben je met de ver­keerde kant van de zaak bezig, waar­bij het al heel wat is als je iemand wat minder twijfelmoedig krijgen kunt. Zelfs dat zal niet eens meeval­len, want in de twijfel hebben de machten der duisternis stellig een stevige positie ingenomen. Richt je je echter op de goede zijde van iemands innerlijk, op wat er nog over is aan geloof in Gods plan met de mens, dan haak je in op de rudi­menten van wat God zelf in de betrokken persoon gegeven heeft. En die overblijfselen zijn dikwijls bedui­dend omvattender dan je op het eer­ste gezicht gedacht zou hebben. Want wat ondergesneeuwd is valt niet zo op, maar is toch wel degelijk aanwezig.

Het aan de kaak stellen van iemands twijfels, heeft doorgaans weinig of niets met barmhartigheid te maken. Het gewoon laten geworden van een twijfelmoedige geest heeft dat natuurlijk al evenmin. Bij de opbouw van iemands geloof de helpende hand bieden, is echter heel goed in te passen in het plaatje van de barm­hartigheid. Dat is ook de enige manier om een mens uit het vuur van de twijfel te rukken. Waar je z’n geloof opbouwt, stel je hem in staat zélf de vuurhaard van de twijfel te doven. Je trekt hem daarbij dus niet aan de haren uit het vuur omhoog, maar je geeft hem de mogelijkheid, samen met Jezus en met jou, deel te hebben aan het (geloofs)leven van een Goddelijke zoon.

Door het geloof alléén

Sola fide! (door het geloof alleen) is een kreet die het in bepaalde kringen

goed doet. Het is ook wel een bijbels gegeven, mits je zo’n gedachte in bijbels perspectief plaatst. Twijfel werkt geloofsondermijnend, geloof helpt iemand zich uit te strek­ken naar wat Gods plan voor moge­lijkheden biedt.

Er zit echter nog een andere kant aan dit verhaal: met puur bijbelse begrippen als geloof en genade kun je nog in een strik van Satan trappen als je die zaken ontkoppelt van de werken van het geloof. Om in het kort op een rijtje te zetten: het begint met Gods genade. Hij betoont die aan de mens zonder dat die daar iets voor hoeft te onderne­men – zuiver op basis van geloof dus. In dit verband kun je dus inderdaad uitgaan van de stelling: door het geloof alleen!

Maar, schrijft Jacobus, geloof dat niets uitwerkt is dood, daar heb je niets aan Jakobus 2 vers 17 (Jak. 02:17). Daarom zullen we de geloofsvisie die we hebben opgebouwd op grond van Gods geschreven Woord en van de woor­den die hij in onze harten spreekt, in de dagelijkse praktijk van ons leven uit gaan werken.

Twijfel aan Gods gedachten onder­mijnt je geloof en verhindert je als een geestelijk mens te functioneren. Maar twijfel aan de mogelijkheid om datgene wat je gelooft ook daadwer­kelijk in je leven uit te werken, blok­keert je ontwikkeling als een zoon van de hemelse Vader evengoed. En wie van ons twijfelt er nooit eens aan het één en ander? Het is goed om dat in gedachten te houden, want dat voorkomt dat je een twijfelende medeburger in Gods Koninkrijk in de beklaagdenbank zet. En onze God houdt er zo’n meu­belstukje nu eenmaal niet op na. Het zondaarsbankje is door vrome gees­ten uitgevonden, want Jezus Christus zegt, samen met de Vader, tot een ieder die met z’n twijfels af wil rekenen: kom toch bij ons in de troon! Daar is je plaats, op basis van geloof in Goddelijke genade.

 

Iemand zoals jij. . . (gedicht) door Astrid Poldervaart

Als ik jou zie

je ogen vol verdriet,

je handen zo onrustig

geen lach meer op je gezicht

wat eens zo mooi was

lijkt nu voorbij

bij iemand zoals jij.

 

Als ik naar jou kijk

dartelend en blij

geen zee te hoog

in de bloei van je

leven lacht alles je toe

je bent zo vrij

is het iemand zoals jij?

 

Toen ik jou zag

voor het oog zo onverschillig

het kon je niet veel schelen

wat voor dag of weer het was

gehard door het leven

en door de maatschappij

dat is iemand zoals jij.

 

Iemand zoals jij

geen leven is hetzelfde

 ieder mens heeft z’n verhaal.

Achtervolgd door je verleden

krijg je de kans om te vergeten

kun je leren te vergeven

omdat Jezus houdt

van mensen zoals jij.

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

“Gij zijt genaderd. . . tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jerzualem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel. . . Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst!”

Hebreeën 12 vers 22 tot en met 25. (Heb. 12:22-25).

Misleidend licht

Door alle eeuwen heen zijn ze er geweest: de valse profeten en predi­kers die proberen met hun afbre­kend en vernietigend werk schade te berokkenen aan de werkelijke Gemeente van Christus. Onder het mom van ‘licht’ prediken zij duister­nis. Geen wonder als men beseft dat hun inspiratiebron het rijk der duis­ternis is. Jezus zelf en later de apos­telen waarschuwden al voor hun infiltratiepogingen om de werkelijke gelovigen op een dwaalspoor te bren­gen.

Onder invloed van allerlei new age- leringen wordt hun tactiek steeds geraffineerder en wie onderschei­ding der geesten mist, kan toch op een of andere wijze door hun bood­schappen en methodes in verkeerd vaarwater terechtkomen. Vandaar dat we van tijd tot tijd ook in deze rubriek voorbeelden aanhalen om hiervoor op onze hoede te zijn. Zo’n voorbeeld vinden wij in het arti­kel ‘Leven van het goddelijk licht’ dat we aantroffen in het magazine TV- week, waarbij Felix Wilbrink een interview had met de uit Australië afkomstige Jasmuheen. Zij trekt de wereld over om te vertellen over het wonderbaarlijke feit dat ze al vijf jaar niet eet. Ze wordt gevoed door een goddelijk licht. Door prana, zeggen de oosterlingen. Zo begint dit artikel, waarna Wilbrink opmerkt: “Geheel in stijl met de moderne predikers heeft de blonde verschijning uit Australië alleen een voornaam, Jasmuheen. Hoe ze volgens de burgerlijke stand heet wil ze niet zeggen. Dit is haar goddelijke naam”.

Onlangs sprak zij in de bomvolle Thomaskerk in Amsterdam-Zuid, waarbij ze haar levensloop vertelde: “Dertig jaar geleden zeiden de artsen en voedseldeskundigen nog dat vege­tarisch eten onzin was, nu raden ze zelfs aan om minder vlees te eten. Er zal een tijd komen dat diezelfde art­sen zullen begrijpen dat je je gewoon kunt aansluiten op de kosmos en je op deze manier kunt laten voeden. Natuurlijk is het moeilijk om zomaar van de ene dag op de andere niet meer te eten. Daar gaat een proces van reiniging aan vooraf. We moeten onszelf zo sterk maken dat we ons lichaam kunnen bevelen het goddelijk voedsel in ons toe te laten”. Vervolgens geeft ze allerlei instruc­ties en adviezen die zij via ‘goddelij­ke meesters’ meent te moeten door­geven. Zij zegt: “De mensheid moet worden opgevoed. De reden dat jij bijvoorbeeld geen contact hebt met de goddelijke meesters is omdat je geestelijke frequentie niet goed is afgesteld. Het is als een radio. Je draait maar wat aan de knoppen en als je de juiste zender niet kan vin­den dan hoor je alleen maar ruis. Door meditatie en een zuiver leven kan je jezelf zo fijn afstellen dat je signalen kunt ontvangen van de andere wereld, van de dierbaren die zijn overleden, van je geestelijke helpers en van de goddelijke meesters”.

Valse goden

Wanneer verslaggever Wilbrink een tekst uit Openbaring aanhaalt over valse goden, is haar commentaar: “Het heeft geen zin om over de bij­bel te praten. Zoals alle grote religies is ook het christendom ten prooi gevallen aan machtswellust. De boodschap van liefde en overgave, van delen en geven, is verwaterd. Wij halen uit de religies het beste, het zuiverste. Zo zullen de mensen het begrijpen. Moet je je eens voorstel­len, als we allemaal alleen maar god­delijk eten zouden gebruiken. Dan zou er op de hele wereld geen hon­ger meer zijn. Dan zouden wij onze lichamen niet meer vervuilen. Dan zou de planeet weer stralend mooi worden.

Je zult zien, binnenkort komen er steeds meer mensen die het aandur­ven door prana gevoed te worden. We zullen onszelf kunnen genezen, zuiver en alleen door ervoor te kie­zen. Door een krachtig besluit te nemen en jezelf over te geven aan je eigen goddelijkheid, dan komen de goddelijke meesters vanzelf wel”. Wanneer Jasmuheen het christen­dom op één lijn stelt met de andere religies, geldt dit alleen voor het naam-christendom. Gelukkig is er ook een ander christendom: de ware gemeente van Jezus Christus, waar­van de leden geestelijk groeien totdat ze zich uiteindelijk als volwaardige zonen Gods openbaren. Dat deze groei naar het volwassen stadium voor elk kind van God broodnodig is, wordt nog weer eens duidelijk als we horen en lezen wat deze valse lerares meent te moeten doorgeven. Het ‘krachtig besluit om jezelf over te geven aan je eigen goddelijkheid’ zullen we daarom maar blijvend ver­vangen door een ander krachtig besluit, dat niet misleidend is maar het ware leven dat tot in eeuwigheid stand houdt in zich heeft, dat is de overgave aan de levende God, zoals deze zich geopenbaard heeft in zijn Zoon Jezus Christus en zich ook in ons wil openbaren.

Wat is het nut van slaap?

Het magazine Elsevier rekent ‘slaap’ tot één van de mysteries die de wetenschap nog niet heeft opgelost. “Uitrusten”, zegt de leek automa­tisch op de vraag “Wat is het nut van slaap?”. Het blad schrijft verder: “Natuurlijk is dat een deel van de waarheid maar er is meer. Om tot rust te komen, hoef je niet ter sla­pen. Je kunt ook op de bank liggen en naar het rustgevende combinatie­voetbal van Ajax kijken. Ieder zoog­dier slaapt maar we begrijpen niet waarom.

Wel dat het iets met de hersens te maken heeft. Die zijn dan volop bezig (met name tijdens de zogehe­ten REM-slaap, waarin zich rapid eye movements voordoen). Dat is ook het wezenlijke verschil tussen slaap en narcose. Bij narcose is er weinig hersenactiviteit, tijdens de slaap is het daarboven een heksenketel. Misschien is slapen wel de belang­rijkste manier waarop wij leren. Diverse neurologen hebben gesugge­reerd dat de hersenen ’s nachts filte­ren. Dat ze het merendeel van de zintuiglijke indrukken die we in een dag opdoen, weggooien. Slaap dus als een soort reset-knop. Dat komt in de buurt van de uitdruk­king: even een nachtje erover slapen. Vaak blijkt het probleem waarmee je in slaap viel, een hoofd vol rimpels en zorgen, de volgende morgen opeens verrassend simpel”, aldus Elsevier.

In de scheppingsorde die God heeft ingesteld, vormt ook de slaap een belangrijk onderdeel. Niemand kan zonder slaap, het hoort bij het nor­male levenspatroon. Algemeen neemt men aan dat acht uur slaap voor de meeste mensen voldoende is, al bestaan hierin grote verschillen. Belangrijk is dat niemand zonder slaap kan, en in de tijd waarin wij leven met zijn groei naar een 24- uurs economie, ook in dit opzicht gevaren op de loer liggen.

Omgang met God

De rust die ieder mens nodig heeft ontvangen wij echter niet alleen tij­dens de slaap. Ook ontspanning, vakantie, een stabiel leven en andere factoren zijn van belang, terwijl voor een christen daarbij nog komen, gebed, bijbelonderzoek, etc. Deze ‘omgang met God’ is voor iedere christen onontbeerlijk en daarbij is men ook tijdens de periode van slaap niet uitgeschakeld. (“Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap” – Psalm 127 vers 2. (Ps. 127:002). Ook in de ‘slaapperio­de’ wil de Heer zich soms aan ons openbaren. Sommige dromen bij­voorbeeld worden ongetwijfeld door Gods Geest geïnspireerd. Iedere christen is dag en nacht met de levende God verbonden. Maar hij behoort er zelf aan mee te werken dat deze ‘verbinding’ in de praktijk functioneert. De Bijbel spreekt namelijk ook over een slaap waaraan we niet behoren toe te geven. Het is de ‘geestelijke slaap’ die ons uitscha­kelt in het plan van God en die we niet behoren toe te laten in ons leven. Over die slaap schreef Paulus destijds al in zijn brief aan de gemeente te Rome met de woorden: “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot geloof kwamen, de nacht is vergevor­derd, de dag is nabij, laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts!” Romeinen 13 vers 11 en 12 (Rom. 13:11-12). Een oproep die ook in onze dagen voor iedere christen van grote betekenis is.

Millennium­paniek

Zoals te verwachten was hebben de verschillende media rond de over­gang naar het jaar 1999 veel aan­dacht besteed aan het jaar 2000. Het duurt immers nog maar een jaar en dan is het zover. Wat staat ons dan te wachten?

In Vrij Nederland treffen we een artikel aan onder de kop ‘Armageddon!’ Nadert het einde der tijden?’ Robert Dulmers en Elma Verhey, de samenstellers van het artikel, beginnen met de opmerking: “Astrologen, mystici, helderzienden, esoterische waarzeggers en bijbelse profeten: allemaal hebben ze in het jaar 2000 een nieuwe aarde voor­speld, Sinds het begin van de geschiedschrijving is de mens geob­sedeerd door het ontstaan en dus het einde der wereld. Een inventarisatie van de christelijke doemdenkers en de new age-onheilsprofeten in 1999. Waarbij de computer om meerdere redenen een waar godsgeschenk blijkt”.

Zoals zo dikwijls spant Amerika hierbij weer de kroon. Het blad schrijft: “Volgens het Millennium Watch Instititute hecht veertig pro­cent van de Amerikanen geloof aan letterlijke bijbelteksten. Dat zou kun­nen verklaren waarom survivalwin­kels in de Verenigde Staten in hoog tempo verrijzen en elke zichzelf seri­eus nemende krant nagenoeg dage­lijks lijsten publiceert van voorzorgs­maatregelen ten aanzien van huis­dieren of ander eenvoudig over het hoofd te ziene dierbare bezittingen. Niet alleen christenen houden seri­eus rekening met een mogelijke Apocalyps, ook aanhangers van de new age-beweging zien het Armageddon met rasse schreden naderen. En symbolisch of niet: de computer verbindt al deze bijbelse en niet-bijbelse onheilsprofeten.

Alleen al in de Verenigde Staten bestaan ten minste zo’n 1500 einde­ der tijden websites – zonder twijfel het hotste onderwerp op de digitale snelweg van dit moment”. “Dr. R. Kranenborg, predikant en als docent religieuze bewegingen ver­bonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, ziet de afgenomen mil­lenniumgevoeligheid onder de chris­telijke stromingen in Nederland als teken van volwassenheid. Zelf houdt hij absoluut geen rekening met angstgevoelens onder zijn kerkvolk. Van de rooms-katholieke kerk valt op dat gebied weinig officieels te verne­men. Er circuleren alleen geruchten dat Rome overweegt of het tenmin­ste om pastorale redenen niet ver­standig zou zijn de kerkdeuren op het moment suprème open te hou­den. Kranenborg lijkt een dergelijk voornemen vooral blasfemie. ‘Vergeet het maar! Binnen de Hervormde kerk zal het echt niet gebeuren dat mensen hysterisch worden’, zegt hij met grote stellig­heid”. Vrij Nederland eindigt het artikel door hierop in te haken met de opmerking: “Afgezien van de vraag of de predikant dat wel juist ziet, toch nog maar even de feiten: Jezus van Nazareth (Bethlehem, 7/4 voor Chr. – buiten Jeruzalem, ca. 30 jaar na Chr. ) werd naar algemeen wetenschappelijk inzicht niet in het jaar 1 geboren en nog minder in het jaar o. Het apocalyptisch tijdstip dat twee volle duizendtallen verbindt met Christus’ geboorte, ligt dus tenminste al drie jaar achter ons”.

Waarom goeroe’s aantrekken

Wie Sri Sri Ravi Shankar is zal vrij­wel geen enkele lezer van ons blad

weten. Het is ook niet belangrijk zijn naam te kennen of te onthouden. Hij is namelijk één van de vele goeroe’s die in onze dagen over de wereld trekken en met hun boodschap pro­beren mensen te beïnvloeden. Als het nu een invloed was ten goede zou daar natuurlijk geen bezwaar tegen kunnen bestaan, maar als de invloed uit de verkeerde bron afkom­stig is, dan is het een andere zaak. En iedere christen kan constateren dat we hier weer te maken hebben met één van de vele misleidingen waar de vorst der duisternis de hand in heeft.

De wijste man ter wereld

Koert van der Velde, verslaggever van Trouw, was onlangs op een van zijn meetings. In een zaal in het Amstel hotel is Amsterdam waren ongeveer 100 vooraanstaande figu­ren uit industriële kringen, weten­schappers en kamerleden, bij elkaar gekomen om naar deze ‘spirituele leider van ongewone diepte’, zoals hij wordt omschreven te luisteren. “Hij kent de wortels van de onder­gang van menselijke waarden en dat is het grootste probleem van de moderne samenleving”, schrijft Van der Velde.

De inleidster van de avond Patricia Montella, van de afdeling publieke relaties, kondigt hem aan met de woorden: “De wijste man ter wereld zit voor u. Op zijn vierde reciteerde hij al de hele Bhagavadadgita en in 1995 sprak hij de Verenigde Naties toe. Wat is dit een bijzondere avond”.

Een andere publieke relaties-medewerker zegt: “Hij werkt achttien uur per dag. Hij heeft in één week hon­derdduizend mensen begroet. Als hij met het vliegtuig ergens landt, staan er steevast vijfhonderd man op hem te wachten”.

Of dat ook op Schiphol het geval was wordt er niet bij vermeld, maar uit de reacties van het publiek valt af te leiden dat de inhoud van zijn toe­spraak wat tegenvalt. Het draait in het leven allemaal om vrede en geluk, volgens Ravi Shankar. En dan geeft hij een aantal simpele advie­zen: “Het is erg belangrijk goed te eten, niet te veel want daar wordt je moe van, en ook niet te weinig. Vraag me niet precies hoeveel. Ook de juiste hoeveelheid slaap is belang­rijk. Slaap geeft energie, maar wie veel slaapt wordt alleen maar steeds vermoeider. Maar het allerbelangrijk­ste van alles is wel de ademhaling. Het begrip geest is zo abstract en dus moeilijk mee om te gaan. Adem daarentegen is concreet. ” Aan het slot van zijn betoog doet hij een oproep vijf minuten met hem te mediteren: de ogen moeten dicht, de “Tenen naast elkaar, het lichaam ontspannen. Niet praten, maar extra diep in- en uitademen. “Dit geeft energie en is een waardevolle gift aan jou van de natuur. Laat alle spie­ren ontspannen, adem met een grote glimlach uit. Het geeft niet of je lach kunstmatig is. “

Aantrekkingskracht

Verslaggever Van de Velde noemt de bijeenkomst een ‘spirituele Tupperware-party’. Waarom dan toch zo’n aantrekkingskracht getuige de velen die dergelijke bijeenkomsten bezoeken?

  1. Engelhart, onderzoeker van niet conventionele geneeswijzen merkt op: “Zijn boodschap is mij ontgaan. Ik ben op hem afgeknapt”. Hij sluit een onbewuste, intuïtieve werking van Sri Sri Ravi Shankars boodschap niet uit. “Intuïtieve boodschappen zijn een vast onderdeel van elke placebo”. Hoe het ook zij, het spreek­woord zegt: de mens wil nu eenmaal bedrogen zijn.

Dat velen in onze tijd op dergelijke figuren afkomen vanwege hun onte­genzeggelijke ‘magische aantrek­kingskracht’ roept ons als christenen alleen maar op óók voor ‘aantrek­kingskracht’ te zorgen, maar dan afkomstig uit een andere bron. In hoeverre bemerken anderen aan ons leven dat we anders zijn, ’totaal anders’ omdat we Christus hebben leren kennen?, zoals Paulus dat ver­woordt. De beleving en doorwerking van het nieuwe leven, zoals Christus dat in ons heeft gelegd, is de werke­lijke aantrekkingskracht voor allen die nog leven in de invloedsfeer van de vorst der duisternis en herstel en bevrijding nodig hebben.

Digitale sporen: we worden gevolgd

Onder de kop ‘Digitale sporen. Hoe banken en bedrijven hun klanten ongemerkt steeds beter leren ken­nen’, schenkt NRC-Handelsblad nog eens weer aandacht aan een ontwik­keling die in onze dagen in snel­treinvaart verder gaat. Michiel van Nieuwstadt, de samensteller van het artikel, laat aan de hand van verschil­lende voorbeelden zien hoe telecom­municatiebedrijven, banken, super­markten en aanbieders van software steeds meer greep krijgen op hun klanten. Plaats en tijdstip van tele­foongesprekken worden nauwkeurig geregistreerd, net als computerge­bruik. Van elke Nederlander zijn 150 kenmerken bekend en te koop. ‘Zeg mij uw postcode en ik zal u zeggen wie u bent’.

Ondertussen is aan het gebruik van de postcode vrijwel iedereen gewend, evenals aan de streepjescode op de artikelen die men koopt, zodat bij de kassa de prijs automatisch kan wor­den verwerkt.

Maar de ontwikkeling gaat door, want bijvoorbeeld bij de verzending van periodieken en bladen is de post­code alleen niet meer voldoende. Ook bij de verzending van Levend Geloof kregen we er mee te maken.

Behalve de postcode moet voortaan ook de zogenaamde kixcode worden vermeld. Dit is de ‘vertaling’ in streepjes van de postcode in combi­natie met het huisnummer, zoals u nu ook aangetroffen hebt bij uw adres op de enveloppe waarin dit nummer aan u werd toegezonden.

Ontwikkeling

U vraagt zich misschien af of we ons om deze dingen wel druk moeten maken. Aan de ene kant niet, want het is een ontwikkeling die toch doorgaat. Wat vandaag nog nieuw is, is over een poosje al weer achter­haald door iets wat nog beter is en efficiënter werkt. Aan de andere kant roept het ons wel op tot voortduren­de waakzaamheid, dat wil zeggen we hoeven als christenen niet in paniek te geraken of ons angst aan te laten jagen.

Sommige christenen zien in deze ontwikkeling de voorbereiding voor de komst van de antichrist, die straks als een grote werelddictator alles naar zijn hand zet. Wij willen ons liever niet met deze en andere speculaties inlaten, dan alleen een positief advies geven aan de hand van een bijbelwoord dat ons al vele jaren geleden voor het eerst bemoedigd heeft en ook vandaag voor iedere christen van actuele en bijzondere betekenis kan zijn. We kunnen het lezen in 2 Kronieken 16 vers 9 (2 Kron. 16:09), waar staat dat des Heren ogen over de gehele aarde gaan, om krachtig bij te staan hen, wier hart volkomen naar Hem uitgaat! Hoe het in deze eindtijd ook verder allemaal mag gaan, als christenen hoeven we geen enkele vorm van angst in ons leven toe te laten. God wil ons immers krachtig bijstaan. . . als tenminste ons hart volkomen naar Hem uitgaat. Daarom behoren we een dagelijks verlangen te open­baren in gemeenschap met Christus te leven en ons te laten leiden en inspireren door de Geest van de levende God.

 

Overwinning over de Dood door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem Deel 9

Geleidelijk aan wordt door de kracht van de heilige Geest in de gelovigen ‘de dood verslonden in de overwin­ning’. De kracht van de duivel (zon­demacht) is de leugen en de ‘prikkel’ van de doodsmacht is de zonde. Zij worden uitgeschakeld als gevolg van het proces van wedergeboorte en ver­nieuwing door de heilige Geest. Vanwege dit heerlijke perspectief van het evangelie van onze God en onze Heer Jezus Christus worden wij opgeroepen standvastig en onwankelbaar te zijn, overvloedig in het werk van de Heer.

Daarbij mogen we vanuit dit perspectief weten, dat onze ‘arbeid in de Here’ niet vergeefs is 1 Korinthe 15 vers 54 tot en met 58. (1 Kor. 15:54-58).

Gods herstelplan

Door de overwinning over Dood en dodenrijk komt zo de hele schepping onder het gezag van de wettige beheerder daarvan, namelijk de mens, zoals de Schepper van oor­sprong af bedoelt Genesis 1 vers 26 tot en met 28. (Gen. 01:26-28). De laatste bazuin zal klinken en de hemel zal vol zijn van engelenzang vanwege het koningschap over de wereld (kosmos), dat nu ten volle gekomen is aan de ware Heerser, onze Here en aan Zijn gezalfde gemeente. Zij zullen deze heer­schappij behouden tot in alle eeuwig­heden. Zo wordt het herstelplan van onze God van ‘stap tot stap’ inge­vuld, totdat alles volkomen naar Zijn bedoeling funktioneert Openbaringen 11 vers 15. (Openb. 11:15). Éénmaal verbrak het Hoofd van de nieuwe schepping, de verheerlijkte

Mens, Jezus de Christus, als enke­ling de ‘weeën van de Dood’. In ver­volg daarop en in één geheel daar­mee binnen het raam van Gods plan, zullen de vele zonen van God, die tesamen het ‘lichaam van Christus’ vormen, hetzelfde doen en nu massaal 1 Korinthe 15 vers 51 tot en met 54 en Openbaringen 11 vers 11 en 12. (1 Kor. 15:51-54 en Openb. 11:11-12).

De doodsweeën verbroken

De Heer Jezus verbrak de ‘weeën van de Dood’, door eerst de werken van de duivel te verbreken in Zijn overwinning aan het kruis. Zijn dienstknechten zijn op dezelfde wijze bezig. Waar ze nu nog met de vele boze geesten in de hemelse gewesten bezig zijn, zullen ook zij worden geconfronteerd met de macht van de Dood en deze geheel overwinnen.

De duivel hanteert het ‘geweld van de Dood’, dat is de zonde, waartoe hij de mens verleidt om deze van God te scheiden Hebreeën 2 vers 14 Staten vertaling. (Heb. 02:14). Onze God echter schold door de dood van onze Heiland aan het kruis al de overtredingen van de mens kwijt en stelde daarmee het bewijsstuk van onze zonde, namelijk de wet van geboden en verboden, buiten werking. Deze inzettingen getuigden tegen ons en bedreigden ons Kolossenzen 2 vers 13 tot en met 15. (Kol. 02:13-15).

De ware zondebok

Onze Heiland nagelde door Zijn vasthoudende gehoorzaamheid aan God al onze zonden, ja zelfs die van de hele wereld, in Zijn lichaam aan het kruis der vervloeking. Hij was daarmee de ware zondebok, welke de Vader in de hemel de ‘woestijn’ inzond, beladen met de zonden van de hele wereld (vgl Leviticus 16). Hij gaf immers Zijn enige Zoon, die Hij liefhad, over en bracht zo Zijn eeu­wige offer, niet aan Zichzelf, maar Hij gaf Zijn Zoon over aan de Dood! Deze kon echter dit zuivere offer niet gevangen houden en moest het weer ‘uitspuwen’, zoals indertijd de grote vis Jona na drie dagen en nachten(!) weer moest uitspuwen Jona 2 vers 10. (Jona 02:10). Door het ‘bloed’ (leven!) van dit eeu­wige Offerlam heeft de Almachtige God alle zonden weggenomen en alle dingen in hemel en op aarde met Zichzelf verzoend 2 Korinthe 5 vers 19. En Kolossenzen 1 vers 20. (2 Kor. 05:19; Kol. 01:20). Op deze wijze werden de overheden en machten der duisternis van hun wapens beroofd. Zij kunnen ze niet meer hanteren als aanklager voor de troon van God (vgl de aanklager van Job, Job 1 vers 6 tot en met 12. (Job 01:06-12) en Openbaringen 12 vers 10. Openb. 12:10). De duivelen werden daardoor openlijk tentoongesteld en vernederd. Na hun tijdelijke opsluiting in de afgrond, als de aarde het zo genoem­de ‘duizendjarig vrederijk’ beleeft, worden ze nog éénmaal daaruit vrij­gelaten zodat zij hun rechtvaardig oordeel kunnen ondergaan.

In de ‘poel des vuurs’

Hoewel ze dan als onverbeterlijke ‘boeven’ weer proberen vaste voet op aarde te krijgen door de volkeren (massamens) te verleiden, worden ze ‘naakt’, dus geheel beroofd van hun vermeende wapens, in de eeuwige afgrendeling, de ‘poel des vuurs’, geworpen.

Ze zijn hierin al voorafgegaan door de antichrist als de ‘valse profeet’, waarin zich het ‘beest uit de afgrond’ had geïncorporeerd Openbaringen 19 vers 20. Openbaringen 20 vers 10. (Openb. 19:20; Openb. 20:10).

De antichrist wordt ook ‘zoon des Verderfs’ genoemd 2, Thessalonicenzen, 2 vers 3. (2 Thess. 02:03). Hij is als ‘zoon van de Dood’ (Verderf) en ‘mens der wetteloos­heid’ de grote tegenhanger van onze Heer Jezus, die de ‘Zoon van God’ en ‘mens der waarheid’ is. Zo wordt dan in fasen de Dood ‘uit­gekleed’. In het proces van het ‘eeu­wig oordeel’ wordt eerst zijn ‘zoon’, de antichrist en ‘mens der zonde’ in de ‘poel des vuurs’ geworpen. Vervolgens de duivel en zijn engelen na hun tijdelijke loslating uit de ‘afgrond’, waarin zij waren opgeslo­ten. Daarna moet de Dood al zijn gevangenen loslaten ten behoeve van het rechtvaardig oordeel, dat alle mensen ondergaan. Tenslotte wordt hijzelf met al zijn doodsengelen ook geworpen in de ‘poel des vuurs’ (Openbaring 20).

Onze oudste broeder

Het is mijns inziens van zeer groot belang te bedenken, dat onze Heer Jezus in dit geheel als Mens(!) funktioneert. Hij had en hééft weliswaar de gestalte, waarin Hij het Gode gelijk zijn niet als roof hoefde te ach­ten (Filip. 2:6). Door Hem echter als God te zien, maakt men Hem daar­mee onbereikbaar, terwijl juist voor ons de belofte geldt, dat wij Hem gelijk zullen zijn en Hem zullen zien van aangezicht tot aangezicht Romeinen 8 vers 29 en Filippenzen 3 vers 21 en Openbaringen 22 vers 4. (Rom. 08:29; Filip. 03:21; Openb. 22:04). Juist door Hem als onze oudste broe­der kunnen ook wij de positie ver­werven, waartoe de eeuwige Schepper ons van eeuwigheid af heeft bestemd. Als onze Heer als Hoofd van Zijn gemeente, en daarna als Hoofd van alle rechtvaardigen, Zijn taak geheel vervuld zal hebben, zal Hij zich aan de Vader onderwerpen, zodat deze dan ‘alles in allen’ zal zijn. Dat is de ware bestemming van de mens, 1 Korinthe 15 vers 18. (1 Kor. 15:28).  

 

Rondtrekkende mensen

Het beeld van een aantal rondtrekkende mensen kan de gedachte oproepen aan het volk Israël in de woestijn.

De Bijbel vertelt ons dat ze gedurende veertig jaar hebben rondgedoold. Herkennen we daar iets van in ons leven? Trekken we ook rond of gaan we een rechte weg?

Het volk Israël bleef voor de Jordaan staan omdat het ze aan geloof ontbrak. Is óns geloof sterker? Durven wij het aan met God door de Jordaan te trekken?

We mogen leren onze voeten op de oever van de Jordaan te zetten en door geloof en vertrouwen in zijn Naam zal het water wegvloeien en zal Hij de weg voor ons banen.

Jesaja 42 vers 2. (Jes. 42:02) zegt: “Indien gij door het water trekt ben Ik met u, gaat gij door rivieren, zij zullen u niet wegspoelen”.

Vetrouwend op Hem, gelovend in zijn Woord, trekken wij ook in dit nieuwe jaar verder en elke blokkade mogen we zo leren opheffen in zijn Naam. Een rondlopende weg leidt niet naar het doel, een rechte weg wel.

Truus van Kaam

 

De bediening van evangelist door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente Deel 8

Bij totzover het bespreken van de bedieningen in de gemeente blijven we uitgaan van Efeze 4 vers 11. (Ef. 04:11), waar de apostel zegt: “En Hij heeft zowel apostelen als profe­ten gegeven, zowel evangelisten als her­ders en leraars”.

De taak van evangelist

Het Griekse woord is: “euaggelistes” en betekent: “Zij die een goed bericht verkondigen”. De evangelist verkondigt de blijde boodschap van het Koninkrijk Gods. De Heer Jezus verkondigde voortdu­rend deze blijde tijding. Hij zegt: “De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie” Markus 1 vers 15. (Mark. 01:15). Dat is de hoofdtaak van de evangelist die, evenals bij de andere bedienin­gen, bekrachtigd is met bijzondere genade om die bediening te kunnen uitoefenen. De ‘bediening van evan­gelist’ moet niet verward worden met iemand die wel eens wat evange­liseert. De evangelist wordt bekrach­tigd door de heilige Geest waardoor mensenharten aangeraakt worden. De heilige Geest zal toehoorders overtuigen van zonden waardoor ze de gepredikte weg van verlossing en heling aan kunnen nemen. De evangelist kan dit werk met enthousiasme, inzet en volharding blijven doen waar een ander het al lang opgegeven zou hebben. De ware evangelist zal, evenals de Heer Jezus, wenen en met ontfer­ming bewogen raken als hij ziet hoe de mensen voortgejaagd worden als schapen die geen herder hebben. Hij zal, evenals de Heer, oog en hart hebben voor de mensen aan de zelf­kant van de samenleving. Dit werkt de heilige Geest door de liefde van God bijzonder in z’n hart. De evan­gelist die zich door de Geest laat leiden, zal op plaatsen komen waar de Heer wil dat het evangelie verkon­digd wordt. Soms is het de bedoeling velen te bereiken, maar de Heer zoekt ook de enkeling te redden.

Evangelist Filippus

Wij zien dit zo werken bij het groot­ste bijbelse voorbeeld, Filippus. Hij was één van de zeven aangewezen diakenen in de gemeente van Jeruzalem, die goed bekend stonden, vol van Geest en wijsheid Handelingen 6 vers 3 tot en met 6. (Hand. 06:03-06). God riep hem echter tot de bediening van evangelist Handelingen 21 vers 8. (Hand. 21:08).

Door zijn aanstelling als diaken, om te dienen, zien we al dat Filippus een man was vervuld van de heilige Geest en met een warm hart voor mensen. Zijn aanstelling tot diaken geschiedde door mensen. Zijn bedie­ning als evangelist is Gods werk.

Bekering van een stad

En dan zien we Filippus gaan naar Samaria om daar Jezus Christus te prediken. We lezen daarvan in Handelingen: “En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus. En toen de scharen Filippus hoorden en de tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlam­den en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad” Handelingen 8 vers 5 tot en met 8. (Hand. 08:05-08). Ondanks dat Samaria beheerst werd door een demonische grootmacht die werkte in en door Simon de tovenaar, die de grote kracht Gods genoemd werd, kwam deze stad massaal tot bekering Handelingen 8 vers 9 tot en met 11. (Hand. 08:09-11). Een geroepen evange­list kan de demonische ban verbre­ken die op gebieden of steden kan rusten. “Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evan­gelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predik­te, lieten zij zich dopen, zowel man­nen als vrouwen. En ook Simon zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus, verbijsterd door die teke­nen en grote krachten, die hij zag geschieden” Handelingen 8 vers 12 en 13. (Hand. 08:12-13). De bediening van Filippus ging gepaard met de tekenen van een evangelist, zoals we dat ook lezen van Paulus betreffende zijn bedie­ning als apostel en geheel volgens de belofte van de Heer Romeinen 15 vers 19 en Marcus 16 vers 20. (Rom. 15:19: Mark. 16:20).

Wat een geweldig gebeuren zal dat geweest zijn. Een hele stad die, met betoon van tekenen en grote krachten, bevrijd wordt van het juk van een grote demonische macht, en tot bekering komt en zich laat dopen. Dat is door de bijzondere genade, of zoals men dat ook wel noemt, de grote zalving die op Filippus was. Verder werden de apostelen inge­schakeld voor de doop met de heilige Geest en het vestigen van een gemeente naar Efeze 2 vers 20. (Ef. 02:20).

Bekering van een enkeling

Vervolgens laat Filippus zich leiden door de heilige Geest om naar de weg te gaan die loopt van Jeruzalem naar Gaza. Hij ontmoet daar de Ethiopische kamerling. En uitgaande van het schriftwoord Jesaja 53, pre­dikte hij Jezus aan deze man. Hij laat vervolgens deze man weer gaan bekeerd, gedoopt in water en vervuld met de heilige Geest, want er staat: “De kamerling vervolgde zijn weg met blijdschap” Handelingen 8 vers 26 tot en met 40. (Hand. 8:26-40). De Heer is met ontferming bewogen en geeft kracht voor een hele stad, maar evengoed voor de enkeling.

In Handelingen 8 vers 40. (Hand. 08:40) lezen we nog van Filippus: “Maar Filippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden, totdat hij te Caesarea kwam”.

Prachtige voorbeelden van een man Gods met de bediening van evange­list. Losgeslagen van de moederge­meente te Jeruzalem, door de zware vervolging die ontstond na de steni­ging van Stefanus, (die geleid werd door Saulus, later Paulus; Handelingen 7 vers 54. Handelingen 8 vers 3. (Hand. 07:54 tot en met Hand. 08:03) gaat deze man, door Gods Geest geleid, het evangelie verkondi­gen “aan alle steden van Israël”, staat er in Handelingen 8 vers 40. (Hand. 08:40).

Filippus ontmoet Paulus

En dan zien we later, als Paulus weet dat hij in Jeruzalem gevangen geno­men zal worden, dat hij ook nog bij Filippus in Caesarea aangaat om daar verscheidene dagen te logeren. Wat zullen deze twee dienstknechten van God en Jezus Christus samen een vreugde beleefd hebben. Geen wrok meer om wat vroeger geschied was in Jeruzalem, maar één van Geest en één van geloof dezelfde Heer dienende.

En wat zullen ze elkaar bemoedigd hebben en gebeden hebben voor de slechte tijden die gingen komen, zeker voor Paulus. Want Agabus de profeet van Jeruzalem, die ook bij Filippus kwam, voorzegde slechte tij­den voor Paulus Handelingen 21 vers 8 tot en met 11. (Hand. 21:08-11).

Medearbeiders Gods

Timotheüs was door Paulus tot geloof gebracht. Hij noemt hem: “mijn geliefd kind”. Deze Timotheüs had ook de bediening van evangelist ontvangen.

In 2 Timotheüs 4 vers 5. (2 Tim. 04:05) schrijft de apostel: “Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lij­den, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle”. Timotheüs was nog jong en kenne­lijk lichamelijk niet zo sterk en nogal angstig 1 Timotheüs 4 vers 12 en 1 Timoteüs 5 vers 23. En 2, Timoteüs 1 vers 6 tot en met 8. (1 Tim. 04:12 en 1 Tim. 05:23 en 2 Tim. 01:06-08). Hij verrichtte zijn werk in en van­uit de gemeente die hij ook diende als leraar 1 Timotheüs 4 vers 11 en 1 Timoteüs 6 vers 3. (1 Tim. 04:11 en 1 Tim. 06:03). Zo zijn in die begintijd evangelisten als Filippus, Timotheüs en anderen, rondgetrokken en zullen velen tot geloof gebracht hebben.

Opwekkingen

Er zijn in de loop van de kerkge­schiedenis altijd mensen uitgegaan om het evangelie te verkondigen. Soms ontstonden er geweldige opwekkingen. Ook Nederland had in de jaren vijftig en zestig deel aan zo’n opwekking. Velen kwamen toen tot geloof door de prediking van Hermann Zaiss, Tommy Lee Osborn, Johan Maasbach, Karel Hoekendijk en anderen. Nu leven we in het laatst der dagen en zal ook deze bediening in de gemeente aanwezig behoren te zijn. De Heer Jezus zegt, en dat is zeker ook met het oog op deze tijd, dat de velden wit zijn om te oogsten en dan zegt Hij: “maar arbeiders zijn er wei­nig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in Zijn oogst” Matteüs 9 vers 38. (Matt. 09:38). Arbeiders, óf uitgaande van de gemeente óf werkend zoals Timotheüs in- en van­uit de gemeente. De bediening van evangelist zal ook een functie heb­ben om de gemeente tot volwassen­heid in Christus te leiden. Wie zal de gemeente beter voor kunnen berei­den tot het komen tot ‘dienstbetoon’ dan juist ook de evangelist. De gemeente zal immers geheel gaan bestaan uit een koninklijk priester­volk met maar één taak, dienstbaar zijn aan God, aan Jezus Christus en de hele schepping.

 

Vergeving van zonden door Peter Koumans

Een van de grondbeginselen van ons geloof is de vergeving van zonden. We geloven dat, als we ons bekeren van onze verkeerde weg en Jezus Christus aannemen als Heiland en Verlosser, God onze zonden vergeeft. Om dit te kunnen doen heeft God Zijn eerstgebo­ren Zoon Jezus Christus gegeven. Het bloed van Jezus Gods Zoon reinigt ons van alle zonden, zegt Johannes in zijn eerste brief Dit is denkelijk voor U geen nieuws.

Toch wil ik graag eens wat dieper ingaan op dat vergeven van zonden.

De verloren zoon

Een prachtige illustratie over verge­ven van zonden geeft Jezus in Zijn bekende gelijkenis van de verloren zoon Lucas 15 vers 1 tot en met 10. (Luc. 15:01-10). U weet wel: daar­in wordt verteld over een zoon, die al zijn erfenis opvroeg toen zijn vader nog leefde. Toen hij dat had gekre­gen, liep hij van huis weg en ver­kwistte alles in een leven van over­daad. En toen hij zijn geld kwijt was, bleek dat hij ook zijn vrienden kwijt was en begon hij armoede te lijden. Uiteindelijk kwam hij terecht bij een boer waar hij varkens mocht hoeden. Tussen twee haakjes: dat waren voor de Joden onreine beesten, die niet mochten worden gegeten!

Op dit punt vervolgt Lucas 15 vers 17. (Luc. 15:17) het verhaal met: “Toen kwam hij tot zichzelf en zeide: Hoeveel dagloners van mijn vader hebben brood in overvloed en ik kom hier om van de honger. Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten; stel mij gelijk met een uwer dagloners”. En hij stond op en keerde naar zijn vader terug.

De vergevende vader

De gelijkenis vervolgt dan met: “En toen hij nog ver af was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij (de vader) liep hem tegemoet, viel hem om de hals en kuste hem. En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u, ik ben niet meer waard uw zoon te heten”. De vader liet hem niet verder uit­spreken, maar zei tot zijn slaven: “Brengt vlug het beste kleed hier en trekt het hem aan en doet een ring aan zijn hand en schoenen aan zijn voeten”.

De vraag, die men zich kan stellen is: wanneer vergaf de vader zijn zoon? Het is duidelijk: dat was vóór de zoon iets van een schuldbekente­nis kon zeggen. Maar was dat pas toen hij de zoon zag terugkomen, of was dat al toen de zoon het huis ver­liet? Ik ben er zeker van dat het laat­ste het geval is. De vader stond immers al op de uitkijk en hij uitte geen enkel verwijt tegen zijn zoon. Hij zei niet: ‘Zie je wel wat er van komt als je ongehoorzaam bent en je eigen zin wilt doen’. Hij zei zelfs niet: ‘Wat zie je eruit!’ of ‘Wat heb ik in angst gezeten’of ‘Wat heb ik je gemist’.

Twee stappen

Uit de gelijkenis komt naar voren dat voor een complete vergeving twee stappen nodig zijn: De één vergeeft de ander en die ander neemt de ver­geving in ontvangst. Deze twee stappen hoeven kennelijk niet tegelijk te gebeuren. Hier heeft de vader wel zijn zoon vergeven, maar de zoon had er niets aan, zolang die zoon niet terugkwam bij zijn vader. Hij kreeg die vergeving alleen door die vergeving in ont­vangst te nemen.

Uit de gelijkenis is wel duidelijk dat die vader een beeld van God is. Zouden we hieruit mogen afleiden dat God ook op deze wijze vergeeft? Het is moeilijk voor te stellen dat God ons al vergeeft terwijl wij nog niet onze zonden voor Hem hebben beleden. Ja, dat God ons al vergeeft, terwijl we nog bezig zijn met zondi­gen. Het is gevaarlijk om uit een enkele gelijkenis zo’n belangrijke conclusie te trekken. Daarvoor zijn meer aanwijzingen uit de Bijbel nodig.

Laten we daarom eerst eens kijken wat de Bijbel zegt over het onderling vergeven van elkaars zonden.

Elkaar vergeven

De Bijbel is over dit onderwerp heel duidelijk. Als iemand je onrecht heeft aangedaan, is de opdracht om die persoon te vergeven. Natuurlijk mogen we niet met ergernis of wrok over die daad blijven rondlopen, maar wij zullen ook niet blijven wachten tot de zondaar tot inkeer is gekomen en ons om vergeving komt vragen.

Nee, wij zullen hem onvoorwaarde­lijk moeten vergeven en dat niet één­maal, maar als dat vaker voorkomt zelfs tot zeventig maal zeven Matteüs 18 vers 22. (Matt. 18:22), ofwel zonder ophouden steeds opnieuw.

Juist door de zondaar te vergeven en hem dat te tonen kan meewerken om hem tot inkeer te brengen. Daarom zegt Lucas 6 vers 27 en 28. (Luc. 06:27-28): “Hebt uw vijanden lief, doet wel degenen die u haten”. Zo vergaf Jezus degenen, die Hem kruisigden en Stephanus de mannen, die hem stenigden.

Als God ons opdraagt om elkaar op deze wijze te vergeven, is het zeker

dat Hij ons op dezelfde manier ver­geeft. Daar wijst Paulus op in Efeze 4 vers 32. (Ef. 04:32), waar staat: “Maar wees jegens elkander vriende­lijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft”. Velen hebben ervaren dat Hij inder­daad een vergevend God is en de gepleegde zonden niet toerekent. Al in het Oude Testament staan daar tal van voorbeelden van. Niet voor niets wordt God zo vaak in de Psalmen gedankt voor Zijn barmhartigheid en Zijn liefde.

Vergeving ontvangen

Het lijkt voldoende om te geloven dat God ons onze zonden vergeeft, waardoor het in orde is tussen God en ons. Maar dat is niet zo. Heel dui­delijk wordt dat getoond in de gelij­kenis van de verloren zoon. Toen de zoon wegliep, vergaf zijn vader hem al. Maar helaas had die zoon daar niets aan toen hij in de ellende kwam. De vergeving van zijn vader kon hem niet bereiken. Er was voor hem maar één manier om die verge­ving in ontvangst te nemen: hij moest naar zijn vader gaan. In de gelijkenis hoefde de zoon niet de hele weg te gaan, maar bleek dat zijn vader naar hem uitzag en hem tege­moet ging.

Zo is ook onze hemelse Vader. Hij kent onze gedachten, onze angsten, onze schuldgevoelens. Als wij ons richten tot Hem en vol berouw onze zonden en schuld belijden, komt Hij ons tegemoet en geeft ons Zijn ver­geving zonder voorwaarden, zonder boetepreken, zonder verwijten. En dan kunnen we zeggen: we hebben vergeving voor onze zonden ontvan­gen.

Door die vergeving kan dan de ver­zoening met God plaats vinden: dat is het herstel van de relatie met God. Dit alles gaat gepaard met vreugde in de hemel, want de engelen van God verblijden zich over een zondaar, die zich bekeert.

Jezus opende de weg

Tot nu toe is er over vergeving van zonden geschreven zonder de naam van Jezus Christus te noemen. Toch maakt het Nieuwe Testament duide­lijk dat we alleen door Hem gerei­nigd worden van zonden en alleen door Hem worden gerechtvaardigd. Denk maar aan bekende teksten als: “Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt” Johannes 1 vers 29. (Joh. 01:29) en “Het bloed van Jezus, Zijn Zoon, rei­nigt ons van alle zonde” Een Johannes 1 vers 7. (1 Joh. 01:07). In de gelijkenis van de verloren zoon komt het werk van Jezus niet ter sprake. Op zich hoeft dat niet vreemd te zijn omdat een gelijkenis maar een bepaald aspect van het evangelie behandelt. De gelijkenis vertelt ons niet hoe die zoon kon vertrekken uit de varkens­stal. Zou hij zomaar vrij kunnen weglopen? Zou hij toestemming van de boer hebben gekregen om zijn werk te mogen beëindigen? Het lijkt er meer op dat hij een slaaf is geworden van een slechte meester. Het werd hem zelfs verboden om zijn honger te stillen met varkens­voer! Een eigenaar van slaven gebruikt opzichters, die niet alleen de slaven moeten opdrijven om har­der te werken, maar bovendien moe­ten beletten dat zij weglopen. Als een slaaf neigingen vertoont om te willen vluchten, wordt hij meestal geke­tend. Een vluchtpoging maakt daar­om weinig kans, vooral omdat de sla­ven zwak zijn door lichamelijke ondervoeding en het moeten opne­men tegen goed doorvoede gewapen­de opzichters.

In een soortgelijke situatie verkeer­den wij, toen wij zondigden en ons zo ten dienste stelden van de boze en daarom diens slaven waren. Deze slavernij kan allerlei vormen aanne­men: er zijn zwaar geketende slaven met weinig mogelijkheden om iets vrij te doen. Maar er zijn ook hele nette slaven met ogenschijnlijk een grote vrijheid.

Toch maakte die slavernij dat nie­mand vrij was om naar God te gaan om vergeving in ontvangst te nemen. Daarom zegt Romeinen 3 vers 23. (Rom. 03:23): “Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods”.

Eigendomsrecht

Door die zonden meent de boze dat hij het eigendomsrecht over de zon­daars heeft. God respecteert onze beslissing om te zondigen en gebruikt geen geweld om dat eigen­domsrecht terug te krijgen. Zijn Zoon Jezus Christus stelde Zich beschikbaar aan Zijn Vader om te dienen als losprijs. Hij was als de kostbare parel in de gelijkenis van Matteüs 13 vers 45 tot en met 47. (Matt. 13:45-47), die de koopman (een beeld van de boze) begeerde. Hiervoor gaf de boze alle eigendomsrechten over de mensen op. Zo werden wij de losgekochten en werd Openbaring 5 vers 9. (Openb. 05:09) werke­lijkheid, waar staat: “Gij hebt hen voor God gekocht met Uw bloed”. Zo werd de weg tot de Vader vrijge­maakt door Jezus. Hij kon terecht zeggen: “Niemand komt tot de Vader dan door Mij Johannes 14 vers 6. (Joh. 14:06). Als nu nog de boze een mens blijft binden en weigert hem te laten gaan is dit in Gods ogen een wetteloze daad waar­tegen in de Naam van Jezus Christus mag worden opgetreden. Daarom staat er: “In Mijn Naam zullen zij boze geesten uitwerpen”. We mogen en moeten strijden om alle belemmeringen weg te nemen, die in de weg staan bij degenen, die vergeving van God willen ontvangen en die deel willen hebben aan de zegenin­gen die God bestemd heeft voor Zijn kinderen.

Vergeving door Jezus Christus

Dus de weg om vergeving te ontvan­gen is via Jezus Christus. Hij is ook de verlosser uit de gevan­genis, Hij maakt waarlijk vrij. We mogen verkondigen dat er vergeving van alle zonden door Jezus Christus is Handelingen 13 vers 38 tot en met 40. (Hand. 13:38-40), zelfs van die zonden waarvoor in het Oude Verbond alleen de doodstraf stond. En dat gebeurt niet door berouwvol geween zoals een vers zegt maar door bekering van de slechte weg en door tot Jezus te gaan.

Sommige mensen zouden kunnen denken: ‘Dat is een gemakkelijk evangelie. Je hoeft niet meer zo op te letten op wat je doet. God vergeeft toch alles’.

Al in Paulus’ tijd waren er mensen, die zó handelden.

Tegen hen zei hij in Romeinen 6 vers 1. (Rom. 06:01): “Mogen we bij de zonde blijven opdat de genade toeneme? Volstrekt niet”. Het is een geestelijke wet dat je als je zondigt je onder het gezag van de boze komt. Je komt in de duisternis raakt van God af. Zó kan je geen vergeving in ontvangst nemen. God haat de zonde, maar heeft de zon­daar zó lief dat Hij Zijn Zoon gege­ven heeft om ons los te kopen en ons vrij te maken. In die vrijheid mogen we Hem dienen.

Daarom zullen we zorgvuldig dienen te handelen als we vergeving van een bepaalde zonde willen ontvangen. Er zal bij ons een diep besef van berouw moeten zijn en het stellige voornemen om die zonde nooit meer te doen.

We zullen ook de gevolgen van die zonde moeten dragen. Soms is zijn de gevolgen goed te maken. Er kunnen blijvende gevolgen zijn. Het slachtoffer van een moord wordt niet meer levend. Maar als teken van berouw zal men proberen de gevol­gen van de zonden zoveel mogelijk goed te maken. Zachéüs vergoedde viervoudig van hetgeen hij had afge­perst!

Lastering van de Geest

Misschien zegt nu iemand : ‘Hoe zit het nu met de lastering van de heili­ge Geest? Daarvoor krijg je toch geen vergeving?’.

Er staat immers in Markus 3 vers 28 en 29. (Mark. 03:28-29): “Voorwaar Ik zeg u, dat alle zonden de kinderen der mensen zullen vergeven worden, ook godslasteringen, welke zij gesproken mogen hebben; maar wie gelasterd heeft tegen de heilige Geest, heeft geen vergeving in eeu­wigheid, maar staat schuldig aan eeuwige zonde”. Het komt nogal eens voor dat er mensen worstelen met de gedachte: ‘Ik heb gezondigd tegen de heilige Geest, nu kan ik geen vergeving krij­gen’.

Als u aan die twee handelingen denkt: God vergeeft en wij moeten de vergeving in ontvangst nemen, is het niet zo moeilijk te begrijpen hoe we dit moeten zien. Er zijn helaas mensen, die zich niet willen bekeren. Mensen, die heel bewust God en Jezus Christus ver­werpen en liever in de zonde leven. Dat zijn mensen, waarvan Johannes 3 vers 19. (Joh. 03:19) zegt: “Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is en de mensen de duisternis liever gehad hebben dan het licht, want hun wer­ken waren boos. Want een ieder, die kwaad bedrijft, haat het licht, en gaat niet tot het licht, opdat zijn werken niet aan de dag komen”. Deze mensen kiezen dus bewust voor de duisternis, dienen vrijwillig de boze. Ze haten God en Jezus Christus en zullen ook nooit bij God willen komen voor vergeving. Zij zijn hierin één met de boze. Dat is de lastering van de Heilige Geest. God wil niet dat zij verloren gaan, maar zijzelf kiezen daarvoor. Ze maken zich dan ook geen zorgen over wel of geen vergeving van God. Daarom mogen we altijd zeggen tot mensen, die angst hebben dat zij een onvergeeflijke zonde hebben gedaan: God vergeeft alle zonde. Het bloed van Zijn Zoon reinigt van alle zonde!.

Alleen moeten wij tot God gaan om die vergeving in ontvangst te nemen.

Een blijde boodschap

Zo hebben we een blijde boodschap aan mensen in nood. God verwerpt niemand, niemand is te slecht. Hij neemt niet de een aan en wijst de ander af. De keuze of we behouden worden ligt niet meer bij God, maar bij onszelf. Wij moeten kiezen: vóór het licht of vóór de duisternis, vóór Jezus of tegen Jezus. Niemand ont­vangt het heil uit eigen verdienste, maar we ontvangen alles uit genade door Gods liefde voor ons. De boze probeert ons altijd aan te klagen en voor te houden dat we te slecht zijn om Gods vergeving te ontvangen. Maar de aanklager is neer geworpen en zijn aanklacht is uitgewist Kolossenzen 2 vers 13 tot en met 15. (Kol. 02:13-15).

De vergeving van zonden is de eerste stap tot herstel in de relatie tot God. Door de vergeving is de barrière tus­sen God en de mens weggenomen. Hierdoor kunnen we met volle vrij­moedigheid in gaan in het heiligdom van God door het bloed van Jezus Hebreeën 10 vers 19 en 20. (Heb. 10:19-20).

Verzoening met God

De volgende stap is de verzoening met God. In de verzoening wordt de relatie met God hersteld en wordt de positie gegeven waar men in Gods ogen recht op heeft. Zo kreeg de ver­loren zoon een nieuw kleed aan, (het zal wel een wit kleed zijn!) en een ring aan zijn vinger en schoenen aan zijn voeten. De zoon kreeg zijn posi­tie van zoon terug en kreeg weer het gezag dat daarmee samenhing. Zo geeft God ons in Zijn genade het zoonschap, een kleed der gerechtig­heid en Zijn Geest in ons! In 2 Korinthe 5 vers 17 en 18. (2 Kor. 05:17-18) staat: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voor­bijgegaan, zie, het nieuwe is geko­men. En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft en ons de bediening der ver­zoening gegeven heeft”. De verzoening is dus heel wat meer dan alleen vergeving van zonden. Door de verzoening kunnen we gaan functioneren als zonen van de aller­hoogste God. En daarop wacht de ganse schepping!

 

Lichtverspreiders van het Koninkrijk door Gert-Jan Doornink

In Johannes 8 vinden we enkele belangrijke uitspraken van Jezus die in feite voor ieder mens van levens­belang zijn.

Ik denk bijvoorbeeld aan Johannes 8 vers 12. (Joh. 08:12) als Jezus zegt: “Ik ben het licht der wereld, wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben”. Hier wordt op duidelijke wijze ‘licht’ tegenover ‘duisternis’ gesteld, maar ook aangegeven dat we in dat licht behoren te wandelen. Toen Jezus zo duidelijk de dingen stelde gingen velen in Hem geloven, zegt vers 30. Het is altijd heel belangrijk is dat we de dingen een­voudig, maar wel duidelijk en radi­caal voor ogen stellen, wanneer we het evangelie uitdragen. En daartoe zijn we allemaal geroepen. Mensen kwamen tot geloof. . . maar bléven ze ook geloven? Kon het zaad wat in hun hart gezaaid was wortel schieten?

Dat was de grote vraag en is ook van­daag de grote vraag. Want Jezus was (en is) niet tevreden met half werk, met onafgemaakte dingen, met iets waarin de vorst der duisternis nog op een of andere wijze de hand zou kunnen hebben. Hij heeft een totale vernieuwing op het oog.

Jezus, de Herschepper

Een paar weken geleden had ik een gesprek met een broeder, en we had­den het zo over Jezus. Op een gege­ven moment maakte hij de opmer­king: ‘Door de komst van Jezus kun

je eigenlijk spreken van een her­schepping, van een nieuwe schep­ping’. En ik kon niets anders dan hem beamen.

Was de eerste schepping dan niet goed? Natuurlijk wel. God zag dat het goed, ja zelfs zeer goed was, kunnen we verschillende malen lezen in Genesis 1. Alleen de duivel gooide roet in het eten. Daarom liet God het er niet bij zitten. Hij zond het aller­liefste wat Hij bezat, Zijn eniggebo­ren Zoon, naar deze wereld Johannes 3 vers 16. (Joh. 03:16).

En Jezus toonde op een volkomen wijze wie God was. Hij kon zeggen: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” Johannes 14 vers 9. (Joh. 14:09). Dat maak­te Hij waar door de woorden die Hij sprak en door het leven dat Hij open­baarde.

Hij kon zeggen: “Ik ben het die van Mijzelf getuig, en ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. Johannes 8 vers 18. (Joh. 08:18).

Jezus toonde op een volkomen wijze de goedheid van de Vader, Zijn lief- Zijn barmhartigheid, Zijn recht­vaardigheid, Zijn heiligheid. Zijn getuigenis was een waar getuigenis, dat wil zeggen, wat Hij sprak prakti­seerde, openbaarde Hij. En Hij hield het niet voor zichzelf, want het was juist Zijn grote opdracht en bedoeling dat de mens die in Hem ging geloven, dit voor de volle 100% zou gaan accepteren én beleven!

Daarom was Jezus niet tevreden met het feit dat mensen in Hem gingen geloven. . . nee, toen begon het pas. Hij zei als het ware: nu moet je het waar gaan maken, nu kun je verder groeien, nu kun je het nieuwe leven wat in je is, tot openbaring brengen, m kun je anderen daardoor jaloers gaan maken om óók dat nieuwe leven te leren kennen.

De beste vorm van evangelisatie

Daarom is geestelijke groei ook zo belangrijk. Want door het resultaat (de vrucht) van geestelijke groei, ont­staat overwinning en zien anderen meer en meer het beeld van Jezus in ons tevoorschijn komen. Onlangs belde iemand mij op en maakte de opmerking: ‘we moeten meer doen aan evangelisatie. . . ‘ Het is vanzelfsprekend altijd een goede zaak om activiteiten te ontplooien waarbij we de onbekeerden proberen bereiken. Toch ben ik van mening dat ‘geestelijke groei’ meer nodig is dan evangelisatie. Of laat ik het anders formuleren: Geestelijke groei is de beste vorm van evangelisatie! Maar we moeten wel bereid zijn de prijs daarvoor te betalen, ’t Gaat niet vanzelf. Investeren in Gods Koninkrijk betekent investeren in kennis van de Bijbel, waarbij Gods Geest ons inzicht wil geven. Want bij geestelijke groei gaat het niet alleen om theoretische kennis. Dat zou waardeloos zijn als het niet merk­baar zou zijn in het gewone leven van elke dag.

Anders dan aandelen op de beurs te gaan kopen, nu ze zo goedkoop zijn geworden, met de hoop dat ze toch weer sterk in waarde zullen stijgen, zodat we ze met grote winst kunnen verkopen, is investeren in Gods Koninkrijk geen speculatieve bezig­heid, want het eindresultaat is voor de volle 100% gegarandeerd: “Wie volhardt tot het einde, zal ook het einddoel bereiken”. Daarom is de beste investering een investering in het Koninkrijk Gods.

De prijs betalen

Maar de ‘prijs betalen’ betekent wel dat we geheel en al los behoren te komen van iedere vorm van duister­nis. En een halt dienen toe te roepen aan iedere infiltratiepoging van de vijand. Alleen dan zullen wij tenvolle lichtverspreiders van Gods Koninkrijk kunnen zijn. Dat is niet van de ene op de andere dag gerealiseerd, maar een voort­gaand proces in allen die de Heer in geloof en gehoorzaamheid blijven volgen.

Dat kunnen we niet in eigen kracht.

Daarvoor is de Geest van God onont­beerlijk. Zijn kracht en liefde bewerkt de overwinning in en door ons en maakt dat er geen plaats meer is voor welke vorm van duister­nis dan ook.

Gods Geest maakt ons ook bewust dat onze plaats met Christus is in de hemelse gewesten. Want alleen van daaruit kunnen we geestelijk strij­den. Daarbij hebben we de zekerheid dat de overwinning is gegarandeerd. Want de gemeente ‘zonder vlek en rimpel’ komt er. Wat de vorst der duisternis ook nog gaat proberen, de zonen Gods -met aan het hoofd dé Zoon van God, Jezus Christus- zul­len uiteindelijk triomferen. Dat is de ‘herschepping’ zoals God die voor ogen heeft en waarbij u en ik, als waarachtige kinderen Gods, tenvolle bij betrokken zijn. Het ‘lichtverspreider zijn van Gods Koninkrijk’ is een verantwoordelijke, maar ook een heerlijke taak. Laten wij er alles aan doen wat in ons vermogen ligt om deze taak te realiseren.

 

Nader tot God door Cees Maliepaard

“Een vroeger voorschrift wordt wel afgeschaft, als het zonder kracht en nut is – immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte gebracht – maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen” Hebreeën 7 vers 18 en 19. (Heb. 07:18-19).

De oudtestamentische schaduwwet was op zichzelf genomen goed; God had haar niet voor niets gegeven! Wie de ganse wet onder alle omstan­digheden vlekkeloos houden zou, zou daardoor leven. Dat is zonder meer waar. Maar niemand was ooit instaat geweest dat waar te maken. De wet was dus wel goed, maar helaas: de mensen waren dat niet meer.

Kracht van Boven

Als een voorschrift niet doeltreffend blijkt te zijn, is het beter dat om te ruilen voor iets beters. De Noodwet- Drees is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een goede ingreep geweest, maar na verloop van tijd werd die (terecht) omgezet in een Algemene Ouderdoms Wet. De eer­ste was goed als noodwet, de tweede is als definitieve wetgeving beter. Zo is ook de oudtestamentische schaduwwet destijds door God in een noodsituatie gegeven, maar op basis van het verzoenings- en verlos­singswerk van Jezus Christus, heeft de nieuw-testamentische ordening een definitief karakter gekregen. De schaduw van de noodwet was nood­zakelijk totdat Jezus aan Gods werke­lijke bedoelingen gestalte geven kon. En vanaf dat tijdstip behoort het oor­spronkelijke plan van de Vader weer tot de mogelijkheden. Hij geeft inzicht in elke situatie, wijsheid om met mensen en proble­men om te gaan en kracht om alles ook daadwerkelijk uit te voeren.

Deze kracht en motivatie gaan het natuurlijke bevattingsvermogen te boven; ze maken dan ook deel uit van wat er zich in de hemel van Gods heerlijkheid afspeelt. Wat daar tot de normale zaken behoort, is van origine ook voor ons mensen bedoeld.

Bedoeld voor nu!

Het is een bekende verleugening, bewerkt door zogenaamde vrome geesten, die de mens Gods wijs pro­beert te maken dat de fundamentele zaken waardoor wij nader tot God kunnen komen, pas in een later sta­dium aan de orde zullen komen. Vandaag de dag moet je je daar voor­al niet teveel van voorstellen, want in dit ‘aardse tranendal’ viert geestelijke armoe helaas maar al te vaak hoogtij. Deze vroomheden uit de onzienlijke wereld proberen de mens Gods van eigentijdse beslissingen af te houden, en vaak met succes. Men gaat dan al gauw denken, dat het ‘nader tot God komen’ pas in het ‘hiernamaals’ een rol zal gaan spelen. Een rol van doorslaggevende beslissing wellicht, maar duidelijk bedoeld voor een volgend leven. In de door zonde en schuld verontreinigde mens, zou een nader tot God komen een regel­rechte utopie vormen. Nou, vroom met God rekening hou­den mag wel van Satans vroomste verdorvelingen, als een mens maar nooit gaat denken dat dat in het leven van vandaag in hemel en op aarde enig effect sorteren zou.

Zolang men dat naar de toekomst blijft schuiven, kan het voor het rijk der duisternis geen kwaad. Pas als iemand er in het héden de hand op probeert te leggen, worden de religi­euze geesten actief. Want dat zou wel eens konsekwenties voor hun vrome valstrikken kunnen hebben.

Een betere hoop gewekt

Thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor we nader tot God komen, lezen we in onze leidtekst. Hoe zit dat dan in elkaar? Wel, met de oude wet kwam een mens niet erg ver, want tenslotte had onze God andere preferenties dan het accepte­ren van dierlijke offerandes Hebreeën 11 vers 1 tot en met 10. (Heb. 11:01-10). En de duivel werd er natuurlijk ook niet erg door bevre­digd. Hij kon hoogstens proberen de natuurlijke mens daarmee religieus bezig te houden, en hem dus af te houden van een wezenlijke relatie met de Here God. Dat lukte hem niet altijd (denk maar eens aan Henoch, Abraham, David, Johannes de Doper en anderen), maar vaak ook wel.

De betere hoop die in ons gewekt is, is de ontplooiing van de mens Gods op de plaats waar God hem Zich altijd al gedacht heeft: in de hemelse gewesten, en wel aan het goede deel ervan.

Dat kon pas écht gestalte krijgen toen Jezus als Gods offerlam Zichzelf ten offer aanbood. Vanaf Jezus’ kruisdood op Calvaries heuvel­top en Zijn opstanding uit het dodenrijk, is de weg daartoe geo­pend. De inwoning van Gods Pinkstergeest was het laatste noodza­kelijke heilsfeit dat eraan vooraf diende te gaan.

Om die betere hoop terecht te kun­nen koesteren, is het nodig, op basis van Jezus’ zoenoffer, nieuw leven ontvangen te hebben en ook deel gekregen te hebben aan de volheid van Gods Geest. De waterdoop en de doop in heilige Geest, met als bege­leidend teken het spreken in nieuwe tongen, geven daar uitdrukking aan. Het zit ‘m dus niet in het uiterlijke teken van de doop en ook niet in het vermogen je in nieuwe talen uit te drukken, maar in het van Godswege in nieuwheid van leven wandelen en in het ‘vol’ zijn van de Geest van de Vader.

In het hart van de Vader

Als we via de ene weg -Jezus Christus- onze hemelse Vader bena­deren, betekent dat niet dat we een beetje dichter bij Hem in de buurt komen, maar dat we mogen door­dringen tot de kern van Gods wezen. In de loop van de laatste jaren is de volmaaktheid al zo vaak in allerlei theoretische beschouwingen het thema geweest, dat sommigen er ten lange leste tegenaan zijn gaan schop­pen. Wellicht is dat begrijpelijk, maar dat neemt niet weg dat het beslist geen juiste reactie was. God de Vader is immers volmaakt en Jezus Christus heeft dat al evenzo volmaakt in Zijn leven weergegeven. Hij heeft dat niet gedemonstreerd; Hij heeft nooit gedacht: Kom, laat ik m’n Vader eens gaan imiteren! Neen, Jezus is gewoon Zichzelf gebleven, net als God de Vader gaaf van binnenuit.

Zo mogen we ook voor onszelf de volheid Gods in alle volmaaktheid in onszelf gaan ervaren. Dat ligt binnen de grenzen van het bereikbare. Want de Vader heeft ons lief, naar de woorden van Jezus, Johannes 16 vers 27. (Joh. 16:27). Dat betekent niets minder dan dat de Vader ons in Zijn hart heeft gegrift, meer nog dan wij degenen die wij liefhebben in ons hart hebben geslo­ten.

Naar een volmaakte eenheid

De weg naar het Vaderhart is ons voor altijd door Gods eerste Zoon ontsloten. Daar zijn we niet in opge­nomen met al onze lekken en gebre­ken, maar daarin staan wij weergege­ven naar de beeltenis zoals Gód Zich die van eeuwigheid gedacht heeft. De door Jezus gewekte hoop mag in onze harten tot zekerheid komen. Want het beeld van de Vader komt hoe langer hoe meer in ons gedach- tenleven en in ons hele doen en laten tot uitdrukking. Dat is pas écht de volheid van Gods genade. En daar hebben we deel aan met elke vezel van ons bestaan.

Als je alleen bent, ben je niet com­pleet. Om ‘heel’ te worden hoef je niet noodzakelijk een ménselijke levenspartner te bezitten, maar zul je met de bij jou inwonende Geest van de Vader, samen met Jezus en met alle heiligen, een volmaakte eenheid gaan vormen.

 

De groei van het nieuwe leven door Gert Jan Doornink

Een belangrijke mijlpaal in het leven van een kind van God is ongetwijfeld de doop door onderdompeling in water. Van tijd tot tijd schrijven wij er over in ons blad; het laatst in nummer 392 in een artikel van Jildert de Boer.

Het gaat nu verder om de beleving van het nieuwe leven in Christus. Paulus formuleert dat in Romeinen 6 vers 4. (Rom. 06:04) met deze woorden: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen”.

Het nieuwe leven

De ‘wandel in het nieuwe leven’ is nu iets geworden wat ons continu bezighoudt. Het woord ‘wandelen’ duidt al op beweging en zo is ook ons nieuwe leven: het is voortdurend in beweging, aan veranderingen ten goede onderhevig. Het is niet verge­lijkbaar met stilstaand water, maar is als een rivier waarvan het water stroomt en vol leven is. Stilstand in het geestelijke leven is een onmogelijke zaak, het is beslist niet naar de wil van God die wil dat wij leven in gemeenschap met Hem. Vandaar dat de doop met de Geest ook zo belangrijk is, welke trouwens, evenals de doop in water, behoort bij het fundament van ons geloofsleven. Maar terwijl de doop met de Geest ook een eenmalige aangelegenheid is, is de dagelijkse vervulling met Gods Geest een absolute ‘must’ voor ieder rechtgeaard christen. Zelf pro­beer ik er een goede gewoonte van te maken iedere ochtend te bidden: ‘Heer, maak mij vandaag vol van Uw Geest’ en Hem er dan tegelijkertijd voor te danken dat Hij dat doet. Hij wil niets liever dan dat wij voort­durend vol zijn van Zijn Geest. De heilige Geest is de krachtbron waardoor ons nieuwe leven inhoud krijgt. Die Geest wil ons immers in alle waarheid leiden en bewerkt in ons het voortdurende verlangen om beelddragers van Christus te zijn. Dat er nog christenen zijn die menen het zonder die Geest te kun­nen stellen is eigenlijk een onbegrij­pelijke zaak. Jezus en de apostelen konden er geen moment zonder, dus ook wij niet.

Daarnaast zijn er ook andere dingen zeer belangrijk voor de verdere groei en ontplooiing van ons geloofslevei^ zoals de bestudering van de Bijbel. Maar ook hier gaat het weer om de noodzaak om dat in het licht van Gods Geest te doen. De letter alleen kan een verkeerde interpretatie en uitwerking hebben als geestelijk inzicht daarbij ontbreekt. Dan gaan we elkaar zo gemakkelijk bestrijden met ónze zienswijze op bepaalde aangelegenheden waarvan we dan menen dat dat de enige waarheid is. De Geest brengt het Woord echter tot leven en bewerkt het leven!

Inzicht door Gods Geest

Zonder inzicht door de heilige Geest verdwalen wij heel gemakkelijk in de wirwar van meningen en gedachten die dagelijks over ons wordt uitge­stort. Dan zien we door de bomen het bos niet meer en hobbelen we mee met de grote massa, zonder in de gaten te hebben dat God met elk van ons een geheel eigen weg wil gaan. Want ieder mens is een unieke schepping in Zijn ogen! Wij hoeven geen plagiaat van de ander te zijn. Alleen Jezus is ons werkelijke voor­beeld om na te volgen en Hij liet zich op geen enkele wijze beïnvloe­den om een andere weg te gaan dan de Vader voor Hem in gedachten had.

Elke echte christen is daarom in zekere zin onafhankelijk. Let wel ‘in zekere zin’, want we kunnen natuur­lijk niet zonder de ander. We kun­nen niet net doen of onze neus bloedt als bijvoorbeeld de ander het niet meer ziet zitten. Juist dan mag blijken dat de beleving van ons nieu­we schepping zijn geen theorie is, maar ook praktisch beleefd wordt in het gewone leven van elke dag. De ‘onafhankelijkheid’ schuilt echter in het volstrekt eigene wat de Heer in Zijn grote liefde in ieder mens heeft gelegd. Iedereen is verschil­lend, we hebben allemaal bepaalde bekwaamheden, gaven en talenten van Hem ontvangen, maar dat is niet bij iedereen gelijk. Wat bij de één sterk op de voorgrond staat, zal bij de ander veel minder opvallen. Maar allen mogen we bruikbaar zijn in dienst van Gods Koninkrijk met Jezus de Koning aan het hoofd! Feitelijk raak je daar nooit over uitge­dacht wat dat betekent. En hoe dat iedere dag weer blijdschap, vrede en zekerheid bewerkt. Dan kunnen de omstandigheden soms totaal tegen en moeilijk zijn, maar je mag weten: ik ga er toch niet onderdoor, want Hij die mij geroepen heeft staat altijd aan mijn kant. Hij zal mij niet bege­ven noch verlaten. Met Hem kan ik verder gaan tot de eindstreep is bereikt.

Een groot avontuur

De beleving van het nieuwe leven in Christus is in feite één groot avon­tuur, maar niet met een onzekere afloop zoals bij de avonturen in deze wereld dikwijls het geval is. Wie met Hem dagelijks de weg bewandelt, wie samen op gezonde wijze optrekt met zijn medebroeders en -zusters, mag het telkens weer ervaren hoe het ‘werkelijk christen-zijn’ het énige is wat waardevast zal blijken te zijn. Er zal, voordat de grote ‘slotapotheo­se’ -de nieuwe hemel en de nieuwe aarde- er is, nog heel wat gaan gebeuren. Het lijkt soms wel of in

onze tijd alles in een stroomversnel­ling is geraakt. Toch willen we ons niet wagen aan allerlei voorspellin­gen, waarvan die in het natuurlijke, zichtbare vlak vaak heel anders verlo­pen dan was voorzegd. Waar het om gaat is dat we dagelijks de weg gaan die Hij ons door Zijn Woord en Geest aanwijst en zo erva­ren dat Hij ons leven leidt en bestuurt. Dan heeft ons leven een positieve uitstraling naar de ander toe en geven wij invulling aan Gods grote verlangen voor al Zijn kinderen om een levend getuige van Hem te zijn.

 

Voorgaan (gedicht) door Duurt Sikkens

Goedemorgen voorganger.

Hé Heer! U hier?

Ja, ik dacht ik kom eens langs.

Tjonge, wat een verrassing! Vrouw, koffie! De Heer is hier.

Nou, neemt u gerust die gemakkelijke stoel.

Dank je. Wat ik vragen wou: Hoe gaat het eigenlijk met je?

Ach, u weet het, druk-druk-druk. De agenda is vol. Ik ben full-time bezig zoals u weet, haast geen avond meer thuis.

Dat vroeg ik niet. Ik wil graag weten hoe het met jou persoonlijk is.

Nou Heer, eerlijk gezegd ben ik hondsmoe. Ik werk me haast een slag in de rondte. . . en ik slaap slecht.

Dus, je bent vermoeid en belast, geen rust.

Eigenlijk wel ja.

Wat voor evangelie breng je dan?

Eh. . . nou, ik “breng uw Woord” zoals dat heet en dat vergt uiteraard het een en ander.

Ik hoor het. Weetje wat? Laat die koffie maar staan en roep je vrouw. Dan gaan we met z’n drieën eens een eind wandelen. Doen?

Ja graag. Ik geloof dat ik u volgen kan.

“Mag ik dan voorgaan”?

 

De uitdaging door Jan Weerd

 

“Want allen, die door de Geest Gods geleid worden, zijn zonen Gods” Romeinen 8 vers 14. (Rom. 08:14).

Als de Here Jezus Levi bij het tolhuis ziet zitten zegt Hij tot hem: Volg Mij! Op dat zelfde moment staat hij op en volgt hij Jezus. Een wonderlij­ke reaktie, die verbazing oproept! De Here Jezus straalde echter zo’n ver­trouwen uit, dat Levi werd overtuigd, dat het goed was Jezus als Leidsman te volgen.

Toen het evangelie van het Koninkrijk der hemelen -de bood­schap van bevrijding en herstel- tot ons kwam, heeft het bij ons ook een reaktie uitgelokt. We werden diep in ons hart getroffen door Gods Geest en ervan overtuigd, dat in dit evange­lie een wondervol geheim besloten ligt, namelijk dat de Here Jezus de mens z’n oorspronkelijke natuur en bestemming hervinden laat en hem toont hoe hij zichzelf in de ware betekenis van het woord kan beheer­sen!

Dit inzicht inspireerde ons op weg te gaan en de uitdaging te aanvaarden: het zoonschap Gods!

Leiding

Om je doel te bereiken heb je echter leiding nodig. In het dagelijks leven hebben we er telkens mee te maken. Of we geven leiding of we worden geleid. Zonder leiding of leiding geven, bereiken we nooit onze bestemming. We kunnen niet zon­der. In geestelijk opzicht geldt dit ook voor ons. Zonder de leiding van Gods Geest kunnen we ook nooit ons doel bereiken. Soms is het voor iemand moeilijk leiding te accepte­ren. We zien het overal om ons heen

in de maatschappij. Mensen die lei­ding geven staan vaak bloot aan hevi­ge kritiek. Hoewel deze kritiek terecht kan zijn, heeft het uiten ervan vaak te maken met jaloersheid en het eigen falen. Meestal heeft men dan geen vertrouwen in- en geen respekt voor de ander. Toch zou het beter zijn, iemand in z’n waarde te laten en de gelegenheid te geven z’n functie uit te oefenen en hem te ondersteunen. Leiding geven is niet zo gemakkelijk als het lijkt. Onze grote Leidsman, Jezus Christus, ging door lijden heen. Hij liet zich leiden door Zijn hemelse Vader. Daardoor kon Hij vooruit zien en kende Hij Zijn ver­antwoordelijkheid.

Hij deed het voor ons, om ons te vol­maken! Hij wist, dat door Zijn ster­ven en opstanding de heilige Geest uitgestort zou worden en daardoor de zonen Gods openbaar zouden gaan worden!

Bestemming

Vóór ons ligt ook een uitdaging. Als we ons laten leiden door Gods Geest, zullen we onze bestemming berei­ken. We zullen onze plaats in het Lichaam van Christus innemen. De Here Jezus verlangt ernaar Zijn Lichaam tot volheid te brengen. Hij ziet ernaar uit dat elke gelovige zich werkelijk door Hem laat leiden en op zijn beurt leiding geeft vanuit een dienende houding. Net als Paulus worden we uitge­daagd te komen op gezichten en openbaringen, zodat we vooruit zien en weten welke koers we moeten aanhouden. In Psalm 25 vers 14. (Ps. 025:014) lezen we dat de Heer een vertrouwe­lijke omgang heeft met diegenen die Hem vrezen, respekt voor Hem heb­ben en zich door Hem laten leiden. Een intieme relatie met onze Heiland, waarin Hij Zijn gehei­menissen verder openbaart.

Waar men in onze tijd op wacht zijn mensen die als zonen Gods open­baar worden; zieners die hun plaats in het Koninkrijk Gods innemen, zelf geleid worden, maar ook leiding geven als medeherstellers van Gods schepping!

 

Houthakkers en waterputters. Door Froukje Huis

Bij ons in de tuin hangt een netje met nootjes. Voor de vogels en voor ons eigen plezier. Elke morgen aan ’t ontbijt kijken we vol verwachting naar het netje: geen vogel te zien en ’t netje is nog vol. Tot. . . de eerste het ontdekt. Hij zit op een tak te kijken en ja hoor, hij heeft het te pakken. O, nummer twee is er ook al. Daar komt een spreeuw aan. . . ffft weg zijn de mussen. Intussen zitten er al vier te wachten, ook een meesje! In enke­le dagen is ’t netje leeg. Nu hangt er een vetstaafje met zon­nebloempitten. Maar dat is niet erg in trek. Af en toe komt er een mees langs, maar mussen en spreeuwen interesseert het niet. Ze hebben geen honger. Er is immers eten genoeg!

Terwijl ik het zo zit te bekijken bedenk ik dat ik het zelf ook zo doe. Je kent het evangelie, bent er blij mee, je leest trouw in de Bijbel en gaat naar de samenkomst. En dan soms bij een preek denk je: nee hoor, dat spreekt me niet aan, dat slaat niet op mij. Maar zou God nu echt niets voor mij hebben of. . . ? We willen graag het doel bereiken, gelijkvormig worden aan het beeld van Jezus en alles afleggen wat niet bij ons hoort. Dat kan alleen door (de verkondiging van) het Woord. God had het volk Israël opgedragen alle Kanaanieten uit het beloofde land te verdrijven, maar. . . de Gibeonieten werden waterputters en houthakkers omdat Jozua een ver­bond met hen gesloten had voor hij hun bedrog ontdekte (Jozua 9). Vele stammen konden hun erfdeel niet van vijanden ontdoen. De Kanaanieten bleven wonen en werden tot Herendienst verplicht. Zij konden de zware werkjes opknap­pen. Ik denk dat de Israëlieten dat best gemakkelijk vonden. Wegsturen? Niks hoor.

Hoe zit dat bij ons? Zijn we zelf soms niet zo vertrouwd geworden met een Kanaaniet dat we hem niet eens meer herkennen? Verwerping? Daar heb ik geen last van. ‘k Had een nare jeugd, maar daar ben ik overheen. Je hebt er geen ‘last’ meer van, maar is hij eruit? Of: ik was vroeger driftig, maar nu kan ik mij beheersen. Een houthakkersdriftje dus, maar zet hem buiten de deur. Die ‘houthakkers’ en ‘water­putters’ weten zich meesterlijk te verbergen of te camoufleren. Misschien zegt iemand tegen je: die zelfverzekerdheid van je kon wel eens een vermomde Kanaaniet zijn! Zeg je dan: nee, dat is mijn water­putter, zeer betrouwbaar en ijverig, of. . . ik zal er eens met de Heer over spreken?

En die preek die mij niet aansprak? Was die misschien juist voor mij bedoeld en probeerde die Kanaaniet me tegen te houden?

In Richteren 2 vers 1 tot en met 5. (Richt. 02:01-05) spreekt God Israël aan op zijn ongehoor­zaamheid: “Doch gij hebt naar mijn stem niet geluisterd. Wat hebt gij gedaan? En Ik heb óók gezegd: Ik zal hen niet voor u uit wegdrijven, maar zij zullen u tot tegenstanders en hun goden u tot een valstrik zijn”. Heer, geef me geopende ogen en oren en een open hart, opdat ik Uw stem kan verstaan en ook die verbor­gen en gecamoufleerde Kanaanieten ga ontmaskeren, want ik wil volko­men vrij worden.

 

 

 

Levend Geloof – 398

1999.03-04 Levend geloof nr. 399

Persoonlijk… door Gert Jan Doornink

Het aanvaarden en beleven van het evangelie van het Koninkrijk, zoals dat door Jezus en de apostelen werd gebracht, en in onze tijd ‘herontdekt’ wordt, leidt uiteindelijk tot het ontstaan van de volwassen gemeente van Jezus Christus. Deze gemeente zal in deze eindtijd een geweldig lichtbaken zijn temidden van alle duisternis. En hoewel de vorst der duisternis er alles aan zal doen om dit licht uit te schakelen zal hem dat niet lukken. Het  (Goddelijk) licht is nu een­maal sterker dan de  (satanische) duisternis.

God handelt echter niet buiten ons om. Hij schakelt ons als nieuwe scheppin­gen in Christus, volledig in als lichtverspreiders van Zijn Koninkrijk. Nu kennen we allemaal wel momenten van teleurstelling, tegenslagen en soms zelfs nog nederlagen. Toch hoeft ons dat niet te ontmoedigen, want Hij die in ons een goed werk is begonnen, zal het voortzetten tot de grote dag van Christus Jezus. En ons grote voorbeeld -Jezus Christus- staat aan onze kant! Hij is immers de Eerstgeborene onder vele broeders?           

Wél vraagt Hij van ons geloof. Geloof dat God aan al Zijn kinderen geschonken heeft, het is immers een ‘gave van God’, zoals Paulus schrijft in Efeze 2 vers 8.  (Ef. 02:08). Dit geloof behoren we echter ‘in werking’ te stellen. Het mag niet op de plank blijven liggen. Dat is ook de bedoeling weer van dit nummer. De inhoud van de verschillende artikelen zijn weer geloofsopbouwend en hebben de intentie ons geloofsleven te stimuleren en te activeren. Want ook voor de eindtijdgemeente geldt dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn. God heeft geloof in ons, laten wij dat beantwoorden met dagelijks een levend geloof in Hem te openbaren. We willen ons daarom niet laten afremmen door welke omstandigheden ook, want het geloof is de zekerheid van de dingen die men hoopt, en het bewijs van de dingen die men niet ziet!

 

‘Ut Arkien’ vaart weer uit!

Goed nieuws voor degenen die in juli of augustus er weer een weekje tussenuit willen met het vakantie­schip ‘Ut Arkien’. Ook dit jaar wor­den er een aantal weken georgani­seerd, waarbij in sommige weken s’ avonds een bijbelinleiding wordt gehouden. Het vertrekpunt op maandagochtend is de haven van Enkhuizen, waar men ook op zater­dagmiddag weer aankomt. Iedere dag is er een andere aan­trekkelijke vaarroute gepland, waarbij allerlei steden en dorpen de revue passeren en gelegenheid wordt geboden in de plaatsen rond te wandelen voor museumbezoek, winkelen, enz. De sfeer op dit ver­bouwde binnenvaartschip is altijd gemoedelijk en ontspannen, mede door de prettige wijze waarop het ‘schippersechtpaar’ Roosendaal deze weken leidt. Alle gewenste inlichtingen kunt u bij hen verkrij­gen:

 

Proefnummers

Dat Levend Geloof ‘leeft’ bij onze lezers en lezeressen blijkt wel uit het feit dat we steeds meer adres­sen toegezonden krijgen om het blad op proef naar toe te sturen, leder opgegeven adres ontvangt minimaal twee nummers gratis op proef, waarna hen gevraagd wordt of ze het blad willen blijven ont­vangen door abonnee te worden. Maak ook gebruik van de mogelijk­heid adressen op te geven. We vra­gen u de adressen schielijk aan ons door te geven. Bij voorbaat dank voor uw medewerking.

 

De realiteit van Jezus’ opstanding door Gert-Jan Doornink

“God heeft Hem  (Jezus) uit de doden opgewekt; en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opge­gaan waren, die thans getuigen van Hem zijn hij het volk. En wij verkondi­gen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kin­deren, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb u heden verwekt” Handelingen 13 vers 30 tot en met 32.  (Hand. 13:30-32).

Geloven wij nog in de opstanding? Een beetje overbodige vraag wellicht voor ons die kinderen Gods zijn, die behoren tot de gemeente van Jezus Christus, die zelf opgestaan zijn tot een nieuw leven en de zekerheid in ons hart hebben eeuwig leven te heb­ben ontvangen.

Toch is deze vraag minder overbodig dan ze lijkt. Misschien wel voor ons­zelf, maar niet voor de mensen waar­mee we in aanraking komen en waarvoor wij de verantwoordelijk­heid dragen dat ze in contact komen met het evangelie van Jezus Christus.

We zijn immers geroepen Zijn getuigen te zijn?

De mens die leeft zonder Christus, en dus ook zonder het geloof in de opstanding, wordt steeds geraffineer­der in het bedenken van afwijzingen ten aanzien van het evangelie. Vooral vanuit het naam-christendom wordt een lawine van twijfel rondge­strooid ten aanzien van het geloof in de levende God, geopenbaard in Jezus Christus. Paulus spreekt over hen die met een schijn van gods­dienst de kracht daarvan verloochend hebben.

Vandaag aan de dag wemelt het van naamchristenen die het werkelijke geloof in het lijden, sterven en de opstanding van Jezus belachelijk maken. Ik zou verschillende voor­beelden kunnen aanhalen van wat ik bijvoorbeeld in de afgelopen dagen weer las in allerlei  (ook ‘christelijke’) bladen. Ik laat ze maar achterwege. Waarom zouden we de duivel eer geven, want het is duidelijk uit welke koker deze twijfel en afwijzing, van alles wat met geloof in een levende God en Zijn opgestane Zoon te maken heeft, weg komt: het is Satan, de vorst der duisternis, die een onge­kende haat openbaart tegenover alles wat met het Goddelijke, eeuwige leven te maken heeft.

Leven en overvloed

Jezus sprak: “De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te ver­delgen; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed” Johannes 10 vers 10.  (Joh. 10:10).

Jezus bracht leven en overvloed.  (Een andere vertaling zegt: leven in over­vloed. De Engelse vertaling zegt: abundant live, overvloedig leven). Jezus zegt van de duivel dat hij met geen ander doel komt dan om te ste­len, te slachten en te verdelgen. Let wel: Hij heeft geen ander doel voor ogen.

Gelukkig weten wij dat Hij door Jezus al ontmaskerd en overwonnen

Alleen zijn verdere eindafgang moet nog plaats vinden. Wij hebben er dus in onze tijd volop mee te maken, dat ook wij hem weerstaan en overwinnen. Daar moeten we niet te lichtvaardig over denken. Niet op de wijze van: ‘Het komt toch allemaal wel goed…’ Naarmate zijn tijd korter wordt, wor­den zijn aanvallen gemener en geraf­fineerder. En wie niet op zijn hoede is gaat er gemakkelijk onderdoor. Paulus zegt in 2 Timotheüs 3 dat er in de laatste dagen zware tijden zul­len komen. En dan noemt hij een aantal negatieve eigenschappen op, waar de mensen dan, onder invloed van de vorst der duisternis, mee behept zullen zijn 2 Timoteüs 3 vers 1 tot en met 4.  (2 Tim. 03:01-04).

Gods alternatief

Als Paulus het heeft over deze ‘laat­ste dagen’, dan is het goed ons te realiseren dat deze al begonnen op de Pinksterdag, toen Gods Geest op de discipelen werd uitgestort en de pinksterprofetie van Joel in vervul­ling ging.

En hier geef ik meteen al de enige en voor 100% werkende remedie aan tegenover alles wat het rijk der duis­ternis, op welk terrein ook, veroor­zaakt: de Geest van God, die sterker is dan alle satanische infiltratiepogin­gen om ons kinderen Gods angst aan te jagen, in welke vorm ook. Daarom is een kind van God, als hij dit zich bewust is, altijd sterker  (geestelijk gesproken) dan een niet- kind van God. Het is wel eens goed daar even over na te denken. “Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is” Een Johannes 4 vers 4. (1 Joh. 04:04). Zijn wij ons dit bewust? Zouden wij niet ster­ker zijn  (om deze vergelijking nog even aan te houden) dan zouden we voortdurend de nederlaag lijden en de ander ook niet kunnen helpen. Satan is nog de overste van deze wereld. Maar NIET van de gemeente van Jezus Christus. Hun Hoofd, hun Leider, hun Leidsman is Jezus Christus, de opgestane Zoon van God.

Daarom roept de Hebreeënbrief ons ook op ons oog alleen gericht te hou­den op Jezus Christus, de Leidsman en Voleinder van ons geloof. Willen we stand houden in deze tijd, willen we het einddoel des geloofs bereiken, willen we bruikbaar zijn in dienst van de Meester, willen we als zonen God openbaar worden?

Dan is er maar één weg, een duide­lijk baken temidden van de huizen­hoge golven van deze tijd. Dat is Jezus Christus, de Zoon van God.

Pasen én Pinksteren

Hoe kunnen we zien op Jezus? Door de heilige Geest. Hier worden we geconfronteerd met het belang­rijke gegeven, dat ‘Pasen’ ondenk­baar is zonder ‘Pinksteren’. Het is de Geest van God die ons ster­ker maakt dan de vijand. Het is dezelfde Geest die ons het leven heeft gegeven en, wat belangrijk is  (in verband met ons getuige zijn) levend houdt. Jezus zelf zegt: “De Geest is het, die levend maakt” Johannes 6 vers 63. Handelingen 13 vers 13.  (Joh. 06:63; Hand. 13:13).

Dat was ook het geheim van bijvoor­beeld de prediking van Paulus. We kunnen dat onder andere lezen in Handelingen 13 vers 13 e.v. , als Paulus in Antiochië het evangelie verkondigt. Misschien denkt u nu wel: Nou ja, Paulus, dat was zo’n bij­zondere figuur in Gods Koninkrijk. Dan zien wij over het hoofd dat alle mensen die in de Bijbel beschreven worden, mensen waren zoals u en ik. Paulus had weliswaar een bijzondere taak, hij was zich bewust dat hij tot apostel geroepen was, maar alleen de Geest van God in hem, maakte hem onbevreesd.

Je zult daar maar staan in de synago­ge, temidden van de mensen die opgegroeid waren bij de wet en zich alleen beriepen op die wet. Hij pro­beerde hen te overtuigen dat juist de ‘heilsboodschap van de opgestane Heer’ in de eerste plaats voor hen bedoeld was.

In eerste instantie zijn er dan velen die luisteren naar de woorden van Paulus en Barnabas. Het is goed om op te merken dat het verzet altijd weer uit de vrome hoek komt. Of beter kan ik zeggen: uit de schijnvrome hoek. Vandaag is het niet anders. Paulus ging echter door en vele heidenen kwamen tot geloof, zegt vers 48.

Maar ook de duivel zit niet stil. Er ontstaat een vervolging. Maar het laat­ste vers van Handelingen 13 zegt: “En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de Heilige Geest”.

Een belangrijk kenmerk

Ik geloof dat dit ook een belangrijk kenmerk van de eindtijdgemeente zal zijn. Ondanks alles, ondanks ver­volging, ondanks bespotting met bij­voorbeeld de opmerking: “Geloof jij nog in de opstanding?”, zal de inwo­nende kracht van de heilige Geest altijd sterker zijn dan alle demonen uit het rijk der duisternis. De eindtijdgemeente, waartoe u en ik behoren, zal zegevieren. Zo zeker als Jezus de dood overwon. Zo zeker als het nieuwe leven in ons is en zo zeker als ook wij zijn opgestaan tot een nieuw leven, zo zeker zullen ook wij overwinnen.

De uitdrukking ‘Jezus leeft en wij met Hem’, die we misschien wel eens te gemakkelijk en te oppervlak­kig hebben gebruikt, is werkelijk­heid.

We willen die werkelijkheid niet ver­borgen houden. We zijn ons bewust dat wij de mensen die niet geloven, niet kunnen overtuigen, maar de Geest die in ons woont kan dat wel. Want het is die Geest waarvan Jezus zei dat Hij de wereld zal overtuigen van zonde Johannes 16 vers 8. (Joh. 16:08). En na de overtuiging komt de veran­dering, van zondaar tot kind van God. Zoals dat bij ons gebeurd is, kan dat ook bij die ander  (dat fami­lielid, die goede kennis, die kame­raad op het werk) gebeuren. Daarom gaan wij vol vertrouwen door om door woord en daad een getuige te zijn van onze levende, opgestane Heer.

Doorwerkende verandering

Over die ‘verandering’ wil ik nog een paar opmerkingen maken. Want we kunnen wel zeggen dat Gods Geest het via ons moet doen, en dat is

100% waar, maar de heilige Geest verandert ook ons eigen leven meer en meer. We gaan als het goed is hoe langer hoe meer op Jezus lijken. Dat is belangrijk want de wereld let op ons. Als wij ‘in zonde leven’, heb­ben we geen getuigenis in ons en bedroeven we Gods Geest. En we openbaren niet het beeld van Jezus, maar het beeld van de tegenstander. Dit is natuurlijk nooit Gods bedoe­ling. Het is Zijn wil dat we meer en meer één worden met Hem, zoals Jezus zelf één was met de Vader. Jezus zelf was tijdens Zijn leven op aarde voortdurend bezig Zijn disci­pelen op te voeden en te onderrich­ten, zodat ze werkelijk bruikbaar in dienst van Gods Koninkrijk zouden zijn.

Zelfs na Zijn opstanding ging dat door! Want we lezen we in Handelingen 1 vers 3. (Hand. 01:03) dat Hij Zich “na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft”.

Jezus wilde ‘optimale getuigen’ van Zijn discipelen maken. Zoals Hij dat ook met ons wil doen. Je kunt daar­om ook concluderen dat het werk van Gods Geest tweeledig is. Het is een werk in ons, het vormt ons om naar het beeld van Jezus). En het is een werk door ons, want door het werk in ons, wordt ons getuigenis naar de ander toe effectief en productief.

Zo wordt de beleving van de opstan­ding van Jezus meer en meer een  dagelijkse realiteit in ons leven en gaat het échte leven, zoals God dat bedoelt, er helemaal uitkomen.

 

Wie zoekt zal vinden door Duurt Sikkens

“Uw wil geschiedde…” Matteüs 6 vers 10a. (Matt. 06:10a).

Als er één uitspraak is die bezwangerd is van onheil en fatalisme dan is het deze wel. Wat er ook gebeurt, watje ook overkomt, overal zit Gods regie ach­ter. Wie zó denkt kent God niet en dwaalt rond in een nevelig en schemerig land en bouwt daar op de tast een scheve hut die hij tooit met de naam “Je weet maar nooit”. Binnen is geen warmte en veiligheid want de kille wind heeft er vrij spel. Na een poosje verzakken de fundamenten, waarop nog net te lezen was: Uitverkiezing.

Wat die vervloekte leer al niet aangericht heeft in de geest van de mensen die hebben moeten geloven dat God van te voren al weet wie de zaligheid beërven en wie niet. De menselijke wil schijnt niet te bestaan, want de mens is kennelijk al geprogrammeerd. In die leer kun je zo rondtollen datje er gek van wordt. Gelukkig is God barmhartig en met voorbijzien aan de tijden der religieuze onkunde, strekt Hij, door middel van Zijn volgelingen, Zijn handen uit naar deze mensen, want het evangelie is voor elk mens. Die mag zelf kiezen voor het licht. Misschien kruip je erheen, misschien heb je vrienden die je er naar toedragen, maar wie het licht liefheeft kan nu komen. Stap uit de godsdienstige leugenkooien en ga de vrijheid in. Leve Gods keuze voor jou. ‘Wie zoekt zal vinden’ en zoeken is een wilsdaad van de mens. Dan laat God zich graag vinden.

 

Vrije heerlijkheid door Hans Bulthuis

De apostel Paulus schrijft in Romeinen 8 vers 18 tot en met 30. (Rom. 08:18-30) dat er heerlijkheid over ons geopenbaard zal worden. Hij is daar zeer verzekerd van ondanks alle lijden van de tegenwoordige tijd. De hele schepping snakt naar Gods heerlijk­heid en wacht met reikhalzend ver­langen naar het openbaar worden van de zonen Gods. Zij zullen die heerlijkheid inbrengen. De heerlijkheid is het goddelijke, het bovennatuurlijke van Gods wezen, het tijdloze leven van de Schepper, het eigene van onze hemelse Vader. Zij kenmerkt zich in een alles weten­de wijsheid, in een overweldigende geestelijke kracht, in een alles aan­kunnend vermogen, in een onaan­tastbaar heilige existentie, in een alles doordringende liefde. De grootste zoon van God, Jezus Christus, heeft die heerlijkheid het eerst ontvangen en uitgewerkt. In zijn handel en wandel zien we namelijk ten volle de goddelijke natuur met al haar mogelijkheden, gaven en werkingen gemanifesteerd. Het geheimenis Gods, zijn geopen­baarde leven in de mens  (in het vlees), is in Jezus voltooid 1 Timoteüs 3 vers 16. (1 Tim. 03:16). Hij werkt er nu naar toe om vele zonen tot diezelfde heerlijk­heid te brengen Hebreeën, 2 vers 10. (Heb. 02:10). Deze zonen zijn die christenen die de Geest van zijn Zoon ontvangen hebben en het Lam volgen waar Het ook heengaat Galaten 4, vers 6 en 7. (Gal. 04:06-07). Zich aan de waarheid, het evangelie van heer­lijkheid, houdende, groeien zij in liefde naar Christus toe.

Tevoren door God bestemd tot gelijkvormig­heid aan het beeld van zijn Zoon, heeft Hij hen door dat evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van Jezus 2, Thessalonicenzen, 2 vers 14. (2 Thess. 02:14). Dit voornemen zal absoluut gereali­seerd worden in allen die daarin geloven en zich gehoorzaam toebe­reiden.

De krachtigste aansporing daartoe zijn de woorden in 2 Petrus, 2 vers 3 en 4 (2 Petr. 01:03-04: “Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht; door deze zijn wij met kost­bare en zeer grote beloften begiftigd, opdat wij daardoor deel zouden heb­ben aan de goddelijke natuur”. God heeft de zijnen in een uitgangs­positie geplaatst die het voor hen haalbaar maakt om deel te hebben aan zijn goddelijke natuur met al haar uitnemende kwaliteiten en mogelijkheden. Dat is bij uitstek de heerlijkheid die Hij in zijn oneindige liefde voor ons heeft bereid.

De vrijheid van de heerlijkheid

In dit verband schrijft Paulus over het bevrijd worden tot “de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods”  (vs. 21b). De heerlijkheid is namelijk geheel vrij. Het goddelijke leven zelf, in al haar aspecten, is in zich autonoom. Het kan nooit door beïnvloeding van buitenaf door wie of wat dan ook ingeperkt, geremd, beknot, bevoogd of gedirigeerd wor­den. Niemand kan de heerlijkheid eventjes naar z’n hand zetten of haar manipuleren. Gods heerlijkheid laat zich niet reguleren of de wet voor­schrijven. Zij is nooit in te passen in een religieus systeem. Zij is daar­door de grote tegenpool van slaver­nij, onderwerping, gebondenheid, beperking en ondergeschiktheid. Zij is vrij zoals God vrij is, zelfstandig en onafhankelijk.

De vrijheid van de heerlijkheid houdt eveneens in dat zij onbesmet, onge­deeld en onvermengd is. Zij is tot één. Zij is puur, echt en zuiver. Zij is niet te verbinden met het onechte en het bezoedelde. Een compromis daarmee is door haar nimmer te sluiten. Zij is waarheid, heiligheid en leven.

De geest van de godheid, waarin zijn heerlijkheid gelegen is, heet niet voor niets Heilige Geest. Hij wordt derhalve de Geest der heerlijkheid genoemd die geheel zaligmakend is 1 Petrus 4, vers 14b. (1 Petr. 04:14b).

De vrijheid van de heerlijkheid is zo sterk, dat zij nimmer aanleiding geeft tot bandeloosheid, wanorde of verwarring 1 Korinthe  14 vers 33. (1 Kor. 14:33). Waar zulke werkingen zich wel doen gelden, is dat een teken van gebrek aan kennis en inzicht. Boze geesten maken daar misbruik van om zodoende het christelijke leven van de gelovige en de gemeente te ontregelen. Het zal toch duidelijk zijn dat dit niet uit God is en te allen tijde voor­komen dient te worden. Jezus’ eigen leven, dat Hij als voorbeeld ons in de Bijbel naliet, zal richtinggevend moe­ten blijven. Aan zijn beeld gelijkvor­mig, en nooit anders.

Hechten

De heerlijkheid die onze hemelse Vader voor ons in Christus heeft bereid, wordt ons deel als wij ons aan de Heer hechten. Wie dat doet, is één geest met Hem 1 Korinthe  6 vers 17. (1 Kor. 06:17). Gods volheid van heerlijkheid is immers in Christus lichamelijk aan­wezig Kolossenzen, twee vers 9 en 10 a. (Kol. 02:09-10a. We worden opgeroepen om gemeenschap te heb­ben met Gods Zoon Een Korinthe  een vers 9. (1 Kor. 01:09). De gemeente is de vrouw van het Lam en vormt, net als in een huwelijk, één geheel met Hem. Deze hechting aan de Heer geldt zowel voor de gelovige enkeling als voor de groep, bijvoorbeeld de plaat­selijke gemeente. Waar die eenheid met Hem tot stand komt en onder­houden wordt, zal de heerlijkheid meer en meer toenemen en zich manifesteren 2 Korinthe 3, vers 18. (2 Kor. 03:18). Hiervan kunnen we in geloof in alle zeker­heid uitgaan.

Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de goede God dat zijn heerlijk­heid in ons toeneemt en zijn heerlijk leven ons allen geheel zal vervullen en doortrekken. Hij zoekt Zich geheel te verenen met de mens in Christus. Ons leven door en in zijn vrije, goddelijke heerlijkheid wordt dan uiteindelijk onze eeuwige bestaansvorm en leefwijze. Dit is het eeuwige leven. En dat leven is in de Zoon.

Als eindtijdchristenen zullen wij onszelf en elkaar moeten blijven aan­vuren om, koste wat het kost, onze eenheid met Jezus Christus te com­pleteren en te intensiveren. Zonder Hem kunnen we niets Johannes 15, vers 5b. (Joh. 15:05b). De volheid is in Hém, en wij ontvan­gen de volheid indien wij deelhebben aan Hem. Niets mag ons er nog lan­ger van weerhouden om die eenheid met Hem aan te gaan Romeinen 8, vers 9b. (Rom. 08:09b). Wij zullen ons volledig dopen in Christus en samengroeien met zijn opstandingsleven in heerlijkheid  (Romeinen 6).

Wat deze ontwikkeling wil tegenhou­den of afremmen, zal verwijderd moeten worden. Vandaar dat Paulus in Romeinen 8 schrijft over een “bevrijd worden van de dienstbaar­heid aan de vergankelijkheid”  (vs. 21a). Bevrijding ‘van’ slavernij en bevrijding ’tot’ de vrijheid der heer­lijkheid. Dit gaat hand in hand en kan niet anders.

Bevrijding

De mens en zijn bestaansvorm zijn door God bestemd tot heerlijkheid. Door het wetteloze werk van het rijk der duisternis is er helaas nog wei­nig van terecht gekomen. Satan en zijn demonen hebben de mens vanaf de zondeval aan zich onderworpen door de misleiding van de leugen en de zonde Johannes 8, vers 44. (Joh. 08:44). Het gevolg was dat er niets blijvends, niets van eeuwigheidswaarde kon worden ontwikkeld. Het loon van de zonde is immers de dood. Allen wer­den slaaf van de boze, en daardoor dienstbaar aan de vergankelijkheid. Destructie, ontbinding en dood heer­sen op allerlei wijze in de mensheid. De ganse schepping zucht onder dik juk. De gevallen mens kan zelf niet’- uit deze gevangenis ontsnappen. De enige oplossing is een verlosser van buitenaf. Die werd door God Zelf verwekt: Jezus Christus. Wel een mens, maar niet gevallen en dus ook geen slaaf van de vijand. Hij werd door God gezalfd met heilige Geest en kracht. Heerlijkheid was zijn deel. Door zijn heilswerken, door zijn offer als Lam Gods, door zijn overwinning over duivel en dood, is Hij de redder, heiland en zaligmaker der mensheid geworden. Allen die Hem aannemen, krijgen macht om een kind van God te wor­den. Zij worden door persoonlijk geloof in zijn verzoenend bloed en plaatsvervangend lijden verlost uit hun zonden en uit de macht der duisternis Kolossenzen, 1 vers 13 en 14. (Kol. 1:13-14). Zij worden in de hemelse gewesten overgezet van het rijk der duisternis in het rijk Gods. In Christus worden zij met allerlei geestelijke zegen door de Vader gezegend Efeze, 1 vers 3 tot en met 14. (Ef. 01:03-14). Eén van die zegeningen is de vrijma­king uit de hand van alle vijanden. In de geestelijke tegenstanders is namelijk alle zonde, leugen, ziekte en wetteloosheid gelokaliseerd. In en door Jezus Christus is het mogelijk om totaal bevrijd te worden van elke gebondenheid aan deze boze geesten.

 

Ook overwinning over hun ver­koelingen en infiltraties is geheel haalbaar door onze Heer,  Efeze 6 vers 11 en Jacobus, 4 vers 7. (Ef. 06:11 en Jak. 04:07). Dit alles leidt tot algehele vrijheid van de mens Gods. Een absolute noodzaak om de heerlijk­heid gaandeweg eigen te maken.

Vrije mensen

De heerlijkheid zelf is vrij. Zij functioneert echter optimaal in vrije mensen. Indien de Geest Gods bedroefd of geblust wordt door onge­loof, zonden, ongehoorzaamheid en dergelijke, wijkt de heerlijkheid van de gelovige en zelfs van de gemeente  (bijv. 1 Samuel 16, vers 14. Openbaring, 2 vers 5. En Openbaring 3, vers 16. (1 Sam. 16:14 en Openb. 02:05 en Openb. 03:16). En waar de heerlijk­heid verdwijnt, daar komt de vergan­kelijkheid weer op. Geestelijke, innerlijke vrijheid is een voorwaarde voor de volle maat van heerlijkheid. De vrijheid komt tot stand door daadwerkelijke bevrijding van de demonen, gevolgd door een vernieu­wing van denken door Gods woord. Beide zijn nodig. Zodra er enige ruimte is veroverd op de vijand, is het zaak om niet in het oude denk­en gewenningspatroon te blijven doordenken en handelen. De christen dient zijn dagelijkse levenswijze aan te passen aan die van Jezus. “Doe de Here Jezus Christus aan”, schrijft Paulus Romeinen 13, vers 14. (Rom. 13:14). Vrijheid is pas ware vrijheid als  zij daadwerkelijk wordt uitge­werkt in de persoonlijke levenswan­del, 1 Johannes, 2 vers 6. (1 Joh. 02:06).

De mens in Christus zal er eveneens scherp op moeten toezien, dat hij vrij wordt van het religieuze, het Babelse, het traditionele en het uiterlijke. Zonen Gods die de heerlijkheid zoe­ken te beërven, behoren te wandelen in geest en in waarheid alleen. Gelijk de Heer Zelf dat deed. Vrome gees­ten misleiden de gelovige en bieden slechts godsdienstige schijn zonder enige kracht, 2 Timoteüs  3 vers 5a. (2 Tim. 03:05a). Helaas is het christendom eeuwenlang ermee verontreinigd en de christenheid erdoor verzwakt.

De Heilige Geest verbindt zich nooit met leugen, onechtheid, namaak, met de werken van het vlees en de duisternis. De demonische overhe­den van het grote Babylon, waaron­der de ‘koningin des hemels’ een belangrijke plaats inneemt, manipu­leren en controleren vele christenen om hen in hun greep te houden, zodat de verbastering van het chris­tendom in stand wordt gehouden  (o.a. Openbaring 18, vers 7b. (Openb. 18:07b). Deze valse en subtiel werkende vij­anden van de waarheid en het leven Gods dienen ontmaskerd en over­wonnen te worden om de weg vrij te maken voor de komst van Jezus door heilige Geest IN ons. Vrije heerlijk­heid heeft vrije mensen nodig om zich in alle zuiverheid en directheid te manifesteren. Ongekunsteld, ongehinderd en onvermengd. De valse schaamte, de vreesachtig­heid, de geremdheid maar ook de zelfverheerlijking hinderen eveneens de openbaring van de vrije heerlijk­heid. Eigenlijk zijn ze een zekere vorm van verloochening van de Christus. Deze verkeerde werkingen zullen afgelegd moeten worden. Van belang daarbij is het onderhouden van een onbesmet geweten en een onbaatzuchtige instelling. Zonen Gods zullen te allen tijde waar en onberispelijk zijn. Geliefde lezer, zoek met allen die oprecht en zonder bijbedoelingen de vrije heerlijkheid begeren te verwer­ven, deze ware vrijheid en zuiverheid van leven. De Heer wil èn zal allen die Hem in geest en in waarheid navolgen zeker totaal bevrijden van de dienstbaarheid aan de verganke­lijkheid en bevrijden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.

Leven

In het eerste hoofdstuk van de brief aan de gemeente te Efeze wordt onomwonden over Gods bedoeling met de mens geschreven: heiligheid, onberispelijkheid en de aanneming tot zonen. Daarom wil Hij allen die in geloof tot zijn Zoon komen, ver­vullen met de vrije heerlijkheid. De gelovigen beërven hierin het hoogste goed van God Zelf, Romeinen 8, vers 17. (Rom. 08:17). Zij mogen als eersten door Christus deelhebben aan Gods eigen heerlijk­heid. Zij genieten als eersten van de voordelen en mogelijkheden, de vrede, kracht en vreugde die erin gelegen zijn. Zó komen zij toe aan echt leven, aan een leven in de gestalte Gods. Het is eeuwig leven. Toch beoogt God meer ermee te bereiken dan alleen het persoonlijke heil van iedere christen. Door de ver­lorenheid en gebrokenheid van de schepping, de mensheid in het bij­zonder, is ons de ‘grote opdracht’ gegeven. “Gaat dan henen en maakt alle volken tot mijn discipelen” Matteüs, 28, vers 19a. (Matt. 28:19a). De vrije heerlijkheid dient tevens ingezet te worden voor die taak. Het einde komt niet voordat het evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt is Matteüs, 24, vers 14. (Matt. 24:14).

Dit omvangrijke werk zal gepaard gaan met grote kracht en volheid van de Heilige Geest, dus met de open­baring van de heerlijkheid. Met ver­bazing zal de heerlijkheid van de Zoon des mensen in zijn heiligen aanschouwd worden

2 Thessalonicenzen 1 vers 10. (2 Thess. 01:10). Niet ter bevestiging van henzelf, want dat heeft hun geloof reeds bewerkstelligd Hebreeën 11 vers 1a. (Heb. 11:01a). Maar het gebeurt tot redding en heil van de verlorenen en ter verheerlijking van Jezus.

De zonen leven zelf door Hem en brengen daardoor leven aan de doden die willen luisteren naar de stem van de Zoon Gods. Zij zijn zonen der heerlijkheid en brengen hun heerlijkheid de schepping in  (naar Openbaring 21, vers 24b (Openb. 21:24b).

Realisering in vrijheid

De realisering van Gods voornemen met de afzonderlijke gelovige èn met de gehele schepping, vraagt om vrij­heid.

Allereerst vrijheid voor de Vader en de Zoon om alles wat Zij noodzake­lijk achten om te doen, ook werkelijk te kunnen doen. Waar Zij worden beperkt, stagneert de uitvoering van Gods plan.

Vervolgens vraagt de heerlijkheid om vrijheid om zich in de gelovige te kunnen laten gelden tot diens zalig­heid.

En tenslotte is vrijheid de voorwaar­de om het wereldomvattende red­dingswerk te kunnen uitvoeren in heerlijkheid, in de kracht van God. Om deze redenen bidden, strijden, geloven en oefenen wij om die vrij­heid tot stand te laten komen en om de heerlijkheid in toenemende mate te laten ontwikkelen. Wij willen met elkaar in een groter wordende vrij­heid ontwikkelen van kracht tot kracht en van heerlijkheid tot heerlijkheid.

Vrij zijn om in heiligheid te wande­len en om in liefde te handelen. Vrij zijn om te werken met woord en gaven. Vrij zijn om onbeperkt te geloven. Vrij zijn om met de gezind­heid van Christus getooid te zijn. Vrij zijn om Jezus’ verschijnings­vorm te evenaren Romeinen 8, vers 29. (Rom. 08:29). Vrij zijn in dienst van de vrije heerlijk­heid. Vrij zijn om verlossers en koningen te worden tot lof van de Eeuwige en tot heil van zijn schep­ping Obadja 1 vers 21a en Openbaring 22, vers 5c; Efeze, 1 vers 12a. (Obadja 01:21a en Openb. 22:05c en Ef. 01:12a).

Gaat u mee op deze hoge weg?

 

Leven in Gods heerlijkheid Wijsheid van Judas door Cees Maliepaard

Deel 12  (slot)

“Hem nu, die u voor struikelen kan behoeden en onberispelijk doen staan voor Zijn heerlijkheid in grote vreugde, de enige God, onze Heiland, zij door Jezus Christus, onze Here, heerlijkheid, kracht en macht vóór alle eeuwigheid, én nu én in alle eeuwigheden! Amen” Judas, 1 vers 24 en 25. (Judas 01:24-25).

God kan ons voor struikelen behoe­den, zeker weten! Maar hoe komt het dan dat kinderen Gods toch soms in overdrachtelijke zin onderuit gaan? Elke buiteling van de mens in de geestelijke wereld is onnodig; de eeuwige God kan die voorkomen – maar alleen als de betrokken mens daar zélf ook op gericht is.

Nooit meer in de fout?

Wie van ons kan naar waarheid zeg­gen nooit in woorden te struikelen? Ook al hebben we onszelf doorgaans aardig in de hand, een wegglijder behoort altijd tot de mogelijkheden. Eén moment van onbedachtzaam­heid kan heel wat negatieve gevolgen hebben. Maar als we voor Gods aan­gezicht staan, op Hem gericht zijn en ons heil van Hem verwachten, is daarmee een situatie geschapen waarin de eeuwige God ons voor struikelen zal kunnen behoeden. Heel wat strubbelingen krijgen gewoon geen kans te ontstaan, als we gewend zijn naar Gods stem te luisteren en te doen wat Hij ons zegt. Iemand die naar de ingevingen van het eigen hart of naar de influis­teringen van een vreemde overheer­ser luistert, zal door onze God niet voor struikelen behoed kunnen wor­den. Want de Here God dwingt geen mens; gehoor geven aan Gods boodschap gebeurt altijd op basis van vrijwilligheid.

Maar als een mens zich oefent in het onderscheiden van Gods wil met betrekking tot z’n leven  (en daar ook naar handelt) zal struikelen en vallen voorkomen kunnen worden en gaat een onberispelijk leven tot de mogelijkheden behoren. Alle aanklacht en verwerping valt hiermee weg, want deze verachtelijke wapens van de boze machten treffen niet langer doel.

We kunnen daarvoor in de plaats Gods glorie gaan dragen. Zijn heerlijkheid wordt gevormd door een feilloos functioneren van de mens die God toebehoort. Dat zal zich in grote vreugde gaan ontplooi­en. En wie heeft die vreugde: de Here God of de mens? Ieder zal het antwoord daarop zelf wel kunnen geven: Beiden natuurlijk! Zoals goede ouders zich zullen verheugen over een geslaagd leven van hun kin­deren, minstens zoveel als hun kroost daar zelf blij mee zal wezen.

De énige God

De Here God is een enig God, Hij is uniek, schrijft Judas. Elk mens is óók enig, ook uniek, want van ieder is er maar één. Maar dat betekent wel dat er vele unieke mensen moe­ten zijn – miljarden zelfs! Er is echter in het geheel slechts één God, want buiten Hem is er geen. De vele goden, waar de apostel Paulus over schrijft in 1 Korinthe 8, vers 5 en 6. (1 Kor. 08:05-06), vormen de menigte aan afgoden die een mens tegenkomen kan. Die worden vooral gevormd door idolen die de mensen zich in gedachten maken en waarmee Satan en zijn demonen zich maar al te graag vereenzelvigen. Paulus noemt hen dan ook terecht zogenaamde goden. Er zijn goden in menigte, geeft hij aan. Maar voor ons  (nog steeds volgens Paulus) is er maar één God, de Vader, uit wie alle dingen zijn en tot wiens glorie wij zijn. Er is maar één Heer, Jezus Christus, door wie alle dingen zijn en door wie ook wij er werkelijk wezen kunnen!

De vele goden zijn in werkelijkheid anti-goden. Ze proberen de mens in heilloze situaties te manoeuvreren, maar de Here God is onze Heiland en Hij is de Schepper van alles wat goed is. Hij heeft een plan waar Hij Zijn welbehagen in kwijt kan, juist omdat Hij de mens daarmee intens gelukkig  (ofwel: zalig) maakt. Wanneer iemand zich ontvankelijk opstelt, laat de Vader zich niet onbe­tuigd in het aandragen van alles wat nodig is voor het leven als een zoon van Hem. Samen met Jezus, de eer­ste Zoon, die ons óók tot een Heiland geworden is.

Door Jezus Christus

De enige God bewijzen we alle eer, want van Hem is de majesteit, de kracht en de macht. Onze God écht eer betonen kan alleen maar vanuit onze relatie met de Here Jezus. Want Hij is onze Héér: Hij heeft het voor het zeggen in ons leven. Dat is immers onze vrije keus geweest! Jezus Christus vormt de enige brug tussen ons en “Hem die ons voor struikelen kan behoeden”. Elke ande­re weg is door Satan geblokkeerd, zonder mankeren. Alleen de weg door Jezus gevormd, is open. En wel voor een ieder die via die weg het doel bereiken wil.

Het volgen van deze weg heeft echter wel consequenties. Je kunt je daar nu eenmaal niet naar believen voor- of achteruit op bewegen. Jezus zei immers: “Ik ben de weg, de waar­heid en het leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij” Johannes, 14, vers 6.  (Joh. 14:06). Als iemand een eenmaal afgelegd stuk weg weer terug gaat lopen, zal hij bemerken dat om het doel van God dichter te benaderen, hij zich op dat vlak opnieuw zal moeten omkeren. Want Gods doel met de mens ligt nooit in een verkeerd verleden, maar altijd in het realistische heden van het Koninkrijk van God. Iemand die op God gericht is, heeft het Godsrijk vóór zich liggen. Alleen wanneer een mens zich van de HERE God heeft afgekeerd, is het zinnig zich om te draaien – en daar heeft men Jezus voor nodig!

Goddelijke glorie in de mens

Is het slot van Judas’ brief niets meer dan de uiting van wat vrome wensen? De eeuwige God zij de heerlijkheid, de majesteit, de kracht en de macht.

Bedoelt Judas hiermee aan te gevend- dat we dat dan maar zullen hopen? Zo van: wie weet gebeurt het nog wel eens! Nee, wat hij onder onze aan­dacht brengt is de stellige zekerheid die in ons leven openbaar zal komen, mits er aan één voorwaarde wordt voldaan: als we leven in gemeen­schap met onze Here Jezus Christus. Buiten de eniggeboren zoon van God om, is het niet mogelijk aan het plan van de Vader te beantwoorden, en dus ook niet aan deze omschrijving van Judas.

God heeft alle heerlijkheid die maar denkbaar is, in zich. En vanuit onze relatie met Jezus in het lichaam van de Christus, zal de heerlijkheid van de Vader ook in onze levens er dui­delijk uitspringen. Waar wij naar ons innerlijk goddelijke glans vertonen, zal Gods glorie door ons heen naar buiten zichtbaar wezen. Dat kan gewoon niet missen! Gods luister zal in de wereld om ons heen aan ONS af te lezen zijn.

De majesteit waar de Schepper van hemel en aarde mee bekleed is, is werkelijk weergaloos! Daarmee ver­geleken valt de majesteitelijke status van aardse vorsten volkomen in het niet.

Toch valt veel van de majestueuze schittering van de Schepper in Zijn schepping waar te nemen. Het patroon van de Bouwmeester vind je terug in wat uitgewerkt is. En Gods woorden tijdens de schepping aan de engelen gericht: “Laat ons mensen maken, naar ons beeld en gelijke­nis…”, droegen van de aanvang af voldoende daadkracht in zich om Gods majesteit met nadruk in de kroon op Zijn schepping te leggen.

Met macht en kracht bekleed

God heeft alle macht in de hemel en op de aarde om Zijn plannen te verwezenlijken. Het ontbreekt Hem ook niet aan kracht om zich boven de tegenpartij  (uit het duistere deel van de hemel) te stellen. Van Hem is “immers alle goede macht en kracht, zowel in de hemel als op de aarde. “Vóór alle eeuwigheid”, wil de NBG- vertaling ons doen geloven. Maar zo is het natuurlijk niet, want de eeu­wigheid heeft geen begin, er kan der­halve nooit iets vóór de eeuwigheid geweest zijn! DE TIJD heeft ooit een aanvang genomen, en terecht geven sommige vertalingen deze tekst dan ook weer met: “vóór alle tijden”. Vóór alle tijden heeft God Zijn maje­stueuze plan, in originele heerlijk­heid bedacht. Nu, in de tijd, is dat plan door Jezus Christus uitgewerkt. En dat ondanks tegenwerkingen van­uit het rijk van duisternis en dood. Op basis van wat de eerstgeboren Zoon van de Vader volbracht heeft, mogen wij medewerken aan de vol­tooiing van Gods plan in ons, tot ver­wezenlijking in onze hemel en tot een getuigenis voor de wereld rond­om ons. Alle denkbare heerlijkheid, majesteit, kracht en macht horen bij de Here God, van vóór de oor­sprong van alle dingen via de realisa­tie van Gods bedoelingen  (ook in onze dagen) en tot in alle eeuwighe­den na deze tijden. Aan het einde van deze korte brief, laat Judas hierop zijn ‘amen’ horen. En ik denk dat wij dit alles op onze beurt ook met grote stelligheid zou­den kunnen beamen.

Hoe nu verder?

Wat is onze taak in wat Judas ons allemaal laat zien? Het gaat immers over de eeuwige God en Zijn plan, en over Zijn eniggeboren Zoon, onze Heer. Het is nog wel in te denken dat we met elkaar in het spoor van Jezus kunnen staan, want tenslotte behoort Hij -evenals wij- tot het menselijke geslacht. Ook al is Hij dan de door God reeds aan Adam en Eva beloofde Zoon. Maar met de eeuwige God zal niemand zich ooit kunnen meten, in de hemel niet en op de aarde al evenmin. Toch heeft de Schepper ons naar Zijn beeld geschapen. Naar onze innerlijke statuur lijken we dus op de Vader. Hij heeft de mens net zo gaaf in het leven geroepen als Hij zelf is: zonder enig mankement, een beelddrager naar het innerlijk, écht goed!

Wij willen graag  (net als Jezus) over­eenkomstig het plan van de Vader bezig zijn. Dat betekent dat we ons te allen tijde bewust zullen zijn van onze volledige afhankelijkheid van Hem die ons voor struikelen kan behoeden. Want zonder Hem zullen we niets van dat plan in de hemel of op de aarde kunnen uitwerken. Dat we uit kunnen voeren wat de Vader ons heeft laten zien, komt uit­sluitend doordat we ons op de enige weg naar het Vaderhart bevinden. Die weg is Jezus. En deze unieke weg voert, afgestemd op Gods waar­heid, naar het leven in onverganke­lijkheid, zoals de Eeuwige zich dat van het begin af gedacht heeft. Dat nu is onze vreugde. Het is logisch dat zulk een blijd­schap door Judas groot genoemd kan worden, want naar de maatstaven van een aards, natuurlijk denken is het een nooit te bereiken aangele­genheid. Maar onze God denkt niet aards of natuurlijk. Ook niet van mensen zoals u en ik. Zijn plan is voor ons op maat gesneden. HIJ heeft het immers uitgedacht! Dus is het door ons stellig te realiseren.

 

Wijsheid en inzicht  (gedicht) Tea Keuper

“God kent de weg tot haar  (de wijs­heid), Hij weet haar verblijfplaats. Want Hij schouwt tot de einden der aarde, wat onder de ganse hemel is, ziet Hij…, maar tot de mens zei Hij: Zie, de vreze des Heren – dat is wijsheid, en van het kwade wijken is inzicht” Job 28, vers 23 tot en met 28. (Job 28:23-28).

 

Wat is het Woord een kostbaar goed!

Het is het Woord dat leven doet,

met wijsheid opgeschreven.

U zélf bent goed, vol liefde en wijs,

Mijn Vader, Leidsman op mijn reis,

door heel mijn aardse leven!

 

Uw Zoon heeft het voor mij vol­bracht,

Uw Geest geeft inzicht, sterkt’ en kracht,

een mens kan daar niet zonder.

Brengt hij iets buiten U tot stand,

dan bouwt hij op het rulle zand,

ervaart hij niet Uw wonder!

 

Mijn wijze, liefdevolle Heer,

ik buig mij aanbiddend voor U neer:

schrijft U in mij Uw wetten,

die leiden tot de vrijheid toch,

zonder des satans boos bedrog,

U wilt mij vrij gaan zetten!

 

Zo kome Heer, Uw Koninkrijk,

waarin ik, aan Uw beeld gelijk,

voor eeuwig toch mag wonen!

En heersen met U op de troon,

o Vader, Geest en Mensenzoon,

zó wilt U mij belonen!

 

Geestelijk licht op de tijd waarin wij leven door Gert Jan Doornink

 

“Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar…

tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten… Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bie­den in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden” (Paulus in zijn brief aan de Efeziërs, Efeze 6. Vers 12 en 13. (Ef. 06:12-13).

De genen en ons karakter

Bepalen de genen  (de erfelijke facto­ren die we van onze ouders meekrij­gen) ons karakter? In wetenschappe­lijke kringen zijn de opvattingen hierover sterk verschillend en aan voortdurende veranderingen onder­hevig. Het magazine Elsevier besteedde er onlangs in een hoofdar­tikel weer eens uitgebreid aandacht aan. Onder de kop: ‘Wie bent u? Nieuwe wetenschappelijke inzichten over de invloed van de genen op het karakter’ schrijft Simon Rozendal, de samensteller van het artikel: “Een eeuw lang hebben psychologen en psychiaters ons wijsgemaakt dat we om onszelf te begrijpen, in onze her­inneringen dienden te wroeten. En gewroet hebben we. Massaal. Een eeuw lang. In opdracht van Freud, Jung, B. F. Skinner en de Riagg. Miljoenen mensen die niet helemaal lekker in hun vel zaten, was het wal­halla beloofd als ze maar eenmaal zouden ontdekken wie vroeger hun rammelaar had gepikt. De uitkomst was niet zelden dat het allemaal de schuld van de moeder was. Psycholoog Bruno Bettelheim begon ermee door te zeggen dat kin­deren autistisch werden als ze een fridge-mom hadden en sindsdien is ma een koelkast in de wachtstand die stoornissen op bestelling kan leveren. Zoonlief homoseksueel? Moeder was te dominant. Schizo­frenie, verlegenheid, bedplassen, nagelbijten, een paar maanden mopperen op moeder bij de psycho­therapeut en je voelde je herboren. Nog steeds zijn er legioenen mannen en vrouwen, volwassen, soms zelfs van middelbare leeftijd, redelijk verstandig, die oprecht menen dat ze slechts tot affectieve relaties in staat zijn, niet in staat zijn met hun diep­ste ik, enz. omdat hun vader alleen maar thuis was om het vlees te snij­den dan wel hun moeder ‘altijd van die dubbel signalen gaf. Voor al die stakkers en tobbers  (schrijft Rozendal) is er nieuws. Het was een vergissing. De psychologie keert met rasse schreden terug van de opvatting dat de kindertijd zo belangrijk zou zijn. In plaats daarvan groeit een wezenlijk beeld van de persoonlijkheid van een mens. Die wordt voor minstens de helft bepaal^ door de genen, de erffactoren die we van onze ouders meekrijgen”. Rozendal komt tot de conclusie dat “het inzicht dat het karakter van de mens voor een belangrijk deel in de genen wortelt, een omwenteling is met Copernicaanse allure. Het staat volslagen haaks op wat er in grote delen van de samenleving gedurende vele decennia is gedacht.

Adoptiestudies

Genen zijn belangrijker voor het karakter dan de opvoeding. Dat had al lang geleden kunnen worden inge­zien, als de psychologie er maar voor had opengestaan. Zo zijn er halver­wege deze eeuw intrigerende adop­tiestudies gedaan in Zweden, bij­voorbeeld naar de relatie tussen genen, opvoeding en criminaliteit. Als een kind zowel biologische als adoptieouders zonder strafregister heeft, is de kans dat het kind het slechte pad opgaat drie procent. Heeft het kind goede biologische ouders, maar komt het in een ver­keerd adoptiegezin terecht, dan stijgt de kans op misdadig gedrag licht, tot zeven procent. Foute biologische ouders en een goed adoptiegezin leiden tot een kans van twaalf procent, verkeerd biologische ouders én adoptieouders verhogen de kans op misdadig gedrag tot veertig procent. Vergelijkbare bevindingen gelden voor andere eigenschappen. Adoptiekinderen van wie een van de biologische ouders alcoholist is, heb­ben een viermaal zo hoge kans om later zelf verslaafd te raken. Kinderen van wie de biologische ouders niet verslaafd zijn, worden daarentegen vrijwel nooit alcoholist – hoe ruimhartig er in het adoptiege­zin ook wordt geschonken. Mat andere woorden, de invloed van de biologische ouders  (lees: de genen) is een stuk groter dan van de opvoeding. Zit het op beide vlakken tegen, dan gaat overigens de meer­derheid van de kinderen niet het misdadige pad op of wordt alcoholist. Er is genoeg ruimte voor eigen inbreng: een mens is noch een slaaf van zijn opvoeding noch van zijn genen. Net zomin als het destijds terecht was dat iemand zich vrij pleitte door aan te voeren dat zijn rammelaar vroeger was gepikt, vol­staat het nu om tot rechtvaardiging van je daden en feilen te stellen dat je gehoorzaamt aan het dictaat van je genen. Genen geven een richting aan maar het individu zelf bepaalt waar de weg uitmondt”.

De mens bepaalt

Tot zover Rozendal in Elsevier. Want hier vinden we als christenen een belangrijk punt om op in te haken. De mens zelf bepaalt! God heeft ieder mens geschapen met een vrije wil. De eerste mensen namen helaas al een verkeerde beslissing door aan de stem van de Satan gehoor te geven met alle negatieve gevolgen van dien.

Maar als christenen weten we dat Satan niet het laatste woord heeft! Jezus, de Zoon van God, overwon hem aan het kruis van Golgotha en voortaan was het voor ieder mens mogelijk, door te geloven in Hem, totaal nieuw te worden. Paulus for­muleert dat op duidelijke wijze door te schrijven: “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen” 2 Korinthe 5, vers 17. (2 Kor. 05:17). In Christus wordt de mens een nieu­we schepping. Meer nog dan de genen en onze opvoeding wordt nu ons leven gekenmerkt door de plaats die wij aan dit nieuwe leven geven. En daarvoor dragen we zelf de ver­antwoordelijkheid. Want ook na onze bekering blijft onze wil een allesover­heersende rol spelen. Belangrijk voor elke nieuwe schepping is daarom ook dat hij gedoopt en vervuld is met de Geest van God. Deze Geest wil zich graag ‘aansluiten’ bij de positie­ve eigenschappen van onze genen en vanuit onze opvoeding. Maar deze Geest zal nooit en te nimmer gemeenschap willen hebben met negatieve eigenschappen vanuit onze genen en opvoeding. Het is van grote betekenis dit goed te onderkennen, want gebrek aan geestelijke groei, wat we bij heel veel gelovigen aantreffen, wordt veelal veroorzaakt doordat er restanten van­uit het door Satan beheerste negatie­ve verleden niet zijn opgeruimd. Als men als nieuwe schepping zelf niet in staat is schoon schip te maken met deze ‘restanten’  (gebondenhe­den) is een bevrijdingsbediening noodzakelijk, soms ook een bevrij­ding van machten uit het voorge­slacht.

In een artikel zoals we citeerden uit Elsevier komen we uiteraard deze adviezen niet tegen. In een van onze vorige nummers schreven we al hoe het overgrote deel van de weten­schappelijke wereld niets van het werkelijke geloof wil weten. Des te meer zullen wij als gelovigen ons geen rad voor de ogen laten draaien, maar wetende dat het zonder geloof onmogelijk is God welgevallig te zijn, dagelijks invulling geven aan het verlangen de geloofsweg te gaan. Zo wordt ons karakter meer en meer omgevormd naar de wil van God en openbaren we ons als werkelijke beelddragers van Christus.

Theologie- opleiding op de helling

De laatste tijd is in kerkelijke kring nog al wat commotie ontstaan door de opheffing van enkele theologische faculteiten  (Leiden, Kampen). Deze opheffing is een logisch gevolg van het nu al vele jaren teruglopend ledenbestand van de, vooral grotere, kerken, waardoor een reorganisatie van de theologische opleidings­mogelijkheden noodzakelijk werd. Maar is zo’n opleiding eigenlijk wel nodig? Feitelijk vinden we in de Bijbel daar geen enkele aanwijzing voor. In de eerste christengemeenten vinden we daar in ieder geval niets van terug. Wel waren er bepaalde gaven, bedieningen, etc. Paulus schrijft bijvoorbeeld, in zijn brief aan de Efeziërs, hoe sommigen aange­steld werden tot apostel, herder, evangelist, profeet of leraar. Maar niet dat daarvoor eerst een of andere wetenschappelijke vooropleiding noodzakelijk was.

Opvallend is in dit verband wat Paul van der Haar schrijft in zijn column in het HN-magazine. Van der Haar studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, vervol­gens aan de Universiteit van Amsterdam  (UvA) en tenslotte aan die van Groningen. Hij schrijft: “Godsdienst, geloven is geen individuele zaak maar per definitie gezellig, een zaak van de kudde  (gemeente), de maatschappij. Wie als gelovige gaat studeren, krijgt het wat dat betreft flink voor z’n kie­zen. Hij of zij wordt uit de groep gesleurd en moet zich in de ivoren toren maar zien te redden met de brokstukken van zijn of haar geloof die resten na een rondgang door de wetenschap. Want ik kan u verzeke­ren:  (kerk- en dogma)geschiedenis, sociologie, psychologie, ethiek en filosofie laten niet veel van het kin­derlijk geloof heel.

Opheffen die boel!

Mijn conclusie is dan ook: hef alle studies theologie op. Per slot van rekening maakt Theo de logie tot een innerlijke tegenstrijdigheid. God kun je niet meten of wegen. En dat maakt dus dat elk werk over ‘hem’ vastloopt op X-onbekend. Studie en studieboeken zijn of drijfzand gebouwd.

Laat mensen gewoon vier jaar stude­ren wat er te  (be) studeren valt  (geschiedenis, sociologie, ethiek, filo­sofie, Grieks, Latijn, Hebreeuws). Aan de daarvoor geëigende facultei­ten. En laat degenen die dan nog predikant of godsdienstleraar willen worden, doorstromen naar een prak­tische beroepsopleiding van de kerk waartoe hij of zij zich aangetrokken voelt.

Een opleiding waar de kloof tussen de wetenschap en de vertaling naar het geloofsbewustzijn aan de basis overbrugd kan worden”. Wat Van der Haar hier naar voren brengt laat niet alleen aan duidelijk­heid niets te wensen over. Juist in het in het gewone maatschappelijke leven van elke dag -op het werk, kan­toor, fabriek en school-, is grote behoefte te tonen dat het christen­zijn een levende realiteit is.

 

Doelen door Truus van Kaam

Op velerlei manieren zij we hiermee bezig: in de maatschappij, in ons huwelijk, in onze gemeente. Hoe gaan we om met onze ver­wachtingen?

Er zijn vele herkenbare problemen en vaak is het roeien tegen de stroom op. Hoe doen we dat? Natuurlijk praten we er met onze Heer over, maar het over te geven aan Hem gaat verder. Als we dat doen zullen de resulta­ten zichtbaar worden in ons leven en tegelijkertijd zal onze relatie met de Heer zich verdiepen.          

Toch worstelen velen met de vraag hoe het leven Gods zich in hen kan ontwikkelen.

Het antwoord is, bijbels gezien, heel eenvoudig en dat is: een dage­lijks ons overgeven, toevertrouwen aan de wil van de Heer en leren omgaan met Zijn gedachten – en dat zijn levende gedachten. Lucas 12, vers 24. (Luc. 12:24) zegt: “Let op de raven, zij zaaien niet, ze hebben geen voorraadkamer of schuur, en toch voedt God ze”.

Truus van Kaam

 

De bediening van herder door Wim te Dorsthorst

Het herstel van de gemeente deel 9

Als we nadenken over de bediening van ‘herder’ dan gaan de gedachten als vanzelf uit naar God en Jezus Christus. Het is moeilijk te zeggen welke bediening het belangrijkste is, maar als de herder ontbreekt kan de gemeente niet naar Gods wil en orde functioneren. Dan komt de gemeen­te een stuk liefdevolle zorg en lei­ding tekort. De herder is degene die ten nauwste betrokken is bij het hele wel en wee van de mensen in de gemeente.

Alle bedieningen zien wij functione­ren in de Heer Jezus, maar juist in het herderschap komt het diepste wezen van God naar voren, namelijk Zijn liefde en bewogenheid. Lucas schrijft dat God omziet naar de mens met “innerlijke barmhartig­heid” Lucas, 1 vers 78. (Luc. 01:78). En die liefde en die barmhartigheid omvat alles wat scha­pen nodig hebben. Zorg, aandacht, warmte, vertroosting, losmaking of bevrijding, heling, zachtmoedigheid, geduld,…

Maar ook voor verzorging in de ruimste zin van het woord. Kundigheid om het juiste voedsel aan te reiken, de weg te wijzen, lei­den naar het doel, vermanen en dat in liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof  (naar 1 Timoteüs 1 vers 5. (1 Tim. 01:05).

God zelf de goede Herder

In het prachtige hoofdstuk 34 van Ezechiël, over God zelf als ‘de goede Herder’, verwijt Hij de leiders van Israël dat ze alleen maar aan hun eigen belangen denken. In Ezechiël 4, vers 4. (Ez. 04:04) zegt God: “Het zwakke versterkt gij niet, ziekte geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij”. Dit gaat God ontzettend ter harte en Hij trekt dan ook fel van leer tegen de zogenaamde herders. In Ezechiël 4, vers 11 en 12. (Ez. 04:11-12) zegt Hij: “Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te mid­den van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis”. In Ezechiël 4, vers 23 en 24. (Ez. 04:23-24) lezen we hóe God zelf naar de schapen zal omzien, als Hij zegt: “Dan zal Ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen wei­den, die zal hun herder zijn. Ik, de Here, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Here, heb het gesproken”.

Jezus de goede Herder

In Jezus Christus, Zijn Zoon, heeft God inderdaad zelf omgezien naar Zijn schapen, naar Zijn mensen  (vs. 31). Hij, Jezus, is de knecht David. Hij is de Herder en Hij is Koning in het midden van Gods volk, die God al aankondigde in Ezechiël 34. In Johannes, 10, vers 11. (Joh. 10:11) zegt de Heer Jezus: “Ik ben de goede Herder. De goede Herder zet Zijn leven in voor Zijn schapen”.

En als we de Heer Jezus zien staan temidden van het volk Israël, wenen­de en met ontferming bewogen, dan zien we God zelf staan temidden van Zijn volk en de wereld, want Gods Zoon is het zichtbare beeld van de onzichtbare Vader in de hemel Kolossenzen, 1 vers 15. (Kol. 01:15).

Als je aan Gods schapen  (mensen) komt, dan kom je aan God zelf. Dan komt God in beweging zoals Ezechiël 34 duidelijk laat zien.

Herders naar Gods hart

God zelf en Jezus Christus zijn hét grote voorbeeld voor de herders­bediening. Voor de hele periode van de gemeente, en zeker ook voor de eindtijd, “de tijd van wolken en duis­ternis” Ezechiël, 34, vers 12. (Ez. 34:12) is Gods belofte: “En Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met ken­nis en verstand” Jeremia 3. vers 15. (Jer. 03:15). De herders die de Heer als gave geeft aan de gemeente, ‘herders naar Gods hart’, zullen door de bijzondere genade deelgenoot zijn van het herdershart van de Heer zelf. Ze zullen toegerust zijn met goddelijke kennis en verstand om de gemeente te lei­den en te weiden. Iedere bediening is een kanaal van de Heer waardoor Zijn bijzondere genade stroomt, maar bij de herder zal het wezen van de Heer zelf het duidelijkst naar buiten treden. De herder zal op een bijzondere wijze de schapen bij elkaar weten te houden en direct opmerken als er wat broeit in de gemeente of dat sommigen afdwalen of geïsoleerd dreigen te raken van de kudde. Individualisme in een kudde kan absoluut niet. Dat kan iedere schaap­herder u vertellen, zo’n schaap is ten dode opgeschreven. Zoals de herder bij een kudde scha­pen altijd direct herkenbaar is, leu­nend op zijn staf, de kudde scherp in de gaten houdend of in actie bij een kuddedier in nood, zo is ook de her­der in de gemeente herkenbaar voor de kudde. En zoals schapen al van verre de stem van de herder kennen, zo zal dat ook bij de gemeenteleden het geval dienen te zijn met hun her­der of herders. Voor de nieuw bin­nenkomende in de gemeente is de herder wel de eerste om hem op te vangen en te verzorgen.

Mensen met een herdershart

Wat de wereld nodig heeft, zijn men­sen met een herdershart. Iemand zou kunnen zeggen, nee, de schep­ping wacht op de zonen Gods. Dat is helemaal waar, maar deze zonen Gods zullen toch in hart en nieren ‘herders’ moeten zijn, zoals de Opperherder Jezus Christus 1 Petrus 5, vers 4. (1 Petr. 05:04)

Een herder is iemand die als het ware in de huid van het schaap kruipt om te voelen en te beleven wat het schaap voelt en beleeft. Dat is precies wat God heeft gedaan in Zijn Zoon Jezus Christus. En dat is ook precies wat de Heer Jezus heeft gedaan.

Er staat dat Hij het aan God gelijk zijn met alle heerlijkheid, heeft afge­legd en in alles aan de mensen gelijk geworden is Filippenzen 2 vers 5 tot en met 7. (Filip. 02:05-07). En waar­om? Waarom wilde God dat zo? Hebreeën, 2 vers 10. (Heb. 02:10). “Opdat Hij een barm­hartig en getrouw Hogepriester zou kunnen zijn”.

Om lijfelijk te ervaren wat de men­sen lijden en ondervinden, om daar­door de mensen nu te hulp te kun­nen komen. Hij kan in alles met ons meevoelen, in onze zwakheden, ver­zoekingen en lijden. Want daartoe is Hij juist arm en zwak geworden 2 Korinthe 8, vers 9. En Hebreeën, 2 vers 17 en 18. En Hebreeën 4, vers 14 en 15. (2 Kor. 08:09 en Heb. 02:17-18 en Heb. 04:14-15). Zo is Hij de Opperherder naar Gods hart, de knecht David, de Koning van Gods volk. Dit is ten diepste de gezindheid van Christus voor alle gelovigen, maar in het bijzonder voor de herders-bediening. Zij zullen immers mee dienen te werken om juist ook het aspect van dienstbetoon in de gelovigen tot ontplooiing te brengen Efeze 4 vers 12.  (Ef. 04:12). De herders-bediening roept over he’ algemeen weinig vragen op bij de gemeenteleden en wordt makkelijker als nuttig en nodig onderkend dan de andere bedieningen.

Mensen als schapen

Het is eigenlijk wel typerend dat God zelf het beeld van schapen en herder over Zijn volk heeft ingevoerd. Daar is aan de hand van de Bijbel, en ook vanuit lectuur wat daarover is, heel wat van te zeggen. Uit alles blijkt dat het schaap het meest hulpbehoevende dier is als het gaat om het vinden van voedsel en goede verzorging. Als een schaap niet geleid wordt, blijft het op het­zelfde gebied lopen en maakt diepe sporen in het terrein waar ze steeds maar door blijven lopen. Ze zien er dan op den duur onverzorgd en ver­waarloosd uit.

Vandaar ook dat Psalm 23, vers 3. (Ps. 023:003) zegt: “Hij leidt mij in de rechte spo­ren om Zijns Naams wil”. Ik geloof dat God ons met deze beel­den duidelijk wil maken dat de mens, wat zijn geestelijk leven betreft, niet buiten goede leiding en verzorging kan.

Dat kan in gemeenten nog weleens op verzet stuiten omdat de geest van individualisme rondom de gemeen­te, in de wereld, hoogtij viert. Je raakt dan echter los van de kudde en wordt dwalende als schapen en ieder gaat zijn eigen weg, zegt Jesaja 53 vers 6. (Jes. 53:06). En mijn eigen weg gaan betekent in goed Nederlands: “Doen wat ik zelf wil en goed vind”. Daarom zit in het geven van de ‘her­ders-bediening’ al een diepe les voor Gods volk. Wie het ziet, ziet het! Ook de prachtige herders-bediening moet ontdaan worden van het verte­kende beeld wat ontstaan is in twin­tig eeuwen kerkgeschiedenis. Zeker in deze en de nog komende tijd, waar de problemen en psychische noden alleen maar groter dreigen te worden, mag deze bediening krachtig functioneren in de gemeente. Maar ook deze bediening zal mee­werken: “Om de heiligen toe te rus­ten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus” Efeze 4, vers 12 en 13. (Ef. 04:12-13).

 

Korte gedachten door diverse schrijvers

Volharden in de gebeden door Cees Maliepaard

Soms houden mensen op met bidden voor een bepaalde zaak, omdat het gewenste resul­taat uitblijft. In het Woord van God worden we opgeroepen tot volhardend gebed, en dat betekent dat we dus niet af zullen haken tot Gods doelstellingen in de mens volkomen verwezenlijkt zijn.

Desalniettemin zullen we niet doordrammen om ónze verlangens er door te drukken. Bepalend is altijd nog wat Gód er van vindt. Maar als de wil van de Heer ons duidelijk voor ogen staat, zullen we niet verslappen in de geestelijke strijd voor ons­zelf en voor elkaar. Eensgezind bezig zijn in de hemelse gewesten, is zinvol voor de onderlinge bemoediging. En het geeft zekerheid voor een goed eindresultaat.

Zelfbewustheid door Gert Jan Doornink

Zelfbewustheid behoort een positieve eigenschap te zijn van elk kind van God. Toch wordt het maar zelden als zodanig gezien. Men denkt dat men, door zelfbewust te zijn, zichzelf op een voetstuk plaatst, hoogmoedig is, etc. Het tegendeel is het geval.

Op welke wijze is een christen zelfbewust? Door de zekerheid van zijn geloof! Wanneer Paulus zegt, dat wie in Christus is, een nieuwe schepping is, en dat het oude leven voorbij is en het nieuwe is gekomen, dan is dat voor hem een zekerheid. Hij is zich dat bewust. En doet er uiteraard alles aan, dat dit geen verborgen aangelegenheid is, maar tot openbaring komt in het leven van elke dag.

Gezonden door Gert Jan Doornink

Jezus was de Gezondene des Vaders. Niet meer en niet minder. De Vader openbaarde Zijn wil in de Zoon. Hij bracht op een volkomen wijze tot uitdrukking wat de bedoeling van de Vader was. Hebreeën, 1 vers 3. (Heb. 01:03) zegt dan ook dat Hij ‘de afstraling van Gods heerlijkheid’ en ‘de afdruk van Gods wezen’ is. En dan te bedenken dat deze Jezus sprak tot Zijn discipelen  (en dus ook tot ons): “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u…”

Een onmogelijke opgave? Helemaal niet, als we leren radicaal af te rekenen met de influisteringen van de duivel en ons openstellen voor wat Gods woord en Geest ons aanreiken. En ook als we ons realiseren dat Jezus aan dezelfde verzoekingen blootstond als wij, maar niet toegaf, moet het ook voor ons mogelijk zijn stand te houden. Laten we afrekenen met allerlei vrome theorieën die beweren dat dit niet mogelijk is. ‘Je bent en je blijft een zondaar’, wordt er dan gezegd. Dat zijn vaak dezelfde mensen die te vuur en te zwaard de letterlijke interpretatie van de Bijbel verdedigen, maar tegelijkertijd de werkelijke en geestelijke betekenis van de Bijbel ontkrachten en bijvoorbeeld hun twijfel hebben over de woorden van Paulus als hij aan de Korinthiërs schrijft: “Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt” Een Korinthe 10, vers 13. (1 Kor. 10:13).

Niet naar de mens… door Gert Jan Doornink

Wanneer Paulus in zijn brief aan de gemeenten te Galatië, schrijft dat het evangelie niet is naar de mens Galaten, 1 vers 11. (Gal. 01:11), bedoelt hij hiermee niet te zeggen dat het evangelie niet vóór de mens is. Het evangelie is anders, mooier en rijker dan de mens zonder Christus ooit zou kunnen bedenken. Die zit immers ‘gevangen’ in het rijk der duisternis. De Leidse en de Petrus Canisius-vertaling hebben de opmerking van de apostel zo weergegeven: het evangelie is niet van men­selijke oorsprong. Duidelijk is dus de Goddelijke oorsprong van het evangelie; het is van God afkomstig maar bestemd voor de door Hem geschapen mens.  

De hoge weg door Gert Jan Doornink

‘Wandelen op de hoge weg’ is niet een soort geestelijk experiment, waarbij we maar af moeten wachten hoe het afloopt, het is een spannend, blij makend avontuur waarbij we iedere dag weer ontdekken hoe groot Gods liefde is en hoe de heerlijkheid des Heren meer en meer deel van ons leven gaat uitmaken.  

 

De oudste zoon in de gelijkenis door Jildert de Boer

In de zogenaamde gelijkenis van de verloren zoon Lucas 15, vers 25 tot en met 32. (Luc. 15:25-32) valt vrij­wel altijd het accent op de jongste zoon, die de erfenis verkwanselde en tenslotte bij een varkenshouder – beeld van de duivel- terecht kwam. Daar bij de lege schillen kwam hij tot inkeer en besloot om op te staan en naar zijn vader te gaan. De vader stond altijd in geloof op de uitkijk. Toen hij terugkwam, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewo­gen. De Vader -onze goede God- ver­wierp hem niet, verweet hem niets, maar heette hem ‘welkom thuis’ in grote barmhartigheid! De jongste zoon erkende: “ik heb gezondigd”. Voor de Vader was hij nog steeds zoon en geen varken! Hij vroeg geen verklaringen, maar bood hem een aanvaarding zonder grenzen, zonder terughoudendheid, want hij richtte een feestmaal aan. Wat een warm onthaal voor de verloren, maar terug­gevonden zoon!

Over de oudste zoon in de gelijkenis wordt doorgaans veel minder gezegd. Daarom willen we in dit arti­kel eens stilstaan bij het leven van de thuisgebleven oudste zoon. Probeer er iets van jezelf in te herkennen.

De zwoeger

De oudste zoon was nooit echt in de wereld geweest. Hij was nog op het land te vinden toen alle knechten al thuis waren. Wat een energie zette hij in voor het bedrijf! Een noeste werker en een ijverige doordouwer was hij. Hij vond het geen probleem om over te werken. Ook hij was een slaaf, namelijk van zijn werk! Je werk kan een vlucht zijn, een zoeken naar compensatie, een drang naar voldoening, naar prestaties, naar je bewijzen. Zoiets van: ik kan dat dan toch allemaal maar… Voor het werk in de gemeente zou hij een goede, een actieve broeder kunnen zijn. Hij is er dan toch maar altijd… Je kunt op hem rekenen met de zichtbare activiteiten, die gedaan moeten worden.

Is echter ons werk voor de Heer ook het werk van de Heer? “Als de Here het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan” Psalm 127 vers een? (Ps. 127:001). “De zegen des Heren, die maakt rijk, zwoegen voegt er niets aan toe”  (let wel, er staat niet “doet er niets toe”!) Spreuken 10, vers 22. (Spr. 10:22). Inzet voor de gemeente is goed, maar wat is onze gezindheid en hoe zijn onze innerlijke motieven? Denk ook eens aan Kaïn. Hij ploeter­de hard voor de vruchten van de aarde, de vruchten van zijn eigen werk en inspanning. Hij was even­eens afgunstig op zijn broer Abel. Die offerde het bloed van een lam en God sloeg acht op dat offer. De oudste zoon was jaloers op het feest met al die tamtam voor zijn jongere broer. Het woord ‘genade’ kende hij niet. Hij was niet dankbaar en verheugde zich er niet over dat zijn broer levend geworden was, opnieuw gevonden en gezond en wel terug. Blijkbaar had hij hem nooit gemist. Hij werd kwaad. Hij was zo boos, omdat hij zich geringgeschat achteruit gesteld voelde. Hem werd nu tekort gedaan. De geest van verwerping en afwijzing had postge­vat in zijn denken. Waarom nu zo’n hoop ‘kouwe drukte’ met muziek en dans voor die ‘doorbrenger’? Het was echter koud geworden in zijn eigen hart.

Arbeiders in de wijngaard

Het is net als met die arbeiders in de wijngaard Mattheüs, 20, vers 1 tot en met 16. (Matt. 20:01-16). De eer­sten morden tegen de heer des hui­zes over de laatsten, die hetzelfde loon kregen. Zij waren verongelijkt en een verongelijkte broeder is ontoegankelijker dan een sterke stad Spreuken 18, vers 19. (Spr. 18:19). Ze konden het niet zetten dat de heer goed is en er was geen sprake van dankbaarheid over de laatsten. Integendeel, ze voelden zich onredelijk behandeld, terwijl de heer billijk volgens afspraak uitbe­taalde. Toch meenden zij dat ze benadeeld waren. De conclusie van deze gelijkenis was: “Alzo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn”. Met een variant daar­op zouden we ook kunnen zeggen bij de jongste en de oudste zoon: “de jongste de eerste en de oudste de laatste”.

De oudste zoon morde en wilde niet naar binnen waar het feest in volle gang was. Vrome mensen en religieuze geesten hebben een hekel aan het feest dat de vader aanricht. Zij houden niet van de vreugde van God. De engelen weten wel van die blijdschap! Die zijn enthousiast, als een zondaar zich bekeert Lucas 15, vers 10. (Luc. 15:10) en ze zijn blij dat ze weer iemand kunnen gaan dienen! Ook bij de oudste zoon kon je het ‘geknor’ van de varkens  (beeld van de machten der duisternis) horen. Hij was bevangen door jaloersheid en misschien beducht voor concur­rentie. Wellicht dacht hij in na-ijver: nu begint mijn broer ook nog van mijn deel van de erfenis mee te eten, terwijl hij eerst zijn deel erdoor gebracht heeft.

Toen het volk juichte “Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden” ontstak hij in woede en werd door jaloezie ver­teerd. In plaats van deze verliezende concurrentieslag aan te gaan, had hij ook aanvullend op elkaar kunnen denken: 1000 + 10.000 is samen 11.000! Samen hebben we er elfdui­zend verslagen!

Evenzo had de oudste zoon kunnen denken: met de hulp van mijn vader heb ik me in mogen zetten, ons bedrijf is meer waard geworden en samen met mijn broer die terug is, gaan we er nu voor! Maar toen hij aan een knecht vroeg wat er te doen was en deze hem ant­woordde: “Uw broeder is gekomen en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten, omdat hij hem gezond en wel terug heeft” Lucas 15, vers 26 en 27. (Luc. 15:26-27) versteende zijn hart en werd hij boos van jaloezie. Toen de oudste zoon niet wilde komen, stuurde de vader niet één van de knechts om hem te roepen. Hij ging zelf naar zijn zoon toe. Hij hield net zoveel van de oudste als van de jongste zoon. Hij drong aan, sprak hem vriendelijk toe en ver­zocht hem om binnen te komen. Hij probeerde een scheiding aan te bren­gen: de zoon naar binnen en het gemor en geknor van de machten der duisternis buiten.

Tegenwerpingen

In Lucas 15, vers 2. (Luc. 15:02) lezen we: “En de Farizeeën en de Schriftgeleerden morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen”. Dit beeld zien we duidelijk in de oudste zoon terug. De oudste zoon komt met zijn ‘maar’, in een aantal argumenten vervat.

Hij beroept zich op “zie, zovele jaren ben ik al in uw dienst”  (vs. 29a). Hij was trouw, al jaren op zijn stekje en voldeed aan zijn verplichtingen. Wij zouden zeggen: lang niet het slecht­ste gemeentelid. Trouw is een goed

iets, maar dient wel een hartenzaak te zijn!

“En nooit heb ik uw gebod overtre­den”  (vs. 29b). Hij liet op en top ‘inzet’ zien en nam de wet uiterlijk stipt in acht. Hij leefde volgens de regels met een groot plichtsbesef. Je kon geen vinger op hem leggen naar de buitenkant gerekend. Hij had het goed met zichzelf geschoten. Hij had het ver geschopt met het houden van de geboden voor het aangezicht van mensen, in de zichtbare wereld. Het grote probleem was echter dat dit alles niet vanuit liefde, van bin­nenuit het hart kwam. Hij leefde niet frank en vrij voor het aangezicht van de vader, maar was innerlijk in wezen van diens positiviteit en liefde houding verwijderd. Toen de situatie daar was, dat zijn verloren broer terugkwam, bleek wat er binnen in hem leefde. Hij kon het niet verdragen dat die zo uitbundig werd onthaald. Had de vader hem ooit wel eens uitvoerig bedankt voor alles wat hij gepresteerd had? Hij kon geen uiterlijke ontferming opbrengen en van een innerlijke ont­ferming was al helemaal geen spra­ke. Hij kende dus het wezen van de vader evenmin.

Daarom rolden de verwijten uit zijn mond. “Maar mij hebt gij nooit een geitenbokje gegeven, om met mijn vrienden feest te vieren”  (vs. 29c). Hier proef je de zelfzucht. Heimelijk van binnen had hij wellicht ook wel eens, zoals zijn jongste broer de bloemetjes buiten willen zetten, maar nee, daar was hij te fatsoenlijk voor. Voor het oog leefde hij netjes en oppassend.

Nu voelt hij zich overgeslagen, gepasseerd en afgewezen. In het “nooit hebt gij mij” ligt een eis, een stuk zelfbehagen en zelfrechtvaardi­ging. In Lucas 15 vers 7. (Luc. 15:07) lees je over die 99 rechtvaardigen, die geen bekering nodig hebben. Dat zowel hij als zijn broer het van genade moeten hebben, heeft hij niet in de gaten. Hij geeft immers een harde reactie en misgunt zijn broer het nieuwe geluk. Hij reageert gebelgd en beledigd. Hij is gepikeerd, koes­tert zelfmedelijden en klaagt de vader aan.

Geest van afgunst

Ondanks zijn keurige, wettische onberispelijkheid wordt hij nu wre­velig, boos en bitter. Hij is niet recht­vaardig behandeld, meent hij. De geest van afgunst staat in hem op. Hij heeft het over “mijn vrienden”. Wie waren dat dan? Blijkbaar had hij daar de vader liever niet bij, anders had hij over “onze vrienden” gespro­ken. Hij was wel uiterlijk gehoor­zaam aan de vader, maar had geen relatie met Hem. Hij leefde in dode werken en hield er vrienden buiten de vader om op na. Eigenlijk wilde hij wel onder diens gezag uit. Innerlijk was hij hard en onveran­derd. In zovele jaren was hij niet innerlijk gegroeid, had hij geen leven gekregen in zichzelf  (goddelijke natuur in liefde, goedheid, enz.). Ondanks de schone schijn stond hij direct klaar met veroordeling, in plaats van de innerlijke ontferming, die de vader toonde. De uitdrukking “nu die zoon van u gekomen is”  (vs. 30a), die hij gebruikt, in plaats van “mijn broer” demonstreert een cynische minach­ting. In de zin, die hij uitspreekt: “hebt gij voor hem het gemeste kalf laten slachten” (vs. 30c) zit wrange kritiek op de vader. Hij was als oud­ste immers altijd thuisgebleven en had steeds ijverig meegeholpen. Hij had zich geweldig uitgesloofd en had het zoveel beter gedaan. Hij voelde zich ver verheven boven die andere zoon. Aan de buitenkant leek hij wel op zijn vader, maar aan de binnen­kant niet. Hij had aan zelfverlooche­ning gedaan  (dat wil zeggen: hij had zich allerlei dingen ontzegd), maar had nooit zichzelf echt overgege­ven of helemaal uitgeleverd aan de vader. Het ontbrak hem aan echt contact met de vader. Hij stond niet in een levende verbinding met zijn vader.

Vrouwelijk schoon

Hij verwijt zijn broer tegenover zijn vader dat “die uw bezit heeft opge­maakt met slechte vrouwen”  (vs. 30b). Deze beschuldiging kan niet vanuit het verhaal over de jongste zoon bewezen worden. Wanneer dit op zichzelf genomen juist is, klopt het zeker, dat we waakzaam moeten zijn voor bepaalde meisjes en vrou­wen, die weliswaar niet naar varkens ruiken, maar toch onrein zijn. Hier geldt de waarschuwing: “als een gou­den ring in een varkenssnuit (l) is een schone vrouw zonder verstand”  Spreuken 11 vers 22. (Spr. 11:22). Met als heerlijke tegen­pool: “bedrieglijk is de bevalligheid en ijdel de schoonheid, maar een vrouw die de Here vreest, die is te prijzen” Spreuken 31, vers 30. (Spr. 31:30). In onze jeugdtijd is flirten en voort­durend maar bezig zijn met het andere geslacht een geweldig gevaar, dat ons van het zoeken naar een die­pere relatie met God de Vader afkan houden. Als het dienen in de gemeente je gevormd heeft, geeft de Heer je wel op tijd je man of vrouw.

Ook in dit opzicht geldt: “Schuw de begeerten der jeugd…” 2 Timotheüs, 2 vers 22a. (2 Tim. 02:22a). Bedachtzaamheid is hier belangrijk, want er staat zelfs: “bijna was ik in alle kwaad geraakt te mid­den van de gemeente en de vergade­ring” Spreuken 5 vers 2 en Spreuken 5 vers 14. (Spr. 05:02; Spr. 05:14). De hoofdstukken 5 tot en met 7 van Spreuken geven veel waarschuwingen voor de vreem­de vrouw en uitglijders op seksueel gebied.

Zure wrok of zoete vrucht?

De oudste zoon verbrak in wezen de gemeenschap met de vader, al liep hij uiterlijk in het gareel. Er was geen volkomen toewijding vanuit het hart. Hij voelde zich tekort gedaan, terwijl de vader ook hem hartelijk benaderde en hem toeriep: “Kind, gij zijt altijd bij mij en al het mijne is het uwe”  (vs. 31).

Dit voorrecht kan ook voor ons in de gemeente zo gewoon worden, dat de heerlijkheid ervan niet meer zien. Al lopen we dan mee in het gemeen­tepatroon en doen niets onbehoor­lijks, toch kan alles zo kleur-, geur­ en fleurloos zijn geworden. In Johannes 15, vers 9 tot en met 11. (Joh. 15:09-11) lezen we: “Gelijk de Vader Mij heeft liefge­had, heb Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn liefde blij­ven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijn liefde. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u zij en uw blijdschap vervuld worde”. Deze instelling ondervindt de testen van het dagelijks leven in de omgang met anderen.

De oudste zoon bleef niet in de lief­de tegenover zijn vader en hij kon zijn broer niet vergeven. Hij trok de pruillip op en werd een zuurpruim, vol bittere na-ijver en wrok. Met zo iemand is het kwaad kersen eten, laat staan zoete druiven. Hij had mee kunnen profiteren van de erfenis, bestaande in de goede vrucht van liefde, vergeving, vreugde en vrede. De vader was ook naar hem toe vol van ontferming! Hij wilde aan de oudste, evenals aan de jongste zoon, eenvoudigweg zonder verwijt geven Jakobus, 1 vers 5 B. (Jak. 01:05b). God is liefde!

Relatie met de Vader

Heb je jezelf herkend? Deze keer legden we niet de nadruk op de oppervlakkige jongste zoon, die in een roes en in valse vrijheid leefde. De klemtoon lag ditmaal op de ern­stige, maar wettische en plichtsge­trouwe oudste zoon. Misschien doe je wel keurig mee in de gemeente en in het christelijke gezin, maar waar het om gaat is dat je innerlijk gegrepen raakt van een relatie hebben met God!

Het kan best zijn, dat er iemand van de jeugd, die een paar jaar wegge­weest is en diep in de zondige wereld heeft gezeten, zich bekeert en terugkomt in de gemeente. Hij geeft een klinkend getuigenis en de gemeenteleiding en de ouders van de jongen zijn laaiend enthousiast en blij. Dan kan het in je opkomen om te denken: “zo bont heb ik het toch niet gemaakt, want ik heb steeds goed meegedaan in de gemeente en waarom nu zoveel aandacht voor…” Zie je hoe dichtbij je dan bij de oud­ste zoon zit? Of kun je van harte dankbaar zijn voor die ander die uit de modder van de zonde is gekomen en een nieuw leven met Jezus is begonnen? Of, je kent vast wel iemand, die helaas nog leeft in dienst van de varkensboer, de duivel. Neem die persoon dan op je hart, voor te bidden! Ken je zelf, persoonlijk de Vader, die een liefdehart voor je heeft en die je nodigt voor zijn feest? Wil je Hem intenser leren kennen via zijn Woord? Of laat je het Woord van God alleen maar uiterlijk over je heen komen in de samenkomst? Dan is het wijs om een concrete beslissing te nemen, om zelf die Bijbel ter hand te gaan nemen voor je innerlijk voedsel! Ken je een thuis, een gemeente, een warm nest dat veiligheid biedt en waarbinnen jij ook mee tot opbouw mag zijn? Of ben je dan wel geen varken, maar geestelijk in feite een zwerfkat?  (van de ene praise-kick naar de volgende conferentie-happe­ning…, terwijl je mogelijk een taak in de plaatselijke gemeente of het sim­pele dienen thuis er maar een beetje bij laat hangen?). Laat je christelijke leven thuis en in je eigen gemeente

maar eerst tevoorschijn komen. Dan valt er daarnaast elders ook nog wel eens te genieten in groter verband.

Het feest van God

“Wij moesten feestvieren en vrolijk zijn, want uw (!) broeder hier was dood en is levend geworden, hij was verloren en is gevonden”  (vs. 32).

Weet je dat God de Vader van harte al je zondeschuld wil vergeven? Heb je ook al geleerd jezelf te vergeven? Of loop je nog rond met de ‘varkens- lucht’ van de schuld en de aanklacht, die de boze je wil aansmeren? Geef je dan van harte helemaal aan zo’n goede God, die het allerbeste met je voor heeft! God wil nog altijd het feest! Jubel jij al met heel je hart mee?

 

Bijbelse chronologie door Hessel Hoefnagel

De vrede van Jeruzalem Deel 10

In de chronologie van de Bijbel vin­den we onderstaande volgorde: De invloed van de Dood wordt al aangegeven vóór de zondeval van het eerste mensenpaar. Adam en Mannin werden door God gewaar­schuwd om niet van de ‘boom der kennis van goed en kwaad’ te eten. De Schepper waarschuwde hen: “Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven’ Genesis 2 vers 17. (Gen. 02:17). De dood sterven is onder het gezag en de macht van de Dood komen. De Dood is dus de éérste vijand van God en deze wordt het laatst ontmanteld. Het machtsgebied van de Dood betreft het in de Bijbel zo genoemde ‘dodenrijk’. Niet wedergeboren men­sen, ook godsdienstige, ‘leven’ nog onder deze claim en verkeren nog in deze sfeer, zolang ze niet radicaal gebroken hebben met de zonde of deze zien als onlosmakelijk met de mens verbonden. De zonde is de leugen en daarmee het ‘geweld van de Dood’. Door leu­gen en  (vaak vrome) misleiding brengt de duivel de mens onder de invloed van de Dood en maakt hem daardoor vruchteloos voor God.

Leven tegenover Dood

Lijnrecht tegenover deze leugen staat het ‘geweld’ van God, dat is de waar­heid. De Heer Jezus hanteerde deze zo nauwkeurig, dat Hijzelf ook de ‘waarheid’ wordt genoemd. Door deze waarheid is Hij de exclusieve ‘weg’ tot het doel van de Schepper. Dat doel houdt enkel ‘leven’ in.

De Heer doorbrak door de waarheid de claim van de Dood. Hij beroofde deze van zijn kracht en bracht onver­gankelijk leven aan het licht.

Hij ont­troonde daarmee ook de duivel, die werkt met het geweld van de Dood Hebreeën, 2 vers 14 Statenvertaling. (Heb. 02:14). Wat in Hebreeën, 2 vers 14. (Heb. 02:14 staat, wordt in een aantal Bijbelvertalingen zo geïnterpreteerd, als zou de duivel te gebieden hebben over de Dood. In andere vertalingen, die meer letter­lijk vanuit de grondtekst vertalen  (zoals onze Statenvertaling), komt duidelijk tot uitdrukking, dat de duivel werkt met het geweld van de Dood. Dit komt op meerdere plaat­sen in de Bijbel tot uitdrukking. Dat de Dood een sterkere macht is dan de duivel, wordt wel bewezen door het feit, dat ook de meest onbe­rispelijke rechtvaardigen toch gestor­ven zijn, ondanks dat ze nooit naar de duivel hebben geluisterd.

De poel des vuurs

Ook is het een gegeven in de Bijbel, dat de Dood en diens machtsgebied  (het dodenrijk) nog geoordeeld moe­ten worden, als de duivel en zijn engelen al in de zo genoemde ‘poel des vuurs’ zijn geworpen. Het is een belangrijk principe in de Bijbelse openbaring, dat datgene, wat zich in de openbaring van zonde en dood het éérst manifesteert, het laatst wordt uitgeworpen. Van de invloed van de Dood is al sprake vóór de zondeval van de mens, want de Schepper waarschuwde deze al van te voren voor de ellende  (Reisel), de dood sterven  (Statenvert.), sterven  (NBG), welke hem te wachten stond in geval van ongehoorzaamheid aan het gebod Genesis, 2 vers 17. (Gen. 02:17). Tegelijk is de Dood ook de laatste vijand, die teniet gedaan wordt 1 Korinthe 15, vers 26. (1 Kor. 15:26). De poel des vuurs is de eeuwige, onomkeerbare verwerping van alles, wat niet thuis hoort in de schepping van God. Het is de eeuwige sfeer van dood en verderf, ook genoemd de ’tweede dood’. Hier knaagt voor de mens, die daarin terecht komt, onop­houdelijk en zonder verzadiging de worm van de wroeging, terwijl het verterende vuur niet ophoudt te branden, Openbaring 20, vers 10 tot en met 14. (Openb. 20:10-14).

Opmerkelijke typeringen

In het gegeven van de Hof van Eden komen enkele opmerkelijke typerin­gen voor:

1.De duivel en satan  (tegenstander)

Dit is de gevallen engel, door wiens invloed en verleiding de innerlijke mens werd gescheiden van het wezen van God Genesis 3, vers 7. (Gen. 03:07).

Hij gebruikte hiervoor als ‘medium’ de kronkelende slang, welke listiger was dan alle andere velddieren. Door middel van dit dier richtte hij de aan­dacht van de mens op de begeerlijk uitziende vrucht van de ‘boom van kennis van goed en kwaad’.

2.De boom van kennis van goed en kwaad

Deze stond in het centrum van de Hof, direct naast de ‘boom van het leven’. Zoals de laatstgenoemde een profetische typering is van de ware mens, die zich als eerste in Jezus de Christus openbaarde, zo is de ‘boom van kennis van goed en kwaad’ een typering van de mens der zonde en wetteloosheid, waarvan de komende Antichrist een exponent is. Deze ‘zoon van Verderf  (= Dood!) zal zich openbaren in de tijd van afval, waarvan de profetieën in de Bijbel spreken. Hij is de tegenstan­der, die zich verzet tegen al wat God genoemd of als God geëerd wordt. Hij pleegt dit verzet, terwijl hij zich indringt in de mens, die in feite bedoeld is als een ‘woning’ of ‘lichaam’ voor God, die enkel Geest is. De openbaring van de Antichristus is naar dezelfde werking als die van de duivel. Deze inspirator werkt met veelsoortige uitingen, op zich stuk voor stuk verleidelijk om op in te gaan, maar in feite zitten ze vol ongerechtigheid en scheiden ze de mens van het doel van God  (2 Thessalonicenzen 2).

3.De boom des levens

De grote daden van God naar de mens toe zijn vervat in het genoem­de evangelie van Jezus Christus. Door dit evangelie roept God de mens, welke nog onder de macht van de Dood is, om daar onderuit te komen in de sfeer van het wonderba­re licht, dat het leven is voor de mens. Dit is mogelijk, sinds de Heer Jezus de Dood heeft overwonnen. Door Zijn dood wiste onze Heer al onze overtredingen uit en daarmee het bewijsstuk, dat door zijn inzettin­gen tegen ons getuigde en ons bedreigde. De duivel kan sindsdien namelijk de wet van God niet meer gebruiken om ons te beschuldigen voor God. De Heer nagelde dit bewijsstuk aan het kruis der vervloe­king, toen Hij daar lijfelijk in de zichtbare wereld aan hing. Zo ontwa­pende Hij de overheden en machten der duisternis en stelde ze openlijk ten toon Kolossenzen, 2 vers, 14 en 15. (Kol. 02:14-15).

Het ware leven

De Heer Jezus is vanwege Zijn over­winning over Dood en duivel de ware overste van de wereld. Hij is dit als mens! Hij regeert tezamen met Zijn heiligen, die samen met Hem het ‘lichaam van Christus’ vormen. Onder Zijn leiding wordt het ware leven geopenbaard. Dit is bestand tegen het geweld van de Dood en wordt terecht ook ‘eeuwig leven’ genoemd. Onze Heer wordt daarom al direct aan het begin van de Bijbel aangeduid in het schaduwbeeld van de ‘boom des levens’. Dan nog in de Hof van Eden, een beeld van de hemelse gewesten, waar nog volop strijd gevoerd wordt tussen ‘waar­heid en leugen’.

Aan het eind van de Bijbel wordt de Boom des levens echter aangeduid als staande centraal in het paradijs Gods  (een prachtig beeld van het Koninkrijk Gods), temidden van het geboomte des levens aan weerszij­den van en midden in de ‘rivier van het water des levens’. Dit laatste is een prachtige uitdruk­king voor het levende woord Gods, dat door de kracht van de Geest van God uit het heiligdom stroomt tot genezing en herstel van de hele schepping.

 

Wie gelooft er nog? Door Wim te Dorsthorst

In november vorig jaar werd de wereld geconfronteerd met de ver­schrikkelijke gevolgen van de tropi­sche orkaan ‘Mitch’. Deze raasde over Midden-Amerika, een spoor van dood en vernieling trekkend door verschillende landen. Dagelijks waren de schokkende beelden op de televisie te zien.

Een grote inzamelingsactie via de televisie bracht -Goddank- weer vele miljoenen op.

Maar al heel spoedig kreeg het ‘gewone nieuws’ weer de overhand. De economische crises in Azië, stij­gende en dalende beursindexen, dreigende economische recessie in Nederland, de zieke Jeltsin, enz.. In een tijd dat de hele wereld één grote stad lijkt te worden, is het des te schrijnender hoe snel iedereen weer terugvalt in individualistisch bezig zijn. Het lijkt wel of alles wat er gebeurt alleen maar aan de opper­vlakte mag binnendringen. De mens lijkt immuun te worden voor wat er om hem heen gebeurt.

Is God de schuldige?

Een gezegde luidt: “Ieder voor zich, God voor ons allen”!

God??… Ja, zo af en toe wordt God er ook nog bijgehaald.

In een uitzending op onze meest christelijke televisiezender kwam de

orkaan ‘Mitch’ ter sprake en toen werd er van God gesproken. En hoe!

Hoe kan God deze verschrikkelijke dingen laten gebeuren? Hij heerst

immers over wind en zee!

Waarom doet Hij… Waarom laat Hij toe… Hij had toch zeker wel… In vele toonaarden kwam het er uit: God is de schuldige van alle ellende. Niemand nam het op voor God, ook de christelijke leider van het programma niet. Je denkt dan toch: Heb je dan nooit gelezen dat er geschre­ven staat: “En God zag alles wat Hij gemaakt had, zie het was zeer goed” Genesis, 1 vers 31. (Gen. 01:31).

Daar hoorden kennelijk geen tropi­sche orkanen met vernietigende krachten bij. En men weet blijkbaar ook niet meer: dat er een zondeval is geweest met catastrofale gevolgen voor mens en schepping; dat de mens door de zonde het koningschap uit handen heeft gegeven aan de listige slang, de duivel, de grote tegenstander van God en mensen; dat God tot de eerste mens moest zeggen : ” Door uw zonde is de aardbodem om uwentwil vervloekt” Genesis 3, vers 17. (Gen. 03:17);

dat de schepping dientengevolge is onderworpen aan de vruchteloosheid, niet vrijwillig, maar om de mens die haar daaraan onder­worpen heeft  Romeinen 8 vers 20 (Rom. 08:20); dat de duivel de overste is gewor­den van deze wereld en voor een groot deel de gang van zaken op aarde bepaalt Efeze, 2 vers 2. Efeze 6, vers 11 en 12. (Ef. 02:02 en Ef. 06:11-12);

dat Jezus Christus, Gods Zoon is gekomen die ons de Vader heeft leren kennen Johannes, 1 vers 18. (Joh. 01:18); dat Hij verkondigd heeft: “God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis” 1 Johannes, 1 vers 5. (1 Joh. 01:05) dat Hij in heel Zijn handel en wandel heeft getoond dat de Vader een enkel goede God is.

Onderscheiding ontbreekt

Is er dan helemaal geen kennis meer van Gods Woord? Wat doen die mensen als ze het ‘Onze Vader’ bid­den? De Heer Jezus leert toch bid­den: “Onze Vader die in de hemelen zijt, Uw Naam worde geheiligd” Matteüs 6, vers 9. (Matt. 06:09). Dat wil zeggen: Gods Naam niet verbinden met welke vorm van kwaad, duisternis, geweld, dood, verderf, enz. Waarom zijn het dan christenen die de Vader hiervan zo vaak beschuldigen? De Heer Jezus leerde toch dat “de Vader, die in de hemelen is, Zijn zon laat opgaan over bozen en goeden en het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen” Matteüs 5, vers 45.  (Matt. 05:45)? En dat “Hij goed is jegens ondank­baren en bozen” Lucas 6, vers 35. (Luc. 6:35). Hoe Hem dan beschuldigen van ver­schrikkelijke natuurrampen, oorlo­gen, dood en verderf? Als je dan naar zo’n programma kijkt, dan denk je: Is er dan ook nie­mand die het voor God opneemt en de Naam van de Vader in de hemel, heiligt? Het is blijkbaar nogal mak­kelijk om God de schuld te geven de duivel en de mens buiten schot blijven.

Weet U wat Jesaja al profeteerde over die arme aarde in het laatst der dagen?: “De aarde wordt volkomen ontledigd en geheel leeggeroofd, want de Here heeft dit woord gespro­ken. De aarde treurt, verwelkt; de wereld kwijnt weg, verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwij­nen weg. Want de aarde is ontwijd door haar bewoners, omdat zij de wetten hebben overtreden, de inzetting ontdoken, het eeuwig verbond verbroken.

Daarom verslindt een vloek de aarde en moeten haar bewo­ners boeten; daarom worden de bewoners der aarde door een gloed verteerd en blijven er weinig sterve­lingen over Jesaja 24 vers 3 tot en met 6. (Jes. 24:03-06). Dit is toch wel duidelijke taal! Niet God is de schuldige, maar de afgedwaalde en door de duivel mis­leide mens. God rooft de aarde niet leeg, waardoor natuurrampen kun­nen ontstaan, maar de mens die met dollartekens in de ogen kijkt naar wat hij gebruiken kan om zich te verrijken.

Wetten en inzettingen Gods, om alles goed te laten functioneren op aarde, worden met voeten getreden en zo wordt het eeuwig verbond voor de aarde verbroken.

Gods grote liefde

En God? Zegt God eigen schuld, dikke bult? Nee, Hij heeft van Zijn kant alles gedaan en alles gegeven wat Hij had, Zijn eigen en enige Zoon, om aan dit alles een definitief einde te maken.

In Hem heeft God de hele schep­ping, de ganse kosmos, weer met Zichzelf verzoend door het bloed van Zijn Zoon aan het kruis Kolossenzen, 1 vers 20 en 2 Korinthe 5, vers 18. (Kol. 01:20; 2 Kor. 05:18).

En hiermee heeft God het funda­ment gelegd voor een totale vernieu­wing van hemel en aarde. Door Jezus is de overste van deze wereld, de duivel reeds buiten gewor­pen Johannes, 12, vers 31. Romeinen 8, vers 19. (Joh. 12:31).

Het wachten is nu op?… Mensen! “De schepping wacht op het open­baar worden van de zonen Gods”  Romeinen 8 vers 19 (Rom. 08:19).

Wat zijn dat voor mensen? Dat zijn mensen… die nog geloven dat de Bijbel het Woord van God is en waarachtig is, waardoor de mens Gods volkomen kan worden tot alle goed werk vol komen toegerust 2 Timoteus, 3, vers 16 en 17. (2 Tim. 03:16-17);

die nog geloven dat Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God Matteüs, 16, vers 16. (Matt. 16:16) die nog geloven dat Jezus Christus gestorven is als een verzoening

voor de zonden van alle mensen en de hele schepping die hun leven er voor inzetten om aan het beeld van “de Zoon” gelijk vormig te worden Romeinen 8, vers 29 en Efeze 4. vers 13. (Rom. 08:29 en Ef. 04:13) die zoeken hun roeping en verkiezing dagelijks te bevestigen 2 Petrus, 1 vers 10. (2 Petr. 01:10) die de Heer Jezus van de hemel verwachten, waarna Hij zal regeren met de zonen Gods in het duizend­jarig vrederijk Openbaring 20, vers 6. (Openb. 20:06).

Het grote perspectief

Dat zal dan uitlopen op wat we lezen in Openbaring 21 vers 1 tot en met 7. (Openb. 21:01-07): “En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijge­gaan, en de zee was niet meer. En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zelf zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwis­sen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite zal er meer zijn, want de eer­ste dingen zijn voorbijgegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw.

En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig. En Hij sprak tot mij: Zij zijn geschied. Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens, om niet. Wie over­wint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn”.

De Heer Jezus zegt: “Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde”? Lucas 18 vers 8. (Luc. 18:08). Laten we hopen en bid­den van wel!

 

Inspiratie of manipulatie?  Door Gert Jan Doornink

Het verhaal van Kaïn en Abel, zoals we dat kunnen vinden in Genesis 4, en in het Nieuwe Testament enkele malen wordt aangehaald, is een van de meest bekende verhalen uit de Bijbel. Tenminste als we wat thuis zijn in de Bijbel, want in onze dagen neemt de Bijbelkennis sterk af, zeker bij de grote massa, die niet alleen weinig weet meer heeft van het christelijk geloof, maar ook -en mede daardoor- alle godsdiensten op één lijn gaat stellen. Het is toch allemaal één pot nat. En waarom zouden andere godsdiensten ook niet waar kunnen zijn?, wordt er dan gerede­neerd. Nu is kennis van de Bijbel op zich natuurlijk geen garantie dat men ook werkelijk gelooft. Bovendien kan iemand die wél gelooft zijn kennis van de Bijbel ook op de verkeerde wijze gebruiken. Zonder het licht van Gods Geest kunnen wij onmogelijk de Bijbel op de juiste wijze verstaan. Dan kan men gemakkelijk een ‘letterknecht’ worden, terwijl Paulus juist waar­schuwt dat de letter doodt, maar de Geest levend maakt 2 Korinthe 3, vers 6. (2 Kor. 3:6).

Heenwijzing naar Golgotha

Het eerste wat we uit dit verhaal kunnen concluderen is dat het een duidelijke heenwijzing is naar het volbrachte verlossingswerk van Jezus Christus aan het kruis van Golgotha. En dan denken wij natuurlijk aan Abel, het onschuldige bloed dat vloeide toen hij werd doodgeslagen door zijn broer.

Zoals Jezus op onschuldige wijze stierf, zo was dit ook met Abel het geval. Maar zoals gezegd, het is een heenwijzing. En wij, die geloven in het volbrachte werk van Jezus, mogen door genade weten dat wij, zoals de Hebreeënbrief dat formuleert, genaderd zijn “tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel” Hebreeën 12, vers 24. (Heb. 12:24). Als Nieuwtestamentische christe­nen hebben we niet meer te maken met Mozes, de middelaar van het Oude Verbond, maar met Jezus, de Middelaar van het Nieuwe Verbond. Ons oog is daarom alleen gericht op Jezus Hebreeën 12, vers twee. (Heb. 12:02). Door Hem heb­ben wij vrede met God ontvangen. Een bekend bijbelleraar formuleerde het destijds in een van zijn boeken zo: “Abels bloed riep van de aardbo­dem om wraak of vergelding Genesis 4, vers tien. (Gen. 04:10), maar het bloed van Christus roept van de aardbodem om verzoening en leven. Dit bloed spreekt krachtiger en overstemt de roep van Abels bloed om vergelding en straf’.

Abel als voorbeeld

Jezus is echter niet alleen onze Verlosser en Verzoener, maar ook ons grote Voorbeeld om na te vol­gen. Maar voorafgaande aan het wer­kelijke voorbeeld dat Jezus Christus is, is ook Abel al een voorbeeld voor ons.

Want wat was het grote verschil tus­sen Kaïn en Abel, los van het gebeu­ren waarbij Abel zijn broer ver­moordde? Dat was dat Abel gemeenschap met God had door het geloof, maar Kaïn was niet door het geloof met God verbonden. Het Boek for­muleert het zo: “Omdat Abel op God vertrouwde, had zijn offer meer waarde dan dat van Kaïn. Door zijn offer aan te nemen, zei God dat Abel voor Hem rechtvaardig was. En hoe­wel Hij allang dood is, spreekt Abel nog steeds door zijn voorbeeld” Hebreeën 11, vers 4. (Heb. 11:04).

Abel werd door God rechtvaardig verklaard. Hij stond in de juiste ver­houding tot God. Hij kon God recht in de ogen kijken. Jezus zelf spreekt dan ook over ‘Abel, de rechtvaardige’ Matteüs 23, vers 33, tot en met 36. (Matt. 23:33-36).

Zijn voorbeeld laat ons zien hoe het leven van iemand die in de juiste verhouding met God staat uiteindelijk altijd een triomferend leven is! “Wie volhardt tot het einde, die zal behou­den worden”.

En dan speelt in feite de lichamelijke dood geen rol, hoe onbegrijpelijk dit ook klinken mag. Ogenschijnlijk was Abel de verliezer en Kaïn de win­naar. Kaïns leven ging zelfs gewoon door, lees Genesis 4 er maar verder op na…

In de welvaartstijd waarin wij leven is in feite alles gericht op een voor­spoedig, zorgeloos leven en willen we eigenlijk liever niet denken aan de dood, laat staan aan het feit dat de waarachtige gemeente in deze eindtijd een periode van vervolging en verdrukking tegemoet gaat. Van dit laatste ben ik vast overtuigd. En ik schrijf dit niet om u en mij angst aan te praten, maar wel vanwege het feit dat we de werkelijkheid onder ogen dienen te zien. We verlangen terug naar de Handelingentijd en dat is een goed verlangen, maar denken we er ook aan dat die tijd behalve opwekking, tekenen en wonderen, een tijd was van vervolging? Stefanus werd gestenigd, maar tegelijkertijd lezen we van Hem dat bij zijn heengaan de hemel geopend was Handelingen 7, vers 55. (Hand. 07:55). Hij haakte niet af toen hij met de dood geconfronteerd werd. De lichamelijke dood zal ons op geen enkele wijze kunnen scheiden van de liefde Gods, geopenbaard in Jezus Christus. Integendeel, we zijn voor altoos en eeuwig met Hem ver­bonden. We zijn burgers van een Rijk in de hemelen, als we tenminste getrouw blijven aan onze roeping. Gerechtvaardigd zijnde, dienen we ook als rechtvaardigen te leven. Dat is onze taak, onze opdracht.

Verantwoordelijkheid

Abel is het voorbeeld van een recht­vaardig mens, zoals Kaïn dat is van een onrechtvaardig mens. Dit bete­kent niet dat dit al, om een modern woord te gebruiken, door God voor­geprogrammeerd was. Abel was niet alleen de uitverkorene, ook Kaïn was dat! De predestinatieleer heeft al heel wat onheil aangericht. De vrome wereld wil het ons misschien wel anders doen geloven, maar God maakt geen onderscheid. Hij heeft alle mensen lief! “De genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen” Titus, 2 vers 11. (Titus 02:11). Maar de mens moet wel ‘ja’ zeggen op dit aanbod van genade.

En hier komen we bij een ander belangrijk aspect terecht dat we uit deze geschiedenis kunnen leren: ieder mens draagt een eigen verant­woordelijkheid. God heeft ons geschapen met een vrije wil. Wat was de fout van Kaïn? We zei­den het al: hij leefde niet in gemeen­schap met God, en daardoor werd zijn offer niet aangenomen. Maar dat betekende nog niet dat hij daarom ‘verloren’ was. Als Kaïn met een berouwvol hart tot God was geko­men en gevraagd had: ‘Wat is er mis met mij? Waarom neemt U mijn offer niet aan?’ had God hem dat geopenbaard en vergiffenis geschon­ken.

God wil altijd vergeven. Blijven wij echter de weg van het ongeloof, van het niet-vertrouwen bewandelen, dus buiten de gemeenschap met God leven, dan gaan we ons op gevaarlijk terrein begeven: het gebied van de tegenstander, de vorst der duisternis. Dan zijn we op een hellend vlak terechtgekomen en komen we steeds dieper in de duisternis. Zoals we van Kaïn duidelijk kunnen lezen: “Indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen”  (vs. 7).  (Lees ook wat Johannes over Kaïn schrijft in zijn eerste brief, 1, Johannes 3, vers 11 en 12. (1 Joh. 03:11-12).

Manipulatie

Kaïn gaf geen gehoor aan de opdracht over de zonde te heersen. Integendeel, hij liet zich inspireren door een verkeerde geest, die hem tot doodslag aanzette. Wat zeg ik: ‘inspireren’, we kunnen beter zeggen: ‘manipuleren’. Want dat doet de vorst der duisternis. Gods Geest inspireert ons om het goede te doen, maar de verkeerde geesten proberen ons te manipuleren.

Ik heb de betekenis van het woord ‘manipuleren’ nog eens opgezocht: manipuleren is een bedrieglijke methode, het is een stuwing in een bepaalde, door de betrokkene eigen­lijk niet gewenste richting. Misschien wilde Kaïn zijn broeder nog wel niet eens vermoorden, maar ’t liep uit de hand, zou je kunnen zeggen, de verkeerde macht in hem zette hem aan die fatale doodklap uit te voeren.

Maar hij was er wel zelf verantwoor­delijk voor dat het gebeurde. Toen God hem ter verantwoording riep en vroeg: “Waar is uw broeder Abel?”, loog hij door te zeggen: “Ik weet het niet; ben ik mijn broeders hoeder?” Kaïn probeerde zich aan zijn verant­woordelijkheid te onttrekken… Een tragedie uit de begintijd, maar tegelijkertijd een geweldige waar­schuwing voor ons, gelovigen van deze tijd, een halt toe te roepen aan elke infiltratiepoging uit het rijk der duisternis. Lukt ons dat altijd al? Nu als we dat moeten doen in eigen kracht falen we, maar we hoeven het niet alleen te doen. Gods kracht, de heilige Geest is in ons, zoals dat ook bij Stefanus het geval was – Handelingen 7, vers 55. (Hand. 07:55), en Hij doet ons triomferen. Zoals de duivel ons wil manipuleren, zo zal Gods Geest ons inspireren, voorwaarts te gaan in de Naam van Jezus, de weg van geloof te blijven bewandelen, de hoge weg, die uiteindelijk uitmondt in volle heerlijkheid!

Een voortgaand proces

Ik noemde zoeven dit verhaal een tragedie uit de begintijd, maar ik geloof dat we hier ook te maken heb­ben met een belangrijk aspect waar we in deze eindtijd bij betrokken zijn, dat is de scheiding der geesten. Iets wat al in volle gang is. Alles wat onecht, wat surrogaat is, wat niet werkelijk levensvatbaar is, wordt ont­maskerd en alleen wat echt is blijft over. Dat is het voortgaande proces in onze dagen waar u en ik mee te maken hebben. Al zien we het misschien nog niet voor 100% gereali­seerd, het gaat wel door! Dan moet ik denken aan Openbaring 22, vers 11. (Openb. 22:11) waar we lezen: “Wie onrecht doet, hij doe nog meer onrecht; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardig­heid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd”. Betekent dat nu dat God mensen stimuleert om nog meer onrecht te doen en nog vuiler te worden? Neen, het is een logisch gevolg van het feit als we in de greep van Satan terecht zijn gekomen, het vaak van kwaad tot erger wordt. Zoals het ook een logisch gevolg is, dat als we de Heer werkelijk dienen, door de weg van geloof te blijven bewandelen, we verder geestelijk groeien, totdat we, zoals Paulus dat formuleert in Efeze 4, vers 13. (Ef. 04:13), “de mannelijke rijpheid hebben bereikt, de maat van de wasdom der volheid van Christus”. Dan openbaren we ons werkelijk als zonen Gods, waar­op de gehele schepping met een groot verlangen op wacht.

Scheiding der geesten

De scheiding der geesten is in onze dagen in volle gang. Met daarbij de ‘Kaïn-mensen’ aan de ene kant en de ‘Abel-mensen’ aan de andere kant. Ik was nog eens in de platenbijbel van Gustave Doree aan het bladeren. Verschillende tekeningen van hem zijn misschien wel te simplistisch voorgesteld en soms niet geheel in overeenstemming met de werkelijk­heid, maar toch werd ik opnieuw getroffen door de tekening die hij gemaakt had van de offers die Kaïn en Abel brachten aan God. Je ziet dan de rook van het offer van Kaïn naar beneden slaan en de rook van het offer van Abel in een lange rechte lijn naar boven gaan. Toen dacht ik: wat een duidelijke beelden. Aan de ene kant de schijngodsdienst, het naam-christendom, zon­der inhoud, ondanks alle mooie woorden, vormen en rituelen, neer­slaande rook, verbonden met de aarde, met de overste van deze wereld, de vorst der duisternis. Maar aan de andere kant: de ware gemeente van Jezus Christus, de werkelijke gelovigen, zij die ondanks bespotting en vervolging, uitgroeien tot overwinnaars, zoals ook Jezus overwinnaar was. De zonen Gods, met aan het hoofd dé Zoon van God, Jezus Christus!

Geen neerslaande rook, maar tot in de hemel opstijgende rook. Zij zijn immers verbonden met het werkelij­ke leven en de werkelijke levens- vorst. Hun plaats is met Christus in de hemelse gewesten. Van daaruit strijden en overwinnen zij! Hebben ook wij die plaats met Christus ingenomen? Kiezen wij voor een leven zoals Kaïn dat had, of voor een leven zoals Abel? Nog is het tijd om de goede keuze te doen! Om met Jozua te spreken: Kies dan heden wie u wilt dienen! Laat u niet manipuleren door verkeerde geesten, maar inspireren door de Geest van de levende God!

 

Slooppand? door Froukje Huis

 

Midden in de rechte straat tussen al die huizen met hun zelfde smalle deuren en dezelfde kleine ramen, sta ik. Er is maar één verschil: ik heb een bordje voor het raam: SLOOP­PAND. Gisteren kwam mijn eige­naar D. Uivel binnen, schreeuwend: ’t Is eindelijk voor elkaar! Je wordt gesloopt, ’t Werd tijd ook! Hij plaats­te het bord voor het raam en sloeg de deur met een klap dicht. Pang! Er vloog een steen door de ruit. Hij stak zijn kop erdoor: Haha, je wordt toch gesloopt!

Dus nu ben ik een slooppand. Ik kijk langs mijn plafond. Het brokkelt af en in de brokken lees ik: ‘Je bent waardeloos!”. In de muren zitten scheuren, het lijken woorden: ‘Van jou komt niets terecht!’

De vloer is vochtig en er groeien schimmels bij de ramen, ze zeggen: ‘Deze kwaal kan niet genezen’. Inderdaad: ik kan maar beter ge­sloopt worden. Wie kan mij nu nog gebruiken? Maar… mijn muren zijn hecht en sterk, de vloer is nog stevig…

De deur kiert open. ‘Wat zie ik nu? Is dit een slooppand geworden?’ Een heer komt binnen, betast mijn muren, stampt op mijn vloer! “Je bent zo min nog niet. Ik zou graag wat moois van je maken!” Wat moois van mij maken? Ziet die man nog wat in mij? ‘”t Zal tijd kosten en wat pijnlijk zijn af en toe, maar het lukt vast”. “Maar ik ben het eigendom van de heer Uivel”, stamel ik. “Niet lang meer”, glimlacht de man en ver­dwijnt.

Een uur later is hij terug, zwaaiend met een papier. “Ik heb je gekocht en hier is het koopcontract. Morgen gaan we aan de slag”!” Hij neemt het gehate bordje weg en er komt een nieuwe voor het raam te staan. Ik weet niet wat er op staat. Iemand loopt langs het raam, ziet het bordje en leest hardop: “Renovatiepand”. Renovatie? Wat zou dat zijn?

De volgende dag komen de werklie­den. De schimmels worden verwij­derd, het behang er afgehaald, de plafonds afgestoken en de vloer geëffend. Het is geen pretje en af en toe bepaald pijnlijk, maar ik begrijp best dat de rommel er eerst uit moet voor het mooi kan worden. Soms moeten de muren geschuurd, omdat er inkervingen inzitten die Uivel er in gemaakt heeft. Maar ze worden alle gaaf!

Dan begint het echte werk. De pla­fonds worden gewit: ze ademen gerechtigheid. De muren worden behangen in frisse kleuren: ze maken me blij! De vloeren worden bedekt met zachte tapijten: het geeft vrede en rust.

Mijn nieuwe eigenaar komt binnen. “Het gaat goed, hè?” zegt hij. “Waarom doet u dat alles voor mij?” vraag ik.

“Omdat ik van je houd, ik ben de architect en ik heb je goed gemaakt”. “Het is alles zo mooi en kostbaar”, zeg ik verlegen. “Ja”, zegt de heer, “maar ik heb zelf hier mijn intrek genomen”

Het duizelt me. Wat een eer valt me te beurt!

Er piept een deur. Stampende voe­ten, een harde stem: “Zo, zo, je wordt gerenoveerd, vernieuwd, hè?”, smaalt hij. ’t Is Uivel. Hij mijdt de kamer want die is klaar. Hij doet de rommelkamer, waaraan nog niets is gebeurd, open. “Haha!” schreeuwt hij. “Moet je dat zien, smerig behang, kapotte ramen, nou mooie vernieuwing hoor!” Een windvlaag smijt de deur voor zijn neus dicht. “Lees maar”, zeg ik en wijs op de deur: “Zie, Ik maak alle dingen nieuw!”. “Dit komt ook nog aan de beurt. Ik weet dat ik nog niet klaar ben, maar…!”

Opeens kom ik tot bezinning: “Zeg, wat doe je hier eigenlijk in huis? Je hebt hier niets meer te maken! Ik ben gekocht en betaald door mijn nieuwe eigenaar en jij hebt hier niets te zoeken!”

  1. Uivel gaat. Natuurlijk probeert hij het weer, maar de deur blijft dicht. Hij staat nu schreeuwend voor de ramen. Hij doet maar.

En als ik straks helemaal klaar ben? Dan durft hij niet eens meer naar me te kijken. Daar zie ik met verlan­gen naar uit.

Kent u mijn eigenaar al? Zijn naam is: Jezus Christus! Hij heeft niet alleen voor mij en hoge prijs betaald, maar ook voor u! Hij gaf zijn leven voor de hele wereld. Voor ieder die in Hem gelooft. En ook u wil Hij nieuw maken!